XIII.

[Inhoud]XIII.SCHEEPSTIJDINGEN EN KANTOORZAKEN.Het kantoor van Dombey was in eene blindloopende straat of pleintje, waar op den hoek een stalletje met eene keur van fijne fruit was gevestigd, en tusschen tien en vijf uur wandelende kooplieden, van beide seksen, pantoffels, zakportefeuilles, sponsen, halsbanden voor honden, en stukjes zeep te koop boden; en somtijds ook een brak of eene schilderij in olieverf.Als de brak dien weg kwam, was het met het oog op de effectenbeurs, waar een smaak voor jachtvermaken (doorgaans uit weddenschappen om nieuwe hoeden spruitende) zeer in de mode is. De andere dingen waren voor het publiek in het algemeen bestemd; maar zij werden door de kooplieden nooit aan Dombey aangeboden. Als hij kwam gingen zij eerbiedig op zijde. De voornaamste pantoffel- en halsbandman—die zich zelven voor een publiek persoon hield, en wiens portret inCheapsideop de deur van een schilder was geschroefd—wees, als mijnheer Dombey voorbijkwam, met zijn voorvinger naar den rand van zijn hoed. De kruier van de buurt liep, als hij niet met eene boodschap uit was, altijd gedienstig vooruit, om de deur van het kantoor zoo wijd mogelijk open te doen, en hield ze met den hoed in de hand open, terwijl Dombey binnenging.De klerken daarbinnen waren vooral niet achterlijk met hunne bewijzen van eerbied. Er heerschte eene plechtige stilte, wanneer Dombey het buitenkantoor door kwam. De grappenmaker onder den troep werd in een oogenblik even stom als de rij lederen brandemmers, die omhoog achter hem hing. Het flauwe daglicht, dat door de vensters en lantarens van dof geslepen glas heendrong, vertoonde de boeken en papieren, en de daarover gebogene gedaanten, in eene deftige schemering, zoozeer van de buitenwereld afgezonderd, alsof zij op den bodem van den oceaan verzameld waren; terwijl een duf, gewelfd brandkamertje in het duistere verschiet, waar altijd eene lamp met een schermpje brandde, de grot van een zeemonster had kunnen verbeelden, dat met een vurig oog deze geheimen der diepte verspreidde.Wanneer Perch, de boodschaplooper, die zijne vaste plaats op een bankje had, dat hem eenigszins naar eene staande klok op eene console deed gelijken, Dombey zag binnenkomen—of liever als hij hem voelde aankomen, want hij werd meestal door zeker instinct voor zijne nadering gewaarschuwd—haastte hij zich naar Dombey’s kamer, pookte het vuur op, schudde er versche kolen uit den emmer bij, hing de courant op den haardrand te drogen, zette den stoel gereed en het vuurscherm op zijne plaats, en draaide, juist op het oogenblik dat Dombey binnenkwam, op zijn hiel rond, om hem zijne overjas en hoed af te nemen en op te hangen. Dan nam Perch de courant, zwaaide ze nog een paar malen voorbij het vuur, en legde ze eerbiedig bij Dombey’s elleboog. En zoo weinig bezwaar had Perch in het betoonen van den uitersten eerbied, dat het hem des te beter zou hebben bevallen als hij zich zelven voor Dombey’s voeten had mogen werpen, en hem met zulke titels aanspreken als men den Kalif Haroun Alraschid placht te geven.Daar dit eerbewijs echter eene gewaagde nieuwigheid zou zijn geweest, moest Perch zich vergenoegen met zoo goed hij kon door zijne houding uit te drukken: gij zijt het licht van mijne oogen; gij zijt de adem mijner ziel; gij zijt de beheerscher van den geloovigen Perch! Door dit onvolmaakte geluk opgebeurd, sloot hij zachtjes de deur, ging op de teenen heen, en liet zijn grooten meester onder den glazen koepel in het plat zitten, aangestaard door leelijke schoorsteenen en achtermuren van huizen, en vooral door een onbeschaamd venster van een haarsnijsalon, waar een wassen borstbeeld, des morgens zoo kaal als een Turk, en na elf uur met den weligsten haartooi volgens de laatste christelijke mode versierd, hem eeuwiglijk den achterkant van zijn hoofd toonde.Tusschen Dombey en de gewone wereld, gelijk zij door het buitenkantoor toegankelijk was, bestonden twee trappen van afdaling. Mijnheer Carker in zijn eigen kantoor was de eerste trap; mijnheer Morfin in zijn eigen kantoor was de tweede. Ieder van deze heeren had een vertrekje gelijk een badkamertje, dat bij de deur van Dombey in den gang uitkwam. Carker,[87]als Groot Vizier, bewoonde het vertrek dichtst bij den Sultan. Morfin, als van lager rang, had de kamer dichtst bij de klerken.De laatstgenoemde heer was een tamelijk bejaard oud vrijer, met een vroolijk uitzicht en lichtbruine oogen; deftig gekleed, wat zijne bovenste helft betrof, in het zwart, en wat de beenen aanging, in peper- en zoutkleur. Zijne donkere haren hadden hier en daar een vlekje grijs, alsof de voetstap van den tijd ze bespat had, en zijn bakkebaard was reeds wit. Hij had een grooten eerbied voor Dombey en bewees hem verplichte hulde; maar daar hij zelf van een vroolijk temperament was, en nooit geheel op zijn gemak in het bijzijn van zijn statigen patroon, kwelde hem geene jaloezie op de vele mondgesprekken die Carker ten deel vielen, en was hij zelfs heimelijk vergenoegd dat hij een post waarnam, welke hem slechts zelden er aan blootstelde om tot zulk eene onderscheiding te worden uitgekozen. Hij was op zijne manier een groot muziekliefhebber—na de zaken; en koesterde eene vaderlijke genegenheid voor zijne violoncel, die eens in de week vanIslington, zijne woonplaats, naar zeker salon dicht bij de Bank werd gebracht, waar eene vereeniging van liefhebbers elken woensdagavond de gruwelijkste en martelendste quartetten speelde.Carker was een heer van acht en dertig of veertig jaren, met eene blozende kleur, en twee ongeschonden rijen glinsterende tanden, welker regelmatigheid en witheid iets hinderlijks hadden. Het was onmogelijk er niet op te letten, want hij liet ze altijd zien wanneer hij sprak, en had zulk een breeden glimlach (die zich echter zeer zelden verder dan zijn mond uitstrekte) dat zijn gezicht bij het lachen eenigszins naar dat van eene blazende kat geleek. Hij droeg eene stijve witte das, op het voorbeeld van zijn principaal, en was altijd spannend gekleed en dicht toegeknoopt. Zijne houding tegenover Dombey was diep doordacht. Hij was gemeenzaam met hem, juist om het uiterste van zijn gevoel van den afstand tusschen hen uit te drukken. “Mijnheer Dombey, voor iemand in uwe positie van iemand in de mijne, is er geene vertooning van onderdanigheid, zoover maar met het behandelen van zaken vereenigbaar is, die ik genoegzaam kan achten. Ik zeg u daarom rondborstig, mijnheer, ik zie er geheel van af. Ik gevoel dat ik mij zelven niet zou kunnen voldoen, en gij, mijnheer Dombey, kunt mijne ontoereikende pogingen wel missen.” Als hij deze woorden op een biljet gedrukt op de borst van zijn rok had gedragen, om ze Dombey telkens te laten lezen, had hij niet duidelijker kunnen zijn.Dit was Carker de chef. Carker junior, Walter’s vriend, was zijn broeder, twee of drie jaren ouder dan hij, maar ver beneden hem in stand. De jongste broeder stond op de bovenste sport van de ladder, de oudste geheel onderaan. De oudste broeder klom nooit eene sport hooger, lichtte zelfs nooit een voet op om dat te doen. Jongelieden sprongen hem voorbij en kwamen al hooger en hooger; maar hij bleef altijd onderaan. Hij was volkomen tevreden met dien lagen rang, klaagde er nooit over en had zeker nooit gehoopt er zich boven te verheffen.“Hoe vaart gij van morgen?” zeide Carker de chef, op zekeren ochtend de kamer van Dombey binnenkomende, met eenige papieren in de hand.—“Hoe vaart gij, Carker?” zeide Dombey, van zijn stoel opstaande en zich met den rug naar het vuur plaatsende. “Hebt ge daar iets voor mij?”—“Ik weet niet of ik u wel behoef lastig te vallen,” antwoordde Carker, de papieren in zijne hand naziende. “Gij hebt vandaag om drie uren eene vergadering, zooals gij weet.”—“En nog eene kwartier voor vieren,” zeide Dombey.—“Laat men u eens betrappen dat gij iets vergeet!” riep Carker uit, nog zijne papieren naziende. “Als jonge heer Paul uw geheugen erft, zal hij een lastige patroon zijn. Wij hebben al genoeg aan één zoo.”—“Gij hebt zelf een goed geheugen,” zeide Dombey.—“O, ik,” antwoordde Carker. “Dat is het eenige kapitaal van iemand als ik.”Dombey keek niet minder statig, en ook geheel niet misnoegd, terwijl hij, tegen den schoorsteenmantel leunende, zijn (natuurlijk hiervan geheel onbewusten) boekhouder, van het hoofd tot de voeten opnam. De stijfheid en netheid van Carker’s kleeding, en zekere aanmatiging in zijne manieren, die hem of natuurlijk of naar een niet ver verwijderd model gevolgd was, gaven zijne nederigheid iets nog meer in het oog loopends. Hij scheen een man te zijn, die, als hij kon, wel had willen kampen tegen de macht, die hem overwon, maar door de grootheid van Dombey geheel overstelpt werd.“Is Morfin hier?” vroeg Dombey na eene korte poos van stilte, waaronder Carker in zijne papieren had gebladerd en bij zich zelven het een en ander daaruit gepreveld.—“Ja, Morfin is hier,” antwoordde hij met zijn breedsten glimlach opziende, “en neuriet muzikale herinneringen—uit de quartetten van gisteravond denk ik,—door den muur tusschen ons, dat ik er half dol van word. Ik wenschte dat hij een vreugdevuurtje van zijn violoncel stookte en daarin zijne muziekboeken verbrandde.”—“Gij respecteert toch niemand, Carker,” zeide Dombey hierop.—“Niet?” zeide Carker, met nog eene breede en allerkatachtigste vertooning van zijne tanden. “Wel! Niet veel menschen, geloof ik. Misschien,” prevelde hij, alsof hij dit maar bij zich zelven dacht, “niet meer dan een.”Eene gevaarlijke eigenschap, indien zij echt, en niet minder gevaarlijk als zij maar geveinsd is. Maar Dombey scheen zoo niet te denken,[88]terwijl hij, tot zijne volle lengte uitgerekt, met zijn rug naar het vuur stond, en zijn eersten boekhouder aanzag met eene deftige bedaardheid, waarin een nog sterker gevoel van macht dan gewoonlijk scheen te schuilen.“Van Morfin gesproken,” hervatte Carker, een papier uit de anderen uitzoekende, “hij rapporteert dat er aan het hulpkantoor opBarbadoseen jongste klerk dood is, en stelt voor in de Zoon en Erfgenaam, die over eene maand of zoo moet uitzeilen, eene passagiersplaats voor zijn opvolger open te houden. Het zal u niet kunnen schelen wie er gaat, denk ik. Wij hebben niemand van die soort hier.”Dombey schudde met statige onverschilligheid zijn hoofd.“Het is geen beste post,” merkte Carker aan, eene pen opnemende om de beslissing op den achterkant van het papier aan te teekenen. “Ik hoop dat hij een zoon of neef van een muzikalen vriend heeft om er mee te begeven. Dat zalhemmisschien van de viool afhouden, als hij er liefhebberij in heeft. Wie daar? Binnen!”—“Neem mij niet kwalijk, mijnheer Carker. Ik wist niet dat gij hier waart, mijnheer,” antwoordde Walter, die zich nu vertoonde, met eenige pas aangekomene brieven in de hand. “Mijnheer Carker junior …”Op het hooren van dien naam scheen Carker de chef zich door schaamte overstelpt te gevoelen. Hij sloeg zijne oogen met een blik van verlegenheid en verontschuldiging naar Dombey op, daarop naar den grond en zweeg een oogenblik alsof hij verstomd was.“Ik dacht,” zeide hij eensklaps, zich gramstorig naar Walter keerende, “dat u al meer verzocht was om mijnheer Carker Junior buiten uw gesprek te laten.”—“Neem mij niet kwalijk, mijnheer,” antwoordde Walter, “ik wilde maar zeggen, dat mijnheer Carker junior mij gezegd had te denken dat gij uit waart, of ik zou niet aan de deur geklopt hebben terwijl gij bij mijnheer Dombey waart. Dit zijn brieven voor mijnheer Dombey, mijnheer.”—“Goed,”zeide Carker de chef, hem de brieven driftig uit de hand rukkende. “Ga maar weer heen.”Maar door zijne ruwheid liet hij een van de brieven, zonder dat hij of Dombey het zag, op den grond vallen. Walter aarzelde een oogenblik, om te zien of een van beiden dien brief zou opmerken, en toen dit niet zoo was, bleef hij staan, keerde terug, raapte hem op en legde hem zelf op Dombey’s lessenaar. Toevallig was deze brief juist het wekelijksche rapport van mevrouw Pipchin, volgens gewoonte—daar mevrouw Pipchin eene slechte schrijfster was—door Florence geadresseerd. Dombey, wiens aandacht door Walter stilzwijgend op den brief werd gevestigd, zag hem driftig en gramstorig aan, als dacht hij dat Walter dien met opzet uit de anderen had gezocht.“Gij kunt heengaan,” zeide Dombey trotsch.Hij kneep den brief in zijne hand samen, en stak hem, toen hij Walter de deur had zien uitgaan, ongeopend in zijn zak.—“Gij hadt iemand noodig, hebt gij daar gezegd, om naarWest-Indiëte zenden,” merkte Dombey haastig aan.—“Ja,” antwoordde Carker.—“Zend den jongen Gay.”—“Goed, heel goed. Niets gemakkelijker,” zeide Carker, zonder eenig blijk van verwondering, en de pen weder opnemende, schrapte hij zijne eerste aanteekening uit, en schreef, even koel als te voren: “Gay zenden.”—“Roep hem eens terug,” zeide Dombey.Carker deed dit snel, en Walter was even snel weder binnen.“Gay,” zeide Dombey, zich eenigszins omkeerende om hem over zijn schouder aan te zien. “Er is …”—“Eene plaats open,” zeide Carker, met zijn mond zoo breed mogelijk uitgerekt.—“InWest-Indië. OpBarbados. Ik zal u daarheen zenden,” zeide Dombey, het beneden zich achtende om de naakte waarheid eenigszins op te sieren, “als jongste klerk op het kantoor daar. Zeg uw oom van mij, dat ik u gekozen heb om naarWest-Indiëte gaan.”Walter was zoo verbaasd, dat hij niets anders kon doen dan het woord “West-Indië” te herhalen.“Er moet iemand gaan,” zeide Dombey, “en gij zijt jong en gezond, en uw ooms omstandigheden zijn niet gunstig. Zeg uw oom dat gij benoemd zijt. Gij behoeft niet terstond te gaan. Het zal nog eene maand duren,—twee misschien.”—“Zal ik daar blijven, mijnheer?” vroeg Walter.—“Of gij daar blijven zult!” herhaalde Dombey, zich een weinig meer naar hem omkeerende. “Wat meent gij? Wat meent hij, Carker?”—“Voor vast, mijnheer,” stamelde Walter.—“Zekerlijk,” antwoordde Dombey.Walter boog.“Dat is alles,” zeide Dombey, zich weder naar zijne brieven keerende. “Gij zult hem wel eens van de gewone uitrusting en zoo voort spreken, Carker. Hij behoeft niet te wachten, Carker.”—“Gij behoeft niet te wachten, Gay,” zeide Carker, die nu zelfs zijn tandvleesch liet zien.—“Of,” zeide Dombey, met het lezen ophoudende, maar zonder van zijn brief op te zien, en alsof hij luisterde, “of hij moest iets te zeggen hebben.”—“Neen, mijnheer,” antwoordde Walter, onthutst en verlegen, bijna versuft zelfs door de menigte van schilderijen die hem op eens voor den geest kwamen, en waaronder kapitein Cuttle met zijn blinkenden hoed, versteend van verbazing, en zijn oom in het achterkamertje zijn verlies beklagende, voorname plaatsen bekleedden.—“Ik weet haast niet—ik—ik ben u wel dankbaar,[89]mijnheer.”—“Hij behoeft niet te wachten, Carker,” zeide Dombey.En toen Carker deze woorden nog eens herhaalde, en zijne papieren opzamelde, alsof hij ook heenging, gevoelde Walter dat het eene onvergeeflijke lompheid zou zijn als hij langer bleef dralen—vooral daar hij niets te zeggen had—en ging dus geheel verbijsterd de kamer uit.Hij was nog in den gang, evenals in een droom, maar half bewust van hetgeen er gebeurd was, toen hij Dombey’s kamerdeur nog eens hoorde openen en sluiten. Carker kwam er uit en riep hem na:Onder dit gesprek had Walter, vol smart en verbazing, nu den een en dan den ander aangezien. (blz. 90).Onder dit gesprek had Walter, vol smart en verbazing, nu den een en dan den ander aangezien.(blz. 90).“Breng uw vriend, mijnheer Carker Junior, eens bij mij in de kamer, jonge heer, als het u belieft.”Walter ging naar het groote kantoor en bracht zijne boodschap aan Carker Junior over, die daarop van achter het schut kwam, waar hij alleen in een hoek zat, en met hem naar de kamer van Carker den chef ging.De heer stond, met zijn rug naar het vuur en de handen onder de rokspanden, zoo stijf over zijne witte das te kijken als Dombey zelf had kunnen doen. Hij ontving hen zonder eenigszins van houding te veranderen of de dreigende uitdrukking van zijn gezicht te verzachten, en gaf slechts Walter een wenk om de deur te sluiten.“John Carker,” zeide de chef, toen dit geschied was zich plotseling naar zijn broeder keerende, met een paar rijen tanden alsof hij hem wilde bijten, “welk verbond bestaat er toch tusschen u en dit jonge mensch, om mij met uw naam te vervolgen en te kwellen? Is het u niet genoeg, John Carker, dat ik uw naaste bloedverwant ben en mij niet kan losmaken van die …”—“Zeg maar schande, James,” zeide de ander met eene zachte stem, toen hij zag dat de spreker om een woord verlegen was. “Gij meent dat toch, en hebt er wel reden toe. Zeg maar schande.”—“Van die schande dan,” zeide zijn broeder met scherpen nadruk, “maar moet de zaak weder gedurig worden opgehaald en uitgebazuind—voor den patroon zelven—en dat in oogenblikken van vertrouwen? Denkt gij dat uw naam[90]hier eenigszins met het woord vertrouwen harmonieert, John Carker?”—“Neen,” was het antwoord. “Neen, James. God weet dat ik dat niet denk.”—“Wat denkt gij dan, en waarom komt gij mij gedurig in den weg? Hebt ge mij niet al genoeg benadeeld?”—“Ik heb u nooit met opzet benadeeld, James.”—“Gij zijt mijn broeder,” zeide de chef. “Dat is al erg genoeg.”—“Ik wenschte dat ik het onwaar kon maken.”—“Dat wenschte ik ook.”Onder dit gesprek had Walter, vol smart en verbazing, nu den een en dan den ander aangezien. Hij, die de oudste in jaren en de jongste op het kantoor was, stond, met gebogen hoofd en met op den grond gevestigde oogen, nederig naar de verwijten van den ander te luisteren. Hoezeer deze ook door toon en blik, en vooral door de tegenwoordigheid van Walter, werden verbitterd, hij bracht er niets tegen in, behalve dat hij even zijne rechterhand smeekend ophield, als wilde hij zeggen: “Spaar mij!”Edelmoedig en vurig in al wat hij deed, viel Walter, die zich zelven voor de onschuldige oorzaak dezer verwijten hield, er nu op in:“Mijnheer Carker, het is waarlijk alleen mijne schuld. Door eene onbedachtzaamheid, die ik mij zelven niet genoeg kan verwijten, heb ik zeker meermalen van mijnheer Carker Junior gesproken dan noodig was, en mij somtijds wel zijn naam laten ontvallen, waar gij mij uitdrukkelijk daarvoor gewaarschuwd hadt. Maar dat was geheel mijn bedrijf, mijnheer. Wij hebben nooit een woord daarover gewisseld,—wij hebben over het geheel maar zeer weinig met elkander gesproken. En het is ook,” vervolgde hij na een oogenblik zwijgens, “niet geheel onbedachtzaamheid van mij geweest, mijnheer; want zoolang ik hier ben, heb ik veel belangstelling voor mijnheer Carker gevoeld, en zoo kon ik somtijds haast niet nalaten van hem te spreken, omdat ik zooveel om hem dacht.”Walter zeide dit met oprechtheid en vuur; want hij zag het gebogene hoofd, en de neergeslagene oogen, en de opgehevene hand, en dacht: “Ik heb het gevoeld; en waarom zou ik het niet bekennen, als het dien armen daar, die door iedereen miskend schijnt te worden, misschien iets kan baten.”“Waarlijk, gij hebt mij altijd vermeden, mijnheer Carker,” zeide Walter, met tranen in de oogen; zoo hartelijk was zijn medelijden, “dat weet ik tot mijne spijt. Toen ik pas hier kwam, en op den duur, heb ik altijd uw vriend willen zijn, zooveel iemand van mijne jaren zich dat kon laten voorstaan; maar het heeft niet gebaat.”—“En onthoud, Gay,” viel de chef er snel op in, “dat het nog minder baten zal, als gij voortgaat met mijnheer Carker iedereen onder de aandacht te willen dwingen. Dit is de manier niet om mijnheer John Carker’s vriend te zijn. Vraag hem zelven maar of hij dat wel denkt.”—“Het doet mij geen dienst,” zeide de broeder. “Het geeft maar aanleiding tot zulk een gesprek als dit, en ik behoef niet te zeggen dat ik dit gaarne had willen missen. Niemand kan zich beter mijn vriend toonen,” hier sprak hij zeer duidelijk, alsof hij het Walter wilde inprenten, “dan door mij te vergeten, en mij mijn weg te laten gaan, zonder op mij te letten of mij iets te vragen.”—“Daar gij geen sterk geheugen hebt, Gay, voor hetgeen anderen u zeggen,” zeide Carker de chef, beter tevreden naar het scheen, “dacht ik dat gij dit eens uit de beste bron moest hooren;” naar zijn broeder knikkende. “Gij zult het nu niet meer vergeten, hoop ik. Dat is alles Gay. Gij kunt gaan.”Walter ging de deur uit, en wilde ze juist achter zich sluiten, toen hij weder de stemmen der broeders hoorde en zijn eigen naam hoorde noemen. Nu bleef hij staan met de hand aan de kruk, in twijfel of hij zou terugkeeren of heengaan, en kon dus niet nalaten te hooren wat er volgde.“Denk zachter over mij, als gij kunt, James,” zeide John Carker, “als ik u zeg—hoe kon het anders, met mijne geschiedenis, hier geschreven”—met deze woorden gaf hij zich een slag op de borst—“als ik u zeg dat het mij tot in de ziel roerde toen ik dien Walter Gay zag. Ik zag in hem, toen hij pas hier kwam, bijna een evenbeeld van mij zelven.”—“Van u zelven!” herhaalde James met minachting.—“Niet zooals ik nu ben, maar zooals ik was toen ik ook pas hier kwam; even los, vurig, jongensachtig en onervaren; vol van dezelfde onrust en avontuurlijke inbeeldingen, met denzelfden aanleg voor goed en kwaad.”—“Ik hoop van neen,” zeide zijn broeder, met eene verborgene smadelijke beteekenis in zijn toon.—“Gij raakt mij diep,” zeide de ander, met eene stem (dacht Walter) alsof hij werkelijk een steek met een dolk had gekregen. “Maar ik verbeeldde mij dat, toen hij nog een jongen was. Ik geloofde het. Ik hield het voor waarheid. Ik zag hem onbezorgd langs den rand der onzichtbare diepte gaan, waar velen even vroolijk wandelen, en zoovelen.…”—“De oude verontschuldiging,” zeide zijn broeder, het vuur oppokende. “Zoovelen.—Ga maar voort. Zeg: zoovelen in neerstorten.”—“Waarin één reiziger neerstortte,” zeide de ander, “die evenals hij op weg ging toen hij nog een knaap was, al meer en meer uitglipte, en lager en lager afgleed, tot hij in den afgrond stortte en voor altijd kreupel op den bodem lag. Verbeeld u wat ik geleden heb toen ik dien knaap zoo zag.”—“Dat hebt gij alleen aan u zelven te danken,” antwoordde James.—“Alleen aan mij zelven,” zeide John met een zucht. “Ik zoek de schuld of de schande niet te deelen.”—“Gijhebtde schande gedeeld,” prevelde James Carker tusschen[91]zijne tanden; en door zoovele en zoo dicht geslotene tanden kon hij zeer duidelijk prevelen.—“Ach, James,” antwoordde zijn broeder, voor de eerste maal een toon van verwijt aannemende, schoon hij, naar den klank zijner stem, de handen voor zijn gezicht scheen te houden, “ik ben u sedert altijd nuttig geweest als een contrast. Gij hebt gerust op mij getrapt om hooger te klimmen. Schop mij nu niet nog met den voet!”Er volgde eene poos van stilte. Men hoorde Carker den chef onder zijne papieren ritselen, alsof hij een eind aan het gesprek wilde maken. Te gelijk kwam zijn broeder dichter naar de deur.“Dat is alles,” zeide hij. “Ik heb hem zoo met vreezen en beven gadegeslagen, dat dit wel reeds eenige straf voor mij was, tot hij de plaats voorbij was waar ik de eerste maal viel, en toen, al was ik zijn vader geweest, geloof ik dat ik God niet hartelijker had kunnen danken. Ik durfde hem niet waarschuwen of raad geven; maar als ik er bepaalde reden voor had gezien, zou ik hem mijn voorbeeld getoond hebben. Ik was bang dat men mij met hem zou zien spreken, opdat men niet denken zou dat ik hem kwaad deed of bedierf—opdat ik dat niet werkelijk zou doen. Er kan wel iets besmettelijks in mij zijn; ik weet het niet. Breng mijne geschiedenis met dien Walter Gay in verband, en verbeeld u wat hij mij heeft doen gevoelen; en denk dan zachter over mij, James, als gij kunt.”Met deze woorden kwam hij de deur uit. Hij werd nog wat bleeker toen hij Walter zag staan, en nog wat bleeker, toen deze hem bij de hand vatte en fluisterend zeide:“Mijnheer Carker, laat ik u mogen danken! Laat ik u mogen zeggen wat ik voor u gevoel! Hoe spijt het mij dat ik de ongelukkige oorzaak van dit alles geweest ben! Ik houd u nu bijna voor mijn bewaker en beschermer. Hoe dankbaar ben ik u, en hoe beklaag ik u!” zeide Walter, hem bij beide handen vattende, en van ontroering nauwelijks wetende wat hij zeide of deed.Daar de kamer van Morfin ledig was en de deur wijd openstond, gingen beide van zelf daarbinnen; want in den gang werd gedurig heen en weder geloopen. Daar in de kamer zag Walter op Carker’s gezicht eenige sporen der beweging in zijn binnenste, en het was hem bijna alsof hij dat gezicht nog nooit had gezien, zoozeer was het veranderd.“Walter,” zeide hij, zijne hand op des jonkmans schouder leggende, “ik ben ver van u af; en moge ik dat altijd blijven! Weet gij wel wat ik ben?”—“Wat gij zijt!” scheen op Walter’s lippen te zweven, terwijl hij hem oplettend aanzag.—“Het begon voor mijn een en twintigsten verjaardag,” zeide Carker. “De grond werd er al vroeger toe gelegd, maar het begon niet voor tegen dien tijd. Toen ik meerderjarig werd had ik hen bestolen. Ik bestal hen nog naderhand. Voor mijn twee en twintigsten verjaardag was alles uitgekomen; en toen, Walter, was ik voor allen omgang met menschen dood.”Wederom zweefden zijne laatste woorden Walter bevend op de lippen, maar hij kon ze niet uitspreken, en ook zelf niets zeggen.“De patroon was zeer goed voor mij! God beloone den ouden man voor zijne barmhartigheid! Ook deze, zijn zoon, die toen pas in de zaak was gekomen, waarin ik een post van groot vertrouwen had gehad. Ik werd in die kamer geroepen, die nu de zijne is—ik ben er sedert nooit weder in geweest—en toen ik er uitkwam was ik, wat gij weet en kent. Vele jaren lang heb ik op mijne tegenwoordige plaats gezeten, alleen, evenals nu, maar toen een bekend en erkend voorbeeld voor de anderen. Zij waren allen barmhartig voor mij, en ik bleef leven. De tijd heeft dit gedeelte van mijne boete gewijzigd, en ik geloof dat er, behalve de drie hoofden van het kantoor, niemand hier is, die mijne geschiedenis recht weet. Eer de kleine jongen groot is, en ze hem verteld wordt, zal mijn hoek misschien wel ledig zijn. Ik mag wel lijden dat het zoo is. Dit is de eenige verandering voor mij sedert dien dag, toen ik alle hoop, jeugd, en gezelschap van goede menschen, in die kamer daar achterliet. God zegene u, Walter! Moge Hij u en allen die u dierbaar zijn eerlijk doen blijven, of hen laten sterven!”Eene herinnering, dat hij van het hoofd tot de voeten beefde, alsof het van koude was, en toen in tranen uitbarstte, was al wat Walter hierbij kon voegen, toen hij zich naderhand nauwkeurig poogde te bezinnen wat er tusschen hen was voorgevallen.Toen Walter hem de volgende maal zag, zat hij, als vanouds, stil en nederig over zijn lessenaar gebogen. Toen ziende hoe hij blijkbaar wenschte dat er geen verdere omgang tusschen hen zou plaats hebben, en nog eens denkende over alles wat hij dien morgen in zulk een korten tijd van de geschiedenis der beide Carkers’s had vernomen, kon Walter nauwelijks gelooven dat hij last had gekregen om naarWest-Indiëte vertrekken, en spoedig voor oom Sam en kapitein Cuttle zou verloren zijn, en zelfs die enkele blikken van Florence Dombey—neen, hij meende Paul—en alles wat hij in zijn dagelijksch leven liefhad en met verlangen te gemoet zag, zou moeten missen.Maar het was toch waar, en het nieuws had reeds het groote kantoor bereikt; want terwijl hij met een beklemd hart over al die dingen zat na te denken, en zijn hoofd in zijne hand liet rusten, kwam Perch, de boodschaplooper,[92]van zijn bankje, stiet hem aan den elleboog, en verzocht hem het niet kwalijk te nemen, maar wenschte hem toch in het oor te fluisteren, of hij geene kans zag om hem goedkoop een pot geconfijte gember over te zenden, tegen den tijd dat jufvrouw Perch na hare aanstaande bevalling weder op de been kwam.

[Inhoud]XIII.SCHEEPSTIJDINGEN EN KANTOORZAKEN.Het kantoor van Dombey was in eene blindloopende straat of pleintje, waar op den hoek een stalletje met eene keur van fijne fruit was gevestigd, en tusschen tien en vijf uur wandelende kooplieden, van beide seksen, pantoffels, zakportefeuilles, sponsen, halsbanden voor honden, en stukjes zeep te koop boden; en somtijds ook een brak of eene schilderij in olieverf.Als de brak dien weg kwam, was het met het oog op de effectenbeurs, waar een smaak voor jachtvermaken (doorgaans uit weddenschappen om nieuwe hoeden spruitende) zeer in de mode is. De andere dingen waren voor het publiek in het algemeen bestemd; maar zij werden door de kooplieden nooit aan Dombey aangeboden. Als hij kwam gingen zij eerbiedig op zijde. De voornaamste pantoffel- en halsbandman—die zich zelven voor een publiek persoon hield, en wiens portret inCheapsideop de deur van een schilder was geschroefd—wees, als mijnheer Dombey voorbijkwam, met zijn voorvinger naar den rand van zijn hoed. De kruier van de buurt liep, als hij niet met eene boodschap uit was, altijd gedienstig vooruit, om de deur van het kantoor zoo wijd mogelijk open te doen, en hield ze met den hoed in de hand open, terwijl Dombey binnenging.De klerken daarbinnen waren vooral niet achterlijk met hunne bewijzen van eerbied. Er heerschte eene plechtige stilte, wanneer Dombey het buitenkantoor door kwam. De grappenmaker onder den troep werd in een oogenblik even stom als de rij lederen brandemmers, die omhoog achter hem hing. Het flauwe daglicht, dat door de vensters en lantarens van dof geslepen glas heendrong, vertoonde de boeken en papieren, en de daarover gebogene gedaanten, in eene deftige schemering, zoozeer van de buitenwereld afgezonderd, alsof zij op den bodem van den oceaan verzameld waren; terwijl een duf, gewelfd brandkamertje in het duistere verschiet, waar altijd eene lamp met een schermpje brandde, de grot van een zeemonster had kunnen verbeelden, dat met een vurig oog deze geheimen der diepte verspreidde.Wanneer Perch, de boodschaplooper, die zijne vaste plaats op een bankje had, dat hem eenigszins naar eene staande klok op eene console deed gelijken, Dombey zag binnenkomen—of liever als hij hem voelde aankomen, want hij werd meestal door zeker instinct voor zijne nadering gewaarschuwd—haastte hij zich naar Dombey’s kamer, pookte het vuur op, schudde er versche kolen uit den emmer bij, hing de courant op den haardrand te drogen, zette den stoel gereed en het vuurscherm op zijne plaats, en draaide, juist op het oogenblik dat Dombey binnenkwam, op zijn hiel rond, om hem zijne overjas en hoed af te nemen en op te hangen. Dan nam Perch de courant, zwaaide ze nog een paar malen voorbij het vuur, en legde ze eerbiedig bij Dombey’s elleboog. En zoo weinig bezwaar had Perch in het betoonen van den uitersten eerbied, dat het hem des te beter zou hebben bevallen als hij zich zelven voor Dombey’s voeten had mogen werpen, en hem met zulke titels aanspreken als men den Kalif Haroun Alraschid placht te geven.Daar dit eerbewijs echter eene gewaagde nieuwigheid zou zijn geweest, moest Perch zich vergenoegen met zoo goed hij kon door zijne houding uit te drukken: gij zijt het licht van mijne oogen; gij zijt de adem mijner ziel; gij zijt de beheerscher van den geloovigen Perch! Door dit onvolmaakte geluk opgebeurd, sloot hij zachtjes de deur, ging op de teenen heen, en liet zijn grooten meester onder den glazen koepel in het plat zitten, aangestaard door leelijke schoorsteenen en achtermuren van huizen, en vooral door een onbeschaamd venster van een haarsnijsalon, waar een wassen borstbeeld, des morgens zoo kaal als een Turk, en na elf uur met den weligsten haartooi volgens de laatste christelijke mode versierd, hem eeuwiglijk den achterkant van zijn hoofd toonde.Tusschen Dombey en de gewone wereld, gelijk zij door het buitenkantoor toegankelijk was, bestonden twee trappen van afdaling. Mijnheer Carker in zijn eigen kantoor was de eerste trap; mijnheer Morfin in zijn eigen kantoor was de tweede. Ieder van deze heeren had een vertrekje gelijk een badkamertje, dat bij de deur van Dombey in den gang uitkwam. Carker,[87]als Groot Vizier, bewoonde het vertrek dichtst bij den Sultan. Morfin, als van lager rang, had de kamer dichtst bij de klerken.De laatstgenoemde heer was een tamelijk bejaard oud vrijer, met een vroolijk uitzicht en lichtbruine oogen; deftig gekleed, wat zijne bovenste helft betrof, in het zwart, en wat de beenen aanging, in peper- en zoutkleur. Zijne donkere haren hadden hier en daar een vlekje grijs, alsof de voetstap van den tijd ze bespat had, en zijn bakkebaard was reeds wit. Hij had een grooten eerbied voor Dombey en bewees hem verplichte hulde; maar daar hij zelf van een vroolijk temperament was, en nooit geheel op zijn gemak in het bijzijn van zijn statigen patroon, kwelde hem geene jaloezie op de vele mondgesprekken die Carker ten deel vielen, en was hij zelfs heimelijk vergenoegd dat hij een post waarnam, welke hem slechts zelden er aan blootstelde om tot zulk eene onderscheiding te worden uitgekozen. Hij was op zijne manier een groot muziekliefhebber—na de zaken; en koesterde eene vaderlijke genegenheid voor zijne violoncel, die eens in de week vanIslington, zijne woonplaats, naar zeker salon dicht bij de Bank werd gebracht, waar eene vereeniging van liefhebbers elken woensdagavond de gruwelijkste en martelendste quartetten speelde.Carker was een heer van acht en dertig of veertig jaren, met eene blozende kleur, en twee ongeschonden rijen glinsterende tanden, welker regelmatigheid en witheid iets hinderlijks hadden. Het was onmogelijk er niet op te letten, want hij liet ze altijd zien wanneer hij sprak, en had zulk een breeden glimlach (die zich echter zeer zelden verder dan zijn mond uitstrekte) dat zijn gezicht bij het lachen eenigszins naar dat van eene blazende kat geleek. Hij droeg eene stijve witte das, op het voorbeeld van zijn principaal, en was altijd spannend gekleed en dicht toegeknoopt. Zijne houding tegenover Dombey was diep doordacht. Hij was gemeenzaam met hem, juist om het uiterste van zijn gevoel van den afstand tusschen hen uit te drukken. “Mijnheer Dombey, voor iemand in uwe positie van iemand in de mijne, is er geene vertooning van onderdanigheid, zoover maar met het behandelen van zaken vereenigbaar is, die ik genoegzaam kan achten. Ik zeg u daarom rondborstig, mijnheer, ik zie er geheel van af. Ik gevoel dat ik mij zelven niet zou kunnen voldoen, en gij, mijnheer Dombey, kunt mijne ontoereikende pogingen wel missen.” Als hij deze woorden op een biljet gedrukt op de borst van zijn rok had gedragen, om ze Dombey telkens te laten lezen, had hij niet duidelijker kunnen zijn.Dit was Carker de chef. Carker junior, Walter’s vriend, was zijn broeder, twee of drie jaren ouder dan hij, maar ver beneden hem in stand. De jongste broeder stond op de bovenste sport van de ladder, de oudste geheel onderaan. De oudste broeder klom nooit eene sport hooger, lichtte zelfs nooit een voet op om dat te doen. Jongelieden sprongen hem voorbij en kwamen al hooger en hooger; maar hij bleef altijd onderaan. Hij was volkomen tevreden met dien lagen rang, klaagde er nooit over en had zeker nooit gehoopt er zich boven te verheffen.“Hoe vaart gij van morgen?” zeide Carker de chef, op zekeren ochtend de kamer van Dombey binnenkomende, met eenige papieren in de hand.—“Hoe vaart gij, Carker?” zeide Dombey, van zijn stoel opstaande en zich met den rug naar het vuur plaatsende. “Hebt ge daar iets voor mij?”—“Ik weet niet of ik u wel behoef lastig te vallen,” antwoordde Carker, de papieren in zijne hand naziende. “Gij hebt vandaag om drie uren eene vergadering, zooals gij weet.”—“En nog eene kwartier voor vieren,” zeide Dombey.—“Laat men u eens betrappen dat gij iets vergeet!” riep Carker uit, nog zijne papieren naziende. “Als jonge heer Paul uw geheugen erft, zal hij een lastige patroon zijn. Wij hebben al genoeg aan één zoo.”—“Gij hebt zelf een goed geheugen,” zeide Dombey.—“O, ik,” antwoordde Carker. “Dat is het eenige kapitaal van iemand als ik.”Dombey keek niet minder statig, en ook geheel niet misnoegd, terwijl hij, tegen den schoorsteenmantel leunende, zijn (natuurlijk hiervan geheel onbewusten) boekhouder, van het hoofd tot de voeten opnam. De stijfheid en netheid van Carker’s kleeding, en zekere aanmatiging in zijne manieren, die hem of natuurlijk of naar een niet ver verwijderd model gevolgd was, gaven zijne nederigheid iets nog meer in het oog loopends. Hij scheen een man te zijn, die, als hij kon, wel had willen kampen tegen de macht, die hem overwon, maar door de grootheid van Dombey geheel overstelpt werd.“Is Morfin hier?” vroeg Dombey na eene korte poos van stilte, waaronder Carker in zijne papieren had gebladerd en bij zich zelven het een en ander daaruit gepreveld.—“Ja, Morfin is hier,” antwoordde hij met zijn breedsten glimlach opziende, “en neuriet muzikale herinneringen—uit de quartetten van gisteravond denk ik,—door den muur tusschen ons, dat ik er half dol van word. Ik wenschte dat hij een vreugdevuurtje van zijn violoncel stookte en daarin zijne muziekboeken verbrandde.”—“Gij respecteert toch niemand, Carker,” zeide Dombey hierop.—“Niet?” zeide Carker, met nog eene breede en allerkatachtigste vertooning van zijne tanden. “Wel! Niet veel menschen, geloof ik. Misschien,” prevelde hij, alsof hij dit maar bij zich zelven dacht, “niet meer dan een.”Eene gevaarlijke eigenschap, indien zij echt, en niet minder gevaarlijk als zij maar geveinsd is. Maar Dombey scheen zoo niet te denken,[88]terwijl hij, tot zijne volle lengte uitgerekt, met zijn rug naar het vuur stond, en zijn eersten boekhouder aanzag met eene deftige bedaardheid, waarin een nog sterker gevoel van macht dan gewoonlijk scheen te schuilen.“Van Morfin gesproken,” hervatte Carker, een papier uit de anderen uitzoekende, “hij rapporteert dat er aan het hulpkantoor opBarbadoseen jongste klerk dood is, en stelt voor in de Zoon en Erfgenaam, die over eene maand of zoo moet uitzeilen, eene passagiersplaats voor zijn opvolger open te houden. Het zal u niet kunnen schelen wie er gaat, denk ik. Wij hebben niemand van die soort hier.”Dombey schudde met statige onverschilligheid zijn hoofd.“Het is geen beste post,” merkte Carker aan, eene pen opnemende om de beslissing op den achterkant van het papier aan te teekenen. “Ik hoop dat hij een zoon of neef van een muzikalen vriend heeft om er mee te begeven. Dat zalhemmisschien van de viool afhouden, als hij er liefhebberij in heeft. Wie daar? Binnen!”—“Neem mij niet kwalijk, mijnheer Carker. Ik wist niet dat gij hier waart, mijnheer,” antwoordde Walter, die zich nu vertoonde, met eenige pas aangekomene brieven in de hand. “Mijnheer Carker junior …”Op het hooren van dien naam scheen Carker de chef zich door schaamte overstelpt te gevoelen. Hij sloeg zijne oogen met een blik van verlegenheid en verontschuldiging naar Dombey op, daarop naar den grond en zweeg een oogenblik alsof hij verstomd was.“Ik dacht,” zeide hij eensklaps, zich gramstorig naar Walter keerende, “dat u al meer verzocht was om mijnheer Carker Junior buiten uw gesprek te laten.”—“Neem mij niet kwalijk, mijnheer,” antwoordde Walter, “ik wilde maar zeggen, dat mijnheer Carker junior mij gezegd had te denken dat gij uit waart, of ik zou niet aan de deur geklopt hebben terwijl gij bij mijnheer Dombey waart. Dit zijn brieven voor mijnheer Dombey, mijnheer.”—“Goed,”zeide Carker de chef, hem de brieven driftig uit de hand rukkende. “Ga maar weer heen.”Maar door zijne ruwheid liet hij een van de brieven, zonder dat hij of Dombey het zag, op den grond vallen. Walter aarzelde een oogenblik, om te zien of een van beiden dien brief zou opmerken, en toen dit niet zoo was, bleef hij staan, keerde terug, raapte hem op en legde hem zelf op Dombey’s lessenaar. Toevallig was deze brief juist het wekelijksche rapport van mevrouw Pipchin, volgens gewoonte—daar mevrouw Pipchin eene slechte schrijfster was—door Florence geadresseerd. Dombey, wiens aandacht door Walter stilzwijgend op den brief werd gevestigd, zag hem driftig en gramstorig aan, als dacht hij dat Walter dien met opzet uit de anderen had gezocht.“Gij kunt heengaan,” zeide Dombey trotsch.Hij kneep den brief in zijne hand samen, en stak hem, toen hij Walter de deur had zien uitgaan, ongeopend in zijn zak.—“Gij hadt iemand noodig, hebt gij daar gezegd, om naarWest-Indiëte zenden,” merkte Dombey haastig aan.—“Ja,” antwoordde Carker.—“Zend den jongen Gay.”—“Goed, heel goed. Niets gemakkelijker,” zeide Carker, zonder eenig blijk van verwondering, en de pen weder opnemende, schrapte hij zijne eerste aanteekening uit, en schreef, even koel als te voren: “Gay zenden.”—“Roep hem eens terug,” zeide Dombey.Carker deed dit snel, en Walter was even snel weder binnen.“Gay,” zeide Dombey, zich eenigszins omkeerende om hem over zijn schouder aan te zien. “Er is …”—“Eene plaats open,” zeide Carker, met zijn mond zoo breed mogelijk uitgerekt.—“InWest-Indië. OpBarbados. Ik zal u daarheen zenden,” zeide Dombey, het beneden zich achtende om de naakte waarheid eenigszins op te sieren, “als jongste klerk op het kantoor daar. Zeg uw oom van mij, dat ik u gekozen heb om naarWest-Indiëte gaan.”Walter was zoo verbaasd, dat hij niets anders kon doen dan het woord “West-Indië” te herhalen.“Er moet iemand gaan,” zeide Dombey, “en gij zijt jong en gezond, en uw ooms omstandigheden zijn niet gunstig. Zeg uw oom dat gij benoemd zijt. Gij behoeft niet terstond te gaan. Het zal nog eene maand duren,—twee misschien.”—“Zal ik daar blijven, mijnheer?” vroeg Walter.—“Of gij daar blijven zult!” herhaalde Dombey, zich een weinig meer naar hem omkeerende. “Wat meent gij? Wat meent hij, Carker?”—“Voor vast, mijnheer,” stamelde Walter.—“Zekerlijk,” antwoordde Dombey.Walter boog.“Dat is alles,” zeide Dombey, zich weder naar zijne brieven keerende. “Gij zult hem wel eens van de gewone uitrusting en zoo voort spreken, Carker. Hij behoeft niet te wachten, Carker.”—“Gij behoeft niet te wachten, Gay,” zeide Carker, die nu zelfs zijn tandvleesch liet zien.—“Of,” zeide Dombey, met het lezen ophoudende, maar zonder van zijn brief op te zien, en alsof hij luisterde, “of hij moest iets te zeggen hebben.”—“Neen, mijnheer,” antwoordde Walter, onthutst en verlegen, bijna versuft zelfs door de menigte van schilderijen die hem op eens voor den geest kwamen, en waaronder kapitein Cuttle met zijn blinkenden hoed, versteend van verbazing, en zijn oom in het achterkamertje zijn verlies beklagende, voorname plaatsen bekleedden.—“Ik weet haast niet—ik—ik ben u wel dankbaar,[89]mijnheer.”—“Hij behoeft niet te wachten, Carker,” zeide Dombey.En toen Carker deze woorden nog eens herhaalde, en zijne papieren opzamelde, alsof hij ook heenging, gevoelde Walter dat het eene onvergeeflijke lompheid zou zijn als hij langer bleef dralen—vooral daar hij niets te zeggen had—en ging dus geheel verbijsterd de kamer uit.Hij was nog in den gang, evenals in een droom, maar half bewust van hetgeen er gebeurd was, toen hij Dombey’s kamerdeur nog eens hoorde openen en sluiten. Carker kwam er uit en riep hem na:Onder dit gesprek had Walter, vol smart en verbazing, nu den een en dan den ander aangezien. (blz. 90).Onder dit gesprek had Walter, vol smart en verbazing, nu den een en dan den ander aangezien.(blz. 90).“Breng uw vriend, mijnheer Carker Junior, eens bij mij in de kamer, jonge heer, als het u belieft.”Walter ging naar het groote kantoor en bracht zijne boodschap aan Carker Junior over, die daarop van achter het schut kwam, waar hij alleen in een hoek zat, en met hem naar de kamer van Carker den chef ging.De heer stond, met zijn rug naar het vuur en de handen onder de rokspanden, zoo stijf over zijne witte das te kijken als Dombey zelf had kunnen doen. Hij ontving hen zonder eenigszins van houding te veranderen of de dreigende uitdrukking van zijn gezicht te verzachten, en gaf slechts Walter een wenk om de deur te sluiten.“John Carker,” zeide de chef, toen dit geschied was zich plotseling naar zijn broeder keerende, met een paar rijen tanden alsof hij hem wilde bijten, “welk verbond bestaat er toch tusschen u en dit jonge mensch, om mij met uw naam te vervolgen en te kwellen? Is het u niet genoeg, John Carker, dat ik uw naaste bloedverwant ben en mij niet kan losmaken van die …”—“Zeg maar schande, James,” zeide de ander met eene zachte stem, toen hij zag dat de spreker om een woord verlegen was. “Gij meent dat toch, en hebt er wel reden toe. Zeg maar schande.”—“Van die schande dan,” zeide zijn broeder met scherpen nadruk, “maar moet de zaak weder gedurig worden opgehaald en uitgebazuind—voor den patroon zelven—en dat in oogenblikken van vertrouwen? Denkt gij dat uw naam[90]hier eenigszins met het woord vertrouwen harmonieert, John Carker?”—“Neen,” was het antwoord. “Neen, James. God weet dat ik dat niet denk.”—“Wat denkt gij dan, en waarom komt gij mij gedurig in den weg? Hebt ge mij niet al genoeg benadeeld?”—“Ik heb u nooit met opzet benadeeld, James.”—“Gij zijt mijn broeder,” zeide de chef. “Dat is al erg genoeg.”—“Ik wenschte dat ik het onwaar kon maken.”—“Dat wenschte ik ook.”Onder dit gesprek had Walter, vol smart en verbazing, nu den een en dan den ander aangezien. Hij, die de oudste in jaren en de jongste op het kantoor was, stond, met gebogen hoofd en met op den grond gevestigde oogen, nederig naar de verwijten van den ander te luisteren. Hoezeer deze ook door toon en blik, en vooral door de tegenwoordigheid van Walter, werden verbitterd, hij bracht er niets tegen in, behalve dat hij even zijne rechterhand smeekend ophield, als wilde hij zeggen: “Spaar mij!”Edelmoedig en vurig in al wat hij deed, viel Walter, die zich zelven voor de onschuldige oorzaak dezer verwijten hield, er nu op in:“Mijnheer Carker, het is waarlijk alleen mijne schuld. Door eene onbedachtzaamheid, die ik mij zelven niet genoeg kan verwijten, heb ik zeker meermalen van mijnheer Carker Junior gesproken dan noodig was, en mij somtijds wel zijn naam laten ontvallen, waar gij mij uitdrukkelijk daarvoor gewaarschuwd hadt. Maar dat was geheel mijn bedrijf, mijnheer. Wij hebben nooit een woord daarover gewisseld,—wij hebben over het geheel maar zeer weinig met elkander gesproken. En het is ook,” vervolgde hij na een oogenblik zwijgens, “niet geheel onbedachtzaamheid van mij geweest, mijnheer; want zoolang ik hier ben, heb ik veel belangstelling voor mijnheer Carker gevoeld, en zoo kon ik somtijds haast niet nalaten van hem te spreken, omdat ik zooveel om hem dacht.”Walter zeide dit met oprechtheid en vuur; want hij zag het gebogene hoofd, en de neergeslagene oogen, en de opgehevene hand, en dacht: “Ik heb het gevoeld; en waarom zou ik het niet bekennen, als het dien armen daar, die door iedereen miskend schijnt te worden, misschien iets kan baten.”“Waarlijk, gij hebt mij altijd vermeden, mijnheer Carker,” zeide Walter, met tranen in de oogen; zoo hartelijk was zijn medelijden, “dat weet ik tot mijne spijt. Toen ik pas hier kwam, en op den duur, heb ik altijd uw vriend willen zijn, zooveel iemand van mijne jaren zich dat kon laten voorstaan; maar het heeft niet gebaat.”—“En onthoud, Gay,” viel de chef er snel op in, “dat het nog minder baten zal, als gij voortgaat met mijnheer Carker iedereen onder de aandacht te willen dwingen. Dit is de manier niet om mijnheer John Carker’s vriend te zijn. Vraag hem zelven maar of hij dat wel denkt.”—“Het doet mij geen dienst,” zeide de broeder. “Het geeft maar aanleiding tot zulk een gesprek als dit, en ik behoef niet te zeggen dat ik dit gaarne had willen missen. Niemand kan zich beter mijn vriend toonen,” hier sprak hij zeer duidelijk, alsof hij het Walter wilde inprenten, “dan door mij te vergeten, en mij mijn weg te laten gaan, zonder op mij te letten of mij iets te vragen.”—“Daar gij geen sterk geheugen hebt, Gay, voor hetgeen anderen u zeggen,” zeide Carker de chef, beter tevreden naar het scheen, “dacht ik dat gij dit eens uit de beste bron moest hooren;” naar zijn broeder knikkende. “Gij zult het nu niet meer vergeten, hoop ik. Dat is alles Gay. Gij kunt gaan.”Walter ging de deur uit, en wilde ze juist achter zich sluiten, toen hij weder de stemmen der broeders hoorde en zijn eigen naam hoorde noemen. Nu bleef hij staan met de hand aan de kruk, in twijfel of hij zou terugkeeren of heengaan, en kon dus niet nalaten te hooren wat er volgde.“Denk zachter over mij, als gij kunt, James,” zeide John Carker, “als ik u zeg—hoe kon het anders, met mijne geschiedenis, hier geschreven”—met deze woorden gaf hij zich een slag op de borst—“als ik u zeg dat het mij tot in de ziel roerde toen ik dien Walter Gay zag. Ik zag in hem, toen hij pas hier kwam, bijna een evenbeeld van mij zelven.”—“Van u zelven!” herhaalde James met minachting.—“Niet zooals ik nu ben, maar zooals ik was toen ik ook pas hier kwam; even los, vurig, jongensachtig en onervaren; vol van dezelfde onrust en avontuurlijke inbeeldingen, met denzelfden aanleg voor goed en kwaad.”—“Ik hoop van neen,” zeide zijn broeder, met eene verborgene smadelijke beteekenis in zijn toon.—“Gij raakt mij diep,” zeide de ander, met eene stem (dacht Walter) alsof hij werkelijk een steek met een dolk had gekregen. “Maar ik verbeeldde mij dat, toen hij nog een jongen was. Ik geloofde het. Ik hield het voor waarheid. Ik zag hem onbezorgd langs den rand der onzichtbare diepte gaan, waar velen even vroolijk wandelen, en zoovelen.…”—“De oude verontschuldiging,” zeide zijn broeder, het vuur oppokende. “Zoovelen.—Ga maar voort. Zeg: zoovelen in neerstorten.”—“Waarin één reiziger neerstortte,” zeide de ander, “die evenals hij op weg ging toen hij nog een knaap was, al meer en meer uitglipte, en lager en lager afgleed, tot hij in den afgrond stortte en voor altijd kreupel op den bodem lag. Verbeeld u wat ik geleden heb toen ik dien knaap zoo zag.”—“Dat hebt gij alleen aan u zelven te danken,” antwoordde James.—“Alleen aan mij zelven,” zeide John met een zucht. “Ik zoek de schuld of de schande niet te deelen.”—“Gijhebtde schande gedeeld,” prevelde James Carker tusschen[91]zijne tanden; en door zoovele en zoo dicht geslotene tanden kon hij zeer duidelijk prevelen.—“Ach, James,” antwoordde zijn broeder, voor de eerste maal een toon van verwijt aannemende, schoon hij, naar den klank zijner stem, de handen voor zijn gezicht scheen te houden, “ik ben u sedert altijd nuttig geweest als een contrast. Gij hebt gerust op mij getrapt om hooger te klimmen. Schop mij nu niet nog met den voet!”Er volgde eene poos van stilte. Men hoorde Carker den chef onder zijne papieren ritselen, alsof hij een eind aan het gesprek wilde maken. Te gelijk kwam zijn broeder dichter naar de deur.“Dat is alles,” zeide hij. “Ik heb hem zoo met vreezen en beven gadegeslagen, dat dit wel reeds eenige straf voor mij was, tot hij de plaats voorbij was waar ik de eerste maal viel, en toen, al was ik zijn vader geweest, geloof ik dat ik God niet hartelijker had kunnen danken. Ik durfde hem niet waarschuwen of raad geven; maar als ik er bepaalde reden voor had gezien, zou ik hem mijn voorbeeld getoond hebben. Ik was bang dat men mij met hem zou zien spreken, opdat men niet denken zou dat ik hem kwaad deed of bedierf—opdat ik dat niet werkelijk zou doen. Er kan wel iets besmettelijks in mij zijn; ik weet het niet. Breng mijne geschiedenis met dien Walter Gay in verband, en verbeeld u wat hij mij heeft doen gevoelen; en denk dan zachter over mij, James, als gij kunt.”Met deze woorden kwam hij de deur uit. Hij werd nog wat bleeker toen hij Walter zag staan, en nog wat bleeker, toen deze hem bij de hand vatte en fluisterend zeide:“Mijnheer Carker, laat ik u mogen danken! Laat ik u mogen zeggen wat ik voor u gevoel! Hoe spijt het mij dat ik de ongelukkige oorzaak van dit alles geweest ben! Ik houd u nu bijna voor mijn bewaker en beschermer. Hoe dankbaar ben ik u, en hoe beklaag ik u!” zeide Walter, hem bij beide handen vattende, en van ontroering nauwelijks wetende wat hij zeide of deed.Daar de kamer van Morfin ledig was en de deur wijd openstond, gingen beide van zelf daarbinnen; want in den gang werd gedurig heen en weder geloopen. Daar in de kamer zag Walter op Carker’s gezicht eenige sporen der beweging in zijn binnenste, en het was hem bijna alsof hij dat gezicht nog nooit had gezien, zoozeer was het veranderd.“Walter,” zeide hij, zijne hand op des jonkmans schouder leggende, “ik ben ver van u af; en moge ik dat altijd blijven! Weet gij wel wat ik ben?”—“Wat gij zijt!” scheen op Walter’s lippen te zweven, terwijl hij hem oplettend aanzag.—“Het begon voor mijn een en twintigsten verjaardag,” zeide Carker. “De grond werd er al vroeger toe gelegd, maar het begon niet voor tegen dien tijd. Toen ik meerderjarig werd had ik hen bestolen. Ik bestal hen nog naderhand. Voor mijn twee en twintigsten verjaardag was alles uitgekomen; en toen, Walter, was ik voor allen omgang met menschen dood.”Wederom zweefden zijne laatste woorden Walter bevend op de lippen, maar hij kon ze niet uitspreken, en ook zelf niets zeggen.“De patroon was zeer goed voor mij! God beloone den ouden man voor zijne barmhartigheid! Ook deze, zijn zoon, die toen pas in de zaak was gekomen, waarin ik een post van groot vertrouwen had gehad. Ik werd in die kamer geroepen, die nu de zijne is—ik ben er sedert nooit weder in geweest—en toen ik er uitkwam was ik, wat gij weet en kent. Vele jaren lang heb ik op mijne tegenwoordige plaats gezeten, alleen, evenals nu, maar toen een bekend en erkend voorbeeld voor de anderen. Zij waren allen barmhartig voor mij, en ik bleef leven. De tijd heeft dit gedeelte van mijne boete gewijzigd, en ik geloof dat er, behalve de drie hoofden van het kantoor, niemand hier is, die mijne geschiedenis recht weet. Eer de kleine jongen groot is, en ze hem verteld wordt, zal mijn hoek misschien wel ledig zijn. Ik mag wel lijden dat het zoo is. Dit is de eenige verandering voor mij sedert dien dag, toen ik alle hoop, jeugd, en gezelschap van goede menschen, in die kamer daar achterliet. God zegene u, Walter! Moge Hij u en allen die u dierbaar zijn eerlijk doen blijven, of hen laten sterven!”Eene herinnering, dat hij van het hoofd tot de voeten beefde, alsof het van koude was, en toen in tranen uitbarstte, was al wat Walter hierbij kon voegen, toen hij zich naderhand nauwkeurig poogde te bezinnen wat er tusschen hen was voorgevallen.Toen Walter hem de volgende maal zag, zat hij, als vanouds, stil en nederig over zijn lessenaar gebogen. Toen ziende hoe hij blijkbaar wenschte dat er geen verdere omgang tusschen hen zou plaats hebben, en nog eens denkende over alles wat hij dien morgen in zulk een korten tijd van de geschiedenis der beide Carkers’s had vernomen, kon Walter nauwelijks gelooven dat hij last had gekregen om naarWest-Indiëte vertrekken, en spoedig voor oom Sam en kapitein Cuttle zou verloren zijn, en zelfs die enkele blikken van Florence Dombey—neen, hij meende Paul—en alles wat hij in zijn dagelijksch leven liefhad en met verlangen te gemoet zag, zou moeten missen.Maar het was toch waar, en het nieuws had reeds het groote kantoor bereikt; want terwijl hij met een beklemd hart over al die dingen zat na te denken, en zijn hoofd in zijne hand liet rusten, kwam Perch, de boodschaplooper,[92]van zijn bankje, stiet hem aan den elleboog, en verzocht hem het niet kwalijk te nemen, maar wenschte hem toch in het oor te fluisteren, of hij geene kans zag om hem goedkoop een pot geconfijte gember over te zenden, tegen den tijd dat jufvrouw Perch na hare aanstaande bevalling weder op de been kwam.

XIII.SCHEEPSTIJDINGEN EN KANTOORZAKEN.

Het kantoor van Dombey was in eene blindloopende straat of pleintje, waar op den hoek een stalletje met eene keur van fijne fruit was gevestigd, en tusschen tien en vijf uur wandelende kooplieden, van beide seksen, pantoffels, zakportefeuilles, sponsen, halsbanden voor honden, en stukjes zeep te koop boden; en somtijds ook een brak of eene schilderij in olieverf.Als de brak dien weg kwam, was het met het oog op de effectenbeurs, waar een smaak voor jachtvermaken (doorgaans uit weddenschappen om nieuwe hoeden spruitende) zeer in de mode is. De andere dingen waren voor het publiek in het algemeen bestemd; maar zij werden door de kooplieden nooit aan Dombey aangeboden. Als hij kwam gingen zij eerbiedig op zijde. De voornaamste pantoffel- en halsbandman—die zich zelven voor een publiek persoon hield, en wiens portret inCheapsideop de deur van een schilder was geschroefd—wees, als mijnheer Dombey voorbijkwam, met zijn voorvinger naar den rand van zijn hoed. De kruier van de buurt liep, als hij niet met eene boodschap uit was, altijd gedienstig vooruit, om de deur van het kantoor zoo wijd mogelijk open te doen, en hield ze met den hoed in de hand open, terwijl Dombey binnenging.De klerken daarbinnen waren vooral niet achterlijk met hunne bewijzen van eerbied. Er heerschte eene plechtige stilte, wanneer Dombey het buitenkantoor door kwam. De grappenmaker onder den troep werd in een oogenblik even stom als de rij lederen brandemmers, die omhoog achter hem hing. Het flauwe daglicht, dat door de vensters en lantarens van dof geslepen glas heendrong, vertoonde de boeken en papieren, en de daarover gebogene gedaanten, in eene deftige schemering, zoozeer van de buitenwereld afgezonderd, alsof zij op den bodem van den oceaan verzameld waren; terwijl een duf, gewelfd brandkamertje in het duistere verschiet, waar altijd eene lamp met een schermpje brandde, de grot van een zeemonster had kunnen verbeelden, dat met een vurig oog deze geheimen der diepte verspreidde.Wanneer Perch, de boodschaplooper, die zijne vaste plaats op een bankje had, dat hem eenigszins naar eene staande klok op eene console deed gelijken, Dombey zag binnenkomen—of liever als hij hem voelde aankomen, want hij werd meestal door zeker instinct voor zijne nadering gewaarschuwd—haastte hij zich naar Dombey’s kamer, pookte het vuur op, schudde er versche kolen uit den emmer bij, hing de courant op den haardrand te drogen, zette den stoel gereed en het vuurscherm op zijne plaats, en draaide, juist op het oogenblik dat Dombey binnenkwam, op zijn hiel rond, om hem zijne overjas en hoed af te nemen en op te hangen. Dan nam Perch de courant, zwaaide ze nog een paar malen voorbij het vuur, en legde ze eerbiedig bij Dombey’s elleboog. En zoo weinig bezwaar had Perch in het betoonen van den uitersten eerbied, dat het hem des te beter zou hebben bevallen als hij zich zelven voor Dombey’s voeten had mogen werpen, en hem met zulke titels aanspreken als men den Kalif Haroun Alraschid placht te geven.Daar dit eerbewijs echter eene gewaagde nieuwigheid zou zijn geweest, moest Perch zich vergenoegen met zoo goed hij kon door zijne houding uit te drukken: gij zijt het licht van mijne oogen; gij zijt de adem mijner ziel; gij zijt de beheerscher van den geloovigen Perch! Door dit onvolmaakte geluk opgebeurd, sloot hij zachtjes de deur, ging op de teenen heen, en liet zijn grooten meester onder den glazen koepel in het plat zitten, aangestaard door leelijke schoorsteenen en achtermuren van huizen, en vooral door een onbeschaamd venster van een haarsnijsalon, waar een wassen borstbeeld, des morgens zoo kaal als een Turk, en na elf uur met den weligsten haartooi volgens de laatste christelijke mode versierd, hem eeuwiglijk den achterkant van zijn hoofd toonde.Tusschen Dombey en de gewone wereld, gelijk zij door het buitenkantoor toegankelijk was, bestonden twee trappen van afdaling. Mijnheer Carker in zijn eigen kantoor was de eerste trap; mijnheer Morfin in zijn eigen kantoor was de tweede. Ieder van deze heeren had een vertrekje gelijk een badkamertje, dat bij de deur van Dombey in den gang uitkwam. Carker,[87]als Groot Vizier, bewoonde het vertrek dichtst bij den Sultan. Morfin, als van lager rang, had de kamer dichtst bij de klerken.De laatstgenoemde heer was een tamelijk bejaard oud vrijer, met een vroolijk uitzicht en lichtbruine oogen; deftig gekleed, wat zijne bovenste helft betrof, in het zwart, en wat de beenen aanging, in peper- en zoutkleur. Zijne donkere haren hadden hier en daar een vlekje grijs, alsof de voetstap van den tijd ze bespat had, en zijn bakkebaard was reeds wit. Hij had een grooten eerbied voor Dombey en bewees hem verplichte hulde; maar daar hij zelf van een vroolijk temperament was, en nooit geheel op zijn gemak in het bijzijn van zijn statigen patroon, kwelde hem geene jaloezie op de vele mondgesprekken die Carker ten deel vielen, en was hij zelfs heimelijk vergenoegd dat hij een post waarnam, welke hem slechts zelden er aan blootstelde om tot zulk eene onderscheiding te worden uitgekozen. Hij was op zijne manier een groot muziekliefhebber—na de zaken; en koesterde eene vaderlijke genegenheid voor zijne violoncel, die eens in de week vanIslington, zijne woonplaats, naar zeker salon dicht bij de Bank werd gebracht, waar eene vereeniging van liefhebbers elken woensdagavond de gruwelijkste en martelendste quartetten speelde.Carker was een heer van acht en dertig of veertig jaren, met eene blozende kleur, en twee ongeschonden rijen glinsterende tanden, welker regelmatigheid en witheid iets hinderlijks hadden. Het was onmogelijk er niet op te letten, want hij liet ze altijd zien wanneer hij sprak, en had zulk een breeden glimlach (die zich echter zeer zelden verder dan zijn mond uitstrekte) dat zijn gezicht bij het lachen eenigszins naar dat van eene blazende kat geleek. Hij droeg eene stijve witte das, op het voorbeeld van zijn principaal, en was altijd spannend gekleed en dicht toegeknoopt. Zijne houding tegenover Dombey was diep doordacht. Hij was gemeenzaam met hem, juist om het uiterste van zijn gevoel van den afstand tusschen hen uit te drukken. “Mijnheer Dombey, voor iemand in uwe positie van iemand in de mijne, is er geene vertooning van onderdanigheid, zoover maar met het behandelen van zaken vereenigbaar is, die ik genoegzaam kan achten. Ik zeg u daarom rondborstig, mijnheer, ik zie er geheel van af. Ik gevoel dat ik mij zelven niet zou kunnen voldoen, en gij, mijnheer Dombey, kunt mijne ontoereikende pogingen wel missen.” Als hij deze woorden op een biljet gedrukt op de borst van zijn rok had gedragen, om ze Dombey telkens te laten lezen, had hij niet duidelijker kunnen zijn.Dit was Carker de chef. Carker junior, Walter’s vriend, was zijn broeder, twee of drie jaren ouder dan hij, maar ver beneden hem in stand. De jongste broeder stond op de bovenste sport van de ladder, de oudste geheel onderaan. De oudste broeder klom nooit eene sport hooger, lichtte zelfs nooit een voet op om dat te doen. Jongelieden sprongen hem voorbij en kwamen al hooger en hooger; maar hij bleef altijd onderaan. Hij was volkomen tevreden met dien lagen rang, klaagde er nooit over en had zeker nooit gehoopt er zich boven te verheffen.“Hoe vaart gij van morgen?” zeide Carker de chef, op zekeren ochtend de kamer van Dombey binnenkomende, met eenige papieren in de hand.—“Hoe vaart gij, Carker?” zeide Dombey, van zijn stoel opstaande en zich met den rug naar het vuur plaatsende. “Hebt ge daar iets voor mij?”—“Ik weet niet of ik u wel behoef lastig te vallen,” antwoordde Carker, de papieren in zijne hand naziende. “Gij hebt vandaag om drie uren eene vergadering, zooals gij weet.”—“En nog eene kwartier voor vieren,” zeide Dombey.—“Laat men u eens betrappen dat gij iets vergeet!” riep Carker uit, nog zijne papieren naziende. “Als jonge heer Paul uw geheugen erft, zal hij een lastige patroon zijn. Wij hebben al genoeg aan één zoo.”—“Gij hebt zelf een goed geheugen,” zeide Dombey.—“O, ik,” antwoordde Carker. “Dat is het eenige kapitaal van iemand als ik.”Dombey keek niet minder statig, en ook geheel niet misnoegd, terwijl hij, tegen den schoorsteenmantel leunende, zijn (natuurlijk hiervan geheel onbewusten) boekhouder, van het hoofd tot de voeten opnam. De stijfheid en netheid van Carker’s kleeding, en zekere aanmatiging in zijne manieren, die hem of natuurlijk of naar een niet ver verwijderd model gevolgd was, gaven zijne nederigheid iets nog meer in het oog loopends. Hij scheen een man te zijn, die, als hij kon, wel had willen kampen tegen de macht, die hem overwon, maar door de grootheid van Dombey geheel overstelpt werd.“Is Morfin hier?” vroeg Dombey na eene korte poos van stilte, waaronder Carker in zijne papieren had gebladerd en bij zich zelven het een en ander daaruit gepreveld.—“Ja, Morfin is hier,” antwoordde hij met zijn breedsten glimlach opziende, “en neuriet muzikale herinneringen—uit de quartetten van gisteravond denk ik,—door den muur tusschen ons, dat ik er half dol van word. Ik wenschte dat hij een vreugdevuurtje van zijn violoncel stookte en daarin zijne muziekboeken verbrandde.”—“Gij respecteert toch niemand, Carker,” zeide Dombey hierop.—“Niet?” zeide Carker, met nog eene breede en allerkatachtigste vertooning van zijne tanden. “Wel! Niet veel menschen, geloof ik. Misschien,” prevelde hij, alsof hij dit maar bij zich zelven dacht, “niet meer dan een.”Eene gevaarlijke eigenschap, indien zij echt, en niet minder gevaarlijk als zij maar geveinsd is. Maar Dombey scheen zoo niet te denken,[88]terwijl hij, tot zijne volle lengte uitgerekt, met zijn rug naar het vuur stond, en zijn eersten boekhouder aanzag met eene deftige bedaardheid, waarin een nog sterker gevoel van macht dan gewoonlijk scheen te schuilen.“Van Morfin gesproken,” hervatte Carker, een papier uit de anderen uitzoekende, “hij rapporteert dat er aan het hulpkantoor opBarbadoseen jongste klerk dood is, en stelt voor in de Zoon en Erfgenaam, die over eene maand of zoo moet uitzeilen, eene passagiersplaats voor zijn opvolger open te houden. Het zal u niet kunnen schelen wie er gaat, denk ik. Wij hebben niemand van die soort hier.”Dombey schudde met statige onverschilligheid zijn hoofd.“Het is geen beste post,” merkte Carker aan, eene pen opnemende om de beslissing op den achterkant van het papier aan te teekenen. “Ik hoop dat hij een zoon of neef van een muzikalen vriend heeft om er mee te begeven. Dat zalhemmisschien van de viool afhouden, als hij er liefhebberij in heeft. Wie daar? Binnen!”—“Neem mij niet kwalijk, mijnheer Carker. Ik wist niet dat gij hier waart, mijnheer,” antwoordde Walter, die zich nu vertoonde, met eenige pas aangekomene brieven in de hand. “Mijnheer Carker junior …”Op het hooren van dien naam scheen Carker de chef zich door schaamte overstelpt te gevoelen. Hij sloeg zijne oogen met een blik van verlegenheid en verontschuldiging naar Dombey op, daarop naar den grond en zweeg een oogenblik alsof hij verstomd was.“Ik dacht,” zeide hij eensklaps, zich gramstorig naar Walter keerende, “dat u al meer verzocht was om mijnheer Carker Junior buiten uw gesprek te laten.”—“Neem mij niet kwalijk, mijnheer,” antwoordde Walter, “ik wilde maar zeggen, dat mijnheer Carker junior mij gezegd had te denken dat gij uit waart, of ik zou niet aan de deur geklopt hebben terwijl gij bij mijnheer Dombey waart. Dit zijn brieven voor mijnheer Dombey, mijnheer.”—“Goed,”zeide Carker de chef, hem de brieven driftig uit de hand rukkende. “Ga maar weer heen.”Maar door zijne ruwheid liet hij een van de brieven, zonder dat hij of Dombey het zag, op den grond vallen. Walter aarzelde een oogenblik, om te zien of een van beiden dien brief zou opmerken, en toen dit niet zoo was, bleef hij staan, keerde terug, raapte hem op en legde hem zelf op Dombey’s lessenaar. Toevallig was deze brief juist het wekelijksche rapport van mevrouw Pipchin, volgens gewoonte—daar mevrouw Pipchin eene slechte schrijfster was—door Florence geadresseerd. Dombey, wiens aandacht door Walter stilzwijgend op den brief werd gevestigd, zag hem driftig en gramstorig aan, als dacht hij dat Walter dien met opzet uit de anderen had gezocht.“Gij kunt heengaan,” zeide Dombey trotsch.Hij kneep den brief in zijne hand samen, en stak hem, toen hij Walter de deur had zien uitgaan, ongeopend in zijn zak.—“Gij hadt iemand noodig, hebt gij daar gezegd, om naarWest-Indiëte zenden,” merkte Dombey haastig aan.—“Ja,” antwoordde Carker.—“Zend den jongen Gay.”—“Goed, heel goed. Niets gemakkelijker,” zeide Carker, zonder eenig blijk van verwondering, en de pen weder opnemende, schrapte hij zijne eerste aanteekening uit, en schreef, even koel als te voren: “Gay zenden.”—“Roep hem eens terug,” zeide Dombey.Carker deed dit snel, en Walter was even snel weder binnen.“Gay,” zeide Dombey, zich eenigszins omkeerende om hem over zijn schouder aan te zien. “Er is …”—“Eene plaats open,” zeide Carker, met zijn mond zoo breed mogelijk uitgerekt.—“InWest-Indië. OpBarbados. Ik zal u daarheen zenden,” zeide Dombey, het beneden zich achtende om de naakte waarheid eenigszins op te sieren, “als jongste klerk op het kantoor daar. Zeg uw oom van mij, dat ik u gekozen heb om naarWest-Indiëte gaan.”Walter was zoo verbaasd, dat hij niets anders kon doen dan het woord “West-Indië” te herhalen.“Er moet iemand gaan,” zeide Dombey, “en gij zijt jong en gezond, en uw ooms omstandigheden zijn niet gunstig. Zeg uw oom dat gij benoemd zijt. Gij behoeft niet terstond te gaan. Het zal nog eene maand duren,—twee misschien.”—“Zal ik daar blijven, mijnheer?” vroeg Walter.—“Of gij daar blijven zult!” herhaalde Dombey, zich een weinig meer naar hem omkeerende. “Wat meent gij? Wat meent hij, Carker?”—“Voor vast, mijnheer,” stamelde Walter.—“Zekerlijk,” antwoordde Dombey.Walter boog.“Dat is alles,” zeide Dombey, zich weder naar zijne brieven keerende. “Gij zult hem wel eens van de gewone uitrusting en zoo voort spreken, Carker. Hij behoeft niet te wachten, Carker.”—“Gij behoeft niet te wachten, Gay,” zeide Carker, die nu zelfs zijn tandvleesch liet zien.—“Of,” zeide Dombey, met het lezen ophoudende, maar zonder van zijn brief op te zien, en alsof hij luisterde, “of hij moest iets te zeggen hebben.”—“Neen, mijnheer,” antwoordde Walter, onthutst en verlegen, bijna versuft zelfs door de menigte van schilderijen die hem op eens voor den geest kwamen, en waaronder kapitein Cuttle met zijn blinkenden hoed, versteend van verbazing, en zijn oom in het achterkamertje zijn verlies beklagende, voorname plaatsen bekleedden.—“Ik weet haast niet—ik—ik ben u wel dankbaar,[89]mijnheer.”—“Hij behoeft niet te wachten, Carker,” zeide Dombey.En toen Carker deze woorden nog eens herhaalde, en zijne papieren opzamelde, alsof hij ook heenging, gevoelde Walter dat het eene onvergeeflijke lompheid zou zijn als hij langer bleef dralen—vooral daar hij niets te zeggen had—en ging dus geheel verbijsterd de kamer uit.Hij was nog in den gang, evenals in een droom, maar half bewust van hetgeen er gebeurd was, toen hij Dombey’s kamerdeur nog eens hoorde openen en sluiten. Carker kwam er uit en riep hem na:Onder dit gesprek had Walter, vol smart en verbazing, nu den een en dan den ander aangezien. (blz. 90).Onder dit gesprek had Walter, vol smart en verbazing, nu den een en dan den ander aangezien.(blz. 90).“Breng uw vriend, mijnheer Carker Junior, eens bij mij in de kamer, jonge heer, als het u belieft.”Walter ging naar het groote kantoor en bracht zijne boodschap aan Carker Junior over, die daarop van achter het schut kwam, waar hij alleen in een hoek zat, en met hem naar de kamer van Carker den chef ging.De heer stond, met zijn rug naar het vuur en de handen onder de rokspanden, zoo stijf over zijne witte das te kijken als Dombey zelf had kunnen doen. Hij ontving hen zonder eenigszins van houding te veranderen of de dreigende uitdrukking van zijn gezicht te verzachten, en gaf slechts Walter een wenk om de deur te sluiten.“John Carker,” zeide de chef, toen dit geschied was zich plotseling naar zijn broeder keerende, met een paar rijen tanden alsof hij hem wilde bijten, “welk verbond bestaat er toch tusschen u en dit jonge mensch, om mij met uw naam te vervolgen en te kwellen? Is het u niet genoeg, John Carker, dat ik uw naaste bloedverwant ben en mij niet kan losmaken van die …”—“Zeg maar schande, James,” zeide de ander met eene zachte stem, toen hij zag dat de spreker om een woord verlegen was. “Gij meent dat toch, en hebt er wel reden toe. Zeg maar schande.”—“Van die schande dan,” zeide zijn broeder met scherpen nadruk, “maar moet de zaak weder gedurig worden opgehaald en uitgebazuind—voor den patroon zelven—en dat in oogenblikken van vertrouwen? Denkt gij dat uw naam[90]hier eenigszins met het woord vertrouwen harmonieert, John Carker?”—“Neen,” was het antwoord. “Neen, James. God weet dat ik dat niet denk.”—“Wat denkt gij dan, en waarom komt gij mij gedurig in den weg? Hebt ge mij niet al genoeg benadeeld?”—“Ik heb u nooit met opzet benadeeld, James.”—“Gij zijt mijn broeder,” zeide de chef. “Dat is al erg genoeg.”—“Ik wenschte dat ik het onwaar kon maken.”—“Dat wenschte ik ook.”Onder dit gesprek had Walter, vol smart en verbazing, nu den een en dan den ander aangezien. Hij, die de oudste in jaren en de jongste op het kantoor was, stond, met gebogen hoofd en met op den grond gevestigde oogen, nederig naar de verwijten van den ander te luisteren. Hoezeer deze ook door toon en blik, en vooral door de tegenwoordigheid van Walter, werden verbitterd, hij bracht er niets tegen in, behalve dat hij even zijne rechterhand smeekend ophield, als wilde hij zeggen: “Spaar mij!”Edelmoedig en vurig in al wat hij deed, viel Walter, die zich zelven voor de onschuldige oorzaak dezer verwijten hield, er nu op in:“Mijnheer Carker, het is waarlijk alleen mijne schuld. Door eene onbedachtzaamheid, die ik mij zelven niet genoeg kan verwijten, heb ik zeker meermalen van mijnheer Carker Junior gesproken dan noodig was, en mij somtijds wel zijn naam laten ontvallen, waar gij mij uitdrukkelijk daarvoor gewaarschuwd hadt. Maar dat was geheel mijn bedrijf, mijnheer. Wij hebben nooit een woord daarover gewisseld,—wij hebben over het geheel maar zeer weinig met elkander gesproken. En het is ook,” vervolgde hij na een oogenblik zwijgens, “niet geheel onbedachtzaamheid van mij geweest, mijnheer; want zoolang ik hier ben, heb ik veel belangstelling voor mijnheer Carker gevoeld, en zoo kon ik somtijds haast niet nalaten van hem te spreken, omdat ik zooveel om hem dacht.”Walter zeide dit met oprechtheid en vuur; want hij zag het gebogene hoofd, en de neergeslagene oogen, en de opgehevene hand, en dacht: “Ik heb het gevoeld; en waarom zou ik het niet bekennen, als het dien armen daar, die door iedereen miskend schijnt te worden, misschien iets kan baten.”“Waarlijk, gij hebt mij altijd vermeden, mijnheer Carker,” zeide Walter, met tranen in de oogen; zoo hartelijk was zijn medelijden, “dat weet ik tot mijne spijt. Toen ik pas hier kwam, en op den duur, heb ik altijd uw vriend willen zijn, zooveel iemand van mijne jaren zich dat kon laten voorstaan; maar het heeft niet gebaat.”—“En onthoud, Gay,” viel de chef er snel op in, “dat het nog minder baten zal, als gij voortgaat met mijnheer Carker iedereen onder de aandacht te willen dwingen. Dit is de manier niet om mijnheer John Carker’s vriend te zijn. Vraag hem zelven maar of hij dat wel denkt.”—“Het doet mij geen dienst,” zeide de broeder. “Het geeft maar aanleiding tot zulk een gesprek als dit, en ik behoef niet te zeggen dat ik dit gaarne had willen missen. Niemand kan zich beter mijn vriend toonen,” hier sprak hij zeer duidelijk, alsof hij het Walter wilde inprenten, “dan door mij te vergeten, en mij mijn weg te laten gaan, zonder op mij te letten of mij iets te vragen.”—“Daar gij geen sterk geheugen hebt, Gay, voor hetgeen anderen u zeggen,” zeide Carker de chef, beter tevreden naar het scheen, “dacht ik dat gij dit eens uit de beste bron moest hooren;” naar zijn broeder knikkende. “Gij zult het nu niet meer vergeten, hoop ik. Dat is alles Gay. Gij kunt gaan.”Walter ging de deur uit, en wilde ze juist achter zich sluiten, toen hij weder de stemmen der broeders hoorde en zijn eigen naam hoorde noemen. Nu bleef hij staan met de hand aan de kruk, in twijfel of hij zou terugkeeren of heengaan, en kon dus niet nalaten te hooren wat er volgde.“Denk zachter over mij, als gij kunt, James,” zeide John Carker, “als ik u zeg—hoe kon het anders, met mijne geschiedenis, hier geschreven”—met deze woorden gaf hij zich een slag op de borst—“als ik u zeg dat het mij tot in de ziel roerde toen ik dien Walter Gay zag. Ik zag in hem, toen hij pas hier kwam, bijna een evenbeeld van mij zelven.”—“Van u zelven!” herhaalde James met minachting.—“Niet zooals ik nu ben, maar zooals ik was toen ik ook pas hier kwam; even los, vurig, jongensachtig en onervaren; vol van dezelfde onrust en avontuurlijke inbeeldingen, met denzelfden aanleg voor goed en kwaad.”—“Ik hoop van neen,” zeide zijn broeder, met eene verborgene smadelijke beteekenis in zijn toon.—“Gij raakt mij diep,” zeide de ander, met eene stem (dacht Walter) alsof hij werkelijk een steek met een dolk had gekregen. “Maar ik verbeeldde mij dat, toen hij nog een jongen was. Ik geloofde het. Ik hield het voor waarheid. Ik zag hem onbezorgd langs den rand der onzichtbare diepte gaan, waar velen even vroolijk wandelen, en zoovelen.…”—“De oude verontschuldiging,” zeide zijn broeder, het vuur oppokende. “Zoovelen.—Ga maar voort. Zeg: zoovelen in neerstorten.”—“Waarin één reiziger neerstortte,” zeide de ander, “die evenals hij op weg ging toen hij nog een knaap was, al meer en meer uitglipte, en lager en lager afgleed, tot hij in den afgrond stortte en voor altijd kreupel op den bodem lag. Verbeeld u wat ik geleden heb toen ik dien knaap zoo zag.”—“Dat hebt gij alleen aan u zelven te danken,” antwoordde James.—“Alleen aan mij zelven,” zeide John met een zucht. “Ik zoek de schuld of de schande niet te deelen.”—“Gijhebtde schande gedeeld,” prevelde James Carker tusschen[91]zijne tanden; en door zoovele en zoo dicht geslotene tanden kon hij zeer duidelijk prevelen.—“Ach, James,” antwoordde zijn broeder, voor de eerste maal een toon van verwijt aannemende, schoon hij, naar den klank zijner stem, de handen voor zijn gezicht scheen te houden, “ik ben u sedert altijd nuttig geweest als een contrast. Gij hebt gerust op mij getrapt om hooger te klimmen. Schop mij nu niet nog met den voet!”Er volgde eene poos van stilte. Men hoorde Carker den chef onder zijne papieren ritselen, alsof hij een eind aan het gesprek wilde maken. Te gelijk kwam zijn broeder dichter naar de deur.“Dat is alles,” zeide hij. “Ik heb hem zoo met vreezen en beven gadegeslagen, dat dit wel reeds eenige straf voor mij was, tot hij de plaats voorbij was waar ik de eerste maal viel, en toen, al was ik zijn vader geweest, geloof ik dat ik God niet hartelijker had kunnen danken. Ik durfde hem niet waarschuwen of raad geven; maar als ik er bepaalde reden voor had gezien, zou ik hem mijn voorbeeld getoond hebben. Ik was bang dat men mij met hem zou zien spreken, opdat men niet denken zou dat ik hem kwaad deed of bedierf—opdat ik dat niet werkelijk zou doen. Er kan wel iets besmettelijks in mij zijn; ik weet het niet. Breng mijne geschiedenis met dien Walter Gay in verband, en verbeeld u wat hij mij heeft doen gevoelen; en denk dan zachter over mij, James, als gij kunt.”Met deze woorden kwam hij de deur uit. Hij werd nog wat bleeker toen hij Walter zag staan, en nog wat bleeker, toen deze hem bij de hand vatte en fluisterend zeide:“Mijnheer Carker, laat ik u mogen danken! Laat ik u mogen zeggen wat ik voor u gevoel! Hoe spijt het mij dat ik de ongelukkige oorzaak van dit alles geweest ben! Ik houd u nu bijna voor mijn bewaker en beschermer. Hoe dankbaar ben ik u, en hoe beklaag ik u!” zeide Walter, hem bij beide handen vattende, en van ontroering nauwelijks wetende wat hij zeide of deed.Daar de kamer van Morfin ledig was en de deur wijd openstond, gingen beide van zelf daarbinnen; want in den gang werd gedurig heen en weder geloopen. Daar in de kamer zag Walter op Carker’s gezicht eenige sporen der beweging in zijn binnenste, en het was hem bijna alsof hij dat gezicht nog nooit had gezien, zoozeer was het veranderd.“Walter,” zeide hij, zijne hand op des jonkmans schouder leggende, “ik ben ver van u af; en moge ik dat altijd blijven! Weet gij wel wat ik ben?”—“Wat gij zijt!” scheen op Walter’s lippen te zweven, terwijl hij hem oplettend aanzag.—“Het begon voor mijn een en twintigsten verjaardag,” zeide Carker. “De grond werd er al vroeger toe gelegd, maar het begon niet voor tegen dien tijd. Toen ik meerderjarig werd had ik hen bestolen. Ik bestal hen nog naderhand. Voor mijn twee en twintigsten verjaardag was alles uitgekomen; en toen, Walter, was ik voor allen omgang met menschen dood.”Wederom zweefden zijne laatste woorden Walter bevend op de lippen, maar hij kon ze niet uitspreken, en ook zelf niets zeggen.“De patroon was zeer goed voor mij! God beloone den ouden man voor zijne barmhartigheid! Ook deze, zijn zoon, die toen pas in de zaak was gekomen, waarin ik een post van groot vertrouwen had gehad. Ik werd in die kamer geroepen, die nu de zijne is—ik ben er sedert nooit weder in geweest—en toen ik er uitkwam was ik, wat gij weet en kent. Vele jaren lang heb ik op mijne tegenwoordige plaats gezeten, alleen, evenals nu, maar toen een bekend en erkend voorbeeld voor de anderen. Zij waren allen barmhartig voor mij, en ik bleef leven. De tijd heeft dit gedeelte van mijne boete gewijzigd, en ik geloof dat er, behalve de drie hoofden van het kantoor, niemand hier is, die mijne geschiedenis recht weet. Eer de kleine jongen groot is, en ze hem verteld wordt, zal mijn hoek misschien wel ledig zijn. Ik mag wel lijden dat het zoo is. Dit is de eenige verandering voor mij sedert dien dag, toen ik alle hoop, jeugd, en gezelschap van goede menschen, in die kamer daar achterliet. God zegene u, Walter! Moge Hij u en allen die u dierbaar zijn eerlijk doen blijven, of hen laten sterven!”Eene herinnering, dat hij van het hoofd tot de voeten beefde, alsof het van koude was, en toen in tranen uitbarstte, was al wat Walter hierbij kon voegen, toen hij zich naderhand nauwkeurig poogde te bezinnen wat er tusschen hen was voorgevallen.Toen Walter hem de volgende maal zag, zat hij, als vanouds, stil en nederig over zijn lessenaar gebogen. Toen ziende hoe hij blijkbaar wenschte dat er geen verdere omgang tusschen hen zou plaats hebben, en nog eens denkende over alles wat hij dien morgen in zulk een korten tijd van de geschiedenis der beide Carkers’s had vernomen, kon Walter nauwelijks gelooven dat hij last had gekregen om naarWest-Indiëte vertrekken, en spoedig voor oom Sam en kapitein Cuttle zou verloren zijn, en zelfs die enkele blikken van Florence Dombey—neen, hij meende Paul—en alles wat hij in zijn dagelijksch leven liefhad en met verlangen te gemoet zag, zou moeten missen.Maar het was toch waar, en het nieuws had reeds het groote kantoor bereikt; want terwijl hij met een beklemd hart over al die dingen zat na te denken, en zijn hoofd in zijne hand liet rusten, kwam Perch, de boodschaplooper,[92]van zijn bankje, stiet hem aan den elleboog, en verzocht hem het niet kwalijk te nemen, maar wenschte hem toch in het oor te fluisteren, of hij geene kans zag om hem goedkoop een pot geconfijte gember over te zenden, tegen den tijd dat jufvrouw Perch na hare aanstaande bevalling weder op de been kwam.

Het kantoor van Dombey was in eene blindloopende straat of pleintje, waar op den hoek een stalletje met eene keur van fijne fruit was gevestigd, en tusschen tien en vijf uur wandelende kooplieden, van beide seksen, pantoffels, zakportefeuilles, sponsen, halsbanden voor honden, en stukjes zeep te koop boden; en somtijds ook een brak of eene schilderij in olieverf.

Als de brak dien weg kwam, was het met het oog op de effectenbeurs, waar een smaak voor jachtvermaken (doorgaans uit weddenschappen om nieuwe hoeden spruitende) zeer in de mode is. De andere dingen waren voor het publiek in het algemeen bestemd; maar zij werden door de kooplieden nooit aan Dombey aangeboden. Als hij kwam gingen zij eerbiedig op zijde. De voornaamste pantoffel- en halsbandman—die zich zelven voor een publiek persoon hield, en wiens portret inCheapsideop de deur van een schilder was geschroefd—wees, als mijnheer Dombey voorbijkwam, met zijn voorvinger naar den rand van zijn hoed. De kruier van de buurt liep, als hij niet met eene boodschap uit was, altijd gedienstig vooruit, om de deur van het kantoor zoo wijd mogelijk open te doen, en hield ze met den hoed in de hand open, terwijl Dombey binnenging.

De klerken daarbinnen waren vooral niet achterlijk met hunne bewijzen van eerbied. Er heerschte eene plechtige stilte, wanneer Dombey het buitenkantoor door kwam. De grappenmaker onder den troep werd in een oogenblik even stom als de rij lederen brandemmers, die omhoog achter hem hing. Het flauwe daglicht, dat door de vensters en lantarens van dof geslepen glas heendrong, vertoonde de boeken en papieren, en de daarover gebogene gedaanten, in eene deftige schemering, zoozeer van de buitenwereld afgezonderd, alsof zij op den bodem van den oceaan verzameld waren; terwijl een duf, gewelfd brandkamertje in het duistere verschiet, waar altijd eene lamp met een schermpje brandde, de grot van een zeemonster had kunnen verbeelden, dat met een vurig oog deze geheimen der diepte verspreidde.

Wanneer Perch, de boodschaplooper, die zijne vaste plaats op een bankje had, dat hem eenigszins naar eene staande klok op eene console deed gelijken, Dombey zag binnenkomen—of liever als hij hem voelde aankomen, want hij werd meestal door zeker instinct voor zijne nadering gewaarschuwd—haastte hij zich naar Dombey’s kamer, pookte het vuur op, schudde er versche kolen uit den emmer bij, hing de courant op den haardrand te drogen, zette den stoel gereed en het vuurscherm op zijne plaats, en draaide, juist op het oogenblik dat Dombey binnenkwam, op zijn hiel rond, om hem zijne overjas en hoed af te nemen en op te hangen. Dan nam Perch de courant, zwaaide ze nog een paar malen voorbij het vuur, en legde ze eerbiedig bij Dombey’s elleboog. En zoo weinig bezwaar had Perch in het betoonen van den uitersten eerbied, dat het hem des te beter zou hebben bevallen als hij zich zelven voor Dombey’s voeten had mogen werpen, en hem met zulke titels aanspreken als men den Kalif Haroun Alraschid placht te geven.

Daar dit eerbewijs echter eene gewaagde nieuwigheid zou zijn geweest, moest Perch zich vergenoegen met zoo goed hij kon door zijne houding uit te drukken: gij zijt het licht van mijne oogen; gij zijt de adem mijner ziel; gij zijt de beheerscher van den geloovigen Perch! Door dit onvolmaakte geluk opgebeurd, sloot hij zachtjes de deur, ging op de teenen heen, en liet zijn grooten meester onder den glazen koepel in het plat zitten, aangestaard door leelijke schoorsteenen en achtermuren van huizen, en vooral door een onbeschaamd venster van een haarsnijsalon, waar een wassen borstbeeld, des morgens zoo kaal als een Turk, en na elf uur met den weligsten haartooi volgens de laatste christelijke mode versierd, hem eeuwiglijk den achterkant van zijn hoofd toonde.

Tusschen Dombey en de gewone wereld, gelijk zij door het buitenkantoor toegankelijk was, bestonden twee trappen van afdaling. Mijnheer Carker in zijn eigen kantoor was de eerste trap; mijnheer Morfin in zijn eigen kantoor was de tweede. Ieder van deze heeren had een vertrekje gelijk een badkamertje, dat bij de deur van Dombey in den gang uitkwam. Carker,[87]als Groot Vizier, bewoonde het vertrek dichtst bij den Sultan. Morfin, als van lager rang, had de kamer dichtst bij de klerken.

De laatstgenoemde heer was een tamelijk bejaard oud vrijer, met een vroolijk uitzicht en lichtbruine oogen; deftig gekleed, wat zijne bovenste helft betrof, in het zwart, en wat de beenen aanging, in peper- en zoutkleur. Zijne donkere haren hadden hier en daar een vlekje grijs, alsof de voetstap van den tijd ze bespat had, en zijn bakkebaard was reeds wit. Hij had een grooten eerbied voor Dombey en bewees hem verplichte hulde; maar daar hij zelf van een vroolijk temperament was, en nooit geheel op zijn gemak in het bijzijn van zijn statigen patroon, kwelde hem geene jaloezie op de vele mondgesprekken die Carker ten deel vielen, en was hij zelfs heimelijk vergenoegd dat hij een post waarnam, welke hem slechts zelden er aan blootstelde om tot zulk eene onderscheiding te worden uitgekozen. Hij was op zijne manier een groot muziekliefhebber—na de zaken; en koesterde eene vaderlijke genegenheid voor zijne violoncel, die eens in de week vanIslington, zijne woonplaats, naar zeker salon dicht bij de Bank werd gebracht, waar eene vereeniging van liefhebbers elken woensdagavond de gruwelijkste en martelendste quartetten speelde.

Carker was een heer van acht en dertig of veertig jaren, met eene blozende kleur, en twee ongeschonden rijen glinsterende tanden, welker regelmatigheid en witheid iets hinderlijks hadden. Het was onmogelijk er niet op te letten, want hij liet ze altijd zien wanneer hij sprak, en had zulk een breeden glimlach (die zich echter zeer zelden verder dan zijn mond uitstrekte) dat zijn gezicht bij het lachen eenigszins naar dat van eene blazende kat geleek. Hij droeg eene stijve witte das, op het voorbeeld van zijn principaal, en was altijd spannend gekleed en dicht toegeknoopt. Zijne houding tegenover Dombey was diep doordacht. Hij was gemeenzaam met hem, juist om het uiterste van zijn gevoel van den afstand tusschen hen uit te drukken. “Mijnheer Dombey, voor iemand in uwe positie van iemand in de mijne, is er geene vertooning van onderdanigheid, zoover maar met het behandelen van zaken vereenigbaar is, die ik genoegzaam kan achten. Ik zeg u daarom rondborstig, mijnheer, ik zie er geheel van af. Ik gevoel dat ik mij zelven niet zou kunnen voldoen, en gij, mijnheer Dombey, kunt mijne ontoereikende pogingen wel missen.” Als hij deze woorden op een biljet gedrukt op de borst van zijn rok had gedragen, om ze Dombey telkens te laten lezen, had hij niet duidelijker kunnen zijn.

Dit was Carker de chef. Carker junior, Walter’s vriend, was zijn broeder, twee of drie jaren ouder dan hij, maar ver beneden hem in stand. De jongste broeder stond op de bovenste sport van de ladder, de oudste geheel onderaan. De oudste broeder klom nooit eene sport hooger, lichtte zelfs nooit een voet op om dat te doen. Jongelieden sprongen hem voorbij en kwamen al hooger en hooger; maar hij bleef altijd onderaan. Hij was volkomen tevreden met dien lagen rang, klaagde er nooit over en had zeker nooit gehoopt er zich boven te verheffen.

“Hoe vaart gij van morgen?” zeide Carker de chef, op zekeren ochtend de kamer van Dombey binnenkomende, met eenige papieren in de hand.—“Hoe vaart gij, Carker?” zeide Dombey, van zijn stoel opstaande en zich met den rug naar het vuur plaatsende. “Hebt ge daar iets voor mij?”—“Ik weet niet of ik u wel behoef lastig te vallen,” antwoordde Carker, de papieren in zijne hand naziende. “Gij hebt vandaag om drie uren eene vergadering, zooals gij weet.”—“En nog eene kwartier voor vieren,” zeide Dombey.—“Laat men u eens betrappen dat gij iets vergeet!” riep Carker uit, nog zijne papieren naziende. “Als jonge heer Paul uw geheugen erft, zal hij een lastige patroon zijn. Wij hebben al genoeg aan één zoo.”—“Gij hebt zelf een goed geheugen,” zeide Dombey.—“O, ik,” antwoordde Carker. “Dat is het eenige kapitaal van iemand als ik.”

Dombey keek niet minder statig, en ook geheel niet misnoegd, terwijl hij, tegen den schoorsteenmantel leunende, zijn (natuurlijk hiervan geheel onbewusten) boekhouder, van het hoofd tot de voeten opnam. De stijfheid en netheid van Carker’s kleeding, en zekere aanmatiging in zijne manieren, die hem of natuurlijk of naar een niet ver verwijderd model gevolgd was, gaven zijne nederigheid iets nog meer in het oog loopends. Hij scheen een man te zijn, die, als hij kon, wel had willen kampen tegen de macht, die hem overwon, maar door de grootheid van Dombey geheel overstelpt werd.

“Is Morfin hier?” vroeg Dombey na eene korte poos van stilte, waaronder Carker in zijne papieren had gebladerd en bij zich zelven het een en ander daaruit gepreveld.—“Ja, Morfin is hier,” antwoordde hij met zijn breedsten glimlach opziende, “en neuriet muzikale herinneringen—uit de quartetten van gisteravond denk ik,—door den muur tusschen ons, dat ik er half dol van word. Ik wenschte dat hij een vreugdevuurtje van zijn violoncel stookte en daarin zijne muziekboeken verbrandde.”—“Gij respecteert toch niemand, Carker,” zeide Dombey hierop.—“Niet?” zeide Carker, met nog eene breede en allerkatachtigste vertooning van zijne tanden. “Wel! Niet veel menschen, geloof ik. Misschien,” prevelde hij, alsof hij dit maar bij zich zelven dacht, “niet meer dan een.”

Eene gevaarlijke eigenschap, indien zij echt, en niet minder gevaarlijk als zij maar geveinsd is. Maar Dombey scheen zoo niet te denken,[88]terwijl hij, tot zijne volle lengte uitgerekt, met zijn rug naar het vuur stond, en zijn eersten boekhouder aanzag met eene deftige bedaardheid, waarin een nog sterker gevoel van macht dan gewoonlijk scheen te schuilen.

“Van Morfin gesproken,” hervatte Carker, een papier uit de anderen uitzoekende, “hij rapporteert dat er aan het hulpkantoor opBarbadoseen jongste klerk dood is, en stelt voor in de Zoon en Erfgenaam, die over eene maand of zoo moet uitzeilen, eene passagiersplaats voor zijn opvolger open te houden. Het zal u niet kunnen schelen wie er gaat, denk ik. Wij hebben niemand van die soort hier.”

Dombey schudde met statige onverschilligheid zijn hoofd.

“Het is geen beste post,” merkte Carker aan, eene pen opnemende om de beslissing op den achterkant van het papier aan te teekenen. “Ik hoop dat hij een zoon of neef van een muzikalen vriend heeft om er mee te begeven. Dat zalhemmisschien van de viool afhouden, als hij er liefhebberij in heeft. Wie daar? Binnen!”—“Neem mij niet kwalijk, mijnheer Carker. Ik wist niet dat gij hier waart, mijnheer,” antwoordde Walter, die zich nu vertoonde, met eenige pas aangekomene brieven in de hand. “Mijnheer Carker junior …”

Op het hooren van dien naam scheen Carker de chef zich door schaamte overstelpt te gevoelen. Hij sloeg zijne oogen met een blik van verlegenheid en verontschuldiging naar Dombey op, daarop naar den grond en zweeg een oogenblik alsof hij verstomd was.

“Ik dacht,” zeide hij eensklaps, zich gramstorig naar Walter keerende, “dat u al meer verzocht was om mijnheer Carker Junior buiten uw gesprek te laten.”—“Neem mij niet kwalijk, mijnheer,” antwoordde Walter, “ik wilde maar zeggen, dat mijnheer Carker junior mij gezegd had te denken dat gij uit waart, of ik zou niet aan de deur geklopt hebben terwijl gij bij mijnheer Dombey waart. Dit zijn brieven voor mijnheer Dombey, mijnheer.”—“Goed,”zeide Carker de chef, hem de brieven driftig uit de hand rukkende. “Ga maar weer heen.”

Maar door zijne ruwheid liet hij een van de brieven, zonder dat hij of Dombey het zag, op den grond vallen. Walter aarzelde een oogenblik, om te zien of een van beiden dien brief zou opmerken, en toen dit niet zoo was, bleef hij staan, keerde terug, raapte hem op en legde hem zelf op Dombey’s lessenaar. Toevallig was deze brief juist het wekelijksche rapport van mevrouw Pipchin, volgens gewoonte—daar mevrouw Pipchin eene slechte schrijfster was—door Florence geadresseerd. Dombey, wiens aandacht door Walter stilzwijgend op den brief werd gevestigd, zag hem driftig en gramstorig aan, als dacht hij dat Walter dien met opzet uit de anderen had gezocht.

“Gij kunt heengaan,” zeide Dombey trotsch.

Hij kneep den brief in zijne hand samen, en stak hem, toen hij Walter de deur had zien uitgaan, ongeopend in zijn zak.—“Gij hadt iemand noodig, hebt gij daar gezegd, om naarWest-Indiëte zenden,” merkte Dombey haastig aan.—“Ja,” antwoordde Carker.—“Zend den jongen Gay.”—“Goed, heel goed. Niets gemakkelijker,” zeide Carker, zonder eenig blijk van verwondering, en de pen weder opnemende, schrapte hij zijne eerste aanteekening uit, en schreef, even koel als te voren: “Gay zenden.”—“Roep hem eens terug,” zeide Dombey.

Carker deed dit snel, en Walter was even snel weder binnen.

“Gay,” zeide Dombey, zich eenigszins omkeerende om hem over zijn schouder aan te zien. “Er is …”—“Eene plaats open,” zeide Carker, met zijn mond zoo breed mogelijk uitgerekt.—“InWest-Indië. OpBarbados. Ik zal u daarheen zenden,” zeide Dombey, het beneden zich achtende om de naakte waarheid eenigszins op te sieren, “als jongste klerk op het kantoor daar. Zeg uw oom van mij, dat ik u gekozen heb om naarWest-Indiëte gaan.”

Walter was zoo verbaasd, dat hij niets anders kon doen dan het woord “West-Indië” te herhalen.

“Er moet iemand gaan,” zeide Dombey, “en gij zijt jong en gezond, en uw ooms omstandigheden zijn niet gunstig. Zeg uw oom dat gij benoemd zijt. Gij behoeft niet terstond te gaan. Het zal nog eene maand duren,—twee misschien.”—“Zal ik daar blijven, mijnheer?” vroeg Walter.—“Of gij daar blijven zult!” herhaalde Dombey, zich een weinig meer naar hem omkeerende. “Wat meent gij? Wat meent hij, Carker?”—“Voor vast, mijnheer,” stamelde Walter.—“Zekerlijk,” antwoordde Dombey.

Walter boog.

“Dat is alles,” zeide Dombey, zich weder naar zijne brieven keerende. “Gij zult hem wel eens van de gewone uitrusting en zoo voort spreken, Carker. Hij behoeft niet te wachten, Carker.”—“Gij behoeft niet te wachten, Gay,” zeide Carker, die nu zelfs zijn tandvleesch liet zien.—“Of,” zeide Dombey, met het lezen ophoudende, maar zonder van zijn brief op te zien, en alsof hij luisterde, “of hij moest iets te zeggen hebben.”—“Neen, mijnheer,” antwoordde Walter, onthutst en verlegen, bijna versuft zelfs door de menigte van schilderijen die hem op eens voor den geest kwamen, en waaronder kapitein Cuttle met zijn blinkenden hoed, versteend van verbazing, en zijn oom in het achterkamertje zijn verlies beklagende, voorname plaatsen bekleedden.—“Ik weet haast niet—ik—ik ben u wel dankbaar,[89]mijnheer.”—“Hij behoeft niet te wachten, Carker,” zeide Dombey.

En toen Carker deze woorden nog eens herhaalde, en zijne papieren opzamelde, alsof hij ook heenging, gevoelde Walter dat het eene onvergeeflijke lompheid zou zijn als hij langer bleef dralen—vooral daar hij niets te zeggen had—en ging dus geheel verbijsterd de kamer uit.

Hij was nog in den gang, evenals in een droom, maar half bewust van hetgeen er gebeurd was, toen hij Dombey’s kamerdeur nog eens hoorde openen en sluiten. Carker kwam er uit en riep hem na:

Onder dit gesprek had Walter, vol smart en verbazing, nu den een en dan den ander aangezien. (blz. 90).Onder dit gesprek had Walter, vol smart en verbazing, nu den een en dan den ander aangezien.(blz. 90).

Onder dit gesprek had Walter, vol smart en verbazing, nu den een en dan den ander aangezien.(blz. 90).

“Breng uw vriend, mijnheer Carker Junior, eens bij mij in de kamer, jonge heer, als het u belieft.”

Walter ging naar het groote kantoor en bracht zijne boodschap aan Carker Junior over, die daarop van achter het schut kwam, waar hij alleen in een hoek zat, en met hem naar de kamer van Carker den chef ging.

De heer stond, met zijn rug naar het vuur en de handen onder de rokspanden, zoo stijf over zijne witte das te kijken als Dombey zelf had kunnen doen. Hij ontving hen zonder eenigszins van houding te veranderen of de dreigende uitdrukking van zijn gezicht te verzachten, en gaf slechts Walter een wenk om de deur te sluiten.

“John Carker,” zeide de chef, toen dit geschied was zich plotseling naar zijn broeder keerende, met een paar rijen tanden alsof hij hem wilde bijten, “welk verbond bestaat er toch tusschen u en dit jonge mensch, om mij met uw naam te vervolgen en te kwellen? Is het u niet genoeg, John Carker, dat ik uw naaste bloedverwant ben en mij niet kan losmaken van die …”—“Zeg maar schande, James,” zeide de ander met eene zachte stem, toen hij zag dat de spreker om een woord verlegen was. “Gij meent dat toch, en hebt er wel reden toe. Zeg maar schande.”—“Van die schande dan,” zeide zijn broeder met scherpen nadruk, “maar moet de zaak weder gedurig worden opgehaald en uitgebazuind—voor den patroon zelven—en dat in oogenblikken van vertrouwen? Denkt gij dat uw naam[90]hier eenigszins met het woord vertrouwen harmonieert, John Carker?”—“Neen,” was het antwoord. “Neen, James. God weet dat ik dat niet denk.”—“Wat denkt gij dan, en waarom komt gij mij gedurig in den weg? Hebt ge mij niet al genoeg benadeeld?”—“Ik heb u nooit met opzet benadeeld, James.”—“Gij zijt mijn broeder,” zeide de chef. “Dat is al erg genoeg.”—“Ik wenschte dat ik het onwaar kon maken.”—“Dat wenschte ik ook.”

Onder dit gesprek had Walter, vol smart en verbazing, nu den een en dan den ander aangezien. Hij, die de oudste in jaren en de jongste op het kantoor was, stond, met gebogen hoofd en met op den grond gevestigde oogen, nederig naar de verwijten van den ander te luisteren. Hoezeer deze ook door toon en blik, en vooral door de tegenwoordigheid van Walter, werden verbitterd, hij bracht er niets tegen in, behalve dat hij even zijne rechterhand smeekend ophield, als wilde hij zeggen: “Spaar mij!”

Edelmoedig en vurig in al wat hij deed, viel Walter, die zich zelven voor de onschuldige oorzaak dezer verwijten hield, er nu op in:

“Mijnheer Carker, het is waarlijk alleen mijne schuld. Door eene onbedachtzaamheid, die ik mij zelven niet genoeg kan verwijten, heb ik zeker meermalen van mijnheer Carker Junior gesproken dan noodig was, en mij somtijds wel zijn naam laten ontvallen, waar gij mij uitdrukkelijk daarvoor gewaarschuwd hadt. Maar dat was geheel mijn bedrijf, mijnheer. Wij hebben nooit een woord daarover gewisseld,—wij hebben over het geheel maar zeer weinig met elkander gesproken. En het is ook,” vervolgde hij na een oogenblik zwijgens, “niet geheel onbedachtzaamheid van mij geweest, mijnheer; want zoolang ik hier ben, heb ik veel belangstelling voor mijnheer Carker gevoeld, en zoo kon ik somtijds haast niet nalaten van hem te spreken, omdat ik zooveel om hem dacht.”

Walter zeide dit met oprechtheid en vuur; want hij zag het gebogene hoofd, en de neergeslagene oogen, en de opgehevene hand, en dacht: “Ik heb het gevoeld; en waarom zou ik het niet bekennen, als het dien armen daar, die door iedereen miskend schijnt te worden, misschien iets kan baten.”

“Waarlijk, gij hebt mij altijd vermeden, mijnheer Carker,” zeide Walter, met tranen in de oogen; zoo hartelijk was zijn medelijden, “dat weet ik tot mijne spijt. Toen ik pas hier kwam, en op den duur, heb ik altijd uw vriend willen zijn, zooveel iemand van mijne jaren zich dat kon laten voorstaan; maar het heeft niet gebaat.”—“En onthoud, Gay,” viel de chef er snel op in, “dat het nog minder baten zal, als gij voortgaat met mijnheer Carker iedereen onder de aandacht te willen dwingen. Dit is de manier niet om mijnheer John Carker’s vriend te zijn. Vraag hem zelven maar of hij dat wel denkt.”—“Het doet mij geen dienst,” zeide de broeder. “Het geeft maar aanleiding tot zulk een gesprek als dit, en ik behoef niet te zeggen dat ik dit gaarne had willen missen. Niemand kan zich beter mijn vriend toonen,” hier sprak hij zeer duidelijk, alsof hij het Walter wilde inprenten, “dan door mij te vergeten, en mij mijn weg te laten gaan, zonder op mij te letten of mij iets te vragen.”—“Daar gij geen sterk geheugen hebt, Gay, voor hetgeen anderen u zeggen,” zeide Carker de chef, beter tevreden naar het scheen, “dacht ik dat gij dit eens uit de beste bron moest hooren;” naar zijn broeder knikkende. “Gij zult het nu niet meer vergeten, hoop ik. Dat is alles Gay. Gij kunt gaan.”

Walter ging de deur uit, en wilde ze juist achter zich sluiten, toen hij weder de stemmen der broeders hoorde en zijn eigen naam hoorde noemen. Nu bleef hij staan met de hand aan de kruk, in twijfel of hij zou terugkeeren of heengaan, en kon dus niet nalaten te hooren wat er volgde.

“Denk zachter over mij, als gij kunt, James,” zeide John Carker, “als ik u zeg—hoe kon het anders, met mijne geschiedenis, hier geschreven”—met deze woorden gaf hij zich een slag op de borst—“als ik u zeg dat het mij tot in de ziel roerde toen ik dien Walter Gay zag. Ik zag in hem, toen hij pas hier kwam, bijna een evenbeeld van mij zelven.”—“Van u zelven!” herhaalde James met minachting.—“Niet zooals ik nu ben, maar zooals ik was toen ik ook pas hier kwam; even los, vurig, jongensachtig en onervaren; vol van dezelfde onrust en avontuurlijke inbeeldingen, met denzelfden aanleg voor goed en kwaad.”—“Ik hoop van neen,” zeide zijn broeder, met eene verborgene smadelijke beteekenis in zijn toon.—“Gij raakt mij diep,” zeide de ander, met eene stem (dacht Walter) alsof hij werkelijk een steek met een dolk had gekregen. “Maar ik verbeeldde mij dat, toen hij nog een jongen was. Ik geloofde het. Ik hield het voor waarheid. Ik zag hem onbezorgd langs den rand der onzichtbare diepte gaan, waar velen even vroolijk wandelen, en zoovelen.…”—“De oude verontschuldiging,” zeide zijn broeder, het vuur oppokende. “Zoovelen.—Ga maar voort. Zeg: zoovelen in neerstorten.”—“Waarin één reiziger neerstortte,” zeide de ander, “die evenals hij op weg ging toen hij nog een knaap was, al meer en meer uitglipte, en lager en lager afgleed, tot hij in den afgrond stortte en voor altijd kreupel op den bodem lag. Verbeeld u wat ik geleden heb toen ik dien knaap zoo zag.”—“Dat hebt gij alleen aan u zelven te danken,” antwoordde James.—“Alleen aan mij zelven,” zeide John met een zucht. “Ik zoek de schuld of de schande niet te deelen.”—“Gijhebtde schande gedeeld,” prevelde James Carker tusschen[91]zijne tanden; en door zoovele en zoo dicht geslotene tanden kon hij zeer duidelijk prevelen.—“Ach, James,” antwoordde zijn broeder, voor de eerste maal een toon van verwijt aannemende, schoon hij, naar den klank zijner stem, de handen voor zijn gezicht scheen te houden, “ik ben u sedert altijd nuttig geweest als een contrast. Gij hebt gerust op mij getrapt om hooger te klimmen. Schop mij nu niet nog met den voet!”

Er volgde eene poos van stilte. Men hoorde Carker den chef onder zijne papieren ritselen, alsof hij een eind aan het gesprek wilde maken. Te gelijk kwam zijn broeder dichter naar de deur.

“Dat is alles,” zeide hij. “Ik heb hem zoo met vreezen en beven gadegeslagen, dat dit wel reeds eenige straf voor mij was, tot hij de plaats voorbij was waar ik de eerste maal viel, en toen, al was ik zijn vader geweest, geloof ik dat ik God niet hartelijker had kunnen danken. Ik durfde hem niet waarschuwen of raad geven; maar als ik er bepaalde reden voor had gezien, zou ik hem mijn voorbeeld getoond hebben. Ik was bang dat men mij met hem zou zien spreken, opdat men niet denken zou dat ik hem kwaad deed of bedierf—opdat ik dat niet werkelijk zou doen. Er kan wel iets besmettelijks in mij zijn; ik weet het niet. Breng mijne geschiedenis met dien Walter Gay in verband, en verbeeld u wat hij mij heeft doen gevoelen; en denk dan zachter over mij, James, als gij kunt.”

Met deze woorden kwam hij de deur uit. Hij werd nog wat bleeker toen hij Walter zag staan, en nog wat bleeker, toen deze hem bij de hand vatte en fluisterend zeide:

“Mijnheer Carker, laat ik u mogen danken! Laat ik u mogen zeggen wat ik voor u gevoel! Hoe spijt het mij dat ik de ongelukkige oorzaak van dit alles geweest ben! Ik houd u nu bijna voor mijn bewaker en beschermer. Hoe dankbaar ben ik u, en hoe beklaag ik u!” zeide Walter, hem bij beide handen vattende, en van ontroering nauwelijks wetende wat hij zeide of deed.

Daar de kamer van Morfin ledig was en de deur wijd openstond, gingen beide van zelf daarbinnen; want in den gang werd gedurig heen en weder geloopen. Daar in de kamer zag Walter op Carker’s gezicht eenige sporen der beweging in zijn binnenste, en het was hem bijna alsof hij dat gezicht nog nooit had gezien, zoozeer was het veranderd.

“Walter,” zeide hij, zijne hand op des jonkmans schouder leggende, “ik ben ver van u af; en moge ik dat altijd blijven! Weet gij wel wat ik ben?”—“Wat gij zijt!” scheen op Walter’s lippen te zweven, terwijl hij hem oplettend aanzag.—“Het begon voor mijn een en twintigsten verjaardag,” zeide Carker. “De grond werd er al vroeger toe gelegd, maar het begon niet voor tegen dien tijd. Toen ik meerderjarig werd had ik hen bestolen. Ik bestal hen nog naderhand. Voor mijn twee en twintigsten verjaardag was alles uitgekomen; en toen, Walter, was ik voor allen omgang met menschen dood.”

Wederom zweefden zijne laatste woorden Walter bevend op de lippen, maar hij kon ze niet uitspreken, en ook zelf niets zeggen.

“De patroon was zeer goed voor mij! God beloone den ouden man voor zijne barmhartigheid! Ook deze, zijn zoon, die toen pas in de zaak was gekomen, waarin ik een post van groot vertrouwen had gehad. Ik werd in die kamer geroepen, die nu de zijne is—ik ben er sedert nooit weder in geweest—en toen ik er uitkwam was ik, wat gij weet en kent. Vele jaren lang heb ik op mijne tegenwoordige plaats gezeten, alleen, evenals nu, maar toen een bekend en erkend voorbeeld voor de anderen. Zij waren allen barmhartig voor mij, en ik bleef leven. De tijd heeft dit gedeelte van mijne boete gewijzigd, en ik geloof dat er, behalve de drie hoofden van het kantoor, niemand hier is, die mijne geschiedenis recht weet. Eer de kleine jongen groot is, en ze hem verteld wordt, zal mijn hoek misschien wel ledig zijn. Ik mag wel lijden dat het zoo is. Dit is de eenige verandering voor mij sedert dien dag, toen ik alle hoop, jeugd, en gezelschap van goede menschen, in die kamer daar achterliet. God zegene u, Walter! Moge Hij u en allen die u dierbaar zijn eerlijk doen blijven, of hen laten sterven!”

Eene herinnering, dat hij van het hoofd tot de voeten beefde, alsof het van koude was, en toen in tranen uitbarstte, was al wat Walter hierbij kon voegen, toen hij zich naderhand nauwkeurig poogde te bezinnen wat er tusschen hen was voorgevallen.

Toen Walter hem de volgende maal zag, zat hij, als vanouds, stil en nederig over zijn lessenaar gebogen. Toen ziende hoe hij blijkbaar wenschte dat er geen verdere omgang tusschen hen zou plaats hebben, en nog eens denkende over alles wat hij dien morgen in zulk een korten tijd van de geschiedenis der beide Carkers’s had vernomen, kon Walter nauwelijks gelooven dat hij last had gekregen om naarWest-Indiëte vertrekken, en spoedig voor oom Sam en kapitein Cuttle zou verloren zijn, en zelfs die enkele blikken van Florence Dombey—neen, hij meende Paul—en alles wat hij in zijn dagelijksch leven liefhad en met verlangen te gemoet zag, zou moeten missen.

Maar het was toch waar, en het nieuws had reeds het groote kantoor bereikt; want terwijl hij met een beklemd hart over al die dingen zat na te denken, en zijn hoofd in zijne hand liet rusten, kwam Perch, de boodschaplooper,[92]van zijn bankje, stiet hem aan den elleboog, en verzocht hem het niet kwalijk te nemen, maar wenschte hem toch in het oor te fluisteren, of hij geene kans zag om hem goedkoop een pot geconfijte gember over te zenden, tegen den tijd dat jufvrouw Perch na hare aanstaande bevalling weder op de been kwam.


Back to IndexNext