[Inhoud]XIX.WALTER VERTREKT.De houten adelborst aan de deur des instrumentmakers, die ook een hard houten hart[130]had, bleef geheel onverschillig voor Walter’s aanstaand vertrek, zelfs toen de laatste dag, dien deze in het achterkamertje zou doorbrengen, ten einde liep. Met zijne sextant voor het kogelronde zwarte oog, en altijd op het punt om vlug vooruit te stappen, bleef de houten adelborst met zijne korte broek pronken, en stelde hij, in de wetenschap verdiept, geen het minste belang in aardsche zaken. Hij was in zooverre van omstandigheden afhankelijk, dat een droge dag hem met stof bedekte, een mistige dag hem met roetstippen bestrooide, een regenachtige dag zijne verbleekte uniform voor het oogenblik ophelderde, en een buitengewoon heete dag hem deed bladderen; maar anders was hij een hardvochtige, eigenwijze adelborst, die aan niets anders dacht dan zijne eigene ontdekkingen, en zich zoo weinig bekommerde om hetgeen er op de wereld en om hem heen gebeurde, als Archimedes bij het innemen vanSyracuse.Zulk een adelborst scheen hij ten minste in den toenmaligen staat der huiselijke zaken te zijn. Walter zag hem bij het uit- en ingaan dikwijls vriendelijk aan; en de arme oude Sam kwam, als Walter er niet was, dikwijls tegen den post der deur staan leunen, en liet zijne vermoeide pruik zoo dicht hij kon bij de schoengespen van den beschermgeest van zijn winkel rusten. Maar geen wanschapen afgod, met een mond van het eene oor tot het andere, was ooit onverschilliger voor het roepen zijner heidensche aanbidders, dan de houten adelborst voor deze blijken van gehechtheid was.Walter’s hart was beklemd, toen hij in zijn slaapkamertje rondzag en naar de schoorsteenen daar buiten keek, en bedacht, dat de nacht, die nu reeds begon te vallen, zijne kennis daarmede, misschien voor altijd, zou besluiten. Reeds ontdaan van de kleine uitstalling van boeken en prenten, zag het kamertje hem koud en verwijtend aan, en had het reeds een zweem van zijne aanstaande vreemdheid. “Nog eenige uren,” dacht Walter, “en geen droom, dien ik hier ooit als een schooljongen heb gehad, zal minder mijn eigendom zijn dan dit oude kamertje. De droom mag in mijn slaap terugkomen, en ik mag wakend weder hier komen; maar de droom zal ten minste geen ander meester dienen, en het kamertje kan er twintig krijgen, en ieder van die meesters kan het veranderen, verwaarloozen of misbruiken.”Maar zijn oom moest niet in het achterkamertje alleen blijven zitten, waar hij nu toch reeds eene poos alleen was geweest; want kapitein Cuttle, ruw, maar toch bedachtzaam, was zeer tegen zijn zin met opzet weggebleven, opdat oom en neef ongehinderd met elkander konden spreken; en zoo ging Walter, pas van zijne laatste dagdrukte naar huis gekomen, spoedig naar beneden om hem gezelschap te houden.“Oom,” zeide hij vroolijk, zijne hand op des ouden mans schouder leggende, “wat moet ik u vanBarbadoszenden?”—“Hoop, mijn beste Wally. Hoop dat wij elkander zullen wederzien, aan dezen kant van het graf. Zend mij daarvan zooveel gij kunt.”—“Dat zal ik, oom. Ik heb genoeg en over, en zal er niet karig mee zijn. En wat levendige schildpadden betreft, en citroenen voor kapitein Cuttle’s punch, en confituren voor u op zondag, daarvan zal ik u scheepsladingen zenden, zoodra ik maar rijk genoeg ben.”Oude Samuel veegde zijn bril af en glimlachte flauw.“Zoo is het goed, oom!” riep Walter vroolijk, hem nog eenige malen op den schouder kloppende. “Beur gij mij maar op! Ik zal u opbeuren! Wij zullen morgenochtend zoo vroolijk alsleeuwerikenzijn en even hoog vliegen. Mijne vooruitzichten zijn nu al in de wolken.”—“Wally, mijn goede jongen,” zeide de oude man. “Ik zal mijn best doen, ik zal mijn best doen.”—“En uw best, oom,” zeide Walter, met zijn innemenden lach, “is het beste best dat ik ken. Gij zult niet vergeten, wat ge mij zenden moet, oom?”—“Neen, Walter, neen,” was het antwoord, “al wat ik van jonge jufvrouw Dombey hoor, nu zij zoo alleen is, het arme schaap, zal ik u schrijven. Maar ik vrees, dat het niet veel zal zijn, Walter.”—“Wat, ik zal u eens wat zeggen, oom,” zeide Walter, na een oogenblik aarzelens. “Ik ben zoo even daarheen geweest.”—“Zoo, zoo, zoo!” zeide de oude man, zijne wenkbrauwen optrekkende, en daardoor te gelijk zijn bril omhoogschuivende.—“Niet omhaarte zien,” zeide Walter, “schoon ik haar wel had kunnen zien, denk ik, als ik er om gevraagd had, nu mijnheer Dombey uit de stad is, maar om met Suze een woordje tot afscheid te spreken. Ik dacht dat ik dit wel mocht doen, onder deze omstandigheden, en als men bedenkt, wanneer ik jonge jufvrouw Dombey het laatst gezien heb.”—“Ja, mijn jongen, ja,” antwoordde zijn oom, uit eene korte vlaag van verstrooidheid ontwakende.—“Ik vroeg dus naar haar,” vervolgde Walter, “naar Suze, meen ik, en zeide haar, dat ik morgen zou vertrekken. En ik zeide haar, oom, dat gij altijd zooveel belang in jonge jufvrouw Dombey hadt gesteld, sedert den avond toen zij hier was, en haar altijd geluk en voorspoed hadt gewenscht, en altijd vereerd en verheugd zoudt zijn als gij haar den minsten dienst kondt bewijzen; ik dacht dat ik dit wel mocht zeggen, in deze omstandigheden, weet ge. Denkt gij dat ook niet?”—“Ja, mijn jongen, ja,” antwoordde zijn oom, op denzelfden toon als te voren.—“En ik voegde er nog bij,” vervolgde Walter, “dat als zij, Suze meende ik, u ooit kon laten weten, hetzij zelve, of door[131]jufvrouw Richards of iemand anders, die dezen weg uitkwam, dat jonge jufvrouw Dombey gezond en gelukkigwas, gij dat voor heel vriendelijk zoudt houden, en het mij zoudt schrijven, en dat ik het ook voor heel vriendelijk zou houden. Daar nu! Op mijn woord, oom,” zeide Walter, “ik heb verleden nacht haast niet kunnen slapen, zoo heb ik liggen denken of ik dit zou doen of niet, en ik kon maar niet tot een besluit komen; en toch is het waarlijk het echte gevoel van mijn hart, en ik zou naderhand heel verdrietig zijn geweest als ik dat niet had lucht gegeven.”Zijn toon was bewijs genoeg van zijne oprechtheid.“Als gij haar dus ooit ziet, oom,” hervatte Walter, “ik meen nu jonge jufvrouw Dombey—en misschien zult ge wel; wie weet het!—zeg haar dan hoeveel gevoel ik voor haar had; hoe ik altijd aan haar dacht toen ik hier was; hoe ik nog met tranen in de oogen van haar sprak, op den laatsten avond eer ik heenging. Zeg haar, hoe ik toen nog gezegd heb, dat ik nooit hare zachte manieren, of haar lief gezichtje kon vergeten, of haar lief en vriendelijk karakter, dat nog beter dan alles was. En daar ik ze geene jonge dame van de voeten heb genomen, maar alleen een onnoozel kind,” zeide Walter, “zeg haar dus, oom, als het u niet schelen kan, dat ik die schoenen heb bewaard—zij zal nog wel weten hoe dikwijls ze dien avond uitgingen—en ze als eene gedachtenis heb meegenomen!”Zij werden juist in een van Walter’s koffers de deur uitgedragen. Een kruier, die zijne bagage op een wagen laadde, om ze aan boord van de Zoon en Erfgenaam te brengen, had ze in zijne macht en reed er mede heen, uit de oogen van den gevoelloozen adelborst, bijna eer de eigenaar nog had uitgesproken.Maar men had dien ouden zeeman zijne onverschilligheid voor den schat, die daar werd weggevoerd, wel kunnen vergeven, want vlak in de richting van zijne sextant en zijne scheelziende oogen, waren Florence en Suze Nipper; Florence keek zelve half beschroomd naar hem op en ontving den geheelen schok van zijn houten lonk.Nog meer, zij gingen den winkel in naar de deur van het achterkamertje, eer iemand anders dan de houten adelborst ze had waargenomen; en Walter, die met zijn rug naar de deur zat, zou zelfs toen nog niets van hare verschijning hebben geweten, als hij zijn oom niet van zijn stoel had zien opspringen en bijna over een anderen heen tuimelen.“Oom!” riep hij uit. “Wat scheelt er aan?”—“Jonge jufvrouw Dombey!” was het antwoord.—“Is het mogelijk!” riep Walter, omkijkende en insgelijks opspringende. “Hier!”Het was zoo mogelijk en zoo werkelijk, dat, eer nog de woorden uit zijn mond waren, Florence hem voorbij snelde, oom Sam’s koffiebruine lappellen vatte, met elke hand een, hem een kus op de wang drukte, en zich toen naar Walter keerende, hem met de eenvoudigheid en hartelijkheid, die haar en niemand anders in de wereld eigen waren, hare hand reikte.“Gij gaat heen, Walter!” zeide Florence.—“Ja, jufvrouw Dombey,” antwoordde hij, maar niet met zooveel hoop in zijn toon als hij wel gewild had. “Ik heb eene reis vóór mij.”—“En uw oom,” zeide Florence, weder naar Samuel omziende. “Het spijt hem zeker dat gij heengaat. Ja, dat zie ik wel. Beste Walter, het spijt mij ook zeer.”—“Onze lieve Heer weet,” riep Suze nu uit, “dat er menigeen is dien wij beter konden missen, als het daarom te doen was; mevrouw Pipchin zou als opzichter haar gewicht in goud waard zijn, en als men zwarte slaven moest kunnen drijven, zouden die Blimber’s juist de menschen zijn voor zulk een post.”Daarmede maakte zij de linten van haar hoed los, en nadat zij voor een oogenblik verstrooid in een zwart trekpotje had gekeken, dat bij het gewone eenvoudige theeservies op de tafel stond, schudde zij haar hoofd en een blikken busje en ging ongevergd thee zetten.Ondertusschen had Florence zich weder naar den ouden instrumentmaker gekeerd, die even vol van opgetogenheid als verwondering stond te kijken. “Zooveel grooter!” zeide hij. “Zooveel mooier! En toch niet veranderd! Nog juist dezelfde!”—“Waarlijk!” zeide Florence.—“Ja-a!” antwoordde de oude man, langzaam zijne handen wrijvende, en hardop denkende, terwijl iets peinzends in de heldere oogen, die hem aanzagen, zijne aandacht boeide. “Ja, die uitdrukking had het jongere gezichtje ook.”—“Gij herinnert u mij dus nog,” zeide Florence met een glimlach; “en welk een klein dingetje ik toen was?”—“Lieve jonge jufvrouw,” antwoordde de instrumentmaker, “hoe kon ik u vergeten, zoo dikwijls als ik sedert om u gedacht en van u gehoord heb! Zelfs op het oogenblik toen gij binnenkwaamt was Walter over u aan het praten, en gaf mij boodschappen voor u, en …”—“Deed hij dat?” zeide Florence. “Daarvoor dank ik u, Walter. Ik was bang dat gij mocht heengaan zonder haast om mij te denken.” En wederom gaf zij hem haar handje zoo vrijmoedig en hartelijk, dat Walter het niet zoo terstond weder kon loslaten, maar het eene poos vasthield.Hij hield het echter niet zoolang vast als hij misschien eens zou gedaan hebben, en het deed ook die oude droomen zijner jongensjaren niet weder ontwaken, die hem zelfs nog niet lang geleden somtijds voor den geest hadden gezweefd en hem met hunne verwarde en onduidelijke beelden verbijsterd. De reinheid en[132]onschuld harer lieftalligheid, haar onbeperkt vertrouwen en de ongeveinsde achting voor hem, die uit hare zachte oogen en haar lief gezichtje spraken, in weerwil van den glimlach die het overschaduwde—want, helaas, het was een te treurige glimlach om het te verhelderen—hadden niets van dat romaneske. Zij voerden zijne gedachten terug naar het vroegere sterfbed dat hij haar had zien verzachten, en de liefde die het kind haar had toegedragen; en op de vleugelen van zulke herinneringen scheen zij zich, ver boven zijne ijdele hersenschimmen, in reiner lucht te verheffen.“Ik—ik zou u gaarne Walter’s oom willen noemen, mijnheer,” zeide Florence, tot den ouden man, “als ge dat wel wilt hebben.”—“Lieve jonge jufvrouw!” riep de oude Samuel uit. “Willen hebben! Wel goede hemel!”—“Wij hebben altijd met dien naam van u gesproken,” zeide Florence, in het rond ziende en met een zachten zucht. “Dat aardige oude kamertje! Nog juist hetzelfde! Hoe goed heugt het mij nog!”Samuel zag eerst haar en toen zijn neef aan, wreef toen in zijne handen, veegde toen zijn bril af en zeide binnensmonds: “O, die tijd, die tijd, die tijd!”Er volgde eene korte poos van stilte, waaronder Suze Nipper knaphandig nog twee kopjes en schoteltjes uit de kas kreeg, en peinzend wachtte terwijl de thee stond te trekken.“Ik moet Walter’s oom,” zeide Florence, hare hand schroomvallig op die des ouden mans leggende, welke op de tafel rustte, “iets zeggen waarover ik bekommerd ben. Hij zal alleen blijven, en als hij mij wil toelaten—niet om Walter’s plaats te vervullen, want dat zou ik niet kunnen, maar om zijne ware vriendin te zijn en hem zoo veel te helpen als ik kan terwijl Walter weg is, dan zal ik hem waarlijk zeer verplicht wezen. Wilt gij? Mag ik, Walter’s oom?”De instrumentmaker bracht zonder te spreken hare hand aan zijne lippen, en Suze Nipper, met over elkander geslagene armen achteroverleunende in den presidentsstoel, waarop zij zich eigenmachtig had geplaatst, beet op een lint van haar hoed, en slaakte een zachten zucht, terwijl zij naar het lantarenraam opzag.“Gij wilt dan wel dat ik naar u kom zien als ik kan,” zeide Florence, “en gij zult geene geheimen voor Suze hebben, als zij komt en ik niet kan, maar zult ons vertrouwen en op alles antwoord geven. En gij zult ons toelaten ons best te doen om u een troost te wezen? Wilt gij, Walter’s oom?”Het lieve gezichtje, dat naar hem opzag, de vriendelijke smeekende oogen, de zachte stem, de lichte druk op zijn arm, alles nog innemender door den kinderlijken eerbied voor zijne jaren, die er een bevalligen zweem van twijfeling en beschroomdheid aan gaf—dit, en de natuurlijke ernst harer hartelijkheid, overweldigden den ouden instrumentmaker zoo zeer, dat hij niets anders antwoordde dan: “Walter, zeg toch een woord voor mij, beste jongen. Ik ben dankbaar, heel dankbaar.”—“Neen, Walter,” zeide Florence, met haar kalmen glimlach. “Zeg niets voor hem als het u belieft. Ik versta hem goed, en wij moeten leeren zonder u met elkander te praten, beste Walter.”—“Jufvrouw Florence,” antwoordde hij, zijn best doende om den vroolijken toon te hernemen, waarmede hij met zijn oom had gesproken. “Ik weet waarlijk even weinig als mijn oom, wat ik zeggen zal om zulke goedheid en vriendelijkheid te erkennen. Maar wat kon ik ook zeggen, al had ik het vermogen om een uur lang te praten, behalve dat gij doet gelijk men van u kon verwachten!”Suze Nipper begon aan een nieuw eind van haar lint, en knikte tegen den zolder, ten teeken van hare goedkeuring.“Maar, Walter,” zeide Florence, “er is iets, dat ik u wenschte te zeggen eer gij heengaat, en gij moet mij Florence noemen als het u belieft, en niet spreken als een vreemde.”—“Als een vreemde!” herhaalde Walter. “Neen, waarlijk, dat zou ik niet kunnen. Ten minste zeker niet met het gevoel van een vreemde.”—“Ja, maar dat is niet genoeg, en het is niet wat ik meen,” zeide Florence. “Want Walter,” vervolgde zij, in tranen uitbarstende, “hij hield heel veel van u, en voor zijn dood zeide hij dat hij dat deed, en zeide nog “denk om Walter!” en als gij nu een broeder voor mij wilt zijn, Walter, nu hij weg is en ik niemand op de wereld meer heb, zal ik al mijn leven eene zuster voor u wezen, en als eene zuster aan u denken, waar wij ook zijn! Dit is het dat ik u wenschte te zeggen, lieve Walter, maar ik kan het niet zoo goed zeggen als ik wilde, omdat mijn hart te vol is.”En in de volheid en lieve eenvoudigheid van haar hart, stak zij hem beide handen toe. Walter nam ze, bukte en raakte met zijne lippen het betraande gezichtje aan, dat zich niet terugtrok of omkeerde, en ook niet bloosde toen hij dit deed, maar met gerustheid en vertrouwen naar hem opzag. In dat oogenblik verdween alle zweem van twijfel of onrust uit Walter’s gemoed. Het was hem als beantwoordde hij hare onschuldige bede bij het bedje van het doode kind; en denkende aan het plechtige dat hij daar had gezien, verbond hij zich om zelfs haar beeld, in zijne ballingschap, met broederlijke hoogachting te vereeren en lief te hebben, om haar eenvoudig vertrouwen nooit te schenden, en zich zelven diep vernederd te achten als hij ooit eene gedachte daarbij koesterde, die niet in haar eigen hart was toen zij het hem gaf.[133]Suze Nipper, die beide hare linten had doorgebeten en het lantarenraam van niet weinig geheime aandoening deelgenoot gemaakt, bracht nu een ander onderwerp op het tapijt door te vragen wie er melk en suiker gebruikte; en hieromtrent ingelicht schonk zij thee. Alle vier verzamelden zich gezellig om de kleine tafel, en genoten wat de ijverige jonge dame hun aanbood; en Florence’s tegenwoordigheid in het achterkamertje scheen zelfs de kleur van het fregat de Tartaar aan den wand te verhelderen.Een half uur geleden had Walter haar, om alles in de wereld, niet bij haar naam durven noemen. Maar nu zij hem zelve daarom verzocht, kon hij dat wel doen. Hij kon aan haar bijzijn denken, zonder eenigen geheimen schroom dat het beter zou geweest zijn als zij niet gekomen was. Hij kon met kalmte denken hoe schoon zij was, hoeveel schooner zij nog beloofde te worden, en welk eene rustplaats een of ander gelukkig man eens in zulk een hart zou vinden. Hij dacht aan zijne eigene plaats in dat hart, met edelen trots en een moedig besluit om die, zoo niet te verdienen—dit achtte hij nog ver boven zich—ze nooit minder waardig te worden.Er moet iets tooverachtigs zijn geweest in de manier waarop Suze thee schonk, hetwelk oorzaak was van het rustige dat er ondertusschen in het achterkamertje heerschte; en een tegenovergestelde invloed moet oom Sam’s chronometer hebben voortgejaagd en hem harder doen loopen dan het fregat de Tartaar ooit voor den wind zeilde. Dit zij gelijk het wil, de bezoeksters hadden niet veraf op een stil hoekje eene koets laten staan wachten; en toen de chronometer toevallig werd geraadpleegd, was deze zoo stellig van meening dat de koets reeds zeer lang had staan wachten, dat het onmogelijk was er aan te twijfelen. Oom Sam had liever alles willen doen dan bekennen dat zijn chronometer voorliep.Bij het afscheid herhaalde Florence nog eens alles, wat zij den ouden man gezegd had, en bond hem door eene uitdrukkelijke belofte aan hun verdrag. Oom Sam geleidde haar met vaderlijke vriendelijkheid tot aan de beenen van den houten adelborst en gaf haar daar aan Walter over, die gereed was om haar en Suze naar de koets te brengen.“Walter,” zeide Florence onderweg, “ik heb u dat vooruwoom niet durven vragen. Denkt ge dat ge lang zult wegblijven?”—“Dat weet ik waarlijk niet,” antwoordde Walter. “Ik vrees van ja. Mijnheer Dombey gaf mij dat vrij duidelijk te kennen, dacht ik, toen hij mij benoemde.”—“Is het eene gunst, Walter?” zeide Florence, na een oogenblik bedenkens, en zag hem angstig aan.—“Die benoeming?” vroeg Walter.—“Ja.”Walter had gaarne een bevestigend antwoord willen geven, maar zijn gezicht antwoordde reeds eer zijne lippen dit konden, en Florence was te oplettend om dat antwoord niet te verstaan.“Ik vrees dat gij eigenlijk geen gunsteling van papa zijt geweest,” zeide zij beschroomd.—“Er is geene reden waarom ik dat zijn zou,” antwoordde Walter met een glimlach.—“Geene reden, Walter!”—“Erwasgeene reden,” hervatte Walter, hare meening begrijpende. “Er zijn er zoo veel op het kantoor. Tusschen mijnheer Dombey en een jong mensch zooals ik is een groote afstand. Als ik mijn plicht doe, doe ik maar wat ik moet en niet meer dan al de anderen.”Koesterde Florence eene achterdocht, waarvan zij zich zelve nauwelijks bewust was—eene achterdocht die onduidelijk bij haar was opgekomen, sedert dien nacht toen zij in haar vaders kamer was geweest—dat Walter’s belangstelling in haar en toevallige kennis met haar, hem misschien dat geduchte ongenoegen hadden op den hals gehaald? Had Walter zelf zulk een denkbeeld, of viel het hem eensklaps in dat het haar op dat oogenblik voor den geest zweefde? Geen van beiden sprak er van. Eene korte poos spraken zij in het geheel niet. Suze, die aan den anderen kant naast Walter ging, zag hen beide scherp aan; en hare gedachten namen zeker die richting, en wel met zeer weinig twijfel.“Gij kunt misschien heel gauw terugkomen, Walter,” zeide Florence.—“Ikkanals een oud man terugkomen,” antwoordde Walter, “en u eene oude dame vinden. Maar ik hoop beter.”—“Papa,” zeide Florence, na een oogenblik stilzwijgens, “zal zich van dien slag herstellen, en—en dan vrijer met mij spreken, eens misschien; en als hij dat doet, zal ik hem zeggen hoe ik verlang u weer te zien, en hem vragen om u om mijnentwil terug te roepen.”Er was eene weifeling in deze woorden over haar vader, die Walter maar te wel begreep.Daar de koets dichtbij was, zou hij haar zonder meer te zeggen hebben verlaten, want hij gevoelde nu wat het scheiden was; maar toen Florence zat drukte zij hem nog de hand, en hij vond dat zij een klein pakje in de hare had.“Walter,” zeide zij, hem met hare vriendelijke oogen aanziende, “evenals gij, hoop ik op beter. Ik zal er om bidden en wil gelooven dat het komen zal. Ik geef die kleinigheid voor Paul. Ik bid u, neem ze met mijne hartelijke wenschen, en zie er niet naar eer gij vertrokken zijt. En nu, God zegene u, Walter! Vergeet mij nooit! Gij zijt mijn broeder!”Hij was blijde dat Suze tusschen hen in kwam, of zij zou hem misschien met eene treurige herinnering hebben verlaten. Hij was ook blijde, dat zij niet weder uit de koets keek, maar slechts met haar handje wuifde, zoolang hij het kon zien.[134]In spijt van haar verzoek, kon hij niet nalaten het pakje te openen toen hij dien avond naar bed ging. Het was een beursje, en er was geld in.Helder rees de zon den volgenden morgen op, en Walter ontving haar met den kapitein, die reeds aan de deur was, daar hij vroeger dan noodig was uitgegaan, om weg te komen, terwijl jufvrouw MacStinger nog sluimerde. De kapitein veinsde zeer vroolijk te zijn, en bracht in eenderzakken van zijne blauwe jas eene zeer sterk gerookte ossetong voor het ontbijt mede.“En, Walter,” zeide de kapitein, toen zij om de tafel zaten, “als uw oom de man is waarvoor ik hem houd, zal hij bij deze gelegenheid de laatste flesch van dien madera opentrekken.”—“Neen, neen, Edward,” zeide de oude man. “Neen. Die moet worden opengetrokken als Walter weer thuis komt.”—“Wel gezegd!” zeide de kapitein. “Goed zoo!”—“Daar ligt zij,” hervatte Samuel Gills, “in het keldertje, met stof en spinnewebben bedekt. Misschien zullen gij en ik ook wel onder stof en spinnewebben liggen, eer zij wordt opengetrokken.”—“Goed zoo!” riep de kapitein. “Eene mooie zedeles. Walter, mijn jongen, buig den vijgeboom den weg dien hij gaan moet, en als gij oud zijt, kunt gij onder zijne schaduw zitten. Kijk maar na in—ja,” zeide de kapitein zich bedenkende, “ik ben niet recht zeker waar dat te vinden is; maar als gij het vindt zet er dan een streepje bij. Sam Gills, ga maar weer voort!”—“Maar daar, of ergens, zal zij blijven liggen, tot Walter terugkomt om ze op te eischen,” zeide de oude man. “Dat is wat ik wilde zeggen.”—“En het is goed gezegd, mooi gezegd,” antwoordde de kapitein, “en als wij met ons drieën die flesch niet in gezelschap kraken, geef ik u beiden verlof om mijne portie op te drinken.”In weerwil der buitengewone vroolijkheid des kapiteins, smaakte de ossetong hem toch lang niet goed, hoewel hij, als er iemand naar hem keek, zijn best deed om zich te houden alsof hij zeer hongerig at. Hij was ook schrikkelijk bang om met den oom of den neef alleen te blijven, en scheen te denken dat hij dan alleen kans had om zich goed te houden, als zij altijd met hun drieën bij elkander bleven. Deze angst des kapiteins deed hem op verschillende schrandere invallen komen. Zoo liep hij, toen Samuel zijne jas ging aantrekken, naar de deur, onder voorwendsel dat hij iets zeer buitengewoons aan eene voorbijkomende huurkoets zag; en toen Walter naar boven ging om van de inwoners afscheid te nemen, stapte hij de straat op, voor reden gevende dat hij brand in een naburigen schoorsteen rook. Deze kunstgrepen hield kapitein Cuttle voor ondoorgrondelijk voor alle menschelijk vernuft.Walter kwam van zijn afscheidnemen terug en ging den winkel door naar het achterkamertje, toen hij een gezicht, dat hij kende, door de voordeur zag binnenkijken en er dadelijk op toeschoot.“Mijnheer Carker,” zeide hij, Carker Junior de hand drukkende. “Kom toch binnen. Dat is vriendelijk van u, dat ge zoo vroeg hier zijt om mij goedendag te zeggen. Gij wist wel, hoe gaarne ik u nog eens de hand zou geven eer ik heenging. Ik kan niet zeggen hoe blij ik er mee ben. Kom toch binnen.”—“Het is niet waarschijnlijk dat wij elkander ooit zullen weerzien, Walter,” zeide de ander, zacht wederstand biedende, “en ik ben zoo blijde dat ik u nog eens zie. Nu wij zoo spoedig zullen scheiden, durf ik wel tot u spreken en u de hand geven. Ik behoef nu uwe hartelijkheid niet meer af te wijzen, Walter.”De glimlach waarmede hij dit zeide had iets treurigs, waaruit bleek dat hij zelfs in hun geringen en van zijn kant stroeven omgang zeker gezelschap had gevonden.“O, mijnheer Carker!” zeide Walter; “waarom hebt gij ze afgewezen? Ik ben overtuigd, dat ge mij niet anders dan goed hadt kunnen doen.”Hij schudde zijn hoofd. “Als ik op de wereld nog iets goeds kon doen,” zeide hij, “zou ik het voor u doen, Walter. Uw gezicht van dag tot dag, is te gelijk een genoegen en eene wroeging voor mij geweest. Maar het genot ging de smart te boven. Dat weet ik nu, door te gevoelen wat ik verlies.”—“Kom binnen, mijnheer Carker, en maak eens kennis met mijn goeden, ouden oom,” zeide Walter dringend. “Ik heb hem dikwijls over u gesproken, en hij zal u gaarne alles vertellen wat hij van mij hoort. Ik heb,” vervolgde Walter, zijne aarzeling opmerkende en nu zelf eenigszins verlegen wordende, “ik heb hem niets van ons laatste gesprek gezegd, mijnheer Carker; zelfs hem niet, geloof mij.”De grijze Junior drukte hem de hand en tranen kwamen hem in de oogen.“Als ik ooit kennis met hem maak, Walter,” zeide hij, “zal het zijn om tijding van u te kunnen hooren. Gij kunt er op aan dat ik uwe goedheid en verdraagzaamheid niet zal misbruiken. Het zou een misbruik wezen, als ik hem niet de geheele waarheid zeide, eer ik een vertrouwelijk woord van hem zocht te krijgen. Maar ik heb geen vriend of bekende behalve u, en zelfs om uwentwil is het niet waarschijnlijk dat ik er nog een zal zoeken.”—“Ik wenschte,” antwoordde Walter, “dat ge mij waarlijk uw vriend hadt laten zijn. Dat heb ik altijd gewenscht, mijnheer Carker, zooals gij weet; maar nooit half zooveel als nu, nu wij zullen scheiden.”—“Het is genoeg,” was het antwoord, “dat gij in mijne eigene gedachten mijn[135]vriend zijt geweest, en dat toen ik u het meest vermeed, mijn hart u het meest was toegedaan. Vaar wel nu, Walter!”—“Vaar wel, mijnheer Carker! De Hemel zij met u, mijnheer!” riep Walter met aandoening uit.—“Als gij,” zeide de ander, zijne hand vasthoudende, “als gij, wanneer gij terugkomt, mij mist in mijn ouden hoek, en van iemand mocht hooren waar ik lig, kom dan eens naar mijn graf zien. Denk dat ik even eerlijk en gelukkig had kunnen zijn als gij! En laat ik denken, als ik weet dat mijn tijd nadert, dat iemand gelijk ik vroeger was, daarvoor een oogenblik kan blijven staan, en met medelijden en vergiffenis aan mij denken. Vaar wel nu, Walter!”Zijne gedaante gleed als eene schaduw in den helderen zonneschijn de straat af, en verdween in de verte.De onbarmhartige chronometer verkondigde ten laatste dat Walter den houten adelborst den rug moest keeren; en zij reden, hij zelf, zijn oom, en de kapitein, met eene huurkoets naar de werf, van waar zij met eene stoomboot naar eene bocht van de rivier zouden varen, welker naam, gelijk de kapitein dien uitsprak, voor de ooren van ieder landsman een raadsel moest blijven. Aan die bocht gekomen (waarheen het schip met het laatste getij was verzeild) werden zij door onderscheidene opgewonden bootroeiers aan boord geklampt, onder anderen door een smerigen Cycloop, een bekende van den kapitein, die hem met zijn eene oog reeds op eene halve mijl afstands had onderscheiden, en zoolang een onverstaanbaar geschreeuw met hem had gewisseld. De wettige prooi van dezen persoon geworden, die altijd eene schorre stem en een ongeschoren baard scheen te moeten hebben, werden zij alle drie aan boord van de Zoon en Erfgenaam gebracht, waar op het oogenblik eene groote verwarring heerschte, het natte dek met losse zeilen en touwen was overspreid, bestemd, naar het scheen, om iemand een beentje te te lichten, mannen met roode hemden blootsvoets naar voren en naar achteren liepen, kisten en vaten overal den weg verstopten, en, in het dichtste gedrang, een zwarte kok, in eene zwarte kombuis, blind van den rook, tot aan de oogen in groenten zat gedoken.De kapitein trok Walter dadelijk terzijde, en haalde met eene inspanning, waarvan zijn gezicht rood werd, het zilveren horloge uit, dat zoo groot was en zoo stijf in zijn zak zat, dat het er met een “pop” uitschoot.“Walter,” zeide de kapitein het hem overgevende, en hem hartelijk de hand schuddende, “een afscheidspresentje, mijn jongen. Zet het ’s morgens een half uur, en ’s avonds nog een kwartier, achteruit, en het is een horloge waarvan ge pleizier zult hebben.”—“Kapitein Cuttle, daar kan ik niet aan denken,” zeide Walter, hem vasthoudende, want hij liep al weg. “Ik bid u, neem het terug. Ik heb er al een.”—“Dan, Walter,” zeide de kapitein, eensklaps in zijne zakken duikende, en de twee theelepeltjes en de suikertang ophalende, waarmede hij zich tegen zulk een bezwaar had gewapend. “Neem dan die stukjes zilver in plaats.”—“Neen, neen, dat kan ik waarlijk niet,” zeide Walter; “duizendmaal dank. Gooi ze niet weg, kapitein Cuttle,” want de kapitein wilde ze over boord werpen. “Zij zullen u veel beter te pas komen dan mij. Geef mij uw stok. Ik heb al dikwijls gedacht, dat ik dien graag zou willen hebben. Daar! Goedendag, kapitein Cuttle! Pas goed op mijn oom! Oom Sam, God zegen u!”Zij waren in het gewoel reeds van boord, eer Walter zag waar zij bleven; en toen hij naar de kampanje liep en hen nakeek, zag hij zijn oom met een hangend hoofd in de boot zitten, en de kapitein hem met het zilveren horloge op den rug kloppen (dat nog al zeer moest doen) en met de theelepeltjes en de suikertang gesticuleeren om hem moed en hoop te geven. Walter in het oog krijgende, liet de kapitein zijne schatten geheel onbezorgd onder in de boot vallen, nam zijn blinkenden hoed af en riep hem op zeemans manier lustig aan. De blinkende hoed flikkerde in den zonneschijn, en de kapitein bleef daarmede zwaaien tot hij niet meer te zien was. Toen bereikte de verwarring aan boord, die hoe langer hoe grooter was geworden, haar toppunt; nog twee of drie booten voeren onder een algemeen gejuich af; de zeilen glinsterden in den zonneschijn, toen Walter ze voor het gunstige koeltje zag uitspreiden; het water stoof flikkerend voor den boeg op, en de Zoon en Erfgenaam aanvaardde hare reis, zoo vroolijk en vol hoop, als menig ander zoon en erfgenaam, reeds lang verdwenen, vroeger had gedaan.Dag aan dag berekenden oom Sam en kapitein Cuttle in het achterkamertje den koers van het schip, met de kaart op het ronde tafeltje voor hen. Des avonds, als de oude man zoo alleen naar boven ging naar het zolderkamertje, waar het somtijds zoo geducht waaide, keek hij naar de sterren en luisterde hij naar den wind, en hield hij langer wacht dan hij had moeten doen als hij matroos aan boord was geweest. De laatste flesch oude madera, die meer dan eens de linie was gepasseerd en de zeegevaren had leeren kennen, bleef ondertusschen stil en ongestoord, onder stof en spinrag liggen.[136]
[Inhoud]XIX.WALTER VERTREKT.De houten adelborst aan de deur des instrumentmakers, die ook een hard houten hart[130]had, bleef geheel onverschillig voor Walter’s aanstaand vertrek, zelfs toen de laatste dag, dien deze in het achterkamertje zou doorbrengen, ten einde liep. Met zijne sextant voor het kogelronde zwarte oog, en altijd op het punt om vlug vooruit te stappen, bleef de houten adelborst met zijne korte broek pronken, en stelde hij, in de wetenschap verdiept, geen het minste belang in aardsche zaken. Hij was in zooverre van omstandigheden afhankelijk, dat een droge dag hem met stof bedekte, een mistige dag hem met roetstippen bestrooide, een regenachtige dag zijne verbleekte uniform voor het oogenblik ophelderde, en een buitengewoon heete dag hem deed bladderen; maar anders was hij een hardvochtige, eigenwijze adelborst, die aan niets anders dacht dan zijne eigene ontdekkingen, en zich zoo weinig bekommerde om hetgeen er op de wereld en om hem heen gebeurde, als Archimedes bij het innemen vanSyracuse.Zulk een adelborst scheen hij ten minste in den toenmaligen staat der huiselijke zaken te zijn. Walter zag hem bij het uit- en ingaan dikwijls vriendelijk aan; en de arme oude Sam kwam, als Walter er niet was, dikwijls tegen den post der deur staan leunen, en liet zijne vermoeide pruik zoo dicht hij kon bij de schoengespen van den beschermgeest van zijn winkel rusten. Maar geen wanschapen afgod, met een mond van het eene oor tot het andere, was ooit onverschilliger voor het roepen zijner heidensche aanbidders, dan de houten adelborst voor deze blijken van gehechtheid was.Walter’s hart was beklemd, toen hij in zijn slaapkamertje rondzag en naar de schoorsteenen daar buiten keek, en bedacht, dat de nacht, die nu reeds begon te vallen, zijne kennis daarmede, misschien voor altijd, zou besluiten. Reeds ontdaan van de kleine uitstalling van boeken en prenten, zag het kamertje hem koud en verwijtend aan, en had het reeds een zweem van zijne aanstaande vreemdheid. “Nog eenige uren,” dacht Walter, “en geen droom, dien ik hier ooit als een schooljongen heb gehad, zal minder mijn eigendom zijn dan dit oude kamertje. De droom mag in mijn slaap terugkomen, en ik mag wakend weder hier komen; maar de droom zal ten minste geen ander meester dienen, en het kamertje kan er twintig krijgen, en ieder van die meesters kan het veranderen, verwaarloozen of misbruiken.”Maar zijn oom moest niet in het achterkamertje alleen blijven zitten, waar hij nu toch reeds eene poos alleen was geweest; want kapitein Cuttle, ruw, maar toch bedachtzaam, was zeer tegen zijn zin met opzet weggebleven, opdat oom en neef ongehinderd met elkander konden spreken; en zoo ging Walter, pas van zijne laatste dagdrukte naar huis gekomen, spoedig naar beneden om hem gezelschap te houden.“Oom,” zeide hij vroolijk, zijne hand op des ouden mans schouder leggende, “wat moet ik u vanBarbadoszenden?”—“Hoop, mijn beste Wally. Hoop dat wij elkander zullen wederzien, aan dezen kant van het graf. Zend mij daarvan zooveel gij kunt.”—“Dat zal ik, oom. Ik heb genoeg en over, en zal er niet karig mee zijn. En wat levendige schildpadden betreft, en citroenen voor kapitein Cuttle’s punch, en confituren voor u op zondag, daarvan zal ik u scheepsladingen zenden, zoodra ik maar rijk genoeg ben.”Oude Samuel veegde zijn bril af en glimlachte flauw.“Zoo is het goed, oom!” riep Walter vroolijk, hem nog eenige malen op den schouder kloppende. “Beur gij mij maar op! Ik zal u opbeuren! Wij zullen morgenochtend zoo vroolijk alsleeuwerikenzijn en even hoog vliegen. Mijne vooruitzichten zijn nu al in de wolken.”—“Wally, mijn goede jongen,” zeide de oude man. “Ik zal mijn best doen, ik zal mijn best doen.”—“En uw best, oom,” zeide Walter, met zijn innemenden lach, “is het beste best dat ik ken. Gij zult niet vergeten, wat ge mij zenden moet, oom?”—“Neen, Walter, neen,” was het antwoord, “al wat ik van jonge jufvrouw Dombey hoor, nu zij zoo alleen is, het arme schaap, zal ik u schrijven. Maar ik vrees, dat het niet veel zal zijn, Walter.”—“Wat, ik zal u eens wat zeggen, oom,” zeide Walter, na een oogenblik aarzelens. “Ik ben zoo even daarheen geweest.”—“Zoo, zoo, zoo!” zeide de oude man, zijne wenkbrauwen optrekkende, en daardoor te gelijk zijn bril omhoogschuivende.—“Niet omhaarte zien,” zeide Walter, “schoon ik haar wel had kunnen zien, denk ik, als ik er om gevraagd had, nu mijnheer Dombey uit de stad is, maar om met Suze een woordje tot afscheid te spreken. Ik dacht dat ik dit wel mocht doen, onder deze omstandigheden, en als men bedenkt, wanneer ik jonge jufvrouw Dombey het laatst gezien heb.”—“Ja, mijn jongen, ja,” antwoordde zijn oom, uit eene korte vlaag van verstrooidheid ontwakende.—“Ik vroeg dus naar haar,” vervolgde Walter, “naar Suze, meen ik, en zeide haar, dat ik morgen zou vertrekken. En ik zeide haar, oom, dat gij altijd zooveel belang in jonge jufvrouw Dombey hadt gesteld, sedert den avond toen zij hier was, en haar altijd geluk en voorspoed hadt gewenscht, en altijd vereerd en verheugd zoudt zijn als gij haar den minsten dienst kondt bewijzen; ik dacht dat ik dit wel mocht zeggen, in deze omstandigheden, weet ge. Denkt gij dat ook niet?”—“Ja, mijn jongen, ja,” antwoordde zijn oom, op denzelfden toon als te voren.—“En ik voegde er nog bij,” vervolgde Walter, “dat als zij, Suze meende ik, u ooit kon laten weten, hetzij zelve, of door[131]jufvrouw Richards of iemand anders, die dezen weg uitkwam, dat jonge jufvrouw Dombey gezond en gelukkigwas, gij dat voor heel vriendelijk zoudt houden, en het mij zoudt schrijven, en dat ik het ook voor heel vriendelijk zou houden. Daar nu! Op mijn woord, oom,” zeide Walter, “ik heb verleden nacht haast niet kunnen slapen, zoo heb ik liggen denken of ik dit zou doen of niet, en ik kon maar niet tot een besluit komen; en toch is het waarlijk het echte gevoel van mijn hart, en ik zou naderhand heel verdrietig zijn geweest als ik dat niet had lucht gegeven.”Zijn toon was bewijs genoeg van zijne oprechtheid.“Als gij haar dus ooit ziet, oom,” hervatte Walter, “ik meen nu jonge jufvrouw Dombey—en misschien zult ge wel; wie weet het!—zeg haar dan hoeveel gevoel ik voor haar had; hoe ik altijd aan haar dacht toen ik hier was; hoe ik nog met tranen in de oogen van haar sprak, op den laatsten avond eer ik heenging. Zeg haar, hoe ik toen nog gezegd heb, dat ik nooit hare zachte manieren, of haar lief gezichtje kon vergeten, of haar lief en vriendelijk karakter, dat nog beter dan alles was. En daar ik ze geene jonge dame van de voeten heb genomen, maar alleen een onnoozel kind,” zeide Walter, “zeg haar dus, oom, als het u niet schelen kan, dat ik die schoenen heb bewaard—zij zal nog wel weten hoe dikwijls ze dien avond uitgingen—en ze als eene gedachtenis heb meegenomen!”Zij werden juist in een van Walter’s koffers de deur uitgedragen. Een kruier, die zijne bagage op een wagen laadde, om ze aan boord van de Zoon en Erfgenaam te brengen, had ze in zijne macht en reed er mede heen, uit de oogen van den gevoelloozen adelborst, bijna eer de eigenaar nog had uitgesproken.Maar men had dien ouden zeeman zijne onverschilligheid voor den schat, die daar werd weggevoerd, wel kunnen vergeven, want vlak in de richting van zijne sextant en zijne scheelziende oogen, waren Florence en Suze Nipper; Florence keek zelve half beschroomd naar hem op en ontving den geheelen schok van zijn houten lonk.Nog meer, zij gingen den winkel in naar de deur van het achterkamertje, eer iemand anders dan de houten adelborst ze had waargenomen; en Walter, die met zijn rug naar de deur zat, zou zelfs toen nog niets van hare verschijning hebben geweten, als hij zijn oom niet van zijn stoel had zien opspringen en bijna over een anderen heen tuimelen.“Oom!” riep hij uit. “Wat scheelt er aan?”—“Jonge jufvrouw Dombey!” was het antwoord.—“Is het mogelijk!” riep Walter, omkijkende en insgelijks opspringende. “Hier!”Het was zoo mogelijk en zoo werkelijk, dat, eer nog de woorden uit zijn mond waren, Florence hem voorbij snelde, oom Sam’s koffiebruine lappellen vatte, met elke hand een, hem een kus op de wang drukte, en zich toen naar Walter keerende, hem met de eenvoudigheid en hartelijkheid, die haar en niemand anders in de wereld eigen waren, hare hand reikte.“Gij gaat heen, Walter!” zeide Florence.—“Ja, jufvrouw Dombey,” antwoordde hij, maar niet met zooveel hoop in zijn toon als hij wel gewild had. “Ik heb eene reis vóór mij.”—“En uw oom,” zeide Florence, weder naar Samuel omziende. “Het spijt hem zeker dat gij heengaat. Ja, dat zie ik wel. Beste Walter, het spijt mij ook zeer.”—“Onze lieve Heer weet,” riep Suze nu uit, “dat er menigeen is dien wij beter konden missen, als het daarom te doen was; mevrouw Pipchin zou als opzichter haar gewicht in goud waard zijn, en als men zwarte slaven moest kunnen drijven, zouden die Blimber’s juist de menschen zijn voor zulk een post.”Daarmede maakte zij de linten van haar hoed los, en nadat zij voor een oogenblik verstrooid in een zwart trekpotje had gekeken, dat bij het gewone eenvoudige theeservies op de tafel stond, schudde zij haar hoofd en een blikken busje en ging ongevergd thee zetten.Ondertusschen had Florence zich weder naar den ouden instrumentmaker gekeerd, die even vol van opgetogenheid als verwondering stond te kijken. “Zooveel grooter!” zeide hij. “Zooveel mooier! En toch niet veranderd! Nog juist dezelfde!”—“Waarlijk!” zeide Florence.—“Ja-a!” antwoordde de oude man, langzaam zijne handen wrijvende, en hardop denkende, terwijl iets peinzends in de heldere oogen, die hem aanzagen, zijne aandacht boeide. “Ja, die uitdrukking had het jongere gezichtje ook.”—“Gij herinnert u mij dus nog,” zeide Florence met een glimlach; “en welk een klein dingetje ik toen was?”—“Lieve jonge jufvrouw,” antwoordde de instrumentmaker, “hoe kon ik u vergeten, zoo dikwijls als ik sedert om u gedacht en van u gehoord heb! Zelfs op het oogenblik toen gij binnenkwaamt was Walter over u aan het praten, en gaf mij boodschappen voor u, en …”—“Deed hij dat?” zeide Florence. “Daarvoor dank ik u, Walter. Ik was bang dat gij mocht heengaan zonder haast om mij te denken.” En wederom gaf zij hem haar handje zoo vrijmoedig en hartelijk, dat Walter het niet zoo terstond weder kon loslaten, maar het eene poos vasthield.Hij hield het echter niet zoolang vast als hij misschien eens zou gedaan hebben, en het deed ook die oude droomen zijner jongensjaren niet weder ontwaken, die hem zelfs nog niet lang geleden somtijds voor den geest hadden gezweefd en hem met hunne verwarde en onduidelijke beelden verbijsterd. De reinheid en[132]onschuld harer lieftalligheid, haar onbeperkt vertrouwen en de ongeveinsde achting voor hem, die uit hare zachte oogen en haar lief gezichtje spraken, in weerwil van den glimlach die het overschaduwde—want, helaas, het was een te treurige glimlach om het te verhelderen—hadden niets van dat romaneske. Zij voerden zijne gedachten terug naar het vroegere sterfbed dat hij haar had zien verzachten, en de liefde die het kind haar had toegedragen; en op de vleugelen van zulke herinneringen scheen zij zich, ver boven zijne ijdele hersenschimmen, in reiner lucht te verheffen.“Ik—ik zou u gaarne Walter’s oom willen noemen, mijnheer,” zeide Florence, tot den ouden man, “als ge dat wel wilt hebben.”—“Lieve jonge jufvrouw!” riep de oude Samuel uit. “Willen hebben! Wel goede hemel!”—“Wij hebben altijd met dien naam van u gesproken,” zeide Florence, in het rond ziende en met een zachten zucht. “Dat aardige oude kamertje! Nog juist hetzelfde! Hoe goed heugt het mij nog!”Samuel zag eerst haar en toen zijn neef aan, wreef toen in zijne handen, veegde toen zijn bril af en zeide binnensmonds: “O, die tijd, die tijd, die tijd!”Er volgde eene korte poos van stilte, waaronder Suze Nipper knaphandig nog twee kopjes en schoteltjes uit de kas kreeg, en peinzend wachtte terwijl de thee stond te trekken.“Ik moet Walter’s oom,” zeide Florence, hare hand schroomvallig op die des ouden mans leggende, welke op de tafel rustte, “iets zeggen waarover ik bekommerd ben. Hij zal alleen blijven, en als hij mij wil toelaten—niet om Walter’s plaats te vervullen, want dat zou ik niet kunnen, maar om zijne ware vriendin te zijn en hem zoo veel te helpen als ik kan terwijl Walter weg is, dan zal ik hem waarlijk zeer verplicht wezen. Wilt gij? Mag ik, Walter’s oom?”De instrumentmaker bracht zonder te spreken hare hand aan zijne lippen, en Suze Nipper, met over elkander geslagene armen achteroverleunende in den presidentsstoel, waarop zij zich eigenmachtig had geplaatst, beet op een lint van haar hoed, en slaakte een zachten zucht, terwijl zij naar het lantarenraam opzag.“Gij wilt dan wel dat ik naar u kom zien als ik kan,” zeide Florence, “en gij zult geene geheimen voor Suze hebben, als zij komt en ik niet kan, maar zult ons vertrouwen en op alles antwoord geven. En gij zult ons toelaten ons best te doen om u een troost te wezen? Wilt gij, Walter’s oom?”Het lieve gezichtje, dat naar hem opzag, de vriendelijke smeekende oogen, de zachte stem, de lichte druk op zijn arm, alles nog innemender door den kinderlijken eerbied voor zijne jaren, die er een bevalligen zweem van twijfeling en beschroomdheid aan gaf—dit, en de natuurlijke ernst harer hartelijkheid, overweldigden den ouden instrumentmaker zoo zeer, dat hij niets anders antwoordde dan: “Walter, zeg toch een woord voor mij, beste jongen. Ik ben dankbaar, heel dankbaar.”—“Neen, Walter,” zeide Florence, met haar kalmen glimlach. “Zeg niets voor hem als het u belieft. Ik versta hem goed, en wij moeten leeren zonder u met elkander te praten, beste Walter.”—“Jufvrouw Florence,” antwoordde hij, zijn best doende om den vroolijken toon te hernemen, waarmede hij met zijn oom had gesproken. “Ik weet waarlijk even weinig als mijn oom, wat ik zeggen zal om zulke goedheid en vriendelijkheid te erkennen. Maar wat kon ik ook zeggen, al had ik het vermogen om een uur lang te praten, behalve dat gij doet gelijk men van u kon verwachten!”Suze Nipper begon aan een nieuw eind van haar lint, en knikte tegen den zolder, ten teeken van hare goedkeuring.“Maar, Walter,” zeide Florence, “er is iets, dat ik u wenschte te zeggen eer gij heengaat, en gij moet mij Florence noemen als het u belieft, en niet spreken als een vreemde.”—“Als een vreemde!” herhaalde Walter. “Neen, waarlijk, dat zou ik niet kunnen. Ten minste zeker niet met het gevoel van een vreemde.”—“Ja, maar dat is niet genoeg, en het is niet wat ik meen,” zeide Florence. “Want Walter,” vervolgde zij, in tranen uitbarstende, “hij hield heel veel van u, en voor zijn dood zeide hij dat hij dat deed, en zeide nog “denk om Walter!” en als gij nu een broeder voor mij wilt zijn, Walter, nu hij weg is en ik niemand op de wereld meer heb, zal ik al mijn leven eene zuster voor u wezen, en als eene zuster aan u denken, waar wij ook zijn! Dit is het dat ik u wenschte te zeggen, lieve Walter, maar ik kan het niet zoo goed zeggen als ik wilde, omdat mijn hart te vol is.”En in de volheid en lieve eenvoudigheid van haar hart, stak zij hem beide handen toe. Walter nam ze, bukte en raakte met zijne lippen het betraande gezichtje aan, dat zich niet terugtrok of omkeerde, en ook niet bloosde toen hij dit deed, maar met gerustheid en vertrouwen naar hem opzag. In dat oogenblik verdween alle zweem van twijfel of onrust uit Walter’s gemoed. Het was hem als beantwoordde hij hare onschuldige bede bij het bedje van het doode kind; en denkende aan het plechtige dat hij daar had gezien, verbond hij zich om zelfs haar beeld, in zijne ballingschap, met broederlijke hoogachting te vereeren en lief te hebben, om haar eenvoudig vertrouwen nooit te schenden, en zich zelven diep vernederd te achten als hij ooit eene gedachte daarbij koesterde, die niet in haar eigen hart was toen zij het hem gaf.[133]Suze Nipper, die beide hare linten had doorgebeten en het lantarenraam van niet weinig geheime aandoening deelgenoot gemaakt, bracht nu een ander onderwerp op het tapijt door te vragen wie er melk en suiker gebruikte; en hieromtrent ingelicht schonk zij thee. Alle vier verzamelden zich gezellig om de kleine tafel, en genoten wat de ijverige jonge dame hun aanbood; en Florence’s tegenwoordigheid in het achterkamertje scheen zelfs de kleur van het fregat de Tartaar aan den wand te verhelderen.Een half uur geleden had Walter haar, om alles in de wereld, niet bij haar naam durven noemen. Maar nu zij hem zelve daarom verzocht, kon hij dat wel doen. Hij kon aan haar bijzijn denken, zonder eenigen geheimen schroom dat het beter zou geweest zijn als zij niet gekomen was. Hij kon met kalmte denken hoe schoon zij was, hoeveel schooner zij nog beloofde te worden, en welk eene rustplaats een of ander gelukkig man eens in zulk een hart zou vinden. Hij dacht aan zijne eigene plaats in dat hart, met edelen trots en een moedig besluit om die, zoo niet te verdienen—dit achtte hij nog ver boven zich—ze nooit minder waardig te worden.Er moet iets tooverachtigs zijn geweest in de manier waarop Suze thee schonk, hetwelk oorzaak was van het rustige dat er ondertusschen in het achterkamertje heerschte; en een tegenovergestelde invloed moet oom Sam’s chronometer hebben voortgejaagd en hem harder doen loopen dan het fregat de Tartaar ooit voor den wind zeilde. Dit zij gelijk het wil, de bezoeksters hadden niet veraf op een stil hoekje eene koets laten staan wachten; en toen de chronometer toevallig werd geraadpleegd, was deze zoo stellig van meening dat de koets reeds zeer lang had staan wachten, dat het onmogelijk was er aan te twijfelen. Oom Sam had liever alles willen doen dan bekennen dat zijn chronometer voorliep.Bij het afscheid herhaalde Florence nog eens alles, wat zij den ouden man gezegd had, en bond hem door eene uitdrukkelijke belofte aan hun verdrag. Oom Sam geleidde haar met vaderlijke vriendelijkheid tot aan de beenen van den houten adelborst en gaf haar daar aan Walter over, die gereed was om haar en Suze naar de koets te brengen.“Walter,” zeide Florence onderweg, “ik heb u dat vooruwoom niet durven vragen. Denkt ge dat ge lang zult wegblijven?”—“Dat weet ik waarlijk niet,” antwoordde Walter. “Ik vrees van ja. Mijnheer Dombey gaf mij dat vrij duidelijk te kennen, dacht ik, toen hij mij benoemde.”—“Is het eene gunst, Walter?” zeide Florence, na een oogenblik bedenkens, en zag hem angstig aan.—“Die benoeming?” vroeg Walter.—“Ja.”Walter had gaarne een bevestigend antwoord willen geven, maar zijn gezicht antwoordde reeds eer zijne lippen dit konden, en Florence was te oplettend om dat antwoord niet te verstaan.“Ik vrees dat gij eigenlijk geen gunsteling van papa zijt geweest,” zeide zij beschroomd.—“Er is geene reden waarom ik dat zijn zou,” antwoordde Walter met een glimlach.—“Geene reden, Walter!”—“Erwasgeene reden,” hervatte Walter, hare meening begrijpende. “Er zijn er zoo veel op het kantoor. Tusschen mijnheer Dombey en een jong mensch zooals ik is een groote afstand. Als ik mijn plicht doe, doe ik maar wat ik moet en niet meer dan al de anderen.”Koesterde Florence eene achterdocht, waarvan zij zich zelve nauwelijks bewust was—eene achterdocht die onduidelijk bij haar was opgekomen, sedert dien nacht toen zij in haar vaders kamer was geweest—dat Walter’s belangstelling in haar en toevallige kennis met haar, hem misschien dat geduchte ongenoegen hadden op den hals gehaald? Had Walter zelf zulk een denkbeeld, of viel het hem eensklaps in dat het haar op dat oogenblik voor den geest zweefde? Geen van beiden sprak er van. Eene korte poos spraken zij in het geheel niet. Suze, die aan den anderen kant naast Walter ging, zag hen beide scherp aan; en hare gedachten namen zeker die richting, en wel met zeer weinig twijfel.“Gij kunt misschien heel gauw terugkomen, Walter,” zeide Florence.—“Ikkanals een oud man terugkomen,” antwoordde Walter, “en u eene oude dame vinden. Maar ik hoop beter.”—“Papa,” zeide Florence, na een oogenblik stilzwijgens, “zal zich van dien slag herstellen, en—en dan vrijer met mij spreken, eens misschien; en als hij dat doet, zal ik hem zeggen hoe ik verlang u weer te zien, en hem vragen om u om mijnentwil terug te roepen.”Er was eene weifeling in deze woorden over haar vader, die Walter maar te wel begreep.Daar de koets dichtbij was, zou hij haar zonder meer te zeggen hebben verlaten, want hij gevoelde nu wat het scheiden was; maar toen Florence zat drukte zij hem nog de hand, en hij vond dat zij een klein pakje in de hare had.“Walter,” zeide zij, hem met hare vriendelijke oogen aanziende, “evenals gij, hoop ik op beter. Ik zal er om bidden en wil gelooven dat het komen zal. Ik geef die kleinigheid voor Paul. Ik bid u, neem ze met mijne hartelijke wenschen, en zie er niet naar eer gij vertrokken zijt. En nu, God zegene u, Walter! Vergeet mij nooit! Gij zijt mijn broeder!”Hij was blijde dat Suze tusschen hen in kwam, of zij zou hem misschien met eene treurige herinnering hebben verlaten. Hij was ook blijde, dat zij niet weder uit de koets keek, maar slechts met haar handje wuifde, zoolang hij het kon zien.[134]In spijt van haar verzoek, kon hij niet nalaten het pakje te openen toen hij dien avond naar bed ging. Het was een beursje, en er was geld in.Helder rees de zon den volgenden morgen op, en Walter ontving haar met den kapitein, die reeds aan de deur was, daar hij vroeger dan noodig was uitgegaan, om weg te komen, terwijl jufvrouw MacStinger nog sluimerde. De kapitein veinsde zeer vroolijk te zijn, en bracht in eenderzakken van zijne blauwe jas eene zeer sterk gerookte ossetong voor het ontbijt mede.“En, Walter,” zeide de kapitein, toen zij om de tafel zaten, “als uw oom de man is waarvoor ik hem houd, zal hij bij deze gelegenheid de laatste flesch van dien madera opentrekken.”—“Neen, neen, Edward,” zeide de oude man. “Neen. Die moet worden opengetrokken als Walter weer thuis komt.”—“Wel gezegd!” zeide de kapitein. “Goed zoo!”—“Daar ligt zij,” hervatte Samuel Gills, “in het keldertje, met stof en spinnewebben bedekt. Misschien zullen gij en ik ook wel onder stof en spinnewebben liggen, eer zij wordt opengetrokken.”—“Goed zoo!” riep de kapitein. “Eene mooie zedeles. Walter, mijn jongen, buig den vijgeboom den weg dien hij gaan moet, en als gij oud zijt, kunt gij onder zijne schaduw zitten. Kijk maar na in—ja,” zeide de kapitein zich bedenkende, “ik ben niet recht zeker waar dat te vinden is; maar als gij het vindt zet er dan een streepje bij. Sam Gills, ga maar weer voort!”—“Maar daar, of ergens, zal zij blijven liggen, tot Walter terugkomt om ze op te eischen,” zeide de oude man. “Dat is wat ik wilde zeggen.”—“En het is goed gezegd, mooi gezegd,” antwoordde de kapitein, “en als wij met ons drieën die flesch niet in gezelschap kraken, geef ik u beiden verlof om mijne portie op te drinken.”In weerwil der buitengewone vroolijkheid des kapiteins, smaakte de ossetong hem toch lang niet goed, hoewel hij, als er iemand naar hem keek, zijn best deed om zich te houden alsof hij zeer hongerig at. Hij was ook schrikkelijk bang om met den oom of den neef alleen te blijven, en scheen te denken dat hij dan alleen kans had om zich goed te houden, als zij altijd met hun drieën bij elkander bleven. Deze angst des kapiteins deed hem op verschillende schrandere invallen komen. Zoo liep hij, toen Samuel zijne jas ging aantrekken, naar de deur, onder voorwendsel dat hij iets zeer buitengewoons aan eene voorbijkomende huurkoets zag; en toen Walter naar boven ging om van de inwoners afscheid te nemen, stapte hij de straat op, voor reden gevende dat hij brand in een naburigen schoorsteen rook. Deze kunstgrepen hield kapitein Cuttle voor ondoorgrondelijk voor alle menschelijk vernuft.Walter kwam van zijn afscheidnemen terug en ging den winkel door naar het achterkamertje, toen hij een gezicht, dat hij kende, door de voordeur zag binnenkijken en er dadelijk op toeschoot.“Mijnheer Carker,” zeide hij, Carker Junior de hand drukkende. “Kom toch binnen. Dat is vriendelijk van u, dat ge zoo vroeg hier zijt om mij goedendag te zeggen. Gij wist wel, hoe gaarne ik u nog eens de hand zou geven eer ik heenging. Ik kan niet zeggen hoe blij ik er mee ben. Kom toch binnen.”—“Het is niet waarschijnlijk dat wij elkander ooit zullen weerzien, Walter,” zeide de ander, zacht wederstand biedende, “en ik ben zoo blijde dat ik u nog eens zie. Nu wij zoo spoedig zullen scheiden, durf ik wel tot u spreken en u de hand geven. Ik behoef nu uwe hartelijkheid niet meer af te wijzen, Walter.”De glimlach waarmede hij dit zeide had iets treurigs, waaruit bleek dat hij zelfs in hun geringen en van zijn kant stroeven omgang zeker gezelschap had gevonden.“O, mijnheer Carker!” zeide Walter; “waarom hebt gij ze afgewezen? Ik ben overtuigd, dat ge mij niet anders dan goed hadt kunnen doen.”Hij schudde zijn hoofd. “Als ik op de wereld nog iets goeds kon doen,” zeide hij, “zou ik het voor u doen, Walter. Uw gezicht van dag tot dag, is te gelijk een genoegen en eene wroeging voor mij geweest. Maar het genot ging de smart te boven. Dat weet ik nu, door te gevoelen wat ik verlies.”—“Kom binnen, mijnheer Carker, en maak eens kennis met mijn goeden, ouden oom,” zeide Walter dringend. “Ik heb hem dikwijls over u gesproken, en hij zal u gaarne alles vertellen wat hij van mij hoort. Ik heb,” vervolgde Walter, zijne aarzeling opmerkende en nu zelf eenigszins verlegen wordende, “ik heb hem niets van ons laatste gesprek gezegd, mijnheer Carker; zelfs hem niet, geloof mij.”De grijze Junior drukte hem de hand en tranen kwamen hem in de oogen.“Als ik ooit kennis met hem maak, Walter,” zeide hij, “zal het zijn om tijding van u te kunnen hooren. Gij kunt er op aan dat ik uwe goedheid en verdraagzaamheid niet zal misbruiken. Het zou een misbruik wezen, als ik hem niet de geheele waarheid zeide, eer ik een vertrouwelijk woord van hem zocht te krijgen. Maar ik heb geen vriend of bekende behalve u, en zelfs om uwentwil is het niet waarschijnlijk dat ik er nog een zal zoeken.”—“Ik wenschte,” antwoordde Walter, “dat ge mij waarlijk uw vriend hadt laten zijn. Dat heb ik altijd gewenscht, mijnheer Carker, zooals gij weet; maar nooit half zooveel als nu, nu wij zullen scheiden.”—“Het is genoeg,” was het antwoord, “dat gij in mijne eigene gedachten mijn[135]vriend zijt geweest, en dat toen ik u het meest vermeed, mijn hart u het meest was toegedaan. Vaar wel nu, Walter!”—“Vaar wel, mijnheer Carker! De Hemel zij met u, mijnheer!” riep Walter met aandoening uit.—“Als gij,” zeide de ander, zijne hand vasthoudende, “als gij, wanneer gij terugkomt, mij mist in mijn ouden hoek, en van iemand mocht hooren waar ik lig, kom dan eens naar mijn graf zien. Denk dat ik even eerlijk en gelukkig had kunnen zijn als gij! En laat ik denken, als ik weet dat mijn tijd nadert, dat iemand gelijk ik vroeger was, daarvoor een oogenblik kan blijven staan, en met medelijden en vergiffenis aan mij denken. Vaar wel nu, Walter!”Zijne gedaante gleed als eene schaduw in den helderen zonneschijn de straat af, en verdween in de verte.De onbarmhartige chronometer verkondigde ten laatste dat Walter den houten adelborst den rug moest keeren; en zij reden, hij zelf, zijn oom, en de kapitein, met eene huurkoets naar de werf, van waar zij met eene stoomboot naar eene bocht van de rivier zouden varen, welker naam, gelijk de kapitein dien uitsprak, voor de ooren van ieder landsman een raadsel moest blijven. Aan die bocht gekomen (waarheen het schip met het laatste getij was verzeild) werden zij door onderscheidene opgewonden bootroeiers aan boord geklampt, onder anderen door een smerigen Cycloop, een bekende van den kapitein, die hem met zijn eene oog reeds op eene halve mijl afstands had onderscheiden, en zoolang een onverstaanbaar geschreeuw met hem had gewisseld. De wettige prooi van dezen persoon geworden, die altijd eene schorre stem en een ongeschoren baard scheen te moeten hebben, werden zij alle drie aan boord van de Zoon en Erfgenaam gebracht, waar op het oogenblik eene groote verwarring heerschte, het natte dek met losse zeilen en touwen was overspreid, bestemd, naar het scheen, om iemand een beentje te te lichten, mannen met roode hemden blootsvoets naar voren en naar achteren liepen, kisten en vaten overal den weg verstopten, en, in het dichtste gedrang, een zwarte kok, in eene zwarte kombuis, blind van den rook, tot aan de oogen in groenten zat gedoken.De kapitein trok Walter dadelijk terzijde, en haalde met eene inspanning, waarvan zijn gezicht rood werd, het zilveren horloge uit, dat zoo groot was en zoo stijf in zijn zak zat, dat het er met een “pop” uitschoot.“Walter,” zeide de kapitein het hem overgevende, en hem hartelijk de hand schuddende, “een afscheidspresentje, mijn jongen. Zet het ’s morgens een half uur, en ’s avonds nog een kwartier, achteruit, en het is een horloge waarvan ge pleizier zult hebben.”—“Kapitein Cuttle, daar kan ik niet aan denken,” zeide Walter, hem vasthoudende, want hij liep al weg. “Ik bid u, neem het terug. Ik heb er al een.”—“Dan, Walter,” zeide de kapitein, eensklaps in zijne zakken duikende, en de twee theelepeltjes en de suikertang ophalende, waarmede hij zich tegen zulk een bezwaar had gewapend. “Neem dan die stukjes zilver in plaats.”—“Neen, neen, dat kan ik waarlijk niet,” zeide Walter; “duizendmaal dank. Gooi ze niet weg, kapitein Cuttle,” want de kapitein wilde ze over boord werpen. “Zij zullen u veel beter te pas komen dan mij. Geef mij uw stok. Ik heb al dikwijls gedacht, dat ik dien graag zou willen hebben. Daar! Goedendag, kapitein Cuttle! Pas goed op mijn oom! Oom Sam, God zegen u!”Zij waren in het gewoel reeds van boord, eer Walter zag waar zij bleven; en toen hij naar de kampanje liep en hen nakeek, zag hij zijn oom met een hangend hoofd in de boot zitten, en de kapitein hem met het zilveren horloge op den rug kloppen (dat nog al zeer moest doen) en met de theelepeltjes en de suikertang gesticuleeren om hem moed en hoop te geven. Walter in het oog krijgende, liet de kapitein zijne schatten geheel onbezorgd onder in de boot vallen, nam zijn blinkenden hoed af en riep hem op zeemans manier lustig aan. De blinkende hoed flikkerde in den zonneschijn, en de kapitein bleef daarmede zwaaien tot hij niet meer te zien was. Toen bereikte de verwarring aan boord, die hoe langer hoe grooter was geworden, haar toppunt; nog twee of drie booten voeren onder een algemeen gejuich af; de zeilen glinsterden in den zonneschijn, toen Walter ze voor het gunstige koeltje zag uitspreiden; het water stoof flikkerend voor den boeg op, en de Zoon en Erfgenaam aanvaardde hare reis, zoo vroolijk en vol hoop, als menig ander zoon en erfgenaam, reeds lang verdwenen, vroeger had gedaan.Dag aan dag berekenden oom Sam en kapitein Cuttle in het achterkamertje den koers van het schip, met de kaart op het ronde tafeltje voor hen. Des avonds, als de oude man zoo alleen naar boven ging naar het zolderkamertje, waar het somtijds zoo geducht waaide, keek hij naar de sterren en luisterde hij naar den wind, en hield hij langer wacht dan hij had moeten doen als hij matroos aan boord was geweest. De laatste flesch oude madera, die meer dan eens de linie was gepasseerd en de zeegevaren had leeren kennen, bleef ondertusschen stil en ongestoord, onder stof en spinrag liggen.[136]
XIX.WALTER VERTREKT.
De houten adelborst aan de deur des instrumentmakers, die ook een hard houten hart[130]had, bleef geheel onverschillig voor Walter’s aanstaand vertrek, zelfs toen de laatste dag, dien deze in het achterkamertje zou doorbrengen, ten einde liep. Met zijne sextant voor het kogelronde zwarte oog, en altijd op het punt om vlug vooruit te stappen, bleef de houten adelborst met zijne korte broek pronken, en stelde hij, in de wetenschap verdiept, geen het minste belang in aardsche zaken. Hij was in zooverre van omstandigheden afhankelijk, dat een droge dag hem met stof bedekte, een mistige dag hem met roetstippen bestrooide, een regenachtige dag zijne verbleekte uniform voor het oogenblik ophelderde, en een buitengewoon heete dag hem deed bladderen; maar anders was hij een hardvochtige, eigenwijze adelborst, die aan niets anders dacht dan zijne eigene ontdekkingen, en zich zoo weinig bekommerde om hetgeen er op de wereld en om hem heen gebeurde, als Archimedes bij het innemen vanSyracuse.Zulk een adelborst scheen hij ten minste in den toenmaligen staat der huiselijke zaken te zijn. Walter zag hem bij het uit- en ingaan dikwijls vriendelijk aan; en de arme oude Sam kwam, als Walter er niet was, dikwijls tegen den post der deur staan leunen, en liet zijne vermoeide pruik zoo dicht hij kon bij de schoengespen van den beschermgeest van zijn winkel rusten. Maar geen wanschapen afgod, met een mond van het eene oor tot het andere, was ooit onverschilliger voor het roepen zijner heidensche aanbidders, dan de houten adelborst voor deze blijken van gehechtheid was.Walter’s hart was beklemd, toen hij in zijn slaapkamertje rondzag en naar de schoorsteenen daar buiten keek, en bedacht, dat de nacht, die nu reeds begon te vallen, zijne kennis daarmede, misschien voor altijd, zou besluiten. Reeds ontdaan van de kleine uitstalling van boeken en prenten, zag het kamertje hem koud en verwijtend aan, en had het reeds een zweem van zijne aanstaande vreemdheid. “Nog eenige uren,” dacht Walter, “en geen droom, dien ik hier ooit als een schooljongen heb gehad, zal minder mijn eigendom zijn dan dit oude kamertje. De droom mag in mijn slaap terugkomen, en ik mag wakend weder hier komen; maar de droom zal ten minste geen ander meester dienen, en het kamertje kan er twintig krijgen, en ieder van die meesters kan het veranderen, verwaarloozen of misbruiken.”Maar zijn oom moest niet in het achterkamertje alleen blijven zitten, waar hij nu toch reeds eene poos alleen was geweest; want kapitein Cuttle, ruw, maar toch bedachtzaam, was zeer tegen zijn zin met opzet weggebleven, opdat oom en neef ongehinderd met elkander konden spreken; en zoo ging Walter, pas van zijne laatste dagdrukte naar huis gekomen, spoedig naar beneden om hem gezelschap te houden.“Oom,” zeide hij vroolijk, zijne hand op des ouden mans schouder leggende, “wat moet ik u vanBarbadoszenden?”—“Hoop, mijn beste Wally. Hoop dat wij elkander zullen wederzien, aan dezen kant van het graf. Zend mij daarvan zooveel gij kunt.”—“Dat zal ik, oom. Ik heb genoeg en over, en zal er niet karig mee zijn. En wat levendige schildpadden betreft, en citroenen voor kapitein Cuttle’s punch, en confituren voor u op zondag, daarvan zal ik u scheepsladingen zenden, zoodra ik maar rijk genoeg ben.”Oude Samuel veegde zijn bril af en glimlachte flauw.“Zoo is het goed, oom!” riep Walter vroolijk, hem nog eenige malen op den schouder kloppende. “Beur gij mij maar op! Ik zal u opbeuren! Wij zullen morgenochtend zoo vroolijk alsleeuwerikenzijn en even hoog vliegen. Mijne vooruitzichten zijn nu al in de wolken.”—“Wally, mijn goede jongen,” zeide de oude man. “Ik zal mijn best doen, ik zal mijn best doen.”—“En uw best, oom,” zeide Walter, met zijn innemenden lach, “is het beste best dat ik ken. Gij zult niet vergeten, wat ge mij zenden moet, oom?”—“Neen, Walter, neen,” was het antwoord, “al wat ik van jonge jufvrouw Dombey hoor, nu zij zoo alleen is, het arme schaap, zal ik u schrijven. Maar ik vrees, dat het niet veel zal zijn, Walter.”—“Wat, ik zal u eens wat zeggen, oom,” zeide Walter, na een oogenblik aarzelens. “Ik ben zoo even daarheen geweest.”—“Zoo, zoo, zoo!” zeide de oude man, zijne wenkbrauwen optrekkende, en daardoor te gelijk zijn bril omhoogschuivende.—“Niet omhaarte zien,” zeide Walter, “schoon ik haar wel had kunnen zien, denk ik, als ik er om gevraagd had, nu mijnheer Dombey uit de stad is, maar om met Suze een woordje tot afscheid te spreken. Ik dacht dat ik dit wel mocht doen, onder deze omstandigheden, en als men bedenkt, wanneer ik jonge jufvrouw Dombey het laatst gezien heb.”—“Ja, mijn jongen, ja,” antwoordde zijn oom, uit eene korte vlaag van verstrooidheid ontwakende.—“Ik vroeg dus naar haar,” vervolgde Walter, “naar Suze, meen ik, en zeide haar, dat ik morgen zou vertrekken. En ik zeide haar, oom, dat gij altijd zooveel belang in jonge jufvrouw Dombey hadt gesteld, sedert den avond toen zij hier was, en haar altijd geluk en voorspoed hadt gewenscht, en altijd vereerd en verheugd zoudt zijn als gij haar den minsten dienst kondt bewijzen; ik dacht dat ik dit wel mocht zeggen, in deze omstandigheden, weet ge. Denkt gij dat ook niet?”—“Ja, mijn jongen, ja,” antwoordde zijn oom, op denzelfden toon als te voren.—“En ik voegde er nog bij,” vervolgde Walter, “dat als zij, Suze meende ik, u ooit kon laten weten, hetzij zelve, of door[131]jufvrouw Richards of iemand anders, die dezen weg uitkwam, dat jonge jufvrouw Dombey gezond en gelukkigwas, gij dat voor heel vriendelijk zoudt houden, en het mij zoudt schrijven, en dat ik het ook voor heel vriendelijk zou houden. Daar nu! Op mijn woord, oom,” zeide Walter, “ik heb verleden nacht haast niet kunnen slapen, zoo heb ik liggen denken of ik dit zou doen of niet, en ik kon maar niet tot een besluit komen; en toch is het waarlijk het echte gevoel van mijn hart, en ik zou naderhand heel verdrietig zijn geweest als ik dat niet had lucht gegeven.”Zijn toon was bewijs genoeg van zijne oprechtheid.“Als gij haar dus ooit ziet, oom,” hervatte Walter, “ik meen nu jonge jufvrouw Dombey—en misschien zult ge wel; wie weet het!—zeg haar dan hoeveel gevoel ik voor haar had; hoe ik altijd aan haar dacht toen ik hier was; hoe ik nog met tranen in de oogen van haar sprak, op den laatsten avond eer ik heenging. Zeg haar, hoe ik toen nog gezegd heb, dat ik nooit hare zachte manieren, of haar lief gezichtje kon vergeten, of haar lief en vriendelijk karakter, dat nog beter dan alles was. En daar ik ze geene jonge dame van de voeten heb genomen, maar alleen een onnoozel kind,” zeide Walter, “zeg haar dus, oom, als het u niet schelen kan, dat ik die schoenen heb bewaard—zij zal nog wel weten hoe dikwijls ze dien avond uitgingen—en ze als eene gedachtenis heb meegenomen!”Zij werden juist in een van Walter’s koffers de deur uitgedragen. Een kruier, die zijne bagage op een wagen laadde, om ze aan boord van de Zoon en Erfgenaam te brengen, had ze in zijne macht en reed er mede heen, uit de oogen van den gevoelloozen adelborst, bijna eer de eigenaar nog had uitgesproken.Maar men had dien ouden zeeman zijne onverschilligheid voor den schat, die daar werd weggevoerd, wel kunnen vergeven, want vlak in de richting van zijne sextant en zijne scheelziende oogen, waren Florence en Suze Nipper; Florence keek zelve half beschroomd naar hem op en ontving den geheelen schok van zijn houten lonk.Nog meer, zij gingen den winkel in naar de deur van het achterkamertje, eer iemand anders dan de houten adelborst ze had waargenomen; en Walter, die met zijn rug naar de deur zat, zou zelfs toen nog niets van hare verschijning hebben geweten, als hij zijn oom niet van zijn stoel had zien opspringen en bijna over een anderen heen tuimelen.“Oom!” riep hij uit. “Wat scheelt er aan?”—“Jonge jufvrouw Dombey!” was het antwoord.—“Is het mogelijk!” riep Walter, omkijkende en insgelijks opspringende. “Hier!”Het was zoo mogelijk en zoo werkelijk, dat, eer nog de woorden uit zijn mond waren, Florence hem voorbij snelde, oom Sam’s koffiebruine lappellen vatte, met elke hand een, hem een kus op de wang drukte, en zich toen naar Walter keerende, hem met de eenvoudigheid en hartelijkheid, die haar en niemand anders in de wereld eigen waren, hare hand reikte.“Gij gaat heen, Walter!” zeide Florence.—“Ja, jufvrouw Dombey,” antwoordde hij, maar niet met zooveel hoop in zijn toon als hij wel gewild had. “Ik heb eene reis vóór mij.”—“En uw oom,” zeide Florence, weder naar Samuel omziende. “Het spijt hem zeker dat gij heengaat. Ja, dat zie ik wel. Beste Walter, het spijt mij ook zeer.”—“Onze lieve Heer weet,” riep Suze nu uit, “dat er menigeen is dien wij beter konden missen, als het daarom te doen was; mevrouw Pipchin zou als opzichter haar gewicht in goud waard zijn, en als men zwarte slaven moest kunnen drijven, zouden die Blimber’s juist de menschen zijn voor zulk een post.”Daarmede maakte zij de linten van haar hoed los, en nadat zij voor een oogenblik verstrooid in een zwart trekpotje had gekeken, dat bij het gewone eenvoudige theeservies op de tafel stond, schudde zij haar hoofd en een blikken busje en ging ongevergd thee zetten.Ondertusschen had Florence zich weder naar den ouden instrumentmaker gekeerd, die even vol van opgetogenheid als verwondering stond te kijken. “Zooveel grooter!” zeide hij. “Zooveel mooier! En toch niet veranderd! Nog juist dezelfde!”—“Waarlijk!” zeide Florence.—“Ja-a!” antwoordde de oude man, langzaam zijne handen wrijvende, en hardop denkende, terwijl iets peinzends in de heldere oogen, die hem aanzagen, zijne aandacht boeide. “Ja, die uitdrukking had het jongere gezichtje ook.”—“Gij herinnert u mij dus nog,” zeide Florence met een glimlach; “en welk een klein dingetje ik toen was?”—“Lieve jonge jufvrouw,” antwoordde de instrumentmaker, “hoe kon ik u vergeten, zoo dikwijls als ik sedert om u gedacht en van u gehoord heb! Zelfs op het oogenblik toen gij binnenkwaamt was Walter over u aan het praten, en gaf mij boodschappen voor u, en …”—“Deed hij dat?” zeide Florence. “Daarvoor dank ik u, Walter. Ik was bang dat gij mocht heengaan zonder haast om mij te denken.” En wederom gaf zij hem haar handje zoo vrijmoedig en hartelijk, dat Walter het niet zoo terstond weder kon loslaten, maar het eene poos vasthield.Hij hield het echter niet zoolang vast als hij misschien eens zou gedaan hebben, en het deed ook die oude droomen zijner jongensjaren niet weder ontwaken, die hem zelfs nog niet lang geleden somtijds voor den geest hadden gezweefd en hem met hunne verwarde en onduidelijke beelden verbijsterd. De reinheid en[132]onschuld harer lieftalligheid, haar onbeperkt vertrouwen en de ongeveinsde achting voor hem, die uit hare zachte oogen en haar lief gezichtje spraken, in weerwil van den glimlach die het overschaduwde—want, helaas, het was een te treurige glimlach om het te verhelderen—hadden niets van dat romaneske. Zij voerden zijne gedachten terug naar het vroegere sterfbed dat hij haar had zien verzachten, en de liefde die het kind haar had toegedragen; en op de vleugelen van zulke herinneringen scheen zij zich, ver boven zijne ijdele hersenschimmen, in reiner lucht te verheffen.“Ik—ik zou u gaarne Walter’s oom willen noemen, mijnheer,” zeide Florence, tot den ouden man, “als ge dat wel wilt hebben.”—“Lieve jonge jufvrouw!” riep de oude Samuel uit. “Willen hebben! Wel goede hemel!”—“Wij hebben altijd met dien naam van u gesproken,” zeide Florence, in het rond ziende en met een zachten zucht. “Dat aardige oude kamertje! Nog juist hetzelfde! Hoe goed heugt het mij nog!”Samuel zag eerst haar en toen zijn neef aan, wreef toen in zijne handen, veegde toen zijn bril af en zeide binnensmonds: “O, die tijd, die tijd, die tijd!”Er volgde eene korte poos van stilte, waaronder Suze Nipper knaphandig nog twee kopjes en schoteltjes uit de kas kreeg, en peinzend wachtte terwijl de thee stond te trekken.“Ik moet Walter’s oom,” zeide Florence, hare hand schroomvallig op die des ouden mans leggende, welke op de tafel rustte, “iets zeggen waarover ik bekommerd ben. Hij zal alleen blijven, en als hij mij wil toelaten—niet om Walter’s plaats te vervullen, want dat zou ik niet kunnen, maar om zijne ware vriendin te zijn en hem zoo veel te helpen als ik kan terwijl Walter weg is, dan zal ik hem waarlijk zeer verplicht wezen. Wilt gij? Mag ik, Walter’s oom?”De instrumentmaker bracht zonder te spreken hare hand aan zijne lippen, en Suze Nipper, met over elkander geslagene armen achteroverleunende in den presidentsstoel, waarop zij zich eigenmachtig had geplaatst, beet op een lint van haar hoed, en slaakte een zachten zucht, terwijl zij naar het lantarenraam opzag.“Gij wilt dan wel dat ik naar u kom zien als ik kan,” zeide Florence, “en gij zult geene geheimen voor Suze hebben, als zij komt en ik niet kan, maar zult ons vertrouwen en op alles antwoord geven. En gij zult ons toelaten ons best te doen om u een troost te wezen? Wilt gij, Walter’s oom?”Het lieve gezichtje, dat naar hem opzag, de vriendelijke smeekende oogen, de zachte stem, de lichte druk op zijn arm, alles nog innemender door den kinderlijken eerbied voor zijne jaren, die er een bevalligen zweem van twijfeling en beschroomdheid aan gaf—dit, en de natuurlijke ernst harer hartelijkheid, overweldigden den ouden instrumentmaker zoo zeer, dat hij niets anders antwoordde dan: “Walter, zeg toch een woord voor mij, beste jongen. Ik ben dankbaar, heel dankbaar.”—“Neen, Walter,” zeide Florence, met haar kalmen glimlach. “Zeg niets voor hem als het u belieft. Ik versta hem goed, en wij moeten leeren zonder u met elkander te praten, beste Walter.”—“Jufvrouw Florence,” antwoordde hij, zijn best doende om den vroolijken toon te hernemen, waarmede hij met zijn oom had gesproken. “Ik weet waarlijk even weinig als mijn oom, wat ik zeggen zal om zulke goedheid en vriendelijkheid te erkennen. Maar wat kon ik ook zeggen, al had ik het vermogen om een uur lang te praten, behalve dat gij doet gelijk men van u kon verwachten!”Suze Nipper begon aan een nieuw eind van haar lint, en knikte tegen den zolder, ten teeken van hare goedkeuring.“Maar, Walter,” zeide Florence, “er is iets, dat ik u wenschte te zeggen eer gij heengaat, en gij moet mij Florence noemen als het u belieft, en niet spreken als een vreemde.”—“Als een vreemde!” herhaalde Walter. “Neen, waarlijk, dat zou ik niet kunnen. Ten minste zeker niet met het gevoel van een vreemde.”—“Ja, maar dat is niet genoeg, en het is niet wat ik meen,” zeide Florence. “Want Walter,” vervolgde zij, in tranen uitbarstende, “hij hield heel veel van u, en voor zijn dood zeide hij dat hij dat deed, en zeide nog “denk om Walter!” en als gij nu een broeder voor mij wilt zijn, Walter, nu hij weg is en ik niemand op de wereld meer heb, zal ik al mijn leven eene zuster voor u wezen, en als eene zuster aan u denken, waar wij ook zijn! Dit is het dat ik u wenschte te zeggen, lieve Walter, maar ik kan het niet zoo goed zeggen als ik wilde, omdat mijn hart te vol is.”En in de volheid en lieve eenvoudigheid van haar hart, stak zij hem beide handen toe. Walter nam ze, bukte en raakte met zijne lippen het betraande gezichtje aan, dat zich niet terugtrok of omkeerde, en ook niet bloosde toen hij dit deed, maar met gerustheid en vertrouwen naar hem opzag. In dat oogenblik verdween alle zweem van twijfel of onrust uit Walter’s gemoed. Het was hem als beantwoordde hij hare onschuldige bede bij het bedje van het doode kind; en denkende aan het plechtige dat hij daar had gezien, verbond hij zich om zelfs haar beeld, in zijne ballingschap, met broederlijke hoogachting te vereeren en lief te hebben, om haar eenvoudig vertrouwen nooit te schenden, en zich zelven diep vernederd te achten als hij ooit eene gedachte daarbij koesterde, die niet in haar eigen hart was toen zij het hem gaf.[133]Suze Nipper, die beide hare linten had doorgebeten en het lantarenraam van niet weinig geheime aandoening deelgenoot gemaakt, bracht nu een ander onderwerp op het tapijt door te vragen wie er melk en suiker gebruikte; en hieromtrent ingelicht schonk zij thee. Alle vier verzamelden zich gezellig om de kleine tafel, en genoten wat de ijverige jonge dame hun aanbood; en Florence’s tegenwoordigheid in het achterkamertje scheen zelfs de kleur van het fregat de Tartaar aan den wand te verhelderen.Een half uur geleden had Walter haar, om alles in de wereld, niet bij haar naam durven noemen. Maar nu zij hem zelve daarom verzocht, kon hij dat wel doen. Hij kon aan haar bijzijn denken, zonder eenigen geheimen schroom dat het beter zou geweest zijn als zij niet gekomen was. Hij kon met kalmte denken hoe schoon zij was, hoeveel schooner zij nog beloofde te worden, en welk eene rustplaats een of ander gelukkig man eens in zulk een hart zou vinden. Hij dacht aan zijne eigene plaats in dat hart, met edelen trots en een moedig besluit om die, zoo niet te verdienen—dit achtte hij nog ver boven zich—ze nooit minder waardig te worden.Er moet iets tooverachtigs zijn geweest in de manier waarop Suze thee schonk, hetwelk oorzaak was van het rustige dat er ondertusschen in het achterkamertje heerschte; en een tegenovergestelde invloed moet oom Sam’s chronometer hebben voortgejaagd en hem harder doen loopen dan het fregat de Tartaar ooit voor den wind zeilde. Dit zij gelijk het wil, de bezoeksters hadden niet veraf op een stil hoekje eene koets laten staan wachten; en toen de chronometer toevallig werd geraadpleegd, was deze zoo stellig van meening dat de koets reeds zeer lang had staan wachten, dat het onmogelijk was er aan te twijfelen. Oom Sam had liever alles willen doen dan bekennen dat zijn chronometer voorliep.Bij het afscheid herhaalde Florence nog eens alles, wat zij den ouden man gezegd had, en bond hem door eene uitdrukkelijke belofte aan hun verdrag. Oom Sam geleidde haar met vaderlijke vriendelijkheid tot aan de beenen van den houten adelborst en gaf haar daar aan Walter over, die gereed was om haar en Suze naar de koets te brengen.“Walter,” zeide Florence onderweg, “ik heb u dat vooruwoom niet durven vragen. Denkt ge dat ge lang zult wegblijven?”—“Dat weet ik waarlijk niet,” antwoordde Walter. “Ik vrees van ja. Mijnheer Dombey gaf mij dat vrij duidelijk te kennen, dacht ik, toen hij mij benoemde.”—“Is het eene gunst, Walter?” zeide Florence, na een oogenblik bedenkens, en zag hem angstig aan.—“Die benoeming?” vroeg Walter.—“Ja.”Walter had gaarne een bevestigend antwoord willen geven, maar zijn gezicht antwoordde reeds eer zijne lippen dit konden, en Florence was te oplettend om dat antwoord niet te verstaan.“Ik vrees dat gij eigenlijk geen gunsteling van papa zijt geweest,” zeide zij beschroomd.—“Er is geene reden waarom ik dat zijn zou,” antwoordde Walter met een glimlach.—“Geene reden, Walter!”—“Erwasgeene reden,” hervatte Walter, hare meening begrijpende. “Er zijn er zoo veel op het kantoor. Tusschen mijnheer Dombey en een jong mensch zooals ik is een groote afstand. Als ik mijn plicht doe, doe ik maar wat ik moet en niet meer dan al de anderen.”Koesterde Florence eene achterdocht, waarvan zij zich zelve nauwelijks bewust was—eene achterdocht die onduidelijk bij haar was opgekomen, sedert dien nacht toen zij in haar vaders kamer was geweest—dat Walter’s belangstelling in haar en toevallige kennis met haar, hem misschien dat geduchte ongenoegen hadden op den hals gehaald? Had Walter zelf zulk een denkbeeld, of viel het hem eensklaps in dat het haar op dat oogenblik voor den geest zweefde? Geen van beiden sprak er van. Eene korte poos spraken zij in het geheel niet. Suze, die aan den anderen kant naast Walter ging, zag hen beide scherp aan; en hare gedachten namen zeker die richting, en wel met zeer weinig twijfel.“Gij kunt misschien heel gauw terugkomen, Walter,” zeide Florence.—“Ikkanals een oud man terugkomen,” antwoordde Walter, “en u eene oude dame vinden. Maar ik hoop beter.”—“Papa,” zeide Florence, na een oogenblik stilzwijgens, “zal zich van dien slag herstellen, en—en dan vrijer met mij spreken, eens misschien; en als hij dat doet, zal ik hem zeggen hoe ik verlang u weer te zien, en hem vragen om u om mijnentwil terug te roepen.”Er was eene weifeling in deze woorden over haar vader, die Walter maar te wel begreep.Daar de koets dichtbij was, zou hij haar zonder meer te zeggen hebben verlaten, want hij gevoelde nu wat het scheiden was; maar toen Florence zat drukte zij hem nog de hand, en hij vond dat zij een klein pakje in de hare had.“Walter,” zeide zij, hem met hare vriendelijke oogen aanziende, “evenals gij, hoop ik op beter. Ik zal er om bidden en wil gelooven dat het komen zal. Ik geef die kleinigheid voor Paul. Ik bid u, neem ze met mijne hartelijke wenschen, en zie er niet naar eer gij vertrokken zijt. En nu, God zegene u, Walter! Vergeet mij nooit! Gij zijt mijn broeder!”Hij was blijde dat Suze tusschen hen in kwam, of zij zou hem misschien met eene treurige herinnering hebben verlaten. Hij was ook blijde, dat zij niet weder uit de koets keek, maar slechts met haar handje wuifde, zoolang hij het kon zien.[134]In spijt van haar verzoek, kon hij niet nalaten het pakje te openen toen hij dien avond naar bed ging. Het was een beursje, en er was geld in.Helder rees de zon den volgenden morgen op, en Walter ontving haar met den kapitein, die reeds aan de deur was, daar hij vroeger dan noodig was uitgegaan, om weg te komen, terwijl jufvrouw MacStinger nog sluimerde. De kapitein veinsde zeer vroolijk te zijn, en bracht in eenderzakken van zijne blauwe jas eene zeer sterk gerookte ossetong voor het ontbijt mede.“En, Walter,” zeide de kapitein, toen zij om de tafel zaten, “als uw oom de man is waarvoor ik hem houd, zal hij bij deze gelegenheid de laatste flesch van dien madera opentrekken.”—“Neen, neen, Edward,” zeide de oude man. “Neen. Die moet worden opengetrokken als Walter weer thuis komt.”—“Wel gezegd!” zeide de kapitein. “Goed zoo!”—“Daar ligt zij,” hervatte Samuel Gills, “in het keldertje, met stof en spinnewebben bedekt. Misschien zullen gij en ik ook wel onder stof en spinnewebben liggen, eer zij wordt opengetrokken.”—“Goed zoo!” riep de kapitein. “Eene mooie zedeles. Walter, mijn jongen, buig den vijgeboom den weg dien hij gaan moet, en als gij oud zijt, kunt gij onder zijne schaduw zitten. Kijk maar na in—ja,” zeide de kapitein zich bedenkende, “ik ben niet recht zeker waar dat te vinden is; maar als gij het vindt zet er dan een streepje bij. Sam Gills, ga maar weer voort!”—“Maar daar, of ergens, zal zij blijven liggen, tot Walter terugkomt om ze op te eischen,” zeide de oude man. “Dat is wat ik wilde zeggen.”—“En het is goed gezegd, mooi gezegd,” antwoordde de kapitein, “en als wij met ons drieën die flesch niet in gezelschap kraken, geef ik u beiden verlof om mijne portie op te drinken.”In weerwil der buitengewone vroolijkheid des kapiteins, smaakte de ossetong hem toch lang niet goed, hoewel hij, als er iemand naar hem keek, zijn best deed om zich te houden alsof hij zeer hongerig at. Hij was ook schrikkelijk bang om met den oom of den neef alleen te blijven, en scheen te denken dat hij dan alleen kans had om zich goed te houden, als zij altijd met hun drieën bij elkander bleven. Deze angst des kapiteins deed hem op verschillende schrandere invallen komen. Zoo liep hij, toen Samuel zijne jas ging aantrekken, naar de deur, onder voorwendsel dat hij iets zeer buitengewoons aan eene voorbijkomende huurkoets zag; en toen Walter naar boven ging om van de inwoners afscheid te nemen, stapte hij de straat op, voor reden gevende dat hij brand in een naburigen schoorsteen rook. Deze kunstgrepen hield kapitein Cuttle voor ondoorgrondelijk voor alle menschelijk vernuft.Walter kwam van zijn afscheidnemen terug en ging den winkel door naar het achterkamertje, toen hij een gezicht, dat hij kende, door de voordeur zag binnenkijken en er dadelijk op toeschoot.“Mijnheer Carker,” zeide hij, Carker Junior de hand drukkende. “Kom toch binnen. Dat is vriendelijk van u, dat ge zoo vroeg hier zijt om mij goedendag te zeggen. Gij wist wel, hoe gaarne ik u nog eens de hand zou geven eer ik heenging. Ik kan niet zeggen hoe blij ik er mee ben. Kom toch binnen.”—“Het is niet waarschijnlijk dat wij elkander ooit zullen weerzien, Walter,” zeide de ander, zacht wederstand biedende, “en ik ben zoo blijde dat ik u nog eens zie. Nu wij zoo spoedig zullen scheiden, durf ik wel tot u spreken en u de hand geven. Ik behoef nu uwe hartelijkheid niet meer af te wijzen, Walter.”De glimlach waarmede hij dit zeide had iets treurigs, waaruit bleek dat hij zelfs in hun geringen en van zijn kant stroeven omgang zeker gezelschap had gevonden.“O, mijnheer Carker!” zeide Walter; “waarom hebt gij ze afgewezen? Ik ben overtuigd, dat ge mij niet anders dan goed hadt kunnen doen.”Hij schudde zijn hoofd. “Als ik op de wereld nog iets goeds kon doen,” zeide hij, “zou ik het voor u doen, Walter. Uw gezicht van dag tot dag, is te gelijk een genoegen en eene wroeging voor mij geweest. Maar het genot ging de smart te boven. Dat weet ik nu, door te gevoelen wat ik verlies.”—“Kom binnen, mijnheer Carker, en maak eens kennis met mijn goeden, ouden oom,” zeide Walter dringend. “Ik heb hem dikwijls over u gesproken, en hij zal u gaarne alles vertellen wat hij van mij hoort. Ik heb,” vervolgde Walter, zijne aarzeling opmerkende en nu zelf eenigszins verlegen wordende, “ik heb hem niets van ons laatste gesprek gezegd, mijnheer Carker; zelfs hem niet, geloof mij.”De grijze Junior drukte hem de hand en tranen kwamen hem in de oogen.“Als ik ooit kennis met hem maak, Walter,” zeide hij, “zal het zijn om tijding van u te kunnen hooren. Gij kunt er op aan dat ik uwe goedheid en verdraagzaamheid niet zal misbruiken. Het zou een misbruik wezen, als ik hem niet de geheele waarheid zeide, eer ik een vertrouwelijk woord van hem zocht te krijgen. Maar ik heb geen vriend of bekende behalve u, en zelfs om uwentwil is het niet waarschijnlijk dat ik er nog een zal zoeken.”—“Ik wenschte,” antwoordde Walter, “dat ge mij waarlijk uw vriend hadt laten zijn. Dat heb ik altijd gewenscht, mijnheer Carker, zooals gij weet; maar nooit half zooveel als nu, nu wij zullen scheiden.”—“Het is genoeg,” was het antwoord, “dat gij in mijne eigene gedachten mijn[135]vriend zijt geweest, en dat toen ik u het meest vermeed, mijn hart u het meest was toegedaan. Vaar wel nu, Walter!”—“Vaar wel, mijnheer Carker! De Hemel zij met u, mijnheer!” riep Walter met aandoening uit.—“Als gij,” zeide de ander, zijne hand vasthoudende, “als gij, wanneer gij terugkomt, mij mist in mijn ouden hoek, en van iemand mocht hooren waar ik lig, kom dan eens naar mijn graf zien. Denk dat ik even eerlijk en gelukkig had kunnen zijn als gij! En laat ik denken, als ik weet dat mijn tijd nadert, dat iemand gelijk ik vroeger was, daarvoor een oogenblik kan blijven staan, en met medelijden en vergiffenis aan mij denken. Vaar wel nu, Walter!”Zijne gedaante gleed als eene schaduw in den helderen zonneschijn de straat af, en verdween in de verte.De onbarmhartige chronometer verkondigde ten laatste dat Walter den houten adelborst den rug moest keeren; en zij reden, hij zelf, zijn oom, en de kapitein, met eene huurkoets naar de werf, van waar zij met eene stoomboot naar eene bocht van de rivier zouden varen, welker naam, gelijk de kapitein dien uitsprak, voor de ooren van ieder landsman een raadsel moest blijven. Aan die bocht gekomen (waarheen het schip met het laatste getij was verzeild) werden zij door onderscheidene opgewonden bootroeiers aan boord geklampt, onder anderen door een smerigen Cycloop, een bekende van den kapitein, die hem met zijn eene oog reeds op eene halve mijl afstands had onderscheiden, en zoolang een onverstaanbaar geschreeuw met hem had gewisseld. De wettige prooi van dezen persoon geworden, die altijd eene schorre stem en een ongeschoren baard scheen te moeten hebben, werden zij alle drie aan boord van de Zoon en Erfgenaam gebracht, waar op het oogenblik eene groote verwarring heerschte, het natte dek met losse zeilen en touwen was overspreid, bestemd, naar het scheen, om iemand een beentje te te lichten, mannen met roode hemden blootsvoets naar voren en naar achteren liepen, kisten en vaten overal den weg verstopten, en, in het dichtste gedrang, een zwarte kok, in eene zwarte kombuis, blind van den rook, tot aan de oogen in groenten zat gedoken.De kapitein trok Walter dadelijk terzijde, en haalde met eene inspanning, waarvan zijn gezicht rood werd, het zilveren horloge uit, dat zoo groot was en zoo stijf in zijn zak zat, dat het er met een “pop” uitschoot.“Walter,” zeide de kapitein het hem overgevende, en hem hartelijk de hand schuddende, “een afscheidspresentje, mijn jongen. Zet het ’s morgens een half uur, en ’s avonds nog een kwartier, achteruit, en het is een horloge waarvan ge pleizier zult hebben.”—“Kapitein Cuttle, daar kan ik niet aan denken,” zeide Walter, hem vasthoudende, want hij liep al weg. “Ik bid u, neem het terug. Ik heb er al een.”—“Dan, Walter,” zeide de kapitein, eensklaps in zijne zakken duikende, en de twee theelepeltjes en de suikertang ophalende, waarmede hij zich tegen zulk een bezwaar had gewapend. “Neem dan die stukjes zilver in plaats.”—“Neen, neen, dat kan ik waarlijk niet,” zeide Walter; “duizendmaal dank. Gooi ze niet weg, kapitein Cuttle,” want de kapitein wilde ze over boord werpen. “Zij zullen u veel beter te pas komen dan mij. Geef mij uw stok. Ik heb al dikwijls gedacht, dat ik dien graag zou willen hebben. Daar! Goedendag, kapitein Cuttle! Pas goed op mijn oom! Oom Sam, God zegen u!”Zij waren in het gewoel reeds van boord, eer Walter zag waar zij bleven; en toen hij naar de kampanje liep en hen nakeek, zag hij zijn oom met een hangend hoofd in de boot zitten, en de kapitein hem met het zilveren horloge op den rug kloppen (dat nog al zeer moest doen) en met de theelepeltjes en de suikertang gesticuleeren om hem moed en hoop te geven. Walter in het oog krijgende, liet de kapitein zijne schatten geheel onbezorgd onder in de boot vallen, nam zijn blinkenden hoed af en riep hem op zeemans manier lustig aan. De blinkende hoed flikkerde in den zonneschijn, en de kapitein bleef daarmede zwaaien tot hij niet meer te zien was. Toen bereikte de verwarring aan boord, die hoe langer hoe grooter was geworden, haar toppunt; nog twee of drie booten voeren onder een algemeen gejuich af; de zeilen glinsterden in den zonneschijn, toen Walter ze voor het gunstige koeltje zag uitspreiden; het water stoof flikkerend voor den boeg op, en de Zoon en Erfgenaam aanvaardde hare reis, zoo vroolijk en vol hoop, als menig ander zoon en erfgenaam, reeds lang verdwenen, vroeger had gedaan.Dag aan dag berekenden oom Sam en kapitein Cuttle in het achterkamertje den koers van het schip, met de kaart op het ronde tafeltje voor hen. Des avonds, als de oude man zoo alleen naar boven ging naar het zolderkamertje, waar het somtijds zoo geducht waaide, keek hij naar de sterren en luisterde hij naar den wind, en hield hij langer wacht dan hij had moeten doen als hij matroos aan boord was geweest. De laatste flesch oude madera, die meer dan eens de linie was gepasseerd en de zeegevaren had leeren kennen, bleef ondertusschen stil en ongestoord, onder stof en spinrag liggen.[136]
De houten adelborst aan de deur des instrumentmakers, die ook een hard houten hart[130]had, bleef geheel onverschillig voor Walter’s aanstaand vertrek, zelfs toen de laatste dag, dien deze in het achterkamertje zou doorbrengen, ten einde liep. Met zijne sextant voor het kogelronde zwarte oog, en altijd op het punt om vlug vooruit te stappen, bleef de houten adelborst met zijne korte broek pronken, en stelde hij, in de wetenschap verdiept, geen het minste belang in aardsche zaken. Hij was in zooverre van omstandigheden afhankelijk, dat een droge dag hem met stof bedekte, een mistige dag hem met roetstippen bestrooide, een regenachtige dag zijne verbleekte uniform voor het oogenblik ophelderde, en een buitengewoon heete dag hem deed bladderen; maar anders was hij een hardvochtige, eigenwijze adelborst, die aan niets anders dacht dan zijne eigene ontdekkingen, en zich zoo weinig bekommerde om hetgeen er op de wereld en om hem heen gebeurde, als Archimedes bij het innemen vanSyracuse.
Zulk een adelborst scheen hij ten minste in den toenmaligen staat der huiselijke zaken te zijn. Walter zag hem bij het uit- en ingaan dikwijls vriendelijk aan; en de arme oude Sam kwam, als Walter er niet was, dikwijls tegen den post der deur staan leunen, en liet zijne vermoeide pruik zoo dicht hij kon bij de schoengespen van den beschermgeest van zijn winkel rusten. Maar geen wanschapen afgod, met een mond van het eene oor tot het andere, was ooit onverschilliger voor het roepen zijner heidensche aanbidders, dan de houten adelborst voor deze blijken van gehechtheid was.
Walter’s hart was beklemd, toen hij in zijn slaapkamertje rondzag en naar de schoorsteenen daar buiten keek, en bedacht, dat de nacht, die nu reeds begon te vallen, zijne kennis daarmede, misschien voor altijd, zou besluiten. Reeds ontdaan van de kleine uitstalling van boeken en prenten, zag het kamertje hem koud en verwijtend aan, en had het reeds een zweem van zijne aanstaande vreemdheid. “Nog eenige uren,” dacht Walter, “en geen droom, dien ik hier ooit als een schooljongen heb gehad, zal minder mijn eigendom zijn dan dit oude kamertje. De droom mag in mijn slaap terugkomen, en ik mag wakend weder hier komen; maar de droom zal ten minste geen ander meester dienen, en het kamertje kan er twintig krijgen, en ieder van die meesters kan het veranderen, verwaarloozen of misbruiken.”
Maar zijn oom moest niet in het achterkamertje alleen blijven zitten, waar hij nu toch reeds eene poos alleen was geweest; want kapitein Cuttle, ruw, maar toch bedachtzaam, was zeer tegen zijn zin met opzet weggebleven, opdat oom en neef ongehinderd met elkander konden spreken; en zoo ging Walter, pas van zijne laatste dagdrukte naar huis gekomen, spoedig naar beneden om hem gezelschap te houden.
“Oom,” zeide hij vroolijk, zijne hand op des ouden mans schouder leggende, “wat moet ik u vanBarbadoszenden?”—“Hoop, mijn beste Wally. Hoop dat wij elkander zullen wederzien, aan dezen kant van het graf. Zend mij daarvan zooveel gij kunt.”—“Dat zal ik, oom. Ik heb genoeg en over, en zal er niet karig mee zijn. En wat levendige schildpadden betreft, en citroenen voor kapitein Cuttle’s punch, en confituren voor u op zondag, daarvan zal ik u scheepsladingen zenden, zoodra ik maar rijk genoeg ben.”
Oude Samuel veegde zijn bril af en glimlachte flauw.
“Zoo is het goed, oom!” riep Walter vroolijk, hem nog eenige malen op den schouder kloppende. “Beur gij mij maar op! Ik zal u opbeuren! Wij zullen morgenochtend zoo vroolijk alsleeuwerikenzijn en even hoog vliegen. Mijne vooruitzichten zijn nu al in de wolken.”—“Wally, mijn goede jongen,” zeide de oude man. “Ik zal mijn best doen, ik zal mijn best doen.”—“En uw best, oom,” zeide Walter, met zijn innemenden lach, “is het beste best dat ik ken. Gij zult niet vergeten, wat ge mij zenden moet, oom?”—“Neen, Walter, neen,” was het antwoord, “al wat ik van jonge jufvrouw Dombey hoor, nu zij zoo alleen is, het arme schaap, zal ik u schrijven. Maar ik vrees, dat het niet veel zal zijn, Walter.”—“Wat, ik zal u eens wat zeggen, oom,” zeide Walter, na een oogenblik aarzelens. “Ik ben zoo even daarheen geweest.”—“Zoo, zoo, zoo!” zeide de oude man, zijne wenkbrauwen optrekkende, en daardoor te gelijk zijn bril omhoogschuivende.—“Niet omhaarte zien,” zeide Walter, “schoon ik haar wel had kunnen zien, denk ik, als ik er om gevraagd had, nu mijnheer Dombey uit de stad is, maar om met Suze een woordje tot afscheid te spreken. Ik dacht dat ik dit wel mocht doen, onder deze omstandigheden, en als men bedenkt, wanneer ik jonge jufvrouw Dombey het laatst gezien heb.”—“Ja, mijn jongen, ja,” antwoordde zijn oom, uit eene korte vlaag van verstrooidheid ontwakende.—“Ik vroeg dus naar haar,” vervolgde Walter, “naar Suze, meen ik, en zeide haar, dat ik morgen zou vertrekken. En ik zeide haar, oom, dat gij altijd zooveel belang in jonge jufvrouw Dombey hadt gesteld, sedert den avond toen zij hier was, en haar altijd geluk en voorspoed hadt gewenscht, en altijd vereerd en verheugd zoudt zijn als gij haar den minsten dienst kondt bewijzen; ik dacht dat ik dit wel mocht zeggen, in deze omstandigheden, weet ge. Denkt gij dat ook niet?”—“Ja, mijn jongen, ja,” antwoordde zijn oom, op denzelfden toon als te voren.—“En ik voegde er nog bij,” vervolgde Walter, “dat als zij, Suze meende ik, u ooit kon laten weten, hetzij zelve, of door[131]jufvrouw Richards of iemand anders, die dezen weg uitkwam, dat jonge jufvrouw Dombey gezond en gelukkigwas, gij dat voor heel vriendelijk zoudt houden, en het mij zoudt schrijven, en dat ik het ook voor heel vriendelijk zou houden. Daar nu! Op mijn woord, oom,” zeide Walter, “ik heb verleden nacht haast niet kunnen slapen, zoo heb ik liggen denken of ik dit zou doen of niet, en ik kon maar niet tot een besluit komen; en toch is het waarlijk het echte gevoel van mijn hart, en ik zou naderhand heel verdrietig zijn geweest als ik dat niet had lucht gegeven.”
Zijn toon was bewijs genoeg van zijne oprechtheid.
“Als gij haar dus ooit ziet, oom,” hervatte Walter, “ik meen nu jonge jufvrouw Dombey—en misschien zult ge wel; wie weet het!—zeg haar dan hoeveel gevoel ik voor haar had; hoe ik altijd aan haar dacht toen ik hier was; hoe ik nog met tranen in de oogen van haar sprak, op den laatsten avond eer ik heenging. Zeg haar, hoe ik toen nog gezegd heb, dat ik nooit hare zachte manieren, of haar lief gezichtje kon vergeten, of haar lief en vriendelijk karakter, dat nog beter dan alles was. En daar ik ze geene jonge dame van de voeten heb genomen, maar alleen een onnoozel kind,” zeide Walter, “zeg haar dus, oom, als het u niet schelen kan, dat ik die schoenen heb bewaard—zij zal nog wel weten hoe dikwijls ze dien avond uitgingen—en ze als eene gedachtenis heb meegenomen!”
Zij werden juist in een van Walter’s koffers de deur uitgedragen. Een kruier, die zijne bagage op een wagen laadde, om ze aan boord van de Zoon en Erfgenaam te brengen, had ze in zijne macht en reed er mede heen, uit de oogen van den gevoelloozen adelborst, bijna eer de eigenaar nog had uitgesproken.
Maar men had dien ouden zeeman zijne onverschilligheid voor den schat, die daar werd weggevoerd, wel kunnen vergeven, want vlak in de richting van zijne sextant en zijne scheelziende oogen, waren Florence en Suze Nipper; Florence keek zelve half beschroomd naar hem op en ontving den geheelen schok van zijn houten lonk.
Nog meer, zij gingen den winkel in naar de deur van het achterkamertje, eer iemand anders dan de houten adelborst ze had waargenomen; en Walter, die met zijn rug naar de deur zat, zou zelfs toen nog niets van hare verschijning hebben geweten, als hij zijn oom niet van zijn stoel had zien opspringen en bijna over een anderen heen tuimelen.
“Oom!” riep hij uit. “Wat scheelt er aan?”—“Jonge jufvrouw Dombey!” was het antwoord.—“Is het mogelijk!” riep Walter, omkijkende en insgelijks opspringende. “Hier!”
Het was zoo mogelijk en zoo werkelijk, dat, eer nog de woorden uit zijn mond waren, Florence hem voorbij snelde, oom Sam’s koffiebruine lappellen vatte, met elke hand een, hem een kus op de wang drukte, en zich toen naar Walter keerende, hem met de eenvoudigheid en hartelijkheid, die haar en niemand anders in de wereld eigen waren, hare hand reikte.
“Gij gaat heen, Walter!” zeide Florence.—“Ja, jufvrouw Dombey,” antwoordde hij, maar niet met zooveel hoop in zijn toon als hij wel gewild had. “Ik heb eene reis vóór mij.”—“En uw oom,” zeide Florence, weder naar Samuel omziende. “Het spijt hem zeker dat gij heengaat. Ja, dat zie ik wel. Beste Walter, het spijt mij ook zeer.”—“Onze lieve Heer weet,” riep Suze nu uit, “dat er menigeen is dien wij beter konden missen, als het daarom te doen was; mevrouw Pipchin zou als opzichter haar gewicht in goud waard zijn, en als men zwarte slaven moest kunnen drijven, zouden die Blimber’s juist de menschen zijn voor zulk een post.”
Daarmede maakte zij de linten van haar hoed los, en nadat zij voor een oogenblik verstrooid in een zwart trekpotje had gekeken, dat bij het gewone eenvoudige theeservies op de tafel stond, schudde zij haar hoofd en een blikken busje en ging ongevergd thee zetten.
Ondertusschen had Florence zich weder naar den ouden instrumentmaker gekeerd, die even vol van opgetogenheid als verwondering stond te kijken. “Zooveel grooter!” zeide hij. “Zooveel mooier! En toch niet veranderd! Nog juist dezelfde!”—“Waarlijk!” zeide Florence.—“Ja-a!” antwoordde de oude man, langzaam zijne handen wrijvende, en hardop denkende, terwijl iets peinzends in de heldere oogen, die hem aanzagen, zijne aandacht boeide. “Ja, die uitdrukking had het jongere gezichtje ook.”—“Gij herinnert u mij dus nog,” zeide Florence met een glimlach; “en welk een klein dingetje ik toen was?”—“Lieve jonge jufvrouw,” antwoordde de instrumentmaker, “hoe kon ik u vergeten, zoo dikwijls als ik sedert om u gedacht en van u gehoord heb! Zelfs op het oogenblik toen gij binnenkwaamt was Walter over u aan het praten, en gaf mij boodschappen voor u, en …”—“Deed hij dat?” zeide Florence. “Daarvoor dank ik u, Walter. Ik was bang dat gij mocht heengaan zonder haast om mij te denken.” En wederom gaf zij hem haar handje zoo vrijmoedig en hartelijk, dat Walter het niet zoo terstond weder kon loslaten, maar het eene poos vasthield.
Hij hield het echter niet zoolang vast als hij misschien eens zou gedaan hebben, en het deed ook die oude droomen zijner jongensjaren niet weder ontwaken, die hem zelfs nog niet lang geleden somtijds voor den geest hadden gezweefd en hem met hunne verwarde en onduidelijke beelden verbijsterd. De reinheid en[132]onschuld harer lieftalligheid, haar onbeperkt vertrouwen en de ongeveinsde achting voor hem, die uit hare zachte oogen en haar lief gezichtje spraken, in weerwil van den glimlach die het overschaduwde—want, helaas, het was een te treurige glimlach om het te verhelderen—hadden niets van dat romaneske. Zij voerden zijne gedachten terug naar het vroegere sterfbed dat hij haar had zien verzachten, en de liefde die het kind haar had toegedragen; en op de vleugelen van zulke herinneringen scheen zij zich, ver boven zijne ijdele hersenschimmen, in reiner lucht te verheffen.
“Ik—ik zou u gaarne Walter’s oom willen noemen, mijnheer,” zeide Florence, tot den ouden man, “als ge dat wel wilt hebben.”—“Lieve jonge jufvrouw!” riep de oude Samuel uit. “Willen hebben! Wel goede hemel!”—“Wij hebben altijd met dien naam van u gesproken,” zeide Florence, in het rond ziende en met een zachten zucht. “Dat aardige oude kamertje! Nog juist hetzelfde! Hoe goed heugt het mij nog!”
Samuel zag eerst haar en toen zijn neef aan, wreef toen in zijne handen, veegde toen zijn bril af en zeide binnensmonds: “O, die tijd, die tijd, die tijd!”
Er volgde eene korte poos van stilte, waaronder Suze Nipper knaphandig nog twee kopjes en schoteltjes uit de kas kreeg, en peinzend wachtte terwijl de thee stond te trekken.
“Ik moet Walter’s oom,” zeide Florence, hare hand schroomvallig op die des ouden mans leggende, welke op de tafel rustte, “iets zeggen waarover ik bekommerd ben. Hij zal alleen blijven, en als hij mij wil toelaten—niet om Walter’s plaats te vervullen, want dat zou ik niet kunnen, maar om zijne ware vriendin te zijn en hem zoo veel te helpen als ik kan terwijl Walter weg is, dan zal ik hem waarlijk zeer verplicht wezen. Wilt gij? Mag ik, Walter’s oom?”
De instrumentmaker bracht zonder te spreken hare hand aan zijne lippen, en Suze Nipper, met over elkander geslagene armen achteroverleunende in den presidentsstoel, waarop zij zich eigenmachtig had geplaatst, beet op een lint van haar hoed, en slaakte een zachten zucht, terwijl zij naar het lantarenraam opzag.
“Gij wilt dan wel dat ik naar u kom zien als ik kan,” zeide Florence, “en gij zult geene geheimen voor Suze hebben, als zij komt en ik niet kan, maar zult ons vertrouwen en op alles antwoord geven. En gij zult ons toelaten ons best te doen om u een troost te wezen? Wilt gij, Walter’s oom?”
Het lieve gezichtje, dat naar hem opzag, de vriendelijke smeekende oogen, de zachte stem, de lichte druk op zijn arm, alles nog innemender door den kinderlijken eerbied voor zijne jaren, die er een bevalligen zweem van twijfeling en beschroomdheid aan gaf—dit, en de natuurlijke ernst harer hartelijkheid, overweldigden den ouden instrumentmaker zoo zeer, dat hij niets anders antwoordde dan: “Walter, zeg toch een woord voor mij, beste jongen. Ik ben dankbaar, heel dankbaar.”—“Neen, Walter,” zeide Florence, met haar kalmen glimlach. “Zeg niets voor hem als het u belieft. Ik versta hem goed, en wij moeten leeren zonder u met elkander te praten, beste Walter.”—“Jufvrouw Florence,” antwoordde hij, zijn best doende om den vroolijken toon te hernemen, waarmede hij met zijn oom had gesproken. “Ik weet waarlijk even weinig als mijn oom, wat ik zeggen zal om zulke goedheid en vriendelijkheid te erkennen. Maar wat kon ik ook zeggen, al had ik het vermogen om een uur lang te praten, behalve dat gij doet gelijk men van u kon verwachten!”
Suze Nipper begon aan een nieuw eind van haar lint, en knikte tegen den zolder, ten teeken van hare goedkeuring.
“Maar, Walter,” zeide Florence, “er is iets, dat ik u wenschte te zeggen eer gij heengaat, en gij moet mij Florence noemen als het u belieft, en niet spreken als een vreemde.”—“Als een vreemde!” herhaalde Walter. “Neen, waarlijk, dat zou ik niet kunnen. Ten minste zeker niet met het gevoel van een vreemde.”—“Ja, maar dat is niet genoeg, en het is niet wat ik meen,” zeide Florence. “Want Walter,” vervolgde zij, in tranen uitbarstende, “hij hield heel veel van u, en voor zijn dood zeide hij dat hij dat deed, en zeide nog “denk om Walter!” en als gij nu een broeder voor mij wilt zijn, Walter, nu hij weg is en ik niemand op de wereld meer heb, zal ik al mijn leven eene zuster voor u wezen, en als eene zuster aan u denken, waar wij ook zijn! Dit is het dat ik u wenschte te zeggen, lieve Walter, maar ik kan het niet zoo goed zeggen als ik wilde, omdat mijn hart te vol is.”
En in de volheid en lieve eenvoudigheid van haar hart, stak zij hem beide handen toe. Walter nam ze, bukte en raakte met zijne lippen het betraande gezichtje aan, dat zich niet terugtrok of omkeerde, en ook niet bloosde toen hij dit deed, maar met gerustheid en vertrouwen naar hem opzag. In dat oogenblik verdween alle zweem van twijfel of onrust uit Walter’s gemoed. Het was hem als beantwoordde hij hare onschuldige bede bij het bedje van het doode kind; en denkende aan het plechtige dat hij daar had gezien, verbond hij zich om zelfs haar beeld, in zijne ballingschap, met broederlijke hoogachting te vereeren en lief te hebben, om haar eenvoudig vertrouwen nooit te schenden, en zich zelven diep vernederd te achten als hij ooit eene gedachte daarbij koesterde, die niet in haar eigen hart was toen zij het hem gaf.[133]
Suze Nipper, die beide hare linten had doorgebeten en het lantarenraam van niet weinig geheime aandoening deelgenoot gemaakt, bracht nu een ander onderwerp op het tapijt door te vragen wie er melk en suiker gebruikte; en hieromtrent ingelicht schonk zij thee. Alle vier verzamelden zich gezellig om de kleine tafel, en genoten wat de ijverige jonge dame hun aanbood; en Florence’s tegenwoordigheid in het achterkamertje scheen zelfs de kleur van het fregat de Tartaar aan den wand te verhelderen.
Een half uur geleden had Walter haar, om alles in de wereld, niet bij haar naam durven noemen. Maar nu zij hem zelve daarom verzocht, kon hij dat wel doen. Hij kon aan haar bijzijn denken, zonder eenigen geheimen schroom dat het beter zou geweest zijn als zij niet gekomen was. Hij kon met kalmte denken hoe schoon zij was, hoeveel schooner zij nog beloofde te worden, en welk eene rustplaats een of ander gelukkig man eens in zulk een hart zou vinden. Hij dacht aan zijne eigene plaats in dat hart, met edelen trots en een moedig besluit om die, zoo niet te verdienen—dit achtte hij nog ver boven zich—ze nooit minder waardig te worden.
Er moet iets tooverachtigs zijn geweest in de manier waarop Suze thee schonk, hetwelk oorzaak was van het rustige dat er ondertusschen in het achterkamertje heerschte; en een tegenovergestelde invloed moet oom Sam’s chronometer hebben voortgejaagd en hem harder doen loopen dan het fregat de Tartaar ooit voor den wind zeilde. Dit zij gelijk het wil, de bezoeksters hadden niet veraf op een stil hoekje eene koets laten staan wachten; en toen de chronometer toevallig werd geraadpleegd, was deze zoo stellig van meening dat de koets reeds zeer lang had staan wachten, dat het onmogelijk was er aan te twijfelen. Oom Sam had liever alles willen doen dan bekennen dat zijn chronometer voorliep.
Bij het afscheid herhaalde Florence nog eens alles, wat zij den ouden man gezegd had, en bond hem door eene uitdrukkelijke belofte aan hun verdrag. Oom Sam geleidde haar met vaderlijke vriendelijkheid tot aan de beenen van den houten adelborst en gaf haar daar aan Walter over, die gereed was om haar en Suze naar de koets te brengen.
“Walter,” zeide Florence onderweg, “ik heb u dat vooruwoom niet durven vragen. Denkt ge dat ge lang zult wegblijven?”—“Dat weet ik waarlijk niet,” antwoordde Walter. “Ik vrees van ja. Mijnheer Dombey gaf mij dat vrij duidelijk te kennen, dacht ik, toen hij mij benoemde.”—“Is het eene gunst, Walter?” zeide Florence, na een oogenblik bedenkens, en zag hem angstig aan.—“Die benoeming?” vroeg Walter.—“Ja.”
Walter had gaarne een bevestigend antwoord willen geven, maar zijn gezicht antwoordde reeds eer zijne lippen dit konden, en Florence was te oplettend om dat antwoord niet te verstaan.
“Ik vrees dat gij eigenlijk geen gunsteling van papa zijt geweest,” zeide zij beschroomd.—“Er is geene reden waarom ik dat zijn zou,” antwoordde Walter met een glimlach.—“Geene reden, Walter!”—“Erwasgeene reden,” hervatte Walter, hare meening begrijpende. “Er zijn er zoo veel op het kantoor. Tusschen mijnheer Dombey en een jong mensch zooals ik is een groote afstand. Als ik mijn plicht doe, doe ik maar wat ik moet en niet meer dan al de anderen.”
Koesterde Florence eene achterdocht, waarvan zij zich zelve nauwelijks bewust was—eene achterdocht die onduidelijk bij haar was opgekomen, sedert dien nacht toen zij in haar vaders kamer was geweest—dat Walter’s belangstelling in haar en toevallige kennis met haar, hem misschien dat geduchte ongenoegen hadden op den hals gehaald? Had Walter zelf zulk een denkbeeld, of viel het hem eensklaps in dat het haar op dat oogenblik voor den geest zweefde? Geen van beiden sprak er van. Eene korte poos spraken zij in het geheel niet. Suze, die aan den anderen kant naast Walter ging, zag hen beide scherp aan; en hare gedachten namen zeker die richting, en wel met zeer weinig twijfel.
“Gij kunt misschien heel gauw terugkomen, Walter,” zeide Florence.—“Ikkanals een oud man terugkomen,” antwoordde Walter, “en u eene oude dame vinden. Maar ik hoop beter.”—“Papa,” zeide Florence, na een oogenblik stilzwijgens, “zal zich van dien slag herstellen, en—en dan vrijer met mij spreken, eens misschien; en als hij dat doet, zal ik hem zeggen hoe ik verlang u weer te zien, en hem vragen om u om mijnentwil terug te roepen.”
Er was eene weifeling in deze woorden over haar vader, die Walter maar te wel begreep.
Daar de koets dichtbij was, zou hij haar zonder meer te zeggen hebben verlaten, want hij gevoelde nu wat het scheiden was; maar toen Florence zat drukte zij hem nog de hand, en hij vond dat zij een klein pakje in de hare had.
“Walter,” zeide zij, hem met hare vriendelijke oogen aanziende, “evenals gij, hoop ik op beter. Ik zal er om bidden en wil gelooven dat het komen zal. Ik geef die kleinigheid voor Paul. Ik bid u, neem ze met mijne hartelijke wenschen, en zie er niet naar eer gij vertrokken zijt. En nu, God zegene u, Walter! Vergeet mij nooit! Gij zijt mijn broeder!”
Hij was blijde dat Suze tusschen hen in kwam, of zij zou hem misschien met eene treurige herinnering hebben verlaten. Hij was ook blijde, dat zij niet weder uit de koets keek, maar slechts met haar handje wuifde, zoolang hij het kon zien.[134]
In spijt van haar verzoek, kon hij niet nalaten het pakje te openen toen hij dien avond naar bed ging. Het was een beursje, en er was geld in.
Helder rees de zon den volgenden morgen op, en Walter ontving haar met den kapitein, die reeds aan de deur was, daar hij vroeger dan noodig was uitgegaan, om weg te komen, terwijl jufvrouw MacStinger nog sluimerde. De kapitein veinsde zeer vroolijk te zijn, en bracht in eenderzakken van zijne blauwe jas eene zeer sterk gerookte ossetong voor het ontbijt mede.
“En, Walter,” zeide de kapitein, toen zij om de tafel zaten, “als uw oom de man is waarvoor ik hem houd, zal hij bij deze gelegenheid de laatste flesch van dien madera opentrekken.”—“Neen, neen, Edward,” zeide de oude man. “Neen. Die moet worden opengetrokken als Walter weer thuis komt.”—“Wel gezegd!” zeide de kapitein. “Goed zoo!”—“Daar ligt zij,” hervatte Samuel Gills, “in het keldertje, met stof en spinnewebben bedekt. Misschien zullen gij en ik ook wel onder stof en spinnewebben liggen, eer zij wordt opengetrokken.”—“Goed zoo!” riep de kapitein. “Eene mooie zedeles. Walter, mijn jongen, buig den vijgeboom den weg dien hij gaan moet, en als gij oud zijt, kunt gij onder zijne schaduw zitten. Kijk maar na in—ja,” zeide de kapitein zich bedenkende, “ik ben niet recht zeker waar dat te vinden is; maar als gij het vindt zet er dan een streepje bij. Sam Gills, ga maar weer voort!”—“Maar daar, of ergens, zal zij blijven liggen, tot Walter terugkomt om ze op te eischen,” zeide de oude man. “Dat is wat ik wilde zeggen.”—“En het is goed gezegd, mooi gezegd,” antwoordde de kapitein, “en als wij met ons drieën die flesch niet in gezelschap kraken, geef ik u beiden verlof om mijne portie op te drinken.”
In weerwil der buitengewone vroolijkheid des kapiteins, smaakte de ossetong hem toch lang niet goed, hoewel hij, als er iemand naar hem keek, zijn best deed om zich te houden alsof hij zeer hongerig at. Hij was ook schrikkelijk bang om met den oom of den neef alleen te blijven, en scheen te denken dat hij dan alleen kans had om zich goed te houden, als zij altijd met hun drieën bij elkander bleven. Deze angst des kapiteins deed hem op verschillende schrandere invallen komen. Zoo liep hij, toen Samuel zijne jas ging aantrekken, naar de deur, onder voorwendsel dat hij iets zeer buitengewoons aan eene voorbijkomende huurkoets zag; en toen Walter naar boven ging om van de inwoners afscheid te nemen, stapte hij de straat op, voor reden gevende dat hij brand in een naburigen schoorsteen rook. Deze kunstgrepen hield kapitein Cuttle voor ondoorgrondelijk voor alle menschelijk vernuft.
Walter kwam van zijn afscheidnemen terug en ging den winkel door naar het achterkamertje, toen hij een gezicht, dat hij kende, door de voordeur zag binnenkijken en er dadelijk op toeschoot.
“Mijnheer Carker,” zeide hij, Carker Junior de hand drukkende. “Kom toch binnen. Dat is vriendelijk van u, dat ge zoo vroeg hier zijt om mij goedendag te zeggen. Gij wist wel, hoe gaarne ik u nog eens de hand zou geven eer ik heenging. Ik kan niet zeggen hoe blij ik er mee ben. Kom toch binnen.”—“Het is niet waarschijnlijk dat wij elkander ooit zullen weerzien, Walter,” zeide de ander, zacht wederstand biedende, “en ik ben zoo blijde dat ik u nog eens zie. Nu wij zoo spoedig zullen scheiden, durf ik wel tot u spreken en u de hand geven. Ik behoef nu uwe hartelijkheid niet meer af te wijzen, Walter.”
De glimlach waarmede hij dit zeide had iets treurigs, waaruit bleek dat hij zelfs in hun geringen en van zijn kant stroeven omgang zeker gezelschap had gevonden.
“O, mijnheer Carker!” zeide Walter; “waarom hebt gij ze afgewezen? Ik ben overtuigd, dat ge mij niet anders dan goed hadt kunnen doen.”
Hij schudde zijn hoofd. “Als ik op de wereld nog iets goeds kon doen,” zeide hij, “zou ik het voor u doen, Walter. Uw gezicht van dag tot dag, is te gelijk een genoegen en eene wroeging voor mij geweest. Maar het genot ging de smart te boven. Dat weet ik nu, door te gevoelen wat ik verlies.”—“Kom binnen, mijnheer Carker, en maak eens kennis met mijn goeden, ouden oom,” zeide Walter dringend. “Ik heb hem dikwijls over u gesproken, en hij zal u gaarne alles vertellen wat hij van mij hoort. Ik heb,” vervolgde Walter, zijne aarzeling opmerkende en nu zelf eenigszins verlegen wordende, “ik heb hem niets van ons laatste gesprek gezegd, mijnheer Carker; zelfs hem niet, geloof mij.”
De grijze Junior drukte hem de hand en tranen kwamen hem in de oogen.
“Als ik ooit kennis met hem maak, Walter,” zeide hij, “zal het zijn om tijding van u te kunnen hooren. Gij kunt er op aan dat ik uwe goedheid en verdraagzaamheid niet zal misbruiken. Het zou een misbruik wezen, als ik hem niet de geheele waarheid zeide, eer ik een vertrouwelijk woord van hem zocht te krijgen. Maar ik heb geen vriend of bekende behalve u, en zelfs om uwentwil is het niet waarschijnlijk dat ik er nog een zal zoeken.”—“Ik wenschte,” antwoordde Walter, “dat ge mij waarlijk uw vriend hadt laten zijn. Dat heb ik altijd gewenscht, mijnheer Carker, zooals gij weet; maar nooit half zooveel als nu, nu wij zullen scheiden.”—“Het is genoeg,” was het antwoord, “dat gij in mijne eigene gedachten mijn[135]vriend zijt geweest, en dat toen ik u het meest vermeed, mijn hart u het meest was toegedaan. Vaar wel nu, Walter!”—“Vaar wel, mijnheer Carker! De Hemel zij met u, mijnheer!” riep Walter met aandoening uit.—“Als gij,” zeide de ander, zijne hand vasthoudende, “als gij, wanneer gij terugkomt, mij mist in mijn ouden hoek, en van iemand mocht hooren waar ik lig, kom dan eens naar mijn graf zien. Denk dat ik even eerlijk en gelukkig had kunnen zijn als gij! En laat ik denken, als ik weet dat mijn tijd nadert, dat iemand gelijk ik vroeger was, daarvoor een oogenblik kan blijven staan, en met medelijden en vergiffenis aan mij denken. Vaar wel nu, Walter!”
Zijne gedaante gleed als eene schaduw in den helderen zonneschijn de straat af, en verdween in de verte.
De onbarmhartige chronometer verkondigde ten laatste dat Walter den houten adelborst den rug moest keeren; en zij reden, hij zelf, zijn oom, en de kapitein, met eene huurkoets naar de werf, van waar zij met eene stoomboot naar eene bocht van de rivier zouden varen, welker naam, gelijk de kapitein dien uitsprak, voor de ooren van ieder landsman een raadsel moest blijven. Aan die bocht gekomen (waarheen het schip met het laatste getij was verzeild) werden zij door onderscheidene opgewonden bootroeiers aan boord geklampt, onder anderen door een smerigen Cycloop, een bekende van den kapitein, die hem met zijn eene oog reeds op eene halve mijl afstands had onderscheiden, en zoolang een onverstaanbaar geschreeuw met hem had gewisseld. De wettige prooi van dezen persoon geworden, die altijd eene schorre stem en een ongeschoren baard scheen te moeten hebben, werden zij alle drie aan boord van de Zoon en Erfgenaam gebracht, waar op het oogenblik eene groote verwarring heerschte, het natte dek met losse zeilen en touwen was overspreid, bestemd, naar het scheen, om iemand een beentje te te lichten, mannen met roode hemden blootsvoets naar voren en naar achteren liepen, kisten en vaten overal den weg verstopten, en, in het dichtste gedrang, een zwarte kok, in eene zwarte kombuis, blind van den rook, tot aan de oogen in groenten zat gedoken.
De kapitein trok Walter dadelijk terzijde, en haalde met eene inspanning, waarvan zijn gezicht rood werd, het zilveren horloge uit, dat zoo groot was en zoo stijf in zijn zak zat, dat het er met een “pop” uitschoot.
“Walter,” zeide de kapitein het hem overgevende, en hem hartelijk de hand schuddende, “een afscheidspresentje, mijn jongen. Zet het ’s morgens een half uur, en ’s avonds nog een kwartier, achteruit, en het is een horloge waarvan ge pleizier zult hebben.”—“Kapitein Cuttle, daar kan ik niet aan denken,” zeide Walter, hem vasthoudende, want hij liep al weg. “Ik bid u, neem het terug. Ik heb er al een.”—“Dan, Walter,” zeide de kapitein, eensklaps in zijne zakken duikende, en de twee theelepeltjes en de suikertang ophalende, waarmede hij zich tegen zulk een bezwaar had gewapend. “Neem dan die stukjes zilver in plaats.”—“Neen, neen, dat kan ik waarlijk niet,” zeide Walter; “duizendmaal dank. Gooi ze niet weg, kapitein Cuttle,” want de kapitein wilde ze over boord werpen. “Zij zullen u veel beter te pas komen dan mij. Geef mij uw stok. Ik heb al dikwijls gedacht, dat ik dien graag zou willen hebben. Daar! Goedendag, kapitein Cuttle! Pas goed op mijn oom! Oom Sam, God zegen u!”
Zij waren in het gewoel reeds van boord, eer Walter zag waar zij bleven; en toen hij naar de kampanje liep en hen nakeek, zag hij zijn oom met een hangend hoofd in de boot zitten, en de kapitein hem met het zilveren horloge op den rug kloppen (dat nog al zeer moest doen) en met de theelepeltjes en de suikertang gesticuleeren om hem moed en hoop te geven. Walter in het oog krijgende, liet de kapitein zijne schatten geheel onbezorgd onder in de boot vallen, nam zijn blinkenden hoed af en riep hem op zeemans manier lustig aan. De blinkende hoed flikkerde in den zonneschijn, en de kapitein bleef daarmede zwaaien tot hij niet meer te zien was. Toen bereikte de verwarring aan boord, die hoe langer hoe grooter was geworden, haar toppunt; nog twee of drie booten voeren onder een algemeen gejuich af; de zeilen glinsterden in den zonneschijn, toen Walter ze voor het gunstige koeltje zag uitspreiden; het water stoof flikkerend voor den boeg op, en de Zoon en Erfgenaam aanvaardde hare reis, zoo vroolijk en vol hoop, als menig ander zoon en erfgenaam, reeds lang verdwenen, vroeger had gedaan.
Dag aan dag berekenden oom Sam en kapitein Cuttle in het achterkamertje den koers van het schip, met de kaart op het ronde tafeltje voor hen. Des avonds, als de oude man zoo alleen naar boven ging naar het zolderkamertje, waar het somtijds zoo geducht waaide, keek hij naar de sterren en luisterde hij naar den wind, en hield hij langer wacht dan hij had moeten doen als hij matroos aan boord was geweest. De laatste flesch oude madera, die meer dan eens de linie was gepasseerd en de zeegevaren had leeren kennen, bleef ondertusschen stil en ongestoord, onder stof en spinrag liggen.[136]