[Inhoud]VIII.PAUL’S VERDERE ONTWIKKELING EN KARAKTER.Onder de waakzame en oplettende oogen van den tijd—in zooverre een tweede majoor—veranderde de sluimer van den kleinen Paul langzamerhand van aard. Al meer en meer licht brak daarin door; hij werd door al duidelijker en duidelijker droomen gestoord. Eene gestadig toenemende menigte van voorwerpen en indrukken dwarrelde om hem heen, en zoo trad hij de eerste bewustelooze kindsheid uit, en werd hij een loopende, pratende, zich verwonderende Dombey.Na de ongenade en verbanning van Richards, werd de kinderkamer om zoo te zeggen aan eene commissie opgedragen gelijk een ministerie somtijds gedaan wordt, als men geen Atlas kan vinden die in staat is om het alleen te torschen. De commissarissen waren natuurlijk mevrouw Chick en jufvrouw Tox, die zich met zulk een[46]verbazenden ijver aan hare plichten toewijdden, dat majoor Bagstock dagelijks eene nieuwe herinnering aan zijne verlatenheid kreeg, terwijl mijnheer Chick, van alle huiselijk opzicht ontslagen, zich in de vermaken der wereld stortte, in clubs en koffiehuizen dineerde, bij drie verschillende gelegenheden naar tabak rook, alleen naar de komedie ging, kortom (gelijk mevrouw Chick hem eens zeide) zich van alle maatschappelijke en zedelijke verplichtingen losmaakte.Evenwel konden, in weerwil van hetgeen hij vroeger had beloofd, al deze waakzaamheid en zorg den kleinen Paul niet tot een voorspoedig kind maken. Misschien reeds zwak van gestel, begon hij, nadat zijne min was weggezonden, te kwijnen en te vermageren, en scheen hij lang slechts eene gelegenheid af te wachten om door de handen te glippen en zijne verlorene moeder te gaan opzoeken. Hij kwam wel op zijnsteeple-chasenaar den mannelijken leeftijd over dezen gevaarlijken grond heen, maar vond den rit toch nog moeielijk genoeg, en leed veel aanstoot van al de hindernissen in zijn ren. Elke tand was eene schutting waarover hij bijna den hals brak, ieder puistje, toen hij de mazelen kreeg, was een steenen muur voor hem. Bij elke vlaag van den kinkhoest stortte hij neer, en dan werd hij door een geheelen jachttroep van kleine ziekten overreden en vertrapt, die elkander op de hielen volgden om hem te beletten weder op te staan.De koude bij zijn doop was bij hem misschien op een gevoelig deel van zijn gestel gevallen, dat zich in de even koude schaduw van zijn vader niet weder kon herstellen; maar hij was van dien dag af een ongelukkig kind. Jufvrouw Wickam zeide dikwijls dat zij nog nooit een kind zoo sukkelig had gezien.Jufvrouw Wickam was de vrouw van een logementknecht—hetgeen met een ander mans weduwe zou schijnen gelijk te staan—welker aanzoek om bij Dombey in dienst te komen gunstig was opgenomen, daar het bijna onmogelijk scheen te zijn, dat zij iemand zou hebben, die haar naliep, of iemand om na te loopen; en die, een paar dagen nadat Paul zoo streng was gespeend, was aangesteld om hem op te passen. Jufvrouw Wickam was eene zachtzinnige vrouw, met eene blanke kleur, altijd eenigszins opgetrokken wenkbrauwen en een neerhangend hoofd, altijd gereed om zich zelve te beklagen of te laten beklagen, en anderen te beklagen; en die eene verwonderlijke natuurlijke gaaf had om alle dingen in een jammerlijk licht te beschouwen, en schrikkelijke voorbeelden daarvan aan te halen, en in de uitoefening van dit talent den grootsten troost scheen te vinden.Het is bijna niet noodig aan te merken, dat geen zweem van deze eigenschap ooit de kennis van den statigen Dombey bereikte. Het zou wel opmerkelijk zijn geweest, als dit gebeurd was, terwijl niemand in huis—zelfs mevrouw Chick en jufvrouw Tox niet—hem had durven toefluisteren dat er ooit de minste reden was geweest om zich over den kleinen Paul ongerust te maken. Hij was het met zich zelven eens, dat het kind noodzakelijk zekere reeks van geringe ziekten moest doorloopen, en dat wel hoe eer hoe beter. Als hij hem had kunnen vrijkoopen, of een plaatsvervanger stellen, gelijk bij het trekken van een ongelukkig nommer voor de militie, zou hij dit gaarne gedaan hebben, zonder op geld te zien. Maar dewijl dit niet doenlijk was, verwonderde hij zich slechts nu en dan, op zijne hooghartige manier, wat de natuur toch daarmede wilde, en troostte hij zich met de gedachte dat men daarmede wederom een mijlsteen van den weg voorbij was, en het groote doel der reis zooveel nader was gekomen. Want het gevoel dat thans bij hem de overhand had en, naarmate Paul ouder werd, meer en meer toenam, was ongeduld. Ongeduld naar dien tijd in het verschiet, wanneer de droomgezichten hunner vereenigde grootheid zegevierend verwezenlijkt zouden worden.Sommige wijsgeeren zeggen ons dat zelfzucht de wortel van al onze aandoeningen, zelfs van de edelste liefde is. Dombey’s jongste kind was hem, van den eersten af, zoo duidelijk om die reden gewichtig, dewijl het een deel van zijne eigene grootheid, of (hetgeen hetzelfde is) van de grootheid van Dombey en Zoon was, dat het niet te betwijfelen is of men had voor zijne vaderlijke genegenheid, gelijk voor menig fraai gebouw van weidschen naam, een zeer lagen grondslag kunnen opsporen. Maar hij had zijn zoon toch lief met al de liefde die hij had. Indien er in zijn bevroren hart een warm plekje was, had zijn zoon het in bezit; indien de harde oppervlakte van dat hart den indruk van eenig beeld kon ontvangen, stond daar het beeld van zijn zoon; hoewel niet zoozeer als kind, of knaap, maar als volwassen man—als de “Zoon” der firma. Daarom was hij ongeduldig om de toekomst te bereiken en over de tusschenkomende toevalligheden heen te snellen. Daarom was hij, in weerwil van zijne liefde, daarover weinig of niet ongerust; want het was hem alsof het kind een betooverd leven had en de manmoestworden, met wien hij in zijne gedachten reeds gestadig omging, en voor wien hij dagelijks plannen en ontwerpen maakte, alsof hij reeds werkelijk bestond.Zoo werd Paul bijna vijf jaren oud. Hij was een aardig knaapje, hoewel zijn smal gezichtje iets schraals en scherps had, dat jufvrouw Wickam dikwijls veelbeteekenend het hoofd deed schudden. Zijn humeur gaf overvloedige beloften dat het op later leeftijd heerschzuchtig zou zijn; en hij had zulk een duidelijk begrip van[47]zijn eigen gewicht en van het rechtmatige, dat alle andere dingen en personen hem dienstbaar en onderworpen moesten zijn, als eenig hart kon verlangen. Hij was somtijds kinderlijk en speelziek genoeg, en niet stug van aard; maar somtijds had hij ook eene vreemde, oudmannetjesachtige manier om in zijn leuningstoeltje te zitten peinzen, en dan zag hij er uit (en zoo praatte hij ook) als een van die schrikkelijke wezentjes in de tooversprookjes, die, al zijn zij honderd vijftig of tweehonderd jaren oud, nog het fantastische beeld vertoonen van de kinderen waarvoor zij verruild zijn. Dikwijls kreeg hij zulk eene vlaag boven op de kinderkamer; en somtijds kwam hij er plotseling toe, met den uitroep dat hij moe was, zelfs terwijl hij met Florence speelde of met jufvrouw Tox paardje reed. Maar nooit kwam hij er zoo zeker toe, als wanneer hij, met zijn stoeltje naar zijn vaders kamer gebracht, daar met dezen na den maaltijd bij het vuur zat. Zij waren op zulk een tijd het zonderlingste paar, dat ooit door een vuur is beschenen. Dombey, zoo statig rechtop naar de vlam starende; zijn klein afbeeldsel, met een oud, oud gezichtje en met de strakke aandacht van een peinzend wijsgeer in den rooden gloed turende. Dombey hield zich met ingewikkelde wereldsche plannen en berekeningen bezig,—zijn klein afbeeldsel met, de hemel weet welke, grillige verbeeldingen, halfgevormde gedachten en ongeregelde bespiegelingen. Dombey stijf van stijfsel en eigenwaan, zijn klein afbeeldsel even stijf bij erfenis en door onwillekeurige nabootsing. Die twee zoozeer aan elkander gelijk, en toch zulk een verbazend contrast.Bij een dezer gelegenheden, toen zij beiden langen tijd hadden stilgezwegen, en Dombey alleen wist dat het kind wakker was door het nu en dan naar de oogen te kijken, waarin het heldere vuur flonkerde als een juweel, verbrak kleine Paul aldus de stilte:“Papa, wat is geld?”Deze onverwachte vraag stond in zulke onmiddellijke betrekking met Dombey’s eigene gedachten, dat hij er geheel door van zijn stuk raakte.“Wat geld is, Paul?” antwoordde hij. “Geld?”—“Ja,” zeide het kind, zijne handjes op de armleuningen van zijn stoeltje leggende en met zijn oud gezichtje naar Dombey opziende; “wat is geld?”Dombey bevond zich in verlegenheid. Hij had hem gaarne eene opheldering willen geven, waarin van de verschillende ruilmiddelen, edele metalen, munt, papier, wisselkoers, en zoo voort, melding moest gemaakt worden; maar naar het stoeltje kijkend, en ziende hoever omlaag dat nog was, antwoordde hij: “Goud zilver en koper. Guinjes, schellingen en stuivers. Gij weet immers wel wat die zijn!”— “O ja, ik weet wel wat die zijn,” zeide Paul; “maar dat meen ik niet papa. Ik meen, wat is eigenlijk geld?”Hemel en aarde, hoe oud was het gezichtje, waarmede hij weder naar zijn vader opzag!“Wat eigenlijk geld is?” zeide Dombey, zijn stoel wat achteruitschuivende, om vol verbazing het verwatene wezentje, dat zulk eene vraag deed, te beter aan te zien.—“Ik meen, papa, wat kan het doen?” hervatte Paul, zijne armpjes over elkander slaande (die nauwelijks lang genoeg waren om over elkander te slaan), terwijl hij eerst naar het vuur en toen naar hem, en weder naar het vuur en weder naar hem opkeek.Dombey schoof zijn stoel weder bij en klopte hem op het hoofd. “Dat zult ge door den tijd wel beter leeren, manneke,” zeide hij. “Geld, Paul, kan alles doen.” Hij vatte het lichte handje en tikte er zacht mede op zijne eigene hand terwijl hij dit zeide.Maar Paul trok zoo gauw hij kon zijne hand los, en die op de armleuning van zijn stoeltje wrijvende, alsof zijn verstand in de palm zat en hij het wilde slijpen, en wederom naar het vuur kijkende, alsof het vuur de raadsman was die hem zijne vragen influisterde, zeide hij, na een poosje bedenkens:“Alles, papa?”—“Ja—nagenoeg,” zeide Dombey.—“Alles,” herhaalde de kleine nog eens bij zich zelven. Het beperkende bijvoegsel had hij niet opgemerkt, of misschien niet begrepen, en vervolgde toen hardop. “Waarom heeft het geld dan mijne mama niet gered? Het is immers niet boosaardig, niet waar?”—“Boosaardig!” zeide Dombey, zijne das verschuivende, en eenigszins verstoord, naar het scheen, over zulk een denkbeeld. “Neen. Iets goeds kan niet boosaardig wezen.”—“Als het iets goeds is en alles kan doen,” zeide de kleine peinzend en weder naar het vuur kijkende, “dan verwondert het mij, dat het mijne mama niet heeft gered.”Ditmaal was dit geene vraag, die hij tot zijn vader richtte. Misschien had hij, met de schranderheid van een kind, gezien dat hij dezen reeds verdrietig had gemaakt. Maar hij herhaalde de gedachte overluid, alsof zij iets zeer ouds voor hem was en hem reeds dikwijls had lastig gevallen; en bleef met de kin in de hand zitten kijken en peinzen, alsof hij in het vuur eene opheldering zocht.Toen Dombey zich van zijne verrassing, om niet te zeggen van zijn schrik had hersteld (want het was de eerste maal dat het kind van zijne moeder tot hem sprak, schoon hij het avond aan avond evenzoo naast hem had zien zitten) verklaarde hij Paul hoe het geld, schoon een machtige geest, en waarvan men vooral geen kwaad moest spreken, geene menschen in leven kon houden, voor wie de tijd gekomen[48]was om te sterven; en hoe wij allen moeten sterven, ongelukkig zelfs in deCity, hoe rijk wij ook zijn. Maar hoe het geld ons geëerd, gevreesd, geacht, gediend en gevierd deed worden, en ons in de oogen van alle menschen machtig en aanzienlijk maakte, en hoe het zelfs dikwijls den dood zeer lang kon weghouden. Hoe het, bij voorbeeld, zijne mama de diensten van mijnheer Pilkins had verschaft, waarvan Paul zelf ook dikwijls nut had gehad; zoo mede van den grooten dokter Parker Peps, dien hij nooit gekend had. Hoe het alles kon doen wat maar te doen was. Dit alles, en nog meer van dien aard, prentte Dombey zijn zoon in den geest, die aandachtig luisterde en het meeste van hetgeen hem gezegd werd zeer wel scheen te verstaan.“Het kan mij ook niet sterk en heelemaal gezond maken, niet waar papa; kan het wel?” zeide Paul na eene korte poos van stilte, zijne magere handjes wrijvende.—“Wel, gij zijt immers sterk en geheel gezond,” antwoordde Dombey. “Zijt ge niet?”O, hoe oud was het gezichtje dat naar hem opzag, en met eene uitdrukking half van treurigheid, half van slimheid daarin!“Ge zijt immers zoo sterk en gezond als zulke kleine jongens gewoonlijk zijn? He?” zeide Dombey.—“Florence is ouder dan ik, maar ik ben niet zoo gezond en sterk als Florence, dat weet ik wel,” antwoordde het kind; “en ik geloof, dat, toen Florence zoo klein was als ik, zij veel langer achtereen kon spelen zonder moe te worden. Ik ben somtijds zoo moe,” zeide kleine Paul, zijne handjes warmende, en tusschen de traliën van den haard kijkende, alsof daar een spookachtig poppenspel werd vertoond, “en mijn gebeente doet dan zoo zeer (jufvrouw Wickam zegt, dat het mijn gebeente is) dat ik niet weet wat ik doen zal.”—“Ja, maar dat is ’s avonds,” zeide Dombey, zijn stoel dichter bij dien van zijn zoon schuivende, en hem de hand zacht op den rug leggende, “kleine jongens moeten ’s avonds moe zijn, want dan slapen zij goed.”—“O, het is niet ’s avonds, papa,” antwoordde het kind; “het is overdag; en dan ga ik op Florence’s schoot liggen, en dan zingt zij voor mij. En des nachts droom ik van zulke won-der-lijke dingen.”En hij bleef zijne handjes zitten warmen en peinzen, gelijk een oud manneke of een jong kaboutertje.Dombey was zoo verbaasd, en zoo slecht op zijn gemak, en zoo verlegen hoe hij het gesprek zou voortzetten, dat hij niets kon doen dan zijn zoon in het schijnsel van het vuur te blijven aanzien, met de hand nog op zijn rug, alsof die daar door eene magnetische aantrekking werd vastgehouden. Eens stak hij zijne andere hand uit en lichtte hij even het peinzende gezichtje naar het zijne op. Maar zoodra hij het losliet, zocht het wederom het vuur; en zoo bleef Paul zitten, naar de flikkerende vlam gekeerd, tot zijne oppasster kwam om hem naar bed te halen.“Ik wil dat Florence mij komt halen,” zeide Paul.—“Wilt ge dan niet met uwe goede jufvrouw Wickam meegaan, jonge heer Paul?” zeide deze jufvrouw zeer aandoenlijk,—“Neen, ik wil niet,” antwoordde Paul, en zette zich weder te recht op zijn stoeltje, alsof hij in huis heer en meester was.Met eene zegenspraak over zijne onnoozelheid, ging jufvrouw Wickam heen, en kort daarop verscheen Florence. Paul sprong terstond vlug en gewillig overeind, en hief, om zijn vader goedennacht te zeggen, een gezichtje op, zooveel helderder, zooveel jonger, over het geheel zooveel kinderlijker, dat Dombey door die verandering in groote mate gerustgesteld, er tevens zeer verbaasd over was.Toen zij te zamen de kamer uit waren, meende hij eene zachte stem te hooren zingen: en zich herinnerende hoe Paul gezegd had dat zijne zuster voor hem zong, had hij de nieuwsgierigheid om de deur te openen, hen na te zien en te luisteren. Zij zwoegde de breede holle trap op, met Paul in hare armen; zijn hoofdje lag op haar schouder, en een van zijne armpjes was om haar hals geslagen. Zoo tobden zij voort, zij den geheelen weg over zingende, en Paul somtijds flauw neuriënde om met haar mee te doen. Dombey zag hen na tot zij boven aan de trap waren gekomen—niet zonder onderweg eens te staan rusten—en uit zijne oogen verdwenen. Toen bleef hij nog naar boven staan kijken, tot de bleeke stralen der maan, die met eene treurige schemering door de traplantaarn vielen, hem weder naar zijne kamer deden gaan.Mevrouw Chick en jufvrouw Tox werden des anderen daags tot eene raadsvergadering aan het diner geroepen; en toen de tafel was afgenomen, opende Dombey de handelingen door te verzoeken, dat men hem zonder eenige terughouding of bewimpeling zou onderrichten, of Paul iets scheelde en wat mijnheer Pilkins van hem zeide.Luisterende naar de zee. (blz. 55).Luisterende naar de zee.(blz. 55).“Want het kind is wel niet zoo stevig,” zeide Dombey, “als ik kon wenschen.”—“Met uwe gewone scherpzinnigheid, mijn beste Paul,” antwoordde mevrouw Chick, “hebt gij het in eens juist getroffen. Onze lieveling is niet geheel zoo stevig als wij konden wenschen. De zaak is dat zijn geest hem te sterk is. Zijne ziel is veel te groot voor zijn lichaam. Inderdaad, de manier waarop dat lieve kind praat,” vervolgde zij, haar hoofd schuddende, “zou niemand gelooven. Zijne uitdrukkingen, Lucretia, gisteren nog, over begrafenissen!—”—“Ik vrees,” viel Dombey haar netelig in de rede, “dat sommige van die lieden boven het kind op ongepaste onderwerpen[49]brengen. Hij sprak mij gisteravond van—van zijn gebeente,” zeide Dombey, een gramstorigen nadruk op dat woord leggende. “Wat op de wereld heeft iemand te maken met—met het gebeente van mijn zoon? Hij is toch geen levend geraamte, zou ik denken.”—“Verre van daar,” zeide mevrouw Chick, met onbeschrijfelijke kracht.—“Dat hoop ik ook,” hervatte haar broeder. “Dan weer—begrafenissen. Wie praat het kind van begrafenissen? Wij zijn toch geen aansprekers of doodgravers naar mij dunkt.”—“Verre van daar,” zeide mevrouw Chick op denzelfden toon als te voren.—“Wie brengt hem dan toch zulke dingen in het hoofd?” zeide Dombey. “Ik was er gisteravond waarlijk van ontzet. Wie brengt hem toch zulke dingen in het hoofd, Louise?”—“Mijn lieve Paul,” zeide mevrouw Chick, na een oogenblik van stilte, “dat behoeft eigenlijk niet gevraagd te worden. Ik denk niet, dat moet ik u oprecht zeggen, dat jufvrouw Wickam een heel opgeruimd mensch is, niet wat men zoo zou noemen …”—“Eene dochter van Momus,” gaf jufvrouw Tox haar zachtjes in bedenking.—“Juist zoo,” zeide mevrouw Chick. “Maar zij is heel oplettend en gewillig, en geheel niet eigenwijs; ik heb waarlijk nooit gezeggelijker mensch gezien. Als het lieve kind,” vervolgde mevrouw Chick, op een toon alsof zij de slotsom opmaakte uit iets waarover men het[50]te voren geheel eens was geworden, in plaats van het alles voor de eerste maal te zeggen, “door dien laatsten stoot wat verzwakt is, en geene zoo krachtige gezondheid heeft als wij wel konden wenschen; en als zijn gestel tegenwoordig wat zwak is, alsof hij nu en dan eene zekere lamheid schijnt te hebben in zijne.…”Mevrouw Chick was bang om beentjes te zeggen, daar Dombey pas getoond had zooveel tegen gebeente te hebben, en wachtte dus naar eene influistering van jufvrouw Tox, die, getrouw aan haar post, het woord “leedjes” waagde.“Leedjes?” herhaalde Dombey.—“Mij dunkt dat de dokter van morgen zijne beentjes noemde, deed hij niet, Louise?” zeide jufvrouw Tox.—“Wel zeker deed hij dat, lieve,” antwoordde mevrouw Chick, met zacht verwijt. “Hoe kunt ge mij dat vragen? Gij hebt het immers gehoord. Ik zeg, als onze lieve Paul nu en dan eene lamheid in zijne beentjes schijnt te hebben, dan zijn dat kleinigheden die vele kinderen op zijn ouderdom krijgen, en door geene zorg of voorzichtigheid zijn voor te komen. Hoe eer gij dat begrijpt en toestemt, beste Paul, des te beter.”—“Gij moet toch wel weten,” merkte Dombey aan, “dat ik uwe natuurlijke gehechtheid voor het toekomstig hoofd van mijn huis volstrekt niet betwijfel. Mijnheer Pilkins heeft Paul van morgen nog gezien, naar ik meen?”—“Ja,” antwoordde zijne zuster, “en jufvrouw Tox en ik zijn er bij geweest. Jufvrouw Tox en ik zijn er altijd bij. Wij maken daar eene wet van. Mijnheer Pilkins heeft hem al eene poos iederen dag gezien, en ik houd hem voor een heel knap man. Hij zegt dat het niets van beduiden is; en dat ik ook bevestigen kan, als dat eene gerustheid is; maar vandaag heeft hij de zeelucht aangeraden. Zeer verstandig, Paul, daarvan ben ik overtuigd.”—“De zeelucht,” herhaalde Dombey, zijne zuster aanziende.—“Daar is niets in om u ongerust te maken,” zeide mevrouw Chick. “Voor mijn George en Frederik is ook de zeelucht aangeraden toen zij zoo oud waren; en mij zelve is zij heel dikwijls aangeraden. Ik geef u volkomen toe, Paul, dat er boven misschien onvoorzichtig voor hem gesproken wordt van dingen, waarmede zijn kleine geest zich liever niet moest bezig houden; maar ik zie waarlijk niet hoe dat bij een kind van zijne schranderheid te verhelpen is. Als hij een gewoon kind was, zou er niets in steken. Ik moet zeggen, ik denk, met jufvrouw Tox, dat eene korte afwezigheid van huis, de lucht vanBrighton, en het lichamelijk en geestelijk toezicht van zulk een zoo ervaren mensch als mevrouw Pipchin bij voorbeeld.…”—“Wie is mevrouw Pipchin, Louise?” vroeg Dombey, versteld over deze gemeenzame vermelding van een naam, dien hij nog nooit gehoord had.—“Mevrouw Pipchin, mijn beste Paul,” antwoordde zijne zuster, “is eene bejaarde dame—jufvrouw Tox kent hare geheele geschiedenis—die een tijd lang al de vermogens van haar geest, met het beste gevolg, aan de studie en de behandeling der kindsheid heeft gewijd, en zeer aanzienlijke relatiën heeft gehad. Haar man stierf van hartzeer over—waardoor hebt ge ook gezegd dat haar man van hartzeer gestorven is, lieve? De juiste omstandigheden zijn mij ontschoten.”—“Door het waterpompen uit de mijnen vanPeru,” antwoordde jufvrouw Tox.—“Niet dat hij zelf pomper is geweest, natuurlijk,” zeide mevrouw Chick, zich weder naar haar broeder keerende; en waarlijk scheen deze opheldering niet overbodig, want jufvrouw Tox sprak alsof hij met de hand aan den pompslinger was gestorven, “maar omdat hij geld in die speculatie had gestoken, die geheel en al mislukte. Ik geloof dat mevrouw Pipchin met kinderen verbazende dingen weet te doen. Ik heb haar hooren prijzen—Heere, hoe hoog!” Hare oogen zwierven naar de buste van Pitt op de boekenkast, die omtrent tien voet van den grond was.—“Misschien moet ik van mevrouw Pipchin zeggen, mijnheer,” liet jufvrouw Tox, met een zedig blosje, hierop volgen, “daar men zich zoo uitdrukkelijk op mij heeft beroepen, dat de lof, dien uwe lieve zuster haar gegeven heeft, welverdiend is. Vele heeren en dames, die nu tot interessante leden der maatschappij zijn opgegroeid, hebben veel aan hare zorgen te danken gehad. De nederige persoon, die nu met u spreekt, was eens onder hare hoede. Ik geloof zelfs dat de jeugdige adel haar etablissement niet vreemd is.”—“Moet ik dan begrijpen dat die achtenswaardige dame een etablissement houdt, jufvrouw Tox?” vroeg Dombey goedgunstig.—“Wel, ik weet waarlijk niet of ik het wel zoo behoor te noemen,” antwoordde de dame. “Het is geene bewaarschool—geheel niet. Ik zou mijne meening best uitdrukken,” zeide jufvrouw Tox, met bijzondere lieftalligheid, “als ik het eenboarding-housevoor kinderen noemde, van zeer uitgelezene soort.”—“Voor een zeer beperkten kring en op een kostbaren voet ingericht,” zeide mevrouw Chick, met een blik naar haar broeder.—“O ja, zeer exclusief,” zeide jufvrouw Tox.Dit was iets van belang. Dat mevrouw Pipchin’s echtgenoot van hartzeer over de mijnen vanPeruwas gestorven was goed. Het had een rijken klank. Bovendien ijsde Dombey van de gedachte om Paul nog een uur lang te laten blijven waar hij was, nadat een geneeskundig persoon had aanbevolen hem te doen verhuizen. Dit was een stilstaan en dralen op den weg, dien het kind nog moest afleggen eer het doel bereikt werd, dat toch nog ver genoeg af was. Dat de twee dames mevrouw Pipchin zoo roemden, rekende hij van veel gewicht; want hij wist dat zij ijverzuchtig waren op elke[51]vreemde bemoeiing met het kind, en hij dacht er niet aan, dat zij misschien verlangend waren om eene verantwoordelijkheid waaromtrent hij zijne eigene vaste begrippen had, met iemand anders te deelen. “Van hartzeer over de mijnen vanPerugestorven,” peinsde Dombey. “Wel! eene zeer fatsoenlijke manier van sterven.”“Als wij nu, na morgen navraag te hebben gedaan, besloten om Paul naarBrightonbij die dame te zenden, wie zou dan met hem meegaan?” vroeg Dombey na eenig bedenken.—“Ik geloof niet dat gij het kind tegenwoordig ergens heen zoudt kunnen zenden zonder Florence, mijn beste Paul,” zeide zijne zuster aarzelend. “Hij is geheel verzot op haar. Hij is nog heel jong, weet ge, en heeft zijne kuurtjes.”Dombey keerde zijn hoofd om, ging langzaam naar de boekenkast, opende die en haalde een boek om te lezen.“Iemand anders, Louise?” zeide hij, zonder op te zien, en terwijl hij de bladen omsloeg.—“Jufvrouw Wickam natuurlijk. Die is volkomen voldoende, zou ik denken,” antwoordde zijne zuster. “Daar Paul in zulke handen komt, als die van jufvrouw Pipchin, kunt gij bezwaarlijk iemand zenden, die haar eenigszins de wet zou stellen. Gij zoudt zelf ten minste eens in de week daarheen gaan, natuurlijk.”—“Natuurlijk,” zeide Dombey, en zat daarna een uur lang op een blad te kijken, zonder een woord te lezen.Deze vermaarde mevrouw Pipchin was eene verbazend leelijke oude vrouw, met een krommen rug, een geplekt gezicht, gelijk slecht marmer, een haviksneus, en harde grijze oogen, die er uitzagen alsof zij op een aanbeeld konden gehamerd worden zonder eenige schade te lijden. Veertig jaren, ten minste, waren verloopen, sedert de mijnen vanPeruden heer Pipchin den dood hadden berokkend; maar zijne weduwe droeg nog zwart merinos, van zulk eene doffe, doodsche tint, dat des avonds het gas zelfs haar niet kon verlichten. Men zeide algemeen dat zij bijzonder goed met kinderen wist om te gaan; en het geheim harer behandeling was, hun alles te geven dat hun niet beviel en niets dat hun wel beviel—hetgeen bevonden werd dat hen veel zoeter maakte. Zij was zoo bitter, boos en hatelijk, dat men in verzoeking kwam om te gelooven, dat de machinerie der Peruaansche pompen eigenlijk verkeerd had gewerkt, en alle menschelijkheid en vroolijkheid uit haar gemoed had gepompt, in plaats van het water uit de mijnen.Het Kasteel van deze wildevrouw en kinderentemster stond in eene steile achterstraat vanBrighton; waar de grond meer dan gewoonlijk kalkachtig, steenachtig en dor was, en de huizen meer dan gewoonlijk dun en wrak gebouwd waren; waar de tuintjes daar voor de onverklaarbare eigenschap hadden om niets anders dan paardenbloemen voort te brengen, wat er ook in mocht gezaaid worden, en waar men gedurig slakken aan de straatdeuren zag kleven. In den winter kon men de lucht niet uit het Kasteel krijgen, en in den zomer er niet in. Er was zulk een gedurig gesuis van den wind in, dat het eveneens klonk als een groote zeehoorn, en de bewoners nacht en dag de ooren moesten dicht houden. Van zelf had het huis geen frisschen reuk, en voor het venster der voorkamer, dat nooit werd opengezet, hield mevrouw Pipchin eene verzameling van planten in potten, waardoor het etablissement eene eigenaardige lucht kreeg. Deze planten, hoe keurig ook in hare soort, waren bijzonder uitgekozen om eene vrouw als mevrouw Pipchin tot verlustiging te strekken. Een half dozijn daarvan waren cactussen, die zich als harige slangen om een stokje kronkelden; eene andere soort schoot klauwen uit, gelijk eene groene kreeft; verscheidene kruipende planten, die kleverige bladeren hadden, welke zich aan alles vastplakten; en één hatelijke bloempot, die aan den zolder hing en scheen over te koken om de menschen daaronder met de lange groene einden te kriewelen, welke hen aan spinnekoppen deden denken—waarvan de woning van mevrouw Pipchin ongemeen rijkelijk voorzien was, hoewel zij zich misschien, in het rechte seizoen, nog meer op een buitengewonen overvloed van oorwormen kon beroemen.Daar mevrouw Pipchin echter een hoog kostgeld eischte, en de gelijkmatige zuurheid van haar humeur zeer zelden voor iemand verzachtte, werd zij voor eene oude dame van een bijzonder vast karakter gehouden, die eene wetenschappelijke kennis van het gestel en den aard van kinderen bezat. Deze naam en het hartzeer waaraan mijnheer Pipchin gestorven was, hadden haar geholpen sedert den dood van haar man, het eene jaar door het ander gerekend, een vrij ruim bestaan te verkrijgen. Binnen de drie dagen nadat mevrouw Chick voor het eerst van haar had gesproken, had deze brave oude vrouw het genoegen om eene aanmerkelijke vermeerdering harer loopende ontvangsten uit den zak van Dombey te gemoet te zien, en Florence en haar broertje Paul als bewoners van haar kasteel te ontvangen.Mevrouw Chick en jufvrouw Tox, welke de kinderen den vorigen avond hadden gebracht (des nachts hadden zij in een logement geslapen) waren juist van de deur gereden, en mevrouw Pipchin stond, met den rug naar het vuur, gelijk een oud officier de recruten te inspecteeren. Mevrouw Pipchin’s nicht, eene juffer van middelbare jaren, hare welwillende en getrouwe slavin, maar stroef en strak van uitzicht[52]en zeer geplaagd met zwellingen van den neus, ontdeed den jongen heer Bitherstone van den schoonen kraag, dien hij op de parade had gedragen. Jonge jufvrouw Pankey, op het oogenblik het eenige andere logeetje, was juist naar den kerker gebracht (eene ledige kamer achter in huis, eene plaats van tuchtiging en boete) omdat zij in het bijzijn der vreemde dames driemaal gesnuffeld had.“Wel, jonge heer,” zeide mevrouw Pipchin tot Paul, “hoe denkt ge dat ik u bevallen zal?”—“Ik denk, dat ge mij geheel niet zult bevallen,” antwoordde Paul. “Ik wil weg. Dit is mijn huis niet.”—“Neen. Het is mijn huis,” zeide mevrouw Pipchin hierop.—“Een heel leelijk huis,” antwoordde Paul.—“Maar er is toch eene kamer nog leelijker dan deze,” zeide mevrouw Pipchin. “waar wij stoute jongens opsluiten.”—“Ishijdaar wel geweest?” vroeg Paul, naar den kleinen Bitherstone wijzende.Mevrouw Pipchin knikte toestemmend; en Paul had het overige van den dag genoeg te doen om den kleinen Bitherstone van het hoofd tot de voeten te bekijken en op al de veranderingen van zijn gezicht te letten, met de belangstelling welke een kleine jongen moest opwekken, die ondervinding van schrikkelijke en geheimzinnige dingen had.Tegen één ure ging men aan den maaltijd, die voornamelijk uit meelkost en groenten bestond, als wanneer jonge jufvrouw Pankey (een nietig klein meisje, met blauwe oogen, dat elken morgen “geshampood” werd en gevaar scheen te loopen om geheel te worden weggewreven) door de wildevrouw zelve uit hare gevangenis gehaald en onderricht werd dat kinderen, die snuffelden als er menschen waren, nooit in den hemel kwamen. Toen deze groote waarheid haar wel was ingeprent, werd zij op rijst vergast, en daarna moest zij een dankgebedje opzeggen, dat in het Kasteel was voorgeschreven en waarin bijzondere melding werd gemaakt van dankbaarheid aan mevrouw Pipchin voor den goeden maaltijd. Mevrouw Pipchin’s nicht, Berinthia, at koud spek. Mevrouw Pipchin zelve, wier gestel warm voedsel vereischte, had voor zich alleen lamskarbonaden, die snikheet tusschen twee borden werden binnengebracht en zeer lekker roken.Daar het na den eten regende en zij niet op het strand konden gaan wandelen, en mevrouw Pipchin’s gestel na de lamskarbonaden rust vereischte, gingen zij met Berry (anders gezegd Berinthia) naar den kerker, eene ledige kamer, die op een blinden muur en eene waterton uitzag, en iets spookachtig akeligs had door een schoorsteen zonder haard er in. Door gezelschap verlevendigd, was deze kamer toch de pleizierigste; want Berry speelde hier met de kinderen en scheen met evenveel lust te stoeien als zij, totdat mevrouw Pipchin gramstorig tegen den muur klopte; toen hielden zij op en vertelde Berry hun sprookjes tot het begon te schemeren.Bij de thee had men overvloed van water en melk en brood met boter, benevens een zwart trekpotje voor mevrouw Pipchin en Berry, en geboterden toast voor mevrouw Pipchin alleen, wie deze versnapering, evenals de karbonaden, snikheet werd gebracht. Hoewel mevrouw Pipchin onder het gebruik dier lekkernij van buiten zeer vettig werd, scheen zij haar van binnen geheel niet te smeren, want zij bleef even stroef, en de harde grijze oogen bleven even droog.Na de thee kreeg Berry een naaikistje, met het koninklijke paviljoen op het deksel, en ging ijverig aan het naaien; terwijl mevrouw Pipchin, na haar bril opgezet en een groot boek, met groene stof bekleed, opgeslagen te hebben, begon te knikken. En wanneer mevrouw Pipchin bijna voorover in het vuur viel en met een schrik wakker werd, gaf zij den kleinen Bitherstone een knip op den neus omdat hij ook knikte.Eindelijk was het voor de kinderen tijd om naar bed te gaan, en na gebeden te hebben, werden zij weggebracht. Daar de jonge jufvrouw Pankey bang was om alleen in den donker te slapen, maakte mevrouw Pipchin er eene wet van om haar zelve als een schaap naar boven te drijven; en het was vervroolijkend te hooren hoe het meisje, nog lang naderhand, in de naargeestigste kamer van het huis lag te huilen, en mevrouw Pipchin nu en dan daarheen ging om haar te stompen. Tegen half tien kwam de geur van warm krentenbrood (mevrouw Pipchin’s gestel kon zonder dat niet in slaap komen) eene afwisseling brengen in den heerschenden reuk van het huis, dien jufvrouw Wickam zeide dat een “bouwlucht” was, en kort daarop lag het geheele kasteel in slaap gedompeld.Het ontbijt van den volgenden morgen geleek naar de thee van den vorigen avond, behalve dat mevrouw Pipchin een geraspt broodje, in plaats van toast gebruikte, en daarna nog wat neteliger scheen dan anders. De kleine Bitherstone las hardop een geslachtregister uit Genesis (met oordeel door mevrouw Pipchin uitgekozen) en werkte zich door de namen heen met de vlugheid en het gemak van iemand, die tegen een tredmolen opstrompelt. Dit gedaan zijnde, werd jonge jufvrouw Pankey weggebracht om “geshampood” te worden, en de kleine Bitherstone om zich iets anders met zeewater te laten doen, waarvan hij altijd zeer blauw en neerslachtig terug kwam. Paul en Florence gingen intusschen met jufvrouw Wickam (die gedurig in tranen was) op het strand wandelen; en tegen den middag liet mevrouw Pipchin de kinderen bij zich lezen. Daar het tot haar stelsel behoorde den geest van een kind niet aan te[53]moedigen om zich te ontwikkelen en te ontsluiten als eene jonge bloem, maar om dien veeleer als een oester met geweld open te breken, was de moraal van die leeslessen doorgaans van zeer forschen aard; daar de held—een stoute jongen—zelden (ook als het nog genadig met hem afliep) door iets geringers dan een leeuw of beer om hals werd geholpen.Dit was het leven bij mevrouw Pipchin. Des zaterdags kwam Dombey over en gingen Florence en Paul naar zijn logement op de thee. Zij sleten den geheelen zondag met hem, en gingen gewoonlijk voor den maaltijd uit rijden, en onder zulk een toertje scheen hij nog veel stijver en stroever te zijn dan anders. De zondagavond was de akeligste avond van de week, want mevrouw Pipchin scheen er eene wet van gemaakt te hebben om dan altijd bijzonder knorrig te zijn. De jonge jufvrouw Pankey werd doorgaans diep bedroefd van eene tante teRottendeanteruggebracht; en de kleine Bitherstone, wiens bloedverwanten allen inIndiëwaren, en die tusschen de kerktijden stijf rechtop met zijn hoofd tegen den muur in de voorkamer moest zitten, zonder hand of voet te bewegen, vond dit zoo onuitstaanbaar, dat hij Florence op een zondagavond eens vroeg, of zij hem niet den weg kon wijzen om weer naarBengalente komen.Men zeide echter algemeen, dat mevrouw Pipchin wel met kinderen te recht wist te komen, en dit was in zekeren zin ook waar. De wildste kinderen gingen, nadat zij eenige maanden onder haar gastvrij dak hadden vertoefd, mak genoeg naar huis. Men zeide ook algemeen dat het mevrouw Pipchin zeer tot eer strekte, dat zij zich aan deze levenswijs had gewijd, en haar gevoel zoo had weten te overwinnen en hare rampen zoo standvastig onder de oogen had gezien, toen haar man van hartzeer over de mijnen vanPeruwas gestorven.Naar deze voorbeeldige oude dame kon Paul in zijn leuningstoeltje bij het vuur blijven zitten staren, hoelang het ook duurde. Terwijl hij mevrouw Pipchin zoo strak aankeek, scheen hij niet te weten wat verveling was. Hij hield niet van haar; hij was niet bang voor haar; maar als hij in zulk eene stemming was, scheen zij eene groteske aantrekkingskracht voor hem te hebben. Daar zat hij dan haar aan te kijken, tot hij mevrouw Pipchin, wildevrouw als zij was, somtijds verlegen maakte. Eens vroeg zij hem, toen zij alleen waren, waar hij over dacht.“Over u,” zeide Paul, zonder de minste achterhoudendheid.—“En wat denkt gij over mij?” vroeg zij.—“Ik denk hoe oud gij moet wezen,” zeide Paul.—“Gij moet zulke dingen niet zeggen, jonge heer,” liet zij hierop volgen. “Dat behoort niet.”—“Waarom niet?” vroeg Paul.—“Omdat het niet beleefd is,” antwoordde mevrouw Pipchin snibbig.—“Niet beleefd?” zeide Paul.—“Neen.”—“Het is niet beleefd,” zeide Paul, geheel argeloos, “al de lamskarbonaden en toast op te eten, zegt jufvrouw Wickam.”—“Jufvrouw Wickam,” viel mevrouw Pipchin uit, eene kleur krijgende, “is eene onbeschaamde prij.”—“Wat is dat?” vroeg Paul alweer.—“Dat is buiten u, jonge heer,” antwoordde mevrouw Pipchin. “Denk maar aan de historie van den kleinen jongen die door een dollen stier werd dood gestooten omdat hij te veel vroeg.”—“Als de stier dol was,” zeide Paul, “hoe wist hij dan dat de jongen te veel gevraagd had? Niemand kan een dollen stier geheimen gaan influisteren. Ik geloof niet aan die historie.”—“Gelooft gij er niet aan?” riep mevrouw Pipchin met verbazing uit.—“Neen,” zeide Paul.—“Ook niet, als het nu eens een makke stier was geweest?” zeide mevrouw Pipchin.Daar Paul de zaak nog niet uit dit oogpunt had bezien, en zijne besluiten op de beweerde dolheid van den stier had gebouwd, liet hij zich daarmede vooreerst tot zwijgen brengen. Maar hij bleef er over zitten peinzen, met zulk een blijkbaar voornemen om mevrouw Pipchin zoo met een vast te zetten, dat zelfs deze geharde oude dame het voorzichtig achtte heen te gaan tot hij het geval vergeten had.Van dien tijd af scheen kleine Paul dezelfde zonderlinge aantrekkingskracht op mevrouw Pipchin uit te oefenen, als zij op hem deed. Zij liet hem zijn stoeltje aan denzelfden kant van het vuur zetten, in plaats van tegen haar over, en daar zat hij dan, in een hoekje tusschen mevrouw Pipchin en den haard, elke rimpel van haar gezicht te bestudeeren en in hare harde grijze oogen te turen, tot zij die somtijds liever maar dicht deed, en zich hield alsof zij was ingedut. Mevrouw Pipchin had eene oude zwarte kat, welke doorgaans voor den haard ineengerold, egoïstisch lag te spinnen, en naar het vuur te knipoogen, tot hare versmalde oogappels naar twee uitroepteekenen geleken. De goede vrouw had—het zij zonder oneerbiedigheid gezegd—wel eene heks kunnen zijn, en Paul en de kat hare twee gedienstige geesten, gelijk zij daar te zamen bij het vuur zaten. Het zou volmaakt met het voorkomen van dit gezelschapje gestrookt hebben, als zij allen eens op een avond bij een harden wind den schoorsteen waren ingevlogen, en men nooit weder iets van hen gehoord had.Dit gebeurde echter niet. De kat, Paul en mevrouw Pipchin waren na den donker bestendig op hunne gewone plaatsen te vinden; en Paul, het kameraadschap van den kleinen Bitherstone schuwende, bleef avond aan avond mevrouw Pipchin, de kat en het vuur bestudeeren, alsof zij een tooverboek in drie deelen waren.Jufvrouw Wickam verklaarde Paul’s zonderlingheden op hare eigene manier; en in hare[54]zwaarmoedigheid bevestigd door het uitzicht op eenige zwarte schoorsteenen, het aanhoudende geloei van den wind, in de kamer waar zij gewoonlijk zat, en de eentonigheid (narigheid was hare krachtige uitdrukking) van haar tegenwoordig leven, leidde zij uit de vermelde gegevens de akeligste gevolgen af. Mevrouw Pipchin was er zeer op uit om allen vertrouwelijken omgang tusschen hare meid en jufvrouw Wickam af te snijden, en besteedde dientengevolge veel tijd om achter eene deur verborgen op de wacht te staan, en dan eensklaps uit te schieten, als die ongelukkige meid zich naar jufvrouw Wickam’s kamer wilde begeven. Berry daarentegen mocht daar zoo dikwijls komen en zoolang blijven, als dit door de menigvuldige plichten, waaraan zij zich van den ochtend tot den avond afsloofde, werd veroorloofd, en het was voor Berry dat jufvrouw Wickam haar gemoed ontlastte.“Welk een aardig jongetje is hij als hij slaapt!” zeide Berry, en bleef staan om naar Paul in bed te kijken, toen zij jufvrouw Wickam eens haar avondeten bracht.—“Och ja,” zuchtte jufvrouw Wickam. “En dat mag hij ook wel!”—“Wel, als hij wakker is, is hij toch ook niet leelijk,” merkte Berry aan.—“Neen, jufvrouw. O neen. En mijn ooms Betsey Jane ook niet,” zeide jufvrouw Wickam.Berry keek alsof zij naar het verband tusschen Paul Dombey en jufvrouw Wickam’s ooms Betsey Jane zocht.“Mijn ooms vrouw,” vervolgde jufvrouw Wickam, “stierf evenzoo als zijne mama. En met zijn dochtertje ging het eveneens als met jongen heer Paul. Dat kind deed iemand somtijds het bloed stollen, dat deed zij!”—“Hoe zoo?” vroeg Berry.—“Ik had ’s nachts niet alleen bij Betsey Jane willen opblijven,” zeide jufvrouw Wickam, “al hadt gij Wickam den anderen ochtend zelf in eene zaak willen zetten. Ik had het niet kunnen doen, jufvrouw Berry.”Berry vroeg natuurlijk, waarom niet; maar jufvrouw Wickam praatte, volgens het gebruik van sommige dames van haar stand, op hare eigene manier voort.“Betsey Jane,” vervolgde zij, “was zulk een lief kind als iemand kon verlangen. Ik denk nooit liever kind te zullen zien. Door alle ziekten, die een kind krijgen kan, was zij allerliefst heen gekomen. Maar Betsey Jane,” vervolgde zij, hare stem latende dalen en naar Paul in zijn bedje omkijkende, “was in haar wiegje door hare doode moeder bewaakt. Ik zou niet kunnen zeggen hoe, of wanneer, en zou ook niet kunnen zeggen of het lieve kind het wist of niet, maar Betsey Jane was door hare moeder bewaakt, jufvrouw Berry! Gij moogt zeggen dat dit gekheid is, en ik zal het u niet kwalijk nemen, jufvrouw. Ik hoop zelfs dat gij het met uw geweten overeen kunt brengen om te denken, dat het maar gekheid is; gij zult er des te vroolijker door blijven; neem mij niet kwalijk dat ik zoo vrij ben—in dit akelige, grafachtige huis, dat mij den dood zal doen. Paul is wat onrustig in zijn slaap. Klop hem eens op den rug, als het u belieft.”—“Gij denkt natuurlijk,” zeide Berry, zachtjes doende wat haar gevraagd was, “dat hij ook door zijne moeder bewaakt is?”—“Met Betsey Jane,” zeide jufvrouw Wickam op haar allerplechtigsten toon, “is het eveneens gegaan als het met dat kind gegaan is. Zij is eveneens veranderd als dat kind veranderd is. Ik heb haar dikwijls en dikwijls zoo zien zitten denken—denken—denken, evenals hij. Ik heb haar dikwijls even zoo oudachtig zien kijken als hij. Ik heb haar dikwijls eveneens hooren praten als hij doet. Ik houd het er voor dat het met dat kind en Betsey Jane volmaakt eveneens is, jufvrouw Berry.”—“Is dat kind van uw oom nog in leven?” vroeg Berry.—“Ja, jufvrouw Berry, nog in leven,” antwoordde jufvrouw Wickam, met iets zegevierends in haar toon, want blijkbaar had Berry het tegendeel verwacht, “en zij is met een zilversmid getrouwd. O ja, jufvrouw,zijis nog in leven,” zeide jufvrouw Wickam, met bijzonderen nadruk op het voornaamwoord.Daar het duidelijk genoeg was dat iemand anders dood moest wezen, vroeg mevrouw Pipchin’s nicht wie dat was.“Ik zou u niet gaarne ongerust willen maken,” antwoordde jufvrouw Wickam, aan haar avondeten beginnende. “Vraag het mij maar niet.”Dit was het zekerste middel om nog meer gevraagd te worden. Berry deed dit dus ook, en na nog wat tegensporrelen legde jufvrouw Wickam haar mes neer, en naar Paul in zijn bedje omziende, antwoordde zij:“Zij hechtte zich bijzonder aan sommige menschen. Somtijds was het onverklaarbaar waarom; somtijds was het eene gehechtheid, die men natuurlijk had kunnen verwachten, maar sterker dan gewoonlijk. Al die menschen stierven.”Dit was zoo onverwacht en ontzettend, dat Berry stijf op den harden rand van het ledikant bleef zitten en, kort ademhalende, hare berichtgeefster met on verholen angst aanstaarde.Jufvrouw Wickam wees tersluiks met haar voorvinger naar het bedje, waar Florence lag te slapen en toen even nadrukkelijk naar den grond. Vlak daaronder was de kamer waar mevrouw Pipchin gewoonlijk haar souper gebruikte.“Onthoud wat ik zeg, jufvrouw Berry,” zeide jufvrouw Wickam, “en wees dankbaar dat jonge heer Paul niet van u houdt. Ik ben het, dat hij niet van mij houdt, dat verzeker ik u; al hebt ge niet veel om voor te leven—neem mij niet kwalijk, dat ik zoo vrij ben—in zulk eene gevangenis van een huis.”[55]Misschien deed Berry’s ontroering haar Paul wat al te hard op den rug kloppen, of wel geheel daarmede ophouden, maar hij keerde zich nu in het bed om, werd daarop wakker, kwam overeind, ontsteld door een benauwden droom, en vroeg naar Florence.Op het eerste geluid van zijne stem, was zij uit haar bed; en terstond over zijne peluw buigende, zong zij hem weder in slaap. Jufvrouw Wickam schudde haar hoofd, en liet eenige tranen vallen, terwijl zij deze groep aan Berry wees.“Goeden nacht, jufvrouw, goeden nacht,” zeide jufvrouw Wickam zacht. “Uwe tante is eene oude vrouw, en het is dus iets dat ge toch al dikwijls moet verwacht hebben.”Jufvrouw Wickam vergezelde dit troostende vaarwel met een blik van diepe zielesmart, en toen zij met de twee kinderen alleen was gebleven, gaf zij zich aan hare zwaarmoedigheid over, tot zij ook door den slaap werd overweldigd.Hoewel de nicht van mevrouw Pipchin deze voorbeeldige vrouw juist niet dood op het haardkleedje dacht te vinden, toen zij naar beneden ging, was het toch eene verademing voor haar toen zij haar buitengemeen knorrig en lastig vond, en zij alle blijken gaf dat zij voornemens was om nog lang, tot vreugde van allen die haar kenden, te blijven leven. Ook in de volgende week vertoonden zich nog geene verschijnselen van tering, maar verdwenen de voedingsmiddelen, die haar gestel vereischte, even geregeld als gewoonlijk, hoewel kleine Paul haar zoo onvermoeid als ooit bestudeerde, en op zijne gewone plaats tusschen haar zwarten rok en den haard bleef zitten.Maar dewijl Paul na verloop van dien tijd niet sterker was dan bij zijne komst, hoewel zijn gezichtje er veel gezonder uitzag, werd er een wagentje voor hem gekocht, waarin hij op zijn gemak kon liggen, met een A B boek en eenige prentenboekjes bij zich, en zich naar den zeekant laten rijden. Overeenkomstig met zijn zonderlingen smaak, wilde het kind niets weten van een frisschen blozenden knaap, die voorgesteld werd om zijn wagentje te trekken, en koos, in zijne plaats, zijn grootvader, een oud, afgeleefd man, met een allerzuurst gezicht en een pak van oud wasdoek, dat een reuk verspreidde gelijk een met wier overdekt strand.Met dezen fraaien bediende om hem voort te trekken, en Florence altijd naast hem, terwijl de neerslachtige jufvrouw Wickam achteraankwam, werd hij dagelijks naar het strand gereden, en zat of lag hij daar uren achtereen in zijn wagentje, terwijl niets hem zoo onaangenaam was als het gezelschap van kinderen—Florence alleen altijd uitgenomen.“Ga maar heen, als het u belieft,” zeide hij gewoonlijk tot een kind, dat hem gezelschap wilde komen houden. “Ik dank u wel, maar ik heb u niet noodig.”Een kinderstemmetje aan zijn oor vroeg hem wel eens hoe het hem ging.“Ik ben heel wel—dank u,” antwoordde hij dan; “maar gij moest liever maar gaan spelen, als het u belieft.”Dan keerde hij zijn hoofd om, wachtte tot het kind weg was, en zeide tot Florence: “Wij hebben niemand anders noodig, niet waar? Geef mij maar een kus, Flore.”Hij had op zulk een tijd zelfs een hekel aan het gezelschap van jufvrouw Wickam, en was weltevreden als zij opkuierde, gelijk zij meestal deed, om schelpen en kennissen te zoeken. Zijn geliefkoosd plekje was eene eenzame plaats ver van de gewone wandeling; en als Florence daar bij hem zat te werken, of hem voorlas, of met hem praatte, en de wind hem langs het voorhoofd blies, en het water tot aan de wielen van zijn wagentje opkwam, verlangde hij niets meer.“Flore,” zeide hij eens, “waar isOost-Indië, waar de familie van dien jongen woont?”—“O, dat is heel ver weg,” zeide Florence, hare oogen van haar werk opslaande.—“Weken ver?” vroeg Paul.—“Ja; men zou vele weken dag en nacht moeten reizen om er te komen.”—“Als gij inOost-Indiëwaart, Flore,” zeide Paul, na eene poos te hebben gezwegen, “dan zou ik—wat was het dat mama deed? Dat ontschiet mij daar.”—“Mij liefhebben,” antwoordde Florence.—“Neen, neen. Heb ik u dan nu niet lief, Flore? Wat is het?—Sterven. Als gij inOost-Indiëwaart, zou ik sterven, Flore.”Zij legde haastig haar werk neer, liet haar hoofdje op zijn kussen rusten en liefkoosde hem. En dat zou zij ook, zeide zij, als hij daar was. Hij zou wel gauw beter worden.“O, ik ben nu al veel beter,” antwoordde hij. “Dat meen ik niet. Ik meen dat ik zou sterven, omdat ik zoo bedroefd en zoo alleen zou zijn, Flore.”Een andermaal viel hij op dezelfde plaats in slaap en bleef een langen tijd gerust slapen. Toen hij wakker werd, kwam hij met zekeren schrik overeind en bleef zitten luisteren.Florence vroeg hem wat hij dacht te hooren.“Ik wilde weten wat zij zegt,” antwoordde hij, haar strak aanziende. “De zee, Flore, wat zegt zij toch zoo gedurig?”Zij zeide hem dat het alleen het gerucht der rollende golven was.“Ja, ja,” zeide hij. “Maar ik weet dat zij altijd iets zeggen. Altijd hetzelfde. Wat ligt daar aan den overkant?” Hij richtte zich nog meer op en tuurde met verlangen naar den gezichteinder.Zij zeide hem dat daar aan den overkant een ander land lag, maar hij zeide dat hij dit niet[56]meende; hij meende verder weg—verder weg!Zeer dikwijls brak hij naderhand midden in hun gesprek af en poogde te verstaan wat het was dat de golven gedurig zeiden, en kwam hij in zijn bedje overeind om naar dat onzichtbare gewest—ver aan den overkant—te staren.
[Inhoud]VIII.PAUL’S VERDERE ONTWIKKELING EN KARAKTER.Onder de waakzame en oplettende oogen van den tijd—in zooverre een tweede majoor—veranderde de sluimer van den kleinen Paul langzamerhand van aard. Al meer en meer licht brak daarin door; hij werd door al duidelijker en duidelijker droomen gestoord. Eene gestadig toenemende menigte van voorwerpen en indrukken dwarrelde om hem heen, en zoo trad hij de eerste bewustelooze kindsheid uit, en werd hij een loopende, pratende, zich verwonderende Dombey.Na de ongenade en verbanning van Richards, werd de kinderkamer om zoo te zeggen aan eene commissie opgedragen gelijk een ministerie somtijds gedaan wordt, als men geen Atlas kan vinden die in staat is om het alleen te torschen. De commissarissen waren natuurlijk mevrouw Chick en jufvrouw Tox, die zich met zulk een[46]verbazenden ijver aan hare plichten toewijdden, dat majoor Bagstock dagelijks eene nieuwe herinnering aan zijne verlatenheid kreeg, terwijl mijnheer Chick, van alle huiselijk opzicht ontslagen, zich in de vermaken der wereld stortte, in clubs en koffiehuizen dineerde, bij drie verschillende gelegenheden naar tabak rook, alleen naar de komedie ging, kortom (gelijk mevrouw Chick hem eens zeide) zich van alle maatschappelijke en zedelijke verplichtingen losmaakte.Evenwel konden, in weerwil van hetgeen hij vroeger had beloofd, al deze waakzaamheid en zorg den kleinen Paul niet tot een voorspoedig kind maken. Misschien reeds zwak van gestel, begon hij, nadat zijne min was weggezonden, te kwijnen en te vermageren, en scheen hij lang slechts eene gelegenheid af te wachten om door de handen te glippen en zijne verlorene moeder te gaan opzoeken. Hij kwam wel op zijnsteeple-chasenaar den mannelijken leeftijd over dezen gevaarlijken grond heen, maar vond den rit toch nog moeielijk genoeg, en leed veel aanstoot van al de hindernissen in zijn ren. Elke tand was eene schutting waarover hij bijna den hals brak, ieder puistje, toen hij de mazelen kreeg, was een steenen muur voor hem. Bij elke vlaag van den kinkhoest stortte hij neer, en dan werd hij door een geheelen jachttroep van kleine ziekten overreden en vertrapt, die elkander op de hielen volgden om hem te beletten weder op te staan.De koude bij zijn doop was bij hem misschien op een gevoelig deel van zijn gestel gevallen, dat zich in de even koude schaduw van zijn vader niet weder kon herstellen; maar hij was van dien dag af een ongelukkig kind. Jufvrouw Wickam zeide dikwijls dat zij nog nooit een kind zoo sukkelig had gezien.Jufvrouw Wickam was de vrouw van een logementknecht—hetgeen met een ander mans weduwe zou schijnen gelijk te staan—welker aanzoek om bij Dombey in dienst te komen gunstig was opgenomen, daar het bijna onmogelijk scheen te zijn, dat zij iemand zou hebben, die haar naliep, of iemand om na te loopen; en die, een paar dagen nadat Paul zoo streng was gespeend, was aangesteld om hem op te passen. Jufvrouw Wickam was eene zachtzinnige vrouw, met eene blanke kleur, altijd eenigszins opgetrokken wenkbrauwen en een neerhangend hoofd, altijd gereed om zich zelve te beklagen of te laten beklagen, en anderen te beklagen; en die eene verwonderlijke natuurlijke gaaf had om alle dingen in een jammerlijk licht te beschouwen, en schrikkelijke voorbeelden daarvan aan te halen, en in de uitoefening van dit talent den grootsten troost scheen te vinden.Het is bijna niet noodig aan te merken, dat geen zweem van deze eigenschap ooit de kennis van den statigen Dombey bereikte. Het zou wel opmerkelijk zijn geweest, als dit gebeurd was, terwijl niemand in huis—zelfs mevrouw Chick en jufvrouw Tox niet—hem had durven toefluisteren dat er ooit de minste reden was geweest om zich over den kleinen Paul ongerust te maken. Hij was het met zich zelven eens, dat het kind noodzakelijk zekere reeks van geringe ziekten moest doorloopen, en dat wel hoe eer hoe beter. Als hij hem had kunnen vrijkoopen, of een plaatsvervanger stellen, gelijk bij het trekken van een ongelukkig nommer voor de militie, zou hij dit gaarne gedaan hebben, zonder op geld te zien. Maar dewijl dit niet doenlijk was, verwonderde hij zich slechts nu en dan, op zijne hooghartige manier, wat de natuur toch daarmede wilde, en troostte hij zich met de gedachte dat men daarmede wederom een mijlsteen van den weg voorbij was, en het groote doel der reis zooveel nader was gekomen. Want het gevoel dat thans bij hem de overhand had en, naarmate Paul ouder werd, meer en meer toenam, was ongeduld. Ongeduld naar dien tijd in het verschiet, wanneer de droomgezichten hunner vereenigde grootheid zegevierend verwezenlijkt zouden worden.Sommige wijsgeeren zeggen ons dat zelfzucht de wortel van al onze aandoeningen, zelfs van de edelste liefde is. Dombey’s jongste kind was hem, van den eersten af, zoo duidelijk om die reden gewichtig, dewijl het een deel van zijne eigene grootheid, of (hetgeen hetzelfde is) van de grootheid van Dombey en Zoon was, dat het niet te betwijfelen is of men had voor zijne vaderlijke genegenheid, gelijk voor menig fraai gebouw van weidschen naam, een zeer lagen grondslag kunnen opsporen. Maar hij had zijn zoon toch lief met al de liefde die hij had. Indien er in zijn bevroren hart een warm plekje was, had zijn zoon het in bezit; indien de harde oppervlakte van dat hart den indruk van eenig beeld kon ontvangen, stond daar het beeld van zijn zoon; hoewel niet zoozeer als kind, of knaap, maar als volwassen man—als de “Zoon” der firma. Daarom was hij ongeduldig om de toekomst te bereiken en over de tusschenkomende toevalligheden heen te snellen. Daarom was hij, in weerwil van zijne liefde, daarover weinig of niet ongerust; want het was hem alsof het kind een betooverd leven had en de manmoestworden, met wien hij in zijne gedachten reeds gestadig omging, en voor wien hij dagelijks plannen en ontwerpen maakte, alsof hij reeds werkelijk bestond.Zoo werd Paul bijna vijf jaren oud. Hij was een aardig knaapje, hoewel zijn smal gezichtje iets schraals en scherps had, dat jufvrouw Wickam dikwijls veelbeteekenend het hoofd deed schudden. Zijn humeur gaf overvloedige beloften dat het op later leeftijd heerschzuchtig zou zijn; en hij had zulk een duidelijk begrip van[47]zijn eigen gewicht en van het rechtmatige, dat alle andere dingen en personen hem dienstbaar en onderworpen moesten zijn, als eenig hart kon verlangen. Hij was somtijds kinderlijk en speelziek genoeg, en niet stug van aard; maar somtijds had hij ook eene vreemde, oudmannetjesachtige manier om in zijn leuningstoeltje te zitten peinzen, en dan zag hij er uit (en zoo praatte hij ook) als een van die schrikkelijke wezentjes in de tooversprookjes, die, al zijn zij honderd vijftig of tweehonderd jaren oud, nog het fantastische beeld vertoonen van de kinderen waarvoor zij verruild zijn. Dikwijls kreeg hij zulk eene vlaag boven op de kinderkamer; en somtijds kwam hij er plotseling toe, met den uitroep dat hij moe was, zelfs terwijl hij met Florence speelde of met jufvrouw Tox paardje reed. Maar nooit kwam hij er zoo zeker toe, als wanneer hij, met zijn stoeltje naar zijn vaders kamer gebracht, daar met dezen na den maaltijd bij het vuur zat. Zij waren op zulk een tijd het zonderlingste paar, dat ooit door een vuur is beschenen. Dombey, zoo statig rechtop naar de vlam starende; zijn klein afbeeldsel, met een oud, oud gezichtje en met de strakke aandacht van een peinzend wijsgeer in den rooden gloed turende. Dombey hield zich met ingewikkelde wereldsche plannen en berekeningen bezig,—zijn klein afbeeldsel met, de hemel weet welke, grillige verbeeldingen, halfgevormde gedachten en ongeregelde bespiegelingen. Dombey stijf van stijfsel en eigenwaan, zijn klein afbeeldsel even stijf bij erfenis en door onwillekeurige nabootsing. Die twee zoozeer aan elkander gelijk, en toch zulk een verbazend contrast.Bij een dezer gelegenheden, toen zij beiden langen tijd hadden stilgezwegen, en Dombey alleen wist dat het kind wakker was door het nu en dan naar de oogen te kijken, waarin het heldere vuur flonkerde als een juweel, verbrak kleine Paul aldus de stilte:“Papa, wat is geld?”Deze onverwachte vraag stond in zulke onmiddellijke betrekking met Dombey’s eigene gedachten, dat hij er geheel door van zijn stuk raakte.“Wat geld is, Paul?” antwoordde hij. “Geld?”—“Ja,” zeide het kind, zijne handjes op de armleuningen van zijn stoeltje leggende en met zijn oud gezichtje naar Dombey opziende; “wat is geld?”Dombey bevond zich in verlegenheid. Hij had hem gaarne eene opheldering willen geven, waarin van de verschillende ruilmiddelen, edele metalen, munt, papier, wisselkoers, en zoo voort, melding moest gemaakt worden; maar naar het stoeltje kijkend, en ziende hoever omlaag dat nog was, antwoordde hij: “Goud zilver en koper. Guinjes, schellingen en stuivers. Gij weet immers wel wat die zijn!”— “O ja, ik weet wel wat die zijn,” zeide Paul; “maar dat meen ik niet papa. Ik meen, wat is eigenlijk geld?”Hemel en aarde, hoe oud was het gezichtje, waarmede hij weder naar zijn vader opzag!“Wat eigenlijk geld is?” zeide Dombey, zijn stoel wat achteruitschuivende, om vol verbazing het verwatene wezentje, dat zulk eene vraag deed, te beter aan te zien.—“Ik meen, papa, wat kan het doen?” hervatte Paul, zijne armpjes over elkander slaande (die nauwelijks lang genoeg waren om over elkander te slaan), terwijl hij eerst naar het vuur en toen naar hem, en weder naar het vuur en weder naar hem opkeek.Dombey schoof zijn stoel weder bij en klopte hem op het hoofd. “Dat zult ge door den tijd wel beter leeren, manneke,” zeide hij. “Geld, Paul, kan alles doen.” Hij vatte het lichte handje en tikte er zacht mede op zijne eigene hand terwijl hij dit zeide.Maar Paul trok zoo gauw hij kon zijne hand los, en die op de armleuning van zijn stoeltje wrijvende, alsof zijn verstand in de palm zat en hij het wilde slijpen, en wederom naar het vuur kijkende, alsof het vuur de raadsman was die hem zijne vragen influisterde, zeide hij, na een poosje bedenkens:“Alles, papa?”—“Ja—nagenoeg,” zeide Dombey.—“Alles,” herhaalde de kleine nog eens bij zich zelven. Het beperkende bijvoegsel had hij niet opgemerkt, of misschien niet begrepen, en vervolgde toen hardop. “Waarom heeft het geld dan mijne mama niet gered? Het is immers niet boosaardig, niet waar?”—“Boosaardig!” zeide Dombey, zijne das verschuivende, en eenigszins verstoord, naar het scheen, over zulk een denkbeeld. “Neen. Iets goeds kan niet boosaardig wezen.”—“Als het iets goeds is en alles kan doen,” zeide de kleine peinzend en weder naar het vuur kijkende, “dan verwondert het mij, dat het mijne mama niet heeft gered.”Ditmaal was dit geene vraag, die hij tot zijn vader richtte. Misschien had hij, met de schranderheid van een kind, gezien dat hij dezen reeds verdrietig had gemaakt. Maar hij herhaalde de gedachte overluid, alsof zij iets zeer ouds voor hem was en hem reeds dikwijls had lastig gevallen; en bleef met de kin in de hand zitten kijken en peinzen, alsof hij in het vuur eene opheldering zocht.Toen Dombey zich van zijne verrassing, om niet te zeggen van zijn schrik had hersteld (want het was de eerste maal dat het kind van zijne moeder tot hem sprak, schoon hij het avond aan avond evenzoo naast hem had zien zitten) verklaarde hij Paul hoe het geld, schoon een machtige geest, en waarvan men vooral geen kwaad moest spreken, geene menschen in leven kon houden, voor wie de tijd gekomen[48]was om te sterven; en hoe wij allen moeten sterven, ongelukkig zelfs in deCity, hoe rijk wij ook zijn. Maar hoe het geld ons geëerd, gevreesd, geacht, gediend en gevierd deed worden, en ons in de oogen van alle menschen machtig en aanzienlijk maakte, en hoe het zelfs dikwijls den dood zeer lang kon weghouden. Hoe het, bij voorbeeld, zijne mama de diensten van mijnheer Pilkins had verschaft, waarvan Paul zelf ook dikwijls nut had gehad; zoo mede van den grooten dokter Parker Peps, dien hij nooit gekend had. Hoe het alles kon doen wat maar te doen was. Dit alles, en nog meer van dien aard, prentte Dombey zijn zoon in den geest, die aandachtig luisterde en het meeste van hetgeen hem gezegd werd zeer wel scheen te verstaan.“Het kan mij ook niet sterk en heelemaal gezond maken, niet waar papa; kan het wel?” zeide Paul na eene korte poos van stilte, zijne magere handjes wrijvende.—“Wel, gij zijt immers sterk en geheel gezond,” antwoordde Dombey. “Zijt ge niet?”O, hoe oud was het gezichtje dat naar hem opzag, en met eene uitdrukking half van treurigheid, half van slimheid daarin!“Ge zijt immers zoo sterk en gezond als zulke kleine jongens gewoonlijk zijn? He?” zeide Dombey.—“Florence is ouder dan ik, maar ik ben niet zoo gezond en sterk als Florence, dat weet ik wel,” antwoordde het kind; “en ik geloof, dat, toen Florence zoo klein was als ik, zij veel langer achtereen kon spelen zonder moe te worden. Ik ben somtijds zoo moe,” zeide kleine Paul, zijne handjes warmende, en tusschen de traliën van den haard kijkende, alsof daar een spookachtig poppenspel werd vertoond, “en mijn gebeente doet dan zoo zeer (jufvrouw Wickam zegt, dat het mijn gebeente is) dat ik niet weet wat ik doen zal.”—“Ja, maar dat is ’s avonds,” zeide Dombey, zijn stoel dichter bij dien van zijn zoon schuivende, en hem de hand zacht op den rug leggende, “kleine jongens moeten ’s avonds moe zijn, want dan slapen zij goed.”—“O, het is niet ’s avonds, papa,” antwoordde het kind; “het is overdag; en dan ga ik op Florence’s schoot liggen, en dan zingt zij voor mij. En des nachts droom ik van zulke won-der-lijke dingen.”En hij bleef zijne handjes zitten warmen en peinzen, gelijk een oud manneke of een jong kaboutertje.Dombey was zoo verbaasd, en zoo slecht op zijn gemak, en zoo verlegen hoe hij het gesprek zou voortzetten, dat hij niets kon doen dan zijn zoon in het schijnsel van het vuur te blijven aanzien, met de hand nog op zijn rug, alsof die daar door eene magnetische aantrekking werd vastgehouden. Eens stak hij zijne andere hand uit en lichtte hij even het peinzende gezichtje naar het zijne op. Maar zoodra hij het losliet, zocht het wederom het vuur; en zoo bleef Paul zitten, naar de flikkerende vlam gekeerd, tot zijne oppasster kwam om hem naar bed te halen.“Ik wil dat Florence mij komt halen,” zeide Paul.—“Wilt ge dan niet met uwe goede jufvrouw Wickam meegaan, jonge heer Paul?” zeide deze jufvrouw zeer aandoenlijk,—“Neen, ik wil niet,” antwoordde Paul, en zette zich weder te recht op zijn stoeltje, alsof hij in huis heer en meester was.Met eene zegenspraak over zijne onnoozelheid, ging jufvrouw Wickam heen, en kort daarop verscheen Florence. Paul sprong terstond vlug en gewillig overeind, en hief, om zijn vader goedennacht te zeggen, een gezichtje op, zooveel helderder, zooveel jonger, over het geheel zooveel kinderlijker, dat Dombey door die verandering in groote mate gerustgesteld, er tevens zeer verbaasd over was.Toen zij te zamen de kamer uit waren, meende hij eene zachte stem te hooren zingen: en zich herinnerende hoe Paul gezegd had dat zijne zuster voor hem zong, had hij de nieuwsgierigheid om de deur te openen, hen na te zien en te luisteren. Zij zwoegde de breede holle trap op, met Paul in hare armen; zijn hoofdje lag op haar schouder, en een van zijne armpjes was om haar hals geslagen. Zoo tobden zij voort, zij den geheelen weg over zingende, en Paul somtijds flauw neuriënde om met haar mee te doen. Dombey zag hen na tot zij boven aan de trap waren gekomen—niet zonder onderweg eens te staan rusten—en uit zijne oogen verdwenen. Toen bleef hij nog naar boven staan kijken, tot de bleeke stralen der maan, die met eene treurige schemering door de traplantaarn vielen, hem weder naar zijne kamer deden gaan.Mevrouw Chick en jufvrouw Tox werden des anderen daags tot eene raadsvergadering aan het diner geroepen; en toen de tafel was afgenomen, opende Dombey de handelingen door te verzoeken, dat men hem zonder eenige terughouding of bewimpeling zou onderrichten, of Paul iets scheelde en wat mijnheer Pilkins van hem zeide.Luisterende naar de zee. (blz. 55).Luisterende naar de zee.(blz. 55).“Want het kind is wel niet zoo stevig,” zeide Dombey, “als ik kon wenschen.”—“Met uwe gewone scherpzinnigheid, mijn beste Paul,” antwoordde mevrouw Chick, “hebt gij het in eens juist getroffen. Onze lieveling is niet geheel zoo stevig als wij konden wenschen. De zaak is dat zijn geest hem te sterk is. Zijne ziel is veel te groot voor zijn lichaam. Inderdaad, de manier waarop dat lieve kind praat,” vervolgde zij, haar hoofd schuddende, “zou niemand gelooven. Zijne uitdrukkingen, Lucretia, gisteren nog, over begrafenissen!—”—“Ik vrees,” viel Dombey haar netelig in de rede, “dat sommige van die lieden boven het kind op ongepaste onderwerpen[49]brengen. Hij sprak mij gisteravond van—van zijn gebeente,” zeide Dombey, een gramstorigen nadruk op dat woord leggende. “Wat op de wereld heeft iemand te maken met—met het gebeente van mijn zoon? Hij is toch geen levend geraamte, zou ik denken.”—“Verre van daar,” zeide mevrouw Chick, met onbeschrijfelijke kracht.—“Dat hoop ik ook,” hervatte haar broeder. “Dan weer—begrafenissen. Wie praat het kind van begrafenissen? Wij zijn toch geen aansprekers of doodgravers naar mij dunkt.”—“Verre van daar,” zeide mevrouw Chick op denzelfden toon als te voren.—“Wie brengt hem dan toch zulke dingen in het hoofd?” zeide Dombey. “Ik was er gisteravond waarlijk van ontzet. Wie brengt hem toch zulke dingen in het hoofd, Louise?”—“Mijn lieve Paul,” zeide mevrouw Chick, na een oogenblik van stilte, “dat behoeft eigenlijk niet gevraagd te worden. Ik denk niet, dat moet ik u oprecht zeggen, dat jufvrouw Wickam een heel opgeruimd mensch is, niet wat men zoo zou noemen …”—“Eene dochter van Momus,” gaf jufvrouw Tox haar zachtjes in bedenking.—“Juist zoo,” zeide mevrouw Chick. “Maar zij is heel oplettend en gewillig, en geheel niet eigenwijs; ik heb waarlijk nooit gezeggelijker mensch gezien. Als het lieve kind,” vervolgde mevrouw Chick, op een toon alsof zij de slotsom opmaakte uit iets waarover men het[50]te voren geheel eens was geworden, in plaats van het alles voor de eerste maal te zeggen, “door dien laatsten stoot wat verzwakt is, en geene zoo krachtige gezondheid heeft als wij wel konden wenschen; en als zijn gestel tegenwoordig wat zwak is, alsof hij nu en dan eene zekere lamheid schijnt te hebben in zijne.…”Mevrouw Chick was bang om beentjes te zeggen, daar Dombey pas getoond had zooveel tegen gebeente te hebben, en wachtte dus naar eene influistering van jufvrouw Tox, die, getrouw aan haar post, het woord “leedjes” waagde.“Leedjes?” herhaalde Dombey.—“Mij dunkt dat de dokter van morgen zijne beentjes noemde, deed hij niet, Louise?” zeide jufvrouw Tox.—“Wel zeker deed hij dat, lieve,” antwoordde mevrouw Chick, met zacht verwijt. “Hoe kunt ge mij dat vragen? Gij hebt het immers gehoord. Ik zeg, als onze lieve Paul nu en dan eene lamheid in zijne beentjes schijnt te hebben, dan zijn dat kleinigheden die vele kinderen op zijn ouderdom krijgen, en door geene zorg of voorzichtigheid zijn voor te komen. Hoe eer gij dat begrijpt en toestemt, beste Paul, des te beter.”—“Gij moet toch wel weten,” merkte Dombey aan, “dat ik uwe natuurlijke gehechtheid voor het toekomstig hoofd van mijn huis volstrekt niet betwijfel. Mijnheer Pilkins heeft Paul van morgen nog gezien, naar ik meen?”—“Ja,” antwoordde zijne zuster, “en jufvrouw Tox en ik zijn er bij geweest. Jufvrouw Tox en ik zijn er altijd bij. Wij maken daar eene wet van. Mijnheer Pilkins heeft hem al eene poos iederen dag gezien, en ik houd hem voor een heel knap man. Hij zegt dat het niets van beduiden is; en dat ik ook bevestigen kan, als dat eene gerustheid is; maar vandaag heeft hij de zeelucht aangeraden. Zeer verstandig, Paul, daarvan ben ik overtuigd.”—“De zeelucht,” herhaalde Dombey, zijne zuster aanziende.—“Daar is niets in om u ongerust te maken,” zeide mevrouw Chick. “Voor mijn George en Frederik is ook de zeelucht aangeraden toen zij zoo oud waren; en mij zelve is zij heel dikwijls aangeraden. Ik geef u volkomen toe, Paul, dat er boven misschien onvoorzichtig voor hem gesproken wordt van dingen, waarmede zijn kleine geest zich liever niet moest bezig houden; maar ik zie waarlijk niet hoe dat bij een kind van zijne schranderheid te verhelpen is. Als hij een gewoon kind was, zou er niets in steken. Ik moet zeggen, ik denk, met jufvrouw Tox, dat eene korte afwezigheid van huis, de lucht vanBrighton, en het lichamelijk en geestelijk toezicht van zulk een zoo ervaren mensch als mevrouw Pipchin bij voorbeeld.…”—“Wie is mevrouw Pipchin, Louise?” vroeg Dombey, versteld over deze gemeenzame vermelding van een naam, dien hij nog nooit gehoord had.—“Mevrouw Pipchin, mijn beste Paul,” antwoordde zijne zuster, “is eene bejaarde dame—jufvrouw Tox kent hare geheele geschiedenis—die een tijd lang al de vermogens van haar geest, met het beste gevolg, aan de studie en de behandeling der kindsheid heeft gewijd, en zeer aanzienlijke relatiën heeft gehad. Haar man stierf van hartzeer over—waardoor hebt ge ook gezegd dat haar man van hartzeer gestorven is, lieve? De juiste omstandigheden zijn mij ontschoten.”—“Door het waterpompen uit de mijnen vanPeru,” antwoordde jufvrouw Tox.—“Niet dat hij zelf pomper is geweest, natuurlijk,” zeide mevrouw Chick, zich weder naar haar broeder keerende; en waarlijk scheen deze opheldering niet overbodig, want jufvrouw Tox sprak alsof hij met de hand aan den pompslinger was gestorven, “maar omdat hij geld in die speculatie had gestoken, die geheel en al mislukte. Ik geloof dat mevrouw Pipchin met kinderen verbazende dingen weet te doen. Ik heb haar hooren prijzen—Heere, hoe hoog!” Hare oogen zwierven naar de buste van Pitt op de boekenkast, die omtrent tien voet van den grond was.—“Misschien moet ik van mevrouw Pipchin zeggen, mijnheer,” liet jufvrouw Tox, met een zedig blosje, hierop volgen, “daar men zich zoo uitdrukkelijk op mij heeft beroepen, dat de lof, dien uwe lieve zuster haar gegeven heeft, welverdiend is. Vele heeren en dames, die nu tot interessante leden der maatschappij zijn opgegroeid, hebben veel aan hare zorgen te danken gehad. De nederige persoon, die nu met u spreekt, was eens onder hare hoede. Ik geloof zelfs dat de jeugdige adel haar etablissement niet vreemd is.”—“Moet ik dan begrijpen dat die achtenswaardige dame een etablissement houdt, jufvrouw Tox?” vroeg Dombey goedgunstig.—“Wel, ik weet waarlijk niet of ik het wel zoo behoor te noemen,” antwoordde de dame. “Het is geene bewaarschool—geheel niet. Ik zou mijne meening best uitdrukken,” zeide jufvrouw Tox, met bijzondere lieftalligheid, “als ik het eenboarding-housevoor kinderen noemde, van zeer uitgelezene soort.”—“Voor een zeer beperkten kring en op een kostbaren voet ingericht,” zeide mevrouw Chick, met een blik naar haar broeder.—“O ja, zeer exclusief,” zeide jufvrouw Tox.Dit was iets van belang. Dat mevrouw Pipchin’s echtgenoot van hartzeer over de mijnen vanPeruwas gestorven was goed. Het had een rijken klank. Bovendien ijsde Dombey van de gedachte om Paul nog een uur lang te laten blijven waar hij was, nadat een geneeskundig persoon had aanbevolen hem te doen verhuizen. Dit was een stilstaan en dralen op den weg, dien het kind nog moest afleggen eer het doel bereikt werd, dat toch nog ver genoeg af was. Dat de twee dames mevrouw Pipchin zoo roemden, rekende hij van veel gewicht; want hij wist dat zij ijverzuchtig waren op elke[51]vreemde bemoeiing met het kind, en hij dacht er niet aan, dat zij misschien verlangend waren om eene verantwoordelijkheid waaromtrent hij zijne eigene vaste begrippen had, met iemand anders te deelen. “Van hartzeer over de mijnen vanPerugestorven,” peinsde Dombey. “Wel! eene zeer fatsoenlijke manier van sterven.”“Als wij nu, na morgen navraag te hebben gedaan, besloten om Paul naarBrightonbij die dame te zenden, wie zou dan met hem meegaan?” vroeg Dombey na eenig bedenken.—“Ik geloof niet dat gij het kind tegenwoordig ergens heen zoudt kunnen zenden zonder Florence, mijn beste Paul,” zeide zijne zuster aarzelend. “Hij is geheel verzot op haar. Hij is nog heel jong, weet ge, en heeft zijne kuurtjes.”Dombey keerde zijn hoofd om, ging langzaam naar de boekenkast, opende die en haalde een boek om te lezen.“Iemand anders, Louise?” zeide hij, zonder op te zien, en terwijl hij de bladen omsloeg.—“Jufvrouw Wickam natuurlijk. Die is volkomen voldoende, zou ik denken,” antwoordde zijne zuster. “Daar Paul in zulke handen komt, als die van jufvrouw Pipchin, kunt gij bezwaarlijk iemand zenden, die haar eenigszins de wet zou stellen. Gij zoudt zelf ten minste eens in de week daarheen gaan, natuurlijk.”—“Natuurlijk,” zeide Dombey, en zat daarna een uur lang op een blad te kijken, zonder een woord te lezen.Deze vermaarde mevrouw Pipchin was eene verbazend leelijke oude vrouw, met een krommen rug, een geplekt gezicht, gelijk slecht marmer, een haviksneus, en harde grijze oogen, die er uitzagen alsof zij op een aanbeeld konden gehamerd worden zonder eenige schade te lijden. Veertig jaren, ten minste, waren verloopen, sedert de mijnen vanPeruden heer Pipchin den dood hadden berokkend; maar zijne weduwe droeg nog zwart merinos, van zulk eene doffe, doodsche tint, dat des avonds het gas zelfs haar niet kon verlichten. Men zeide algemeen dat zij bijzonder goed met kinderen wist om te gaan; en het geheim harer behandeling was, hun alles te geven dat hun niet beviel en niets dat hun wel beviel—hetgeen bevonden werd dat hen veel zoeter maakte. Zij was zoo bitter, boos en hatelijk, dat men in verzoeking kwam om te gelooven, dat de machinerie der Peruaansche pompen eigenlijk verkeerd had gewerkt, en alle menschelijkheid en vroolijkheid uit haar gemoed had gepompt, in plaats van het water uit de mijnen.Het Kasteel van deze wildevrouw en kinderentemster stond in eene steile achterstraat vanBrighton; waar de grond meer dan gewoonlijk kalkachtig, steenachtig en dor was, en de huizen meer dan gewoonlijk dun en wrak gebouwd waren; waar de tuintjes daar voor de onverklaarbare eigenschap hadden om niets anders dan paardenbloemen voort te brengen, wat er ook in mocht gezaaid worden, en waar men gedurig slakken aan de straatdeuren zag kleven. In den winter kon men de lucht niet uit het Kasteel krijgen, en in den zomer er niet in. Er was zulk een gedurig gesuis van den wind in, dat het eveneens klonk als een groote zeehoorn, en de bewoners nacht en dag de ooren moesten dicht houden. Van zelf had het huis geen frisschen reuk, en voor het venster der voorkamer, dat nooit werd opengezet, hield mevrouw Pipchin eene verzameling van planten in potten, waardoor het etablissement eene eigenaardige lucht kreeg. Deze planten, hoe keurig ook in hare soort, waren bijzonder uitgekozen om eene vrouw als mevrouw Pipchin tot verlustiging te strekken. Een half dozijn daarvan waren cactussen, die zich als harige slangen om een stokje kronkelden; eene andere soort schoot klauwen uit, gelijk eene groene kreeft; verscheidene kruipende planten, die kleverige bladeren hadden, welke zich aan alles vastplakten; en één hatelijke bloempot, die aan den zolder hing en scheen over te koken om de menschen daaronder met de lange groene einden te kriewelen, welke hen aan spinnekoppen deden denken—waarvan de woning van mevrouw Pipchin ongemeen rijkelijk voorzien was, hoewel zij zich misschien, in het rechte seizoen, nog meer op een buitengewonen overvloed van oorwormen kon beroemen.Daar mevrouw Pipchin echter een hoog kostgeld eischte, en de gelijkmatige zuurheid van haar humeur zeer zelden voor iemand verzachtte, werd zij voor eene oude dame van een bijzonder vast karakter gehouden, die eene wetenschappelijke kennis van het gestel en den aard van kinderen bezat. Deze naam en het hartzeer waaraan mijnheer Pipchin gestorven was, hadden haar geholpen sedert den dood van haar man, het eene jaar door het ander gerekend, een vrij ruim bestaan te verkrijgen. Binnen de drie dagen nadat mevrouw Chick voor het eerst van haar had gesproken, had deze brave oude vrouw het genoegen om eene aanmerkelijke vermeerdering harer loopende ontvangsten uit den zak van Dombey te gemoet te zien, en Florence en haar broertje Paul als bewoners van haar kasteel te ontvangen.Mevrouw Chick en jufvrouw Tox, welke de kinderen den vorigen avond hadden gebracht (des nachts hadden zij in een logement geslapen) waren juist van de deur gereden, en mevrouw Pipchin stond, met den rug naar het vuur, gelijk een oud officier de recruten te inspecteeren. Mevrouw Pipchin’s nicht, eene juffer van middelbare jaren, hare welwillende en getrouwe slavin, maar stroef en strak van uitzicht[52]en zeer geplaagd met zwellingen van den neus, ontdeed den jongen heer Bitherstone van den schoonen kraag, dien hij op de parade had gedragen. Jonge jufvrouw Pankey, op het oogenblik het eenige andere logeetje, was juist naar den kerker gebracht (eene ledige kamer achter in huis, eene plaats van tuchtiging en boete) omdat zij in het bijzijn der vreemde dames driemaal gesnuffeld had.“Wel, jonge heer,” zeide mevrouw Pipchin tot Paul, “hoe denkt ge dat ik u bevallen zal?”—“Ik denk, dat ge mij geheel niet zult bevallen,” antwoordde Paul. “Ik wil weg. Dit is mijn huis niet.”—“Neen. Het is mijn huis,” zeide mevrouw Pipchin hierop.—“Een heel leelijk huis,” antwoordde Paul.—“Maar er is toch eene kamer nog leelijker dan deze,” zeide mevrouw Pipchin. “waar wij stoute jongens opsluiten.”—“Ishijdaar wel geweest?” vroeg Paul, naar den kleinen Bitherstone wijzende.Mevrouw Pipchin knikte toestemmend; en Paul had het overige van den dag genoeg te doen om den kleinen Bitherstone van het hoofd tot de voeten te bekijken en op al de veranderingen van zijn gezicht te letten, met de belangstelling welke een kleine jongen moest opwekken, die ondervinding van schrikkelijke en geheimzinnige dingen had.Tegen één ure ging men aan den maaltijd, die voornamelijk uit meelkost en groenten bestond, als wanneer jonge jufvrouw Pankey (een nietig klein meisje, met blauwe oogen, dat elken morgen “geshampood” werd en gevaar scheen te loopen om geheel te worden weggewreven) door de wildevrouw zelve uit hare gevangenis gehaald en onderricht werd dat kinderen, die snuffelden als er menschen waren, nooit in den hemel kwamen. Toen deze groote waarheid haar wel was ingeprent, werd zij op rijst vergast, en daarna moest zij een dankgebedje opzeggen, dat in het Kasteel was voorgeschreven en waarin bijzondere melding werd gemaakt van dankbaarheid aan mevrouw Pipchin voor den goeden maaltijd. Mevrouw Pipchin’s nicht, Berinthia, at koud spek. Mevrouw Pipchin zelve, wier gestel warm voedsel vereischte, had voor zich alleen lamskarbonaden, die snikheet tusschen twee borden werden binnengebracht en zeer lekker roken.Daar het na den eten regende en zij niet op het strand konden gaan wandelen, en mevrouw Pipchin’s gestel na de lamskarbonaden rust vereischte, gingen zij met Berry (anders gezegd Berinthia) naar den kerker, eene ledige kamer, die op een blinden muur en eene waterton uitzag, en iets spookachtig akeligs had door een schoorsteen zonder haard er in. Door gezelschap verlevendigd, was deze kamer toch de pleizierigste; want Berry speelde hier met de kinderen en scheen met evenveel lust te stoeien als zij, totdat mevrouw Pipchin gramstorig tegen den muur klopte; toen hielden zij op en vertelde Berry hun sprookjes tot het begon te schemeren.Bij de thee had men overvloed van water en melk en brood met boter, benevens een zwart trekpotje voor mevrouw Pipchin en Berry, en geboterden toast voor mevrouw Pipchin alleen, wie deze versnapering, evenals de karbonaden, snikheet werd gebracht. Hoewel mevrouw Pipchin onder het gebruik dier lekkernij van buiten zeer vettig werd, scheen zij haar van binnen geheel niet te smeren, want zij bleef even stroef, en de harde grijze oogen bleven even droog.Na de thee kreeg Berry een naaikistje, met het koninklijke paviljoen op het deksel, en ging ijverig aan het naaien; terwijl mevrouw Pipchin, na haar bril opgezet en een groot boek, met groene stof bekleed, opgeslagen te hebben, begon te knikken. En wanneer mevrouw Pipchin bijna voorover in het vuur viel en met een schrik wakker werd, gaf zij den kleinen Bitherstone een knip op den neus omdat hij ook knikte.Eindelijk was het voor de kinderen tijd om naar bed te gaan, en na gebeden te hebben, werden zij weggebracht. Daar de jonge jufvrouw Pankey bang was om alleen in den donker te slapen, maakte mevrouw Pipchin er eene wet van om haar zelve als een schaap naar boven te drijven; en het was vervroolijkend te hooren hoe het meisje, nog lang naderhand, in de naargeestigste kamer van het huis lag te huilen, en mevrouw Pipchin nu en dan daarheen ging om haar te stompen. Tegen half tien kwam de geur van warm krentenbrood (mevrouw Pipchin’s gestel kon zonder dat niet in slaap komen) eene afwisseling brengen in den heerschenden reuk van het huis, dien jufvrouw Wickam zeide dat een “bouwlucht” was, en kort daarop lag het geheele kasteel in slaap gedompeld.Het ontbijt van den volgenden morgen geleek naar de thee van den vorigen avond, behalve dat mevrouw Pipchin een geraspt broodje, in plaats van toast gebruikte, en daarna nog wat neteliger scheen dan anders. De kleine Bitherstone las hardop een geslachtregister uit Genesis (met oordeel door mevrouw Pipchin uitgekozen) en werkte zich door de namen heen met de vlugheid en het gemak van iemand, die tegen een tredmolen opstrompelt. Dit gedaan zijnde, werd jonge jufvrouw Pankey weggebracht om “geshampood” te worden, en de kleine Bitherstone om zich iets anders met zeewater te laten doen, waarvan hij altijd zeer blauw en neerslachtig terug kwam. Paul en Florence gingen intusschen met jufvrouw Wickam (die gedurig in tranen was) op het strand wandelen; en tegen den middag liet mevrouw Pipchin de kinderen bij zich lezen. Daar het tot haar stelsel behoorde den geest van een kind niet aan te[53]moedigen om zich te ontwikkelen en te ontsluiten als eene jonge bloem, maar om dien veeleer als een oester met geweld open te breken, was de moraal van die leeslessen doorgaans van zeer forschen aard; daar de held—een stoute jongen—zelden (ook als het nog genadig met hem afliep) door iets geringers dan een leeuw of beer om hals werd geholpen.Dit was het leven bij mevrouw Pipchin. Des zaterdags kwam Dombey over en gingen Florence en Paul naar zijn logement op de thee. Zij sleten den geheelen zondag met hem, en gingen gewoonlijk voor den maaltijd uit rijden, en onder zulk een toertje scheen hij nog veel stijver en stroever te zijn dan anders. De zondagavond was de akeligste avond van de week, want mevrouw Pipchin scheen er eene wet van gemaakt te hebben om dan altijd bijzonder knorrig te zijn. De jonge jufvrouw Pankey werd doorgaans diep bedroefd van eene tante teRottendeanteruggebracht; en de kleine Bitherstone, wiens bloedverwanten allen inIndiëwaren, en die tusschen de kerktijden stijf rechtop met zijn hoofd tegen den muur in de voorkamer moest zitten, zonder hand of voet te bewegen, vond dit zoo onuitstaanbaar, dat hij Florence op een zondagavond eens vroeg, of zij hem niet den weg kon wijzen om weer naarBengalente komen.Men zeide echter algemeen, dat mevrouw Pipchin wel met kinderen te recht wist te komen, en dit was in zekeren zin ook waar. De wildste kinderen gingen, nadat zij eenige maanden onder haar gastvrij dak hadden vertoefd, mak genoeg naar huis. Men zeide ook algemeen dat het mevrouw Pipchin zeer tot eer strekte, dat zij zich aan deze levenswijs had gewijd, en haar gevoel zoo had weten te overwinnen en hare rampen zoo standvastig onder de oogen had gezien, toen haar man van hartzeer over de mijnen vanPeruwas gestorven.Naar deze voorbeeldige oude dame kon Paul in zijn leuningstoeltje bij het vuur blijven zitten staren, hoelang het ook duurde. Terwijl hij mevrouw Pipchin zoo strak aankeek, scheen hij niet te weten wat verveling was. Hij hield niet van haar; hij was niet bang voor haar; maar als hij in zulk eene stemming was, scheen zij eene groteske aantrekkingskracht voor hem te hebben. Daar zat hij dan haar aan te kijken, tot hij mevrouw Pipchin, wildevrouw als zij was, somtijds verlegen maakte. Eens vroeg zij hem, toen zij alleen waren, waar hij over dacht.“Over u,” zeide Paul, zonder de minste achterhoudendheid.—“En wat denkt gij over mij?” vroeg zij.—“Ik denk hoe oud gij moet wezen,” zeide Paul.—“Gij moet zulke dingen niet zeggen, jonge heer,” liet zij hierop volgen. “Dat behoort niet.”—“Waarom niet?” vroeg Paul.—“Omdat het niet beleefd is,” antwoordde mevrouw Pipchin snibbig.—“Niet beleefd?” zeide Paul.—“Neen.”—“Het is niet beleefd,” zeide Paul, geheel argeloos, “al de lamskarbonaden en toast op te eten, zegt jufvrouw Wickam.”—“Jufvrouw Wickam,” viel mevrouw Pipchin uit, eene kleur krijgende, “is eene onbeschaamde prij.”—“Wat is dat?” vroeg Paul alweer.—“Dat is buiten u, jonge heer,” antwoordde mevrouw Pipchin. “Denk maar aan de historie van den kleinen jongen die door een dollen stier werd dood gestooten omdat hij te veel vroeg.”—“Als de stier dol was,” zeide Paul, “hoe wist hij dan dat de jongen te veel gevraagd had? Niemand kan een dollen stier geheimen gaan influisteren. Ik geloof niet aan die historie.”—“Gelooft gij er niet aan?” riep mevrouw Pipchin met verbazing uit.—“Neen,” zeide Paul.—“Ook niet, als het nu eens een makke stier was geweest?” zeide mevrouw Pipchin.Daar Paul de zaak nog niet uit dit oogpunt had bezien, en zijne besluiten op de beweerde dolheid van den stier had gebouwd, liet hij zich daarmede vooreerst tot zwijgen brengen. Maar hij bleef er over zitten peinzen, met zulk een blijkbaar voornemen om mevrouw Pipchin zoo met een vast te zetten, dat zelfs deze geharde oude dame het voorzichtig achtte heen te gaan tot hij het geval vergeten had.Van dien tijd af scheen kleine Paul dezelfde zonderlinge aantrekkingskracht op mevrouw Pipchin uit te oefenen, als zij op hem deed. Zij liet hem zijn stoeltje aan denzelfden kant van het vuur zetten, in plaats van tegen haar over, en daar zat hij dan, in een hoekje tusschen mevrouw Pipchin en den haard, elke rimpel van haar gezicht te bestudeeren en in hare harde grijze oogen te turen, tot zij die somtijds liever maar dicht deed, en zich hield alsof zij was ingedut. Mevrouw Pipchin had eene oude zwarte kat, welke doorgaans voor den haard ineengerold, egoïstisch lag te spinnen, en naar het vuur te knipoogen, tot hare versmalde oogappels naar twee uitroepteekenen geleken. De goede vrouw had—het zij zonder oneerbiedigheid gezegd—wel eene heks kunnen zijn, en Paul en de kat hare twee gedienstige geesten, gelijk zij daar te zamen bij het vuur zaten. Het zou volmaakt met het voorkomen van dit gezelschapje gestrookt hebben, als zij allen eens op een avond bij een harden wind den schoorsteen waren ingevlogen, en men nooit weder iets van hen gehoord had.Dit gebeurde echter niet. De kat, Paul en mevrouw Pipchin waren na den donker bestendig op hunne gewone plaatsen te vinden; en Paul, het kameraadschap van den kleinen Bitherstone schuwende, bleef avond aan avond mevrouw Pipchin, de kat en het vuur bestudeeren, alsof zij een tooverboek in drie deelen waren.Jufvrouw Wickam verklaarde Paul’s zonderlingheden op hare eigene manier; en in hare[54]zwaarmoedigheid bevestigd door het uitzicht op eenige zwarte schoorsteenen, het aanhoudende geloei van den wind, in de kamer waar zij gewoonlijk zat, en de eentonigheid (narigheid was hare krachtige uitdrukking) van haar tegenwoordig leven, leidde zij uit de vermelde gegevens de akeligste gevolgen af. Mevrouw Pipchin was er zeer op uit om allen vertrouwelijken omgang tusschen hare meid en jufvrouw Wickam af te snijden, en besteedde dientengevolge veel tijd om achter eene deur verborgen op de wacht te staan, en dan eensklaps uit te schieten, als die ongelukkige meid zich naar jufvrouw Wickam’s kamer wilde begeven. Berry daarentegen mocht daar zoo dikwijls komen en zoolang blijven, als dit door de menigvuldige plichten, waaraan zij zich van den ochtend tot den avond afsloofde, werd veroorloofd, en het was voor Berry dat jufvrouw Wickam haar gemoed ontlastte.“Welk een aardig jongetje is hij als hij slaapt!” zeide Berry, en bleef staan om naar Paul in bed te kijken, toen zij jufvrouw Wickam eens haar avondeten bracht.—“Och ja,” zuchtte jufvrouw Wickam. “En dat mag hij ook wel!”—“Wel, als hij wakker is, is hij toch ook niet leelijk,” merkte Berry aan.—“Neen, jufvrouw. O neen. En mijn ooms Betsey Jane ook niet,” zeide jufvrouw Wickam.Berry keek alsof zij naar het verband tusschen Paul Dombey en jufvrouw Wickam’s ooms Betsey Jane zocht.“Mijn ooms vrouw,” vervolgde jufvrouw Wickam, “stierf evenzoo als zijne mama. En met zijn dochtertje ging het eveneens als met jongen heer Paul. Dat kind deed iemand somtijds het bloed stollen, dat deed zij!”—“Hoe zoo?” vroeg Berry.—“Ik had ’s nachts niet alleen bij Betsey Jane willen opblijven,” zeide jufvrouw Wickam, “al hadt gij Wickam den anderen ochtend zelf in eene zaak willen zetten. Ik had het niet kunnen doen, jufvrouw Berry.”Berry vroeg natuurlijk, waarom niet; maar jufvrouw Wickam praatte, volgens het gebruik van sommige dames van haar stand, op hare eigene manier voort.“Betsey Jane,” vervolgde zij, “was zulk een lief kind als iemand kon verlangen. Ik denk nooit liever kind te zullen zien. Door alle ziekten, die een kind krijgen kan, was zij allerliefst heen gekomen. Maar Betsey Jane,” vervolgde zij, hare stem latende dalen en naar Paul in zijn bedje omkijkende, “was in haar wiegje door hare doode moeder bewaakt. Ik zou niet kunnen zeggen hoe, of wanneer, en zou ook niet kunnen zeggen of het lieve kind het wist of niet, maar Betsey Jane was door hare moeder bewaakt, jufvrouw Berry! Gij moogt zeggen dat dit gekheid is, en ik zal het u niet kwalijk nemen, jufvrouw. Ik hoop zelfs dat gij het met uw geweten overeen kunt brengen om te denken, dat het maar gekheid is; gij zult er des te vroolijker door blijven; neem mij niet kwalijk dat ik zoo vrij ben—in dit akelige, grafachtige huis, dat mij den dood zal doen. Paul is wat onrustig in zijn slaap. Klop hem eens op den rug, als het u belieft.”—“Gij denkt natuurlijk,” zeide Berry, zachtjes doende wat haar gevraagd was, “dat hij ook door zijne moeder bewaakt is?”—“Met Betsey Jane,” zeide jufvrouw Wickam op haar allerplechtigsten toon, “is het eveneens gegaan als het met dat kind gegaan is. Zij is eveneens veranderd als dat kind veranderd is. Ik heb haar dikwijls en dikwijls zoo zien zitten denken—denken—denken, evenals hij. Ik heb haar dikwijls even zoo oudachtig zien kijken als hij. Ik heb haar dikwijls eveneens hooren praten als hij doet. Ik houd het er voor dat het met dat kind en Betsey Jane volmaakt eveneens is, jufvrouw Berry.”—“Is dat kind van uw oom nog in leven?” vroeg Berry.—“Ja, jufvrouw Berry, nog in leven,” antwoordde jufvrouw Wickam, met iets zegevierends in haar toon, want blijkbaar had Berry het tegendeel verwacht, “en zij is met een zilversmid getrouwd. O ja, jufvrouw,zijis nog in leven,” zeide jufvrouw Wickam, met bijzonderen nadruk op het voornaamwoord.Daar het duidelijk genoeg was dat iemand anders dood moest wezen, vroeg mevrouw Pipchin’s nicht wie dat was.“Ik zou u niet gaarne ongerust willen maken,” antwoordde jufvrouw Wickam, aan haar avondeten beginnende. “Vraag het mij maar niet.”Dit was het zekerste middel om nog meer gevraagd te worden. Berry deed dit dus ook, en na nog wat tegensporrelen legde jufvrouw Wickam haar mes neer, en naar Paul in zijn bedje omziende, antwoordde zij:“Zij hechtte zich bijzonder aan sommige menschen. Somtijds was het onverklaarbaar waarom; somtijds was het eene gehechtheid, die men natuurlijk had kunnen verwachten, maar sterker dan gewoonlijk. Al die menschen stierven.”Dit was zoo onverwacht en ontzettend, dat Berry stijf op den harden rand van het ledikant bleef zitten en, kort ademhalende, hare berichtgeefster met on verholen angst aanstaarde.Jufvrouw Wickam wees tersluiks met haar voorvinger naar het bedje, waar Florence lag te slapen en toen even nadrukkelijk naar den grond. Vlak daaronder was de kamer waar mevrouw Pipchin gewoonlijk haar souper gebruikte.“Onthoud wat ik zeg, jufvrouw Berry,” zeide jufvrouw Wickam, “en wees dankbaar dat jonge heer Paul niet van u houdt. Ik ben het, dat hij niet van mij houdt, dat verzeker ik u; al hebt ge niet veel om voor te leven—neem mij niet kwalijk, dat ik zoo vrij ben—in zulk eene gevangenis van een huis.”[55]Misschien deed Berry’s ontroering haar Paul wat al te hard op den rug kloppen, of wel geheel daarmede ophouden, maar hij keerde zich nu in het bed om, werd daarop wakker, kwam overeind, ontsteld door een benauwden droom, en vroeg naar Florence.Op het eerste geluid van zijne stem, was zij uit haar bed; en terstond over zijne peluw buigende, zong zij hem weder in slaap. Jufvrouw Wickam schudde haar hoofd, en liet eenige tranen vallen, terwijl zij deze groep aan Berry wees.“Goeden nacht, jufvrouw, goeden nacht,” zeide jufvrouw Wickam zacht. “Uwe tante is eene oude vrouw, en het is dus iets dat ge toch al dikwijls moet verwacht hebben.”Jufvrouw Wickam vergezelde dit troostende vaarwel met een blik van diepe zielesmart, en toen zij met de twee kinderen alleen was gebleven, gaf zij zich aan hare zwaarmoedigheid over, tot zij ook door den slaap werd overweldigd.Hoewel de nicht van mevrouw Pipchin deze voorbeeldige vrouw juist niet dood op het haardkleedje dacht te vinden, toen zij naar beneden ging, was het toch eene verademing voor haar toen zij haar buitengemeen knorrig en lastig vond, en zij alle blijken gaf dat zij voornemens was om nog lang, tot vreugde van allen die haar kenden, te blijven leven. Ook in de volgende week vertoonden zich nog geene verschijnselen van tering, maar verdwenen de voedingsmiddelen, die haar gestel vereischte, even geregeld als gewoonlijk, hoewel kleine Paul haar zoo onvermoeid als ooit bestudeerde, en op zijne gewone plaats tusschen haar zwarten rok en den haard bleef zitten.Maar dewijl Paul na verloop van dien tijd niet sterker was dan bij zijne komst, hoewel zijn gezichtje er veel gezonder uitzag, werd er een wagentje voor hem gekocht, waarin hij op zijn gemak kon liggen, met een A B boek en eenige prentenboekjes bij zich, en zich naar den zeekant laten rijden. Overeenkomstig met zijn zonderlingen smaak, wilde het kind niets weten van een frisschen blozenden knaap, die voorgesteld werd om zijn wagentje te trekken, en koos, in zijne plaats, zijn grootvader, een oud, afgeleefd man, met een allerzuurst gezicht en een pak van oud wasdoek, dat een reuk verspreidde gelijk een met wier overdekt strand.Met dezen fraaien bediende om hem voort te trekken, en Florence altijd naast hem, terwijl de neerslachtige jufvrouw Wickam achteraankwam, werd hij dagelijks naar het strand gereden, en zat of lag hij daar uren achtereen in zijn wagentje, terwijl niets hem zoo onaangenaam was als het gezelschap van kinderen—Florence alleen altijd uitgenomen.“Ga maar heen, als het u belieft,” zeide hij gewoonlijk tot een kind, dat hem gezelschap wilde komen houden. “Ik dank u wel, maar ik heb u niet noodig.”Een kinderstemmetje aan zijn oor vroeg hem wel eens hoe het hem ging.“Ik ben heel wel—dank u,” antwoordde hij dan; “maar gij moest liever maar gaan spelen, als het u belieft.”Dan keerde hij zijn hoofd om, wachtte tot het kind weg was, en zeide tot Florence: “Wij hebben niemand anders noodig, niet waar? Geef mij maar een kus, Flore.”Hij had op zulk een tijd zelfs een hekel aan het gezelschap van jufvrouw Wickam, en was weltevreden als zij opkuierde, gelijk zij meestal deed, om schelpen en kennissen te zoeken. Zijn geliefkoosd plekje was eene eenzame plaats ver van de gewone wandeling; en als Florence daar bij hem zat te werken, of hem voorlas, of met hem praatte, en de wind hem langs het voorhoofd blies, en het water tot aan de wielen van zijn wagentje opkwam, verlangde hij niets meer.“Flore,” zeide hij eens, “waar isOost-Indië, waar de familie van dien jongen woont?”—“O, dat is heel ver weg,” zeide Florence, hare oogen van haar werk opslaande.—“Weken ver?” vroeg Paul.—“Ja; men zou vele weken dag en nacht moeten reizen om er te komen.”—“Als gij inOost-Indiëwaart, Flore,” zeide Paul, na eene poos te hebben gezwegen, “dan zou ik—wat was het dat mama deed? Dat ontschiet mij daar.”—“Mij liefhebben,” antwoordde Florence.—“Neen, neen. Heb ik u dan nu niet lief, Flore? Wat is het?—Sterven. Als gij inOost-Indiëwaart, zou ik sterven, Flore.”Zij legde haastig haar werk neer, liet haar hoofdje op zijn kussen rusten en liefkoosde hem. En dat zou zij ook, zeide zij, als hij daar was. Hij zou wel gauw beter worden.“O, ik ben nu al veel beter,” antwoordde hij. “Dat meen ik niet. Ik meen dat ik zou sterven, omdat ik zoo bedroefd en zoo alleen zou zijn, Flore.”Een andermaal viel hij op dezelfde plaats in slaap en bleef een langen tijd gerust slapen. Toen hij wakker werd, kwam hij met zekeren schrik overeind en bleef zitten luisteren.Florence vroeg hem wat hij dacht te hooren.“Ik wilde weten wat zij zegt,” antwoordde hij, haar strak aanziende. “De zee, Flore, wat zegt zij toch zoo gedurig?”Zij zeide hem dat het alleen het gerucht der rollende golven was.“Ja, ja,” zeide hij. “Maar ik weet dat zij altijd iets zeggen. Altijd hetzelfde. Wat ligt daar aan den overkant?” Hij richtte zich nog meer op en tuurde met verlangen naar den gezichteinder.Zij zeide hem dat daar aan den overkant een ander land lag, maar hij zeide dat hij dit niet[56]meende; hij meende verder weg—verder weg!Zeer dikwijls brak hij naderhand midden in hun gesprek af en poogde te verstaan wat het was dat de golven gedurig zeiden, en kwam hij in zijn bedje overeind om naar dat onzichtbare gewest—ver aan den overkant—te staren.
VIII.PAUL’S VERDERE ONTWIKKELING EN KARAKTER.
Onder de waakzame en oplettende oogen van den tijd—in zooverre een tweede majoor—veranderde de sluimer van den kleinen Paul langzamerhand van aard. Al meer en meer licht brak daarin door; hij werd door al duidelijker en duidelijker droomen gestoord. Eene gestadig toenemende menigte van voorwerpen en indrukken dwarrelde om hem heen, en zoo trad hij de eerste bewustelooze kindsheid uit, en werd hij een loopende, pratende, zich verwonderende Dombey.Na de ongenade en verbanning van Richards, werd de kinderkamer om zoo te zeggen aan eene commissie opgedragen gelijk een ministerie somtijds gedaan wordt, als men geen Atlas kan vinden die in staat is om het alleen te torschen. De commissarissen waren natuurlijk mevrouw Chick en jufvrouw Tox, die zich met zulk een[46]verbazenden ijver aan hare plichten toewijdden, dat majoor Bagstock dagelijks eene nieuwe herinnering aan zijne verlatenheid kreeg, terwijl mijnheer Chick, van alle huiselijk opzicht ontslagen, zich in de vermaken der wereld stortte, in clubs en koffiehuizen dineerde, bij drie verschillende gelegenheden naar tabak rook, alleen naar de komedie ging, kortom (gelijk mevrouw Chick hem eens zeide) zich van alle maatschappelijke en zedelijke verplichtingen losmaakte.Evenwel konden, in weerwil van hetgeen hij vroeger had beloofd, al deze waakzaamheid en zorg den kleinen Paul niet tot een voorspoedig kind maken. Misschien reeds zwak van gestel, begon hij, nadat zijne min was weggezonden, te kwijnen en te vermageren, en scheen hij lang slechts eene gelegenheid af te wachten om door de handen te glippen en zijne verlorene moeder te gaan opzoeken. Hij kwam wel op zijnsteeple-chasenaar den mannelijken leeftijd over dezen gevaarlijken grond heen, maar vond den rit toch nog moeielijk genoeg, en leed veel aanstoot van al de hindernissen in zijn ren. Elke tand was eene schutting waarover hij bijna den hals brak, ieder puistje, toen hij de mazelen kreeg, was een steenen muur voor hem. Bij elke vlaag van den kinkhoest stortte hij neer, en dan werd hij door een geheelen jachttroep van kleine ziekten overreden en vertrapt, die elkander op de hielen volgden om hem te beletten weder op te staan.De koude bij zijn doop was bij hem misschien op een gevoelig deel van zijn gestel gevallen, dat zich in de even koude schaduw van zijn vader niet weder kon herstellen; maar hij was van dien dag af een ongelukkig kind. Jufvrouw Wickam zeide dikwijls dat zij nog nooit een kind zoo sukkelig had gezien.Jufvrouw Wickam was de vrouw van een logementknecht—hetgeen met een ander mans weduwe zou schijnen gelijk te staan—welker aanzoek om bij Dombey in dienst te komen gunstig was opgenomen, daar het bijna onmogelijk scheen te zijn, dat zij iemand zou hebben, die haar naliep, of iemand om na te loopen; en die, een paar dagen nadat Paul zoo streng was gespeend, was aangesteld om hem op te passen. Jufvrouw Wickam was eene zachtzinnige vrouw, met eene blanke kleur, altijd eenigszins opgetrokken wenkbrauwen en een neerhangend hoofd, altijd gereed om zich zelve te beklagen of te laten beklagen, en anderen te beklagen; en die eene verwonderlijke natuurlijke gaaf had om alle dingen in een jammerlijk licht te beschouwen, en schrikkelijke voorbeelden daarvan aan te halen, en in de uitoefening van dit talent den grootsten troost scheen te vinden.Het is bijna niet noodig aan te merken, dat geen zweem van deze eigenschap ooit de kennis van den statigen Dombey bereikte. Het zou wel opmerkelijk zijn geweest, als dit gebeurd was, terwijl niemand in huis—zelfs mevrouw Chick en jufvrouw Tox niet—hem had durven toefluisteren dat er ooit de minste reden was geweest om zich over den kleinen Paul ongerust te maken. Hij was het met zich zelven eens, dat het kind noodzakelijk zekere reeks van geringe ziekten moest doorloopen, en dat wel hoe eer hoe beter. Als hij hem had kunnen vrijkoopen, of een plaatsvervanger stellen, gelijk bij het trekken van een ongelukkig nommer voor de militie, zou hij dit gaarne gedaan hebben, zonder op geld te zien. Maar dewijl dit niet doenlijk was, verwonderde hij zich slechts nu en dan, op zijne hooghartige manier, wat de natuur toch daarmede wilde, en troostte hij zich met de gedachte dat men daarmede wederom een mijlsteen van den weg voorbij was, en het groote doel der reis zooveel nader was gekomen. Want het gevoel dat thans bij hem de overhand had en, naarmate Paul ouder werd, meer en meer toenam, was ongeduld. Ongeduld naar dien tijd in het verschiet, wanneer de droomgezichten hunner vereenigde grootheid zegevierend verwezenlijkt zouden worden.Sommige wijsgeeren zeggen ons dat zelfzucht de wortel van al onze aandoeningen, zelfs van de edelste liefde is. Dombey’s jongste kind was hem, van den eersten af, zoo duidelijk om die reden gewichtig, dewijl het een deel van zijne eigene grootheid, of (hetgeen hetzelfde is) van de grootheid van Dombey en Zoon was, dat het niet te betwijfelen is of men had voor zijne vaderlijke genegenheid, gelijk voor menig fraai gebouw van weidschen naam, een zeer lagen grondslag kunnen opsporen. Maar hij had zijn zoon toch lief met al de liefde die hij had. Indien er in zijn bevroren hart een warm plekje was, had zijn zoon het in bezit; indien de harde oppervlakte van dat hart den indruk van eenig beeld kon ontvangen, stond daar het beeld van zijn zoon; hoewel niet zoozeer als kind, of knaap, maar als volwassen man—als de “Zoon” der firma. Daarom was hij ongeduldig om de toekomst te bereiken en over de tusschenkomende toevalligheden heen te snellen. Daarom was hij, in weerwil van zijne liefde, daarover weinig of niet ongerust; want het was hem alsof het kind een betooverd leven had en de manmoestworden, met wien hij in zijne gedachten reeds gestadig omging, en voor wien hij dagelijks plannen en ontwerpen maakte, alsof hij reeds werkelijk bestond.Zoo werd Paul bijna vijf jaren oud. Hij was een aardig knaapje, hoewel zijn smal gezichtje iets schraals en scherps had, dat jufvrouw Wickam dikwijls veelbeteekenend het hoofd deed schudden. Zijn humeur gaf overvloedige beloften dat het op later leeftijd heerschzuchtig zou zijn; en hij had zulk een duidelijk begrip van[47]zijn eigen gewicht en van het rechtmatige, dat alle andere dingen en personen hem dienstbaar en onderworpen moesten zijn, als eenig hart kon verlangen. Hij was somtijds kinderlijk en speelziek genoeg, en niet stug van aard; maar somtijds had hij ook eene vreemde, oudmannetjesachtige manier om in zijn leuningstoeltje te zitten peinzen, en dan zag hij er uit (en zoo praatte hij ook) als een van die schrikkelijke wezentjes in de tooversprookjes, die, al zijn zij honderd vijftig of tweehonderd jaren oud, nog het fantastische beeld vertoonen van de kinderen waarvoor zij verruild zijn. Dikwijls kreeg hij zulk eene vlaag boven op de kinderkamer; en somtijds kwam hij er plotseling toe, met den uitroep dat hij moe was, zelfs terwijl hij met Florence speelde of met jufvrouw Tox paardje reed. Maar nooit kwam hij er zoo zeker toe, als wanneer hij, met zijn stoeltje naar zijn vaders kamer gebracht, daar met dezen na den maaltijd bij het vuur zat. Zij waren op zulk een tijd het zonderlingste paar, dat ooit door een vuur is beschenen. Dombey, zoo statig rechtop naar de vlam starende; zijn klein afbeeldsel, met een oud, oud gezichtje en met de strakke aandacht van een peinzend wijsgeer in den rooden gloed turende. Dombey hield zich met ingewikkelde wereldsche plannen en berekeningen bezig,—zijn klein afbeeldsel met, de hemel weet welke, grillige verbeeldingen, halfgevormde gedachten en ongeregelde bespiegelingen. Dombey stijf van stijfsel en eigenwaan, zijn klein afbeeldsel even stijf bij erfenis en door onwillekeurige nabootsing. Die twee zoozeer aan elkander gelijk, en toch zulk een verbazend contrast.Bij een dezer gelegenheden, toen zij beiden langen tijd hadden stilgezwegen, en Dombey alleen wist dat het kind wakker was door het nu en dan naar de oogen te kijken, waarin het heldere vuur flonkerde als een juweel, verbrak kleine Paul aldus de stilte:“Papa, wat is geld?”Deze onverwachte vraag stond in zulke onmiddellijke betrekking met Dombey’s eigene gedachten, dat hij er geheel door van zijn stuk raakte.“Wat geld is, Paul?” antwoordde hij. “Geld?”—“Ja,” zeide het kind, zijne handjes op de armleuningen van zijn stoeltje leggende en met zijn oud gezichtje naar Dombey opziende; “wat is geld?”Dombey bevond zich in verlegenheid. Hij had hem gaarne eene opheldering willen geven, waarin van de verschillende ruilmiddelen, edele metalen, munt, papier, wisselkoers, en zoo voort, melding moest gemaakt worden; maar naar het stoeltje kijkend, en ziende hoever omlaag dat nog was, antwoordde hij: “Goud zilver en koper. Guinjes, schellingen en stuivers. Gij weet immers wel wat die zijn!”— “O ja, ik weet wel wat die zijn,” zeide Paul; “maar dat meen ik niet papa. Ik meen, wat is eigenlijk geld?”Hemel en aarde, hoe oud was het gezichtje, waarmede hij weder naar zijn vader opzag!“Wat eigenlijk geld is?” zeide Dombey, zijn stoel wat achteruitschuivende, om vol verbazing het verwatene wezentje, dat zulk eene vraag deed, te beter aan te zien.—“Ik meen, papa, wat kan het doen?” hervatte Paul, zijne armpjes over elkander slaande (die nauwelijks lang genoeg waren om over elkander te slaan), terwijl hij eerst naar het vuur en toen naar hem, en weder naar het vuur en weder naar hem opkeek.Dombey schoof zijn stoel weder bij en klopte hem op het hoofd. “Dat zult ge door den tijd wel beter leeren, manneke,” zeide hij. “Geld, Paul, kan alles doen.” Hij vatte het lichte handje en tikte er zacht mede op zijne eigene hand terwijl hij dit zeide.Maar Paul trok zoo gauw hij kon zijne hand los, en die op de armleuning van zijn stoeltje wrijvende, alsof zijn verstand in de palm zat en hij het wilde slijpen, en wederom naar het vuur kijkende, alsof het vuur de raadsman was die hem zijne vragen influisterde, zeide hij, na een poosje bedenkens:“Alles, papa?”—“Ja—nagenoeg,” zeide Dombey.—“Alles,” herhaalde de kleine nog eens bij zich zelven. Het beperkende bijvoegsel had hij niet opgemerkt, of misschien niet begrepen, en vervolgde toen hardop. “Waarom heeft het geld dan mijne mama niet gered? Het is immers niet boosaardig, niet waar?”—“Boosaardig!” zeide Dombey, zijne das verschuivende, en eenigszins verstoord, naar het scheen, over zulk een denkbeeld. “Neen. Iets goeds kan niet boosaardig wezen.”—“Als het iets goeds is en alles kan doen,” zeide de kleine peinzend en weder naar het vuur kijkende, “dan verwondert het mij, dat het mijne mama niet heeft gered.”Ditmaal was dit geene vraag, die hij tot zijn vader richtte. Misschien had hij, met de schranderheid van een kind, gezien dat hij dezen reeds verdrietig had gemaakt. Maar hij herhaalde de gedachte overluid, alsof zij iets zeer ouds voor hem was en hem reeds dikwijls had lastig gevallen; en bleef met de kin in de hand zitten kijken en peinzen, alsof hij in het vuur eene opheldering zocht.Toen Dombey zich van zijne verrassing, om niet te zeggen van zijn schrik had hersteld (want het was de eerste maal dat het kind van zijne moeder tot hem sprak, schoon hij het avond aan avond evenzoo naast hem had zien zitten) verklaarde hij Paul hoe het geld, schoon een machtige geest, en waarvan men vooral geen kwaad moest spreken, geene menschen in leven kon houden, voor wie de tijd gekomen[48]was om te sterven; en hoe wij allen moeten sterven, ongelukkig zelfs in deCity, hoe rijk wij ook zijn. Maar hoe het geld ons geëerd, gevreesd, geacht, gediend en gevierd deed worden, en ons in de oogen van alle menschen machtig en aanzienlijk maakte, en hoe het zelfs dikwijls den dood zeer lang kon weghouden. Hoe het, bij voorbeeld, zijne mama de diensten van mijnheer Pilkins had verschaft, waarvan Paul zelf ook dikwijls nut had gehad; zoo mede van den grooten dokter Parker Peps, dien hij nooit gekend had. Hoe het alles kon doen wat maar te doen was. Dit alles, en nog meer van dien aard, prentte Dombey zijn zoon in den geest, die aandachtig luisterde en het meeste van hetgeen hem gezegd werd zeer wel scheen te verstaan.“Het kan mij ook niet sterk en heelemaal gezond maken, niet waar papa; kan het wel?” zeide Paul na eene korte poos van stilte, zijne magere handjes wrijvende.—“Wel, gij zijt immers sterk en geheel gezond,” antwoordde Dombey. “Zijt ge niet?”O, hoe oud was het gezichtje dat naar hem opzag, en met eene uitdrukking half van treurigheid, half van slimheid daarin!“Ge zijt immers zoo sterk en gezond als zulke kleine jongens gewoonlijk zijn? He?” zeide Dombey.—“Florence is ouder dan ik, maar ik ben niet zoo gezond en sterk als Florence, dat weet ik wel,” antwoordde het kind; “en ik geloof, dat, toen Florence zoo klein was als ik, zij veel langer achtereen kon spelen zonder moe te worden. Ik ben somtijds zoo moe,” zeide kleine Paul, zijne handjes warmende, en tusschen de traliën van den haard kijkende, alsof daar een spookachtig poppenspel werd vertoond, “en mijn gebeente doet dan zoo zeer (jufvrouw Wickam zegt, dat het mijn gebeente is) dat ik niet weet wat ik doen zal.”—“Ja, maar dat is ’s avonds,” zeide Dombey, zijn stoel dichter bij dien van zijn zoon schuivende, en hem de hand zacht op den rug leggende, “kleine jongens moeten ’s avonds moe zijn, want dan slapen zij goed.”—“O, het is niet ’s avonds, papa,” antwoordde het kind; “het is overdag; en dan ga ik op Florence’s schoot liggen, en dan zingt zij voor mij. En des nachts droom ik van zulke won-der-lijke dingen.”En hij bleef zijne handjes zitten warmen en peinzen, gelijk een oud manneke of een jong kaboutertje.Dombey was zoo verbaasd, en zoo slecht op zijn gemak, en zoo verlegen hoe hij het gesprek zou voortzetten, dat hij niets kon doen dan zijn zoon in het schijnsel van het vuur te blijven aanzien, met de hand nog op zijn rug, alsof die daar door eene magnetische aantrekking werd vastgehouden. Eens stak hij zijne andere hand uit en lichtte hij even het peinzende gezichtje naar het zijne op. Maar zoodra hij het losliet, zocht het wederom het vuur; en zoo bleef Paul zitten, naar de flikkerende vlam gekeerd, tot zijne oppasster kwam om hem naar bed te halen.“Ik wil dat Florence mij komt halen,” zeide Paul.—“Wilt ge dan niet met uwe goede jufvrouw Wickam meegaan, jonge heer Paul?” zeide deze jufvrouw zeer aandoenlijk,—“Neen, ik wil niet,” antwoordde Paul, en zette zich weder te recht op zijn stoeltje, alsof hij in huis heer en meester was.Met eene zegenspraak over zijne onnoozelheid, ging jufvrouw Wickam heen, en kort daarop verscheen Florence. Paul sprong terstond vlug en gewillig overeind, en hief, om zijn vader goedennacht te zeggen, een gezichtje op, zooveel helderder, zooveel jonger, over het geheel zooveel kinderlijker, dat Dombey door die verandering in groote mate gerustgesteld, er tevens zeer verbaasd over was.Toen zij te zamen de kamer uit waren, meende hij eene zachte stem te hooren zingen: en zich herinnerende hoe Paul gezegd had dat zijne zuster voor hem zong, had hij de nieuwsgierigheid om de deur te openen, hen na te zien en te luisteren. Zij zwoegde de breede holle trap op, met Paul in hare armen; zijn hoofdje lag op haar schouder, en een van zijne armpjes was om haar hals geslagen. Zoo tobden zij voort, zij den geheelen weg over zingende, en Paul somtijds flauw neuriënde om met haar mee te doen. Dombey zag hen na tot zij boven aan de trap waren gekomen—niet zonder onderweg eens te staan rusten—en uit zijne oogen verdwenen. Toen bleef hij nog naar boven staan kijken, tot de bleeke stralen der maan, die met eene treurige schemering door de traplantaarn vielen, hem weder naar zijne kamer deden gaan.Mevrouw Chick en jufvrouw Tox werden des anderen daags tot eene raadsvergadering aan het diner geroepen; en toen de tafel was afgenomen, opende Dombey de handelingen door te verzoeken, dat men hem zonder eenige terughouding of bewimpeling zou onderrichten, of Paul iets scheelde en wat mijnheer Pilkins van hem zeide.Luisterende naar de zee. (blz. 55).Luisterende naar de zee.(blz. 55).“Want het kind is wel niet zoo stevig,” zeide Dombey, “als ik kon wenschen.”—“Met uwe gewone scherpzinnigheid, mijn beste Paul,” antwoordde mevrouw Chick, “hebt gij het in eens juist getroffen. Onze lieveling is niet geheel zoo stevig als wij konden wenschen. De zaak is dat zijn geest hem te sterk is. Zijne ziel is veel te groot voor zijn lichaam. Inderdaad, de manier waarop dat lieve kind praat,” vervolgde zij, haar hoofd schuddende, “zou niemand gelooven. Zijne uitdrukkingen, Lucretia, gisteren nog, over begrafenissen!—”—“Ik vrees,” viel Dombey haar netelig in de rede, “dat sommige van die lieden boven het kind op ongepaste onderwerpen[49]brengen. Hij sprak mij gisteravond van—van zijn gebeente,” zeide Dombey, een gramstorigen nadruk op dat woord leggende. “Wat op de wereld heeft iemand te maken met—met het gebeente van mijn zoon? Hij is toch geen levend geraamte, zou ik denken.”—“Verre van daar,” zeide mevrouw Chick, met onbeschrijfelijke kracht.—“Dat hoop ik ook,” hervatte haar broeder. “Dan weer—begrafenissen. Wie praat het kind van begrafenissen? Wij zijn toch geen aansprekers of doodgravers naar mij dunkt.”—“Verre van daar,” zeide mevrouw Chick op denzelfden toon als te voren.—“Wie brengt hem dan toch zulke dingen in het hoofd?” zeide Dombey. “Ik was er gisteravond waarlijk van ontzet. Wie brengt hem toch zulke dingen in het hoofd, Louise?”—“Mijn lieve Paul,” zeide mevrouw Chick, na een oogenblik van stilte, “dat behoeft eigenlijk niet gevraagd te worden. Ik denk niet, dat moet ik u oprecht zeggen, dat jufvrouw Wickam een heel opgeruimd mensch is, niet wat men zoo zou noemen …”—“Eene dochter van Momus,” gaf jufvrouw Tox haar zachtjes in bedenking.—“Juist zoo,” zeide mevrouw Chick. “Maar zij is heel oplettend en gewillig, en geheel niet eigenwijs; ik heb waarlijk nooit gezeggelijker mensch gezien. Als het lieve kind,” vervolgde mevrouw Chick, op een toon alsof zij de slotsom opmaakte uit iets waarover men het[50]te voren geheel eens was geworden, in plaats van het alles voor de eerste maal te zeggen, “door dien laatsten stoot wat verzwakt is, en geene zoo krachtige gezondheid heeft als wij wel konden wenschen; en als zijn gestel tegenwoordig wat zwak is, alsof hij nu en dan eene zekere lamheid schijnt te hebben in zijne.…”Mevrouw Chick was bang om beentjes te zeggen, daar Dombey pas getoond had zooveel tegen gebeente te hebben, en wachtte dus naar eene influistering van jufvrouw Tox, die, getrouw aan haar post, het woord “leedjes” waagde.“Leedjes?” herhaalde Dombey.—“Mij dunkt dat de dokter van morgen zijne beentjes noemde, deed hij niet, Louise?” zeide jufvrouw Tox.—“Wel zeker deed hij dat, lieve,” antwoordde mevrouw Chick, met zacht verwijt. “Hoe kunt ge mij dat vragen? Gij hebt het immers gehoord. Ik zeg, als onze lieve Paul nu en dan eene lamheid in zijne beentjes schijnt te hebben, dan zijn dat kleinigheden die vele kinderen op zijn ouderdom krijgen, en door geene zorg of voorzichtigheid zijn voor te komen. Hoe eer gij dat begrijpt en toestemt, beste Paul, des te beter.”—“Gij moet toch wel weten,” merkte Dombey aan, “dat ik uwe natuurlijke gehechtheid voor het toekomstig hoofd van mijn huis volstrekt niet betwijfel. Mijnheer Pilkins heeft Paul van morgen nog gezien, naar ik meen?”—“Ja,” antwoordde zijne zuster, “en jufvrouw Tox en ik zijn er bij geweest. Jufvrouw Tox en ik zijn er altijd bij. Wij maken daar eene wet van. Mijnheer Pilkins heeft hem al eene poos iederen dag gezien, en ik houd hem voor een heel knap man. Hij zegt dat het niets van beduiden is; en dat ik ook bevestigen kan, als dat eene gerustheid is; maar vandaag heeft hij de zeelucht aangeraden. Zeer verstandig, Paul, daarvan ben ik overtuigd.”—“De zeelucht,” herhaalde Dombey, zijne zuster aanziende.—“Daar is niets in om u ongerust te maken,” zeide mevrouw Chick. “Voor mijn George en Frederik is ook de zeelucht aangeraden toen zij zoo oud waren; en mij zelve is zij heel dikwijls aangeraden. Ik geef u volkomen toe, Paul, dat er boven misschien onvoorzichtig voor hem gesproken wordt van dingen, waarmede zijn kleine geest zich liever niet moest bezig houden; maar ik zie waarlijk niet hoe dat bij een kind van zijne schranderheid te verhelpen is. Als hij een gewoon kind was, zou er niets in steken. Ik moet zeggen, ik denk, met jufvrouw Tox, dat eene korte afwezigheid van huis, de lucht vanBrighton, en het lichamelijk en geestelijk toezicht van zulk een zoo ervaren mensch als mevrouw Pipchin bij voorbeeld.…”—“Wie is mevrouw Pipchin, Louise?” vroeg Dombey, versteld over deze gemeenzame vermelding van een naam, dien hij nog nooit gehoord had.—“Mevrouw Pipchin, mijn beste Paul,” antwoordde zijne zuster, “is eene bejaarde dame—jufvrouw Tox kent hare geheele geschiedenis—die een tijd lang al de vermogens van haar geest, met het beste gevolg, aan de studie en de behandeling der kindsheid heeft gewijd, en zeer aanzienlijke relatiën heeft gehad. Haar man stierf van hartzeer over—waardoor hebt ge ook gezegd dat haar man van hartzeer gestorven is, lieve? De juiste omstandigheden zijn mij ontschoten.”—“Door het waterpompen uit de mijnen vanPeru,” antwoordde jufvrouw Tox.—“Niet dat hij zelf pomper is geweest, natuurlijk,” zeide mevrouw Chick, zich weder naar haar broeder keerende; en waarlijk scheen deze opheldering niet overbodig, want jufvrouw Tox sprak alsof hij met de hand aan den pompslinger was gestorven, “maar omdat hij geld in die speculatie had gestoken, die geheel en al mislukte. Ik geloof dat mevrouw Pipchin met kinderen verbazende dingen weet te doen. Ik heb haar hooren prijzen—Heere, hoe hoog!” Hare oogen zwierven naar de buste van Pitt op de boekenkast, die omtrent tien voet van den grond was.—“Misschien moet ik van mevrouw Pipchin zeggen, mijnheer,” liet jufvrouw Tox, met een zedig blosje, hierop volgen, “daar men zich zoo uitdrukkelijk op mij heeft beroepen, dat de lof, dien uwe lieve zuster haar gegeven heeft, welverdiend is. Vele heeren en dames, die nu tot interessante leden der maatschappij zijn opgegroeid, hebben veel aan hare zorgen te danken gehad. De nederige persoon, die nu met u spreekt, was eens onder hare hoede. Ik geloof zelfs dat de jeugdige adel haar etablissement niet vreemd is.”—“Moet ik dan begrijpen dat die achtenswaardige dame een etablissement houdt, jufvrouw Tox?” vroeg Dombey goedgunstig.—“Wel, ik weet waarlijk niet of ik het wel zoo behoor te noemen,” antwoordde de dame. “Het is geene bewaarschool—geheel niet. Ik zou mijne meening best uitdrukken,” zeide jufvrouw Tox, met bijzondere lieftalligheid, “als ik het eenboarding-housevoor kinderen noemde, van zeer uitgelezene soort.”—“Voor een zeer beperkten kring en op een kostbaren voet ingericht,” zeide mevrouw Chick, met een blik naar haar broeder.—“O ja, zeer exclusief,” zeide jufvrouw Tox.Dit was iets van belang. Dat mevrouw Pipchin’s echtgenoot van hartzeer over de mijnen vanPeruwas gestorven was goed. Het had een rijken klank. Bovendien ijsde Dombey van de gedachte om Paul nog een uur lang te laten blijven waar hij was, nadat een geneeskundig persoon had aanbevolen hem te doen verhuizen. Dit was een stilstaan en dralen op den weg, dien het kind nog moest afleggen eer het doel bereikt werd, dat toch nog ver genoeg af was. Dat de twee dames mevrouw Pipchin zoo roemden, rekende hij van veel gewicht; want hij wist dat zij ijverzuchtig waren op elke[51]vreemde bemoeiing met het kind, en hij dacht er niet aan, dat zij misschien verlangend waren om eene verantwoordelijkheid waaromtrent hij zijne eigene vaste begrippen had, met iemand anders te deelen. “Van hartzeer over de mijnen vanPerugestorven,” peinsde Dombey. “Wel! eene zeer fatsoenlijke manier van sterven.”“Als wij nu, na morgen navraag te hebben gedaan, besloten om Paul naarBrightonbij die dame te zenden, wie zou dan met hem meegaan?” vroeg Dombey na eenig bedenken.—“Ik geloof niet dat gij het kind tegenwoordig ergens heen zoudt kunnen zenden zonder Florence, mijn beste Paul,” zeide zijne zuster aarzelend. “Hij is geheel verzot op haar. Hij is nog heel jong, weet ge, en heeft zijne kuurtjes.”Dombey keerde zijn hoofd om, ging langzaam naar de boekenkast, opende die en haalde een boek om te lezen.“Iemand anders, Louise?” zeide hij, zonder op te zien, en terwijl hij de bladen omsloeg.—“Jufvrouw Wickam natuurlijk. Die is volkomen voldoende, zou ik denken,” antwoordde zijne zuster. “Daar Paul in zulke handen komt, als die van jufvrouw Pipchin, kunt gij bezwaarlijk iemand zenden, die haar eenigszins de wet zou stellen. Gij zoudt zelf ten minste eens in de week daarheen gaan, natuurlijk.”—“Natuurlijk,” zeide Dombey, en zat daarna een uur lang op een blad te kijken, zonder een woord te lezen.Deze vermaarde mevrouw Pipchin was eene verbazend leelijke oude vrouw, met een krommen rug, een geplekt gezicht, gelijk slecht marmer, een haviksneus, en harde grijze oogen, die er uitzagen alsof zij op een aanbeeld konden gehamerd worden zonder eenige schade te lijden. Veertig jaren, ten minste, waren verloopen, sedert de mijnen vanPeruden heer Pipchin den dood hadden berokkend; maar zijne weduwe droeg nog zwart merinos, van zulk eene doffe, doodsche tint, dat des avonds het gas zelfs haar niet kon verlichten. Men zeide algemeen dat zij bijzonder goed met kinderen wist om te gaan; en het geheim harer behandeling was, hun alles te geven dat hun niet beviel en niets dat hun wel beviel—hetgeen bevonden werd dat hen veel zoeter maakte. Zij was zoo bitter, boos en hatelijk, dat men in verzoeking kwam om te gelooven, dat de machinerie der Peruaansche pompen eigenlijk verkeerd had gewerkt, en alle menschelijkheid en vroolijkheid uit haar gemoed had gepompt, in plaats van het water uit de mijnen.Het Kasteel van deze wildevrouw en kinderentemster stond in eene steile achterstraat vanBrighton; waar de grond meer dan gewoonlijk kalkachtig, steenachtig en dor was, en de huizen meer dan gewoonlijk dun en wrak gebouwd waren; waar de tuintjes daar voor de onverklaarbare eigenschap hadden om niets anders dan paardenbloemen voort te brengen, wat er ook in mocht gezaaid worden, en waar men gedurig slakken aan de straatdeuren zag kleven. In den winter kon men de lucht niet uit het Kasteel krijgen, en in den zomer er niet in. Er was zulk een gedurig gesuis van den wind in, dat het eveneens klonk als een groote zeehoorn, en de bewoners nacht en dag de ooren moesten dicht houden. Van zelf had het huis geen frisschen reuk, en voor het venster der voorkamer, dat nooit werd opengezet, hield mevrouw Pipchin eene verzameling van planten in potten, waardoor het etablissement eene eigenaardige lucht kreeg. Deze planten, hoe keurig ook in hare soort, waren bijzonder uitgekozen om eene vrouw als mevrouw Pipchin tot verlustiging te strekken. Een half dozijn daarvan waren cactussen, die zich als harige slangen om een stokje kronkelden; eene andere soort schoot klauwen uit, gelijk eene groene kreeft; verscheidene kruipende planten, die kleverige bladeren hadden, welke zich aan alles vastplakten; en één hatelijke bloempot, die aan den zolder hing en scheen over te koken om de menschen daaronder met de lange groene einden te kriewelen, welke hen aan spinnekoppen deden denken—waarvan de woning van mevrouw Pipchin ongemeen rijkelijk voorzien was, hoewel zij zich misschien, in het rechte seizoen, nog meer op een buitengewonen overvloed van oorwormen kon beroemen.Daar mevrouw Pipchin echter een hoog kostgeld eischte, en de gelijkmatige zuurheid van haar humeur zeer zelden voor iemand verzachtte, werd zij voor eene oude dame van een bijzonder vast karakter gehouden, die eene wetenschappelijke kennis van het gestel en den aard van kinderen bezat. Deze naam en het hartzeer waaraan mijnheer Pipchin gestorven was, hadden haar geholpen sedert den dood van haar man, het eene jaar door het ander gerekend, een vrij ruim bestaan te verkrijgen. Binnen de drie dagen nadat mevrouw Chick voor het eerst van haar had gesproken, had deze brave oude vrouw het genoegen om eene aanmerkelijke vermeerdering harer loopende ontvangsten uit den zak van Dombey te gemoet te zien, en Florence en haar broertje Paul als bewoners van haar kasteel te ontvangen.Mevrouw Chick en jufvrouw Tox, welke de kinderen den vorigen avond hadden gebracht (des nachts hadden zij in een logement geslapen) waren juist van de deur gereden, en mevrouw Pipchin stond, met den rug naar het vuur, gelijk een oud officier de recruten te inspecteeren. Mevrouw Pipchin’s nicht, eene juffer van middelbare jaren, hare welwillende en getrouwe slavin, maar stroef en strak van uitzicht[52]en zeer geplaagd met zwellingen van den neus, ontdeed den jongen heer Bitherstone van den schoonen kraag, dien hij op de parade had gedragen. Jonge jufvrouw Pankey, op het oogenblik het eenige andere logeetje, was juist naar den kerker gebracht (eene ledige kamer achter in huis, eene plaats van tuchtiging en boete) omdat zij in het bijzijn der vreemde dames driemaal gesnuffeld had.“Wel, jonge heer,” zeide mevrouw Pipchin tot Paul, “hoe denkt ge dat ik u bevallen zal?”—“Ik denk, dat ge mij geheel niet zult bevallen,” antwoordde Paul. “Ik wil weg. Dit is mijn huis niet.”—“Neen. Het is mijn huis,” zeide mevrouw Pipchin hierop.—“Een heel leelijk huis,” antwoordde Paul.—“Maar er is toch eene kamer nog leelijker dan deze,” zeide mevrouw Pipchin. “waar wij stoute jongens opsluiten.”—“Ishijdaar wel geweest?” vroeg Paul, naar den kleinen Bitherstone wijzende.Mevrouw Pipchin knikte toestemmend; en Paul had het overige van den dag genoeg te doen om den kleinen Bitherstone van het hoofd tot de voeten te bekijken en op al de veranderingen van zijn gezicht te letten, met de belangstelling welke een kleine jongen moest opwekken, die ondervinding van schrikkelijke en geheimzinnige dingen had.Tegen één ure ging men aan den maaltijd, die voornamelijk uit meelkost en groenten bestond, als wanneer jonge jufvrouw Pankey (een nietig klein meisje, met blauwe oogen, dat elken morgen “geshampood” werd en gevaar scheen te loopen om geheel te worden weggewreven) door de wildevrouw zelve uit hare gevangenis gehaald en onderricht werd dat kinderen, die snuffelden als er menschen waren, nooit in den hemel kwamen. Toen deze groote waarheid haar wel was ingeprent, werd zij op rijst vergast, en daarna moest zij een dankgebedje opzeggen, dat in het Kasteel was voorgeschreven en waarin bijzondere melding werd gemaakt van dankbaarheid aan mevrouw Pipchin voor den goeden maaltijd. Mevrouw Pipchin’s nicht, Berinthia, at koud spek. Mevrouw Pipchin zelve, wier gestel warm voedsel vereischte, had voor zich alleen lamskarbonaden, die snikheet tusschen twee borden werden binnengebracht en zeer lekker roken.Daar het na den eten regende en zij niet op het strand konden gaan wandelen, en mevrouw Pipchin’s gestel na de lamskarbonaden rust vereischte, gingen zij met Berry (anders gezegd Berinthia) naar den kerker, eene ledige kamer, die op een blinden muur en eene waterton uitzag, en iets spookachtig akeligs had door een schoorsteen zonder haard er in. Door gezelschap verlevendigd, was deze kamer toch de pleizierigste; want Berry speelde hier met de kinderen en scheen met evenveel lust te stoeien als zij, totdat mevrouw Pipchin gramstorig tegen den muur klopte; toen hielden zij op en vertelde Berry hun sprookjes tot het begon te schemeren.Bij de thee had men overvloed van water en melk en brood met boter, benevens een zwart trekpotje voor mevrouw Pipchin en Berry, en geboterden toast voor mevrouw Pipchin alleen, wie deze versnapering, evenals de karbonaden, snikheet werd gebracht. Hoewel mevrouw Pipchin onder het gebruik dier lekkernij van buiten zeer vettig werd, scheen zij haar van binnen geheel niet te smeren, want zij bleef even stroef, en de harde grijze oogen bleven even droog.Na de thee kreeg Berry een naaikistje, met het koninklijke paviljoen op het deksel, en ging ijverig aan het naaien; terwijl mevrouw Pipchin, na haar bril opgezet en een groot boek, met groene stof bekleed, opgeslagen te hebben, begon te knikken. En wanneer mevrouw Pipchin bijna voorover in het vuur viel en met een schrik wakker werd, gaf zij den kleinen Bitherstone een knip op den neus omdat hij ook knikte.Eindelijk was het voor de kinderen tijd om naar bed te gaan, en na gebeden te hebben, werden zij weggebracht. Daar de jonge jufvrouw Pankey bang was om alleen in den donker te slapen, maakte mevrouw Pipchin er eene wet van om haar zelve als een schaap naar boven te drijven; en het was vervroolijkend te hooren hoe het meisje, nog lang naderhand, in de naargeestigste kamer van het huis lag te huilen, en mevrouw Pipchin nu en dan daarheen ging om haar te stompen. Tegen half tien kwam de geur van warm krentenbrood (mevrouw Pipchin’s gestel kon zonder dat niet in slaap komen) eene afwisseling brengen in den heerschenden reuk van het huis, dien jufvrouw Wickam zeide dat een “bouwlucht” was, en kort daarop lag het geheele kasteel in slaap gedompeld.Het ontbijt van den volgenden morgen geleek naar de thee van den vorigen avond, behalve dat mevrouw Pipchin een geraspt broodje, in plaats van toast gebruikte, en daarna nog wat neteliger scheen dan anders. De kleine Bitherstone las hardop een geslachtregister uit Genesis (met oordeel door mevrouw Pipchin uitgekozen) en werkte zich door de namen heen met de vlugheid en het gemak van iemand, die tegen een tredmolen opstrompelt. Dit gedaan zijnde, werd jonge jufvrouw Pankey weggebracht om “geshampood” te worden, en de kleine Bitherstone om zich iets anders met zeewater te laten doen, waarvan hij altijd zeer blauw en neerslachtig terug kwam. Paul en Florence gingen intusschen met jufvrouw Wickam (die gedurig in tranen was) op het strand wandelen; en tegen den middag liet mevrouw Pipchin de kinderen bij zich lezen. Daar het tot haar stelsel behoorde den geest van een kind niet aan te[53]moedigen om zich te ontwikkelen en te ontsluiten als eene jonge bloem, maar om dien veeleer als een oester met geweld open te breken, was de moraal van die leeslessen doorgaans van zeer forschen aard; daar de held—een stoute jongen—zelden (ook als het nog genadig met hem afliep) door iets geringers dan een leeuw of beer om hals werd geholpen.Dit was het leven bij mevrouw Pipchin. Des zaterdags kwam Dombey over en gingen Florence en Paul naar zijn logement op de thee. Zij sleten den geheelen zondag met hem, en gingen gewoonlijk voor den maaltijd uit rijden, en onder zulk een toertje scheen hij nog veel stijver en stroever te zijn dan anders. De zondagavond was de akeligste avond van de week, want mevrouw Pipchin scheen er eene wet van gemaakt te hebben om dan altijd bijzonder knorrig te zijn. De jonge jufvrouw Pankey werd doorgaans diep bedroefd van eene tante teRottendeanteruggebracht; en de kleine Bitherstone, wiens bloedverwanten allen inIndiëwaren, en die tusschen de kerktijden stijf rechtop met zijn hoofd tegen den muur in de voorkamer moest zitten, zonder hand of voet te bewegen, vond dit zoo onuitstaanbaar, dat hij Florence op een zondagavond eens vroeg, of zij hem niet den weg kon wijzen om weer naarBengalente komen.Men zeide echter algemeen, dat mevrouw Pipchin wel met kinderen te recht wist te komen, en dit was in zekeren zin ook waar. De wildste kinderen gingen, nadat zij eenige maanden onder haar gastvrij dak hadden vertoefd, mak genoeg naar huis. Men zeide ook algemeen dat het mevrouw Pipchin zeer tot eer strekte, dat zij zich aan deze levenswijs had gewijd, en haar gevoel zoo had weten te overwinnen en hare rampen zoo standvastig onder de oogen had gezien, toen haar man van hartzeer over de mijnen vanPeruwas gestorven.Naar deze voorbeeldige oude dame kon Paul in zijn leuningstoeltje bij het vuur blijven zitten staren, hoelang het ook duurde. Terwijl hij mevrouw Pipchin zoo strak aankeek, scheen hij niet te weten wat verveling was. Hij hield niet van haar; hij was niet bang voor haar; maar als hij in zulk eene stemming was, scheen zij eene groteske aantrekkingskracht voor hem te hebben. Daar zat hij dan haar aan te kijken, tot hij mevrouw Pipchin, wildevrouw als zij was, somtijds verlegen maakte. Eens vroeg zij hem, toen zij alleen waren, waar hij over dacht.“Over u,” zeide Paul, zonder de minste achterhoudendheid.—“En wat denkt gij over mij?” vroeg zij.—“Ik denk hoe oud gij moet wezen,” zeide Paul.—“Gij moet zulke dingen niet zeggen, jonge heer,” liet zij hierop volgen. “Dat behoort niet.”—“Waarom niet?” vroeg Paul.—“Omdat het niet beleefd is,” antwoordde mevrouw Pipchin snibbig.—“Niet beleefd?” zeide Paul.—“Neen.”—“Het is niet beleefd,” zeide Paul, geheel argeloos, “al de lamskarbonaden en toast op te eten, zegt jufvrouw Wickam.”—“Jufvrouw Wickam,” viel mevrouw Pipchin uit, eene kleur krijgende, “is eene onbeschaamde prij.”—“Wat is dat?” vroeg Paul alweer.—“Dat is buiten u, jonge heer,” antwoordde mevrouw Pipchin. “Denk maar aan de historie van den kleinen jongen die door een dollen stier werd dood gestooten omdat hij te veel vroeg.”—“Als de stier dol was,” zeide Paul, “hoe wist hij dan dat de jongen te veel gevraagd had? Niemand kan een dollen stier geheimen gaan influisteren. Ik geloof niet aan die historie.”—“Gelooft gij er niet aan?” riep mevrouw Pipchin met verbazing uit.—“Neen,” zeide Paul.—“Ook niet, als het nu eens een makke stier was geweest?” zeide mevrouw Pipchin.Daar Paul de zaak nog niet uit dit oogpunt had bezien, en zijne besluiten op de beweerde dolheid van den stier had gebouwd, liet hij zich daarmede vooreerst tot zwijgen brengen. Maar hij bleef er over zitten peinzen, met zulk een blijkbaar voornemen om mevrouw Pipchin zoo met een vast te zetten, dat zelfs deze geharde oude dame het voorzichtig achtte heen te gaan tot hij het geval vergeten had.Van dien tijd af scheen kleine Paul dezelfde zonderlinge aantrekkingskracht op mevrouw Pipchin uit te oefenen, als zij op hem deed. Zij liet hem zijn stoeltje aan denzelfden kant van het vuur zetten, in plaats van tegen haar over, en daar zat hij dan, in een hoekje tusschen mevrouw Pipchin en den haard, elke rimpel van haar gezicht te bestudeeren en in hare harde grijze oogen te turen, tot zij die somtijds liever maar dicht deed, en zich hield alsof zij was ingedut. Mevrouw Pipchin had eene oude zwarte kat, welke doorgaans voor den haard ineengerold, egoïstisch lag te spinnen, en naar het vuur te knipoogen, tot hare versmalde oogappels naar twee uitroepteekenen geleken. De goede vrouw had—het zij zonder oneerbiedigheid gezegd—wel eene heks kunnen zijn, en Paul en de kat hare twee gedienstige geesten, gelijk zij daar te zamen bij het vuur zaten. Het zou volmaakt met het voorkomen van dit gezelschapje gestrookt hebben, als zij allen eens op een avond bij een harden wind den schoorsteen waren ingevlogen, en men nooit weder iets van hen gehoord had.Dit gebeurde echter niet. De kat, Paul en mevrouw Pipchin waren na den donker bestendig op hunne gewone plaatsen te vinden; en Paul, het kameraadschap van den kleinen Bitherstone schuwende, bleef avond aan avond mevrouw Pipchin, de kat en het vuur bestudeeren, alsof zij een tooverboek in drie deelen waren.Jufvrouw Wickam verklaarde Paul’s zonderlingheden op hare eigene manier; en in hare[54]zwaarmoedigheid bevestigd door het uitzicht op eenige zwarte schoorsteenen, het aanhoudende geloei van den wind, in de kamer waar zij gewoonlijk zat, en de eentonigheid (narigheid was hare krachtige uitdrukking) van haar tegenwoordig leven, leidde zij uit de vermelde gegevens de akeligste gevolgen af. Mevrouw Pipchin was er zeer op uit om allen vertrouwelijken omgang tusschen hare meid en jufvrouw Wickam af te snijden, en besteedde dientengevolge veel tijd om achter eene deur verborgen op de wacht te staan, en dan eensklaps uit te schieten, als die ongelukkige meid zich naar jufvrouw Wickam’s kamer wilde begeven. Berry daarentegen mocht daar zoo dikwijls komen en zoolang blijven, als dit door de menigvuldige plichten, waaraan zij zich van den ochtend tot den avond afsloofde, werd veroorloofd, en het was voor Berry dat jufvrouw Wickam haar gemoed ontlastte.“Welk een aardig jongetje is hij als hij slaapt!” zeide Berry, en bleef staan om naar Paul in bed te kijken, toen zij jufvrouw Wickam eens haar avondeten bracht.—“Och ja,” zuchtte jufvrouw Wickam. “En dat mag hij ook wel!”—“Wel, als hij wakker is, is hij toch ook niet leelijk,” merkte Berry aan.—“Neen, jufvrouw. O neen. En mijn ooms Betsey Jane ook niet,” zeide jufvrouw Wickam.Berry keek alsof zij naar het verband tusschen Paul Dombey en jufvrouw Wickam’s ooms Betsey Jane zocht.“Mijn ooms vrouw,” vervolgde jufvrouw Wickam, “stierf evenzoo als zijne mama. En met zijn dochtertje ging het eveneens als met jongen heer Paul. Dat kind deed iemand somtijds het bloed stollen, dat deed zij!”—“Hoe zoo?” vroeg Berry.—“Ik had ’s nachts niet alleen bij Betsey Jane willen opblijven,” zeide jufvrouw Wickam, “al hadt gij Wickam den anderen ochtend zelf in eene zaak willen zetten. Ik had het niet kunnen doen, jufvrouw Berry.”Berry vroeg natuurlijk, waarom niet; maar jufvrouw Wickam praatte, volgens het gebruik van sommige dames van haar stand, op hare eigene manier voort.“Betsey Jane,” vervolgde zij, “was zulk een lief kind als iemand kon verlangen. Ik denk nooit liever kind te zullen zien. Door alle ziekten, die een kind krijgen kan, was zij allerliefst heen gekomen. Maar Betsey Jane,” vervolgde zij, hare stem latende dalen en naar Paul in zijn bedje omkijkende, “was in haar wiegje door hare doode moeder bewaakt. Ik zou niet kunnen zeggen hoe, of wanneer, en zou ook niet kunnen zeggen of het lieve kind het wist of niet, maar Betsey Jane was door hare moeder bewaakt, jufvrouw Berry! Gij moogt zeggen dat dit gekheid is, en ik zal het u niet kwalijk nemen, jufvrouw. Ik hoop zelfs dat gij het met uw geweten overeen kunt brengen om te denken, dat het maar gekheid is; gij zult er des te vroolijker door blijven; neem mij niet kwalijk dat ik zoo vrij ben—in dit akelige, grafachtige huis, dat mij den dood zal doen. Paul is wat onrustig in zijn slaap. Klop hem eens op den rug, als het u belieft.”—“Gij denkt natuurlijk,” zeide Berry, zachtjes doende wat haar gevraagd was, “dat hij ook door zijne moeder bewaakt is?”—“Met Betsey Jane,” zeide jufvrouw Wickam op haar allerplechtigsten toon, “is het eveneens gegaan als het met dat kind gegaan is. Zij is eveneens veranderd als dat kind veranderd is. Ik heb haar dikwijls en dikwijls zoo zien zitten denken—denken—denken, evenals hij. Ik heb haar dikwijls even zoo oudachtig zien kijken als hij. Ik heb haar dikwijls eveneens hooren praten als hij doet. Ik houd het er voor dat het met dat kind en Betsey Jane volmaakt eveneens is, jufvrouw Berry.”—“Is dat kind van uw oom nog in leven?” vroeg Berry.—“Ja, jufvrouw Berry, nog in leven,” antwoordde jufvrouw Wickam, met iets zegevierends in haar toon, want blijkbaar had Berry het tegendeel verwacht, “en zij is met een zilversmid getrouwd. O ja, jufvrouw,zijis nog in leven,” zeide jufvrouw Wickam, met bijzonderen nadruk op het voornaamwoord.Daar het duidelijk genoeg was dat iemand anders dood moest wezen, vroeg mevrouw Pipchin’s nicht wie dat was.“Ik zou u niet gaarne ongerust willen maken,” antwoordde jufvrouw Wickam, aan haar avondeten beginnende. “Vraag het mij maar niet.”Dit was het zekerste middel om nog meer gevraagd te worden. Berry deed dit dus ook, en na nog wat tegensporrelen legde jufvrouw Wickam haar mes neer, en naar Paul in zijn bedje omziende, antwoordde zij:“Zij hechtte zich bijzonder aan sommige menschen. Somtijds was het onverklaarbaar waarom; somtijds was het eene gehechtheid, die men natuurlijk had kunnen verwachten, maar sterker dan gewoonlijk. Al die menschen stierven.”Dit was zoo onverwacht en ontzettend, dat Berry stijf op den harden rand van het ledikant bleef zitten en, kort ademhalende, hare berichtgeefster met on verholen angst aanstaarde.Jufvrouw Wickam wees tersluiks met haar voorvinger naar het bedje, waar Florence lag te slapen en toen even nadrukkelijk naar den grond. Vlak daaronder was de kamer waar mevrouw Pipchin gewoonlijk haar souper gebruikte.“Onthoud wat ik zeg, jufvrouw Berry,” zeide jufvrouw Wickam, “en wees dankbaar dat jonge heer Paul niet van u houdt. Ik ben het, dat hij niet van mij houdt, dat verzeker ik u; al hebt ge niet veel om voor te leven—neem mij niet kwalijk, dat ik zoo vrij ben—in zulk eene gevangenis van een huis.”[55]Misschien deed Berry’s ontroering haar Paul wat al te hard op den rug kloppen, of wel geheel daarmede ophouden, maar hij keerde zich nu in het bed om, werd daarop wakker, kwam overeind, ontsteld door een benauwden droom, en vroeg naar Florence.Op het eerste geluid van zijne stem, was zij uit haar bed; en terstond over zijne peluw buigende, zong zij hem weder in slaap. Jufvrouw Wickam schudde haar hoofd, en liet eenige tranen vallen, terwijl zij deze groep aan Berry wees.“Goeden nacht, jufvrouw, goeden nacht,” zeide jufvrouw Wickam zacht. “Uwe tante is eene oude vrouw, en het is dus iets dat ge toch al dikwijls moet verwacht hebben.”Jufvrouw Wickam vergezelde dit troostende vaarwel met een blik van diepe zielesmart, en toen zij met de twee kinderen alleen was gebleven, gaf zij zich aan hare zwaarmoedigheid over, tot zij ook door den slaap werd overweldigd.Hoewel de nicht van mevrouw Pipchin deze voorbeeldige vrouw juist niet dood op het haardkleedje dacht te vinden, toen zij naar beneden ging, was het toch eene verademing voor haar toen zij haar buitengemeen knorrig en lastig vond, en zij alle blijken gaf dat zij voornemens was om nog lang, tot vreugde van allen die haar kenden, te blijven leven. Ook in de volgende week vertoonden zich nog geene verschijnselen van tering, maar verdwenen de voedingsmiddelen, die haar gestel vereischte, even geregeld als gewoonlijk, hoewel kleine Paul haar zoo onvermoeid als ooit bestudeerde, en op zijne gewone plaats tusschen haar zwarten rok en den haard bleef zitten.Maar dewijl Paul na verloop van dien tijd niet sterker was dan bij zijne komst, hoewel zijn gezichtje er veel gezonder uitzag, werd er een wagentje voor hem gekocht, waarin hij op zijn gemak kon liggen, met een A B boek en eenige prentenboekjes bij zich, en zich naar den zeekant laten rijden. Overeenkomstig met zijn zonderlingen smaak, wilde het kind niets weten van een frisschen blozenden knaap, die voorgesteld werd om zijn wagentje te trekken, en koos, in zijne plaats, zijn grootvader, een oud, afgeleefd man, met een allerzuurst gezicht en een pak van oud wasdoek, dat een reuk verspreidde gelijk een met wier overdekt strand.Met dezen fraaien bediende om hem voort te trekken, en Florence altijd naast hem, terwijl de neerslachtige jufvrouw Wickam achteraankwam, werd hij dagelijks naar het strand gereden, en zat of lag hij daar uren achtereen in zijn wagentje, terwijl niets hem zoo onaangenaam was als het gezelschap van kinderen—Florence alleen altijd uitgenomen.“Ga maar heen, als het u belieft,” zeide hij gewoonlijk tot een kind, dat hem gezelschap wilde komen houden. “Ik dank u wel, maar ik heb u niet noodig.”Een kinderstemmetje aan zijn oor vroeg hem wel eens hoe het hem ging.“Ik ben heel wel—dank u,” antwoordde hij dan; “maar gij moest liever maar gaan spelen, als het u belieft.”Dan keerde hij zijn hoofd om, wachtte tot het kind weg was, en zeide tot Florence: “Wij hebben niemand anders noodig, niet waar? Geef mij maar een kus, Flore.”Hij had op zulk een tijd zelfs een hekel aan het gezelschap van jufvrouw Wickam, en was weltevreden als zij opkuierde, gelijk zij meestal deed, om schelpen en kennissen te zoeken. Zijn geliefkoosd plekje was eene eenzame plaats ver van de gewone wandeling; en als Florence daar bij hem zat te werken, of hem voorlas, of met hem praatte, en de wind hem langs het voorhoofd blies, en het water tot aan de wielen van zijn wagentje opkwam, verlangde hij niets meer.“Flore,” zeide hij eens, “waar isOost-Indië, waar de familie van dien jongen woont?”—“O, dat is heel ver weg,” zeide Florence, hare oogen van haar werk opslaande.—“Weken ver?” vroeg Paul.—“Ja; men zou vele weken dag en nacht moeten reizen om er te komen.”—“Als gij inOost-Indiëwaart, Flore,” zeide Paul, na eene poos te hebben gezwegen, “dan zou ik—wat was het dat mama deed? Dat ontschiet mij daar.”—“Mij liefhebben,” antwoordde Florence.—“Neen, neen. Heb ik u dan nu niet lief, Flore? Wat is het?—Sterven. Als gij inOost-Indiëwaart, zou ik sterven, Flore.”Zij legde haastig haar werk neer, liet haar hoofdje op zijn kussen rusten en liefkoosde hem. En dat zou zij ook, zeide zij, als hij daar was. Hij zou wel gauw beter worden.“O, ik ben nu al veel beter,” antwoordde hij. “Dat meen ik niet. Ik meen dat ik zou sterven, omdat ik zoo bedroefd en zoo alleen zou zijn, Flore.”Een andermaal viel hij op dezelfde plaats in slaap en bleef een langen tijd gerust slapen. Toen hij wakker werd, kwam hij met zekeren schrik overeind en bleef zitten luisteren.Florence vroeg hem wat hij dacht te hooren.“Ik wilde weten wat zij zegt,” antwoordde hij, haar strak aanziende. “De zee, Flore, wat zegt zij toch zoo gedurig?”Zij zeide hem dat het alleen het gerucht der rollende golven was.“Ja, ja,” zeide hij. “Maar ik weet dat zij altijd iets zeggen. Altijd hetzelfde. Wat ligt daar aan den overkant?” Hij richtte zich nog meer op en tuurde met verlangen naar den gezichteinder.Zij zeide hem dat daar aan den overkant een ander land lag, maar hij zeide dat hij dit niet[56]meende; hij meende verder weg—verder weg!Zeer dikwijls brak hij naderhand midden in hun gesprek af en poogde te verstaan wat het was dat de golven gedurig zeiden, en kwam hij in zijn bedje overeind om naar dat onzichtbare gewest—ver aan den overkant—te staren.
Onder de waakzame en oplettende oogen van den tijd—in zooverre een tweede majoor—veranderde de sluimer van den kleinen Paul langzamerhand van aard. Al meer en meer licht brak daarin door; hij werd door al duidelijker en duidelijker droomen gestoord. Eene gestadig toenemende menigte van voorwerpen en indrukken dwarrelde om hem heen, en zoo trad hij de eerste bewustelooze kindsheid uit, en werd hij een loopende, pratende, zich verwonderende Dombey.
Na de ongenade en verbanning van Richards, werd de kinderkamer om zoo te zeggen aan eene commissie opgedragen gelijk een ministerie somtijds gedaan wordt, als men geen Atlas kan vinden die in staat is om het alleen te torschen. De commissarissen waren natuurlijk mevrouw Chick en jufvrouw Tox, die zich met zulk een[46]verbazenden ijver aan hare plichten toewijdden, dat majoor Bagstock dagelijks eene nieuwe herinnering aan zijne verlatenheid kreeg, terwijl mijnheer Chick, van alle huiselijk opzicht ontslagen, zich in de vermaken der wereld stortte, in clubs en koffiehuizen dineerde, bij drie verschillende gelegenheden naar tabak rook, alleen naar de komedie ging, kortom (gelijk mevrouw Chick hem eens zeide) zich van alle maatschappelijke en zedelijke verplichtingen losmaakte.
Evenwel konden, in weerwil van hetgeen hij vroeger had beloofd, al deze waakzaamheid en zorg den kleinen Paul niet tot een voorspoedig kind maken. Misschien reeds zwak van gestel, begon hij, nadat zijne min was weggezonden, te kwijnen en te vermageren, en scheen hij lang slechts eene gelegenheid af te wachten om door de handen te glippen en zijne verlorene moeder te gaan opzoeken. Hij kwam wel op zijnsteeple-chasenaar den mannelijken leeftijd over dezen gevaarlijken grond heen, maar vond den rit toch nog moeielijk genoeg, en leed veel aanstoot van al de hindernissen in zijn ren. Elke tand was eene schutting waarover hij bijna den hals brak, ieder puistje, toen hij de mazelen kreeg, was een steenen muur voor hem. Bij elke vlaag van den kinkhoest stortte hij neer, en dan werd hij door een geheelen jachttroep van kleine ziekten overreden en vertrapt, die elkander op de hielen volgden om hem te beletten weder op te staan.
De koude bij zijn doop was bij hem misschien op een gevoelig deel van zijn gestel gevallen, dat zich in de even koude schaduw van zijn vader niet weder kon herstellen; maar hij was van dien dag af een ongelukkig kind. Jufvrouw Wickam zeide dikwijls dat zij nog nooit een kind zoo sukkelig had gezien.
Jufvrouw Wickam was de vrouw van een logementknecht—hetgeen met een ander mans weduwe zou schijnen gelijk te staan—welker aanzoek om bij Dombey in dienst te komen gunstig was opgenomen, daar het bijna onmogelijk scheen te zijn, dat zij iemand zou hebben, die haar naliep, of iemand om na te loopen; en die, een paar dagen nadat Paul zoo streng was gespeend, was aangesteld om hem op te passen. Jufvrouw Wickam was eene zachtzinnige vrouw, met eene blanke kleur, altijd eenigszins opgetrokken wenkbrauwen en een neerhangend hoofd, altijd gereed om zich zelve te beklagen of te laten beklagen, en anderen te beklagen; en die eene verwonderlijke natuurlijke gaaf had om alle dingen in een jammerlijk licht te beschouwen, en schrikkelijke voorbeelden daarvan aan te halen, en in de uitoefening van dit talent den grootsten troost scheen te vinden.
Het is bijna niet noodig aan te merken, dat geen zweem van deze eigenschap ooit de kennis van den statigen Dombey bereikte. Het zou wel opmerkelijk zijn geweest, als dit gebeurd was, terwijl niemand in huis—zelfs mevrouw Chick en jufvrouw Tox niet—hem had durven toefluisteren dat er ooit de minste reden was geweest om zich over den kleinen Paul ongerust te maken. Hij was het met zich zelven eens, dat het kind noodzakelijk zekere reeks van geringe ziekten moest doorloopen, en dat wel hoe eer hoe beter. Als hij hem had kunnen vrijkoopen, of een plaatsvervanger stellen, gelijk bij het trekken van een ongelukkig nommer voor de militie, zou hij dit gaarne gedaan hebben, zonder op geld te zien. Maar dewijl dit niet doenlijk was, verwonderde hij zich slechts nu en dan, op zijne hooghartige manier, wat de natuur toch daarmede wilde, en troostte hij zich met de gedachte dat men daarmede wederom een mijlsteen van den weg voorbij was, en het groote doel der reis zooveel nader was gekomen. Want het gevoel dat thans bij hem de overhand had en, naarmate Paul ouder werd, meer en meer toenam, was ongeduld. Ongeduld naar dien tijd in het verschiet, wanneer de droomgezichten hunner vereenigde grootheid zegevierend verwezenlijkt zouden worden.
Sommige wijsgeeren zeggen ons dat zelfzucht de wortel van al onze aandoeningen, zelfs van de edelste liefde is. Dombey’s jongste kind was hem, van den eersten af, zoo duidelijk om die reden gewichtig, dewijl het een deel van zijne eigene grootheid, of (hetgeen hetzelfde is) van de grootheid van Dombey en Zoon was, dat het niet te betwijfelen is of men had voor zijne vaderlijke genegenheid, gelijk voor menig fraai gebouw van weidschen naam, een zeer lagen grondslag kunnen opsporen. Maar hij had zijn zoon toch lief met al de liefde die hij had. Indien er in zijn bevroren hart een warm plekje was, had zijn zoon het in bezit; indien de harde oppervlakte van dat hart den indruk van eenig beeld kon ontvangen, stond daar het beeld van zijn zoon; hoewel niet zoozeer als kind, of knaap, maar als volwassen man—als de “Zoon” der firma. Daarom was hij ongeduldig om de toekomst te bereiken en over de tusschenkomende toevalligheden heen te snellen. Daarom was hij, in weerwil van zijne liefde, daarover weinig of niet ongerust; want het was hem alsof het kind een betooverd leven had en de manmoestworden, met wien hij in zijne gedachten reeds gestadig omging, en voor wien hij dagelijks plannen en ontwerpen maakte, alsof hij reeds werkelijk bestond.
Zoo werd Paul bijna vijf jaren oud. Hij was een aardig knaapje, hoewel zijn smal gezichtje iets schraals en scherps had, dat jufvrouw Wickam dikwijls veelbeteekenend het hoofd deed schudden. Zijn humeur gaf overvloedige beloften dat het op later leeftijd heerschzuchtig zou zijn; en hij had zulk een duidelijk begrip van[47]zijn eigen gewicht en van het rechtmatige, dat alle andere dingen en personen hem dienstbaar en onderworpen moesten zijn, als eenig hart kon verlangen. Hij was somtijds kinderlijk en speelziek genoeg, en niet stug van aard; maar somtijds had hij ook eene vreemde, oudmannetjesachtige manier om in zijn leuningstoeltje te zitten peinzen, en dan zag hij er uit (en zoo praatte hij ook) als een van die schrikkelijke wezentjes in de tooversprookjes, die, al zijn zij honderd vijftig of tweehonderd jaren oud, nog het fantastische beeld vertoonen van de kinderen waarvoor zij verruild zijn. Dikwijls kreeg hij zulk eene vlaag boven op de kinderkamer; en somtijds kwam hij er plotseling toe, met den uitroep dat hij moe was, zelfs terwijl hij met Florence speelde of met jufvrouw Tox paardje reed. Maar nooit kwam hij er zoo zeker toe, als wanneer hij, met zijn stoeltje naar zijn vaders kamer gebracht, daar met dezen na den maaltijd bij het vuur zat. Zij waren op zulk een tijd het zonderlingste paar, dat ooit door een vuur is beschenen. Dombey, zoo statig rechtop naar de vlam starende; zijn klein afbeeldsel, met een oud, oud gezichtje en met de strakke aandacht van een peinzend wijsgeer in den rooden gloed turende. Dombey hield zich met ingewikkelde wereldsche plannen en berekeningen bezig,—zijn klein afbeeldsel met, de hemel weet welke, grillige verbeeldingen, halfgevormde gedachten en ongeregelde bespiegelingen. Dombey stijf van stijfsel en eigenwaan, zijn klein afbeeldsel even stijf bij erfenis en door onwillekeurige nabootsing. Die twee zoozeer aan elkander gelijk, en toch zulk een verbazend contrast.
Bij een dezer gelegenheden, toen zij beiden langen tijd hadden stilgezwegen, en Dombey alleen wist dat het kind wakker was door het nu en dan naar de oogen te kijken, waarin het heldere vuur flonkerde als een juweel, verbrak kleine Paul aldus de stilte:
“Papa, wat is geld?”
Deze onverwachte vraag stond in zulke onmiddellijke betrekking met Dombey’s eigene gedachten, dat hij er geheel door van zijn stuk raakte.
“Wat geld is, Paul?” antwoordde hij. “Geld?”—“Ja,” zeide het kind, zijne handjes op de armleuningen van zijn stoeltje leggende en met zijn oud gezichtje naar Dombey opziende; “wat is geld?”
Dombey bevond zich in verlegenheid. Hij had hem gaarne eene opheldering willen geven, waarin van de verschillende ruilmiddelen, edele metalen, munt, papier, wisselkoers, en zoo voort, melding moest gemaakt worden; maar naar het stoeltje kijkend, en ziende hoever omlaag dat nog was, antwoordde hij: “Goud zilver en koper. Guinjes, schellingen en stuivers. Gij weet immers wel wat die zijn!”— “O ja, ik weet wel wat die zijn,” zeide Paul; “maar dat meen ik niet papa. Ik meen, wat is eigenlijk geld?”
Hemel en aarde, hoe oud was het gezichtje, waarmede hij weder naar zijn vader opzag!
“Wat eigenlijk geld is?” zeide Dombey, zijn stoel wat achteruitschuivende, om vol verbazing het verwatene wezentje, dat zulk eene vraag deed, te beter aan te zien.—“Ik meen, papa, wat kan het doen?” hervatte Paul, zijne armpjes over elkander slaande (die nauwelijks lang genoeg waren om over elkander te slaan), terwijl hij eerst naar het vuur en toen naar hem, en weder naar het vuur en weder naar hem opkeek.
Dombey schoof zijn stoel weder bij en klopte hem op het hoofd. “Dat zult ge door den tijd wel beter leeren, manneke,” zeide hij. “Geld, Paul, kan alles doen.” Hij vatte het lichte handje en tikte er zacht mede op zijne eigene hand terwijl hij dit zeide.
Maar Paul trok zoo gauw hij kon zijne hand los, en die op de armleuning van zijn stoeltje wrijvende, alsof zijn verstand in de palm zat en hij het wilde slijpen, en wederom naar het vuur kijkende, alsof het vuur de raadsman was die hem zijne vragen influisterde, zeide hij, na een poosje bedenkens:
“Alles, papa?”—“Ja—nagenoeg,” zeide Dombey.—“Alles,” herhaalde de kleine nog eens bij zich zelven. Het beperkende bijvoegsel had hij niet opgemerkt, of misschien niet begrepen, en vervolgde toen hardop. “Waarom heeft het geld dan mijne mama niet gered? Het is immers niet boosaardig, niet waar?”—“Boosaardig!” zeide Dombey, zijne das verschuivende, en eenigszins verstoord, naar het scheen, over zulk een denkbeeld. “Neen. Iets goeds kan niet boosaardig wezen.”—“Als het iets goeds is en alles kan doen,” zeide de kleine peinzend en weder naar het vuur kijkende, “dan verwondert het mij, dat het mijne mama niet heeft gered.”
Ditmaal was dit geene vraag, die hij tot zijn vader richtte. Misschien had hij, met de schranderheid van een kind, gezien dat hij dezen reeds verdrietig had gemaakt. Maar hij herhaalde de gedachte overluid, alsof zij iets zeer ouds voor hem was en hem reeds dikwijls had lastig gevallen; en bleef met de kin in de hand zitten kijken en peinzen, alsof hij in het vuur eene opheldering zocht.
Toen Dombey zich van zijne verrassing, om niet te zeggen van zijn schrik had hersteld (want het was de eerste maal dat het kind van zijne moeder tot hem sprak, schoon hij het avond aan avond evenzoo naast hem had zien zitten) verklaarde hij Paul hoe het geld, schoon een machtige geest, en waarvan men vooral geen kwaad moest spreken, geene menschen in leven kon houden, voor wie de tijd gekomen[48]was om te sterven; en hoe wij allen moeten sterven, ongelukkig zelfs in deCity, hoe rijk wij ook zijn. Maar hoe het geld ons geëerd, gevreesd, geacht, gediend en gevierd deed worden, en ons in de oogen van alle menschen machtig en aanzienlijk maakte, en hoe het zelfs dikwijls den dood zeer lang kon weghouden. Hoe het, bij voorbeeld, zijne mama de diensten van mijnheer Pilkins had verschaft, waarvan Paul zelf ook dikwijls nut had gehad; zoo mede van den grooten dokter Parker Peps, dien hij nooit gekend had. Hoe het alles kon doen wat maar te doen was. Dit alles, en nog meer van dien aard, prentte Dombey zijn zoon in den geest, die aandachtig luisterde en het meeste van hetgeen hem gezegd werd zeer wel scheen te verstaan.
“Het kan mij ook niet sterk en heelemaal gezond maken, niet waar papa; kan het wel?” zeide Paul na eene korte poos van stilte, zijne magere handjes wrijvende.—“Wel, gij zijt immers sterk en geheel gezond,” antwoordde Dombey. “Zijt ge niet?”
O, hoe oud was het gezichtje dat naar hem opzag, en met eene uitdrukking half van treurigheid, half van slimheid daarin!
“Ge zijt immers zoo sterk en gezond als zulke kleine jongens gewoonlijk zijn? He?” zeide Dombey.—“Florence is ouder dan ik, maar ik ben niet zoo gezond en sterk als Florence, dat weet ik wel,” antwoordde het kind; “en ik geloof, dat, toen Florence zoo klein was als ik, zij veel langer achtereen kon spelen zonder moe te worden. Ik ben somtijds zoo moe,” zeide kleine Paul, zijne handjes warmende, en tusschen de traliën van den haard kijkende, alsof daar een spookachtig poppenspel werd vertoond, “en mijn gebeente doet dan zoo zeer (jufvrouw Wickam zegt, dat het mijn gebeente is) dat ik niet weet wat ik doen zal.”—“Ja, maar dat is ’s avonds,” zeide Dombey, zijn stoel dichter bij dien van zijn zoon schuivende, en hem de hand zacht op den rug leggende, “kleine jongens moeten ’s avonds moe zijn, want dan slapen zij goed.”—“O, het is niet ’s avonds, papa,” antwoordde het kind; “het is overdag; en dan ga ik op Florence’s schoot liggen, en dan zingt zij voor mij. En des nachts droom ik van zulke won-der-lijke dingen.”
En hij bleef zijne handjes zitten warmen en peinzen, gelijk een oud manneke of een jong kaboutertje.
Dombey was zoo verbaasd, en zoo slecht op zijn gemak, en zoo verlegen hoe hij het gesprek zou voortzetten, dat hij niets kon doen dan zijn zoon in het schijnsel van het vuur te blijven aanzien, met de hand nog op zijn rug, alsof die daar door eene magnetische aantrekking werd vastgehouden. Eens stak hij zijne andere hand uit en lichtte hij even het peinzende gezichtje naar het zijne op. Maar zoodra hij het losliet, zocht het wederom het vuur; en zoo bleef Paul zitten, naar de flikkerende vlam gekeerd, tot zijne oppasster kwam om hem naar bed te halen.
“Ik wil dat Florence mij komt halen,” zeide Paul.—“Wilt ge dan niet met uwe goede jufvrouw Wickam meegaan, jonge heer Paul?” zeide deze jufvrouw zeer aandoenlijk,—“Neen, ik wil niet,” antwoordde Paul, en zette zich weder te recht op zijn stoeltje, alsof hij in huis heer en meester was.
Met eene zegenspraak over zijne onnoozelheid, ging jufvrouw Wickam heen, en kort daarop verscheen Florence. Paul sprong terstond vlug en gewillig overeind, en hief, om zijn vader goedennacht te zeggen, een gezichtje op, zooveel helderder, zooveel jonger, over het geheel zooveel kinderlijker, dat Dombey door die verandering in groote mate gerustgesteld, er tevens zeer verbaasd over was.
Toen zij te zamen de kamer uit waren, meende hij eene zachte stem te hooren zingen: en zich herinnerende hoe Paul gezegd had dat zijne zuster voor hem zong, had hij de nieuwsgierigheid om de deur te openen, hen na te zien en te luisteren. Zij zwoegde de breede holle trap op, met Paul in hare armen; zijn hoofdje lag op haar schouder, en een van zijne armpjes was om haar hals geslagen. Zoo tobden zij voort, zij den geheelen weg over zingende, en Paul somtijds flauw neuriënde om met haar mee te doen. Dombey zag hen na tot zij boven aan de trap waren gekomen—niet zonder onderweg eens te staan rusten—en uit zijne oogen verdwenen. Toen bleef hij nog naar boven staan kijken, tot de bleeke stralen der maan, die met eene treurige schemering door de traplantaarn vielen, hem weder naar zijne kamer deden gaan.
Mevrouw Chick en jufvrouw Tox werden des anderen daags tot eene raadsvergadering aan het diner geroepen; en toen de tafel was afgenomen, opende Dombey de handelingen door te verzoeken, dat men hem zonder eenige terughouding of bewimpeling zou onderrichten, of Paul iets scheelde en wat mijnheer Pilkins van hem zeide.
Luisterende naar de zee. (blz. 55).Luisterende naar de zee.(blz. 55).
Luisterende naar de zee.(blz. 55).
“Want het kind is wel niet zoo stevig,” zeide Dombey, “als ik kon wenschen.”—“Met uwe gewone scherpzinnigheid, mijn beste Paul,” antwoordde mevrouw Chick, “hebt gij het in eens juist getroffen. Onze lieveling is niet geheel zoo stevig als wij konden wenschen. De zaak is dat zijn geest hem te sterk is. Zijne ziel is veel te groot voor zijn lichaam. Inderdaad, de manier waarop dat lieve kind praat,” vervolgde zij, haar hoofd schuddende, “zou niemand gelooven. Zijne uitdrukkingen, Lucretia, gisteren nog, over begrafenissen!—”—“Ik vrees,” viel Dombey haar netelig in de rede, “dat sommige van die lieden boven het kind op ongepaste onderwerpen[49]brengen. Hij sprak mij gisteravond van—van zijn gebeente,” zeide Dombey, een gramstorigen nadruk op dat woord leggende. “Wat op de wereld heeft iemand te maken met—met het gebeente van mijn zoon? Hij is toch geen levend geraamte, zou ik denken.”—“Verre van daar,” zeide mevrouw Chick, met onbeschrijfelijke kracht.—“Dat hoop ik ook,” hervatte haar broeder. “Dan weer—begrafenissen. Wie praat het kind van begrafenissen? Wij zijn toch geen aansprekers of doodgravers naar mij dunkt.”—“Verre van daar,” zeide mevrouw Chick op denzelfden toon als te voren.—“Wie brengt hem dan toch zulke dingen in het hoofd?” zeide Dombey. “Ik was er gisteravond waarlijk van ontzet. Wie brengt hem toch zulke dingen in het hoofd, Louise?”—“Mijn lieve Paul,” zeide mevrouw Chick, na een oogenblik van stilte, “dat behoeft eigenlijk niet gevraagd te worden. Ik denk niet, dat moet ik u oprecht zeggen, dat jufvrouw Wickam een heel opgeruimd mensch is, niet wat men zoo zou noemen …”—“Eene dochter van Momus,” gaf jufvrouw Tox haar zachtjes in bedenking.—“Juist zoo,” zeide mevrouw Chick. “Maar zij is heel oplettend en gewillig, en geheel niet eigenwijs; ik heb waarlijk nooit gezeggelijker mensch gezien. Als het lieve kind,” vervolgde mevrouw Chick, op een toon alsof zij de slotsom opmaakte uit iets waarover men het[50]te voren geheel eens was geworden, in plaats van het alles voor de eerste maal te zeggen, “door dien laatsten stoot wat verzwakt is, en geene zoo krachtige gezondheid heeft als wij wel konden wenschen; en als zijn gestel tegenwoordig wat zwak is, alsof hij nu en dan eene zekere lamheid schijnt te hebben in zijne.…”
Mevrouw Chick was bang om beentjes te zeggen, daar Dombey pas getoond had zooveel tegen gebeente te hebben, en wachtte dus naar eene influistering van jufvrouw Tox, die, getrouw aan haar post, het woord “leedjes” waagde.
“Leedjes?” herhaalde Dombey.—“Mij dunkt dat de dokter van morgen zijne beentjes noemde, deed hij niet, Louise?” zeide jufvrouw Tox.—“Wel zeker deed hij dat, lieve,” antwoordde mevrouw Chick, met zacht verwijt. “Hoe kunt ge mij dat vragen? Gij hebt het immers gehoord. Ik zeg, als onze lieve Paul nu en dan eene lamheid in zijne beentjes schijnt te hebben, dan zijn dat kleinigheden die vele kinderen op zijn ouderdom krijgen, en door geene zorg of voorzichtigheid zijn voor te komen. Hoe eer gij dat begrijpt en toestemt, beste Paul, des te beter.”—“Gij moet toch wel weten,” merkte Dombey aan, “dat ik uwe natuurlijke gehechtheid voor het toekomstig hoofd van mijn huis volstrekt niet betwijfel. Mijnheer Pilkins heeft Paul van morgen nog gezien, naar ik meen?”—“Ja,” antwoordde zijne zuster, “en jufvrouw Tox en ik zijn er bij geweest. Jufvrouw Tox en ik zijn er altijd bij. Wij maken daar eene wet van. Mijnheer Pilkins heeft hem al eene poos iederen dag gezien, en ik houd hem voor een heel knap man. Hij zegt dat het niets van beduiden is; en dat ik ook bevestigen kan, als dat eene gerustheid is; maar vandaag heeft hij de zeelucht aangeraden. Zeer verstandig, Paul, daarvan ben ik overtuigd.”—“De zeelucht,” herhaalde Dombey, zijne zuster aanziende.—“Daar is niets in om u ongerust te maken,” zeide mevrouw Chick. “Voor mijn George en Frederik is ook de zeelucht aangeraden toen zij zoo oud waren; en mij zelve is zij heel dikwijls aangeraden. Ik geef u volkomen toe, Paul, dat er boven misschien onvoorzichtig voor hem gesproken wordt van dingen, waarmede zijn kleine geest zich liever niet moest bezig houden; maar ik zie waarlijk niet hoe dat bij een kind van zijne schranderheid te verhelpen is. Als hij een gewoon kind was, zou er niets in steken. Ik moet zeggen, ik denk, met jufvrouw Tox, dat eene korte afwezigheid van huis, de lucht vanBrighton, en het lichamelijk en geestelijk toezicht van zulk een zoo ervaren mensch als mevrouw Pipchin bij voorbeeld.…”—“Wie is mevrouw Pipchin, Louise?” vroeg Dombey, versteld over deze gemeenzame vermelding van een naam, dien hij nog nooit gehoord had.—“Mevrouw Pipchin, mijn beste Paul,” antwoordde zijne zuster, “is eene bejaarde dame—jufvrouw Tox kent hare geheele geschiedenis—die een tijd lang al de vermogens van haar geest, met het beste gevolg, aan de studie en de behandeling der kindsheid heeft gewijd, en zeer aanzienlijke relatiën heeft gehad. Haar man stierf van hartzeer over—waardoor hebt ge ook gezegd dat haar man van hartzeer gestorven is, lieve? De juiste omstandigheden zijn mij ontschoten.”—“Door het waterpompen uit de mijnen vanPeru,” antwoordde jufvrouw Tox.—“Niet dat hij zelf pomper is geweest, natuurlijk,” zeide mevrouw Chick, zich weder naar haar broeder keerende; en waarlijk scheen deze opheldering niet overbodig, want jufvrouw Tox sprak alsof hij met de hand aan den pompslinger was gestorven, “maar omdat hij geld in die speculatie had gestoken, die geheel en al mislukte. Ik geloof dat mevrouw Pipchin met kinderen verbazende dingen weet te doen. Ik heb haar hooren prijzen—Heere, hoe hoog!” Hare oogen zwierven naar de buste van Pitt op de boekenkast, die omtrent tien voet van den grond was.—“Misschien moet ik van mevrouw Pipchin zeggen, mijnheer,” liet jufvrouw Tox, met een zedig blosje, hierop volgen, “daar men zich zoo uitdrukkelijk op mij heeft beroepen, dat de lof, dien uwe lieve zuster haar gegeven heeft, welverdiend is. Vele heeren en dames, die nu tot interessante leden der maatschappij zijn opgegroeid, hebben veel aan hare zorgen te danken gehad. De nederige persoon, die nu met u spreekt, was eens onder hare hoede. Ik geloof zelfs dat de jeugdige adel haar etablissement niet vreemd is.”—“Moet ik dan begrijpen dat die achtenswaardige dame een etablissement houdt, jufvrouw Tox?” vroeg Dombey goedgunstig.—“Wel, ik weet waarlijk niet of ik het wel zoo behoor te noemen,” antwoordde de dame. “Het is geene bewaarschool—geheel niet. Ik zou mijne meening best uitdrukken,” zeide jufvrouw Tox, met bijzondere lieftalligheid, “als ik het eenboarding-housevoor kinderen noemde, van zeer uitgelezene soort.”—“Voor een zeer beperkten kring en op een kostbaren voet ingericht,” zeide mevrouw Chick, met een blik naar haar broeder.—“O ja, zeer exclusief,” zeide jufvrouw Tox.
Dit was iets van belang. Dat mevrouw Pipchin’s echtgenoot van hartzeer over de mijnen vanPeruwas gestorven was goed. Het had een rijken klank. Bovendien ijsde Dombey van de gedachte om Paul nog een uur lang te laten blijven waar hij was, nadat een geneeskundig persoon had aanbevolen hem te doen verhuizen. Dit was een stilstaan en dralen op den weg, dien het kind nog moest afleggen eer het doel bereikt werd, dat toch nog ver genoeg af was. Dat de twee dames mevrouw Pipchin zoo roemden, rekende hij van veel gewicht; want hij wist dat zij ijverzuchtig waren op elke[51]vreemde bemoeiing met het kind, en hij dacht er niet aan, dat zij misschien verlangend waren om eene verantwoordelijkheid waaromtrent hij zijne eigene vaste begrippen had, met iemand anders te deelen. “Van hartzeer over de mijnen vanPerugestorven,” peinsde Dombey. “Wel! eene zeer fatsoenlijke manier van sterven.”
“Als wij nu, na morgen navraag te hebben gedaan, besloten om Paul naarBrightonbij die dame te zenden, wie zou dan met hem meegaan?” vroeg Dombey na eenig bedenken.—“Ik geloof niet dat gij het kind tegenwoordig ergens heen zoudt kunnen zenden zonder Florence, mijn beste Paul,” zeide zijne zuster aarzelend. “Hij is geheel verzot op haar. Hij is nog heel jong, weet ge, en heeft zijne kuurtjes.”
Dombey keerde zijn hoofd om, ging langzaam naar de boekenkast, opende die en haalde een boek om te lezen.
“Iemand anders, Louise?” zeide hij, zonder op te zien, en terwijl hij de bladen omsloeg.—“Jufvrouw Wickam natuurlijk. Die is volkomen voldoende, zou ik denken,” antwoordde zijne zuster. “Daar Paul in zulke handen komt, als die van jufvrouw Pipchin, kunt gij bezwaarlijk iemand zenden, die haar eenigszins de wet zou stellen. Gij zoudt zelf ten minste eens in de week daarheen gaan, natuurlijk.”—“Natuurlijk,” zeide Dombey, en zat daarna een uur lang op een blad te kijken, zonder een woord te lezen.
Deze vermaarde mevrouw Pipchin was eene verbazend leelijke oude vrouw, met een krommen rug, een geplekt gezicht, gelijk slecht marmer, een haviksneus, en harde grijze oogen, die er uitzagen alsof zij op een aanbeeld konden gehamerd worden zonder eenige schade te lijden. Veertig jaren, ten minste, waren verloopen, sedert de mijnen vanPeruden heer Pipchin den dood hadden berokkend; maar zijne weduwe droeg nog zwart merinos, van zulk eene doffe, doodsche tint, dat des avonds het gas zelfs haar niet kon verlichten. Men zeide algemeen dat zij bijzonder goed met kinderen wist om te gaan; en het geheim harer behandeling was, hun alles te geven dat hun niet beviel en niets dat hun wel beviel—hetgeen bevonden werd dat hen veel zoeter maakte. Zij was zoo bitter, boos en hatelijk, dat men in verzoeking kwam om te gelooven, dat de machinerie der Peruaansche pompen eigenlijk verkeerd had gewerkt, en alle menschelijkheid en vroolijkheid uit haar gemoed had gepompt, in plaats van het water uit de mijnen.
Het Kasteel van deze wildevrouw en kinderentemster stond in eene steile achterstraat vanBrighton; waar de grond meer dan gewoonlijk kalkachtig, steenachtig en dor was, en de huizen meer dan gewoonlijk dun en wrak gebouwd waren; waar de tuintjes daar voor de onverklaarbare eigenschap hadden om niets anders dan paardenbloemen voort te brengen, wat er ook in mocht gezaaid worden, en waar men gedurig slakken aan de straatdeuren zag kleven. In den winter kon men de lucht niet uit het Kasteel krijgen, en in den zomer er niet in. Er was zulk een gedurig gesuis van den wind in, dat het eveneens klonk als een groote zeehoorn, en de bewoners nacht en dag de ooren moesten dicht houden. Van zelf had het huis geen frisschen reuk, en voor het venster der voorkamer, dat nooit werd opengezet, hield mevrouw Pipchin eene verzameling van planten in potten, waardoor het etablissement eene eigenaardige lucht kreeg. Deze planten, hoe keurig ook in hare soort, waren bijzonder uitgekozen om eene vrouw als mevrouw Pipchin tot verlustiging te strekken. Een half dozijn daarvan waren cactussen, die zich als harige slangen om een stokje kronkelden; eene andere soort schoot klauwen uit, gelijk eene groene kreeft; verscheidene kruipende planten, die kleverige bladeren hadden, welke zich aan alles vastplakten; en één hatelijke bloempot, die aan den zolder hing en scheen over te koken om de menschen daaronder met de lange groene einden te kriewelen, welke hen aan spinnekoppen deden denken—waarvan de woning van mevrouw Pipchin ongemeen rijkelijk voorzien was, hoewel zij zich misschien, in het rechte seizoen, nog meer op een buitengewonen overvloed van oorwormen kon beroemen.
Daar mevrouw Pipchin echter een hoog kostgeld eischte, en de gelijkmatige zuurheid van haar humeur zeer zelden voor iemand verzachtte, werd zij voor eene oude dame van een bijzonder vast karakter gehouden, die eene wetenschappelijke kennis van het gestel en den aard van kinderen bezat. Deze naam en het hartzeer waaraan mijnheer Pipchin gestorven was, hadden haar geholpen sedert den dood van haar man, het eene jaar door het ander gerekend, een vrij ruim bestaan te verkrijgen. Binnen de drie dagen nadat mevrouw Chick voor het eerst van haar had gesproken, had deze brave oude vrouw het genoegen om eene aanmerkelijke vermeerdering harer loopende ontvangsten uit den zak van Dombey te gemoet te zien, en Florence en haar broertje Paul als bewoners van haar kasteel te ontvangen.
Mevrouw Chick en jufvrouw Tox, welke de kinderen den vorigen avond hadden gebracht (des nachts hadden zij in een logement geslapen) waren juist van de deur gereden, en mevrouw Pipchin stond, met den rug naar het vuur, gelijk een oud officier de recruten te inspecteeren. Mevrouw Pipchin’s nicht, eene juffer van middelbare jaren, hare welwillende en getrouwe slavin, maar stroef en strak van uitzicht[52]en zeer geplaagd met zwellingen van den neus, ontdeed den jongen heer Bitherstone van den schoonen kraag, dien hij op de parade had gedragen. Jonge jufvrouw Pankey, op het oogenblik het eenige andere logeetje, was juist naar den kerker gebracht (eene ledige kamer achter in huis, eene plaats van tuchtiging en boete) omdat zij in het bijzijn der vreemde dames driemaal gesnuffeld had.
“Wel, jonge heer,” zeide mevrouw Pipchin tot Paul, “hoe denkt ge dat ik u bevallen zal?”—“Ik denk, dat ge mij geheel niet zult bevallen,” antwoordde Paul. “Ik wil weg. Dit is mijn huis niet.”—“Neen. Het is mijn huis,” zeide mevrouw Pipchin hierop.—“Een heel leelijk huis,” antwoordde Paul.—“Maar er is toch eene kamer nog leelijker dan deze,” zeide mevrouw Pipchin. “waar wij stoute jongens opsluiten.”—“Ishijdaar wel geweest?” vroeg Paul, naar den kleinen Bitherstone wijzende.
Mevrouw Pipchin knikte toestemmend; en Paul had het overige van den dag genoeg te doen om den kleinen Bitherstone van het hoofd tot de voeten te bekijken en op al de veranderingen van zijn gezicht te letten, met de belangstelling welke een kleine jongen moest opwekken, die ondervinding van schrikkelijke en geheimzinnige dingen had.
Tegen één ure ging men aan den maaltijd, die voornamelijk uit meelkost en groenten bestond, als wanneer jonge jufvrouw Pankey (een nietig klein meisje, met blauwe oogen, dat elken morgen “geshampood” werd en gevaar scheen te loopen om geheel te worden weggewreven) door de wildevrouw zelve uit hare gevangenis gehaald en onderricht werd dat kinderen, die snuffelden als er menschen waren, nooit in den hemel kwamen. Toen deze groote waarheid haar wel was ingeprent, werd zij op rijst vergast, en daarna moest zij een dankgebedje opzeggen, dat in het Kasteel was voorgeschreven en waarin bijzondere melding werd gemaakt van dankbaarheid aan mevrouw Pipchin voor den goeden maaltijd. Mevrouw Pipchin’s nicht, Berinthia, at koud spek. Mevrouw Pipchin zelve, wier gestel warm voedsel vereischte, had voor zich alleen lamskarbonaden, die snikheet tusschen twee borden werden binnengebracht en zeer lekker roken.
Daar het na den eten regende en zij niet op het strand konden gaan wandelen, en mevrouw Pipchin’s gestel na de lamskarbonaden rust vereischte, gingen zij met Berry (anders gezegd Berinthia) naar den kerker, eene ledige kamer, die op een blinden muur en eene waterton uitzag, en iets spookachtig akeligs had door een schoorsteen zonder haard er in. Door gezelschap verlevendigd, was deze kamer toch de pleizierigste; want Berry speelde hier met de kinderen en scheen met evenveel lust te stoeien als zij, totdat mevrouw Pipchin gramstorig tegen den muur klopte; toen hielden zij op en vertelde Berry hun sprookjes tot het begon te schemeren.
Bij de thee had men overvloed van water en melk en brood met boter, benevens een zwart trekpotje voor mevrouw Pipchin en Berry, en geboterden toast voor mevrouw Pipchin alleen, wie deze versnapering, evenals de karbonaden, snikheet werd gebracht. Hoewel mevrouw Pipchin onder het gebruik dier lekkernij van buiten zeer vettig werd, scheen zij haar van binnen geheel niet te smeren, want zij bleef even stroef, en de harde grijze oogen bleven even droog.
Na de thee kreeg Berry een naaikistje, met het koninklijke paviljoen op het deksel, en ging ijverig aan het naaien; terwijl mevrouw Pipchin, na haar bril opgezet en een groot boek, met groene stof bekleed, opgeslagen te hebben, begon te knikken. En wanneer mevrouw Pipchin bijna voorover in het vuur viel en met een schrik wakker werd, gaf zij den kleinen Bitherstone een knip op den neus omdat hij ook knikte.
Eindelijk was het voor de kinderen tijd om naar bed te gaan, en na gebeden te hebben, werden zij weggebracht. Daar de jonge jufvrouw Pankey bang was om alleen in den donker te slapen, maakte mevrouw Pipchin er eene wet van om haar zelve als een schaap naar boven te drijven; en het was vervroolijkend te hooren hoe het meisje, nog lang naderhand, in de naargeestigste kamer van het huis lag te huilen, en mevrouw Pipchin nu en dan daarheen ging om haar te stompen. Tegen half tien kwam de geur van warm krentenbrood (mevrouw Pipchin’s gestel kon zonder dat niet in slaap komen) eene afwisseling brengen in den heerschenden reuk van het huis, dien jufvrouw Wickam zeide dat een “bouwlucht” was, en kort daarop lag het geheele kasteel in slaap gedompeld.
Het ontbijt van den volgenden morgen geleek naar de thee van den vorigen avond, behalve dat mevrouw Pipchin een geraspt broodje, in plaats van toast gebruikte, en daarna nog wat neteliger scheen dan anders. De kleine Bitherstone las hardop een geslachtregister uit Genesis (met oordeel door mevrouw Pipchin uitgekozen) en werkte zich door de namen heen met de vlugheid en het gemak van iemand, die tegen een tredmolen opstrompelt. Dit gedaan zijnde, werd jonge jufvrouw Pankey weggebracht om “geshampood” te worden, en de kleine Bitherstone om zich iets anders met zeewater te laten doen, waarvan hij altijd zeer blauw en neerslachtig terug kwam. Paul en Florence gingen intusschen met jufvrouw Wickam (die gedurig in tranen was) op het strand wandelen; en tegen den middag liet mevrouw Pipchin de kinderen bij zich lezen. Daar het tot haar stelsel behoorde den geest van een kind niet aan te[53]moedigen om zich te ontwikkelen en te ontsluiten als eene jonge bloem, maar om dien veeleer als een oester met geweld open te breken, was de moraal van die leeslessen doorgaans van zeer forschen aard; daar de held—een stoute jongen—zelden (ook als het nog genadig met hem afliep) door iets geringers dan een leeuw of beer om hals werd geholpen.
Dit was het leven bij mevrouw Pipchin. Des zaterdags kwam Dombey over en gingen Florence en Paul naar zijn logement op de thee. Zij sleten den geheelen zondag met hem, en gingen gewoonlijk voor den maaltijd uit rijden, en onder zulk een toertje scheen hij nog veel stijver en stroever te zijn dan anders. De zondagavond was de akeligste avond van de week, want mevrouw Pipchin scheen er eene wet van gemaakt te hebben om dan altijd bijzonder knorrig te zijn. De jonge jufvrouw Pankey werd doorgaans diep bedroefd van eene tante teRottendeanteruggebracht; en de kleine Bitherstone, wiens bloedverwanten allen inIndiëwaren, en die tusschen de kerktijden stijf rechtop met zijn hoofd tegen den muur in de voorkamer moest zitten, zonder hand of voet te bewegen, vond dit zoo onuitstaanbaar, dat hij Florence op een zondagavond eens vroeg, of zij hem niet den weg kon wijzen om weer naarBengalente komen.
Men zeide echter algemeen, dat mevrouw Pipchin wel met kinderen te recht wist te komen, en dit was in zekeren zin ook waar. De wildste kinderen gingen, nadat zij eenige maanden onder haar gastvrij dak hadden vertoefd, mak genoeg naar huis. Men zeide ook algemeen dat het mevrouw Pipchin zeer tot eer strekte, dat zij zich aan deze levenswijs had gewijd, en haar gevoel zoo had weten te overwinnen en hare rampen zoo standvastig onder de oogen had gezien, toen haar man van hartzeer over de mijnen vanPeruwas gestorven.
Naar deze voorbeeldige oude dame kon Paul in zijn leuningstoeltje bij het vuur blijven zitten staren, hoelang het ook duurde. Terwijl hij mevrouw Pipchin zoo strak aankeek, scheen hij niet te weten wat verveling was. Hij hield niet van haar; hij was niet bang voor haar; maar als hij in zulk eene stemming was, scheen zij eene groteske aantrekkingskracht voor hem te hebben. Daar zat hij dan haar aan te kijken, tot hij mevrouw Pipchin, wildevrouw als zij was, somtijds verlegen maakte. Eens vroeg zij hem, toen zij alleen waren, waar hij over dacht.
“Over u,” zeide Paul, zonder de minste achterhoudendheid.—“En wat denkt gij over mij?” vroeg zij.—“Ik denk hoe oud gij moet wezen,” zeide Paul.—“Gij moet zulke dingen niet zeggen, jonge heer,” liet zij hierop volgen. “Dat behoort niet.”—“Waarom niet?” vroeg Paul.—“Omdat het niet beleefd is,” antwoordde mevrouw Pipchin snibbig.—“Niet beleefd?” zeide Paul.—“Neen.”—“Het is niet beleefd,” zeide Paul, geheel argeloos, “al de lamskarbonaden en toast op te eten, zegt jufvrouw Wickam.”—“Jufvrouw Wickam,” viel mevrouw Pipchin uit, eene kleur krijgende, “is eene onbeschaamde prij.”—“Wat is dat?” vroeg Paul alweer.—“Dat is buiten u, jonge heer,” antwoordde mevrouw Pipchin. “Denk maar aan de historie van den kleinen jongen die door een dollen stier werd dood gestooten omdat hij te veel vroeg.”—“Als de stier dol was,” zeide Paul, “hoe wist hij dan dat de jongen te veel gevraagd had? Niemand kan een dollen stier geheimen gaan influisteren. Ik geloof niet aan die historie.”—“Gelooft gij er niet aan?” riep mevrouw Pipchin met verbazing uit.—“Neen,” zeide Paul.—“Ook niet, als het nu eens een makke stier was geweest?” zeide mevrouw Pipchin.
Daar Paul de zaak nog niet uit dit oogpunt had bezien, en zijne besluiten op de beweerde dolheid van den stier had gebouwd, liet hij zich daarmede vooreerst tot zwijgen brengen. Maar hij bleef er over zitten peinzen, met zulk een blijkbaar voornemen om mevrouw Pipchin zoo met een vast te zetten, dat zelfs deze geharde oude dame het voorzichtig achtte heen te gaan tot hij het geval vergeten had.
Van dien tijd af scheen kleine Paul dezelfde zonderlinge aantrekkingskracht op mevrouw Pipchin uit te oefenen, als zij op hem deed. Zij liet hem zijn stoeltje aan denzelfden kant van het vuur zetten, in plaats van tegen haar over, en daar zat hij dan, in een hoekje tusschen mevrouw Pipchin en den haard, elke rimpel van haar gezicht te bestudeeren en in hare harde grijze oogen te turen, tot zij die somtijds liever maar dicht deed, en zich hield alsof zij was ingedut. Mevrouw Pipchin had eene oude zwarte kat, welke doorgaans voor den haard ineengerold, egoïstisch lag te spinnen, en naar het vuur te knipoogen, tot hare versmalde oogappels naar twee uitroepteekenen geleken. De goede vrouw had—het zij zonder oneerbiedigheid gezegd—wel eene heks kunnen zijn, en Paul en de kat hare twee gedienstige geesten, gelijk zij daar te zamen bij het vuur zaten. Het zou volmaakt met het voorkomen van dit gezelschapje gestrookt hebben, als zij allen eens op een avond bij een harden wind den schoorsteen waren ingevlogen, en men nooit weder iets van hen gehoord had.
Dit gebeurde echter niet. De kat, Paul en mevrouw Pipchin waren na den donker bestendig op hunne gewone plaatsen te vinden; en Paul, het kameraadschap van den kleinen Bitherstone schuwende, bleef avond aan avond mevrouw Pipchin, de kat en het vuur bestudeeren, alsof zij een tooverboek in drie deelen waren.
Jufvrouw Wickam verklaarde Paul’s zonderlingheden op hare eigene manier; en in hare[54]zwaarmoedigheid bevestigd door het uitzicht op eenige zwarte schoorsteenen, het aanhoudende geloei van den wind, in de kamer waar zij gewoonlijk zat, en de eentonigheid (narigheid was hare krachtige uitdrukking) van haar tegenwoordig leven, leidde zij uit de vermelde gegevens de akeligste gevolgen af. Mevrouw Pipchin was er zeer op uit om allen vertrouwelijken omgang tusschen hare meid en jufvrouw Wickam af te snijden, en besteedde dientengevolge veel tijd om achter eene deur verborgen op de wacht te staan, en dan eensklaps uit te schieten, als die ongelukkige meid zich naar jufvrouw Wickam’s kamer wilde begeven. Berry daarentegen mocht daar zoo dikwijls komen en zoolang blijven, als dit door de menigvuldige plichten, waaraan zij zich van den ochtend tot den avond afsloofde, werd veroorloofd, en het was voor Berry dat jufvrouw Wickam haar gemoed ontlastte.
“Welk een aardig jongetje is hij als hij slaapt!” zeide Berry, en bleef staan om naar Paul in bed te kijken, toen zij jufvrouw Wickam eens haar avondeten bracht.—“Och ja,” zuchtte jufvrouw Wickam. “En dat mag hij ook wel!”—“Wel, als hij wakker is, is hij toch ook niet leelijk,” merkte Berry aan.—“Neen, jufvrouw. O neen. En mijn ooms Betsey Jane ook niet,” zeide jufvrouw Wickam.
Berry keek alsof zij naar het verband tusschen Paul Dombey en jufvrouw Wickam’s ooms Betsey Jane zocht.
“Mijn ooms vrouw,” vervolgde jufvrouw Wickam, “stierf evenzoo als zijne mama. En met zijn dochtertje ging het eveneens als met jongen heer Paul. Dat kind deed iemand somtijds het bloed stollen, dat deed zij!”—“Hoe zoo?” vroeg Berry.—“Ik had ’s nachts niet alleen bij Betsey Jane willen opblijven,” zeide jufvrouw Wickam, “al hadt gij Wickam den anderen ochtend zelf in eene zaak willen zetten. Ik had het niet kunnen doen, jufvrouw Berry.”
Berry vroeg natuurlijk, waarom niet; maar jufvrouw Wickam praatte, volgens het gebruik van sommige dames van haar stand, op hare eigene manier voort.
“Betsey Jane,” vervolgde zij, “was zulk een lief kind als iemand kon verlangen. Ik denk nooit liever kind te zullen zien. Door alle ziekten, die een kind krijgen kan, was zij allerliefst heen gekomen. Maar Betsey Jane,” vervolgde zij, hare stem latende dalen en naar Paul in zijn bedje omkijkende, “was in haar wiegje door hare doode moeder bewaakt. Ik zou niet kunnen zeggen hoe, of wanneer, en zou ook niet kunnen zeggen of het lieve kind het wist of niet, maar Betsey Jane was door hare moeder bewaakt, jufvrouw Berry! Gij moogt zeggen dat dit gekheid is, en ik zal het u niet kwalijk nemen, jufvrouw. Ik hoop zelfs dat gij het met uw geweten overeen kunt brengen om te denken, dat het maar gekheid is; gij zult er des te vroolijker door blijven; neem mij niet kwalijk dat ik zoo vrij ben—in dit akelige, grafachtige huis, dat mij den dood zal doen. Paul is wat onrustig in zijn slaap. Klop hem eens op den rug, als het u belieft.”—“Gij denkt natuurlijk,” zeide Berry, zachtjes doende wat haar gevraagd was, “dat hij ook door zijne moeder bewaakt is?”—“Met Betsey Jane,” zeide jufvrouw Wickam op haar allerplechtigsten toon, “is het eveneens gegaan als het met dat kind gegaan is. Zij is eveneens veranderd als dat kind veranderd is. Ik heb haar dikwijls en dikwijls zoo zien zitten denken—denken—denken, evenals hij. Ik heb haar dikwijls even zoo oudachtig zien kijken als hij. Ik heb haar dikwijls eveneens hooren praten als hij doet. Ik houd het er voor dat het met dat kind en Betsey Jane volmaakt eveneens is, jufvrouw Berry.”—“Is dat kind van uw oom nog in leven?” vroeg Berry.—“Ja, jufvrouw Berry, nog in leven,” antwoordde jufvrouw Wickam, met iets zegevierends in haar toon, want blijkbaar had Berry het tegendeel verwacht, “en zij is met een zilversmid getrouwd. O ja, jufvrouw,zijis nog in leven,” zeide jufvrouw Wickam, met bijzonderen nadruk op het voornaamwoord.
Daar het duidelijk genoeg was dat iemand anders dood moest wezen, vroeg mevrouw Pipchin’s nicht wie dat was.
“Ik zou u niet gaarne ongerust willen maken,” antwoordde jufvrouw Wickam, aan haar avondeten beginnende. “Vraag het mij maar niet.”
Dit was het zekerste middel om nog meer gevraagd te worden. Berry deed dit dus ook, en na nog wat tegensporrelen legde jufvrouw Wickam haar mes neer, en naar Paul in zijn bedje omziende, antwoordde zij:
“Zij hechtte zich bijzonder aan sommige menschen. Somtijds was het onverklaarbaar waarom; somtijds was het eene gehechtheid, die men natuurlijk had kunnen verwachten, maar sterker dan gewoonlijk. Al die menschen stierven.”
Dit was zoo onverwacht en ontzettend, dat Berry stijf op den harden rand van het ledikant bleef zitten en, kort ademhalende, hare berichtgeefster met on verholen angst aanstaarde.
Jufvrouw Wickam wees tersluiks met haar voorvinger naar het bedje, waar Florence lag te slapen en toen even nadrukkelijk naar den grond. Vlak daaronder was de kamer waar mevrouw Pipchin gewoonlijk haar souper gebruikte.
“Onthoud wat ik zeg, jufvrouw Berry,” zeide jufvrouw Wickam, “en wees dankbaar dat jonge heer Paul niet van u houdt. Ik ben het, dat hij niet van mij houdt, dat verzeker ik u; al hebt ge niet veel om voor te leven—neem mij niet kwalijk, dat ik zoo vrij ben—in zulk eene gevangenis van een huis.”[55]
Misschien deed Berry’s ontroering haar Paul wat al te hard op den rug kloppen, of wel geheel daarmede ophouden, maar hij keerde zich nu in het bed om, werd daarop wakker, kwam overeind, ontsteld door een benauwden droom, en vroeg naar Florence.
Op het eerste geluid van zijne stem, was zij uit haar bed; en terstond over zijne peluw buigende, zong zij hem weder in slaap. Jufvrouw Wickam schudde haar hoofd, en liet eenige tranen vallen, terwijl zij deze groep aan Berry wees.
“Goeden nacht, jufvrouw, goeden nacht,” zeide jufvrouw Wickam zacht. “Uwe tante is eene oude vrouw, en het is dus iets dat ge toch al dikwijls moet verwacht hebben.”
Jufvrouw Wickam vergezelde dit troostende vaarwel met een blik van diepe zielesmart, en toen zij met de twee kinderen alleen was gebleven, gaf zij zich aan hare zwaarmoedigheid over, tot zij ook door den slaap werd overweldigd.
Hoewel de nicht van mevrouw Pipchin deze voorbeeldige vrouw juist niet dood op het haardkleedje dacht te vinden, toen zij naar beneden ging, was het toch eene verademing voor haar toen zij haar buitengemeen knorrig en lastig vond, en zij alle blijken gaf dat zij voornemens was om nog lang, tot vreugde van allen die haar kenden, te blijven leven. Ook in de volgende week vertoonden zich nog geene verschijnselen van tering, maar verdwenen de voedingsmiddelen, die haar gestel vereischte, even geregeld als gewoonlijk, hoewel kleine Paul haar zoo onvermoeid als ooit bestudeerde, en op zijne gewone plaats tusschen haar zwarten rok en den haard bleef zitten.
Maar dewijl Paul na verloop van dien tijd niet sterker was dan bij zijne komst, hoewel zijn gezichtje er veel gezonder uitzag, werd er een wagentje voor hem gekocht, waarin hij op zijn gemak kon liggen, met een A B boek en eenige prentenboekjes bij zich, en zich naar den zeekant laten rijden. Overeenkomstig met zijn zonderlingen smaak, wilde het kind niets weten van een frisschen blozenden knaap, die voorgesteld werd om zijn wagentje te trekken, en koos, in zijne plaats, zijn grootvader, een oud, afgeleefd man, met een allerzuurst gezicht en een pak van oud wasdoek, dat een reuk verspreidde gelijk een met wier overdekt strand.
Met dezen fraaien bediende om hem voort te trekken, en Florence altijd naast hem, terwijl de neerslachtige jufvrouw Wickam achteraankwam, werd hij dagelijks naar het strand gereden, en zat of lag hij daar uren achtereen in zijn wagentje, terwijl niets hem zoo onaangenaam was als het gezelschap van kinderen—Florence alleen altijd uitgenomen.
“Ga maar heen, als het u belieft,” zeide hij gewoonlijk tot een kind, dat hem gezelschap wilde komen houden. “Ik dank u wel, maar ik heb u niet noodig.”
Een kinderstemmetje aan zijn oor vroeg hem wel eens hoe het hem ging.
“Ik ben heel wel—dank u,” antwoordde hij dan; “maar gij moest liever maar gaan spelen, als het u belieft.”
Dan keerde hij zijn hoofd om, wachtte tot het kind weg was, en zeide tot Florence: “Wij hebben niemand anders noodig, niet waar? Geef mij maar een kus, Flore.”
Hij had op zulk een tijd zelfs een hekel aan het gezelschap van jufvrouw Wickam, en was weltevreden als zij opkuierde, gelijk zij meestal deed, om schelpen en kennissen te zoeken. Zijn geliefkoosd plekje was eene eenzame plaats ver van de gewone wandeling; en als Florence daar bij hem zat te werken, of hem voorlas, of met hem praatte, en de wind hem langs het voorhoofd blies, en het water tot aan de wielen van zijn wagentje opkwam, verlangde hij niets meer.
“Flore,” zeide hij eens, “waar isOost-Indië, waar de familie van dien jongen woont?”—“O, dat is heel ver weg,” zeide Florence, hare oogen van haar werk opslaande.—“Weken ver?” vroeg Paul.—“Ja; men zou vele weken dag en nacht moeten reizen om er te komen.”—“Als gij inOost-Indiëwaart, Flore,” zeide Paul, na eene poos te hebben gezwegen, “dan zou ik—wat was het dat mama deed? Dat ontschiet mij daar.”—“Mij liefhebben,” antwoordde Florence.—“Neen, neen. Heb ik u dan nu niet lief, Flore? Wat is het?—Sterven. Als gij inOost-Indiëwaart, zou ik sterven, Flore.”
Zij legde haastig haar werk neer, liet haar hoofdje op zijn kussen rusten en liefkoosde hem. En dat zou zij ook, zeide zij, als hij daar was. Hij zou wel gauw beter worden.
“O, ik ben nu al veel beter,” antwoordde hij. “Dat meen ik niet. Ik meen dat ik zou sterven, omdat ik zoo bedroefd en zoo alleen zou zijn, Flore.”
Een andermaal viel hij op dezelfde plaats in slaap en bleef een langen tijd gerust slapen. Toen hij wakker werd, kwam hij met zekeren schrik overeind en bleef zitten luisteren.
Florence vroeg hem wat hij dacht te hooren.
“Ik wilde weten wat zij zegt,” antwoordde hij, haar strak aanziende. “De zee, Flore, wat zegt zij toch zoo gedurig?”
Zij zeide hem dat het alleen het gerucht der rollende golven was.
“Ja, ja,” zeide hij. “Maar ik weet dat zij altijd iets zeggen. Altijd hetzelfde. Wat ligt daar aan den overkant?” Hij richtte zich nog meer op en tuurde met verlangen naar den gezichteinder.
Zij zeide hem dat daar aan den overkant een ander land lag, maar hij zeide dat hij dit niet[56]meende; hij meende verder weg—verder weg!
Zeer dikwijls brak hij naderhand midden in hun gesprek af en poogde te verstaan wat het was dat de golven gedurig zeiden, en kwam hij in zijn bedje overeind om naar dat onzichtbare gewest—ver aan den overkant—te staren.