[Inhoud]XLVI.HERKENNINGEN EN BESPIEGELINGEN.Onder de verschillende kleine veranderingen in Carker’s leven en gewoonten, die in dezen tijd begonnen plaats te grijpen, was geene meer opmerkelijk dan de buitengewone vlijt waarmede hij zich op de zaken toelegde, en de stiptheid waarmede hij de aangelegenheden van het kantoor, die voor hem openlagen, in alle bijzonderheden onderzocht. Altijd vlug en knap in dit opzicht, schenen zijne oplettendheid en waakzaamheid thans twintigmaal verdubbeld. Niet alleen besteedde hij die aan ieder nieuw punt, dat elke dag hem weder in eene nieuwe gedaante voorkwam, maar te midden dezer drukke bezigheden, vond hij—dat is, maakte hij—tijd om de vroegere operatiën der firma en zijn aandeel daarin gedurende eene lange reeks van jaren na te gaan. Dikwijls wanneer de klerken allen naar huis, de kantoorvertrekken donker en ledig, en alle dergelijke plaatsen gesloten waren, deed Carker, met den geheelen inhoud van het ijzeren kamertje open voor zich, onderzoek in de geheimen van boeken en papieren, met het taaie geduld van iemand die geene moeite wil ontzien om zich met iets van het uiterste belang door en door bekend te maken. Perch de kantoorlooper, die bij zulke gelegenheden doorgaans bleef wachten, om zich bij het licht van ééne kaars met het doorlezen van prijscouranten te onderhouden, of bij het vuur in het groote kantoor te zitten dutten, met groot gevaar om ieder oogenblik met zijn hoofd in den kolenemmer te duiken, kon dezen ijver de schatting zijner bewondering niet onthouden, ofschoon zijne huiselijke genoegens daardoor zeer benadeeld werden, en weidde meer dan eens ten aanhoore zijner vrouw (die thans tweelingen zoogde) over de vlijt en knapheid van hun eersten boekhouder uit.Dezelfde ijver en steeds klimmende aandacht, die Carker aan de zaken van het kantoor wijdde, besteedde hij ook aan zijne eigene bijzondere zaken. Hoewel geen deelgenoot in de firma—eene eer tot nog toe uitsluitend voor de erfgenamen van den grooten naam van Dombey bewaard—ontving hij toch zekere percenten van de winsten; en daar hij door het kantoor ruimschoots gelegenheid had om zijn geld voordeelig te beleggen, werd hij door de kleine hanzen onder de groote hanzen van het Oosten voor een rijk man gehouden. Men begon onder deze scherpzinnige opmerkers te zeggen dat Jem Carker, van Dombey, zijne rekening opmaakte om te zien hoeveel hij wel had, dat hij als een schrandere knaap zijn geld juist op een goeden tijd inhaalde, en men[315]wilde er op de effectenbeurs zelfs op wedden, dat Jem met eene rijke weduwe ging trouwen.Evenwel maakten deze zorgen geene de minste inbreuk op Carker’s oplettendheid voor zijn patroon, of op de zindelijkheid, netheid, gladheid of eenige andere katachtige eigenschap, die hij bezat. Het was niet zoozeer dat er in een van zijne gewoonten eene verandering plaats had, als wel dat de geheele mensch zich scheen te vergrooten en te verdubbelen. Alles wat men voorheen bij hem had waargenomen, was ook nu waar te nemen, maar veel zichtbaarder en krachtiger. Hij deed alles alsof hij nooit iets anders deed—een tamelijk zeker teeken, bij iemand van zooveel geestkracht en bekwaamheid, dat hij iets doet dat al zijne vermogens scherpt en opwekt.De eenige bepaalde verandering bij hem was, dat hij, als hij te paard door de straten reed, dikwijls in een mijmerend gepeins verzonk, gelijk toen hij op den dag van Dombey’s ongeluk van dezen naar huis reed. Als dit gebeurde ontweek hij werktuiglijk de belemmeringen op zijn weg, en scheen hij niets te zien of te hooren, tot hij zijne bestemming bereikte, of iets onverwachts hem uit zijne mijmering opwekte.Aldus op zekeren dag stapvoets naar het kantoor rijdende, bespeurde hij even weinig van twee paren vrouwelijke oogen, die hem waarnamen, als van de starende oogen van Rob den Slijper, die hem, om zijne stiptheid te toonen, reeds eene straat ver van de bepaalde plaats had opgewacht, en nu vruchteloos tegen zijn hoed tikte om zijne aandacht te trekken, terwijl hij te voet naast zijn meester mededraafde, gereed om zijn stijgbeugel te houden als hij moest afstappen.“Zie, daar is hij!” riep een van deze twee vrouwen, een oud wijf, dat haar verschrompelden arm uitstak om hem aan hare gezellin te wijzen, eene jonge vrouw, die naast haar stond, evenals zij zelf in eene poort verscholen.Op deze waarschuwing harer moeder, keek de dochter van Vrouw Brown uit, en wraakzucht straalde haar uit de oogen.“Ik had nooit gedacht hem weer te zien,” zeide zij met eene doffe stem; “maar het is misschien goed zoo. Ik zie! Ik zie!”—“Niet veranderd!” zeide de oude vrouw met een blik vol kwaadaardigheid.—“Hijveranderd?” antwoordde hare dochter. “Waarom? Wat heefthijgeleden? Er is verandering genoeg voor twintig bij mij. Is dat niet genoeg?”—“Zie hem daar rijden!” mompelde de oude vrouw, hare roode oogen op hare dochter vestigende, “zoo op zijn gemak, zoo mooi gekleed, te paard, en wij in het slijk!”—“En uit het slijk,” zeide de dochter ongeduldig. “Wij zijn slijk onder de hoeven van zijn paard. Wat zouden wij anders zijn?”In de drift, waarmede zij hem weder nakeek, maakte zij een haastig gebaar met hare hand toen de oude vrouw weder wilde spreken, alsof haar gezicht door een enkel geluid kon worden belemmerd. Hare moeder, die op haar, niet op hem lette, zweeg stil, tot de gloeiende blik harer dochter doffer werd, en zij diep ademhaalde, alsof het eene verlichting voor haar was dat zij hem niet meer zag.“Liefje!” zeide het oude wijf toen. “Alice! Mooie meid! Ally!” zij trok haar zacht bij de mouw, om haar te doen hooren. “Wilt gij hem zoo laten rijden, terwijl gij hem geld kunt afknijpen? Wel, dat is waarlijk zonde.”—“Heb ik u niet gezegd, dat ik geen geld van hem wil hebben?” antwoordde de dochter. “En gelooft ge mij nog niet? Heb ik zijn zusters geld aangenomen? Zou ik een stuiver aanraken, met mijn weten, die door zijne witte handen was gegaan—of het moest wezen dat ik het stuk koper kon vergiftigen en hem terugzenden? Houd u stil, moeder, en kom mee!”—“En hij zoo rijk?” mompelde de oude vrouw, “en wij zoo arm?”—“Arm, omdat wij hem het kwaad niet kunnen betalen dat wij hem schuldig zijn,” antwoordde de dochter. “Laat hij mij die soort van rijkdom geven, en ik zal ze aannemen en gebruiken. Kom voort. Het helpt niet of wij naar zijn paard staan te kijken. Kom voort, moeder.”Maar de oude vrouw, voor wie het schouwspel van Rob den Slijper, die met het ledige paard de straat weder afkwam, iets bijzonder belangrijks scheen te hebben, bleef met den grootsten ernst naar dien jongeling turen, en daar de twijfelingen, die zij nu mocht koesteren, bij zijne nadering schenen te worden opgelost, zag zij hare dochter met verhelderde oogen aan, legde een vinger op hare lippen, trad, toen hij voorbijkwam, de poort uit, en tikte hem op den schouder.“Wel, waar is de vroolijke Rob al dien tijd geweest?” zeide zij, toen hij omkeek.De vroolijke Rob, wiens vroolijkheid door deze begroeting zeer verminderd werd, keek zeer ontsteld, en zeide, terwijl het water hem in de oogen kwam:“Och, waarom kunt gij een armen jongen niet met vrede laten, Vrouw Brown, nu hij een eerlijk bestaan heeft en zich ordelijk gedraagt? Wat behoeft gij iemand van zijn goeden naam te berooven, door hem op straat aan te spreken, als hij zijn meesters paard naar een eerlijken stal brengt,—een paard dat gij voor honden en kattenkost zoudt verkoopen als ge maar kondt. Wel, ik dacht,” zeide de Slijper, alsof dit laatste het toppunt van zijn leed was, “dat gij al lang dood waart!”—“Dat is de manier,” zeide het oude wijf, zich naar hare dochter omkeerende, “waarop hij met mij spreekt, die hem weken en maanden achtereen[316]gekend heb, liefje, en hem zoo dikwijls heb bijgestaan, onder de duivenmelkers en vogelvangers.”—“Zwijg van de vogels, Vrouw Brown!” antwoordde Rob, op een toon van bitter verdriet. “Ik geloof dat iemand zich liever met leeuwen moest ophouden, dan met die beestjes, want zij vliegen u altijd weer in het gezicht, als gij er het minst om denkt.—Wel, hoe vaart gij, en wat moet gij hebben?” Deze beleefde vragen werden door Rob als het ware onder protest en met groote scherpheid uitgesproken.—“Hoor eens hoe hij tegen eene oude vriendin spreekt, liefje!” zeide Vrouw Brown, zich weder op hare dochter beroepende. “Maar er zijn sommige oude vrienden van hem, die zooveel geduld niet hebben als ik. Als ik sommigen, die hij wel kent, en met wie hij op het een en ander uit is geweest, zeide waar zij hem konden vinden …”—“Wilt gij uw mond wel houden, Vrouw Brown,” viel de ongelukkige Slijper er op in, snel in het rond kijkende, alsof hij dacht zijn meesters tanden achter hem te zien glinsteren. “Waarom hebt gij pleizier om iemand te ruïneeren? en dat op uwe jaren, als gij aan allerlei dingen moest denken!”—“Wat een mooi paard,” zeide de oude vrouw, het dier op den hals kloppende.—“Blijf van hem af, Vrouw Brown!” riep Rob, hare hand wegduwende. “Wel, gij zijt in staat om een boetvaardigen jongen razend te maken.”—“Wel, wat doe ik hem voor kwaad, kind?” antwoordde de oude vrouw.—“Kwaad?” zeide Rob. “Hij heeft een meester, die het merken zou, als hij met een strootje werd aangeraakt.” En hij blies op de plek waar de hand der oude vrouw voor een oogenblik had gerust, en streek ze zachtjes met zijn vinger glad, alsof hij ernstig geloofde wat hij zeide.De oude vrouw, naar hare dochter omkijkende en mommelende, bleef Rob, die met het paard aan den teugel voortstapte, dicht achterop en vervolgde het gesprek,“Eene goede plaats, Rob, he?” zeide zij. “Gij hebt fortuin, mijn jongen.”—“Och, praat niet van fortuin, Vrouw Brown,” antwoordde de rampzalige Rob, omkijkende en stilstaande. “Als gij nooit gekomen waart, of nu maar heen woudt gaan, dan zou iemand denken, dat hij fortuin had. Kunt gij dan niet heengaan en mij niet naloopen, Vrouw Brown!” zeide Rob, eensklaps huilende, en toch van wanhoop stout wordende. “Als die jonge vrouw eene vriendin van u is, waarom brengt zij u dan niet weg, in plaats van u zoo schandelijk te laten aanstellen!”—“Wat,” krijschte de oude vrouw, haar gezicht met een kwaadaardigen grijns vlak voor het zijne duwende. “Wilt gij uwe oude vriendin niet meer kennen! Hebt ge niet vijftigmaal in mijn huis gescholen, en gerust in een hoekje geslapen, als gij anders geen ander bed zoudt gehad hebben dan de straatsteenen, en praat ge nuzootegen mij! Heb ik niet met u gekwanseld en u met mijne negotie voortgeholpen, toen ge nog een schooljongen waart, en later toen gij van allerlei waart, en wilt gij mij nu zoo maar afschepen? Zou ik niet tegen morgenochtend een troep kennissen kunnen roepen, die u zouden volgen als uwe eigene schaduw, en wilt ge nu brutaal tegen mij zijn? Ik ga al heen. Kom, Alice!”—“Wacht toch wat, Vrouw Brown!” riep de angstige Rob. “Wat gaat ge doen! Maak u maar niet kwaad! Laat haar toch niet gaan! Ik heb het niet kwaad gemeend. Ik heb immers eerst gezegd: “Hoe vaart ge?” Deed ik dat niet? Maar gij woudt niet antwoorden: “Hoe vaartgij?” Buitendien,” zeide Rob jammerend, “kijk eens hier, hoe kan een jongen op straat blijven staan praten met zijn meesters paard, dat afgepoetst moet worden, en een meester die alles weet wat er gebeurt!”De oude vrouw veinsde eenigszins bevredigd te zijn, maar schudde toch haar hoofd en mompelde nog.“Kom mee naar den stal en neem een glas van wat u zal goeddoen, Vrouw Brown,” zeide Rob, “in plaats van zoo aan te gaan, dat u niet goeddoet en niemand anders. Kom met haar mee, als ge zoo goed wilt zijn,” vervolgde hij. “Het zou mij waarlijk pleizier doen haar te zien, als het niet om het paard was.”Met deze verontschuldiging keerde Rob zich om (een jammerlijk beeld der wanhoop) en ging met het paard eene zijstraat in. De oude vrouw, tegen hare dochter mompelende, volgde hem dicht achterop. De dochter volgde haar.Op een stil pleintje gekomen, waaraan zich een kerktoren en eenige pakhuizen verhieven, gaf Rob het paard aan den knecht uit een stal in den hoek; en Vrouw Brown en hare dochter uitnoodigende om zich op eene steenen bank naast de deur neer te zetten, kwam hij spoedig uit eene naburige herberg terug, met een tinnen maatje en een glas.“Dat is op uw meester—mijnheer Carker, kind!” zeide de oude vrouw langzaam eer zij dronk. “Zegen hem.”—“Wel, ik heb u immers nog niet gezegd wie het was!” zeide Rob, met starende oogen.—“Wij kennen hem van aanzien,” zeide Vrouw Brown. “Wij zagen hem van morgen voorbijrijden, eer hij van zijn paard stapte, toen gij bij de hand waart om het over te nemen.”—“Zoo, zoo?” zeide Rob, en scheen wel te wenschen, dat hij dien ochtend niet zoo bij de hand was geweest. “Wat scheelt haar? Wil zij niet drinken?”Deze vraag betrof Alice, die, in haar mantel gewikkeld, stil bleef zitten en deed alsof zij het aanbod van het weder gevulde glas niet opmerkte.De oude vrouw schudde haar hoofd. “Laat haar maar blijven,” zeide zij, “zij is een zonderling[317]schepsel, Rob. Maar mijnheer Carker.…”“St!” zeide Rob, angstig naar de pakhuizen opziende, alsof zijn meester daar wel uit het venster kon kijken. “Zachtjes!”—“Wel, hij is immers niet hier,” zeide Vrouw Brown.—“Dat weet ik nog niet,” antwoordde Rob, wiens oogen ook naar den kerktoren dwaalden, alsof hij wel daar omhoog kon zitten, met een bovennatuurlijk gehoor begaafd.—“Goede meester?” vroeg Vrouw Brown.Rob knikte, en voegde er zacht bij: “Verduiveld bij de hand.”“Woont buiten de stad, niet waar?” zeide de oude vrouw.—“Als hij thuis is,” antwoordde Rob; “maar wij wonen nu niet thuis.”—“Waar dan?” zeide de vrouw.—“Op kamers, daar dicht bij mijnheer Dombey,” antwoordde Rob.De jonge vrouw zag hem eensklaps zoo scherp uitvorschend aan, dat Rob er van ontstelde en haar nog eens het glas aanbood, maar even nutteloos als te voren.“Mijnheer Dombey,” hervatte Rob, zich weder naar Vrouw Brown keerende. “Wij hebben wel meer van hem gesproken. Gij placht dikwijls naar hem te vragen.”De oude vrouw knikte.“Wel, mijnheer Dombey heeft een val van zijn paard gedaan,” zeide Rob, “en mijn meester moet daar nu meer wezen dan gewoonlijk, bij hem, of bij mevrouw Dombey, of bij anderen, en zoo zijn wij naar de stad gekomen.”—“Zijn zij goede vrienden?” vroeg de oude vrouw.—“Wie?” zeide Rob.—“Hij en zij?”—“Wat, mijnheer en mevrouw Dombey?” zeide Rob. “Hoe zou ik dat weten.”—“Die niet—uw meester en mevrouw Dombey, lievert,” zeide de oude vrouw fleemend.—“Dat weet ik niet,” antwoordde Rob, weder rondkijkende. “Ik denk wel van ja. Wat zijt ge nieuwsgierig, Vrouw Brown! Die niet veel zegt heeft niet veel te verantwoorden.”—“Wel, daar steekt geen kwaad in,” zeide de oude vrouw met een lach, in hare handen klappende. “Mijn vroolijke Rob is tam geworden sedert hij het zoo goed heeft. Daar steekt geen kwaad in.”—“Neen, daar steekt geen kwaad in, dat weet ik wel,” zeide Rob, met denzelfden wantrouwigen blik naar de pakhuizen en de kerk, “maar babbelen gaat niet bij mijn meester. Iemand zou zich maar beter verdrinken. Dat zegt hij zelf. Ik zou u niet eens gezegd hebben, hoe hij heette, als gij het niet geweten hadt. Praat over iemand anders.”Terwijl Rob nog eens angstig in het rond keek, gaf de oude vrouw hare dochter een geheimen wenk. Deze wendde daarop hare oogen van den jongen af en bleef stil zitten luisteren.“Rob, lievert!” zeide de oude vrouw, hem wenkende om op het andere einde van de bank te komen zitten. “Ge zijt altijd een gunsteling en lieveling van mij geweest. Weet ge dat niet meer? Dat weet gij immers wel?”—“Ja wel, Vrouw Brown,” antwoordde Rob zeer stroef.—“En gij kondt mij verlaten!” zeide de oude vrouw, hare armen om zijn hals slaande, “en zoo lang wegblijven, dat ge mij haast ontgroeid waart, zonder mij te komen zeggen, hoeveel fortuin gij hadt, trotsche jongen. Oho, oho!”—“Is het niet een ijselijk geval voor een jongen, die zulk een meester heeft,” riep de ongelukkige Slijper uit, “om zoo behuild te worden!”—“Zult ge mij niet eens komen opzoeken, Robby?” riep Vrouw Brown. “Oho, zult ge mij niet eens komen opzoeken?”—“Ja, zeg ik u. Ja, dat zal ik,” antwoordde Rob.—“Nu herken ik mijn Rob weer! dat is mijn lievert weer!” zeide Vrouw Brown, de tranen van haar gerimpeld gezicht vegende en hem een teederen druk gevende. “Aan het oude huis, Rob?”—“Ja,” antwoordde hij.—“Gauw, Roblief?” zeide Vrouw Brown, “en dikwijls?”—“Ja, ja, ja,” antwoordde Rob. “Dat zal ik waarlijk, bij mijne ziel en bij mijn lichaam.”—“En dan,” zeide Vrouw Brown, hare armen opstekende en haar in den nek geworpen hoofd schuddende, “als hij zijn woord houdt, zal ik nooit naar hem toekomen, al weet ik waar hij is, en zal ik nooit een woord van hem spreken. Nooit!”Deze uitroeping scheen een droppel troost voor den ongelukkigen Slijper te zijn, die Vrouw Brown de hand daarop gaf en met tranen in de oogen bad, om hem nu te verlaten en zijne vooruitzichten niet te bederven. Met nog eene teedere omhelzing bewilligde Vrouw Brown hierin; maar juist toen zij hare dochter zou volgen, keerde zij zich weder om, en tersluiks haar vinger opstekende, vroeg zij schor fluisterende om geld.“Een schelling, lievert!” zeide zij, met haar begeerig gezicht, “of maar een halve! Van oudekenniswege! Ik ben zoo arm; en mijne mooie dochter,” over haar schouder omziende,—“zij is mijne dochter, Rob,—laat mij half honger lijden.”Maar toen Rob haar schoorvoetend een stuk geld gaf, kwam hare dochter stil terug, greep hare hand en ontwrong het haar.“Wat, moeder!” zeide zij. “Altijd geld! Geld van het eerste tot het laatste! Onthoudt ge zoo weinig wat ik zoo even gezegd heb? Daar! Neem aan!”De oude vrouw slaakte een kermenden zucht toen het geld teruggegeven werd, maar verzette zich verder niet daartegen, en strompelde naast hare dochter het pleintje over en de straat in. Rob, die de twee angstig nakeek, zag dat zij weldra bleven stilstaan en een ernstig gesprek begonnen, en meer dan eens lette hij op eene dreigende beweging van de hand der jonge vrouw (blijkbaar doelende op iemand van wien zij sprak) en eene flauwe[318]nabootsing daarvan door Vrouw Brown, welke hem ernstig deden hopen, dat hij niet het onderwerp van haar gesprek mocht wezen.Met den voorloopigen troost, dat zij nu weg waren, en met den verderen troost in het vooruitzicht dat Vrouw Brown niet altijd leven kon en waarschijnlijk niet lang meer leven zou, gaf Rob, zonder meer leedwezen over zijne wanbedrijven dan dat zij zulke onaangename toevalligheden ten gevolge hadden, zijne ontstelde trekken eene kalmere uitdrukking, door te denken aan de knapheid waarmede hij zich van kapitein Cuttle had afgemaakt (eene bedenking die zelden miste hem op te vroolijken) en ging naar het kantoor om naar de bevelen van zijn meester te vernemen.Zijn meester, zoo scherp en wakker van oog, dat Rob voor hem sidderde en meer dan half verwachtte dadelijk iets van Vrouw Brown te hooren, gaf hem de gewone doos met papieren voor mijnheer Dombey en een briefje voor mevrouw, met niets anders dan een hoofdknik daarbij, als vermaning om wel op te passen en zich te haasten—eene geheimzinnige waarschuwing, die voor Rob’s verbeelding de akeligste dreigementen deed oprijzen, en meer indruk op hem maakte, dan de woorden konden doen.Weder alleen in zijne kamer, ging Carker aan het werk en werkte den geheelen dag. Hij kreeg veel bezoek, zag een aantal documenten na, ging in en uit en heen en weder naar verschillende plaatsen van handel, en gaf zich aan geene verstrooiing meer over, voordat de bezigheden van den dag waren afgeloopen. Maar toen eindelijk de papieren op zijne tafel volgens gewoonte waren weggeruimd, verzonk hij nog eens in een mijmerend gepeins.Hij stond in zijne gewone houding op zijne gewone plaats, met zijne oogen strak op den grond gevestigd, toen zijn broeder binnenkwam om nog eenige brieven te brengen. Hij legde ze stil op de tafel en wilde terstond weder heengaan, toen Carker, de chef, wiens oogen bij zijn binnenkomen op hem waren blijven rusten, alsof zij hem al dien tijd tot het voorwerp van beschouwing hadden gehad, in plaats van den vloer, zeide:“Wel, John Carker, wat brengtuhier?”Zijn broeder wees naar de brieven en wilde wederom heengaan.“Het verwondert mij,” zeide de ander, “dat gij zoo kunt komen en gaan, zonder te vragen hoe het met onzen meester is.”—“Wij hebben van morgen in het kantoor de boodschap gekregen, dat het met mijnheer Dombey heel wel ging,” zeide zijn broeder.—“Gij zijt zoo zoetsappig,” zeide de chef met een glimlach—“maar dat zijt gij natuurlijk met de jaren geworden—dat het u spijten zou als het slecht met hem afliep, durf ik wel zweren.” —“Waarlijk zou mij dat spijten, James,” was het antwoord.—“Het zou hem spijten!” zeide de chef, naar hem wijzende, alsof er nog iemand anders in de kamer was tot wien hij sprak. “Het zou hem waarlijk spijten. Dien broeder van mij! Dien jongsten van het kantoor; dat verschoven meubelstuk, met zijn gezicht naar den muur gestopt, als eene vermolmde schilderij, en zoo gelaten, de hemel weet hoeveel jaren lang.Hijis geheel dankbaarheid, en eerbied, en trouw ook, zou hij mij willen doen gelooven!”—“Ik wil u niets doen gelooven, James,” zeide de ander. “Wees zoo billijk voor mij, als gij voor ieder ander zoudt zijn die beneden u is. Gij hebt eene vraag gedaan, en ik heb antwoord gegeven.”—“Hebt gij dan in niets over hem te klagen, gij lafaard?” zeide de chef met buitengewone opvliegendheid. “Geene trotsche behandeling, geene onbeschoftheid, geen pronken met zijne grootheid! geene kwellingen van allerlei soort om hem betaald te zetten! Wat duivel, zijt gij een man of eene muis?”—“Het zou vreemd wezen, als menschen zooveel jaren bij elkander konden zijn, inzonderheid als meerdere en ondergeschikte, zonder dat beiden over iets bij elkander te klagen hadden—ten minste meenden dat te hebben,” antwoordde John Carker. “Maar buiten mijne geschiedenis hier …”—“Zijne geschiedenis hier!” riep de chef uit. “Ja, daar zit het. Juist de omstandigheid die hem in het eene tot eene uitzondering maakt, maakt hem dat in alles. Wel!”—“Buiten die omstandigheid, die mij, gelijk ge mij doet gevoelen, eene reden tot dankbaarheid geeft, zooals ik (gelukkig voor al de anderen) alleen maar heb, is er zeker niemand op het kantoor die niet ten minste evenveel zou zeggen en gevoelen. Gij denkt toch niet, dat er iemand hier is, wien het onverschillig zou zijn, als het hoofd van het kantoor een ongeluk overkwam, of wien dat niet waarlijk zou spijten?”—“Gij hebt goede reden om aan hem verknocht te zijn,” zeide de chef met minachting. “Wel, gelooft gij dan niet dat gij hier gehouden wordt als eene goedkoope waarschuwing, en als een uitstekend voorbeeld der genadigheid van Dombey en Zoon, hetwelk dat doorluchtige huis tot eer moet strekken?”—“Neen,” antwoordde zijn broeder zachtmoedig, “ik heb lang geloofd, dat ik om meer welwillende en belangelooze redenen hier word gehouden.”—“Maar gij woudt eene Christelijke spreuk te pas brengen, heb ik opgemerkt,” zeide de chef, thans meer met den grijns van een tijger dan van eene kat.—“Neen, James” zeide de ander, “hoewel de broederband tusschen ons lang gebroken is …”—“Wie heeft dien gebroken, mijn goede heer?” zeide de chef.—“Ik, door mijn wangedrag. Ik wijt het u niet.”De chef antwoordde door de sprakelooze beweging[319]van zijn uitgerekten mond: “Zoo, gij wijt dat mij niet?” en beval hem voort te gaan.“Ik zeg, hoewel er geen band tusschen ons bestaat, bid ik u, doe mij toch geene noodelooze vernederingen aan, en leg datgene, wat ik zeg of zeggen wilde, niet verkeerd uit. Ik wilde u maar onder het oog brengen, dat gij u vergissen zoudt met te denken, dat gij, die boven anderen bevorderd en onderscheiden zijt (in het begin, dat weet ik, om uwe bekwaamheden en uw gedrag uitgekozen) en die vrijer dan iemand anders met mijnheer Dombey omgaat, en men mag zeggen op gelijken voet met hem staat, en door hem begunstigd en verrijkt zijt—dat gij u vergissen zoudt met te denken, dat gij de eenige zijt die bezorgd is voor zijn welzijn en zijne eer. Er is niemand op het kantoor, van u zelven af tot den laagsten, geloof ik oprecht, die niet in dat gevoel deelt.”—“Gij liegt!” zeide de chef, plotseling rood van gramschap. “Gij zijt een huichelaar, John Carker, en gij liegt!”—“James!” riep de ander uit, op zijne beurt rood wordende. “Wat meent gij met zulke beleedigende woorden? Hoe kunt gij zoo laag zijn om ze mij ongetergd toe te voegen?”—“Ik zeg u,” antwoordde de chef, “dat ik uwe huichelarij en zoetsappigheid—en al de huichelarij en zoetsappigheid hier—niet zooveel tel,” daarbij knipte hij met duim en vinger, “en dat ik er mij niet door laat blinddoeken. Er is niemand hier, tusschen mij en den laagsten (van wien gij met reden zoo uitdrukkelijk spreekt, want hij is niet veraf) die in zijn hart niet verheugd zou zijn, als hij zijn meester vernederd zag, die hem niet heimelijk haat, die hem niet veeleer kwaad dan goed wenscht, die zich niet tegen hem zou keeren, als hij maar macht en moed genoeg had. Hoe dichter bij zijne gunst, des te dichter bij zijne insolentie, hoe dichter bij hem, des te verder van hem af. Zoo denkt men hier!”—“Ik weet niet,” zeide zijn broeder, wiens opgewekte drift spoedig voor verwondering had plaats gemaakt, “wie u zulke gedachten mag hebben ingefluisterd, of waarom gij mij gekozen hebt om op de proef te stellen, liever dan een ander. Maar dat gij mij op de proef stelt en mij wilt uitlokken, zie ik nu duidelijk. Uw toon en uitzicht zijn geheel anders, dan ik ooit van u heb gezien. Ik zal u alleen nog maar zeggen, dat gij bedrogen wordt.”—“Dat weet ik wel,” zeide de chef.“Dat heb ik u zelf al gezegd.”—“Niet door mij,” antwoordde zijn broeder. “Door uw berichtgever, als gij er een hebt; zoo niet, door uwe eigene gedachten en vermoedens.”—“Ik heb geene vermoedens,” zeide de chef. “Mijne vermoedens zijn zekerheden. Gij laffe, kruipende honden, die allen dezelfde vertooning maakt, allen dezelfde betuigingen uitjankt, allen hetzelfde doorzichtige geheim wilt verbergen.”Zijn broeder ging heen zonder iets meer te zeggen, en sloot bij de laatste woorden de deur. Carker de chef schoof een stoel dicht bij het vuur, en ging met den pook zachtjes op de kolen zitten tikken.“De flauwhartige, fleemerige pluimstrijkers!” prevelde hij, zijne beide rijen blinkende tanden toonende. “Er is er geen een onder, die zich niet houden zou alsof hij ontsteld en geërgerd was—Bah! er is er geen een onder, die, als hij de macht maar had, en verstand en moed om ze te gebruiken, Dombey’s trots niet met zoo weinig verschooning zou vernederen en vergruizen, als ik deze asch uitrakel.”Terwijl hij ze onder den rooster strooide, keek hij met een peinzenden glimlach naar zijn misdrijf. “En dat zonder dat zulk eene koningin hem wenkte!” voegde hij er weldra bij. “En, daar is ook trots—niet te vergeten—getuige onze eigene kennisgeving!” Daarmede zonk hij in nog dieper gepeins, en bleef zoo mijmerend voor het uitgebrande vuur zitten, tot hij opstond evenals iemand die zich in een boek had verdiept; hij keek rond, nam zijn hoed en zijne handschoenen, ging naar de plaats waar zijn paard hem wachtte, steeg op en reed voort door de verlichte straten—want het was nu avond.Hij reed naar Dombey’s huis, liet, toen hij dit naderde, zijn paard stappen, en keek naar de vensters op. Het venster, waarvoor hij eens Florence met haar hond had gezien, trok het eerst zijne aandacht, hoewel het niet verlicht was; maar hij glimlachte terwijl hij zijne oogen langs den hoogen gevel liet gaan, en scheen dat voorwerp met minachting achter te laten.“Er was een tijd,” zeide hij, “toen het goed was zelfs op uwe kleine opkomende ster te letten, en te weten in welken hoek er wolken waren, om u, zoo noodig schaduw te geven. Maar er is een planeet opgekomen, en gij zijt in haar licht verloren.”Hij wendde zijn paard den hoek van de zijstraat om, en zocht naar een verlicht venster aan den achterkant van het huis. Dit deed hem denken aan zekere statige gedaante, en aan eene gehandschoende hand; en zich herinneren hoe de vederen uit de vlerk van een schitterenden vogel op den grond gestrooid waren, en hoe het witte dons om zekeren hals zich bewogen had alsof er in de verte een stormwind opkwam. Dit waren de dingen die hij medenam, toen hij weder omkeerde en snel door de donkere en verlatene parken reed.De noodlottige waarheid was dat hij dacht aan eene vrouw, eene trotsche vrouw, die hem haatte, maar die er door zijne list en haar trots met langzame maar zekere schreden toe gebracht was om zijn gezelschap te verduren, en hem te ontvangen als iemand, die het voorrecht had om haar van haar uitdagenden wrok tegen haar eigen man en van hare onverschilligheid[320]voor hare eigene achting te spreken. Hij dacht aan eene vrouw, die hem gloeiend haatte, en die hem kende, en die hem wantrouwde, omdat zij hem kende, en omdat hij haar kende; maar die haar woesten wrok voedsel gaf door hem dagelijks nader en nader te laten komen, in spijt van den haat dien zij tegen hem koesterde. In spijt daarvan! Juist uit hoofde van dien haat, omdat in eene diepte, waarin zelfs haar dreigend oog nog niet kon doordringen, hoewel zij flauw onderscheidde wat er in lag, eene gruwelijke wraak school, waarvan de minste gedachte hare ziel reeds genoeg zou bevlekt hebben, al had zij zich ook huiverend daarvan afgewend.Zweefde de schim van zulk eene vrouw met hem mede op zijn rit? Geleek die schim naar hetgeen zij werkelijk was, en was zij voor hem zichtbaar?Ja. Hij zag haar in zijn geest, juist gelijk zij was. Zij vergezelde hem met haar trots, haar wrok, haar haat, even duidelijk zichtbaar voor hem als hare schoonheid—niets was voor hem duidelijker dan dat zij hem haatte. Hij zag haar somtijds trotsch en fier afwijzend voor hem staan, en somtijds voor de hoeven van zijn paard gevallen en in het stof. Maar hij zag haar altijd gelijk zij was, zonder vermomming, en sloeg haar gade op den gevaarlijken weg dien zij ging.En toen hij zich na zijn rit had verkleed, en met gebogen hoofd, zachte stem en vriendelijken glimlach hare helder verlichte kamer binnentrad, zag hij haar nog even duidelijk. Hij vermoedde zelfs het geheim der gehandschoende hand, en hield die, om dat vermoeden, des te langer in de zijne. Hij bleef haar nog bij op den gevaarlijken weg dien zij ging; en geen voetstap teekende zij daarop, of hij zette daar onmiddellijk zijn eigen voet.
[Inhoud]XLVI.HERKENNINGEN EN BESPIEGELINGEN.Onder de verschillende kleine veranderingen in Carker’s leven en gewoonten, die in dezen tijd begonnen plaats te grijpen, was geene meer opmerkelijk dan de buitengewone vlijt waarmede hij zich op de zaken toelegde, en de stiptheid waarmede hij de aangelegenheden van het kantoor, die voor hem openlagen, in alle bijzonderheden onderzocht. Altijd vlug en knap in dit opzicht, schenen zijne oplettendheid en waakzaamheid thans twintigmaal verdubbeld. Niet alleen besteedde hij die aan ieder nieuw punt, dat elke dag hem weder in eene nieuwe gedaante voorkwam, maar te midden dezer drukke bezigheden, vond hij—dat is, maakte hij—tijd om de vroegere operatiën der firma en zijn aandeel daarin gedurende eene lange reeks van jaren na te gaan. Dikwijls wanneer de klerken allen naar huis, de kantoorvertrekken donker en ledig, en alle dergelijke plaatsen gesloten waren, deed Carker, met den geheelen inhoud van het ijzeren kamertje open voor zich, onderzoek in de geheimen van boeken en papieren, met het taaie geduld van iemand die geene moeite wil ontzien om zich met iets van het uiterste belang door en door bekend te maken. Perch de kantoorlooper, die bij zulke gelegenheden doorgaans bleef wachten, om zich bij het licht van ééne kaars met het doorlezen van prijscouranten te onderhouden, of bij het vuur in het groote kantoor te zitten dutten, met groot gevaar om ieder oogenblik met zijn hoofd in den kolenemmer te duiken, kon dezen ijver de schatting zijner bewondering niet onthouden, ofschoon zijne huiselijke genoegens daardoor zeer benadeeld werden, en weidde meer dan eens ten aanhoore zijner vrouw (die thans tweelingen zoogde) over de vlijt en knapheid van hun eersten boekhouder uit.Dezelfde ijver en steeds klimmende aandacht, die Carker aan de zaken van het kantoor wijdde, besteedde hij ook aan zijne eigene bijzondere zaken. Hoewel geen deelgenoot in de firma—eene eer tot nog toe uitsluitend voor de erfgenamen van den grooten naam van Dombey bewaard—ontving hij toch zekere percenten van de winsten; en daar hij door het kantoor ruimschoots gelegenheid had om zijn geld voordeelig te beleggen, werd hij door de kleine hanzen onder de groote hanzen van het Oosten voor een rijk man gehouden. Men begon onder deze scherpzinnige opmerkers te zeggen dat Jem Carker, van Dombey, zijne rekening opmaakte om te zien hoeveel hij wel had, dat hij als een schrandere knaap zijn geld juist op een goeden tijd inhaalde, en men[315]wilde er op de effectenbeurs zelfs op wedden, dat Jem met eene rijke weduwe ging trouwen.Evenwel maakten deze zorgen geene de minste inbreuk op Carker’s oplettendheid voor zijn patroon, of op de zindelijkheid, netheid, gladheid of eenige andere katachtige eigenschap, die hij bezat. Het was niet zoozeer dat er in een van zijne gewoonten eene verandering plaats had, als wel dat de geheele mensch zich scheen te vergrooten en te verdubbelen. Alles wat men voorheen bij hem had waargenomen, was ook nu waar te nemen, maar veel zichtbaarder en krachtiger. Hij deed alles alsof hij nooit iets anders deed—een tamelijk zeker teeken, bij iemand van zooveel geestkracht en bekwaamheid, dat hij iets doet dat al zijne vermogens scherpt en opwekt.De eenige bepaalde verandering bij hem was, dat hij, als hij te paard door de straten reed, dikwijls in een mijmerend gepeins verzonk, gelijk toen hij op den dag van Dombey’s ongeluk van dezen naar huis reed. Als dit gebeurde ontweek hij werktuiglijk de belemmeringen op zijn weg, en scheen hij niets te zien of te hooren, tot hij zijne bestemming bereikte, of iets onverwachts hem uit zijne mijmering opwekte.Aldus op zekeren dag stapvoets naar het kantoor rijdende, bespeurde hij even weinig van twee paren vrouwelijke oogen, die hem waarnamen, als van de starende oogen van Rob den Slijper, die hem, om zijne stiptheid te toonen, reeds eene straat ver van de bepaalde plaats had opgewacht, en nu vruchteloos tegen zijn hoed tikte om zijne aandacht te trekken, terwijl hij te voet naast zijn meester mededraafde, gereed om zijn stijgbeugel te houden als hij moest afstappen.“Zie, daar is hij!” riep een van deze twee vrouwen, een oud wijf, dat haar verschrompelden arm uitstak om hem aan hare gezellin te wijzen, eene jonge vrouw, die naast haar stond, evenals zij zelf in eene poort verscholen.Op deze waarschuwing harer moeder, keek de dochter van Vrouw Brown uit, en wraakzucht straalde haar uit de oogen.“Ik had nooit gedacht hem weer te zien,” zeide zij met eene doffe stem; “maar het is misschien goed zoo. Ik zie! Ik zie!”—“Niet veranderd!” zeide de oude vrouw met een blik vol kwaadaardigheid.—“Hijveranderd?” antwoordde hare dochter. “Waarom? Wat heefthijgeleden? Er is verandering genoeg voor twintig bij mij. Is dat niet genoeg?”—“Zie hem daar rijden!” mompelde de oude vrouw, hare roode oogen op hare dochter vestigende, “zoo op zijn gemak, zoo mooi gekleed, te paard, en wij in het slijk!”—“En uit het slijk,” zeide de dochter ongeduldig. “Wij zijn slijk onder de hoeven van zijn paard. Wat zouden wij anders zijn?”In de drift, waarmede zij hem weder nakeek, maakte zij een haastig gebaar met hare hand toen de oude vrouw weder wilde spreken, alsof haar gezicht door een enkel geluid kon worden belemmerd. Hare moeder, die op haar, niet op hem lette, zweeg stil, tot de gloeiende blik harer dochter doffer werd, en zij diep ademhaalde, alsof het eene verlichting voor haar was dat zij hem niet meer zag.“Liefje!” zeide het oude wijf toen. “Alice! Mooie meid! Ally!” zij trok haar zacht bij de mouw, om haar te doen hooren. “Wilt gij hem zoo laten rijden, terwijl gij hem geld kunt afknijpen? Wel, dat is waarlijk zonde.”—“Heb ik u niet gezegd, dat ik geen geld van hem wil hebben?” antwoordde de dochter. “En gelooft ge mij nog niet? Heb ik zijn zusters geld aangenomen? Zou ik een stuiver aanraken, met mijn weten, die door zijne witte handen was gegaan—of het moest wezen dat ik het stuk koper kon vergiftigen en hem terugzenden? Houd u stil, moeder, en kom mee!”—“En hij zoo rijk?” mompelde de oude vrouw, “en wij zoo arm?”—“Arm, omdat wij hem het kwaad niet kunnen betalen dat wij hem schuldig zijn,” antwoordde de dochter. “Laat hij mij die soort van rijkdom geven, en ik zal ze aannemen en gebruiken. Kom voort. Het helpt niet of wij naar zijn paard staan te kijken. Kom voort, moeder.”Maar de oude vrouw, voor wie het schouwspel van Rob den Slijper, die met het ledige paard de straat weder afkwam, iets bijzonder belangrijks scheen te hebben, bleef met den grootsten ernst naar dien jongeling turen, en daar de twijfelingen, die zij nu mocht koesteren, bij zijne nadering schenen te worden opgelost, zag zij hare dochter met verhelderde oogen aan, legde een vinger op hare lippen, trad, toen hij voorbijkwam, de poort uit, en tikte hem op den schouder.“Wel, waar is de vroolijke Rob al dien tijd geweest?” zeide zij, toen hij omkeek.De vroolijke Rob, wiens vroolijkheid door deze begroeting zeer verminderd werd, keek zeer ontsteld, en zeide, terwijl het water hem in de oogen kwam:“Och, waarom kunt gij een armen jongen niet met vrede laten, Vrouw Brown, nu hij een eerlijk bestaan heeft en zich ordelijk gedraagt? Wat behoeft gij iemand van zijn goeden naam te berooven, door hem op straat aan te spreken, als hij zijn meesters paard naar een eerlijken stal brengt,—een paard dat gij voor honden en kattenkost zoudt verkoopen als ge maar kondt. Wel, ik dacht,” zeide de Slijper, alsof dit laatste het toppunt van zijn leed was, “dat gij al lang dood waart!”—“Dat is de manier,” zeide het oude wijf, zich naar hare dochter omkeerende, “waarop hij met mij spreekt, die hem weken en maanden achtereen[316]gekend heb, liefje, en hem zoo dikwijls heb bijgestaan, onder de duivenmelkers en vogelvangers.”—“Zwijg van de vogels, Vrouw Brown!” antwoordde Rob, op een toon van bitter verdriet. “Ik geloof dat iemand zich liever met leeuwen moest ophouden, dan met die beestjes, want zij vliegen u altijd weer in het gezicht, als gij er het minst om denkt.—Wel, hoe vaart gij, en wat moet gij hebben?” Deze beleefde vragen werden door Rob als het ware onder protest en met groote scherpheid uitgesproken.—“Hoor eens hoe hij tegen eene oude vriendin spreekt, liefje!” zeide Vrouw Brown, zich weder op hare dochter beroepende. “Maar er zijn sommige oude vrienden van hem, die zooveel geduld niet hebben als ik. Als ik sommigen, die hij wel kent, en met wie hij op het een en ander uit is geweest, zeide waar zij hem konden vinden …”—“Wilt gij uw mond wel houden, Vrouw Brown,” viel de ongelukkige Slijper er op in, snel in het rond kijkende, alsof hij dacht zijn meesters tanden achter hem te zien glinsteren. “Waarom hebt gij pleizier om iemand te ruïneeren? en dat op uwe jaren, als gij aan allerlei dingen moest denken!”—“Wat een mooi paard,” zeide de oude vrouw, het dier op den hals kloppende.—“Blijf van hem af, Vrouw Brown!” riep Rob, hare hand wegduwende. “Wel, gij zijt in staat om een boetvaardigen jongen razend te maken.”—“Wel, wat doe ik hem voor kwaad, kind?” antwoordde de oude vrouw.—“Kwaad?” zeide Rob. “Hij heeft een meester, die het merken zou, als hij met een strootje werd aangeraakt.” En hij blies op de plek waar de hand der oude vrouw voor een oogenblik had gerust, en streek ze zachtjes met zijn vinger glad, alsof hij ernstig geloofde wat hij zeide.De oude vrouw, naar hare dochter omkijkende en mommelende, bleef Rob, die met het paard aan den teugel voortstapte, dicht achterop en vervolgde het gesprek,“Eene goede plaats, Rob, he?” zeide zij. “Gij hebt fortuin, mijn jongen.”—“Och, praat niet van fortuin, Vrouw Brown,” antwoordde de rampzalige Rob, omkijkende en stilstaande. “Als gij nooit gekomen waart, of nu maar heen woudt gaan, dan zou iemand denken, dat hij fortuin had. Kunt gij dan niet heengaan en mij niet naloopen, Vrouw Brown!” zeide Rob, eensklaps huilende, en toch van wanhoop stout wordende. “Als die jonge vrouw eene vriendin van u is, waarom brengt zij u dan niet weg, in plaats van u zoo schandelijk te laten aanstellen!”—“Wat,” krijschte de oude vrouw, haar gezicht met een kwaadaardigen grijns vlak voor het zijne duwende. “Wilt gij uwe oude vriendin niet meer kennen! Hebt ge niet vijftigmaal in mijn huis gescholen, en gerust in een hoekje geslapen, als gij anders geen ander bed zoudt gehad hebben dan de straatsteenen, en praat ge nuzootegen mij! Heb ik niet met u gekwanseld en u met mijne negotie voortgeholpen, toen ge nog een schooljongen waart, en later toen gij van allerlei waart, en wilt gij mij nu zoo maar afschepen? Zou ik niet tegen morgenochtend een troep kennissen kunnen roepen, die u zouden volgen als uwe eigene schaduw, en wilt ge nu brutaal tegen mij zijn? Ik ga al heen. Kom, Alice!”—“Wacht toch wat, Vrouw Brown!” riep de angstige Rob. “Wat gaat ge doen! Maak u maar niet kwaad! Laat haar toch niet gaan! Ik heb het niet kwaad gemeend. Ik heb immers eerst gezegd: “Hoe vaart ge?” Deed ik dat niet? Maar gij woudt niet antwoorden: “Hoe vaartgij?” Buitendien,” zeide Rob jammerend, “kijk eens hier, hoe kan een jongen op straat blijven staan praten met zijn meesters paard, dat afgepoetst moet worden, en een meester die alles weet wat er gebeurt!”De oude vrouw veinsde eenigszins bevredigd te zijn, maar schudde toch haar hoofd en mompelde nog.“Kom mee naar den stal en neem een glas van wat u zal goeddoen, Vrouw Brown,” zeide Rob, “in plaats van zoo aan te gaan, dat u niet goeddoet en niemand anders. Kom met haar mee, als ge zoo goed wilt zijn,” vervolgde hij. “Het zou mij waarlijk pleizier doen haar te zien, als het niet om het paard was.”Met deze verontschuldiging keerde Rob zich om (een jammerlijk beeld der wanhoop) en ging met het paard eene zijstraat in. De oude vrouw, tegen hare dochter mompelende, volgde hem dicht achterop. De dochter volgde haar.Op een stil pleintje gekomen, waaraan zich een kerktoren en eenige pakhuizen verhieven, gaf Rob het paard aan den knecht uit een stal in den hoek; en Vrouw Brown en hare dochter uitnoodigende om zich op eene steenen bank naast de deur neer te zetten, kwam hij spoedig uit eene naburige herberg terug, met een tinnen maatje en een glas.“Dat is op uw meester—mijnheer Carker, kind!” zeide de oude vrouw langzaam eer zij dronk. “Zegen hem.”—“Wel, ik heb u immers nog niet gezegd wie het was!” zeide Rob, met starende oogen.—“Wij kennen hem van aanzien,” zeide Vrouw Brown. “Wij zagen hem van morgen voorbijrijden, eer hij van zijn paard stapte, toen gij bij de hand waart om het over te nemen.”—“Zoo, zoo?” zeide Rob, en scheen wel te wenschen, dat hij dien ochtend niet zoo bij de hand was geweest. “Wat scheelt haar? Wil zij niet drinken?”Deze vraag betrof Alice, die, in haar mantel gewikkeld, stil bleef zitten en deed alsof zij het aanbod van het weder gevulde glas niet opmerkte.De oude vrouw schudde haar hoofd. “Laat haar maar blijven,” zeide zij, “zij is een zonderling[317]schepsel, Rob. Maar mijnheer Carker.…”“St!” zeide Rob, angstig naar de pakhuizen opziende, alsof zijn meester daar wel uit het venster kon kijken. “Zachtjes!”—“Wel, hij is immers niet hier,” zeide Vrouw Brown.—“Dat weet ik nog niet,” antwoordde Rob, wiens oogen ook naar den kerktoren dwaalden, alsof hij wel daar omhoog kon zitten, met een bovennatuurlijk gehoor begaafd.—“Goede meester?” vroeg Vrouw Brown.Rob knikte, en voegde er zacht bij: “Verduiveld bij de hand.”“Woont buiten de stad, niet waar?” zeide de oude vrouw.—“Als hij thuis is,” antwoordde Rob; “maar wij wonen nu niet thuis.”—“Waar dan?” zeide de vrouw.—“Op kamers, daar dicht bij mijnheer Dombey,” antwoordde Rob.De jonge vrouw zag hem eensklaps zoo scherp uitvorschend aan, dat Rob er van ontstelde en haar nog eens het glas aanbood, maar even nutteloos als te voren.“Mijnheer Dombey,” hervatte Rob, zich weder naar Vrouw Brown keerende. “Wij hebben wel meer van hem gesproken. Gij placht dikwijls naar hem te vragen.”De oude vrouw knikte.“Wel, mijnheer Dombey heeft een val van zijn paard gedaan,” zeide Rob, “en mijn meester moet daar nu meer wezen dan gewoonlijk, bij hem, of bij mevrouw Dombey, of bij anderen, en zoo zijn wij naar de stad gekomen.”—“Zijn zij goede vrienden?” vroeg de oude vrouw.—“Wie?” zeide Rob.—“Hij en zij?”—“Wat, mijnheer en mevrouw Dombey?” zeide Rob. “Hoe zou ik dat weten.”—“Die niet—uw meester en mevrouw Dombey, lievert,” zeide de oude vrouw fleemend.—“Dat weet ik niet,” antwoordde Rob, weder rondkijkende. “Ik denk wel van ja. Wat zijt ge nieuwsgierig, Vrouw Brown! Die niet veel zegt heeft niet veel te verantwoorden.”—“Wel, daar steekt geen kwaad in,” zeide de oude vrouw met een lach, in hare handen klappende. “Mijn vroolijke Rob is tam geworden sedert hij het zoo goed heeft. Daar steekt geen kwaad in.”—“Neen, daar steekt geen kwaad in, dat weet ik wel,” zeide Rob, met denzelfden wantrouwigen blik naar de pakhuizen en de kerk, “maar babbelen gaat niet bij mijn meester. Iemand zou zich maar beter verdrinken. Dat zegt hij zelf. Ik zou u niet eens gezegd hebben, hoe hij heette, als gij het niet geweten hadt. Praat over iemand anders.”Terwijl Rob nog eens angstig in het rond keek, gaf de oude vrouw hare dochter een geheimen wenk. Deze wendde daarop hare oogen van den jongen af en bleef stil zitten luisteren.“Rob, lievert!” zeide de oude vrouw, hem wenkende om op het andere einde van de bank te komen zitten. “Ge zijt altijd een gunsteling en lieveling van mij geweest. Weet ge dat niet meer? Dat weet gij immers wel?”—“Ja wel, Vrouw Brown,” antwoordde Rob zeer stroef.—“En gij kondt mij verlaten!” zeide de oude vrouw, hare armen om zijn hals slaande, “en zoo lang wegblijven, dat ge mij haast ontgroeid waart, zonder mij te komen zeggen, hoeveel fortuin gij hadt, trotsche jongen. Oho, oho!”—“Is het niet een ijselijk geval voor een jongen, die zulk een meester heeft,” riep de ongelukkige Slijper uit, “om zoo behuild te worden!”—“Zult ge mij niet eens komen opzoeken, Robby?” riep Vrouw Brown. “Oho, zult ge mij niet eens komen opzoeken?”—“Ja, zeg ik u. Ja, dat zal ik,” antwoordde Rob.—“Nu herken ik mijn Rob weer! dat is mijn lievert weer!” zeide Vrouw Brown, de tranen van haar gerimpeld gezicht vegende en hem een teederen druk gevende. “Aan het oude huis, Rob?”—“Ja,” antwoordde hij.—“Gauw, Roblief?” zeide Vrouw Brown, “en dikwijls?”—“Ja, ja, ja,” antwoordde Rob. “Dat zal ik waarlijk, bij mijne ziel en bij mijn lichaam.”—“En dan,” zeide Vrouw Brown, hare armen opstekende en haar in den nek geworpen hoofd schuddende, “als hij zijn woord houdt, zal ik nooit naar hem toekomen, al weet ik waar hij is, en zal ik nooit een woord van hem spreken. Nooit!”Deze uitroeping scheen een droppel troost voor den ongelukkigen Slijper te zijn, die Vrouw Brown de hand daarop gaf en met tranen in de oogen bad, om hem nu te verlaten en zijne vooruitzichten niet te bederven. Met nog eene teedere omhelzing bewilligde Vrouw Brown hierin; maar juist toen zij hare dochter zou volgen, keerde zij zich weder om, en tersluiks haar vinger opstekende, vroeg zij schor fluisterende om geld.“Een schelling, lievert!” zeide zij, met haar begeerig gezicht, “of maar een halve! Van oudekenniswege! Ik ben zoo arm; en mijne mooie dochter,” over haar schouder omziende,—“zij is mijne dochter, Rob,—laat mij half honger lijden.”Maar toen Rob haar schoorvoetend een stuk geld gaf, kwam hare dochter stil terug, greep hare hand en ontwrong het haar.“Wat, moeder!” zeide zij. “Altijd geld! Geld van het eerste tot het laatste! Onthoudt ge zoo weinig wat ik zoo even gezegd heb? Daar! Neem aan!”De oude vrouw slaakte een kermenden zucht toen het geld teruggegeven werd, maar verzette zich verder niet daartegen, en strompelde naast hare dochter het pleintje over en de straat in. Rob, die de twee angstig nakeek, zag dat zij weldra bleven stilstaan en een ernstig gesprek begonnen, en meer dan eens lette hij op eene dreigende beweging van de hand der jonge vrouw (blijkbaar doelende op iemand van wien zij sprak) en eene flauwe[318]nabootsing daarvan door Vrouw Brown, welke hem ernstig deden hopen, dat hij niet het onderwerp van haar gesprek mocht wezen.Met den voorloopigen troost, dat zij nu weg waren, en met den verderen troost in het vooruitzicht dat Vrouw Brown niet altijd leven kon en waarschijnlijk niet lang meer leven zou, gaf Rob, zonder meer leedwezen over zijne wanbedrijven dan dat zij zulke onaangename toevalligheden ten gevolge hadden, zijne ontstelde trekken eene kalmere uitdrukking, door te denken aan de knapheid waarmede hij zich van kapitein Cuttle had afgemaakt (eene bedenking die zelden miste hem op te vroolijken) en ging naar het kantoor om naar de bevelen van zijn meester te vernemen.Zijn meester, zoo scherp en wakker van oog, dat Rob voor hem sidderde en meer dan half verwachtte dadelijk iets van Vrouw Brown te hooren, gaf hem de gewone doos met papieren voor mijnheer Dombey en een briefje voor mevrouw, met niets anders dan een hoofdknik daarbij, als vermaning om wel op te passen en zich te haasten—eene geheimzinnige waarschuwing, die voor Rob’s verbeelding de akeligste dreigementen deed oprijzen, en meer indruk op hem maakte, dan de woorden konden doen.Weder alleen in zijne kamer, ging Carker aan het werk en werkte den geheelen dag. Hij kreeg veel bezoek, zag een aantal documenten na, ging in en uit en heen en weder naar verschillende plaatsen van handel, en gaf zich aan geene verstrooiing meer over, voordat de bezigheden van den dag waren afgeloopen. Maar toen eindelijk de papieren op zijne tafel volgens gewoonte waren weggeruimd, verzonk hij nog eens in een mijmerend gepeins.Hij stond in zijne gewone houding op zijne gewone plaats, met zijne oogen strak op den grond gevestigd, toen zijn broeder binnenkwam om nog eenige brieven te brengen. Hij legde ze stil op de tafel en wilde terstond weder heengaan, toen Carker, de chef, wiens oogen bij zijn binnenkomen op hem waren blijven rusten, alsof zij hem al dien tijd tot het voorwerp van beschouwing hadden gehad, in plaats van den vloer, zeide:“Wel, John Carker, wat brengtuhier?”Zijn broeder wees naar de brieven en wilde wederom heengaan.“Het verwondert mij,” zeide de ander, “dat gij zoo kunt komen en gaan, zonder te vragen hoe het met onzen meester is.”—“Wij hebben van morgen in het kantoor de boodschap gekregen, dat het met mijnheer Dombey heel wel ging,” zeide zijn broeder.—“Gij zijt zoo zoetsappig,” zeide de chef met een glimlach—“maar dat zijt gij natuurlijk met de jaren geworden—dat het u spijten zou als het slecht met hem afliep, durf ik wel zweren.” —“Waarlijk zou mij dat spijten, James,” was het antwoord.—“Het zou hem spijten!” zeide de chef, naar hem wijzende, alsof er nog iemand anders in de kamer was tot wien hij sprak. “Het zou hem waarlijk spijten. Dien broeder van mij! Dien jongsten van het kantoor; dat verschoven meubelstuk, met zijn gezicht naar den muur gestopt, als eene vermolmde schilderij, en zoo gelaten, de hemel weet hoeveel jaren lang.Hijis geheel dankbaarheid, en eerbied, en trouw ook, zou hij mij willen doen gelooven!”—“Ik wil u niets doen gelooven, James,” zeide de ander. “Wees zoo billijk voor mij, als gij voor ieder ander zoudt zijn die beneden u is. Gij hebt eene vraag gedaan, en ik heb antwoord gegeven.”—“Hebt gij dan in niets over hem te klagen, gij lafaard?” zeide de chef met buitengewone opvliegendheid. “Geene trotsche behandeling, geene onbeschoftheid, geen pronken met zijne grootheid! geene kwellingen van allerlei soort om hem betaald te zetten! Wat duivel, zijt gij een man of eene muis?”—“Het zou vreemd wezen, als menschen zooveel jaren bij elkander konden zijn, inzonderheid als meerdere en ondergeschikte, zonder dat beiden over iets bij elkander te klagen hadden—ten minste meenden dat te hebben,” antwoordde John Carker. “Maar buiten mijne geschiedenis hier …”—“Zijne geschiedenis hier!” riep de chef uit. “Ja, daar zit het. Juist de omstandigheid die hem in het eene tot eene uitzondering maakt, maakt hem dat in alles. Wel!”—“Buiten die omstandigheid, die mij, gelijk ge mij doet gevoelen, eene reden tot dankbaarheid geeft, zooals ik (gelukkig voor al de anderen) alleen maar heb, is er zeker niemand op het kantoor die niet ten minste evenveel zou zeggen en gevoelen. Gij denkt toch niet, dat er iemand hier is, wien het onverschillig zou zijn, als het hoofd van het kantoor een ongeluk overkwam, of wien dat niet waarlijk zou spijten?”—“Gij hebt goede reden om aan hem verknocht te zijn,” zeide de chef met minachting. “Wel, gelooft gij dan niet dat gij hier gehouden wordt als eene goedkoope waarschuwing, en als een uitstekend voorbeeld der genadigheid van Dombey en Zoon, hetwelk dat doorluchtige huis tot eer moet strekken?”—“Neen,” antwoordde zijn broeder zachtmoedig, “ik heb lang geloofd, dat ik om meer welwillende en belangelooze redenen hier word gehouden.”—“Maar gij woudt eene Christelijke spreuk te pas brengen, heb ik opgemerkt,” zeide de chef, thans meer met den grijns van een tijger dan van eene kat.—“Neen, James” zeide de ander, “hoewel de broederband tusschen ons lang gebroken is …”—“Wie heeft dien gebroken, mijn goede heer?” zeide de chef.—“Ik, door mijn wangedrag. Ik wijt het u niet.”De chef antwoordde door de sprakelooze beweging[319]van zijn uitgerekten mond: “Zoo, gij wijt dat mij niet?” en beval hem voort te gaan.“Ik zeg, hoewel er geen band tusschen ons bestaat, bid ik u, doe mij toch geene noodelooze vernederingen aan, en leg datgene, wat ik zeg of zeggen wilde, niet verkeerd uit. Ik wilde u maar onder het oog brengen, dat gij u vergissen zoudt met te denken, dat gij, die boven anderen bevorderd en onderscheiden zijt (in het begin, dat weet ik, om uwe bekwaamheden en uw gedrag uitgekozen) en die vrijer dan iemand anders met mijnheer Dombey omgaat, en men mag zeggen op gelijken voet met hem staat, en door hem begunstigd en verrijkt zijt—dat gij u vergissen zoudt met te denken, dat gij de eenige zijt die bezorgd is voor zijn welzijn en zijne eer. Er is niemand op het kantoor, van u zelven af tot den laagsten, geloof ik oprecht, die niet in dat gevoel deelt.”—“Gij liegt!” zeide de chef, plotseling rood van gramschap. “Gij zijt een huichelaar, John Carker, en gij liegt!”—“James!” riep de ander uit, op zijne beurt rood wordende. “Wat meent gij met zulke beleedigende woorden? Hoe kunt gij zoo laag zijn om ze mij ongetergd toe te voegen?”—“Ik zeg u,” antwoordde de chef, “dat ik uwe huichelarij en zoetsappigheid—en al de huichelarij en zoetsappigheid hier—niet zooveel tel,” daarbij knipte hij met duim en vinger, “en dat ik er mij niet door laat blinddoeken. Er is niemand hier, tusschen mij en den laagsten (van wien gij met reden zoo uitdrukkelijk spreekt, want hij is niet veraf) die in zijn hart niet verheugd zou zijn, als hij zijn meester vernederd zag, die hem niet heimelijk haat, die hem niet veeleer kwaad dan goed wenscht, die zich niet tegen hem zou keeren, als hij maar macht en moed genoeg had. Hoe dichter bij zijne gunst, des te dichter bij zijne insolentie, hoe dichter bij hem, des te verder van hem af. Zoo denkt men hier!”—“Ik weet niet,” zeide zijn broeder, wiens opgewekte drift spoedig voor verwondering had plaats gemaakt, “wie u zulke gedachten mag hebben ingefluisterd, of waarom gij mij gekozen hebt om op de proef te stellen, liever dan een ander. Maar dat gij mij op de proef stelt en mij wilt uitlokken, zie ik nu duidelijk. Uw toon en uitzicht zijn geheel anders, dan ik ooit van u heb gezien. Ik zal u alleen nog maar zeggen, dat gij bedrogen wordt.”—“Dat weet ik wel,” zeide de chef.“Dat heb ik u zelf al gezegd.”—“Niet door mij,” antwoordde zijn broeder. “Door uw berichtgever, als gij er een hebt; zoo niet, door uwe eigene gedachten en vermoedens.”—“Ik heb geene vermoedens,” zeide de chef. “Mijne vermoedens zijn zekerheden. Gij laffe, kruipende honden, die allen dezelfde vertooning maakt, allen dezelfde betuigingen uitjankt, allen hetzelfde doorzichtige geheim wilt verbergen.”Zijn broeder ging heen zonder iets meer te zeggen, en sloot bij de laatste woorden de deur. Carker de chef schoof een stoel dicht bij het vuur, en ging met den pook zachtjes op de kolen zitten tikken.“De flauwhartige, fleemerige pluimstrijkers!” prevelde hij, zijne beide rijen blinkende tanden toonende. “Er is er geen een onder, die zich niet houden zou alsof hij ontsteld en geërgerd was—Bah! er is er geen een onder, die, als hij de macht maar had, en verstand en moed om ze te gebruiken, Dombey’s trots niet met zoo weinig verschooning zou vernederen en vergruizen, als ik deze asch uitrakel.”Terwijl hij ze onder den rooster strooide, keek hij met een peinzenden glimlach naar zijn misdrijf. “En dat zonder dat zulk eene koningin hem wenkte!” voegde hij er weldra bij. “En, daar is ook trots—niet te vergeten—getuige onze eigene kennisgeving!” Daarmede zonk hij in nog dieper gepeins, en bleef zoo mijmerend voor het uitgebrande vuur zitten, tot hij opstond evenals iemand die zich in een boek had verdiept; hij keek rond, nam zijn hoed en zijne handschoenen, ging naar de plaats waar zijn paard hem wachtte, steeg op en reed voort door de verlichte straten—want het was nu avond.Hij reed naar Dombey’s huis, liet, toen hij dit naderde, zijn paard stappen, en keek naar de vensters op. Het venster, waarvoor hij eens Florence met haar hond had gezien, trok het eerst zijne aandacht, hoewel het niet verlicht was; maar hij glimlachte terwijl hij zijne oogen langs den hoogen gevel liet gaan, en scheen dat voorwerp met minachting achter te laten.“Er was een tijd,” zeide hij, “toen het goed was zelfs op uwe kleine opkomende ster te letten, en te weten in welken hoek er wolken waren, om u, zoo noodig schaduw te geven. Maar er is een planeet opgekomen, en gij zijt in haar licht verloren.”Hij wendde zijn paard den hoek van de zijstraat om, en zocht naar een verlicht venster aan den achterkant van het huis. Dit deed hem denken aan zekere statige gedaante, en aan eene gehandschoende hand; en zich herinneren hoe de vederen uit de vlerk van een schitterenden vogel op den grond gestrooid waren, en hoe het witte dons om zekeren hals zich bewogen had alsof er in de verte een stormwind opkwam. Dit waren de dingen die hij medenam, toen hij weder omkeerde en snel door de donkere en verlatene parken reed.De noodlottige waarheid was dat hij dacht aan eene vrouw, eene trotsche vrouw, die hem haatte, maar die er door zijne list en haar trots met langzame maar zekere schreden toe gebracht was om zijn gezelschap te verduren, en hem te ontvangen als iemand, die het voorrecht had om haar van haar uitdagenden wrok tegen haar eigen man en van hare onverschilligheid[320]voor hare eigene achting te spreken. Hij dacht aan eene vrouw, die hem gloeiend haatte, en die hem kende, en die hem wantrouwde, omdat zij hem kende, en omdat hij haar kende; maar die haar woesten wrok voedsel gaf door hem dagelijks nader en nader te laten komen, in spijt van den haat dien zij tegen hem koesterde. In spijt daarvan! Juist uit hoofde van dien haat, omdat in eene diepte, waarin zelfs haar dreigend oog nog niet kon doordringen, hoewel zij flauw onderscheidde wat er in lag, eene gruwelijke wraak school, waarvan de minste gedachte hare ziel reeds genoeg zou bevlekt hebben, al had zij zich ook huiverend daarvan afgewend.Zweefde de schim van zulk eene vrouw met hem mede op zijn rit? Geleek die schim naar hetgeen zij werkelijk was, en was zij voor hem zichtbaar?Ja. Hij zag haar in zijn geest, juist gelijk zij was. Zij vergezelde hem met haar trots, haar wrok, haar haat, even duidelijk zichtbaar voor hem als hare schoonheid—niets was voor hem duidelijker dan dat zij hem haatte. Hij zag haar somtijds trotsch en fier afwijzend voor hem staan, en somtijds voor de hoeven van zijn paard gevallen en in het stof. Maar hij zag haar altijd gelijk zij was, zonder vermomming, en sloeg haar gade op den gevaarlijken weg dien zij ging.En toen hij zich na zijn rit had verkleed, en met gebogen hoofd, zachte stem en vriendelijken glimlach hare helder verlichte kamer binnentrad, zag hij haar nog even duidelijk. Hij vermoedde zelfs het geheim der gehandschoende hand, en hield die, om dat vermoeden, des te langer in de zijne. Hij bleef haar nog bij op den gevaarlijken weg dien zij ging; en geen voetstap teekende zij daarop, of hij zette daar onmiddellijk zijn eigen voet.
XLVI.HERKENNINGEN EN BESPIEGELINGEN.
Onder de verschillende kleine veranderingen in Carker’s leven en gewoonten, die in dezen tijd begonnen plaats te grijpen, was geene meer opmerkelijk dan de buitengewone vlijt waarmede hij zich op de zaken toelegde, en de stiptheid waarmede hij de aangelegenheden van het kantoor, die voor hem openlagen, in alle bijzonderheden onderzocht. Altijd vlug en knap in dit opzicht, schenen zijne oplettendheid en waakzaamheid thans twintigmaal verdubbeld. Niet alleen besteedde hij die aan ieder nieuw punt, dat elke dag hem weder in eene nieuwe gedaante voorkwam, maar te midden dezer drukke bezigheden, vond hij—dat is, maakte hij—tijd om de vroegere operatiën der firma en zijn aandeel daarin gedurende eene lange reeks van jaren na te gaan. Dikwijls wanneer de klerken allen naar huis, de kantoorvertrekken donker en ledig, en alle dergelijke plaatsen gesloten waren, deed Carker, met den geheelen inhoud van het ijzeren kamertje open voor zich, onderzoek in de geheimen van boeken en papieren, met het taaie geduld van iemand die geene moeite wil ontzien om zich met iets van het uiterste belang door en door bekend te maken. Perch de kantoorlooper, die bij zulke gelegenheden doorgaans bleef wachten, om zich bij het licht van ééne kaars met het doorlezen van prijscouranten te onderhouden, of bij het vuur in het groote kantoor te zitten dutten, met groot gevaar om ieder oogenblik met zijn hoofd in den kolenemmer te duiken, kon dezen ijver de schatting zijner bewondering niet onthouden, ofschoon zijne huiselijke genoegens daardoor zeer benadeeld werden, en weidde meer dan eens ten aanhoore zijner vrouw (die thans tweelingen zoogde) over de vlijt en knapheid van hun eersten boekhouder uit.Dezelfde ijver en steeds klimmende aandacht, die Carker aan de zaken van het kantoor wijdde, besteedde hij ook aan zijne eigene bijzondere zaken. Hoewel geen deelgenoot in de firma—eene eer tot nog toe uitsluitend voor de erfgenamen van den grooten naam van Dombey bewaard—ontving hij toch zekere percenten van de winsten; en daar hij door het kantoor ruimschoots gelegenheid had om zijn geld voordeelig te beleggen, werd hij door de kleine hanzen onder de groote hanzen van het Oosten voor een rijk man gehouden. Men begon onder deze scherpzinnige opmerkers te zeggen dat Jem Carker, van Dombey, zijne rekening opmaakte om te zien hoeveel hij wel had, dat hij als een schrandere knaap zijn geld juist op een goeden tijd inhaalde, en men[315]wilde er op de effectenbeurs zelfs op wedden, dat Jem met eene rijke weduwe ging trouwen.Evenwel maakten deze zorgen geene de minste inbreuk op Carker’s oplettendheid voor zijn patroon, of op de zindelijkheid, netheid, gladheid of eenige andere katachtige eigenschap, die hij bezat. Het was niet zoozeer dat er in een van zijne gewoonten eene verandering plaats had, als wel dat de geheele mensch zich scheen te vergrooten en te verdubbelen. Alles wat men voorheen bij hem had waargenomen, was ook nu waar te nemen, maar veel zichtbaarder en krachtiger. Hij deed alles alsof hij nooit iets anders deed—een tamelijk zeker teeken, bij iemand van zooveel geestkracht en bekwaamheid, dat hij iets doet dat al zijne vermogens scherpt en opwekt.De eenige bepaalde verandering bij hem was, dat hij, als hij te paard door de straten reed, dikwijls in een mijmerend gepeins verzonk, gelijk toen hij op den dag van Dombey’s ongeluk van dezen naar huis reed. Als dit gebeurde ontweek hij werktuiglijk de belemmeringen op zijn weg, en scheen hij niets te zien of te hooren, tot hij zijne bestemming bereikte, of iets onverwachts hem uit zijne mijmering opwekte.Aldus op zekeren dag stapvoets naar het kantoor rijdende, bespeurde hij even weinig van twee paren vrouwelijke oogen, die hem waarnamen, als van de starende oogen van Rob den Slijper, die hem, om zijne stiptheid te toonen, reeds eene straat ver van de bepaalde plaats had opgewacht, en nu vruchteloos tegen zijn hoed tikte om zijne aandacht te trekken, terwijl hij te voet naast zijn meester mededraafde, gereed om zijn stijgbeugel te houden als hij moest afstappen.“Zie, daar is hij!” riep een van deze twee vrouwen, een oud wijf, dat haar verschrompelden arm uitstak om hem aan hare gezellin te wijzen, eene jonge vrouw, die naast haar stond, evenals zij zelf in eene poort verscholen.Op deze waarschuwing harer moeder, keek de dochter van Vrouw Brown uit, en wraakzucht straalde haar uit de oogen.“Ik had nooit gedacht hem weer te zien,” zeide zij met eene doffe stem; “maar het is misschien goed zoo. Ik zie! Ik zie!”—“Niet veranderd!” zeide de oude vrouw met een blik vol kwaadaardigheid.—“Hijveranderd?” antwoordde hare dochter. “Waarom? Wat heefthijgeleden? Er is verandering genoeg voor twintig bij mij. Is dat niet genoeg?”—“Zie hem daar rijden!” mompelde de oude vrouw, hare roode oogen op hare dochter vestigende, “zoo op zijn gemak, zoo mooi gekleed, te paard, en wij in het slijk!”—“En uit het slijk,” zeide de dochter ongeduldig. “Wij zijn slijk onder de hoeven van zijn paard. Wat zouden wij anders zijn?”In de drift, waarmede zij hem weder nakeek, maakte zij een haastig gebaar met hare hand toen de oude vrouw weder wilde spreken, alsof haar gezicht door een enkel geluid kon worden belemmerd. Hare moeder, die op haar, niet op hem lette, zweeg stil, tot de gloeiende blik harer dochter doffer werd, en zij diep ademhaalde, alsof het eene verlichting voor haar was dat zij hem niet meer zag.“Liefje!” zeide het oude wijf toen. “Alice! Mooie meid! Ally!” zij trok haar zacht bij de mouw, om haar te doen hooren. “Wilt gij hem zoo laten rijden, terwijl gij hem geld kunt afknijpen? Wel, dat is waarlijk zonde.”—“Heb ik u niet gezegd, dat ik geen geld van hem wil hebben?” antwoordde de dochter. “En gelooft ge mij nog niet? Heb ik zijn zusters geld aangenomen? Zou ik een stuiver aanraken, met mijn weten, die door zijne witte handen was gegaan—of het moest wezen dat ik het stuk koper kon vergiftigen en hem terugzenden? Houd u stil, moeder, en kom mee!”—“En hij zoo rijk?” mompelde de oude vrouw, “en wij zoo arm?”—“Arm, omdat wij hem het kwaad niet kunnen betalen dat wij hem schuldig zijn,” antwoordde de dochter. “Laat hij mij die soort van rijkdom geven, en ik zal ze aannemen en gebruiken. Kom voort. Het helpt niet of wij naar zijn paard staan te kijken. Kom voort, moeder.”Maar de oude vrouw, voor wie het schouwspel van Rob den Slijper, die met het ledige paard de straat weder afkwam, iets bijzonder belangrijks scheen te hebben, bleef met den grootsten ernst naar dien jongeling turen, en daar de twijfelingen, die zij nu mocht koesteren, bij zijne nadering schenen te worden opgelost, zag zij hare dochter met verhelderde oogen aan, legde een vinger op hare lippen, trad, toen hij voorbijkwam, de poort uit, en tikte hem op den schouder.“Wel, waar is de vroolijke Rob al dien tijd geweest?” zeide zij, toen hij omkeek.De vroolijke Rob, wiens vroolijkheid door deze begroeting zeer verminderd werd, keek zeer ontsteld, en zeide, terwijl het water hem in de oogen kwam:“Och, waarom kunt gij een armen jongen niet met vrede laten, Vrouw Brown, nu hij een eerlijk bestaan heeft en zich ordelijk gedraagt? Wat behoeft gij iemand van zijn goeden naam te berooven, door hem op straat aan te spreken, als hij zijn meesters paard naar een eerlijken stal brengt,—een paard dat gij voor honden en kattenkost zoudt verkoopen als ge maar kondt. Wel, ik dacht,” zeide de Slijper, alsof dit laatste het toppunt van zijn leed was, “dat gij al lang dood waart!”—“Dat is de manier,” zeide het oude wijf, zich naar hare dochter omkeerende, “waarop hij met mij spreekt, die hem weken en maanden achtereen[316]gekend heb, liefje, en hem zoo dikwijls heb bijgestaan, onder de duivenmelkers en vogelvangers.”—“Zwijg van de vogels, Vrouw Brown!” antwoordde Rob, op een toon van bitter verdriet. “Ik geloof dat iemand zich liever met leeuwen moest ophouden, dan met die beestjes, want zij vliegen u altijd weer in het gezicht, als gij er het minst om denkt.—Wel, hoe vaart gij, en wat moet gij hebben?” Deze beleefde vragen werden door Rob als het ware onder protest en met groote scherpheid uitgesproken.—“Hoor eens hoe hij tegen eene oude vriendin spreekt, liefje!” zeide Vrouw Brown, zich weder op hare dochter beroepende. “Maar er zijn sommige oude vrienden van hem, die zooveel geduld niet hebben als ik. Als ik sommigen, die hij wel kent, en met wie hij op het een en ander uit is geweest, zeide waar zij hem konden vinden …”—“Wilt gij uw mond wel houden, Vrouw Brown,” viel de ongelukkige Slijper er op in, snel in het rond kijkende, alsof hij dacht zijn meesters tanden achter hem te zien glinsteren. “Waarom hebt gij pleizier om iemand te ruïneeren? en dat op uwe jaren, als gij aan allerlei dingen moest denken!”—“Wat een mooi paard,” zeide de oude vrouw, het dier op den hals kloppende.—“Blijf van hem af, Vrouw Brown!” riep Rob, hare hand wegduwende. “Wel, gij zijt in staat om een boetvaardigen jongen razend te maken.”—“Wel, wat doe ik hem voor kwaad, kind?” antwoordde de oude vrouw.—“Kwaad?” zeide Rob. “Hij heeft een meester, die het merken zou, als hij met een strootje werd aangeraakt.” En hij blies op de plek waar de hand der oude vrouw voor een oogenblik had gerust, en streek ze zachtjes met zijn vinger glad, alsof hij ernstig geloofde wat hij zeide.De oude vrouw, naar hare dochter omkijkende en mommelende, bleef Rob, die met het paard aan den teugel voortstapte, dicht achterop en vervolgde het gesprek,“Eene goede plaats, Rob, he?” zeide zij. “Gij hebt fortuin, mijn jongen.”—“Och, praat niet van fortuin, Vrouw Brown,” antwoordde de rampzalige Rob, omkijkende en stilstaande. “Als gij nooit gekomen waart, of nu maar heen woudt gaan, dan zou iemand denken, dat hij fortuin had. Kunt gij dan niet heengaan en mij niet naloopen, Vrouw Brown!” zeide Rob, eensklaps huilende, en toch van wanhoop stout wordende. “Als die jonge vrouw eene vriendin van u is, waarom brengt zij u dan niet weg, in plaats van u zoo schandelijk te laten aanstellen!”—“Wat,” krijschte de oude vrouw, haar gezicht met een kwaadaardigen grijns vlak voor het zijne duwende. “Wilt gij uwe oude vriendin niet meer kennen! Hebt ge niet vijftigmaal in mijn huis gescholen, en gerust in een hoekje geslapen, als gij anders geen ander bed zoudt gehad hebben dan de straatsteenen, en praat ge nuzootegen mij! Heb ik niet met u gekwanseld en u met mijne negotie voortgeholpen, toen ge nog een schooljongen waart, en later toen gij van allerlei waart, en wilt gij mij nu zoo maar afschepen? Zou ik niet tegen morgenochtend een troep kennissen kunnen roepen, die u zouden volgen als uwe eigene schaduw, en wilt ge nu brutaal tegen mij zijn? Ik ga al heen. Kom, Alice!”—“Wacht toch wat, Vrouw Brown!” riep de angstige Rob. “Wat gaat ge doen! Maak u maar niet kwaad! Laat haar toch niet gaan! Ik heb het niet kwaad gemeend. Ik heb immers eerst gezegd: “Hoe vaart ge?” Deed ik dat niet? Maar gij woudt niet antwoorden: “Hoe vaartgij?” Buitendien,” zeide Rob jammerend, “kijk eens hier, hoe kan een jongen op straat blijven staan praten met zijn meesters paard, dat afgepoetst moet worden, en een meester die alles weet wat er gebeurt!”De oude vrouw veinsde eenigszins bevredigd te zijn, maar schudde toch haar hoofd en mompelde nog.“Kom mee naar den stal en neem een glas van wat u zal goeddoen, Vrouw Brown,” zeide Rob, “in plaats van zoo aan te gaan, dat u niet goeddoet en niemand anders. Kom met haar mee, als ge zoo goed wilt zijn,” vervolgde hij. “Het zou mij waarlijk pleizier doen haar te zien, als het niet om het paard was.”Met deze verontschuldiging keerde Rob zich om (een jammerlijk beeld der wanhoop) en ging met het paard eene zijstraat in. De oude vrouw, tegen hare dochter mompelende, volgde hem dicht achterop. De dochter volgde haar.Op een stil pleintje gekomen, waaraan zich een kerktoren en eenige pakhuizen verhieven, gaf Rob het paard aan den knecht uit een stal in den hoek; en Vrouw Brown en hare dochter uitnoodigende om zich op eene steenen bank naast de deur neer te zetten, kwam hij spoedig uit eene naburige herberg terug, met een tinnen maatje en een glas.“Dat is op uw meester—mijnheer Carker, kind!” zeide de oude vrouw langzaam eer zij dronk. “Zegen hem.”—“Wel, ik heb u immers nog niet gezegd wie het was!” zeide Rob, met starende oogen.—“Wij kennen hem van aanzien,” zeide Vrouw Brown. “Wij zagen hem van morgen voorbijrijden, eer hij van zijn paard stapte, toen gij bij de hand waart om het over te nemen.”—“Zoo, zoo?” zeide Rob, en scheen wel te wenschen, dat hij dien ochtend niet zoo bij de hand was geweest. “Wat scheelt haar? Wil zij niet drinken?”Deze vraag betrof Alice, die, in haar mantel gewikkeld, stil bleef zitten en deed alsof zij het aanbod van het weder gevulde glas niet opmerkte.De oude vrouw schudde haar hoofd. “Laat haar maar blijven,” zeide zij, “zij is een zonderling[317]schepsel, Rob. Maar mijnheer Carker.…”“St!” zeide Rob, angstig naar de pakhuizen opziende, alsof zijn meester daar wel uit het venster kon kijken. “Zachtjes!”—“Wel, hij is immers niet hier,” zeide Vrouw Brown.—“Dat weet ik nog niet,” antwoordde Rob, wiens oogen ook naar den kerktoren dwaalden, alsof hij wel daar omhoog kon zitten, met een bovennatuurlijk gehoor begaafd.—“Goede meester?” vroeg Vrouw Brown.Rob knikte, en voegde er zacht bij: “Verduiveld bij de hand.”“Woont buiten de stad, niet waar?” zeide de oude vrouw.—“Als hij thuis is,” antwoordde Rob; “maar wij wonen nu niet thuis.”—“Waar dan?” zeide de vrouw.—“Op kamers, daar dicht bij mijnheer Dombey,” antwoordde Rob.De jonge vrouw zag hem eensklaps zoo scherp uitvorschend aan, dat Rob er van ontstelde en haar nog eens het glas aanbood, maar even nutteloos als te voren.“Mijnheer Dombey,” hervatte Rob, zich weder naar Vrouw Brown keerende. “Wij hebben wel meer van hem gesproken. Gij placht dikwijls naar hem te vragen.”De oude vrouw knikte.“Wel, mijnheer Dombey heeft een val van zijn paard gedaan,” zeide Rob, “en mijn meester moet daar nu meer wezen dan gewoonlijk, bij hem, of bij mevrouw Dombey, of bij anderen, en zoo zijn wij naar de stad gekomen.”—“Zijn zij goede vrienden?” vroeg de oude vrouw.—“Wie?” zeide Rob.—“Hij en zij?”—“Wat, mijnheer en mevrouw Dombey?” zeide Rob. “Hoe zou ik dat weten.”—“Die niet—uw meester en mevrouw Dombey, lievert,” zeide de oude vrouw fleemend.—“Dat weet ik niet,” antwoordde Rob, weder rondkijkende. “Ik denk wel van ja. Wat zijt ge nieuwsgierig, Vrouw Brown! Die niet veel zegt heeft niet veel te verantwoorden.”—“Wel, daar steekt geen kwaad in,” zeide de oude vrouw met een lach, in hare handen klappende. “Mijn vroolijke Rob is tam geworden sedert hij het zoo goed heeft. Daar steekt geen kwaad in.”—“Neen, daar steekt geen kwaad in, dat weet ik wel,” zeide Rob, met denzelfden wantrouwigen blik naar de pakhuizen en de kerk, “maar babbelen gaat niet bij mijn meester. Iemand zou zich maar beter verdrinken. Dat zegt hij zelf. Ik zou u niet eens gezegd hebben, hoe hij heette, als gij het niet geweten hadt. Praat over iemand anders.”Terwijl Rob nog eens angstig in het rond keek, gaf de oude vrouw hare dochter een geheimen wenk. Deze wendde daarop hare oogen van den jongen af en bleef stil zitten luisteren.“Rob, lievert!” zeide de oude vrouw, hem wenkende om op het andere einde van de bank te komen zitten. “Ge zijt altijd een gunsteling en lieveling van mij geweest. Weet ge dat niet meer? Dat weet gij immers wel?”—“Ja wel, Vrouw Brown,” antwoordde Rob zeer stroef.—“En gij kondt mij verlaten!” zeide de oude vrouw, hare armen om zijn hals slaande, “en zoo lang wegblijven, dat ge mij haast ontgroeid waart, zonder mij te komen zeggen, hoeveel fortuin gij hadt, trotsche jongen. Oho, oho!”—“Is het niet een ijselijk geval voor een jongen, die zulk een meester heeft,” riep de ongelukkige Slijper uit, “om zoo behuild te worden!”—“Zult ge mij niet eens komen opzoeken, Robby?” riep Vrouw Brown. “Oho, zult ge mij niet eens komen opzoeken?”—“Ja, zeg ik u. Ja, dat zal ik,” antwoordde Rob.—“Nu herken ik mijn Rob weer! dat is mijn lievert weer!” zeide Vrouw Brown, de tranen van haar gerimpeld gezicht vegende en hem een teederen druk gevende. “Aan het oude huis, Rob?”—“Ja,” antwoordde hij.—“Gauw, Roblief?” zeide Vrouw Brown, “en dikwijls?”—“Ja, ja, ja,” antwoordde Rob. “Dat zal ik waarlijk, bij mijne ziel en bij mijn lichaam.”—“En dan,” zeide Vrouw Brown, hare armen opstekende en haar in den nek geworpen hoofd schuddende, “als hij zijn woord houdt, zal ik nooit naar hem toekomen, al weet ik waar hij is, en zal ik nooit een woord van hem spreken. Nooit!”Deze uitroeping scheen een droppel troost voor den ongelukkigen Slijper te zijn, die Vrouw Brown de hand daarop gaf en met tranen in de oogen bad, om hem nu te verlaten en zijne vooruitzichten niet te bederven. Met nog eene teedere omhelzing bewilligde Vrouw Brown hierin; maar juist toen zij hare dochter zou volgen, keerde zij zich weder om, en tersluiks haar vinger opstekende, vroeg zij schor fluisterende om geld.“Een schelling, lievert!” zeide zij, met haar begeerig gezicht, “of maar een halve! Van oudekenniswege! Ik ben zoo arm; en mijne mooie dochter,” over haar schouder omziende,—“zij is mijne dochter, Rob,—laat mij half honger lijden.”Maar toen Rob haar schoorvoetend een stuk geld gaf, kwam hare dochter stil terug, greep hare hand en ontwrong het haar.“Wat, moeder!” zeide zij. “Altijd geld! Geld van het eerste tot het laatste! Onthoudt ge zoo weinig wat ik zoo even gezegd heb? Daar! Neem aan!”De oude vrouw slaakte een kermenden zucht toen het geld teruggegeven werd, maar verzette zich verder niet daartegen, en strompelde naast hare dochter het pleintje over en de straat in. Rob, die de twee angstig nakeek, zag dat zij weldra bleven stilstaan en een ernstig gesprek begonnen, en meer dan eens lette hij op eene dreigende beweging van de hand der jonge vrouw (blijkbaar doelende op iemand van wien zij sprak) en eene flauwe[318]nabootsing daarvan door Vrouw Brown, welke hem ernstig deden hopen, dat hij niet het onderwerp van haar gesprek mocht wezen.Met den voorloopigen troost, dat zij nu weg waren, en met den verderen troost in het vooruitzicht dat Vrouw Brown niet altijd leven kon en waarschijnlijk niet lang meer leven zou, gaf Rob, zonder meer leedwezen over zijne wanbedrijven dan dat zij zulke onaangename toevalligheden ten gevolge hadden, zijne ontstelde trekken eene kalmere uitdrukking, door te denken aan de knapheid waarmede hij zich van kapitein Cuttle had afgemaakt (eene bedenking die zelden miste hem op te vroolijken) en ging naar het kantoor om naar de bevelen van zijn meester te vernemen.Zijn meester, zoo scherp en wakker van oog, dat Rob voor hem sidderde en meer dan half verwachtte dadelijk iets van Vrouw Brown te hooren, gaf hem de gewone doos met papieren voor mijnheer Dombey en een briefje voor mevrouw, met niets anders dan een hoofdknik daarbij, als vermaning om wel op te passen en zich te haasten—eene geheimzinnige waarschuwing, die voor Rob’s verbeelding de akeligste dreigementen deed oprijzen, en meer indruk op hem maakte, dan de woorden konden doen.Weder alleen in zijne kamer, ging Carker aan het werk en werkte den geheelen dag. Hij kreeg veel bezoek, zag een aantal documenten na, ging in en uit en heen en weder naar verschillende plaatsen van handel, en gaf zich aan geene verstrooiing meer over, voordat de bezigheden van den dag waren afgeloopen. Maar toen eindelijk de papieren op zijne tafel volgens gewoonte waren weggeruimd, verzonk hij nog eens in een mijmerend gepeins.Hij stond in zijne gewone houding op zijne gewone plaats, met zijne oogen strak op den grond gevestigd, toen zijn broeder binnenkwam om nog eenige brieven te brengen. Hij legde ze stil op de tafel en wilde terstond weder heengaan, toen Carker, de chef, wiens oogen bij zijn binnenkomen op hem waren blijven rusten, alsof zij hem al dien tijd tot het voorwerp van beschouwing hadden gehad, in plaats van den vloer, zeide:“Wel, John Carker, wat brengtuhier?”Zijn broeder wees naar de brieven en wilde wederom heengaan.“Het verwondert mij,” zeide de ander, “dat gij zoo kunt komen en gaan, zonder te vragen hoe het met onzen meester is.”—“Wij hebben van morgen in het kantoor de boodschap gekregen, dat het met mijnheer Dombey heel wel ging,” zeide zijn broeder.—“Gij zijt zoo zoetsappig,” zeide de chef met een glimlach—“maar dat zijt gij natuurlijk met de jaren geworden—dat het u spijten zou als het slecht met hem afliep, durf ik wel zweren.” —“Waarlijk zou mij dat spijten, James,” was het antwoord.—“Het zou hem spijten!” zeide de chef, naar hem wijzende, alsof er nog iemand anders in de kamer was tot wien hij sprak. “Het zou hem waarlijk spijten. Dien broeder van mij! Dien jongsten van het kantoor; dat verschoven meubelstuk, met zijn gezicht naar den muur gestopt, als eene vermolmde schilderij, en zoo gelaten, de hemel weet hoeveel jaren lang.Hijis geheel dankbaarheid, en eerbied, en trouw ook, zou hij mij willen doen gelooven!”—“Ik wil u niets doen gelooven, James,” zeide de ander. “Wees zoo billijk voor mij, als gij voor ieder ander zoudt zijn die beneden u is. Gij hebt eene vraag gedaan, en ik heb antwoord gegeven.”—“Hebt gij dan in niets over hem te klagen, gij lafaard?” zeide de chef met buitengewone opvliegendheid. “Geene trotsche behandeling, geene onbeschoftheid, geen pronken met zijne grootheid! geene kwellingen van allerlei soort om hem betaald te zetten! Wat duivel, zijt gij een man of eene muis?”—“Het zou vreemd wezen, als menschen zooveel jaren bij elkander konden zijn, inzonderheid als meerdere en ondergeschikte, zonder dat beiden over iets bij elkander te klagen hadden—ten minste meenden dat te hebben,” antwoordde John Carker. “Maar buiten mijne geschiedenis hier …”—“Zijne geschiedenis hier!” riep de chef uit. “Ja, daar zit het. Juist de omstandigheid die hem in het eene tot eene uitzondering maakt, maakt hem dat in alles. Wel!”—“Buiten die omstandigheid, die mij, gelijk ge mij doet gevoelen, eene reden tot dankbaarheid geeft, zooals ik (gelukkig voor al de anderen) alleen maar heb, is er zeker niemand op het kantoor die niet ten minste evenveel zou zeggen en gevoelen. Gij denkt toch niet, dat er iemand hier is, wien het onverschillig zou zijn, als het hoofd van het kantoor een ongeluk overkwam, of wien dat niet waarlijk zou spijten?”—“Gij hebt goede reden om aan hem verknocht te zijn,” zeide de chef met minachting. “Wel, gelooft gij dan niet dat gij hier gehouden wordt als eene goedkoope waarschuwing, en als een uitstekend voorbeeld der genadigheid van Dombey en Zoon, hetwelk dat doorluchtige huis tot eer moet strekken?”—“Neen,” antwoordde zijn broeder zachtmoedig, “ik heb lang geloofd, dat ik om meer welwillende en belangelooze redenen hier word gehouden.”—“Maar gij woudt eene Christelijke spreuk te pas brengen, heb ik opgemerkt,” zeide de chef, thans meer met den grijns van een tijger dan van eene kat.—“Neen, James” zeide de ander, “hoewel de broederband tusschen ons lang gebroken is …”—“Wie heeft dien gebroken, mijn goede heer?” zeide de chef.—“Ik, door mijn wangedrag. Ik wijt het u niet.”De chef antwoordde door de sprakelooze beweging[319]van zijn uitgerekten mond: “Zoo, gij wijt dat mij niet?” en beval hem voort te gaan.“Ik zeg, hoewel er geen band tusschen ons bestaat, bid ik u, doe mij toch geene noodelooze vernederingen aan, en leg datgene, wat ik zeg of zeggen wilde, niet verkeerd uit. Ik wilde u maar onder het oog brengen, dat gij u vergissen zoudt met te denken, dat gij, die boven anderen bevorderd en onderscheiden zijt (in het begin, dat weet ik, om uwe bekwaamheden en uw gedrag uitgekozen) en die vrijer dan iemand anders met mijnheer Dombey omgaat, en men mag zeggen op gelijken voet met hem staat, en door hem begunstigd en verrijkt zijt—dat gij u vergissen zoudt met te denken, dat gij de eenige zijt die bezorgd is voor zijn welzijn en zijne eer. Er is niemand op het kantoor, van u zelven af tot den laagsten, geloof ik oprecht, die niet in dat gevoel deelt.”—“Gij liegt!” zeide de chef, plotseling rood van gramschap. “Gij zijt een huichelaar, John Carker, en gij liegt!”—“James!” riep de ander uit, op zijne beurt rood wordende. “Wat meent gij met zulke beleedigende woorden? Hoe kunt gij zoo laag zijn om ze mij ongetergd toe te voegen?”—“Ik zeg u,” antwoordde de chef, “dat ik uwe huichelarij en zoetsappigheid—en al de huichelarij en zoetsappigheid hier—niet zooveel tel,” daarbij knipte hij met duim en vinger, “en dat ik er mij niet door laat blinddoeken. Er is niemand hier, tusschen mij en den laagsten (van wien gij met reden zoo uitdrukkelijk spreekt, want hij is niet veraf) die in zijn hart niet verheugd zou zijn, als hij zijn meester vernederd zag, die hem niet heimelijk haat, die hem niet veeleer kwaad dan goed wenscht, die zich niet tegen hem zou keeren, als hij maar macht en moed genoeg had. Hoe dichter bij zijne gunst, des te dichter bij zijne insolentie, hoe dichter bij hem, des te verder van hem af. Zoo denkt men hier!”—“Ik weet niet,” zeide zijn broeder, wiens opgewekte drift spoedig voor verwondering had plaats gemaakt, “wie u zulke gedachten mag hebben ingefluisterd, of waarom gij mij gekozen hebt om op de proef te stellen, liever dan een ander. Maar dat gij mij op de proef stelt en mij wilt uitlokken, zie ik nu duidelijk. Uw toon en uitzicht zijn geheel anders, dan ik ooit van u heb gezien. Ik zal u alleen nog maar zeggen, dat gij bedrogen wordt.”—“Dat weet ik wel,” zeide de chef.“Dat heb ik u zelf al gezegd.”—“Niet door mij,” antwoordde zijn broeder. “Door uw berichtgever, als gij er een hebt; zoo niet, door uwe eigene gedachten en vermoedens.”—“Ik heb geene vermoedens,” zeide de chef. “Mijne vermoedens zijn zekerheden. Gij laffe, kruipende honden, die allen dezelfde vertooning maakt, allen dezelfde betuigingen uitjankt, allen hetzelfde doorzichtige geheim wilt verbergen.”Zijn broeder ging heen zonder iets meer te zeggen, en sloot bij de laatste woorden de deur. Carker de chef schoof een stoel dicht bij het vuur, en ging met den pook zachtjes op de kolen zitten tikken.“De flauwhartige, fleemerige pluimstrijkers!” prevelde hij, zijne beide rijen blinkende tanden toonende. “Er is er geen een onder, die zich niet houden zou alsof hij ontsteld en geërgerd was—Bah! er is er geen een onder, die, als hij de macht maar had, en verstand en moed om ze te gebruiken, Dombey’s trots niet met zoo weinig verschooning zou vernederen en vergruizen, als ik deze asch uitrakel.”Terwijl hij ze onder den rooster strooide, keek hij met een peinzenden glimlach naar zijn misdrijf. “En dat zonder dat zulk eene koningin hem wenkte!” voegde hij er weldra bij. “En, daar is ook trots—niet te vergeten—getuige onze eigene kennisgeving!” Daarmede zonk hij in nog dieper gepeins, en bleef zoo mijmerend voor het uitgebrande vuur zitten, tot hij opstond evenals iemand die zich in een boek had verdiept; hij keek rond, nam zijn hoed en zijne handschoenen, ging naar de plaats waar zijn paard hem wachtte, steeg op en reed voort door de verlichte straten—want het was nu avond.Hij reed naar Dombey’s huis, liet, toen hij dit naderde, zijn paard stappen, en keek naar de vensters op. Het venster, waarvoor hij eens Florence met haar hond had gezien, trok het eerst zijne aandacht, hoewel het niet verlicht was; maar hij glimlachte terwijl hij zijne oogen langs den hoogen gevel liet gaan, en scheen dat voorwerp met minachting achter te laten.“Er was een tijd,” zeide hij, “toen het goed was zelfs op uwe kleine opkomende ster te letten, en te weten in welken hoek er wolken waren, om u, zoo noodig schaduw te geven. Maar er is een planeet opgekomen, en gij zijt in haar licht verloren.”Hij wendde zijn paard den hoek van de zijstraat om, en zocht naar een verlicht venster aan den achterkant van het huis. Dit deed hem denken aan zekere statige gedaante, en aan eene gehandschoende hand; en zich herinneren hoe de vederen uit de vlerk van een schitterenden vogel op den grond gestrooid waren, en hoe het witte dons om zekeren hals zich bewogen had alsof er in de verte een stormwind opkwam. Dit waren de dingen die hij medenam, toen hij weder omkeerde en snel door de donkere en verlatene parken reed.De noodlottige waarheid was dat hij dacht aan eene vrouw, eene trotsche vrouw, die hem haatte, maar die er door zijne list en haar trots met langzame maar zekere schreden toe gebracht was om zijn gezelschap te verduren, en hem te ontvangen als iemand, die het voorrecht had om haar van haar uitdagenden wrok tegen haar eigen man en van hare onverschilligheid[320]voor hare eigene achting te spreken. Hij dacht aan eene vrouw, die hem gloeiend haatte, en die hem kende, en die hem wantrouwde, omdat zij hem kende, en omdat hij haar kende; maar die haar woesten wrok voedsel gaf door hem dagelijks nader en nader te laten komen, in spijt van den haat dien zij tegen hem koesterde. In spijt daarvan! Juist uit hoofde van dien haat, omdat in eene diepte, waarin zelfs haar dreigend oog nog niet kon doordringen, hoewel zij flauw onderscheidde wat er in lag, eene gruwelijke wraak school, waarvan de minste gedachte hare ziel reeds genoeg zou bevlekt hebben, al had zij zich ook huiverend daarvan afgewend.Zweefde de schim van zulk eene vrouw met hem mede op zijn rit? Geleek die schim naar hetgeen zij werkelijk was, en was zij voor hem zichtbaar?Ja. Hij zag haar in zijn geest, juist gelijk zij was. Zij vergezelde hem met haar trots, haar wrok, haar haat, even duidelijk zichtbaar voor hem als hare schoonheid—niets was voor hem duidelijker dan dat zij hem haatte. Hij zag haar somtijds trotsch en fier afwijzend voor hem staan, en somtijds voor de hoeven van zijn paard gevallen en in het stof. Maar hij zag haar altijd gelijk zij was, zonder vermomming, en sloeg haar gade op den gevaarlijken weg dien zij ging.En toen hij zich na zijn rit had verkleed, en met gebogen hoofd, zachte stem en vriendelijken glimlach hare helder verlichte kamer binnentrad, zag hij haar nog even duidelijk. Hij vermoedde zelfs het geheim der gehandschoende hand, en hield die, om dat vermoeden, des te langer in de zijne. Hij bleef haar nog bij op den gevaarlijken weg dien zij ging; en geen voetstap teekende zij daarop, of hij zette daar onmiddellijk zijn eigen voet.
Onder de verschillende kleine veranderingen in Carker’s leven en gewoonten, die in dezen tijd begonnen plaats te grijpen, was geene meer opmerkelijk dan de buitengewone vlijt waarmede hij zich op de zaken toelegde, en de stiptheid waarmede hij de aangelegenheden van het kantoor, die voor hem openlagen, in alle bijzonderheden onderzocht. Altijd vlug en knap in dit opzicht, schenen zijne oplettendheid en waakzaamheid thans twintigmaal verdubbeld. Niet alleen besteedde hij die aan ieder nieuw punt, dat elke dag hem weder in eene nieuwe gedaante voorkwam, maar te midden dezer drukke bezigheden, vond hij—dat is, maakte hij—tijd om de vroegere operatiën der firma en zijn aandeel daarin gedurende eene lange reeks van jaren na te gaan. Dikwijls wanneer de klerken allen naar huis, de kantoorvertrekken donker en ledig, en alle dergelijke plaatsen gesloten waren, deed Carker, met den geheelen inhoud van het ijzeren kamertje open voor zich, onderzoek in de geheimen van boeken en papieren, met het taaie geduld van iemand die geene moeite wil ontzien om zich met iets van het uiterste belang door en door bekend te maken. Perch de kantoorlooper, die bij zulke gelegenheden doorgaans bleef wachten, om zich bij het licht van ééne kaars met het doorlezen van prijscouranten te onderhouden, of bij het vuur in het groote kantoor te zitten dutten, met groot gevaar om ieder oogenblik met zijn hoofd in den kolenemmer te duiken, kon dezen ijver de schatting zijner bewondering niet onthouden, ofschoon zijne huiselijke genoegens daardoor zeer benadeeld werden, en weidde meer dan eens ten aanhoore zijner vrouw (die thans tweelingen zoogde) over de vlijt en knapheid van hun eersten boekhouder uit.
Dezelfde ijver en steeds klimmende aandacht, die Carker aan de zaken van het kantoor wijdde, besteedde hij ook aan zijne eigene bijzondere zaken. Hoewel geen deelgenoot in de firma—eene eer tot nog toe uitsluitend voor de erfgenamen van den grooten naam van Dombey bewaard—ontving hij toch zekere percenten van de winsten; en daar hij door het kantoor ruimschoots gelegenheid had om zijn geld voordeelig te beleggen, werd hij door de kleine hanzen onder de groote hanzen van het Oosten voor een rijk man gehouden. Men begon onder deze scherpzinnige opmerkers te zeggen dat Jem Carker, van Dombey, zijne rekening opmaakte om te zien hoeveel hij wel had, dat hij als een schrandere knaap zijn geld juist op een goeden tijd inhaalde, en men[315]wilde er op de effectenbeurs zelfs op wedden, dat Jem met eene rijke weduwe ging trouwen.
Evenwel maakten deze zorgen geene de minste inbreuk op Carker’s oplettendheid voor zijn patroon, of op de zindelijkheid, netheid, gladheid of eenige andere katachtige eigenschap, die hij bezat. Het was niet zoozeer dat er in een van zijne gewoonten eene verandering plaats had, als wel dat de geheele mensch zich scheen te vergrooten en te verdubbelen. Alles wat men voorheen bij hem had waargenomen, was ook nu waar te nemen, maar veel zichtbaarder en krachtiger. Hij deed alles alsof hij nooit iets anders deed—een tamelijk zeker teeken, bij iemand van zooveel geestkracht en bekwaamheid, dat hij iets doet dat al zijne vermogens scherpt en opwekt.
De eenige bepaalde verandering bij hem was, dat hij, als hij te paard door de straten reed, dikwijls in een mijmerend gepeins verzonk, gelijk toen hij op den dag van Dombey’s ongeluk van dezen naar huis reed. Als dit gebeurde ontweek hij werktuiglijk de belemmeringen op zijn weg, en scheen hij niets te zien of te hooren, tot hij zijne bestemming bereikte, of iets onverwachts hem uit zijne mijmering opwekte.
Aldus op zekeren dag stapvoets naar het kantoor rijdende, bespeurde hij even weinig van twee paren vrouwelijke oogen, die hem waarnamen, als van de starende oogen van Rob den Slijper, die hem, om zijne stiptheid te toonen, reeds eene straat ver van de bepaalde plaats had opgewacht, en nu vruchteloos tegen zijn hoed tikte om zijne aandacht te trekken, terwijl hij te voet naast zijn meester mededraafde, gereed om zijn stijgbeugel te houden als hij moest afstappen.
“Zie, daar is hij!” riep een van deze twee vrouwen, een oud wijf, dat haar verschrompelden arm uitstak om hem aan hare gezellin te wijzen, eene jonge vrouw, die naast haar stond, evenals zij zelf in eene poort verscholen.
Op deze waarschuwing harer moeder, keek de dochter van Vrouw Brown uit, en wraakzucht straalde haar uit de oogen.
“Ik had nooit gedacht hem weer te zien,” zeide zij met eene doffe stem; “maar het is misschien goed zoo. Ik zie! Ik zie!”—“Niet veranderd!” zeide de oude vrouw met een blik vol kwaadaardigheid.—“Hijveranderd?” antwoordde hare dochter. “Waarom? Wat heefthijgeleden? Er is verandering genoeg voor twintig bij mij. Is dat niet genoeg?”—“Zie hem daar rijden!” mompelde de oude vrouw, hare roode oogen op hare dochter vestigende, “zoo op zijn gemak, zoo mooi gekleed, te paard, en wij in het slijk!”—“En uit het slijk,” zeide de dochter ongeduldig. “Wij zijn slijk onder de hoeven van zijn paard. Wat zouden wij anders zijn?”
In de drift, waarmede zij hem weder nakeek, maakte zij een haastig gebaar met hare hand toen de oude vrouw weder wilde spreken, alsof haar gezicht door een enkel geluid kon worden belemmerd. Hare moeder, die op haar, niet op hem lette, zweeg stil, tot de gloeiende blik harer dochter doffer werd, en zij diep ademhaalde, alsof het eene verlichting voor haar was dat zij hem niet meer zag.
“Liefje!” zeide het oude wijf toen. “Alice! Mooie meid! Ally!” zij trok haar zacht bij de mouw, om haar te doen hooren. “Wilt gij hem zoo laten rijden, terwijl gij hem geld kunt afknijpen? Wel, dat is waarlijk zonde.”—“Heb ik u niet gezegd, dat ik geen geld van hem wil hebben?” antwoordde de dochter. “En gelooft ge mij nog niet? Heb ik zijn zusters geld aangenomen? Zou ik een stuiver aanraken, met mijn weten, die door zijne witte handen was gegaan—of het moest wezen dat ik het stuk koper kon vergiftigen en hem terugzenden? Houd u stil, moeder, en kom mee!”—“En hij zoo rijk?” mompelde de oude vrouw, “en wij zoo arm?”—“Arm, omdat wij hem het kwaad niet kunnen betalen dat wij hem schuldig zijn,” antwoordde de dochter. “Laat hij mij die soort van rijkdom geven, en ik zal ze aannemen en gebruiken. Kom voort. Het helpt niet of wij naar zijn paard staan te kijken. Kom voort, moeder.”
Maar de oude vrouw, voor wie het schouwspel van Rob den Slijper, die met het ledige paard de straat weder afkwam, iets bijzonder belangrijks scheen te hebben, bleef met den grootsten ernst naar dien jongeling turen, en daar de twijfelingen, die zij nu mocht koesteren, bij zijne nadering schenen te worden opgelost, zag zij hare dochter met verhelderde oogen aan, legde een vinger op hare lippen, trad, toen hij voorbijkwam, de poort uit, en tikte hem op den schouder.
“Wel, waar is de vroolijke Rob al dien tijd geweest?” zeide zij, toen hij omkeek.
De vroolijke Rob, wiens vroolijkheid door deze begroeting zeer verminderd werd, keek zeer ontsteld, en zeide, terwijl het water hem in de oogen kwam:
“Och, waarom kunt gij een armen jongen niet met vrede laten, Vrouw Brown, nu hij een eerlijk bestaan heeft en zich ordelijk gedraagt? Wat behoeft gij iemand van zijn goeden naam te berooven, door hem op straat aan te spreken, als hij zijn meesters paard naar een eerlijken stal brengt,—een paard dat gij voor honden en kattenkost zoudt verkoopen als ge maar kondt. Wel, ik dacht,” zeide de Slijper, alsof dit laatste het toppunt van zijn leed was, “dat gij al lang dood waart!”—“Dat is de manier,” zeide het oude wijf, zich naar hare dochter omkeerende, “waarop hij met mij spreekt, die hem weken en maanden achtereen[316]gekend heb, liefje, en hem zoo dikwijls heb bijgestaan, onder de duivenmelkers en vogelvangers.”—“Zwijg van de vogels, Vrouw Brown!” antwoordde Rob, op een toon van bitter verdriet. “Ik geloof dat iemand zich liever met leeuwen moest ophouden, dan met die beestjes, want zij vliegen u altijd weer in het gezicht, als gij er het minst om denkt.—Wel, hoe vaart gij, en wat moet gij hebben?” Deze beleefde vragen werden door Rob als het ware onder protest en met groote scherpheid uitgesproken.—“Hoor eens hoe hij tegen eene oude vriendin spreekt, liefje!” zeide Vrouw Brown, zich weder op hare dochter beroepende. “Maar er zijn sommige oude vrienden van hem, die zooveel geduld niet hebben als ik. Als ik sommigen, die hij wel kent, en met wie hij op het een en ander uit is geweest, zeide waar zij hem konden vinden …”—“Wilt gij uw mond wel houden, Vrouw Brown,” viel de ongelukkige Slijper er op in, snel in het rond kijkende, alsof hij dacht zijn meesters tanden achter hem te zien glinsteren. “Waarom hebt gij pleizier om iemand te ruïneeren? en dat op uwe jaren, als gij aan allerlei dingen moest denken!”—“Wat een mooi paard,” zeide de oude vrouw, het dier op den hals kloppende.—“Blijf van hem af, Vrouw Brown!” riep Rob, hare hand wegduwende. “Wel, gij zijt in staat om een boetvaardigen jongen razend te maken.”—“Wel, wat doe ik hem voor kwaad, kind?” antwoordde de oude vrouw.—“Kwaad?” zeide Rob. “Hij heeft een meester, die het merken zou, als hij met een strootje werd aangeraakt.” En hij blies op de plek waar de hand der oude vrouw voor een oogenblik had gerust, en streek ze zachtjes met zijn vinger glad, alsof hij ernstig geloofde wat hij zeide.
De oude vrouw, naar hare dochter omkijkende en mommelende, bleef Rob, die met het paard aan den teugel voortstapte, dicht achterop en vervolgde het gesprek,
“Eene goede plaats, Rob, he?” zeide zij. “Gij hebt fortuin, mijn jongen.”—“Och, praat niet van fortuin, Vrouw Brown,” antwoordde de rampzalige Rob, omkijkende en stilstaande. “Als gij nooit gekomen waart, of nu maar heen woudt gaan, dan zou iemand denken, dat hij fortuin had. Kunt gij dan niet heengaan en mij niet naloopen, Vrouw Brown!” zeide Rob, eensklaps huilende, en toch van wanhoop stout wordende. “Als die jonge vrouw eene vriendin van u is, waarom brengt zij u dan niet weg, in plaats van u zoo schandelijk te laten aanstellen!”—“Wat,” krijschte de oude vrouw, haar gezicht met een kwaadaardigen grijns vlak voor het zijne duwende. “Wilt gij uwe oude vriendin niet meer kennen! Hebt ge niet vijftigmaal in mijn huis gescholen, en gerust in een hoekje geslapen, als gij anders geen ander bed zoudt gehad hebben dan de straatsteenen, en praat ge nuzootegen mij! Heb ik niet met u gekwanseld en u met mijne negotie voortgeholpen, toen ge nog een schooljongen waart, en later toen gij van allerlei waart, en wilt gij mij nu zoo maar afschepen? Zou ik niet tegen morgenochtend een troep kennissen kunnen roepen, die u zouden volgen als uwe eigene schaduw, en wilt ge nu brutaal tegen mij zijn? Ik ga al heen. Kom, Alice!”—“Wacht toch wat, Vrouw Brown!” riep de angstige Rob. “Wat gaat ge doen! Maak u maar niet kwaad! Laat haar toch niet gaan! Ik heb het niet kwaad gemeend. Ik heb immers eerst gezegd: “Hoe vaart ge?” Deed ik dat niet? Maar gij woudt niet antwoorden: “Hoe vaartgij?” Buitendien,” zeide Rob jammerend, “kijk eens hier, hoe kan een jongen op straat blijven staan praten met zijn meesters paard, dat afgepoetst moet worden, en een meester die alles weet wat er gebeurt!”
De oude vrouw veinsde eenigszins bevredigd te zijn, maar schudde toch haar hoofd en mompelde nog.
“Kom mee naar den stal en neem een glas van wat u zal goeddoen, Vrouw Brown,” zeide Rob, “in plaats van zoo aan te gaan, dat u niet goeddoet en niemand anders. Kom met haar mee, als ge zoo goed wilt zijn,” vervolgde hij. “Het zou mij waarlijk pleizier doen haar te zien, als het niet om het paard was.”
Met deze verontschuldiging keerde Rob zich om (een jammerlijk beeld der wanhoop) en ging met het paard eene zijstraat in. De oude vrouw, tegen hare dochter mompelende, volgde hem dicht achterop. De dochter volgde haar.
Op een stil pleintje gekomen, waaraan zich een kerktoren en eenige pakhuizen verhieven, gaf Rob het paard aan den knecht uit een stal in den hoek; en Vrouw Brown en hare dochter uitnoodigende om zich op eene steenen bank naast de deur neer te zetten, kwam hij spoedig uit eene naburige herberg terug, met een tinnen maatje en een glas.
“Dat is op uw meester—mijnheer Carker, kind!” zeide de oude vrouw langzaam eer zij dronk. “Zegen hem.”—“Wel, ik heb u immers nog niet gezegd wie het was!” zeide Rob, met starende oogen.—“Wij kennen hem van aanzien,” zeide Vrouw Brown. “Wij zagen hem van morgen voorbijrijden, eer hij van zijn paard stapte, toen gij bij de hand waart om het over te nemen.”—“Zoo, zoo?” zeide Rob, en scheen wel te wenschen, dat hij dien ochtend niet zoo bij de hand was geweest. “Wat scheelt haar? Wil zij niet drinken?”
Deze vraag betrof Alice, die, in haar mantel gewikkeld, stil bleef zitten en deed alsof zij het aanbod van het weder gevulde glas niet opmerkte.
De oude vrouw schudde haar hoofd. “Laat haar maar blijven,” zeide zij, “zij is een zonderling[317]schepsel, Rob. Maar mijnheer Carker.…”
“St!” zeide Rob, angstig naar de pakhuizen opziende, alsof zijn meester daar wel uit het venster kon kijken. “Zachtjes!”—“Wel, hij is immers niet hier,” zeide Vrouw Brown.—“Dat weet ik nog niet,” antwoordde Rob, wiens oogen ook naar den kerktoren dwaalden, alsof hij wel daar omhoog kon zitten, met een bovennatuurlijk gehoor begaafd.—“Goede meester?” vroeg Vrouw Brown.
Rob knikte, en voegde er zacht bij: “Verduiveld bij de hand.”
“Woont buiten de stad, niet waar?” zeide de oude vrouw.—“Als hij thuis is,” antwoordde Rob; “maar wij wonen nu niet thuis.”—“Waar dan?” zeide de vrouw.—“Op kamers, daar dicht bij mijnheer Dombey,” antwoordde Rob.
De jonge vrouw zag hem eensklaps zoo scherp uitvorschend aan, dat Rob er van ontstelde en haar nog eens het glas aanbood, maar even nutteloos als te voren.
“Mijnheer Dombey,” hervatte Rob, zich weder naar Vrouw Brown keerende. “Wij hebben wel meer van hem gesproken. Gij placht dikwijls naar hem te vragen.”
De oude vrouw knikte.
“Wel, mijnheer Dombey heeft een val van zijn paard gedaan,” zeide Rob, “en mijn meester moet daar nu meer wezen dan gewoonlijk, bij hem, of bij mevrouw Dombey, of bij anderen, en zoo zijn wij naar de stad gekomen.”—“Zijn zij goede vrienden?” vroeg de oude vrouw.—“Wie?” zeide Rob.—“Hij en zij?”—“Wat, mijnheer en mevrouw Dombey?” zeide Rob. “Hoe zou ik dat weten.”—“Die niet—uw meester en mevrouw Dombey, lievert,” zeide de oude vrouw fleemend.—“Dat weet ik niet,” antwoordde Rob, weder rondkijkende. “Ik denk wel van ja. Wat zijt ge nieuwsgierig, Vrouw Brown! Die niet veel zegt heeft niet veel te verantwoorden.”—“Wel, daar steekt geen kwaad in,” zeide de oude vrouw met een lach, in hare handen klappende. “Mijn vroolijke Rob is tam geworden sedert hij het zoo goed heeft. Daar steekt geen kwaad in.”—“Neen, daar steekt geen kwaad in, dat weet ik wel,” zeide Rob, met denzelfden wantrouwigen blik naar de pakhuizen en de kerk, “maar babbelen gaat niet bij mijn meester. Iemand zou zich maar beter verdrinken. Dat zegt hij zelf. Ik zou u niet eens gezegd hebben, hoe hij heette, als gij het niet geweten hadt. Praat over iemand anders.”
Terwijl Rob nog eens angstig in het rond keek, gaf de oude vrouw hare dochter een geheimen wenk. Deze wendde daarop hare oogen van den jongen af en bleef stil zitten luisteren.
“Rob, lievert!” zeide de oude vrouw, hem wenkende om op het andere einde van de bank te komen zitten. “Ge zijt altijd een gunsteling en lieveling van mij geweest. Weet ge dat niet meer? Dat weet gij immers wel?”—“Ja wel, Vrouw Brown,” antwoordde Rob zeer stroef.—“En gij kondt mij verlaten!” zeide de oude vrouw, hare armen om zijn hals slaande, “en zoo lang wegblijven, dat ge mij haast ontgroeid waart, zonder mij te komen zeggen, hoeveel fortuin gij hadt, trotsche jongen. Oho, oho!”—“Is het niet een ijselijk geval voor een jongen, die zulk een meester heeft,” riep de ongelukkige Slijper uit, “om zoo behuild te worden!”—“Zult ge mij niet eens komen opzoeken, Robby?” riep Vrouw Brown. “Oho, zult ge mij niet eens komen opzoeken?”—“Ja, zeg ik u. Ja, dat zal ik,” antwoordde Rob.—“Nu herken ik mijn Rob weer! dat is mijn lievert weer!” zeide Vrouw Brown, de tranen van haar gerimpeld gezicht vegende en hem een teederen druk gevende. “Aan het oude huis, Rob?”—“Ja,” antwoordde hij.—“Gauw, Roblief?” zeide Vrouw Brown, “en dikwijls?”—“Ja, ja, ja,” antwoordde Rob. “Dat zal ik waarlijk, bij mijne ziel en bij mijn lichaam.”—“En dan,” zeide Vrouw Brown, hare armen opstekende en haar in den nek geworpen hoofd schuddende, “als hij zijn woord houdt, zal ik nooit naar hem toekomen, al weet ik waar hij is, en zal ik nooit een woord van hem spreken. Nooit!”
Deze uitroeping scheen een droppel troost voor den ongelukkigen Slijper te zijn, die Vrouw Brown de hand daarop gaf en met tranen in de oogen bad, om hem nu te verlaten en zijne vooruitzichten niet te bederven. Met nog eene teedere omhelzing bewilligde Vrouw Brown hierin; maar juist toen zij hare dochter zou volgen, keerde zij zich weder om, en tersluiks haar vinger opstekende, vroeg zij schor fluisterende om geld.
“Een schelling, lievert!” zeide zij, met haar begeerig gezicht, “of maar een halve! Van oudekenniswege! Ik ben zoo arm; en mijne mooie dochter,” over haar schouder omziende,—“zij is mijne dochter, Rob,—laat mij half honger lijden.”
Maar toen Rob haar schoorvoetend een stuk geld gaf, kwam hare dochter stil terug, greep hare hand en ontwrong het haar.
“Wat, moeder!” zeide zij. “Altijd geld! Geld van het eerste tot het laatste! Onthoudt ge zoo weinig wat ik zoo even gezegd heb? Daar! Neem aan!”
De oude vrouw slaakte een kermenden zucht toen het geld teruggegeven werd, maar verzette zich verder niet daartegen, en strompelde naast hare dochter het pleintje over en de straat in. Rob, die de twee angstig nakeek, zag dat zij weldra bleven stilstaan en een ernstig gesprek begonnen, en meer dan eens lette hij op eene dreigende beweging van de hand der jonge vrouw (blijkbaar doelende op iemand van wien zij sprak) en eene flauwe[318]nabootsing daarvan door Vrouw Brown, welke hem ernstig deden hopen, dat hij niet het onderwerp van haar gesprek mocht wezen.
Met den voorloopigen troost, dat zij nu weg waren, en met den verderen troost in het vooruitzicht dat Vrouw Brown niet altijd leven kon en waarschijnlijk niet lang meer leven zou, gaf Rob, zonder meer leedwezen over zijne wanbedrijven dan dat zij zulke onaangename toevalligheden ten gevolge hadden, zijne ontstelde trekken eene kalmere uitdrukking, door te denken aan de knapheid waarmede hij zich van kapitein Cuttle had afgemaakt (eene bedenking die zelden miste hem op te vroolijken) en ging naar het kantoor om naar de bevelen van zijn meester te vernemen.
Zijn meester, zoo scherp en wakker van oog, dat Rob voor hem sidderde en meer dan half verwachtte dadelijk iets van Vrouw Brown te hooren, gaf hem de gewone doos met papieren voor mijnheer Dombey en een briefje voor mevrouw, met niets anders dan een hoofdknik daarbij, als vermaning om wel op te passen en zich te haasten—eene geheimzinnige waarschuwing, die voor Rob’s verbeelding de akeligste dreigementen deed oprijzen, en meer indruk op hem maakte, dan de woorden konden doen.
Weder alleen in zijne kamer, ging Carker aan het werk en werkte den geheelen dag. Hij kreeg veel bezoek, zag een aantal documenten na, ging in en uit en heen en weder naar verschillende plaatsen van handel, en gaf zich aan geene verstrooiing meer over, voordat de bezigheden van den dag waren afgeloopen. Maar toen eindelijk de papieren op zijne tafel volgens gewoonte waren weggeruimd, verzonk hij nog eens in een mijmerend gepeins.
Hij stond in zijne gewone houding op zijne gewone plaats, met zijne oogen strak op den grond gevestigd, toen zijn broeder binnenkwam om nog eenige brieven te brengen. Hij legde ze stil op de tafel en wilde terstond weder heengaan, toen Carker, de chef, wiens oogen bij zijn binnenkomen op hem waren blijven rusten, alsof zij hem al dien tijd tot het voorwerp van beschouwing hadden gehad, in plaats van den vloer, zeide:
“Wel, John Carker, wat brengtuhier?”
Zijn broeder wees naar de brieven en wilde wederom heengaan.
“Het verwondert mij,” zeide de ander, “dat gij zoo kunt komen en gaan, zonder te vragen hoe het met onzen meester is.”—“Wij hebben van morgen in het kantoor de boodschap gekregen, dat het met mijnheer Dombey heel wel ging,” zeide zijn broeder.—“Gij zijt zoo zoetsappig,” zeide de chef met een glimlach—“maar dat zijt gij natuurlijk met de jaren geworden—dat het u spijten zou als het slecht met hem afliep, durf ik wel zweren.” —“Waarlijk zou mij dat spijten, James,” was het antwoord.—“Het zou hem spijten!” zeide de chef, naar hem wijzende, alsof er nog iemand anders in de kamer was tot wien hij sprak. “Het zou hem waarlijk spijten. Dien broeder van mij! Dien jongsten van het kantoor; dat verschoven meubelstuk, met zijn gezicht naar den muur gestopt, als eene vermolmde schilderij, en zoo gelaten, de hemel weet hoeveel jaren lang.Hijis geheel dankbaarheid, en eerbied, en trouw ook, zou hij mij willen doen gelooven!”—“Ik wil u niets doen gelooven, James,” zeide de ander. “Wees zoo billijk voor mij, als gij voor ieder ander zoudt zijn die beneden u is. Gij hebt eene vraag gedaan, en ik heb antwoord gegeven.”—“Hebt gij dan in niets over hem te klagen, gij lafaard?” zeide de chef met buitengewone opvliegendheid. “Geene trotsche behandeling, geene onbeschoftheid, geen pronken met zijne grootheid! geene kwellingen van allerlei soort om hem betaald te zetten! Wat duivel, zijt gij een man of eene muis?”—“Het zou vreemd wezen, als menschen zooveel jaren bij elkander konden zijn, inzonderheid als meerdere en ondergeschikte, zonder dat beiden over iets bij elkander te klagen hadden—ten minste meenden dat te hebben,” antwoordde John Carker. “Maar buiten mijne geschiedenis hier …”—“Zijne geschiedenis hier!” riep de chef uit. “Ja, daar zit het. Juist de omstandigheid die hem in het eene tot eene uitzondering maakt, maakt hem dat in alles. Wel!”—“Buiten die omstandigheid, die mij, gelijk ge mij doet gevoelen, eene reden tot dankbaarheid geeft, zooals ik (gelukkig voor al de anderen) alleen maar heb, is er zeker niemand op het kantoor die niet ten minste evenveel zou zeggen en gevoelen. Gij denkt toch niet, dat er iemand hier is, wien het onverschillig zou zijn, als het hoofd van het kantoor een ongeluk overkwam, of wien dat niet waarlijk zou spijten?”—“Gij hebt goede reden om aan hem verknocht te zijn,” zeide de chef met minachting. “Wel, gelooft gij dan niet dat gij hier gehouden wordt als eene goedkoope waarschuwing, en als een uitstekend voorbeeld der genadigheid van Dombey en Zoon, hetwelk dat doorluchtige huis tot eer moet strekken?”—“Neen,” antwoordde zijn broeder zachtmoedig, “ik heb lang geloofd, dat ik om meer welwillende en belangelooze redenen hier word gehouden.”—“Maar gij woudt eene Christelijke spreuk te pas brengen, heb ik opgemerkt,” zeide de chef, thans meer met den grijns van een tijger dan van eene kat.—“Neen, James” zeide de ander, “hoewel de broederband tusschen ons lang gebroken is …”—“Wie heeft dien gebroken, mijn goede heer?” zeide de chef.—“Ik, door mijn wangedrag. Ik wijt het u niet.”
De chef antwoordde door de sprakelooze beweging[319]van zijn uitgerekten mond: “Zoo, gij wijt dat mij niet?” en beval hem voort te gaan.
“Ik zeg, hoewel er geen band tusschen ons bestaat, bid ik u, doe mij toch geene noodelooze vernederingen aan, en leg datgene, wat ik zeg of zeggen wilde, niet verkeerd uit. Ik wilde u maar onder het oog brengen, dat gij u vergissen zoudt met te denken, dat gij, die boven anderen bevorderd en onderscheiden zijt (in het begin, dat weet ik, om uwe bekwaamheden en uw gedrag uitgekozen) en die vrijer dan iemand anders met mijnheer Dombey omgaat, en men mag zeggen op gelijken voet met hem staat, en door hem begunstigd en verrijkt zijt—dat gij u vergissen zoudt met te denken, dat gij de eenige zijt die bezorgd is voor zijn welzijn en zijne eer. Er is niemand op het kantoor, van u zelven af tot den laagsten, geloof ik oprecht, die niet in dat gevoel deelt.”—“Gij liegt!” zeide de chef, plotseling rood van gramschap. “Gij zijt een huichelaar, John Carker, en gij liegt!”—“James!” riep de ander uit, op zijne beurt rood wordende. “Wat meent gij met zulke beleedigende woorden? Hoe kunt gij zoo laag zijn om ze mij ongetergd toe te voegen?”—“Ik zeg u,” antwoordde de chef, “dat ik uwe huichelarij en zoetsappigheid—en al de huichelarij en zoetsappigheid hier—niet zooveel tel,” daarbij knipte hij met duim en vinger, “en dat ik er mij niet door laat blinddoeken. Er is niemand hier, tusschen mij en den laagsten (van wien gij met reden zoo uitdrukkelijk spreekt, want hij is niet veraf) die in zijn hart niet verheugd zou zijn, als hij zijn meester vernederd zag, die hem niet heimelijk haat, die hem niet veeleer kwaad dan goed wenscht, die zich niet tegen hem zou keeren, als hij maar macht en moed genoeg had. Hoe dichter bij zijne gunst, des te dichter bij zijne insolentie, hoe dichter bij hem, des te verder van hem af. Zoo denkt men hier!”—“Ik weet niet,” zeide zijn broeder, wiens opgewekte drift spoedig voor verwondering had plaats gemaakt, “wie u zulke gedachten mag hebben ingefluisterd, of waarom gij mij gekozen hebt om op de proef te stellen, liever dan een ander. Maar dat gij mij op de proef stelt en mij wilt uitlokken, zie ik nu duidelijk. Uw toon en uitzicht zijn geheel anders, dan ik ooit van u heb gezien. Ik zal u alleen nog maar zeggen, dat gij bedrogen wordt.”—“Dat weet ik wel,” zeide de chef.“Dat heb ik u zelf al gezegd.”—“Niet door mij,” antwoordde zijn broeder. “Door uw berichtgever, als gij er een hebt; zoo niet, door uwe eigene gedachten en vermoedens.”—“Ik heb geene vermoedens,” zeide de chef. “Mijne vermoedens zijn zekerheden. Gij laffe, kruipende honden, die allen dezelfde vertooning maakt, allen dezelfde betuigingen uitjankt, allen hetzelfde doorzichtige geheim wilt verbergen.”
Zijn broeder ging heen zonder iets meer te zeggen, en sloot bij de laatste woorden de deur. Carker de chef schoof een stoel dicht bij het vuur, en ging met den pook zachtjes op de kolen zitten tikken.
“De flauwhartige, fleemerige pluimstrijkers!” prevelde hij, zijne beide rijen blinkende tanden toonende. “Er is er geen een onder, die zich niet houden zou alsof hij ontsteld en geërgerd was—Bah! er is er geen een onder, die, als hij de macht maar had, en verstand en moed om ze te gebruiken, Dombey’s trots niet met zoo weinig verschooning zou vernederen en vergruizen, als ik deze asch uitrakel.”
Terwijl hij ze onder den rooster strooide, keek hij met een peinzenden glimlach naar zijn misdrijf. “En dat zonder dat zulk eene koningin hem wenkte!” voegde hij er weldra bij. “En, daar is ook trots—niet te vergeten—getuige onze eigene kennisgeving!” Daarmede zonk hij in nog dieper gepeins, en bleef zoo mijmerend voor het uitgebrande vuur zitten, tot hij opstond evenals iemand die zich in een boek had verdiept; hij keek rond, nam zijn hoed en zijne handschoenen, ging naar de plaats waar zijn paard hem wachtte, steeg op en reed voort door de verlichte straten—want het was nu avond.
Hij reed naar Dombey’s huis, liet, toen hij dit naderde, zijn paard stappen, en keek naar de vensters op. Het venster, waarvoor hij eens Florence met haar hond had gezien, trok het eerst zijne aandacht, hoewel het niet verlicht was; maar hij glimlachte terwijl hij zijne oogen langs den hoogen gevel liet gaan, en scheen dat voorwerp met minachting achter te laten.
“Er was een tijd,” zeide hij, “toen het goed was zelfs op uwe kleine opkomende ster te letten, en te weten in welken hoek er wolken waren, om u, zoo noodig schaduw te geven. Maar er is een planeet opgekomen, en gij zijt in haar licht verloren.”
Hij wendde zijn paard den hoek van de zijstraat om, en zocht naar een verlicht venster aan den achterkant van het huis. Dit deed hem denken aan zekere statige gedaante, en aan eene gehandschoende hand; en zich herinneren hoe de vederen uit de vlerk van een schitterenden vogel op den grond gestrooid waren, en hoe het witte dons om zekeren hals zich bewogen had alsof er in de verte een stormwind opkwam. Dit waren de dingen die hij medenam, toen hij weder omkeerde en snel door de donkere en verlatene parken reed.
De noodlottige waarheid was dat hij dacht aan eene vrouw, eene trotsche vrouw, die hem haatte, maar die er door zijne list en haar trots met langzame maar zekere schreden toe gebracht was om zijn gezelschap te verduren, en hem te ontvangen als iemand, die het voorrecht had om haar van haar uitdagenden wrok tegen haar eigen man en van hare onverschilligheid[320]voor hare eigene achting te spreken. Hij dacht aan eene vrouw, die hem gloeiend haatte, en die hem kende, en die hem wantrouwde, omdat zij hem kende, en omdat hij haar kende; maar die haar woesten wrok voedsel gaf door hem dagelijks nader en nader te laten komen, in spijt van den haat dien zij tegen hem koesterde. In spijt daarvan! Juist uit hoofde van dien haat, omdat in eene diepte, waarin zelfs haar dreigend oog nog niet kon doordringen, hoewel zij flauw onderscheidde wat er in lag, eene gruwelijke wraak school, waarvan de minste gedachte hare ziel reeds genoeg zou bevlekt hebben, al had zij zich ook huiverend daarvan afgewend.
Zweefde de schim van zulk eene vrouw met hem mede op zijn rit? Geleek die schim naar hetgeen zij werkelijk was, en was zij voor hem zichtbaar?
Ja. Hij zag haar in zijn geest, juist gelijk zij was. Zij vergezelde hem met haar trots, haar wrok, haar haat, even duidelijk zichtbaar voor hem als hare schoonheid—niets was voor hem duidelijker dan dat zij hem haatte. Hij zag haar somtijds trotsch en fier afwijzend voor hem staan, en somtijds voor de hoeven van zijn paard gevallen en in het stof. Maar hij zag haar altijd gelijk zij was, zonder vermomming, en sloeg haar gade op den gevaarlijken weg dien zij ging.
En toen hij zich na zijn rit had verkleed, en met gebogen hoofd, zachte stem en vriendelijken glimlach hare helder verlichte kamer binnentrad, zag hij haar nog even duidelijk. Hij vermoedde zelfs het geheim der gehandschoende hand, en hield die, om dat vermoeden, des te langer in de zijne. Hij bleef haar nog bij op den gevaarlijken weg dien zij ging; en geen voetstap teekende zij daarop, of hij zette daar onmiddellijk zijn eigen voet.