[Inhoud]XI.PAUL WORDT OP EEN NIEUW TOONEEL GEVOERD.Mevrouw Pipchin’s gestel bestond uit zulk hard metaal, hoewel het onderhevig was aan de vleeschelijke zwakheid om na karbonaden rust noodig te hebben, dat zij de voorspellingen van jufvrouw Wickam logenstrafte en er zich geene verschijnselen van tering bij haar opdeden. Daar echter Paul’s buitengewone ingenomenheid met de oude dame in volle kracht bleef, week jufvrouw Wickam geen duim breed van haar gevoelen af. Zich op den vasten grond van haar ooms Betsey Jane verschansende, raadde zij jufvrouw Berry als vriendin om zich op het ergste gereed te houden, en waarschuwde haar dat hare tante ieder oogenblik even gevaarlijk was als een kruitmolen.De arme Berry hoorde dit alles geduldig aan en sloofde en slaafde naar gewoonte voort, volmaakt overtuigd dat mevrouw Pipchin een der verdienstelijkste menschen op de wereld was, waarom zij dan ook zich zelve ontelbare malen daags op het altaar dier edele matrone ten offer bracht. Doch al die zelfopofferingen van Berry werden door mevrouw Pipchin’s vrienden en vriendinnen op eene of andere wijs geheel ter eere van die dame uitgelegd, en in verband gebracht met de treurige omstandigheid dat mijnheer Pipchin van hartzeer over de mijnen vanPeruwas gestorven.Bij voorbeeld, er was een eerlijk komenijsman, tusschen wien en mevrouw Pipchin een aanteekenboekje, met een vettig rood bandje, werd gehouden, dat gedurig geschil veroorzaakte, en waarover telkens geheime conferentiën werden gehouden, hetzij op de mat in den gang, of met geslotene deur in de zijkamer. Het ontbrak ook niet aan donkere geruchten, van jongen heer Bitherstone afkomstig (die door den invloed der zonnehitte vanIndiëop zijn bloed een wraakzuchtig karakter had gekregen) dat de rekening dikwijls onbetaald bleef en men tusschenbeide gebrek aan suiker bij de thee leed. Daar deze komenijsman ongetrouwd was en niet naar uitwendige schoonheid zag, had hij eens zeer fatsoenlijk om de hand van Berry gevraagd, welke mevrouw Pipchin hem met hoon en smaad had geweigerd. Iedereen zeide, hoe loffelijk dit van mevrouw Pipchin was, weduwe van een man, die aan de mijnen vanPeruwas gestorven, en hoe hooghartig en onafhankelijk de oude dame nog was. Maar niemand zeide iets van Berry, die zes weken lang schreide (al dien tijd door hare goede tante geducht bekeven), en in een staat van hopeloos oudvrijsterschap verzonk.“Berry houdt veel van u, niet waar?” zeide Paul eens tot mevrouw Pipchin, toen zij met de kat bij het vuur zaten.—“Ja,” zeide mevrouw Pipchin.—“Waarom?” vroeg Paul.—“Waarom?” herhaalde de oude dame uit het veld geslagen. “Hoe kunt gij zoo iets vragen, jonge heer? Waarom houdt gij van uw zusje Florence?”—“Omdat zij zoo goed is,” antwoordde Paul. “Er is niemand die naar Florence gelijkt.”—“Wel,” zeide mevrouw Pipchin kortaf, “en er is niemand die naar mij gelijkt, denk ik.”—“Zou er waarlijk niemand wezen?” vroeg Paul, op zijn stoeltje vooroverleunende en haar[70]zeer strak aankijkende.—“Neen,” zeide de oude dame.—“Daar ben ik blij om,” merkte Paul aan, nadenkend in zijne handjes wrijvende. “Dat vind ik heel goed.”Mevrouw Pipchin durfde hem niet vragen waarom, uit vrees voor een geheel verpletterend antwoord. Maar als een balsem voor haar gekwetst gevoel, plaagde zij den kleinen Bitherstone tot hij naar bed ging zoodanig, dat hij dien zelfden avond beschikkingen begon te maken om over land naarIndiëterug te keeren, door van zijn avondeten een brok brood en een stukje kaas weg te stoppen, als het begin van een voorraad van levensmiddelen om zich op reis te onderhouden.Mevrouw Pipchin had nu bijna een jaar lang den kleinen Paul en zijne zuster onder haar opzicht gehad. Zij waren tweemaal naar huis geweest, maar slechts voor weinige dagen, en hadden overigens hun vader wekelijks geregeld in zijn logement gaan bezoeken. Langzamerhand was kleine Paul sterker geworden en had hij zijn wagentje kunnen missen; maar hij was nog mager en teer, en bleef nog hetzelfde oudachtige, stille, droomerige kind, dat hij was toen hij pas aan de zorg van mevrouw Pipchin werd toevertrouwd. Op een zaterdagavond, tegen de schemering, werd er eens in het Kasteel eene groote ontsteltenis veroorzaakt, daar Dombey geheel onverwacht mevrouw Pipchin een bezoek kwam brengen. Dadelijk werd de bevolking der zijkamer als door een wervelwind naar boven gejaagd, en na veel toeslaan van deuren en stampen van voeten op die verdieping, en nadat mevrouw Pipchin, om hare onrust eenigszins lucht te geven, den kleinen Bitherstone eenige duwen en stompen had toegediend, verdonkerde eindelijk het zwarte gewaad der brave vrouw deaudiëntiezaal, waar Dombey het ledige leuningstoeltje van zijn zoon en erfgenaam zat te beschouwen.“Mevrouw Pipchin,” zeide Dombey. “Hoe vaart ge?”—“Wel verplicht, mijnheer,” zeide mevrouw Pipchin. “Tamelijk wel, alles in aanmerking genomen.”Mevrouw Pipchin gebruikte altijd die spreekwijs. Zij meende, hare deugden, opofferingen enz. in aanmerking genomen.“Ik kan niet verwachten ooit geheel gezond te zijn, mijnheer,” hervatte mevrouw Pipchin, een stoel nemende en naar adem hijgende, “maar voor zooveel gezondheid als ik heb, ben ik dankbaar.”Dombey boog zijn hoofd met het tevreden gezicht van een patroon, die begreep dat dit juist datgene was waarvoor hij zooveel in het vierendeeljaar betaalde. Na een oogenblik van stilte, hervatte hij:“Mevrouw Pipchin, ik ben zoo vrij geweest aan te komen, om u over mijn zoon te raadplegen. Ik ben dat al eenigen tijd voornemens geweest, maar heb het gedurig uitgesteld, om te wachten tot zijne gezondheid geheel hersteld was. Gij hebt geene bezorgdheid in dat opzicht, mevrouw Pipchin?”—“Brightonis hem zeer heilzaam geweest, mijnheer,” antwoordde mevrouw Pipchin. “Inderdaad, zeer heilzaam.”—“Ik ben ook voornemens,” zeide Dombey, “dat hij teBrightonzal blijven.”Mevrouw Pipchin wreef in hare handen en vestigde hare oogen op het vuur.“Maar,” vervolgde Dombey, zijn voorvinger opstekende, “maar misschien zal ik nu eene verandering met hem maken, waardoor hij hier eene geheel andere levenswijs zal krijgen. Kortom, mevrouw Pipchin, dat is het oogmerk van mijn bezoek. Mijn zoon begint nu voort te komen—werkelijk voort te komen.”De zegepralende houding waarmede Dombey dit zeide had iets treurigs. Zij bewees hoelang Paul’s kindsheid hem geduurd had, en hoe zijne hoop op een later tijdperk van zijn leven was gevestigd. Medelijden mag een vreemd woord schijnen om op een man, die zoo koud en trotsch was, toe te passen, en toch scheen hij op dat oogenblik een waardig voorwerp van medelijden te zijn.“Zes jaren oud,” zeide Dombey, zijne das verschikkende, misschien om een onbedwingbaren glimlach te verbergen, die veeleer van zijn gezicht, waar hij geene rustplaats vond, scheen af te schampen, dan er over te spelen. “Wel, zes zal zestien worden, eer wij er om denken.”—“Tien jaren,” kraste de onmeedoogende mevrouw Pipchin, met eene ijskoude flikkering in hare harde grijze oogen, en een akelig schudden van haar gebogen hoofd, “is een lange tijd.”—“Dat hangt van omstandigheden af,” antwoordde Dombey. “In allen gevalle, mevrouw Pipchin, mijn zoon is nu zes jaren, en er is geen twijfel aan, vrees ik, of hij is in het leeren ver ten achter bij vele kinderen even oud als hij—of even jong,” zeide Dombey, snel opmerkende wat hij misschien voor een spottend flikkeren der koude oogen meende te moeten houden—“even jong is eene meer gepaste uitdrukking. Nu, mevrouw Pipchin, behoorde mijn zoon, in plaats van bij andere kinderen ten achter, hen veel vooruit te zijn. Er is eene verhevene plaats voor hem gereed. De loopbaan van mijn zoon heeft niets twijfelachtigs. Zijn weg door het leven was duidelijk afgeteekend en voorbereid, eer hij aanwezig was. De opvoeding van zulk een jongen heer moet niet verzuimd of vertraagd worden. Zij moet niet onvolkomen blijven. Er moet met ijver en ernst voor gezorgd worden, mevrouw Pipchin.”—“Zeker, mijnheer,” antwoordde mevrouw Pipchin. “Daar kan ik niets tegen zeggen.”—“Ik was overtuigd, mevrouw Pipchin,” zeide Dombey goedkeurend, “dat iemand van uw verstand dat niet zou kunnen of willen.”—“Er wordt[71]veel onzin, of erger, over uitgekraamd, dat kinderen in het eerst niet te hard moeten worden aangezet, en zachtjes voortgeleid, en zoo al meer, mijnheer,” zeide mevrouw Pipchin, ongeduldig haar haviksneus wrijvende. “In mijn tijd dacht men nooit om zoo iets, en dat behoeft men nu nog niet te doen. Mijne meening is “laat ze geen rust.””—“Mevrouw,” antwoordde Dombey, “gij hebt uwe reputatie niet onverdiend verworven; en ik verzoek u te willen gelooven, dat ik meer dan tevreden ben over uwe uitmuntende manier van opvoeden, en die met het grootste genoegen zal recommandeeren, als mijne geringe recommandatie”—Dombey’s statigheid, wanneer hij zijne eigene gewichtigheid veinsde te willen verkleinen, ging alle verbeelding te boven, “van eenigen dienst kan zijn. Ik heb aan doctor Blimber gedacht, mevrouw Pipchin.”—“Mijn buurman, mijnheer?” zeide mevrouw Pipchin. “Ik geloof dat het instituut van doctor Blimber uitmuntend is ingericht. Ik hoor dat men er zeer streng is, en er van den ochtend tot den avond niets gedaan wordt dan leeren.”—“En het is zeer duur,” voegde Dombey er bij.—“En het is zeer duur, mijnheer,” antwoordde mevrouw Pipchin, met een spoed alsof zij, door deze omstandigheid te vergeten, een der voornaamste verdiensten van het instituut had verwaarloosd.—“Ik heb reeds eenige informatie bij den doctor genomen, mevrouw Pipchin,” zeide Dombey, zijn stoel onrustig een weinig dichter bij het vuur schuivende, “en hij denkt dat Paul volstrekt niet te jong is. Hij heeft mij verscheiden voorbeelden genoemd van jongens, die op dezelfde jaren al aan het Grieksch waren. Als ik mij, wat die verandering betreft, eenigszins ongerust maak, mevrouw Pipchin, is het niet om die reden. Daar mijn zoon nooit eene moeder heeft gekend, heeft hij zijne kinderlijke gehechtheid langzamerhand wat veel—wat al te veel—op zijne zuster overgebracht. Of hunne scheiding—” Dombey sprak niet verder, maar bleef zwijgend zitten.—“Wel heere mijn tijd!” riep mevrouw Pipchin uit, haar zwarten rok uitschuddende, terwijl de kindereetster in volle mate bij haar ontwaakte. “Als het haar niet bevalt, mijnheer Dombey, moet zij het maar leeren slikken.” De goede vrouw verzocht terstond daarop verschooning dat zij zulk eene triviale uitdrukking gebruikte, maar zeide (en met waarheid) dat dit de manier was waarop zij redeneerde.Dombey wachtte tot mevrouw Pipchin gedaan had met het hoofdschudden en zuur kijken alsof zij een legioen Bitherstone’s en Pankey’s wilde bang maken, en zeide toen bedaard, maar berispend: “Maar hem, mijne goede mevrouw, hem.”Mevrouw Pipchin zou wel gezind zijn geweest om allen tegenzin van kleinen Paul op dezelfde wijs te genezen; maar het grijze oog was scherp genoeg om te zien, dat haar recept, schoon Dombey wel wilde toegeven dat het voor zijne dochter dienstig kon zijn, hem voor zijn zoon niet beviel. Zij begon dus over de zaak uit te weiden, en beweerde dat de verandering, het nieuwe gezelschap, de geheel verschillende levenswijs, die hij bij doctor Blimber zou hebben, en de drukte van de lessen hem spoedig van oude betrekkingen zouden vervreemden. Daar dit met Dombey’s eigene hoop en geloof instemde, gaf het hem eene nog hoogere meening van mevrouw Pipchin’s verstand; en daar mevrouw Pipchin te gelijk het verlies van haar liefste vriendje bejammerde (hetwelk echter niet zulk een zware schok voor haar was, daar zij het reeds lang had verwacht, en in het begin niet had gedacht dat hij langer dan drie maanden bij haar zou blijven) vatte hij eene even gunstige meening van mevrouw Pipchin’s belangeloosheid op. Het was duidelijk dat hij zorgvuldig over de zaak had gedacht, want hij had een plan gevormd, gelijk hij mevrouw Pipchin nu zeide, om Paul het eerste halfjaar slechts voor de week bij den doctor in den kost te doen, terwijl Florence zoolang bij haar zou blijven, om hem des zaterdags te ontvangen. Zoo zou hij langzaam gespeend worden, zeide Dombey, misschien met eene herinnering dat hij eene vorige maal niet langzaam gespeend was.Dombey maakte een eind aan het onderhoud, door zijne hoop te kennen te geven, dat mevrouw Pipchin zijn zoon, zoolang hij teBrightonbleef, nog onder haar opzicht zou houden, en nadat hij Paul een kus en Florence de hand had gegeven, den kleinen Bitherstone met zijn staatsiekraag had gezien, en jonge jufvrouw Pankey aan het huilen gemaakt door haar op het hoofd te kloppen (dat bij haar bijzonder gevoelig was, ten gevolge der gewoonte die mevrouw Pipchin had om er met hare knokkels tegen te tikken, alsof het eene ton was waarvan zij het geluid wilde hooren) begaf hij zich naar zijn logement en aan zijn diner, met het besluit dat de opvoeding van den kleinen Paul, nu hij zoo oud en zoo gezond werd, zonder uitstel met kracht moest worden begonnen, om hem aldus voor te bereiden voor de positie waarin hij eens zou schitteren, en dat doctor Blimber hem dadelijk onder handen zou nemen.Wanneer een jongen door doctor Blimber onder handen werd genomen, kon hij er op rekenen dat het tamelijk hard zou zijn. De doctor nam niet meer dan tien jonge heeren onder zijne leiding, maar hij had altijd (volgens de laagste schatting) een voorraad van geleerdheid voor honderd gereed; en het was zoowel de taak als de vreugd van zijn leven, de ongelukkige tien daarmede vol te proppen.Doctor Blimber’s instituut was eigenlijk eene groote broeikas, waarin de stooktoestel onophoudelijk in werking werd gehouden. Al de[72]jongens bloeiden voor hun tijd. Geestelijke doperwtjes werden tegen Kerstmis gekweekt, en intellectueele asperges het geheele jaar door. Mathematische aalbessen (erg zuur ook) rijpten onder doctor Blimber’s kweeking in de ontijdigste seizoenen, en aan struiken, die nog niet meer dan spruitjes waren. Alle soorten van Grieksche en Latijnsche groenten werden van de droogste stokken van jongens gehaald, en dat onder de vriesachtigste omstandigheden. De natuur kwam er volstrekt niet op aan. Onverschillig wat een jonge heer bestemd was te dragen, doctor Blimber deed hem, op eene of andere manier, dragen wat men maar wilde.Dit alles was heel aardig en schrander, maar de geforceerde kweekerij ging met gewone nadeelen gepaard. Die vroegrijpe producten hadden den rechten smaak niet en hielden zich ook niet goed. Bovendien, één jong heer, met een gezwollen neus en een bijzonder groot hoofd (de oudste van de tien, die “alles was door geweest”) hield eens plotseling op met bloeien en bleef als een stok in het etablissement; en men zeide dat de doctor het met den jongen Toots wat al te erg had gemaakt, en dat hij, toen hij een baard begon te krijgen, geene hersenen meer had.Daar was, in allen gevalle, de jonge Toots, met eene allergrofste stem en een allerschraalsten geest. Hij droeg opzichtige spelden voor de borst en een ring in zijn vestzakje, om tersluiks aan zijn pink te steken, als de leerlingen uit wandelen gingen; werd gedurig verliefd op kindermeisjes, die hij zag en die geen het minste denkbeeld hadden van zijn bestaan; en keek des avonds na den tijd van naar bed gaan, naar de met gas verlichte wereld uit het linker hoekvenster op de derde verdieping, gelijk een boven de maat gegroeide cherub, die al te lang boven was blijven zitten.De doctor was een zwaarlijvig man, geheel in het zwart, met strikjes aan de knieën en kousen daarbeneden. Hij had een blinkend kaal hoofd, eene zware stem, en zulk eene onderkin, dat het te verwonderen was hoe hij zich in de plooien kon scheren. Hij had insgelijks een paar kleine oogen, die altijd half dicht waren, en een mond, die altijd tot een grijnzenden lach was uitgerekt, alsof hij zoo op het oogenblik een jongen had vastgezet en wachtte om hem uit zijn antwoord te overtuigen, dat hij zijne les niet had geleerd. Wanneer de doctor de rechterhand in de borst stak, met de linker op den rug, en dan, bijna onmerkbaar zijn hoofd schuddende, het gewoonste gezegde tot een zenuwachtigen vreemdeling richtte, was het alsof de Sphinx eene raadselspreuk uitte, die den ongelukkigen vreemdeling het leven moest kosten.De doctor had een zeer mooi huis, met het uitzicht op de zee. Van binnen was het echter geen vroolijk huis, maar wel het tegendeel. Gordijnen van donkere droevige kleur, zeer schraal en smal, verscholen zich neerslachtig achter de vensters. De tafels en stoelen stonden op rijen, gelijk de cijfers van eene som; in de staatsievertrekken werd zoo zelden gestookt, dat zij zoo kil waren als kelders; de eetzaal scheen de laatste plaats in de wereld te zijn waar men ooit kon eten en drinken; door het geheele huis hoorde men geen geluid behalve het tikken eener groote klok in het voorhuis, hetwelk zelfs op de vliering te hooren was, en somtijds een dof gemurmel van de jonge heeren aan hunne lessen, gelijk het gekir van een troep zwaarmoedige duiven.Jufvrouw Blimber, hoewel eene ranke, tengere maagd, deed den ernst van het huis geen zacht geweld aan. Jufvrouw Blimber wist van geen gekheid. Zij droeg een bril op haar neus en de haren kort gekroesd. Zij was droog en zanderig van het werken in de graven van doode talen. Men behoefde haar niet van levende talen te spreken. Zij moesten dood wezen—lang dood—en dan groef zij ze op als een hyena.Mevrouw Blimber, hare mama, was niet geleerd, maar hield zich toch zoo, en dit kwam op hetzelfde neer. Zij zeide op avond partijtjes, dat, als zij Cicero maar had kunnen kennen, zij dacht dat zij tevreden had kunnen sterven. Het was haar altijd een genot de jonge heeren van den doctor uit wandelen te zien gaan, zoo geheel anders dan andere jonge heeren, met de grootst mogelijke boordjes en de stijfst mogelijke dassen. Dat was zoo classisch, zeide zij.Wat mijnheer Feeder, doctor Blimber’s assistent en bezitter van een academischen graad, betrof, hij was een soort van menschelijk draaiorgel, met een lijstje van deuntjes, die hij aanhoudend, zonder eenige variatie, afspeelde. Misschien had hij vroeger in zijn leven, als het lot hem gunstig was geweest, met verschillende rollen ter verwisseling kunnen voorzien worden; maar dit was niet gebeurd; en hij had er maar een, met welke het zijne taak was door gestadig draaien de jeugdige hersenen van doctor Blimber’s jonge heeren te verbijsteren. Deze jonge heeren werden ontijdig door kwellende zorgen geplaagd. Zij hadden geene rust van onmeedoogende werkwoorden, barsche naamwoorden, onbuigzame taalregelen, en spoken van thema’s, die hun in hunne droomen verschenen. Onder het stelsel van geforceerde cultuur was een jonge heer gewoonlijk in drie weken zijne vroolijkheid kwijt. Binnen drie maanden was hij met al de zorgen der wereld beladen; in vier begon hij de bitterste gevoelens tegen ouders en voogden te koesteren; in vijf was hij een oud menschenhater; in zes benijdde hij Curtius zijne gelukkige schuilplaats onder de aarde, en in een jaar kwam hij tot het besluit, waarvan hij naderhand nooit weder afweek, dat al de schoonheden[73]van dichters en de lessen van wijzen, slechts eene opeenstapeling van woorden tot beoefening der spraakkunst waren, en anders niets beteekenden.Maar hij bleef ondertusschen in de broeikas des doctors bloeien; en groot waren des doctors naam en roem als hij met zijn wintergroen bij zijne betrekkingen en vrienden thuis kwam.“Uw vader is heel rijk, niet waar?” zeide Toots.—“Ja, mijnheer,” antwoordde Paul. “Hij is Dombey en Zoon.” (blz. 79).“Uw vader is heel rijk, niet waar?” zeide Toots.—“Ja, mijnheer,” antwoordde Paul. “Hij is Dombey en Zoon.”(blz. 79).Eens stond Paul, met een onrustig kloppend hart en het rechterhandje in de hand van zijn vader, op de stoep des doctors. Zijne andere hand was in die van Florence gesloten. Hoe stijf was de druk aan den eenen kant, hoe los en koud aan den anderen!Mevrouw Pipchin zweefde, met hare zwarte pluimage en haar krommen neus, gelijk een onheilspellende vogel, achter haar slachtoffer. Zij was buiten adem—want Dombey, vol van groote gedachten, had hard doorgestapt—en terwijl zij wachtte tot de deur geopend werd, kuchte zij schor, alsof er eene raaf kraste.“Nu, Paul,” zeide Dombey met zegepralende blijdschap. “Dit is nu de manier om Dombey en Zoon te worden en geld te krijgen. Gij zijt al haast een man.”—“Haast,” antwoordde het kind.Zelfs zijne kinderlijke aandoening kon den zonderling sluwen en toch roerenden blik niet overmeesteren, waarmede hij dit antwoord vergezelde.[74]Deze blik deed een zweem van ongenoegen op Dombey’s gezicht komen, maar dewijl de deur nu geopend werd, verdween die spoedig weder.“Doctor Blimber is thuis, geloof ik,” zeide Dombey.De knecht zeide ja; en toen zij boven gingen, keek hij naar Paul, alsof deze een muisje en het huis eene val was. Hij was een jong mensch met zwakke oogen en de flauwst mogelijke sporen van een grijnzend lachje op zijn gezicht. Dit was enkel domheid; maar mevrouw Pipchin verbeeldde zich dat het onbeschoft was, en voer dadelijk tegen hem uit.“Hoe durft gij achter dien heer zijn rug lachen?” zeide zij. “En waar houdt gij mij voor?”—“Ik lach om niemand, en ik houd u waarlijk ook voor niets, mevrouw,” antwoordde het jonge mensch in zijne verlegenheid.—“Een troep luie rekels,” zeide mevrouw Pipchin, “die voor niets anders deugen dan om een spit te draaien. Ga uw meester dadelijk zeggen dat mijnheer Dombey er is, of het zal u opbreken!”Het jonge mensch met zwakke oogen ging zeer gedwee zijne boodschap doen, en kwam weldra terug met verzoek dat zij naar des doctors studeerkamer zouden komen.“Daar lacht gij alweer,” zeide mevrouw Pipchin, toen zij hem op hare beurt, achteraankomende, in het voorhuis voorbijging.—“Dat doe ik niet,” antwoordde het jonge mensch, nu erg ontsteld. “Ik heb nooit zoo iets beleefd!”—“Wat is er toch, mevrouw Pipchin?” zeide Dombey omkijkende. “Zachtjes—verzoek ik u.”Uit ontzag voor Dombey mompelde mevrouw Pipchin nog maar iets tegen het jonge mensch, terwijl zij verder ging en zeide dat hij een aardig heerschap was; terwijl het jonge mensch, geheel gedweeheid en onthutstheid, daar staan bleef, door dit voorval bijna tot tranen geroerd. Mevrouw Pipchin had de manier om alle zachtzinnige menschen te brutaliseeren; en hare vrienden vroegen, wie zich daarover kon verwonderen, na hetgeen er met de mijnen vanPeruwas gebeurd.De doctor zat in zijne geduchte studeerkamer, met eene globe aan elke knie, boeken overal om zich heen, Homerus boven de deur en Minerva op den schoorsteenmantel. “Hoe vaart gij, mijnheer,” zeide de doctor, “en hoe maakt het mijn vriendje?” De stem des doctors was zoo zwaar als een orgel, en toen hij zweeg, scheen (voor Paul ten minste) de groote klok in het voorhuis zijne woorden op te vangen en te herhalen: “hoe—maakt—het—mijn—vriend—je—hoe—maakt—het—mijn—vriend—je,” en zoo op den duur maar voort.Daar het vriendje wat te klein was om hem van de plaats waar de doctor zat, over de boeken op de tafel heen, te kunnen zien, deed de doctor verscheidene vruchtelooze pogingen om hem langs de pooten dier tafel in het oog te krijgen; en toen Dombey dit opmerkte, maakte hij een eind aan des doctor’s verlegenheid door Paul in zijne armen op te nemen, en hem midden in de kamer op een ander tafeltje te zetten. “Ha!” zeide de doctor, toen Paul daar zat, en hij zich met de hand in de borst op zijn stoel achterover liet zakken. “Nu zie ik mijn vriendje. Hoe maakt gij het, mijn vriendje?”De klok in het voorhuis wilde zich niet naar deze kleine verandering in den vorm der uitdrukking schikken, maar bleef herhalen: “Hoe—maakt—het—mijn—vriend—je—hoe—maakt—het—mijn—vriend—je?”—“Heel wel, mijnheer, dank u,” antwoordde Paul, evenzeer de klok als den doctor antwoord gevende.—“Ha!” zeide doctor Blimber. “Of wij ook een man van hem zullen maken!”—“Hoort gij wel, Paul?” voegde Dombey er bij, daar Paul bleef zwijgen.—“Of wij ook een man van hem zullen maken!” herhaalde de doctor.—“Ik wilde liever een kind wezen,” antwoordde Paul.—“Zoo waarlijk,”zeide de doctor. “Waarom?”Het kind bleef hem op de tafel zitten aankijken, met eene zonderlinge uitdrukking van gesmoorde aandoening op zijn gezichtje, en klopte met de eene hand trotsch op zijn knietje, alsof hij de opwellende tranen daaronder had en ze wegsloeg. Maar zijne andere hand dwaalde ondertusschen wat verder—nog wat verder—nog wat verder—tot zij op den hals van Florence kwam te liggen. “Daarom is het,” scheen die hand te zeggen, en toen verdween de strakke blik, ontspande zich de trekkende mond en stroomden de tranen.“Mevrouw Pipchin,” zeide zijn vader op een neteligen toon. “Het spijt mij waarlijk zeer dit te zien.”—“Ga van hem vandaan, jonge jufvrouw Dombey,” zeide mevrouw Pipchin.—“Het komt er niet op aan,” zeide de doctor, met een knikje om mevrouw Pipchin terug te houden. “Het—komt—er—niet—op—aan. Wij zullen hem wel spoedig nieuwe indrukken en nieuwe zorgen geven, mijnheer Dombey. Gij zoudt nog wenschen dat mijn vriendje onderricht kreeg in …”—“Alles, als het u belieft, doctor,” antwoordde Dombey op vasten toon.—“Ja,” zeide de doctor, die, met zijne half geslotene oogen en zijn gewonen glimlach, den kleinen Paul met die soort van belangstelling scheen te beschouwen, welke hij aan een aardig beestje had kunnen hechten, dat hij zou opstoppen. “Ja, juist. Ha! Wij zullen ons vriendje eene groote verscheidenheid van kundigheden bijbrengen en hem snel vooruithelpen, durf ik wel zeggen—durf ik wel zeggen. Geheel maagdelijke grond, meen ik van u te hebben gehoord, mijnheer Dombey?”—“Behalve de gewone voorbereiding thuis en van deze dame,” antwoordde Dombey; met een wenk naar mevrouw[75]Pipchin, die zich terstond nog veel stijver hield, alsof zij den doctor bij voorraad uitdaagde in geval hij het minste tegen haar mocht zeggen, “heeft Paul tot nog toe geen onderwijs ontvangen.”Doctor Blimber boog zijn hoofd, om zijne vriendelijke verdraagzaamheid te kennen te geven voor zulke onbeduidende strooperijen als die van mevrouw Pipchin op zijn gebied, en zeide dat hij zich daarover verheugde. Het was veel beter, zeide hij, zijne handen wrijvende, van den grondslag af te beginnen. En wederom loerde hij naar Paul, alsof hij dezen gaarne terstond met het Grieksche alphabet had willen aanklampen.“Die omstandigheid, doctor Blimber,” hervatte Dombey, “en het onderhoud dat ik reeds met u heb mogen hebben, maken alle verdere ophelderingen, en dus alle verdere eischen op uw kostbaren tijd, zoo onnoodig, dat …”—“Houd u stil, jonge jufvrouw Dombey!” zeide de zure mevrouw Pipchin.—“Verschooning,” zeide de doctor. “Nog een oogenblik. Laat ik u mevrouw Blimber en mijne dochter mogen presenteeren, die het huiselijk leven van onzen jongen pelgrim naar den Parnassus zullen veraangenamen.—Mevrouw Blimber,” want deze dame, die misschien had staan wachten, trad juist op dat oogenblik binnen, gevolgd door hare dochter met haar bril, “mijnheer Dombey. Mijne dochter Cornelia, mijnheer Dombey. Mijnheer Dombey, lieve,” vervolgde de doctor, zich naar zijne vrouw keerende, “is zoo goed om—ziet gij ons vriendje wel!”In hare overmaat van beleefdheid voor Dombey, deed mevrouw Blimber dit blijkbaar niet, want al nijgende achteruitstappende duwde zij het vriendje bijna van de tafel af. Op dezen wenk keerde zij zich echter om, ten einde zijne schrandere en classische trekken te bewonderen, en zich toen weder naar Dombey omkeerende, zeide zij, dat zij zijn dierbaren zoon benijdde.“Als een bijtje, mijnheer,” zeide mevrouw Blimber, met de oogen omhoog, “gereed om zich in een tuin vol van de keurigste bloemen te storten en voor de eerste maal den honig daaruit te zuigen. Virgilius, Horatius, Ovidius, Terentius, Plautus, Cicero. Welk een schat van honig hebben wij hier. Het kan wel vreemd schijnen, mijnheer Dombey, dat zij die eene vrouw is—de vrouw van zulk een man—”—“Stil, stil!” zeide doctor Blimber.“Foei schaam u!”—“Mijnheer Dombey zal de partijdigheid van eene vrouw wel vergeven,” zeide mevrouw Blimber met een innemend lachje.Dombey antwoordde “Geheel niet!” welke woorden hij waarschijnlijk op de partijdigheid, niet op het vergeven, wilde toegepast hebben.“En het kan ook vreemd schijnen dat zij die eene moeder is,” hervatte mevrouw Blimber.— “En zulk eene moeder,” zeide Dombey, met eene buiging en eene verwarde gedachte dat hij Cornelia daarmede een compliment maakte.—“Maar waarlijk,” vervolgde mevrouw Blimber, “ik geloof als ik Cicero had kunnen kennen, en zijne vriendin wezen, en met hem omgaan in zijne afzondering teTusculum(dat schooneTusculum), had ik tevreden kunnen sterven.”Geleerde geestdrift is zoo besmettelijk, dat Dombey half geloofde in hetzelfde geval te verkeeren; en dat zelfs mevrouw Pipchin, die anders gelijk wij gezien hebben niet zeer inschikkelijk was, een geluid slaakte tusschen een geknor en een zucht, alsof zij wilde zeggen, dat Cicero alleen iemand onder zulk een ongeval als dat met de mijnen vanPeruhad kunnen troosten.Cornelia keek Dombey door haar bril aan alsof zij gaarne eenige aanhalingen uit den bedoelden schrijver met hem had willen wisselen, maar dit voornemen, als zij het koesterde, werd verijdeld door een kloppen aan de kamerdeur.“Wie is daar?” zeide de doctor. “O, kom binnen, Toots, kom binnen. Mijnheer Dombey, jonge heer.” Toots boog. “Al zeer toevallig!” zeide doctor Blimber. “Hier hebben wij het begin en het einde. De Alpha en de Omega. Onze primus, mijnheer Dombey.”De doctor had hem wel onzen reus mogen noemen, want hij stak met hoofd en schouders boven al de andere leerlingen uit. Hij werd erg rood toen hij zich voor vreemdelingen bevond en grinnikte hoorbaar.“Eene aanwinst voor onzen kleinen Porticus, Toots,” zeide de doctor. “Mijnheer Dombey’s zoontje.”Toots werd nog rooder, en daar de plechtige stilte, die er heerschte, hem deed begrijpen dat men van hem verwachtte dat hij iets zou zeggen, zeide hij tot Paul: “Hoe vaart ge?” met eene stem zoo grof en een gezicht zoo schaapachtig, dat het niet verrassender had kunnen zijn als men een lam had hooren bulken.“Vraag mijnheer Feeder, als het u belieft, Toots,” zeide de doctor, “om de eerste boeken voor mijnheer Dombey’s zoon gereed te maken en eene goede plaats voor hem uit te zoeken. Lieve, ik geloof dat mijnheer Dombey de slaapkamers nog niet gezien heeft.”—“Als mijnheer Dombey boven wil komen,” zeide mevrouw Blimber, “zal ik er meer dan trotsch op zijn hem het rijk van den god der droomen te laten zien.”Daarmede ging mevrouw Blimber, die eene zeer vriendelijke vrouw, en zeer dor van gestalte was, en eene muts droeg waarvan hemelsblauw de hoofdkleur was, met Dombey en Cornelia naar boven. Mevrouw Pipchin volgde, scherp uitkijkende naar haar vijand den knecht.[76]Terwijl zij weg waren, bleef Paul op de tafel zitten, Florence bij de hand houdende en beschroomd naar den doctor in het rond kijkende, terwijl de doctor, achterover in zijn stoel geleund, met de eene hand volgens gewoonte in de borst, een boek op armslengte van zich afhield en las. Er was iets zeer ontzagwekkends in deze wijze van lezen. Het was zulk eene vastberadene, hartstochtelijke, onbuigzame, koelbloedige manier om te werk te gaan. Des doctors gezicht bleef daardoor geheel zichtbaar, en wanneer hij achterdochtig tegen zijn auteur glimlachte, of zijn voorhoofd rimpelde, of zijn hoofd schudde en een scheef gezicht trok, alsof hij wilde zeggen. “Maak mij niets wijs, mijnheer; ik weet wel beter,” was het ontzettend.Toots had ook niet bij de deur behoeven te blijven staan, om het werk van zijn horloge te bekijken en zijne halve kronen te tellen. Maar dit duurde niet lang, want toen doctor Blimber toevallig zijne welgevulde beenen verplaatste, alsof hij wilde opstaan, verdween Toots terstond en liet zich niet meer zien.Weldra hoorde men Dombey en zijne geleidsters weder naar beneden komen, den geheelen weg over pratende; en zoo kwamen zij weder in de kamer.“Ik hoop, mijnheer Dombey,” zeide de doctor, zijn boek neerleggende, “dat onze inrichting uwe goedkeuring wegdraagt.”—“Zij is uitmuntend, mijnheer,” zeide Dombey.—“Heel wel, inderdaad,” zeide mevrouw Pipchin zacht, daar zij nooit te veel wilde prijzen.—“Mevrouw Pipchin,” zeide Dombey, zich omkeerende, “zal, met uw verlof, doctor en mevrouw Blimber, Paul nu en dan komen bezoeken.”—“Wanneer het mevrouw Pipchin maar belieft,” merkte de doctor aan.—“Altijd genoegen doen haar te zien,” voegde mevrouw Blimber er bij.—“Ik denk,” zeide Dombey, “dat ik nu zooveel moeite gegeven heb als noodig is, en wel afscheid kan nemen. Paul, mijn kind,” hij kwam dicht bij den kleine, die nog op de tafel zat. “Goedendag!”—“Goedendag, papa!”Het slappe onverschillige handje, dat Dombey in zijne hand nam, was zonderling in tegenspraak met het benauwde gezichtje. Maar hij had geen deel in de treurige uitdrukking daarvan. Het was niet naar hem toegekeerd. Neen—naar Florence—uitsluitend naar Florence.Als Dombey zich door onbeschaamden hoogmoed op zijn rijkdom ooit een wraakzuchtigen, haatdragenden vijand had berokkend, had zelfs zulk een vijand den steek, die hem toen door het trotsche hart ging, als eene vergoeding voor de hem aangedane beleediging kunnen aanzien.Hij boog zich over zijn zoon en kuste hem. Als zijne oogen, terwijl hij dit deed, verdonkerd werden door iets dat op het kindergezichtje afdroppelde, kan zijn geestelijk gezicht misschien voor die korte poos des te helderder zijn geweest.“Ik zal u spoedig weerzien, Paul. Zaterdag en zondag hebt ge vrij af, weet ge.”—“Ja, papa,” antwoordde Paul, naar zijne zuster ziende. “Zaterdag en zondag.”—“En gij zult uw best doen om hier veel te leeren en een knap man te worden,” zeide Dombey. “Niet waar?”—“Dat zal ik wel,” antwoordde het kind onverschillig.—“En gij zult nu gauw groot worden!” zeide Dombey.—“O, heel gauw!” antwoordde Paul. Wederom vloog dat oudachtige uitzicht, gelijk eene vreemde schemering van licht, over zijne trekken. Het licht van dien blik scheen naar mevrouw Pipchin te dwalen en zich in haar zwart kleed uit te dooven. Deze uitmuntende kindereetster kwam nu nader om afscheid te nemen en Florence weg te slepen, waarnaar zij al lang gedorst had. Hare beweging deed Dombey opzien, wiens oogen nog op Paul gevestigd waren. Na nog eens zijn hoofd gestreeld en zijn handje gedrukt te hebben nam hij met zijne gewone ijskoude beleefdheid, afscheid van doctor Blimber en de twee dames, en ging de kamer uit.In weerwil van zijn verzoek dat zij zich geene moeite zouden geven, verdrongen doctor Blimber en de twee dames elkander bijna om hem naar het voorhuis te brengen, en zoo raakte mevrouw Pipchin tusschen den doctor en de jonge jufvrouw ingeklemd, en werd zij de kamer uitgedrongen eer zij Florence kon grijpen. Aan dit gelukkig toeval had Paul naderhand de dierbare herinnering te danken, dat Florence kwam terugloopen om hare armen om zijn hals te slaan, en dat haar gezichtje—met een bemoedigenden glimlach naar hem toe gekeerd, te helderder om de tranen waardoor die glimlach heen blonk—het laatste in de deur was.Het deed, toen hij alleen was, zijne kinderlijke borst zwellen en zwoegen, en de globes, de boeken, den blinden Homerus en de Minervaschemerachtigdoor de kamer ronddraaien. Maar eensklaps bleven zij stilstaan, en toen hoorde hij de klok in het voorhuis nog ernstig vragen: “Hoe—maakt—het—mijn—vriend—je—hoe—maakt—het—mijn—vriend—je?” evenals te voren.Hij bleef met gevouwen handjes stil op de tafel zitten luisteren. Maar hij had wel mogen antwoorden: “Och ik ben zoo moe, zoo moe! Heel eenzaam, en heel droevig!” En daar, met eene pijnlijke ledigheid in het jeugdige hart, en alles om hem heen zoo koud, en dor, en vreemd, zat Paul alsof hij het leven ongemeubeleerd had gehuurd, en de behanger maar nooit kwam.[77]
[Inhoud]XI.PAUL WORDT OP EEN NIEUW TOONEEL GEVOERD.Mevrouw Pipchin’s gestel bestond uit zulk hard metaal, hoewel het onderhevig was aan de vleeschelijke zwakheid om na karbonaden rust noodig te hebben, dat zij de voorspellingen van jufvrouw Wickam logenstrafte en er zich geene verschijnselen van tering bij haar opdeden. Daar echter Paul’s buitengewone ingenomenheid met de oude dame in volle kracht bleef, week jufvrouw Wickam geen duim breed van haar gevoelen af. Zich op den vasten grond van haar ooms Betsey Jane verschansende, raadde zij jufvrouw Berry als vriendin om zich op het ergste gereed te houden, en waarschuwde haar dat hare tante ieder oogenblik even gevaarlijk was als een kruitmolen.De arme Berry hoorde dit alles geduldig aan en sloofde en slaafde naar gewoonte voort, volmaakt overtuigd dat mevrouw Pipchin een der verdienstelijkste menschen op de wereld was, waarom zij dan ook zich zelve ontelbare malen daags op het altaar dier edele matrone ten offer bracht. Doch al die zelfopofferingen van Berry werden door mevrouw Pipchin’s vrienden en vriendinnen op eene of andere wijs geheel ter eere van die dame uitgelegd, en in verband gebracht met de treurige omstandigheid dat mijnheer Pipchin van hartzeer over de mijnen vanPeruwas gestorven.Bij voorbeeld, er was een eerlijk komenijsman, tusschen wien en mevrouw Pipchin een aanteekenboekje, met een vettig rood bandje, werd gehouden, dat gedurig geschil veroorzaakte, en waarover telkens geheime conferentiën werden gehouden, hetzij op de mat in den gang, of met geslotene deur in de zijkamer. Het ontbrak ook niet aan donkere geruchten, van jongen heer Bitherstone afkomstig (die door den invloed der zonnehitte vanIndiëop zijn bloed een wraakzuchtig karakter had gekregen) dat de rekening dikwijls onbetaald bleef en men tusschenbeide gebrek aan suiker bij de thee leed. Daar deze komenijsman ongetrouwd was en niet naar uitwendige schoonheid zag, had hij eens zeer fatsoenlijk om de hand van Berry gevraagd, welke mevrouw Pipchin hem met hoon en smaad had geweigerd. Iedereen zeide, hoe loffelijk dit van mevrouw Pipchin was, weduwe van een man, die aan de mijnen vanPeruwas gestorven, en hoe hooghartig en onafhankelijk de oude dame nog was. Maar niemand zeide iets van Berry, die zes weken lang schreide (al dien tijd door hare goede tante geducht bekeven), en in een staat van hopeloos oudvrijsterschap verzonk.“Berry houdt veel van u, niet waar?” zeide Paul eens tot mevrouw Pipchin, toen zij met de kat bij het vuur zaten.—“Ja,” zeide mevrouw Pipchin.—“Waarom?” vroeg Paul.—“Waarom?” herhaalde de oude dame uit het veld geslagen. “Hoe kunt gij zoo iets vragen, jonge heer? Waarom houdt gij van uw zusje Florence?”—“Omdat zij zoo goed is,” antwoordde Paul. “Er is niemand die naar Florence gelijkt.”—“Wel,” zeide mevrouw Pipchin kortaf, “en er is niemand die naar mij gelijkt, denk ik.”—“Zou er waarlijk niemand wezen?” vroeg Paul, op zijn stoeltje vooroverleunende en haar[70]zeer strak aankijkende.—“Neen,” zeide de oude dame.—“Daar ben ik blij om,” merkte Paul aan, nadenkend in zijne handjes wrijvende. “Dat vind ik heel goed.”Mevrouw Pipchin durfde hem niet vragen waarom, uit vrees voor een geheel verpletterend antwoord. Maar als een balsem voor haar gekwetst gevoel, plaagde zij den kleinen Bitherstone tot hij naar bed ging zoodanig, dat hij dien zelfden avond beschikkingen begon te maken om over land naarIndiëterug te keeren, door van zijn avondeten een brok brood en een stukje kaas weg te stoppen, als het begin van een voorraad van levensmiddelen om zich op reis te onderhouden.Mevrouw Pipchin had nu bijna een jaar lang den kleinen Paul en zijne zuster onder haar opzicht gehad. Zij waren tweemaal naar huis geweest, maar slechts voor weinige dagen, en hadden overigens hun vader wekelijks geregeld in zijn logement gaan bezoeken. Langzamerhand was kleine Paul sterker geworden en had hij zijn wagentje kunnen missen; maar hij was nog mager en teer, en bleef nog hetzelfde oudachtige, stille, droomerige kind, dat hij was toen hij pas aan de zorg van mevrouw Pipchin werd toevertrouwd. Op een zaterdagavond, tegen de schemering, werd er eens in het Kasteel eene groote ontsteltenis veroorzaakt, daar Dombey geheel onverwacht mevrouw Pipchin een bezoek kwam brengen. Dadelijk werd de bevolking der zijkamer als door een wervelwind naar boven gejaagd, en na veel toeslaan van deuren en stampen van voeten op die verdieping, en nadat mevrouw Pipchin, om hare onrust eenigszins lucht te geven, den kleinen Bitherstone eenige duwen en stompen had toegediend, verdonkerde eindelijk het zwarte gewaad der brave vrouw deaudiëntiezaal, waar Dombey het ledige leuningstoeltje van zijn zoon en erfgenaam zat te beschouwen.“Mevrouw Pipchin,” zeide Dombey. “Hoe vaart ge?”—“Wel verplicht, mijnheer,” zeide mevrouw Pipchin. “Tamelijk wel, alles in aanmerking genomen.”Mevrouw Pipchin gebruikte altijd die spreekwijs. Zij meende, hare deugden, opofferingen enz. in aanmerking genomen.“Ik kan niet verwachten ooit geheel gezond te zijn, mijnheer,” hervatte mevrouw Pipchin, een stoel nemende en naar adem hijgende, “maar voor zooveel gezondheid als ik heb, ben ik dankbaar.”Dombey boog zijn hoofd met het tevreden gezicht van een patroon, die begreep dat dit juist datgene was waarvoor hij zooveel in het vierendeeljaar betaalde. Na een oogenblik van stilte, hervatte hij:“Mevrouw Pipchin, ik ben zoo vrij geweest aan te komen, om u over mijn zoon te raadplegen. Ik ben dat al eenigen tijd voornemens geweest, maar heb het gedurig uitgesteld, om te wachten tot zijne gezondheid geheel hersteld was. Gij hebt geene bezorgdheid in dat opzicht, mevrouw Pipchin?”—“Brightonis hem zeer heilzaam geweest, mijnheer,” antwoordde mevrouw Pipchin. “Inderdaad, zeer heilzaam.”—“Ik ben ook voornemens,” zeide Dombey, “dat hij teBrightonzal blijven.”Mevrouw Pipchin wreef in hare handen en vestigde hare oogen op het vuur.“Maar,” vervolgde Dombey, zijn voorvinger opstekende, “maar misschien zal ik nu eene verandering met hem maken, waardoor hij hier eene geheel andere levenswijs zal krijgen. Kortom, mevrouw Pipchin, dat is het oogmerk van mijn bezoek. Mijn zoon begint nu voort te komen—werkelijk voort te komen.”De zegepralende houding waarmede Dombey dit zeide had iets treurigs. Zij bewees hoelang Paul’s kindsheid hem geduurd had, en hoe zijne hoop op een later tijdperk van zijn leven was gevestigd. Medelijden mag een vreemd woord schijnen om op een man, die zoo koud en trotsch was, toe te passen, en toch scheen hij op dat oogenblik een waardig voorwerp van medelijden te zijn.“Zes jaren oud,” zeide Dombey, zijne das verschikkende, misschien om een onbedwingbaren glimlach te verbergen, die veeleer van zijn gezicht, waar hij geene rustplaats vond, scheen af te schampen, dan er over te spelen. “Wel, zes zal zestien worden, eer wij er om denken.”—“Tien jaren,” kraste de onmeedoogende mevrouw Pipchin, met eene ijskoude flikkering in hare harde grijze oogen, en een akelig schudden van haar gebogen hoofd, “is een lange tijd.”—“Dat hangt van omstandigheden af,” antwoordde Dombey. “In allen gevalle, mevrouw Pipchin, mijn zoon is nu zes jaren, en er is geen twijfel aan, vrees ik, of hij is in het leeren ver ten achter bij vele kinderen even oud als hij—of even jong,” zeide Dombey, snel opmerkende wat hij misschien voor een spottend flikkeren der koude oogen meende te moeten houden—“even jong is eene meer gepaste uitdrukking. Nu, mevrouw Pipchin, behoorde mijn zoon, in plaats van bij andere kinderen ten achter, hen veel vooruit te zijn. Er is eene verhevene plaats voor hem gereed. De loopbaan van mijn zoon heeft niets twijfelachtigs. Zijn weg door het leven was duidelijk afgeteekend en voorbereid, eer hij aanwezig was. De opvoeding van zulk een jongen heer moet niet verzuimd of vertraagd worden. Zij moet niet onvolkomen blijven. Er moet met ijver en ernst voor gezorgd worden, mevrouw Pipchin.”—“Zeker, mijnheer,” antwoordde mevrouw Pipchin. “Daar kan ik niets tegen zeggen.”—“Ik was overtuigd, mevrouw Pipchin,” zeide Dombey goedkeurend, “dat iemand van uw verstand dat niet zou kunnen of willen.”—“Er wordt[71]veel onzin, of erger, over uitgekraamd, dat kinderen in het eerst niet te hard moeten worden aangezet, en zachtjes voortgeleid, en zoo al meer, mijnheer,” zeide mevrouw Pipchin, ongeduldig haar haviksneus wrijvende. “In mijn tijd dacht men nooit om zoo iets, en dat behoeft men nu nog niet te doen. Mijne meening is “laat ze geen rust.””—“Mevrouw,” antwoordde Dombey, “gij hebt uwe reputatie niet onverdiend verworven; en ik verzoek u te willen gelooven, dat ik meer dan tevreden ben over uwe uitmuntende manier van opvoeden, en die met het grootste genoegen zal recommandeeren, als mijne geringe recommandatie”—Dombey’s statigheid, wanneer hij zijne eigene gewichtigheid veinsde te willen verkleinen, ging alle verbeelding te boven, “van eenigen dienst kan zijn. Ik heb aan doctor Blimber gedacht, mevrouw Pipchin.”—“Mijn buurman, mijnheer?” zeide mevrouw Pipchin. “Ik geloof dat het instituut van doctor Blimber uitmuntend is ingericht. Ik hoor dat men er zeer streng is, en er van den ochtend tot den avond niets gedaan wordt dan leeren.”—“En het is zeer duur,” voegde Dombey er bij.—“En het is zeer duur, mijnheer,” antwoordde mevrouw Pipchin, met een spoed alsof zij, door deze omstandigheid te vergeten, een der voornaamste verdiensten van het instituut had verwaarloosd.—“Ik heb reeds eenige informatie bij den doctor genomen, mevrouw Pipchin,” zeide Dombey, zijn stoel onrustig een weinig dichter bij het vuur schuivende, “en hij denkt dat Paul volstrekt niet te jong is. Hij heeft mij verscheiden voorbeelden genoemd van jongens, die op dezelfde jaren al aan het Grieksch waren. Als ik mij, wat die verandering betreft, eenigszins ongerust maak, mevrouw Pipchin, is het niet om die reden. Daar mijn zoon nooit eene moeder heeft gekend, heeft hij zijne kinderlijke gehechtheid langzamerhand wat veel—wat al te veel—op zijne zuster overgebracht. Of hunne scheiding—” Dombey sprak niet verder, maar bleef zwijgend zitten.—“Wel heere mijn tijd!” riep mevrouw Pipchin uit, haar zwarten rok uitschuddende, terwijl de kindereetster in volle mate bij haar ontwaakte. “Als het haar niet bevalt, mijnheer Dombey, moet zij het maar leeren slikken.” De goede vrouw verzocht terstond daarop verschooning dat zij zulk eene triviale uitdrukking gebruikte, maar zeide (en met waarheid) dat dit de manier was waarop zij redeneerde.Dombey wachtte tot mevrouw Pipchin gedaan had met het hoofdschudden en zuur kijken alsof zij een legioen Bitherstone’s en Pankey’s wilde bang maken, en zeide toen bedaard, maar berispend: “Maar hem, mijne goede mevrouw, hem.”Mevrouw Pipchin zou wel gezind zijn geweest om allen tegenzin van kleinen Paul op dezelfde wijs te genezen; maar het grijze oog was scherp genoeg om te zien, dat haar recept, schoon Dombey wel wilde toegeven dat het voor zijne dochter dienstig kon zijn, hem voor zijn zoon niet beviel. Zij begon dus over de zaak uit te weiden, en beweerde dat de verandering, het nieuwe gezelschap, de geheel verschillende levenswijs, die hij bij doctor Blimber zou hebben, en de drukte van de lessen hem spoedig van oude betrekkingen zouden vervreemden. Daar dit met Dombey’s eigene hoop en geloof instemde, gaf het hem eene nog hoogere meening van mevrouw Pipchin’s verstand; en daar mevrouw Pipchin te gelijk het verlies van haar liefste vriendje bejammerde (hetwelk echter niet zulk een zware schok voor haar was, daar zij het reeds lang had verwacht, en in het begin niet had gedacht dat hij langer dan drie maanden bij haar zou blijven) vatte hij eene even gunstige meening van mevrouw Pipchin’s belangeloosheid op. Het was duidelijk dat hij zorgvuldig over de zaak had gedacht, want hij had een plan gevormd, gelijk hij mevrouw Pipchin nu zeide, om Paul het eerste halfjaar slechts voor de week bij den doctor in den kost te doen, terwijl Florence zoolang bij haar zou blijven, om hem des zaterdags te ontvangen. Zoo zou hij langzaam gespeend worden, zeide Dombey, misschien met eene herinnering dat hij eene vorige maal niet langzaam gespeend was.Dombey maakte een eind aan het onderhoud, door zijne hoop te kennen te geven, dat mevrouw Pipchin zijn zoon, zoolang hij teBrightonbleef, nog onder haar opzicht zou houden, en nadat hij Paul een kus en Florence de hand had gegeven, den kleinen Bitherstone met zijn staatsiekraag had gezien, en jonge jufvrouw Pankey aan het huilen gemaakt door haar op het hoofd te kloppen (dat bij haar bijzonder gevoelig was, ten gevolge der gewoonte die mevrouw Pipchin had om er met hare knokkels tegen te tikken, alsof het eene ton was waarvan zij het geluid wilde hooren) begaf hij zich naar zijn logement en aan zijn diner, met het besluit dat de opvoeding van den kleinen Paul, nu hij zoo oud en zoo gezond werd, zonder uitstel met kracht moest worden begonnen, om hem aldus voor te bereiden voor de positie waarin hij eens zou schitteren, en dat doctor Blimber hem dadelijk onder handen zou nemen.Wanneer een jongen door doctor Blimber onder handen werd genomen, kon hij er op rekenen dat het tamelijk hard zou zijn. De doctor nam niet meer dan tien jonge heeren onder zijne leiding, maar hij had altijd (volgens de laagste schatting) een voorraad van geleerdheid voor honderd gereed; en het was zoowel de taak als de vreugd van zijn leven, de ongelukkige tien daarmede vol te proppen.Doctor Blimber’s instituut was eigenlijk eene groote broeikas, waarin de stooktoestel onophoudelijk in werking werd gehouden. Al de[72]jongens bloeiden voor hun tijd. Geestelijke doperwtjes werden tegen Kerstmis gekweekt, en intellectueele asperges het geheele jaar door. Mathematische aalbessen (erg zuur ook) rijpten onder doctor Blimber’s kweeking in de ontijdigste seizoenen, en aan struiken, die nog niet meer dan spruitjes waren. Alle soorten van Grieksche en Latijnsche groenten werden van de droogste stokken van jongens gehaald, en dat onder de vriesachtigste omstandigheden. De natuur kwam er volstrekt niet op aan. Onverschillig wat een jonge heer bestemd was te dragen, doctor Blimber deed hem, op eene of andere manier, dragen wat men maar wilde.Dit alles was heel aardig en schrander, maar de geforceerde kweekerij ging met gewone nadeelen gepaard. Die vroegrijpe producten hadden den rechten smaak niet en hielden zich ook niet goed. Bovendien, één jong heer, met een gezwollen neus en een bijzonder groot hoofd (de oudste van de tien, die “alles was door geweest”) hield eens plotseling op met bloeien en bleef als een stok in het etablissement; en men zeide dat de doctor het met den jongen Toots wat al te erg had gemaakt, en dat hij, toen hij een baard begon te krijgen, geene hersenen meer had.Daar was, in allen gevalle, de jonge Toots, met eene allergrofste stem en een allerschraalsten geest. Hij droeg opzichtige spelden voor de borst en een ring in zijn vestzakje, om tersluiks aan zijn pink te steken, als de leerlingen uit wandelen gingen; werd gedurig verliefd op kindermeisjes, die hij zag en die geen het minste denkbeeld hadden van zijn bestaan; en keek des avonds na den tijd van naar bed gaan, naar de met gas verlichte wereld uit het linker hoekvenster op de derde verdieping, gelijk een boven de maat gegroeide cherub, die al te lang boven was blijven zitten.De doctor was een zwaarlijvig man, geheel in het zwart, met strikjes aan de knieën en kousen daarbeneden. Hij had een blinkend kaal hoofd, eene zware stem, en zulk eene onderkin, dat het te verwonderen was hoe hij zich in de plooien kon scheren. Hij had insgelijks een paar kleine oogen, die altijd half dicht waren, en een mond, die altijd tot een grijnzenden lach was uitgerekt, alsof hij zoo op het oogenblik een jongen had vastgezet en wachtte om hem uit zijn antwoord te overtuigen, dat hij zijne les niet had geleerd. Wanneer de doctor de rechterhand in de borst stak, met de linker op den rug, en dan, bijna onmerkbaar zijn hoofd schuddende, het gewoonste gezegde tot een zenuwachtigen vreemdeling richtte, was het alsof de Sphinx eene raadselspreuk uitte, die den ongelukkigen vreemdeling het leven moest kosten.De doctor had een zeer mooi huis, met het uitzicht op de zee. Van binnen was het echter geen vroolijk huis, maar wel het tegendeel. Gordijnen van donkere droevige kleur, zeer schraal en smal, verscholen zich neerslachtig achter de vensters. De tafels en stoelen stonden op rijen, gelijk de cijfers van eene som; in de staatsievertrekken werd zoo zelden gestookt, dat zij zoo kil waren als kelders; de eetzaal scheen de laatste plaats in de wereld te zijn waar men ooit kon eten en drinken; door het geheele huis hoorde men geen geluid behalve het tikken eener groote klok in het voorhuis, hetwelk zelfs op de vliering te hooren was, en somtijds een dof gemurmel van de jonge heeren aan hunne lessen, gelijk het gekir van een troep zwaarmoedige duiven.Jufvrouw Blimber, hoewel eene ranke, tengere maagd, deed den ernst van het huis geen zacht geweld aan. Jufvrouw Blimber wist van geen gekheid. Zij droeg een bril op haar neus en de haren kort gekroesd. Zij was droog en zanderig van het werken in de graven van doode talen. Men behoefde haar niet van levende talen te spreken. Zij moesten dood wezen—lang dood—en dan groef zij ze op als een hyena.Mevrouw Blimber, hare mama, was niet geleerd, maar hield zich toch zoo, en dit kwam op hetzelfde neer. Zij zeide op avond partijtjes, dat, als zij Cicero maar had kunnen kennen, zij dacht dat zij tevreden had kunnen sterven. Het was haar altijd een genot de jonge heeren van den doctor uit wandelen te zien gaan, zoo geheel anders dan andere jonge heeren, met de grootst mogelijke boordjes en de stijfst mogelijke dassen. Dat was zoo classisch, zeide zij.Wat mijnheer Feeder, doctor Blimber’s assistent en bezitter van een academischen graad, betrof, hij was een soort van menschelijk draaiorgel, met een lijstje van deuntjes, die hij aanhoudend, zonder eenige variatie, afspeelde. Misschien had hij vroeger in zijn leven, als het lot hem gunstig was geweest, met verschillende rollen ter verwisseling kunnen voorzien worden; maar dit was niet gebeurd; en hij had er maar een, met welke het zijne taak was door gestadig draaien de jeugdige hersenen van doctor Blimber’s jonge heeren te verbijsteren. Deze jonge heeren werden ontijdig door kwellende zorgen geplaagd. Zij hadden geene rust van onmeedoogende werkwoorden, barsche naamwoorden, onbuigzame taalregelen, en spoken van thema’s, die hun in hunne droomen verschenen. Onder het stelsel van geforceerde cultuur was een jonge heer gewoonlijk in drie weken zijne vroolijkheid kwijt. Binnen drie maanden was hij met al de zorgen der wereld beladen; in vier begon hij de bitterste gevoelens tegen ouders en voogden te koesteren; in vijf was hij een oud menschenhater; in zes benijdde hij Curtius zijne gelukkige schuilplaats onder de aarde, en in een jaar kwam hij tot het besluit, waarvan hij naderhand nooit weder afweek, dat al de schoonheden[73]van dichters en de lessen van wijzen, slechts eene opeenstapeling van woorden tot beoefening der spraakkunst waren, en anders niets beteekenden.Maar hij bleef ondertusschen in de broeikas des doctors bloeien; en groot waren des doctors naam en roem als hij met zijn wintergroen bij zijne betrekkingen en vrienden thuis kwam.“Uw vader is heel rijk, niet waar?” zeide Toots.—“Ja, mijnheer,” antwoordde Paul. “Hij is Dombey en Zoon.” (blz. 79).“Uw vader is heel rijk, niet waar?” zeide Toots.—“Ja, mijnheer,” antwoordde Paul. “Hij is Dombey en Zoon.”(blz. 79).Eens stond Paul, met een onrustig kloppend hart en het rechterhandje in de hand van zijn vader, op de stoep des doctors. Zijne andere hand was in die van Florence gesloten. Hoe stijf was de druk aan den eenen kant, hoe los en koud aan den anderen!Mevrouw Pipchin zweefde, met hare zwarte pluimage en haar krommen neus, gelijk een onheilspellende vogel, achter haar slachtoffer. Zij was buiten adem—want Dombey, vol van groote gedachten, had hard doorgestapt—en terwijl zij wachtte tot de deur geopend werd, kuchte zij schor, alsof er eene raaf kraste.“Nu, Paul,” zeide Dombey met zegepralende blijdschap. “Dit is nu de manier om Dombey en Zoon te worden en geld te krijgen. Gij zijt al haast een man.”—“Haast,” antwoordde het kind.Zelfs zijne kinderlijke aandoening kon den zonderling sluwen en toch roerenden blik niet overmeesteren, waarmede hij dit antwoord vergezelde.[74]Deze blik deed een zweem van ongenoegen op Dombey’s gezicht komen, maar dewijl de deur nu geopend werd, verdween die spoedig weder.“Doctor Blimber is thuis, geloof ik,” zeide Dombey.De knecht zeide ja; en toen zij boven gingen, keek hij naar Paul, alsof deze een muisje en het huis eene val was. Hij was een jong mensch met zwakke oogen en de flauwst mogelijke sporen van een grijnzend lachje op zijn gezicht. Dit was enkel domheid; maar mevrouw Pipchin verbeeldde zich dat het onbeschoft was, en voer dadelijk tegen hem uit.“Hoe durft gij achter dien heer zijn rug lachen?” zeide zij. “En waar houdt gij mij voor?”—“Ik lach om niemand, en ik houd u waarlijk ook voor niets, mevrouw,” antwoordde het jonge mensch in zijne verlegenheid.—“Een troep luie rekels,” zeide mevrouw Pipchin, “die voor niets anders deugen dan om een spit te draaien. Ga uw meester dadelijk zeggen dat mijnheer Dombey er is, of het zal u opbreken!”Het jonge mensch met zwakke oogen ging zeer gedwee zijne boodschap doen, en kwam weldra terug met verzoek dat zij naar des doctors studeerkamer zouden komen.“Daar lacht gij alweer,” zeide mevrouw Pipchin, toen zij hem op hare beurt, achteraankomende, in het voorhuis voorbijging.—“Dat doe ik niet,” antwoordde het jonge mensch, nu erg ontsteld. “Ik heb nooit zoo iets beleefd!”—“Wat is er toch, mevrouw Pipchin?” zeide Dombey omkijkende. “Zachtjes—verzoek ik u.”Uit ontzag voor Dombey mompelde mevrouw Pipchin nog maar iets tegen het jonge mensch, terwijl zij verder ging en zeide dat hij een aardig heerschap was; terwijl het jonge mensch, geheel gedweeheid en onthutstheid, daar staan bleef, door dit voorval bijna tot tranen geroerd. Mevrouw Pipchin had de manier om alle zachtzinnige menschen te brutaliseeren; en hare vrienden vroegen, wie zich daarover kon verwonderen, na hetgeen er met de mijnen vanPeruwas gebeurd.De doctor zat in zijne geduchte studeerkamer, met eene globe aan elke knie, boeken overal om zich heen, Homerus boven de deur en Minerva op den schoorsteenmantel. “Hoe vaart gij, mijnheer,” zeide de doctor, “en hoe maakt het mijn vriendje?” De stem des doctors was zoo zwaar als een orgel, en toen hij zweeg, scheen (voor Paul ten minste) de groote klok in het voorhuis zijne woorden op te vangen en te herhalen: “hoe—maakt—het—mijn—vriend—je—hoe—maakt—het—mijn—vriend—je,” en zoo op den duur maar voort.Daar het vriendje wat te klein was om hem van de plaats waar de doctor zat, over de boeken op de tafel heen, te kunnen zien, deed de doctor verscheidene vruchtelooze pogingen om hem langs de pooten dier tafel in het oog te krijgen; en toen Dombey dit opmerkte, maakte hij een eind aan des doctor’s verlegenheid door Paul in zijne armen op te nemen, en hem midden in de kamer op een ander tafeltje te zetten. “Ha!” zeide de doctor, toen Paul daar zat, en hij zich met de hand in de borst op zijn stoel achterover liet zakken. “Nu zie ik mijn vriendje. Hoe maakt gij het, mijn vriendje?”De klok in het voorhuis wilde zich niet naar deze kleine verandering in den vorm der uitdrukking schikken, maar bleef herhalen: “Hoe—maakt—het—mijn—vriend—je—hoe—maakt—het—mijn—vriend—je?”—“Heel wel, mijnheer, dank u,” antwoordde Paul, evenzeer de klok als den doctor antwoord gevende.—“Ha!” zeide doctor Blimber. “Of wij ook een man van hem zullen maken!”—“Hoort gij wel, Paul?” voegde Dombey er bij, daar Paul bleef zwijgen.—“Of wij ook een man van hem zullen maken!” herhaalde de doctor.—“Ik wilde liever een kind wezen,” antwoordde Paul.—“Zoo waarlijk,”zeide de doctor. “Waarom?”Het kind bleef hem op de tafel zitten aankijken, met eene zonderlinge uitdrukking van gesmoorde aandoening op zijn gezichtje, en klopte met de eene hand trotsch op zijn knietje, alsof hij de opwellende tranen daaronder had en ze wegsloeg. Maar zijne andere hand dwaalde ondertusschen wat verder—nog wat verder—nog wat verder—tot zij op den hals van Florence kwam te liggen. “Daarom is het,” scheen die hand te zeggen, en toen verdween de strakke blik, ontspande zich de trekkende mond en stroomden de tranen.“Mevrouw Pipchin,” zeide zijn vader op een neteligen toon. “Het spijt mij waarlijk zeer dit te zien.”—“Ga van hem vandaan, jonge jufvrouw Dombey,” zeide mevrouw Pipchin.—“Het komt er niet op aan,” zeide de doctor, met een knikje om mevrouw Pipchin terug te houden. “Het—komt—er—niet—op—aan. Wij zullen hem wel spoedig nieuwe indrukken en nieuwe zorgen geven, mijnheer Dombey. Gij zoudt nog wenschen dat mijn vriendje onderricht kreeg in …”—“Alles, als het u belieft, doctor,” antwoordde Dombey op vasten toon.—“Ja,” zeide de doctor, die, met zijne half geslotene oogen en zijn gewonen glimlach, den kleinen Paul met die soort van belangstelling scheen te beschouwen, welke hij aan een aardig beestje had kunnen hechten, dat hij zou opstoppen. “Ja, juist. Ha! Wij zullen ons vriendje eene groote verscheidenheid van kundigheden bijbrengen en hem snel vooruithelpen, durf ik wel zeggen—durf ik wel zeggen. Geheel maagdelijke grond, meen ik van u te hebben gehoord, mijnheer Dombey?”—“Behalve de gewone voorbereiding thuis en van deze dame,” antwoordde Dombey; met een wenk naar mevrouw[75]Pipchin, die zich terstond nog veel stijver hield, alsof zij den doctor bij voorraad uitdaagde in geval hij het minste tegen haar mocht zeggen, “heeft Paul tot nog toe geen onderwijs ontvangen.”Doctor Blimber boog zijn hoofd, om zijne vriendelijke verdraagzaamheid te kennen te geven voor zulke onbeduidende strooperijen als die van mevrouw Pipchin op zijn gebied, en zeide dat hij zich daarover verheugde. Het was veel beter, zeide hij, zijne handen wrijvende, van den grondslag af te beginnen. En wederom loerde hij naar Paul, alsof hij dezen gaarne terstond met het Grieksche alphabet had willen aanklampen.“Die omstandigheid, doctor Blimber,” hervatte Dombey, “en het onderhoud dat ik reeds met u heb mogen hebben, maken alle verdere ophelderingen, en dus alle verdere eischen op uw kostbaren tijd, zoo onnoodig, dat …”—“Houd u stil, jonge jufvrouw Dombey!” zeide de zure mevrouw Pipchin.—“Verschooning,” zeide de doctor. “Nog een oogenblik. Laat ik u mevrouw Blimber en mijne dochter mogen presenteeren, die het huiselijk leven van onzen jongen pelgrim naar den Parnassus zullen veraangenamen.—Mevrouw Blimber,” want deze dame, die misschien had staan wachten, trad juist op dat oogenblik binnen, gevolgd door hare dochter met haar bril, “mijnheer Dombey. Mijne dochter Cornelia, mijnheer Dombey. Mijnheer Dombey, lieve,” vervolgde de doctor, zich naar zijne vrouw keerende, “is zoo goed om—ziet gij ons vriendje wel!”In hare overmaat van beleefdheid voor Dombey, deed mevrouw Blimber dit blijkbaar niet, want al nijgende achteruitstappende duwde zij het vriendje bijna van de tafel af. Op dezen wenk keerde zij zich echter om, ten einde zijne schrandere en classische trekken te bewonderen, en zich toen weder naar Dombey omkeerende, zeide zij, dat zij zijn dierbaren zoon benijdde.“Als een bijtje, mijnheer,” zeide mevrouw Blimber, met de oogen omhoog, “gereed om zich in een tuin vol van de keurigste bloemen te storten en voor de eerste maal den honig daaruit te zuigen. Virgilius, Horatius, Ovidius, Terentius, Plautus, Cicero. Welk een schat van honig hebben wij hier. Het kan wel vreemd schijnen, mijnheer Dombey, dat zij die eene vrouw is—de vrouw van zulk een man—”—“Stil, stil!” zeide doctor Blimber.“Foei schaam u!”—“Mijnheer Dombey zal de partijdigheid van eene vrouw wel vergeven,” zeide mevrouw Blimber met een innemend lachje.Dombey antwoordde “Geheel niet!” welke woorden hij waarschijnlijk op de partijdigheid, niet op het vergeven, wilde toegepast hebben.“En het kan ook vreemd schijnen dat zij die eene moeder is,” hervatte mevrouw Blimber.— “En zulk eene moeder,” zeide Dombey, met eene buiging en eene verwarde gedachte dat hij Cornelia daarmede een compliment maakte.—“Maar waarlijk,” vervolgde mevrouw Blimber, “ik geloof als ik Cicero had kunnen kennen, en zijne vriendin wezen, en met hem omgaan in zijne afzondering teTusculum(dat schooneTusculum), had ik tevreden kunnen sterven.”Geleerde geestdrift is zoo besmettelijk, dat Dombey half geloofde in hetzelfde geval te verkeeren; en dat zelfs mevrouw Pipchin, die anders gelijk wij gezien hebben niet zeer inschikkelijk was, een geluid slaakte tusschen een geknor en een zucht, alsof zij wilde zeggen, dat Cicero alleen iemand onder zulk een ongeval als dat met de mijnen vanPeruhad kunnen troosten.Cornelia keek Dombey door haar bril aan alsof zij gaarne eenige aanhalingen uit den bedoelden schrijver met hem had willen wisselen, maar dit voornemen, als zij het koesterde, werd verijdeld door een kloppen aan de kamerdeur.“Wie is daar?” zeide de doctor. “O, kom binnen, Toots, kom binnen. Mijnheer Dombey, jonge heer.” Toots boog. “Al zeer toevallig!” zeide doctor Blimber. “Hier hebben wij het begin en het einde. De Alpha en de Omega. Onze primus, mijnheer Dombey.”De doctor had hem wel onzen reus mogen noemen, want hij stak met hoofd en schouders boven al de andere leerlingen uit. Hij werd erg rood toen hij zich voor vreemdelingen bevond en grinnikte hoorbaar.“Eene aanwinst voor onzen kleinen Porticus, Toots,” zeide de doctor. “Mijnheer Dombey’s zoontje.”Toots werd nog rooder, en daar de plechtige stilte, die er heerschte, hem deed begrijpen dat men van hem verwachtte dat hij iets zou zeggen, zeide hij tot Paul: “Hoe vaart ge?” met eene stem zoo grof en een gezicht zoo schaapachtig, dat het niet verrassender had kunnen zijn als men een lam had hooren bulken.“Vraag mijnheer Feeder, als het u belieft, Toots,” zeide de doctor, “om de eerste boeken voor mijnheer Dombey’s zoon gereed te maken en eene goede plaats voor hem uit te zoeken. Lieve, ik geloof dat mijnheer Dombey de slaapkamers nog niet gezien heeft.”—“Als mijnheer Dombey boven wil komen,” zeide mevrouw Blimber, “zal ik er meer dan trotsch op zijn hem het rijk van den god der droomen te laten zien.”Daarmede ging mevrouw Blimber, die eene zeer vriendelijke vrouw, en zeer dor van gestalte was, en eene muts droeg waarvan hemelsblauw de hoofdkleur was, met Dombey en Cornelia naar boven. Mevrouw Pipchin volgde, scherp uitkijkende naar haar vijand den knecht.[76]Terwijl zij weg waren, bleef Paul op de tafel zitten, Florence bij de hand houdende en beschroomd naar den doctor in het rond kijkende, terwijl de doctor, achterover in zijn stoel geleund, met de eene hand volgens gewoonte in de borst, een boek op armslengte van zich afhield en las. Er was iets zeer ontzagwekkends in deze wijze van lezen. Het was zulk eene vastberadene, hartstochtelijke, onbuigzame, koelbloedige manier om te werk te gaan. Des doctors gezicht bleef daardoor geheel zichtbaar, en wanneer hij achterdochtig tegen zijn auteur glimlachte, of zijn voorhoofd rimpelde, of zijn hoofd schudde en een scheef gezicht trok, alsof hij wilde zeggen. “Maak mij niets wijs, mijnheer; ik weet wel beter,” was het ontzettend.Toots had ook niet bij de deur behoeven te blijven staan, om het werk van zijn horloge te bekijken en zijne halve kronen te tellen. Maar dit duurde niet lang, want toen doctor Blimber toevallig zijne welgevulde beenen verplaatste, alsof hij wilde opstaan, verdween Toots terstond en liet zich niet meer zien.Weldra hoorde men Dombey en zijne geleidsters weder naar beneden komen, den geheelen weg over pratende; en zoo kwamen zij weder in de kamer.“Ik hoop, mijnheer Dombey,” zeide de doctor, zijn boek neerleggende, “dat onze inrichting uwe goedkeuring wegdraagt.”—“Zij is uitmuntend, mijnheer,” zeide Dombey.—“Heel wel, inderdaad,” zeide mevrouw Pipchin zacht, daar zij nooit te veel wilde prijzen.—“Mevrouw Pipchin,” zeide Dombey, zich omkeerende, “zal, met uw verlof, doctor en mevrouw Blimber, Paul nu en dan komen bezoeken.”—“Wanneer het mevrouw Pipchin maar belieft,” merkte de doctor aan.—“Altijd genoegen doen haar te zien,” voegde mevrouw Blimber er bij.—“Ik denk,” zeide Dombey, “dat ik nu zooveel moeite gegeven heb als noodig is, en wel afscheid kan nemen. Paul, mijn kind,” hij kwam dicht bij den kleine, die nog op de tafel zat. “Goedendag!”—“Goedendag, papa!”Het slappe onverschillige handje, dat Dombey in zijne hand nam, was zonderling in tegenspraak met het benauwde gezichtje. Maar hij had geen deel in de treurige uitdrukking daarvan. Het was niet naar hem toegekeerd. Neen—naar Florence—uitsluitend naar Florence.Als Dombey zich door onbeschaamden hoogmoed op zijn rijkdom ooit een wraakzuchtigen, haatdragenden vijand had berokkend, had zelfs zulk een vijand den steek, die hem toen door het trotsche hart ging, als eene vergoeding voor de hem aangedane beleediging kunnen aanzien.Hij boog zich over zijn zoon en kuste hem. Als zijne oogen, terwijl hij dit deed, verdonkerd werden door iets dat op het kindergezichtje afdroppelde, kan zijn geestelijk gezicht misschien voor die korte poos des te helderder zijn geweest.“Ik zal u spoedig weerzien, Paul. Zaterdag en zondag hebt ge vrij af, weet ge.”—“Ja, papa,” antwoordde Paul, naar zijne zuster ziende. “Zaterdag en zondag.”—“En gij zult uw best doen om hier veel te leeren en een knap man te worden,” zeide Dombey. “Niet waar?”—“Dat zal ik wel,” antwoordde het kind onverschillig.—“En gij zult nu gauw groot worden!” zeide Dombey.—“O, heel gauw!” antwoordde Paul. Wederom vloog dat oudachtige uitzicht, gelijk eene vreemde schemering van licht, over zijne trekken. Het licht van dien blik scheen naar mevrouw Pipchin te dwalen en zich in haar zwart kleed uit te dooven. Deze uitmuntende kindereetster kwam nu nader om afscheid te nemen en Florence weg te slepen, waarnaar zij al lang gedorst had. Hare beweging deed Dombey opzien, wiens oogen nog op Paul gevestigd waren. Na nog eens zijn hoofd gestreeld en zijn handje gedrukt te hebben nam hij met zijne gewone ijskoude beleefdheid, afscheid van doctor Blimber en de twee dames, en ging de kamer uit.In weerwil van zijn verzoek dat zij zich geene moeite zouden geven, verdrongen doctor Blimber en de twee dames elkander bijna om hem naar het voorhuis te brengen, en zoo raakte mevrouw Pipchin tusschen den doctor en de jonge jufvrouw ingeklemd, en werd zij de kamer uitgedrongen eer zij Florence kon grijpen. Aan dit gelukkig toeval had Paul naderhand de dierbare herinnering te danken, dat Florence kwam terugloopen om hare armen om zijn hals te slaan, en dat haar gezichtje—met een bemoedigenden glimlach naar hem toe gekeerd, te helderder om de tranen waardoor die glimlach heen blonk—het laatste in de deur was.Het deed, toen hij alleen was, zijne kinderlijke borst zwellen en zwoegen, en de globes, de boeken, den blinden Homerus en de Minervaschemerachtigdoor de kamer ronddraaien. Maar eensklaps bleven zij stilstaan, en toen hoorde hij de klok in het voorhuis nog ernstig vragen: “Hoe—maakt—het—mijn—vriend—je—hoe—maakt—het—mijn—vriend—je?” evenals te voren.Hij bleef met gevouwen handjes stil op de tafel zitten luisteren. Maar hij had wel mogen antwoorden: “Och ik ben zoo moe, zoo moe! Heel eenzaam, en heel droevig!” En daar, met eene pijnlijke ledigheid in het jeugdige hart, en alles om hem heen zoo koud, en dor, en vreemd, zat Paul alsof hij het leven ongemeubeleerd had gehuurd, en de behanger maar nooit kwam.[77]
XI.PAUL WORDT OP EEN NIEUW TOONEEL GEVOERD.
Mevrouw Pipchin’s gestel bestond uit zulk hard metaal, hoewel het onderhevig was aan de vleeschelijke zwakheid om na karbonaden rust noodig te hebben, dat zij de voorspellingen van jufvrouw Wickam logenstrafte en er zich geene verschijnselen van tering bij haar opdeden. Daar echter Paul’s buitengewone ingenomenheid met de oude dame in volle kracht bleef, week jufvrouw Wickam geen duim breed van haar gevoelen af. Zich op den vasten grond van haar ooms Betsey Jane verschansende, raadde zij jufvrouw Berry als vriendin om zich op het ergste gereed te houden, en waarschuwde haar dat hare tante ieder oogenblik even gevaarlijk was als een kruitmolen.De arme Berry hoorde dit alles geduldig aan en sloofde en slaafde naar gewoonte voort, volmaakt overtuigd dat mevrouw Pipchin een der verdienstelijkste menschen op de wereld was, waarom zij dan ook zich zelve ontelbare malen daags op het altaar dier edele matrone ten offer bracht. Doch al die zelfopofferingen van Berry werden door mevrouw Pipchin’s vrienden en vriendinnen op eene of andere wijs geheel ter eere van die dame uitgelegd, en in verband gebracht met de treurige omstandigheid dat mijnheer Pipchin van hartzeer over de mijnen vanPeruwas gestorven.Bij voorbeeld, er was een eerlijk komenijsman, tusschen wien en mevrouw Pipchin een aanteekenboekje, met een vettig rood bandje, werd gehouden, dat gedurig geschil veroorzaakte, en waarover telkens geheime conferentiën werden gehouden, hetzij op de mat in den gang, of met geslotene deur in de zijkamer. Het ontbrak ook niet aan donkere geruchten, van jongen heer Bitherstone afkomstig (die door den invloed der zonnehitte vanIndiëop zijn bloed een wraakzuchtig karakter had gekregen) dat de rekening dikwijls onbetaald bleef en men tusschenbeide gebrek aan suiker bij de thee leed. Daar deze komenijsman ongetrouwd was en niet naar uitwendige schoonheid zag, had hij eens zeer fatsoenlijk om de hand van Berry gevraagd, welke mevrouw Pipchin hem met hoon en smaad had geweigerd. Iedereen zeide, hoe loffelijk dit van mevrouw Pipchin was, weduwe van een man, die aan de mijnen vanPeruwas gestorven, en hoe hooghartig en onafhankelijk de oude dame nog was. Maar niemand zeide iets van Berry, die zes weken lang schreide (al dien tijd door hare goede tante geducht bekeven), en in een staat van hopeloos oudvrijsterschap verzonk.“Berry houdt veel van u, niet waar?” zeide Paul eens tot mevrouw Pipchin, toen zij met de kat bij het vuur zaten.—“Ja,” zeide mevrouw Pipchin.—“Waarom?” vroeg Paul.—“Waarom?” herhaalde de oude dame uit het veld geslagen. “Hoe kunt gij zoo iets vragen, jonge heer? Waarom houdt gij van uw zusje Florence?”—“Omdat zij zoo goed is,” antwoordde Paul. “Er is niemand die naar Florence gelijkt.”—“Wel,” zeide mevrouw Pipchin kortaf, “en er is niemand die naar mij gelijkt, denk ik.”—“Zou er waarlijk niemand wezen?” vroeg Paul, op zijn stoeltje vooroverleunende en haar[70]zeer strak aankijkende.—“Neen,” zeide de oude dame.—“Daar ben ik blij om,” merkte Paul aan, nadenkend in zijne handjes wrijvende. “Dat vind ik heel goed.”Mevrouw Pipchin durfde hem niet vragen waarom, uit vrees voor een geheel verpletterend antwoord. Maar als een balsem voor haar gekwetst gevoel, plaagde zij den kleinen Bitherstone tot hij naar bed ging zoodanig, dat hij dien zelfden avond beschikkingen begon te maken om over land naarIndiëterug te keeren, door van zijn avondeten een brok brood en een stukje kaas weg te stoppen, als het begin van een voorraad van levensmiddelen om zich op reis te onderhouden.Mevrouw Pipchin had nu bijna een jaar lang den kleinen Paul en zijne zuster onder haar opzicht gehad. Zij waren tweemaal naar huis geweest, maar slechts voor weinige dagen, en hadden overigens hun vader wekelijks geregeld in zijn logement gaan bezoeken. Langzamerhand was kleine Paul sterker geworden en had hij zijn wagentje kunnen missen; maar hij was nog mager en teer, en bleef nog hetzelfde oudachtige, stille, droomerige kind, dat hij was toen hij pas aan de zorg van mevrouw Pipchin werd toevertrouwd. Op een zaterdagavond, tegen de schemering, werd er eens in het Kasteel eene groote ontsteltenis veroorzaakt, daar Dombey geheel onverwacht mevrouw Pipchin een bezoek kwam brengen. Dadelijk werd de bevolking der zijkamer als door een wervelwind naar boven gejaagd, en na veel toeslaan van deuren en stampen van voeten op die verdieping, en nadat mevrouw Pipchin, om hare onrust eenigszins lucht te geven, den kleinen Bitherstone eenige duwen en stompen had toegediend, verdonkerde eindelijk het zwarte gewaad der brave vrouw deaudiëntiezaal, waar Dombey het ledige leuningstoeltje van zijn zoon en erfgenaam zat te beschouwen.“Mevrouw Pipchin,” zeide Dombey. “Hoe vaart ge?”—“Wel verplicht, mijnheer,” zeide mevrouw Pipchin. “Tamelijk wel, alles in aanmerking genomen.”Mevrouw Pipchin gebruikte altijd die spreekwijs. Zij meende, hare deugden, opofferingen enz. in aanmerking genomen.“Ik kan niet verwachten ooit geheel gezond te zijn, mijnheer,” hervatte mevrouw Pipchin, een stoel nemende en naar adem hijgende, “maar voor zooveel gezondheid als ik heb, ben ik dankbaar.”Dombey boog zijn hoofd met het tevreden gezicht van een patroon, die begreep dat dit juist datgene was waarvoor hij zooveel in het vierendeeljaar betaalde. Na een oogenblik van stilte, hervatte hij:“Mevrouw Pipchin, ik ben zoo vrij geweest aan te komen, om u over mijn zoon te raadplegen. Ik ben dat al eenigen tijd voornemens geweest, maar heb het gedurig uitgesteld, om te wachten tot zijne gezondheid geheel hersteld was. Gij hebt geene bezorgdheid in dat opzicht, mevrouw Pipchin?”—“Brightonis hem zeer heilzaam geweest, mijnheer,” antwoordde mevrouw Pipchin. “Inderdaad, zeer heilzaam.”—“Ik ben ook voornemens,” zeide Dombey, “dat hij teBrightonzal blijven.”Mevrouw Pipchin wreef in hare handen en vestigde hare oogen op het vuur.“Maar,” vervolgde Dombey, zijn voorvinger opstekende, “maar misschien zal ik nu eene verandering met hem maken, waardoor hij hier eene geheel andere levenswijs zal krijgen. Kortom, mevrouw Pipchin, dat is het oogmerk van mijn bezoek. Mijn zoon begint nu voort te komen—werkelijk voort te komen.”De zegepralende houding waarmede Dombey dit zeide had iets treurigs. Zij bewees hoelang Paul’s kindsheid hem geduurd had, en hoe zijne hoop op een later tijdperk van zijn leven was gevestigd. Medelijden mag een vreemd woord schijnen om op een man, die zoo koud en trotsch was, toe te passen, en toch scheen hij op dat oogenblik een waardig voorwerp van medelijden te zijn.“Zes jaren oud,” zeide Dombey, zijne das verschikkende, misschien om een onbedwingbaren glimlach te verbergen, die veeleer van zijn gezicht, waar hij geene rustplaats vond, scheen af te schampen, dan er over te spelen. “Wel, zes zal zestien worden, eer wij er om denken.”—“Tien jaren,” kraste de onmeedoogende mevrouw Pipchin, met eene ijskoude flikkering in hare harde grijze oogen, en een akelig schudden van haar gebogen hoofd, “is een lange tijd.”—“Dat hangt van omstandigheden af,” antwoordde Dombey. “In allen gevalle, mevrouw Pipchin, mijn zoon is nu zes jaren, en er is geen twijfel aan, vrees ik, of hij is in het leeren ver ten achter bij vele kinderen even oud als hij—of even jong,” zeide Dombey, snel opmerkende wat hij misschien voor een spottend flikkeren der koude oogen meende te moeten houden—“even jong is eene meer gepaste uitdrukking. Nu, mevrouw Pipchin, behoorde mijn zoon, in plaats van bij andere kinderen ten achter, hen veel vooruit te zijn. Er is eene verhevene plaats voor hem gereed. De loopbaan van mijn zoon heeft niets twijfelachtigs. Zijn weg door het leven was duidelijk afgeteekend en voorbereid, eer hij aanwezig was. De opvoeding van zulk een jongen heer moet niet verzuimd of vertraagd worden. Zij moet niet onvolkomen blijven. Er moet met ijver en ernst voor gezorgd worden, mevrouw Pipchin.”—“Zeker, mijnheer,” antwoordde mevrouw Pipchin. “Daar kan ik niets tegen zeggen.”—“Ik was overtuigd, mevrouw Pipchin,” zeide Dombey goedkeurend, “dat iemand van uw verstand dat niet zou kunnen of willen.”—“Er wordt[71]veel onzin, of erger, over uitgekraamd, dat kinderen in het eerst niet te hard moeten worden aangezet, en zachtjes voortgeleid, en zoo al meer, mijnheer,” zeide mevrouw Pipchin, ongeduldig haar haviksneus wrijvende. “In mijn tijd dacht men nooit om zoo iets, en dat behoeft men nu nog niet te doen. Mijne meening is “laat ze geen rust.””—“Mevrouw,” antwoordde Dombey, “gij hebt uwe reputatie niet onverdiend verworven; en ik verzoek u te willen gelooven, dat ik meer dan tevreden ben over uwe uitmuntende manier van opvoeden, en die met het grootste genoegen zal recommandeeren, als mijne geringe recommandatie”—Dombey’s statigheid, wanneer hij zijne eigene gewichtigheid veinsde te willen verkleinen, ging alle verbeelding te boven, “van eenigen dienst kan zijn. Ik heb aan doctor Blimber gedacht, mevrouw Pipchin.”—“Mijn buurman, mijnheer?” zeide mevrouw Pipchin. “Ik geloof dat het instituut van doctor Blimber uitmuntend is ingericht. Ik hoor dat men er zeer streng is, en er van den ochtend tot den avond niets gedaan wordt dan leeren.”—“En het is zeer duur,” voegde Dombey er bij.—“En het is zeer duur, mijnheer,” antwoordde mevrouw Pipchin, met een spoed alsof zij, door deze omstandigheid te vergeten, een der voornaamste verdiensten van het instituut had verwaarloosd.—“Ik heb reeds eenige informatie bij den doctor genomen, mevrouw Pipchin,” zeide Dombey, zijn stoel onrustig een weinig dichter bij het vuur schuivende, “en hij denkt dat Paul volstrekt niet te jong is. Hij heeft mij verscheiden voorbeelden genoemd van jongens, die op dezelfde jaren al aan het Grieksch waren. Als ik mij, wat die verandering betreft, eenigszins ongerust maak, mevrouw Pipchin, is het niet om die reden. Daar mijn zoon nooit eene moeder heeft gekend, heeft hij zijne kinderlijke gehechtheid langzamerhand wat veel—wat al te veel—op zijne zuster overgebracht. Of hunne scheiding—” Dombey sprak niet verder, maar bleef zwijgend zitten.—“Wel heere mijn tijd!” riep mevrouw Pipchin uit, haar zwarten rok uitschuddende, terwijl de kindereetster in volle mate bij haar ontwaakte. “Als het haar niet bevalt, mijnheer Dombey, moet zij het maar leeren slikken.” De goede vrouw verzocht terstond daarop verschooning dat zij zulk eene triviale uitdrukking gebruikte, maar zeide (en met waarheid) dat dit de manier was waarop zij redeneerde.Dombey wachtte tot mevrouw Pipchin gedaan had met het hoofdschudden en zuur kijken alsof zij een legioen Bitherstone’s en Pankey’s wilde bang maken, en zeide toen bedaard, maar berispend: “Maar hem, mijne goede mevrouw, hem.”Mevrouw Pipchin zou wel gezind zijn geweest om allen tegenzin van kleinen Paul op dezelfde wijs te genezen; maar het grijze oog was scherp genoeg om te zien, dat haar recept, schoon Dombey wel wilde toegeven dat het voor zijne dochter dienstig kon zijn, hem voor zijn zoon niet beviel. Zij begon dus over de zaak uit te weiden, en beweerde dat de verandering, het nieuwe gezelschap, de geheel verschillende levenswijs, die hij bij doctor Blimber zou hebben, en de drukte van de lessen hem spoedig van oude betrekkingen zouden vervreemden. Daar dit met Dombey’s eigene hoop en geloof instemde, gaf het hem eene nog hoogere meening van mevrouw Pipchin’s verstand; en daar mevrouw Pipchin te gelijk het verlies van haar liefste vriendje bejammerde (hetwelk echter niet zulk een zware schok voor haar was, daar zij het reeds lang had verwacht, en in het begin niet had gedacht dat hij langer dan drie maanden bij haar zou blijven) vatte hij eene even gunstige meening van mevrouw Pipchin’s belangeloosheid op. Het was duidelijk dat hij zorgvuldig over de zaak had gedacht, want hij had een plan gevormd, gelijk hij mevrouw Pipchin nu zeide, om Paul het eerste halfjaar slechts voor de week bij den doctor in den kost te doen, terwijl Florence zoolang bij haar zou blijven, om hem des zaterdags te ontvangen. Zoo zou hij langzaam gespeend worden, zeide Dombey, misschien met eene herinnering dat hij eene vorige maal niet langzaam gespeend was.Dombey maakte een eind aan het onderhoud, door zijne hoop te kennen te geven, dat mevrouw Pipchin zijn zoon, zoolang hij teBrightonbleef, nog onder haar opzicht zou houden, en nadat hij Paul een kus en Florence de hand had gegeven, den kleinen Bitherstone met zijn staatsiekraag had gezien, en jonge jufvrouw Pankey aan het huilen gemaakt door haar op het hoofd te kloppen (dat bij haar bijzonder gevoelig was, ten gevolge der gewoonte die mevrouw Pipchin had om er met hare knokkels tegen te tikken, alsof het eene ton was waarvan zij het geluid wilde hooren) begaf hij zich naar zijn logement en aan zijn diner, met het besluit dat de opvoeding van den kleinen Paul, nu hij zoo oud en zoo gezond werd, zonder uitstel met kracht moest worden begonnen, om hem aldus voor te bereiden voor de positie waarin hij eens zou schitteren, en dat doctor Blimber hem dadelijk onder handen zou nemen.Wanneer een jongen door doctor Blimber onder handen werd genomen, kon hij er op rekenen dat het tamelijk hard zou zijn. De doctor nam niet meer dan tien jonge heeren onder zijne leiding, maar hij had altijd (volgens de laagste schatting) een voorraad van geleerdheid voor honderd gereed; en het was zoowel de taak als de vreugd van zijn leven, de ongelukkige tien daarmede vol te proppen.Doctor Blimber’s instituut was eigenlijk eene groote broeikas, waarin de stooktoestel onophoudelijk in werking werd gehouden. Al de[72]jongens bloeiden voor hun tijd. Geestelijke doperwtjes werden tegen Kerstmis gekweekt, en intellectueele asperges het geheele jaar door. Mathematische aalbessen (erg zuur ook) rijpten onder doctor Blimber’s kweeking in de ontijdigste seizoenen, en aan struiken, die nog niet meer dan spruitjes waren. Alle soorten van Grieksche en Latijnsche groenten werden van de droogste stokken van jongens gehaald, en dat onder de vriesachtigste omstandigheden. De natuur kwam er volstrekt niet op aan. Onverschillig wat een jonge heer bestemd was te dragen, doctor Blimber deed hem, op eene of andere manier, dragen wat men maar wilde.Dit alles was heel aardig en schrander, maar de geforceerde kweekerij ging met gewone nadeelen gepaard. Die vroegrijpe producten hadden den rechten smaak niet en hielden zich ook niet goed. Bovendien, één jong heer, met een gezwollen neus en een bijzonder groot hoofd (de oudste van de tien, die “alles was door geweest”) hield eens plotseling op met bloeien en bleef als een stok in het etablissement; en men zeide dat de doctor het met den jongen Toots wat al te erg had gemaakt, en dat hij, toen hij een baard begon te krijgen, geene hersenen meer had.Daar was, in allen gevalle, de jonge Toots, met eene allergrofste stem en een allerschraalsten geest. Hij droeg opzichtige spelden voor de borst en een ring in zijn vestzakje, om tersluiks aan zijn pink te steken, als de leerlingen uit wandelen gingen; werd gedurig verliefd op kindermeisjes, die hij zag en die geen het minste denkbeeld hadden van zijn bestaan; en keek des avonds na den tijd van naar bed gaan, naar de met gas verlichte wereld uit het linker hoekvenster op de derde verdieping, gelijk een boven de maat gegroeide cherub, die al te lang boven was blijven zitten.De doctor was een zwaarlijvig man, geheel in het zwart, met strikjes aan de knieën en kousen daarbeneden. Hij had een blinkend kaal hoofd, eene zware stem, en zulk eene onderkin, dat het te verwonderen was hoe hij zich in de plooien kon scheren. Hij had insgelijks een paar kleine oogen, die altijd half dicht waren, en een mond, die altijd tot een grijnzenden lach was uitgerekt, alsof hij zoo op het oogenblik een jongen had vastgezet en wachtte om hem uit zijn antwoord te overtuigen, dat hij zijne les niet had geleerd. Wanneer de doctor de rechterhand in de borst stak, met de linker op den rug, en dan, bijna onmerkbaar zijn hoofd schuddende, het gewoonste gezegde tot een zenuwachtigen vreemdeling richtte, was het alsof de Sphinx eene raadselspreuk uitte, die den ongelukkigen vreemdeling het leven moest kosten.De doctor had een zeer mooi huis, met het uitzicht op de zee. Van binnen was het echter geen vroolijk huis, maar wel het tegendeel. Gordijnen van donkere droevige kleur, zeer schraal en smal, verscholen zich neerslachtig achter de vensters. De tafels en stoelen stonden op rijen, gelijk de cijfers van eene som; in de staatsievertrekken werd zoo zelden gestookt, dat zij zoo kil waren als kelders; de eetzaal scheen de laatste plaats in de wereld te zijn waar men ooit kon eten en drinken; door het geheele huis hoorde men geen geluid behalve het tikken eener groote klok in het voorhuis, hetwelk zelfs op de vliering te hooren was, en somtijds een dof gemurmel van de jonge heeren aan hunne lessen, gelijk het gekir van een troep zwaarmoedige duiven.Jufvrouw Blimber, hoewel eene ranke, tengere maagd, deed den ernst van het huis geen zacht geweld aan. Jufvrouw Blimber wist van geen gekheid. Zij droeg een bril op haar neus en de haren kort gekroesd. Zij was droog en zanderig van het werken in de graven van doode talen. Men behoefde haar niet van levende talen te spreken. Zij moesten dood wezen—lang dood—en dan groef zij ze op als een hyena.Mevrouw Blimber, hare mama, was niet geleerd, maar hield zich toch zoo, en dit kwam op hetzelfde neer. Zij zeide op avond partijtjes, dat, als zij Cicero maar had kunnen kennen, zij dacht dat zij tevreden had kunnen sterven. Het was haar altijd een genot de jonge heeren van den doctor uit wandelen te zien gaan, zoo geheel anders dan andere jonge heeren, met de grootst mogelijke boordjes en de stijfst mogelijke dassen. Dat was zoo classisch, zeide zij.Wat mijnheer Feeder, doctor Blimber’s assistent en bezitter van een academischen graad, betrof, hij was een soort van menschelijk draaiorgel, met een lijstje van deuntjes, die hij aanhoudend, zonder eenige variatie, afspeelde. Misschien had hij vroeger in zijn leven, als het lot hem gunstig was geweest, met verschillende rollen ter verwisseling kunnen voorzien worden; maar dit was niet gebeurd; en hij had er maar een, met welke het zijne taak was door gestadig draaien de jeugdige hersenen van doctor Blimber’s jonge heeren te verbijsteren. Deze jonge heeren werden ontijdig door kwellende zorgen geplaagd. Zij hadden geene rust van onmeedoogende werkwoorden, barsche naamwoorden, onbuigzame taalregelen, en spoken van thema’s, die hun in hunne droomen verschenen. Onder het stelsel van geforceerde cultuur was een jonge heer gewoonlijk in drie weken zijne vroolijkheid kwijt. Binnen drie maanden was hij met al de zorgen der wereld beladen; in vier begon hij de bitterste gevoelens tegen ouders en voogden te koesteren; in vijf was hij een oud menschenhater; in zes benijdde hij Curtius zijne gelukkige schuilplaats onder de aarde, en in een jaar kwam hij tot het besluit, waarvan hij naderhand nooit weder afweek, dat al de schoonheden[73]van dichters en de lessen van wijzen, slechts eene opeenstapeling van woorden tot beoefening der spraakkunst waren, en anders niets beteekenden.Maar hij bleef ondertusschen in de broeikas des doctors bloeien; en groot waren des doctors naam en roem als hij met zijn wintergroen bij zijne betrekkingen en vrienden thuis kwam.“Uw vader is heel rijk, niet waar?” zeide Toots.—“Ja, mijnheer,” antwoordde Paul. “Hij is Dombey en Zoon.” (blz. 79).“Uw vader is heel rijk, niet waar?” zeide Toots.—“Ja, mijnheer,” antwoordde Paul. “Hij is Dombey en Zoon.”(blz. 79).Eens stond Paul, met een onrustig kloppend hart en het rechterhandje in de hand van zijn vader, op de stoep des doctors. Zijne andere hand was in die van Florence gesloten. Hoe stijf was de druk aan den eenen kant, hoe los en koud aan den anderen!Mevrouw Pipchin zweefde, met hare zwarte pluimage en haar krommen neus, gelijk een onheilspellende vogel, achter haar slachtoffer. Zij was buiten adem—want Dombey, vol van groote gedachten, had hard doorgestapt—en terwijl zij wachtte tot de deur geopend werd, kuchte zij schor, alsof er eene raaf kraste.“Nu, Paul,” zeide Dombey met zegepralende blijdschap. “Dit is nu de manier om Dombey en Zoon te worden en geld te krijgen. Gij zijt al haast een man.”—“Haast,” antwoordde het kind.Zelfs zijne kinderlijke aandoening kon den zonderling sluwen en toch roerenden blik niet overmeesteren, waarmede hij dit antwoord vergezelde.[74]Deze blik deed een zweem van ongenoegen op Dombey’s gezicht komen, maar dewijl de deur nu geopend werd, verdween die spoedig weder.“Doctor Blimber is thuis, geloof ik,” zeide Dombey.De knecht zeide ja; en toen zij boven gingen, keek hij naar Paul, alsof deze een muisje en het huis eene val was. Hij was een jong mensch met zwakke oogen en de flauwst mogelijke sporen van een grijnzend lachje op zijn gezicht. Dit was enkel domheid; maar mevrouw Pipchin verbeeldde zich dat het onbeschoft was, en voer dadelijk tegen hem uit.“Hoe durft gij achter dien heer zijn rug lachen?” zeide zij. “En waar houdt gij mij voor?”—“Ik lach om niemand, en ik houd u waarlijk ook voor niets, mevrouw,” antwoordde het jonge mensch in zijne verlegenheid.—“Een troep luie rekels,” zeide mevrouw Pipchin, “die voor niets anders deugen dan om een spit te draaien. Ga uw meester dadelijk zeggen dat mijnheer Dombey er is, of het zal u opbreken!”Het jonge mensch met zwakke oogen ging zeer gedwee zijne boodschap doen, en kwam weldra terug met verzoek dat zij naar des doctors studeerkamer zouden komen.“Daar lacht gij alweer,” zeide mevrouw Pipchin, toen zij hem op hare beurt, achteraankomende, in het voorhuis voorbijging.—“Dat doe ik niet,” antwoordde het jonge mensch, nu erg ontsteld. “Ik heb nooit zoo iets beleefd!”—“Wat is er toch, mevrouw Pipchin?” zeide Dombey omkijkende. “Zachtjes—verzoek ik u.”Uit ontzag voor Dombey mompelde mevrouw Pipchin nog maar iets tegen het jonge mensch, terwijl zij verder ging en zeide dat hij een aardig heerschap was; terwijl het jonge mensch, geheel gedweeheid en onthutstheid, daar staan bleef, door dit voorval bijna tot tranen geroerd. Mevrouw Pipchin had de manier om alle zachtzinnige menschen te brutaliseeren; en hare vrienden vroegen, wie zich daarover kon verwonderen, na hetgeen er met de mijnen vanPeruwas gebeurd.De doctor zat in zijne geduchte studeerkamer, met eene globe aan elke knie, boeken overal om zich heen, Homerus boven de deur en Minerva op den schoorsteenmantel. “Hoe vaart gij, mijnheer,” zeide de doctor, “en hoe maakt het mijn vriendje?” De stem des doctors was zoo zwaar als een orgel, en toen hij zweeg, scheen (voor Paul ten minste) de groote klok in het voorhuis zijne woorden op te vangen en te herhalen: “hoe—maakt—het—mijn—vriend—je—hoe—maakt—het—mijn—vriend—je,” en zoo op den duur maar voort.Daar het vriendje wat te klein was om hem van de plaats waar de doctor zat, over de boeken op de tafel heen, te kunnen zien, deed de doctor verscheidene vruchtelooze pogingen om hem langs de pooten dier tafel in het oog te krijgen; en toen Dombey dit opmerkte, maakte hij een eind aan des doctor’s verlegenheid door Paul in zijne armen op te nemen, en hem midden in de kamer op een ander tafeltje te zetten. “Ha!” zeide de doctor, toen Paul daar zat, en hij zich met de hand in de borst op zijn stoel achterover liet zakken. “Nu zie ik mijn vriendje. Hoe maakt gij het, mijn vriendje?”De klok in het voorhuis wilde zich niet naar deze kleine verandering in den vorm der uitdrukking schikken, maar bleef herhalen: “Hoe—maakt—het—mijn—vriend—je—hoe—maakt—het—mijn—vriend—je?”—“Heel wel, mijnheer, dank u,” antwoordde Paul, evenzeer de klok als den doctor antwoord gevende.—“Ha!” zeide doctor Blimber. “Of wij ook een man van hem zullen maken!”—“Hoort gij wel, Paul?” voegde Dombey er bij, daar Paul bleef zwijgen.—“Of wij ook een man van hem zullen maken!” herhaalde de doctor.—“Ik wilde liever een kind wezen,” antwoordde Paul.—“Zoo waarlijk,”zeide de doctor. “Waarom?”Het kind bleef hem op de tafel zitten aankijken, met eene zonderlinge uitdrukking van gesmoorde aandoening op zijn gezichtje, en klopte met de eene hand trotsch op zijn knietje, alsof hij de opwellende tranen daaronder had en ze wegsloeg. Maar zijne andere hand dwaalde ondertusschen wat verder—nog wat verder—nog wat verder—tot zij op den hals van Florence kwam te liggen. “Daarom is het,” scheen die hand te zeggen, en toen verdween de strakke blik, ontspande zich de trekkende mond en stroomden de tranen.“Mevrouw Pipchin,” zeide zijn vader op een neteligen toon. “Het spijt mij waarlijk zeer dit te zien.”—“Ga van hem vandaan, jonge jufvrouw Dombey,” zeide mevrouw Pipchin.—“Het komt er niet op aan,” zeide de doctor, met een knikje om mevrouw Pipchin terug te houden. “Het—komt—er—niet—op—aan. Wij zullen hem wel spoedig nieuwe indrukken en nieuwe zorgen geven, mijnheer Dombey. Gij zoudt nog wenschen dat mijn vriendje onderricht kreeg in …”—“Alles, als het u belieft, doctor,” antwoordde Dombey op vasten toon.—“Ja,” zeide de doctor, die, met zijne half geslotene oogen en zijn gewonen glimlach, den kleinen Paul met die soort van belangstelling scheen te beschouwen, welke hij aan een aardig beestje had kunnen hechten, dat hij zou opstoppen. “Ja, juist. Ha! Wij zullen ons vriendje eene groote verscheidenheid van kundigheden bijbrengen en hem snel vooruithelpen, durf ik wel zeggen—durf ik wel zeggen. Geheel maagdelijke grond, meen ik van u te hebben gehoord, mijnheer Dombey?”—“Behalve de gewone voorbereiding thuis en van deze dame,” antwoordde Dombey; met een wenk naar mevrouw[75]Pipchin, die zich terstond nog veel stijver hield, alsof zij den doctor bij voorraad uitdaagde in geval hij het minste tegen haar mocht zeggen, “heeft Paul tot nog toe geen onderwijs ontvangen.”Doctor Blimber boog zijn hoofd, om zijne vriendelijke verdraagzaamheid te kennen te geven voor zulke onbeduidende strooperijen als die van mevrouw Pipchin op zijn gebied, en zeide dat hij zich daarover verheugde. Het was veel beter, zeide hij, zijne handen wrijvende, van den grondslag af te beginnen. En wederom loerde hij naar Paul, alsof hij dezen gaarne terstond met het Grieksche alphabet had willen aanklampen.“Die omstandigheid, doctor Blimber,” hervatte Dombey, “en het onderhoud dat ik reeds met u heb mogen hebben, maken alle verdere ophelderingen, en dus alle verdere eischen op uw kostbaren tijd, zoo onnoodig, dat …”—“Houd u stil, jonge jufvrouw Dombey!” zeide de zure mevrouw Pipchin.—“Verschooning,” zeide de doctor. “Nog een oogenblik. Laat ik u mevrouw Blimber en mijne dochter mogen presenteeren, die het huiselijk leven van onzen jongen pelgrim naar den Parnassus zullen veraangenamen.—Mevrouw Blimber,” want deze dame, die misschien had staan wachten, trad juist op dat oogenblik binnen, gevolgd door hare dochter met haar bril, “mijnheer Dombey. Mijne dochter Cornelia, mijnheer Dombey. Mijnheer Dombey, lieve,” vervolgde de doctor, zich naar zijne vrouw keerende, “is zoo goed om—ziet gij ons vriendje wel!”In hare overmaat van beleefdheid voor Dombey, deed mevrouw Blimber dit blijkbaar niet, want al nijgende achteruitstappende duwde zij het vriendje bijna van de tafel af. Op dezen wenk keerde zij zich echter om, ten einde zijne schrandere en classische trekken te bewonderen, en zich toen weder naar Dombey omkeerende, zeide zij, dat zij zijn dierbaren zoon benijdde.“Als een bijtje, mijnheer,” zeide mevrouw Blimber, met de oogen omhoog, “gereed om zich in een tuin vol van de keurigste bloemen te storten en voor de eerste maal den honig daaruit te zuigen. Virgilius, Horatius, Ovidius, Terentius, Plautus, Cicero. Welk een schat van honig hebben wij hier. Het kan wel vreemd schijnen, mijnheer Dombey, dat zij die eene vrouw is—de vrouw van zulk een man—”—“Stil, stil!” zeide doctor Blimber.“Foei schaam u!”—“Mijnheer Dombey zal de partijdigheid van eene vrouw wel vergeven,” zeide mevrouw Blimber met een innemend lachje.Dombey antwoordde “Geheel niet!” welke woorden hij waarschijnlijk op de partijdigheid, niet op het vergeven, wilde toegepast hebben.“En het kan ook vreemd schijnen dat zij die eene moeder is,” hervatte mevrouw Blimber.— “En zulk eene moeder,” zeide Dombey, met eene buiging en eene verwarde gedachte dat hij Cornelia daarmede een compliment maakte.—“Maar waarlijk,” vervolgde mevrouw Blimber, “ik geloof als ik Cicero had kunnen kennen, en zijne vriendin wezen, en met hem omgaan in zijne afzondering teTusculum(dat schooneTusculum), had ik tevreden kunnen sterven.”Geleerde geestdrift is zoo besmettelijk, dat Dombey half geloofde in hetzelfde geval te verkeeren; en dat zelfs mevrouw Pipchin, die anders gelijk wij gezien hebben niet zeer inschikkelijk was, een geluid slaakte tusschen een geknor en een zucht, alsof zij wilde zeggen, dat Cicero alleen iemand onder zulk een ongeval als dat met de mijnen vanPeruhad kunnen troosten.Cornelia keek Dombey door haar bril aan alsof zij gaarne eenige aanhalingen uit den bedoelden schrijver met hem had willen wisselen, maar dit voornemen, als zij het koesterde, werd verijdeld door een kloppen aan de kamerdeur.“Wie is daar?” zeide de doctor. “O, kom binnen, Toots, kom binnen. Mijnheer Dombey, jonge heer.” Toots boog. “Al zeer toevallig!” zeide doctor Blimber. “Hier hebben wij het begin en het einde. De Alpha en de Omega. Onze primus, mijnheer Dombey.”De doctor had hem wel onzen reus mogen noemen, want hij stak met hoofd en schouders boven al de andere leerlingen uit. Hij werd erg rood toen hij zich voor vreemdelingen bevond en grinnikte hoorbaar.“Eene aanwinst voor onzen kleinen Porticus, Toots,” zeide de doctor. “Mijnheer Dombey’s zoontje.”Toots werd nog rooder, en daar de plechtige stilte, die er heerschte, hem deed begrijpen dat men van hem verwachtte dat hij iets zou zeggen, zeide hij tot Paul: “Hoe vaart ge?” met eene stem zoo grof en een gezicht zoo schaapachtig, dat het niet verrassender had kunnen zijn als men een lam had hooren bulken.“Vraag mijnheer Feeder, als het u belieft, Toots,” zeide de doctor, “om de eerste boeken voor mijnheer Dombey’s zoon gereed te maken en eene goede plaats voor hem uit te zoeken. Lieve, ik geloof dat mijnheer Dombey de slaapkamers nog niet gezien heeft.”—“Als mijnheer Dombey boven wil komen,” zeide mevrouw Blimber, “zal ik er meer dan trotsch op zijn hem het rijk van den god der droomen te laten zien.”Daarmede ging mevrouw Blimber, die eene zeer vriendelijke vrouw, en zeer dor van gestalte was, en eene muts droeg waarvan hemelsblauw de hoofdkleur was, met Dombey en Cornelia naar boven. Mevrouw Pipchin volgde, scherp uitkijkende naar haar vijand den knecht.[76]Terwijl zij weg waren, bleef Paul op de tafel zitten, Florence bij de hand houdende en beschroomd naar den doctor in het rond kijkende, terwijl de doctor, achterover in zijn stoel geleund, met de eene hand volgens gewoonte in de borst, een boek op armslengte van zich afhield en las. Er was iets zeer ontzagwekkends in deze wijze van lezen. Het was zulk eene vastberadene, hartstochtelijke, onbuigzame, koelbloedige manier om te werk te gaan. Des doctors gezicht bleef daardoor geheel zichtbaar, en wanneer hij achterdochtig tegen zijn auteur glimlachte, of zijn voorhoofd rimpelde, of zijn hoofd schudde en een scheef gezicht trok, alsof hij wilde zeggen. “Maak mij niets wijs, mijnheer; ik weet wel beter,” was het ontzettend.Toots had ook niet bij de deur behoeven te blijven staan, om het werk van zijn horloge te bekijken en zijne halve kronen te tellen. Maar dit duurde niet lang, want toen doctor Blimber toevallig zijne welgevulde beenen verplaatste, alsof hij wilde opstaan, verdween Toots terstond en liet zich niet meer zien.Weldra hoorde men Dombey en zijne geleidsters weder naar beneden komen, den geheelen weg over pratende; en zoo kwamen zij weder in de kamer.“Ik hoop, mijnheer Dombey,” zeide de doctor, zijn boek neerleggende, “dat onze inrichting uwe goedkeuring wegdraagt.”—“Zij is uitmuntend, mijnheer,” zeide Dombey.—“Heel wel, inderdaad,” zeide mevrouw Pipchin zacht, daar zij nooit te veel wilde prijzen.—“Mevrouw Pipchin,” zeide Dombey, zich omkeerende, “zal, met uw verlof, doctor en mevrouw Blimber, Paul nu en dan komen bezoeken.”—“Wanneer het mevrouw Pipchin maar belieft,” merkte de doctor aan.—“Altijd genoegen doen haar te zien,” voegde mevrouw Blimber er bij.—“Ik denk,” zeide Dombey, “dat ik nu zooveel moeite gegeven heb als noodig is, en wel afscheid kan nemen. Paul, mijn kind,” hij kwam dicht bij den kleine, die nog op de tafel zat. “Goedendag!”—“Goedendag, papa!”Het slappe onverschillige handje, dat Dombey in zijne hand nam, was zonderling in tegenspraak met het benauwde gezichtje. Maar hij had geen deel in de treurige uitdrukking daarvan. Het was niet naar hem toegekeerd. Neen—naar Florence—uitsluitend naar Florence.Als Dombey zich door onbeschaamden hoogmoed op zijn rijkdom ooit een wraakzuchtigen, haatdragenden vijand had berokkend, had zelfs zulk een vijand den steek, die hem toen door het trotsche hart ging, als eene vergoeding voor de hem aangedane beleediging kunnen aanzien.Hij boog zich over zijn zoon en kuste hem. Als zijne oogen, terwijl hij dit deed, verdonkerd werden door iets dat op het kindergezichtje afdroppelde, kan zijn geestelijk gezicht misschien voor die korte poos des te helderder zijn geweest.“Ik zal u spoedig weerzien, Paul. Zaterdag en zondag hebt ge vrij af, weet ge.”—“Ja, papa,” antwoordde Paul, naar zijne zuster ziende. “Zaterdag en zondag.”—“En gij zult uw best doen om hier veel te leeren en een knap man te worden,” zeide Dombey. “Niet waar?”—“Dat zal ik wel,” antwoordde het kind onverschillig.—“En gij zult nu gauw groot worden!” zeide Dombey.—“O, heel gauw!” antwoordde Paul. Wederom vloog dat oudachtige uitzicht, gelijk eene vreemde schemering van licht, over zijne trekken. Het licht van dien blik scheen naar mevrouw Pipchin te dwalen en zich in haar zwart kleed uit te dooven. Deze uitmuntende kindereetster kwam nu nader om afscheid te nemen en Florence weg te slepen, waarnaar zij al lang gedorst had. Hare beweging deed Dombey opzien, wiens oogen nog op Paul gevestigd waren. Na nog eens zijn hoofd gestreeld en zijn handje gedrukt te hebben nam hij met zijne gewone ijskoude beleefdheid, afscheid van doctor Blimber en de twee dames, en ging de kamer uit.In weerwil van zijn verzoek dat zij zich geene moeite zouden geven, verdrongen doctor Blimber en de twee dames elkander bijna om hem naar het voorhuis te brengen, en zoo raakte mevrouw Pipchin tusschen den doctor en de jonge jufvrouw ingeklemd, en werd zij de kamer uitgedrongen eer zij Florence kon grijpen. Aan dit gelukkig toeval had Paul naderhand de dierbare herinnering te danken, dat Florence kwam terugloopen om hare armen om zijn hals te slaan, en dat haar gezichtje—met een bemoedigenden glimlach naar hem toe gekeerd, te helderder om de tranen waardoor die glimlach heen blonk—het laatste in de deur was.Het deed, toen hij alleen was, zijne kinderlijke borst zwellen en zwoegen, en de globes, de boeken, den blinden Homerus en de Minervaschemerachtigdoor de kamer ronddraaien. Maar eensklaps bleven zij stilstaan, en toen hoorde hij de klok in het voorhuis nog ernstig vragen: “Hoe—maakt—het—mijn—vriend—je—hoe—maakt—het—mijn—vriend—je?” evenals te voren.Hij bleef met gevouwen handjes stil op de tafel zitten luisteren. Maar hij had wel mogen antwoorden: “Och ik ben zoo moe, zoo moe! Heel eenzaam, en heel droevig!” En daar, met eene pijnlijke ledigheid in het jeugdige hart, en alles om hem heen zoo koud, en dor, en vreemd, zat Paul alsof hij het leven ongemeubeleerd had gehuurd, en de behanger maar nooit kwam.[77]
Mevrouw Pipchin’s gestel bestond uit zulk hard metaal, hoewel het onderhevig was aan de vleeschelijke zwakheid om na karbonaden rust noodig te hebben, dat zij de voorspellingen van jufvrouw Wickam logenstrafte en er zich geene verschijnselen van tering bij haar opdeden. Daar echter Paul’s buitengewone ingenomenheid met de oude dame in volle kracht bleef, week jufvrouw Wickam geen duim breed van haar gevoelen af. Zich op den vasten grond van haar ooms Betsey Jane verschansende, raadde zij jufvrouw Berry als vriendin om zich op het ergste gereed te houden, en waarschuwde haar dat hare tante ieder oogenblik even gevaarlijk was als een kruitmolen.
De arme Berry hoorde dit alles geduldig aan en sloofde en slaafde naar gewoonte voort, volmaakt overtuigd dat mevrouw Pipchin een der verdienstelijkste menschen op de wereld was, waarom zij dan ook zich zelve ontelbare malen daags op het altaar dier edele matrone ten offer bracht. Doch al die zelfopofferingen van Berry werden door mevrouw Pipchin’s vrienden en vriendinnen op eene of andere wijs geheel ter eere van die dame uitgelegd, en in verband gebracht met de treurige omstandigheid dat mijnheer Pipchin van hartzeer over de mijnen vanPeruwas gestorven.
Bij voorbeeld, er was een eerlijk komenijsman, tusschen wien en mevrouw Pipchin een aanteekenboekje, met een vettig rood bandje, werd gehouden, dat gedurig geschil veroorzaakte, en waarover telkens geheime conferentiën werden gehouden, hetzij op de mat in den gang, of met geslotene deur in de zijkamer. Het ontbrak ook niet aan donkere geruchten, van jongen heer Bitherstone afkomstig (die door den invloed der zonnehitte vanIndiëop zijn bloed een wraakzuchtig karakter had gekregen) dat de rekening dikwijls onbetaald bleef en men tusschenbeide gebrek aan suiker bij de thee leed. Daar deze komenijsman ongetrouwd was en niet naar uitwendige schoonheid zag, had hij eens zeer fatsoenlijk om de hand van Berry gevraagd, welke mevrouw Pipchin hem met hoon en smaad had geweigerd. Iedereen zeide, hoe loffelijk dit van mevrouw Pipchin was, weduwe van een man, die aan de mijnen vanPeruwas gestorven, en hoe hooghartig en onafhankelijk de oude dame nog was. Maar niemand zeide iets van Berry, die zes weken lang schreide (al dien tijd door hare goede tante geducht bekeven), en in een staat van hopeloos oudvrijsterschap verzonk.
“Berry houdt veel van u, niet waar?” zeide Paul eens tot mevrouw Pipchin, toen zij met de kat bij het vuur zaten.—“Ja,” zeide mevrouw Pipchin.—“Waarom?” vroeg Paul.—“Waarom?” herhaalde de oude dame uit het veld geslagen. “Hoe kunt gij zoo iets vragen, jonge heer? Waarom houdt gij van uw zusje Florence?”—“Omdat zij zoo goed is,” antwoordde Paul. “Er is niemand die naar Florence gelijkt.”—“Wel,” zeide mevrouw Pipchin kortaf, “en er is niemand die naar mij gelijkt, denk ik.”—“Zou er waarlijk niemand wezen?” vroeg Paul, op zijn stoeltje vooroverleunende en haar[70]zeer strak aankijkende.—“Neen,” zeide de oude dame.—“Daar ben ik blij om,” merkte Paul aan, nadenkend in zijne handjes wrijvende. “Dat vind ik heel goed.”
Mevrouw Pipchin durfde hem niet vragen waarom, uit vrees voor een geheel verpletterend antwoord. Maar als een balsem voor haar gekwetst gevoel, plaagde zij den kleinen Bitherstone tot hij naar bed ging zoodanig, dat hij dien zelfden avond beschikkingen begon te maken om over land naarIndiëterug te keeren, door van zijn avondeten een brok brood en een stukje kaas weg te stoppen, als het begin van een voorraad van levensmiddelen om zich op reis te onderhouden.
Mevrouw Pipchin had nu bijna een jaar lang den kleinen Paul en zijne zuster onder haar opzicht gehad. Zij waren tweemaal naar huis geweest, maar slechts voor weinige dagen, en hadden overigens hun vader wekelijks geregeld in zijn logement gaan bezoeken. Langzamerhand was kleine Paul sterker geworden en had hij zijn wagentje kunnen missen; maar hij was nog mager en teer, en bleef nog hetzelfde oudachtige, stille, droomerige kind, dat hij was toen hij pas aan de zorg van mevrouw Pipchin werd toevertrouwd. Op een zaterdagavond, tegen de schemering, werd er eens in het Kasteel eene groote ontsteltenis veroorzaakt, daar Dombey geheel onverwacht mevrouw Pipchin een bezoek kwam brengen. Dadelijk werd de bevolking der zijkamer als door een wervelwind naar boven gejaagd, en na veel toeslaan van deuren en stampen van voeten op die verdieping, en nadat mevrouw Pipchin, om hare onrust eenigszins lucht te geven, den kleinen Bitherstone eenige duwen en stompen had toegediend, verdonkerde eindelijk het zwarte gewaad der brave vrouw deaudiëntiezaal, waar Dombey het ledige leuningstoeltje van zijn zoon en erfgenaam zat te beschouwen.
“Mevrouw Pipchin,” zeide Dombey. “Hoe vaart ge?”—“Wel verplicht, mijnheer,” zeide mevrouw Pipchin. “Tamelijk wel, alles in aanmerking genomen.”
Mevrouw Pipchin gebruikte altijd die spreekwijs. Zij meende, hare deugden, opofferingen enz. in aanmerking genomen.
“Ik kan niet verwachten ooit geheel gezond te zijn, mijnheer,” hervatte mevrouw Pipchin, een stoel nemende en naar adem hijgende, “maar voor zooveel gezondheid als ik heb, ben ik dankbaar.”
Dombey boog zijn hoofd met het tevreden gezicht van een patroon, die begreep dat dit juist datgene was waarvoor hij zooveel in het vierendeeljaar betaalde. Na een oogenblik van stilte, hervatte hij:
“Mevrouw Pipchin, ik ben zoo vrij geweest aan te komen, om u over mijn zoon te raadplegen. Ik ben dat al eenigen tijd voornemens geweest, maar heb het gedurig uitgesteld, om te wachten tot zijne gezondheid geheel hersteld was. Gij hebt geene bezorgdheid in dat opzicht, mevrouw Pipchin?”—“Brightonis hem zeer heilzaam geweest, mijnheer,” antwoordde mevrouw Pipchin. “Inderdaad, zeer heilzaam.”—“Ik ben ook voornemens,” zeide Dombey, “dat hij teBrightonzal blijven.”
Mevrouw Pipchin wreef in hare handen en vestigde hare oogen op het vuur.
“Maar,” vervolgde Dombey, zijn voorvinger opstekende, “maar misschien zal ik nu eene verandering met hem maken, waardoor hij hier eene geheel andere levenswijs zal krijgen. Kortom, mevrouw Pipchin, dat is het oogmerk van mijn bezoek. Mijn zoon begint nu voort te komen—werkelijk voort te komen.”
De zegepralende houding waarmede Dombey dit zeide had iets treurigs. Zij bewees hoelang Paul’s kindsheid hem geduurd had, en hoe zijne hoop op een later tijdperk van zijn leven was gevestigd. Medelijden mag een vreemd woord schijnen om op een man, die zoo koud en trotsch was, toe te passen, en toch scheen hij op dat oogenblik een waardig voorwerp van medelijden te zijn.
“Zes jaren oud,” zeide Dombey, zijne das verschikkende, misschien om een onbedwingbaren glimlach te verbergen, die veeleer van zijn gezicht, waar hij geene rustplaats vond, scheen af te schampen, dan er over te spelen. “Wel, zes zal zestien worden, eer wij er om denken.”—“Tien jaren,” kraste de onmeedoogende mevrouw Pipchin, met eene ijskoude flikkering in hare harde grijze oogen, en een akelig schudden van haar gebogen hoofd, “is een lange tijd.”—“Dat hangt van omstandigheden af,” antwoordde Dombey. “In allen gevalle, mevrouw Pipchin, mijn zoon is nu zes jaren, en er is geen twijfel aan, vrees ik, of hij is in het leeren ver ten achter bij vele kinderen even oud als hij—of even jong,” zeide Dombey, snel opmerkende wat hij misschien voor een spottend flikkeren der koude oogen meende te moeten houden—“even jong is eene meer gepaste uitdrukking. Nu, mevrouw Pipchin, behoorde mijn zoon, in plaats van bij andere kinderen ten achter, hen veel vooruit te zijn. Er is eene verhevene plaats voor hem gereed. De loopbaan van mijn zoon heeft niets twijfelachtigs. Zijn weg door het leven was duidelijk afgeteekend en voorbereid, eer hij aanwezig was. De opvoeding van zulk een jongen heer moet niet verzuimd of vertraagd worden. Zij moet niet onvolkomen blijven. Er moet met ijver en ernst voor gezorgd worden, mevrouw Pipchin.”—“Zeker, mijnheer,” antwoordde mevrouw Pipchin. “Daar kan ik niets tegen zeggen.”—“Ik was overtuigd, mevrouw Pipchin,” zeide Dombey goedkeurend, “dat iemand van uw verstand dat niet zou kunnen of willen.”—“Er wordt[71]veel onzin, of erger, over uitgekraamd, dat kinderen in het eerst niet te hard moeten worden aangezet, en zachtjes voortgeleid, en zoo al meer, mijnheer,” zeide mevrouw Pipchin, ongeduldig haar haviksneus wrijvende. “In mijn tijd dacht men nooit om zoo iets, en dat behoeft men nu nog niet te doen. Mijne meening is “laat ze geen rust.””—“Mevrouw,” antwoordde Dombey, “gij hebt uwe reputatie niet onverdiend verworven; en ik verzoek u te willen gelooven, dat ik meer dan tevreden ben over uwe uitmuntende manier van opvoeden, en die met het grootste genoegen zal recommandeeren, als mijne geringe recommandatie”—Dombey’s statigheid, wanneer hij zijne eigene gewichtigheid veinsde te willen verkleinen, ging alle verbeelding te boven, “van eenigen dienst kan zijn. Ik heb aan doctor Blimber gedacht, mevrouw Pipchin.”—“Mijn buurman, mijnheer?” zeide mevrouw Pipchin. “Ik geloof dat het instituut van doctor Blimber uitmuntend is ingericht. Ik hoor dat men er zeer streng is, en er van den ochtend tot den avond niets gedaan wordt dan leeren.”—“En het is zeer duur,” voegde Dombey er bij.—“En het is zeer duur, mijnheer,” antwoordde mevrouw Pipchin, met een spoed alsof zij, door deze omstandigheid te vergeten, een der voornaamste verdiensten van het instituut had verwaarloosd.—“Ik heb reeds eenige informatie bij den doctor genomen, mevrouw Pipchin,” zeide Dombey, zijn stoel onrustig een weinig dichter bij het vuur schuivende, “en hij denkt dat Paul volstrekt niet te jong is. Hij heeft mij verscheiden voorbeelden genoemd van jongens, die op dezelfde jaren al aan het Grieksch waren. Als ik mij, wat die verandering betreft, eenigszins ongerust maak, mevrouw Pipchin, is het niet om die reden. Daar mijn zoon nooit eene moeder heeft gekend, heeft hij zijne kinderlijke gehechtheid langzamerhand wat veel—wat al te veel—op zijne zuster overgebracht. Of hunne scheiding—” Dombey sprak niet verder, maar bleef zwijgend zitten.—“Wel heere mijn tijd!” riep mevrouw Pipchin uit, haar zwarten rok uitschuddende, terwijl de kindereetster in volle mate bij haar ontwaakte. “Als het haar niet bevalt, mijnheer Dombey, moet zij het maar leeren slikken.” De goede vrouw verzocht terstond daarop verschooning dat zij zulk eene triviale uitdrukking gebruikte, maar zeide (en met waarheid) dat dit de manier was waarop zij redeneerde.
Dombey wachtte tot mevrouw Pipchin gedaan had met het hoofdschudden en zuur kijken alsof zij een legioen Bitherstone’s en Pankey’s wilde bang maken, en zeide toen bedaard, maar berispend: “Maar hem, mijne goede mevrouw, hem.”
Mevrouw Pipchin zou wel gezind zijn geweest om allen tegenzin van kleinen Paul op dezelfde wijs te genezen; maar het grijze oog was scherp genoeg om te zien, dat haar recept, schoon Dombey wel wilde toegeven dat het voor zijne dochter dienstig kon zijn, hem voor zijn zoon niet beviel. Zij begon dus over de zaak uit te weiden, en beweerde dat de verandering, het nieuwe gezelschap, de geheel verschillende levenswijs, die hij bij doctor Blimber zou hebben, en de drukte van de lessen hem spoedig van oude betrekkingen zouden vervreemden. Daar dit met Dombey’s eigene hoop en geloof instemde, gaf het hem eene nog hoogere meening van mevrouw Pipchin’s verstand; en daar mevrouw Pipchin te gelijk het verlies van haar liefste vriendje bejammerde (hetwelk echter niet zulk een zware schok voor haar was, daar zij het reeds lang had verwacht, en in het begin niet had gedacht dat hij langer dan drie maanden bij haar zou blijven) vatte hij eene even gunstige meening van mevrouw Pipchin’s belangeloosheid op. Het was duidelijk dat hij zorgvuldig over de zaak had gedacht, want hij had een plan gevormd, gelijk hij mevrouw Pipchin nu zeide, om Paul het eerste halfjaar slechts voor de week bij den doctor in den kost te doen, terwijl Florence zoolang bij haar zou blijven, om hem des zaterdags te ontvangen. Zoo zou hij langzaam gespeend worden, zeide Dombey, misschien met eene herinnering dat hij eene vorige maal niet langzaam gespeend was.
Dombey maakte een eind aan het onderhoud, door zijne hoop te kennen te geven, dat mevrouw Pipchin zijn zoon, zoolang hij teBrightonbleef, nog onder haar opzicht zou houden, en nadat hij Paul een kus en Florence de hand had gegeven, den kleinen Bitherstone met zijn staatsiekraag had gezien, en jonge jufvrouw Pankey aan het huilen gemaakt door haar op het hoofd te kloppen (dat bij haar bijzonder gevoelig was, ten gevolge der gewoonte die mevrouw Pipchin had om er met hare knokkels tegen te tikken, alsof het eene ton was waarvan zij het geluid wilde hooren) begaf hij zich naar zijn logement en aan zijn diner, met het besluit dat de opvoeding van den kleinen Paul, nu hij zoo oud en zoo gezond werd, zonder uitstel met kracht moest worden begonnen, om hem aldus voor te bereiden voor de positie waarin hij eens zou schitteren, en dat doctor Blimber hem dadelijk onder handen zou nemen.
Wanneer een jongen door doctor Blimber onder handen werd genomen, kon hij er op rekenen dat het tamelijk hard zou zijn. De doctor nam niet meer dan tien jonge heeren onder zijne leiding, maar hij had altijd (volgens de laagste schatting) een voorraad van geleerdheid voor honderd gereed; en het was zoowel de taak als de vreugd van zijn leven, de ongelukkige tien daarmede vol te proppen.
Doctor Blimber’s instituut was eigenlijk eene groote broeikas, waarin de stooktoestel onophoudelijk in werking werd gehouden. Al de[72]jongens bloeiden voor hun tijd. Geestelijke doperwtjes werden tegen Kerstmis gekweekt, en intellectueele asperges het geheele jaar door. Mathematische aalbessen (erg zuur ook) rijpten onder doctor Blimber’s kweeking in de ontijdigste seizoenen, en aan struiken, die nog niet meer dan spruitjes waren. Alle soorten van Grieksche en Latijnsche groenten werden van de droogste stokken van jongens gehaald, en dat onder de vriesachtigste omstandigheden. De natuur kwam er volstrekt niet op aan. Onverschillig wat een jonge heer bestemd was te dragen, doctor Blimber deed hem, op eene of andere manier, dragen wat men maar wilde.
Dit alles was heel aardig en schrander, maar de geforceerde kweekerij ging met gewone nadeelen gepaard. Die vroegrijpe producten hadden den rechten smaak niet en hielden zich ook niet goed. Bovendien, één jong heer, met een gezwollen neus en een bijzonder groot hoofd (de oudste van de tien, die “alles was door geweest”) hield eens plotseling op met bloeien en bleef als een stok in het etablissement; en men zeide dat de doctor het met den jongen Toots wat al te erg had gemaakt, en dat hij, toen hij een baard begon te krijgen, geene hersenen meer had.
Daar was, in allen gevalle, de jonge Toots, met eene allergrofste stem en een allerschraalsten geest. Hij droeg opzichtige spelden voor de borst en een ring in zijn vestzakje, om tersluiks aan zijn pink te steken, als de leerlingen uit wandelen gingen; werd gedurig verliefd op kindermeisjes, die hij zag en die geen het minste denkbeeld hadden van zijn bestaan; en keek des avonds na den tijd van naar bed gaan, naar de met gas verlichte wereld uit het linker hoekvenster op de derde verdieping, gelijk een boven de maat gegroeide cherub, die al te lang boven was blijven zitten.
De doctor was een zwaarlijvig man, geheel in het zwart, met strikjes aan de knieën en kousen daarbeneden. Hij had een blinkend kaal hoofd, eene zware stem, en zulk eene onderkin, dat het te verwonderen was hoe hij zich in de plooien kon scheren. Hij had insgelijks een paar kleine oogen, die altijd half dicht waren, en een mond, die altijd tot een grijnzenden lach was uitgerekt, alsof hij zoo op het oogenblik een jongen had vastgezet en wachtte om hem uit zijn antwoord te overtuigen, dat hij zijne les niet had geleerd. Wanneer de doctor de rechterhand in de borst stak, met de linker op den rug, en dan, bijna onmerkbaar zijn hoofd schuddende, het gewoonste gezegde tot een zenuwachtigen vreemdeling richtte, was het alsof de Sphinx eene raadselspreuk uitte, die den ongelukkigen vreemdeling het leven moest kosten.
De doctor had een zeer mooi huis, met het uitzicht op de zee. Van binnen was het echter geen vroolijk huis, maar wel het tegendeel. Gordijnen van donkere droevige kleur, zeer schraal en smal, verscholen zich neerslachtig achter de vensters. De tafels en stoelen stonden op rijen, gelijk de cijfers van eene som; in de staatsievertrekken werd zoo zelden gestookt, dat zij zoo kil waren als kelders; de eetzaal scheen de laatste plaats in de wereld te zijn waar men ooit kon eten en drinken; door het geheele huis hoorde men geen geluid behalve het tikken eener groote klok in het voorhuis, hetwelk zelfs op de vliering te hooren was, en somtijds een dof gemurmel van de jonge heeren aan hunne lessen, gelijk het gekir van een troep zwaarmoedige duiven.
Jufvrouw Blimber, hoewel eene ranke, tengere maagd, deed den ernst van het huis geen zacht geweld aan. Jufvrouw Blimber wist van geen gekheid. Zij droeg een bril op haar neus en de haren kort gekroesd. Zij was droog en zanderig van het werken in de graven van doode talen. Men behoefde haar niet van levende talen te spreken. Zij moesten dood wezen—lang dood—en dan groef zij ze op als een hyena.
Mevrouw Blimber, hare mama, was niet geleerd, maar hield zich toch zoo, en dit kwam op hetzelfde neer. Zij zeide op avond partijtjes, dat, als zij Cicero maar had kunnen kennen, zij dacht dat zij tevreden had kunnen sterven. Het was haar altijd een genot de jonge heeren van den doctor uit wandelen te zien gaan, zoo geheel anders dan andere jonge heeren, met de grootst mogelijke boordjes en de stijfst mogelijke dassen. Dat was zoo classisch, zeide zij.
Wat mijnheer Feeder, doctor Blimber’s assistent en bezitter van een academischen graad, betrof, hij was een soort van menschelijk draaiorgel, met een lijstje van deuntjes, die hij aanhoudend, zonder eenige variatie, afspeelde. Misschien had hij vroeger in zijn leven, als het lot hem gunstig was geweest, met verschillende rollen ter verwisseling kunnen voorzien worden; maar dit was niet gebeurd; en hij had er maar een, met welke het zijne taak was door gestadig draaien de jeugdige hersenen van doctor Blimber’s jonge heeren te verbijsteren. Deze jonge heeren werden ontijdig door kwellende zorgen geplaagd. Zij hadden geene rust van onmeedoogende werkwoorden, barsche naamwoorden, onbuigzame taalregelen, en spoken van thema’s, die hun in hunne droomen verschenen. Onder het stelsel van geforceerde cultuur was een jonge heer gewoonlijk in drie weken zijne vroolijkheid kwijt. Binnen drie maanden was hij met al de zorgen der wereld beladen; in vier begon hij de bitterste gevoelens tegen ouders en voogden te koesteren; in vijf was hij een oud menschenhater; in zes benijdde hij Curtius zijne gelukkige schuilplaats onder de aarde, en in een jaar kwam hij tot het besluit, waarvan hij naderhand nooit weder afweek, dat al de schoonheden[73]van dichters en de lessen van wijzen, slechts eene opeenstapeling van woorden tot beoefening der spraakkunst waren, en anders niets beteekenden.
Maar hij bleef ondertusschen in de broeikas des doctors bloeien; en groot waren des doctors naam en roem als hij met zijn wintergroen bij zijne betrekkingen en vrienden thuis kwam.
“Uw vader is heel rijk, niet waar?” zeide Toots.—“Ja, mijnheer,” antwoordde Paul. “Hij is Dombey en Zoon.” (blz. 79).“Uw vader is heel rijk, niet waar?” zeide Toots.—“Ja, mijnheer,” antwoordde Paul. “Hij is Dombey en Zoon.”(blz. 79).
“Uw vader is heel rijk, niet waar?” zeide Toots.—“Ja, mijnheer,” antwoordde Paul. “Hij is Dombey en Zoon.”(blz. 79).
Eens stond Paul, met een onrustig kloppend hart en het rechterhandje in de hand van zijn vader, op de stoep des doctors. Zijne andere hand was in die van Florence gesloten. Hoe stijf was de druk aan den eenen kant, hoe los en koud aan den anderen!
Mevrouw Pipchin zweefde, met hare zwarte pluimage en haar krommen neus, gelijk een onheilspellende vogel, achter haar slachtoffer. Zij was buiten adem—want Dombey, vol van groote gedachten, had hard doorgestapt—en terwijl zij wachtte tot de deur geopend werd, kuchte zij schor, alsof er eene raaf kraste.
“Nu, Paul,” zeide Dombey met zegepralende blijdschap. “Dit is nu de manier om Dombey en Zoon te worden en geld te krijgen. Gij zijt al haast een man.”—“Haast,” antwoordde het kind.
Zelfs zijne kinderlijke aandoening kon den zonderling sluwen en toch roerenden blik niet overmeesteren, waarmede hij dit antwoord vergezelde.[74]
Deze blik deed een zweem van ongenoegen op Dombey’s gezicht komen, maar dewijl de deur nu geopend werd, verdween die spoedig weder.
“Doctor Blimber is thuis, geloof ik,” zeide Dombey.
De knecht zeide ja; en toen zij boven gingen, keek hij naar Paul, alsof deze een muisje en het huis eene val was. Hij was een jong mensch met zwakke oogen en de flauwst mogelijke sporen van een grijnzend lachje op zijn gezicht. Dit was enkel domheid; maar mevrouw Pipchin verbeeldde zich dat het onbeschoft was, en voer dadelijk tegen hem uit.
“Hoe durft gij achter dien heer zijn rug lachen?” zeide zij. “En waar houdt gij mij voor?”—“Ik lach om niemand, en ik houd u waarlijk ook voor niets, mevrouw,” antwoordde het jonge mensch in zijne verlegenheid.—“Een troep luie rekels,” zeide mevrouw Pipchin, “die voor niets anders deugen dan om een spit te draaien. Ga uw meester dadelijk zeggen dat mijnheer Dombey er is, of het zal u opbreken!”
Het jonge mensch met zwakke oogen ging zeer gedwee zijne boodschap doen, en kwam weldra terug met verzoek dat zij naar des doctors studeerkamer zouden komen.
“Daar lacht gij alweer,” zeide mevrouw Pipchin, toen zij hem op hare beurt, achteraankomende, in het voorhuis voorbijging.—“Dat doe ik niet,” antwoordde het jonge mensch, nu erg ontsteld. “Ik heb nooit zoo iets beleefd!”—“Wat is er toch, mevrouw Pipchin?” zeide Dombey omkijkende. “Zachtjes—verzoek ik u.”
Uit ontzag voor Dombey mompelde mevrouw Pipchin nog maar iets tegen het jonge mensch, terwijl zij verder ging en zeide dat hij een aardig heerschap was; terwijl het jonge mensch, geheel gedweeheid en onthutstheid, daar staan bleef, door dit voorval bijna tot tranen geroerd. Mevrouw Pipchin had de manier om alle zachtzinnige menschen te brutaliseeren; en hare vrienden vroegen, wie zich daarover kon verwonderen, na hetgeen er met de mijnen vanPeruwas gebeurd.
De doctor zat in zijne geduchte studeerkamer, met eene globe aan elke knie, boeken overal om zich heen, Homerus boven de deur en Minerva op den schoorsteenmantel. “Hoe vaart gij, mijnheer,” zeide de doctor, “en hoe maakt het mijn vriendje?” De stem des doctors was zoo zwaar als een orgel, en toen hij zweeg, scheen (voor Paul ten minste) de groote klok in het voorhuis zijne woorden op te vangen en te herhalen: “hoe—maakt—het—mijn—vriend—je—hoe—maakt—het—mijn—vriend—je,” en zoo op den duur maar voort.
Daar het vriendje wat te klein was om hem van de plaats waar de doctor zat, over de boeken op de tafel heen, te kunnen zien, deed de doctor verscheidene vruchtelooze pogingen om hem langs de pooten dier tafel in het oog te krijgen; en toen Dombey dit opmerkte, maakte hij een eind aan des doctor’s verlegenheid door Paul in zijne armen op te nemen, en hem midden in de kamer op een ander tafeltje te zetten. “Ha!” zeide de doctor, toen Paul daar zat, en hij zich met de hand in de borst op zijn stoel achterover liet zakken. “Nu zie ik mijn vriendje. Hoe maakt gij het, mijn vriendje?”
De klok in het voorhuis wilde zich niet naar deze kleine verandering in den vorm der uitdrukking schikken, maar bleef herhalen: “Hoe—maakt—het—mijn—vriend—je—hoe—maakt—het—mijn—vriend—je?”—“Heel wel, mijnheer, dank u,” antwoordde Paul, evenzeer de klok als den doctor antwoord gevende.—“Ha!” zeide doctor Blimber. “Of wij ook een man van hem zullen maken!”—“Hoort gij wel, Paul?” voegde Dombey er bij, daar Paul bleef zwijgen.—“Of wij ook een man van hem zullen maken!” herhaalde de doctor.—“Ik wilde liever een kind wezen,” antwoordde Paul.—“Zoo waarlijk,”zeide de doctor. “Waarom?”
Het kind bleef hem op de tafel zitten aankijken, met eene zonderlinge uitdrukking van gesmoorde aandoening op zijn gezichtje, en klopte met de eene hand trotsch op zijn knietje, alsof hij de opwellende tranen daaronder had en ze wegsloeg. Maar zijne andere hand dwaalde ondertusschen wat verder—nog wat verder—nog wat verder—tot zij op den hals van Florence kwam te liggen. “Daarom is het,” scheen die hand te zeggen, en toen verdween de strakke blik, ontspande zich de trekkende mond en stroomden de tranen.
“Mevrouw Pipchin,” zeide zijn vader op een neteligen toon. “Het spijt mij waarlijk zeer dit te zien.”—“Ga van hem vandaan, jonge jufvrouw Dombey,” zeide mevrouw Pipchin.—“Het komt er niet op aan,” zeide de doctor, met een knikje om mevrouw Pipchin terug te houden. “Het—komt—er—niet—op—aan. Wij zullen hem wel spoedig nieuwe indrukken en nieuwe zorgen geven, mijnheer Dombey. Gij zoudt nog wenschen dat mijn vriendje onderricht kreeg in …”—“Alles, als het u belieft, doctor,” antwoordde Dombey op vasten toon.—“Ja,” zeide de doctor, die, met zijne half geslotene oogen en zijn gewonen glimlach, den kleinen Paul met die soort van belangstelling scheen te beschouwen, welke hij aan een aardig beestje had kunnen hechten, dat hij zou opstoppen. “Ja, juist. Ha! Wij zullen ons vriendje eene groote verscheidenheid van kundigheden bijbrengen en hem snel vooruithelpen, durf ik wel zeggen—durf ik wel zeggen. Geheel maagdelijke grond, meen ik van u te hebben gehoord, mijnheer Dombey?”—“Behalve de gewone voorbereiding thuis en van deze dame,” antwoordde Dombey; met een wenk naar mevrouw[75]Pipchin, die zich terstond nog veel stijver hield, alsof zij den doctor bij voorraad uitdaagde in geval hij het minste tegen haar mocht zeggen, “heeft Paul tot nog toe geen onderwijs ontvangen.”
Doctor Blimber boog zijn hoofd, om zijne vriendelijke verdraagzaamheid te kennen te geven voor zulke onbeduidende strooperijen als die van mevrouw Pipchin op zijn gebied, en zeide dat hij zich daarover verheugde. Het was veel beter, zeide hij, zijne handen wrijvende, van den grondslag af te beginnen. En wederom loerde hij naar Paul, alsof hij dezen gaarne terstond met het Grieksche alphabet had willen aanklampen.
“Die omstandigheid, doctor Blimber,” hervatte Dombey, “en het onderhoud dat ik reeds met u heb mogen hebben, maken alle verdere ophelderingen, en dus alle verdere eischen op uw kostbaren tijd, zoo onnoodig, dat …”—“Houd u stil, jonge jufvrouw Dombey!” zeide de zure mevrouw Pipchin.—“Verschooning,” zeide de doctor. “Nog een oogenblik. Laat ik u mevrouw Blimber en mijne dochter mogen presenteeren, die het huiselijk leven van onzen jongen pelgrim naar den Parnassus zullen veraangenamen.—Mevrouw Blimber,” want deze dame, die misschien had staan wachten, trad juist op dat oogenblik binnen, gevolgd door hare dochter met haar bril, “mijnheer Dombey. Mijne dochter Cornelia, mijnheer Dombey. Mijnheer Dombey, lieve,” vervolgde de doctor, zich naar zijne vrouw keerende, “is zoo goed om—ziet gij ons vriendje wel!”
In hare overmaat van beleefdheid voor Dombey, deed mevrouw Blimber dit blijkbaar niet, want al nijgende achteruitstappende duwde zij het vriendje bijna van de tafel af. Op dezen wenk keerde zij zich echter om, ten einde zijne schrandere en classische trekken te bewonderen, en zich toen weder naar Dombey omkeerende, zeide zij, dat zij zijn dierbaren zoon benijdde.
“Als een bijtje, mijnheer,” zeide mevrouw Blimber, met de oogen omhoog, “gereed om zich in een tuin vol van de keurigste bloemen te storten en voor de eerste maal den honig daaruit te zuigen. Virgilius, Horatius, Ovidius, Terentius, Plautus, Cicero. Welk een schat van honig hebben wij hier. Het kan wel vreemd schijnen, mijnheer Dombey, dat zij die eene vrouw is—de vrouw van zulk een man—”—“Stil, stil!” zeide doctor Blimber.“Foei schaam u!”—“Mijnheer Dombey zal de partijdigheid van eene vrouw wel vergeven,” zeide mevrouw Blimber met een innemend lachje.
Dombey antwoordde “Geheel niet!” welke woorden hij waarschijnlijk op de partijdigheid, niet op het vergeven, wilde toegepast hebben.
“En het kan ook vreemd schijnen dat zij die eene moeder is,” hervatte mevrouw Blimber.— “En zulk eene moeder,” zeide Dombey, met eene buiging en eene verwarde gedachte dat hij Cornelia daarmede een compliment maakte.—“Maar waarlijk,” vervolgde mevrouw Blimber, “ik geloof als ik Cicero had kunnen kennen, en zijne vriendin wezen, en met hem omgaan in zijne afzondering teTusculum(dat schooneTusculum), had ik tevreden kunnen sterven.”
Geleerde geestdrift is zoo besmettelijk, dat Dombey half geloofde in hetzelfde geval te verkeeren; en dat zelfs mevrouw Pipchin, die anders gelijk wij gezien hebben niet zeer inschikkelijk was, een geluid slaakte tusschen een geknor en een zucht, alsof zij wilde zeggen, dat Cicero alleen iemand onder zulk een ongeval als dat met de mijnen vanPeruhad kunnen troosten.
Cornelia keek Dombey door haar bril aan alsof zij gaarne eenige aanhalingen uit den bedoelden schrijver met hem had willen wisselen, maar dit voornemen, als zij het koesterde, werd verijdeld door een kloppen aan de kamerdeur.
“Wie is daar?” zeide de doctor. “O, kom binnen, Toots, kom binnen. Mijnheer Dombey, jonge heer.” Toots boog. “Al zeer toevallig!” zeide doctor Blimber. “Hier hebben wij het begin en het einde. De Alpha en de Omega. Onze primus, mijnheer Dombey.”
De doctor had hem wel onzen reus mogen noemen, want hij stak met hoofd en schouders boven al de andere leerlingen uit. Hij werd erg rood toen hij zich voor vreemdelingen bevond en grinnikte hoorbaar.
“Eene aanwinst voor onzen kleinen Porticus, Toots,” zeide de doctor. “Mijnheer Dombey’s zoontje.”
Toots werd nog rooder, en daar de plechtige stilte, die er heerschte, hem deed begrijpen dat men van hem verwachtte dat hij iets zou zeggen, zeide hij tot Paul: “Hoe vaart ge?” met eene stem zoo grof en een gezicht zoo schaapachtig, dat het niet verrassender had kunnen zijn als men een lam had hooren bulken.
“Vraag mijnheer Feeder, als het u belieft, Toots,” zeide de doctor, “om de eerste boeken voor mijnheer Dombey’s zoon gereed te maken en eene goede plaats voor hem uit te zoeken. Lieve, ik geloof dat mijnheer Dombey de slaapkamers nog niet gezien heeft.”—“Als mijnheer Dombey boven wil komen,” zeide mevrouw Blimber, “zal ik er meer dan trotsch op zijn hem het rijk van den god der droomen te laten zien.”
Daarmede ging mevrouw Blimber, die eene zeer vriendelijke vrouw, en zeer dor van gestalte was, en eene muts droeg waarvan hemelsblauw de hoofdkleur was, met Dombey en Cornelia naar boven. Mevrouw Pipchin volgde, scherp uitkijkende naar haar vijand den knecht.[76]
Terwijl zij weg waren, bleef Paul op de tafel zitten, Florence bij de hand houdende en beschroomd naar den doctor in het rond kijkende, terwijl de doctor, achterover in zijn stoel geleund, met de eene hand volgens gewoonte in de borst, een boek op armslengte van zich afhield en las. Er was iets zeer ontzagwekkends in deze wijze van lezen. Het was zulk eene vastberadene, hartstochtelijke, onbuigzame, koelbloedige manier om te werk te gaan. Des doctors gezicht bleef daardoor geheel zichtbaar, en wanneer hij achterdochtig tegen zijn auteur glimlachte, of zijn voorhoofd rimpelde, of zijn hoofd schudde en een scheef gezicht trok, alsof hij wilde zeggen. “Maak mij niets wijs, mijnheer; ik weet wel beter,” was het ontzettend.
Toots had ook niet bij de deur behoeven te blijven staan, om het werk van zijn horloge te bekijken en zijne halve kronen te tellen. Maar dit duurde niet lang, want toen doctor Blimber toevallig zijne welgevulde beenen verplaatste, alsof hij wilde opstaan, verdween Toots terstond en liet zich niet meer zien.
Weldra hoorde men Dombey en zijne geleidsters weder naar beneden komen, den geheelen weg over pratende; en zoo kwamen zij weder in de kamer.
“Ik hoop, mijnheer Dombey,” zeide de doctor, zijn boek neerleggende, “dat onze inrichting uwe goedkeuring wegdraagt.”—“Zij is uitmuntend, mijnheer,” zeide Dombey.—“Heel wel, inderdaad,” zeide mevrouw Pipchin zacht, daar zij nooit te veel wilde prijzen.—“Mevrouw Pipchin,” zeide Dombey, zich omkeerende, “zal, met uw verlof, doctor en mevrouw Blimber, Paul nu en dan komen bezoeken.”—“Wanneer het mevrouw Pipchin maar belieft,” merkte de doctor aan.—“Altijd genoegen doen haar te zien,” voegde mevrouw Blimber er bij.—“Ik denk,” zeide Dombey, “dat ik nu zooveel moeite gegeven heb als noodig is, en wel afscheid kan nemen. Paul, mijn kind,” hij kwam dicht bij den kleine, die nog op de tafel zat. “Goedendag!”—“Goedendag, papa!”
Het slappe onverschillige handje, dat Dombey in zijne hand nam, was zonderling in tegenspraak met het benauwde gezichtje. Maar hij had geen deel in de treurige uitdrukking daarvan. Het was niet naar hem toegekeerd. Neen—naar Florence—uitsluitend naar Florence.
Als Dombey zich door onbeschaamden hoogmoed op zijn rijkdom ooit een wraakzuchtigen, haatdragenden vijand had berokkend, had zelfs zulk een vijand den steek, die hem toen door het trotsche hart ging, als eene vergoeding voor de hem aangedane beleediging kunnen aanzien.
Hij boog zich over zijn zoon en kuste hem. Als zijne oogen, terwijl hij dit deed, verdonkerd werden door iets dat op het kindergezichtje afdroppelde, kan zijn geestelijk gezicht misschien voor die korte poos des te helderder zijn geweest.
“Ik zal u spoedig weerzien, Paul. Zaterdag en zondag hebt ge vrij af, weet ge.”—“Ja, papa,” antwoordde Paul, naar zijne zuster ziende. “Zaterdag en zondag.”—“En gij zult uw best doen om hier veel te leeren en een knap man te worden,” zeide Dombey. “Niet waar?”—“Dat zal ik wel,” antwoordde het kind onverschillig.—“En gij zult nu gauw groot worden!” zeide Dombey.—“O, heel gauw!” antwoordde Paul. Wederom vloog dat oudachtige uitzicht, gelijk eene vreemde schemering van licht, over zijne trekken. Het licht van dien blik scheen naar mevrouw Pipchin te dwalen en zich in haar zwart kleed uit te dooven. Deze uitmuntende kindereetster kwam nu nader om afscheid te nemen en Florence weg te slepen, waarnaar zij al lang gedorst had. Hare beweging deed Dombey opzien, wiens oogen nog op Paul gevestigd waren. Na nog eens zijn hoofd gestreeld en zijn handje gedrukt te hebben nam hij met zijne gewone ijskoude beleefdheid, afscheid van doctor Blimber en de twee dames, en ging de kamer uit.
In weerwil van zijn verzoek dat zij zich geene moeite zouden geven, verdrongen doctor Blimber en de twee dames elkander bijna om hem naar het voorhuis te brengen, en zoo raakte mevrouw Pipchin tusschen den doctor en de jonge jufvrouw ingeklemd, en werd zij de kamer uitgedrongen eer zij Florence kon grijpen. Aan dit gelukkig toeval had Paul naderhand de dierbare herinnering te danken, dat Florence kwam terugloopen om hare armen om zijn hals te slaan, en dat haar gezichtje—met een bemoedigenden glimlach naar hem toe gekeerd, te helderder om de tranen waardoor die glimlach heen blonk—het laatste in de deur was.
Het deed, toen hij alleen was, zijne kinderlijke borst zwellen en zwoegen, en de globes, de boeken, den blinden Homerus en de Minervaschemerachtigdoor de kamer ronddraaien. Maar eensklaps bleven zij stilstaan, en toen hoorde hij de klok in het voorhuis nog ernstig vragen: “Hoe—maakt—het—mijn—vriend—je—hoe—maakt—het—mijn—vriend—je?” evenals te voren.
Hij bleef met gevouwen handjes stil op de tafel zitten luisteren. Maar hij had wel mogen antwoorden: “Och ik ben zoo moe, zoo moe! Heel eenzaam, en heel droevig!” En daar, met eene pijnlijke ledigheid in het jeugdige hart, en alles om hem heen zoo koud, en dor, en vreemd, zat Paul alsof hij het leven ongemeubeleerd had gehuurd, en de behanger maar nooit kwam.[77]