ZES EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

ZES EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.Op zijn studeervertrek gekomen heeft Helmond eenigszins gejaagd het werk verricht, ’t welk hem nog te doen stond. Daarmede gereed, schelde hij, opdat men alvorens naar bed te gaan, het avondbrood zou wegnemen ’twelk Eva op zijn kamer heeft laten klaarzetten.De oudste der beide nieuwe dienstboden—op ’t stuk der dienstboden is men in de luttele maanden sedert het huwelijk mede zeer vooruitgegaan—de oudste dier beide nieuwelingen komt al spoedig met een paar brieven in de hand de studeerkamer binnen, en ’t is wel aan haar oogen te zien dat ze dokter—die natuurlijk een huissleutel heeft—straks niet heeft gehoord toen hij in zijn woning terugkwam.Van de beide brieven is er een zonder postmerk, aan het adres van Monsieur et Madame Helmond-Armelo, en een met het postmerk Amsterdam, aan Dr. A. Helmond.Dat kleine briefje kon Helmond even inzien. ’t Droeg wel de sporen alsof men gepoogd had het open te maken; maar hij verkeerde nu in geen stemming om dit te onderzoeken, en mocht hij al een oogenblik ’t voornemen hebben opgevat om zijn nieuwe dienstboden tegen een “al te groote belangstelling” te waarschuwen, hij heeft de eenvoudige waarheid niet gegist dat het briefje der Debecque’s waarvan het omslag slechts weinig had vastgekleefd, gemakkelijk na de lezing door Eva weder was dichtgemaakt.En dat schrift bevatte de uitnoodiging tot het bijwonen van een feest.Op dit oogenblik is er zeker niets, ’t welk Helmond meer tegenstaat dan het denkbeeld om feest te vieren. Hij ziet die treurende weduwe vanDe Schebbelaar; dien zwager met zijn boosaardigverwijt!—Neen het kan niet. Bovendien met Eva, in haar omstandigheden, dient men wat voorzichtig te zijn. Ze heeft een zenuwachtig gestel. Erheen rijden; feestvieren tot laat in den nacht, en dan zulk een rit terug.....!?—Nu ja, maar die zorg is toch overdreven. ’t Zal zeker een mooi feest zijn ter eere van Archibald; en Eva zal gaarne.....—Maar het verstand zegt: blijf rustig thuis! En dan wat al kosten opnieuw! Voor zulk een avond zal er zeker weer ’t een en ander aan het toilet ontbreken: Allereerst witte handschoenen. Bovendien, de vigilante—ook terug in den nacht—zal minstens drie gulden kosten, plus de verschillende fooien!—En dan de praktijk! Nee, peinst Helmond voort: Eva weet er nu toch niets van; als ik ’t maar aanstonds afschrijf, en later als reden opgeef—bijvoorbeeld vrouw Sturk, ’t geen immers mogelijk is, dan zal alles wel goed zijn. Ja, Eva kan en mag er niet op aandringen; haar geheim; haar tevredenheid in het mooie huis.....—Misschien, ja misschien zal ze toch een heel klein beetje boos zijn!—Nee, ze zal daar niet over tobben; nee!Ofschoon Helmond weinig schrijflust gevoelt, hij zet zich toch aanstonds voor zijn nieuwe zeer fraaie schrijftafel—die door Eva op zulk een heerlijke studeerkamer volstrekt noodzakelijk was geoordeeld —en schrijft aan de familie Debecque: dat men door bijzondere omstandigheden verhinderd is van de zeer beleefde uitnoodiging gebruik te maken. Aan de dienstmaagd, die straks goeden nacht komt zeggen, geeft Helmond het briefje, met bevel dat Bus het morgen zoodra hij komt, voor den vroegbode bezorgen zal. Kaatje zou immers wel voorzichtig zijn, en het briefjevolstrekt niet kreukelen!? Den grooten brief uit Amsterdam waarvan de hand op ’t adres hem onbekend is, besloot Helmond eerst den volgenden morgen te lezen. De hoofdpijn was wel niet erger, maar in alle geval zal ’t beter zijn om nu rustig naar bed te gaan. Waarom nog meer in ’t hoofd te halen dan er nu reeds in woelde en spookte.—Helmond beziet nog even het adres. De hand gelijkt iets op die van zijn ouden vriend Woudberg, wien men nog op de huwelijksreis een bezoek heeft gebracht.—Even wil hij zien of hij zich niet bedriegt.Lezenzal hij hem in geen geval.Nu Helmond den brief geopend en de onderteekening inderdaad voor die van zijn ouden academievriend heeft herkend, nu zou hij toch bij zijn besluit zijn gebleven indien niet een paar woorden, waarop toevallig zijn oog is gevallen, hem aanstonds daarvan hadden teruggebracht. De woorden “uw diep ongelukkige broeder”, ze hebben hem hevig aangegrepen en wel tot lezen gedwongen.—O groote God, ook dit nog! zegt Helmond bijna hoorbaar:“..... zoodat er naar men mij verhaalde letterlijk gebrek werd geleden,” leest Helmond voort, terwijl hij den brief als ’t ware verslindt: “Voor drie weken ongeveer besloot ik mij zelf te gaan overtuigen wát er van waar mocht wezen. Ik begaf mij naar zijnwoning. Philip ontving mij tamelijk koel. Hij vroeg mij aanstonds of ik namens den generaal Van Barneveld of namens u kwam. Op mijn antwoord dat zulks niet het geval was, verzocht hij mij plaats te nemen, want, voegde hij mij toe: Indien gij uit naam van “iets uit Romphuizen” kwaamt, dan zou ik u verzoeken mij liefst niet op te houden.“Ik verzwijg u niets Helmond, want het is noodig dat ge weethoege tegenover uw broeder staat, alvorens gij iets ten zijnen behoeve zult besluiten.—Toen ik plaats had genomen, verhaalde ik hem openhartig wat ik van terzijde vernam. In den aanvang aarzelde hij zulks te bekennen: maar eindelijk moest hij toestemmen dat hij het bitter ellendig had. Nu, ’t was den armen duivel wel aan te zien. Zijn altijd geestige oogen fonkelden nog wel, maar bijwijlen was er een matheid in zijn blik, zeer in harmonie met de bleekheid van zijn broodmager maar altijd toch nobel gelaat.“’t Was roerend August, toen hij met een bevende stem en een traan in de oogen, maar tóch met een ruwen uitval bekende, dat bij zelf wilde honger lijden en zich laten vertrappen als het wezen moest, maar dat hij krankzinnig zou worden indien hij zijn vrouw en kind moest zien gebrek lijden en verachten door een wereld vol bekrompen laagheid. Toen, August, greep ik zijn hand, en sprak hem van menschen die het goed met hem meenden; van u en den generaal. Wat hij antwoordde meld ik u niet omstandig. Genoeg, hij dacht er niet aan om eenige hulp van u aan te nemen. Liever zou hij—doch waartoe meer. Eensklaps was hij opgestaan, en vroeg mij op een gansch anderen toon: wie mij eigenlijk tot hem gezonden had of het recht gegeven om mij in zijn huiselijke aangelegenheden te komen mengen?—Nu ja, in den beginne was hij zooals hij zeide, door mijn hartelijken toon wat zeer vertrouwelijk geweest, maar wanneer ik nu tóch gedurig van u en den generaal sprak, dan bekroop hem de vrees dat ik een poging waagde om hem tot een stap te bewegen, dien hijlaagmoest noemen; immers liever zou hij zich met vrouw en kind in het IJ werpen, dan van menschen die zich voor zijn dierbaarste schaamden, zelfs een groet te willen ontvangen. Tot mijn leedwezen August, kom ik er reeds toe om u bijna letterlijk Philips woorden terug te geven, doch het geschiedt opdat gij levendig gevoelen zoudt, dat de hulp van uwe zijde zóó zal verleend moeten worden, dat Philip gelooft van een gansch anderen kant te zijn geholpen. Nadat ik den armen vriend wat kalmer had gestemd door hem nogmaals te verzekeren dat ik hem geheel uit eigen beweging was komen zien, verhaalde hij mij de hoofdoorzaak zijner “voor ’t oogenblik nog al moeielijke omstandigheden.” Dewijl hij zich op zijn bureel, bij ’t meesttijds verrichten van armzalig kopiëerwerk, somwijlen eenige vrijheden had veroorloofd, ja zelfs een stuk—’t welk hij meende dat toch nooit gelezen zou worden—in Alexandrijnen had gesteld, was hij door een “ploert” vervangen, die in gemoede den inktmop kopiëeren zou wanneer de schrijver er bij ongeluk een had laten vallen.“Mij te zeggen wat hij al beproefd had om weder eene fatsoenlijkebetrekking, zij het als klerk op een koopmanskantoor, te bekomen, dat wilde hij niet: het scheen wel alsof de mededeeling dat hij in de rechten gestudeerd had—zonder het Mr. voor zijn naam te kunnen plaatsen, en de daarbij gevoegde omstandigheden dat hij getrouwd was, en op een bovenkwartier in de Tuinstraat woonde, de deftige heeren kooplui aanstonds reeds “iemand op ’t oog deden hebben, waarmee ze zoo goed als klaar waren”, zoodat hij onverrichterzake kon aftrekken.—“Maar geen nood,” riep Philip bijna woest; “je moet niet denken Woudberg, dat we gebrek behoeven te lijden. Waarachtig niet! Een valsch begrip van eer; het toegeven aan een dwaas vooroordeel in ons kleine land, maar vooral het besef dat de naam dien ik draag niet mijn uitsluitend eigendom is, dat alles deed mij dralen om gevolg te geven aan een plan, ’t welk tot uitvoering zal komen, en waardoor het ons verder aan niets zal ontbreken.”“Om kort te gaan August, wat ik vreesde zal geschieden indien gij ’t niet te voorkomen zoekt. Philip wil zich met zijn vrouw bij een tooneelgezelschap laten engageeren. Nochtans hij geloofde niet bij een der grootste theaters te zullen slagen. Ofschoon zijn vrouw er zeer goed uitziet, haar talent—ik heb dit vroeger wel eens meer gehoord—moet niet veel beteekenen. Philip zelf heeft wat gerederijkt, maar de tooneeldirecteurs geven geen eerste emplooi aan menschen zonder eenige reputatie.—Dit laatste komt in ons voordeel, want Philip schijnt bepaald te gelooven dat hij een eerste viool zal moeten spelen.”“Groote God!” zegt Helmond, en terwijl hij met beide handen zijn kloppend hoofd ondersteunt leest hij weer voort:“Beste August, wij behoeven ons zeker niet te verdiepen in de vragen wat ons Nederlandsch tooneel is, en of de tooneelwereld inderdaad uit het rechte oogpunt wordt beschouwd; we staan hier voor het feit dat de naam vanHelmondwaarschijnlijk binnenkort zal te vinden zijn op de tooneelbiljetten—zeer waarschijnlijk van een der allerminste gezelschappen in ons land. Nu is het de vraag of ditkanenmaggeschieden. Zonder u te hooren, heb ik reedsneengeantwoord. Mij dunkt, acteur mag Philip niet worden; en toch moet hij een kostwinning hebben.—Als uw oudste trouwe vriend, bied ik u gaarne de hand. Maar, er is geld noodig.”“Geld! ha, geld!” zucht Helmond, en drukt de handen vaster tegen het kloppende hoofd.“Recht gelukkig ben ik August, dat ik waarschijnlijk in de gelegenheid zal zijn om den armen drommel aan een fatsoenlijke positie te helpen. Twee mijner neven hebben het voornemen om een nieuwe brandwaarborgmaatschappij op te richten, en zouden daarin uw broeder tot mede-directeur willen kiezen, indien hij zich bereid verklaarde om het meerendeel der werkzaamheden te verrichten, en minstens tien aandeelen a duizend gulden te nemen of te plaatsen.“Deze zaak geef ik u alzoo ter overweging. Spoedig hoop ik te hooren hoe gij er over denkt. Philip die de zaak, om de tweede conditie, als een onmogelijke aanstonds verwierp, zou haar gretig aanpakkenindien ik hem door mijnvrienden—gij verstaat me—die aandeelen bezorgde.“’t Is dus een affaire van tien duizend gulden. Mij dunkt, indien een man als mijnheer Van Barneveld weet dat hij uw diep ongelukkigen broeder van zulk een stap kan weerhouden, en bovenal dat hij hem een fatsoenlijke betrekking kan bezorgen, waardoor zijn toekomst verzekerd wordt, dan zal hij niet aarzelen om voor een betrekkelijk geringe som aandeelen te nemen in een assurantie-maatschappij die, door een tal onzer eerste families ondersteund, bovendien de beste waarborgen oplevert.“’t Is dan verder—zooals gij reeds vermoed hebt—mijn voornemen, om Philip, ofschoon werkelijk door de inschrijving van uw oom geholpen, tien andere naamlooze aandeelen te toonen, die reeds door mijn vrienden genomen zijn.“Bij mijn laatst bezoek, ’t welk ik hem gisteren bracht, liet ik de hoop doorschemeren dat ik hem—natuurlijk zonder den steun van u of uw oom—zou kunnen helpen. De arme kerel werd bijna tot tranen geroerd; hij beloofde mij dat tooneeldenkbeeld nog wat uit het hoofd te zullen zetten. Maar.... “de oogenblikkelijke moeielijkheden—?” Nu ja, van mij die zich steeds een oprecht vriend betoonde, en vooral, zooals hij zeide, die steeds aan zijn vrouw de eer had gegeven, welke men haar verschuldigd was—’t is mogelijk dat ik eens bij een ontmoeting op straat, den hoed voor haar heb afgenomen—van zulk een vriend wilde hij nog wel het kleine voorschot van honderd gulden aannemen, ’t welk ik hem op kiesche wijze had aangeboden.“En nu mijn vriend, stel mij niet te leur. Ik wilde onzen braven dolleman er weer zoo gaarne bovenop helpen; hij is het waard, al ware het alleen omdat hij uw broeder is.“Houd mijn bemoeiingen voor de bewijzen van mijn onveranderlijke vriendschap, en schrijf spoedig aan uw vriendEverard Woudberg.”Het was dokter Helmond alsof het arme hoofd hem ging bersten. Steeds turend op het schrift, bleef hij in dezelfde houding zitten, met de beide ellebogen op de tafel geleund.—Ook dit nog!—Dit! Welk dit?—Het moest zeker een gevolg van wat koorts zijn, dat hem deze brief zoo loodzwaar op de borst drukte. Had Woudberg dan geen prachtig uitzicht voor Philip geopend? Was het geen heerlijke uitredding voor den armen jongen; geen gelukkige wederoprichting van den naam, dien Philip tot heden maar al te weinig had geteld, en die toch het erfdeel was van een geslacht waaruit, in de laatste twee eeuwen, zelfs zonen tot de hoogste waardigheden mochten opklimmen!Maar nochtans, terwijl Helmond zoo peinst, klinkt daar telkens een stem, en het dreunt in zijn hoofd: geld, geld, geld, geld!Opgestaan, zoekt Helmond nu naar het beste geneesmiddel—Het koude water ’twelk hij overvloedig aanwendt, doet hem inderdaadeen oogenblik als herleven. Den kletsnatten doek stijf tegen de nekspieren gedrukt, ziet hij nu met verruimden blik de zaken weer in:—Geld is er noodig, veel geld: tien duizend gulden! En hetmoeter komen. Van oom....? Maar zal het geen vergeefsche moeite zijn om aan oom te vragen, of hij in Philips belang die aandeelen wil nemen! ’t Is zoo goed als zeker dat de vroeger zoo nobele man, die langzaam in ongevoeligheid aan een steen gelijk wordt, kortaf zal weigeren.—Ha! nu heeft hij een goeden inval: Woudbergs vrouw zou aan Jacoba als haar oude schoolvriendin kunnen schrijven, met verzoek om haar vader in ’t belang der beide oprichters tot het nemen van de aandeelen over te halen.—Ja, wanneer Coba maar geheel op de hoogte is, dan zal ze dat zeker met tact behandelen. De generaal moet niet weten dat hij met zijn geld den armen Philip helpt, zoomin als Philip ooit ontdekken mag dat de hulp van die zijde kwam.En, Helmond kan aan den aandrang van zijn hart geen weerstand bieden. Aleer hij zich te bed zal begeven moet hij aan ’t werk. Spoed is noodzakelijk.—Deze onverwacht schoone uitkomst mag Philip in geen geval door het dralen van zijn broeder ontgaan. Wanneer hij aanstonds schrijft, zoowel naar Amsterdam als naar den Godesberg, dan kon Bus de beide brieven morgen mede zeer in de vroegte bezorgen; en, bij de gerustheid dat August dan deed wat hij kon, behoefde de angst hem niet te kwellen dat hij morgen door ongesteldheid, of door den drang der praktijk—immers hij dient mede reeds vroeg naarDe Schebbelaarte gaan—de goede gelegenheid tot schrijven zal missen, die hij nu heeft in het nachtelijk uur. Het water, waarmee de dokter zich gedurig het hoofd verfrischt, heeft hem waarlijk veel verkwikt, althans hij gevoelt geen smart zoolang hij aan zijn lieve pleegzuster schrijft. Het slot van den brief luidde:“Meer, mijn goede zusje, behoef ik je niet te zeggen. Je vader moet de aandeelen nemen in de meening dat hij er de neven van Woudberg genoegen mee doet.“De families Woudberg en Van Diense zijn bovendien in Amsterdam als solide bekend, zoodat oom voor zijn geld geene zorg behoeft te hebben.“Nieuws van belang is hier niet. Meld mij vooral wanneer gij terug denkt te komen, en of het u, lieve Coba, in den vreemde goed gaat en bevalt.“Hoe ik mij ten opzichte van uw vader voortaan zal moeten gedragen.... ’t is mij in al die weken nog niet helder geworden. Ik hoop de kracht te behouden om mijn dankbare liefde voor hem met de innige liefde voor mijn engel te blijven verbinden, ’t Heeft mij grooten strijd gekost om uw vader op zijn verjaardag te schrijven, en—in vertrouwen gezegd Coba—Ik geloof niet dat de brief er een van den ouden stempel was.“Na ’tgeen ik ondervinden en van mijn goeden Van Hake hooren moest—ofschoon hij mij slechts zeer weinig te antwoorden had—was dit niet anders.“Met een zoen aan mijn lieve zusje, in wier beterschap ik mij zoo recht hartelijk verheugde, en die zich ook nu, naar ik hoop, heel frisch en versterkt zal gevoelen, blijf ik als altijd haar liefhebbende broeder:August.Romphuizen van 29 op 30 Aug. 18....”De pendule met een forsch metalen Minervabeeld erop, sloeg één. Buiten deed de Romphuizer torenklok het haar na.Helmond zit weer eenige oogenblikken met de beide handen onder ’t hoofd. En, zelfs terwijl hij daar schreef was het denkbeeld niet bij hem gerezen, omzelfin ’t belang van zijn broeder geld op te nemen. Neen, nu en nooit te voren was hij op die gedachte gekomen, ofschoon hij toch om dit huis.... voorhaarte kunnen koopen, met alles wat daarin is—de fraaie pendule op zijn studeerkamer had hem er aan herinnerd—zich niet heeft ontzien schulden te maken, zeer groote schulden!—Hola August, waartoe die zaak zoo gedurig te herkauwen, dat zou je ziek maken; waarachtig dat is tobben; dat is voor een goed deel de oorzaak van je hoofdpijn.—Voort! De brief aan Woudberg moet nog geschreven. ’t Geschiedt toch alles in Philips belang. Wie geeft meer, hij die zijn nachtrust opoffert in ’t belang van broeder of vriend, of hij die om te helpen geld leent van anderen!?—En Helmond schrijft:....“Ik twijfel er niet aan beste Woudberg, of uw lieve Emma zal ongetwijfeld die kleine comedie wel mede willen spelen in ’t belang van onzen Philip. Op deze wijze—ik ben er haast zeker van—neemt oom het getal aandeelen, en zal Philip kunnen terugkeeren in den stand waartoe hij behoort. Wat uw goedheid voor mijn broeder betreft, ik zal er je steeds erkentelijk voor zijn. Zoo hij mede-directeur der nieuwe verzekeringsmaatschappij wordt, hij heeft het dan alleen aan mijn trouwen Everard te danken.—Wat echter de gelden betreft, die gij aan Philip hebt geleend, ik mag niet toestaan dat de arme jongen inditopzicht uw schuldenaar blijft. Zeg hem niet dat ik die zaak voor hem vereffende. Gij zelf weet waarom.—Mocht hij u later het geld kunnen geven, welnu, dan ontvang ik het op mijn beurt van u terug. Hiernevens alzoo de....”Geld! geld! geld! klopt het sterker in Helmonds hoofd. Opstaande trekt hij een paar laden van de prachtige schrijftafel los.—Zie, dat was nog de onbekendheid met de verdeeling of bestemming der laden.Dezeis voor de rekeningen. De rekening die bovenop ligt is van den Utrechtschen bloemist. Helmond was die bijna vergeten. En vluchtig leest hij: “Voor UEd. aan heesters en bloemen: driehonderd en dertig gulden” Welnu, ’t is immers voor eens, en zoowel voor Eva’s serre als voor dien grooten verwilderden tuin is er heel wat noodig geweest. Ah! deze la moet hij hebben. In weinige oogenblikken had Helmond nagezien hoeveel geld aan papier en contanten hij nog voorhanden had. Honderd negentig gulden en eenige stuivers!’t Is een luttele en bovendien een zeer negatieve bezitting, met het oog op den inhoud van de lade, die hij het eerst had geopend. De groote schulden zijn wel alle door de hulp van den notaris kunnen vereffend worden, maar hoeveel is er niet nagekomen, en om zich telkens weder bij den notaris aan te melden, dat stuitte hem tegen de borst.—Neen de praktijk moet het goedmaken, en langzamerhand zal alles terechtkomen.—Desnoods kan hij zijn weinige vrije uren aan het schrijven van eenig medisch werk besteden; een populair boek ’twelk men flink honoreeren moet.—Maar voor het oogenblik?—Aan Woudberg wil hij tweehonderd gulden terugzenden. Woudberg is een beste jongen, maar ’t was niet te dulden dathijhet huisgezin van dokter Helmonds broeder onderhouden zal. Tweehonderd gulden!—En het weinige dat daar ligt, al ware het voldoende geweest, kan hij het missen? Wat zou het zijn, geheel zonder geld te zitten in ... een woning mettwee zalen! En dan, is niet verreweg het grootste deel van dit geld het kwartaal, ’twelk hij morgen volstrekt aan Thomas moet voldoen! Zie, hij had geen onwaarheid gesproken: ’t Ligt hier immers klaar in zijn schrijftafel.—Goddank! daar wordt het eensklaps voor zijn starenden blik als brak de dageraad aan:Donerie’s monument! Een andere kleine lade is ras geopend.—Naast eenige papieren, inteekenlijsten en correspondentiën over het op te richten gedenkteeken—ligt een kleine portefeuille. Helmond, die zich gaarne met het bewaren van de reeds ingekomen gelden heeft belast, neemt haastig de portefeuille en ... Neen, leg neer, dat is misbruik maken van vertrouwen. Dit geld moet tot het bestemde doel onaangeroerd blijven!—Maar is er dan niets, volstrekt niets meer in de roode tasch, waarin hij vroeger als vrijgezel zijn schatten bewaarde?—Hij kan dien ouden getrouwe toch licht nog eens even inzien. Er was links immers zoo’n klein zakje waarvan de voering wat loszat; wie weet of daarachter...? Wie weet?—Neen! de flauwe hoop is reeds in damp verdwenen. Al de zakken en binnenzakjes van de roode tasch, werden doorzocht, maar niets was er te vinden. Deze schatbewaarder van weleer, was, evenals boer Dirksen, nóg rood, maar dood!—Hu! welk eendwazegedachte was dat! Daar is iets krankzinnigs in zulk een gedachte ... Krankzinnig!—Stil, hij mag zelfs aan dat woord geen plaats geven, ’t Is natuurlijk dat hij wat overspannen is. ’t Wordt hoog tijd naar bed te gaan. Doch de brief die daar ligt moet voltooid, en aan hetgeen erin staat moet voldaan worden.—Waarom mag hij dan eigenlijk die tweehonderd gulden nietleenenvan de zeshonderd en vijftien, die men reeds voor een eenvoudig gedenkteeken op Donerie’s graf bijeen heeft gebracht?—Waarom? Omdat toevertrouwd geld ons heilig moet zijn. ’t Is het geld ter vereering van een geliefden afgestorvene.—Geld?—Mag dit doodebankpapierde tolk dier vereering heeten? Neen, ’t zal slechts het loon worden voor den arbeid. Hetmonumentzal de vereering dier nagedachtenis wezen. Dit geld kan door ander vervangenworden, indien het maar gereed ligt wanneer men den arbeid betalen moet. Waarom zou hij niet...? Nee!Nee!” zegt Helmond eensklaps overluid, en hij schrikt schier van zich zelven. “Nee!”En toch, slechts luttele seconden later heeft hij zijn besluit gewijzigd: Van zich zelven had hij niets te geven, maar wat dáár in geld lag—het geld voor dat monument—immers hij mocht het met recht voor een groot deel het zijne noemen. Zie maar, het gouden repetitie-horloge met den zeer zwaren horlogeketting, waarvan hij zich nu ontdoet, het wordt in de lade gelegd naast die kleine portefeuille waaruit hij twee—neen vier biljetten van honderd gulden genomen heeft. En—geld, geld, geld, bonst weder het hoofd. Maar immers, zijn daad kan zelfs den toets der strikste eerlijkheid doorstaan. Ligt daar geen waarde voor waarde!?Zooeven had de pendule halftwee geslagen. Helmond schreef weer, en sluit nu zijn brief.—Alles was stil, doodelijk stil.—Een geweldig schellen aan de huisdeur klinkt eensklaps door de holle woning en doet den wakenden dokter hevig ontroeren, ’t Verschijnsel dat men in den nacht aan een doktershuis de slapenden komt wakker maken, is zeker niet vreemd, en in denzelfden stond begrijpt Helmond dan ook dat men voor een zieke zijn hulp komt inroepen; doch in deze oogenblikken was het zeker niet onnatuurlijk dat Helmond, bij ’t hooren van den hellen klank, is overeind bevlogen met een gevoel, alsof men hem op een misdaad kwam getrappen.Eerder dan men verwachten kon heeft de dokter zich hersteld. Snel zijn kamer verlatend is hij op het breede bovenportaal naar het raam gegaan ’twelk op ’t marktplein uitziet.Het raam opgeschoven, roept hij naar buiten:“Wie daar?”“Ik!” klonk het antwoord, ’twelk zeker het meest voor de hand lag; doch spoedig ook werd die inlichting achtervolgd door de bijvoeging: dat menheer Van Hake liet zeggen of dokter, als hij ’t eenigszins kon doen, toch alsjeblieft dadelijk bij vrouw Sturk wou komen, ’t Was noodig, en de kuiper ging zoo vreeselijk aan. Als dokter niet kwam dan zou de kuiper gek worden, zeidie, want vrouw Spanning had hij al gedreigd de deur uit te smijten.—Van Hake! Vrouw Spanning!—Helmond begreep niet wat dit alles beteekenen moest. Maar, duidelijk klonk het naar beneden:“Zeg dat ik aanstonds zal komen.”—En het raam ging weer dicht.ZEVEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.Des anderendaags morgens ging Bus, de nieuwbakken huisknecht—die toch zijn oude functies bleef waarnemen—reedszeer vroegtijdig naar het nieuwe doktershuis. Het was tegenwoordig halfvijf wanneer hij aan de tuinpoort schelde—niet om de meisjes “die katten” te doen opstaan, maar om ze de rust te gunnenwanneer ze hem maar, inplaats van open te doen, den sleutel van bovenneer toewierpen.’t Zoldervenster werd eenige oogenblikken later geopend, en de nachtmuts van Kaatje, waarin een aardig ondeugend gezicht stak, vertoonde zich in de hoogte, en Kaatje wierp hem den sleutel toe.“Zoo, ben je daar ouwe palfrenier. Pak aan! Klets.—Da’s jammer, ’t was op je neus gemunt. Ons roepen om zes uren hoorje! Een kwartiertje erover is ook goed. Zorg dat je water voor onze koffie hebt, taaie! En zie wat er op de lei staat. Bezoer!”Bus zag wat er op de lei stond:“Daadelijk die briev in je naamgenoot bezorgen ouwe slaaprok.”—k’Hem!—Bus vond den brief bij de lei liggen. Aan ’t adres van mijnheer Debecque. Ja die moest vroeg bezorgd worden, en hij zal hem dan maar ’t eerst naar zijn “naamgenoot” brengen—k’hem—maar wat er op die lei staat dát zal nog eerder weg: En Bus veegt de lei schoon.Toen Kaatje een paar uren later dokter en mevrouw ging “kloppen”, toen was mevrouw reeds bij de hand, want ofschoon zij nog geheel in nachttoilet was, aanstonds opende zij de deur der slaapkamer, en gaf Kaatje bevel om het briefje aan mijnheer Debecque, dat dokter gisterenavond gegeven had, nog niet weg te sturen, maar wel de twee brieven, die nu op het portaaltafeltje lagen. Kaatje moest goed toezien, de brief naar Amsterdam moest worden aangeteekend zooals dokter gezegd had.Voorts zouden de meiden immers welheel, heelstil zijn, want dokter is bijna den ganschen nacht uit geweest, om vier uren thuis gekomen en nu pas ingeslapen. Mijnheer had ook dit recept voor zich zelf geschreven; Bus moest er dadelijk mee naar mijnheer Van Hake gaan, en dan meebrengen ’t geen deze hem geven zou. Tegen acht uren zou hij mede een vigilante bestellen, want dokter moest vroeg naarDe Schebbelaar. Maar sust! geen leven, en vooral geen geklop meer.—Wel heerejee, zegt Kaatje bij zich zelve, nu haar mooie mevrouw de deur weer dichtdoet: Zukke kinders! wat al complimenten! Wel heerejee, kun je ook nog meer in één adem een mensch op z’n lijf jagen!—Bon, best, ’t zal allemaal plaats hebben; maar als Bus al die viezevazen moet doen, dan kan Kaatje messen slijpen en aardappels schillen en schoenen poetsen. Mersie zeit de Franschman; we kunnen dat luchtje zelf wel scheppen. De brieven da’s één; ’en wandelingetje naar Zoethout is twee; ’en viselantje is drie, en—Careltje van den bakker da’s vier.“Waar heb jij dat briefje voor Debek Bus?”“Al bezorgd Kaatje.”“Domme eend; dat moest niet.”“En ’t stond op de lei?”“Nu taaie, wat is ’en lei! Als ’tschriftwas; maar leischrift kun je immers uitvlakken.”Bus had Kaatje wel eens eventjes met dien schoenborstel...... maar.....’t Is gelukkig voor Kaatje dat ze er zoo schalks uitziet en zoo’n mooie rooie kleur heeft, want anders: “’t is een dierazie!”Kaatje vond de morgenlucht allerverkwikkendst. Met den huissleutel boven op de beide brieven; een schoonen boezelaar vóór, en een hagelwit mutsje op, stapt ze zeer langzaam het marktplein over. Wat zou zeeerstdoen?—Dat eind naar de post lag uit den weg. Careltje van den bakker stond nu zeker met de mooie forsche armen—zoo natuurlijk—in de bakkerij voor ’t open raam aan den wal; niet ver van Zoethout; niet ver van de vieselantes. Zal ze eerst de brieven bezorgen? Maar als Careltje dan eens in dien tijd gedaan had.... Ze zal de brieven ’t laatst bezorgen, welzeker, da’s sekuurder.“Goeje morgen vrijster! Kaatje van dokter Helmond niewaar? Iets verloren? Je stondt zoo in gedachten. Toch alles wel thuis?—Zoo vroeg al op ’t pad!”“Wat meen je menheer?” vraagt Kaatje strak.—’t Was de klok.“’k Zal ’t je zeggen. Juist op weg om even bij jelui aan te loopen. Gisteren gehoord, dokter niet heel fiksch was. Watblief?Treurig geval met boer Dirksen niewaar? De heele stad vol van. Je zult er alles van weten.”Kaatje wist van niets; maar van dien gek met z’n spillebeenen begeert ze niets te vernemen.—Careltje kwam toch óók overal en wist evengoed alles.“Of dokter van nacht al of niet is uitgeweest?” herneemt Kippelaan: “Watblief? ’t Is maar eenvoudig een vraag. Vrouw Sturk, je hebt het gehoord; treurig afgeloopen niewaar?”Kaatje brandt van nieuwsgierigheid om al het nieuws te hooren waarvan ze niets vernam, en waar haar meester zoozeer in betrokken schijnt. Maar van die klok met z’n gewauwel wil ze niets weten. Ze zal ’em in ’t riet sturen, en dan als de wind naar Careltje!“Om je de waarheid te zeggen menheer Kikkelaan....”“Kippelaan m’n lieve meid!Kippelaan, Jules Janin!”“Juist, ik wou maar zeggen dat de dokter zoo gezond is als ’en visch; dat ie den heelen nacht rustig heeft geslapen, en ook nog in lange geen plan had om op te staan. Nee, in’t geheel niet. Nou, als jij, menheer Kikkelaan, zoo’n jonge vrouw hadt, dan... Atjuusjes!”“Kaatje, m’n lieve.... à propos?”Kaatje omziende: “Hê, riep je me?”“Nee, roepen niet. Maar ik zie je den Hoenderveldschen kant opgaan, terwijl je daar brieven voor de post hebt....”“O woujijdie voor me bezorgen! Jongens ja, dan zou je ’en bolletje zijn.”Kippelaan heeft een sterk bewijs van aarzeling gegeven:“Bezorgen!—tuterletu! bezorgen!Wát zeg je,dezefrankeeren!—ei!—Ja maar m’n lieve Kaatje, je begrijpt....”Eensklaps, nadat hij vlug de adressen had gelezen—waarom ’t hem inderdaad voor ’t oogenblik slechts is te doen geweest—neemt hij de brieven met een merkbare gejaagdheid van Kaatje aan; steekt ze zeer haastig in den zijzak van zijn jas die hij aanstonds dichtknoopt, en Kaatje groetend stapt hij haastig voort.Weinige minuten later bevindt Kippelaan zich met de beide brieven op zijn slaapkamer, die de achterste is der beide bovenvertrekken welke hij bewoont, en onder andere dit verschil heeft met de zitkamer, dat hier slechts twee, en vóór—behalve een kleintje—drie spionnetjes uithangen.Kippelaan had het onbeschrijfelijk warm. De gordijn voor het venster wordt neergelaten. Ontelbare malen heeft hij van dat venster naar de deur gezien.—Ha! nu was het gevonden! Twee stoelen worden er tegen de goed gesloten deur gezet, en, dwars over die stoelen ligt al spoedig het beddetafeltje, beladen met zooveel wit en blauw aardewerk als er maar voorhanden was en op den zijkant kon geplaatst worden.In ’t sleutelgat der deur zit een watje.—Phu! Kippelaan krijgt het waarlijk al te benauwd.—Wil hij kwaad!? Waarachtig niet! ’t Is zoo goed als een bestiering. Jawel, eenbestiering! Praatjes, allemaal praatjes werden er rondgewauweld.—Kippelaan kan dat gewauwel niet velen—en een weldaad zou het voor de familie Helmond en aanverwanten zijn, indien men uit echte bron aan al die praatjes een eind kon maken. En,tweebrieven van den dokter zelf zullen alles bevatten wat men te weten noodig heeft. Welzeker, familie-omstandigheden zal men vernemen uit den brief aan juffrouw Van Barneveld—het ideaal enfin,—en financieele zaken uit een brief met drie lakken naar de groote koopstad.Ofschoon zedelijk verplicht tot de inzage van brieven, die hem “zoo ongezocht in de handen werden bestierd”, aarzelt Kippelaan toch, aleer hij tot de voorgenomen operatie besluit, ’t Was anders doodeenvoudig; de spiritusvlam onder de bouilloir brandt fiks, en het theewater dat alreeds van de kook was geraakt, begint weer te razen dat het een lust is. En zie, terwijl de brief aan Jacoba, die in een gom-couvert was gesloten, nu reeds op den geopenden ketel ligt, steekt Kippelaan ter ontzegeling van den gelakten brief, een mes in de groote spiritusvlam, meenend dat het hem gemakkelijk zal vallen door middel van een gloeiend mes, de zegels, zonder de stempels te beschadigen, wat los te maken.—Er stond hem zoo iets van voor.Gedurig naar de gebarricadeerde deur, en een paar malen zelfs naar het donker onder zijn ledikant ziende, heeft Kippelaan nu reeds—ofschoon met eenigszins bevende vingers—den brief van Jacoba uit het losgelaten couvert genomen. En.... hij zal smullen:“Lieve Jacoba, beste zusje!”—O God wat is dat!? Men klopt op de deur:“Hé! Watblief? Wie is daar?”—Heeft hij goed gehoord, zijn ze daar om de brieven!.... O goeje God!..... Watblief!?”“Kan ik er niet in; scheelt er wat aan?” roept men van buiten.“Nee niemendal.... Een beetje ingeslapen!”—Lieve hemel! Het klamme zweet parelt hem onder den neus. Jacoba’s brief is reeds tot een bal ineengefrommeld.—Waar blijft hij er mee.....? Ha! In den ketel! Voort, zóó, het deksel er op!“Maak ’em open menheer!”—Openmaken! Nee waarachtig niet! Althans hij heeft geen idee gehad om er iets uit te nemen.“Maak de deur dan eens open menheer!”“Dedeur! Ahzoo. Jaja! Dadelijk hoorje.”—Nee, dien brief met waarde in den ketel te stoppen, dat ging niet.—In ’t bed! onder de matras, tot nader order. Goeje hemel, hij beeft over al zijn leden.Kippelaans hospita hield er een looper op na “voor zekere gevallen, weet u, dat er een sleutel zoek was. Ze heeft dien looper maar even gebruikt omdat menheer waarschijnlijk iets scheelde. En, terwijl ze nu met fermeteit de deur opent teneinde te zien wat Kippelaan weerhield om den brief aan te nemen dien ze hem brengen kwam, geeft de dikke hospita een gil van ontzetting, want, met een vreeselijken slag, die haar gansche woning deed dreunen, sloegen honderden scherven van glas en aardewerk met beddetafel en stoelen voor de voeten van den rillenden Kippelaan neer.Intusschen heeft Kaatje, van haar Careltje, die trouwens een groote Carel is, een heeleboel nieuws vernomen. Ten eerste vernam ze “met ijzing” ’tgeen er vanDe Schebbelaarbekend werd, en hoe er over de handelwijze van haar heer en meester wordt geoordeeld, ’t Was God geklaagd om iemand zoo aan z’n eigen over te laten, en willens en wetens met een gerust hart de eeuwigheid in te sturen. Als er zóó met het rijke volk als Dirksen wordt geleefd, zei Careltje, dan kunnen menschen als wij en ons-gelijken wel op de vingers natellen hoeveel we zoo’n dokter waard zijn; hij mag dan zoo knap wezen als de neef van menheer Kippelaan.”“Ja, maar Kippelaan zei al gisterenavond dat ie ’t vak voor z’n pleizier dee;” verzekert de molenaar die mede aan de bakkerij was gekomen.“Maar dat is juist het gemeene;” herneemt Careltje, en wrijft met zijn “natuurlijken arm” een kruimel deeg van de wang: “Als dat dan waar is—zooals gisterenavond de smid ook al gehoord had—dat ie namelijk een vondeling en ’t kind van een schatrijken graaf zou wezen, dan zegikdat zoo’n man d’r uit moest scheien met tongen te bekijken en de menschen naar de eeuwigheid te helpen.”“Een graaf!” zegt Kaatje, vuurrood geworden: “Is hij een graaf! Ben ik bij een.....?”“Jawel, dat zeggen ze allemaal. ’En mooi ding! ’En graaf met ’en apetheek. ’t Is schande!”“Voor vier duiten drop!” grinnikt de molenaar.“Nee maar gekheid is gekheid;” herneemt Careltje die geen gekheid verstaat: “Ze hebben—niewaar Kaatje—gisterenavond visite gehad?”—Kaatje knikt—“Zie-je, gesmuld en gebrast! En dan intusschen iemand te laten doodkrimpen die, zooals ze zeggen, Godsterwereld niks mankeerde, en dat omdat meseu de dokter z’n eigen liever op zijn gemak zet.”“Nee Careltje, gemakzuchtig is ie niet, da’s niewaar. Ik zie ’em tegenwoordig dikwijls heen en weer draven naar dien wal dat ie d’r bleek van wordt. En dat moet ie om die aptheek. Ik zei: as ie ’m in z’n huis nam; zoo’n kazerne van ’en huis! maar daar heeft mevrouw geen zin in. Nee gemakzuchtig, nee!”“Maar ik zeg,” valt Careltje in, terwijl hij, om Kaatje niet af te stooten, haar met den natuurlijken arm om den hals pakt: “ik zeg dat jij gelijk kunt hebben, maar dat ik gelijk heb ook; of zou je me willen aanpraten om ooit weer ’en dokter te roepen die, God beter’t, binnen ééne twaalfuur tweemaal naar zich fluiten laat?”“Tweemaal?”“Ja waarachtig meid;” valt de molenaar in: “Weet je dát nog niet? Vrouw Sturk heeft ze van morgen tegen halfdrie ook al genacht gezeid.—Verknoeid! ’t Was niet alles in orde. Van Hake de bediende—je weet wel—had verteld dat z’n baas ziek was, en geraden om vrouw Spanning te halen..... Maar jawel, ’t is verschrikkelijk! Toen dokter dan eindelijk toch om ’en uur of twee was komen aansukkelen, toen had de kuiper juist in woede vrouw Spanning de deur uitgesmeten.“Heere beware!” zegt Kaatje.“Ja, en wat het ergste was: van de kunst was er geen heil meer te wachten. Gekonfiskeerd! ’t Mot er toen gerookt hebben van belang, en ze zeien dat Sturk hem een pak slaag had gegeven, niet gering!”“Nee, da’s gelogen!” valt Careltje in: “Menheer Kippelaan, die voor een half uurtje hier even aan ’t raam was, wist alles precies van Mie de schoonmaakster: Sturk zou dokter zeker aan ’thuiszijn gekomen, maar menheer Van Hake had hem tegengehouden, en een oogenblik later gelegenheid gevonden met den dokter door een zijdeur te ontkomen. Van Hake moet nog een leelijken veeg hebben gekregen. Maar ’t was ook meer dan erg! Zoo’n wurm van een vrouw......!”“Nee maar ’t is gruwelijk! ’t is helsch zeg ik,” herneemt de molenaar: “’en leelijken naam hêt ie ook:Hel-mond!”“Ja Dores, daar heb je wel gelijk aan, al ’en heel gemeene!” bevestigt Careltje.“Maar als de dokter dan toch ziek was!” zegt een bakkersknechtje, die met een langen stok waaraan de natte ovendoek zit, het groepje in de deur der bakkerij was genaderd.“Ziek! wát ziek!” zegt Careltje: “als je ziek wilt wezen dan moet je geen anderen willen gezond maken!”“Maar hij was niet ziek,” roept Kaatje, half in den waan dat ze dokter, met wien ze toch medelij heeft, door die verzekering nog eenigszins in zijn eer zal herstellen: “Hij is gisterenavond zoowat om half elf in huis gekomen; heeft—omdat mevrouw al naar bed was—op z’n kantoor smakelijk een boterham gegeten, en is toen doodbedaard brieven gaan zitten schrijven, blijkens dat er van morgendriewaren om naar de post te brengen....” Kaatje heeft bij deze laatste mededeeling eensklaps een kleur gekregen; maar men bemerkt het niet.“Wat heb ik gezeid!? wát!” valt Careltje uit: “Zie je wel dat ie niet ziek was! De meid van Sturk die den dokter om twee uur ging halen wou het liegen heeten; maar d’r waslicht op ’t kantoor! Menheer Kippelaan had het van Hent den klepperman zelf gehoord; enikzeg: d’r brandt geen licht om twee uur op ’en kantoor of d’r moet iemand óp zijn!”“Nee nee,” stemt het uit aller mond: “dat spreekt vanzelf; dát is bewezen! ’t Is schandelijk! Wie zou zoo’n dokter vertrouwen!”ACHT EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.Toen Helmond door zijn Eva, te circa halfacht, met een zoen werd wakker gemaakt, en ze hem daarna met haar welluidend: goeden morgen! een geurigen kop thee met beschuit toereikte, toen gevoelde hij slechts weinig meer van ’tgeen hem, toen hij eindelijk ter ruste ging, voor slapeloosheid en zeer waarschijnlijk voor een ziekte deed vreezen.—Al zijn de uren die hij sliep slechts weinig in getal geweest, ze hebben hem zonderling verkwikt. Neen, ofschoon hij zijn hoofd rechts en links keert, de pijn is geheel verdwenen. De sombere voorstellingen die hem door het brein spookten toen hij zich bevend van overspanning tot slapen heeft gelegd, al die sombere visioenen zijn voorbijgegaan.—En zie, zijn Eva, de schoone Hebe in haar gracieus morgenkleed, ze staat daar als een toonbeeld van zorgende liefde.—O goede God! nu ziet hij eerst hoe innig lief dat prachtige kind hem heeft. Zij is in zorg geweest, over hém! Ze heeft gevreesd dat hij te vroeg zou wakker worden. Ja dáárom hield zij de vensterblinden ter halverwege gesloten ofschoon ze de ramen heeft opengezet, dewijl hij daar zeer op gesteld is.En zie, daar kwam ze nu zelve met den verkwikkenden drank:“Eva!”“Lieve August, gaat het beter? Waarlijk beter?”Helmond knikt, maar antwoordt niet. Hij ziet haar slechts in de schoone oogen; drukt haar fijne hand, en dan haastig den blik van haar afgekeerd naar de binnenzij van het ledikant, verdringt hij iets,’twelk hem uit het hart naar het oog is gevloeid. Goede God, was er voor haar dan niets beters weggelegd dan de vrouw te worden van een eenvoudigen dokter! Zie, daar is wat hoogers, iets vorstelijks in die vrouw; en ja, bij al die gaven van schoonheid en talent, toont ze, in de liefde voor vader en echtgenoot, een engel te zijn.“Eva!”“Wat is er dan beste?”“Ik ben zoo gelukkig Eva.”“Nu lieve man, dat klinkt me waarlijk als muziek in de ooren. Ik heb van nacht den heelen tijd allerlei gekheden gedroomd, en ook dat je heel boos op me werdt; en je grijnsde me zoo akelig aan.—Ja ik weet het zelf niet meer: ik droomde dat we te Parijs waren, en dat we meespeelden toen ze de Faust gaven. Eerst was jij Faust en toen.... ik weet niet, toen werdt je eensklaps Mephisto, en, toen schreeuwde je me zoo akelig toe: “Et Satan conduit le bal,” o zoo akelig. Zie, ’t is allemaal gekheid, dat weet ik wel; eerstens beduidt het niets, en tweedens hecht ik niemendal aan droomen; maar zoo’n gezicht blijft je ’s-anderendaags soms zoo bij. Toen je van nacht met hoofdpijn heel onplezierig thuis kwaamt, toen dacht ik, daar heb je ’t al met dien naren droom; als hij nu maar niet ziek wordt!—Ik heb er je niets van gezegd, hoewel ik er erg vervuld mee was. Maar mijn lieve man, nu kun je ook best begrijpen hoe heerlijk ik het vind om je, bij ’t wakkerworden ’t allereerst te hooren zeggen: Eva, ik ben zoo gelukkig!—Komaanmon cher monsieur le comte—nu wacht maar, ik geef den moed nog niet verloren, al was papa er wat tegen,—komaan, we zullen aan geen akelige droomen meer denken; peuzel jij die beschuitjes nu maar op, dan zalikje eens laten kijken hoe heerlijk vandaag het zonnetje schijnt, ’t is een lust!”—Eva opent nu de vensterblinden, en, aanheffend zingt ze tevens met haar klankvolle stem, zoodat men zich in den zonneschijn zou wanen al zag men den regen ook stroomen:“O Sonnenschein, o Sonnenschein,“Wie scheinst du mir in’s Herz hinein.“Weckst drinnen lauter Liebeslust,“Dass mir so enge wird die Brust!“Dass mir so enge wird die Brust!”Een kwartier later is Helmond gekleed.Ofschoon hij zich wel iets minder frisch gevoelt dan bij zijn allereerst ontwaken, toch moet hij bekennen dat het oneindig beter met hem is dan hij heeft kunnen verwachten. Daar komt zijn lieve vrouw alweder met een kop thee in het slaapvertrek.“Eva, mijn eenige schat, mijn zonneschijn!” zegt Helmond en sluit haar in zijn armen; en dan, dan hoort hij ook van háár een schier nog welluidender toon dan daareven; want ook zij heeft gezegd: dat ze nu zoorecht gelukkigis.En Eva had waarlijk reden om zich gelukkig te gevoelen. Nu ze haar woning had, en er alles zoo heerlijk was ingericht, nu warenvoor ’t oogenblik haar liefste wenschen vervuld. De kleine katastrophe van gisterenavond zou zeker geen gevolgen hebben, en, als zij het maar eens van de rechte zijde aanpakt, dan zal papa wel meer zwak op dien adel krijgen. Het voornaamste, waar het op aankwam, bleef toch hetbewijsdat men aanspraak op dien titel had, en dat bewijs was reeds in handen van den majoor. Welnu, een klein beetje geduld; en dan, wanneer zijènHelmond er maar op blijven aandringen en zich dankbaar betoonen, dan zal de majoor —tegen restitutie van onkosten, natuurlijk omdat hij aan al die stukken en bewijzen met zooveel moeite gekomen is,—ze wel aanhenafstaan.Ja, Eva voelt zich recht gelukkig, want ofschoon het briefje aan de Debecque’s toch al verzonden was—omdat Bus beter hard draven dan dienen kan—ze heeft nu alle hoop dat August, wanneer hij zich zooals hij zeide wèl blijft gevoelen, ten genoegen van zijn vrouwtje nog een tweede briefje zal schrijven om die uitnoodiging tóch maar aan te nemen.—O die goede August! hij heeft immers voor ’t grootste deel uit zorg voor háár bedankt.—Nu, dat behoefde waarlijk niet, haar hoofdpijn van gisterenavond heeft niets te beduiden gehad, en August zelf—waarlijk ze is er zoo blij om—hij voelt zich weer heelemaal fiks. Hoor, hij vraagt haar zelfs om nog eens dat lied:Natuur is mildte zingen!—Wat ziet hij haar tevreden aan! Ja als ze het nu wilde doordrijven.... van die groote partij hier aan huis tegen haar jaardag —ja, ze weet dan zeker dat hij toe zou stemmen. Maar ’t is nog niet noodig; en als men maar eerst bij de Debecque’s is geweest, dan komt die partij op haar jaardag vanzelf. Ze weet nu immers zeker dat die hooggeprezen zuinigheid iets is, waar men voortaan maar zonder veel woorden overheen moet glijden; ’t is een zwak dat het mannetje zich graag wat armoedigjes voordoet. Nu, in zulke scholen maakt men zulke leerlingen. Maargierig, nee gierig is hij niet. Wat die nachtpraktijk betreft, daarmoethij van afstappen, dáárdoor alleen is hij met zoo’n dolle hoofdpijn en zoo laat naar bed gegaan. Mettertijd, als het gelukt met dat overbrengen van papa’s titel op hem—en waarom niet—dan moet hij de heele praktijk maar neerleggen. Iemand die bezigheid wil hebben kan ze altijd wel vinden. Men behoeft daarvoor niet de slaaf van iedereen, ja van je minste plebs te wezen. Hoe heerlijk al, dat men tenminste hier van die aptheeklucht bevrijd is. Bah! zoo’n aptheek!O voorzeker, Eva voelt zich nu recht gelukkig; alles,alleslacht haar weer toe; en zie maar, het allermeest haar lieve August.Doch Eva weet niet dat Helmonds glimlach, nu hij de vigilante ziet voorkomen en haar straks een zoen tot afscheid geeft, een zeer gekunstelde wordt; neen, want hij heeft haar niets gezegd, niets van zijn val, niets van het gebeurde opDe Schebbelaar, en niets van den nacht aleer hij—Goddank, een weinig mocht slapen.—Waartoe haar onnoodig zijn leed te klagen; immers hij had haar vroeger vermaand dat de praktijk alleen voor den dokter is.’t Was reeds laat in den voormiddag toen dokter Helmond aan zijn woning terugkwam.Eva meende te bemerken dat hij wat somber gestemd was.Of hij zich weer minder wel gevoelde....?“Nee Eva, nee; ik heb wat heel veel zieken bezocht, en er zijn er die van een dokter meer verlangen dan redelijk is.”“’t Is een nare betrekking August, ik heb dat altijd gezegd. Geen oogenblik ben je zeker van je tijd; dag en nacht altijd voor Jan en alleman te moeten klaarstaan, en misschien nog heel dikwijls ondank voor zorg en moeite tot loon te krijgen!”Er was veel waars in ’t geen Eva zeide.“Ja ’t is jammer kindlief, dat het onverstand der menschen ons zoo dikwijls moet bedroeven. Waarlijk er is geen edeler werkkring dan de mijne. Maar, als men het onmogelijke eischt...!”“Heeft men dat nú gedaan August?”“Och—nú, en alle dagen. Maar wij zetten er ons overheen.... wij....”“Welzeker,” valt Eva in: “injouwplaats beste man, zou ik nooit naar eenig praatje van het wauwelig gemeen luisteren, dáárvoor sta je te hoog èn als dokter én door je.... andere maatschappelijke positie.—Als ik in je plaats was August, weet je wat ik dan deed?”“Hé?” vraagt Helmond in gedachten.En Eva zegt fier:“Wel, den eerste die mij een woord durfde tegenwerpen of zich aanmatigen om mij in mijn praktijk de wet te stellen, dien zou ikbedankenen verzoeken een anderen dokter te nemen.”—Bedanken!—August geeft met een pijnlijk glimlachje een antwoord ’twelk zijn vrouw—evenals dat glimlachje zelf—op rekening van zijn “eenig gebrek” stelt. Immers: “Waar zou de schoorsteen van rooken, als wij niet wat geduld oefenden?” heeft hij gezegd terwijl hij zich gereedmaakte om nu—na het koffiedrinken, —weer zoo spoedig mogelijk naar die nare aptheek te gaan.—Bedanken! heeft August in zich zelven herhaald, terwijl hij buiten de kamer en op weg naar het huis aan den wal, een paar malen de hand aan het hoofd bracht—aan dat hoofd waarin het alweer niet heelemaal pluis is.—Bedanken!—Neen zulke ruwe scènes heeft hij nooit te voren gehad; ze moeten eenig zijn in eens dokters praktijk. OpDe Schebbelaargekomen, heeft boer Geurtsen—de aanstaande toeziende voogd der tien minderjarige kinderen—hem zoo mogelijk nog brutaler dan den vorigen avond onder de oogen gezien, en gevraagd, of hij niet begrepen had dat hij opDe Schebbelaarhad uitgediend, en niet zoo “leep was om te vatten, dat de heele perementasie van de Dirksens en Geurtsens—over meer dan achttien hofsteden verdeeld—voortaan d’r eigen wel zou wachten om ’en dokter te nemen die zijn patiënten aan d’r eigen zelvers overliet, en onverlet den adem liet uitblazen?”—Bedanken! herhaalt Helmond met dien droeven glimlach.Ha! zoo moet het maar gaan. Het rijkste deel mijner praktijk te verliezen, door.... Neen, de oorzaak had evengoed een andere kunnen zijn.—Maar toch, ’t klinkt op dit oogenblik zeker uithaarmond al zonderling:bedanken!—Mijn obstetrische praktijk schijnt door de omstandigheid bij Sturk nog bovendien een gevoeligen knak te zullen krijgen.—Bedanken! inmijneomstandigheden....? Een pleegvader die zich misschien reeds heeft voorgenomen om zijn hand voor nu en de toekomst geheel van ons af te trekken. Een woning te bezitten waarvan geen steen ons eigendom is; een huis dat aan zijn bewoners steeds grootere weelde en altijd en altijd meergeldzal vragen. Schulden hier en schulden daar; niet onoverkomelijk, neen, maar slechts aflosbaar bij een toenemen van praktijk en inkomsten.—Bovendien een broeder die gebrek lijdt, en die, ofschoon er hoop op een goede uitkomst bestaat—bij een weigering van den pleegvader, toch maar alleen van den broeder hulp kan verwachten.—En dat huis aan den wal ’twelk reeds tweemaal, doch slechtsin zijn geheelis kunnen verhuurd worden, ’t blijft nog altijd renteloos, dewijl ik immers mijn woord gaf dat de arme doktersvrouw het niet zou verlaten, en ook, ja, omdat Eva gezegd heeft, geen aptheek in haar nieuwe woning te dulden.....Zoo denkende treedt Helmond de apotheek binnen.“Al bezig Thom; dat is goed. Ik kwam Bus tegen, en gaf hem de recepten vast mee.—Je zult gemerkt hebben dat er een vijftal minder is dan waar ik je gisteren op prepareerde.—Boer Dirksens dood, zal collega Biermans voortaan weer wat minder rust gunnen. Nu, de man heeft nog ambitie genoeg, en—een groot gezin. Wat zoek je Thom?”Thomas, die Helmond bij ’t binnenkomen ternauwernood had kunnen groeten, is “op stikken af”. Den lessenaar—terzij van de toonbank—heeft hij geopend, en terwijl hij deed alsof hij daarbinnen iets zocht, verborg hij zijn aangezicht voor den blik van zijn meester.“Wat zoek je toch Thom?” vraagt Helmond nog eens. En dan—dan slaat de lessenaar neer met een slag, en bedekt Thomas zijn gelaat met beide handen, en... Nee, ’t is hem onmogelijk! hij kan niet spreken. De keel is hem als toegenepen, en de oogen schieten weer vol tranen.—Och God, hij had het zoo goed gemeend!Helmond is zijn jongen vriend nabijgekomen, en legt hem de hand op den schouder.“Nu Thomas, wat is er? Zeg, heb je weer ’t een en ander moeten hooren dat je om mijnentwil bedroeft?—Ik zal er je maar ineens doorhelpen mijn jongen, ’t Is niet plezierig, zeker; maar zulke zaken komt men te boven. Nu ik zelf hier en daar zooveel overdrevens moest hooren, nu ben ik al meer getroost dan gisteravond. Thom, wat er gebeurd is, het spijt me, maar mijn geweten zegt me dat ik niet willens een patiënt heb verzuimd. In een kleine plaats worden zulke zaken schrikkelijk uitgemeten; in den beginne zal mijn praktijk er een beetje onder lijden, maar dan...”“Och dokter!” valt Thomas nu bijna schreiende in: “och, als u eens wist hoe ik er kapot van ben; zooveel geschimp en geblaas tegen u, en mede doormijntoedoen, door mijn eigendunkelijk handelen! Och lieve God! ik meende het toch zoo goed!”“Thomas, wees verstandig; al kan ik niet goedkeuren wat je hebt gedaan; dat je trouw hart het je heeft ingegeven daar ben ik zeker van. Komaan Thom, jij met je prettige natuur, je moest me vandaag wat opfleuren, maar geen gezicht zetten alsof Polen totaal verloren was.”“Och dokter, hoe zal men lachen als men zich zelf zou willen afranselen en op water en brood zetten. U, aan wien ik alles ben verschuldigd, ú heb ik door mijn eigenwijsheid schandelijk benadeeld. Jawel, die Sturk is een wraakzuchtige vent. Wat boer Geurtsen nog zal zwijgen, dat strooit hij uit met een helsch pleizier.”“Ho ho, dat kan toch zooveel niet wezen, ’t Was zeker veel beter geweest wanneer ik er aanstonds had kunnen zijn; maar vrouw Spanning heeft niets bedorven, en de ongelukkige afloop dier bevalling was een gevolg van omstandigheden, die geen mensch kon voorzien of verhoeden.”“Hij heeft Biermans gehaald, en deze moet hem hebben toegestemd dat een tijdige en betere hulp haar zeker gered had. O, ’t is om te vertwijfelen dokter!”“Ik geloof niet Thom, dat Biermans dat gezegd heeft.”“Jawel dokter. Juffrouw Sillemond die zooeven hier was, en haar dochter, de vrouw van Winkelaar, kwamafzeggen—zoo’n feeks, alsof een dokter een barbier was!—diezelfde tang had Biermans zelf gesproken, en op haar vragen moet hij met een heel twijfelachtig gezicht de schouders hebben opgehaald.”“Ei, is juffrouw Sillemond haar dochter komen afzeggen ... ei!” zegt Helmond terwijl hij even pijnlijk glimlacht; maar aanstonds vervolgt hij op luchtigen toon: “Ik wou wel eens weten Thom, wattwijfelachtige gezichtenzijn. Bovendien, iemand die twijfelt weet niet, en iemand die er nog op den koop toe de schouders bij ophaalt, bekent tweemaal niet te weten.—Zwijg nu hierover Thomas. Gedane zaken nemen geen keer.”“Nee maar die Biermans, die te hard en te schriel was om mij, toen vader al begon te sukkelen, een beetje met m’n Latijn en scheikunde voort te helpen, zoo’n kerel moet ú niet benadeelen door z’n leelijk gezicht tot een beschuldigend vraagteeken te verwerken.”“Bedaar Thomas. Biermans is altijd heel wel met me geweest.”“Ja, omdat u een engel van goedheid bent; maar ik weet wel waardoor zijn broodnijd tot broodwraak is geklommen, al zet hij in uw gezelschap een kermisgezicht. Dat u sedert uw huwelijk, geen avondjes meer bij hem komt doorbrengen omdat mevrouw er geen lust in heeft, dat steekt hem. Mevrouw moet eens aan Pietje zijn oudste dochter heel openhartig hebben gezegd: dat ze den toon bij haar ouders aan huis, sinds haar verblijf in Den Haag, niet best meer verdragen kon. Daar zit ’em de angel dokter: en dan uw mooie huis! ja, wat hij u benadeelen kan, dat zal hij niet laten; en och bestebestedokter, dat ik nu dien plattelandsscharrelaar zulk een venijnig wapen in de hand moest geven!—Och dokter,” barst Thom nu werkelijk in tranen los: “Ochvergeefme,—al ben ik misschien geen wegschoppen waard.”Een groot uur later waren, inweerwil van Thomas’ bewogen gemoedsstemming, de recepten klaargemaakt, en trok Bus er de stad mee in.—Bus kreeg dien dag nog meer te slikken dan al het “bocht” ’twelk ie in z’n mand had. Maar Bus kon zwijgen, en als Bus antwoordde dan zei ie eenvoudig:“Als Onze Lieve Heer trekt, en dokter trekt, wie zou ’et dan winnen hé?” Maar ook een anderen keer:“Weet jij wát je doen moet? Laat je eerst door Biermans verknoeien, en als je dan “verknooien” en voor de pieren bent, zeg dan aan vader Abraham: complement van Lange Bus, en dat je ’en gek was!”Toen Helmond de apotheek wilde verlaten, trad mevrouw Van Hake juist uit haar huiskamer de gang in, en verzocht op zeer beleefden, schijnbaar eenigszins kouden toon: of zij dokter even mocht spreken.Helmond schrok onwillekeurig, ’t Was hem—doch slechts een oogenblik—alsof het weer tikte en klopte in ’t hoofd zooals gisteravond en in den nacht. Immers ’t is nu reeds bijna een maand dat het kwartaal was verschenen. Neen, men zal hem dáárom niet te spreken vragen, ofschoon het geld hier zeker noodig is, maar uit die achterlijkheid kon men licht gevolgtrekkingen maken die hij graag voorkomen zou.“Mij spreken, met genoegen!” zegt Helmond.De weduwe laat den dokter voorgaan, en doet dan de deur der huiskamer zachtjes achter zich toe.Er was iets bijzonder deftigs, ja schier plechtigs in de wijze waarop de weduwe haar jongeren vriend ontving. Haar kleed van eenvoudig zwart merinos was geheel in harmonie met de uitdrukking van haar gelaat. ’t Is te raden dat het haar moeite heeft gekost om tot dit onderhoud te besluiten. Thomas weet waarover het loopen zal. Moeder en zoon hadden het afgesproken; ze waren er onherroepelijk vast toe besloten. Wat er gisteren, wat er in den nacht—mede door Thomas’ schuld zooals hij blijft volhouden—in dokters praktijk gebeurde, het heeft de schaal geheel naar die zijde doen overslaan.Mevrouw Van Hake mag niet langer van zooveel goedheid misbruik maken. Haar wonen in dit huis is een jaarlijksche schade voor Helmond van minstens driehonderd gulden. De weduwe van een Van Hake mag dat niet blijven genieten om Godswil, wanneer zij bijna zeker weet dat haar weldoener zich door wat al te groote toegevendheid, in erger moeielijkheden bevindt dan hij toonen wil. —O, had zij vooruit geweten hoe het tusschen den generaal en zijn pleegzoon stond, ze zou den laatste al vroeger als een moeder hebben gesmeekt, om toch niet toe te geven aan de steeds hoogere eischen van zijn schoone maar nooit tevreden vrouw; ze zou hemgewaarschuwd hebben, om geen huis te koopen waartoe hem de middelen ontbraken, en waardoor hij een reuzentred zou vooruitgaan op het pad, ’twelk hem moest voeren tot jammer en ellende.—Neen, ze heeft het toen niet geweten. Zij had mede geloofd dat dokter toch inderdaad van zichzelf nog al middelen bezat, meer dan hij gewoonlijk blijken liet. Maar Thom heeft het opDe Zonsberganders vernomen, ’t Was toen te laat voor die waarschuwende stem. Doch nu, wat men herstellen kan, datmoetgeschieden Mevrouw Van Hake zal haar weldoener als vriendin, als moeder toespreken. Raden zal ze hem—maar met groote bescheidenheid. En dan, ze zal hem haarstelligevoornemen meedeelen, om met Thom deze woning te verlaten, dewijl ze vast besloten heeft, in een achterstraat zeer goedkoop een paar tamelijk nette kamers te huren. waarin ze een kleine stramien- en wolzaak beginnen wil.—Muurvast zal ze bovendien weigeren om langer voor Thom een honorarium aan te nemen, ’twelk hij waarschijnlijk nergens in’t heele land, en althans niet in een apotheek als deze, ter assistentie van een zelfhandelend dokter, zou kunnen bedingen. Zóó moet men tot een zuivere verhouding komen. De omstandigheden gebieden het.Ofschoon Thomas weet waarover het gesprek moet loopen, zijne moeder heeft het gepaster gevonden dat hij er niet bij tegenwoordig zou zijn, vooral na hetgeen er dezen nacht gebeurd is.Maar hoor, nadat de weduwe zich reeds een geruimen tijd met haar vriend heeft onderhouden, gaat de deur der huiskamer weer open, en roept mevrouw Van Hake met een van aandoening trillende stem naar de zij der apotheek:—“Thom! Thom! kom eens hier?”Thomas spoedt zich zoo snel als hij kan naar de huiskamer.“Thomas,” zegt mevrouw Van Hake terwijl ze gedurig met groote moeite haar aandoening bedwingt: “ik ben tegen onzen trouwsten vriend niet opgewassen. Zegjijeens jongen, dat we vast,vastbesloten hadden....”“Ja dokter, ’t kan niet anders. Moe is er nu overheen. Niewaar moe?—U die tegenwoordig zooveel tot uw last hebt, u mogen wij verder niet bezwaren. Nee dokter, zeker niet!”Helmond is voor ’t uiterlijke kalm. Indien hij niet wat bijzonder bleek had gezien dan zou men zeggen—zooals hij rustig te luisteren zit, en nu nog even wacht alvorens te spreken—dat hij daar poseeren kon voor de type van een krachtig en helderdenkend man:“Straks Thomas, ben je me haast wat al te nederig en smeekend geweest, maar nu val je weer wat te kras in een anderen toon;” zegt Helmond; en dan met gezag: “En mijn antwoord is: Zoolang Thomas, als je bij mij in betrekking bent, zoolang blijven onze condities onveranderd. Ons contract loopt van jaar tot jaar, ingaande met de maand Mei. Wil je van patroon veranderen, dan waarschuw je mij tegen Februari; of, zie je de gelegenheid schoon om ergens op billijke voorwaarden een apotheek over te nemen—je weet wat ik vroeger aan je vader beloofde—we spreken elkander dan nader. Maar tot zóólang geen oproer alsjeblieft; er is helaas genoeg gehaspel in de wereld.”“Dokter!” valt Thomas in: “op gevaar af dat ik u nog grief op den koop toe: Ziedaar, ik moet het u zeggen: Moe en ik we kunnen, nee wewillenhet brood om Godswil niet langer eten. We willen van iemand als u, die al werk hebt om zelf rond te komen... ja sinds u een vrouw hebt die...”Mevrouw Van Hake schrikt van Thomas’ woorden, en heft—alsof ze een storm wil bezweren—haar beide handen omhoog.Helmond is opgestaan. Nu is zijn blik zoo gestreng als men dien zelden of nooit van hem ziet.“Zwijg Thomas! Niet verder! Als je me waarachtig een hart toedraagt, zooals je nog straks hebt gezegd, en ik altijd geloofde, dan komen zulke woorden niet meer over je lippen.Sinds ik een vrouw hebThom, ben ik voor alle menschen die ik hoogacht en liefheb, zooals voor je brave moeder en voor een trouwen vriend zooals jij,dezelfdegebleven.”“Och dokter, dokter! Mijn jongen meende dat niet!” smeekt mevrouw Van Hake.Thomas ziet strak naar den grond, ’t Is nu alles verloren. O God! Hij is een ezel, een gek! een ellendeling!“Uw zoon meent het goed, maar hij dient van u nog te leeren mevrouw, dat men niet alles zeggen kan wat men denkt. Kijk niet meer als een arme zondaar Thom!—Hier is mijn hand. O! je hebt van oom Van Barneveld wat al te veel fraais vernomen; ik begrijp het.” Met klem: “Maar ik zeg je, dat diezelfde vrouw mij ten stelligste heeft verboden—ofschoon het natuurlijk ook mij nooit in de gedachte zou gekomen zijn—ik zeg: diezelfde vrouw heeft mijverbodenom uw lieve moeder, op welke wijze dan ook, zij het zelfs tegen een ruime vergoeding te bewegen tot het verlaten van eene woning, waaraan zij zoozeer gehecht is. Die vrouw, Thomas...”“Maar dokter, mijn jongen zegt waarlijk niets tot Eva’s nadeel; hij is overtuigd, evenals ik, dat zij het hartelijk meent. Wij hebben er de bewijzen van. Hij bedoelde alleen dat uw huishouding zooveel meer kost tegenwoordig; niewaar Thom? dat u zooheelveel uitgaven hebt, en dus... Spreek dan Thomas, ’t Was goed bedoeld niewaar Thom?”Van Hake antwoordde niet. Hij stond even strak te kijken, en schimpte onhoorbaar met een bijna schreiende nijdigheid op zich zelven:“Gek! Eigenwijs!—Leg een slot op je tong. Kuiken! Ondankbaar schepsel!”“Geef mij de hand Thomas, en leer te zwijgen.”Thom staart nog voor zich heen, maar eensklaps den blonden krullebol opheffend, ziet hij den meester met zijn blauwe—nu droefgetinte oogen zoo wonderlijk aan, en zegt op een toon waarvan een ijzeren hart wel aan ’t kloppen moest raken:“Weet u wat ik op dit oogen blik zou wenschen...? Ik zou willen dokter, dat uw vrouw gerust sliep op ’t uiterste randje van een afgrond, en dat er dan een paar tijgers aan den eenen kant en een paar hyena’s aan den anderen kant tot een sprong gereed stonden.Zie, en dan wou ik datiker eens bij was, met een dolk of revolver in de hand! Sakkerloot! tegen dat wild gespuis zou ik ’t willen opnemen voor haar; ik zou...”Nu speelde er weer een glimlach om Helmonds lippen.—Thom zou het doen: hij meende het, de goede kerel!“Genoeg!” valt hij in, terwijl hij den vriend nu bewogen de hand schudt: “’t Zou Thomas, een vrij kritiek parquet voor je zijn, en hoe hartelijk ’t mag wezen, ik zou er mijn wijfje maar liefst niet aan wagen. Ze moest onder jou heldenstuk eens verschrikt ontwaken en van dien rand naar beneden storten. Ziezoo—je sanglante voorstelling Thom, heeft ons weer een beetje vroolijker gestemd, en daar het al laat wordt, eindig ik ons onderhoud. Hoor eens mijn beste mevrouw, weet het nu wel en voor altijd: nooit zullen deze kamers zoolang als ú leeft—en God spare u lang voor ons allen—nooitzullen ze door iemand anders dan door u en Thomas bewoond worden.Uw zilveren Minerva-beeldje is ons contract geweest.”Thomas, eensklaps door Helmonds woorden tot de zekerheid gekomen dat zijn aangebeden moeder—’t mocht gaan zooals het wilde—levenslang in dit huis zal blijven, voelt een innige blijdschap zijn borst doorstroomen, en terwijl hij toch aan dat grootste bezwaar denkt, valt hij met een hartstochtelijkheid uit die wel eenigszins in strijd was met den raad dien hij ging voordragen:“Moe zeg, als je hier,hierdan eens eenmutsenwinkelgingt doen!”En ja, nu moest Helmond wel lachen alsof er vooraf niets anders ware voorgevallen.“Een mutsenwinkel!” herhaalt hij op eenigszins kluchtigen toon.“’t Is een grandioos idee van je Thom! Nee voor trotsch m’n vrind, hou je me zeker niet, maar zie, eer ik dulden zou datjouwmoeder, de vrouw van dokter Van Hake,hiereen mutsen..... Foei foei, we zouden nog waarlijk aan ’t lachen raken.—Basta! Ik moet naar huis.—A propos, we hebben nog een klein misverstand uit den weg te ruimen.....” Helmond heeft een portefeuille te voorschijn gehaald, maar laat die vallen, en vervolgt onder ’t langzaam oprapen: “Men schijnt dus ook hier wel eens te denken dat ikbovenmijn financieele krachten ga. Ik geloof dat men zich daarover niet bezorgd hoeft te maken. Tot heden heb ik nog alles kunnen betalen wat ik schuldig was, en voor ’t overige...”“Maar lieve dokter, wij vragen daar immers niet naar. Straks opperde ik alleen het vermoeden.....”“We komen er nu maar niet op terug lieve mevrouw. Hier Thom zijn twee briefjes van honderd gulden, hier.—Honderd en twintig moet je er afhouden voor het verschenen kwartaal. Heb je niet weerom?”“Ja maar waarachtig dokter, ’t is te veel, ’t is...”“Als je me nu boos wilt maken Thomas, volstrekt...? Nu dan: ik verzoek je mij quitantie van detweehonderd gulden ineenste geven, de overblijvende tachtig schrijf ik op het volgende kwartaal.Ik hoop dat dit je toonen zal dat men de beste vrienden kan zijn zonder elkanderjuistte taxeeren.”Thomas hoorde beweging in de gang.—Was de straatdeur open gebleven?—Nu, dat gebeurt overdag wel meer. Hij ziet de gang in.—Neen, er was niemand.Nadat Helmond weinige minuten later vertrokken was, zag hij Kippelaan op eenigen afstand voor het raam van een komenijwinkel staan, waarachter echter niets bezienswaardigs was uitgestald. Tot Helmonds verbazing, heeft Kippelaan zich haastig omgekeerd zoodra hij den dokter bemerkte, en verdween hij om den hoek van een straatje, zoo snel als zijn spillebeenen hem vervoeren konden.—Och die brief, die waarlijk nog ongeopende brief met de drie lakken, hoe brandde hij hem in den zak. Maar hoe hij ’t er mee zou aanleggen!? Och goeje hemel, hij wist het niet. Misschien zou ’t toch maar het beste zijn om eens eventjes te zien of de inhoud zooveel angsten inderdaad wel waard was.Toen Helmond Kartenglimps woning voorbijging, zag hij hem juist de deur uitkomen. Eensklaps gevoelde hij weer dat kloppen in ’t hoofd toen de majoor hem groetend terzij trad.De majoor sprak van niemendal. Noch van het gebeurde op die conferentie gisterenmiddag, noch van een der treurige voorvallen die in Romphuizen een paar weken, of langer misschien, het hoofdgesprek zouden uitmaken, geïllustreerd met allerlei zeer belangrijke maar meest tegenstrijdige berichten omtrent dokter Helmond, zijn relaties, zijn fortuin en niet het minst zijne vrouw. Inderdaad, de majoor was zonder eenige rancune; zeer beleefd; gepast beleefd. Helmond gevoelt inderdaad eenig leed, omdat hij dien man misschien niet altijd juist beoordeelt.—’t Is waarschijnlijk nog steeds een gevolg van dien vroeger ontvangen indruk: au fond poltron!—Nu ja, maar voor nummer één mogen oud-militairen toch óók wel respect hebben.“Salut! plezierige wandeling majoor;” zegt Helmond bij ’t afscheid.“Bonjour... Eh! wat ik zeggen wou! Altijd tot je dienst hoor!” en Kartenglimp maakt een veelbeteekenend knipoogje: “altijdtot je dienst, ’t Zal wel terecht komen, als eindelijk de generaal... begrepen!?... Geen complimenten onder vrienden: a 5 percent. Gerust! Adieu!”Weinige oogenblikken nadat Helmond straks zijn Eva verlaten had, is Kaatje met een groote doos in de Oranje-zaal gekomen, de boodschap er bijvoegende, dat de menheer uit Utrecht er was, metdit—en nog een heelen boel meer.—Ha! hoe heerlijk trof het dat August nú uit is. Hij vond die dingen zoo licht vervelend. Juist, dit waren najaarsmantels volgens de laatste Gracieuseplaten.—Een fluweelen mantel voor den winter kon ze nu meteen bestellen, en dan—wat trof dat heerlijk—kleinigheden voor Woensdag als men naar de Debecque’s zou gaan. —Ja, voor eenige zaakjes in ’t belang van ’t geheim, daar mag ze ook wel aan denken. O! al ware August zelfs thuis geweest, alsze maar ’t eerst van de benoodigdheden voor datlaatstegesproken had, dan zou hij de restookwel hebben goedgevonden. ’t Was inderdaad zoo’n beste man!“U zult er dus voor zorgen?—Ja, met kant gegarneerd, eenvoudig maar rijk.”“Zeer goed mevrouw, ik hou me dan maar aan den fluweelen mantel van de gouverneursvrouw, die is bepaald rijk en deftig.”“Goed, in dat genre tenminste.—Overmorgen heb ik m’n jacquette niewaar? We hebben morgen al September.”“We zullen ons best doen mevrouw.—Hoe vindt u dit wit cachemire? Mooi voor sorties!—We maken ze voor al de eerste dames. Heel nieuwe modellen.”Eva beziet de stof.—Haar sortie is nog goed; ja, maar metrood; rood is zoo fameus opzichtig; blauw staat veel liever, veel fijner.“Zou ievast stelligDinsdag kunnen thuis zijn?”“Als ’t noodig was morgenavond mevrouw.—Jawel, uw taillehebik. Dus metblauw?”“Maar als ie er Dinsdagnietis, dan krijg j’em terug.”“Voor onze rekening mevrouw.”“Zijn dat foulards?”“Och, eenvoudige zijden schortjes mevrouw, meer voor burgermenschen.”“Wacht die twee zal ik nemen; de meiden loopen altijd met zulke verschrikkelijke tafellakens.”“Ja mevrouw, wij zeggen altijd: duurkoop, goedkoop; als de dienstboden dat over ’t algemeen begrepen dan zouden ze liever wat méér voor hun goed besteden. Maar...!” De man trekt de schouders op.“Maak jelui ook manskleeren?”“In alle soorten mevrouw. We hebben zelfs kamerleden.”“Dus maak je livrei?”“Zeerzeker mevrouw. Woudt u den knecht....?”“Ja, dat is te zeggen, hij is nu uit; en ’t is toch beter dat je daar later met mijnheer over spreekt. Stuur Dinsdag modellen mee van passement, rood met goud. We kunnen knoopen krijgen met.... met ons wapen er op?”“Dat is te zeggen, als u ze laat maken, zeerzeker mevrouw.”“Goud met een dwarsbalk en een kroon erboven;” zegt Eva zacht, en onwillekeurig vluchtig blozend.“’t Zal alles volgens mevrouw haar orders geëffectueerd worden.”“Ja maar dáárover dan een volgenden keer.—Denk aan Dinsdag. De sortie in alle geval!”Terwijl de reiziger straks, op iets gemeenzamer toon, de dienstmaagden binnen de strijkkamer tot de bewondering van zijn goederen en stalen dwingt, doet hij met de verzekering, dat mevrouw het over de dienstboden geheel met hem eens was—namelijk “dat een meid niet beter haar fatsoen en eer kan ophouden dan door zich wat degelijk en netjes te kleeden”—Kaatje besluiten om “dan maarzoo’n fijne lakensche met al die gitten te nemen—wel ja, ze vroeg toch om opslag als ie ’en graaf was,—en Jaantje de keukenmeid, om er nog bovendien zoo’n “tierlantijn in de lendens op te hangen.—Waarom niet; wat maalde Jaantje om ’en riksdaalder; ze zag immers wel dat ze hier voor ’t opscheppen waren.”’t Was zonderling, zoo aanstonds heeft Eva aan rijtuig en livrei gedacht, en zie—daar staat het nu werkelijk voor de deur. ’t Moet van een der buitenplaatsen zijn; een licht gentil rijtuigje, heerlijk!—Hé! zulk een elegant wagentje met zoo’n paar ranke paarden....! Al mettertijd; wie weet! Men moet met August niet alles opeens begeeren.Een weinig achter de zware meubelgordijn verscholen, kan Eva de persoon zien die de paarden bestuurde, en nu wacht totdat men den knecht die schelde zal hebben opengedaan.—’t Is een jonkman met een zeer gunstig voorkomen, levendige oogen, donkerblonde haren en een zeer langen lichtblonden knevel. Hij is eenvoudig maar smaakvol gekleed.—Eva kent hem niet.Met een snelle wending is de jonge vrouw naar de deur gegaan, en zegt om den hoek tot Kaatje die ging opendoen:“Als er iemand is die mijnheer moet spreken, zeg dan dat dokter zoo aanstonds zal thuis komen.”“Bij u binnenlaten mevrouw?”“Nee, in degroote zaal; en me dan zeggen wie er is.”Eenige oogenblikken later bericht de dienstmeid dat de luitenant Hardenborg, de zoon van den baron vanDe Poel,gevraagd had ofmevrouwniet ontving.“O! de zoon van menheer Debecque. Verzoek mijnheer hier te komen Kaatje. Als ik schel dan breng je port en fijne glaasjes.”Zeer verdiept in de lectuur van een der prachtwerken, die zij van een kleine tafel heeft genomen, zit Eva in haar fraaien voltaire bij ’t raam, nu Archibald Hardenborg binnentreedt.—Te droes! denkt de jonge luitenant, nu hij door Eva zeer minzaam maar toch eenigszins hoog-elegant wordt verwelkomd: te droes, die dokter mag tevreden zijn. Waarachtig, daar zijn de mooiste Parisiennes niemendal bij. En jawel, voor een dokter woont dat hier in een aardig stulpje! De oud-burgemeester sloeg het deksel van z’n kist stuk, louter van plezier als ie zag hoe prachtig men hier zijn oud foedraal heeft opgeknapt.“Met schaamte beken ik mevrouw, dat het mij bijzonder lief is u te mogen ontmoeten;” vangt Archibald aan. Hij zet zich op een stoel dien Eva hem aanwees, en vervolgt: “Een onverwacht opgekomen uitstapje naar Parijs, was oorzaak dat ik mijn bezoek—nadat ik u niet thuis mocht vinden—eerst nu hervatten kan. Haastige vrienden hebben geen ooren voor afscheidsvisites. En toch had ik dit vóór ons vertrek, behalve in mijn eigen belang, uit pure dankbaarheid zoo gaarne gedaan, want, zonder de trouwe zorg van dokter Helmond zou ik zeker ’t graf van Abélard en Héloïse niet gezien hebben—hetgeen me trouwens zeer zenuwachtig maakte—noch de mooiste vrouw van Europa op één na. Ik dacht dat keizerin Eugénie de mooiste was.”“Ah ja, u hebt een reisje naar Parijs gemaakt. Helmond heeft me dat gezegd..... Lieve stad niewaar?”“Interessant, fameus! De Notre-Dame, ’t Café Riche, de Louvre, Lodewijk XIV op allerlei manieren! De groote Napoleon op de punt van een naald!—Lief!?Jawel bij avondheel veel liefs, maar meest doré au feu. ’t Valt minder in mijn smaak.”Eva vond het heerlijk over haar ideaal te kunnen spreken met iemand die er pas geweest was, die er zoo vroolijk over kon praten, en van wien ze mede wist dat hij een degelijk jongmensch was.“Maar op gevaar af wat indiscreet te worden,” zegt Archibald ten laatste, niet zonder een weinigje ironie: “wanneer mevrouw Helmond zich waarlijk zoo sterk gevoelt dat ze wel aanstonds opnieuw dat reisje zou kunnen maken, en dokter, zooals u zegt, gemakkelijk wanneer hij ’t wilde een week of drie kon uitbreken, dan—neem mij niet kwalijk—dan is het toch wel hard voor de ongelukkige familie Debecque, om te moeten vernemen dat er bij dokter Helmond en zijn lieve vrouw zoo weinig sympathie voor haar partij bestaat.”Eva bloosde vluchtig terwijl ze glimlachend inviel:“Maar menheer Hardenborg,wieheeft u dat verteld?”Er volgde een ophelderende verklaring, die den luitenant volkomen bevredigde. Immers aan zooveel vriendelijks als mijnheer Archibald haar achtereenvolgens heeft gezegd, en voornamelijk over haar lieven man, had zij geen weerstand kunnen bieden.—Nu ja, dat briefje was geschreven op een oogenblik toen Helmond nog al hoofdpijn had, maar als hij wist dat het mede een fête zoowat ter zijner eere was, ja dan waagde zij niet te veel om mede uitzijnnaam alvast de zeer beleefde uitnoodiging aan te nemen.Archibald zegt dat hij nu gerust zijn ontslag uit den Nederlandschen dienst kan nemen, want gelukkiger overwinning dan deze zou er toch nooit te behalen zijn. Mevrouw moest weten dat hij geadviseerd had om de heele Romphuizer noblesse—waarmee hij dan later wel eens perceelswijze kon kennismaken—maar stilletjes thuis te laten en het feest in de doos te doen, wanneer “de bloemen die men voorop dacht te zetten er aan moesten ontbreken.”“Ha! ik zie daar Helmond het marktplein opkomen;” zegt Eva, die juist naar buiten zag dewijl ze vreesde dat de overstelpende zaligheid die haar borst doorstroomde, en waarvoor ze geen naam had, misschien wat al te duidelijk op haar gelaat zou te lezen zijn.—De familie Debecque, de eerste uit den omtrek, gaf een partij aan de noblesse van Romphuizen, maar ze zouden die partijniet laten doorgaan indien dokter Helmond en zijn vrouw daarvoor moesten bedanken!!!“Ah juist!” zegt Hardenborg: “’t Doet me recht veel plezier dat ik hem eens weer de hand zal mogen drukken; ’t is een juweel van een dokter. Natuurlijk, juweelen behooren bij elkaar. Weet u ook mevrouw, wie de snaak is waar dokter nu afscheid van neemt?”“Dat is de majoor Kartenglimp;” zegt Eva, terwijl ze opstaat en schellen gaat.“Kartenglimp! Kartenglimp!? Onbekend! Maar een gezicht dat men meer heeft gezien. Hij lijkt wel wat op den beer in De Jagers en het Melkmeisje, of op den wolf in Roodkapje. Wacht,” hij haalt een zakboekje te voorschijn: “Jawel, juist, papa heeft niemand vergeten:de majoor Kartenglimp!—Prompt we zullen zijn kennis maken.”“Ha, ha, daar is onze dokter!—Wel hoe gaat het mijn brave clairvoyant. ’k Heb te Parijs alle middagen een extra glaasje op je gezondheid gedronken, en merk dat het je geen kwaad heeft gedaan. Je ziet er best uit, tenminste....”“O ik ben heel wel luitenant, dankje.—Goed geamuseerd?” zegt Helmond die inmiddels zijn Eva een zoen heeft gegeven.“Voortreffelijk!” zegt Archibald, en dan: “Nu spijt het me alleen maar mijn brave dokter, dat ik je ook van een minder mooie zij moest leeren kennen. Foei, om mij nu het feest te willen ontnemen dat le bon papa zoo mooi georganiseerd had. Maar ’t is mis: Mevrouw heeft me al heelemaal gerust gesteld. Papa krijgt Woensdag de polonaise; dokter Helmond de wals; en je onderdanige, als het niet al te indiscreet is, nummer drie van het programme du bal.”“Ei ei!” zegt Helmond, door den opgewekten toon van den vroolijken luitenant, met zijn open en eerlijk gezicht, weldadig afgeleid: “Ei zoo, is dat alles in dien korten tijd al zoo vast bepaald?”“Menheer Hardenborg anticipeert wel een beetje op onze dans plannen;” zegt Eva lachend: “Maar wat de partij betreft, ik wist immers dat je het goedvondt August, ’t Was bezorgdheid voor mij, zooals ik u zeide menheer Hardenborg, en Helmond had ook wat hoofdpijn. Maar nu, niewaar lieve man, nu zijn we heel wel, en de lust ontbrak mij zeker niet.”“En mijn stelling is zeker zeer weinig gewaagd,” zegt de luitenant: “dat een wensch van mevrouw Helmond, een wet voor haar man is?”Helmond beviel de wending van het gesprek niet bijzonder. Ofschoon hij Hardenborg kende, en na alles wat hij van hem vernemen mocht, zich overtuigd hield dat hij een brave edele jongen was, zoo speet het hem toch dat een aangeboren courtoisie, waarschijnlijk geprikkeld door Eva’s schoonheid, hem deed voortgaan met Eva’s zwakke zij te streelen. Ongetwijfeld moest zij den jongen Hardenborg reeds een hoog denkbeeld van hun fortuin hebben doen opvatten, althans op luchtigen toon—zonder te vermoeden dat hij hier olie in het vuur wierp—ging Archibald voort om naar aanleiding van zijn laatste uitstapje, of als een gevolg van het gesprek over zijn nette equipage, die nog voor de deur wachtte, ten behoeve van de schoone doktersvrouw op Helmonds schuldenlijst te stellen: een toertje naar Parijs nog vóór den winter, en dan, een paar makkelijke lieve rijtuigen met een flink span mooie schimmels.August had weer hoofdpijn toen de vroolijke prater—met de zekerheid dat Helmond en zijn prachtig vrouwtje het feest zouden bijwonen—in gestrekten draf het marktplein over en naar huis reed.Eva vond het waarlijk een alleraardigst mensch, en August moest nu ineens niet zoo ijselijk ernstig kijken. Immers dat reisje, ze denkt er niet aan; nee, ze vindt het nu al heel prettig dat men Woensdag het feest opDe Poelzal bijwonen. En dan, ja.... Helmond moet dat nu maar goedvinden.... een grandiose partij op haar jaardag moeten ze geven, een afdoener ineens.—Nee, anders niets!... Als Bus—of een betere huisknecht, nu maar eerst zoo’n eenvoudig livreipak heeft niewaar, vóór de partij, dan praten ze ná den jaardag samen wel eens heel ampeltjes over dat idee van Hardenborg.“Idee van Hardenborg?”“Nu, je weet wel....?” En, ijlend naar de piano, brengt ze na een krachtig accoord, eensklaps haar helder geluid tot de hooge Gis en zingt:“Vooruit postiljon, met uw brieschend gespan;“Laat schallen den hoorn;“Doe spannen den reepDoor de klappende zweep;“En voer me in het dons van den zachten karos,“Langs heuvel en bosch,“Naar ’t heil van mijn leven:”Den lieven man!”En zie, terwijl zij nu een oogenblik later naar hem terugsnelt, en den dierbare met haar armen omstrengelt, ja, waarlijk, nu glimlacht ook Helmond weder; nu glimlachte ook hij, de lieve, de beste, degullevriend.

ZES EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.Op zijn studeervertrek gekomen heeft Helmond eenigszins gejaagd het werk verricht, ’t welk hem nog te doen stond. Daarmede gereed, schelde hij, opdat men alvorens naar bed te gaan, het avondbrood zou wegnemen ’twelk Eva op zijn kamer heeft laten klaarzetten.De oudste der beide nieuwe dienstboden—op ’t stuk der dienstboden is men in de luttele maanden sedert het huwelijk mede zeer vooruitgegaan—de oudste dier beide nieuwelingen komt al spoedig met een paar brieven in de hand de studeerkamer binnen, en ’t is wel aan haar oogen te zien dat ze dokter—die natuurlijk een huissleutel heeft—straks niet heeft gehoord toen hij in zijn woning terugkwam.Van de beide brieven is er een zonder postmerk, aan het adres van Monsieur et Madame Helmond-Armelo, en een met het postmerk Amsterdam, aan Dr. A. Helmond.Dat kleine briefje kon Helmond even inzien. ’t Droeg wel de sporen alsof men gepoogd had het open te maken; maar hij verkeerde nu in geen stemming om dit te onderzoeken, en mocht hij al een oogenblik ’t voornemen hebben opgevat om zijn nieuwe dienstboden tegen een “al te groote belangstelling” te waarschuwen, hij heeft de eenvoudige waarheid niet gegist dat het briefje der Debecque’s waarvan het omslag slechts weinig had vastgekleefd, gemakkelijk na de lezing door Eva weder was dichtgemaakt.En dat schrift bevatte de uitnoodiging tot het bijwonen van een feest.Op dit oogenblik is er zeker niets, ’t welk Helmond meer tegenstaat dan het denkbeeld om feest te vieren. Hij ziet die treurende weduwe vanDe Schebbelaar; dien zwager met zijn boosaardigverwijt!—Neen het kan niet. Bovendien met Eva, in haar omstandigheden, dient men wat voorzichtig te zijn. Ze heeft een zenuwachtig gestel. Erheen rijden; feestvieren tot laat in den nacht, en dan zulk een rit terug.....!?—Nu ja, maar die zorg is toch overdreven. ’t Zal zeker een mooi feest zijn ter eere van Archibald; en Eva zal gaarne.....—Maar het verstand zegt: blijf rustig thuis! En dan wat al kosten opnieuw! Voor zulk een avond zal er zeker weer ’t een en ander aan het toilet ontbreken: Allereerst witte handschoenen. Bovendien, de vigilante—ook terug in den nacht—zal minstens drie gulden kosten, plus de verschillende fooien!—En dan de praktijk! Nee, peinst Helmond voort: Eva weet er nu toch niets van; als ik ’t maar aanstonds afschrijf, en later als reden opgeef—bijvoorbeeld vrouw Sturk, ’t geen immers mogelijk is, dan zal alles wel goed zijn. Ja, Eva kan en mag er niet op aandringen; haar geheim; haar tevredenheid in het mooie huis.....—Misschien, ja misschien zal ze toch een heel klein beetje boos zijn!—Nee, ze zal daar niet over tobben; nee!Ofschoon Helmond weinig schrijflust gevoelt, hij zet zich toch aanstonds voor zijn nieuwe zeer fraaie schrijftafel—die door Eva op zulk een heerlijke studeerkamer volstrekt noodzakelijk was geoordeeld —en schrijft aan de familie Debecque: dat men door bijzondere omstandigheden verhinderd is van de zeer beleefde uitnoodiging gebruik te maken. Aan de dienstmaagd, die straks goeden nacht komt zeggen, geeft Helmond het briefje, met bevel dat Bus het morgen zoodra hij komt, voor den vroegbode bezorgen zal. Kaatje zou immers wel voorzichtig zijn, en het briefjevolstrekt niet kreukelen!? Den grooten brief uit Amsterdam waarvan de hand op ’t adres hem onbekend is, besloot Helmond eerst den volgenden morgen te lezen. De hoofdpijn was wel niet erger, maar in alle geval zal ’t beter zijn om nu rustig naar bed te gaan. Waarom nog meer in ’t hoofd te halen dan er nu reeds in woelde en spookte.—Helmond beziet nog even het adres. De hand gelijkt iets op die van zijn ouden vriend Woudberg, wien men nog op de huwelijksreis een bezoek heeft gebracht.—Even wil hij zien of hij zich niet bedriegt.Lezenzal hij hem in geen geval.Nu Helmond den brief geopend en de onderteekening inderdaad voor die van zijn ouden academievriend heeft herkend, nu zou hij toch bij zijn besluit zijn gebleven indien niet een paar woorden, waarop toevallig zijn oog is gevallen, hem aanstonds daarvan hadden teruggebracht. De woorden “uw diep ongelukkige broeder”, ze hebben hem hevig aangegrepen en wel tot lezen gedwongen.—O groote God, ook dit nog! zegt Helmond bijna hoorbaar:“..... zoodat er naar men mij verhaalde letterlijk gebrek werd geleden,” leest Helmond voort, terwijl hij den brief als ’t ware verslindt: “Voor drie weken ongeveer besloot ik mij zelf te gaan overtuigen wát er van waar mocht wezen. Ik begaf mij naar zijnwoning. Philip ontving mij tamelijk koel. Hij vroeg mij aanstonds of ik namens den generaal Van Barneveld of namens u kwam. Op mijn antwoord dat zulks niet het geval was, verzocht hij mij plaats te nemen, want, voegde hij mij toe: Indien gij uit naam van “iets uit Romphuizen” kwaamt, dan zou ik u verzoeken mij liefst niet op te houden.“Ik verzwijg u niets Helmond, want het is noodig dat ge weethoege tegenover uw broeder staat, alvorens gij iets ten zijnen behoeve zult besluiten.—Toen ik plaats had genomen, verhaalde ik hem openhartig wat ik van terzijde vernam. In den aanvang aarzelde hij zulks te bekennen: maar eindelijk moest hij toestemmen dat hij het bitter ellendig had. Nu, ’t was den armen duivel wel aan te zien. Zijn altijd geestige oogen fonkelden nog wel, maar bijwijlen was er een matheid in zijn blik, zeer in harmonie met de bleekheid van zijn broodmager maar altijd toch nobel gelaat.“’t Was roerend August, toen hij met een bevende stem en een traan in de oogen, maar tóch met een ruwen uitval bekende, dat bij zelf wilde honger lijden en zich laten vertrappen als het wezen moest, maar dat hij krankzinnig zou worden indien hij zijn vrouw en kind moest zien gebrek lijden en verachten door een wereld vol bekrompen laagheid. Toen, August, greep ik zijn hand, en sprak hem van menschen die het goed met hem meenden; van u en den generaal. Wat hij antwoordde meld ik u niet omstandig. Genoeg, hij dacht er niet aan om eenige hulp van u aan te nemen. Liever zou hij—doch waartoe meer. Eensklaps was hij opgestaan, en vroeg mij op een gansch anderen toon: wie mij eigenlijk tot hem gezonden had of het recht gegeven om mij in zijn huiselijke aangelegenheden te komen mengen?—Nu ja, in den beginne was hij zooals hij zeide, door mijn hartelijken toon wat zeer vertrouwelijk geweest, maar wanneer ik nu tóch gedurig van u en den generaal sprak, dan bekroop hem de vrees dat ik een poging waagde om hem tot een stap te bewegen, dien hijlaagmoest noemen; immers liever zou hij zich met vrouw en kind in het IJ werpen, dan van menschen die zich voor zijn dierbaarste schaamden, zelfs een groet te willen ontvangen. Tot mijn leedwezen August, kom ik er reeds toe om u bijna letterlijk Philips woorden terug te geven, doch het geschiedt opdat gij levendig gevoelen zoudt, dat de hulp van uwe zijde zóó zal verleend moeten worden, dat Philip gelooft van een gansch anderen kant te zijn geholpen. Nadat ik den armen vriend wat kalmer had gestemd door hem nogmaals te verzekeren dat ik hem geheel uit eigen beweging was komen zien, verhaalde hij mij de hoofdoorzaak zijner “voor ’t oogenblik nog al moeielijke omstandigheden.” Dewijl hij zich op zijn bureel, bij ’t meesttijds verrichten van armzalig kopiëerwerk, somwijlen eenige vrijheden had veroorloofd, ja zelfs een stuk—’t welk hij meende dat toch nooit gelezen zou worden—in Alexandrijnen had gesteld, was hij door een “ploert” vervangen, die in gemoede den inktmop kopiëeren zou wanneer de schrijver er bij ongeluk een had laten vallen.“Mij te zeggen wat hij al beproefd had om weder eene fatsoenlijkebetrekking, zij het als klerk op een koopmanskantoor, te bekomen, dat wilde hij niet: het scheen wel alsof de mededeeling dat hij in de rechten gestudeerd had—zonder het Mr. voor zijn naam te kunnen plaatsen, en de daarbij gevoegde omstandigheden dat hij getrouwd was, en op een bovenkwartier in de Tuinstraat woonde, de deftige heeren kooplui aanstonds reeds “iemand op ’t oog deden hebben, waarmee ze zoo goed als klaar waren”, zoodat hij onverrichterzake kon aftrekken.—“Maar geen nood,” riep Philip bijna woest; “je moet niet denken Woudberg, dat we gebrek behoeven te lijden. Waarachtig niet! Een valsch begrip van eer; het toegeven aan een dwaas vooroordeel in ons kleine land, maar vooral het besef dat de naam dien ik draag niet mijn uitsluitend eigendom is, dat alles deed mij dralen om gevolg te geven aan een plan, ’t welk tot uitvoering zal komen, en waardoor het ons verder aan niets zal ontbreken.”“Om kort te gaan August, wat ik vreesde zal geschieden indien gij ’t niet te voorkomen zoekt. Philip wil zich met zijn vrouw bij een tooneelgezelschap laten engageeren. Nochtans hij geloofde niet bij een der grootste theaters te zullen slagen. Ofschoon zijn vrouw er zeer goed uitziet, haar talent—ik heb dit vroeger wel eens meer gehoord—moet niet veel beteekenen. Philip zelf heeft wat gerederijkt, maar de tooneeldirecteurs geven geen eerste emplooi aan menschen zonder eenige reputatie.—Dit laatste komt in ons voordeel, want Philip schijnt bepaald te gelooven dat hij een eerste viool zal moeten spelen.”“Groote God!” zegt Helmond, en terwijl hij met beide handen zijn kloppend hoofd ondersteunt leest hij weer voort:“Beste August, wij behoeven ons zeker niet te verdiepen in de vragen wat ons Nederlandsch tooneel is, en of de tooneelwereld inderdaad uit het rechte oogpunt wordt beschouwd; we staan hier voor het feit dat de naam vanHelmondwaarschijnlijk binnenkort zal te vinden zijn op de tooneelbiljetten—zeer waarschijnlijk van een der allerminste gezelschappen in ons land. Nu is het de vraag of ditkanenmaggeschieden. Zonder u te hooren, heb ik reedsneengeantwoord. Mij dunkt, acteur mag Philip niet worden; en toch moet hij een kostwinning hebben.—Als uw oudste trouwe vriend, bied ik u gaarne de hand. Maar, er is geld noodig.”“Geld! ha, geld!” zucht Helmond, en drukt de handen vaster tegen het kloppende hoofd.“Recht gelukkig ben ik August, dat ik waarschijnlijk in de gelegenheid zal zijn om den armen drommel aan een fatsoenlijke positie te helpen. Twee mijner neven hebben het voornemen om een nieuwe brandwaarborgmaatschappij op te richten, en zouden daarin uw broeder tot mede-directeur willen kiezen, indien hij zich bereid verklaarde om het meerendeel der werkzaamheden te verrichten, en minstens tien aandeelen a duizend gulden te nemen of te plaatsen.“Deze zaak geef ik u alzoo ter overweging. Spoedig hoop ik te hooren hoe gij er over denkt. Philip die de zaak, om de tweede conditie, als een onmogelijke aanstonds verwierp, zou haar gretig aanpakkenindien ik hem door mijnvrienden—gij verstaat me—die aandeelen bezorgde.“’t Is dus een affaire van tien duizend gulden. Mij dunkt, indien een man als mijnheer Van Barneveld weet dat hij uw diep ongelukkigen broeder van zulk een stap kan weerhouden, en bovenal dat hij hem een fatsoenlijke betrekking kan bezorgen, waardoor zijn toekomst verzekerd wordt, dan zal hij niet aarzelen om voor een betrekkelijk geringe som aandeelen te nemen in een assurantie-maatschappij die, door een tal onzer eerste families ondersteund, bovendien de beste waarborgen oplevert.“’t Is dan verder—zooals gij reeds vermoed hebt—mijn voornemen, om Philip, ofschoon werkelijk door de inschrijving van uw oom geholpen, tien andere naamlooze aandeelen te toonen, die reeds door mijn vrienden genomen zijn.“Bij mijn laatst bezoek, ’t welk ik hem gisteren bracht, liet ik de hoop doorschemeren dat ik hem—natuurlijk zonder den steun van u of uw oom—zou kunnen helpen. De arme kerel werd bijna tot tranen geroerd; hij beloofde mij dat tooneeldenkbeeld nog wat uit het hoofd te zullen zetten. Maar.... “de oogenblikkelijke moeielijkheden—?” Nu ja, van mij die zich steeds een oprecht vriend betoonde, en vooral, zooals hij zeide, die steeds aan zijn vrouw de eer had gegeven, welke men haar verschuldigd was—’t is mogelijk dat ik eens bij een ontmoeting op straat, den hoed voor haar heb afgenomen—van zulk een vriend wilde hij nog wel het kleine voorschot van honderd gulden aannemen, ’t welk ik hem op kiesche wijze had aangeboden.“En nu mijn vriend, stel mij niet te leur. Ik wilde onzen braven dolleman er weer zoo gaarne bovenop helpen; hij is het waard, al ware het alleen omdat hij uw broeder is.“Houd mijn bemoeiingen voor de bewijzen van mijn onveranderlijke vriendschap, en schrijf spoedig aan uw vriendEverard Woudberg.”Het was dokter Helmond alsof het arme hoofd hem ging bersten. Steeds turend op het schrift, bleef hij in dezelfde houding zitten, met de beide ellebogen op de tafel geleund.—Ook dit nog!—Dit! Welk dit?—Het moest zeker een gevolg van wat koorts zijn, dat hem deze brief zoo loodzwaar op de borst drukte. Had Woudberg dan geen prachtig uitzicht voor Philip geopend? Was het geen heerlijke uitredding voor den armen jongen; geen gelukkige wederoprichting van den naam, dien Philip tot heden maar al te weinig had geteld, en die toch het erfdeel was van een geslacht waaruit, in de laatste twee eeuwen, zelfs zonen tot de hoogste waardigheden mochten opklimmen!Maar nochtans, terwijl Helmond zoo peinst, klinkt daar telkens een stem, en het dreunt in zijn hoofd: geld, geld, geld, geld!Opgestaan, zoekt Helmond nu naar het beste geneesmiddel—Het koude water ’twelk hij overvloedig aanwendt, doet hem inderdaadeen oogenblik als herleven. Den kletsnatten doek stijf tegen de nekspieren gedrukt, ziet hij nu met verruimden blik de zaken weer in:—Geld is er noodig, veel geld: tien duizend gulden! En hetmoeter komen. Van oom....? Maar zal het geen vergeefsche moeite zijn om aan oom te vragen, of hij in Philips belang die aandeelen wil nemen! ’t Is zoo goed als zeker dat de vroeger zoo nobele man, die langzaam in ongevoeligheid aan een steen gelijk wordt, kortaf zal weigeren.—Ha! nu heeft hij een goeden inval: Woudbergs vrouw zou aan Jacoba als haar oude schoolvriendin kunnen schrijven, met verzoek om haar vader in ’t belang der beide oprichters tot het nemen van de aandeelen over te halen.—Ja, wanneer Coba maar geheel op de hoogte is, dan zal ze dat zeker met tact behandelen. De generaal moet niet weten dat hij met zijn geld den armen Philip helpt, zoomin als Philip ooit ontdekken mag dat de hulp van die zijde kwam.En, Helmond kan aan den aandrang van zijn hart geen weerstand bieden. Aleer hij zich te bed zal begeven moet hij aan ’t werk. Spoed is noodzakelijk.—Deze onverwacht schoone uitkomst mag Philip in geen geval door het dralen van zijn broeder ontgaan. Wanneer hij aanstonds schrijft, zoowel naar Amsterdam als naar den Godesberg, dan kon Bus de beide brieven morgen mede zeer in de vroegte bezorgen; en, bij de gerustheid dat August dan deed wat hij kon, behoefde de angst hem niet te kwellen dat hij morgen door ongesteldheid, of door den drang der praktijk—immers hij dient mede reeds vroeg naarDe Schebbelaarte gaan—de goede gelegenheid tot schrijven zal missen, die hij nu heeft in het nachtelijk uur. Het water, waarmee de dokter zich gedurig het hoofd verfrischt, heeft hem waarlijk veel verkwikt, althans hij gevoelt geen smart zoolang hij aan zijn lieve pleegzuster schrijft. Het slot van den brief luidde:“Meer, mijn goede zusje, behoef ik je niet te zeggen. Je vader moet de aandeelen nemen in de meening dat hij er de neven van Woudberg genoegen mee doet.“De families Woudberg en Van Diense zijn bovendien in Amsterdam als solide bekend, zoodat oom voor zijn geld geene zorg behoeft te hebben.“Nieuws van belang is hier niet. Meld mij vooral wanneer gij terug denkt te komen, en of het u, lieve Coba, in den vreemde goed gaat en bevalt.“Hoe ik mij ten opzichte van uw vader voortaan zal moeten gedragen.... ’t is mij in al die weken nog niet helder geworden. Ik hoop de kracht te behouden om mijn dankbare liefde voor hem met de innige liefde voor mijn engel te blijven verbinden, ’t Heeft mij grooten strijd gekost om uw vader op zijn verjaardag te schrijven, en—in vertrouwen gezegd Coba—Ik geloof niet dat de brief er een van den ouden stempel was.“Na ’tgeen ik ondervinden en van mijn goeden Van Hake hooren moest—ofschoon hij mij slechts zeer weinig te antwoorden had—was dit niet anders.“Met een zoen aan mijn lieve zusje, in wier beterschap ik mij zoo recht hartelijk verheugde, en die zich ook nu, naar ik hoop, heel frisch en versterkt zal gevoelen, blijf ik als altijd haar liefhebbende broeder:August.Romphuizen van 29 op 30 Aug. 18....”De pendule met een forsch metalen Minervabeeld erop, sloeg één. Buiten deed de Romphuizer torenklok het haar na.Helmond zit weer eenige oogenblikken met de beide handen onder ’t hoofd. En, zelfs terwijl hij daar schreef was het denkbeeld niet bij hem gerezen, omzelfin ’t belang van zijn broeder geld op te nemen. Neen, nu en nooit te voren was hij op die gedachte gekomen, ofschoon hij toch om dit huis.... voorhaarte kunnen koopen, met alles wat daarin is—de fraaie pendule op zijn studeerkamer had hem er aan herinnerd—zich niet heeft ontzien schulden te maken, zeer groote schulden!—Hola August, waartoe die zaak zoo gedurig te herkauwen, dat zou je ziek maken; waarachtig dat is tobben; dat is voor een goed deel de oorzaak van je hoofdpijn.—Voort! De brief aan Woudberg moet nog geschreven. ’t Geschiedt toch alles in Philips belang. Wie geeft meer, hij die zijn nachtrust opoffert in ’t belang van broeder of vriend, of hij die om te helpen geld leent van anderen!?—En Helmond schrijft:....“Ik twijfel er niet aan beste Woudberg, of uw lieve Emma zal ongetwijfeld die kleine comedie wel mede willen spelen in ’t belang van onzen Philip. Op deze wijze—ik ben er haast zeker van—neemt oom het getal aandeelen, en zal Philip kunnen terugkeeren in den stand waartoe hij behoort. Wat uw goedheid voor mijn broeder betreft, ik zal er je steeds erkentelijk voor zijn. Zoo hij mede-directeur der nieuwe verzekeringsmaatschappij wordt, hij heeft het dan alleen aan mijn trouwen Everard te danken.—Wat echter de gelden betreft, die gij aan Philip hebt geleend, ik mag niet toestaan dat de arme jongen inditopzicht uw schuldenaar blijft. Zeg hem niet dat ik die zaak voor hem vereffende. Gij zelf weet waarom.—Mocht hij u later het geld kunnen geven, welnu, dan ontvang ik het op mijn beurt van u terug. Hiernevens alzoo de....”Geld! geld! geld! klopt het sterker in Helmonds hoofd. Opstaande trekt hij een paar laden van de prachtige schrijftafel los.—Zie, dat was nog de onbekendheid met de verdeeling of bestemming der laden.Dezeis voor de rekeningen. De rekening die bovenop ligt is van den Utrechtschen bloemist. Helmond was die bijna vergeten. En vluchtig leest hij: “Voor UEd. aan heesters en bloemen: driehonderd en dertig gulden” Welnu, ’t is immers voor eens, en zoowel voor Eva’s serre als voor dien grooten verwilderden tuin is er heel wat noodig geweest. Ah! deze la moet hij hebben. In weinige oogenblikken had Helmond nagezien hoeveel geld aan papier en contanten hij nog voorhanden had. Honderd negentig gulden en eenige stuivers!’t Is een luttele en bovendien een zeer negatieve bezitting, met het oog op den inhoud van de lade, die hij het eerst had geopend. De groote schulden zijn wel alle door de hulp van den notaris kunnen vereffend worden, maar hoeveel is er niet nagekomen, en om zich telkens weder bij den notaris aan te melden, dat stuitte hem tegen de borst.—Neen de praktijk moet het goedmaken, en langzamerhand zal alles terechtkomen.—Desnoods kan hij zijn weinige vrije uren aan het schrijven van eenig medisch werk besteden; een populair boek ’twelk men flink honoreeren moet.—Maar voor het oogenblik?—Aan Woudberg wil hij tweehonderd gulden terugzenden. Woudberg is een beste jongen, maar ’t was niet te dulden dathijhet huisgezin van dokter Helmonds broeder onderhouden zal. Tweehonderd gulden!—En het weinige dat daar ligt, al ware het voldoende geweest, kan hij het missen? Wat zou het zijn, geheel zonder geld te zitten in ... een woning mettwee zalen! En dan, is niet verreweg het grootste deel van dit geld het kwartaal, ’twelk hij morgen volstrekt aan Thomas moet voldoen! Zie, hij had geen onwaarheid gesproken: ’t Ligt hier immers klaar in zijn schrijftafel.—Goddank! daar wordt het eensklaps voor zijn starenden blik als brak de dageraad aan:Donerie’s monument! Een andere kleine lade is ras geopend.—Naast eenige papieren, inteekenlijsten en correspondentiën over het op te richten gedenkteeken—ligt een kleine portefeuille. Helmond, die zich gaarne met het bewaren van de reeds ingekomen gelden heeft belast, neemt haastig de portefeuille en ... Neen, leg neer, dat is misbruik maken van vertrouwen. Dit geld moet tot het bestemde doel onaangeroerd blijven!—Maar is er dan niets, volstrekt niets meer in de roode tasch, waarin hij vroeger als vrijgezel zijn schatten bewaarde?—Hij kan dien ouden getrouwe toch licht nog eens even inzien. Er was links immers zoo’n klein zakje waarvan de voering wat loszat; wie weet of daarachter...? Wie weet?—Neen! de flauwe hoop is reeds in damp verdwenen. Al de zakken en binnenzakjes van de roode tasch, werden doorzocht, maar niets was er te vinden. Deze schatbewaarder van weleer, was, evenals boer Dirksen, nóg rood, maar dood!—Hu! welk eendwazegedachte was dat! Daar is iets krankzinnigs in zulk een gedachte ... Krankzinnig!—Stil, hij mag zelfs aan dat woord geen plaats geven, ’t Is natuurlijk dat hij wat overspannen is. ’t Wordt hoog tijd naar bed te gaan. Doch de brief die daar ligt moet voltooid, en aan hetgeen erin staat moet voldaan worden.—Waarom mag hij dan eigenlijk die tweehonderd gulden nietleenenvan de zeshonderd en vijftien, die men reeds voor een eenvoudig gedenkteeken op Donerie’s graf bijeen heeft gebracht?—Waarom? Omdat toevertrouwd geld ons heilig moet zijn. ’t Is het geld ter vereering van een geliefden afgestorvene.—Geld?—Mag dit doodebankpapierde tolk dier vereering heeten? Neen, ’t zal slechts het loon worden voor den arbeid. Hetmonumentzal de vereering dier nagedachtenis wezen. Dit geld kan door ander vervangenworden, indien het maar gereed ligt wanneer men den arbeid betalen moet. Waarom zou hij niet...? Nee!Nee!” zegt Helmond eensklaps overluid, en hij schrikt schier van zich zelven. “Nee!”En toch, slechts luttele seconden later heeft hij zijn besluit gewijzigd: Van zich zelven had hij niets te geven, maar wat dáár in geld lag—het geld voor dat monument—immers hij mocht het met recht voor een groot deel het zijne noemen. Zie maar, het gouden repetitie-horloge met den zeer zwaren horlogeketting, waarvan hij zich nu ontdoet, het wordt in de lade gelegd naast die kleine portefeuille waaruit hij twee—neen vier biljetten van honderd gulden genomen heeft. En—geld, geld, geld, bonst weder het hoofd. Maar immers, zijn daad kan zelfs den toets der strikste eerlijkheid doorstaan. Ligt daar geen waarde voor waarde!?Zooeven had de pendule halftwee geslagen. Helmond schreef weer, en sluit nu zijn brief.—Alles was stil, doodelijk stil.—Een geweldig schellen aan de huisdeur klinkt eensklaps door de holle woning en doet den wakenden dokter hevig ontroeren, ’t Verschijnsel dat men in den nacht aan een doktershuis de slapenden komt wakker maken, is zeker niet vreemd, en in denzelfden stond begrijpt Helmond dan ook dat men voor een zieke zijn hulp komt inroepen; doch in deze oogenblikken was het zeker niet onnatuurlijk dat Helmond, bij ’t hooren van den hellen klank, is overeind bevlogen met een gevoel, alsof men hem op een misdaad kwam getrappen.Eerder dan men verwachten kon heeft de dokter zich hersteld. Snel zijn kamer verlatend is hij op het breede bovenportaal naar het raam gegaan ’twelk op ’t marktplein uitziet.Het raam opgeschoven, roept hij naar buiten:“Wie daar?”“Ik!” klonk het antwoord, ’twelk zeker het meest voor de hand lag; doch spoedig ook werd die inlichting achtervolgd door de bijvoeging: dat menheer Van Hake liet zeggen of dokter, als hij ’t eenigszins kon doen, toch alsjeblieft dadelijk bij vrouw Sturk wou komen, ’t Was noodig, en de kuiper ging zoo vreeselijk aan. Als dokter niet kwam dan zou de kuiper gek worden, zeidie, want vrouw Spanning had hij al gedreigd de deur uit te smijten.—Van Hake! Vrouw Spanning!—Helmond begreep niet wat dit alles beteekenen moest. Maar, duidelijk klonk het naar beneden:“Zeg dat ik aanstonds zal komen.”—En het raam ging weer dicht.

Op zijn studeervertrek gekomen heeft Helmond eenigszins gejaagd het werk verricht, ’t welk hem nog te doen stond. Daarmede gereed, schelde hij, opdat men alvorens naar bed te gaan, het avondbrood zou wegnemen ’twelk Eva op zijn kamer heeft laten klaarzetten.

De oudste der beide nieuwe dienstboden—op ’t stuk der dienstboden is men in de luttele maanden sedert het huwelijk mede zeer vooruitgegaan—de oudste dier beide nieuwelingen komt al spoedig met een paar brieven in de hand de studeerkamer binnen, en ’t is wel aan haar oogen te zien dat ze dokter—die natuurlijk een huissleutel heeft—straks niet heeft gehoord toen hij in zijn woning terugkwam.

Van de beide brieven is er een zonder postmerk, aan het adres van Monsieur et Madame Helmond-Armelo, en een met het postmerk Amsterdam, aan Dr. A. Helmond.

Dat kleine briefje kon Helmond even inzien. ’t Droeg wel de sporen alsof men gepoogd had het open te maken; maar hij verkeerde nu in geen stemming om dit te onderzoeken, en mocht hij al een oogenblik ’t voornemen hebben opgevat om zijn nieuwe dienstboden tegen een “al te groote belangstelling” te waarschuwen, hij heeft de eenvoudige waarheid niet gegist dat het briefje der Debecque’s waarvan het omslag slechts weinig had vastgekleefd, gemakkelijk na de lezing door Eva weder was dichtgemaakt.

En dat schrift bevatte de uitnoodiging tot het bijwonen van een feest.

Op dit oogenblik is er zeker niets, ’t welk Helmond meer tegenstaat dan het denkbeeld om feest te vieren. Hij ziet die treurende weduwe vanDe Schebbelaar; dien zwager met zijn boosaardigverwijt!—Neen het kan niet. Bovendien met Eva, in haar omstandigheden, dient men wat voorzichtig te zijn. Ze heeft een zenuwachtig gestel. Erheen rijden; feestvieren tot laat in den nacht, en dan zulk een rit terug.....!?—Nu ja, maar die zorg is toch overdreven. ’t Zal zeker een mooi feest zijn ter eere van Archibald; en Eva zal gaarne.....

—Maar het verstand zegt: blijf rustig thuis! En dan wat al kosten opnieuw! Voor zulk een avond zal er zeker weer ’t een en ander aan het toilet ontbreken: Allereerst witte handschoenen. Bovendien, de vigilante—ook terug in den nacht—zal minstens drie gulden kosten, plus de verschillende fooien!—En dan de praktijk! Nee, peinst Helmond voort: Eva weet er nu toch niets van; als ik ’t maar aanstonds afschrijf, en later als reden opgeef—bijvoorbeeld vrouw Sturk, ’t geen immers mogelijk is, dan zal alles wel goed zijn. Ja, Eva kan en mag er niet op aandringen; haar geheim; haar tevredenheid in het mooie huis.....

—Misschien, ja misschien zal ze toch een heel klein beetje boos zijn!

—Nee, ze zal daar niet over tobben; nee!

Ofschoon Helmond weinig schrijflust gevoelt, hij zet zich toch aanstonds voor zijn nieuwe zeer fraaie schrijftafel—die door Eva op zulk een heerlijke studeerkamer volstrekt noodzakelijk was geoordeeld —en schrijft aan de familie Debecque: dat men door bijzondere omstandigheden verhinderd is van de zeer beleefde uitnoodiging gebruik te maken. Aan de dienstmaagd, die straks goeden nacht komt zeggen, geeft Helmond het briefje, met bevel dat Bus het morgen zoodra hij komt, voor den vroegbode bezorgen zal. Kaatje zou immers wel voorzichtig zijn, en het briefjevolstrekt niet kreukelen!? Den grooten brief uit Amsterdam waarvan de hand op ’t adres hem onbekend is, besloot Helmond eerst den volgenden morgen te lezen. De hoofdpijn was wel niet erger, maar in alle geval zal ’t beter zijn om nu rustig naar bed te gaan. Waarom nog meer in ’t hoofd te halen dan er nu reeds in woelde en spookte.—Helmond beziet nog even het adres. De hand gelijkt iets op die van zijn ouden vriend Woudberg, wien men nog op de huwelijksreis een bezoek heeft gebracht.—Even wil hij zien of hij zich niet bedriegt.Lezenzal hij hem in geen geval.

Nu Helmond den brief geopend en de onderteekening inderdaad voor die van zijn ouden academievriend heeft herkend, nu zou hij toch bij zijn besluit zijn gebleven indien niet een paar woorden, waarop toevallig zijn oog is gevallen, hem aanstonds daarvan hadden teruggebracht. De woorden “uw diep ongelukkige broeder”, ze hebben hem hevig aangegrepen en wel tot lezen gedwongen.—O groote God, ook dit nog! zegt Helmond bijna hoorbaar:

“..... zoodat er naar men mij verhaalde letterlijk gebrek werd geleden,” leest Helmond voort, terwijl hij den brief als ’t ware verslindt: “Voor drie weken ongeveer besloot ik mij zelf te gaan overtuigen wát er van waar mocht wezen. Ik begaf mij naar zijnwoning. Philip ontving mij tamelijk koel. Hij vroeg mij aanstonds of ik namens den generaal Van Barneveld of namens u kwam. Op mijn antwoord dat zulks niet het geval was, verzocht hij mij plaats te nemen, want, voegde hij mij toe: Indien gij uit naam van “iets uit Romphuizen” kwaamt, dan zou ik u verzoeken mij liefst niet op te houden.“Ik verzwijg u niets Helmond, want het is noodig dat ge weethoege tegenover uw broeder staat, alvorens gij iets ten zijnen behoeve zult besluiten.—Toen ik plaats had genomen, verhaalde ik hem openhartig wat ik van terzijde vernam. In den aanvang aarzelde hij zulks te bekennen: maar eindelijk moest hij toestemmen dat hij het bitter ellendig had. Nu, ’t was den armen duivel wel aan te zien. Zijn altijd geestige oogen fonkelden nog wel, maar bijwijlen was er een matheid in zijn blik, zeer in harmonie met de bleekheid van zijn broodmager maar altijd toch nobel gelaat.“’t Was roerend August, toen hij met een bevende stem en een traan in de oogen, maar tóch met een ruwen uitval bekende, dat bij zelf wilde honger lijden en zich laten vertrappen als het wezen moest, maar dat hij krankzinnig zou worden indien hij zijn vrouw en kind moest zien gebrek lijden en verachten door een wereld vol bekrompen laagheid. Toen, August, greep ik zijn hand, en sprak hem van menschen die het goed met hem meenden; van u en den generaal. Wat hij antwoordde meld ik u niet omstandig. Genoeg, hij dacht er niet aan om eenige hulp van u aan te nemen. Liever zou hij—doch waartoe meer. Eensklaps was hij opgestaan, en vroeg mij op een gansch anderen toon: wie mij eigenlijk tot hem gezonden had of het recht gegeven om mij in zijn huiselijke aangelegenheden te komen mengen?—Nu ja, in den beginne was hij zooals hij zeide, door mijn hartelijken toon wat zeer vertrouwelijk geweest, maar wanneer ik nu tóch gedurig van u en den generaal sprak, dan bekroop hem de vrees dat ik een poging waagde om hem tot een stap te bewegen, dien hijlaagmoest noemen; immers liever zou hij zich met vrouw en kind in het IJ werpen, dan van menschen die zich voor zijn dierbaarste schaamden, zelfs een groet te willen ontvangen. Tot mijn leedwezen August, kom ik er reeds toe om u bijna letterlijk Philips woorden terug te geven, doch het geschiedt opdat gij levendig gevoelen zoudt, dat de hulp van uwe zijde zóó zal verleend moeten worden, dat Philip gelooft van een gansch anderen kant te zijn geholpen. Nadat ik den armen vriend wat kalmer had gestemd door hem nogmaals te verzekeren dat ik hem geheel uit eigen beweging was komen zien, verhaalde hij mij de hoofdoorzaak zijner “voor ’t oogenblik nog al moeielijke omstandigheden.” Dewijl hij zich op zijn bureel, bij ’t meesttijds verrichten van armzalig kopiëerwerk, somwijlen eenige vrijheden had veroorloofd, ja zelfs een stuk—’t welk hij meende dat toch nooit gelezen zou worden—in Alexandrijnen had gesteld, was hij door een “ploert” vervangen, die in gemoede den inktmop kopiëeren zou wanneer de schrijver er bij ongeluk een had laten vallen.“Mij te zeggen wat hij al beproefd had om weder eene fatsoenlijkebetrekking, zij het als klerk op een koopmanskantoor, te bekomen, dat wilde hij niet: het scheen wel alsof de mededeeling dat hij in de rechten gestudeerd had—zonder het Mr. voor zijn naam te kunnen plaatsen, en de daarbij gevoegde omstandigheden dat hij getrouwd was, en op een bovenkwartier in de Tuinstraat woonde, de deftige heeren kooplui aanstonds reeds “iemand op ’t oog deden hebben, waarmee ze zoo goed als klaar waren”, zoodat hij onverrichterzake kon aftrekken.—“Maar geen nood,” riep Philip bijna woest; “je moet niet denken Woudberg, dat we gebrek behoeven te lijden. Waarachtig niet! Een valsch begrip van eer; het toegeven aan een dwaas vooroordeel in ons kleine land, maar vooral het besef dat de naam dien ik draag niet mijn uitsluitend eigendom is, dat alles deed mij dralen om gevolg te geven aan een plan, ’t welk tot uitvoering zal komen, en waardoor het ons verder aan niets zal ontbreken.”“Om kort te gaan August, wat ik vreesde zal geschieden indien gij ’t niet te voorkomen zoekt. Philip wil zich met zijn vrouw bij een tooneelgezelschap laten engageeren. Nochtans hij geloofde niet bij een der grootste theaters te zullen slagen. Ofschoon zijn vrouw er zeer goed uitziet, haar talent—ik heb dit vroeger wel eens meer gehoord—moet niet veel beteekenen. Philip zelf heeft wat gerederijkt, maar de tooneeldirecteurs geven geen eerste emplooi aan menschen zonder eenige reputatie.—Dit laatste komt in ons voordeel, want Philip schijnt bepaald te gelooven dat hij een eerste viool zal moeten spelen.”

“..... zoodat er naar men mij verhaalde letterlijk gebrek werd geleden,” leest Helmond voort, terwijl hij den brief als ’t ware verslindt: “Voor drie weken ongeveer besloot ik mij zelf te gaan overtuigen wát er van waar mocht wezen. Ik begaf mij naar zijnwoning. Philip ontving mij tamelijk koel. Hij vroeg mij aanstonds of ik namens den generaal Van Barneveld of namens u kwam. Op mijn antwoord dat zulks niet het geval was, verzocht hij mij plaats te nemen, want, voegde hij mij toe: Indien gij uit naam van “iets uit Romphuizen” kwaamt, dan zou ik u verzoeken mij liefst niet op te houden.

“Ik verzwijg u niets Helmond, want het is noodig dat ge weethoege tegenover uw broeder staat, alvorens gij iets ten zijnen behoeve zult besluiten.—Toen ik plaats had genomen, verhaalde ik hem openhartig wat ik van terzijde vernam. In den aanvang aarzelde hij zulks te bekennen: maar eindelijk moest hij toestemmen dat hij het bitter ellendig had. Nu, ’t was den armen duivel wel aan te zien. Zijn altijd geestige oogen fonkelden nog wel, maar bijwijlen was er een matheid in zijn blik, zeer in harmonie met de bleekheid van zijn broodmager maar altijd toch nobel gelaat.

“’t Was roerend August, toen hij met een bevende stem en een traan in de oogen, maar tóch met een ruwen uitval bekende, dat bij zelf wilde honger lijden en zich laten vertrappen als het wezen moest, maar dat hij krankzinnig zou worden indien hij zijn vrouw en kind moest zien gebrek lijden en verachten door een wereld vol bekrompen laagheid. Toen, August, greep ik zijn hand, en sprak hem van menschen die het goed met hem meenden; van u en den generaal. Wat hij antwoordde meld ik u niet omstandig. Genoeg, hij dacht er niet aan om eenige hulp van u aan te nemen. Liever zou hij—doch waartoe meer. Eensklaps was hij opgestaan, en vroeg mij op een gansch anderen toon: wie mij eigenlijk tot hem gezonden had of het recht gegeven om mij in zijn huiselijke aangelegenheden te komen mengen?—Nu ja, in den beginne was hij zooals hij zeide, door mijn hartelijken toon wat zeer vertrouwelijk geweest, maar wanneer ik nu tóch gedurig van u en den generaal sprak, dan bekroop hem de vrees dat ik een poging waagde om hem tot een stap te bewegen, dien hijlaagmoest noemen; immers liever zou hij zich met vrouw en kind in het IJ werpen, dan van menschen die zich voor zijn dierbaarste schaamden, zelfs een groet te willen ontvangen. Tot mijn leedwezen August, kom ik er reeds toe om u bijna letterlijk Philips woorden terug te geven, doch het geschiedt opdat gij levendig gevoelen zoudt, dat de hulp van uwe zijde zóó zal verleend moeten worden, dat Philip gelooft van een gansch anderen kant te zijn geholpen. Nadat ik den armen vriend wat kalmer had gestemd door hem nogmaals te verzekeren dat ik hem geheel uit eigen beweging was komen zien, verhaalde hij mij de hoofdoorzaak zijner “voor ’t oogenblik nog al moeielijke omstandigheden.” Dewijl hij zich op zijn bureel, bij ’t meesttijds verrichten van armzalig kopiëerwerk, somwijlen eenige vrijheden had veroorloofd, ja zelfs een stuk—’t welk hij meende dat toch nooit gelezen zou worden—in Alexandrijnen had gesteld, was hij door een “ploert” vervangen, die in gemoede den inktmop kopiëeren zou wanneer de schrijver er bij ongeluk een had laten vallen.

“Mij te zeggen wat hij al beproefd had om weder eene fatsoenlijkebetrekking, zij het als klerk op een koopmanskantoor, te bekomen, dat wilde hij niet: het scheen wel alsof de mededeeling dat hij in de rechten gestudeerd had—zonder het Mr. voor zijn naam te kunnen plaatsen, en de daarbij gevoegde omstandigheden dat hij getrouwd was, en op een bovenkwartier in de Tuinstraat woonde, de deftige heeren kooplui aanstonds reeds “iemand op ’t oog deden hebben, waarmee ze zoo goed als klaar waren”, zoodat hij onverrichterzake kon aftrekken.—“Maar geen nood,” riep Philip bijna woest; “je moet niet denken Woudberg, dat we gebrek behoeven te lijden. Waarachtig niet! Een valsch begrip van eer; het toegeven aan een dwaas vooroordeel in ons kleine land, maar vooral het besef dat de naam dien ik draag niet mijn uitsluitend eigendom is, dat alles deed mij dralen om gevolg te geven aan een plan, ’t welk tot uitvoering zal komen, en waardoor het ons verder aan niets zal ontbreken.”

“Om kort te gaan August, wat ik vreesde zal geschieden indien gij ’t niet te voorkomen zoekt. Philip wil zich met zijn vrouw bij een tooneelgezelschap laten engageeren. Nochtans hij geloofde niet bij een der grootste theaters te zullen slagen. Ofschoon zijn vrouw er zeer goed uitziet, haar talent—ik heb dit vroeger wel eens meer gehoord—moet niet veel beteekenen. Philip zelf heeft wat gerederijkt, maar de tooneeldirecteurs geven geen eerste emplooi aan menschen zonder eenige reputatie.—Dit laatste komt in ons voordeel, want Philip schijnt bepaald te gelooven dat hij een eerste viool zal moeten spelen.”

“Groote God!” zegt Helmond, en terwijl hij met beide handen zijn kloppend hoofd ondersteunt leest hij weer voort:

“Beste August, wij behoeven ons zeker niet te verdiepen in de vragen wat ons Nederlandsch tooneel is, en of de tooneelwereld inderdaad uit het rechte oogpunt wordt beschouwd; we staan hier voor het feit dat de naam vanHelmondwaarschijnlijk binnenkort zal te vinden zijn op de tooneelbiljetten—zeer waarschijnlijk van een der allerminste gezelschappen in ons land. Nu is het de vraag of ditkanenmaggeschieden. Zonder u te hooren, heb ik reedsneengeantwoord. Mij dunkt, acteur mag Philip niet worden; en toch moet hij een kostwinning hebben.—Als uw oudste trouwe vriend, bied ik u gaarne de hand. Maar, er is geld noodig.”“Geld! ha, geld!” zucht Helmond, en drukt de handen vaster tegen het kloppende hoofd.“Recht gelukkig ben ik August, dat ik waarschijnlijk in de gelegenheid zal zijn om den armen drommel aan een fatsoenlijke positie te helpen. Twee mijner neven hebben het voornemen om een nieuwe brandwaarborgmaatschappij op te richten, en zouden daarin uw broeder tot mede-directeur willen kiezen, indien hij zich bereid verklaarde om het meerendeel der werkzaamheden te verrichten, en minstens tien aandeelen a duizend gulden te nemen of te plaatsen.“Deze zaak geef ik u alzoo ter overweging. Spoedig hoop ik te hooren hoe gij er over denkt. Philip die de zaak, om de tweede conditie, als een onmogelijke aanstonds verwierp, zou haar gretig aanpakkenindien ik hem door mijnvrienden—gij verstaat me—die aandeelen bezorgde.“’t Is dus een affaire van tien duizend gulden. Mij dunkt, indien een man als mijnheer Van Barneveld weet dat hij uw diep ongelukkigen broeder van zulk een stap kan weerhouden, en bovenal dat hij hem een fatsoenlijke betrekking kan bezorgen, waardoor zijn toekomst verzekerd wordt, dan zal hij niet aarzelen om voor een betrekkelijk geringe som aandeelen te nemen in een assurantie-maatschappij die, door een tal onzer eerste families ondersteund, bovendien de beste waarborgen oplevert.“’t Is dan verder—zooals gij reeds vermoed hebt—mijn voornemen, om Philip, ofschoon werkelijk door de inschrijving van uw oom geholpen, tien andere naamlooze aandeelen te toonen, die reeds door mijn vrienden genomen zijn.“Bij mijn laatst bezoek, ’t welk ik hem gisteren bracht, liet ik de hoop doorschemeren dat ik hem—natuurlijk zonder den steun van u of uw oom—zou kunnen helpen. De arme kerel werd bijna tot tranen geroerd; hij beloofde mij dat tooneeldenkbeeld nog wat uit het hoofd te zullen zetten. Maar.... “de oogenblikkelijke moeielijkheden—?” Nu ja, van mij die zich steeds een oprecht vriend betoonde, en vooral, zooals hij zeide, die steeds aan zijn vrouw de eer had gegeven, welke men haar verschuldigd was—’t is mogelijk dat ik eens bij een ontmoeting op straat, den hoed voor haar heb afgenomen—van zulk een vriend wilde hij nog wel het kleine voorschot van honderd gulden aannemen, ’t welk ik hem op kiesche wijze had aangeboden.“En nu mijn vriend, stel mij niet te leur. Ik wilde onzen braven dolleman er weer zoo gaarne bovenop helpen; hij is het waard, al ware het alleen omdat hij uw broeder is.“Houd mijn bemoeiingen voor de bewijzen van mijn onveranderlijke vriendschap, en schrijf spoedig aan uw vriendEverard Woudberg.”

“Beste August, wij behoeven ons zeker niet te verdiepen in de vragen wat ons Nederlandsch tooneel is, en of de tooneelwereld inderdaad uit het rechte oogpunt wordt beschouwd; we staan hier voor het feit dat de naam vanHelmondwaarschijnlijk binnenkort zal te vinden zijn op de tooneelbiljetten—zeer waarschijnlijk van een der allerminste gezelschappen in ons land. Nu is het de vraag of ditkanenmaggeschieden. Zonder u te hooren, heb ik reedsneengeantwoord. Mij dunkt, acteur mag Philip niet worden; en toch moet hij een kostwinning hebben.—Als uw oudste trouwe vriend, bied ik u gaarne de hand. Maar, er is geld noodig.”

“Geld! ha, geld!” zucht Helmond, en drukt de handen vaster tegen het kloppende hoofd.

“Recht gelukkig ben ik August, dat ik waarschijnlijk in de gelegenheid zal zijn om den armen drommel aan een fatsoenlijke positie te helpen. Twee mijner neven hebben het voornemen om een nieuwe brandwaarborgmaatschappij op te richten, en zouden daarin uw broeder tot mede-directeur willen kiezen, indien hij zich bereid verklaarde om het meerendeel der werkzaamheden te verrichten, en minstens tien aandeelen a duizend gulden te nemen of te plaatsen.

“Deze zaak geef ik u alzoo ter overweging. Spoedig hoop ik te hooren hoe gij er over denkt. Philip die de zaak, om de tweede conditie, als een onmogelijke aanstonds verwierp, zou haar gretig aanpakkenindien ik hem door mijnvrienden—gij verstaat me—die aandeelen bezorgde.

“’t Is dus een affaire van tien duizend gulden. Mij dunkt, indien een man als mijnheer Van Barneveld weet dat hij uw diep ongelukkigen broeder van zulk een stap kan weerhouden, en bovenal dat hij hem een fatsoenlijke betrekking kan bezorgen, waardoor zijn toekomst verzekerd wordt, dan zal hij niet aarzelen om voor een betrekkelijk geringe som aandeelen te nemen in een assurantie-maatschappij die, door een tal onzer eerste families ondersteund, bovendien de beste waarborgen oplevert.

“’t Is dan verder—zooals gij reeds vermoed hebt—mijn voornemen, om Philip, ofschoon werkelijk door de inschrijving van uw oom geholpen, tien andere naamlooze aandeelen te toonen, die reeds door mijn vrienden genomen zijn.

“Bij mijn laatst bezoek, ’t welk ik hem gisteren bracht, liet ik de hoop doorschemeren dat ik hem—natuurlijk zonder den steun van u of uw oom—zou kunnen helpen. De arme kerel werd bijna tot tranen geroerd; hij beloofde mij dat tooneeldenkbeeld nog wat uit het hoofd te zullen zetten. Maar.... “de oogenblikkelijke moeielijkheden—?” Nu ja, van mij die zich steeds een oprecht vriend betoonde, en vooral, zooals hij zeide, die steeds aan zijn vrouw de eer had gegeven, welke men haar verschuldigd was—’t is mogelijk dat ik eens bij een ontmoeting op straat, den hoed voor haar heb afgenomen—van zulk een vriend wilde hij nog wel het kleine voorschot van honderd gulden aannemen, ’t welk ik hem op kiesche wijze had aangeboden.

“En nu mijn vriend, stel mij niet te leur. Ik wilde onzen braven dolleman er weer zoo gaarne bovenop helpen; hij is het waard, al ware het alleen omdat hij uw broeder is.

“Houd mijn bemoeiingen voor de bewijzen van mijn onveranderlijke vriendschap, en schrijf spoedig aan uw vriend

Everard Woudberg.”

Het was dokter Helmond alsof het arme hoofd hem ging bersten. Steeds turend op het schrift, bleef hij in dezelfde houding zitten, met de beide ellebogen op de tafel geleund.

—Ook dit nog!—Dit! Welk dit?—Het moest zeker een gevolg van wat koorts zijn, dat hem deze brief zoo loodzwaar op de borst drukte. Had Woudberg dan geen prachtig uitzicht voor Philip geopend? Was het geen heerlijke uitredding voor den armen jongen; geen gelukkige wederoprichting van den naam, dien Philip tot heden maar al te weinig had geteld, en die toch het erfdeel was van een geslacht waaruit, in de laatste twee eeuwen, zelfs zonen tot de hoogste waardigheden mochten opklimmen!

Maar nochtans, terwijl Helmond zoo peinst, klinkt daar telkens een stem, en het dreunt in zijn hoofd: geld, geld, geld, geld!

Opgestaan, zoekt Helmond nu naar het beste geneesmiddel—Het koude water ’twelk hij overvloedig aanwendt, doet hem inderdaadeen oogenblik als herleven. Den kletsnatten doek stijf tegen de nekspieren gedrukt, ziet hij nu met verruimden blik de zaken weer in:—Geld is er noodig, veel geld: tien duizend gulden! En hetmoeter komen. Van oom....? Maar zal het geen vergeefsche moeite zijn om aan oom te vragen, of hij in Philips belang die aandeelen wil nemen! ’t Is zoo goed als zeker dat de vroeger zoo nobele man, die langzaam in ongevoeligheid aan een steen gelijk wordt, kortaf zal weigeren.—Ha! nu heeft hij een goeden inval: Woudbergs vrouw zou aan Jacoba als haar oude schoolvriendin kunnen schrijven, met verzoek om haar vader in ’t belang der beide oprichters tot het nemen van de aandeelen over te halen.—Ja, wanneer Coba maar geheel op de hoogte is, dan zal ze dat zeker met tact behandelen. De generaal moet niet weten dat hij met zijn geld den armen Philip helpt, zoomin als Philip ooit ontdekken mag dat de hulp van die zijde kwam.

En, Helmond kan aan den aandrang van zijn hart geen weerstand bieden. Aleer hij zich te bed zal begeven moet hij aan ’t werk. Spoed is noodzakelijk.—Deze onverwacht schoone uitkomst mag Philip in geen geval door het dralen van zijn broeder ontgaan. Wanneer hij aanstonds schrijft, zoowel naar Amsterdam als naar den Godesberg, dan kon Bus de beide brieven morgen mede zeer in de vroegte bezorgen; en, bij de gerustheid dat August dan deed wat hij kon, behoefde de angst hem niet te kwellen dat hij morgen door ongesteldheid, of door den drang der praktijk—immers hij dient mede reeds vroeg naarDe Schebbelaarte gaan—de goede gelegenheid tot schrijven zal missen, die hij nu heeft in het nachtelijk uur. Het water, waarmee de dokter zich gedurig het hoofd verfrischt, heeft hem waarlijk veel verkwikt, althans hij gevoelt geen smart zoolang hij aan zijn lieve pleegzuster schrijft. Het slot van den brief luidde:

“Meer, mijn goede zusje, behoef ik je niet te zeggen. Je vader moet de aandeelen nemen in de meening dat hij er de neven van Woudberg genoegen mee doet.“De families Woudberg en Van Diense zijn bovendien in Amsterdam als solide bekend, zoodat oom voor zijn geld geene zorg behoeft te hebben.“Nieuws van belang is hier niet. Meld mij vooral wanneer gij terug denkt te komen, en of het u, lieve Coba, in den vreemde goed gaat en bevalt.“Hoe ik mij ten opzichte van uw vader voortaan zal moeten gedragen.... ’t is mij in al die weken nog niet helder geworden. Ik hoop de kracht te behouden om mijn dankbare liefde voor hem met de innige liefde voor mijn engel te blijven verbinden, ’t Heeft mij grooten strijd gekost om uw vader op zijn verjaardag te schrijven, en—in vertrouwen gezegd Coba—Ik geloof niet dat de brief er een van den ouden stempel was.“Na ’tgeen ik ondervinden en van mijn goeden Van Hake hooren moest—ofschoon hij mij slechts zeer weinig te antwoorden had—was dit niet anders.“Met een zoen aan mijn lieve zusje, in wier beterschap ik mij zoo recht hartelijk verheugde, en die zich ook nu, naar ik hoop, heel frisch en versterkt zal gevoelen, blijf ik als altijd haar liefhebbende broeder:August.Romphuizen van 29 op 30 Aug. 18....”

“Meer, mijn goede zusje, behoef ik je niet te zeggen. Je vader moet de aandeelen nemen in de meening dat hij er de neven van Woudberg genoegen mee doet.

“De families Woudberg en Van Diense zijn bovendien in Amsterdam als solide bekend, zoodat oom voor zijn geld geene zorg behoeft te hebben.

“Nieuws van belang is hier niet. Meld mij vooral wanneer gij terug denkt te komen, en of het u, lieve Coba, in den vreemde goed gaat en bevalt.

“Hoe ik mij ten opzichte van uw vader voortaan zal moeten gedragen.... ’t is mij in al die weken nog niet helder geworden. Ik hoop de kracht te behouden om mijn dankbare liefde voor hem met de innige liefde voor mijn engel te blijven verbinden, ’t Heeft mij grooten strijd gekost om uw vader op zijn verjaardag te schrijven, en—in vertrouwen gezegd Coba—Ik geloof niet dat de brief er een van den ouden stempel was.

“Na ’tgeen ik ondervinden en van mijn goeden Van Hake hooren moest—ofschoon hij mij slechts zeer weinig te antwoorden had—was dit niet anders.

“Met een zoen aan mijn lieve zusje, in wier beterschap ik mij zoo recht hartelijk verheugde, en die zich ook nu, naar ik hoop, heel frisch en versterkt zal gevoelen, blijf ik als altijd haar liefhebbende broeder:

August.

Romphuizen van 29 op 30 Aug. 18....”

De pendule met een forsch metalen Minervabeeld erop, sloeg één. Buiten deed de Romphuizer torenklok het haar na.

Helmond zit weer eenige oogenblikken met de beide handen onder ’t hoofd. En, zelfs terwijl hij daar schreef was het denkbeeld niet bij hem gerezen, omzelfin ’t belang van zijn broeder geld op te nemen. Neen, nu en nooit te voren was hij op die gedachte gekomen, ofschoon hij toch om dit huis.... voorhaarte kunnen koopen, met alles wat daarin is—de fraaie pendule op zijn studeerkamer had hem er aan herinnerd—zich niet heeft ontzien schulden te maken, zeer groote schulden!—Hola August, waartoe die zaak zoo gedurig te herkauwen, dat zou je ziek maken; waarachtig dat is tobben; dat is voor een goed deel de oorzaak van je hoofdpijn.—Voort! De brief aan Woudberg moet nog geschreven. ’t Geschiedt toch alles in Philips belang. Wie geeft meer, hij die zijn nachtrust opoffert in ’t belang van broeder of vriend, of hij die om te helpen geld leent van anderen!?—En Helmond schrijft:

....“Ik twijfel er niet aan beste Woudberg, of uw lieve Emma zal ongetwijfeld die kleine comedie wel mede willen spelen in ’t belang van onzen Philip. Op deze wijze—ik ben er haast zeker van—neemt oom het getal aandeelen, en zal Philip kunnen terugkeeren in den stand waartoe hij behoort. Wat uw goedheid voor mijn broeder betreft, ik zal er je steeds erkentelijk voor zijn. Zoo hij mede-directeur der nieuwe verzekeringsmaatschappij wordt, hij heeft het dan alleen aan mijn trouwen Everard te danken.—Wat echter de gelden betreft, die gij aan Philip hebt geleend, ik mag niet toestaan dat de arme jongen inditopzicht uw schuldenaar blijft. Zeg hem niet dat ik die zaak voor hem vereffende. Gij zelf weet waarom.—Mocht hij u later het geld kunnen geven, welnu, dan ontvang ik het op mijn beurt van u terug. Hiernevens alzoo de....”

Geld! geld! geld! klopt het sterker in Helmonds hoofd. Opstaande trekt hij een paar laden van de prachtige schrijftafel los.—Zie, dat was nog de onbekendheid met de verdeeling of bestemming der laden.Dezeis voor de rekeningen. De rekening die bovenop ligt is van den Utrechtschen bloemist. Helmond was die bijna vergeten. En vluchtig leest hij: “Voor UEd. aan heesters en bloemen: driehonderd en dertig gulden” Welnu, ’t is immers voor eens, en zoowel voor Eva’s serre als voor dien grooten verwilderden tuin is er heel wat noodig geweest. Ah! deze la moet hij hebben. In weinige oogenblikken had Helmond nagezien hoeveel geld aan papier en contanten hij nog voorhanden had. Honderd negentig gulden en eenige stuivers!’t Is een luttele en bovendien een zeer negatieve bezitting, met het oog op den inhoud van de lade, die hij het eerst had geopend. De groote schulden zijn wel alle door de hulp van den notaris kunnen vereffend worden, maar hoeveel is er niet nagekomen, en om zich telkens weder bij den notaris aan te melden, dat stuitte hem tegen de borst.

—Neen de praktijk moet het goedmaken, en langzamerhand zal alles terechtkomen.

—Desnoods kan hij zijn weinige vrije uren aan het schrijven van eenig medisch werk besteden; een populair boek ’twelk men flink honoreeren moet.

—Maar voor het oogenblik?—Aan Woudberg wil hij tweehonderd gulden terugzenden. Woudberg is een beste jongen, maar ’t was niet te dulden dathijhet huisgezin van dokter Helmonds broeder onderhouden zal. Tweehonderd gulden!—En het weinige dat daar ligt, al ware het voldoende geweest, kan hij het missen? Wat zou het zijn, geheel zonder geld te zitten in ... een woning mettwee zalen! En dan, is niet verreweg het grootste deel van dit geld het kwartaal, ’twelk hij morgen volstrekt aan Thomas moet voldoen! Zie, hij had geen onwaarheid gesproken: ’t Ligt hier immers klaar in zijn schrijftafel.—Goddank! daar wordt het eensklaps voor zijn starenden blik als brak de dageraad aan:Donerie’s monument! Een andere kleine lade is ras geopend.—Naast eenige papieren, inteekenlijsten en correspondentiën over het op te richten gedenkteeken—ligt een kleine portefeuille. Helmond, die zich gaarne met het bewaren van de reeds ingekomen gelden heeft belast, neemt haastig de portefeuille en ... Neen, leg neer, dat is misbruik maken van vertrouwen. Dit geld moet tot het bestemde doel onaangeroerd blijven!—Maar is er dan niets, volstrekt niets meer in de roode tasch, waarin hij vroeger als vrijgezel zijn schatten bewaarde?—Hij kan dien ouden getrouwe toch licht nog eens even inzien. Er was links immers zoo’n klein zakje waarvan de voering wat loszat; wie weet of daarachter...? Wie weet?—Neen! de flauwe hoop is reeds in damp verdwenen. Al de zakken en binnenzakjes van de roode tasch, werden doorzocht, maar niets was er te vinden. Deze schatbewaarder van weleer, was, evenals boer Dirksen, nóg rood, maar dood!—Hu! welk eendwazegedachte was dat! Daar is iets krankzinnigs in zulk een gedachte ... Krankzinnig!—Stil, hij mag zelfs aan dat woord geen plaats geven, ’t Is natuurlijk dat hij wat overspannen is. ’t Wordt hoog tijd naar bed te gaan. Doch de brief die daar ligt moet voltooid, en aan hetgeen erin staat moet voldaan worden.

—Waarom mag hij dan eigenlijk die tweehonderd gulden nietleenenvan de zeshonderd en vijftien, die men reeds voor een eenvoudig gedenkteeken op Donerie’s graf bijeen heeft gebracht?—Waarom? Omdat toevertrouwd geld ons heilig moet zijn. ’t Is het geld ter vereering van een geliefden afgestorvene.—Geld?—Mag dit doodebankpapierde tolk dier vereering heeten? Neen, ’t zal slechts het loon worden voor den arbeid. Hetmonumentzal de vereering dier nagedachtenis wezen. Dit geld kan door ander vervangenworden, indien het maar gereed ligt wanneer men den arbeid betalen moet. Waarom zou hij niet...? Nee!Nee!” zegt Helmond eensklaps overluid, en hij schrikt schier van zich zelven. “Nee!”

En toch, slechts luttele seconden later heeft hij zijn besluit gewijzigd: Van zich zelven had hij niets te geven, maar wat dáár in geld lag—het geld voor dat monument—immers hij mocht het met recht voor een groot deel het zijne noemen. Zie maar, het gouden repetitie-horloge met den zeer zwaren horlogeketting, waarvan hij zich nu ontdoet, het wordt in de lade gelegd naast die kleine portefeuille waaruit hij twee—neen vier biljetten van honderd gulden genomen heeft. En—geld, geld, geld, bonst weder het hoofd. Maar immers, zijn daad kan zelfs den toets der strikste eerlijkheid doorstaan. Ligt daar geen waarde voor waarde!?

Zooeven had de pendule halftwee geslagen. Helmond schreef weer, en sluit nu zijn brief.—Alles was stil, doodelijk stil.—Een geweldig schellen aan de huisdeur klinkt eensklaps door de holle woning en doet den wakenden dokter hevig ontroeren, ’t Verschijnsel dat men in den nacht aan een doktershuis de slapenden komt wakker maken, is zeker niet vreemd, en in denzelfden stond begrijpt Helmond dan ook dat men voor een zieke zijn hulp komt inroepen; doch in deze oogenblikken was het zeker niet onnatuurlijk dat Helmond, bij ’t hooren van den hellen klank, is overeind bevlogen met een gevoel, alsof men hem op een misdaad kwam getrappen.

Eerder dan men verwachten kon heeft de dokter zich hersteld. Snel zijn kamer verlatend is hij op het breede bovenportaal naar het raam gegaan ’twelk op ’t marktplein uitziet.

Het raam opgeschoven, roept hij naar buiten:

“Wie daar?”

“Ik!” klonk het antwoord, ’twelk zeker het meest voor de hand lag; doch spoedig ook werd die inlichting achtervolgd door de bijvoeging: dat menheer Van Hake liet zeggen of dokter, als hij ’t eenigszins kon doen, toch alsjeblieft dadelijk bij vrouw Sturk wou komen, ’t Was noodig, en de kuiper ging zoo vreeselijk aan. Als dokter niet kwam dan zou de kuiper gek worden, zeidie, want vrouw Spanning had hij al gedreigd de deur uit te smijten.

—Van Hake! Vrouw Spanning!—Helmond begreep niet wat dit alles beteekenen moest. Maar, duidelijk klonk het naar beneden:

“Zeg dat ik aanstonds zal komen.”—En het raam ging weer dicht.

ZEVEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.Des anderendaags morgens ging Bus, de nieuwbakken huisknecht—die toch zijn oude functies bleef waarnemen—reedszeer vroegtijdig naar het nieuwe doktershuis. Het was tegenwoordig halfvijf wanneer hij aan de tuinpoort schelde—niet om de meisjes “die katten” te doen opstaan, maar om ze de rust te gunnenwanneer ze hem maar, inplaats van open te doen, den sleutel van bovenneer toewierpen.’t Zoldervenster werd eenige oogenblikken later geopend, en de nachtmuts van Kaatje, waarin een aardig ondeugend gezicht stak, vertoonde zich in de hoogte, en Kaatje wierp hem den sleutel toe.“Zoo, ben je daar ouwe palfrenier. Pak aan! Klets.—Da’s jammer, ’t was op je neus gemunt. Ons roepen om zes uren hoorje! Een kwartiertje erover is ook goed. Zorg dat je water voor onze koffie hebt, taaie! En zie wat er op de lei staat. Bezoer!”Bus zag wat er op de lei stond:“Daadelijk die briev in je naamgenoot bezorgen ouwe slaaprok.”—k’Hem!—Bus vond den brief bij de lei liggen. Aan ’t adres van mijnheer Debecque. Ja die moest vroeg bezorgd worden, en hij zal hem dan maar ’t eerst naar zijn “naamgenoot” brengen—k’hem—maar wat er op die lei staat dát zal nog eerder weg: En Bus veegt de lei schoon.Toen Kaatje een paar uren later dokter en mevrouw ging “kloppen”, toen was mevrouw reeds bij de hand, want ofschoon zij nog geheel in nachttoilet was, aanstonds opende zij de deur der slaapkamer, en gaf Kaatje bevel om het briefje aan mijnheer Debecque, dat dokter gisterenavond gegeven had, nog niet weg te sturen, maar wel de twee brieven, die nu op het portaaltafeltje lagen. Kaatje moest goed toezien, de brief naar Amsterdam moest worden aangeteekend zooals dokter gezegd had.Voorts zouden de meiden immers welheel, heelstil zijn, want dokter is bijna den ganschen nacht uit geweest, om vier uren thuis gekomen en nu pas ingeslapen. Mijnheer had ook dit recept voor zich zelf geschreven; Bus moest er dadelijk mee naar mijnheer Van Hake gaan, en dan meebrengen ’t geen deze hem geven zou. Tegen acht uren zou hij mede een vigilante bestellen, want dokter moest vroeg naarDe Schebbelaar. Maar sust! geen leven, en vooral geen geklop meer.—Wel heerejee, zegt Kaatje bij zich zelve, nu haar mooie mevrouw de deur weer dichtdoet: Zukke kinders! wat al complimenten! Wel heerejee, kun je ook nog meer in één adem een mensch op z’n lijf jagen!—Bon, best, ’t zal allemaal plaats hebben; maar als Bus al die viezevazen moet doen, dan kan Kaatje messen slijpen en aardappels schillen en schoenen poetsen. Mersie zeit de Franschman; we kunnen dat luchtje zelf wel scheppen. De brieven da’s één; ’en wandelingetje naar Zoethout is twee; ’en viselantje is drie, en—Careltje van den bakker da’s vier.“Waar heb jij dat briefje voor Debek Bus?”“Al bezorgd Kaatje.”“Domme eend; dat moest niet.”“En ’t stond op de lei?”“Nu taaie, wat is ’en lei! Als ’tschriftwas; maar leischrift kun je immers uitvlakken.”Bus had Kaatje wel eens eventjes met dien schoenborstel...... maar.....’t Is gelukkig voor Kaatje dat ze er zoo schalks uitziet en zoo’n mooie rooie kleur heeft, want anders: “’t is een dierazie!”Kaatje vond de morgenlucht allerverkwikkendst. Met den huissleutel boven op de beide brieven; een schoonen boezelaar vóór, en een hagelwit mutsje op, stapt ze zeer langzaam het marktplein over. Wat zou zeeerstdoen?—Dat eind naar de post lag uit den weg. Careltje van den bakker stond nu zeker met de mooie forsche armen—zoo natuurlijk—in de bakkerij voor ’t open raam aan den wal; niet ver van Zoethout; niet ver van de vieselantes. Zal ze eerst de brieven bezorgen? Maar als Careltje dan eens in dien tijd gedaan had.... Ze zal de brieven ’t laatst bezorgen, welzeker, da’s sekuurder.“Goeje morgen vrijster! Kaatje van dokter Helmond niewaar? Iets verloren? Je stondt zoo in gedachten. Toch alles wel thuis?—Zoo vroeg al op ’t pad!”“Wat meen je menheer?” vraagt Kaatje strak.—’t Was de klok.“’k Zal ’t je zeggen. Juist op weg om even bij jelui aan te loopen. Gisteren gehoord, dokter niet heel fiksch was. Watblief?Treurig geval met boer Dirksen niewaar? De heele stad vol van. Je zult er alles van weten.”Kaatje wist van niets; maar van dien gek met z’n spillebeenen begeert ze niets te vernemen.—Careltje kwam toch óók overal en wist evengoed alles.“Of dokter van nacht al of niet is uitgeweest?” herneemt Kippelaan: “Watblief? ’t Is maar eenvoudig een vraag. Vrouw Sturk, je hebt het gehoord; treurig afgeloopen niewaar?”Kaatje brandt van nieuwsgierigheid om al het nieuws te hooren waarvan ze niets vernam, en waar haar meester zoozeer in betrokken schijnt. Maar van die klok met z’n gewauwel wil ze niets weten. Ze zal ’em in ’t riet sturen, en dan als de wind naar Careltje!“Om je de waarheid te zeggen menheer Kikkelaan....”“Kippelaan m’n lieve meid!Kippelaan, Jules Janin!”“Juist, ik wou maar zeggen dat de dokter zoo gezond is als ’en visch; dat ie den heelen nacht rustig heeft geslapen, en ook nog in lange geen plan had om op te staan. Nee, in’t geheel niet. Nou, als jij, menheer Kikkelaan, zoo’n jonge vrouw hadt, dan... Atjuusjes!”“Kaatje, m’n lieve.... à propos?”Kaatje omziende: “Hê, riep je me?”“Nee, roepen niet. Maar ik zie je den Hoenderveldschen kant opgaan, terwijl je daar brieven voor de post hebt....”“O woujijdie voor me bezorgen! Jongens ja, dan zou je ’en bolletje zijn.”Kippelaan heeft een sterk bewijs van aarzeling gegeven:“Bezorgen!—tuterletu! bezorgen!Wát zeg je,dezefrankeeren!—ei!—Ja maar m’n lieve Kaatje, je begrijpt....”Eensklaps, nadat hij vlug de adressen had gelezen—waarom ’t hem inderdaad voor ’t oogenblik slechts is te doen geweest—neemt hij de brieven met een merkbare gejaagdheid van Kaatje aan; steekt ze zeer haastig in den zijzak van zijn jas die hij aanstonds dichtknoopt, en Kaatje groetend stapt hij haastig voort.Weinige minuten later bevindt Kippelaan zich met de beide brieven op zijn slaapkamer, die de achterste is der beide bovenvertrekken welke hij bewoont, en onder andere dit verschil heeft met de zitkamer, dat hier slechts twee, en vóór—behalve een kleintje—drie spionnetjes uithangen.Kippelaan had het onbeschrijfelijk warm. De gordijn voor het venster wordt neergelaten. Ontelbare malen heeft hij van dat venster naar de deur gezien.—Ha! nu was het gevonden! Twee stoelen worden er tegen de goed gesloten deur gezet, en, dwars over die stoelen ligt al spoedig het beddetafeltje, beladen met zooveel wit en blauw aardewerk als er maar voorhanden was en op den zijkant kon geplaatst worden.In ’t sleutelgat der deur zit een watje.—Phu! Kippelaan krijgt het waarlijk al te benauwd.—Wil hij kwaad!? Waarachtig niet! ’t Is zoo goed als een bestiering. Jawel, eenbestiering! Praatjes, allemaal praatjes werden er rondgewauweld.—Kippelaan kan dat gewauwel niet velen—en een weldaad zou het voor de familie Helmond en aanverwanten zijn, indien men uit echte bron aan al die praatjes een eind kon maken. En,tweebrieven van den dokter zelf zullen alles bevatten wat men te weten noodig heeft. Welzeker, familie-omstandigheden zal men vernemen uit den brief aan juffrouw Van Barneveld—het ideaal enfin,—en financieele zaken uit een brief met drie lakken naar de groote koopstad.Ofschoon zedelijk verplicht tot de inzage van brieven, die hem “zoo ongezocht in de handen werden bestierd”, aarzelt Kippelaan toch, aleer hij tot de voorgenomen operatie besluit, ’t Was anders doodeenvoudig; de spiritusvlam onder de bouilloir brandt fiks, en het theewater dat alreeds van de kook was geraakt, begint weer te razen dat het een lust is. En zie, terwijl de brief aan Jacoba, die in een gom-couvert was gesloten, nu reeds op den geopenden ketel ligt, steekt Kippelaan ter ontzegeling van den gelakten brief, een mes in de groote spiritusvlam, meenend dat het hem gemakkelijk zal vallen door middel van een gloeiend mes, de zegels, zonder de stempels te beschadigen, wat los te maken.—Er stond hem zoo iets van voor.Gedurig naar de gebarricadeerde deur, en een paar malen zelfs naar het donker onder zijn ledikant ziende, heeft Kippelaan nu reeds—ofschoon met eenigszins bevende vingers—den brief van Jacoba uit het losgelaten couvert genomen. En.... hij zal smullen:“Lieve Jacoba, beste zusje!”—O God wat is dat!? Men klopt op de deur:“Hé! Watblief? Wie is daar?”—Heeft hij goed gehoord, zijn ze daar om de brieven!.... O goeje God!..... Watblief!?”“Kan ik er niet in; scheelt er wat aan?” roept men van buiten.“Nee niemendal.... Een beetje ingeslapen!”—Lieve hemel! Het klamme zweet parelt hem onder den neus. Jacoba’s brief is reeds tot een bal ineengefrommeld.—Waar blijft hij er mee.....? Ha! In den ketel! Voort, zóó, het deksel er op!“Maak ’em open menheer!”—Openmaken! Nee waarachtig niet! Althans hij heeft geen idee gehad om er iets uit te nemen.“Maak de deur dan eens open menheer!”“Dedeur! Ahzoo. Jaja! Dadelijk hoorje.”—Nee, dien brief met waarde in den ketel te stoppen, dat ging niet.—In ’t bed! onder de matras, tot nader order. Goeje hemel, hij beeft over al zijn leden.Kippelaans hospita hield er een looper op na “voor zekere gevallen, weet u, dat er een sleutel zoek was. Ze heeft dien looper maar even gebruikt omdat menheer waarschijnlijk iets scheelde. En, terwijl ze nu met fermeteit de deur opent teneinde te zien wat Kippelaan weerhield om den brief aan te nemen dien ze hem brengen kwam, geeft de dikke hospita een gil van ontzetting, want, met een vreeselijken slag, die haar gansche woning deed dreunen, sloegen honderden scherven van glas en aardewerk met beddetafel en stoelen voor de voeten van den rillenden Kippelaan neer.Intusschen heeft Kaatje, van haar Careltje, die trouwens een groote Carel is, een heeleboel nieuws vernomen. Ten eerste vernam ze “met ijzing” ’tgeen er vanDe Schebbelaarbekend werd, en hoe er over de handelwijze van haar heer en meester wordt geoordeeld, ’t Was God geklaagd om iemand zoo aan z’n eigen over te laten, en willens en wetens met een gerust hart de eeuwigheid in te sturen. Als er zóó met het rijke volk als Dirksen wordt geleefd, zei Careltje, dan kunnen menschen als wij en ons-gelijken wel op de vingers natellen hoeveel we zoo’n dokter waard zijn; hij mag dan zoo knap wezen als de neef van menheer Kippelaan.”“Ja, maar Kippelaan zei al gisterenavond dat ie ’t vak voor z’n pleizier dee;” verzekert de molenaar die mede aan de bakkerij was gekomen.“Maar dat is juist het gemeene;” herneemt Careltje, en wrijft met zijn “natuurlijken arm” een kruimel deeg van de wang: “Als dat dan waar is—zooals gisterenavond de smid ook al gehoord had—dat ie namelijk een vondeling en ’t kind van een schatrijken graaf zou wezen, dan zegikdat zoo’n man d’r uit moest scheien met tongen te bekijken en de menschen naar de eeuwigheid te helpen.”“Een graaf!” zegt Kaatje, vuurrood geworden: “Is hij een graaf! Ben ik bij een.....?”“Jawel, dat zeggen ze allemaal. ’En mooi ding! ’En graaf met ’en apetheek. ’t Is schande!”“Voor vier duiten drop!” grinnikt de molenaar.“Nee maar gekheid is gekheid;” herneemt Careltje die geen gekheid verstaat: “Ze hebben—niewaar Kaatje—gisterenavond visite gehad?”—Kaatje knikt—“Zie-je, gesmuld en gebrast! En dan intusschen iemand te laten doodkrimpen die, zooals ze zeggen, Godsterwereld niks mankeerde, en dat omdat meseu de dokter z’n eigen liever op zijn gemak zet.”“Nee Careltje, gemakzuchtig is ie niet, da’s niewaar. Ik zie ’em tegenwoordig dikwijls heen en weer draven naar dien wal dat ie d’r bleek van wordt. En dat moet ie om die aptheek. Ik zei: as ie ’m in z’n huis nam; zoo’n kazerne van ’en huis! maar daar heeft mevrouw geen zin in. Nee gemakzuchtig, nee!”“Maar ik zeg,” valt Careltje in, terwijl hij, om Kaatje niet af te stooten, haar met den natuurlijken arm om den hals pakt: “ik zeg dat jij gelijk kunt hebben, maar dat ik gelijk heb ook; of zou je me willen aanpraten om ooit weer ’en dokter te roepen die, God beter’t, binnen ééne twaalfuur tweemaal naar zich fluiten laat?”“Tweemaal?”“Ja waarachtig meid;” valt de molenaar in: “Weet je dát nog niet? Vrouw Sturk heeft ze van morgen tegen halfdrie ook al genacht gezeid.—Verknoeid! ’t Was niet alles in orde. Van Hake de bediende—je weet wel—had verteld dat z’n baas ziek was, en geraden om vrouw Spanning te halen..... Maar jawel, ’t is verschrikkelijk! Toen dokter dan eindelijk toch om ’en uur of twee was komen aansukkelen, toen had de kuiper juist in woede vrouw Spanning de deur uitgesmeten.“Heere beware!” zegt Kaatje.“Ja, en wat het ergste was: van de kunst was er geen heil meer te wachten. Gekonfiskeerd! ’t Mot er toen gerookt hebben van belang, en ze zeien dat Sturk hem een pak slaag had gegeven, niet gering!”“Nee, da’s gelogen!” valt Careltje in: “Menheer Kippelaan, die voor een half uurtje hier even aan ’t raam was, wist alles precies van Mie de schoonmaakster: Sturk zou dokter zeker aan ’thuiszijn gekomen, maar menheer Van Hake had hem tegengehouden, en een oogenblik later gelegenheid gevonden met den dokter door een zijdeur te ontkomen. Van Hake moet nog een leelijken veeg hebben gekregen. Maar ’t was ook meer dan erg! Zoo’n wurm van een vrouw......!”“Nee maar ’t is gruwelijk! ’t is helsch zeg ik,” herneemt de molenaar: “’en leelijken naam hêt ie ook:Hel-mond!”“Ja Dores, daar heb je wel gelijk aan, al ’en heel gemeene!” bevestigt Careltje.“Maar als de dokter dan toch ziek was!” zegt een bakkersknechtje, die met een langen stok waaraan de natte ovendoek zit, het groepje in de deur der bakkerij was genaderd.“Ziek! wát ziek!” zegt Careltje: “als je ziek wilt wezen dan moet je geen anderen willen gezond maken!”“Maar hij was niet ziek,” roept Kaatje, half in den waan dat ze dokter, met wien ze toch medelij heeft, door die verzekering nog eenigszins in zijn eer zal herstellen: “Hij is gisterenavond zoowat om half elf in huis gekomen; heeft—omdat mevrouw al naar bed was—op z’n kantoor smakelijk een boterham gegeten, en is toen doodbedaard brieven gaan zitten schrijven, blijkens dat er van morgendriewaren om naar de post te brengen....” Kaatje heeft bij deze laatste mededeeling eensklaps een kleur gekregen; maar men bemerkt het niet.“Wat heb ik gezeid!? wát!” valt Careltje uit: “Zie je wel dat ie niet ziek was! De meid van Sturk die den dokter om twee uur ging halen wou het liegen heeten; maar d’r waslicht op ’t kantoor! Menheer Kippelaan had het van Hent den klepperman zelf gehoord; enikzeg: d’r brandt geen licht om twee uur op ’en kantoor of d’r moet iemand óp zijn!”“Nee nee,” stemt het uit aller mond: “dat spreekt vanzelf; dát is bewezen! ’t Is schandelijk! Wie zou zoo’n dokter vertrouwen!”

Des anderendaags morgens ging Bus, de nieuwbakken huisknecht—die toch zijn oude functies bleef waarnemen—reedszeer vroegtijdig naar het nieuwe doktershuis. Het was tegenwoordig halfvijf wanneer hij aan de tuinpoort schelde—niet om de meisjes “die katten” te doen opstaan, maar om ze de rust te gunnenwanneer ze hem maar, inplaats van open te doen, den sleutel van bovenneer toewierpen.

’t Zoldervenster werd eenige oogenblikken later geopend, en de nachtmuts van Kaatje, waarin een aardig ondeugend gezicht stak, vertoonde zich in de hoogte, en Kaatje wierp hem den sleutel toe.

“Zoo, ben je daar ouwe palfrenier. Pak aan! Klets.—Da’s jammer, ’t was op je neus gemunt. Ons roepen om zes uren hoorje! Een kwartiertje erover is ook goed. Zorg dat je water voor onze koffie hebt, taaie! En zie wat er op de lei staat. Bezoer!”

Bus zag wat er op de lei stond:

“Daadelijk die briev in je naamgenoot bezorgen ouwe slaaprok.”

—k’Hem!—Bus vond den brief bij de lei liggen. Aan ’t adres van mijnheer Debecque. Ja die moest vroeg bezorgd worden, en hij zal hem dan maar ’t eerst naar zijn “naamgenoot” brengen—k’hem—maar wat er op die lei staat dát zal nog eerder weg: En Bus veegt de lei schoon.

Toen Kaatje een paar uren later dokter en mevrouw ging “kloppen”, toen was mevrouw reeds bij de hand, want ofschoon zij nog geheel in nachttoilet was, aanstonds opende zij de deur der slaapkamer, en gaf Kaatje bevel om het briefje aan mijnheer Debecque, dat dokter gisterenavond gegeven had, nog niet weg te sturen, maar wel de twee brieven, die nu op het portaaltafeltje lagen. Kaatje moest goed toezien, de brief naar Amsterdam moest worden aangeteekend zooals dokter gezegd had.

Voorts zouden de meiden immers welheel, heelstil zijn, want dokter is bijna den ganschen nacht uit geweest, om vier uren thuis gekomen en nu pas ingeslapen. Mijnheer had ook dit recept voor zich zelf geschreven; Bus moest er dadelijk mee naar mijnheer Van Hake gaan, en dan meebrengen ’t geen deze hem geven zou. Tegen acht uren zou hij mede een vigilante bestellen, want dokter moest vroeg naarDe Schebbelaar. Maar sust! geen leven, en vooral geen geklop meer.

—Wel heerejee, zegt Kaatje bij zich zelve, nu haar mooie mevrouw de deur weer dichtdoet: Zukke kinders! wat al complimenten! Wel heerejee, kun je ook nog meer in één adem een mensch op z’n lijf jagen!—Bon, best, ’t zal allemaal plaats hebben; maar als Bus al die viezevazen moet doen, dan kan Kaatje messen slijpen en aardappels schillen en schoenen poetsen. Mersie zeit de Franschman; we kunnen dat luchtje zelf wel scheppen. De brieven da’s één; ’en wandelingetje naar Zoethout is twee; ’en viselantje is drie, en—Careltje van den bakker da’s vier.

“Waar heb jij dat briefje voor Debek Bus?”

“Al bezorgd Kaatje.”

“Domme eend; dat moest niet.”

“En ’t stond op de lei?”

“Nu taaie, wat is ’en lei! Als ’tschriftwas; maar leischrift kun je immers uitvlakken.”

Bus had Kaatje wel eens eventjes met dien schoenborstel...... maar.....

’t Is gelukkig voor Kaatje dat ze er zoo schalks uitziet en zoo’n mooie rooie kleur heeft, want anders: “’t is een dierazie!”

Kaatje vond de morgenlucht allerverkwikkendst. Met den huissleutel boven op de beide brieven; een schoonen boezelaar vóór, en een hagelwit mutsje op, stapt ze zeer langzaam het marktplein over. Wat zou zeeerstdoen?—Dat eind naar de post lag uit den weg. Careltje van den bakker stond nu zeker met de mooie forsche armen—zoo natuurlijk—in de bakkerij voor ’t open raam aan den wal; niet ver van Zoethout; niet ver van de vieselantes. Zal ze eerst de brieven bezorgen? Maar als Careltje dan eens in dien tijd gedaan had.... Ze zal de brieven ’t laatst bezorgen, welzeker, da’s sekuurder.

“Goeje morgen vrijster! Kaatje van dokter Helmond niewaar? Iets verloren? Je stondt zoo in gedachten. Toch alles wel thuis?—Zoo vroeg al op ’t pad!”

“Wat meen je menheer?” vraagt Kaatje strak.—’t Was de klok.

“’k Zal ’t je zeggen. Juist op weg om even bij jelui aan te loopen. Gisteren gehoord, dokter niet heel fiksch was. Watblief?Treurig geval met boer Dirksen niewaar? De heele stad vol van. Je zult er alles van weten.”

Kaatje wist van niets; maar van dien gek met z’n spillebeenen begeert ze niets te vernemen.—Careltje kwam toch óók overal en wist evengoed alles.

“Of dokter van nacht al of niet is uitgeweest?” herneemt Kippelaan: “Watblief? ’t Is maar eenvoudig een vraag. Vrouw Sturk, je hebt het gehoord; treurig afgeloopen niewaar?”

Kaatje brandt van nieuwsgierigheid om al het nieuws te hooren waarvan ze niets vernam, en waar haar meester zoozeer in betrokken schijnt. Maar van die klok met z’n gewauwel wil ze niets weten. Ze zal ’em in ’t riet sturen, en dan als de wind naar Careltje!

“Om je de waarheid te zeggen menheer Kikkelaan....”

“Kippelaan m’n lieve meid!Kippelaan, Jules Janin!”

“Juist, ik wou maar zeggen dat de dokter zoo gezond is als ’en visch; dat ie den heelen nacht rustig heeft geslapen, en ook nog in lange geen plan had om op te staan. Nee, in’t geheel niet. Nou, als jij, menheer Kikkelaan, zoo’n jonge vrouw hadt, dan... Atjuusjes!”

“Kaatje, m’n lieve.... à propos?”

Kaatje omziende: “Hê, riep je me?”

“Nee, roepen niet. Maar ik zie je den Hoenderveldschen kant opgaan, terwijl je daar brieven voor de post hebt....”

“O woujijdie voor me bezorgen! Jongens ja, dan zou je ’en bolletje zijn.”

Kippelaan heeft een sterk bewijs van aarzeling gegeven:

“Bezorgen!—tuterletu! bezorgen!Wát zeg je,dezefrankeeren!—ei!—Ja maar m’n lieve Kaatje, je begrijpt....”

Eensklaps, nadat hij vlug de adressen had gelezen—waarom ’t hem inderdaad voor ’t oogenblik slechts is te doen geweest—neemt hij de brieven met een merkbare gejaagdheid van Kaatje aan; steekt ze zeer haastig in den zijzak van zijn jas die hij aanstonds dichtknoopt, en Kaatje groetend stapt hij haastig voort.

Weinige minuten later bevindt Kippelaan zich met de beide brieven op zijn slaapkamer, die de achterste is der beide bovenvertrekken welke hij bewoont, en onder andere dit verschil heeft met de zitkamer, dat hier slechts twee, en vóór—behalve een kleintje—drie spionnetjes uithangen.

Kippelaan had het onbeschrijfelijk warm. De gordijn voor het venster wordt neergelaten. Ontelbare malen heeft hij van dat venster naar de deur gezien.—Ha! nu was het gevonden! Twee stoelen worden er tegen de goed gesloten deur gezet, en, dwars over die stoelen ligt al spoedig het beddetafeltje, beladen met zooveel wit en blauw aardewerk als er maar voorhanden was en op den zijkant kon geplaatst worden.

In ’t sleutelgat der deur zit een watje.

—Phu! Kippelaan krijgt het waarlijk al te benauwd.—Wil hij kwaad!? Waarachtig niet! ’t Is zoo goed als een bestiering. Jawel, eenbestiering! Praatjes, allemaal praatjes werden er rondgewauweld.—Kippelaan kan dat gewauwel niet velen—en een weldaad zou het voor de familie Helmond en aanverwanten zijn, indien men uit echte bron aan al die praatjes een eind kon maken. En,tweebrieven van den dokter zelf zullen alles bevatten wat men te weten noodig heeft. Welzeker, familie-omstandigheden zal men vernemen uit den brief aan juffrouw Van Barneveld—het ideaal enfin,—en financieele zaken uit een brief met drie lakken naar de groote koopstad.

Ofschoon zedelijk verplicht tot de inzage van brieven, die hem “zoo ongezocht in de handen werden bestierd”, aarzelt Kippelaan toch, aleer hij tot de voorgenomen operatie besluit, ’t Was anders doodeenvoudig; de spiritusvlam onder de bouilloir brandt fiks, en het theewater dat alreeds van de kook was geraakt, begint weer te razen dat het een lust is. En zie, terwijl de brief aan Jacoba, die in een gom-couvert was gesloten, nu reeds op den geopenden ketel ligt, steekt Kippelaan ter ontzegeling van den gelakten brief, een mes in de groote spiritusvlam, meenend dat het hem gemakkelijk zal vallen door middel van een gloeiend mes, de zegels, zonder de stempels te beschadigen, wat los te maken.—Er stond hem zoo iets van voor.

Gedurig naar de gebarricadeerde deur, en een paar malen zelfs naar het donker onder zijn ledikant ziende, heeft Kippelaan nu reeds—ofschoon met eenigszins bevende vingers—den brief van Jacoba uit het losgelaten couvert genomen. En.... hij zal smullen:

“Lieve Jacoba, beste zusje!”

—O God wat is dat!? Men klopt op de deur:

“Hé! Watblief? Wie is daar?”

—Heeft hij goed gehoord, zijn ze daar om de brieven!.... O goeje God!..... Watblief!?”

“Kan ik er niet in; scheelt er wat aan?” roept men van buiten.

“Nee niemendal.... Een beetje ingeslapen!”—Lieve hemel! Het klamme zweet parelt hem onder den neus. Jacoba’s brief is reeds tot een bal ineengefrommeld.—Waar blijft hij er mee.....? Ha! In den ketel! Voort, zóó, het deksel er op!

“Maak ’em open menheer!”

—Openmaken! Nee waarachtig niet! Althans hij heeft geen idee gehad om er iets uit te nemen.

“Maak de deur dan eens open menheer!”

“Dedeur! Ahzoo. Jaja! Dadelijk hoorje.”

—Nee, dien brief met waarde in den ketel te stoppen, dat ging niet.—In ’t bed! onder de matras, tot nader order. Goeje hemel, hij beeft over al zijn leden.

Kippelaans hospita hield er een looper op na “voor zekere gevallen, weet u, dat er een sleutel zoek was. Ze heeft dien looper maar even gebruikt omdat menheer waarschijnlijk iets scheelde. En, terwijl ze nu met fermeteit de deur opent teneinde te zien wat Kippelaan weerhield om den brief aan te nemen dien ze hem brengen kwam, geeft de dikke hospita een gil van ontzetting, want, met een vreeselijken slag, die haar gansche woning deed dreunen, sloegen honderden scherven van glas en aardewerk met beddetafel en stoelen voor de voeten van den rillenden Kippelaan neer.

Intusschen heeft Kaatje, van haar Careltje, die trouwens een groote Carel is, een heeleboel nieuws vernomen. Ten eerste vernam ze “met ijzing” ’tgeen er vanDe Schebbelaarbekend werd, en hoe er over de handelwijze van haar heer en meester wordt geoordeeld, ’t Was God geklaagd om iemand zoo aan z’n eigen over te laten, en willens en wetens met een gerust hart de eeuwigheid in te sturen. Als er zóó met het rijke volk als Dirksen wordt geleefd, zei Careltje, dan kunnen menschen als wij en ons-gelijken wel op de vingers natellen hoeveel we zoo’n dokter waard zijn; hij mag dan zoo knap wezen als de neef van menheer Kippelaan.”

“Ja, maar Kippelaan zei al gisterenavond dat ie ’t vak voor z’n pleizier dee;” verzekert de molenaar die mede aan de bakkerij was gekomen.

“Maar dat is juist het gemeene;” herneemt Careltje, en wrijft met zijn “natuurlijken arm” een kruimel deeg van de wang: “Als dat dan waar is—zooals gisterenavond de smid ook al gehoord had—dat ie namelijk een vondeling en ’t kind van een schatrijken graaf zou wezen, dan zegikdat zoo’n man d’r uit moest scheien met tongen te bekijken en de menschen naar de eeuwigheid te helpen.”

“Een graaf!” zegt Kaatje, vuurrood geworden: “Is hij een graaf! Ben ik bij een.....?”

“Jawel, dat zeggen ze allemaal. ’En mooi ding! ’En graaf met ’en apetheek. ’t Is schande!”

“Voor vier duiten drop!” grinnikt de molenaar.

“Nee maar gekheid is gekheid;” herneemt Careltje die geen gekheid verstaat: “Ze hebben—niewaar Kaatje—gisterenavond visite gehad?”—Kaatje knikt—“Zie-je, gesmuld en gebrast! En dan intusschen iemand te laten doodkrimpen die, zooals ze zeggen, Godsterwereld niks mankeerde, en dat omdat meseu de dokter z’n eigen liever op zijn gemak zet.”

“Nee Careltje, gemakzuchtig is ie niet, da’s niewaar. Ik zie ’em tegenwoordig dikwijls heen en weer draven naar dien wal dat ie d’r bleek van wordt. En dat moet ie om die aptheek. Ik zei: as ie ’m in z’n huis nam; zoo’n kazerne van ’en huis! maar daar heeft mevrouw geen zin in. Nee gemakzuchtig, nee!”

“Maar ik zeg,” valt Careltje in, terwijl hij, om Kaatje niet af te stooten, haar met den natuurlijken arm om den hals pakt: “ik zeg dat jij gelijk kunt hebben, maar dat ik gelijk heb ook; of zou je me willen aanpraten om ooit weer ’en dokter te roepen die, God beter’t, binnen ééne twaalfuur tweemaal naar zich fluiten laat?”

“Tweemaal?”

“Ja waarachtig meid;” valt de molenaar in: “Weet je dát nog niet? Vrouw Sturk heeft ze van morgen tegen halfdrie ook al genacht gezeid.—Verknoeid! ’t Was niet alles in orde. Van Hake de bediende—je weet wel—had verteld dat z’n baas ziek was, en geraden om vrouw Spanning te halen..... Maar jawel, ’t is verschrikkelijk! Toen dokter dan eindelijk toch om ’en uur of twee was komen aansukkelen, toen had de kuiper juist in woede vrouw Spanning de deur uitgesmeten.

“Heere beware!” zegt Kaatje.

“Ja, en wat het ergste was: van de kunst was er geen heil meer te wachten. Gekonfiskeerd! ’t Mot er toen gerookt hebben van belang, en ze zeien dat Sturk hem een pak slaag had gegeven, niet gering!”

“Nee, da’s gelogen!” valt Careltje in: “Menheer Kippelaan, die voor een half uurtje hier even aan ’t raam was, wist alles precies van Mie de schoonmaakster: Sturk zou dokter zeker aan ’thuiszijn gekomen, maar menheer Van Hake had hem tegengehouden, en een oogenblik later gelegenheid gevonden met den dokter door een zijdeur te ontkomen. Van Hake moet nog een leelijken veeg hebben gekregen. Maar ’t was ook meer dan erg! Zoo’n wurm van een vrouw......!”

“Nee maar ’t is gruwelijk! ’t is helsch zeg ik,” herneemt de molenaar: “’en leelijken naam hêt ie ook:Hel-mond!”

“Ja Dores, daar heb je wel gelijk aan, al ’en heel gemeene!” bevestigt Careltje.

“Maar als de dokter dan toch ziek was!” zegt een bakkersknechtje, die met een langen stok waaraan de natte ovendoek zit, het groepje in de deur der bakkerij was genaderd.

“Ziek! wát ziek!” zegt Careltje: “als je ziek wilt wezen dan moet je geen anderen willen gezond maken!”

“Maar hij was niet ziek,” roept Kaatje, half in den waan dat ze dokter, met wien ze toch medelij heeft, door die verzekering nog eenigszins in zijn eer zal herstellen: “Hij is gisterenavond zoowat om half elf in huis gekomen; heeft—omdat mevrouw al naar bed was—op z’n kantoor smakelijk een boterham gegeten, en is toen doodbedaard brieven gaan zitten schrijven, blijkens dat er van morgendriewaren om naar de post te brengen....” Kaatje heeft bij deze laatste mededeeling eensklaps een kleur gekregen; maar men bemerkt het niet.

“Wat heb ik gezeid!? wát!” valt Careltje uit: “Zie je wel dat ie niet ziek was! De meid van Sturk die den dokter om twee uur ging halen wou het liegen heeten; maar d’r waslicht op ’t kantoor! Menheer Kippelaan had het van Hent den klepperman zelf gehoord; enikzeg: d’r brandt geen licht om twee uur op ’en kantoor of d’r moet iemand óp zijn!”

“Nee nee,” stemt het uit aller mond: “dat spreekt vanzelf; dát is bewezen! ’t Is schandelijk! Wie zou zoo’n dokter vertrouwen!”

ACHT EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.Toen Helmond door zijn Eva, te circa halfacht, met een zoen werd wakker gemaakt, en ze hem daarna met haar welluidend: goeden morgen! een geurigen kop thee met beschuit toereikte, toen gevoelde hij slechts weinig meer van ’tgeen hem, toen hij eindelijk ter ruste ging, voor slapeloosheid en zeer waarschijnlijk voor een ziekte deed vreezen.—Al zijn de uren die hij sliep slechts weinig in getal geweest, ze hebben hem zonderling verkwikt. Neen, ofschoon hij zijn hoofd rechts en links keert, de pijn is geheel verdwenen. De sombere voorstellingen die hem door het brein spookten toen hij zich bevend van overspanning tot slapen heeft gelegd, al die sombere visioenen zijn voorbijgegaan.—En zie, zijn Eva, de schoone Hebe in haar gracieus morgenkleed, ze staat daar als een toonbeeld van zorgende liefde.—O goede God! nu ziet hij eerst hoe innig lief dat prachtige kind hem heeft. Zij is in zorg geweest, over hém! Ze heeft gevreesd dat hij te vroeg zou wakker worden. Ja dáárom hield zij de vensterblinden ter halverwege gesloten ofschoon ze de ramen heeft opengezet, dewijl hij daar zeer op gesteld is.En zie, daar kwam ze nu zelve met den verkwikkenden drank:“Eva!”“Lieve August, gaat het beter? Waarlijk beter?”Helmond knikt, maar antwoordt niet. Hij ziet haar slechts in de schoone oogen; drukt haar fijne hand, en dan haastig den blik van haar afgekeerd naar de binnenzij van het ledikant, verdringt hij iets,’twelk hem uit het hart naar het oog is gevloeid. Goede God, was er voor haar dan niets beters weggelegd dan de vrouw te worden van een eenvoudigen dokter! Zie, daar is wat hoogers, iets vorstelijks in die vrouw; en ja, bij al die gaven van schoonheid en talent, toont ze, in de liefde voor vader en echtgenoot, een engel te zijn.“Eva!”“Wat is er dan beste?”“Ik ben zoo gelukkig Eva.”“Nu lieve man, dat klinkt me waarlijk als muziek in de ooren. Ik heb van nacht den heelen tijd allerlei gekheden gedroomd, en ook dat je heel boos op me werdt; en je grijnsde me zoo akelig aan.—Ja ik weet het zelf niet meer: ik droomde dat we te Parijs waren, en dat we meespeelden toen ze de Faust gaven. Eerst was jij Faust en toen.... ik weet niet, toen werdt je eensklaps Mephisto, en, toen schreeuwde je me zoo akelig toe: “Et Satan conduit le bal,” o zoo akelig. Zie, ’t is allemaal gekheid, dat weet ik wel; eerstens beduidt het niets, en tweedens hecht ik niemendal aan droomen; maar zoo’n gezicht blijft je ’s-anderendaags soms zoo bij. Toen je van nacht met hoofdpijn heel onplezierig thuis kwaamt, toen dacht ik, daar heb je ’t al met dien naren droom; als hij nu maar niet ziek wordt!—Ik heb er je niets van gezegd, hoewel ik er erg vervuld mee was. Maar mijn lieve man, nu kun je ook best begrijpen hoe heerlijk ik het vind om je, bij ’t wakkerworden ’t allereerst te hooren zeggen: Eva, ik ben zoo gelukkig!—Komaanmon cher monsieur le comte—nu wacht maar, ik geef den moed nog niet verloren, al was papa er wat tegen,—komaan, we zullen aan geen akelige droomen meer denken; peuzel jij die beschuitjes nu maar op, dan zalikje eens laten kijken hoe heerlijk vandaag het zonnetje schijnt, ’t is een lust!”—Eva opent nu de vensterblinden, en, aanheffend zingt ze tevens met haar klankvolle stem, zoodat men zich in den zonneschijn zou wanen al zag men den regen ook stroomen:“O Sonnenschein, o Sonnenschein,“Wie scheinst du mir in’s Herz hinein.“Weckst drinnen lauter Liebeslust,“Dass mir so enge wird die Brust!“Dass mir so enge wird die Brust!”Een kwartier later is Helmond gekleed.Ofschoon hij zich wel iets minder frisch gevoelt dan bij zijn allereerst ontwaken, toch moet hij bekennen dat het oneindig beter met hem is dan hij heeft kunnen verwachten. Daar komt zijn lieve vrouw alweder met een kop thee in het slaapvertrek.“Eva, mijn eenige schat, mijn zonneschijn!” zegt Helmond en sluit haar in zijn armen; en dan, dan hoort hij ook van háár een schier nog welluidender toon dan daareven; want ook zij heeft gezegd: dat ze nu zoorecht gelukkigis.En Eva had waarlijk reden om zich gelukkig te gevoelen. Nu ze haar woning had, en er alles zoo heerlijk was ingericht, nu warenvoor ’t oogenblik haar liefste wenschen vervuld. De kleine katastrophe van gisterenavond zou zeker geen gevolgen hebben, en, als zij het maar eens van de rechte zijde aanpakt, dan zal papa wel meer zwak op dien adel krijgen. Het voornaamste, waar het op aankwam, bleef toch hetbewijsdat men aanspraak op dien titel had, en dat bewijs was reeds in handen van den majoor. Welnu, een klein beetje geduld; en dan, wanneer zijènHelmond er maar op blijven aandringen en zich dankbaar betoonen, dan zal de majoor —tegen restitutie van onkosten, natuurlijk omdat hij aan al die stukken en bewijzen met zooveel moeite gekomen is,—ze wel aanhenafstaan.Ja, Eva voelt zich recht gelukkig, want ofschoon het briefje aan de Debecque’s toch al verzonden was—omdat Bus beter hard draven dan dienen kan—ze heeft nu alle hoop dat August, wanneer hij zich zooals hij zeide wèl blijft gevoelen, ten genoegen van zijn vrouwtje nog een tweede briefje zal schrijven om die uitnoodiging tóch maar aan te nemen.—O die goede August! hij heeft immers voor ’t grootste deel uit zorg voor háár bedankt.—Nu, dat behoefde waarlijk niet, haar hoofdpijn van gisterenavond heeft niets te beduiden gehad, en August zelf—waarlijk ze is er zoo blij om—hij voelt zich weer heelemaal fiks. Hoor, hij vraagt haar zelfs om nog eens dat lied:Natuur is mildte zingen!—Wat ziet hij haar tevreden aan! Ja als ze het nu wilde doordrijven.... van die groote partij hier aan huis tegen haar jaardag —ja, ze weet dan zeker dat hij toe zou stemmen. Maar ’t is nog niet noodig; en als men maar eerst bij de Debecque’s is geweest, dan komt die partij op haar jaardag vanzelf. Ze weet nu immers zeker dat die hooggeprezen zuinigheid iets is, waar men voortaan maar zonder veel woorden overheen moet glijden; ’t is een zwak dat het mannetje zich graag wat armoedigjes voordoet. Nu, in zulke scholen maakt men zulke leerlingen. Maargierig, nee gierig is hij niet. Wat die nachtpraktijk betreft, daarmoethij van afstappen, dáárdoor alleen is hij met zoo’n dolle hoofdpijn en zoo laat naar bed gegaan. Mettertijd, als het gelukt met dat overbrengen van papa’s titel op hem—en waarom niet—dan moet hij de heele praktijk maar neerleggen. Iemand die bezigheid wil hebben kan ze altijd wel vinden. Men behoeft daarvoor niet de slaaf van iedereen, ja van je minste plebs te wezen. Hoe heerlijk al, dat men tenminste hier van die aptheeklucht bevrijd is. Bah! zoo’n aptheek!O voorzeker, Eva voelt zich nu recht gelukkig; alles,alleslacht haar weer toe; en zie maar, het allermeest haar lieve August.Doch Eva weet niet dat Helmonds glimlach, nu hij de vigilante ziet voorkomen en haar straks een zoen tot afscheid geeft, een zeer gekunstelde wordt; neen, want hij heeft haar niets gezegd, niets van zijn val, niets van het gebeurde opDe Schebbelaar, en niets van den nacht aleer hij—Goddank, een weinig mocht slapen.—Waartoe haar onnoodig zijn leed te klagen; immers hij had haar vroeger vermaand dat de praktijk alleen voor den dokter is.’t Was reeds laat in den voormiddag toen dokter Helmond aan zijn woning terugkwam.Eva meende te bemerken dat hij wat somber gestemd was.Of hij zich weer minder wel gevoelde....?“Nee Eva, nee; ik heb wat heel veel zieken bezocht, en er zijn er die van een dokter meer verlangen dan redelijk is.”“’t Is een nare betrekking August, ik heb dat altijd gezegd. Geen oogenblik ben je zeker van je tijd; dag en nacht altijd voor Jan en alleman te moeten klaarstaan, en misschien nog heel dikwijls ondank voor zorg en moeite tot loon te krijgen!”Er was veel waars in ’t geen Eva zeide.“Ja ’t is jammer kindlief, dat het onverstand der menschen ons zoo dikwijls moet bedroeven. Waarlijk er is geen edeler werkkring dan de mijne. Maar, als men het onmogelijke eischt...!”“Heeft men dat nú gedaan August?”“Och—nú, en alle dagen. Maar wij zetten er ons overheen.... wij....”“Welzeker,” valt Eva in: “injouwplaats beste man, zou ik nooit naar eenig praatje van het wauwelig gemeen luisteren, dáárvoor sta je te hoog èn als dokter én door je.... andere maatschappelijke positie.—Als ik in je plaats was August, weet je wat ik dan deed?”“Hé?” vraagt Helmond in gedachten.En Eva zegt fier:“Wel, den eerste die mij een woord durfde tegenwerpen of zich aanmatigen om mij in mijn praktijk de wet te stellen, dien zou ikbedankenen verzoeken een anderen dokter te nemen.”—Bedanken!—August geeft met een pijnlijk glimlachje een antwoord ’twelk zijn vrouw—evenals dat glimlachje zelf—op rekening van zijn “eenig gebrek” stelt. Immers: “Waar zou de schoorsteen van rooken, als wij niet wat geduld oefenden?” heeft hij gezegd terwijl hij zich gereedmaakte om nu—na het koffiedrinken, —weer zoo spoedig mogelijk naar die nare aptheek te gaan.—Bedanken! heeft August in zich zelven herhaald, terwijl hij buiten de kamer en op weg naar het huis aan den wal, een paar malen de hand aan het hoofd bracht—aan dat hoofd waarin het alweer niet heelemaal pluis is.—Bedanken!—Neen zulke ruwe scènes heeft hij nooit te voren gehad; ze moeten eenig zijn in eens dokters praktijk. OpDe Schebbelaargekomen, heeft boer Geurtsen—de aanstaande toeziende voogd der tien minderjarige kinderen—hem zoo mogelijk nog brutaler dan den vorigen avond onder de oogen gezien, en gevraagd, of hij niet begrepen had dat hij opDe Schebbelaarhad uitgediend, en niet zoo “leep was om te vatten, dat de heele perementasie van de Dirksens en Geurtsens—over meer dan achttien hofsteden verdeeld—voortaan d’r eigen wel zou wachten om ’en dokter te nemen die zijn patiënten aan d’r eigen zelvers overliet, en onverlet den adem liet uitblazen?”—Bedanken! herhaalt Helmond met dien droeven glimlach.Ha! zoo moet het maar gaan. Het rijkste deel mijner praktijk te verliezen, door.... Neen, de oorzaak had evengoed een andere kunnen zijn.—Maar toch, ’t klinkt op dit oogenblik zeker uithaarmond al zonderling:bedanken!—Mijn obstetrische praktijk schijnt door de omstandigheid bij Sturk nog bovendien een gevoeligen knak te zullen krijgen.—Bedanken! inmijneomstandigheden....? Een pleegvader die zich misschien reeds heeft voorgenomen om zijn hand voor nu en de toekomst geheel van ons af te trekken. Een woning te bezitten waarvan geen steen ons eigendom is; een huis dat aan zijn bewoners steeds grootere weelde en altijd en altijd meergeldzal vragen. Schulden hier en schulden daar; niet onoverkomelijk, neen, maar slechts aflosbaar bij een toenemen van praktijk en inkomsten.—Bovendien een broeder die gebrek lijdt, en die, ofschoon er hoop op een goede uitkomst bestaat—bij een weigering van den pleegvader, toch maar alleen van den broeder hulp kan verwachten.—En dat huis aan den wal ’twelk reeds tweemaal, doch slechtsin zijn geheelis kunnen verhuurd worden, ’t blijft nog altijd renteloos, dewijl ik immers mijn woord gaf dat de arme doktersvrouw het niet zou verlaten, en ook, ja, omdat Eva gezegd heeft, geen aptheek in haar nieuwe woning te dulden.....Zoo denkende treedt Helmond de apotheek binnen.“Al bezig Thom; dat is goed. Ik kwam Bus tegen, en gaf hem de recepten vast mee.—Je zult gemerkt hebben dat er een vijftal minder is dan waar ik je gisteren op prepareerde.—Boer Dirksens dood, zal collega Biermans voortaan weer wat minder rust gunnen. Nu, de man heeft nog ambitie genoeg, en—een groot gezin. Wat zoek je Thom?”Thomas, die Helmond bij ’t binnenkomen ternauwernood had kunnen groeten, is “op stikken af”. Den lessenaar—terzij van de toonbank—heeft hij geopend, en terwijl hij deed alsof hij daarbinnen iets zocht, verborg hij zijn aangezicht voor den blik van zijn meester.“Wat zoek je toch Thom?” vraagt Helmond nog eens. En dan—dan slaat de lessenaar neer met een slag, en bedekt Thomas zijn gelaat met beide handen, en... Nee, ’t is hem onmogelijk! hij kan niet spreken. De keel is hem als toegenepen, en de oogen schieten weer vol tranen.—Och God, hij had het zoo goed gemeend!Helmond is zijn jongen vriend nabijgekomen, en legt hem de hand op den schouder.“Nu Thomas, wat is er? Zeg, heb je weer ’t een en ander moeten hooren dat je om mijnentwil bedroeft?—Ik zal er je maar ineens doorhelpen mijn jongen, ’t Is niet plezierig, zeker; maar zulke zaken komt men te boven. Nu ik zelf hier en daar zooveel overdrevens moest hooren, nu ben ik al meer getroost dan gisteravond. Thom, wat er gebeurd is, het spijt me, maar mijn geweten zegt me dat ik niet willens een patiënt heb verzuimd. In een kleine plaats worden zulke zaken schrikkelijk uitgemeten; in den beginne zal mijn praktijk er een beetje onder lijden, maar dan...”“Och dokter!” valt Thomas nu bijna schreiende in: “och, als u eens wist hoe ik er kapot van ben; zooveel geschimp en geblaas tegen u, en mede doormijntoedoen, door mijn eigendunkelijk handelen! Och lieve God! ik meende het toch zoo goed!”“Thomas, wees verstandig; al kan ik niet goedkeuren wat je hebt gedaan; dat je trouw hart het je heeft ingegeven daar ben ik zeker van. Komaan Thom, jij met je prettige natuur, je moest me vandaag wat opfleuren, maar geen gezicht zetten alsof Polen totaal verloren was.”“Och dokter, hoe zal men lachen als men zich zelf zou willen afranselen en op water en brood zetten. U, aan wien ik alles ben verschuldigd, ú heb ik door mijn eigenwijsheid schandelijk benadeeld. Jawel, die Sturk is een wraakzuchtige vent. Wat boer Geurtsen nog zal zwijgen, dat strooit hij uit met een helsch pleizier.”“Ho ho, dat kan toch zooveel niet wezen, ’t Was zeker veel beter geweest wanneer ik er aanstonds had kunnen zijn; maar vrouw Spanning heeft niets bedorven, en de ongelukkige afloop dier bevalling was een gevolg van omstandigheden, die geen mensch kon voorzien of verhoeden.”“Hij heeft Biermans gehaald, en deze moet hem hebben toegestemd dat een tijdige en betere hulp haar zeker gered had. O, ’t is om te vertwijfelen dokter!”“Ik geloof niet Thom, dat Biermans dat gezegd heeft.”“Jawel dokter. Juffrouw Sillemond die zooeven hier was, en haar dochter, de vrouw van Winkelaar, kwamafzeggen—zoo’n feeks, alsof een dokter een barbier was!—diezelfde tang had Biermans zelf gesproken, en op haar vragen moet hij met een heel twijfelachtig gezicht de schouders hebben opgehaald.”“Ei, is juffrouw Sillemond haar dochter komen afzeggen ... ei!” zegt Helmond terwijl hij even pijnlijk glimlacht; maar aanstonds vervolgt hij op luchtigen toon: “Ik wou wel eens weten Thom, wattwijfelachtige gezichtenzijn. Bovendien, iemand die twijfelt weet niet, en iemand die er nog op den koop toe de schouders bij ophaalt, bekent tweemaal niet te weten.—Zwijg nu hierover Thomas. Gedane zaken nemen geen keer.”“Nee maar die Biermans, die te hard en te schriel was om mij, toen vader al begon te sukkelen, een beetje met m’n Latijn en scheikunde voort te helpen, zoo’n kerel moet ú niet benadeelen door z’n leelijk gezicht tot een beschuldigend vraagteeken te verwerken.”“Bedaar Thomas. Biermans is altijd heel wel met me geweest.”“Ja, omdat u een engel van goedheid bent; maar ik weet wel waardoor zijn broodnijd tot broodwraak is geklommen, al zet hij in uw gezelschap een kermisgezicht. Dat u sedert uw huwelijk, geen avondjes meer bij hem komt doorbrengen omdat mevrouw er geen lust in heeft, dat steekt hem. Mevrouw moet eens aan Pietje zijn oudste dochter heel openhartig hebben gezegd: dat ze den toon bij haar ouders aan huis, sinds haar verblijf in Den Haag, niet best meer verdragen kon. Daar zit ’em de angel dokter: en dan uw mooie huis! ja, wat hij u benadeelen kan, dat zal hij niet laten; en och bestebestedokter, dat ik nu dien plattelandsscharrelaar zulk een venijnig wapen in de hand moest geven!—Och dokter,” barst Thom nu werkelijk in tranen los: “Ochvergeefme,—al ben ik misschien geen wegschoppen waard.”Een groot uur later waren, inweerwil van Thomas’ bewogen gemoedsstemming, de recepten klaargemaakt, en trok Bus er de stad mee in.—Bus kreeg dien dag nog meer te slikken dan al het “bocht” ’twelk ie in z’n mand had. Maar Bus kon zwijgen, en als Bus antwoordde dan zei ie eenvoudig:“Als Onze Lieve Heer trekt, en dokter trekt, wie zou ’et dan winnen hé?” Maar ook een anderen keer:“Weet jij wát je doen moet? Laat je eerst door Biermans verknoeien, en als je dan “verknooien” en voor de pieren bent, zeg dan aan vader Abraham: complement van Lange Bus, en dat je ’en gek was!”Toen Helmond de apotheek wilde verlaten, trad mevrouw Van Hake juist uit haar huiskamer de gang in, en verzocht op zeer beleefden, schijnbaar eenigszins kouden toon: of zij dokter even mocht spreken.Helmond schrok onwillekeurig, ’t Was hem—doch slechts een oogenblik—alsof het weer tikte en klopte in ’t hoofd zooals gisteravond en in den nacht. Immers ’t is nu reeds bijna een maand dat het kwartaal was verschenen. Neen, men zal hem dáárom niet te spreken vragen, ofschoon het geld hier zeker noodig is, maar uit die achterlijkheid kon men licht gevolgtrekkingen maken die hij graag voorkomen zou.“Mij spreken, met genoegen!” zegt Helmond.De weduwe laat den dokter voorgaan, en doet dan de deur der huiskamer zachtjes achter zich toe.Er was iets bijzonder deftigs, ja schier plechtigs in de wijze waarop de weduwe haar jongeren vriend ontving. Haar kleed van eenvoudig zwart merinos was geheel in harmonie met de uitdrukking van haar gelaat. ’t Is te raden dat het haar moeite heeft gekost om tot dit onderhoud te besluiten. Thomas weet waarover het loopen zal. Moeder en zoon hadden het afgesproken; ze waren er onherroepelijk vast toe besloten. Wat er gisteren, wat er in den nacht—mede door Thomas’ schuld zooals hij blijft volhouden—in dokters praktijk gebeurde, het heeft de schaal geheel naar die zijde doen overslaan.Mevrouw Van Hake mag niet langer van zooveel goedheid misbruik maken. Haar wonen in dit huis is een jaarlijksche schade voor Helmond van minstens driehonderd gulden. De weduwe van een Van Hake mag dat niet blijven genieten om Godswil, wanneer zij bijna zeker weet dat haar weldoener zich door wat al te groote toegevendheid, in erger moeielijkheden bevindt dan hij toonen wil. —O, had zij vooruit geweten hoe het tusschen den generaal en zijn pleegzoon stond, ze zou den laatste al vroeger als een moeder hebben gesmeekt, om toch niet toe te geven aan de steeds hoogere eischen van zijn schoone maar nooit tevreden vrouw; ze zou hemgewaarschuwd hebben, om geen huis te koopen waartoe hem de middelen ontbraken, en waardoor hij een reuzentred zou vooruitgaan op het pad, ’twelk hem moest voeren tot jammer en ellende.—Neen, ze heeft het toen niet geweten. Zij had mede geloofd dat dokter toch inderdaad van zichzelf nog al middelen bezat, meer dan hij gewoonlijk blijken liet. Maar Thom heeft het opDe Zonsberganders vernomen, ’t Was toen te laat voor die waarschuwende stem. Doch nu, wat men herstellen kan, datmoetgeschieden Mevrouw Van Hake zal haar weldoener als vriendin, als moeder toespreken. Raden zal ze hem—maar met groote bescheidenheid. En dan, ze zal hem haarstelligevoornemen meedeelen, om met Thom deze woning te verlaten, dewijl ze vast besloten heeft, in een achterstraat zeer goedkoop een paar tamelijk nette kamers te huren. waarin ze een kleine stramien- en wolzaak beginnen wil.—Muurvast zal ze bovendien weigeren om langer voor Thom een honorarium aan te nemen, ’twelk hij waarschijnlijk nergens in’t heele land, en althans niet in een apotheek als deze, ter assistentie van een zelfhandelend dokter, zou kunnen bedingen. Zóó moet men tot een zuivere verhouding komen. De omstandigheden gebieden het.Ofschoon Thomas weet waarover het gesprek moet loopen, zijne moeder heeft het gepaster gevonden dat hij er niet bij tegenwoordig zou zijn, vooral na hetgeen er dezen nacht gebeurd is.Maar hoor, nadat de weduwe zich reeds een geruimen tijd met haar vriend heeft onderhouden, gaat de deur der huiskamer weer open, en roept mevrouw Van Hake met een van aandoening trillende stem naar de zij der apotheek:—“Thom! Thom! kom eens hier?”Thomas spoedt zich zoo snel als hij kan naar de huiskamer.“Thomas,” zegt mevrouw Van Hake terwijl ze gedurig met groote moeite haar aandoening bedwingt: “ik ben tegen onzen trouwsten vriend niet opgewassen. Zegjijeens jongen, dat we vast,vastbesloten hadden....”“Ja dokter, ’t kan niet anders. Moe is er nu overheen. Niewaar moe?—U die tegenwoordig zooveel tot uw last hebt, u mogen wij verder niet bezwaren. Nee dokter, zeker niet!”Helmond is voor ’t uiterlijke kalm. Indien hij niet wat bijzonder bleek had gezien dan zou men zeggen—zooals hij rustig te luisteren zit, en nu nog even wacht alvorens te spreken—dat hij daar poseeren kon voor de type van een krachtig en helderdenkend man:“Straks Thomas, ben je me haast wat al te nederig en smeekend geweest, maar nu val je weer wat te kras in een anderen toon;” zegt Helmond; en dan met gezag: “En mijn antwoord is: Zoolang Thomas, als je bij mij in betrekking bent, zoolang blijven onze condities onveranderd. Ons contract loopt van jaar tot jaar, ingaande met de maand Mei. Wil je van patroon veranderen, dan waarschuw je mij tegen Februari; of, zie je de gelegenheid schoon om ergens op billijke voorwaarden een apotheek over te nemen—je weet wat ik vroeger aan je vader beloofde—we spreken elkander dan nader. Maar tot zóólang geen oproer alsjeblieft; er is helaas genoeg gehaspel in de wereld.”“Dokter!” valt Thomas in: “op gevaar af dat ik u nog grief op den koop toe: Ziedaar, ik moet het u zeggen: Moe en ik we kunnen, nee wewillenhet brood om Godswil niet langer eten. We willen van iemand als u, die al werk hebt om zelf rond te komen... ja sinds u een vrouw hebt die...”Mevrouw Van Hake schrikt van Thomas’ woorden, en heft—alsof ze een storm wil bezweren—haar beide handen omhoog.Helmond is opgestaan. Nu is zijn blik zoo gestreng als men dien zelden of nooit van hem ziet.“Zwijg Thomas! Niet verder! Als je me waarachtig een hart toedraagt, zooals je nog straks hebt gezegd, en ik altijd geloofde, dan komen zulke woorden niet meer over je lippen.Sinds ik een vrouw hebThom, ben ik voor alle menschen die ik hoogacht en liefheb, zooals voor je brave moeder en voor een trouwen vriend zooals jij,dezelfdegebleven.”“Och dokter, dokter! Mijn jongen meende dat niet!” smeekt mevrouw Van Hake.Thomas ziet strak naar den grond, ’t Is nu alles verloren. O God! Hij is een ezel, een gek! een ellendeling!“Uw zoon meent het goed, maar hij dient van u nog te leeren mevrouw, dat men niet alles zeggen kan wat men denkt. Kijk niet meer als een arme zondaar Thom!—Hier is mijn hand. O! je hebt van oom Van Barneveld wat al te veel fraais vernomen; ik begrijp het.” Met klem: “Maar ik zeg je, dat diezelfde vrouw mij ten stelligste heeft verboden—ofschoon het natuurlijk ook mij nooit in de gedachte zou gekomen zijn—ik zeg: diezelfde vrouw heeft mijverbodenom uw lieve moeder, op welke wijze dan ook, zij het zelfs tegen een ruime vergoeding te bewegen tot het verlaten van eene woning, waaraan zij zoozeer gehecht is. Die vrouw, Thomas...”“Maar dokter, mijn jongen zegt waarlijk niets tot Eva’s nadeel; hij is overtuigd, evenals ik, dat zij het hartelijk meent. Wij hebben er de bewijzen van. Hij bedoelde alleen dat uw huishouding zooveel meer kost tegenwoordig; niewaar Thom? dat u zooheelveel uitgaven hebt, en dus... Spreek dan Thomas, ’t Was goed bedoeld niewaar Thom?”Van Hake antwoordde niet. Hij stond even strak te kijken, en schimpte onhoorbaar met een bijna schreiende nijdigheid op zich zelven:“Gek! Eigenwijs!—Leg een slot op je tong. Kuiken! Ondankbaar schepsel!”“Geef mij de hand Thomas, en leer te zwijgen.”Thom staart nog voor zich heen, maar eensklaps den blonden krullebol opheffend, ziet hij den meester met zijn blauwe—nu droefgetinte oogen zoo wonderlijk aan, en zegt op een toon waarvan een ijzeren hart wel aan ’t kloppen moest raken:“Weet u wat ik op dit oogen blik zou wenschen...? Ik zou willen dokter, dat uw vrouw gerust sliep op ’t uiterste randje van een afgrond, en dat er dan een paar tijgers aan den eenen kant en een paar hyena’s aan den anderen kant tot een sprong gereed stonden.Zie, en dan wou ik datiker eens bij was, met een dolk of revolver in de hand! Sakkerloot! tegen dat wild gespuis zou ik ’t willen opnemen voor haar; ik zou...”Nu speelde er weer een glimlach om Helmonds lippen.—Thom zou het doen: hij meende het, de goede kerel!“Genoeg!” valt hij in, terwijl hij den vriend nu bewogen de hand schudt: “’t Zou Thomas, een vrij kritiek parquet voor je zijn, en hoe hartelijk ’t mag wezen, ik zou er mijn wijfje maar liefst niet aan wagen. Ze moest onder jou heldenstuk eens verschrikt ontwaken en van dien rand naar beneden storten. Ziezoo—je sanglante voorstelling Thom, heeft ons weer een beetje vroolijker gestemd, en daar het al laat wordt, eindig ik ons onderhoud. Hoor eens mijn beste mevrouw, weet het nu wel en voor altijd: nooit zullen deze kamers zoolang als ú leeft—en God spare u lang voor ons allen—nooitzullen ze door iemand anders dan door u en Thomas bewoond worden.Uw zilveren Minerva-beeldje is ons contract geweest.”Thomas, eensklaps door Helmonds woorden tot de zekerheid gekomen dat zijn aangebeden moeder—’t mocht gaan zooals het wilde—levenslang in dit huis zal blijven, voelt een innige blijdschap zijn borst doorstroomen, en terwijl hij toch aan dat grootste bezwaar denkt, valt hij met een hartstochtelijkheid uit die wel eenigszins in strijd was met den raad dien hij ging voordragen:“Moe zeg, als je hier,hierdan eens eenmutsenwinkelgingt doen!”En ja, nu moest Helmond wel lachen alsof er vooraf niets anders ware voorgevallen.“Een mutsenwinkel!” herhaalt hij op eenigszins kluchtigen toon.“’t Is een grandioos idee van je Thom! Nee voor trotsch m’n vrind, hou je me zeker niet, maar zie, eer ik dulden zou datjouwmoeder, de vrouw van dokter Van Hake,hiereen mutsen..... Foei foei, we zouden nog waarlijk aan ’t lachen raken.—Basta! Ik moet naar huis.—A propos, we hebben nog een klein misverstand uit den weg te ruimen.....” Helmond heeft een portefeuille te voorschijn gehaald, maar laat die vallen, en vervolgt onder ’t langzaam oprapen: “Men schijnt dus ook hier wel eens te denken dat ikbovenmijn financieele krachten ga. Ik geloof dat men zich daarover niet bezorgd hoeft te maken. Tot heden heb ik nog alles kunnen betalen wat ik schuldig was, en voor ’t overige...”“Maar lieve dokter, wij vragen daar immers niet naar. Straks opperde ik alleen het vermoeden.....”“We komen er nu maar niet op terug lieve mevrouw. Hier Thom zijn twee briefjes van honderd gulden, hier.—Honderd en twintig moet je er afhouden voor het verschenen kwartaal. Heb je niet weerom?”“Ja maar waarachtig dokter, ’t is te veel, ’t is...”“Als je me nu boos wilt maken Thomas, volstrekt...? Nu dan: ik verzoek je mij quitantie van detweehonderd gulden ineenste geven, de overblijvende tachtig schrijf ik op het volgende kwartaal.Ik hoop dat dit je toonen zal dat men de beste vrienden kan zijn zonder elkanderjuistte taxeeren.”Thomas hoorde beweging in de gang.—Was de straatdeur open gebleven?—Nu, dat gebeurt overdag wel meer. Hij ziet de gang in.—Neen, er was niemand.Nadat Helmond weinige minuten later vertrokken was, zag hij Kippelaan op eenigen afstand voor het raam van een komenijwinkel staan, waarachter echter niets bezienswaardigs was uitgestald. Tot Helmonds verbazing, heeft Kippelaan zich haastig omgekeerd zoodra hij den dokter bemerkte, en verdween hij om den hoek van een straatje, zoo snel als zijn spillebeenen hem vervoeren konden.—Och die brief, die waarlijk nog ongeopende brief met de drie lakken, hoe brandde hij hem in den zak. Maar hoe hij ’t er mee zou aanleggen!? Och goeje hemel, hij wist het niet. Misschien zou ’t toch maar het beste zijn om eens eventjes te zien of de inhoud zooveel angsten inderdaad wel waard was.Toen Helmond Kartenglimps woning voorbijging, zag hij hem juist de deur uitkomen. Eensklaps gevoelde hij weer dat kloppen in ’t hoofd toen de majoor hem groetend terzij trad.De majoor sprak van niemendal. Noch van het gebeurde op die conferentie gisterenmiddag, noch van een der treurige voorvallen die in Romphuizen een paar weken, of langer misschien, het hoofdgesprek zouden uitmaken, geïllustreerd met allerlei zeer belangrijke maar meest tegenstrijdige berichten omtrent dokter Helmond, zijn relaties, zijn fortuin en niet het minst zijne vrouw. Inderdaad, de majoor was zonder eenige rancune; zeer beleefd; gepast beleefd. Helmond gevoelt inderdaad eenig leed, omdat hij dien man misschien niet altijd juist beoordeelt.—’t Is waarschijnlijk nog steeds een gevolg van dien vroeger ontvangen indruk: au fond poltron!—Nu ja, maar voor nummer één mogen oud-militairen toch óók wel respect hebben.“Salut! plezierige wandeling majoor;” zegt Helmond bij ’t afscheid.“Bonjour... Eh! wat ik zeggen wou! Altijd tot je dienst hoor!” en Kartenglimp maakt een veelbeteekenend knipoogje: “altijdtot je dienst, ’t Zal wel terecht komen, als eindelijk de generaal... begrepen!?... Geen complimenten onder vrienden: a 5 percent. Gerust! Adieu!”Weinige oogenblikken nadat Helmond straks zijn Eva verlaten had, is Kaatje met een groote doos in de Oranje-zaal gekomen, de boodschap er bijvoegende, dat de menheer uit Utrecht er was, metdit—en nog een heelen boel meer.—Ha! hoe heerlijk trof het dat August nú uit is. Hij vond die dingen zoo licht vervelend. Juist, dit waren najaarsmantels volgens de laatste Gracieuseplaten.—Een fluweelen mantel voor den winter kon ze nu meteen bestellen, en dan—wat trof dat heerlijk—kleinigheden voor Woensdag als men naar de Debecque’s zou gaan. —Ja, voor eenige zaakjes in ’t belang van ’t geheim, daar mag ze ook wel aan denken. O! al ware August zelfs thuis geweest, alsze maar ’t eerst van de benoodigdheden voor datlaatstegesproken had, dan zou hij de restookwel hebben goedgevonden. ’t Was inderdaad zoo’n beste man!“U zult er dus voor zorgen?—Ja, met kant gegarneerd, eenvoudig maar rijk.”“Zeer goed mevrouw, ik hou me dan maar aan den fluweelen mantel van de gouverneursvrouw, die is bepaald rijk en deftig.”“Goed, in dat genre tenminste.—Overmorgen heb ik m’n jacquette niewaar? We hebben morgen al September.”“We zullen ons best doen mevrouw.—Hoe vindt u dit wit cachemire? Mooi voor sorties!—We maken ze voor al de eerste dames. Heel nieuwe modellen.”Eva beziet de stof.—Haar sortie is nog goed; ja, maar metrood; rood is zoo fameus opzichtig; blauw staat veel liever, veel fijner.“Zou ievast stelligDinsdag kunnen thuis zijn?”“Als ’t noodig was morgenavond mevrouw.—Jawel, uw taillehebik. Dus metblauw?”“Maar als ie er Dinsdagnietis, dan krijg j’em terug.”“Voor onze rekening mevrouw.”“Zijn dat foulards?”“Och, eenvoudige zijden schortjes mevrouw, meer voor burgermenschen.”“Wacht die twee zal ik nemen; de meiden loopen altijd met zulke verschrikkelijke tafellakens.”“Ja mevrouw, wij zeggen altijd: duurkoop, goedkoop; als de dienstboden dat over ’t algemeen begrepen dan zouden ze liever wat méér voor hun goed besteden. Maar...!” De man trekt de schouders op.“Maak jelui ook manskleeren?”“In alle soorten mevrouw. We hebben zelfs kamerleden.”“Dus maak je livrei?”“Zeerzeker mevrouw. Woudt u den knecht....?”“Ja, dat is te zeggen, hij is nu uit; en ’t is toch beter dat je daar later met mijnheer over spreekt. Stuur Dinsdag modellen mee van passement, rood met goud. We kunnen knoopen krijgen met.... met ons wapen er op?”“Dat is te zeggen, als u ze laat maken, zeerzeker mevrouw.”“Goud met een dwarsbalk en een kroon erboven;” zegt Eva zacht, en onwillekeurig vluchtig blozend.“’t Zal alles volgens mevrouw haar orders geëffectueerd worden.”“Ja maar dáárover dan een volgenden keer.—Denk aan Dinsdag. De sortie in alle geval!”Terwijl de reiziger straks, op iets gemeenzamer toon, de dienstmaagden binnen de strijkkamer tot de bewondering van zijn goederen en stalen dwingt, doet hij met de verzekering, dat mevrouw het over de dienstboden geheel met hem eens was—namelijk “dat een meid niet beter haar fatsoen en eer kan ophouden dan door zich wat degelijk en netjes te kleeden”—Kaatje besluiten om “dan maarzoo’n fijne lakensche met al die gitten te nemen—wel ja, ze vroeg toch om opslag als ie ’en graaf was,—en Jaantje de keukenmeid, om er nog bovendien zoo’n “tierlantijn in de lendens op te hangen.—Waarom niet; wat maalde Jaantje om ’en riksdaalder; ze zag immers wel dat ze hier voor ’t opscheppen waren.”’t Was zonderling, zoo aanstonds heeft Eva aan rijtuig en livrei gedacht, en zie—daar staat het nu werkelijk voor de deur. ’t Moet van een der buitenplaatsen zijn; een licht gentil rijtuigje, heerlijk!—Hé! zulk een elegant wagentje met zoo’n paar ranke paarden....! Al mettertijd; wie weet! Men moet met August niet alles opeens begeeren.Een weinig achter de zware meubelgordijn verscholen, kan Eva de persoon zien die de paarden bestuurde, en nu wacht totdat men den knecht die schelde zal hebben opengedaan.—’t Is een jonkman met een zeer gunstig voorkomen, levendige oogen, donkerblonde haren en een zeer langen lichtblonden knevel. Hij is eenvoudig maar smaakvol gekleed.—Eva kent hem niet.Met een snelle wending is de jonge vrouw naar de deur gegaan, en zegt om den hoek tot Kaatje die ging opendoen:“Als er iemand is die mijnheer moet spreken, zeg dan dat dokter zoo aanstonds zal thuis komen.”“Bij u binnenlaten mevrouw?”“Nee, in degroote zaal; en me dan zeggen wie er is.”Eenige oogenblikken later bericht de dienstmeid dat de luitenant Hardenborg, de zoon van den baron vanDe Poel,gevraagd had ofmevrouwniet ontving.“O! de zoon van menheer Debecque. Verzoek mijnheer hier te komen Kaatje. Als ik schel dan breng je port en fijne glaasjes.”Zeer verdiept in de lectuur van een der prachtwerken, die zij van een kleine tafel heeft genomen, zit Eva in haar fraaien voltaire bij ’t raam, nu Archibald Hardenborg binnentreedt.—Te droes! denkt de jonge luitenant, nu hij door Eva zeer minzaam maar toch eenigszins hoog-elegant wordt verwelkomd: te droes, die dokter mag tevreden zijn. Waarachtig, daar zijn de mooiste Parisiennes niemendal bij. En jawel, voor een dokter woont dat hier in een aardig stulpje! De oud-burgemeester sloeg het deksel van z’n kist stuk, louter van plezier als ie zag hoe prachtig men hier zijn oud foedraal heeft opgeknapt.“Met schaamte beken ik mevrouw, dat het mij bijzonder lief is u te mogen ontmoeten;” vangt Archibald aan. Hij zet zich op een stoel dien Eva hem aanwees, en vervolgt: “Een onverwacht opgekomen uitstapje naar Parijs, was oorzaak dat ik mijn bezoek—nadat ik u niet thuis mocht vinden—eerst nu hervatten kan. Haastige vrienden hebben geen ooren voor afscheidsvisites. En toch had ik dit vóór ons vertrek, behalve in mijn eigen belang, uit pure dankbaarheid zoo gaarne gedaan, want, zonder de trouwe zorg van dokter Helmond zou ik zeker ’t graf van Abélard en Héloïse niet gezien hebben—hetgeen me trouwens zeer zenuwachtig maakte—noch de mooiste vrouw van Europa op één na. Ik dacht dat keizerin Eugénie de mooiste was.”“Ah ja, u hebt een reisje naar Parijs gemaakt. Helmond heeft me dat gezegd..... Lieve stad niewaar?”“Interessant, fameus! De Notre-Dame, ’t Café Riche, de Louvre, Lodewijk XIV op allerlei manieren! De groote Napoleon op de punt van een naald!—Lief!?Jawel bij avondheel veel liefs, maar meest doré au feu. ’t Valt minder in mijn smaak.”Eva vond het heerlijk over haar ideaal te kunnen spreken met iemand die er pas geweest was, die er zoo vroolijk over kon praten, en van wien ze mede wist dat hij een degelijk jongmensch was.“Maar op gevaar af wat indiscreet te worden,” zegt Archibald ten laatste, niet zonder een weinigje ironie: “wanneer mevrouw Helmond zich waarlijk zoo sterk gevoelt dat ze wel aanstonds opnieuw dat reisje zou kunnen maken, en dokter, zooals u zegt, gemakkelijk wanneer hij ’t wilde een week of drie kon uitbreken, dan—neem mij niet kwalijk—dan is het toch wel hard voor de ongelukkige familie Debecque, om te moeten vernemen dat er bij dokter Helmond en zijn lieve vrouw zoo weinig sympathie voor haar partij bestaat.”Eva bloosde vluchtig terwijl ze glimlachend inviel:“Maar menheer Hardenborg,wieheeft u dat verteld?”Er volgde een ophelderende verklaring, die den luitenant volkomen bevredigde. Immers aan zooveel vriendelijks als mijnheer Archibald haar achtereenvolgens heeft gezegd, en voornamelijk over haar lieven man, had zij geen weerstand kunnen bieden.—Nu ja, dat briefje was geschreven op een oogenblik toen Helmond nog al hoofdpijn had, maar als hij wist dat het mede een fête zoowat ter zijner eere was, ja dan waagde zij niet te veel om mede uitzijnnaam alvast de zeer beleefde uitnoodiging aan te nemen.Archibald zegt dat hij nu gerust zijn ontslag uit den Nederlandschen dienst kan nemen, want gelukkiger overwinning dan deze zou er toch nooit te behalen zijn. Mevrouw moest weten dat hij geadviseerd had om de heele Romphuizer noblesse—waarmee hij dan later wel eens perceelswijze kon kennismaken—maar stilletjes thuis te laten en het feest in de doos te doen, wanneer “de bloemen die men voorop dacht te zetten er aan moesten ontbreken.”“Ha! ik zie daar Helmond het marktplein opkomen;” zegt Eva, die juist naar buiten zag dewijl ze vreesde dat de overstelpende zaligheid die haar borst doorstroomde, en waarvoor ze geen naam had, misschien wat al te duidelijk op haar gelaat zou te lezen zijn.—De familie Debecque, de eerste uit den omtrek, gaf een partij aan de noblesse van Romphuizen, maar ze zouden die partijniet laten doorgaan indien dokter Helmond en zijn vrouw daarvoor moesten bedanken!!!“Ah juist!” zegt Hardenborg: “’t Doet me recht veel plezier dat ik hem eens weer de hand zal mogen drukken; ’t is een juweel van een dokter. Natuurlijk, juweelen behooren bij elkaar. Weet u ook mevrouw, wie de snaak is waar dokter nu afscheid van neemt?”“Dat is de majoor Kartenglimp;” zegt Eva, terwijl ze opstaat en schellen gaat.“Kartenglimp! Kartenglimp!? Onbekend! Maar een gezicht dat men meer heeft gezien. Hij lijkt wel wat op den beer in De Jagers en het Melkmeisje, of op den wolf in Roodkapje. Wacht,” hij haalt een zakboekje te voorschijn: “Jawel, juist, papa heeft niemand vergeten:de majoor Kartenglimp!—Prompt we zullen zijn kennis maken.”“Ha, ha, daar is onze dokter!—Wel hoe gaat het mijn brave clairvoyant. ’k Heb te Parijs alle middagen een extra glaasje op je gezondheid gedronken, en merk dat het je geen kwaad heeft gedaan. Je ziet er best uit, tenminste....”“O ik ben heel wel luitenant, dankje.—Goed geamuseerd?” zegt Helmond die inmiddels zijn Eva een zoen heeft gegeven.“Voortreffelijk!” zegt Archibald, en dan: “Nu spijt het me alleen maar mijn brave dokter, dat ik je ook van een minder mooie zij moest leeren kennen. Foei, om mij nu het feest te willen ontnemen dat le bon papa zoo mooi georganiseerd had. Maar ’t is mis: Mevrouw heeft me al heelemaal gerust gesteld. Papa krijgt Woensdag de polonaise; dokter Helmond de wals; en je onderdanige, als het niet al te indiscreet is, nummer drie van het programme du bal.”“Ei ei!” zegt Helmond, door den opgewekten toon van den vroolijken luitenant, met zijn open en eerlijk gezicht, weldadig afgeleid: “Ei zoo, is dat alles in dien korten tijd al zoo vast bepaald?”“Menheer Hardenborg anticipeert wel een beetje op onze dans plannen;” zegt Eva lachend: “Maar wat de partij betreft, ik wist immers dat je het goedvondt August, ’t Was bezorgdheid voor mij, zooals ik u zeide menheer Hardenborg, en Helmond had ook wat hoofdpijn. Maar nu, niewaar lieve man, nu zijn we heel wel, en de lust ontbrak mij zeker niet.”“En mijn stelling is zeker zeer weinig gewaagd,” zegt de luitenant: “dat een wensch van mevrouw Helmond, een wet voor haar man is?”Helmond beviel de wending van het gesprek niet bijzonder. Ofschoon hij Hardenborg kende, en na alles wat hij van hem vernemen mocht, zich overtuigd hield dat hij een brave edele jongen was, zoo speet het hem toch dat een aangeboren courtoisie, waarschijnlijk geprikkeld door Eva’s schoonheid, hem deed voortgaan met Eva’s zwakke zij te streelen. Ongetwijfeld moest zij den jongen Hardenborg reeds een hoog denkbeeld van hun fortuin hebben doen opvatten, althans op luchtigen toon—zonder te vermoeden dat hij hier olie in het vuur wierp—ging Archibald voort om naar aanleiding van zijn laatste uitstapje, of als een gevolg van het gesprek over zijn nette equipage, die nog voor de deur wachtte, ten behoeve van de schoone doktersvrouw op Helmonds schuldenlijst te stellen: een toertje naar Parijs nog vóór den winter, en dan, een paar makkelijke lieve rijtuigen met een flink span mooie schimmels.August had weer hoofdpijn toen de vroolijke prater—met de zekerheid dat Helmond en zijn prachtig vrouwtje het feest zouden bijwonen—in gestrekten draf het marktplein over en naar huis reed.Eva vond het waarlijk een alleraardigst mensch, en August moest nu ineens niet zoo ijselijk ernstig kijken. Immers dat reisje, ze denkt er niet aan; nee, ze vindt het nu al heel prettig dat men Woensdag het feest opDe Poelzal bijwonen. En dan, ja.... Helmond moet dat nu maar goedvinden.... een grandiose partij op haar jaardag moeten ze geven, een afdoener ineens.—Nee, anders niets!... Als Bus—of een betere huisknecht, nu maar eerst zoo’n eenvoudig livreipak heeft niewaar, vóór de partij, dan praten ze ná den jaardag samen wel eens heel ampeltjes over dat idee van Hardenborg.“Idee van Hardenborg?”“Nu, je weet wel....?” En, ijlend naar de piano, brengt ze na een krachtig accoord, eensklaps haar helder geluid tot de hooge Gis en zingt:“Vooruit postiljon, met uw brieschend gespan;“Laat schallen den hoorn;“Doe spannen den reepDoor de klappende zweep;“En voer me in het dons van den zachten karos,“Langs heuvel en bosch,“Naar ’t heil van mijn leven:”Den lieven man!”En zie, terwijl zij nu een oogenblik later naar hem terugsnelt, en den dierbare met haar armen omstrengelt, ja, waarlijk, nu glimlacht ook Helmond weder; nu glimlachte ook hij, de lieve, de beste, degullevriend.

Toen Helmond door zijn Eva, te circa halfacht, met een zoen werd wakker gemaakt, en ze hem daarna met haar welluidend: goeden morgen! een geurigen kop thee met beschuit toereikte, toen gevoelde hij slechts weinig meer van ’tgeen hem, toen hij eindelijk ter ruste ging, voor slapeloosheid en zeer waarschijnlijk voor een ziekte deed vreezen.—Al zijn de uren die hij sliep slechts weinig in getal geweest, ze hebben hem zonderling verkwikt. Neen, ofschoon hij zijn hoofd rechts en links keert, de pijn is geheel verdwenen. De sombere voorstellingen die hem door het brein spookten toen hij zich bevend van overspanning tot slapen heeft gelegd, al die sombere visioenen zijn voorbijgegaan.

—En zie, zijn Eva, de schoone Hebe in haar gracieus morgenkleed, ze staat daar als een toonbeeld van zorgende liefde.—O goede God! nu ziet hij eerst hoe innig lief dat prachtige kind hem heeft. Zij is in zorg geweest, over hém! Ze heeft gevreesd dat hij te vroeg zou wakker worden. Ja dáárom hield zij de vensterblinden ter halverwege gesloten ofschoon ze de ramen heeft opengezet, dewijl hij daar zeer op gesteld is.

En zie, daar kwam ze nu zelve met den verkwikkenden drank:

“Eva!”

“Lieve August, gaat het beter? Waarlijk beter?”

Helmond knikt, maar antwoordt niet. Hij ziet haar slechts in de schoone oogen; drukt haar fijne hand, en dan haastig den blik van haar afgekeerd naar de binnenzij van het ledikant, verdringt hij iets,’twelk hem uit het hart naar het oog is gevloeid. Goede God, was er voor haar dan niets beters weggelegd dan de vrouw te worden van een eenvoudigen dokter! Zie, daar is wat hoogers, iets vorstelijks in die vrouw; en ja, bij al die gaven van schoonheid en talent, toont ze, in de liefde voor vader en echtgenoot, een engel te zijn.

“Eva!”

“Wat is er dan beste?”

“Ik ben zoo gelukkig Eva.”

“Nu lieve man, dat klinkt me waarlijk als muziek in de ooren. Ik heb van nacht den heelen tijd allerlei gekheden gedroomd, en ook dat je heel boos op me werdt; en je grijnsde me zoo akelig aan.—Ja ik weet het zelf niet meer: ik droomde dat we te Parijs waren, en dat we meespeelden toen ze de Faust gaven. Eerst was jij Faust en toen.... ik weet niet, toen werdt je eensklaps Mephisto, en, toen schreeuwde je me zoo akelig toe: “Et Satan conduit le bal,” o zoo akelig. Zie, ’t is allemaal gekheid, dat weet ik wel; eerstens beduidt het niets, en tweedens hecht ik niemendal aan droomen; maar zoo’n gezicht blijft je ’s-anderendaags soms zoo bij. Toen je van nacht met hoofdpijn heel onplezierig thuis kwaamt, toen dacht ik, daar heb je ’t al met dien naren droom; als hij nu maar niet ziek wordt!—Ik heb er je niets van gezegd, hoewel ik er erg vervuld mee was. Maar mijn lieve man, nu kun je ook best begrijpen hoe heerlijk ik het vind om je, bij ’t wakkerworden ’t allereerst te hooren zeggen: Eva, ik ben zoo gelukkig!—Komaanmon cher monsieur le comte—nu wacht maar, ik geef den moed nog niet verloren, al was papa er wat tegen,—komaan, we zullen aan geen akelige droomen meer denken; peuzel jij die beschuitjes nu maar op, dan zalikje eens laten kijken hoe heerlijk vandaag het zonnetje schijnt, ’t is een lust!”—Eva opent nu de vensterblinden, en, aanheffend zingt ze tevens met haar klankvolle stem, zoodat men zich in den zonneschijn zou wanen al zag men den regen ook stroomen:

“O Sonnenschein, o Sonnenschein,“Wie scheinst du mir in’s Herz hinein.“Weckst drinnen lauter Liebeslust,“Dass mir so enge wird die Brust!“Dass mir so enge wird die Brust!”

“O Sonnenschein, o Sonnenschein,

“Wie scheinst du mir in’s Herz hinein.

“Weckst drinnen lauter Liebeslust,

“Dass mir so enge wird die Brust!

“Dass mir so enge wird die Brust!”

Een kwartier later is Helmond gekleed.

Ofschoon hij zich wel iets minder frisch gevoelt dan bij zijn allereerst ontwaken, toch moet hij bekennen dat het oneindig beter met hem is dan hij heeft kunnen verwachten. Daar komt zijn lieve vrouw alweder met een kop thee in het slaapvertrek.

“Eva, mijn eenige schat, mijn zonneschijn!” zegt Helmond en sluit haar in zijn armen; en dan, dan hoort hij ook van háár een schier nog welluidender toon dan daareven; want ook zij heeft gezegd: dat ze nu zoorecht gelukkigis.

En Eva had waarlijk reden om zich gelukkig te gevoelen. Nu ze haar woning had, en er alles zoo heerlijk was ingericht, nu warenvoor ’t oogenblik haar liefste wenschen vervuld. De kleine katastrophe van gisterenavond zou zeker geen gevolgen hebben, en, als zij het maar eens van de rechte zijde aanpakt, dan zal papa wel meer zwak op dien adel krijgen. Het voornaamste, waar het op aankwam, bleef toch hetbewijsdat men aanspraak op dien titel had, en dat bewijs was reeds in handen van den majoor. Welnu, een klein beetje geduld; en dan, wanneer zijènHelmond er maar op blijven aandringen en zich dankbaar betoonen, dan zal de majoor —tegen restitutie van onkosten, natuurlijk omdat hij aan al die stukken en bewijzen met zooveel moeite gekomen is,—ze wel aanhenafstaan.

Ja, Eva voelt zich recht gelukkig, want ofschoon het briefje aan de Debecque’s toch al verzonden was—omdat Bus beter hard draven dan dienen kan—ze heeft nu alle hoop dat August, wanneer hij zich zooals hij zeide wèl blijft gevoelen, ten genoegen van zijn vrouwtje nog een tweede briefje zal schrijven om die uitnoodiging tóch maar aan te nemen.—O die goede August! hij heeft immers voor ’t grootste deel uit zorg voor háár bedankt.

—Nu, dat behoefde waarlijk niet, haar hoofdpijn van gisterenavond heeft niets te beduiden gehad, en August zelf—waarlijk ze is er zoo blij om—hij voelt zich weer heelemaal fiks. Hoor, hij vraagt haar zelfs om nog eens dat lied:Natuur is mildte zingen!—Wat ziet hij haar tevreden aan! Ja als ze het nu wilde doordrijven.... van die groote partij hier aan huis tegen haar jaardag —ja, ze weet dan zeker dat hij toe zou stemmen. Maar ’t is nog niet noodig; en als men maar eerst bij de Debecque’s is geweest, dan komt die partij op haar jaardag vanzelf. Ze weet nu immers zeker dat die hooggeprezen zuinigheid iets is, waar men voortaan maar zonder veel woorden overheen moet glijden; ’t is een zwak dat het mannetje zich graag wat armoedigjes voordoet. Nu, in zulke scholen maakt men zulke leerlingen. Maargierig, nee gierig is hij niet. Wat die nachtpraktijk betreft, daarmoethij van afstappen, dáárdoor alleen is hij met zoo’n dolle hoofdpijn en zoo laat naar bed gegaan. Mettertijd, als het gelukt met dat overbrengen van papa’s titel op hem—en waarom niet—dan moet hij de heele praktijk maar neerleggen. Iemand die bezigheid wil hebben kan ze altijd wel vinden. Men behoeft daarvoor niet de slaaf van iedereen, ja van je minste plebs te wezen. Hoe heerlijk al, dat men tenminste hier van die aptheeklucht bevrijd is. Bah! zoo’n aptheek!

O voorzeker, Eva voelt zich nu recht gelukkig; alles,alleslacht haar weer toe; en zie maar, het allermeest haar lieve August.

Doch Eva weet niet dat Helmonds glimlach, nu hij de vigilante ziet voorkomen en haar straks een zoen tot afscheid geeft, een zeer gekunstelde wordt; neen, want hij heeft haar niets gezegd, niets van zijn val, niets van het gebeurde opDe Schebbelaar, en niets van den nacht aleer hij—Goddank, een weinig mocht slapen.—Waartoe haar onnoodig zijn leed te klagen; immers hij had haar vroeger vermaand dat de praktijk alleen voor den dokter is.

’t Was reeds laat in den voormiddag toen dokter Helmond aan zijn woning terugkwam.

Eva meende te bemerken dat hij wat somber gestemd was.

Of hij zich weer minder wel gevoelde....?

“Nee Eva, nee; ik heb wat heel veel zieken bezocht, en er zijn er die van een dokter meer verlangen dan redelijk is.”

“’t Is een nare betrekking August, ik heb dat altijd gezegd. Geen oogenblik ben je zeker van je tijd; dag en nacht altijd voor Jan en alleman te moeten klaarstaan, en misschien nog heel dikwijls ondank voor zorg en moeite tot loon te krijgen!”

Er was veel waars in ’t geen Eva zeide.

“Ja ’t is jammer kindlief, dat het onverstand der menschen ons zoo dikwijls moet bedroeven. Waarlijk er is geen edeler werkkring dan de mijne. Maar, als men het onmogelijke eischt...!”

“Heeft men dat nú gedaan August?”

“Och—nú, en alle dagen. Maar wij zetten er ons overheen.... wij....”

“Welzeker,” valt Eva in: “injouwplaats beste man, zou ik nooit naar eenig praatje van het wauwelig gemeen luisteren, dáárvoor sta je te hoog èn als dokter én door je.... andere maatschappelijke positie.—Als ik in je plaats was August, weet je wat ik dan deed?”

“Hé?” vraagt Helmond in gedachten.

En Eva zegt fier:

“Wel, den eerste die mij een woord durfde tegenwerpen of zich aanmatigen om mij in mijn praktijk de wet te stellen, dien zou ikbedankenen verzoeken een anderen dokter te nemen.”

—Bedanken!—August geeft met een pijnlijk glimlachje een antwoord ’twelk zijn vrouw—evenals dat glimlachje zelf—op rekening van zijn “eenig gebrek” stelt. Immers: “Waar zou de schoorsteen van rooken, als wij niet wat geduld oefenden?” heeft hij gezegd terwijl hij zich gereedmaakte om nu—na het koffiedrinken, —weer zoo spoedig mogelijk naar die nare aptheek te gaan.

—Bedanken! heeft August in zich zelven herhaald, terwijl hij buiten de kamer en op weg naar het huis aan den wal, een paar malen de hand aan het hoofd bracht—aan dat hoofd waarin het alweer niet heelemaal pluis is.

—Bedanken!—Neen zulke ruwe scènes heeft hij nooit te voren gehad; ze moeten eenig zijn in eens dokters praktijk. OpDe Schebbelaargekomen, heeft boer Geurtsen—de aanstaande toeziende voogd der tien minderjarige kinderen—hem zoo mogelijk nog brutaler dan den vorigen avond onder de oogen gezien, en gevraagd, of hij niet begrepen had dat hij opDe Schebbelaarhad uitgediend, en niet zoo “leep was om te vatten, dat de heele perementasie van de Dirksens en Geurtsens—over meer dan achttien hofsteden verdeeld—voortaan d’r eigen wel zou wachten om ’en dokter te nemen die zijn patiënten aan d’r eigen zelvers overliet, en onverlet den adem liet uitblazen?”

—Bedanken! herhaalt Helmond met dien droeven glimlach.Ha! zoo moet het maar gaan. Het rijkste deel mijner praktijk te verliezen, door.... Neen, de oorzaak had evengoed een andere kunnen zijn.—Maar toch, ’t klinkt op dit oogenblik zeker uithaarmond al zonderling:bedanken!—Mijn obstetrische praktijk schijnt door de omstandigheid bij Sturk nog bovendien een gevoeligen knak te zullen krijgen.

—Bedanken! inmijneomstandigheden....? Een pleegvader die zich misschien reeds heeft voorgenomen om zijn hand voor nu en de toekomst geheel van ons af te trekken. Een woning te bezitten waarvan geen steen ons eigendom is; een huis dat aan zijn bewoners steeds grootere weelde en altijd en altijd meergeldzal vragen. Schulden hier en schulden daar; niet onoverkomelijk, neen, maar slechts aflosbaar bij een toenemen van praktijk en inkomsten.—Bovendien een broeder die gebrek lijdt, en die, ofschoon er hoop op een goede uitkomst bestaat—bij een weigering van den pleegvader, toch maar alleen van den broeder hulp kan verwachten.—En dat huis aan den wal ’twelk reeds tweemaal, doch slechtsin zijn geheelis kunnen verhuurd worden, ’t blijft nog altijd renteloos, dewijl ik immers mijn woord gaf dat de arme doktersvrouw het niet zou verlaten, en ook, ja, omdat Eva gezegd heeft, geen aptheek in haar nieuwe woning te dulden.....

Zoo denkende treedt Helmond de apotheek binnen.

“Al bezig Thom; dat is goed. Ik kwam Bus tegen, en gaf hem de recepten vast mee.—Je zult gemerkt hebben dat er een vijftal minder is dan waar ik je gisteren op prepareerde.—Boer Dirksens dood, zal collega Biermans voortaan weer wat minder rust gunnen. Nu, de man heeft nog ambitie genoeg, en—een groot gezin. Wat zoek je Thom?”

Thomas, die Helmond bij ’t binnenkomen ternauwernood had kunnen groeten, is “op stikken af”. Den lessenaar—terzij van de toonbank—heeft hij geopend, en terwijl hij deed alsof hij daarbinnen iets zocht, verborg hij zijn aangezicht voor den blik van zijn meester.

“Wat zoek je toch Thom?” vraagt Helmond nog eens. En dan—dan slaat de lessenaar neer met een slag, en bedekt Thomas zijn gelaat met beide handen, en... Nee, ’t is hem onmogelijk! hij kan niet spreken. De keel is hem als toegenepen, en de oogen schieten weer vol tranen.—Och God, hij had het zoo goed gemeend!

Helmond is zijn jongen vriend nabijgekomen, en legt hem de hand op den schouder.

“Nu Thomas, wat is er? Zeg, heb je weer ’t een en ander moeten hooren dat je om mijnentwil bedroeft?—Ik zal er je maar ineens doorhelpen mijn jongen, ’t Is niet plezierig, zeker; maar zulke zaken komt men te boven. Nu ik zelf hier en daar zooveel overdrevens moest hooren, nu ben ik al meer getroost dan gisteravond. Thom, wat er gebeurd is, het spijt me, maar mijn geweten zegt me dat ik niet willens een patiënt heb verzuimd. In een kleine plaats worden zulke zaken schrikkelijk uitgemeten; in den beginne zal mijn praktijk er een beetje onder lijden, maar dan...”

“Och dokter!” valt Thomas nu bijna schreiende in: “och, als u eens wist hoe ik er kapot van ben; zooveel geschimp en geblaas tegen u, en mede doormijntoedoen, door mijn eigendunkelijk handelen! Och lieve God! ik meende het toch zoo goed!”

“Thomas, wees verstandig; al kan ik niet goedkeuren wat je hebt gedaan; dat je trouw hart het je heeft ingegeven daar ben ik zeker van. Komaan Thom, jij met je prettige natuur, je moest me vandaag wat opfleuren, maar geen gezicht zetten alsof Polen totaal verloren was.”

“Och dokter, hoe zal men lachen als men zich zelf zou willen afranselen en op water en brood zetten. U, aan wien ik alles ben verschuldigd, ú heb ik door mijn eigenwijsheid schandelijk benadeeld. Jawel, die Sturk is een wraakzuchtige vent. Wat boer Geurtsen nog zal zwijgen, dat strooit hij uit met een helsch pleizier.”

“Ho ho, dat kan toch zooveel niet wezen, ’t Was zeker veel beter geweest wanneer ik er aanstonds had kunnen zijn; maar vrouw Spanning heeft niets bedorven, en de ongelukkige afloop dier bevalling was een gevolg van omstandigheden, die geen mensch kon voorzien of verhoeden.”

“Hij heeft Biermans gehaald, en deze moet hem hebben toegestemd dat een tijdige en betere hulp haar zeker gered had. O, ’t is om te vertwijfelen dokter!”

“Ik geloof niet Thom, dat Biermans dat gezegd heeft.”

“Jawel dokter. Juffrouw Sillemond die zooeven hier was, en haar dochter, de vrouw van Winkelaar, kwamafzeggen—zoo’n feeks, alsof een dokter een barbier was!—diezelfde tang had Biermans zelf gesproken, en op haar vragen moet hij met een heel twijfelachtig gezicht de schouders hebben opgehaald.”

“Ei, is juffrouw Sillemond haar dochter komen afzeggen ... ei!” zegt Helmond terwijl hij even pijnlijk glimlacht; maar aanstonds vervolgt hij op luchtigen toon: “Ik wou wel eens weten Thom, wattwijfelachtige gezichtenzijn. Bovendien, iemand die twijfelt weet niet, en iemand die er nog op den koop toe de schouders bij ophaalt, bekent tweemaal niet te weten.—Zwijg nu hierover Thomas. Gedane zaken nemen geen keer.”

“Nee maar die Biermans, die te hard en te schriel was om mij, toen vader al begon te sukkelen, een beetje met m’n Latijn en scheikunde voort te helpen, zoo’n kerel moet ú niet benadeelen door z’n leelijk gezicht tot een beschuldigend vraagteeken te verwerken.”

“Bedaar Thomas. Biermans is altijd heel wel met me geweest.”

“Ja, omdat u een engel van goedheid bent; maar ik weet wel waardoor zijn broodnijd tot broodwraak is geklommen, al zet hij in uw gezelschap een kermisgezicht. Dat u sedert uw huwelijk, geen avondjes meer bij hem komt doorbrengen omdat mevrouw er geen lust in heeft, dat steekt hem. Mevrouw moet eens aan Pietje zijn oudste dochter heel openhartig hebben gezegd: dat ze den toon bij haar ouders aan huis, sinds haar verblijf in Den Haag, niet best meer verdragen kon. Daar zit ’em de angel dokter: en dan uw mooie huis! ja, wat hij u benadeelen kan, dat zal hij niet laten; en och bestebestedokter, dat ik nu dien plattelandsscharrelaar zulk een venijnig wapen in de hand moest geven!—Och dokter,” barst Thom nu werkelijk in tranen los: “Ochvergeefme,—al ben ik misschien geen wegschoppen waard.”

Een groot uur later waren, inweerwil van Thomas’ bewogen gemoedsstemming, de recepten klaargemaakt, en trok Bus er de stad mee in.—Bus kreeg dien dag nog meer te slikken dan al het “bocht” ’twelk ie in z’n mand had. Maar Bus kon zwijgen, en als Bus antwoordde dan zei ie eenvoudig:

“Als Onze Lieve Heer trekt, en dokter trekt, wie zou ’et dan winnen hé?” Maar ook een anderen keer:

“Weet jij wát je doen moet? Laat je eerst door Biermans verknoeien, en als je dan “verknooien” en voor de pieren bent, zeg dan aan vader Abraham: complement van Lange Bus, en dat je ’en gek was!”

Toen Helmond de apotheek wilde verlaten, trad mevrouw Van Hake juist uit haar huiskamer de gang in, en verzocht op zeer beleefden, schijnbaar eenigszins kouden toon: of zij dokter even mocht spreken.

Helmond schrok onwillekeurig, ’t Was hem—doch slechts een oogenblik—alsof het weer tikte en klopte in ’t hoofd zooals gisteravond en in den nacht. Immers ’t is nu reeds bijna een maand dat het kwartaal was verschenen. Neen, men zal hem dáárom niet te spreken vragen, ofschoon het geld hier zeker noodig is, maar uit die achterlijkheid kon men licht gevolgtrekkingen maken die hij graag voorkomen zou.

“Mij spreken, met genoegen!” zegt Helmond.

De weduwe laat den dokter voorgaan, en doet dan de deur der huiskamer zachtjes achter zich toe.

Er was iets bijzonder deftigs, ja schier plechtigs in de wijze waarop de weduwe haar jongeren vriend ontving. Haar kleed van eenvoudig zwart merinos was geheel in harmonie met de uitdrukking van haar gelaat. ’t Is te raden dat het haar moeite heeft gekost om tot dit onderhoud te besluiten. Thomas weet waarover het loopen zal. Moeder en zoon hadden het afgesproken; ze waren er onherroepelijk vast toe besloten. Wat er gisteren, wat er in den nacht—mede door Thomas’ schuld zooals hij blijft volhouden—in dokters praktijk gebeurde, het heeft de schaal geheel naar die zijde doen overslaan.

Mevrouw Van Hake mag niet langer van zooveel goedheid misbruik maken. Haar wonen in dit huis is een jaarlijksche schade voor Helmond van minstens driehonderd gulden. De weduwe van een Van Hake mag dat niet blijven genieten om Godswil, wanneer zij bijna zeker weet dat haar weldoener zich door wat al te groote toegevendheid, in erger moeielijkheden bevindt dan hij toonen wil. —O, had zij vooruit geweten hoe het tusschen den generaal en zijn pleegzoon stond, ze zou den laatste al vroeger als een moeder hebben gesmeekt, om toch niet toe te geven aan de steeds hoogere eischen van zijn schoone maar nooit tevreden vrouw; ze zou hemgewaarschuwd hebben, om geen huis te koopen waartoe hem de middelen ontbraken, en waardoor hij een reuzentred zou vooruitgaan op het pad, ’twelk hem moest voeren tot jammer en ellende.

—Neen, ze heeft het toen niet geweten. Zij had mede geloofd dat dokter toch inderdaad van zichzelf nog al middelen bezat, meer dan hij gewoonlijk blijken liet. Maar Thom heeft het opDe Zonsberganders vernomen, ’t Was toen te laat voor die waarschuwende stem. Doch nu, wat men herstellen kan, datmoetgeschieden Mevrouw Van Hake zal haar weldoener als vriendin, als moeder toespreken. Raden zal ze hem—maar met groote bescheidenheid. En dan, ze zal hem haarstelligevoornemen meedeelen, om met Thom deze woning te verlaten, dewijl ze vast besloten heeft, in een achterstraat zeer goedkoop een paar tamelijk nette kamers te huren. waarin ze een kleine stramien- en wolzaak beginnen wil.—Muurvast zal ze bovendien weigeren om langer voor Thom een honorarium aan te nemen, ’twelk hij waarschijnlijk nergens in’t heele land, en althans niet in een apotheek als deze, ter assistentie van een zelfhandelend dokter, zou kunnen bedingen. Zóó moet men tot een zuivere verhouding komen. De omstandigheden gebieden het.

Ofschoon Thomas weet waarover het gesprek moet loopen, zijne moeder heeft het gepaster gevonden dat hij er niet bij tegenwoordig zou zijn, vooral na hetgeen er dezen nacht gebeurd is.

Maar hoor, nadat de weduwe zich reeds een geruimen tijd met haar vriend heeft onderhouden, gaat de deur der huiskamer weer open, en roept mevrouw Van Hake met een van aandoening trillende stem naar de zij der apotheek:—“Thom! Thom! kom eens hier?”

Thomas spoedt zich zoo snel als hij kan naar de huiskamer.

“Thomas,” zegt mevrouw Van Hake terwijl ze gedurig met groote moeite haar aandoening bedwingt: “ik ben tegen onzen trouwsten vriend niet opgewassen. Zegjijeens jongen, dat we vast,vastbesloten hadden....”

“Ja dokter, ’t kan niet anders. Moe is er nu overheen. Niewaar moe?—U die tegenwoordig zooveel tot uw last hebt, u mogen wij verder niet bezwaren. Nee dokter, zeker niet!”

Helmond is voor ’t uiterlijke kalm. Indien hij niet wat bijzonder bleek had gezien dan zou men zeggen—zooals hij rustig te luisteren zit, en nu nog even wacht alvorens te spreken—dat hij daar poseeren kon voor de type van een krachtig en helderdenkend man:

“Straks Thomas, ben je me haast wat al te nederig en smeekend geweest, maar nu val je weer wat te kras in een anderen toon;” zegt Helmond; en dan met gezag: “En mijn antwoord is: Zoolang Thomas, als je bij mij in betrekking bent, zoolang blijven onze condities onveranderd. Ons contract loopt van jaar tot jaar, ingaande met de maand Mei. Wil je van patroon veranderen, dan waarschuw je mij tegen Februari; of, zie je de gelegenheid schoon om ergens op billijke voorwaarden een apotheek over te nemen—je weet wat ik vroeger aan je vader beloofde—we spreken elkander dan nader. Maar tot zóólang geen oproer alsjeblieft; er is helaas genoeg gehaspel in de wereld.”

“Dokter!” valt Thomas in: “op gevaar af dat ik u nog grief op den koop toe: Ziedaar, ik moet het u zeggen: Moe en ik we kunnen, nee wewillenhet brood om Godswil niet langer eten. We willen van iemand als u, die al werk hebt om zelf rond te komen... ja sinds u een vrouw hebt die...”

Mevrouw Van Hake schrikt van Thomas’ woorden, en heft—alsof ze een storm wil bezweren—haar beide handen omhoog.

Helmond is opgestaan. Nu is zijn blik zoo gestreng als men dien zelden of nooit van hem ziet.

“Zwijg Thomas! Niet verder! Als je me waarachtig een hart toedraagt, zooals je nog straks hebt gezegd, en ik altijd geloofde, dan komen zulke woorden niet meer over je lippen.Sinds ik een vrouw hebThom, ben ik voor alle menschen die ik hoogacht en liefheb, zooals voor je brave moeder en voor een trouwen vriend zooals jij,dezelfdegebleven.”

“Och dokter, dokter! Mijn jongen meende dat niet!” smeekt mevrouw Van Hake.

Thomas ziet strak naar den grond, ’t Is nu alles verloren. O God! Hij is een ezel, een gek! een ellendeling!

“Uw zoon meent het goed, maar hij dient van u nog te leeren mevrouw, dat men niet alles zeggen kan wat men denkt. Kijk niet meer als een arme zondaar Thom!—Hier is mijn hand. O! je hebt van oom Van Barneveld wat al te veel fraais vernomen; ik begrijp het.” Met klem: “Maar ik zeg je, dat diezelfde vrouw mij ten stelligste heeft verboden—ofschoon het natuurlijk ook mij nooit in de gedachte zou gekomen zijn—ik zeg: diezelfde vrouw heeft mijverbodenom uw lieve moeder, op welke wijze dan ook, zij het zelfs tegen een ruime vergoeding te bewegen tot het verlaten van eene woning, waaraan zij zoozeer gehecht is. Die vrouw, Thomas...”

“Maar dokter, mijn jongen zegt waarlijk niets tot Eva’s nadeel; hij is overtuigd, evenals ik, dat zij het hartelijk meent. Wij hebben er de bewijzen van. Hij bedoelde alleen dat uw huishouding zooveel meer kost tegenwoordig; niewaar Thom? dat u zooheelveel uitgaven hebt, en dus... Spreek dan Thomas, ’t Was goed bedoeld niewaar Thom?”

Van Hake antwoordde niet. Hij stond even strak te kijken, en schimpte onhoorbaar met een bijna schreiende nijdigheid op zich zelven:

“Gek! Eigenwijs!—Leg een slot op je tong. Kuiken! Ondankbaar schepsel!”

“Geef mij de hand Thomas, en leer te zwijgen.”

Thom staart nog voor zich heen, maar eensklaps den blonden krullebol opheffend, ziet hij den meester met zijn blauwe—nu droefgetinte oogen zoo wonderlijk aan, en zegt op een toon waarvan een ijzeren hart wel aan ’t kloppen moest raken:

“Weet u wat ik op dit oogen blik zou wenschen...? Ik zou willen dokter, dat uw vrouw gerust sliep op ’t uiterste randje van een afgrond, en dat er dan een paar tijgers aan den eenen kant en een paar hyena’s aan den anderen kant tot een sprong gereed stonden.Zie, en dan wou ik datiker eens bij was, met een dolk of revolver in de hand! Sakkerloot! tegen dat wild gespuis zou ik ’t willen opnemen voor haar; ik zou...”

Nu speelde er weer een glimlach om Helmonds lippen.—Thom zou het doen: hij meende het, de goede kerel!

“Genoeg!” valt hij in, terwijl hij den vriend nu bewogen de hand schudt: “’t Zou Thomas, een vrij kritiek parquet voor je zijn, en hoe hartelijk ’t mag wezen, ik zou er mijn wijfje maar liefst niet aan wagen. Ze moest onder jou heldenstuk eens verschrikt ontwaken en van dien rand naar beneden storten. Ziezoo—je sanglante voorstelling Thom, heeft ons weer een beetje vroolijker gestemd, en daar het al laat wordt, eindig ik ons onderhoud. Hoor eens mijn beste mevrouw, weet het nu wel en voor altijd: nooit zullen deze kamers zoolang als ú leeft—en God spare u lang voor ons allen—nooitzullen ze door iemand anders dan door u en Thomas bewoond worden.Uw zilveren Minerva-beeldje is ons contract geweest.”

Thomas, eensklaps door Helmonds woorden tot de zekerheid gekomen dat zijn aangebeden moeder—’t mocht gaan zooals het wilde—levenslang in dit huis zal blijven, voelt een innige blijdschap zijn borst doorstroomen, en terwijl hij toch aan dat grootste bezwaar denkt, valt hij met een hartstochtelijkheid uit die wel eenigszins in strijd was met den raad dien hij ging voordragen:

“Moe zeg, als je hier,hierdan eens eenmutsenwinkelgingt doen!”

En ja, nu moest Helmond wel lachen alsof er vooraf niets anders ware voorgevallen.

“Een mutsenwinkel!” herhaalt hij op eenigszins kluchtigen toon.

“’t Is een grandioos idee van je Thom! Nee voor trotsch m’n vrind, hou je me zeker niet, maar zie, eer ik dulden zou datjouwmoeder, de vrouw van dokter Van Hake,hiereen mutsen..... Foei foei, we zouden nog waarlijk aan ’t lachen raken.—Basta! Ik moet naar huis.—A propos, we hebben nog een klein misverstand uit den weg te ruimen.....” Helmond heeft een portefeuille te voorschijn gehaald, maar laat die vallen, en vervolgt onder ’t langzaam oprapen: “Men schijnt dus ook hier wel eens te denken dat ikbovenmijn financieele krachten ga. Ik geloof dat men zich daarover niet bezorgd hoeft te maken. Tot heden heb ik nog alles kunnen betalen wat ik schuldig was, en voor ’t overige...”

“Maar lieve dokter, wij vragen daar immers niet naar. Straks opperde ik alleen het vermoeden.....”

“We komen er nu maar niet op terug lieve mevrouw. Hier Thom zijn twee briefjes van honderd gulden, hier.—Honderd en twintig moet je er afhouden voor het verschenen kwartaal. Heb je niet weerom?”

“Ja maar waarachtig dokter, ’t is te veel, ’t is...”

“Als je me nu boos wilt maken Thomas, volstrekt...? Nu dan: ik verzoek je mij quitantie van detweehonderd gulden ineenste geven, de overblijvende tachtig schrijf ik op het volgende kwartaal.Ik hoop dat dit je toonen zal dat men de beste vrienden kan zijn zonder elkanderjuistte taxeeren.”

Thomas hoorde beweging in de gang.—Was de straatdeur open gebleven?—Nu, dat gebeurt overdag wel meer. Hij ziet de gang in.—Neen, er was niemand.

Nadat Helmond weinige minuten later vertrokken was, zag hij Kippelaan op eenigen afstand voor het raam van een komenijwinkel staan, waarachter echter niets bezienswaardigs was uitgestald. Tot Helmonds verbazing, heeft Kippelaan zich haastig omgekeerd zoodra hij den dokter bemerkte, en verdween hij om den hoek van een straatje, zoo snel als zijn spillebeenen hem vervoeren konden.—Och die brief, die waarlijk nog ongeopende brief met de drie lakken, hoe brandde hij hem in den zak. Maar hoe hij ’t er mee zou aanleggen!? Och goeje hemel, hij wist het niet. Misschien zou ’t toch maar het beste zijn om eens eventjes te zien of de inhoud zooveel angsten inderdaad wel waard was.

Toen Helmond Kartenglimps woning voorbijging, zag hij hem juist de deur uitkomen. Eensklaps gevoelde hij weer dat kloppen in ’t hoofd toen de majoor hem groetend terzij trad.

De majoor sprak van niemendal. Noch van het gebeurde op die conferentie gisterenmiddag, noch van een der treurige voorvallen die in Romphuizen een paar weken, of langer misschien, het hoofdgesprek zouden uitmaken, geïllustreerd met allerlei zeer belangrijke maar meest tegenstrijdige berichten omtrent dokter Helmond, zijn relaties, zijn fortuin en niet het minst zijne vrouw. Inderdaad, de majoor was zonder eenige rancune; zeer beleefd; gepast beleefd. Helmond gevoelt inderdaad eenig leed, omdat hij dien man misschien niet altijd juist beoordeelt.—’t Is waarschijnlijk nog steeds een gevolg van dien vroeger ontvangen indruk: au fond poltron!—Nu ja, maar voor nummer één mogen oud-militairen toch óók wel respect hebben.

“Salut! plezierige wandeling majoor;” zegt Helmond bij ’t afscheid.

“Bonjour... Eh! wat ik zeggen wou! Altijd tot je dienst hoor!” en Kartenglimp maakt een veelbeteekenend knipoogje: “altijdtot je dienst, ’t Zal wel terecht komen, als eindelijk de generaal... begrepen!?... Geen complimenten onder vrienden: a 5 percent. Gerust! Adieu!”

Weinige oogenblikken nadat Helmond straks zijn Eva verlaten had, is Kaatje met een groote doos in de Oranje-zaal gekomen, de boodschap er bijvoegende, dat de menheer uit Utrecht er was, metdit—en nog een heelen boel meer.

—Ha! hoe heerlijk trof het dat August nú uit is. Hij vond die dingen zoo licht vervelend. Juist, dit waren najaarsmantels volgens de laatste Gracieuseplaten.—Een fluweelen mantel voor den winter kon ze nu meteen bestellen, en dan—wat trof dat heerlijk—kleinigheden voor Woensdag als men naar de Debecque’s zou gaan. —Ja, voor eenige zaakjes in ’t belang van ’t geheim, daar mag ze ook wel aan denken. O! al ware August zelfs thuis geweest, alsze maar ’t eerst van de benoodigdheden voor datlaatstegesproken had, dan zou hij de restookwel hebben goedgevonden. ’t Was inderdaad zoo’n beste man!

“U zult er dus voor zorgen?—Ja, met kant gegarneerd, eenvoudig maar rijk.”

“Zeer goed mevrouw, ik hou me dan maar aan den fluweelen mantel van de gouverneursvrouw, die is bepaald rijk en deftig.”

“Goed, in dat genre tenminste.—Overmorgen heb ik m’n jacquette niewaar? We hebben morgen al September.”

“We zullen ons best doen mevrouw.—Hoe vindt u dit wit cachemire? Mooi voor sorties!—We maken ze voor al de eerste dames. Heel nieuwe modellen.”

Eva beziet de stof.—Haar sortie is nog goed; ja, maar metrood; rood is zoo fameus opzichtig; blauw staat veel liever, veel fijner.

“Zou ievast stelligDinsdag kunnen thuis zijn?”

“Als ’t noodig was morgenavond mevrouw.—Jawel, uw taillehebik. Dus metblauw?”

“Maar als ie er Dinsdagnietis, dan krijg j’em terug.”

“Voor onze rekening mevrouw.”

“Zijn dat foulards?”

“Och, eenvoudige zijden schortjes mevrouw, meer voor burgermenschen.”

“Wacht die twee zal ik nemen; de meiden loopen altijd met zulke verschrikkelijke tafellakens.”

“Ja mevrouw, wij zeggen altijd: duurkoop, goedkoop; als de dienstboden dat over ’t algemeen begrepen dan zouden ze liever wat méér voor hun goed besteden. Maar...!” De man trekt de schouders op.

“Maak jelui ook manskleeren?”

“In alle soorten mevrouw. We hebben zelfs kamerleden.”

“Dus maak je livrei?”

“Zeerzeker mevrouw. Woudt u den knecht....?”

“Ja, dat is te zeggen, hij is nu uit; en ’t is toch beter dat je daar later met mijnheer over spreekt. Stuur Dinsdag modellen mee van passement, rood met goud. We kunnen knoopen krijgen met.... met ons wapen er op?”

“Dat is te zeggen, als u ze laat maken, zeerzeker mevrouw.”

“Goud met een dwarsbalk en een kroon erboven;” zegt Eva zacht, en onwillekeurig vluchtig blozend.

“’t Zal alles volgens mevrouw haar orders geëffectueerd worden.”

“Ja maar dáárover dan een volgenden keer.—Denk aan Dinsdag. De sortie in alle geval!”

Terwijl de reiziger straks, op iets gemeenzamer toon, de dienstmaagden binnen de strijkkamer tot de bewondering van zijn goederen en stalen dwingt, doet hij met de verzekering, dat mevrouw het over de dienstboden geheel met hem eens was—namelijk “dat een meid niet beter haar fatsoen en eer kan ophouden dan door zich wat degelijk en netjes te kleeden”—Kaatje besluiten om “dan maarzoo’n fijne lakensche met al die gitten te nemen—wel ja, ze vroeg toch om opslag als ie ’en graaf was,—en Jaantje de keukenmeid, om er nog bovendien zoo’n “tierlantijn in de lendens op te hangen.—Waarom niet; wat maalde Jaantje om ’en riksdaalder; ze zag immers wel dat ze hier voor ’t opscheppen waren.”

’t Was zonderling, zoo aanstonds heeft Eva aan rijtuig en livrei gedacht, en zie—daar staat het nu werkelijk voor de deur. ’t Moet van een der buitenplaatsen zijn; een licht gentil rijtuigje, heerlijk!—Hé! zulk een elegant wagentje met zoo’n paar ranke paarden....! Al mettertijd; wie weet! Men moet met August niet alles opeens begeeren.

Een weinig achter de zware meubelgordijn verscholen, kan Eva de persoon zien die de paarden bestuurde, en nu wacht totdat men den knecht die schelde zal hebben opengedaan.—’t Is een jonkman met een zeer gunstig voorkomen, levendige oogen, donkerblonde haren en een zeer langen lichtblonden knevel. Hij is eenvoudig maar smaakvol gekleed.—Eva kent hem niet.

Met een snelle wending is de jonge vrouw naar de deur gegaan, en zegt om den hoek tot Kaatje die ging opendoen:

“Als er iemand is die mijnheer moet spreken, zeg dan dat dokter zoo aanstonds zal thuis komen.”

“Bij u binnenlaten mevrouw?”

“Nee, in degroote zaal; en me dan zeggen wie er is.”

Eenige oogenblikken later bericht de dienstmeid dat de luitenant Hardenborg, de zoon van den baron vanDe Poel,gevraagd had ofmevrouwniet ontving.

“O! de zoon van menheer Debecque. Verzoek mijnheer hier te komen Kaatje. Als ik schel dan breng je port en fijne glaasjes.”

Zeer verdiept in de lectuur van een der prachtwerken, die zij van een kleine tafel heeft genomen, zit Eva in haar fraaien voltaire bij ’t raam, nu Archibald Hardenborg binnentreedt.

—Te droes! denkt de jonge luitenant, nu hij door Eva zeer minzaam maar toch eenigszins hoog-elegant wordt verwelkomd: te droes, die dokter mag tevreden zijn. Waarachtig, daar zijn de mooiste Parisiennes niemendal bij. En jawel, voor een dokter woont dat hier in een aardig stulpje! De oud-burgemeester sloeg het deksel van z’n kist stuk, louter van plezier als ie zag hoe prachtig men hier zijn oud foedraal heeft opgeknapt.

“Met schaamte beken ik mevrouw, dat het mij bijzonder lief is u te mogen ontmoeten;” vangt Archibald aan. Hij zet zich op een stoel dien Eva hem aanwees, en vervolgt: “Een onverwacht opgekomen uitstapje naar Parijs, was oorzaak dat ik mijn bezoek—nadat ik u niet thuis mocht vinden—eerst nu hervatten kan. Haastige vrienden hebben geen ooren voor afscheidsvisites. En toch had ik dit vóór ons vertrek, behalve in mijn eigen belang, uit pure dankbaarheid zoo gaarne gedaan, want, zonder de trouwe zorg van dokter Helmond zou ik zeker ’t graf van Abélard en Héloïse niet gezien hebben—hetgeen me trouwens zeer zenuwachtig maakte—noch de mooiste vrouw van Europa op één na. Ik dacht dat keizerin Eugénie de mooiste was.”

“Ah ja, u hebt een reisje naar Parijs gemaakt. Helmond heeft me dat gezegd..... Lieve stad niewaar?”

“Interessant, fameus! De Notre-Dame, ’t Café Riche, de Louvre, Lodewijk XIV op allerlei manieren! De groote Napoleon op de punt van een naald!—Lief!?Jawel bij avondheel veel liefs, maar meest doré au feu. ’t Valt minder in mijn smaak.”

Eva vond het heerlijk over haar ideaal te kunnen spreken met iemand die er pas geweest was, die er zoo vroolijk over kon praten, en van wien ze mede wist dat hij een degelijk jongmensch was.

“Maar op gevaar af wat indiscreet te worden,” zegt Archibald ten laatste, niet zonder een weinigje ironie: “wanneer mevrouw Helmond zich waarlijk zoo sterk gevoelt dat ze wel aanstonds opnieuw dat reisje zou kunnen maken, en dokter, zooals u zegt, gemakkelijk wanneer hij ’t wilde een week of drie kon uitbreken, dan—neem mij niet kwalijk—dan is het toch wel hard voor de ongelukkige familie Debecque, om te moeten vernemen dat er bij dokter Helmond en zijn lieve vrouw zoo weinig sympathie voor haar partij bestaat.”

Eva bloosde vluchtig terwijl ze glimlachend inviel:

“Maar menheer Hardenborg,wieheeft u dat verteld?”

Er volgde een ophelderende verklaring, die den luitenant volkomen bevredigde. Immers aan zooveel vriendelijks als mijnheer Archibald haar achtereenvolgens heeft gezegd, en voornamelijk over haar lieven man, had zij geen weerstand kunnen bieden.—Nu ja, dat briefje was geschreven op een oogenblik toen Helmond nog al hoofdpijn had, maar als hij wist dat het mede een fête zoowat ter zijner eere was, ja dan waagde zij niet te veel om mede uitzijnnaam alvast de zeer beleefde uitnoodiging aan te nemen.

Archibald zegt dat hij nu gerust zijn ontslag uit den Nederlandschen dienst kan nemen, want gelukkiger overwinning dan deze zou er toch nooit te behalen zijn. Mevrouw moest weten dat hij geadviseerd had om de heele Romphuizer noblesse—waarmee hij dan later wel eens perceelswijze kon kennismaken—maar stilletjes thuis te laten en het feest in de doos te doen, wanneer “de bloemen die men voorop dacht te zetten er aan moesten ontbreken.”

“Ha! ik zie daar Helmond het marktplein opkomen;” zegt Eva, die juist naar buiten zag dewijl ze vreesde dat de overstelpende zaligheid die haar borst doorstroomde, en waarvoor ze geen naam had, misschien wat al te duidelijk op haar gelaat zou te lezen zijn.—De familie Debecque, de eerste uit den omtrek, gaf een partij aan de noblesse van Romphuizen, maar ze zouden die partijniet laten doorgaan indien dokter Helmond en zijn vrouw daarvoor moesten bedanken!!!

“Ah juist!” zegt Hardenborg: “’t Doet me recht veel plezier dat ik hem eens weer de hand zal mogen drukken; ’t is een juweel van een dokter. Natuurlijk, juweelen behooren bij elkaar. Weet u ook mevrouw, wie de snaak is waar dokter nu afscheid van neemt?”

“Dat is de majoor Kartenglimp;” zegt Eva, terwijl ze opstaat en schellen gaat.

“Kartenglimp! Kartenglimp!? Onbekend! Maar een gezicht dat men meer heeft gezien. Hij lijkt wel wat op den beer in De Jagers en het Melkmeisje, of op den wolf in Roodkapje. Wacht,” hij haalt een zakboekje te voorschijn: “Jawel, juist, papa heeft niemand vergeten:de majoor Kartenglimp!—Prompt we zullen zijn kennis maken.”

“Ha, ha, daar is onze dokter!—Wel hoe gaat het mijn brave clairvoyant. ’k Heb te Parijs alle middagen een extra glaasje op je gezondheid gedronken, en merk dat het je geen kwaad heeft gedaan. Je ziet er best uit, tenminste....”

“O ik ben heel wel luitenant, dankje.—Goed geamuseerd?” zegt Helmond die inmiddels zijn Eva een zoen heeft gegeven.

“Voortreffelijk!” zegt Archibald, en dan: “Nu spijt het me alleen maar mijn brave dokter, dat ik je ook van een minder mooie zij moest leeren kennen. Foei, om mij nu het feest te willen ontnemen dat le bon papa zoo mooi georganiseerd had. Maar ’t is mis: Mevrouw heeft me al heelemaal gerust gesteld. Papa krijgt Woensdag de polonaise; dokter Helmond de wals; en je onderdanige, als het niet al te indiscreet is, nummer drie van het programme du bal.”

“Ei ei!” zegt Helmond, door den opgewekten toon van den vroolijken luitenant, met zijn open en eerlijk gezicht, weldadig afgeleid: “Ei zoo, is dat alles in dien korten tijd al zoo vast bepaald?”

“Menheer Hardenborg anticipeert wel een beetje op onze dans plannen;” zegt Eva lachend: “Maar wat de partij betreft, ik wist immers dat je het goedvondt August, ’t Was bezorgdheid voor mij, zooals ik u zeide menheer Hardenborg, en Helmond had ook wat hoofdpijn. Maar nu, niewaar lieve man, nu zijn we heel wel, en de lust ontbrak mij zeker niet.”

“En mijn stelling is zeker zeer weinig gewaagd,” zegt de luitenant: “dat een wensch van mevrouw Helmond, een wet voor haar man is?”

Helmond beviel de wending van het gesprek niet bijzonder. Ofschoon hij Hardenborg kende, en na alles wat hij van hem vernemen mocht, zich overtuigd hield dat hij een brave edele jongen was, zoo speet het hem toch dat een aangeboren courtoisie, waarschijnlijk geprikkeld door Eva’s schoonheid, hem deed voortgaan met Eva’s zwakke zij te streelen. Ongetwijfeld moest zij den jongen Hardenborg reeds een hoog denkbeeld van hun fortuin hebben doen opvatten, althans op luchtigen toon—zonder te vermoeden dat hij hier olie in het vuur wierp—ging Archibald voort om naar aanleiding van zijn laatste uitstapje, of als een gevolg van het gesprek over zijn nette equipage, die nog voor de deur wachtte, ten behoeve van de schoone doktersvrouw op Helmonds schuldenlijst te stellen: een toertje naar Parijs nog vóór den winter, en dan, een paar makkelijke lieve rijtuigen met een flink span mooie schimmels.

August had weer hoofdpijn toen de vroolijke prater—met de zekerheid dat Helmond en zijn prachtig vrouwtje het feest zouden bijwonen—in gestrekten draf het marktplein over en naar huis reed.

Eva vond het waarlijk een alleraardigst mensch, en August moest nu ineens niet zoo ijselijk ernstig kijken. Immers dat reisje, ze denkt er niet aan; nee, ze vindt het nu al heel prettig dat men Woensdag het feest opDe Poelzal bijwonen. En dan, ja.... Helmond moet dat nu maar goedvinden.... een grandiose partij op haar jaardag moeten ze geven, een afdoener ineens.—Nee, anders niets!... Als Bus—of een betere huisknecht, nu maar eerst zoo’n eenvoudig livreipak heeft niewaar, vóór de partij, dan praten ze ná den jaardag samen wel eens heel ampeltjes over dat idee van Hardenborg.

“Idee van Hardenborg?”

“Nu, je weet wel....?” En, ijlend naar de piano, brengt ze na een krachtig accoord, eensklaps haar helder geluid tot de hooge Gis en zingt:

“Vooruit postiljon, met uw brieschend gespan;“Laat schallen den hoorn;“Doe spannen den reepDoor de klappende zweep;“En voer me in het dons van den zachten karos,“Langs heuvel en bosch,“Naar ’t heil van mijn leven:”Den lieven man!”

“Vooruit postiljon, met uw brieschend gespan;

“Laat schallen den hoorn;

“Doe spannen den reep

Door de klappende zweep;

“En voer me in het dons van den zachten karos,

“Langs heuvel en bosch,

“Naar ’t heil van mijn leven:

”Den lieven man!”

En zie, terwijl zij nu een oogenblik later naar hem terugsnelt, en den dierbare met haar armen omstrengelt, ja, waarlijk, nu glimlacht ook Helmond weder; nu glimlachte ook hij, de lieve, de beste, degullevriend.


Back to IndexNext