III.

[Inhoud]III.WAARIN DOMBEY ZICH ALS MAN EN VADER AAN HET HOOFD VAN ZIJN HUISHOUDEN VERTOONT.Nadat de begrafenis der overledene was afgeloopen, tot volkomen genoegen van den aanspreker, zoowel als van de buurt in het algemeen, welke doorgaans op zulk een punt zeer licht geraakt is, en zich door een verzuim of eene vergissing bij de plechtigheid beleedigd acht, keerden de verschillende leden van Dombey’s huishouden op hunne gewone plaatsen in hun kring terug. De kleine wereld, evenals de[12]groote wereld buiten de deur, bezat de bekwaamheid om gemakkelijk hare dooden te vergeten; en toen de keukenmeid had gezegd, dat zij eene zachtzinnige mevrouw was, en de huishoudster, dat sterven het lot van alle menschen was, en de bottelier had gevraagd, wie het zou gedacht hebben, en de werkmeid had gezegd, dat zij het haast nog niet gelooven kon, en de huisknecht dat het hem als een droom voorkwam, hadden zij het onderwerp uitgeput, en begonnen zij te denken dat hun rouw ook al sleet.Voor Richards, die boven in een staat van eervolle gevangenschap verkeerde, scheen de dageraad van haar nieuw leven koud en grauw aan te breken. Dombey’s huis was groot; het stond op den schaduwkant van eene donkere, akelig fatsoenlijke straat, in de streek tusschenPortland-PlaceenBryanstone-Square. Het was een hoekhuis, met groote wijde keldergaten in de stoep, waarin getraliede vensters uitkwamen, benevens de openingen van kolen- en aschhokken. Het was een akelig statig huis, met eene geheele reeks van pronkkamers ensuite, die op eene met lekzand bestrooide binnenplaats uitzagen, waarop twee magere boomen, met zwarte stammen en takken, hunne bladeren meer lieten ratelen dan ritselen, zoo verdroogd waren zij van den rook. De zomerzon scheen nooit in de straat, behalve des morgens tegen het uur van ontbijten, en dan kwam zij te gelijk met de waterkarren, en de oude-kleerenkoopers, en de jongens met geraniums, en den paraplulapper, en den man, die al voortgaande een houten klokje liet rinkelen. Spoedig was zij weg, om dien dag niet terug te komen; en de troepen muzikanten en zwervende poppenkasten, die spoedig volgden, lieten de straat ten prooi aan de ellendigsten der orgels en aan de witte muizen, met nu en dan een stekelvarken om de vermaken af te wisselen, totdat de botteliers, wier heeren uit eten waren, in de schemering aan de deuren kwamen staan, en de lantaarnopsteker zijne elken avond mislukte poging weder herhaalde om de straat met gas eenigszins op te helderen.Het huis was van binnen even somber als van buiten. Toen de begrafenis voorbij was, gaf Dombey last om het huisraad te bergen,—misschien om het voor den zoon te bewaren, die het middelpunt van al zijne plannen was—en de kamers te ontmeubelen, behalve die, welke hij beneden voor zich zelven hield. Derhalve werden de tafels en stoelen op het midden van den vloer opgestapeld en als het ware met groote lijkkleeden overdekt. De deurknoppen, spiegels en ornamenten, met oude nieuwspapieren omwikkeld, lieten nog stukken van doodberichten en moorden lezen. Elke lustre en kroonkandelaar, in wit katoen gehuld, had het voorkomen van een monsterachtig grooten traan, aan het oog van den zolder hangende. De schoorsteenen sloegen een graflucht uit. De doode en begravene meesteres staarde uit de lijst van eene spookachtige, met wit omkleede schilderij. Elke windvlaag voerde van den naburigen mesthoop om den hoek iets van het stroo weder aan, dat voor de deur had gelegen toen zij ziek was; die half vergane overblijfsels bleven liggen en verzamelden zich op de stoep van het morsige huis, dat aan den overkant ledig stond, eene naargeestige herinnering voor ieder, die bij Dombey uit het venster zag.De vertrekken, welke Dombey voor zijn eigen gebruik had gehouden, waren terstond uit het voorhuis bereikbaar en bestonden in eene spreekkamer, eene bibliotheek, die ook tot kleedkamer diende (zoodat de reuk van papier, marokijn en rusleder zich vermengde met de lucht van eenige paren laarzen) en eene soort van lantarenkamertje of glazen ontbijtvertrekje, dat het uitzicht had op de bovengemelde boomen, en doorgaans op eenige loerende katten. Deze drie kamers liepen in elkander. Des morgens, wanneer Dombey in eene der twee eerstgemelde zat te ontbijten, alsook des namiddags, wanneer hij thuis kwam om te eten, werd er voor Richards gescheld, om in het glazen kamertje te komen, en daar met den kleine op en neer te wandelen. Uit de schuwe blikken, welke zij dan op Dombey kon werpen, terwijl deze in de verte in de duisternis zat onder het donkere huisraad, en naar het kind zag, begon zij zich zonderlinge verbeeldingen van hem in zijne eenzaamheid te maken, als ware hij een gevangene in zijne cel, of eene vreemde verschijning, die men niet mocht aanspreken of pogen te doorgronden.De pleegmoeder van den kleinen Paul Dombey had eenige weken lang dit leven geleid en den kleinen Paul er door gedragen. Eens was zij weder naar boven gegaan, na eene treurige wandeling door de akelige pronkkamers—zij ging nooit uit zonder mevrouw Chick, die ’s morgens, als het mooi weder was, altijd aankwam, doorgaans in gezelschap van jufvrouw Tox, om haar en het kleintje een luchtje te laten scheppen, of eigenlijk haar met een deftigen tred de straat op en neer te laten kuieren, als ware het eene lijkstaatsie; en toen zij nu in hare kamer zat, werd de deur langzaam en zacht geopend, en keek een klein meisje met donkere oogen om den hoek.“Dat is zeker jonge juffer Florence, die van hare tante thuis gekomen is,” dacht Richards, die het kind nog nooit had gezien. “Gij vaart nog wel, hoop ik, jonge juffer?”—“Is dat mijn broertje?” vroeg het kind, naar den kleine wijzende.—“Ja, liefje!” antwoordde Richards. “Kom, geef hem een kus.”Maar in plaats van naderbij te komen, zag het meisje haar ernstig aan en vroeg: “Wat hebt gij met mijne mama gedaan?”—“God[13]beware de arme kleine!” riep Richards uit. “Welk eene treurige vraag! Ik gedaan? Niets, jonge jufvrouw!”—“Wat hebben zij met mijne mama gedaan?” vroeg het kind.—“Nog nooit heb ik iets zoo aandoenlijks gezien,” zeide Richards, die zeer natuurlijk voor dit kind een van hare eigene in de plaats stelde, dat in dergelijke omstandigheden naar haar vroeg. “Kom naderbij, lieve juffer! Wees niet bang voor mij.”—“Ik ben niet bang voor u,” zeide het meisje, naderbij komende. “Maar ik wil weten, wat zij met mijne mama gedaan hebben.”—“Liefje!” antwoordde Richards, “gij draagt die mooie zwarte jurk tot gedachtenis van uwe mama.”—“Ik kan wel aan mama denken, met eene andere jurk aan,” zeide het kind, terwijl het tranen in de oogen kreeg.—“Maar men draagt zwarte kleeren, om aan menschen te denken als zij niet meer hier zijn.”—“Niet meer hier? Waar dan?” vroeg het meisje.—“Kom eens bij mij zitten, dan zal ik u eene geschiedenis vertellen,” antwoordde Richards.Snel begrijpende, dat de vertelling het antwoord op hare vraag zou moeten zijn, legde Florence het hoedje neder, dat zij tot nog toe in hare hand had gehouden, ging op een voetbankje dicht bij de min zitten, en zag deze vragend aan.“Eens op een tijd,” zeide Richards, “was er eene mevrouw—eene heel goede mevrouw—die een dochtertje had, dat heel veel van haar hield.”—“Eene heel goede mevrouw en een dochtertje, dat heel veel van haar hield,” herhaalde het meisje.—“En toen God het goed achtte, dat het zoo wezen moest, werd zij ziek en stierf.”Het kind huiverde.“Zij stierf, om nooit weer door iemand op de wereld gezien te worden, en zij werd begraven in den grond, waar de boomen groeien.”—“In den kouden grond?” zeide het meisje, wederom huiverende.—“Neen, in den warmen grond,” antwoordde Polly, van deze vraag spoedig gebruik makende, “waarin de leelijke kleine zaadjes in mooie bloemen veranderen, en in gras en koorn, en ik weet niet wat al meer. Waarin goede menschen in schoone engelen veranderen, en dan opstijgen naar den hemel.”Het meisje, dat haar hoofdje had laten zinken, hief het weder op, en bleef haar aandachtig aanzien.“Wacht, laat mij zien!” zeide Polly, eenigszins van haar stuk gebracht door dien uitvorschenden blik, bij haar verlangen om het kind te troosten, den onverwachten indruk van hare woorden, en haar zeer gering vertrouwen op hare eigene krachten. “Zoodat, wilde ik zeggen, toen die mevrouw stierf, waar zij haar ook mogen gelegd hebben, zij ging tot God—en zij bad hem, dat deed zij,” vervolgde Polly, zelve zeer aangedaan, want zij was hartelijk in ernst, “haar dochtertje te leeren om daarvan in haar hart verzekerd te zijn, en te weten, dat zij gelukkig was en haar nog liefhad, en te hopen en te trachten—o, haar leven lang—om haar daar eens te ontmoeten, en dan nooit, nooit weder te scheiden.”—“Dat was mijne mama!” riep het meisje uit, terwijl zij opsprong en hare armen om Polly’s hals sloeg.—“En het hart van het kind,” vervolgde Richards, terwijl zij Florence aan hare borst drukte, “was zoo vol van de waarheid hiervan, dat, toen zij het hoorde van eene vreemde min, die het haar niet eens goed kon zeggen, maar zelve eene arme moeder was, anders niets,—dat zij er toen troost in vond—en zich niet zoo eenzaam gevoelde—en schreide aan hare borst—en het kindje lief kreeg, dat op haar schoot lag;—en zoo is het, zoo is het, arm lief kind!” zeide Polly, terwijl zij de lokken van het meisje gladstreek en hare tranen daarop afdruppelden.—“Zoo, jonge juffer! zal uw papa daar nu niet boos om zijn?” riep eene schelle stem aan de deur. Het was die van een meisje van veertien jaren, dat, hoewel zij klein van gestalte was, toch reeds bijna het voorkomen eener volwassene vrouw had, met eene bruine kleur, een wipneusje, en oogen zoo zwart als kralen. “Het was immers uitdrukkelijk belast, dat gij de min niet mocht gaan lastig vallen?”—“Zij valt mij niet lastig,” was het verwonderde antwoord van Polly. “Ik houd heel veel van kinderen.”—“O, neem mij niet kwalijk, jufvrouw Richards! maar dat doet er niet toe,” hervatte het meisje, een scherp en vinnig nest. “Misschien houd ik veel van krakelingen, maar daarom spreekt het nog niet van zelf, dat ik ze bij de thee hebben zal.”—“Nu, goed, het komt er niet op aan,” was het antwoord.—“Maar gij weet toch wel, dat de jonge juffer onder mij staat, en de jonge heer onder u.”—“Maar wij behoeven daarom toch geen twist te maken,” zeide Polly.—“O neen,” hervatte het vinnige ding, dat eigenlijk Susanna Nipper heette. “Dat behoeft niet, want Florence is eene vaste plaats, en Paul maar voor behulp.” Het meisje scheen gewoon te zijn om alles zooveel mogelijk in één adem te zeggen.—“Jonge juffer Florence is zeker pas thuis gekomen, niet waar?” vroeg Polly.—“Ja, dat is zij, jufvrouw Richards, en ziedaar, jonge juffer! eer gij een kwartier in het huis zijt geweest, gaat gij uw nat gezicht tegen het dure rouwkleed wrijven, dat jufvrouw Richards voor uwe mama draagt.” Met deze bestraffing rukte Susanna het kind tamelijk ruw van Polly af. Zij scheen dit echter meer te doen uit overdreven ijver in het waarnemen van haar post, dan uit opzettelijke boosheid.—“Zij zal wel blij wezen, dat zij thuis is en van avond weder bij haar lieven papa komt,” zeide Polly, het kind met een bemoedigenden[14]glimlach toeknikkende.—“Heere, jufvrouw Richards!” viel Susanna hierop in. “Spreek toch zoo niet! Bij haar papa komen? Wel waarlijk! Ik zou wel eens willen zien, dat zij het deed!”—“Zou zij dan niet?” vroeg Polly.—“Wel Heere neen, jufvrouw Richards! Haar papa is veel te veel verdiept in iemand anders, en voordat er iemand anders was, om zich in te verdiepen, was zij toch niet veel in gunst. Meisjes zijn hier in huis zoo goed als weggegooid, jufvrouw Richards! Dat kan ik u verzekeren.”Het meisje zag snel van de eene naar de andere zijde, alsof zij wel begreep en gevoelde wat er gezegd werd.“Gij verbaast mij!” riep Polly uit. “Heeft mijnheer Dombey haar dan niet gezien, sedert …”—“Neen,” viel Susanna haar in de rede “geene enkele maal, en vóór dien tijd had hij haar ook in maanden nauwelijks onder de oogen gehad, en ik geloof niet, dat hij haar voor zijn eigen kind zou gekend hebben, als hij haar op straat had ontmoet, of haar voor zijn eigen kind kennen zou, als hij haar morgen daar tegenkwam. Wat mij betreft, jufvrouw Richards!” voegde zij er lachende bij, “ik twijfel of hij wel weet, dat ik in de wereld ben.”—“En toch zoo lief!” zeide Polly, waarbij zij niet Susanna, maar de kleine Florence op het oog had.—“O, ik kan u verzekeren, dat er een bullebak te vinden is, geen honderd uren van deze plek, jufvrouw Richards!” liet Susanna daarop volgen. “En nu wensch ik u goeden morgen. Kom, Florence! ga nu mede, en laat u zoo niet slepen, als eene stoute meid, die van God noch zijn gebod weet.”In weerwil van deze toespraak echter, en in weerwil dat Susanna haar rechterarm bijna uit het lid trok, rukte Florence zich los, om hare nieuwe vriendin een hartelijken kus te geven.“Goedendag,” zeide het meisje. “God zegene u! Ik zal spoedig weder bij u komen, en gij ook bij mij. Suze zal het ons wel toelaten; niet waar, Suze?”Het vinnige dingetje scheen toch over het geheel niet kwaad te zijn, hoewel zij onder die kindermeisjes behoorde, die schijnen te begrijpen, dat kinderen geschud moeten worden, als een zakje met geld, dat men blinkend wil houden; want op deze toespraak, die met eenige aanhalige liefkoozingen vergezeld was, sloeg zij hare korte armen over elkander, en gaf, terwijl zij haar hoofd schudde, hare zwarte, altijd wijd openstaande oogen eene zachtere uitdrukking.“Het is niet mooi van u, dat ge dat vraagt, Florence!” zeide zij, “want gij weet wel, dat ik u niets weigeren kan; maar jufvrouw Richards en ik zullen zien wat wij doen kunnen, als jufvrouw Richards wil, want, begrijpt ge, ik kan wel lust hebben, om eene reis naarChinate doen, jufvrouw Richards, en toch niet weten hoe ik hetLondenschedok uit zal komen.”“Dit huis is juist zoo vroolijk niet,” vervolgde Susanna, “dat iemand meer alleen behoeft te blijven, dan wezen moet. Eene partij Tox’en en Chick’sen mogen mijne voorste tanden uittrekken; maar dat is geene reden, waarom ik mijn geheele gebit behoef te geven.”Jufvrouw Richards gaf haar hierin wederom gelijk.“Ik ben daarom wel genegen, om als goede vrienden te leven, jufvrouw Richards, zoolang de kleine Paul eene plaats voor u blijft, als wij er maar middel toe kunnen vinden, zonder te doen wat uitdrukkelijk verboden is. Maar goede hemel, Florence, gij hebt uw goed nog niet eens af, ondeugend kind! Kom terstond mede!”Met deze woorden deed Susanna, in eene vlaag van ijver, een vinnigen aanval op het onder haar geweld staande kind, en trok het in eens de kamer uit.In hare smart en verlatenheid was het meisje zoo zacht, stil en geduldig, zij bezat zooveel liefde, welke niemand het der moeite waard achtte zich toe te eigenen, en zulk een fijn gevoel, dat niemand zich ontzag te kwetsen, dat Polly het hart zeer deed, toen zij zich weder alleen bevond. Bij het eenvoudige tooneel, dat tusschen haar en het moederlooze kind had plaats gehad, was haar eigen moederlijk hart niet minder getroffen geweest dan dat van het meisje; en zij gevoelde evenals de kleine Florence, dat er van dit oogenblik af een band van vertrouwen en belangstelling tusschen haar beiden bestond.In weerwil van het groote vertrouwen, hetwelk Toodle in zijne vrouw stelde, was zij hem echter in aangeleerde kundigheden misschien slechts zeer weinig vooruit. Doch zij was een eenvoudig en schoon voorbeeld van een gemoedsaard, welke over het geheel beter, oprechter, edeler en verhevener is dan die der mannen, en alle aandoeningen van teederheid, medelijden en zelfverloochende liefde veel lichter plaats geeft en veel verstandiger bewaart. En misschien, zoo onkundig als zij was, had zij toen reeds een licht van kennis voor Dombey kunnen doen opgaan, hetwelk hem dan niet op het laatst als een bliksemstraal zou getroffen hebben.Maar dit is eene afdwaling van ons tegenwoordig onderwerp. Polly dacht er toen alleen aan om gebruik te maken van haar gunstigen indruk op Susanna, en een middel te verzinnen om de kleine Florence wettig en zonder muiterij bij haar te krijgen. Toevallig bood zich nog dien zelfden avond eene gelegenheid daartoe aan.Zij was naar gewoonte gescheld om beneden[15]in het glazen kamertje te komen, en had daar reeds lang om en om gewandeld met den kleine in hare armen, toen, tot hare groote verwondering en ontzetting, Dombey eensklaps op haar toekwam en voor haar staan bleef.“Goeden avond, Richards!”Juist dezelfde stijve, strenge heer, als hij haar op dien eersten dag was voorgekomen, zoo barsch van uitzicht, dat zij, terwijl zij neeg, onwillekeurig hare oogen nedersloeg.“Hoe gaat het met jongen heer Paul, Richards?”—“Heel wel en voorspoedig, mijnheer!”—“Zoo ziet hij er ook uit,” zeide Dombey, met een blik vol belangstelling op het gezichtje, dat zij voor hem ontdekte, terwijl hij toch half den schijn van onverschilligheid wilde aannemen. “Zij geven u al wat gij noodig hebt, hoop ik?”—“O ja, mijnheer! ik dank u.”Na dit antwoord scheen zij echter zoo blijkbaar iets te verzwijgen, dat Dombey, die reeds weder wilde heengaan, zich omkeerde en haar vragend aanzag.“Ik geloof dat niets zoo goed is om kinderen levendig en vroolijk te maken, mijnheer, dan dat zij andere kinderen om zich heen zien spelen,” zeide Polly, moed vattende.—“Ik meen u gezegd te hebben, Richards, toen gij hier kwaamt,” antwoordde Dombey, zijn voorhoofd rimpelende, “dat ik verlangde dat gij uwe familie zoo weinig mogelijk zien zoudt. Gij kunt voortwandelen, als het u belieft.”Daarmede verdween hij in de andere kamer, en Polly had de voldoening van te gevoelen, dat hij haar geheel verkeerd begrepen had, en zij zich zijn ongenoegen had berokkend, zonder haar oogmerk eenigszins naderbij te komen.Den volgenden avond vond zij hem in het glazen kamertje wandelen, toen zij beneden kwam. Toen zij, door dit ongewone gezicht verzet, bij de deur staan bleef, niet wetende of zij zou voortgaan of terugkeeren, riep hij haar binnen.“Als gij inderdaad denkt, dat dit soort van gezelschap goed voor het kind is,” zeide hij scherp, alsof er geen tijd verloopen was sedert zij daarvan gesproken had, “dan is er immers jonge juffer Florence?”—“Niemand zou beter kunnen zijn dan jonge juffer Florence, mijnheer,” zeide Polly gretig: “maar ik heb van het meisje, dat haar oppast, gehoord, dat zij niet mochten …”Dombey trok aan de schel en wandelde op en neer, tot er een bediende verscheen.“Zeg hun, dat zij jonge juffer Florence altijd bij Richards moeten laten komen als zij verkiest, en met haar laten uitgaan, en zoo voort. Zeg hun, dat zij de kinderen bij elkander moeten laten, als Richards het verlangt.”Het ijzer was nu heet, en Richards smeedde er stout op los. Zij had eene goede zaak voor, en was daarom stoutmoedig, hoewel zij instinctmatig bevreesd voor Dombey was. Zij verzocht, dat Florence nu terstond zou komen, om met haar broertje vriendschap te maken.Zij hield zich, alsof zij met het kind speelde, terwijl de knecht met deze boodschap heenging; maar zij meende te zien, dat Dombey’s kleur verschoot, dat zijn gelaat eene geheel andere uitdrukking aannam, dat hij zich haastig omkeerde, als wilde hij herroepen wat hij gezegd had, of wat zij gezegd had, of wel wat zij beide gezegd hadden, en alleen door schaamte daarvan weerhouden werd.En zij had gelijk. De laatste maal, dat hij zijne verwaarloosde dochter had gezien, was er in die droevige omhelzing tusschen haar en hare stervende moeder iets geweest, dat te gelijk eene openbaring en een verwijt voor hem was. Al mocht hij zich nog zoo verdiepen in den zoon, op wien hij zulk eene trotsche hoop had gebouwd, hij kon dit slottooneel niet vergeten. Hij kon niet vergeten, dat hij er geen deel aan gehad had; dat, in den gewijden kring van teederheid en trouw, die twee gedaanten in elkanders armen lagen gesloten, terwijl hij er buiten stond, en als een bloot aanschouwer toezag.Buiten staat om deze dingen uit zijn geheugen te verdrijven, en om zich te ontslaan van zulke flauwe schemeringen der beteekenis, welke zij inhielden, als zich door den nevel van zijn trots voor hem konden zichtbaar maken, veranderde zijne vroegere onverschilligheid voor de kleine Florence in eene buitengewone soort van onrust. Het was hem bijna, alsof zij hem bespiedde en wantrouwde; alsof zij den sleutel had van iets geheims in zijne borst, waarvan hij zelf nauwelijks den aard kende; alsof zij eene aangeboren kennis had van eene knarsende, wanluidende snaar in zijn binnenste, en haar enkele adem die kon doen trillen.Zijn gevoel voor het meisje was, van hare geboorte af, iets negatiefs geweest. Hij had nooit tegenzin voor haar opgevat; dat was hem niet de moeite waard geweest, of in den zin gekomen. Zij was nooit een positief onaangenaam voorwerp voor hem geweest. Maar nu was hij slecht op zijn gemak als hij aan haar dacht. Zij stoorde zijne rust. Hij had liever de gedachte, dat zij bestond, wel geheel op zijde willen schuiven, als hij maar geweten had hoe. Misschien—wie zal over zulke geheimen uitspraak doen?—was hij bevreesd, dat hij er eens toe komen zou om haar te haten.Toen de kleine Florence schroomvallig aankwam, bleef Dombey stilstaan, om naar haar te zien. Indien hij met meer belangstelling en het oog van een vader had gezien, had hij in haar scherpen blik het verlangen en de vrees kunnen lezen, die haar deden aarzelen; het hartstochtelijke verlangen om naar hem toe te[16]loopen, zich aan hem vast te klemmen, en uit te roepen: “O vader! tracht mij toch lief te hebben; er is niemand anders!” de vrees om teruggestooten te worden, de vrees om te stout te wezen en hem te verstoren; hare medelijdenswaardige behoefte aan eenige geruststelling en aanmoediging, en hoe haar overkropt jeugdig hart rondzocht om eene natuurlijke rustplaats te vinden voor zijne smart en liefde.Maar hij zag niets hiervan. Hij zag haar besluiteloos aan de deur blijven staan en naar hem kijken, en anders zag hij niets.“Kom binnen,” zeide hij, “kom binnen. Waar is het kind bang voor?”Zij kwam binnen, en nadat zij eene poos met onzekerheid had rondgezien, bleef zij bij de deur staan, hare handjes stijf tegen elkander drukkende.“Kom hier, Florence!” zeide haar vader koel. “Weet ge wie ik ben?”—“Ja, papa!”—“Hebt gij niets tegen mij te zeggen?”De tranen, die haar in de oogen stonden, toen zij die naar zijn gelaat opsloeg, werden bevrozen door de uitdrukking, die zich daarop vertoonde. Zij sloeg ze weer neder, en sloeg hare bevende hand uit.Dombey nam die losjes in de zijne en bleef een oogenblik op haar nederzien, als wist hij even weinig als het kind wat hij zeggen of doen zou.“Kom, wees een zoet meisje,” zeide hij, terwijl hij haar op het hoofd klopte en haar, als het ware steelsgewijze, met een onrustigen, twijfelenden blik aanzag. “Ga nu maar naar Richards.”Zijn dochtertje aarzelde nog een oogenblik, als wilde zij nog bij hem blijven, of als had zij eene flauwe hoop, dat hij haar in zijne armen zou opnemen en een kus geven. Zij zag nog eens naar hem op. Hij dacht, hoezeer de uitdrukking van haar blik geleek naar dien, waarmede zij op dien avond naar den dokter had omgezien, liet onwillekeurig hare hand los, en keerde zich om.Het was niet moeielijk op te merken, dat Florence zich in haar vaders bijzijn in een zeer ongunstig licht vertoonde. Zijne tegenwoordigheid was niet slechts een bedwang voor het gemoed van het meisje, maar zelfs voor de natuurlijke bevalligheid en vrijheid van hare bewegingen. Evenwel bleef Polly des te sterker bij haar voornemen, toen zij dit zag, en daar zij over Dombey naar zich zelve oordeelde, stelde zij veel vertrouwen in de stilzwijgende voorspraak van het rouwkleed der arme Florence. “Het zou wel ongelukkig wezen,” dacht zij, “dat hij maar met één moederloos kind veel zou ophebben, terwijl hij er nog een, en dat wel een meisje, voor zijne oogen heeft.”Derhalve hield Polly haar voor zijne oogen, zoolang als zij kon, en wist met den kleinen Paul zoo om te springen, dat hij door het gezelschap van zijn zusje blijkbaar veel levendiger werd. Toen het tijd was om weder naar boven te gaan, had zij Florence wel naar de andere kamer willen zenden, om haar vader goedennacht te zeggen, maar het meisje was beschroomd en schoof achteruit; en toen zij haar nogmaals aanzette, hield zij hare handen voor hare oogen, als ware het om hare eigene onwaardigheid te verbergen, en zeide: “O neen, neen! Hij wil mij niet hebben. Hij wil mij niet hebben.”Het kleine geschil tusschen de twee had Dombey’s aandacht getrokken, en hij vroeg van de tafel, waar hij bij zijn wijn zat, wat er te doen was.“Jonge juffer Florence was bang dat zij u storen zou, mijnheer, als zij binnenkwam, om u goeden nacht te wenschen,” zeide Richards.—“Dat komt er niet op aan,” antwoordde Dombey. “Gij kunt haar laten komen en gaan, zonder op mij te letten.”Het meisje huiverde, terwijl zij luisterde, en was weg eer hare nederige vriendin weder omzag.Polly verheugde zich echter niet weinig over het gelukken harer welgemeende list, en over de behendigheid, waarmede zij die had uitgevoerd. Zij deelde alles aan Susanna mede, toen zij weder veilig boven verschanst zat. Deze nam echter dit bewijs van vertrouwen, alsmede het bericht van haar toekomstigen vrijen omgang, tamelijk koel op, en was lang niet uitgelaten in hare vreugdeblijken.“Ik dacht, dat gij er mede in uw schik zoudt zijn geweest,” zeide Polly.—“O ja, jufvrouw Richards, ik ben ook in mijn schik, wel verplicht,” antwoordde Susanna, die zich eensklaps zoo stijf recht hield, dat zij eene balein meer in haar korset scheen gestoken te hebben.—“Gij toont het toch niet,” zeide Polly.—“O!” hervatte Susanna, “daar ik eene vaste plaats heb, kan men niet verwachten, dat ik het zoo toonen zal als iemand, die maar voor behulp is. Noodhulpen hebben hier alles voor, naar ik zie; maar hoewel er een goede muur tusschen dit huis is en dat naast aan, is het toch wel mogelijk, dat ik er niet graag naar toe wil gaan, jufvrouw Richards!”

[Inhoud]III.WAARIN DOMBEY ZICH ALS MAN EN VADER AAN HET HOOFD VAN ZIJN HUISHOUDEN VERTOONT.Nadat de begrafenis der overledene was afgeloopen, tot volkomen genoegen van den aanspreker, zoowel als van de buurt in het algemeen, welke doorgaans op zulk een punt zeer licht geraakt is, en zich door een verzuim of eene vergissing bij de plechtigheid beleedigd acht, keerden de verschillende leden van Dombey’s huishouden op hunne gewone plaatsen in hun kring terug. De kleine wereld, evenals de[12]groote wereld buiten de deur, bezat de bekwaamheid om gemakkelijk hare dooden te vergeten; en toen de keukenmeid had gezegd, dat zij eene zachtzinnige mevrouw was, en de huishoudster, dat sterven het lot van alle menschen was, en de bottelier had gevraagd, wie het zou gedacht hebben, en de werkmeid had gezegd, dat zij het haast nog niet gelooven kon, en de huisknecht dat het hem als een droom voorkwam, hadden zij het onderwerp uitgeput, en begonnen zij te denken dat hun rouw ook al sleet.Voor Richards, die boven in een staat van eervolle gevangenschap verkeerde, scheen de dageraad van haar nieuw leven koud en grauw aan te breken. Dombey’s huis was groot; het stond op den schaduwkant van eene donkere, akelig fatsoenlijke straat, in de streek tusschenPortland-PlaceenBryanstone-Square. Het was een hoekhuis, met groote wijde keldergaten in de stoep, waarin getraliede vensters uitkwamen, benevens de openingen van kolen- en aschhokken. Het was een akelig statig huis, met eene geheele reeks van pronkkamers ensuite, die op eene met lekzand bestrooide binnenplaats uitzagen, waarop twee magere boomen, met zwarte stammen en takken, hunne bladeren meer lieten ratelen dan ritselen, zoo verdroogd waren zij van den rook. De zomerzon scheen nooit in de straat, behalve des morgens tegen het uur van ontbijten, en dan kwam zij te gelijk met de waterkarren, en de oude-kleerenkoopers, en de jongens met geraniums, en den paraplulapper, en den man, die al voortgaande een houten klokje liet rinkelen. Spoedig was zij weg, om dien dag niet terug te komen; en de troepen muzikanten en zwervende poppenkasten, die spoedig volgden, lieten de straat ten prooi aan de ellendigsten der orgels en aan de witte muizen, met nu en dan een stekelvarken om de vermaken af te wisselen, totdat de botteliers, wier heeren uit eten waren, in de schemering aan de deuren kwamen staan, en de lantaarnopsteker zijne elken avond mislukte poging weder herhaalde om de straat met gas eenigszins op te helderen.Het huis was van binnen even somber als van buiten. Toen de begrafenis voorbij was, gaf Dombey last om het huisraad te bergen,—misschien om het voor den zoon te bewaren, die het middelpunt van al zijne plannen was—en de kamers te ontmeubelen, behalve die, welke hij beneden voor zich zelven hield. Derhalve werden de tafels en stoelen op het midden van den vloer opgestapeld en als het ware met groote lijkkleeden overdekt. De deurknoppen, spiegels en ornamenten, met oude nieuwspapieren omwikkeld, lieten nog stukken van doodberichten en moorden lezen. Elke lustre en kroonkandelaar, in wit katoen gehuld, had het voorkomen van een monsterachtig grooten traan, aan het oog van den zolder hangende. De schoorsteenen sloegen een graflucht uit. De doode en begravene meesteres staarde uit de lijst van eene spookachtige, met wit omkleede schilderij. Elke windvlaag voerde van den naburigen mesthoop om den hoek iets van het stroo weder aan, dat voor de deur had gelegen toen zij ziek was; die half vergane overblijfsels bleven liggen en verzamelden zich op de stoep van het morsige huis, dat aan den overkant ledig stond, eene naargeestige herinnering voor ieder, die bij Dombey uit het venster zag.De vertrekken, welke Dombey voor zijn eigen gebruik had gehouden, waren terstond uit het voorhuis bereikbaar en bestonden in eene spreekkamer, eene bibliotheek, die ook tot kleedkamer diende (zoodat de reuk van papier, marokijn en rusleder zich vermengde met de lucht van eenige paren laarzen) en eene soort van lantarenkamertje of glazen ontbijtvertrekje, dat het uitzicht had op de bovengemelde boomen, en doorgaans op eenige loerende katten. Deze drie kamers liepen in elkander. Des morgens, wanneer Dombey in eene der twee eerstgemelde zat te ontbijten, alsook des namiddags, wanneer hij thuis kwam om te eten, werd er voor Richards gescheld, om in het glazen kamertje te komen, en daar met den kleine op en neer te wandelen. Uit de schuwe blikken, welke zij dan op Dombey kon werpen, terwijl deze in de verte in de duisternis zat onder het donkere huisraad, en naar het kind zag, begon zij zich zonderlinge verbeeldingen van hem in zijne eenzaamheid te maken, als ware hij een gevangene in zijne cel, of eene vreemde verschijning, die men niet mocht aanspreken of pogen te doorgronden.De pleegmoeder van den kleinen Paul Dombey had eenige weken lang dit leven geleid en den kleinen Paul er door gedragen. Eens was zij weder naar boven gegaan, na eene treurige wandeling door de akelige pronkkamers—zij ging nooit uit zonder mevrouw Chick, die ’s morgens, als het mooi weder was, altijd aankwam, doorgaans in gezelschap van jufvrouw Tox, om haar en het kleintje een luchtje te laten scheppen, of eigenlijk haar met een deftigen tred de straat op en neer te laten kuieren, als ware het eene lijkstaatsie; en toen zij nu in hare kamer zat, werd de deur langzaam en zacht geopend, en keek een klein meisje met donkere oogen om den hoek.“Dat is zeker jonge juffer Florence, die van hare tante thuis gekomen is,” dacht Richards, die het kind nog nooit had gezien. “Gij vaart nog wel, hoop ik, jonge juffer?”—“Is dat mijn broertje?” vroeg het kind, naar den kleine wijzende.—“Ja, liefje!” antwoordde Richards. “Kom, geef hem een kus.”Maar in plaats van naderbij te komen, zag het meisje haar ernstig aan en vroeg: “Wat hebt gij met mijne mama gedaan?”—“God[13]beware de arme kleine!” riep Richards uit. “Welk eene treurige vraag! Ik gedaan? Niets, jonge jufvrouw!”—“Wat hebben zij met mijne mama gedaan?” vroeg het kind.—“Nog nooit heb ik iets zoo aandoenlijks gezien,” zeide Richards, die zeer natuurlijk voor dit kind een van hare eigene in de plaats stelde, dat in dergelijke omstandigheden naar haar vroeg. “Kom naderbij, lieve juffer! Wees niet bang voor mij.”—“Ik ben niet bang voor u,” zeide het meisje, naderbij komende. “Maar ik wil weten, wat zij met mijne mama gedaan hebben.”—“Liefje!” antwoordde Richards, “gij draagt die mooie zwarte jurk tot gedachtenis van uwe mama.”—“Ik kan wel aan mama denken, met eene andere jurk aan,” zeide het kind, terwijl het tranen in de oogen kreeg.—“Maar men draagt zwarte kleeren, om aan menschen te denken als zij niet meer hier zijn.”—“Niet meer hier? Waar dan?” vroeg het meisje.—“Kom eens bij mij zitten, dan zal ik u eene geschiedenis vertellen,” antwoordde Richards.Snel begrijpende, dat de vertelling het antwoord op hare vraag zou moeten zijn, legde Florence het hoedje neder, dat zij tot nog toe in hare hand had gehouden, ging op een voetbankje dicht bij de min zitten, en zag deze vragend aan.“Eens op een tijd,” zeide Richards, “was er eene mevrouw—eene heel goede mevrouw—die een dochtertje had, dat heel veel van haar hield.”—“Eene heel goede mevrouw en een dochtertje, dat heel veel van haar hield,” herhaalde het meisje.—“En toen God het goed achtte, dat het zoo wezen moest, werd zij ziek en stierf.”Het kind huiverde.“Zij stierf, om nooit weer door iemand op de wereld gezien te worden, en zij werd begraven in den grond, waar de boomen groeien.”—“In den kouden grond?” zeide het meisje, wederom huiverende.—“Neen, in den warmen grond,” antwoordde Polly, van deze vraag spoedig gebruik makende, “waarin de leelijke kleine zaadjes in mooie bloemen veranderen, en in gras en koorn, en ik weet niet wat al meer. Waarin goede menschen in schoone engelen veranderen, en dan opstijgen naar den hemel.”Het meisje, dat haar hoofdje had laten zinken, hief het weder op, en bleef haar aandachtig aanzien.“Wacht, laat mij zien!” zeide Polly, eenigszins van haar stuk gebracht door dien uitvorschenden blik, bij haar verlangen om het kind te troosten, den onverwachten indruk van hare woorden, en haar zeer gering vertrouwen op hare eigene krachten. “Zoodat, wilde ik zeggen, toen die mevrouw stierf, waar zij haar ook mogen gelegd hebben, zij ging tot God—en zij bad hem, dat deed zij,” vervolgde Polly, zelve zeer aangedaan, want zij was hartelijk in ernst, “haar dochtertje te leeren om daarvan in haar hart verzekerd te zijn, en te weten, dat zij gelukkig was en haar nog liefhad, en te hopen en te trachten—o, haar leven lang—om haar daar eens te ontmoeten, en dan nooit, nooit weder te scheiden.”—“Dat was mijne mama!” riep het meisje uit, terwijl zij opsprong en hare armen om Polly’s hals sloeg.—“En het hart van het kind,” vervolgde Richards, terwijl zij Florence aan hare borst drukte, “was zoo vol van de waarheid hiervan, dat, toen zij het hoorde van eene vreemde min, die het haar niet eens goed kon zeggen, maar zelve eene arme moeder was, anders niets,—dat zij er toen troost in vond—en zich niet zoo eenzaam gevoelde—en schreide aan hare borst—en het kindje lief kreeg, dat op haar schoot lag;—en zoo is het, zoo is het, arm lief kind!” zeide Polly, terwijl zij de lokken van het meisje gladstreek en hare tranen daarop afdruppelden.—“Zoo, jonge juffer! zal uw papa daar nu niet boos om zijn?” riep eene schelle stem aan de deur. Het was die van een meisje van veertien jaren, dat, hoewel zij klein van gestalte was, toch reeds bijna het voorkomen eener volwassene vrouw had, met eene bruine kleur, een wipneusje, en oogen zoo zwart als kralen. “Het was immers uitdrukkelijk belast, dat gij de min niet mocht gaan lastig vallen?”—“Zij valt mij niet lastig,” was het verwonderde antwoord van Polly. “Ik houd heel veel van kinderen.”—“O, neem mij niet kwalijk, jufvrouw Richards! maar dat doet er niet toe,” hervatte het meisje, een scherp en vinnig nest. “Misschien houd ik veel van krakelingen, maar daarom spreekt het nog niet van zelf, dat ik ze bij de thee hebben zal.”—“Nu, goed, het komt er niet op aan,” was het antwoord.—“Maar gij weet toch wel, dat de jonge juffer onder mij staat, en de jonge heer onder u.”—“Maar wij behoeven daarom toch geen twist te maken,” zeide Polly.—“O neen,” hervatte het vinnige ding, dat eigenlijk Susanna Nipper heette. “Dat behoeft niet, want Florence is eene vaste plaats, en Paul maar voor behulp.” Het meisje scheen gewoon te zijn om alles zooveel mogelijk in één adem te zeggen.—“Jonge juffer Florence is zeker pas thuis gekomen, niet waar?” vroeg Polly.—“Ja, dat is zij, jufvrouw Richards, en ziedaar, jonge juffer! eer gij een kwartier in het huis zijt geweest, gaat gij uw nat gezicht tegen het dure rouwkleed wrijven, dat jufvrouw Richards voor uwe mama draagt.” Met deze bestraffing rukte Susanna het kind tamelijk ruw van Polly af. Zij scheen dit echter meer te doen uit overdreven ijver in het waarnemen van haar post, dan uit opzettelijke boosheid.—“Zij zal wel blij wezen, dat zij thuis is en van avond weder bij haar lieven papa komt,” zeide Polly, het kind met een bemoedigenden[14]glimlach toeknikkende.—“Heere, jufvrouw Richards!” viel Susanna hierop in. “Spreek toch zoo niet! Bij haar papa komen? Wel waarlijk! Ik zou wel eens willen zien, dat zij het deed!”—“Zou zij dan niet?” vroeg Polly.—“Wel Heere neen, jufvrouw Richards! Haar papa is veel te veel verdiept in iemand anders, en voordat er iemand anders was, om zich in te verdiepen, was zij toch niet veel in gunst. Meisjes zijn hier in huis zoo goed als weggegooid, jufvrouw Richards! Dat kan ik u verzekeren.”Het meisje zag snel van de eene naar de andere zijde, alsof zij wel begreep en gevoelde wat er gezegd werd.“Gij verbaast mij!” riep Polly uit. “Heeft mijnheer Dombey haar dan niet gezien, sedert …”—“Neen,” viel Susanna haar in de rede “geene enkele maal, en vóór dien tijd had hij haar ook in maanden nauwelijks onder de oogen gehad, en ik geloof niet, dat hij haar voor zijn eigen kind zou gekend hebben, als hij haar op straat had ontmoet, of haar voor zijn eigen kind kennen zou, als hij haar morgen daar tegenkwam. Wat mij betreft, jufvrouw Richards!” voegde zij er lachende bij, “ik twijfel of hij wel weet, dat ik in de wereld ben.”—“En toch zoo lief!” zeide Polly, waarbij zij niet Susanna, maar de kleine Florence op het oog had.—“O, ik kan u verzekeren, dat er een bullebak te vinden is, geen honderd uren van deze plek, jufvrouw Richards!” liet Susanna daarop volgen. “En nu wensch ik u goeden morgen. Kom, Florence! ga nu mede, en laat u zoo niet slepen, als eene stoute meid, die van God noch zijn gebod weet.”In weerwil van deze toespraak echter, en in weerwil dat Susanna haar rechterarm bijna uit het lid trok, rukte Florence zich los, om hare nieuwe vriendin een hartelijken kus te geven.“Goedendag,” zeide het meisje. “God zegene u! Ik zal spoedig weder bij u komen, en gij ook bij mij. Suze zal het ons wel toelaten; niet waar, Suze?”Het vinnige dingetje scheen toch over het geheel niet kwaad te zijn, hoewel zij onder die kindermeisjes behoorde, die schijnen te begrijpen, dat kinderen geschud moeten worden, als een zakje met geld, dat men blinkend wil houden; want op deze toespraak, die met eenige aanhalige liefkoozingen vergezeld was, sloeg zij hare korte armen over elkander, en gaf, terwijl zij haar hoofd schudde, hare zwarte, altijd wijd openstaande oogen eene zachtere uitdrukking.“Het is niet mooi van u, dat ge dat vraagt, Florence!” zeide zij, “want gij weet wel, dat ik u niets weigeren kan; maar jufvrouw Richards en ik zullen zien wat wij doen kunnen, als jufvrouw Richards wil, want, begrijpt ge, ik kan wel lust hebben, om eene reis naarChinate doen, jufvrouw Richards, en toch niet weten hoe ik hetLondenschedok uit zal komen.”“Dit huis is juist zoo vroolijk niet,” vervolgde Susanna, “dat iemand meer alleen behoeft te blijven, dan wezen moet. Eene partij Tox’en en Chick’sen mogen mijne voorste tanden uittrekken; maar dat is geene reden, waarom ik mijn geheele gebit behoef te geven.”Jufvrouw Richards gaf haar hierin wederom gelijk.“Ik ben daarom wel genegen, om als goede vrienden te leven, jufvrouw Richards, zoolang de kleine Paul eene plaats voor u blijft, als wij er maar middel toe kunnen vinden, zonder te doen wat uitdrukkelijk verboden is. Maar goede hemel, Florence, gij hebt uw goed nog niet eens af, ondeugend kind! Kom terstond mede!”Met deze woorden deed Susanna, in eene vlaag van ijver, een vinnigen aanval op het onder haar geweld staande kind, en trok het in eens de kamer uit.In hare smart en verlatenheid was het meisje zoo zacht, stil en geduldig, zij bezat zooveel liefde, welke niemand het der moeite waard achtte zich toe te eigenen, en zulk een fijn gevoel, dat niemand zich ontzag te kwetsen, dat Polly het hart zeer deed, toen zij zich weder alleen bevond. Bij het eenvoudige tooneel, dat tusschen haar en het moederlooze kind had plaats gehad, was haar eigen moederlijk hart niet minder getroffen geweest dan dat van het meisje; en zij gevoelde evenals de kleine Florence, dat er van dit oogenblik af een band van vertrouwen en belangstelling tusschen haar beiden bestond.In weerwil van het groote vertrouwen, hetwelk Toodle in zijne vrouw stelde, was zij hem echter in aangeleerde kundigheden misschien slechts zeer weinig vooruit. Doch zij was een eenvoudig en schoon voorbeeld van een gemoedsaard, welke over het geheel beter, oprechter, edeler en verhevener is dan die der mannen, en alle aandoeningen van teederheid, medelijden en zelfverloochende liefde veel lichter plaats geeft en veel verstandiger bewaart. En misschien, zoo onkundig als zij was, had zij toen reeds een licht van kennis voor Dombey kunnen doen opgaan, hetwelk hem dan niet op het laatst als een bliksemstraal zou getroffen hebben.Maar dit is eene afdwaling van ons tegenwoordig onderwerp. Polly dacht er toen alleen aan om gebruik te maken van haar gunstigen indruk op Susanna, en een middel te verzinnen om de kleine Florence wettig en zonder muiterij bij haar te krijgen. Toevallig bood zich nog dien zelfden avond eene gelegenheid daartoe aan.Zij was naar gewoonte gescheld om beneden[15]in het glazen kamertje te komen, en had daar reeds lang om en om gewandeld met den kleine in hare armen, toen, tot hare groote verwondering en ontzetting, Dombey eensklaps op haar toekwam en voor haar staan bleef.“Goeden avond, Richards!”Juist dezelfde stijve, strenge heer, als hij haar op dien eersten dag was voorgekomen, zoo barsch van uitzicht, dat zij, terwijl zij neeg, onwillekeurig hare oogen nedersloeg.“Hoe gaat het met jongen heer Paul, Richards?”—“Heel wel en voorspoedig, mijnheer!”—“Zoo ziet hij er ook uit,” zeide Dombey, met een blik vol belangstelling op het gezichtje, dat zij voor hem ontdekte, terwijl hij toch half den schijn van onverschilligheid wilde aannemen. “Zij geven u al wat gij noodig hebt, hoop ik?”—“O ja, mijnheer! ik dank u.”Na dit antwoord scheen zij echter zoo blijkbaar iets te verzwijgen, dat Dombey, die reeds weder wilde heengaan, zich omkeerde en haar vragend aanzag.“Ik geloof dat niets zoo goed is om kinderen levendig en vroolijk te maken, mijnheer, dan dat zij andere kinderen om zich heen zien spelen,” zeide Polly, moed vattende.—“Ik meen u gezegd te hebben, Richards, toen gij hier kwaamt,” antwoordde Dombey, zijn voorhoofd rimpelende, “dat ik verlangde dat gij uwe familie zoo weinig mogelijk zien zoudt. Gij kunt voortwandelen, als het u belieft.”Daarmede verdween hij in de andere kamer, en Polly had de voldoening van te gevoelen, dat hij haar geheel verkeerd begrepen had, en zij zich zijn ongenoegen had berokkend, zonder haar oogmerk eenigszins naderbij te komen.Den volgenden avond vond zij hem in het glazen kamertje wandelen, toen zij beneden kwam. Toen zij, door dit ongewone gezicht verzet, bij de deur staan bleef, niet wetende of zij zou voortgaan of terugkeeren, riep hij haar binnen.“Als gij inderdaad denkt, dat dit soort van gezelschap goed voor het kind is,” zeide hij scherp, alsof er geen tijd verloopen was sedert zij daarvan gesproken had, “dan is er immers jonge juffer Florence?”—“Niemand zou beter kunnen zijn dan jonge juffer Florence, mijnheer,” zeide Polly gretig: “maar ik heb van het meisje, dat haar oppast, gehoord, dat zij niet mochten …”Dombey trok aan de schel en wandelde op en neer, tot er een bediende verscheen.“Zeg hun, dat zij jonge juffer Florence altijd bij Richards moeten laten komen als zij verkiest, en met haar laten uitgaan, en zoo voort. Zeg hun, dat zij de kinderen bij elkander moeten laten, als Richards het verlangt.”Het ijzer was nu heet, en Richards smeedde er stout op los. Zij had eene goede zaak voor, en was daarom stoutmoedig, hoewel zij instinctmatig bevreesd voor Dombey was. Zij verzocht, dat Florence nu terstond zou komen, om met haar broertje vriendschap te maken.Zij hield zich, alsof zij met het kind speelde, terwijl de knecht met deze boodschap heenging; maar zij meende te zien, dat Dombey’s kleur verschoot, dat zijn gelaat eene geheel andere uitdrukking aannam, dat hij zich haastig omkeerde, als wilde hij herroepen wat hij gezegd had, of wat zij gezegd had, of wel wat zij beide gezegd hadden, en alleen door schaamte daarvan weerhouden werd.En zij had gelijk. De laatste maal, dat hij zijne verwaarloosde dochter had gezien, was er in die droevige omhelzing tusschen haar en hare stervende moeder iets geweest, dat te gelijk eene openbaring en een verwijt voor hem was. Al mocht hij zich nog zoo verdiepen in den zoon, op wien hij zulk eene trotsche hoop had gebouwd, hij kon dit slottooneel niet vergeten. Hij kon niet vergeten, dat hij er geen deel aan gehad had; dat, in den gewijden kring van teederheid en trouw, die twee gedaanten in elkanders armen lagen gesloten, terwijl hij er buiten stond, en als een bloot aanschouwer toezag.Buiten staat om deze dingen uit zijn geheugen te verdrijven, en om zich te ontslaan van zulke flauwe schemeringen der beteekenis, welke zij inhielden, als zich door den nevel van zijn trots voor hem konden zichtbaar maken, veranderde zijne vroegere onverschilligheid voor de kleine Florence in eene buitengewone soort van onrust. Het was hem bijna, alsof zij hem bespiedde en wantrouwde; alsof zij den sleutel had van iets geheims in zijne borst, waarvan hij zelf nauwelijks den aard kende; alsof zij eene aangeboren kennis had van eene knarsende, wanluidende snaar in zijn binnenste, en haar enkele adem die kon doen trillen.Zijn gevoel voor het meisje was, van hare geboorte af, iets negatiefs geweest. Hij had nooit tegenzin voor haar opgevat; dat was hem niet de moeite waard geweest, of in den zin gekomen. Zij was nooit een positief onaangenaam voorwerp voor hem geweest. Maar nu was hij slecht op zijn gemak als hij aan haar dacht. Zij stoorde zijne rust. Hij had liever de gedachte, dat zij bestond, wel geheel op zijde willen schuiven, als hij maar geweten had hoe. Misschien—wie zal over zulke geheimen uitspraak doen?—was hij bevreesd, dat hij er eens toe komen zou om haar te haten.Toen de kleine Florence schroomvallig aankwam, bleef Dombey stilstaan, om naar haar te zien. Indien hij met meer belangstelling en het oog van een vader had gezien, had hij in haar scherpen blik het verlangen en de vrees kunnen lezen, die haar deden aarzelen; het hartstochtelijke verlangen om naar hem toe te[16]loopen, zich aan hem vast te klemmen, en uit te roepen: “O vader! tracht mij toch lief te hebben; er is niemand anders!” de vrees om teruggestooten te worden, de vrees om te stout te wezen en hem te verstoren; hare medelijdenswaardige behoefte aan eenige geruststelling en aanmoediging, en hoe haar overkropt jeugdig hart rondzocht om eene natuurlijke rustplaats te vinden voor zijne smart en liefde.Maar hij zag niets hiervan. Hij zag haar besluiteloos aan de deur blijven staan en naar hem kijken, en anders zag hij niets.“Kom binnen,” zeide hij, “kom binnen. Waar is het kind bang voor?”Zij kwam binnen, en nadat zij eene poos met onzekerheid had rondgezien, bleef zij bij de deur staan, hare handjes stijf tegen elkander drukkende.“Kom hier, Florence!” zeide haar vader koel. “Weet ge wie ik ben?”—“Ja, papa!”—“Hebt gij niets tegen mij te zeggen?”De tranen, die haar in de oogen stonden, toen zij die naar zijn gelaat opsloeg, werden bevrozen door de uitdrukking, die zich daarop vertoonde. Zij sloeg ze weer neder, en sloeg hare bevende hand uit.Dombey nam die losjes in de zijne en bleef een oogenblik op haar nederzien, als wist hij even weinig als het kind wat hij zeggen of doen zou.“Kom, wees een zoet meisje,” zeide hij, terwijl hij haar op het hoofd klopte en haar, als het ware steelsgewijze, met een onrustigen, twijfelenden blik aanzag. “Ga nu maar naar Richards.”Zijn dochtertje aarzelde nog een oogenblik, als wilde zij nog bij hem blijven, of als had zij eene flauwe hoop, dat hij haar in zijne armen zou opnemen en een kus geven. Zij zag nog eens naar hem op. Hij dacht, hoezeer de uitdrukking van haar blik geleek naar dien, waarmede zij op dien avond naar den dokter had omgezien, liet onwillekeurig hare hand los, en keerde zich om.Het was niet moeielijk op te merken, dat Florence zich in haar vaders bijzijn in een zeer ongunstig licht vertoonde. Zijne tegenwoordigheid was niet slechts een bedwang voor het gemoed van het meisje, maar zelfs voor de natuurlijke bevalligheid en vrijheid van hare bewegingen. Evenwel bleef Polly des te sterker bij haar voornemen, toen zij dit zag, en daar zij over Dombey naar zich zelve oordeelde, stelde zij veel vertrouwen in de stilzwijgende voorspraak van het rouwkleed der arme Florence. “Het zou wel ongelukkig wezen,” dacht zij, “dat hij maar met één moederloos kind veel zou ophebben, terwijl hij er nog een, en dat wel een meisje, voor zijne oogen heeft.”Derhalve hield Polly haar voor zijne oogen, zoolang als zij kon, en wist met den kleinen Paul zoo om te springen, dat hij door het gezelschap van zijn zusje blijkbaar veel levendiger werd. Toen het tijd was om weder naar boven te gaan, had zij Florence wel naar de andere kamer willen zenden, om haar vader goedennacht te zeggen, maar het meisje was beschroomd en schoof achteruit; en toen zij haar nogmaals aanzette, hield zij hare handen voor hare oogen, als ware het om hare eigene onwaardigheid te verbergen, en zeide: “O neen, neen! Hij wil mij niet hebben. Hij wil mij niet hebben.”Het kleine geschil tusschen de twee had Dombey’s aandacht getrokken, en hij vroeg van de tafel, waar hij bij zijn wijn zat, wat er te doen was.“Jonge juffer Florence was bang dat zij u storen zou, mijnheer, als zij binnenkwam, om u goeden nacht te wenschen,” zeide Richards.—“Dat komt er niet op aan,” antwoordde Dombey. “Gij kunt haar laten komen en gaan, zonder op mij te letten.”Het meisje huiverde, terwijl zij luisterde, en was weg eer hare nederige vriendin weder omzag.Polly verheugde zich echter niet weinig over het gelukken harer welgemeende list, en over de behendigheid, waarmede zij die had uitgevoerd. Zij deelde alles aan Susanna mede, toen zij weder veilig boven verschanst zat. Deze nam echter dit bewijs van vertrouwen, alsmede het bericht van haar toekomstigen vrijen omgang, tamelijk koel op, en was lang niet uitgelaten in hare vreugdeblijken.“Ik dacht, dat gij er mede in uw schik zoudt zijn geweest,” zeide Polly.—“O ja, jufvrouw Richards, ik ben ook in mijn schik, wel verplicht,” antwoordde Susanna, die zich eensklaps zoo stijf recht hield, dat zij eene balein meer in haar korset scheen gestoken te hebben.—“Gij toont het toch niet,” zeide Polly.—“O!” hervatte Susanna, “daar ik eene vaste plaats heb, kan men niet verwachten, dat ik het zoo toonen zal als iemand, die maar voor behulp is. Noodhulpen hebben hier alles voor, naar ik zie; maar hoewel er een goede muur tusschen dit huis is en dat naast aan, is het toch wel mogelijk, dat ik er niet graag naar toe wil gaan, jufvrouw Richards!”

III.WAARIN DOMBEY ZICH ALS MAN EN VADER AAN HET HOOFD VAN ZIJN HUISHOUDEN VERTOONT.

Nadat de begrafenis der overledene was afgeloopen, tot volkomen genoegen van den aanspreker, zoowel als van de buurt in het algemeen, welke doorgaans op zulk een punt zeer licht geraakt is, en zich door een verzuim of eene vergissing bij de plechtigheid beleedigd acht, keerden de verschillende leden van Dombey’s huishouden op hunne gewone plaatsen in hun kring terug. De kleine wereld, evenals de[12]groote wereld buiten de deur, bezat de bekwaamheid om gemakkelijk hare dooden te vergeten; en toen de keukenmeid had gezegd, dat zij eene zachtzinnige mevrouw was, en de huishoudster, dat sterven het lot van alle menschen was, en de bottelier had gevraagd, wie het zou gedacht hebben, en de werkmeid had gezegd, dat zij het haast nog niet gelooven kon, en de huisknecht dat het hem als een droom voorkwam, hadden zij het onderwerp uitgeput, en begonnen zij te denken dat hun rouw ook al sleet.Voor Richards, die boven in een staat van eervolle gevangenschap verkeerde, scheen de dageraad van haar nieuw leven koud en grauw aan te breken. Dombey’s huis was groot; het stond op den schaduwkant van eene donkere, akelig fatsoenlijke straat, in de streek tusschenPortland-PlaceenBryanstone-Square. Het was een hoekhuis, met groote wijde keldergaten in de stoep, waarin getraliede vensters uitkwamen, benevens de openingen van kolen- en aschhokken. Het was een akelig statig huis, met eene geheele reeks van pronkkamers ensuite, die op eene met lekzand bestrooide binnenplaats uitzagen, waarop twee magere boomen, met zwarte stammen en takken, hunne bladeren meer lieten ratelen dan ritselen, zoo verdroogd waren zij van den rook. De zomerzon scheen nooit in de straat, behalve des morgens tegen het uur van ontbijten, en dan kwam zij te gelijk met de waterkarren, en de oude-kleerenkoopers, en de jongens met geraniums, en den paraplulapper, en den man, die al voortgaande een houten klokje liet rinkelen. Spoedig was zij weg, om dien dag niet terug te komen; en de troepen muzikanten en zwervende poppenkasten, die spoedig volgden, lieten de straat ten prooi aan de ellendigsten der orgels en aan de witte muizen, met nu en dan een stekelvarken om de vermaken af te wisselen, totdat de botteliers, wier heeren uit eten waren, in de schemering aan de deuren kwamen staan, en de lantaarnopsteker zijne elken avond mislukte poging weder herhaalde om de straat met gas eenigszins op te helderen.Het huis was van binnen even somber als van buiten. Toen de begrafenis voorbij was, gaf Dombey last om het huisraad te bergen,—misschien om het voor den zoon te bewaren, die het middelpunt van al zijne plannen was—en de kamers te ontmeubelen, behalve die, welke hij beneden voor zich zelven hield. Derhalve werden de tafels en stoelen op het midden van den vloer opgestapeld en als het ware met groote lijkkleeden overdekt. De deurknoppen, spiegels en ornamenten, met oude nieuwspapieren omwikkeld, lieten nog stukken van doodberichten en moorden lezen. Elke lustre en kroonkandelaar, in wit katoen gehuld, had het voorkomen van een monsterachtig grooten traan, aan het oog van den zolder hangende. De schoorsteenen sloegen een graflucht uit. De doode en begravene meesteres staarde uit de lijst van eene spookachtige, met wit omkleede schilderij. Elke windvlaag voerde van den naburigen mesthoop om den hoek iets van het stroo weder aan, dat voor de deur had gelegen toen zij ziek was; die half vergane overblijfsels bleven liggen en verzamelden zich op de stoep van het morsige huis, dat aan den overkant ledig stond, eene naargeestige herinnering voor ieder, die bij Dombey uit het venster zag.De vertrekken, welke Dombey voor zijn eigen gebruik had gehouden, waren terstond uit het voorhuis bereikbaar en bestonden in eene spreekkamer, eene bibliotheek, die ook tot kleedkamer diende (zoodat de reuk van papier, marokijn en rusleder zich vermengde met de lucht van eenige paren laarzen) en eene soort van lantarenkamertje of glazen ontbijtvertrekje, dat het uitzicht had op de bovengemelde boomen, en doorgaans op eenige loerende katten. Deze drie kamers liepen in elkander. Des morgens, wanneer Dombey in eene der twee eerstgemelde zat te ontbijten, alsook des namiddags, wanneer hij thuis kwam om te eten, werd er voor Richards gescheld, om in het glazen kamertje te komen, en daar met den kleine op en neer te wandelen. Uit de schuwe blikken, welke zij dan op Dombey kon werpen, terwijl deze in de verte in de duisternis zat onder het donkere huisraad, en naar het kind zag, begon zij zich zonderlinge verbeeldingen van hem in zijne eenzaamheid te maken, als ware hij een gevangene in zijne cel, of eene vreemde verschijning, die men niet mocht aanspreken of pogen te doorgronden.De pleegmoeder van den kleinen Paul Dombey had eenige weken lang dit leven geleid en den kleinen Paul er door gedragen. Eens was zij weder naar boven gegaan, na eene treurige wandeling door de akelige pronkkamers—zij ging nooit uit zonder mevrouw Chick, die ’s morgens, als het mooi weder was, altijd aankwam, doorgaans in gezelschap van jufvrouw Tox, om haar en het kleintje een luchtje te laten scheppen, of eigenlijk haar met een deftigen tred de straat op en neer te laten kuieren, als ware het eene lijkstaatsie; en toen zij nu in hare kamer zat, werd de deur langzaam en zacht geopend, en keek een klein meisje met donkere oogen om den hoek.“Dat is zeker jonge juffer Florence, die van hare tante thuis gekomen is,” dacht Richards, die het kind nog nooit had gezien. “Gij vaart nog wel, hoop ik, jonge juffer?”—“Is dat mijn broertje?” vroeg het kind, naar den kleine wijzende.—“Ja, liefje!” antwoordde Richards. “Kom, geef hem een kus.”Maar in plaats van naderbij te komen, zag het meisje haar ernstig aan en vroeg: “Wat hebt gij met mijne mama gedaan?”—“God[13]beware de arme kleine!” riep Richards uit. “Welk eene treurige vraag! Ik gedaan? Niets, jonge jufvrouw!”—“Wat hebben zij met mijne mama gedaan?” vroeg het kind.—“Nog nooit heb ik iets zoo aandoenlijks gezien,” zeide Richards, die zeer natuurlijk voor dit kind een van hare eigene in de plaats stelde, dat in dergelijke omstandigheden naar haar vroeg. “Kom naderbij, lieve juffer! Wees niet bang voor mij.”—“Ik ben niet bang voor u,” zeide het meisje, naderbij komende. “Maar ik wil weten, wat zij met mijne mama gedaan hebben.”—“Liefje!” antwoordde Richards, “gij draagt die mooie zwarte jurk tot gedachtenis van uwe mama.”—“Ik kan wel aan mama denken, met eene andere jurk aan,” zeide het kind, terwijl het tranen in de oogen kreeg.—“Maar men draagt zwarte kleeren, om aan menschen te denken als zij niet meer hier zijn.”—“Niet meer hier? Waar dan?” vroeg het meisje.—“Kom eens bij mij zitten, dan zal ik u eene geschiedenis vertellen,” antwoordde Richards.Snel begrijpende, dat de vertelling het antwoord op hare vraag zou moeten zijn, legde Florence het hoedje neder, dat zij tot nog toe in hare hand had gehouden, ging op een voetbankje dicht bij de min zitten, en zag deze vragend aan.“Eens op een tijd,” zeide Richards, “was er eene mevrouw—eene heel goede mevrouw—die een dochtertje had, dat heel veel van haar hield.”—“Eene heel goede mevrouw en een dochtertje, dat heel veel van haar hield,” herhaalde het meisje.—“En toen God het goed achtte, dat het zoo wezen moest, werd zij ziek en stierf.”Het kind huiverde.“Zij stierf, om nooit weer door iemand op de wereld gezien te worden, en zij werd begraven in den grond, waar de boomen groeien.”—“In den kouden grond?” zeide het meisje, wederom huiverende.—“Neen, in den warmen grond,” antwoordde Polly, van deze vraag spoedig gebruik makende, “waarin de leelijke kleine zaadjes in mooie bloemen veranderen, en in gras en koorn, en ik weet niet wat al meer. Waarin goede menschen in schoone engelen veranderen, en dan opstijgen naar den hemel.”Het meisje, dat haar hoofdje had laten zinken, hief het weder op, en bleef haar aandachtig aanzien.“Wacht, laat mij zien!” zeide Polly, eenigszins van haar stuk gebracht door dien uitvorschenden blik, bij haar verlangen om het kind te troosten, den onverwachten indruk van hare woorden, en haar zeer gering vertrouwen op hare eigene krachten. “Zoodat, wilde ik zeggen, toen die mevrouw stierf, waar zij haar ook mogen gelegd hebben, zij ging tot God—en zij bad hem, dat deed zij,” vervolgde Polly, zelve zeer aangedaan, want zij was hartelijk in ernst, “haar dochtertje te leeren om daarvan in haar hart verzekerd te zijn, en te weten, dat zij gelukkig was en haar nog liefhad, en te hopen en te trachten—o, haar leven lang—om haar daar eens te ontmoeten, en dan nooit, nooit weder te scheiden.”—“Dat was mijne mama!” riep het meisje uit, terwijl zij opsprong en hare armen om Polly’s hals sloeg.—“En het hart van het kind,” vervolgde Richards, terwijl zij Florence aan hare borst drukte, “was zoo vol van de waarheid hiervan, dat, toen zij het hoorde van eene vreemde min, die het haar niet eens goed kon zeggen, maar zelve eene arme moeder was, anders niets,—dat zij er toen troost in vond—en zich niet zoo eenzaam gevoelde—en schreide aan hare borst—en het kindje lief kreeg, dat op haar schoot lag;—en zoo is het, zoo is het, arm lief kind!” zeide Polly, terwijl zij de lokken van het meisje gladstreek en hare tranen daarop afdruppelden.—“Zoo, jonge juffer! zal uw papa daar nu niet boos om zijn?” riep eene schelle stem aan de deur. Het was die van een meisje van veertien jaren, dat, hoewel zij klein van gestalte was, toch reeds bijna het voorkomen eener volwassene vrouw had, met eene bruine kleur, een wipneusje, en oogen zoo zwart als kralen. “Het was immers uitdrukkelijk belast, dat gij de min niet mocht gaan lastig vallen?”—“Zij valt mij niet lastig,” was het verwonderde antwoord van Polly. “Ik houd heel veel van kinderen.”—“O, neem mij niet kwalijk, jufvrouw Richards! maar dat doet er niet toe,” hervatte het meisje, een scherp en vinnig nest. “Misschien houd ik veel van krakelingen, maar daarom spreekt het nog niet van zelf, dat ik ze bij de thee hebben zal.”—“Nu, goed, het komt er niet op aan,” was het antwoord.—“Maar gij weet toch wel, dat de jonge juffer onder mij staat, en de jonge heer onder u.”—“Maar wij behoeven daarom toch geen twist te maken,” zeide Polly.—“O neen,” hervatte het vinnige ding, dat eigenlijk Susanna Nipper heette. “Dat behoeft niet, want Florence is eene vaste plaats, en Paul maar voor behulp.” Het meisje scheen gewoon te zijn om alles zooveel mogelijk in één adem te zeggen.—“Jonge juffer Florence is zeker pas thuis gekomen, niet waar?” vroeg Polly.—“Ja, dat is zij, jufvrouw Richards, en ziedaar, jonge juffer! eer gij een kwartier in het huis zijt geweest, gaat gij uw nat gezicht tegen het dure rouwkleed wrijven, dat jufvrouw Richards voor uwe mama draagt.” Met deze bestraffing rukte Susanna het kind tamelijk ruw van Polly af. Zij scheen dit echter meer te doen uit overdreven ijver in het waarnemen van haar post, dan uit opzettelijke boosheid.—“Zij zal wel blij wezen, dat zij thuis is en van avond weder bij haar lieven papa komt,” zeide Polly, het kind met een bemoedigenden[14]glimlach toeknikkende.—“Heere, jufvrouw Richards!” viel Susanna hierop in. “Spreek toch zoo niet! Bij haar papa komen? Wel waarlijk! Ik zou wel eens willen zien, dat zij het deed!”—“Zou zij dan niet?” vroeg Polly.—“Wel Heere neen, jufvrouw Richards! Haar papa is veel te veel verdiept in iemand anders, en voordat er iemand anders was, om zich in te verdiepen, was zij toch niet veel in gunst. Meisjes zijn hier in huis zoo goed als weggegooid, jufvrouw Richards! Dat kan ik u verzekeren.”Het meisje zag snel van de eene naar de andere zijde, alsof zij wel begreep en gevoelde wat er gezegd werd.“Gij verbaast mij!” riep Polly uit. “Heeft mijnheer Dombey haar dan niet gezien, sedert …”—“Neen,” viel Susanna haar in de rede “geene enkele maal, en vóór dien tijd had hij haar ook in maanden nauwelijks onder de oogen gehad, en ik geloof niet, dat hij haar voor zijn eigen kind zou gekend hebben, als hij haar op straat had ontmoet, of haar voor zijn eigen kind kennen zou, als hij haar morgen daar tegenkwam. Wat mij betreft, jufvrouw Richards!” voegde zij er lachende bij, “ik twijfel of hij wel weet, dat ik in de wereld ben.”—“En toch zoo lief!” zeide Polly, waarbij zij niet Susanna, maar de kleine Florence op het oog had.—“O, ik kan u verzekeren, dat er een bullebak te vinden is, geen honderd uren van deze plek, jufvrouw Richards!” liet Susanna daarop volgen. “En nu wensch ik u goeden morgen. Kom, Florence! ga nu mede, en laat u zoo niet slepen, als eene stoute meid, die van God noch zijn gebod weet.”In weerwil van deze toespraak echter, en in weerwil dat Susanna haar rechterarm bijna uit het lid trok, rukte Florence zich los, om hare nieuwe vriendin een hartelijken kus te geven.“Goedendag,” zeide het meisje. “God zegene u! Ik zal spoedig weder bij u komen, en gij ook bij mij. Suze zal het ons wel toelaten; niet waar, Suze?”Het vinnige dingetje scheen toch over het geheel niet kwaad te zijn, hoewel zij onder die kindermeisjes behoorde, die schijnen te begrijpen, dat kinderen geschud moeten worden, als een zakje met geld, dat men blinkend wil houden; want op deze toespraak, die met eenige aanhalige liefkoozingen vergezeld was, sloeg zij hare korte armen over elkander, en gaf, terwijl zij haar hoofd schudde, hare zwarte, altijd wijd openstaande oogen eene zachtere uitdrukking.“Het is niet mooi van u, dat ge dat vraagt, Florence!” zeide zij, “want gij weet wel, dat ik u niets weigeren kan; maar jufvrouw Richards en ik zullen zien wat wij doen kunnen, als jufvrouw Richards wil, want, begrijpt ge, ik kan wel lust hebben, om eene reis naarChinate doen, jufvrouw Richards, en toch niet weten hoe ik hetLondenschedok uit zal komen.”“Dit huis is juist zoo vroolijk niet,” vervolgde Susanna, “dat iemand meer alleen behoeft te blijven, dan wezen moet. Eene partij Tox’en en Chick’sen mogen mijne voorste tanden uittrekken; maar dat is geene reden, waarom ik mijn geheele gebit behoef te geven.”Jufvrouw Richards gaf haar hierin wederom gelijk.“Ik ben daarom wel genegen, om als goede vrienden te leven, jufvrouw Richards, zoolang de kleine Paul eene plaats voor u blijft, als wij er maar middel toe kunnen vinden, zonder te doen wat uitdrukkelijk verboden is. Maar goede hemel, Florence, gij hebt uw goed nog niet eens af, ondeugend kind! Kom terstond mede!”Met deze woorden deed Susanna, in eene vlaag van ijver, een vinnigen aanval op het onder haar geweld staande kind, en trok het in eens de kamer uit.In hare smart en verlatenheid was het meisje zoo zacht, stil en geduldig, zij bezat zooveel liefde, welke niemand het der moeite waard achtte zich toe te eigenen, en zulk een fijn gevoel, dat niemand zich ontzag te kwetsen, dat Polly het hart zeer deed, toen zij zich weder alleen bevond. Bij het eenvoudige tooneel, dat tusschen haar en het moederlooze kind had plaats gehad, was haar eigen moederlijk hart niet minder getroffen geweest dan dat van het meisje; en zij gevoelde evenals de kleine Florence, dat er van dit oogenblik af een band van vertrouwen en belangstelling tusschen haar beiden bestond.In weerwil van het groote vertrouwen, hetwelk Toodle in zijne vrouw stelde, was zij hem echter in aangeleerde kundigheden misschien slechts zeer weinig vooruit. Doch zij was een eenvoudig en schoon voorbeeld van een gemoedsaard, welke over het geheel beter, oprechter, edeler en verhevener is dan die der mannen, en alle aandoeningen van teederheid, medelijden en zelfverloochende liefde veel lichter plaats geeft en veel verstandiger bewaart. En misschien, zoo onkundig als zij was, had zij toen reeds een licht van kennis voor Dombey kunnen doen opgaan, hetwelk hem dan niet op het laatst als een bliksemstraal zou getroffen hebben.Maar dit is eene afdwaling van ons tegenwoordig onderwerp. Polly dacht er toen alleen aan om gebruik te maken van haar gunstigen indruk op Susanna, en een middel te verzinnen om de kleine Florence wettig en zonder muiterij bij haar te krijgen. Toevallig bood zich nog dien zelfden avond eene gelegenheid daartoe aan.Zij was naar gewoonte gescheld om beneden[15]in het glazen kamertje te komen, en had daar reeds lang om en om gewandeld met den kleine in hare armen, toen, tot hare groote verwondering en ontzetting, Dombey eensklaps op haar toekwam en voor haar staan bleef.“Goeden avond, Richards!”Juist dezelfde stijve, strenge heer, als hij haar op dien eersten dag was voorgekomen, zoo barsch van uitzicht, dat zij, terwijl zij neeg, onwillekeurig hare oogen nedersloeg.“Hoe gaat het met jongen heer Paul, Richards?”—“Heel wel en voorspoedig, mijnheer!”—“Zoo ziet hij er ook uit,” zeide Dombey, met een blik vol belangstelling op het gezichtje, dat zij voor hem ontdekte, terwijl hij toch half den schijn van onverschilligheid wilde aannemen. “Zij geven u al wat gij noodig hebt, hoop ik?”—“O ja, mijnheer! ik dank u.”Na dit antwoord scheen zij echter zoo blijkbaar iets te verzwijgen, dat Dombey, die reeds weder wilde heengaan, zich omkeerde en haar vragend aanzag.“Ik geloof dat niets zoo goed is om kinderen levendig en vroolijk te maken, mijnheer, dan dat zij andere kinderen om zich heen zien spelen,” zeide Polly, moed vattende.—“Ik meen u gezegd te hebben, Richards, toen gij hier kwaamt,” antwoordde Dombey, zijn voorhoofd rimpelende, “dat ik verlangde dat gij uwe familie zoo weinig mogelijk zien zoudt. Gij kunt voortwandelen, als het u belieft.”Daarmede verdween hij in de andere kamer, en Polly had de voldoening van te gevoelen, dat hij haar geheel verkeerd begrepen had, en zij zich zijn ongenoegen had berokkend, zonder haar oogmerk eenigszins naderbij te komen.Den volgenden avond vond zij hem in het glazen kamertje wandelen, toen zij beneden kwam. Toen zij, door dit ongewone gezicht verzet, bij de deur staan bleef, niet wetende of zij zou voortgaan of terugkeeren, riep hij haar binnen.“Als gij inderdaad denkt, dat dit soort van gezelschap goed voor het kind is,” zeide hij scherp, alsof er geen tijd verloopen was sedert zij daarvan gesproken had, “dan is er immers jonge juffer Florence?”—“Niemand zou beter kunnen zijn dan jonge juffer Florence, mijnheer,” zeide Polly gretig: “maar ik heb van het meisje, dat haar oppast, gehoord, dat zij niet mochten …”Dombey trok aan de schel en wandelde op en neer, tot er een bediende verscheen.“Zeg hun, dat zij jonge juffer Florence altijd bij Richards moeten laten komen als zij verkiest, en met haar laten uitgaan, en zoo voort. Zeg hun, dat zij de kinderen bij elkander moeten laten, als Richards het verlangt.”Het ijzer was nu heet, en Richards smeedde er stout op los. Zij had eene goede zaak voor, en was daarom stoutmoedig, hoewel zij instinctmatig bevreesd voor Dombey was. Zij verzocht, dat Florence nu terstond zou komen, om met haar broertje vriendschap te maken.Zij hield zich, alsof zij met het kind speelde, terwijl de knecht met deze boodschap heenging; maar zij meende te zien, dat Dombey’s kleur verschoot, dat zijn gelaat eene geheel andere uitdrukking aannam, dat hij zich haastig omkeerde, als wilde hij herroepen wat hij gezegd had, of wat zij gezegd had, of wel wat zij beide gezegd hadden, en alleen door schaamte daarvan weerhouden werd.En zij had gelijk. De laatste maal, dat hij zijne verwaarloosde dochter had gezien, was er in die droevige omhelzing tusschen haar en hare stervende moeder iets geweest, dat te gelijk eene openbaring en een verwijt voor hem was. Al mocht hij zich nog zoo verdiepen in den zoon, op wien hij zulk eene trotsche hoop had gebouwd, hij kon dit slottooneel niet vergeten. Hij kon niet vergeten, dat hij er geen deel aan gehad had; dat, in den gewijden kring van teederheid en trouw, die twee gedaanten in elkanders armen lagen gesloten, terwijl hij er buiten stond, en als een bloot aanschouwer toezag.Buiten staat om deze dingen uit zijn geheugen te verdrijven, en om zich te ontslaan van zulke flauwe schemeringen der beteekenis, welke zij inhielden, als zich door den nevel van zijn trots voor hem konden zichtbaar maken, veranderde zijne vroegere onverschilligheid voor de kleine Florence in eene buitengewone soort van onrust. Het was hem bijna, alsof zij hem bespiedde en wantrouwde; alsof zij den sleutel had van iets geheims in zijne borst, waarvan hij zelf nauwelijks den aard kende; alsof zij eene aangeboren kennis had van eene knarsende, wanluidende snaar in zijn binnenste, en haar enkele adem die kon doen trillen.Zijn gevoel voor het meisje was, van hare geboorte af, iets negatiefs geweest. Hij had nooit tegenzin voor haar opgevat; dat was hem niet de moeite waard geweest, of in den zin gekomen. Zij was nooit een positief onaangenaam voorwerp voor hem geweest. Maar nu was hij slecht op zijn gemak als hij aan haar dacht. Zij stoorde zijne rust. Hij had liever de gedachte, dat zij bestond, wel geheel op zijde willen schuiven, als hij maar geweten had hoe. Misschien—wie zal over zulke geheimen uitspraak doen?—was hij bevreesd, dat hij er eens toe komen zou om haar te haten.Toen de kleine Florence schroomvallig aankwam, bleef Dombey stilstaan, om naar haar te zien. Indien hij met meer belangstelling en het oog van een vader had gezien, had hij in haar scherpen blik het verlangen en de vrees kunnen lezen, die haar deden aarzelen; het hartstochtelijke verlangen om naar hem toe te[16]loopen, zich aan hem vast te klemmen, en uit te roepen: “O vader! tracht mij toch lief te hebben; er is niemand anders!” de vrees om teruggestooten te worden, de vrees om te stout te wezen en hem te verstoren; hare medelijdenswaardige behoefte aan eenige geruststelling en aanmoediging, en hoe haar overkropt jeugdig hart rondzocht om eene natuurlijke rustplaats te vinden voor zijne smart en liefde.Maar hij zag niets hiervan. Hij zag haar besluiteloos aan de deur blijven staan en naar hem kijken, en anders zag hij niets.“Kom binnen,” zeide hij, “kom binnen. Waar is het kind bang voor?”Zij kwam binnen, en nadat zij eene poos met onzekerheid had rondgezien, bleef zij bij de deur staan, hare handjes stijf tegen elkander drukkende.“Kom hier, Florence!” zeide haar vader koel. “Weet ge wie ik ben?”—“Ja, papa!”—“Hebt gij niets tegen mij te zeggen?”De tranen, die haar in de oogen stonden, toen zij die naar zijn gelaat opsloeg, werden bevrozen door de uitdrukking, die zich daarop vertoonde. Zij sloeg ze weer neder, en sloeg hare bevende hand uit.Dombey nam die losjes in de zijne en bleef een oogenblik op haar nederzien, als wist hij even weinig als het kind wat hij zeggen of doen zou.“Kom, wees een zoet meisje,” zeide hij, terwijl hij haar op het hoofd klopte en haar, als het ware steelsgewijze, met een onrustigen, twijfelenden blik aanzag. “Ga nu maar naar Richards.”Zijn dochtertje aarzelde nog een oogenblik, als wilde zij nog bij hem blijven, of als had zij eene flauwe hoop, dat hij haar in zijne armen zou opnemen en een kus geven. Zij zag nog eens naar hem op. Hij dacht, hoezeer de uitdrukking van haar blik geleek naar dien, waarmede zij op dien avond naar den dokter had omgezien, liet onwillekeurig hare hand los, en keerde zich om.Het was niet moeielijk op te merken, dat Florence zich in haar vaders bijzijn in een zeer ongunstig licht vertoonde. Zijne tegenwoordigheid was niet slechts een bedwang voor het gemoed van het meisje, maar zelfs voor de natuurlijke bevalligheid en vrijheid van hare bewegingen. Evenwel bleef Polly des te sterker bij haar voornemen, toen zij dit zag, en daar zij over Dombey naar zich zelve oordeelde, stelde zij veel vertrouwen in de stilzwijgende voorspraak van het rouwkleed der arme Florence. “Het zou wel ongelukkig wezen,” dacht zij, “dat hij maar met één moederloos kind veel zou ophebben, terwijl hij er nog een, en dat wel een meisje, voor zijne oogen heeft.”Derhalve hield Polly haar voor zijne oogen, zoolang als zij kon, en wist met den kleinen Paul zoo om te springen, dat hij door het gezelschap van zijn zusje blijkbaar veel levendiger werd. Toen het tijd was om weder naar boven te gaan, had zij Florence wel naar de andere kamer willen zenden, om haar vader goedennacht te zeggen, maar het meisje was beschroomd en schoof achteruit; en toen zij haar nogmaals aanzette, hield zij hare handen voor hare oogen, als ware het om hare eigene onwaardigheid te verbergen, en zeide: “O neen, neen! Hij wil mij niet hebben. Hij wil mij niet hebben.”Het kleine geschil tusschen de twee had Dombey’s aandacht getrokken, en hij vroeg van de tafel, waar hij bij zijn wijn zat, wat er te doen was.“Jonge juffer Florence was bang dat zij u storen zou, mijnheer, als zij binnenkwam, om u goeden nacht te wenschen,” zeide Richards.—“Dat komt er niet op aan,” antwoordde Dombey. “Gij kunt haar laten komen en gaan, zonder op mij te letten.”Het meisje huiverde, terwijl zij luisterde, en was weg eer hare nederige vriendin weder omzag.Polly verheugde zich echter niet weinig over het gelukken harer welgemeende list, en over de behendigheid, waarmede zij die had uitgevoerd. Zij deelde alles aan Susanna mede, toen zij weder veilig boven verschanst zat. Deze nam echter dit bewijs van vertrouwen, alsmede het bericht van haar toekomstigen vrijen omgang, tamelijk koel op, en was lang niet uitgelaten in hare vreugdeblijken.“Ik dacht, dat gij er mede in uw schik zoudt zijn geweest,” zeide Polly.—“O ja, jufvrouw Richards, ik ben ook in mijn schik, wel verplicht,” antwoordde Susanna, die zich eensklaps zoo stijf recht hield, dat zij eene balein meer in haar korset scheen gestoken te hebben.—“Gij toont het toch niet,” zeide Polly.—“O!” hervatte Susanna, “daar ik eene vaste plaats heb, kan men niet verwachten, dat ik het zoo toonen zal als iemand, die maar voor behulp is. Noodhulpen hebben hier alles voor, naar ik zie; maar hoewel er een goede muur tusschen dit huis is en dat naast aan, is het toch wel mogelijk, dat ik er niet graag naar toe wil gaan, jufvrouw Richards!”

Nadat de begrafenis der overledene was afgeloopen, tot volkomen genoegen van den aanspreker, zoowel als van de buurt in het algemeen, welke doorgaans op zulk een punt zeer licht geraakt is, en zich door een verzuim of eene vergissing bij de plechtigheid beleedigd acht, keerden de verschillende leden van Dombey’s huishouden op hunne gewone plaatsen in hun kring terug. De kleine wereld, evenals de[12]groote wereld buiten de deur, bezat de bekwaamheid om gemakkelijk hare dooden te vergeten; en toen de keukenmeid had gezegd, dat zij eene zachtzinnige mevrouw was, en de huishoudster, dat sterven het lot van alle menschen was, en de bottelier had gevraagd, wie het zou gedacht hebben, en de werkmeid had gezegd, dat zij het haast nog niet gelooven kon, en de huisknecht dat het hem als een droom voorkwam, hadden zij het onderwerp uitgeput, en begonnen zij te denken dat hun rouw ook al sleet.

Voor Richards, die boven in een staat van eervolle gevangenschap verkeerde, scheen de dageraad van haar nieuw leven koud en grauw aan te breken. Dombey’s huis was groot; het stond op den schaduwkant van eene donkere, akelig fatsoenlijke straat, in de streek tusschenPortland-PlaceenBryanstone-Square. Het was een hoekhuis, met groote wijde keldergaten in de stoep, waarin getraliede vensters uitkwamen, benevens de openingen van kolen- en aschhokken. Het was een akelig statig huis, met eene geheele reeks van pronkkamers ensuite, die op eene met lekzand bestrooide binnenplaats uitzagen, waarop twee magere boomen, met zwarte stammen en takken, hunne bladeren meer lieten ratelen dan ritselen, zoo verdroogd waren zij van den rook. De zomerzon scheen nooit in de straat, behalve des morgens tegen het uur van ontbijten, en dan kwam zij te gelijk met de waterkarren, en de oude-kleerenkoopers, en de jongens met geraniums, en den paraplulapper, en den man, die al voortgaande een houten klokje liet rinkelen. Spoedig was zij weg, om dien dag niet terug te komen; en de troepen muzikanten en zwervende poppenkasten, die spoedig volgden, lieten de straat ten prooi aan de ellendigsten der orgels en aan de witte muizen, met nu en dan een stekelvarken om de vermaken af te wisselen, totdat de botteliers, wier heeren uit eten waren, in de schemering aan de deuren kwamen staan, en de lantaarnopsteker zijne elken avond mislukte poging weder herhaalde om de straat met gas eenigszins op te helderen.

Het huis was van binnen even somber als van buiten. Toen de begrafenis voorbij was, gaf Dombey last om het huisraad te bergen,—misschien om het voor den zoon te bewaren, die het middelpunt van al zijne plannen was—en de kamers te ontmeubelen, behalve die, welke hij beneden voor zich zelven hield. Derhalve werden de tafels en stoelen op het midden van den vloer opgestapeld en als het ware met groote lijkkleeden overdekt. De deurknoppen, spiegels en ornamenten, met oude nieuwspapieren omwikkeld, lieten nog stukken van doodberichten en moorden lezen. Elke lustre en kroonkandelaar, in wit katoen gehuld, had het voorkomen van een monsterachtig grooten traan, aan het oog van den zolder hangende. De schoorsteenen sloegen een graflucht uit. De doode en begravene meesteres staarde uit de lijst van eene spookachtige, met wit omkleede schilderij. Elke windvlaag voerde van den naburigen mesthoop om den hoek iets van het stroo weder aan, dat voor de deur had gelegen toen zij ziek was; die half vergane overblijfsels bleven liggen en verzamelden zich op de stoep van het morsige huis, dat aan den overkant ledig stond, eene naargeestige herinnering voor ieder, die bij Dombey uit het venster zag.

De vertrekken, welke Dombey voor zijn eigen gebruik had gehouden, waren terstond uit het voorhuis bereikbaar en bestonden in eene spreekkamer, eene bibliotheek, die ook tot kleedkamer diende (zoodat de reuk van papier, marokijn en rusleder zich vermengde met de lucht van eenige paren laarzen) en eene soort van lantarenkamertje of glazen ontbijtvertrekje, dat het uitzicht had op de bovengemelde boomen, en doorgaans op eenige loerende katten. Deze drie kamers liepen in elkander. Des morgens, wanneer Dombey in eene der twee eerstgemelde zat te ontbijten, alsook des namiddags, wanneer hij thuis kwam om te eten, werd er voor Richards gescheld, om in het glazen kamertje te komen, en daar met den kleine op en neer te wandelen. Uit de schuwe blikken, welke zij dan op Dombey kon werpen, terwijl deze in de verte in de duisternis zat onder het donkere huisraad, en naar het kind zag, begon zij zich zonderlinge verbeeldingen van hem in zijne eenzaamheid te maken, als ware hij een gevangene in zijne cel, of eene vreemde verschijning, die men niet mocht aanspreken of pogen te doorgronden.

De pleegmoeder van den kleinen Paul Dombey had eenige weken lang dit leven geleid en den kleinen Paul er door gedragen. Eens was zij weder naar boven gegaan, na eene treurige wandeling door de akelige pronkkamers—zij ging nooit uit zonder mevrouw Chick, die ’s morgens, als het mooi weder was, altijd aankwam, doorgaans in gezelschap van jufvrouw Tox, om haar en het kleintje een luchtje te laten scheppen, of eigenlijk haar met een deftigen tred de straat op en neer te laten kuieren, als ware het eene lijkstaatsie; en toen zij nu in hare kamer zat, werd de deur langzaam en zacht geopend, en keek een klein meisje met donkere oogen om den hoek.

“Dat is zeker jonge juffer Florence, die van hare tante thuis gekomen is,” dacht Richards, die het kind nog nooit had gezien. “Gij vaart nog wel, hoop ik, jonge juffer?”—“Is dat mijn broertje?” vroeg het kind, naar den kleine wijzende.—“Ja, liefje!” antwoordde Richards. “Kom, geef hem een kus.”

Maar in plaats van naderbij te komen, zag het meisje haar ernstig aan en vroeg: “Wat hebt gij met mijne mama gedaan?”—“God[13]beware de arme kleine!” riep Richards uit. “Welk eene treurige vraag! Ik gedaan? Niets, jonge jufvrouw!”—“Wat hebben zij met mijne mama gedaan?” vroeg het kind.—“Nog nooit heb ik iets zoo aandoenlijks gezien,” zeide Richards, die zeer natuurlijk voor dit kind een van hare eigene in de plaats stelde, dat in dergelijke omstandigheden naar haar vroeg. “Kom naderbij, lieve juffer! Wees niet bang voor mij.”—“Ik ben niet bang voor u,” zeide het meisje, naderbij komende. “Maar ik wil weten, wat zij met mijne mama gedaan hebben.”—“Liefje!” antwoordde Richards, “gij draagt die mooie zwarte jurk tot gedachtenis van uwe mama.”—“Ik kan wel aan mama denken, met eene andere jurk aan,” zeide het kind, terwijl het tranen in de oogen kreeg.—“Maar men draagt zwarte kleeren, om aan menschen te denken als zij niet meer hier zijn.”—“Niet meer hier? Waar dan?” vroeg het meisje.—“Kom eens bij mij zitten, dan zal ik u eene geschiedenis vertellen,” antwoordde Richards.

Snel begrijpende, dat de vertelling het antwoord op hare vraag zou moeten zijn, legde Florence het hoedje neder, dat zij tot nog toe in hare hand had gehouden, ging op een voetbankje dicht bij de min zitten, en zag deze vragend aan.

“Eens op een tijd,” zeide Richards, “was er eene mevrouw—eene heel goede mevrouw—die een dochtertje had, dat heel veel van haar hield.”—“Eene heel goede mevrouw en een dochtertje, dat heel veel van haar hield,” herhaalde het meisje.—“En toen God het goed achtte, dat het zoo wezen moest, werd zij ziek en stierf.”

Het kind huiverde.

“Zij stierf, om nooit weer door iemand op de wereld gezien te worden, en zij werd begraven in den grond, waar de boomen groeien.”—“In den kouden grond?” zeide het meisje, wederom huiverende.—“Neen, in den warmen grond,” antwoordde Polly, van deze vraag spoedig gebruik makende, “waarin de leelijke kleine zaadjes in mooie bloemen veranderen, en in gras en koorn, en ik weet niet wat al meer. Waarin goede menschen in schoone engelen veranderen, en dan opstijgen naar den hemel.”

Het meisje, dat haar hoofdje had laten zinken, hief het weder op, en bleef haar aandachtig aanzien.

“Wacht, laat mij zien!” zeide Polly, eenigszins van haar stuk gebracht door dien uitvorschenden blik, bij haar verlangen om het kind te troosten, den onverwachten indruk van hare woorden, en haar zeer gering vertrouwen op hare eigene krachten. “Zoodat, wilde ik zeggen, toen die mevrouw stierf, waar zij haar ook mogen gelegd hebben, zij ging tot God—en zij bad hem, dat deed zij,” vervolgde Polly, zelve zeer aangedaan, want zij was hartelijk in ernst, “haar dochtertje te leeren om daarvan in haar hart verzekerd te zijn, en te weten, dat zij gelukkig was en haar nog liefhad, en te hopen en te trachten—o, haar leven lang—om haar daar eens te ontmoeten, en dan nooit, nooit weder te scheiden.”—“Dat was mijne mama!” riep het meisje uit, terwijl zij opsprong en hare armen om Polly’s hals sloeg.—“En het hart van het kind,” vervolgde Richards, terwijl zij Florence aan hare borst drukte, “was zoo vol van de waarheid hiervan, dat, toen zij het hoorde van eene vreemde min, die het haar niet eens goed kon zeggen, maar zelve eene arme moeder was, anders niets,—dat zij er toen troost in vond—en zich niet zoo eenzaam gevoelde—en schreide aan hare borst—en het kindje lief kreeg, dat op haar schoot lag;—en zoo is het, zoo is het, arm lief kind!” zeide Polly, terwijl zij de lokken van het meisje gladstreek en hare tranen daarop afdruppelden.—“Zoo, jonge juffer! zal uw papa daar nu niet boos om zijn?” riep eene schelle stem aan de deur. Het was die van een meisje van veertien jaren, dat, hoewel zij klein van gestalte was, toch reeds bijna het voorkomen eener volwassene vrouw had, met eene bruine kleur, een wipneusje, en oogen zoo zwart als kralen. “Het was immers uitdrukkelijk belast, dat gij de min niet mocht gaan lastig vallen?”—“Zij valt mij niet lastig,” was het verwonderde antwoord van Polly. “Ik houd heel veel van kinderen.”—“O, neem mij niet kwalijk, jufvrouw Richards! maar dat doet er niet toe,” hervatte het meisje, een scherp en vinnig nest. “Misschien houd ik veel van krakelingen, maar daarom spreekt het nog niet van zelf, dat ik ze bij de thee hebben zal.”—“Nu, goed, het komt er niet op aan,” was het antwoord.—“Maar gij weet toch wel, dat de jonge juffer onder mij staat, en de jonge heer onder u.”—“Maar wij behoeven daarom toch geen twist te maken,” zeide Polly.—“O neen,” hervatte het vinnige ding, dat eigenlijk Susanna Nipper heette. “Dat behoeft niet, want Florence is eene vaste plaats, en Paul maar voor behulp.” Het meisje scheen gewoon te zijn om alles zooveel mogelijk in één adem te zeggen.—“Jonge juffer Florence is zeker pas thuis gekomen, niet waar?” vroeg Polly.—“Ja, dat is zij, jufvrouw Richards, en ziedaar, jonge juffer! eer gij een kwartier in het huis zijt geweest, gaat gij uw nat gezicht tegen het dure rouwkleed wrijven, dat jufvrouw Richards voor uwe mama draagt.” Met deze bestraffing rukte Susanna het kind tamelijk ruw van Polly af. Zij scheen dit echter meer te doen uit overdreven ijver in het waarnemen van haar post, dan uit opzettelijke boosheid.—“Zij zal wel blij wezen, dat zij thuis is en van avond weder bij haar lieven papa komt,” zeide Polly, het kind met een bemoedigenden[14]glimlach toeknikkende.—“Heere, jufvrouw Richards!” viel Susanna hierop in. “Spreek toch zoo niet! Bij haar papa komen? Wel waarlijk! Ik zou wel eens willen zien, dat zij het deed!”—“Zou zij dan niet?” vroeg Polly.—“Wel Heere neen, jufvrouw Richards! Haar papa is veel te veel verdiept in iemand anders, en voordat er iemand anders was, om zich in te verdiepen, was zij toch niet veel in gunst. Meisjes zijn hier in huis zoo goed als weggegooid, jufvrouw Richards! Dat kan ik u verzekeren.”

Het meisje zag snel van de eene naar de andere zijde, alsof zij wel begreep en gevoelde wat er gezegd werd.

“Gij verbaast mij!” riep Polly uit. “Heeft mijnheer Dombey haar dan niet gezien, sedert …”—“Neen,” viel Susanna haar in de rede “geene enkele maal, en vóór dien tijd had hij haar ook in maanden nauwelijks onder de oogen gehad, en ik geloof niet, dat hij haar voor zijn eigen kind zou gekend hebben, als hij haar op straat had ontmoet, of haar voor zijn eigen kind kennen zou, als hij haar morgen daar tegenkwam. Wat mij betreft, jufvrouw Richards!” voegde zij er lachende bij, “ik twijfel of hij wel weet, dat ik in de wereld ben.”—“En toch zoo lief!” zeide Polly, waarbij zij niet Susanna, maar de kleine Florence op het oog had.—“O, ik kan u verzekeren, dat er een bullebak te vinden is, geen honderd uren van deze plek, jufvrouw Richards!” liet Susanna daarop volgen. “En nu wensch ik u goeden morgen. Kom, Florence! ga nu mede, en laat u zoo niet slepen, als eene stoute meid, die van God noch zijn gebod weet.”

In weerwil van deze toespraak echter, en in weerwil dat Susanna haar rechterarm bijna uit het lid trok, rukte Florence zich los, om hare nieuwe vriendin een hartelijken kus te geven.

“Goedendag,” zeide het meisje. “God zegene u! Ik zal spoedig weder bij u komen, en gij ook bij mij. Suze zal het ons wel toelaten; niet waar, Suze?”

Het vinnige dingetje scheen toch over het geheel niet kwaad te zijn, hoewel zij onder die kindermeisjes behoorde, die schijnen te begrijpen, dat kinderen geschud moeten worden, als een zakje met geld, dat men blinkend wil houden; want op deze toespraak, die met eenige aanhalige liefkoozingen vergezeld was, sloeg zij hare korte armen over elkander, en gaf, terwijl zij haar hoofd schudde, hare zwarte, altijd wijd openstaande oogen eene zachtere uitdrukking.

“Het is niet mooi van u, dat ge dat vraagt, Florence!” zeide zij, “want gij weet wel, dat ik u niets weigeren kan; maar jufvrouw Richards en ik zullen zien wat wij doen kunnen, als jufvrouw Richards wil, want, begrijpt ge, ik kan wel lust hebben, om eene reis naarChinate doen, jufvrouw Richards, en toch niet weten hoe ik hetLondenschedok uit zal komen.”

“Dit huis is juist zoo vroolijk niet,” vervolgde Susanna, “dat iemand meer alleen behoeft te blijven, dan wezen moet. Eene partij Tox’en en Chick’sen mogen mijne voorste tanden uittrekken; maar dat is geene reden, waarom ik mijn geheele gebit behoef te geven.”

Jufvrouw Richards gaf haar hierin wederom gelijk.

“Ik ben daarom wel genegen, om als goede vrienden te leven, jufvrouw Richards, zoolang de kleine Paul eene plaats voor u blijft, als wij er maar middel toe kunnen vinden, zonder te doen wat uitdrukkelijk verboden is. Maar goede hemel, Florence, gij hebt uw goed nog niet eens af, ondeugend kind! Kom terstond mede!”

Met deze woorden deed Susanna, in eene vlaag van ijver, een vinnigen aanval op het onder haar geweld staande kind, en trok het in eens de kamer uit.

In hare smart en verlatenheid was het meisje zoo zacht, stil en geduldig, zij bezat zooveel liefde, welke niemand het der moeite waard achtte zich toe te eigenen, en zulk een fijn gevoel, dat niemand zich ontzag te kwetsen, dat Polly het hart zeer deed, toen zij zich weder alleen bevond. Bij het eenvoudige tooneel, dat tusschen haar en het moederlooze kind had plaats gehad, was haar eigen moederlijk hart niet minder getroffen geweest dan dat van het meisje; en zij gevoelde evenals de kleine Florence, dat er van dit oogenblik af een band van vertrouwen en belangstelling tusschen haar beiden bestond.

In weerwil van het groote vertrouwen, hetwelk Toodle in zijne vrouw stelde, was zij hem echter in aangeleerde kundigheden misschien slechts zeer weinig vooruit. Doch zij was een eenvoudig en schoon voorbeeld van een gemoedsaard, welke over het geheel beter, oprechter, edeler en verhevener is dan die der mannen, en alle aandoeningen van teederheid, medelijden en zelfverloochende liefde veel lichter plaats geeft en veel verstandiger bewaart. En misschien, zoo onkundig als zij was, had zij toen reeds een licht van kennis voor Dombey kunnen doen opgaan, hetwelk hem dan niet op het laatst als een bliksemstraal zou getroffen hebben.

Maar dit is eene afdwaling van ons tegenwoordig onderwerp. Polly dacht er toen alleen aan om gebruik te maken van haar gunstigen indruk op Susanna, en een middel te verzinnen om de kleine Florence wettig en zonder muiterij bij haar te krijgen. Toevallig bood zich nog dien zelfden avond eene gelegenheid daartoe aan.

Zij was naar gewoonte gescheld om beneden[15]in het glazen kamertje te komen, en had daar reeds lang om en om gewandeld met den kleine in hare armen, toen, tot hare groote verwondering en ontzetting, Dombey eensklaps op haar toekwam en voor haar staan bleef.

“Goeden avond, Richards!”

Juist dezelfde stijve, strenge heer, als hij haar op dien eersten dag was voorgekomen, zoo barsch van uitzicht, dat zij, terwijl zij neeg, onwillekeurig hare oogen nedersloeg.

“Hoe gaat het met jongen heer Paul, Richards?”—“Heel wel en voorspoedig, mijnheer!”—“Zoo ziet hij er ook uit,” zeide Dombey, met een blik vol belangstelling op het gezichtje, dat zij voor hem ontdekte, terwijl hij toch half den schijn van onverschilligheid wilde aannemen. “Zij geven u al wat gij noodig hebt, hoop ik?”—“O ja, mijnheer! ik dank u.”

Na dit antwoord scheen zij echter zoo blijkbaar iets te verzwijgen, dat Dombey, die reeds weder wilde heengaan, zich omkeerde en haar vragend aanzag.

“Ik geloof dat niets zoo goed is om kinderen levendig en vroolijk te maken, mijnheer, dan dat zij andere kinderen om zich heen zien spelen,” zeide Polly, moed vattende.—“Ik meen u gezegd te hebben, Richards, toen gij hier kwaamt,” antwoordde Dombey, zijn voorhoofd rimpelende, “dat ik verlangde dat gij uwe familie zoo weinig mogelijk zien zoudt. Gij kunt voortwandelen, als het u belieft.”

Daarmede verdween hij in de andere kamer, en Polly had de voldoening van te gevoelen, dat hij haar geheel verkeerd begrepen had, en zij zich zijn ongenoegen had berokkend, zonder haar oogmerk eenigszins naderbij te komen.

Den volgenden avond vond zij hem in het glazen kamertje wandelen, toen zij beneden kwam. Toen zij, door dit ongewone gezicht verzet, bij de deur staan bleef, niet wetende of zij zou voortgaan of terugkeeren, riep hij haar binnen.

“Als gij inderdaad denkt, dat dit soort van gezelschap goed voor het kind is,” zeide hij scherp, alsof er geen tijd verloopen was sedert zij daarvan gesproken had, “dan is er immers jonge juffer Florence?”—“Niemand zou beter kunnen zijn dan jonge juffer Florence, mijnheer,” zeide Polly gretig: “maar ik heb van het meisje, dat haar oppast, gehoord, dat zij niet mochten …”

Dombey trok aan de schel en wandelde op en neer, tot er een bediende verscheen.

“Zeg hun, dat zij jonge juffer Florence altijd bij Richards moeten laten komen als zij verkiest, en met haar laten uitgaan, en zoo voort. Zeg hun, dat zij de kinderen bij elkander moeten laten, als Richards het verlangt.”

Het ijzer was nu heet, en Richards smeedde er stout op los. Zij had eene goede zaak voor, en was daarom stoutmoedig, hoewel zij instinctmatig bevreesd voor Dombey was. Zij verzocht, dat Florence nu terstond zou komen, om met haar broertje vriendschap te maken.

Zij hield zich, alsof zij met het kind speelde, terwijl de knecht met deze boodschap heenging; maar zij meende te zien, dat Dombey’s kleur verschoot, dat zijn gelaat eene geheel andere uitdrukking aannam, dat hij zich haastig omkeerde, als wilde hij herroepen wat hij gezegd had, of wat zij gezegd had, of wel wat zij beide gezegd hadden, en alleen door schaamte daarvan weerhouden werd.

En zij had gelijk. De laatste maal, dat hij zijne verwaarloosde dochter had gezien, was er in die droevige omhelzing tusschen haar en hare stervende moeder iets geweest, dat te gelijk eene openbaring en een verwijt voor hem was. Al mocht hij zich nog zoo verdiepen in den zoon, op wien hij zulk eene trotsche hoop had gebouwd, hij kon dit slottooneel niet vergeten. Hij kon niet vergeten, dat hij er geen deel aan gehad had; dat, in den gewijden kring van teederheid en trouw, die twee gedaanten in elkanders armen lagen gesloten, terwijl hij er buiten stond, en als een bloot aanschouwer toezag.

Buiten staat om deze dingen uit zijn geheugen te verdrijven, en om zich te ontslaan van zulke flauwe schemeringen der beteekenis, welke zij inhielden, als zich door den nevel van zijn trots voor hem konden zichtbaar maken, veranderde zijne vroegere onverschilligheid voor de kleine Florence in eene buitengewone soort van onrust. Het was hem bijna, alsof zij hem bespiedde en wantrouwde; alsof zij den sleutel had van iets geheims in zijne borst, waarvan hij zelf nauwelijks den aard kende; alsof zij eene aangeboren kennis had van eene knarsende, wanluidende snaar in zijn binnenste, en haar enkele adem die kon doen trillen.

Zijn gevoel voor het meisje was, van hare geboorte af, iets negatiefs geweest. Hij had nooit tegenzin voor haar opgevat; dat was hem niet de moeite waard geweest, of in den zin gekomen. Zij was nooit een positief onaangenaam voorwerp voor hem geweest. Maar nu was hij slecht op zijn gemak als hij aan haar dacht. Zij stoorde zijne rust. Hij had liever de gedachte, dat zij bestond, wel geheel op zijde willen schuiven, als hij maar geweten had hoe. Misschien—wie zal over zulke geheimen uitspraak doen?—was hij bevreesd, dat hij er eens toe komen zou om haar te haten.

Toen de kleine Florence schroomvallig aankwam, bleef Dombey stilstaan, om naar haar te zien. Indien hij met meer belangstelling en het oog van een vader had gezien, had hij in haar scherpen blik het verlangen en de vrees kunnen lezen, die haar deden aarzelen; het hartstochtelijke verlangen om naar hem toe te[16]loopen, zich aan hem vast te klemmen, en uit te roepen: “O vader! tracht mij toch lief te hebben; er is niemand anders!” de vrees om teruggestooten te worden, de vrees om te stout te wezen en hem te verstoren; hare medelijdenswaardige behoefte aan eenige geruststelling en aanmoediging, en hoe haar overkropt jeugdig hart rondzocht om eene natuurlijke rustplaats te vinden voor zijne smart en liefde.

Maar hij zag niets hiervan. Hij zag haar besluiteloos aan de deur blijven staan en naar hem kijken, en anders zag hij niets.

“Kom binnen,” zeide hij, “kom binnen. Waar is het kind bang voor?”

Zij kwam binnen, en nadat zij eene poos met onzekerheid had rondgezien, bleef zij bij de deur staan, hare handjes stijf tegen elkander drukkende.

“Kom hier, Florence!” zeide haar vader koel. “Weet ge wie ik ben?”—“Ja, papa!”—“Hebt gij niets tegen mij te zeggen?”

De tranen, die haar in de oogen stonden, toen zij die naar zijn gelaat opsloeg, werden bevrozen door de uitdrukking, die zich daarop vertoonde. Zij sloeg ze weer neder, en sloeg hare bevende hand uit.

Dombey nam die losjes in de zijne en bleef een oogenblik op haar nederzien, als wist hij even weinig als het kind wat hij zeggen of doen zou.

“Kom, wees een zoet meisje,” zeide hij, terwijl hij haar op het hoofd klopte en haar, als het ware steelsgewijze, met een onrustigen, twijfelenden blik aanzag. “Ga nu maar naar Richards.”

Zijn dochtertje aarzelde nog een oogenblik, als wilde zij nog bij hem blijven, of als had zij eene flauwe hoop, dat hij haar in zijne armen zou opnemen en een kus geven. Zij zag nog eens naar hem op. Hij dacht, hoezeer de uitdrukking van haar blik geleek naar dien, waarmede zij op dien avond naar den dokter had omgezien, liet onwillekeurig hare hand los, en keerde zich om.

Het was niet moeielijk op te merken, dat Florence zich in haar vaders bijzijn in een zeer ongunstig licht vertoonde. Zijne tegenwoordigheid was niet slechts een bedwang voor het gemoed van het meisje, maar zelfs voor de natuurlijke bevalligheid en vrijheid van hare bewegingen. Evenwel bleef Polly des te sterker bij haar voornemen, toen zij dit zag, en daar zij over Dombey naar zich zelve oordeelde, stelde zij veel vertrouwen in de stilzwijgende voorspraak van het rouwkleed der arme Florence. “Het zou wel ongelukkig wezen,” dacht zij, “dat hij maar met één moederloos kind veel zou ophebben, terwijl hij er nog een, en dat wel een meisje, voor zijne oogen heeft.”

Derhalve hield Polly haar voor zijne oogen, zoolang als zij kon, en wist met den kleinen Paul zoo om te springen, dat hij door het gezelschap van zijn zusje blijkbaar veel levendiger werd. Toen het tijd was om weder naar boven te gaan, had zij Florence wel naar de andere kamer willen zenden, om haar vader goedennacht te zeggen, maar het meisje was beschroomd en schoof achteruit; en toen zij haar nogmaals aanzette, hield zij hare handen voor hare oogen, als ware het om hare eigene onwaardigheid te verbergen, en zeide: “O neen, neen! Hij wil mij niet hebben. Hij wil mij niet hebben.”

Het kleine geschil tusschen de twee had Dombey’s aandacht getrokken, en hij vroeg van de tafel, waar hij bij zijn wijn zat, wat er te doen was.

“Jonge juffer Florence was bang dat zij u storen zou, mijnheer, als zij binnenkwam, om u goeden nacht te wenschen,” zeide Richards.—“Dat komt er niet op aan,” antwoordde Dombey. “Gij kunt haar laten komen en gaan, zonder op mij te letten.”

Het meisje huiverde, terwijl zij luisterde, en was weg eer hare nederige vriendin weder omzag.

Polly verheugde zich echter niet weinig over het gelukken harer welgemeende list, en over de behendigheid, waarmede zij die had uitgevoerd. Zij deelde alles aan Susanna mede, toen zij weder veilig boven verschanst zat. Deze nam echter dit bewijs van vertrouwen, alsmede het bericht van haar toekomstigen vrijen omgang, tamelijk koel op, en was lang niet uitgelaten in hare vreugdeblijken.

“Ik dacht, dat gij er mede in uw schik zoudt zijn geweest,” zeide Polly.—“O ja, jufvrouw Richards, ik ben ook in mijn schik, wel verplicht,” antwoordde Susanna, die zich eensklaps zoo stijf recht hield, dat zij eene balein meer in haar korset scheen gestoken te hebben.—“Gij toont het toch niet,” zeide Polly.—“O!” hervatte Susanna, “daar ik eene vaste plaats heb, kan men niet verwachten, dat ik het zoo toonen zal als iemand, die maar voor behulp is. Noodhulpen hebben hier alles voor, naar ik zie; maar hoewel er een goede muur tusschen dit huis is en dat naast aan, is het toch wel mogelijk, dat ik er niet graag naar toe wil gaan, jufvrouw Richards!”


Back to IndexNext