[Inhoud]XLII.VERTROUWELIJK EN TOEVALLIG.Niet meer met de zwarte afleggertjes en den flaphoed van kapitein Cuttle uitgedost, maar met eene nieuwe bruine livrei gekleed, die, terwijl zij zeer stemmig moest schijnen te zijn, inderdaad zoo opzichtig deftig was, als een kleermaker er een kon maken, was Rob de Slijper, naar den uitwendigen mensch aldus herschapen, en naar den inwendigen geheel onverschillig voor den kapitein en den adelborst, behalve wanneer hij, met eene toejuichende fanfare van dat koperen instrument, zijn geweten, zich verlustigde in de gedachte, hoe hij deze twee (in zijne verbeelding onafscheidbaar) den zak had gegeven, thans bij zijn beschermer Carker in dienst. Medebewoner van Carker’s huis en als zijn lijfknecht werkzaam, hield Rob met vreezen en beven zijne oogen op de witte tanden gevestigd, en gevoelde dat hij ze waarlijk wel wijder dan ooit mocht openzetten.Hij kon niet sterker door geheel zijn wezen voor die tanden gebeefd hebben, al was hij in den dienst van een machtig toovenaar gekomen, en al waren die tanden zijne krachtigste toovermiddelen geweest. De jongen had een gevoel van de macht en het gezag van zijn patroon, dat al zijne aandacht gespannen hield en hem tot blinde onderwerping en gehoorzaamheid noopte. Hij durfde zelfs, als hij niet bij hem was, nauwelijks over hem denken, eenigszins vreezende dat hij dan weder dadelijk bij de keel zou gepakt worden, gelijk op den ochtend hunner eerste kennismaking, en dat elke tand de geheimen van zijn gemoed zou doorgronden. Onder de oogen van zijn meester, twijfelde hij evenmin dat Carker zijne geheimste gedachten las, of lezen kon indien hij wilde, als hij er aan twijfelde of deze hem zag als hij hem aankeek. Zoo groot was die invloed, dat de knaap bijna geheel niet durfde denken, maar met eene nevelachtige voorstelling van zijn meesters onweerstaanbare macht over hem, en zijn vermogen om alles met hem te doen wat hij wilde, naar zijne wenken stond te wachten en zijne bevelen poogde te voorkomen, geheel suf en stomp voor alle andere dingen.Rob had het met zich zelven niet uitgemaakt—in zijn gemoedstoestand zou het reeds eene groote vermetelheid zijn geweest er naar te vragen,—of hij zich zoo volkomen aan dien invloed overgaf, dewijl hij vermoedde dat zijn beschermer een meester was in zekere verraderlijke kunsten, waarin hij zelf op de Slijpersschool een beginnend leerling was geweest. Zeker is het dat Rob hem bewonderde zoowel als vreesde. Carker was misschien beter bekend met de bronnen zijner macht en verzuimde niets om die te bevestigen.Op denzelfden avond toen Rob den dienst des kapiteins verliet, was hij, na zijne duiven verkocht en in zijne haast zelfs eene slechte negotie gedaan te hebben, recht naar Carker’s huis gegaan, en was hij met een gloeiend gezicht, dat eene lofspraak scheen te verwachten, voor zijn nieuwen meester verschenen.“Zoo, deugniet!” zeide Carker, naar zijn pakje ziende. “Zijt gij uit uw dienst geloopen, en komt ge nu naar mij toe?”—“O, als je blieft, mijnheer,”[293]stotterde Rob, “gij hebt immers gezegd, toen ik laatst hier was …”—“Ikgezegd?” hervatte Carker. “Wat heb ik gezegd?”—“Als je blieft, mijnheer, gij hebt niemendal gezegd, mijnheer,” antwoordde Rob, door den toon der vraag gewaarschuwd, en zeer onthutst.Zijn patroon keek hem aan, liet zijn tandvleesch zien, schudde zijn voorvinger en zeide:“Gij zult aan een slecht eind komen, mijn losbandige vriend, dat voorzie ik. Gij zult in uw ongeluk loopen.”—“Och neen, mijnheer, als je blieft!” barstte Rob uit, terwijl zijne beenen onder hem beefden. “Waarachtig, mijnheer, ik wil niets anders dan voor u werken, en u bedienen, en trouw doen wat mij belast wordt, mijnheer.”—“Het is u ook maar geraden om trouw te doen wat u belast wordt, als gij met mij te maken hebt,” antwoordde zijn patroon.—“Ja, dat weet ik wel, mijnheer,” zeide de onderdanige Rob hierop. “Daar ben ik wel zeker van, mijnheer. Als ge maar zoo goed wilt zijn om mij te probeeren, mijnheer. En als gij er mij ooit op betrapt, mijnheer, dat ik iets tegen uw zeggen doe, moogt ge mij vrij doodslaan.”—“Gij rekel!” zeide Carker, in zijn stoel achteroverleunende en hem vergenoegd glimlachend aanziende: “dat is nog niets bij wat ik u doen zou, als gij het hart hadt om mij te willen bedriegen.”—“Ja, mijnheer,” antwoordde de benauwde Slijper, “ik weet wel dat ge mij iets vreeselijks zoudt doen, mijnheer. Ik zou het ook niet probeeren, mijnheer, al wilde men mij met goud omkoopen.”Geheel te leur gesteld in zijne verwachting van eene lofspraak, bleef de onthutste Slijper zijn beschermer staan aanzien, en poogde vruchteloos hem niet aan te zien, met dezelfde ongerustheid welke een hond dikwijls in dergelijke omstandigheden aan den dag legt.“Dus hebt gij uw ouden dienst verlaten, en komt hier vragen of ik u in mijn dienst wil nemen, he?” zeide Carker.—“Ja, als je blieft, mijnheer,” antwoordde Rob, die wat hij gedaan had op eigen last van zijn patroon had gedaan, maar zich niet durfde rechtvaardigen door de geringste aanduiding daarvan.—“Wel!” zeide Carker. “Gij kent mij, jongen?”—“Ja, mijnheer, als je blieft,” antwoordde Rob, zijn hoed in het rond draaiende, en nog door Carker’s oogen geboeid, waarvan hij zich vruchteloos poogde los te rukken.Carker knikte. “Pas op, dan.”Rob gaf door een aantal snelle buigingen zijn levendig begrip van deze waarschuwing te kennen, en wilde zoo buigende naar de deur gaan, zeer verlicht door het vooruitzicht om maar daarbuiten te komen, toen zijn patroon hem stuitte.“Holla!” zoo riep hij met eene grove stem terug. “Gij zijt—doe die deur toe!”Rob gehoorzaamde alsof zijn leven van zijne vlugheid afhing.“Gij zijt aan het spionneeren en luisteren gewoon, niet waar?”—“Hier zou ik zoo iets nooit doen, mijnheer,” antwoordde Rob, “op mijn woord van eer, dat zou ik niet. Ik zou het voor de geheele wereld niet durven, of het moest mij belast worden, mijnheer.”—“Dat zou u ook niet geraden zijn. Gij zijt ook aan babbelen en overpraten gewoon,” zeide zijn patroon, met de grootste koelbloedigheid. “Pas hier daarop, of ge zijt een verloren schobbejak,” en wederom glimlachte hij en waarschuwde hij met zijn voorvinger.De Slijper voelde zijne ademhaling beklemd. Hij wilde zijne welmeenende gezindheid betuigen, maar kon den glimlachenden heer slechts aanstaren met eene botte onderdanigheid, waarmede de glimlachende heer tamelijk weltevreden scheen; want na den knaap nog eene poos stilzwijgend te hebben aangezien, beval hij hem om naar beneden te gaan, en zeide dat hij hem in zijn dienst zou houden.Dit was de manier waarop Rob de Slijper door Carker tot lijfknecht werd aangenomen; en met elke minuut van zijn dienst werd zijn ontzag voor dezen heer, zoo mogelijk, nog grooter.Die dienst had eenige maanden geduurd, toen Rob op zekeren morgen het tuinhek voor Dombey opendeed, die volgens afspraak bij zijn meester kwam ontbijten. Op hetzelfde oogenblik kwam zijn meester zelf naar buiten snellen om zijn geëerden gast te ontvangen en met al zijne tanden te verwelkomen.“Ik had waarlijk nooit gedacht u eens hier te zien,” zeide Carker, terwijl hij Dombey van het paard hielp stappen. “Dit is een uitstekende dag in mijn almanak. Geen bezoek heeft veel bijzonders voor een man als gij, die alles kan doen wat hij wil, maar voor een man als ik is het geheel anders.”—“Gij hebt hier een met smaak aangelegd buitentje, Carker,” zeide Dombey, zich verwaardigende om voor het grasperk te blijven stilstaan en rond te zien.—“Dat belieft u zoo te zeggen,” antwoordde Carker. “Wel verplicht.”—“Waarlijk,” zeide Dombey met zijne deftige minzaamheid, “dat zou iedereen moeten zeggen. Zoover het gaat schijnt het zeer gemakkelijk en goed ingericht—wezenlijk elegant.”—“Zoover het gaat inderdaad,” antwoordde Carker, met nederigheid. “Dat moet er bij gezegd worden. Nu, wij hebben er genoeg van gezegd; en schoon het eene goedheid van u is dat gij het prijst, ben ik u niet minder dankbaar. Wilt gij binnengaan?”Toen Dombey het huis binnenging, lette hij, gelijk hij wel doen mocht, op de keurige inrichting der kamers, en de talrijke kleine zorgen voor gemak en sieraad. Carker nam, met zijne pralende nederigheid, deze complimenten[294]met een benepen glimlach aan, en zeide dat hij de kieschheid daarvan begreep en waardeerde, maar dat het buitentje voor hem goed genoeg was—beter, misschien, hoe gering het ook was, dan iemand als hij moest bewonen.“Maar misschien vertoont het zich voor u, die zoover daarboven zijt, beter dan het werkelijk is,” zeide hij, met zijn valschen mond zoo breed mogelijk uitgerekt. “Evenals een vorst zich iets bekoorlijks in het leven van een bedelaar voorstelt.”Dit zeggende vestigde hij een scherpen blik op Dombey, en een nog scherper, met een scherpen glimlach gepaard, toen Dombey, zich voor het vuur plantende, in de houding, die door zijn eersten dienaar zoo dikwijls werd nagebootst, naar de schilderijen aan den wand rondkeek. Terwijl zijne koude oogen vluchtig daarover heengleden, ging Carker’s scherpe blik mede, en lette hij nauwkeurig op, waar die oogen bleven en wat zij zagen. Toen zij vooral op eene schilderij bleven rusten, scheen Carker nauwelijks adem te halen, zoo katachtig waakzaam was zijn zijdelings loeren; maar de oogen van den grooten man gleden er over heen, gelijk over de andere schilderijen en schenen er even weinig een indruk van te behouden.Carker zag er naar—het was de schilderij die naar Edith geleek alsof zij leefde; en er verscheen een stille, boosaardige lach op zijn gezicht, die gedeeltelijk op de schilderij scheen te doelen, hoewel hij eigenlijk den grooten man bespotte die zoo onergdenkend naast hem stond. Weldra stond het ontbijt op de tafel; en Dombey een stoel aanbiedende, welke met den rug naar die schilderij stond, zette hij zich volgens gewoonte er vlak tegenover.Dombey was ernstiger dan gewoonlijk, en zeer stil. De papegaai, in den vergulden hoepel in zijne prachtige kooi schommelende, poogde vruchteloos aandacht te trekken; want Carker lette te zeer op zijn gast, om aan den papegaai te denken; en de gast, in verstrooid gepeins, keek strak, om niet te zeggen stuursch, over zijne stijve das, zonder zijne oogen van het tafellaken op te slaan. Wat Rob, die bleef bedienen, betrof, al zijne zinnen en vermogens werden zoozeer door zijn meester geboeid, dat hij nauwelijks een oogenblik durfde geven aan de gedachte, dat die gast de groote heer was, voor wien hij eens in zijne kindsheid als getuige van den gezondheidstoestand zijner familie was verschenen, en aan wien hij zijn lederen broekje had te danken gehad.“Mag ik zoo vrij zijn om te vragen hoe mevrouw Dombey vaart?” zeide Carker eensklaps.Bij deze vraag leunde hij dienstvaardig voorover, met de kin op de hand steunende, en te gelijk sloeg hij zijne oogen naar de schilderij op, als wilde hij zeggen: “Zie nu, hoe ik hem bij den neus zal leiden.”Dombey werd rood terwijl hij antwoordde:“Mevrouw Dombey vaart zeer wel. Gij herinnert mij, Carker, aan iets waarover ik met u wilde spreken.”—“Robin, gij kunt heengaan,” zeide zijn meester, wiens zachte stem Robin deed schrikken en verdwijnen, met de oogen tot het laatste toe op zijn patroon gevestigd. “Gij herinnert u dien jongen natuurlijk nog wel?” vervolgde hij, toen de onderdanige Slijper verdwenen was.—“Neen,” zeide Dombey, met verhevene onverschilligheid.—“Niet waarschijnlijk dat een man als gij dat doen zou. Bijna niet mogelijk,” prevelde Carker. “Maar hij is uit het huishouden waaruit gij eens eene min hebt genomen. Misschien kunt gij u herinneren, dat gij u grootmoedig met zijne opvoeding hebt belast?”—“Is dat die jongen?” zeide Dombey, zijne wenkbrauwen samentrekkende. “Hij doet zijne opvoeding weinig eer aan, geloof ik.”—“Ja, hij is een deugniet, vrees ik,” antwoordde Carker, de schouders ophalende. “Daar heeft hij ten minste den naam van. Maar om de waarheid te zeggen, ik heb hem in dienst genomen, omdat hij, toen hij buiten betrekking was, zich verbeeldde (men zal hem dat zeker thuis geleerd hebben) dat hij eene soort van aanspraak op u had, en gedurig beproefde u met zijn verzoek na te loopen. En hoewel mijne bepaalde en erkende betrekking met uwe aangelegenheden alleen tot het kantoor beperkt is, heb ik toch zooveel onwillekeurige belangstelling voor alles wat u aangaat, dat …”Hij zweeg weder, als ware het om te ontdekken of hij Dombey al ver genoeg had gebracht. En wederom wierp hij, met de kin op de hand, een loerenden blik naar de schilderij.“Carker,” zeide Dombey, “ik weet wel, gij beperkt uwe …”—“Dienstvaardigheid,” gaf zijn glimlachende gastheer hem in bedenking.—“Neen, ik zeg liever toegenegenheid,” zeide Dombey, zeer wel gevoelende dat hij, door zoo te zeggen, een vleiend compliment maakte, “uwe toegenegenheid niet tot onze betrekking door kantoorzaken. Dat gij in de geringe bijzonderheid, waarvan gij zoo even gesproken hebt, mijn gevoel—mijne hoop en mijne teleurstelling—zoo ontziet, is een bewijs daarvan. Ik ben u verplicht, Carker.”Carker boog zeer langzaam zijn hoofd, en wreef zeer zacht zijne handen, als vreesde hij door eenige beweging Dombey’s vertrouwelijkheid in haar loop te storen.“Dat gij daarvan spreekt komt juist van pas,” hervatte Dombey, na eene geringe aarzeling, “want het is eene voorbereiding voor datgene wat ik u begonnen was te zeggen, en herinnert mij dat daardoor eigenlijk geene geheel nieuwe betrekkingen tusschen ons zullen ontstaan, hoewel er misschien van mijn kant een grooter persoonlijk vertrouwen bij zal plaats[295]hebben, dan ik tot nog toe …”—“Dan waarmee gij mij tot nog toe vereerd hebt,” viel Carker er op in, wederom zijn hoofd buigende. “Ik wil niet zeggen hoe vereerd ik daarmede ben; want een man als gij weet wel hoeveel eer hij in zijne macht heeft naar believen te bewijzen.”—“Mevrouw Dombey en ik,” het compliment met statige zelfverloochening ter zijde latende, “komen in sommige punten niet geheel overeen. Wij schijnen elkander nog niet te verstaan. Mevrouw Dombey heeft nog iets te leeren.”—“Mevrouw Dombey onderscheidt zich door vele zeldzame bekoorlijkheden, en is zonder twijfel aan veel vleierij gewoon,” zeide de slimme waarnemer van elken blik en toon. “Maar waar genegenheid, achting en ontzag bestaan, worden kleine vergissingen, uit zulke oorzaken ontsproten, gemakkelijk te recht gebracht.”Onwillekeurig vlogen Dombey’s gedachten terug naar het gezicht dat hem in de kamer zijner vrouw had aangezien, toen eene gebiedende hand naar de deur werd uitgestrekt; en zich herinnerende hoeveel genegenheid, achting en ontzag dit uitdrukte, voelde hij het bloed naar zijn eigen gezicht stijgen, even duidelijk als de waakzame oogen, die hem waarnamen, het zagen.“Mevrouw Dombey en ik,” zeide hij, “hadden, voor mevrouw Skewton’s dood, eene woordenwisseling over de redenen van mijn ongenoegen, waarvan gij u wel een algemeen begrip zult kunnen vormen, daar gij getuige zijt geweest van hetgeen er tusschen mevrouw Dombey en mij is voorgevallen op dien avond toen gij bij ons—bij mij aan huis waart.”—“Toen het mij speet dat ik tegenwoordig was,” zeide de glimlachende Carker. “Hoe trotsch een man in mijne positie natuurlijk wezen moest op uw gemeenzamen omgang—schoon ik dat bij u niet mag rekenen, want gij kunt alles doen wat gij wilt, zonder uw rang te verliezen—en zoo vereerd als ik was door zoo vroeg aan mevrouw Dombey gepresenteerd te worden, eer zij nog zoo hoog verhoogd werd door het verkrijgen van uw naam, speet het mij dien avond toch bijna, verzeker ik u, dat ik zulk een buitengewoon geluk had gehad.”Dat het iemand onder eenige mogelijke omstandigheden kon spijten door zijne minzaamheid en goedheid onderscheiden te worden, was een moreel verschijnsel, dat Dombey niet kon begrijpen. Hij antwoordde dus, en werd daarbij nog vrij wat statiger dan anders: “Inderdaad. En waarom, Carker?”—“Ik vrees,” antwoordde zijn vertrouwde, “dat mevrouw Dombey, nooit zeer gezind om mij met gunstige belangstelling te beschouwen—iemand in mijne positie kon dat niet verwachten van eene dame die trotsch van karakter is, en wie hare trotschheid zoo goed staat—mij niet licht mijn onschuldig aandeel aan dat gesprek zal vergeven. Uw ongenoegen is geene beuzeling, moet gij bedenken; en dat in het bijzijn van een derden te moeten ondervinden …”—“Carker,” zeide Dombey laatdunkend, “mij dunkt dat ik het eerst in aanmerking behoor te komen?”—“O, kan daaraan getwijfeld worden?” zeide de ander, met het ongeduld van iemand die eene algemeen bekende, onbetwistbare waarheid toestemt.—“Mevrouw Dombey komt eerst naderhand in aanmerking, als het om ons beiden te doen is, verbeeld ik mij,” zeide Dombey. “Is dat zoo niet?”—“Zeker is het zoo,” antwoordde Carker. “Gij weet beter dan iemand, dat gij zoo iets niet behoeft te vragen.”—“Dan hoop ik, Carker,” zeide Dombey, “dat uw spijt over het beloopen van mevrouw Dombey’s ongenoegen bijna zal worden opgewogen door uw genoegen over het behouden vanmijnvertrouwen enmijnegoede meening.”—“Ik heb dus het ongeluk, naar ik vind, van mij dat ongenoegen berokkend te hebben,” hervatte Carker. “Mevrouw Dombey heeft u dat gezegd?”—“Mevrouw Dombey heeft verschillende meeningen te kennen gegeven,” antwoordde Dombey, met statige koelheid en onverschilligheid, “waarin ik niet deel, en van welke ik niet genegen ben te spreken of mij te herinneren. Ik heb mevrouw Dombey eenigen tijd geleden bekend gemaakt, gelijk ik reeds gezegd heb, met zekere punten van huiselijke beleefdheid en ondergeschiktheid, waarop ik het noodig achtte aan te dringen. Het is mij niet gelukt mevrouw Dombey te overtuigen van het raadzame om haar gedrag, met het oog op haar eigen genoegen en welzijn en op mijne waardigheid, in die opzichten terstond te veranderen, en ik heb mevrouw Dombey onderricht dat ik, indien ik het noodig mocht achten haar wederom waarschuwingen of vermaningen te geven, haar mijne meening door u, mijn vertrouwden gelastigde, zou doen te kennen geven.”Gemengd met den blik, dien Carker op hem vestigde, was een duivelachtige blik naar de schilderij boven zijn hoofd, die als een bliksemstraal daarheen vloog.“Nu, Carker,” zeide Dombey, “maak ik geen bezwaar om u tezeggen, dat ik mijn wilwildoorzetten. Ik wil niet met mij laten beuzelen. Mevrouw Dombey moet begrijpen dat mijn wil wet is en dat ik op den regel van geheel mijn leven geene uitzondering kan veroorloven. Gij zult de goedheid hebben om dezen last op u te nemen, die, daar zij van mij komt, u niet onaangenaam zal zijn, hoop ik, hoeveel spijt gij ook uit beleefdheid moogt betuigen—waarvoor ik u voor mevrouw Dombey verplicht ben; en gij zult wel de goedheid hebben, ben ik overtuigd, om u daarvan te kwijten, evenals van iedere andere commissie.”—“Gij weet,”[296]antwoordde Carker, “dat ge mij maar te bevelen hebt.”—“Ik weet,” zeide Dombey, majestueus toestemmende, “dat ik u maar te bevelen heb. Het is noodig dat ik hiermede voortga. Mevrouw Dombey is eene dame, in vele opzichten ten hoogste geschikt, zonder twijfel, om …”—“Om zelfs uwe keus tot eer te strekken,” gaf Carker in bedenking, vleiend al zijne tanden toonende.—“Ja; als het u belieft dien vorm van uitdrukking te bezigen,” zeide Dombey, op zijn staatsie-toon; “en voor het tegenwoordige meen ik niet, dat mevrouw Dombey die keus zoozeer tot eer strekt als wel zou behooren. Mevrouw Dombey heeft een geest van oppositie, die uitgeroeid moet worden, die gefnuikt moet worden. Mevrouw Dombey schijnt niet te begrijpen,” zeide Dombey met nadruk, “dat het denkbeeld van oppositie tegen mij iets gedrochtelijks en ongerijmds is.”—“Wij in deCitykennen u beter,” zeide Carker met een glimlach van oor tot oor.—“Gij kent mij beter,” zeide Dombey. “Dat hoop ik. Schoon ik verplicht ben mevrouw Dombey zooveel recht te doen om te zeggen, dat, hoe onbestaanbaar dit ook schijnen mag met haar volgend gedrag (dat onveranderd blijft), toen ik haar eenigszins gestreng mijne afkeuring en mijn voornemen te kennen gaf, bij die gelegenheid waarvan ik gesproken heb, mijne vermaning een zeer krachtigen indruk scheen te maken.” Dombey sprak deze woorden met allergeduchtste statigheid uit. “Ik wenschte dus dat gij de goedheid hadt, Carker, om mevrouw Dombey van mij te onderrichten, dat ik haar ons vroeger gesprek in het geheugen moet roepen, met eenige verwondering dat het nog geen gevolg heeft gehad. Dat ik er op moet aandringen, dat zij haar gedrag richte naar den regel, dien ik haar in dat gesprek heb voorgeschreven. Dat ik niet met haar gedrag tevreden ben. Dat ik er ten hoogste misnoegd over ben. En dat ik mij in de zeer onaangename noodzakelijkheid zal bevinden om u tot brenger van nog meer onwelkome en omstandige mededeelingen te maken, als zij geen gezond verstand en gevoel van welvoegelijkheid genoeg heeft om zich aan mijne wenschen te onderschikken, gelijk de eerste mevrouw Dombey deed, en ik geloof er te mogen bijvoegen, gelijk elke andere dame in hare plaats zou doen.”—“De eerste mevrouw Dombey leefde zeer gelukkig,” zeide Carker.—“De eerste mevrouw Dombey had veel gezond verstand,” zeide Dombey, met fatsoenlijke verschooning voor eene doode, “en gevoel van welvoegelijkheid.”—“Gelijkt jonge jufvrouw Dombey naar hare moeder, denkt gij?” zeide Carker.Snel betrok Dombey’s gezicht. Zijn vertrouwde zag hem scherp waarnemend aan.“Ik heb een pijnlijk onderwerp aangeroerd,” zeide hij, op een zachten meewarigen toon, onvereenigbaar met zijne gretige oogen. “Ik bid u, vergeef het mij. Mijne belangstelling doet mij het verband van die herinneringen vergeten. Ik bid u, vergeef het mij.”Maar hoewel hij zoo sprak, bleven zijne gretige oogen Dombey’s neergeslagen gezicht waarnemen, en daarna schoten zij een vreemden, zegevierenden blik naar de schilderij, als riepen zij deze tot getuige hoe hij hem bij den neus leidde en wat er nu komen zou.“Carker,” zeide Dombey, hier en daar op de tafel ziende, en haastiger met eene eenigszins veranderde stem sprekende, terwijl zijne lippen ook bleeker schenen. “Gij behoeft u niet te verontschuldigen. Gij vergist u. Ik denk aan de zaak die wij voor ons hebben, en aan geene herinneringen, gelijk gij meent. Ik ben niet tevreden met mevrouw Dombey’s gedrag ten opzichte van mijne dochter.”—“Verschooning,” zeide Carker. “Ik begrijp u niet recht.”—“Gij moet dan begrijpen,” antwoordde Dombey, “dat gij daarover uit mijn naam ronduit met mevrouw Dombey kunt spreken—zult spreken, als het u belieft. Gij zult zoo goed zijn om haar te zeggen, dat hare vertooning van bijzondere genegenheid voor mijne dochter mij onaangenaam is. Dit is geschikt om aandacht te trekken. Het is geschikt om de menschen tot vergelijking te brengen tusschen mevrouw Dombey in hare verhouding tot mijne dochter, en mevrouw Dombey in hare verhouding tot mij. Gij zult zoo goed zijn om mevrouw Dombey duidelijk te doen verstaan, dat ik dit afkeur, en dat ik verwacht dat zij dadelijk aan mijne bezwaren in dat opzicht zal gehoor geven. Het mag mevrouw Dombey ernst wezen, of het mag maar eene gril van haar zijn, of het mag haar oogmerk zijn mij daarmede te dwarsboomen, in allen gevalle keur ik het af. Als mevrouw Dombey het ernstig meent moet zij zooveel te minder onwillig zijn om het na te laten; want zij zal mijne dochter door zulk eene vertooning geen dienst doen. Als mijne vrouw zachtaardigheid en vriendelijkheid te veel heeft, boven en behalve hare behoorlijke onderworpenheid aan mij, mag zij die, misschien, toonen aan wie zij wil; maar ik wil eerst onderworpenheid hebben.—Carker” zeide Dombey, de buitengewone aandoening smorende, waarmede hij gesproken had, en een toon aannemende meer gelijk aan dien waarmede hij gewoon was zijne grootheid te doen gelden, “gij zult wel zoo goed zijn om dit punt niet over te slaan of in de schaduw te houden, maar het is als een zeer gewichtig gedeelte van uwe instructie te beschouwen.”Carker boog zijn hoofd en stond van de tafel op. Peinzend voor het vuur staande, met de hand aan zijne gladde kin, keek hij op Dombey neer met de boosaardige slimheid van een middeleeuwsch beeldsnijwerk, half mensch half dier, of een grijnzend gezicht aan eene ouderwetsche[297]gootpijp. Dombey, langzamerhand zijne bedaardheid herkrijgende, of zijne aandoening smorende met de gedachte dat hij nu eene verhevene positie had genomen, zat trapsgewijze weder op te stijven, en keek naar den papegaai, die in zijn grooten trouwring hing te slingeren.“Dombey,” zegt neef Feenix, “bij mijne ziel, het treft mij zeer u bij zulk eene droevige gelegenheid te zien.” (blz. 291).“Dombey,” zegt neef Feenix, “bij mijne ziel, het treft mij zeer u bij zulk eene droevige gelegenheid te zien.”(blz. 291).“Neem mij niet kwalijk,” zeide Carker, na eene poos van stilte, zich eensklaps weder op zijn stoel zettende, en dien tegenover Dombey schuivende, “maar laat ik u wel begrijpen. Mevrouw Dombey draagt kennis van de waarschijnlijkheid dat ik het orgaan van uw ongenoegen zal zijn?”—“Ja,” antwoordde Dombey “dat weet zij.”—“Ja wel,” hervatte Carker. “Maar waarom weet zij dat?”—“Waarom?” herhaalde Dombey, niet zonder aarzeling. “Omdat ik het haar gezegd heb.”—“Ja wel,” zeide Carker wederom. “Maar waarom hebt gij haar dat gezegd? Gij ziet wel,” vervolgde hij, met een glimlach, en zijne fluweelen hand op Dombey’s arm leggende, gelijk eene kat hare ingetrokken klauwen had kunnen doen, “als ik volkomen begrijp wat gij bedoelt, is het des te waarschijnlijker dat ik nuttig zal kunnen zijn en het geluk hebben om u wezenlijk dienst te doen. Ik geloof dat ik u begrijp. Ik heb de eer niet dat mevrouw Dombey eene goede meening van mij heeft. In mijne positie heb ik wel geene reden om dat te verwachten; maar ik houd het er nu maar zoo voor, dat zij geene goede meening van mij heeft.”—“Misschien wel niet,” zeide Dombey.—“Bij gevolg,” hervatte Carker, “zal het deze dame bijzonder ongevallig zijn, dat gij haar door mij deze boodschap zendt?”—“Het komt mij voor,” zeide Dombey, met trotsche stijfheid, maar toch met zekere verlegenheid, “dat mevrouw Dombey’s gedachten van de zaak tusschen u en mij eigenlijk niet in aanmerking behoefden te komen, Carker. Maar het kan toch wel zoo zijn.”—“En—neem mij niet kwalijk—begrijp ik u verkeerd,” zeide Carker, “als ik denk dat gij daarin een geschikt middel vindt om mevrouw Dombey’s trots te vernederen—ik gebruik het woord trots om eene hoedanigheid aan te duiden, die, in behoorlijke perken gehouden, eene dame, zoo uitstekend door schoonheid en talenten, tot eer en sieraad strekt—en, ik wil niet zeggen haar te straffen, maar om haar tot die onderworpenheid te brengen, die gij zoo natuurlijk en billijk van haar vordert?”—“Ik ben niet gewoon, Carker, gelijk gij wel weet,” zeide Dombey, “om zulke omstandige redenen te geven voor iets dat ik voegzaam acht te doen; maar ik wil toch niets daarvan[298]tegenspreken. Indien gij een daarop gegrond bezwaar hebt, zoo is dat geheel iets anders, en het enkele zeggen dat gij zulk een bezwaar hebt zal voldoende zijn. Maar ik heb niet gedacht, moet ik bekennen, dat een vertrouwelijke last, dien ik u opdroeg, u zou kunnen vernederen …”—“O,ikvernederd!” riep Carker uit. “Inuwdienst!”—“Of u in eene valsche positie zou kunnen plaatsen,” vervolgde Dombey.—“Ikin eene valsche positie!” riep Carker wederom uit. “Ik zal er trotsch op zijn—verrukt over zijn—als ik aan uw vertrouwen mag beantwoorden. Ik had wel kunnen wenschen, moet ik bekennen, dat ik de dame, aan wier voeten ik mijne nederige hulde zou willen neerleggen—want is zij uwe vrouw niet!—geene nieuwe reden van ongenoegen behoefde te geven; maar een wensch van u gaat natuurlijk alle andere bedenkingen te boven. Buitendien, wanneer mevrouw Dombey van die kleine dwalingen in haar oordeel is teruggekomen, die, als ik zoo zeggen durf, bijna onvermijdelijk met het nieuwe van hare omstandigheden gepaard moeten gaan, hoop ik dat zij in het geringe deel,dat ik aan de zaak genomen heb, slechts een greintje—mijn ver verwijderde kring geeft weinig gelegenheid voor meer—van mijn eerbied voor u en mijne opoffering van alle andere bedenkingen voor u, zal opmerken, waarvan het haar voorrecht en genoegen zal zijn, dagelijks een schat van blijken te geven.”Dombey scheen haar op dat oogenblik wederom te zien, met hare uitgestrekte hand naar de deur wijzende, en in de zoetvoerige taal van zijn vertrouweling een weergalm van hare woorden te hooren: “Niets kan ons vreemder voor elkander maken dan wij voortaan zijn!” Maar hij zeide: “Zekerlijk; zonder twijfel.”—“Er is niets meer?” zeide Carker, zijn stoel weder naar zijne oude plaats schuivende—want zij hadden nog maar weinig van het ontbijt gebruikt—en op een antwoord wachtende eer hij weder ging zitten.—“Niets behalve dit,” zeide Dombey. “Gij zult wel zoo goed zijn om op te merken, Carker, dat geene boodschap, waarmede gij aan mevrouw Dombey belast zijt, eenig antwoord toelaat. Gij zult wel zoo goed zijn om mij geen antwoord te brengen. Mevrouw Dombey is onderricht dat het mij niet voegt, met haar te temporiseeren of te onderhandelen over iets, waarover wij het niet eens mochten zijn, en dat, wat ik zeg, beslissend is.”Carker gaf nog eens te kennen dat hij zijne taak begreep en aanvaardde, en zij gingen nog eens aan het ontbijt met zooveel trek als zij hadden. De Slijper, die weldra verscheen, hield ook wederom zijne oogen met eerbiedigen angst op zijn meester gevestigd. Na het ontbijt werd Dombey’s paard weder voorgebracht, Carker besteeg insgelijks het zijne, en zij reden te zamen naar de stad.Carker was zeer vroolijk en praatte veel. Dombey hoorde hem aan met het vorstelijke voorkomen van iemand, die recht had om zich te laten onderhouden, en verwaardigde zich nu en dan eenige weinige woorden te spreken om het gesprek voort te zetten. Zoo reden zij eigenaardig genoeg met elkander voort. Maar Dombey reed in zijne deftigheid met zeer lange stijgbeugels en een zeer lossen teugel, en verwaardigde zich zeer zelden om te zien waar zijn paard de pooten zette. Ten gevolge daarvan gebeurde het dat Dombey’s paard, terwijl het vrij hard draafde, over eenige losse steenen struikelde, hem afsmeet, over hem heen rolde, en met de ijzeren hoeven in het rond spartelende om weder op te komen, hem een schop gaf.Carker, vlug van oog, vast van hand en een goed ruiter, was dadelijk op den grond en trok het spartelende paard in een oogenblik bij de teugels overeind. Anders zou de vertrouwelijke mededeeling van dien morgen wel de laatste voor Dombey zijn geweest. Maar terwijl de drift van deze beweging zijne wangen nog kleurde, boog hij zich over zijn op den grond liggenden gebieder, en mompelde zoo bukkende: “Nuheb ik mevrouw Dombey goede reden gegeven om kwaad op mij te zijn, als zij het wist.”Daar Dombey bewusteloos was en aan het hoofd en het gezicht bloedde, werd hij, op aanwijzing van Carker, door eenige werklieden naar de naaste herberg gebracht, die niet veraf was; en daar werd hij spoedig door verscheidene chirurgijns bezocht, die van alle kanten aankwamen en door een geheimzinnig instinct schenen gelokt te worden, evenals men zegt dat de gieren zich om een kameel verzamelen, die in de woestijn sterft. Na hem met eenige moeite weder tot bewustheid gebracht te hebben, onderzochten deze heeren zijne kwetsuren. Een chirurgijn, die dichtbij woonde, was sterk voor eene samengestelde beenbreuk, van welk gevoelen de kastelein insgelijks was; maar twee chirurgijns, die veraf woonden, en slechts toevallig in de nabijheid waren, bestreden deze meening met zooveel belangeloosheid, dat men eindelijk besliste, dat de patiënt, hoewel erg geschaafd en gekneusd, geene beenderen gebroken had behalve eene korte rib of zoo, en wel voorzichtig naar huis kon gebracht worden. Toen hij verbonden was, waarmede men lang werk had, en eindelijk lag te rusten, steeg Carker wederom te paard en reed heen om thuis bericht te brengen.Listig en boosaardig als zijn gezicht zelfs op den besten tijd was, hoewel het, wat vorm en regelmatigheid van trekken betrof, een welgemaakt gezicht mocht heeten, stond het listiger en boosaardiger dan ooit; bezield door zijne[299]booze gedachten—veeleer gedachten aan verwijderde mogelijkheden dan plannen of raadslagen—reed hij alsof hij op eene menschenjacht was. Eindelijk de teugels aanhoudende, toen hij een meer bezochten weg bereikte, dwong hij zijn paard met witte pooten om, volgens gewoonte, zachtjes voort te trippelen, en verborg hij zich zelven zoo goed hij kon onder zijne kruiperige vriendelijkheid en zijn ivoren glimlach.Hij reed recht naar Dombey’s huis, stapte voor de deur af, en verzocht mevrouw Dombey over eene zaak van gewicht te mogen spreken. De knecht, die hem in Dombey’s eigene kamer had gelaten, kwam spoedig terug om te zeggen dat het mevrouw Dombey’s uur niet was om bezoek te ontvangen, en verzocht hem het niet kwalijk te nemen dat hij dit niet dadelijk had gezegd.Carker, die zich wel op eene koele ontvangst had voorbereid, schreef op een kaartje dat hij de vrijheid moest nemen om op een onderhoud aan te dringen, en niet zoo stout zou zijn om ditvoor de tweede maal(dit onderstreepte hij) te doen, als hij niet zeker wist dat de aanleiding voldoende was om hem te rechtvaardigen. Na eene korte poos wachtens, kwam mevrouw Dombey’s kamenier en bracht hem naar eene kamer boven, waar Edith en Florence bij elkander zaten.Hij had Edith nooit voorheen half zoo schoon gevonden. Hoezeer hij ook de bekoorlijkheden van haar gelaat en hare gestalte bewonderde, en die nog versch in zijne zinnelijke herinnering lagen, had hij haar nog nooit half zoo schoon gevonden.Haar blik was trotsch naar de deur gericht toen hij binnenkwam; maar hij zag naar Florence—hoewel slechts even, terwijl hij voor haar boog—en onwillekeurig duidde hij daarbij het gevoel der nieuwe macht aan, die hij bezat; en hij had het genoegen van te zien, dat Edith’s blik voor den zijnen zwichtte, en dat zij half opstond om hem te ontvangen.Het speet hem zeer; hij kon niet zeggen hoe ongaarne hij kwam om haar op de tijding van een gering ongeluk voor te bereiden. Hij bad mevrouw Dombey om bedaard te blijven. Op zijn heilig woord van eer, er was geene reden om zich ongerust te maken. Maar mijnheer Dombey …Florence gaf plotseling een gil. Hij zag niet naar haar, maar naar Edith. Edith stelde haar gerust.Zijgaf geen kreet van droefheid en schrik. Neen, zeker niet.Dombey had bij het rijden een ongeluk gekregen. Zijn paard was uitgegleden en had hem afgeworpen.Florence riep met woesten angst, dat hij zeker zwaar gekwetst, dat hij dood was!Neen. Op zijne eer, mijnheer Dombey, hoewel eerst bedwelmd, was spoedig bijgekomen, en hoewel inderdaad gekwetst, was in geen gevaar. Als dit de waarheid niet was, zou hij, de bedroefde indringer, nooit den moed gehad hebben om zich voor mevrouw Dombey te vertoonen. Het was inderdaad de waarheid, verzekerde hij haar plechtig.Dit alles zeide hij alsof hij Edith en niet Florence antwoordde, en met zijne oogen en zijn glimlach op Edith gevestigd.Daarna verhaalde hij haar waar Dombey lag, en verzocht dat er een rijtuig tot zijne beschikking mocht gesteld worden om hem naar huis te brengen.“Mama,” stamelde Florence schreiend, “als ik durfde gaan!”Carker, die, terwijl hij deze woorden hoorde, zijne oogen op Edith had, gaf haar een geheimen blik en schudde even zijn hoofd. Hij zag hoe zij met zich zelve streed, eer zij hem met hare schoone oogen antwoordde; maar hij ontwrong haar toch dat antwoord—hij toonde haar dat hij het wilde hebben; of dat hij hardop zou spreken en Florence het hart doorgrieven—en zij gaf het hem. Evenals hij des morgens de schilderij had aangezien, zoo zag hij naderhand haar aan, toen zij hare oogen afwendde.“Ik moet verzoeken,” zeide hij, “dat de nieuwe huishoudster—mevrouw Pipchin heet zij, geloof ik …”Niets ontging hem. Hij zag terstond dat het eene andere beleediging was die Dombey zijne vrouw had aangedaan.“Onderricht mag worden, dat mijnheer Dombey verlangt dat er een bed voor hem gereedgemaakt worde in zijne eigene kamer beneden, daar hij datapartementboven alle andere verkiest. Ik zal bijna onmiddellijk naar mijnheer Dombey terugkeeren. Dat er alle mogelijke zorg voor hem is en wordt gedragen, mevrouw, behoef ik u niet te verzekeren. Laat ik nog eens mogen zeggen, er is geene reden voor de minste bekommering. Zelfs gij moogt volkomen gerust wezen, geloof mij.”Hij ging buigend heen, met de grootst mogelijke vertooning van eerbied en vriendelijkheid; en toen hij nog eens naar Dombey’s kamer was geweest, en daar had afgesproken dat hem eene koets naar deCityzou worden nagezonden, steeg hij weder te paard en reed langzaam daarheen. Hij was zeer nadenkend onder het rijden, en zeer nadenkend terwijl hij in deCitywachtte, en zeer nadenkend in de koets onderweg naar de plaats waar hij Dombey gelaten had. Het was eerst toen hij bij de legerstede van dien heer zat, dat hij weder naar zich zelven begon te gelijken en toonde dat hij tanden had.Tegen schemeravond werd Dombey, zeer stijf en vol pijn, in de koets geholpen, en met mantels en kussens gesteund op de eene bank gezet,[300]terwijl zijn vertrouwde gelastigde hem op de andere bank gezelschap hield. Daar hij niet geschokt mocht worden, reed men weinig harder dan stapvoets, en zoo was het geheel donker eer hij thuis werd gebracht. Mevrouw Pipchin, stuursch en spijtig en nooit de mijnen vanPerukunnende vergeten, gelijk het huishouden maar al te wel wist, ontving hem aan de deur en verfrischte de dienstboden met een gesprenkel van woorden-azijn, terwijl zij hem naar zijne kamer hielpen dragen. Carker bleef bij hem tot hij veilig in bed lag, en daar de zieke geen ander vrouwelijk bezoek wilde ontvangen dan dat zijner huishoudster, begaf hij zich nog eens naar mevrouw Dombey, om haar bericht van den toestand des lijders te brengen.Wederom vond hij Edith met Florence alleen, en wederom richtte hij zijne geheele troostende aanspraak tot Edith, alsof zij door den teedersten angst werd gemarteld. Zoo ernstig was zijn eerbiedig medelijden, dat hij bij het afscheidnemen waagde—met nog een blik naar Florence op het oogenblik—hare hand te vatten en die met zijne lippen aan te raken.Edith trok hare hand niet terug, en gaf er hem geen slag mede in het effene gezicht, ondanks den gloed op hare wangen en het flikkerende licht in hare oogen. Maar toen zij alleen op hare kamer was, sloeg zij die hand tegen den marmeren schoorsteenmantel, zoodat zij van dien eenen slag gekneusd werd en bloedde, en hield ze van haar af, naar het vuur, als had zij ze wel daarin willen steken en verbranden.Tot laat in den nacht zat zij bij het uitgebrande vuur, in donkere, dreigende schoonheid, naar de zwarte schaduwen op den muur ziende, alsof hare gedachten tastbare lichamen waren, en die schaduwen daar wierpen. Welke vormen van beleediging en smaad, en van dingen die mogelijk konden gebeuren, ook onduidelijk en reusachtig voor haar flikkerden, het was ééne hatelijke gedaante die ze tegen haar in de wapens bracht. En die gedaante was haar echtgenoot.
[Inhoud]XLII.VERTROUWELIJK EN TOEVALLIG.Niet meer met de zwarte afleggertjes en den flaphoed van kapitein Cuttle uitgedost, maar met eene nieuwe bruine livrei gekleed, die, terwijl zij zeer stemmig moest schijnen te zijn, inderdaad zoo opzichtig deftig was, als een kleermaker er een kon maken, was Rob de Slijper, naar den uitwendigen mensch aldus herschapen, en naar den inwendigen geheel onverschillig voor den kapitein en den adelborst, behalve wanneer hij, met eene toejuichende fanfare van dat koperen instrument, zijn geweten, zich verlustigde in de gedachte, hoe hij deze twee (in zijne verbeelding onafscheidbaar) den zak had gegeven, thans bij zijn beschermer Carker in dienst. Medebewoner van Carker’s huis en als zijn lijfknecht werkzaam, hield Rob met vreezen en beven zijne oogen op de witte tanden gevestigd, en gevoelde dat hij ze waarlijk wel wijder dan ooit mocht openzetten.Hij kon niet sterker door geheel zijn wezen voor die tanden gebeefd hebben, al was hij in den dienst van een machtig toovenaar gekomen, en al waren die tanden zijne krachtigste toovermiddelen geweest. De jongen had een gevoel van de macht en het gezag van zijn patroon, dat al zijne aandacht gespannen hield en hem tot blinde onderwerping en gehoorzaamheid noopte. Hij durfde zelfs, als hij niet bij hem was, nauwelijks over hem denken, eenigszins vreezende dat hij dan weder dadelijk bij de keel zou gepakt worden, gelijk op den ochtend hunner eerste kennismaking, en dat elke tand de geheimen van zijn gemoed zou doorgronden. Onder de oogen van zijn meester, twijfelde hij evenmin dat Carker zijne geheimste gedachten las, of lezen kon indien hij wilde, als hij er aan twijfelde of deze hem zag als hij hem aankeek. Zoo groot was die invloed, dat de knaap bijna geheel niet durfde denken, maar met eene nevelachtige voorstelling van zijn meesters onweerstaanbare macht over hem, en zijn vermogen om alles met hem te doen wat hij wilde, naar zijne wenken stond te wachten en zijne bevelen poogde te voorkomen, geheel suf en stomp voor alle andere dingen.Rob had het met zich zelven niet uitgemaakt—in zijn gemoedstoestand zou het reeds eene groote vermetelheid zijn geweest er naar te vragen,—of hij zich zoo volkomen aan dien invloed overgaf, dewijl hij vermoedde dat zijn beschermer een meester was in zekere verraderlijke kunsten, waarin hij zelf op de Slijpersschool een beginnend leerling was geweest. Zeker is het dat Rob hem bewonderde zoowel als vreesde. Carker was misschien beter bekend met de bronnen zijner macht en verzuimde niets om die te bevestigen.Op denzelfden avond toen Rob den dienst des kapiteins verliet, was hij, na zijne duiven verkocht en in zijne haast zelfs eene slechte negotie gedaan te hebben, recht naar Carker’s huis gegaan, en was hij met een gloeiend gezicht, dat eene lofspraak scheen te verwachten, voor zijn nieuwen meester verschenen.“Zoo, deugniet!” zeide Carker, naar zijn pakje ziende. “Zijt gij uit uw dienst geloopen, en komt ge nu naar mij toe?”—“O, als je blieft, mijnheer,”[293]stotterde Rob, “gij hebt immers gezegd, toen ik laatst hier was …”—“Ikgezegd?” hervatte Carker. “Wat heb ik gezegd?”—“Als je blieft, mijnheer, gij hebt niemendal gezegd, mijnheer,” antwoordde Rob, door den toon der vraag gewaarschuwd, en zeer onthutst.Zijn patroon keek hem aan, liet zijn tandvleesch zien, schudde zijn voorvinger en zeide:“Gij zult aan een slecht eind komen, mijn losbandige vriend, dat voorzie ik. Gij zult in uw ongeluk loopen.”—“Och neen, mijnheer, als je blieft!” barstte Rob uit, terwijl zijne beenen onder hem beefden. “Waarachtig, mijnheer, ik wil niets anders dan voor u werken, en u bedienen, en trouw doen wat mij belast wordt, mijnheer.”—“Het is u ook maar geraden om trouw te doen wat u belast wordt, als gij met mij te maken hebt,” antwoordde zijn patroon.—“Ja, dat weet ik wel, mijnheer,” zeide de onderdanige Rob hierop. “Daar ben ik wel zeker van, mijnheer. Als ge maar zoo goed wilt zijn om mij te probeeren, mijnheer. En als gij er mij ooit op betrapt, mijnheer, dat ik iets tegen uw zeggen doe, moogt ge mij vrij doodslaan.”—“Gij rekel!” zeide Carker, in zijn stoel achteroverleunende en hem vergenoegd glimlachend aanziende: “dat is nog niets bij wat ik u doen zou, als gij het hart hadt om mij te willen bedriegen.”—“Ja, mijnheer,” antwoordde de benauwde Slijper, “ik weet wel dat ge mij iets vreeselijks zoudt doen, mijnheer. Ik zou het ook niet probeeren, mijnheer, al wilde men mij met goud omkoopen.”Geheel te leur gesteld in zijne verwachting van eene lofspraak, bleef de onthutste Slijper zijn beschermer staan aanzien, en poogde vruchteloos hem niet aan te zien, met dezelfde ongerustheid welke een hond dikwijls in dergelijke omstandigheden aan den dag legt.“Dus hebt gij uw ouden dienst verlaten, en komt hier vragen of ik u in mijn dienst wil nemen, he?” zeide Carker.—“Ja, als je blieft, mijnheer,” antwoordde Rob, die wat hij gedaan had op eigen last van zijn patroon had gedaan, maar zich niet durfde rechtvaardigen door de geringste aanduiding daarvan.—“Wel!” zeide Carker. “Gij kent mij, jongen?”—“Ja, mijnheer, als je blieft,” antwoordde Rob, zijn hoed in het rond draaiende, en nog door Carker’s oogen geboeid, waarvan hij zich vruchteloos poogde los te rukken.Carker knikte. “Pas op, dan.”Rob gaf door een aantal snelle buigingen zijn levendig begrip van deze waarschuwing te kennen, en wilde zoo buigende naar de deur gaan, zeer verlicht door het vooruitzicht om maar daarbuiten te komen, toen zijn patroon hem stuitte.“Holla!” zoo riep hij met eene grove stem terug. “Gij zijt—doe die deur toe!”Rob gehoorzaamde alsof zijn leven van zijne vlugheid afhing.“Gij zijt aan het spionneeren en luisteren gewoon, niet waar?”—“Hier zou ik zoo iets nooit doen, mijnheer,” antwoordde Rob, “op mijn woord van eer, dat zou ik niet. Ik zou het voor de geheele wereld niet durven, of het moest mij belast worden, mijnheer.”—“Dat zou u ook niet geraden zijn. Gij zijt ook aan babbelen en overpraten gewoon,” zeide zijn patroon, met de grootste koelbloedigheid. “Pas hier daarop, of ge zijt een verloren schobbejak,” en wederom glimlachte hij en waarschuwde hij met zijn voorvinger.De Slijper voelde zijne ademhaling beklemd. Hij wilde zijne welmeenende gezindheid betuigen, maar kon den glimlachenden heer slechts aanstaren met eene botte onderdanigheid, waarmede de glimlachende heer tamelijk weltevreden scheen; want na den knaap nog eene poos stilzwijgend te hebben aangezien, beval hij hem om naar beneden te gaan, en zeide dat hij hem in zijn dienst zou houden.Dit was de manier waarop Rob de Slijper door Carker tot lijfknecht werd aangenomen; en met elke minuut van zijn dienst werd zijn ontzag voor dezen heer, zoo mogelijk, nog grooter.Die dienst had eenige maanden geduurd, toen Rob op zekeren morgen het tuinhek voor Dombey opendeed, die volgens afspraak bij zijn meester kwam ontbijten. Op hetzelfde oogenblik kwam zijn meester zelf naar buiten snellen om zijn geëerden gast te ontvangen en met al zijne tanden te verwelkomen.“Ik had waarlijk nooit gedacht u eens hier te zien,” zeide Carker, terwijl hij Dombey van het paard hielp stappen. “Dit is een uitstekende dag in mijn almanak. Geen bezoek heeft veel bijzonders voor een man als gij, die alles kan doen wat hij wil, maar voor een man als ik is het geheel anders.”—“Gij hebt hier een met smaak aangelegd buitentje, Carker,” zeide Dombey, zich verwaardigende om voor het grasperk te blijven stilstaan en rond te zien.—“Dat belieft u zoo te zeggen,” antwoordde Carker. “Wel verplicht.”—“Waarlijk,” zeide Dombey met zijne deftige minzaamheid, “dat zou iedereen moeten zeggen. Zoover het gaat schijnt het zeer gemakkelijk en goed ingericht—wezenlijk elegant.”—“Zoover het gaat inderdaad,” antwoordde Carker, met nederigheid. “Dat moet er bij gezegd worden. Nu, wij hebben er genoeg van gezegd; en schoon het eene goedheid van u is dat gij het prijst, ben ik u niet minder dankbaar. Wilt gij binnengaan?”Toen Dombey het huis binnenging, lette hij, gelijk hij wel doen mocht, op de keurige inrichting der kamers, en de talrijke kleine zorgen voor gemak en sieraad. Carker nam, met zijne pralende nederigheid, deze complimenten[294]met een benepen glimlach aan, en zeide dat hij de kieschheid daarvan begreep en waardeerde, maar dat het buitentje voor hem goed genoeg was—beter, misschien, hoe gering het ook was, dan iemand als hij moest bewonen.“Maar misschien vertoont het zich voor u, die zoover daarboven zijt, beter dan het werkelijk is,” zeide hij, met zijn valschen mond zoo breed mogelijk uitgerekt. “Evenals een vorst zich iets bekoorlijks in het leven van een bedelaar voorstelt.”Dit zeggende vestigde hij een scherpen blik op Dombey, en een nog scherper, met een scherpen glimlach gepaard, toen Dombey, zich voor het vuur plantende, in de houding, die door zijn eersten dienaar zoo dikwijls werd nagebootst, naar de schilderijen aan den wand rondkeek. Terwijl zijne koude oogen vluchtig daarover heengleden, ging Carker’s scherpe blik mede, en lette hij nauwkeurig op, waar die oogen bleven en wat zij zagen. Toen zij vooral op eene schilderij bleven rusten, scheen Carker nauwelijks adem te halen, zoo katachtig waakzaam was zijn zijdelings loeren; maar de oogen van den grooten man gleden er over heen, gelijk over de andere schilderijen en schenen er even weinig een indruk van te behouden.Carker zag er naar—het was de schilderij die naar Edith geleek alsof zij leefde; en er verscheen een stille, boosaardige lach op zijn gezicht, die gedeeltelijk op de schilderij scheen te doelen, hoewel hij eigenlijk den grooten man bespotte die zoo onergdenkend naast hem stond. Weldra stond het ontbijt op de tafel; en Dombey een stoel aanbiedende, welke met den rug naar die schilderij stond, zette hij zich volgens gewoonte er vlak tegenover.Dombey was ernstiger dan gewoonlijk, en zeer stil. De papegaai, in den vergulden hoepel in zijne prachtige kooi schommelende, poogde vruchteloos aandacht te trekken; want Carker lette te zeer op zijn gast, om aan den papegaai te denken; en de gast, in verstrooid gepeins, keek strak, om niet te zeggen stuursch, over zijne stijve das, zonder zijne oogen van het tafellaken op te slaan. Wat Rob, die bleef bedienen, betrof, al zijne zinnen en vermogens werden zoozeer door zijn meester geboeid, dat hij nauwelijks een oogenblik durfde geven aan de gedachte, dat die gast de groote heer was, voor wien hij eens in zijne kindsheid als getuige van den gezondheidstoestand zijner familie was verschenen, en aan wien hij zijn lederen broekje had te danken gehad.“Mag ik zoo vrij zijn om te vragen hoe mevrouw Dombey vaart?” zeide Carker eensklaps.Bij deze vraag leunde hij dienstvaardig voorover, met de kin op de hand steunende, en te gelijk sloeg hij zijne oogen naar de schilderij op, als wilde hij zeggen: “Zie nu, hoe ik hem bij den neus zal leiden.”Dombey werd rood terwijl hij antwoordde:“Mevrouw Dombey vaart zeer wel. Gij herinnert mij, Carker, aan iets waarover ik met u wilde spreken.”—“Robin, gij kunt heengaan,” zeide zijn meester, wiens zachte stem Robin deed schrikken en verdwijnen, met de oogen tot het laatste toe op zijn patroon gevestigd. “Gij herinnert u dien jongen natuurlijk nog wel?” vervolgde hij, toen de onderdanige Slijper verdwenen was.—“Neen,” zeide Dombey, met verhevene onverschilligheid.—“Niet waarschijnlijk dat een man als gij dat doen zou. Bijna niet mogelijk,” prevelde Carker. “Maar hij is uit het huishouden waaruit gij eens eene min hebt genomen. Misschien kunt gij u herinneren, dat gij u grootmoedig met zijne opvoeding hebt belast?”—“Is dat die jongen?” zeide Dombey, zijne wenkbrauwen samentrekkende. “Hij doet zijne opvoeding weinig eer aan, geloof ik.”—“Ja, hij is een deugniet, vrees ik,” antwoordde Carker, de schouders ophalende. “Daar heeft hij ten minste den naam van. Maar om de waarheid te zeggen, ik heb hem in dienst genomen, omdat hij, toen hij buiten betrekking was, zich verbeeldde (men zal hem dat zeker thuis geleerd hebben) dat hij eene soort van aanspraak op u had, en gedurig beproefde u met zijn verzoek na te loopen. En hoewel mijne bepaalde en erkende betrekking met uwe aangelegenheden alleen tot het kantoor beperkt is, heb ik toch zooveel onwillekeurige belangstelling voor alles wat u aangaat, dat …”Hij zweeg weder, als ware het om te ontdekken of hij Dombey al ver genoeg had gebracht. En wederom wierp hij, met de kin op de hand, een loerenden blik naar de schilderij.“Carker,” zeide Dombey, “ik weet wel, gij beperkt uwe …”—“Dienstvaardigheid,” gaf zijn glimlachende gastheer hem in bedenking.—“Neen, ik zeg liever toegenegenheid,” zeide Dombey, zeer wel gevoelende dat hij, door zoo te zeggen, een vleiend compliment maakte, “uwe toegenegenheid niet tot onze betrekking door kantoorzaken. Dat gij in de geringe bijzonderheid, waarvan gij zoo even gesproken hebt, mijn gevoel—mijne hoop en mijne teleurstelling—zoo ontziet, is een bewijs daarvan. Ik ben u verplicht, Carker.”Carker boog zeer langzaam zijn hoofd, en wreef zeer zacht zijne handen, als vreesde hij door eenige beweging Dombey’s vertrouwelijkheid in haar loop te storen.“Dat gij daarvan spreekt komt juist van pas,” hervatte Dombey, na eene geringe aarzeling, “want het is eene voorbereiding voor datgene wat ik u begonnen was te zeggen, en herinnert mij dat daardoor eigenlijk geene geheel nieuwe betrekkingen tusschen ons zullen ontstaan, hoewel er misschien van mijn kant een grooter persoonlijk vertrouwen bij zal plaats[295]hebben, dan ik tot nog toe …”—“Dan waarmee gij mij tot nog toe vereerd hebt,” viel Carker er op in, wederom zijn hoofd buigende. “Ik wil niet zeggen hoe vereerd ik daarmede ben; want een man als gij weet wel hoeveel eer hij in zijne macht heeft naar believen te bewijzen.”—“Mevrouw Dombey en ik,” het compliment met statige zelfverloochening ter zijde latende, “komen in sommige punten niet geheel overeen. Wij schijnen elkander nog niet te verstaan. Mevrouw Dombey heeft nog iets te leeren.”—“Mevrouw Dombey onderscheidt zich door vele zeldzame bekoorlijkheden, en is zonder twijfel aan veel vleierij gewoon,” zeide de slimme waarnemer van elken blik en toon. “Maar waar genegenheid, achting en ontzag bestaan, worden kleine vergissingen, uit zulke oorzaken ontsproten, gemakkelijk te recht gebracht.”Onwillekeurig vlogen Dombey’s gedachten terug naar het gezicht dat hem in de kamer zijner vrouw had aangezien, toen eene gebiedende hand naar de deur werd uitgestrekt; en zich herinnerende hoeveel genegenheid, achting en ontzag dit uitdrukte, voelde hij het bloed naar zijn eigen gezicht stijgen, even duidelijk als de waakzame oogen, die hem waarnamen, het zagen.“Mevrouw Dombey en ik,” zeide hij, “hadden, voor mevrouw Skewton’s dood, eene woordenwisseling over de redenen van mijn ongenoegen, waarvan gij u wel een algemeen begrip zult kunnen vormen, daar gij getuige zijt geweest van hetgeen er tusschen mevrouw Dombey en mij is voorgevallen op dien avond toen gij bij ons—bij mij aan huis waart.”—“Toen het mij speet dat ik tegenwoordig was,” zeide de glimlachende Carker. “Hoe trotsch een man in mijne positie natuurlijk wezen moest op uw gemeenzamen omgang—schoon ik dat bij u niet mag rekenen, want gij kunt alles doen wat gij wilt, zonder uw rang te verliezen—en zoo vereerd als ik was door zoo vroeg aan mevrouw Dombey gepresenteerd te worden, eer zij nog zoo hoog verhoogd werd door het verkrijgen van uw naam, speet het mij dien avond toch bijna, verzeker ik u, dat ik zulk een buitengewoon geluk had gehad.”Dat het iemand onder eenige mogelijke omstandigheden kon spijten door zijne minzaamheid en goedheid onderscheiden te worden, was een moreel verschijnsel, dat Dombey niet kon begrijpen. Hij antwoordde dus, en werd daarbij nog vrij wat statiger dan anders: “Inderdaad. En waarom, Carker?”—“Ik vrees,” antwoordde zijn vertrouwde, “dat mevrouw Dombey, nooit zeer gezind om mij met gunstige belangstelling te beschouwen—iemand in mijne positie kon dat niet verwachten van eene dame die trotsch van karakter is, en wie hare trotschheid zoo goed staat—mij niet licht mijn onschuldig aandeel aan dat gesprek zal vergeven. Uw ongenoegen is geene beuzeling, moet gij bedenken; en dat in het bijzijn van een derden te moeten ondervinden …”—“Carker,” zeide Dombey laatdunkend, “mij dunkt dat ik het eerst in aanmerking behoor te komen?”—“O, kan daaraan getwijfeld worden?” zeide de ander, met het ongeduld van iemand die eene algemeen bekende, onbetwistbare waarheid toestemt.—“Mevrouw Dombey komt eerst naderhand in aanmerking, als het om ons beiden te doen is, verbeeld ik mij,” zeide Dombey. “Is dat zoo niet?”—“Zeker is het zoo,” antwoordde Carker. “Gij weet beter dan iemand, dat gij zoo iets niet behoeft te vragen.”—“Dan hoop ik, Carker,” zeide Dombey, “dat uw spijt over het beloopen van mevrouw Dombey’s ongenoegen bijna zal worden opgewogen door uw genoegen over het behouden vanmijnvertrouwen enmijnegoede meening.”—“Ik heb dus het ongeluk, naar ik vind, van mij dat ongenoegen berokkend te hebben,” hervatte Carker. “Mevrouw Dombey heeft u dat gezegd?”—“Mevrouw Dombey heeft verschillende meeningen te kennen gegeven,” antwoordde Dombey, met statige koelheid en onverschilligheid, “waarin ik niet deel, en van welke ik niet genegen ben te spreken of mij te herinneren. Ik heb mevrouw Dombey eenigen tijd geleden bekend gemaakt, gelijk ik reeds gezegd heb, met zekere punten van huiselijke beleefdheid en ondergeschiktheid, waarop ik het noodig achtte aan te dringen. Het is mij niet gelukt mevrouw Dombey te overtuigen van het raadzame om haar gedrag, met het oog op haar eigen genoegen en welzijn en op mijne waardigheid, in die opzichten terstond te veranderen, en ik heb mevrouw Dombey onderricht dat ik, indien ik het noodig mocht achten haar wederom waarschuwingen of vermaningen te geven, haar mijne meening door u, mijn vertrouwden gelastigde, zou doen te kennen geven.”Gemengd met den blik, dien Carker op hem vestigde, was een duivelachtige blik naar de schilderij boven zijn hoofd, die als een bliksemstraal daarheen vloog.“Nu, Carker,” zeide Dombey, “maak ik geen bezwaar om u tezeggen, dat ik mijn wilwildoorzetten. Ik wil niet met mij laten beuzelen. Mevrouw Dombey moet begrijpen dat mijn wil wet is en dat ik op den regel van geheel mijn leven geene uitzondering kan veroorloven. Gij zult de goedheid hebben om dezen last op u te nemen, die, daar zij van mij komt, u niet onaangenaam zal zijn, hoop ik, hoeveel spijt gij ook uit beleefdheid moogt betuigen—waarvoor ik u voor mevrouw Dombey verplicht ben; en gij zult wel de goedheid hebben, ben ik overtuigd, om u daarvan te kwijten, evenals van iedere andere commissie.”—“Gij weet,”[296]antwoordde Carker, “dat ge mij maar te bevelen hebt.”—“Ik weet,” zeide Dombey, majestueus toestemmende, “dat ik u maar te bevelen heb. Het is noodig dat ik hiermede voortga. Mevrouw Dombey is eene dame, in vele opzichten ten hoogste geschikt, zonder twijfel, om …”—“Om zelfs uwe keus tot eer te strekken,” gaf Carker in bedenking, vleiend al zijne tanden toonende.—“Ja; als het u belieft dien vorm van uitdrukking te bezigen,” zeide Dombey, op zijn staatsie-toon; “en voor het tegenwoordige meen ik niet, dat mevrouw Dombey die keus zoozeer tot eer strekt als wel zou behooren. Mevrouw Dombey heeft een geest van oppositie, die uitgeroeid moet worden, die gefnuikt moet worden. Mevrouw Dombey schijnt niet te begrijpen,” zeide Dombey met nadruk, “dat het denkbeeld van oppositie tegen mij iets gedrochtelijks en ongerijmds is.”—“Wij in deCitykennen u beter,” zeide Carker met een glimlach van oor tot oor.—“Gij kent mij beter,” zeide Dombey. “Dat hoop ik. Schoon ik verplicht ben mevrouw Dombey zooveel recht te doen om te zeggen, dat, hoe onbestaanbaar dit ook schijnen mag met haar volgend gedrag (dat onveranderd blijft), toen ik haar eenigszins gestreng mijne afkeuring en mijn voornemen te kennen gaf, bij die gelegenheid waarvan ik gesproken heb, mijne vermaning een zeer krachtigen indruk scheen te maken.” Dombey sprak deze woorden met allergeduchtste statigheid uit. “Ik wenschte dus dat gij de goedheid hadt, Carker, om mevrouw Dombey van mij te onderrichten, dat ik haar ons vroeger gesprek in het geheugen moet roepen, met eenige verwondering dat het nog geen gevolg heeft gehad. Dat ik er op moet aandringen, dat zij haar gedrag richte naar den regel, dien ik haar in dat gesprek heb voorgeschreven. Dat ik niet met haar gedrag tevreden ben. Dat ik er ten hoogste misnoegd over ben. En dat ik mij in de zeer onaangename noodzakelijkheid zal bevinden om u tot brenger van nog meer onwelkome en omstandige mededeelingen te maken, als zij geen gezond verstand en gevoel van welvoegelijkheid genoeg heeft om zich aan mijne wenschen te onderschikken, gelijk de eerste mevrouw Dombey deed, en ik geloof er te mogen bijvoegen, gelijk elke andere dame in hare plaats zou doen.”—“De eerste mevrouw Dombey leefde zeer gelukkig,” zeide Carker.—“De eerste mevrouw Dombey had veel gezond verstand,” zeide Dombey, met fatsoenlijke verschooning voor eene doode, “en gevoel van welvoegelijkheid.”—“Gelijkt jonge jufvrouw Dombey naar hare moeder, denkt gij?” zeide Carker.Snel betrok Dombey’s gezicht. Zijn vertrouwde zag hem scherp waarnemend aan.“Ik heb een pijnlijk onderwerp aangeroerd,” zeide hij, op een zachten meewarigen toon, onvereenigbaar met zijne gretige oogen. “Ik bid u, vergeef het mij. Mijne belangstelling doet mij het verband van die herinneringen vergeten. Ik bid u, vergeef het mij.”Maar hoewel hij zoo sprak, bleven zijne gretige oogen Dombey’s neergeslagen gezicht waarnemen, en daarna schoten zij een vreemden, zegevierenden blik naar de schilderij, als riepen zij deze tot getuige hoe hij hem bij den neus leidde en wat er nu komen zou.“Carker,” zeide Dombey, hier en daar op de tafel ziende, en haastiger met eene eenigszins veranderde stem sprekende, terwijl zijne lippen ook bleeker schenen. “Gij behoeft u niet te verontschuldigen. Gij vergist u. Ik denk aan de zaak die wij voor ons hebben, en aan geene herinneringen, gelijk gij meent. Ik ben niet tevreden met mevrouw Dombey’s gedrag ten opzichte van mijne dochter.”—“Verschooning,” zeide Carker. “Ik begrijp u niet recht.”—“Gij moet dan begrijpen,” antwoordde Dombey, “dat gij daarover uit mijn naam ronduit met mevrouw Dombey kunt spreken—zult spreken, als het u belieft. Gij zult zoo goed zijn om haar te zeggen, dat hare vertooning van bijzondere genegenheid voor mijne dochter mij onaangenaam is. Dit is geschikt om aandacht te trekken. Het is geschikt om de menschen tot vergelijking te brengen tusschen mevrouw Dombey in hare verhouding tot mijne dochter, en mevrouw Dombey in hare verhouding tot mij. Gij zult zoo goed zijn om mevrouw Dombey duidelijk te doen verstaan, dat ik dit afkeur, en dat ik verwacht dat zij dadelijk aan mijne bezwaren in dat opzicht zal gehoor geven. Het mag mevrouw Dombey ernst wezen, of het mag maar eene gril van haar zijn, of het mag haar oogmerk zijn mij daarmede te dwarsboomen, in allen gevalle keur ik het af. Als mevrouw Dombey het ernstig meent moet zij zooveel te minder onwillig zijn om het na te laten; want zij zal mijne dochter door zulk eene vertooning geen dienst doen. Als mijne vrouw zachtaardigheid en vriendelijkheid te veel heeft, boven en behalve hare behoorlijke onderworpenheid aan mij, mag zij die, misschien, toonen aan wie zij wil; maar ik wil eerst onderworpenheid hebben.—Carker” zeide Dombey, de buitengewone aandoening smorende, waarmede hij gesproken had, en een toon aannemende meer gelijk aan dien waarmede hij gewoon was zijne grootheid te doen gelden, “gij zult wel zoo goed zijn om dit punt niet over te slaan of in de schaduw te houden, maar het is als een zeer gewichtig gedeelte van uwe instructie te beschouwen.”Carker boog zijn hoofd en stond van de tafel op. Peinzend voor het vuur staande, met de hand aan zijne gladde kin, keek hij op Dombey neer met de boosaardige slimheid van een middeleeuwsch beeldsnijwerk, half mensch half dier, of een grijnzend gezicht aan eene ouderwetsche[297]gootpijp. Dombey, langzamerhand zijne bedaardheid herkrijgende, of zijne aandoening smorende met de gedachte dat hij nu eene verhevene positie had genomen, zat trapsgewijze weder op te stijven, en keek naar den papegaai, die in zijn grooten trouwring hing te slingeren.“Dombey,” zegt neef Feenix, “bij mijne ziel, het treft mij zeer u bij zulk eene droevige gelegenheid te zien.” (blz. 291).“Dombey,” zegt neef Feenix, “bij mijne ziel, het treft mij zeer u bij zulk eene droevige gelegenheid te zien.”(blz. 291).“Neem mij niet kwalijk,” zeide Carker, na eene poos van stilte, zich eensklaps weder op zijn stoel zettende, en dien tegenover Dombey schuivende, “maar laat ik u wel begrijpen. Mevrouw Dombey draagt kennis van de waarschijnlijkheid dat ik het orgaan van uw ongenoegen zal zijn?”—“Ja,” antwoordde Dombey “dat weet zij.”—“Ja wel,” hervatte Carker. “Maar waarom weet zij dat?”—“Waarom?” herhaalde Dombey, niet zonder aarzeling. “Omdat ik het haar gezegd heb.”—“Ja wel,” zeide Carker wederom. “Maar waarom hebt gij haar dat gezegd? Gij ziet wel,” vervolgde hij, met een glimlach, en zijne fluweelen hand op Dombey’s arm leggende, gelijk eene kat hare ingetrokken klauwen had kunnen doen, “als ik volkomen begrijp wat gij bedoelt, is het des te waarschijnlijker dat ik nuttig zal kunnen zijn en het geluk hebben om u wezenlijk dienst te doen. Ik geloof dat ik u begrijp. Ik heb de eer niet dat mevrouw Dombey eene goede meening van mij heeft. In mijne positie heb ik wel geene reden om dat te verwachten; maar ik houd het er nu maar zoo voor, dat zij geene goede meening van mij heeft.”—“Misschien wel niet,” zeide Dombey.—“Bij gevolg,” hervatte Carker, “zal het deze dame bijzonder ongevallig zijn, dat gij haar door mij deze boodschap zendt?”—“Het komt mij voor,” zeide Dombey, met trotsche stijfheid, maar toch met zekere verlegenheid, “dat mevrouw Dombey’s gedachten van de zaak tusschen u en mij eigenlijk niet in aanmerking behoefden te komen, Carker. Maar het kan toch wel zoo zijn.”—“En—neem mij niet kwalijk—begrijp ik u verkeerd,” zeide Carker, “als ik denk dat gij daarin een geschikt middel vindt om mevrouw Dombey’s trots te vernederen—ik gebruik het woord trots om eene hoedanigheid aan te duiden, die, in behoorlijke perken gehouden, eene dame, zoo uitstekend door schoonheid en talenten, tot eer en sieraad strekt—en, ik wil niet zeggen haar te straffen, maar om haar tot die onderworpenheid te brengen, die gij zoo natuurlijk en billijk van haar vordert?”—“Ik ben niet gewoon, Carker, gelijk gij wel weet,” zeide Dombey, “om zulke omstandige redenen te geven voor iets dat ik voegzaam acht te doen; maar ik wil toch niets daarvan[298]tegenspreken. Indien gij een daarop gegrond bezwaar hebt, zoo is dat geheel iets anders, en het enkele zeggen dat gij zulk een bezwaar hebt zal voldoende zijn. Maar ik heb niet gedacht, moet ik bekennen, dat een vertrouwelijke last, dien ik u opdroeg, u zou kunnen vernederen …”—“O,ikvernederd!” riep Carker uit. “Inuwdienst!”—“Of u in eene valsche positie zou kunnen plaatsen,” vervolgde Dombey.—“Ikin eene valsche positie!” riep Carker wederom uit. “Ik zal er trotsch op zijn—verrukt over zijn—als ik aan uw vertrouwen mag beantwoorden. Ik had wel kunnen wenschen, moet ik bekennen, dat ik de dame, aan wier voeten ik mijne nederige hulde zou willen neerleggen—want is zij uwe vrouw niet!—geene nieuwe reden van ongenoegen behoefde te geven; maar een wensch van u gaat natuurlijk alle andere bedenkingen te boven. Buitendien, wanneer mevrouw Dombey van die kleine dwalingen in haar oordeel is teruggekomen, die, als ik zoo zeggen durf, bijna onvermijdelijk met het nieuwe van hare omstandigheden gepaard moeten gaan, hoop ik dat zij in het geringe deel,dat ik aan de zaak genomen heb, slechts een greintje—mijn ver verwijderde kring geeft weinig gelegenheid voor meer—van mijn eerbied voor u en mijne opoffering van alle andere bedenkingen voor u, zal opmerken, waarvan het haar voorrecht en genoegen zal zijn, dagelijks een schat van blijken te geven.”Dombey scheen haar op dat oogenblik wederom te zien, met hare uitgestrekte hand naar de deur wijzende, en in de zoetvoerige taal van zijn vertrouweling een weergalm van hare woorden te hooren: “Niets kan ons vreemder voor elkander maken dan wij voortaan zijn!” Maar hij zeide: “Zekerlijk; zonder twijfel.”—“Er is niets meer?” zeide Carker, zijn stoel weder naar zijne oude plaats schuivende—want zij hadden nog maar weinig van het ontbijt gebruikt—en op een antwoord wachtende eer hij weder ging zitten.—“Niets behalve dit,” zeide Dombey. “Gij zult wel zoo goed zijn om op te merken, Carker, dat geene boodschap, waarmede gij aan mevrouw Dombey belast zijt, eenig antwoord toelaat. Gij zult wel zoo goed zijn om mij geen antwoord te brengen. Mevrouw Dombey is onderricht dat het mij niet voegt, met haar te temporiseeren of te onderhandelen over iets, waarover wij het niet eens mochten zijn, en dat, wat ik zeg, beslissend is.”Carker gaf nog eens te kennen dat hij zijne taak begreep en aanvaardde, en zij gingen nog eens aan het ontbijt met zooveel trek als zij hadden. De Slijper, die weldra verscheen, hield ook wederom zijne oogen met eerbiedigen angst op zijn meester gevestigd. Na het ontbijt werd Dombey’s paard weder voorgebracht, Carker besteeg insgelijks het zijne, en zij reden te zamen naar de stad.Carker was zeer vroolijk en praatte veel. Dombey hoorde hem aan met het vorstelijke voorkomen van iemand, die recht had om zich te laten onderhouden, en verwaardigde zich nu en dan eenige weinige woorden te spreken om het gesprek voort te zetten. Zoo reden zij eigenaardig genoeg met elkander voort. Maar Dombey reed in zijne deftigheid met zeer lange stijgbeugels en een zeer lossen teugel, en verwaardigde zich zeer zelden om te zien waar zijn paard de pooten zette. Ten gevolge daarvan gebeurde het dat Dombey’s paard, terwijl het vrij hard draafde, over eenige losse steenen struikelde, hem afsmeet, over hem heen rolde, en met de ijzeren hoeven in het rond spartelende om weder op te komen, hem een schop gaf.Carker, vlug van oog, vast van hand en een goed ruiter, was dadelijk op den grond en trok het spartelende paard in een oogenblik bij de teugels overeind. Anders zou de vertrouwelijke mededeeling van dien morgen wel de laatste voor Dombey zijn geweest. Maar terwijl de drift van deze beweging zijne wangen nog kleurde, boog hij zich over zijn op den grond liggenden gebieder, en mompelde zoo bukkende: “Nuheb ik mevrouw Dombey goede reden gegeven om kwaad op mij te zijn, als zij het wist.”Daar Dombey bewusteloos was en aan het hoofd en het gezicht bloedde, werd hij, op aanwijzing van Carker, door eenige werklieden naar de naaste herberg gebracht, die niet veraf was; en daar werd hij spoedig door verscheidene chirurgijns bezocht, die van alle kanten aankwamen en door een geheimzinnig instinct schenen gelokt te worden, evenals men zegt dat de gieren zich om een kameel verzamelen, die in de woestijn sterft. Na hem met eenige moeite weder tot bewustheid gebracht te hebben, onderzochten deze heeren zijne kwetsuren. Een chirurgijn, die dichtbij woonde, was sterk voor eene samengestelde beenbreuk, van welk gevoelen de kastelein insgelijks was; maar twee chirurgijns, die veraf woonden, en slechts toevallig in de nabijheid waren, bestreden deze meening met zooveel belangeloosheid, dat men eindelijk besliste, dat de patiënt, hoewel erg geschaafd en gekneusd, geene beenderen gebroken had behalve eene korte rib of zoo, en wel voorzichtig naar huis kon gebracht worden. Toen hij verbonden was, waarmede men lang werk had, en eindelijk lag te rusten, steeg Carker wederom te paard en reed heen om thuis bericht te brengen.Listig en boosaardig als zijn gezicht zelfs op den besten tijd was, hoewel het, wat vorm en regelmatigheid van trekken betrof, een welgemaakt gezicht mocht heeten, stond het listiger en boosaardiger dan ooit; bezield door zijne[299]booze gedachten—veeleer gedachten aan verwijderde mogelijkheden dan plannen of raadslagen—reed hij alsof hij op eene menschenjacht was. Eindelijk de teugels aanhoudende, toen hij een meer bezochten weg bereikte, dwong hij zijn paard met witte pooten om, volgens gewoonte, zachtjes voort te trippelen, en verborg hij zich zelven zoo goed hij kon onder zijne kruiperige vriendelijkheid en zijn ivoren glimlach.Hij reed recht naar Dombey’s huis, stapte voor de deur af, en verzocht mevrouw Dombey over eene zaak van gewicht te mogen spreken. De knecht, die hem in Dombey’s eigene kamer had gelaten, kwam spoedig terug om te zeggen dat het mevrouw Dombey’s uur niet was om bezoek te ontvangen, en verzocht hem het niet kwalijk te nemen dat hij dit niet dadelijk had gezegd.Carker, die zich wel op eene koele ontvangst had voorbereid, schreef op een kaartje dat hij de vrijheid moest nemen om op een onderhoud aan te dringen, en niet zoo stout zou zijn om ditvoor de tweede maal(dit onderstreepte hij) te doen, als hij niet zeker wist dat de aanleiding voldoende was om hem te rechtvaardigen. Na eene korte poos wachtens, kwam mevrouw Dombey’s kamenier en bracht hem naar eene kamer boven, waar Edith en Florence bij elkander zaten.Hij had Edith nooit voorheen half zoo schoon gevonden. Hoezeer hij ook de bekoorlijkheden van haar gelaat en hare gestalte bewonderde, en die nog versch in zijne zinnelijke herinnering lagen, had hij haar nog nooit half zoo schoon gevonden.Haar blik was trotsch naar de deur gericht toen hij binnenkwam; maar hij zag naar Florence—hoewel slechts even, terwijl hij voor haar boog—en onwillekeurig duidde hij daarbij het gevoel der nieuwe macht aan, die hij bezat; en hij had het genoegen van te zien, dat Edith’s blik voor den zijnen zwichtte, en dat zij half opstond om hem te ontvangen.Het speet hem zeer; hij kon niet zeggen hoe ongaarne hij kwam om haar op de tijding van een gering ongeluk voor te bereiden. Hij bad mevrouw Dombey om bedaard te blijven. Op zijn heilig woord van eer, er was geene reden om zich ongerust te maken. Maar mijnheer Dombey …Florence gaf plotseling een gil. Hij zag niet naar haar, maar naar Edith. Edith stelde haar gerust.Zijgaf geen kreet van droefheid en schrik. Neen, zeker niet.Dombey had bij het rijden een ongeluk gekregen. Zijn paard was uitgegleden en had hem afgeworpen.Florence riep met woesten angst, dat hij zeker zwaar gekwetst, dat hij dood was!Neen. Op zijne eer, mijnheer Dombey, hoewel eerst bedwelmd, was spoedig bijgekomen, en hoewel inderdaad gekwetst, was in geen gevaar. Als dit de waarheid niet was, zou hij, de bedroefde indringer, nooit den moed gehad hebben om zich voor mevrouw Dombey te vertoonen. Het was inderdaad de waarheid, verzekerde hij haar plechtig.Dit alles zeide hij alsof hij Edith en niet Florence antwoordde, en met zijne oogen en zijn glimlach op Edith gevestigd.Daarna verhaalde hij haar waar Dombey lag, en verzocht dat er een rijtuig tot zijne beschikking mocht gesteld worden om hem naar huis te brengen.“Mama,” stamelde Florence schreiend, “als ik durfde gaan!”Carker, die, terwijl hij deze woorden hoorde, zijne oogen op Edith had, gaf haar een geheimen blik en schudde even zijn hoofd. Hij zag hoe zij met zich zelve streed, eer zij hem met hare schoone oogen antwoordde; maar hij ontwrong haar toch dat antwoord—hij toonde haar dat hij het wilde hebben; of dat hij hardop zou spreken en Florence het hart doorgrieven—en zij gaf het hem. Evenals hij des morgens de schilderij had aangezien, zoo zag hij naderhand haar aan, toen zij hare oogen afwendde.“Ik moet verzoeken,” zeide hij, “dat de nieuwe huishoudster—mevrouw Pipchin heet zij, geloof ik …”Niets ontging hem. Hij zag terstond dat het eene andere beleediging was die Dombey zijne vrouw had aangedaan.“Onderricht mag worden, dat mijnheer Dombey verlangt dat er een bed voor hem gereedgemaakt worde in zijne eigene kamer beneden, daar hij datapartementboven alle andere verkiest. Ik zal bijna onmiddellijk naar mijnheer Dombey terugkeeren. Dat er alle mogelijke zorg voor hem is en wordt gedragen, mevrouw, behoef ik u niet te verzekeren. Laat ik nog eens mogen zeggen, er is geene reden voor de minste bekommering. Zelfs gij moogt volkomen gerust wezen, geloof mij.”Hij ging buigend heen, met de grootst mogelijke vertooning van eerbied en vriendelijkheid; en toen hij nog eens naar Dombey’s kamer was geweest, en daar had afgesproken dat hem eene koets naar deCityzou worden nagezonden, steeg hij weder te paard en reed langzaam daarheen. Hij was zeer nadenkend onder het rijden, en zeer nadenkend terwijl hij in deCitywachtte, en zeer nadenkend in de koets onderweg naar de plaats waar hij Dombey gelaten had. Het was eerst toen hij bij de legerstede van dien heer zat, dat hij weder naar zich zelven begon te gelijken en toonde dat hij tanden had.Tegen schemeravond werd Dombey, zeer stijf en vol pijn, in de koets geholpen, en met mantels en kussens gesteund op de eene bank gezet,[300]terwijl zijn vertrouwde gelastigde hem op de andere bank gezelschap hield. Daar hij niet geschokt mocht worden, reed men weinig harder dan stapvoets, en zoo was het geheel donker eer hij thuis werd gebracht. Mevrouw Pipchin, stuursch en spijtig en nooit de mijnen vanPerukunnende vergeten, gelijk het huishouden maar al te wel wist, ontving hem aan de deur en verfrischte de dienstboden met een gesprenkel van woorden-azijn, terwijl zij hem naar zijne kamer hielpen dragen. Carker bleef bij hem tot hij veilig in bed lag, en daar de zieke geen ander vrouwelijk bezoek wilde ontvangen dan dat zijner huishoudster, begaf hij zich nog eens naar mevrouw Dombey, om haar bericht van den toestand des lijders te brengen.Wederom vond hij Edith met Florence alleen, en wederom richtte hij zijne geheele troostende aanspraak tot Edith, alsof zij door den teedersten angst werd gemarteld. Zoo ernstig was zijn eerbiedig medelijden, dat hij bij het afscheidnemen waagde—met nog een blik naar Florence op het oogenblik—hare hand te vatten en die met zijne lippen aan te raken.Edith trok hare hand niet terug, en gaf er hem geen slag mede in het effene gezicht, ondanks den gloed op hare wangen en het flikkerende licht in hare oogen. Maar toen zij alleen op hare kamer was, sloeg zij die hand tegen den marmeren schoorsteenmantel, zoodat zij van dien eenen slag gekneusd werd en bloedde, en hield ze van haar af, naar het vuur, als had zij ze wel daarin willen steken en verbranden.Tot laat in den nacht zat zij bij het uitgebrande vuur, in donkere, dreigende schoonheid, naar de zwarte schaduwen op den muur ziende, alsof hare gedachten tastbare lichamen waren, en die schaduwen daar wierpen. Welke vormen van beleediging en smaad, en van dingen die mogelijk konden gebeuren, ook onduidelijk en reusachtig voor haar flikkerden, het was ééne hatelijke gedaante die ze tegen haar in de wapens bracht. En die gedaante was haar echtgenoot.
XLII.VERTROUWELIJK EN TOEVALLIG.
Niet meer met de zwarte afleggertjes en den flaphoed van kapitein Cuttle uitgedost, maar met eene nieuwe bruine livrei gekleed, die, terwijl zij zeer stemmig moest schijnen te zijn, inderdaad zoo opzichtig deftig was, als een kleermaker er een kon maken, was Rob de Slijper, naar den uitwendigen mensch aldus herschapen, en naar den inwendigen geheel onverschillig voor den kapitein en den adelborst, behalve wanneer hij, met eene toejuichende fanfare van dat koperen instrument, zijn geweten, zich verlustigde in de gedachte, hoe hij deze twee (in zijne verbeelding onafscheidbaar) den zak had gegeven, thans bij zijn beschermer Carker in dienst. Medebewoner van Carker’s huis en als zijn lijfknecht werkzaam, hield Rob met vreezen en beven zijne oogen op de witte tanden gevestigd, en gevoelde dat hij ze waarlijk wel wijder dan ooit mocht openzetten.Hij kon niet sterker door geheel zijn wezen voor die tanden gebeefd hebben, al was hij in den dienst van een machtig toovenaar gekomen, en al waren die tanden zijne krachtigste toovermiddelen geweest. De jongen had een gevoel van de macht en het gezag van zijn patroon, dat al zijne aandacht gespannen hield en hem tot blinde onderwerping en gehoorzaamheid noopte. Hij durfde zelfs, als hij niet bij hem was, nauwelijks over hem denken, eenigszins vreezende dat hij dan weder dadelijk bij de keel zou gepakt worden, gelijk op den ochtend hunner eerste kennismaking, en dat elke tand de geheimen van zijn gemoed zou doorgronden. Onder de oogen van zijn meester, twijfelde hij evenmin dat Carker zijne geheimste gedachten las, of lezen kon indien hij wilde, als hij er aan twijfelde of deze hem zag als hij hem aankeek. Zoo groot was die invloed, dat de knaap bijna geheel niet durfde denken, maar met eene nevelachtige voorstelling van zijn meesters onweerstaanbare macht over hem, en zijn vermogen om alles met hem te doen wat hij wilde, naar zijne wenken stond te wachten en zijne bevelen poogde te voorkomen, geheel suf en stomp voor alle andere dingen.Rob had het met zich zelven niet uitgemaakt—in zijn gemoedstoestand zou het reeds eene groote vermetelheid zijn geweest er naar te vragen,—of hij zich zoo volkomen aan dien invloed overgaf, dewijl hij vermoedde dat zijn beschermer een meester was in zekere verraderlijke kunsten, waarin hij zelf op de Slijpersschool een beginnend leerling was geweest. Zeker is het dat Rob hem bewonderde zoowel als vreesde. Carker was misschien beter bekend met de bronnen zijner macht en verzuimde niets om die te bevestigen.Op denzelfden avond toen Rob den dienst des kapiteins verliet, was hij, na zijne duiven verkocht en in zijne haast zelfs eene slechte negotie gedaan te hebben, recht naar Carker’s huis gegaan, en was hij met een gloeiend gezicht, dat eene lofspraak scheen te verwachten, voor zijn nieuwen meester verschenen.“Zoo, deugniet!” zeide Carker, naar zijn pakje ziende. “Zijt gij uit uw dienst geloopen, en komt ge nu naar mij toe?”—“O, als je blieft, mijnheer,”[293]stotterde Rob, “gij hebt immers gezegd, toen ik laatst hier was …”—“Ikgezegd?” hervatte Carker. “Wat heb ik gezegd?”—“Als je blieft, mijnheer, gij hebt niemendal gezegd, mijnheer,” antwoordde Rob, door den toon der vraag gewaarschuwd, en zeer onthutst.Zijn patroon keek hem aan, liet zijn tandvleesch zien, schudde zijn voorvinger en zeide:“Gij zult aan een slecht eind komen, mijn losbandige vriend, dat voorzie ik. Gij zult in uw ongeluk loopen.”—“Och neen, mijnheer, als je blieft!” barstte Rob uit, terwijl zijne beenen onder hem beefden. “Waarachtig, mijnheer, ik wil niets anders dan voor u werken, en u bedienen, en trouw doen wat mij belast wordt, mijnheer.”—“Het is u ook maar geraden om trouw te doen wat u belast wordt, als gij met mij te maken hebt,” antwoordde zijn patroon.—“Ja, dat weet ik wel, mijnheer,” zeide de onderdanige Rob hierop. “Daar ben ik wel zeker van, mijnheer. Als ge maar zoo goed wilt zijn om mij te probeeren, mijnheer. En als gij er mij ooit op betrapt, mijnheer, dat ik iets tegen uw zeggen doe, moogt ge mij vrij doodslaan.”—“Gij rekel!” zeide Carker, in zijn stoel achteroverleunende en hem vergenoegd glimlachend aanziende: “dat is nog niets bij wat ik u doen zou, als gij het hart hadt om mij te willen bedriegen.”—“Ja, mijnheer,” antwoordde de benauwde Slijper, “ik weet wel dat ge mij iets vreeselijks zoudt doen, mijnheer. Ik zou het ook niet probeeren, mijnheer, al wilde men mij met goud omkoopen.”Geheel te leur gesteld in zijne verwachting van eene lofspraak, bleef de onthutste Slijper zijn beschermer staan aanzien, en poogde vruchteloos hem niet aan te zien, met dezelfde ongerustheid welke een hond dikwijls in dergelijke omstandigheden aan den dag legt.“Dus hebt gij uw ouden dienst verlaten, en komt hier vragen of ik u in mijn dienst wil nemen, he?” zeide Carker.—“Ja, als je blieft, mijnheer,” antwoordde Rob, die wat hij gedaan had op eigen last van zijn patroon had gedaan, maar zich niet durfde rechtvaardigen door de geringste aanduiding daarvan.—“Wel!” zeide Carker. “Gij kent mij, jongen?”—“Ja, mijnheer, als je blieft,” antwoordde Rob, zijn hoed in het rond draaiende, en nog door Carker’s oogen geboeid, waarvan hij zich vruchteloos poogde los te rukken.Carker knikte. “Pas op, dan.”Rob gaf door een aantal snelle buigingen zijn levendig begrip van deze waarschuwing te kennen, en wilde zoo buigende naar de deur gaan, zeer verlicht door het vooruitzicht om maar daarbuiten te komen, toen zijn patroon hem stuitte.“Holla!” zoo riep hij met eene grove stem terug. “Gij zijt—doe die deur toe!”Rob gehoorzaamde alsof zijn leven van zijne vlugheid afhing.“Gij zijt aan het spionneeren en luisteren gewoon, niet waar?”—“Hier zou ik zoo iets nooit doen, mijnheer,” antwoordde Rob, “op mijn woord van eer, dat zou ik niet. Ik zou het voor de geheele wereld niet durven, of het moest mij belast worden, mijnheer.”—“Dat zou u ook niet geraden zijn. Gij zijt ook aan babbelen en overpraten gewoon,” zeide zijn patroon, met de grootste koelbloedigheid. “Pas hier daarop, of ge zijt een verloren schobbejak,” en wederom glimlachte hij en waarschuwde hij met zijn voorvinger.De Slijper voelde zijne ademhaling beklemd. Hij wilde zijne welmeenende gezindheid betuigen, maar kon den glimlachenden heer slechts aanstaren met eene botte onderdanigheid, waarmede de glimlachende heer tamelijk weltevreden scheen; want na den knaap nog eene poos stilzwijgend te hebben aangezien, beval hij hem om naar beneden te gaan, en zeide dat hij hem in zijn dienst zou houden.Dit was de manier waarop Rob de Slijper door Carker tot lijfknecht werd aangenomen; en met elke minuut van zijn dienst werd zijn ontzag voor dezen heer, zoo mogelijk, nog grooter.Die dienst had eenige maanden geduurd, toen Rob op zekeren morgen het tuinhek voor Dombey opendeed, die volgens afspraak bij zijn meester kwam ontbijten. Op hetzelfde oogenblik kwam zijn meester zelf naar buiten snellen om zijn geëerden gast te ontvangen en met al zijne tanden te verwelkomen.“Ik had waarlijk nooit gedacht u eens hier te zien,” zeide Carker, terwijl hij Dombey van het paard hielp stappen. “Dit is een uitstekende dag in mijn almanak. Geen bezoek heeft veel bijzonders voor een man als gij, die alles kan doen wat hij wil, maar voor een man als ik is het geheel anders.”—“Gij hebt hier een met smaak aangelegd buitentje, Carker,” zeide Dombey, zich verwaardigende om voor het grasperk te blijven stilstaan en rond te zien.—“Dat belieft u zoo te zeggen,” antwoordde Carker. “Wel verplicht.”—“Waarlijk,” zeide Dombey met zijne deftige minzaamheid, “dat zou iedereen moeten zeggen. Zoover het gaat schijnt het zeer gemakkelijk en goed ingericht—wezenlijk elegant.”—“Zoover het gaat inderdaad,” antwoordde Carker, met nederigheid. “Dat moet er bij gezegd worden. Nu, wij hebben er genoeg van gezegd; en schoon het eene goedheid van u is dat gij het prijst, ben ik u niet minder dankbaar. Wilt gij binnengaan?”Toen Dombey het huis binnenging, lette hij, gelijk hij wel doen mocht, op de keurige inrichting der kamers, en de talrijke kleine zorgen voor gemak en sieraad. Carker nam, met zijne pralende nederigheid, deze complimenten[294]met een benepen glimlach aan, en zeide dat hij de kieschheid daarvan begreep en waardeerde, maar dat het buitentje voor hem goed genoeg was—beter, misschien, hoe gering het ook was, dan iemand als hij moest bewonen.“Maar misschien vertoont het zich voor u, die zoover daarboven zijt, beter dan het werkelijk is,” zeide hij, met zijn valschen mond zoo breed mogelijk uitgerekt. “Evenals een vorst zich iets bekoorlijks in het leven van een bedelaar voorstelt.”Dit zeggende vestigde hij een scherpen blik op Dombey, en een nog scherper, met een scherpen glimlach gepaard, toen Dombey, zich voor het vuur plantende, in de houding, die door zijn eersten dienaar zoo dikwijls werd nagebootst, naar de schilderijen aan den wand rondkeek. Terwijl zijne koude oogen vluchtig daarover heengleden, ging Carker’s scherpe blik mede, en lette hij nauwkeurig op, waar die oogen bleven en wat zij zagen. Toen zij vooral op eene schilderij bleven rusten, scheen Carker nauwelijks adem te halen, zoo katachtig waakzaam was zijn zijdelings loeren; maar de oogen van den grooten man gleden er over heen, gelijk over de andere schilderijen en schenen er even weinig een indruk van te behouden.Carker zag er naar—het was de schilderij die naar Edith geleek alsof zij leefde; en er verscheen een stille, boosaardige lach op zijn gezicht, die gedeeltelijk op de schilderij scheen te doelen, hoewel hij eigenlijk den grooten man bespotte die zoo onergdenkend naast hem stond. Weldra stond het ontbijt op de tafel; en Dombey een stoel aanbiedende, welke met den rug naar die schilderij stond, zette hij zich volgens gewoonte er vlak tegenover.Dombey was ernstiger dan gewoonlijk, en zeer stil. De papegaai, in den vergulden hoepel in zijne prachtige kooi schommelende, poogde vruchteloos aandacht te trekken; want Carker lette te zeer op zijn gast, om aan den papegaai te denken; en de gast, in verstrooid gepeins, keek strak, om niet te zeggen stuursch, over zijne stijve das, zonder zijne oogen van het tafellaken op te slaan. Wat Rob, die bleef bedienen, betrof, al zijne zinnen en vermogens werden zoozeer door zijn meester geboeid, dat hij nauwelijks een oogenblik durfde geven aan de gedachte, dat die gast de groote heer was, voor wien hij eens in zijne kindsheid als getuige van den gezondheidstoestand zijner familie was verschenen, en aan wien hij zijn lederen broekje had te danken gehad.“Mag ik zoo vrij zijn om te vragen hoe mevrouw Dombey vaart?” zeide Carker eensklaps.Bij deze vraag leunde hij dienstvaardig voorover, met de kin op de hand steunende, en te gelijk sloeg hij zijne oogen naar de schilderij op, als wilde hij zeggen: “Zie nu, hoe ik hem bij den neus zal leiden.”Dombey werd rood terwijl hij antwoordde:“Mevrouw Dombey vaart zeer wel. Gij herinnert mij, Carker, aan iets waarover ik met u wilde spreken.”—“Robin, gij kunt heengaan,” zeide zijn meester, wiens zachte stem Robin deed schrikken en verdwijnen, met de oogen tot het laatste toe op zijn patroon gevestigd. “Gij herinnert u dien jongen natuurlijk nog wel?” vervolgde hij, toen de onderdanige Slijper verdwenen was.—“Neen,” zeide Dombey, met verhevene onverschilligheid.—“Niet waarschijnlijk dat een man als gij dat doen zou. Bijna niet mogelijk,” prevelde Carker. “Maar hij is uit het huishouden waaruit gij eens eene min hebt genomen. Misschien kunt gij u herinneren, dat gij u grootmoedig met zijne opvoeding hebt belast?”—“Is dat die jongen?” zeide Dombey, zijne wenkbrauwen samentrekkende. “Hij doet zijne opvoeding weinig eer aan, geloof ik.”—“Ja, hij is een deugniet, vrees ik,” antwoordde Carker, de schouders ophalende. “Daar heeft hij ten minste den naam van. Maar om de waarheid te zeggen, ik heb hem in dienst genomen, omdat hij, toen hij buiten betrekking was, zich verbeeldde (men zal hem dat zeker thuis geleerd hebben) dat hij eene soort van aanspraak op u had, en gedurig beproefde u met zijn verzoek na te loopen. En hoewel mijne bepaalde en erkende betrekking met uwe aangelegenheden alleen tot het kantoor beperkt is, heb ik toch zooveel onwillekeurige belangstelling voor alles wat u aangaat, dat …”Hij zweeg weder, als ware het om te ontdekken of hij Dombey al ver genoeg had gebracht. En wederom wierp hij, met de kin op de hand, een loerenden blik naar de schilderij.“Carker,” zeide Dombey, “ik weet wel, gij beperkt uwe …”—“Dienstvaardigheid,” gaf zijn glimlachende gastheer hem in bedenking.—“Neen, ik zeg liever toegenegenheid,” zeide Dombey, zeer wel gevoelende dat hij, door zoo te zeggen, een vleiend compliment maakte, “uwe toegenegenheid niet tot onze betrekking door kantoorzaken. Dat gij in de geringe bijzonderheid, waarvan gij zoo even gesproken hebt, mijn gevoel—mijne hoop en mijne teleurstelling—zoo ontziet, is een bewijs daarvan. Ik ben u verplicht, Carker.”Carker boog zeer langzaam zijn hoofd, en wreef zeer zacht zijne handen, als vreesde hij door eenige beweging Dombey’s vertrouwelijkheid in haar loop te storen.“Dat gij daarvan spreekt komt juist van pas,” hervatte Dombey, na eene geringe aarzeling, “want het is eene voorbereiding voor datgene wat ik u begonnen was te zeggen, en herinnert mij dat daardoor eigenlijk geene geheel nieuwe betrekkingen tusschen ons zullen ontstaan, hoewel er misschien van mijn kant een grooter persoonlijk vertrouwen bij zal plaats[295]hebben, dan ik tot nog toe …”—“Dan waarmee gij mij tot nog toe vereerd hebt,” viel Carker er op in, wederom zijn hoofd buigende. “Ik wil niet zeggen hoe vereerd ik daarmede ben; want een man als gij weet wel hoeveel eer hij in zijne macht heeft naar believen te bewijzen.”—“Mevrouw Dombey en ik,” het compliment met statige zelfverloochening ter zijde latende, “komen in sommige punten niet geheel overeen. Wij schijnen elkander nog niet te verstaan. Mevrouw Dombey heeft nog iets te leeren.”—“Mevrouw Dombey onderscheidt zich door vele zeldzame bekoorlijkheden, en is zonder twijfel aan veel vleierij gewoon,” zeide de slimme waarnemer van elken blik en toon. “Maar waar genegenheid, achting en ontzag bestaan, worden kleine vergissingen, uit zulke oorzaken ontsproten, gemakkelijk te recht gebracht.”Onwillekeurig vlogen Dombey’s gedachten terug naar het gezicht dat hem in de kamer zijner vrouw had aangezien, toen eene gebiedende hand naar de deur werd uitgestrekt; en zich herinnerende hoeveel genegenheid, achting en ontzag dit uitdrukte, voelde hij het bloed naar zijn eigen gezicht stijgen, even duidelijk als de waakzame oogen, die hem waarnamen, het zagen.“Mevrouw Dombey en ik,” zeide hij, “hadden, voor mevrouw Skewton’s dood, eene woordenwisseling over de redenen van mijn ongenoegen, waarvan gij u wel een algemeen begrip zult kunnen vormen, daar gij getuige zijt geweest van hetgeen er tusschen mevrouw Dombey en mij is voorgevallen op dien avond toen gij bij ons—bij mij aan huis waart.”—“Toen het mij speet dat ik tegenwoordig was,” zeide de glimlachende Carker. “Hoe trotsch een man in mijne positie natuurlijk wezen moest op uw gemeenzamen omgang—schoon ik dat bij u niet mag rekenen, want gij kunt alles doen wat gij wilt, zonder uw rang te verliezen—en zoo vereerd als ik was door zoo vroeg aan mevrouw Dombey gepresenteerd te worden, eer zij nog zoo hoog verhoogd werd door het verkrijgen van uw naam, speet het mij dien avond toch bijna, verzeker ik u, dat ik zulk een buitengewoon geluk had gehad.”Dat het iemand onder eenige mogelijke omstandigheden kon spijten door zijne minzaamheid en goedheid onderscheiden te worden, was een moreel verschijnsel, dat Dombey niet kon begrijpen. Hij antwoordde dus, en werd daarbij nog vrij wat statiger dan anders: “Inderdaad. En waarom, Carker?”—“Ik vrees,” antwoordde zijn vertrouwde, “dat mevrouw Dombey, nooit zeer gezind om mij met gunstige belangstelling te beschouwen—iemand in mijne positie kon dat niet verwachten van eene dame die trotsch van karakter is, en wie hare trotschheid zoo goed staat—mij niet licht mijn onschuldig aandeel aan dat gesprek zal vergeven. Uw ongenoegen is geene beuzeling, moet gij bedenken; en dat in het bijzijn van een derden te moeten ondervinden …”—“Carker,” zeide Dombey laatdunkend, “mij dunkt dat ik het eerst in aanmerking behoor te komen?”—“O, kan daaraan getwijfeld worden?” zeide de ander, met het ongeduld van iemand die eene algemeen bekende, onbetwistbare waarheid toestemt.—“Mevrouw Dombey komt eerst naderhand in aanmerking, als het om ons beiden te doen is, verbeeld ik mij,” zeide Dombey. “Is dat zoo niet?”—“Zeker is het zoo,” antwoordde Carker. “Gij weet beter dan iemand, dat gij zoo iets niet behoeft te vragen.”—“Dan hoop ik, Carker,” zeide Dombey, “dat uw spijt over het beloopen van mevrouw Dombey’s ongenoegen bijna zal worden opgewogen door uw genoegen over het behouden vanmijnvertrouwen enmijnegoede meening.”—“Ik heb dus het ongeluk, naar ik vind, van mij dat ongenoegen berokkend te hebben,” hervatte Carker. “Mevrouw Dombey heeft u dat gezegd?”—“Mevrouw Dombey heeft verschillende meeningen te kennen gegeven,” antwoordde Dombey, met statige koelheid en onverschilligheid, “waarin ik niet deel, en van welke ik niet genegen ben te spreken of mij te herinneren. Ik heb mevrouw Dombey eenigen tijd geleden bekend gemaakt, gelijk ik reeds gezegd heb, met zekere punten van huiselijke beleefdheid en ondergeschiktheid, waarop ik het noodig achtte aan te dringen. Het is mij niet gelukt mevrouw Dombey te overtuigen van het raadzame om haar gedrag, met het oog op haar eigen genoegen en welzijn en op mijne waardigheid, in die opzichten terstond te veranderen, en ik heb mevrouw Dombey onderricht dat ik, indien ik het noodig mocht achten haar wederom waarschuwingen of vermaningen te geven, haar mijne meening door u, mijn vertrouwden gelastigde, zou doen te kennen geven.”Gemengd met den blik, dien Carker op hem vestigde, was een duivelachtige blik naar de schilderij boven zijn hoofd, die als een bliksemstraal daarheen vloog.“Nu, Carker,” zeide Dombey, “maak ik geen bezwaar om u tezeggen, dat ik mijn wilwildoorzetten. Ik wil niet met mij laten beuzelen. Mevrouw Dombey moet begrijpen dat mijn wil wet is en dat ik op den regel van geheel mijn leven geene uitzondering kan veroorloven. Gij zult de goedheid hebben om dezen last op u te nemen, die, daar zij van mij komt, u niet onaangenaam zal zijn, hoop ik, hoeveel spijt gij ook uit beleefdheid moogt betuigen—waarvoor ik u voor mevrouw Dombey verplicht ben; en gij zult wel de goedheid hebben, ben ik overtuigd, om u daarvan te kwijten, evenals van iedere andere commissie.”—“Gij weet,”[296]antwoordde Carker, “dat ge mij maar te bevelen hebt.”—“Ik weet,” zeide Dombey, majestueus toestemmende, “dat ik u maar te bevelen heb. Het is noodig dat ik hiermede voortga. Mevrouw Dombey is eene dame, in vele opzichten ten hoogste geschikt, zonder twijfel, om …”—“Om zelfs uwe keus tot eer te strekken,” gaf Carker in bedenking, vleiend al zijne tanden toonende.—“Ja; als het u belieft dien vorm van uitdrukking te bezigen,” zeide Dombey, op zijn staatsie-toon; “en voor het tegenwoordige meen ik niet, dat mevrouw Dombey die keus zoozeer tot eer strekt als wel zou behooren. Mevrouw Dombey heeft een geest van oppositie, die uitgeroeid moet worden, die gefnuikt moet worden. Mevrouw Dombey schijnt niet te begrijpen,” zeide Dombey met nadruk, “dat het denkbeeld van oppositie tegen mij iets gedrochtelijks en ongerijmds is.”—“Wij in deCitykennen u beter,” zeide Carker met een glimlach van oor tot oor.—“Gij kent mij beter,” zeide Dombey. “Dat hoop ik. Schoon ik verplicht ben mevrouw Dombey zooveel recht te doen om te zeggen, dat, hoe onbestaanbaar dit ook schijnen mag met haar volgend gedrag (dat onveranderd blijft), toen ik haar eenigszins gestreng mijne afkeuring en mijn voornemen te kennen gaf, bij die gelegenheid waarvan ik gesproken heb, mijne vermaning een zeer krachtigen indruk scheen te maken.” Dombey sprak deze woorden met allergeduchtste statigheid uit. “Ik wenschte dus dat gij de goedheid hadt, Carker, om mevrouw Dombey van mij te onderrichten, dat ik haar ons vroeger gesprek in het geheugen moet roepen, met eenige verwondering dat het nog geen gevolg heeft gehad. Dat ik er op moet aandringen, dat zij haar gedrag richte naar den regel, dien ik haar in dat gesprek heb voorgeschreven. Dat ik niet met haar gedrag tevreden ben. Dat ik er ten hoogste misnoegd over ben. En dat ik mij in de zeer onaangename noodzakelijkheid zal bevinden om u tot brenger van nog meer onwelkome en omstandige mededeelingen te maken, als zij geen gezond verstand en gevoel van welvoegelijkheid genoeg heeft om zich aan mijne wenschen te onderschikken, gelijk de eerste mevrouw Dombey deed, en ik geloof er te mogen bijvoegen, gelijk elke andere dame in hare plaats zou doen.”—“De eerste mevrouw Dombey leefde zeer gelukkig,” zeide Carker.—“De eerste mevrouw Dombey had veel gezond verstand,” zeide Dombey, met fatsoenlijke verschooning voor eene doode, “en gevoel van welvoegelijkheid.”—“Gelijkt jonge jufvrouw Dombey naar hare moeder, denkt gij?” zeide Carker.Snel betrok Dombey’s gezicht. Zijn vertrouwde zag hem scherp waarnemend aan.“Ik heb een pijnlijk onderwerp aangeroerd,” zeide hij, op een zachten meewarigen toon, onvereenigbaar met zijne gretige oogen. “Ik bid u, vergeef het mij. Mijne belangstelling doet mij het verband van die herinneringen vergeten. Ik bid u, vergeef het mij.”Maar hoewel hij zoo sprak, bleven zijne gretige oogen Dombey’s neergeslagen gezicht waarnemen, en daarna schoten zij een vreemden, zegevierenden blik naar de schilderij, als riepen zij deze tot getuige hoe hij hem bij den neus leidde en wat er nu komen zou.“Carker,” zeide Dombey, hier en daar op de tafel ziende, en haastiger met eene eenigszins veranderde stem sprekende, terwijl zijne lippen ook bleeker schenen. “Gij behoeft u niet te verontschuldigen. Gij vergist u. Ik denk aan de zaak die wij voor ons hebben, en aan geene herinneringen, gelijk gij meent. Ik ben niet tevreden met mevrouw Dombey’s gedrag ten opzichte van mijne dochter.”—“Verschooning,” zeide Carker. “Ik begrijp u niet recht.”—“Gij moet dan begrijpen,” antwoordde Dombey, “dat gij daarover uit mijn naam ronduit met mevrouw Dombey kunt spreken—zult spreken, als het u belieft. Gij zult zoo goed zijn om haar te zeggen, dat hare vertooning van bijzondere genegenheid voor mijne dochter mij onaangenaam is. Dit is geschikt om aandacht te trekken. Het is geschikt om de menschen tot vergelijking te brengen tusschen mevrouw Dombey in hare verhouding tot mijne dochter, en mevrouw Dombey in hare verhouding tot mij. Gij zult zoo goed zijn om mevrouw Dombey duidelijk te doen verstaan, dat ik dit afkeur, en dat ik verwacht dat zij dadelijk aan mijne bezwaren in dat opzicht zal gehoor geven. Het mag mevrouw Dombey ernst wezen, of het mag maar eene gril van haar zijn, of het mag haar oogmerk zijn mij daarmede te dwarsboomen, in allen gevalle keur ik het af. Als mevrouw Dombey het ernstig meent moet zij zooveel te minder onwillig zijn om het na te laten; want zij zal mijne dochter door zulk eene vertooning geen dienst doen. Als mijne vrouw zachtaardigheid en vriendelijkheid te veel heeft, boven en behalve hare behoorlijke onderworpenheid aan mij, mag zij die, misschien, toonen aan wie zij wil; maar ik wil eerst onderworpenheid hebben.—Carker” zeide Dombey, de buitengewone aandoening smorende, waarmede hij gesproken had, en een toon aannemende meer gelijk aan dien waarmede hij gewoon was zijne grootheid te doen gelden, “gij zult wel zoo goed zijn om dit punt niet over te slaan of in de schaduw te houden, maar het is als een zeer gewichtig gedeelte van uwe instructie te beschouwen.”Carker boog zijn hoofd en stond van de tafel op. Peinzend voor het vuur staande, met de hand aan zijne gladde kin, keek hij op Dombey neer met de boosaardige slimheid van een middeleeuwsch beeldsnijwerk, half mensch half dier, of een grijnzend gezicht aan eene ouderwetsche[297]gootpijp. Dombey, langzamerhand zijne bedaardheid herkrijgende, of zijne aandoening smorende met de gedachte dat hij nu eene verhevene positie had genomen, zat trapsgewijze weder op te stijven, en keek naar den papegaai, die in zijn grooten trouwring hing te slingeren.“Dombey,” zegt neef Feenix, “bij mijne ziel, het treft mij zeer u bij zulk eene droevige gelegenheid te zien.” (blz. 291).“Dombey,” zegt neef Feenix, “bij mijne ziel, het treft mij zeer u bij zulk eene droevige gelegenheid te zien.”(blz. 291).“Neem mij niet kwalijk,” zeide Carker, na eene poos van stilte, zich eensklaps weder op zijn stoel zettende, en dien tegenover Dombey schuivende, “maar laat ik u wel begrijpen. Mevrouw Dombey draagt kennis van de waarschijnlijkheid dat ik het orgaan van uw ongenoegen zal zijn?”—“Ja,” antwoordde Dombey “dat weet zij.”—“Ja wel,” hervatte Carker. “Maar waarom weet zij dat?”—“Waarom?” herhaalde Dombey, niet zonder aarzeling. “Omdat ik het haar gezegd heb.”—“Ja wel,” zeide Carker wederom. “Maar waarom hebt gij haar dat gezegd? Gij ziet wel,” vervolgde hij, met een glimlach, en zijne fluweelen hand op Dombey’s arm leggende, gelijk eene kat hare ingetrokken klauwen had kunnen doen, “als ik volkomen begrijp wat gij bedoelt, is het des te waarschijnlijker dat ik nuttig zal kunnen zijn en het geluk hebben om u wezenlijk dienst te doen. Ik geloof dat ik u begrijp. Ik heb de eer niet dat mevrouw Dombey eene goede meening van mij heeft. In mijne positie heb ik wel geene reden om dat te verwachten; maar ik houd het er nu maar zoo voor, dat zij geene goede meening van mij heeft.”—“Misschien wel niet,” zeide Dombey.—“Bij gevolg,” hervatte Carker, “zal het deze dame bijzonder ongevallig zijn, dat gij haar door mij deze boodschap zendt?”—“Het komt mij voor,” zeide Dombey, met trotsche stijfheid, maar toch met zekere verlegenheid, “dat mevrouw Dombey’s gedachten van de zaak tusschen u en mij eigenlijk niet in aanmerking behoefden te komen, Carker. Maar het kan toch wel zoo zijn.”—“En—neem mij niet kwalijk—begrijp ik u verkeerd,” zeide Carker, “als ik denk dat gij daarin een geschikt middel vindt om mevrouw Dombey’s trots te vernederen—ik gebruik het woord trots om eene hoedanigheid aan te duiden, die, in behoorlijke perken gehouden, eene dame, zoo uitstekend door schoonheid en talenten, tot eer en sieraad strekt—en, ik wil niet zeggen haar te straffen, maar om haar tot die onderworpenheid te brengen, die gij zoo natuurlijk en billijk van haar vordert?”—“Ik ben niet gewoon, Carker, gelijk gij wel weet,” zeide Dombey, “om zulke omstandige redenen te geven voor iets dat ik voegzaam acht te doen; maar ik wil toch niets daarvan[298]tegenspreken. Indien gij een daarop gegrond bezwaar hebt, zoo is dat geheel iets anders, en het enkele zeggen dat gij zulk een bezwaar hebt zal voldoende zijn. Maar ik heb niet gedacht, moet ik bekennen, dat een vertrouwelijke last, dien ik u opdroeg, u zou kunnen vernederen …”—“O,ikvernederd!” riep Carker uit. “Inuwdienst!”—“Of u in eene valsche positie zou kunnen plaatsen,” vervolgde Dombey.—“Ikin eene valsche positie!” riep Carker wederom uit. “Ik zal er trotsch op zijn—verrukt over zijn—als ik aan uw vertrouwen mag beantwoorden. Ik had wel kunnen wenschen, moet ik bekennen, dat ik de dame, aan wier voeten ik mijne nederige hulde zou willen neerleggen—want is zij uwe vrouw niet!—geene nieuwe reden van ongenoegen behoefde te geven; maar een wensch van u gaat natuurlijk alle andere bedenkingen te boven. Buitendien, wanneer mevrouw Dombey van die kleine dwalingen in haar oordeel is teruggekomen, die, als ik zoo zeggen durf, bijna onvermijdelijk met het nieuwe van hare omstandigheden gepaard moeten gaan, hoop ik dat zij in het geringe deel,dat ik aan de zaak genomen heb, slechts een greintje—mijn ver verwijderde kring geeft weinig gelegenheid voor meer—van mijn eerbied voor u en mijne opoffering van alle andere bedenkingen voor u, zal opmerken, waarvan het haar voorrecht en genoegen zal zijn, dagelijks een schat van blijken te geven.”Dombey scheen haar op dat oogenblik wederom te zien, met hare uitgestrekte hand naar de deur wijzende, en in de zoetvoerige taal van zijn vertrouweling een weergalm van hare woorden te hooren: “Niets kan ons vreemder voor elkander maken dan wij voortaan zijn!” Maar hij zeide: “Zekerlijk; zonder twijfel.”—“Er is niets meer?” zeide Carker, zijn stoel weder naar zijne oude plaats schuivende—want zij hadden nog maar weinig van het ontbijt gebruikt—en op een antwoord wachtende eer hij weder ging zitten.—“Niets behalve dit,” zeide Dombey. “Gij zult wel zoo goed zijn om op te merken, Carker, dat geene boodschap, waarmede gij aan mevrouw Dombey belast zijt, eenig antwoord toelaat. Gij zult wel zoo goed zijn om mij geen antwoord te brengen. Mevrouw Dombey is onderricht dat het mij niet voegt, met haar te temporiseeren of te onderhandelen over iets, waarover wij het niet eens mochten zijn, en dat, wat ik zeg, beslissend is.”Carker gaf nog eens te kennen dat hij zijne taak begreep en aanvaardde, en zij gingen nog eens aan het ontbijt met zooveel trek als zij hadden. De Slijper, die weldra verscheen, hield ook wederom zijne oogen met eerbiedigen angst op zijn meester gevestigd. Na het ontbijt werd Dombey’s paard weder voorgebracht, Carker besteeg insgelijks het zijne, en zij reden te zamen naar de stad.Carker was zeer vroolijk en praatte veel. Dombey hoorde hem aan met het vorstelijke voorkomen van iemand, die recht had om zich te laten onderhouden, en verwaardigde zich nu en dan eenige weinige woorden te spreken om het gesprek voort te zetten. Zoo reden zij eigenaardig genoeg met elkander voort. Maar Dombey reed in zijne deftigheid met zeer lange stijgbeugels en een zeer lossen teugel, en verwaardigde zich zeer zelden om te zien waar zijn paard de pooten zette. Ten gevolge daarvan gebeurde het dat Dombey’s paard, terwijl het vrij hard draafde, over eenige losse steenen struikelde, hem afsmeet, over hem heen rolde, en met de ijzeren hoeven in het rond spartelende om weder op te komen, hem een schop gaf.Carker, vlug van oog, vast van hand en een goed ruiter, was dadelijk op den grond en trok het spartelende paard in een oogenblik bij de teugels overeind. Anders zou de vertrouwelijke mededeeling van dien morgen wel de laatste voor Dombey zijn geweest. Maar terwijl de drift van deze beweging zijne wangen nog kleurde, boog hij zich over zijn op den grond liggenden gebieder, en mompelde zoo bukkende: “Nuheb ik mevrouw Dombey goede reden gegeven om kwaad op mij te zijn, als zij het wist.”Daar Dombey bewusteloos was en aan het hoofd en het gezicht bloedde, werd hij, op aanwijzing van Carker, door eenige werklieden naar de naaste herberg gebracht, die niet veraf was; en daar werd hij spoedig door verscheidene chirurgijns bezocht, die van alle kanten aankwamen en door een geheimzinnig instinct schenen gelokt te worden, evenals men zegt dat de gieren zich om een kameel verzamelen, die in de woestijn sterft. Na hem met eenige moeite weder tot bewustheid gebracht te hebben, onderzochten deze heeren zijne kwetsuren. Een chirurgijn, die dichtbij woonde, was sterk voor eene samengestelde beenbreuk, van welk gevoelen de kastelein insgelijks was; maar twee chirurgijns, die veraf woonden, en slechts toevallig in de nabijheid waren, bestreden deze meening met zooveel belangeloosheid, dat men eindelijk besliste, dat de patiënt, hoewel erg geschaafd en gekneusd, geene beenderen gebroken had behalve eene korte rib of zoo, en wel voorzichtig naar huis kon gebracht worden. Toen hij verbonden was, waarmede men lang werk had, en eindelijk lag te rusten, steeg Carker wederom te paard en reed heen om thuis bericht te brengen.Listig en boosaardig als zijn gezicht zelfs op den besten tijd was, hoewel het, wat vorm en regelmatigheid van trekken betrof, een welgemaakt gezicht mocht heeten, stond het listiger en boosaardiger dan ooit; bezield door zijne[299]booze gedachten—veeleer gedachten aan verwijderde mogelijkheden dan plannen of raadslagen—reed hij alsof hij op eene menschenjacht was. Eindelijk de teugels aanhoudende, toen hij een meer bezochten weg bereikte, dwong hij zijn paard met witte pooten om, volgens gewoonte, zachtjes voort te trippelen, en verborg hij zich zelven zoo goed hij kon onder zijne kruiperige vriendelijkheid en zijn ivoren glimlach.Hij reed recht naar Dombey’s huis, stapte voor de deur af, en verzocht mevrouw Dombey over eene zaak van gewicht te mogen spreken. De knecht, die hem in Dombey’s eigene kamer had gelaten, kwam spoedig terug om te zeggen dat het mevrouw Dombey’s uur niet was om bezoek te ontvangen, en verzocht hem het niet kwalijk te nemen dat hij dit niet dadelijk had gezegd.Carker, die zich wel op eene koele ontvangst had voorbereid, schreef op een kaartje dat hij de vrijheid moest nemen om op een onderhoud aan te dringen, en niet zoo stout zou zijn om ditvoor de tweede maal(dit onderstreepte hij) te doen, als hij niet zeker wist dat de aanleiding voldoende was om hem te rechtvaardigen. Na eene korte poos wachtens, kwam mevrouw Dombey’s kamenier en bracht hem naar eene kamer boven, waar Edith en Florence bij elkander zaten.Hij had Edith nooit voorheen half zoo schoon gevonden. Hoezeer hij ook de bekoorlijkheden van haar gelaat en hare gestalte bewonderde, en die nog versch in zijne zinnelijke herinnering lagen, had hij haar nog nooit half zoo schoon gevonden.Haar blik was trotsch naar de deur gericht toen hij binnenkwam; maar hij zag naar Florence—hoewel slechts even, terwijl hij voor haar boog—en onwillekeurig duidde hij daarbij het gevoel der nieuwe macht aan, die hij bezat; en hij had het genoegen van te zien, dat Edith’s blik voor den zijnen zwichtte, en dat zij half opstond om hem te ontvangen.Het speet hem zeer; hij kon niet zeggen hoe ongaarne hij kwam om haar op de tijding van een gering ongeluk voor te bereiden. Hij bad mevrouw Dombey om bedaard te blijven. Op zijn heilig woord van eer, er was geene reden om zich ongerust te maken. Maar mijnheer Dombey …Florence gaf plotseling een gil. Hij zag niet naar haar, maar naar Edith. Edith stelde haar gerust.Zijgaf geen kreet van droefheid en schrik. Neen, zeker niet.Dombey had bij het rijden een ongeluk gekregen. Zijn paard was uitgegleden en had hem afgeworpen.Florence riep met woesten angst, dat hij zeker zwaar gekwetst, dat hij dood was!Neen. Op zijne eer, mijnheer Dombey, hoewel eerst bedwelmd, was spoedig bijgekomen, en hoewel inderdaad gekwetst, was in geen gevaar. Als dit de waarheid niet was, zou hij, de bedroefde indringer, nooit den moed gehad hebben om zich voor mevrouw Dombey te vertoonen. Het was inderdaad de waarheid, verzekerde hij haar plechtig.Dit alles zeide hij alsof hij Edith en niet Florence antwoordde, en met zijne oogen en zijn glimlach op Edith gevestigd.Daarna verhaalde hij haar waar Dombey lag, en verzocht dat er een rijtuig tot zijne beschikking mocht gesteld worden om hem naar huis te brengen.“Mama,” stamelde Florence schreiend, “als ik durfde gaan!”Carker, die, terwijl hij deze woorden hoorde, zijne oogen op Edith had, gaf haar een geheimen blik en schudde even zijn hoofd. Hij zag hoe zij met zich zelve streed, eer zij hem met hare schoone oogen antwoordde; maar hij ontwrong haar toch dat antwoord—hij toonde haar dat hij het wilde hebben; of dat hij hardop zou spreken en Florence het hart doorgrieven—en zij gaf het hem. Evenals hij des morgens de schilderij had aangezien, zoo zag hij naderhand haar aan, toen zij hare oogen afwendde.“Ik moet verzoeken,” zeide hij, “dat de nieuwe huishoudster—mevrouw Pipchin heet zij, geloof ik …”Niets ontging hem. Hij zag terstond dat het eene andere beleediging was die Dombey zijne vrouw had aangedaan.“Onderricht mag worden, dat mijnheer Dombey verlangt dat er een bed voor hem gereedgemaakt worde in zijne eigene kamer beneden, daar hij datapartementboven alle andere verkiest. Ik zal bijna onmiddellijk naar mijnheer Dombey terugkeeren. Dat er alle mogelijke zorg voor hem is en wordt gedragen, mevrouw, behoef ik u niet te verzekeren. Laat ik nog eens mogen zeggen, er is geene reden voor de minste bekommering. Zelfs gij moogt volkomen gerust wezen, geloof mij.”Hij ging buigend heen, met de grootst mogelijke vertooning van eerbied en vriendelijkheid; en toen hij nog eens naar Dombey’s kamer was geweest, en daar had afgesproken dat hem eene koets naar deCityzou worden nagezonden, steeg hij weder te paard en reed langzaam daarheen. Hij was zeer nadenkend onder het rijden, en zeer nadenkend terwijl hij in deCitywachtte, en zeer nadenkend in de koets onderweg naar de plaats waar hij Dombey gelaten had. Het was eerst toen hij bij de legerstede van dien heer zat, dat hij weder naar zich zelven begon te gelijken en toonde dat hij tanden had.Tegen schemeravond werd Dombey, zeer stijf en vol pijn, in de koets geholpen, en met mantels en kussens gesteund op de eene bank gezet,[300]terwijl zijn vertrouwde gelastigde hem op de andere bank gezelschap hield. Daar hij niet geschokt mocht worden, reed men weinig harder dan stapvoets, en zoo was het geheel donker eer hij thuis werd gebracht. Mevrouw Pipchin, stuursch en spijtig en nooit de mijnen vanPerukunnende vergeten, gelijk het huishouden maar al te wel wist, ontving hem aan de deur en verfrischte de dienstboden met een gesprenkel van woorden-azijn, terwijl zij hem naar zijne kamer hielpen dragen. Carker bleef bij hem tot hij veilig in bed lag, en daar de zieke geen ander vrouwelijk bezoek wilde ontvangen dan dat zijner huishoudster, begaf hij zich nog eens naar mevrouw Dombey, om haar bericht van den toestand des lijders te brengen.Wederom vond hij Edith met Florence alleen, en wederom richtte hij zijne geheele troostende aanspraak tot Edith, alsof zij door den teedersten angst werd gemarteld. Zoo ernstig was zijn eerbiedig medelijden, dat hij bij het afscheidnemen waagde—met nog een blik naar Florence op het oogenblik—hare hand te vatten en die met zijne lippen aan te raken.Edith trok hare hand niet terug, en gaf er hem geen slag mede in het effene gezicht, ondanks den gloed op hare wangen en het flikkerende licht in hare oogen. Maar toen zij alleen op hare kamer was, sloeg zij die hand tegen den marmeren schoorsteenmantel, zoodat zij van dien eenen slag gekneusd werd en bloedde, en hield ze van haar af, naar het vuur, als had zij ze wel daarin willen steken en verbranden.Tot laat in den nacht zat zij bij het uitgebrande vuur, in donkere, dreigende schoonheid, naar de zwarte schaduwen op den muur ziende, alsof hare gedachten tastbare lichamen waren, en die schaduwen daar wierpen. Welke vormen van beleediging en smaad, en van dingen die mogelijk konden gebeuren, ook onduidelijk en reusachtig voor haar flikkerden, het was ééne hatelijke gedaante die ze tegen haar in de wapens bracht. En die gedaante was haar echtgenoot.
Niet meer met de zwarte afleggertjes en den flaphoed van kapitein Cuttle uitgedost, maar met eene nieuwe bruine livrei gekleed, die, terwijl zij zeer stemmig moest schijnen te zijn, inderdaad zoo opzichtig deftig was, als een kleermaker er een kon maken, was Rob de Slijper, naar den uitwendigen mensch aldus herschapen, en naar den inwendigen geheel onverschillig voor den kapitein en den adelborst, behalve wanneer hij, met eene toejuichende fanfare van dat koperen instrument, zijn geweten, zich verlustigde in de gedachte, hoe hij deze twee (in zijne verbeelding onafscheidbaar) den zak had gegeven, thans bij zijn beschermer Carker in dienst. Medebewoner van Carker’s huis en als zijn lijfknecht werkzaam, hield Rob met vreezen en beven zijne oogen op de witte tanden gevestigd, en gevoelde dat hij ze waarlijk wel wijder dan ooit mocht openzetten.
Hij kon niet sterker door geheel zijn wezen voor die tanden gebeefd hebben, al was hij in den dienst van een machtig toovenaar gekomen, en al waren die tanden zijne krachtigste toovermiddelen geweest. De jongen had een gevoel van de macht en het gezag van zijn patroon, dat al zijne aandacht gespannen hield en hem tot blinde onderwerping en gehoorzaamheid noopte. Hij durfde zelfs, als hij niet bij hem was, nauwelijks over hem denken, eenigszins vreezende dat hij dan weder dadelijk bij de keel zou gepakt worden, gelijk op den ochtend hunner eerste kennismaking, en dat elke tand de geheimen van zijn gemoed zou doorgronden. Onder de oogen van zijn meester, twijfelde hij evenmin dat Carker zijne geheimste gedachten las, of lezen kon indien hij wilde, als hij er aan twijfelde of deze hem zag als hij hem aankeek. Zoo groot was die invloed, dat de knaap bijna geheel niet durfde denken, maar met eene nevelachtige voorstelling van zijn meesters onweerstaanbare macht over hem, en zijn vermogen om alles met hem te doen wat hij wilde, naar zijne wenken stond te wachten en zijne bevelen poogde te voorkomen, geheel suf en stomp voor alle andere dingen.
Rob had het met zich zelven niet uitgemaakt—in zijn gemoedstoestand zou het reeds eene groote vermetelheid zijn geweest er naar te vragen,—of hij zich zoo volkomen aan dien invloed overgaf, dewijl hij vermoedde dat zijn beschermer een meester was in zekere verraderlijke kunsten, waarin hij zelf op de Slijpersschool een beginnend leerling was geweest. Zeker is het dat Rob hem bewonderde zoowel als vreesde. Carker was misschien beter bekend met de bronnen zijner macht en verzuimde niets om die te bevestigen.
Op denzelfden avond toen Rob den dienst des kapiteins verliet, was hij, na zijne duiven verkocht en in zijne haast zelfs eene slechte negotie gedaan te hebben, recht naar Carker’s huis gegaan, en was hij met een gloeiend gezicht, dat eene lofspraak scheen te verwachten, voor zijn nieuwen meester verschenen.
“Zoo, deugniet!” zeide Carker, naar zijn pakje ziende. “Zijt gij uit uw dienst geloopen, en komt ge nu naar mij toe?”—“O, als je blieft, mijnheer,”[293]stotterde Rob, “gij hebt immers gezegd, toen ik laatst hier was …”—“Ikgezegd?” hervatte Carker. “Wat heb ik gezegd?”—“Als je blieft, mijnheer, gij hebt niemendal gezegd, mijnheer,” antwoordde Rob, door den toon der vraag gewaarschuwd, en zeer onthutst.
Zijn patroon keek hem aan, liet zijn tandvleesch zien, schudde zijn voorvinger en zeide:
“Gij zult aan een slecht eind komen, mijn losbandige vriend, dat voorzie ik. Gij zult in uw ongeluk loopen.”—“Och neen, mijnheer, als je blieft!” barstte Rob uit, terwijl zijne beenen onder hem beefden. “Waarachtig, mijnheer, ik wil niets anders dan voor u werken, en u bedienen, en trouw doen wat mij belast wordt, mijnheer.”—“Het is u ook maar geraden om trouw te doen wat u belast wordt, als gij met mij te maken hebt,” antwoordde zijn patroon.—“Ja, dat weet ik wel, mijnheer,” zeide de onderdanige Rob hierop. “Daar ben ik wel zeker van, mijnheer. Als ge maar zoo goed wilt zijn om mij te probeeren, mijnheer. En als gij er mij ooit op betrapt, mijnheer, dat ik iets tegen uw zeggen doe, moogt ge mij vrij doodslaan.”—“Gij rekel!” zeide Carker, in zijn stoel achteroverleunende en hem vergenoegd glimlachend aanziende: “dat is nog niets bij wat ik u doen zou, als gij het hart hadt om mij te willen bedriegen.”—“Ja, mijnheer,” antwoordde de benauwde Slijper, “ik weet wel dat ge mij iets vreeselijks zoudt doen, mijnheer. Ik zou het ook niet probeeren, mijnheer, al wilde men mij met goud omkoopen.”
Geheel te leur gesteld in zijne verwachting van eene lofspraak, bleef de onthutste Slijper zijn beschermer staan aanzien, en poogde vruchteloos hem niet aan te zien, met dezelfde ongerustheid welke een hond dikwijls in dergelijke omstandigheden aan den dag legt.
“Dus hebt gij uw ouden dienst verlaten, en komt hier vragen of ik u in mijn dienst wil nemen, he?” zeide Carker.—“Ja, als je blieft, mijnheer,” antwoordde Rob, die wat hij gedaan had op eigen last van zijn patroon had gedaan, maar zich niet durfde rechtvaardigen door de geringste aanduiding daarvan.—“Wel!” zeide Carker. “Gij kent mij, jongen?”—“Ja, mijnheer, als je blieft,” antwoordde Rob, zijn hoed in het rond draaiende, en nog door Carker’s oogen geboeid, waarvan hij zich vruchteloos poogde los te rukken.
Carker knikte. “Pas op, dan.”
Rob gaf door een aantal snelle buigingen zijn levendig begrip van deze waarschuwing te kennen, en wilde zoo buigende naar de deur gaan, zeer verlicht door het vooruitzicht om maar daarbuiten te komen, toen zijn patroon hem stuitte.
“Holla!” zoo riep hij met eene grove stem terug. “Gij zijt—doe die deur toe!”
Rob gehoorzaamde alsof zijn leven van zijne vlugheid afhing.
“Gij zijt aan het spionneeren en luisteren gewoon, niet waar?”—“Hier zou ik zoo iets nooit doen, mijnheer,” antwoordde Rob, “op mijn woord van eer, dat zou ik niet. Ik zou het voor de geheele wereld niet durven, of het moest mij belast worden, mijnheer.”—“Dat zou u ook niet geraden zijn. Gij zijt ook aan babbelen en overpraten gewoon,” zeide zijn patroon, met de grootste koelbloedigheid. “Pas hier daarop, of ge zijt een verloren schobbejak,” en wederom glimlachte hij en waarschuwde hij met zijn voorvinger.
De Slijper voelde zijne ademhaling beklemd. Hij wilde zijne welmeenende gezindheid betuigen, maar kon den glimlachenden heer slechts aanstaren met eene botte onderdanigheid, waarmede de glimlachende heer tamelijk weltevreden scheen; want na den knaap nog eene poos stilzwijgend te hebben aangezien, beval hij hem om naar beneden te gaan, en zeide dat hij hem in zijn dienst zou houden.
Dit was de manier waarop Rob de Slijper door Carker tot lijfknecht werd aangenomen; en met elke minuut van zijn dienst werd zijn ontzag voor dezen heer, zoo mogelijk, nog grooter.
Die dienst had eenige maanden geduurd, toen Rob op zekeren morgen het tuinhek voor Dombey opendeed, die volgens afspraak bij zijn meester kwam ontbijten. Op hetzelfde oogenblik kwam zijn meester zelf naar buiten snellen om zijn geëerden gast te ontvangen en met al zijne tanden te verwelkomen.
“Ik had waarlijk nooit gedacht u eens hier te zien,” zeide Carker, terwijl hij Dombey van het paard hielp stappen. “Dit is een uitstekende dag in mijn almanak. Geen bezoek heeft veel bijzonders voor een man als gij, die alles kan doen wat hij wil, maar voor een man als ik is het geheel anders.”—“Gij hebt hier een met smaak aangelegd buitentje, Carker,” zeide Dombey, zich verwaardigende om voor het grasperk te blijven stilstaan en rond te zien.—“Dat belieft u zoo te zeggen,” antwoordde Carker. “Wel verplicht.”—“Waarlijk,” zeide Dombey met zijne deftige minzaamheid, “dat zou iedereen moeten zeggen. Zoover het gaat schijnt het zeer gemakkelijk en goed ingericht—wezenlijk elegant.”—“Zoover het gaat inderdaad,” antwoordde Carker, met nederigheid. “Dat moet er bij gezegd worden. Nu, wij hebben er genoeg van gezegd; en schoon het eene goedheid van u is dat gij het prijst, ben ik u niet minder dankbaar. Wilt gij binnengaan?”
Toen Dombey het huis binnenging, lette hij, gelijk hij wel doen mocht, op de keurige inrichting der kamers, en de talrijke kleine zorgen voor gemak en sieraad. Carker nam, met zijne pralende nederigheid, deze complimenten[294]met een benepen glimlach aan, en zeide dat hij de kieschheid daarvan begreep en waardeerde, maar dat het buitentje voor hem goed genoeg was—beter, misschien, hoe gering het ook was, dan iemand als hij moest bewonen.
“Maar misschien vertoont het zich voor u, die zoover daarboven zijt, beter dan het werkelijk is,” zeide hij, met zijn valschen mond zoo breed mogelijk uitgerekt. “Evenals een vorst zich iets bekoorlijks in het leven van een bedelaar voorstelt.”
Dit zeggende vestigde hij een scherpen blik op Dombey, en een nog scherper, met een scherpen glimlach gepaard, toen Dombey, zich voor het vuur plantende, in de houding, die door zijn eersten dienaar zoo dikwijls werd nagebootst, naar de schilderijen aan den wand rondkeek. Terwijl zijne koude oogen vluchtig daarover heengleden, ging Carker’s scherpe blik mede, en lette hij nauwkeurig op, waar die oogen bleven en wat zij zagen. Toen zij vooral op eene schilderij bleven rusten, scheen Carker nauwelijks adem te halen, zoo katachtig waakzaam was zijn zijdelings loeren; maar de oogen van den grooten man gleden er over heen, gelijk over de andere schilderijen en schenen er even weinig een indruk van te behouden.
Carker zag er naar—het was de schilderij die naar Edith geleek alsof zij leefde; en er verscheen een stille, boosaardige lach op zijn gezicht, die gedeeltelijk op de schilderij scheen te doelen, hoewel hij eigenlijk den grooten man bespotte die zoo onergdenkend naast hem stond. Weldra stond het ontbijt op de tafel; en Dombey een stoel aanbiedende, welke met den rug naar die schilderij stond, zette hij zich volgens gewoonte er vlak tegenover.
Dombey was ernstiger dan gewoonlijk, en zeer stil. De papegaai, in den vergulden hoepel in zijne prachtige kooi schommelende, poogde vruchteloos aandacht te trekken; want Carker lette te zeer op zijn gast, om aan den papegaai te denken; en de gast, in verstrooid gepeins, keek strak, om niet te zeggen stuursch, over zijne stijve das, zonder zijne oogen van het tafellaken op te slaan. Wat Rob, die bleef bedienen, betrof, al zijne zinnen en vermogens werden zoozeer door zijn meester geboeid, dat hij nauwelijks een oogenblik durfde geven aan de gedachte, dat die gast de groote heer was, voor wien hij eens in zijne kindsheid als getuige van den gezondheidstoestand zijner familie was verschenen, en aan wien hij zijn lederen broekje had te danken gehad.
“Mag ik zoo vrij zijn om te vragen hoe mevrouw Dombey vaart?” zeide Carker eensklaps.
Bij deze vraag leunde hij dienstvaardig voorover, met de kin op de hand steunende, en te gelijk sloeg hij zijne oogen naar de schilderij op, als wilde hij zeggen: “Zie nu, hoe ik hem bij den neus zal leiden.”
Dombey werd rood terwijl hij antwoordde:
“Mevrouw Dombey vaart zeer wel. Gij herinnert mij, Carker, aan iets waarover ik met u wilde spreken.”—“Robin, gij kunt heengaan,” zeide zijn meester, wiens zachte stem Robin deed schrikken en verdwijnen, met de oogen tot het laatste toe op zijn patroon gevestigd. “Gij herinnert u dien jongen natuurlijk nog wel?” vervolgde hij, toen de onderdanige Slijper verdwenen was.—“Neen,” zeide Dombey, met verhevene onverschilligheid.—“Niet waarschijnlijk dat een man als gij dat doen zou. Bijna niet mogelijk,” prevelde Carker. “Maar hij is uit het huishouden waaruit gij eens eene min hebt genomen. Misschien kunt gij u herinneren, dat gij u grootmoedig met zijne opvoeding hebt belast?”—“Is dat die jongen?” zeide Dombey, zijne wenkbrauwen samentrekkende. “Hij doet zijne opvoeding weinig eer aan, geloof ik.”—“Ja, hij is een deugniet, vrees ik,” antwoordde Carker, de schouders ophalende. “Daar heeft hij ten minste den naam van. Maar om de waarheid te zeggen, ik heb hem in dienst genomen, omdat hij, toen hij buiten betrekking was, zich verbeeldde (men zal hem dat zeker thuis geleerd hebben) dat hij eene soort van aanspraak op u had, en gedurig beproefde u met zijn verzoek na te loopen. En hoewel mijne bepaalde en erkende betrekking met uwe aangelegenheden alleen tot het kantoor beperkt is, heb ik toch zooveel onwillekeurige belangstelling voor alles wat u aangaat, dat …”
Hij zweeg weder, als ware het om te ontdekken of hij Dombey al ver genoeg had gebracht. En wederom wierp hij, met de kin op de hand, een loerenden blik naar de schilderij.
“Carker,” zeide Dombey, “ik weet wel, gij beperkt uwe …”—“Dienstvaardigheid,” gaf zijn glimlachende gastheer hem in bedenking.—“Neen, ik zeg liever toegenegenheid,” zeide Dombey, zeer wel gevoelende dat hij, door zoo te zeggen, een vleiend compliment maakte, “uwe toegenegenheid niet tot onze betrekking door kantoorzaken. Dat gij in de geringe bijzonderheid, waarvan gij zoo even gesproken hebt, mijn gevoel—mijne hoop en mijne teleurstelling—zoo ontziet, is een bewijs daarvan. Ik ben u verplicht, Carker.”
Carker boog zeer langzaam zijn hoofd, en wreef zeer zacht zijne handen, als vreesde hij door eenige beweging Dombey’s vertrouwelijkheid in haar loop te storen.
“Dat gij daarvan spreekt komt juist van pas,” hervatte Dombey, na eene geringe aarzeling, “want het is eene voorbereiding voor datgene wat ik u begonnen was te zeggen, en herinnert mij dat daardoor eigenlijk geene geheel nieuwe betrekkingen tusschen ons zullen ontstaan, hoewel er misschien van mijn kant een grooter persoonlijk vertrouwen bij zal plaats[295]hebben, dan ik tot nog toe …”—“Dan waarmee gij mij tot nog toe vereerd hebt,” viel Carker er op in, wederom zijn hoofd buigende. “Ik wil niet zeggen hoe vereerd ik daarmede ben; want een man als gij weet wel hoeveel eer hij in zijne macht heeft naar believen te bewijzen.”—“Mevrouw Dombey en ik,” het compliment met statige zelfverloochening ter zijde latende, “komen in sommige punten niet geheel overeen. Wij schijnen elkander nog niet te verstaan. Mevrouw Dombey heeft nog iets te leeren.”—“Mevrouw Dombey onderscheidt zich door vele zeldzame bekoorlijkheden, en is zonder twijfel aan veel vleierij gewoon,” zeide de slimme waarnemer van elken blik en toon. “Maar waar genegenheid, achting en ontzag bestaan, worden kleine vergissingen, uit zulke oorzaken ontsproten, gemakkelijk te recht gebracht.”
Onwillekeurig vlogen Dombey’s gedachten terug naar het gezicht dat hem in de kamer zijner vrouw had aangezien, toen eene gebiedende hand naar de deur werd uitgestrekt; en zich herinnerende hoeveel genegenheid, achting en ontzag dit uitdrukte, voelde hij het bloed naar zijn eigen gezicht stijgen, even duidelijk als de waakzame oogen, die hem waarnamen, het zagen.
“Mevrouw Dombey en ik,” zeide hij, “hadden, voor mevrouw Skewton’s dood, eene woordenwisseling over de redenen van mijn ongenoegen, waarvan gij u wel een algemeen begrip zult kunnen vormen, daar gij getuige zijt geweest van hetgeen er tusschen mevrouw Dombey en mij is voorgevallen op dien avond toen gij bij ons—bij mij aan huis waart.”—“Toen het mij speet dat ik tegenwoordig was,” zeide de glimlachende Carker. “Hoe trotsch een man in mijne positie natuurlijk wezen moest op uw gemeenzamen omgang—schoon ik dat bij u niet mag rekenen, want gij kunt alles doen wat gij wilt, zonder uw rang te verliezen—en zoo vereerd als ik was door zoo vroeg aan mevrouw Dombey gepresenteerd te worden, eer zij nog zoo hoog verhoogd werd door het verkrijgen van uw naam, speet het mij dien avond toch bijna, verzeker ik u, dat ik zulk een buitengewoon geluk had gehad.”
Dat het iemand onder eenige mogelijke omstandigheden kon spijten door zijne minzaamheid en goedheid onderscheiden te worden, was een moreel verschijnsel, dat Dombey niet kon begrijpen. Hij antwoordde dus, en werd daarbij nog vrij wat statiger dan anders: “Inderdaad. En waarom, Carker?”—“Ik vrees,” antwoordde zijn vertrouwde, “dat mevrouw Dombey, nooit zeer gezind om mij met gunstige belangstelling te beschouwen—iemand in mijne positie kon dat niet verwachten van eene dame die trotsch van karakter is, en wie hare trotschheid zoo goed staat—mij niet licht mijn onschuldig aandeel aan dat gesprek zal vergeven. Uw ongenoegen is geene beuzeling, moet gij bedenken; en dat in het bijzijn van een derden te moeten ondervinden …”—“Carker,” zeide Dombey laatdunkend, “mij dunkt dat ik het eerst in aanmerking behoor te komen?”—“O, kan daaraan getwijfeld worden?” zeide de ander, met het ongeduld van iemand die eene algemeen bekende, onbetwistbare waarheid toestemt.—“Mevrouw Dombey komt eerst naderhand in aanmerking, als het om ons beiden te doen is, verbeeld ik mij,” zeide Dombey. “Is dat zoo niet?”—“Zeker is het zoo,” antwoordde Carker. “Gij weet beter dan iemand, dat gij zoo iets niet behoeft te vragen.”—“Dan hoop ik, Carker,” zeide Dombey, “dat uw spijt over het beloopen van mevrouw Dombey’s ongenoegen bijna zal worden opgewogen door uw genoegen over het behouden vanmijnvertrouwen enmijnegoede meening.”—“Ik heb dus het ongeluk, naar ik vind, van mij dat ongenoegen berokkend te hebben,” hervatte Carker. “Mevrouw Dombey heeft u dat gezegd?”—“Mevrouw Dombey heeft verschillende meeningen te kennen gegeven,” antwoordde Dombey, met statige koelheid en onverschilligheid, “waarin ik niet deel, en van welke ik niet genegen ben te spreken of mij te herinneren. Ik heb mevrouw Dombey eenigen tijd geleden bekend gemaakt, gelijk ik reeds gezegd heb, met zekere punten van huiselijke beleefdheid en ondergeschiktheid, waarop ik het noodig achtte aan te dringen. Het is mij niet gelukt mevrouw Dombey te overtuigen van het raadzame om haar gedrag, met het oog op haar eigen genoegen en welzijn en op mijne waardigheid, in die opzichten terstond te veranderen, en ik heb mevrouw Dombey onderricht dat ik, indien ik het noodig mocht achten haar wederom waarschuwingen of vermaningen te geven, haar mijne meening door u, mijn vertrouwden gelastigde, zou doen te kennen geven.”
Gemengd met den blik, dien Carker op hem vestigde, was een duivelachtige blik naar de schilderij boven zijn hoofd, die als een bliksemstraal daarheen vloog.
“Nu, Carker,” zeide Dombey, “maak ik geen bezwaar om u tezeggen, dat ik mijn wilwildoorzetten. Ik wil niet met mij laten beuzelen. Mevrouw Dombey moet begrijpen dat mijn wil wet is en dat ik op den regel van geheel mijn leven geene uitzondering kan veroorloven. Gij zult de goedheid hebben om dezen last op u te nemen, die, daar zij van mij komt, u niet onaangenaam zal zijn, hoop ik, hoeveel spijt gij ook uit beleefdheid moogt betuigen—waarvoor ik u voor mevrouw Dombey verplicht ben; en gij zult wel de goedheid hebben, ben ik overtuigd, om u daarvan te kwijten, evenals van iedere andere commissie.”—“Gij weet,”[296]antwoordde Carker, “dat ge mij maar te bevelen hebt.”—“Ik weet,” zeide Dombey, majestueus toestemmende, “dat ik u maar te bevelen heb. Het is noodig dat ik hiermede voortga. Mevrouw Dombey is eene dame, in vele opzichten ten hoogste geschikt, zonder twijfel, om …”—“Om zelfs uwe keus tot eer te strekken,” gaf Carker in bedenking, vleiend al zijne tanden toonende.—“Ja; als het u belieft dien vorm van uitdrukking te bezigen,” zeide Dombey, op zijn staatsie-toon; “en voor het tegenwoordige meen ik niet, dat mevrouw Dombey die keus zoozeer tot eer strekt als wel zou behooren. Mevrouw Dombey heeft een geest van oppositie, die uitgeroeid moet worden, die gefnuikt moet worden. Mevrouw Dombey schijnt niet te begrijpen,” zeide Dombey met nadruk, “dat het denkbeeld van oppositie tegen mij iets gedrochtelijks en ongerijmds is.”—“Wij in deCitykennen u beter,” zeide Carker met een glimlach van oor tot oor.—“Gij kent mij beter,” zeide Dombey. “Dat hoop ik. Schoon ik verplicht ben mevrouw Dombey zooveel recht te doen om te zeggen, dat, hoe onbestaanbaar dit ook schijnen mag met haar volgend gedrag (dat onveranderd blijft), toen ik haar eenigszins gestreng mijne afkeuring en mijn voornemen te kennen gaf, bij die gelegenheid waarvan ik gesproken heb, mijne vermaning een zeer krachtigen indruk scheen te maken.” Dombey sprak deze woorden met allergeduchtste statigheid uit. “Ik wenschte dus dat gij de goedheid hadt, Carker, om mevrouw Dombey van mij te onderrichten, dat ik haar ons vroeger gesprek in het geheugen moet roepen, met eenige verwondering dat het nog geen gevolg heeft gehad. Dat ik er op moet aandringen, dat zij haar gedrag richte naar den regel, dien ik haar in dat gesprek heb voorgeschreven. Dat ik niet met haar gedrag tevreden ben. Dat ik er ten hoogste misnoegd over ben. En dat ik mij in de zeer onaangename noodzakelijkheid zal bevinden om u tot brenger van nog meer onwelkome en omstandige mededeelingen te maken, als zij geen gezond verstand en gevoel van welvoegelijkheid genoeg heeft om zich aan mijne wenschen te onderschikken, gelijk de eerste mevrouw Dombey deed, en ik geloof er te mogen bijvoegen, gelijk elke andere dame in hare plaats zou doen.”—“De eerste mevrouw Dombey leefde zeer gelukkig,” zeide Carker.—“De eerste mevrouw Dombey had veel gezond verstand,” zeide Dombey, met fatsoenlijke verschooning voor eene doode, “en gevoel van welvoegelijkheid.”—“Gelijkt jonge jufvrouw Dombey naar hare moeder, denkt gij?” zeide Carker.
Snel betrok Dombey’s gezicht. Zijn vertrouwde zag hem scherp waarnemend aan.
“Ik heb een pijnlijk onderwerp aangeroerd,” zeide hij, op een zachten meewarigen toon, onvereenigbaar met zijne gretige oogen. “Ik bid u, vergeef het mij. Mijne belangstelling doet mij het verband van die herinneringen vergeten. Ik bid u, vergeef het mij.”
Maar hoewel hij zoo sprak, bleven zijne gretige oogen Dombey’s neergeslagen gezicht waarnemen, en daarna schoten zij een vreemden, zegevierenden blik naar de schilderij, als riepen zij deze tot getuige hoe hij hem bij den neus leidde en wat er nu komen zou.
“Carker,” zeide Dombey, hier en daar op de tafel ziende, en haastiger met eene eenigszins veranderde stem sprekende, terwijl zijne lippen ook bleeker schenen. “Gij behoeft u niet te verontschuldigen. Gij vergist u. Ik denk aan de zaak die wij voor ons hebben, en aan geene herinneringen, gelijk gij meent. Ik ben niet tevreden met mevrouw Dombey’s gedrag ten opzichte van mijne dochter.”—“Verschooning,” zeide Carker. “Ik begrijp u niet recht.”—“Gij moet dan begrijpen,” antwoordde Dombey, “dat gij daarover uit mijn naam ronduit met mevrouw Dombey kunt spreken—zult spreken, als het u belieft. Gij zult zoo goed zijn om haar te zeggen, dat hare vertooning van bijzondere genegenheid voor mijne dochter mij onaangenaam is. Dit is geschikt om aandacht te trekken. Het is geschikt om de menschen tot vergelijking te brengen tusschen mevrouw Dombey in hare verhouding tot mijne dochter, en mevrouw Dombey in hare verhouding tot mij. Gij zult zoo goed zijn om mevrouw Dombey duidelijk te doen verstaan, dat ik dit afkeur, en dat ik verwacht dat zij dadelijk aan mijne bezwaren in dat opzicht zal gehoor geven. Het mag mevrouw Dombey ernst wezen, of het mag maar eene gril van haar zijn, of het mag haar oogmerk zijn mij daarmede te dwarsboomen, in allen gevalle keur ik het af. Als mevrouw Dombey het ernstig meent moet zij zooveel te minder onwillig zijn om het na te laten; want zij zal mijne dochter door zulk eene vertooning geen dienst doen. Als mijne vrouw zachtaardigheid en vriendelijkheid te veel heeft, boven en behalve hare behoorlijke onderworpenheid aan mij, mag zij die, misschien, toonen aan wie zij wil; maar ik wil eerst onderworpenheid hebben.—Carker” zeide Dombey, de buitengewone aandoening smorende, waarmede hij gesproken had, en een toon aannemende meer gelijk aan dien waarmede hij gewoon was zijne grootheid te doen gelden, “gij zult wel zoo goed zijn om dit punt niet over te slaan of in de schaduw te houden, maar het is als een zeer gewichtig gedeelte van uwe instructie te beschouwen.”
Carker boog zijn hoofd en stond van de tafel op. Peinzend voor het vuur staande, met de hand aan zijne gladde kin, keek hij op Dombey neer met de boosaardige slimheid van een middeleeuwsch beeldsnijwerk, half mensch half dier, of een grijnzend gezicht aan eene ouderwetsche[297]gootpijp. Dombey, langzamerhand zijne bedaardheid herkrijgende, of zijne aandoening smorende met de gedachte dat hij nu eene verhevene positie had genomen, zat trapsgewijze weder op te stijven, en keek naar den papegaai, die in zijn grooten trouwring hing te slingeren.
“Dombey,” zegt neef Feenix, “bij mijne ziel, het treft mij zeer u bij zulk eene droevige gelegenheid te zien.” (blz. 291).“Dombey,” zegt neef Feenix, “bij mijne ziel, het treft mij zeer u bij zulk eene droevige gelegenheid te zien.”(blz. 291).
“Dombey,” zegt neef Feenix, “bij mijne ziel, het treft mij zeer u bij zulk eene droevige gelegenheid te zien.”(blz. 291).
“Neem mij niet kwalijk,” zeide Carker, na eene poos van stilte, zich eensklaps weder op zijn stoel zettende, en dien tegenover Dombey schuivende, “maar laat ik u wel begrijpen. Mevrouw Dombey draagt kennis van de waarschijnlijkheid dat ik het orgaan van uw ongenoegen zal zijn?”—“Ja,” antwoordde Dombey “dat weet zij.”—“Ja wel,” hervatte Carker. “Maar waarom weet zij dat?”—“Waarom?” herhaalde Dombey, niet zonder aarzeling. “Omdat ik het haar gezegd heb.”—“Ja wel,” zeide Carker wederom. “Maar waarom hebt gij haar dat gezegd? Gij ziet wel,” vervolgde hij, met een glimlach, en zijne fluweelen hand op Dombey’s arm leggende, gelijk eene kat hare ingetrokken klauwen had kunnen doen, “als ik volkomen begrijp wat gij bedoelt, is het des te waarschijnlijker dat ik nuttig zal kunnen zijn en het geluk hebben om u wezenlijk dienst te doen. Ik geloof dat ik u begrijp. Ik heb de eer niet dat mevrouw Dombey eene goede meening van mij heeft. In mijne positie heb ik wel geene reden om dat te verwachten; maar ik houd het er nu maar zoo voor, dat zij geene goede meening van mij heeft.”—“Misschien wel niet,” zeide Dombey.—“Bij gevolg,” hervatte Carker, “zal het deze dame bijzonder ongevallig zijn, dat gij haar door mij deze boodschap zendt?”—“Het komt mij voor,” zeide Dombey, met trotsche stijfheid, maar toch met zekere verlegenheid, “dat mevrouw Dombey’s gedachten van de zaak tusschen u en mij eigenlijk niet in aanmerking behoefden te komen, Carker. Maar het kan toch wel zoo zijn.”—“En—neem mij niet kwalijk—begrijp ik u verkeerd,” zeide Carker, “als ik denk dat gij daarin een geschikt middel vindt om mevrouw Dombey’s trots te vernederen—ik gebruik het woord trots om eene hoedanigheid aan te duiden, die, in behoorlijke perken gehouden, eene dame, zoo uitstekend door schoonheid en talenten, tot eer en sieraad strekt—en, ik wil niet zeggen haar te straffen, maar om haar tot die onderworpenheid te brengen, die gij zoo natuurlijk en billijk van haar vordert?”—“Ik ben niet gewoon, Carker, gelijk gij wel weet,” zeide Dombey, “om zulke omstandige redenen te geven voor iets dat ik voegzaam acht te doen; maar ik wil toch niets daarvan[298]tegenspreken. Indien gij een daarop gegrond bezwaar hebt, zoo is dat geheel iets anders, en het enkele zeggen dat gij zulk een bezwaar hebt zal voldoende zijn. Maar ik heb niet gedacht, moet ik bekennen, dat een vertrouwelijke last, dien ik u opdroeg, u zou kunnen vernederen …”—“O,ikvernederd!” riep Carker uit. “Inuwdienst!”—“Of u in eene valsche positie zou kunnen plaatsen,” vervolgde Dombey.—“Ikin eene valsche positie!” riep Carker wederom uit. “Ik zal er trotsch op zijn—verrukt over zijn—als ik aan uw vertrouwen mag beantwoorden. Ik had wel kunnen wenschen, moet ik bekennen, dat ik de dame, aan wier voeten ik mijne nederige hulde zou willen neerleggen—want is zij uwe vrouw niet!—geene nieuwe reden van ongenoegen behoefde te geven; maar een wensch van u gaat natuurlijk alle andere bedenkingen te boven. Buitendien, wanneer mevrouw Dombey van die kleine dwalingen in haar oordeel is teruggekomen, die, als ik zoo zeggen durf, bijna onvermijdelijk met het nieuwe van hare omstandigheden gepaard moeten gaan, hoop ik dat zij in het geringe deel,dat ik aan de zaak genomen heb, slechts een greintje—mijn ver verwijderde kring geeft weinig gelegenheid voor meer—van mijn eerbied voor u en mijne opoffering van alle andere bedenkingen voor u, zal opmerken, waarvan het haar voorrecht en genoegen zal zijn, dagelijks een schat van blijken te geven.”
Dombey scheen haar op dat oogenblik wederom te zien, met hare uitgestrekte hand naar de deur wijzende, en in de zoetvoerige taal van zijn vertrouweling een weergalm van hare woorden te hooren: “Niets kan ons vreemder voor elkander maken dan wij voortaan zijn!” Maar hij zeide: “Zekerlijk; zonder twijfel.”—“Er is niets meer?” zeide Carker, zijn stoel weder naar zijne oude plaats schuivende—want zij hadden nog maar weinig van het ontbijt gebruikt—en op een antwoord wachtende eer hij weder ging zitten.—“Niets behalve dit,” zeide Dombey. “Gij zult wel zoo goed zijn om op te merken, Carker, dat geene boodschap, waarmede gij aan mevrouw Dombey belast zijt, eenig antwoord toelaat. Gij zult wel zoo goed zijn om mij geen antwoord te brengen. Mevrouw Dombey is onderricht dat het mij niet voegt, met haar te temporiseeren of te onderhandelen over iets, waarover wij het niet eens mochten zijn, en dat, wat ik zeg, beslissend is.”
Carker gaf nog eens te kennen dat hij zijne taak begreep en aanvaardde, en zij gingen nog eens aan het ontbijt met zooveel trek als zij hadden. De Slijper, die weldra verscheen, hield ook wederom zijne oogen met eerbiedigen angst op zijn meester gevestigd. Na het ontbijt werd Dombey’s paard weder voorgebracht, Carker besteeg insgelijks het zijne, en zij reden te zamen naar de stad.
Carker was zeer vroolijk en praatte veel. Dombey hoorde hem aan met het vorstelijke voorkomen van iemand, die recht had om zich te laten onderhouden, en verwaardigde zich nu en dan eenige weinige woorden te spreken om het gesprek voort te zetten. Zoo reden zij eigenaardig genoeg met elkander voort. Maar Dombey reed in zijne deftigheid met zeer lange stijgbeugels en een zeer lossen teugel, en verwaardigde zich zeer zelden om te zien waar zijn paard de pooten zette. Ten gevolge daarvan gebeurde het dat Dombey’s paard, terwijl het vrij hard draafde, over eenige losse steenen struikelde, hem afsmeet, over hem heen rolde, en met de ijzeren hoeven in het rond spartelende om weder op te komen, hem een schop gaf.
Carker, vlug van oog, vast van hand en een goed ruiter, was dadelijk op den grond en trok het spartelende paard in een oogenblik bij de teugels overeind. Anders zou de vertrouwelijke mededeeling van dien morgen wel de laatste voor Dombey zijn geweest. Maar terwijl de drift van deze beweging zijne wangen nog kleurde, boog hij zich over zijn op den grond liggenden gebieder, en mompelde zoo bukkende: “Nuheb ik mevrouw Dombey goede reden gegeven om kwaad op mij te zijn, als zij het wist.”
Daar Dombey bewusteloos was en aan het hoofd en het gezicht bloedde, werd hij, op aanwijzing van Carker, door eenige werklieden naar de naaste herberg gebracht, die niet veraf was; en daar werd hij spoedig door verscheidene chirurgijns bezocht, die van alle kanten aankwamen en door een geheimzinnig instinct schenen gelokt te worden, evenals men zegt dat de gieren zich om een kameel verzamelen, die in de woestijn sterft. Na hem met eenige moeite weder tot bewustheid gebracht te hebben, onderzochten deze heeren zijne kwetsuren. Een chirurgijn, die dichtbij woonde, was sterk voor eene samengestelde beenbreuk, van welk gevoelen de kastelein insgelijks was; maar twee chirurgijns, die veraf woonden, en slechts toevallig in de nabijheid waren, bestreden deze meening met zooveel belangeloosheid, dat men eindelijk besliste, dat de patiënt, hoewel erg geschaafd en gekneusd, geene beenderen gebroken had behalve eene korte rib of zoo, en wel voorzichtig naar huis kon gebracht worden. Toen hij verbonden was, waarmede men lang werk had, en eindelijk lag te rusten, steeg Carker wederom te paard en reed heen om thuis bericht te brengen.
Listig en boosaardig als zijn gezicht zelfs op den besten tijd was, hoewel het, wat vorm en regelmatigheid van trekken betrof, een welgemaakt gezicht mocht heeten, stond het listiger en boosaardiger dan ooit; bezield door zijne[299]booze gedachten—veeleer gedachten aan verwijderde mogelijkheden dan plannen of raadslagen—reed hij alsof hij op eene menschenjacht was. Eindelijk de teugels aanhoudende, toen hij een meer bezochten weg bereikte, dwong hij zijn paard met witte pooten om, volgens gewoonte, zachtjes voort te trippelen, en verborg hij zich zelven zoo goed hij kon onder zijne kruiperige vriendelijkheid en zijn ivoren glimlach.
Hij reed recht naar Dombey’s huis, stapte voor de deur af, en verzocht mevrouw Dombey over eene zaak van gewicht te mogen spreken. De knecht, die hem in Dombey’s eigene kamer had gelaten, kwam spoedig terug om te zeggen dat het mevrouw Dombey’s uur niet was om bezoek te ontvangen, en verzocht hem het niet kwalijk te nemen dat hij dit niet dadelijk had gezegd.
Carker, die zich wel op eene koele ontvangst had voorbereid, schreef op een kaartje dat hij de vrijheid moest nemen om op een onderhoud aan te dringen, en niet zoo stout zou zijn om ditvoor de tweede maal(dit onderstreepte hij) te doen, als hij niet zeker wist dat de aanleiding voldoende was om hem te rechtvaardigen. Na eene korte poos wachtens, kwam mevrouw Dombey’s kamenier en bracht hem naar eene kamer boven, waar Edith en Florence bij elkander zaten.
Hij had Edith nooit voorheen half zoo schoon gevonden. Hoezeer hij ook de bekoorlijkheden van haar gelaat en hare gestalte bewonderde, en die nog versch in zijne zinnelijke herinnering lagen, had hij haar nog nooit half zoo schoon gevonden.
Haar blik was trotsch naar de deur gericht toen hij binnenkwam; maar hij zag naar Florence—hoewel slechts even, terwijl hij voor haar boog—en onwillekeurig duidde hij daarbij het gevoel der nieuwe macht aan, die hij bezat; en hij had het genoegen van te zien, dat Edith’s blik voor den zijnen zwichtte, en dat zij half opstond om hem te ontvangen.
Het speet hem zeer; hij kon niet zeggen hoe ongaarne hij kwam om haar op de tijding van een gering ongeluk voor te bereiden. Hij bad mevrouw Dombey om bedaard te blijven. Op zijn heilig woord van eer, er was geene reden om zich ongerust te maken. Maar mijnheer Dombey …
Florence gaf plotseling een gil. Hij zag niet naar haar, maar naar Edith. Edith stelde haar gerust.Zijgaf geen kreet van droefheid en schrik. Neen, zeker niet.
Dombey had bij het rijden een ongeluk gekregen. Zijn paard was uitgegleden en had hem afgeworpen.
Florence riep met woesten angst, dat hij zeker zwaar gekwetst, dat hij dood was!
Neen. Op zijne eer, mijnheer Dombey, hoewel eerst bedwelmd, was spoedig bijgekomen, en hoewel inderdaad gekwetst, was in geen gevaar. Als dit de waarheid niet was, zou hij, de bedroefde indringer, nooit den moed gehad hebben om zich voor mevrouw Dombey te vertoonen. Het was inderdaad de waarheid, verzekerde hij haar plechtig.
Dit alles zeide hij alsof hij Edith en niet Florence antwoordde, en met zijne oogen en zijn glimlach op Edith gevestigd.
Daarna verhaalde hij haar waar Dombey lag, en verzocht dat er een rijtuig tot zijne beschikking mocht gesteld worden om hem naar huis te brengen.
“Mama,” stamelde Florence schreiend, “als ik durfde gaan!”
Carker, die, terwijl hij deze woorden hoorde, zijne oogen op Edith had, gaf haar een geheimen blik en schudde even zijn hoofd. Hij zag hoe zij met zich zelve streed, eer zij hem met hare schoone oogen antwoordde; maar hij ontwrong haar toch dat antwoord—hij toonde haar dat hij het wilde hebben; of dat hij hardop zou spreken en Florence het hart doorgrieven—en zij gaf het hem. Evenals hij des morgens de schilderij had aangezien, zoo zag hij naderhand haar aan, toen zij hare oogen afwendde.
“Ik moet verzoeken,” zeide hij, “dat de nieuwe huishoudster—mevrouw Pipchin heet zij, geloof ik …”
Niets ontging hem. Hij zag terstond dat het eene andere beleediging was die Dombey zijne vrouw had aangedaan.
“Onderricht mag worden, dat mijnheer Dombey verlangt dat er een bed voor hem gereedgemaakt worde in zijne eigene kamer beneden, daar hij datapartementboven alle andere verkiest. Ik zal bijna onmiddellijk naar mijnheer Dombey terugkeeren. Dat er alle mogelijke zorg voor hem is en wordt gedragen, mevrouw, behoef ik u niet te verzekeren. Laat ik nog eens mogen zeggen, er is geene reden voor de minste bekommering. Zelfs gij moogt volkomen gerust wezen, geloof mij.”
Hij ging buigend heen, met de grootst mogelijke vertooning van eerbied en vriendelijkheid; en toen hij nog eens naar Dombey’s kamer was geweest, en daar had afgesproken dat hem eene koets naar deCityzou worden nagezonden, steeg hij weder te paard en reed langzaam daarheen. Hij was zeer nadenkend onder het rijden, en zeer nadenkend terwijl hij in deCitywachtte, en zeer nadenkend in de koets onderweg naar de plaats waar hij Dombey gelaten had. Het was eerst toen hij bij de legerstede van dien heer zat, dat hij weder naar zich zelven begon te gelijken en toonde dat hij tanden had.
Tegen schemeravond werd Dombey, zeer stijf en vol pijn, in de koets geholpen, en met mantels en kussens gesteund op de eene bank gezet,[300]terwijl zijn vertrouwde gelastigde hem op de andere bank gezelschap hield. Daar hij niet geschokt mocht worden, reed men weinig harder dan stapvoets, en zoo was het geheel donker eer hij thuis werd gebracht. Mevrouw Pipchin, stuursch en spijtig en nooit de mijnen vanPerukunnende vergeten, gelijk het huishouden maar al te wel wist, ontving hem aan de deur en verfrischte de dienstboden met een gesprenkel van woorden-azijn, terwijl zij hem naar zijne kamer hielpen dragen. Carker bleef bij hem tot hij veilig in bed lag, en daar de zieke geen ander vrouwelijk bezoek wilde ontvangen dan dat zijner huishoudster, begaf hij zich nog eens naar mevrouw Dombey, om haar bericht van den toestand des lijders te brengen.
Wederom vond hij Edith met Florence alleen, en wederom richtte hij zijne geheele troostende aanspraak tot Edith, alsof zij door den teedersten angst werd gemarteld. Zoo ernstig was zijn eerbiedig medelijden, dat hij bij het afscheidnemen waagde—met nog een blik naar Florence op het oogenblik—hare hand te vatten en die met zijne lippen aan te raken.
Edith trok hare hand niet terug, en gaf er hem geen slag mede in het effene gezicht, ondanks den gloed op hare wangen en het flikkerende licht in hare oogen. Maar toen zij alleen op hare kamer was, sloeg zij die hand tegen den marmeren schoorsteenmantel, zoodat zij van dien eenen slag gekneusd werd en bloedde, en hield ze van haar af, naar het vuur, als had zij ze wel daarin willen steken en verbranden.
Tot laat in den nacht zat zij bij het uitgebrande vuur, in donkere, dreigende schoonheid, naar de zwarte schaduwen op den muur ziende, alsof hare gedachten tastbare lichamen waren, en die schaduwen daar wierpen. Welke vormen van beleediging en smaad, en van dingen die mogelijk konden gebeuren, ook onduidelijk en reusachtig voor haar flikkerden, het was ééne hatelijke gedaante die ze tegen haar in de wapens bracht. En die gedaante was haar echtgenoot.