[Inhoud]XV.VERBAZENDE SLIMHEID VAN KAPITEIN CUTTLE EN IETS NIEUWS VOOR WALTER GAY.Walter kon het verscheidene dagen niet met zich zelven eens worden, wat hij in die zaak[104]van Barbados zou doen, en koesterde zelfs eene flauwe hoop dat mijnheer Dombey niet zou gemeend hebben wat hij zeide, of van gedachten zou veranderen en hem naderhand zeggen dat hij niet behoefde te gaan. Maar dewijl er niets voorviel om dit denkbeeld (dat op zich zelf onwaarschijnlijk genoeg was) den minsten zweem van bevestiging te geven, en de tijd zachtjes aan verliep, begreep hij dat hij moest handelen, zonder zich langer te bedenken.Walter’s grootste bezwaar was, hoe hij de verandering in zijne vooruitzichten aan zijn oom Sam zou mededeelen, voor wien hij gevoelde dat dit een geduchte slag zou zijn. Het viel hem te zwaarder oom Sam met zulk eene ontzettende tijding te bedroeven, dewijl de oude man sedert eenigen tijd veel was opgefleurd, en weder zoo vroolijk geworden, dat het achterkamertje wederom even gezellig was als voorheen. Oom Sam had den eersten termijn van de schuld aan Dombey betaald, en hoopte op zijn tijd ook de rest af te doen; en hem thans opnieuw ter neer te slaan, nu hij zich zoo mannelijk boven zijn leed had verheven, was eene droevige noodzakelijkheid.Het ging evenwel niet aan om zoo maar van hem weg te loopen. Hij moest er vooruit van weten; en hoe het hem te zeggen, was de zaak. Wat de vraag van gaan of niet gaan betrof, meende Walter geene keus te hebben. Dombey had hem met waarheid gezegd, dat hij nog jong was en zijn ooms omstandigheden niet goed waren; en door den blik, die deze herinnering vergezelde, had hij duidelijk te kennen gegeven, dat Walter, als hij het voorstel afwees, wel thuis mocht blijven, als hij zoo verkoos, maar niet op zijn kantoor. Zijn oom en hij hadden eene groote verplichting aan mijnheer Dombey, waarom Walter zelf had verzocht. Hij mocht er heimelijk aan wanhopen om ooit de gunst van dien heer te winnen, en denken dat deze hem nu en dan met eene minachting behandelde, die eigenlijk niet billijk was; maar wat buitendien zijn plicht zou geweest zijn, bleef toch zijn plicht—zoo dacht Walter ten minste—en zijn plicht moest hij doen.Toen Dombey hem aanzag en zeide dat hij nog jong was en zijn ooms omstandigheden niet goed waren, had zijn gezicht de smadelijke onderstelling uitgedrukt, dat Walter wel lust zou hebben om op kosten van een oud man, die toch reeds in bekrompene omstandigheden verkeerde, te blijven ledig loopen; en dit had den edeldenkenden jongeling tot in de ziel getroffen. Met voornemen om mijnheer Dombey, zoover hij dit zonder woorden te gebruiken doen kon, te verzekeren dat hij zich in zijn karakter had vergist, had Walter er zich op toegelegd om zich na die West-Indische benoeming nog vroolijker en vlijtiger te toonen dan te voren, zoo dit voor een jongen van zijn levendigen en vurigen aard mogelijk was. Hij was te jong en te onervaren om te denken, dat juist deze hoedanigheid van hem mijnheer Dombey niet aangenaam was, en het geen middel was om zijne goede meening te winnen als iemand zich onder de schaduw van zijn geducht ongenoegen, hetzij billijk of onbillijk, weltevreden en gemoedigd bleef toonen. Maar misschien—misschien—dacht de groote man dat dit nieuwe blijk van een edel en mannelijk gemoed moest dienen om hem te tarten, en nam hij zich voor het te vernederen.“Wel, eens moet het oom Sam toch gezegd worden,” dacht Walter met een zucht; en daar hij vreesde dat zijne stem misschien wat mocht beven, en zijn uitzicht niet zooveel hoop aanduiden als hij wenschte, indien hij het den ouden man zelf zeide en den eersten indruk dier mededeeling in zijne gerimpelde trekken waarnam, besloot hij de goede diensten van kapitein Cuttle, als bemiddelaar in te roepen. Toen het weder zondag was geworden, begaf hij zich nog eens naar de woning des kapiteins.Onderweg was het geene onaangename herinnering voor hem, dat jufvrouw MacStinger elken zondagochtend een verren tocht deed, om de godsdienstoefening bij te wonen, onder het gehoor van den eerwaardenMelchizedekHowler, die, toen hij van de West-Indische dokken werd weggezonden, op de valsche verdenking (door den grooten vijand opzettelijk tegen hem uitgestrooid) dat hij gaatjes in vaten boorde en dan zijn mond er voor hield, begonnen was het vergaan der wereld tegen dien dag over twee jaren aan te kondigen, en eene benedenkamer had gehuurd ter ontvangst van heeren en dames van de Dolle Gezindte, op welke, bij hunne eerste vergadering, zijne vermaningen zulk een krachtigen indruk hadden gemaakt, dat, onder den heiligen dans welke de plechtigheden besloot, de vloer bezweek en de geheele gemeente beneden in de keuken neerplofte, waarbij een mangel, aan een lid der kudde toebehoorende, onherstelbaar werd beschadigd.Dit had de kapitein, in een oogenblik van buitengemeene spraakzaamheid, op den avond toen Brogley de uitdrager werd afbetaald, aan Walter en zijn oom verteld. De kapitein bezocht geregeld elken zondagmorgen eene kerk in zijne eigene buurt, waar hij goed genoeg was om—daar de wettige hondenslager een gebrekkig oud man was—het oog op de jongens te houden, over welke hij, door zijn geheimzinnigen haak, een groot vermogen uitoefende. Wetende hoe geregeld de kapitein in alles was, maakte Walter zooveel haast als hij kon, om hem nog eer hij uitging te vinden, en had ook het genoegen, toen hij den hoek vanBrig placeomsloeg, de blauwe jas en het vest van kapiteinCuttle[105]buiten het venster in de zon te luchten te zien hangen.Het was bijna ongeloofelijk de blauwe jas te zien, zonder dat de kapitein er instak; maar hij stak er toch niet in, anders zouden zijne beenen—daar de huizen inBrig Placeniet hoog zijn—de straatdeur hebben verstopt, die evenwel geheel vrij was. Zeer verwonderd over dit gezicht, klopte Walter ééns aan.Eer zij ver waren gekomen, ontmoetten zij eene vrouw met bloemen te koop, en de kapitein bleef op eens, alsof hij een gelukkigen inval kreeg, bij haar staan, en kocht den grootsten ruiker uit hare mand. (blz. 108).Eer zij ver waren gekomen, ontmoetten zij eene vrouw met bloemen te koop, en de kapitein bleef op eens, alsof hij een gelukkigen inval kreeg, bij haar staan, en kocht den grootsten ruiker uit hare mand.(blz. 108).“Stinger,” hoorde hij den kapitein, boven op zijne kamer, duidelijk zeggen, alsof dit kloppen hem niet aanging. Walter klopte dus tweemaal.“Cuttle,” hoorde hij den kapitein daarop zeggen; en terstond daarop kwam de kapitein zelf, in zijne schoone hemdsmouwen, met zijne das als een touw om den hals en zijn blinkenden hoed op, boven zijne jas en vest uit het raam kijken.“Walter!” riep de kapitein uit, met verbazing naar beneden ziende.—“Ja, kapitein Cuttle,” antwoordde Walter. “Ik ben het maar.”—“Wat scheelt er aan, mijn jongen?” zeide de kapitein zeer bezorgd. “Gills is toch niet weer over stuur?”—“Neen, neen,” antwoordde Walter. “Mijn oom scheelt niets, kapitein.”[106]Kapitein Cuttle gaf zijn genoegen daarover te kennen, en zeide dat hij naar beneden zou komen en de deur opendoen, hetgeen hij dan ook deed.“Maar ge zijt er toch heel vroeg bij, Walter,” zeide de kapitein, hem nog twijfelachtig aanziende, toen zij boven waren gekomen.—“Wel, kapitein,” zeide Walter, zich neerzettende, “de zaak is eigenlijk, dat ik bang was dat ge zoudt uitgaan; en ik wenschte eens een vriendelijken raad van u te hebben.”—“Kom maar op, mijn jongen,” zeide de kapitein. “Gij kunt alles van mij krijgen.”Walter verhaalde hem wat er was voorgevallen, in welk bezwaar hij zich daardoor ten opzichte van zijn oom bevond, en hoe het hem verplichten zou als kapitein Cuttle zoo goed wilde zijn om hem bij te staan. Kapitein Cuttle’s verbazing was zoo groot, dat zijn gezicht op het eind van het verhaal een ledig masker scheen te zijn, waarachter nooit eene menschelijke ziel had gescholen.“Gij begrijpt wel, kapitein Cuttle,” vervolgde Walter, “watmijzelven betreft, ik ben nog jong, zooals mijnheer Dombey zegt, en op mij komt het niet aan. Ik moet maken dat ik door de wereld kom, dat weet ik wel, maar er zijn twee punten dacht ik, terwijl ik hier naar toekwam, waarop ik voor mijn oom bijzonder moet letten. Ik wil niet zeggen dat ik verdien zijn roem en de lust van zijn leven te zijn—dat gelooft gij wel van mij—maar dat ben ik toch. Denkt gij het ook niet?”De kapitein scheen eene poging te doen om uit de diepte zijner verbazing op te rijzen en zijn gezicht weder te bezielen; maar daar dit hem mislukte, knikte de blinkende hoed slechts met onuitsprekelijke beteekenis.“Als ik in leven en gezond blijf,” zeide Walter, “en daar ben ik niet bang voor, kan ik toch, als ik naarWest-Indiëga, bezwaarlijk hopen mijn oom ooit weder te zien. Hij is oud, en buitendien, kapitein Cuttle, zijn leven is een leven van gewoonte.…”—“Sta vast, Walter! En als die gewoonte ophoudt!” zeide de kapitein, eensklaps als het ware herlevende.—“Maar al te waar, kapitein,” antwoordde Walter, zijn hoofd schuddende. “En als het (zooals gij eens met waarheid hebt gezegd) zijn leven zou verkort hebben, als hij zijn winkelvoorraad, en al die dingen, waaraan hij zooveel jaren gewoon was, had verloren, denkt gij dan niet dat het zijn leven ook verkorten zou.…”—“Als hij zijn neef verloor?” viel de kapitein er op in. “Wel zeker.”—“Nu dan,” zeide Walter, met eene poging om een vroolijken toon aan te nemen; “wij moeten ons best doen om hem te doen gelooven, dat de scheiding maar voor een tijd zal zijn; maar daar ik beter weet, of vrees beter te weten, kapitein, en zooveel redenen heb om hem te achten en lief te hebben, vrees ik dat het mij zeer slecht zou afgaan als ik probeerde hem dat wijs te maken. Dat is mijne voornaamste reden om te wenschen dat gij er hem het eerst van spreekt, en dat is mijn eerste punt.”—“Laveeren,” merkte de kapitein peinzend aan.—“Wat zegt ge, kapitein?” vroeg Walter.—“Sta vast!” antwoordde de kapitein, nog peinzend.Walter zweeg eene poos om te wachten of de kapitein er nog iets bij zou voegen; maar daar deze niets meer zeide vervolgde hij.“Nu het tweede punt, kapitein Cuttle. Het spijt mij dat ik het moet zeggen, maar ik ben geen gunsteling van mijnheer Dombey. Ik heb altijd mijn best willen doen, en ik heb dat ook altijd gedaan, maar hij houdt niet van mij. Ik kan het misschien niet helpen, dat ik hem niet beval. Daar zeg ik niets van. Ik zeg maar, het is zeker dat hij niet van mij houdt. Hij zendt mij niet naar dien post omdat het een goede post is; hij wil mij dien zelfs niet beter doen voorkomen dan hij is, en ik twijfel zeer of ik daardoor ooit tot bevordering op het kantoor zal komen—of hij mij niet integendeel maar voor altijd uit den weg wil hebben. Nu moeten wij hiervan niets tegen oom zeggen, kapitein Cuttle, maar de zaak zoo gunstig voorstellen als wij kunnen; en als ik u zeg hoe het werkelijk is, doe ik dat alleen opdat ik, als er ooit gelegenheid mocht komen om mij een handje te helpen, terwijl ik zoo ver weg ben, thuis een vriend zou hebben, die mijne wezenlijke omstandigheden kent.”—“Walter, mijn jongen,” antwoordde de kapitein, “in de spreuken van Salomo vinden wij dit: “Mogen wij nooit gebrek hebben aan een vriend in nood, of aan eene flesch om hem te geven!” Als ge dat vindt, zet er dan een streepje bij.”Hierbij had de kapitein, met een gezicht vol welmeenendheid, Walter zijne hand toegestoken; en nog eens zeide hij (want hij was eenigszins trotsch op de nauwkeurigheid en gepastheid van zijne aanhaling): “Als ge dat vindt, zet er dan een streepje bij.”—“Kapitein Cuttle,” zeide Walter, de vervaarlijke vuist, die hem werd toegestoken, met zijne beide handen vattende; “na mijn oom, is er niemand van wien ik zooveel houd als van u. Er is niemand op de wereld wien ik zoo gerust kan vertrouwen, dat weet ik zeker. Wat het heengaan betreft, kapitein, daarom geef ik niet. Waarom zou ik daarom geven? Als ik mijn fortuin mocht gaan zoeken als gemeen matroos, zou ik het gaarne doen. Ik zou het al jaren geleden gaarne gedaan hebben, en het er op gewaagd hebben hoe het met mij afliep. Maar dat was tegen den zin van mijn oom en tegen de plannen die hij voor mij gemaakt had; en daarmede was dat afgedaan. Maar wat ik gevoel, kapitein[107]Cuttle, is dat wij ons allen aldoor eenigszins vergist hebben, en dat ik tegenwoordig geene betere vooruitzichten heb dan toen ik pas bij mijnheer Dombey op het kantoor kwam—misschien slechter vooruitzichten, want misschien was de patroon mij toen wel wat genegen, en dat is hij nu zeker niet.”—“Keer terug, Whittington,” mompelde de verslagene kapitein, nadat hij Walter eene poos had aangezien.—“Het zal lang duren, vrees ik,” antwoordde Walter lachende, “eer er weer een Whittington komt. Niet dat ik klaag,” vervolgde hij, weder zijn gewonen levendigen toon aannemende. “Ik heb over niets te klagen. Ik ben bezorgd. Ik kan leven. Als ik mijn oom verlaat, laat ik hem aan u over, kapitein Cuttle, en ik kan hem aan niemand beter overlaten. Ik heb u dat alles niet gezegd omdat ik wanhopig ben, dat niet; het is maar om u te overtuigen, dat ik het op het kantoor niet maar zoo voor het kiezen heb, en dat ik moet gaan waar ik gezonden word en moet nemen wat mij geboden wordt. Het is voor mijn oom beter dat ik word weggezonden; want mijnheer Dombey is een vriend die hem kan bijstaan, en ook wel wil, gelijk gebleken is; en ik ben overtuigd dat hij dit nog eerder zal doen als ik er niet ben, dien hij niet gaarne ziet. Dus, kapitein Cuttle, met eene kleine verandering van het matrozen-liedje:“Dat gaat naarWest-Injetoe,Voor meer dan zeven jaren.””Kapitein Cuttle kon niet nalaten mede te schreeuwen, en besloot het gezang met een lang uitgerekt “A-hoy!” dat de geheele straat doorklonk.“En nu, kapitein Cuttle,” zeide Walter, hem met groote drukte jas en vest aangevende, “als ge nu wilt meekomen en oom Sam het nieuws vertellen (dat hij eigenlijk al lang had moeten weten) zal ik u aan de deur laten en tot van middag gaan rondkuieren.”De kapitein scheen niet veel zin in die taak te hebben, of te denken dat hij ze naar behooren zou kunnen volvoeren. Hij had zich Walter’s toekomstige loopbaan zoo geheel anders voorgesteld; hij had zich zoo dikwijls verheugd over de schranderheid waarmede hij zijn fortuin vooruitzag, dat het hem veel kostte daarvan af te zien, en zelfs mede te helpen, om die vooruitzichten den bodem in te slaan. Buitendien vond hij het moeilijk zijne oude denkbeelden in dit opzicht over boord te werpen en eene nieuwe lading in te nemen, zonder in de haast, welke de omstandigheden vereischten, de eene met de andere zaak te verwarren en zelf niet te weten hoe hij het had. In plaats van dus met zooveel spoed, als Walter zou verlangd hebben, vest en jas aan te trekken, weigerde hij dit geheel en al, en onderrichtte hij Walter dat hij over zulk eene ernstige zaak eerst “een beetje op zijne nagels moest bijten.”“Dat is eene oude gewoonte van mij. Walter,” zeide de kapitein, “al sedert vijftig jaar. Als gij Ned Cuttle op zijne nagels ziet bijten, denk dan maar dat hij aan den grond zit.”Daarop nam de kapitein zijn ijzeren haak tusschen de tanden, alsof het eene hand was, en begon de zaak, met een gezicht vol diepdenkende wijsheid, uit alle oogpunten te overwegen.“Ik heb een vriend,” mompelde hij peinzende, “maar hij is tegenwoordig op de kustvaart naarWhitbyuit, die er zooveel over zoukunnenzeggen en over alle andere dingen, dat hij het parlement wel zes zou kunnen voorgeven en het nog kloppen. Hij is tweemaal over boord geslagen, die man, en het heeft hem niets gedeerd. Toen hij nog een jongen was kreeg hij alle dag met eene handspaak op zijn kop, en toch is er geen mensch op de wereld die helderder kop heeft.”In weerwil van zijne achting voor kapitein Cuttle kon Walter niet nalaten zich heimelijk over de afwezigheid van dien wijzen man te verheugen, en te hopen dat zijn helder verstand zich niet met zijne bezwaren mocht bemoeien eer zij geheel waren opgeruimd.“Als ik dien man de ton aan deNorewees,” zeide kapitein Cuttle, op denzelfden toon, “en hem zijne meening daarover vroeg, Walter, zou hij er een ding van maken dat zoo weinig op eene ton geleek als de knoopen van uw oom. Geen mensch loopt zoo hard—op twee beenen zeker niet—dat hij hem kan bijhouden.”—“Hoe heet hij, kapitein Cuttle?” zeide Walter, die toch eenige belangstelling in den vriend des kapiteins wilde toonen.—“Hij heet Bunsby,” zeide de kapitein. “Maar, Heere, hij zou heel wat anders kunnen heeten, met zulk een verstand als hij heeft.”Welk denkbeeld de kapitein eigenlijk aan deze lofspraak hechtte helderde hij niet verder op, en Walter lokte hem ook niet daartoe uit; want toen hij met zijne natuurlijke levendigheid nog eens over de voornaamste punten zijner zaak begon te spreken, ontdekte hij spoedig dat de kapitein weder in zijne vroegere diepzinnigheid was verzonken, en hoewel hij hem onder zijne ruige wenkbrauwen strak aankeek, hem blijkbaar niet zag of hoorde.Kapitein Cuttle zat zich inderdaad met zulke diepzinnige bespiegelingen bezig te houden, dat zijn doorzicht weldra geheel geen grond meer vond. Langzamerhand werd het hem duidelijk dat er eene misvatting moest plaats hebben, en het veel waarschijnlijker was dat Walter zich vergiste dan hij; dat, indien er werkelijk een West-Indisch plan bestond, dit geheel iets anders moest wezen dan Walter, die zoo jong en loszinnig was, meende,—dat het niets[108]anders wezen kon dan een nieuw verzinsel om hem met buitengewonen spoed fortuin te laten maken. “Of als er werkelijk eene kleine haspelarij tusschen hen is,” dacht de kapitein, meenende tusschen Walter en Dombey, “zal er maar een gepast woordje van een wederzijdsch vriend noodig zijn, om alles weder in orde te brengen.” De slotsom, die kapitein Cuttle uit deze overwegingen trok, was, dat daar hij reeds de eer had gehad om mijnheer Dombey te leeren kennen en teBrightoneen zeer aangenaam half uur in zijn gezelschap door te brengen (op den ochtend toen zij dat geld leenden), en daar twee lieden, die de wereld kenden en elkander verstonden, en genegen waren om elkander pleizier te doen, gemakkelijk een klein bezwaar van dien aard konden schikken, het vriendschappelijk van hem zou zijn, als hij, zonder er Walter iets van te zeggen, bij mijnheer Dombey aan huis ging—tegen den knecht zeide: “Jongetje, wilt gij wel zoo goed zijn om kapitein Cuttle te rapporteeren?”—Mijnheer Dombey in een geest van vertrouwen aan te spreken—hem bij zijn knoopsgat te haken—er over te praten—alles in het effen te brengen—en in zegepraal heen te gaan!Terwijl deze gedachten langzamerhand bij kapitein Cuttle opkwamen en een bepaalden vorm kregen, klaarde zijn gezicht op, evenals een benevelde morgen voor een helderen middag plaats maakt. Zijne wenkbrauwen, die geducht dreigend waren geweest, trokken naar omhoog en werden minder borstelig; zijne oogen, bijna dichtgeknepen van het ingespannen denken, openden zich ongedwongen; een glimlach, die eerst maar drie plekjes had,—een aan den rechterkant van zijn mond en een aan beide ooghoeken—verspreidde zich over geheel zijn gezicht, ontrimpelde zijn voorhoofd, en lichtte den blinkenden hoed op, alsof deze, die met den kapitein aan den grond had gezeten, nu, evenals hij, gelukkig weder vlot was.Eindelijk staakte de kapitein het nagelbijten, en zeide: “Nu, Walter, mijn jongen, kunt ge mij eens helpen met dat tuig;” waarmede hij zijn vest en jas bedoelde.Walter vermoedde weinig waarom de kapitein zoo keurig was op zijne das, dat hij de beide slippen tot een soort van staart maakte, en deze door een zwaren gouden ring haalde, met eene tombe, een hek en een boom er op, ter gedachtenis van een overleden vriend; en waarom de kapitein zijne boordjes zoo hoog mogelijk optrok, zoodat hij er slechts even overheen kon zien; of waarom hij zijne schoenen uitdeed en een paar halvelaarzen aantrok, die hij slechts bij buitengewone gelegenheden droeg. Toen eindelijk de kapitein naar zijn genoegen was gekleed, en zich van het hoofd tot de voeten had bekeken in een scheerspiegeltje, hetwelk hij ten dien einde van een spijker nam, greep hij zijn knoestigen stok en zeide, dat hij gereed was.De kapitein stapte op straat deftiger dan gewoonlijk, maar Walter schreef dit aan de laarzen toe en lette er dus weinig op. Eer zij ver waren gekomen, ontmoetten zij eene vrouw met bloemen te koop, en de kapitein bleef op eens, alsof hij een gelukkigen inval kreeg, bij haar staan, en kocht den grootsten ruiker uit hare mand; een waaierachtig bouquet, dat twee en een halven voet in omtrek had en uit de kleurigste en vroolijkste bloemen was samengesteld.Met dit presentje, dat hij voor mijnheer Dombey bestemde, gewapend, stapte kapitein Cuttle met Walter voort, tot zij de deur des instrumentmakers bereikten, waarvoor zij beiden bleven stilstaan.“Gij gaat binnen?” zeide Walter.—“Ja,” antwoordde de kapitein, die wel gevoelde dat hij zich Walter moest kwijt maken, eer hij verder ging, en dat hij zijn voorgenomen bezoek liever tot wat later op den dag moest uitstellen.—“En gij zult niets vergeten?” zeide Walter.—“Neen,” antwoordde de kapitein.—“Ik zal dus maar dadelijk op mijne wandeling uitgaan,” zeide Walter, “dan ben ik uit den weg.”—“Doe maar eene frissche lange wandeling, mijn jongen,” riep de kapitein hem na. Walter wuifde met de hand om dit te beloven, en ging zijns weegs.Zijn weg lag eigenlijk nergens heen; maar hij dacht dat hij eens naar buiten wilde gaan, waar hij over het onbekende leven, dat voor hem lag, kon nadenken en onder een of anderen boom gerust zitten peinzen. Hij wist geene betere buitenwandeling dan bijHampstead, en geene betere manier om daarheen te komen dan door Dombey’s huis voorbij te gaan.Het was zoo statig en donker als ooit, en hij ging voorbij en zag naar den dreigenden gevel op. De valgordijnen waren allen neergelaten, maar de bovenvensters stonden wijd open, en het koeltje, dat die gordijnen deed heen en weder zwaaien, was het eenige teeken van leven of beweging dat van buiten zichtbaar was. Walter stapte zachter, toen hij het huis voorbijging, en was blijde toen hij het een paar deuren achter zich had.Toen zag hij om—met die belangstelling welke hij altijd, sedert het avontuur van het verdwaalde kind, jaren geleden voor de plek gevoeld had, en keek vooral naar die bovenvensters. Terwijl hij zoo stond, hield er een koetsje voor de deur stil, en een zwaarlijvig heer, in het zwart, met een zwaren horlogeketting, stapte af en ging binnen. Toen hij zich naderhand dien heer en zijne equipage te zamen herinnerde, twijfelde Walter niet of het was een dokter, en toen verwonderde hij zich wie er ziek was: maar dit viel hem niet in[109]voordat hij een eind ver was gegaan en mijmerend aan andere dingen had gedacht.Maar toch aan dingen die door het huis bij hem opkwamen, want hij streelde zich met de gedachte, dat er misschien eens een tijd zou komen, wanneer het schoone meisje, dat zijne oude vriendin was, en hem altijd zoo dankbaar was geweest en zoo blijde dat zij hem zag, haar broeder in zijn belang zou trekken en zoo een gunstigen invloed op zijn lot uitoefenen. Hij streelde zich daarmede, meer, op het oogenblik, omdat hij zich dan zou kunnen verbeelden dat zij bestendig aan hem bleef denken, dan om het voordeel dat het hem zou kunnen geven; maar zijn nuchter verstand fluisterde hem toe dat hij, als hij dan nog leefde, over zee, en vergeten zou wezen, en zij getrouwd, rijk, trotsch en gelukkig. Er bestond niet meer reden dat zij bij zulk een veranderden staat van zaken met eenige belangstelling aan hem zou denken, dan aan eenig speeltuig dat zij ooit had gehad—neen, zelfs zooveel niet.En toch idealiseerde Walter het bevallige meisje, dat hij eens op de gemeene straten had vinden zwerven, zoodanig, en vond in de onschuldige dankbaarheid, welke zij dien avond zoo eenvoudig en oprecht had getoond, zooveel edels en schoons, dat hij zich voor zich zelven schaamde, toen hij zich wilde opdringen dat zij trotsch zou worden. Aan den anderen kant waren zijne gedachten zoo grillig, dat het hem bijna niet minder lasterlijk voorkwam zich haar als eene volwassene vrouw te verbeelden, haar zich anders voor te stellen dan als hetzelfde zachtzinnige, argelooze, aanhalige kind, dat zij in de dagen van Goede Vrouw Brown geweest was. Kortom, Walter ontdekte dat hij, zoodra hij met zich zelven over Florence wilde redeneeren, terstond geheel onredelijk werd, en maar niet beter kon doen dan haar beeld in zijn hart te bewaren als iets kostbaars, onveranderlijks, onbereikbaars en onduidelijks—onduidelijk in alles behalve haar vermogen om hem op te beuren, en hem als een beschermengel terug te houden van alles wat harer onwaardig zou zijn.Het was eene lange wandeling die Walter deed, terwijl hij naar de vogeltjes, en de kerkklokken, en het verzachte gegons der stad luisterde—streelende geuren inademde—somtijds naar den benevelden gezichteinder keek, waarachter zijne reis en de plaats zijnerbestemminglagen—en dan weder rondzag naar het groene Engelsche gras en het bekende landschap. Evenwel dacht hij niet duidelijk, zelfs niet aan zijn vertrek; hij scheen het nadenken, uit traagheid, van uur tot uur, en van minuut tot minuut uit te stellen, en toch bleef hij al dien tijd aan het peinzen.Walter had de velden weder verlaten, en stapte in dezelfde mijmerende stemming huiswaarts, toen hij een man een schreeuw hoorde geven, en terstond daarop eene gillende vrouwenstem hem bij zijn naam riep. Verwonderd omkijkende, zag hij dat eene huurkoets, die den anderen kant opreed, niet ver van hem af, was blijven stilstaan; dat de koetsier op den bok omzag en hem met zijne zweep wenkte, en dat eene jonge vrouw het halve lijf uit het portier stak en hem met alle macht teekenen gaf. Naar deze koets toeloopende, bevond hij dat de onbekende jonge jufvrouw Nipper was, en dat jonge jufvrouw Nipper zoodanig onthutst was dat zij haast niet wist wat zij zeide of deed.“Staggs’s Gardens, mijnheer Walter!” zeide zij. “O zeg toch, als je blieft.”—“Wat?” vroeg Walter. “Wat is er te doen?”—“O, mijnheer Walter,Staggs’s Gardensals je blieft!” zeide Suze.—“Daar!” zeide de koetsier, zich met zekere zegevierende wanhoop op Walter beroepende, “zoo heeft die jonge jufvrouw al een uur lang aangegaan, en mij gedurig weer achteruit laten rijden uit blinde sloppen, waar zijwildedat ik zou inrijden. Ik heb al veel vrachten in die koets gehad, maar nog nooit zulk eene vracht als zij.”—“Woudt ge naarStaggs’s Gardens, Suze?” vroeg Walter.—“Ja! Daar wil ze naar toe! Maar waar is het?” bromde de koetsier.—“Ik weet niet waar het is,” riep Suze radeloos uit. “Ik ben er eens geweest, mijnheer Walter, met jonge jufvrouw Flore en onzen armen lieveling, jongen heer Paul, op denzelfden dag toen gij jonge jufvrouw Flore in deCityhebt gevonden, want wij raakten haar kwijt toen wij naar huis kwamen, jufvrouw Richards en ik, en een dolle stier en haar oudste jongetje; en ik ben er later nog wel geweest, maar nu kan ik het niet vinden, het is alsof het in den grond is gezonken. O, mijnheer Walter, laat mij toch niet zitten.Staggs’s Gardens, als je blieft. Flore’s lieveling—de lieveling van ons allemaal—die kleine, vriendelijke jonge heer Paul! O mijnheer Walter!”—“Goede God!” riep Walter uit. “Is hij ziek—erg ziek?”—“Och dat engeltje!” zeide Suze, hare handen wringende. “Hij heeft in zijn hoofdje gekregen, dat hij graag zijne oude min zou zien, en nu moet ik haar bij hem aan zijn bed halen, jufvrouw Staggs, in Polly Toodle’s Gardens—wist het toch maar iemand!”Ontroerd van hetgeen hij hoorde, en terstond door Suze’s ijver aangestoken, trok Walter, nu hij hare boodschap begreep, zich de zaak zoo hartelijk aan, dat de koetsier genoeg werk had om hem dicht op te volgen, terwijl hij vooruitliep, om hier en daar en overal naarStaggs’s Gardenste vragen.Er was geenStaggs’sGardensmeer. Het was van de aarde verdwenen. Waar eens het oude vermolmde zomerhuisje stond, verhief zich[110]nu een paleis, en opende zich tusschen reusachtige kolommen een vergezicht in de spoorwegwereld daarachter. Het ellendige stuk braakland, waar voorheen allerlei vuilnis lag opgehoopt, was weg; in plaats daarvan zag men rijen van magazijnen met allerlei kostbare koopwaren volgestapeld. De oude achterstraten wemelden nu van voetgangers en rijtuigen; de nieuwe straten, die moedeloos in den modder waren blijven steken, vormden nu steden op zich zelven, met eigenaardige gemakken en genoegens, die men nooit beproefd, waaraan men nooit gedacht had, eer zij hier geschapen werden. Bruggen die naar niets toe gingen, brachten nu naar villa’s, tuinen, kerken en gezonde openbare wandelingen. De geraamten van huizen en beginselen van nieuwe buitenwijken waren langs den weg met stoomsnelheid medegeloopen, en als een monstertrein het land ingevlogen.Wat de buurt betrof, die den spoorweg in zijne dagen van ontstaan niet had willen erkennen, zij was wijzer geworden en roemde nu op haar rijken en machtigen buurman. Men zag er spoorwegpatronen voor de vensters der manufactuurwinkels, en spoorwegbladen voor die der courantenloopers. Men zag er spoorweghotels en koffiehuizen, men had er spoorwegplannen, kaarten, gezichten, mantels, flesschen, boterhammenblikjes en vertreklijsten; spoorwegkoetsveeren, spoorwegomnibussen, spoorwegstraten en gebouwen, spoorweghandlangers en pannelikkers, en vleiers buiten getal. De klokken wezen zelfs spoorwegtijd, alsof de zon was afgeschaft. Onder de overwonnelingen was de voorheen zoo ongeloovige schoorsteenveger vanStaggs’s Gardens, die nu in een gepleisterd huis van drie verdiepingen woonde, en zich op een geschilderd bord met gouden krulletters voor “aannemer van het machinale reinigen der spoorwegschoorsteenen” uitgaf.Naar en van het hart dier groote verandering stroomde nacht en dag een rustelooze stroom van levensbloed heen en weder. Scharen van menschen en bergen van goederen, die twintig maal in de vier en twintig uren aankwamen en vertrokken, onderhielden eene eeuwigdurende beweging. Zelfs de huizen schenen genegen om op te pakken en uitstapjes te gaan doen. Wonderlijke parlementsleden, die zich, weinig langer dan twintig jaren geleden, met de wilde spoorwegtheorieën der ingenieurs hadden vroolijk gemaakt, en bij parlementaire verhooren den draak met hen hadden gestoken, reden nu met het horloge in de hand naar het noorden, en zonden met den magnetischen telegraaf boodschappen vooruit, dat zij kwamen. Dag en nacht snorden de locomotieven zegevierend voort, of gleden, op het eind van een tocht, gelijk getemde draken, naar het aangewezene hoekje, op een duimbreed afgemeten, en stonden daar te borrelen en te trillen, dat de muren er van beefden, als vervulde hen de geheime bewustheid van groote vermogens, die men nog niet vermoedde, en veruitziende oogmerken, die zij nog moesten verwezenlijken.MaarStaggs’s Gardenswas met wortel en tak uitgeroeid. O jammer, dat geen voet Engelschen grond—met krotjes van huizen bezet—meer veilig is!Eindelijk vond Walter, na veel vruchteloos navragen, een man, die in dat verdwenen land had gewoond, en niemand anders was dan de vroeger gemelde schoorsteenveger, nu een deftig, zwaarlijvig man geworden, die juist aan zijne eigene deur klopte. Hij kende Toodle wel, zeide hij. Was hij niet aan den spoorweg geplaatst?“Ja, mijnheer, ja!” riep Suze Nipper uit het portier.Waar woonde hij nu? vroeg Walter haastig.Hij woonde in de gebouwen der Compagnie, den tweeden hoek rechtsom, de werf langs, dan dwars over en weer den tweeden hoek rechtsom. Het was nommer elf; zij kon niet missen; maar als zij dat toch deden, moesten zij maar naar Toodle den stoker vragen, en iedereen zou hun wijzen waar hij woonde. Bij dit onverwachte geluk, kwam Suze met allen spoed uit de koets, nam Walter’s arm en ging met een stap, die haar spoedig buiten adem moest doen raken, te voet op weg, de koets daar latende om op hare terugkomst te wachten.“Is de kleine jongen lang ziek geweest, Suze?” vroeg Walter, terwijl zij zich voortrepten.—“Al heel lang sukkelig, maar niemand hield het voor zoo erg,” antwoordde Suze, en voegde er met buitengemeene scherpheid bij: “O die Blimber’s!”—“Blimber’s?” herhaalde Walter.—“Ik zou het mij zelve niet kunnen vergeven, mijnheer Walter,” antwoordde Suze, “als ik iemand hard viel in een tijd als deze, nu er zooveel ernstige droefheid is om aan te denken, maar ik mag toch wel wenschen dat die heele familie aan het werk werd gezet om nieuwe wegen te maken in een steenigen grond, en dat die jufvrouw Blimber met het houweel vooruit moest.”Daarop haalde zij eens adem en stapte nog harder door, alsof die buitengewone ontboezeming hare borst verruimd had. Walter, die nu zelf geen adem te missen had, stapte met haar mede zonder meer te vragen, en spoedig stormden zij in hun ongeduld eene deur binnen, en kwamen zoo in een zindelijk voorkamertje vol kinderen.“Waar is jufvrouw Richards?” riep Suze rondkijkende. “O jufvrouw Richards, jufvrouw Richards, kom toch met mij mee, als een lief mensch!”—“Wel waarlijk, als dat Suze niet is!” zeide Polly, onder de groep, met haar goedig moederlijk gezicht, zeer verwonderd opstaande.—“Ja, jufvrouw Richards, ik ben het,” zeide Suze; “en ik wou dat ik het niet was,[111]al lijkt het niet beleefd om zoo te zeggen; maar jonge heer Paul is heel ziek, en heeft zijn papa vandaag gezegd dat hij zijne oude min zoo graag nog eens zou zien, en hij en jonge jufvrouw Flore hopen dat ge met mij mee zult komen—en mijnheer Walter, jufvrouw Richards—en vergeten wat er is voorgevallen, en dat lieve kind nog een pleizier willen doen, want hij zal het niet lang meer maken, jufvrouw Richards. Och, hij zal het niet lang meer maken!”Toen Suze begon te schreien, en Polly, van aandoening over hare komst en het gehoorde bericht, mede schreide, en al de kinderen (waaronder verscheidene kleintjes) zich om haar heen drongen, legde Toodle, die juist vanBirminghamthuis was gekomen, en uit een schotel zat te eten, mes en vork neer, stond op, kreeg voor zijne vrouw den hoed en doek, die achter de deur hingen, hielp haar die opzetten en omdoen, klopte haar toen op den rug, en zeide, met meer vaderlijk gevoel dan welsprekendheid: “Snij maar uit, Polly!”Zoo kwamen zij naar de koets terug, lang voor dat de koetsier hen verwachtte; en Walter hielp Suze en jufvrouw Richards er in, ging zelf op den bok zitten, opdat er geene vergissing meer zou plaats hebben, en bracht de twee veilig tot bijmijnheerDombey in het voorhuis—waar hij, terloops gezegd, een reusachtigen ruiker zag liggen, welke hem aan dien herinnerde, dien kapitein Cuttle des morgens in zijn gezelschap had gekocht. Hij zou gaarne nog wat gebleven zijn om meer van den kleinen zieke te hooren, of gewacht hebben, hoelang ook, om te zien of hij den minsten dienst kon bewijzen; maar zich pijnlijk bewust, dat zulk een gedrag door zijn patroon voor vrijpostig en aanmatigend zou worden gehouden, ging hij langzaam en treurig heen.Hij was nog geene vijf minuten ver, toen een man hem kwam naloopen en verzocht om terug te komen. Walter ging haastig weder met hem mede, en trad met een droevig voorgevoel het sombere huis binnen.
[Inhoud]XV.VERBAZENDE SLIMHEID VAN KAPITEIN CUTTLE EN IETS NIEUWS VOOR WALTER GAY.Walter kon het verscheidene dagen niet met zich zelven eens worden, wat hij in die zaak[104]van Barbados zou doen, en koesterde zelfs eene flauwe hoop dat mijnheer Dombey niet zou gemeend hebben wat hij zeide, of van gedachten zou veranderen en hem naderhand zeggen dat hij niet behoefde te gaan. Maar dewijl er niets voorviel om dit denkbeeld (dat op zich zelf onwaarschijnlijk genoeg was) den minsten zweem van bevestiging te geven, en de tijd zachtjes aan verliep, begreep hij dat hij moest handelen, zonder zich langer te bedenken.Walter’s grootste bezwaar was, hoe hij de verandering in zijne vooruitzichten aan zijn oom Sam zou mededeelen, voor wien hij gevoelde dat dit een geduchte slag zou zijn. Het viel hem te zwaarder oom Sam met zulk eene ontzettende tijding te bedroeven, dewijl de oude man sedert eenigen tijd veel was opgefleurd, en weder zoo vroolijk geworden, dat het achterkamertje wederom even gezellig was als voorheen. Oom Sam had den eersten termijn van de schuld aan Dombey betaald, en hoopte op zijn tijd ook de rest af te doen; en hem thans opnieuw ter neer te slaan, nu hij zich zoo mannelijk boven zijn leed had verheven, was eene droevige noodzakelijkheid.Het ging evenwel niet aan om zoo maar van hem weg te loopen. Hij moest er vooruit van weten; en hoe het hem te zeggen, was de zaak. Wat de vraag van gaan of niet gaan betrof, meende Walter geene keus te hebben. Dombey had hem met waarheid gezegd, dat hij nog jong was en zijn ooms omstandigheden niet goed waren; en door den blik, die deze herinnering vergezelde, had hij duidelijk te kennen gegeven, dat Walter, als hij het voorstel afwees, wel thuis mocht blijven, als hij zoo verkoos, maar niet op zijn kantoor. Zijn oom en hij hadden eene groote verplichting aan mijnheer Dombey, waarom Walter zelf had verzocht. Hij mocht er heimelijk aan wanhopen om ooit de gunst van dien heer te winnen, en denken dat deze hem nu en dan met eene minachting behandelde, die eigenlijk niet billijk was; maar wat buitendien zijn plicht zou geweest zijn, bleef toch zijn plicht—zoo dacht Walter ten minste—en zijn plicht moest hij doen.Toen Dombey hem aanzag en zeide dat hij nog jong was en zijn ooms omstandigheden niet goed waren, had zijn gezicht de smadelijke onderstelling uitgedrukt, dat Walter wel lust zou hebben om op kosten van een oud man, die toch reeds in bekrompene omstandigheden verkeerde, te blijven ledig loopen; en dit had den edeldenkenden jongeling tot in de ziel getroffen. Met voornemen om mijnheer Dombey, zoover hij dit zonder woorden te gebruiken doen kon, te verzekeren dat hij zich in zijn karakter had vergist, had Walter er zich op toegelegd om zich na die West-Indische benoeming nog vroolijker en vlijtiger te toonen dan te voren, zoo dit voor een jongen van zijn levendigen en vurigen aard mogelijk was. Hij was te jong en te onervaren om te denken, dat juist deze hoedanigheid van hem mijnheer Dombey niet aangenaam was, en het geen middel was om zijne goede meening te winnen als iemand zich onder de schaduw van zijn geducht ongenoegen, hetzij billijk of onbillijk, weltevreden en gemoedigd bleef toonen. Maar misschien—misschien—dacht de groote man dat dit nieuwe blijk van een edel en mannelijk gemoed moest dienen om hem te tarten, en nam hij zich voor het te vernederen.“Wel, eens moet het oom Sam toch gezegd worden,” dacht Walter met een zucht; en daar hij vreesde dat zijne stem misschien wat mocht beven, en zijn uitzicht niet zooveel hoop aanduiden als hij wenschte, indien hij het den ouden man zelf zeide en den eersten indruk dier mededeeling in zijne gerimpelde trekken waarnam, besloot hij de goede diensten van kapitein Cuttle, als bemiddelaar in te roepen. Toen het weder zondag was geworden, begaf hij zich nog eens naar de woning des kapiteins.Onderweg was het geene onaangename herinnering voor hem, dat jufvrouw MacStinger elken zondagochtend een verren tocht deed, om de godsdienstoefening bij te wonen, onder het gehoor van den eerwaardenMelchizedekHowler, die, toen hij van de West-Indische dokken werd weggezonden, op de valsche verdenking (door den grooten vijand opzettelijk tegen hem uitgestrooid) dat hij gaatjes in vaten boorde en dan zijn mond er voor hield, begonnen was het vergaan der wereld tegen dien dag over twee jaren aan te kondigen, en eene benedenkamer had gehuurd ter ontvangst van heeren en dames van de Dolle Gezindte, op welke, bij hunne eerste vergadering, zijne vermaningen zulk een krachtigen indruk hadden gemaakt, dat, onder den heiligen dans welke de plechtigheden besloot, de vloer bezweek en de geheele gemeente beneden in de keuken neerplofte, waarbij een mangel, aan een lid der kudde toebehoorende, onherstelbaar werd beschadigd.Dit had de kapitein, in een oogenblik van buitengemeene spraakzaamheid, op den avond toen Brogley de uitdrager werd afbetaald, aan Walter en zijn oom verteld. De kapitein bezocht geregeld elken zondagmorgen eene kerk in zijne eigene buurt, waar hij goed genoeg was om—daar de wettige hondenslager een gebrekkig oud man was—het oog op de jongens te houden, over welke hij, door zijn geheimzinnigen haak, een groot vermogen uitoefende. Wetende hoe geregeld de kapitein in alles was, maakte Walter zooveel haast als hij kon, om hem nog eer hij uitging te vinden, en had ook het genoegen, toen hij den hoek vanBrig placeomsloeg, de blauwe jas en het vest van kapiteinCuttle[105]buiten het venster in de zon te luchten te zien hangen.Het was bijna ongeloofelijk de blauwe jas te zien, zonder dat de kapitein er instak; maar hij stak er toch niet in, anders zouden zijne beenen—daar de huizen inBrig Placeniet hoog zijn—de straatdeur hebben verstopt, die evenwel geheel vrij was. Zeer verwonderd over dit gezicht, klopte Walter ééns aan.Eer zij ver waren gekomen, ontmoetten zij eene vrouw met bloemen te koop, en de kapitein bleef op eens, alsof hij een gelukkigen inval kreeg, bij haar staan, en kocht den grootsten ruiker uit hare mand. (blz. 108).Eer zij ver waren gekomen, ontmoetten zij eene vrouw met bloemen te koop, en de kapitein bleef op eens, alsof hij een gelukkigen inval kreeg, bij haar staan, en kocht den grootsten ruiker uit hare mand.(blz. 108).“Stinger,” hoorde hij den kapitein, boven op zijne kamer, duidelijk zeggen, alsof dit kloppen hem niet aanging. Walter klopte dus tweemaal.“Cuttle,” hoorde hij den kapitein daarop zeggen; en terstond daarop kwam de kapitein zelf, in zijne schoone hemdsmouwen, met zijne das als een touw om den hals en zijn blinkenden hoed op, boven zijne jas en vest uit het raam kijken.“Walter!” riep de kapitein uit, met verbazing naar beneden ziende.—“Ja, kapitein Cuttle,” antwoordde Walter. “Ik ben het maar.”—“Wat scheelt er aan, mijn jongen?” zeide de kapitein zeer bezorgd. “Gills is toch niet weer over stuur?”—“Neen, neen,” antwoordde Walter. “Mijn oom scheelt niets, kapitein.”[106]Kapitein Cuttle gaf zijn genoegen daarover te kennen, en zeide dat hij naar beneden zou komen en de deur opendoen, hetgeen hij dan ook deed.“Maar ge zijt er toch heel vroeg bij, Walter,” zeide de kapitein, hem nog twijfelachtig aanziende, toen zij boven waren gekomen.—“Wel, kapitein,” zeide Walter, zich neerzettende, “de zaak is eigenlijk, dat ik bang was dat ge zoudt uitgaan; en ik wenschte eens een vriendelijken raad van u te hebben.”—“Kom maar op, mijn jongen,” zeide de kapitein. “Gij kunt alles van mij krijgen.”Walter verhaalde hem wat er was voorgevallen, in welk bezwaar hij zich daardoor ten opzichte van zijn oom bevond, en hoe het hem verplichten zou als kapitein Cuttle zoo goed wilde zijn om hem bij te staan. Kapitein Cuttle’s verbazing was zoo groot, dat zijn gezicht op het eind van het verhaal een ledig masker scheen te zijn, waarachter nooit eene menschelijke ziel had gescholen.“Gij begrijpt wel, kapitein Cuttle,” vervolgde Walter, “watmijzelven betreft, ik ben nog jong, zooals mijnheer Dombey zegt, en op mij komt het niet aan. Ik moet maken dat ik door de wereld kom, dat weet ik wel, maar er zijn twee punten dacht ik, terwijl ik hier naar toekwam, waarop ik voor mijn oom bijzonder moet letten. Ik wil niet zeggen dat ik verdien zijn roem en de lust van zijn leven te zijn—dat gelooft gij wel van mij—maar dat ben ik toch. Denkt gij het ook niet?”De kapitein scheen eene poging te doen om uit de diepte zijner verbazing op te rijzen en zijn gezicht weder te bezielen; maar daar dit hem mislukte, knikte de blinkende hoed slechts met onuitsprekelijke beteekenis.“Als ik in leven en gezond blijf,” zeide Walter, “en daar ben ik niet bang voor, kan ik toch, als ik naarWest-Indiëga, bezwaarlijk hopen mijn oom ooit weder te zien. Hij is oud, en buitendien, kapitein Cuttle, zijn leven is een leven van gewoonte.…”—“Sta vast, Walter! En als die gewoonte ophoudt!” zeide de kapitein, eensklaps als het ware herlevende.—“Maar al te waar, kapitein,” antwoordde Walter, zijn hoofd schuddende. “En als het (zooals gij eens met waarheid hebt gezegd) zijn leven zou verkort hebben, als hij zijn winkelvoorraad, en al die dingen, waaraan hij zooveel jaren gewoon was, had verloren, denkt gij dan niet dat het zijn leven ook verkorten zou.…”—“Als hij zijn neef verloor?” viel de kapitein er op in. “Wel zeker.”—“Nu dan,” zeide Walter, met eene poging om een vroolijken toon aan te nemen; “wij moeten ons best doen om hem te doen gelooven, dat de scheiding maar voor een tijd zal zijn; maar daar ik beter weet, of vrees beter te weten, kapitein, en zooveel redenen heb om hem te achten en lief te hebben, vrees ik dat het mij zeer slecht zou afgaan als ik probeerde hem dat wijs te maken. Dat is mijne voornaamste reden om te wenschen dat gij er hem het eerst van spreekt, en dat is mijn eerste punt.”—“Laveeren,” merkte de kapitein peinzend aan.—“Wat zegt ge, kapitein?” vroeg Walter.—“Sta vast!” antwoordde de kapitein, nog peinzend.Walter zweeg eene poos om te wachten of de kapitein er nog iets bij zou voegen; maar daar deze niets meer zeide vervolgde hij.“Nu het tweede punt, kapitein Cuttle. Het spijt mij dat ik het moet zeggen, maar ik ben geen gunsteling van mijnheer Dombey. Ik heb altijd mijn best willen doen, en ik heb dat ook altijd gedaan, maar hij houdt niet van mij. Ik kan het misschien niet helpen, dat ik hem niet beval. Daar zeg ik niets van. Ik zeg maar, het is zeker dat hij niet van mij houdt. Hij zendt mij niet naar dien post omdat het een goede post is; hij wil mij dien zelfs niet beter doen voorkomen dan hij is, en ik twijfel zeer of ik daardoor ooit tot bevordering op het kantoor zal komen—of hij mij niet integendeel maar voor altijd uit den weg wil hebben. Nu moeten wij hiervan niets tegen oom zeggen, kapitein Cuttle, maar de zaak zoo gunstig voorstellen als wij kunnen; en als ik u zeg hoe het werkelijk is, doe ik dat alleen opdat ik, als er ooit gelegenheid mocht komen om mij een handje te helpen, terwijl ik zoo ver weg ben, thuis een vriend zou hebben, die mijne wezenlijke omstandigheden kent.”—“Walter, mijn jongen,” antwoordde de kapitein, “in de spreuken van Salomo vinden wij dit: “Mogen wij nooit gebrek hebben aan een vriend in nood, of aan eene flesch om hem te geven!” Als ge dat vindt, zet er dan een streepje bij.”Hierbij had de kapitein, met een gezicht vol welmeenendheid, Walter zijne hand toegestoken; en nog eens zeide hij (want hij was eenigszins trotsch op de nauwkeurigheid en gepastheid van zijne aanhaling): “Als ge dat vindt, zet er dan een streepje bij.”—“Kapitein Cuttle,” zeide Walter, de vervaarlijke vuist, die hem werd toegestoken, met zijne beide handen vattende; “na mijn oom, is er niemand van wien ik zooveel houd als van u. Er is niemand op de wereld wien ik zoo gerust kan vertrouwen, dat weet ik zeker. Wat het heengaan betreft, kapitein, daarom geef ik niet. Waarom zou ik daarom geven? Als ik mijn fortuin mocht gaan zoeken als gemeen matroos, zou ik het gaarne doen. Ik zou het al jaren geleden gaarne gedaan hebben, en het er op gewaagd hebben hoe het met mij afliep. Maar dat was tegen den zin van mijn oom en tegen de plannen die hij voor mij gemaakt had; en daarmede was dat afgedaan. Maar wat ik gevoel, kapitein[107]Cuttle, is dat wij ons allen aldoor eenigszins vergist hebben, en dat ik tegenwoordig geene betere vooruitzichten heb dan toen ik pas bij mijnheer Dombey op het kantoor kwam—misschien slechter vooruitzichten, want misschien was de patroon mij toen wel wat genegen, en dat is hij nu zeker niet.”—“Keer terug, Whittington,” mompelde de verslagene kapitein, nadat hij Walter eene poos had aangezien.—“Het zal lang duren, vrees ik,” antwoordde Walter lachende, “eer er weer een Whittington komt. Niet dat ik klaag,” vervolgde hij, weder zijn gewonen levendigen toon aannemende. “Ik heb over niets te klagen. Ik ben bezorgd. Ik kan leven. Als ik mijn oom verlaat, laat ik hem aan u over, kapitein Cuttle, en ik kan hem aan niemand beter overlaten. Ik heb u dat alles niet gezegd omdat ik wanhopig ben, dat niet; het is maar om u te overtuigen, dat ik het op het kantoor niet maar zoo voor het kiezen heb, en dat ik moet gaan waar ik gezonden word en moet nemen wat mij geboden wordt. Het is voor mijn oom beter dat ik word weggezonden; want mijnheer Dombey is een vriend die hem kan bijstaan, en ook wel wil, gelijk gebleken is; en ik ben overtuigd dat hij dit nog eerder zal doen als ik er niet ben, dien hij niet gaarne ziet. Dus, kapitein Cuttle, met eene kleine verandering van het matrozen-liedje:“Dat gaat naarWest-Injetoe,Voor meer dan zeven jaren.””Kapitein Cuttle kon niet nalaten mede te schreeuwen, en besloot het gezang met een lang uitgerekt “A-hoy!” dat de geheele straat doorklonk.“En nu, kapitein Cuttle,” zeide Walter, hem met groote drukte jas en vest aangevende, “als ge nu wilt meekomen en oom Sam het nieuws vertellen (dat hij eigenlijk al lang had moeten weten) zal ik u aan de deur laten en tot van middag gaan rondkuieren.”De kapitein scheen niet veel zin in die taak te hebben, of te denken dat hij ze naar behooren zou kunnen volvoeren. Hij had zich Walter’s toekomstige loopbaan zoo geheel anders voorgesteld; hij had zich zoo dikwijls verheugd over de schranderheid waarmede hij zijn fortuin vooruitzag, dat het hem veel kostte daarvan af te zien, en zelfs mede te helpen, om die vooruitzichten den bodem in te slaan. Buitendien vond hij het moeilijk zijne oude denkbeelden in dit opzicht over boord te werpen en eene nieuwe lading in te nemen, zonder in de haast, welke de omstandigheden vereischten, de eene met de andere zaak te verwarren en zelf niet te weten hoe hij het had. In plaats van dus met zooveel spoed, als Walter zou verlangd hebben, vest en jas aan te trekken, weigerde hij dit geheel en al, en onderrichtte hij Walter dat hij over zulk eene ernstige zaak eerst “een beetje op zijne nagels moest bijten.”“Dat is eene oude gewoonte van mij. Walter,” zeide de kapitein, “al sedert vijftig jaar. Als gij Ned Cuttle op zijne nagels ziet bijten, denk dan maar dat hij aan den grond zit.”Daarop nam de kapitein zijn ijzeren haak tusschen de tanden, alsof het eene hand was, en begon de zaak, met een gezicht vol diepdenkende wijsheid, uit alle oogpunten te overwegen.“Ik heb een vriend,” mompelde hij peinzende, “maar hij is tegenwoordig op de kustvaart naarWhitbyuit, die er zooveel over zoukunnenzeggen en over alle andere dingen, dat hij het parlement wel zes zou kunnen voorgeven en het nog kloppen. Hij is tweemaal over boord geslagen, die man, en het heeft hem niets gedeerd. Toen hij nog een jongen was kreeg hij alle dag met eene handspaak op zijn kop, en toch is er geen mensch op de wereld die helderder kop heeft.”In weerwil van zijne achting voor kapitein Cuttle kon Walter niet nalaten zich heimelijk over de afwezigheid van dien wijzen man te verheugen, en te hopen dat zijn helder verstand zich niet met zijne bezwaren mocht bemoeien eer zij geheel waren opgeruimd.“Als ik dien man de ton aan deNorewees,” zeide kapitein Cuttle, op denzelfden toon, “en hem zijne meening daarover vroeg, Walter, zou hij er een ding van maken dat zoo weinig op eene ton geleek als de knoopen van uw oom. Geen mensch loopt zoo hard—op twee beenen zeker niet—dat hij hem kan bijhouden.”—“Hoe heet hij, kapitein Cuttle?” zeide Walter, die toch eenige belangstelling in den vriend des kapiteins wilde toonen.—“Hij heet Bunsby,” zeide de kapitein. “Maar, Heere, hij zou heel wat anders kunnen heeten, met zulk een verstand als hij heeft.”Welk denkbeeld de kapitein eigenlijk aan deze lofspraak hechtte helderde hij niet verder op, en Walter lokte hem ook niet daartoe uit; want toen hij met zijne natuurlijke levendigheid nog eens over de voornaamste punten zijner zaak begon te spreken, ontdekte hij spoedig dat de kapitein weder in zijne vroegere diepzinnigheid was verzonken, en hoewel hij hem onder zijne ruige wenkbrauwen strak aankeek, hem blijkbaar niet zag of hoorde.Kapitein Cuttle zat zich inderdaad met zulke diepzinnige bespiegelingen bezig te houden, dat zijn doorzicht weldra geheel geen grond meer vond. Langzamerhand werd het hem duidelijk dat er eene misvatting moest plaats hebben, en het veel waarschijnlijker was dat Walter zich vergiste dan hij; dat, indien er werkelijk een West-Indisch plan bestond, dit geheel iets anders moest wezen dan Walter, die zoo jong en loszinnig was, meende,—dat het niets[108]anders wezen kon dan een nieuw verzinsel om hem met buitengewonen spoed fortuin te laten maken. “Of als er werkelijk eene kleine haspelarij tusschen hen is,” dacht de kapitein, meenende tusschen Walter en Dombey, “zal er maar een gepast woordje van een wederzijdsch vriend noodig zijn, om alles weder in orde te brengen.” De slotsom, die kapitein Cuttle uit deze overwegingen trok, was, dat daar hij reeds de eer had gehad om mijnheer Dombey te leeren kennen en teBrightoneen zeer aangenaam half uur in zijn gezelschap door te brengen (op den ochtend toen zij dat geld leenden), en daar twee lieden, die de wereld kenden en elkander verstonden, en genegen waren om elkander pleizier te doen, gemakkelijk een klein bezwaar van dien aard konden schikken, het vriendschappelijk van hem zou zijn, als hij, zonder er Walter iets van te zeggen, bij mijnheer Dombey aan huis ging—tegen den knecht zeide: “Jongetje, wilt gij wel zoo goed zijn om kapitein Cuttle te rapporteeren?”—Mijnheer Dombey in een geest van vertrouwen aan te spreken—hem bij zijn knoopsgat te haken—er over te praten—alles in het effen te brengen—en in zegepraal heen te gaan!Terwijl deze gedachten langzamerhand bij kapitein Cuttle opkwamen en een bepaalden vorm kregen, klaarde zijn gezicht op, evenals een benevelde morgen voor een helderen middag plaats maakt. Zijne wenkbrauwen, die geducht dreigend waren geweest, trokken naar omhoog en werden minder borstelig; zijne oogen, bijna dichtgeknepen van het ingespannen denken, openden zich ongedwongen; een glimlach, die eerst maar drie plekjes had,—een aan den rechterkant van zijn mond en een aan beide ooghoeken—verspreidde zich over geheel zijn gezicht, ontrimpelde zijn voorhoofd, en lichtte den blinkenden hoed op, alsof deze, die met den kapitein aan den grond had gezeten, nu, evenals hij, gelukkig weder vlot was.Eindelijk staakte de kapitein het nagelbijten, en zeide: “Nu, Walter, mijn jongen, kunt ge mij eens helpen met dat tuig;” waarmede hij zijn vest en jas bedoelde.Walter vermoedde weinig waarom de kapitein zoo keurig was op zijne das, dat hij de beide slippen tot een soort van staart maakte, en deze door een zwaren gouden ring haalde, met eene tombe, een hek en een boom er op, ter gedachtenis van een overleden vriend; en waarom de kapitein zijne boordjes zoo hoog mogelijk optrok, zoodat hij er slechts even overheen kon zien; of waarom hij zijne schoenen uitdeed en een paar halvelaarzen aantrok, die hij slechts bij buitengewone gelegenheden droeg. Toen eindelijk de kapitein naar zijn genoegen was gekleed, en zich van het hoofd tot de voeten had bekeken in een scheerspiegeltje, hetwelk hij ten dien einde van een spijker nam, greep hij zijn knoestigen stok en zeide, dat hij gereed was.De kapitein stapte op straat deftiger dan gewoonlijk, maar Walter schreef dit aan de laarzen toe en lette er dus weinig op. Eer zij ver waren gekomen, ontmoetten zij eene vrouw met bloemen te koop, en de kapitein bleef op eens, alsof hij een gelukkigen inval kreeg, bij haar staan, en kocht den grootsten ruiker uit hare mand; een waaierachtig bouquet, dat twee en een halven voet in omtrek had en uit de kleurigste en vroolijkste bloemen was samengesteld.Met dit presentje, dat hij voor mijnheer Dombey bestemde, gewapend, stapte kapitein Cuttle met Walter voort, tot zij de deur des instrumentmakers bereikten, waarvoor zij beiden bleven stilstaan.“Gij gaat binnen?” zeide Walter.—“Ja,” antwoordde de kapitein, die wel gevoelde dat hij zich Walter moest kwijt maken, eer hij verder ging, en dat hij zijn voorgenomen bezoek liever tot wat later op den dag moest uitstellen.—“En gij zult niets vergeten?” zeide Walter.—“Neen,” antwoordde de kapitein.—“Ik zal dus maar dadelijk op mijne wandeling uitgaan,” zeide Walter, “dan ben ik uit den weg.”—“Doe maar eene frissche lange wandeling, mijn jongen,” riep de kapitein hem na. Walter wuifde met de hand om dit te beloven, en ging zijns weegs.Zijn weg lag eigenlijk nergens heen; maar hij dacht dat hij eens naar buiten wilde gaan, waar hij over het onbekende leven, dat voor hem lag, kon nadenken en onder een of anderen boom gerust zitten peinzen. Hij wist geene betere buitenwandeling dan bijHampstead, en geene betere manier om daarheen te komen dan door Dombey’s huis voorbij te gaan.Het was zoo statig en donker als ooit, en hij ging voorbij en zag naar den dreigenden gevel op. De valgordijnen waren allen neergelaten, maar de bovenvensters stonden wijd open, en het koeltje, dat die gordijnen deed heen en weder zwaaien, was het eenige teeken van leven of beweging dat van buiten zichtbaar was. Walter stapte zachter, toen hij het huis voorbijging, en was blijde toen hij het een paar deuren achter zich had.Toen zag hij om—met die belangstelling welke hij altijd, sedert het avontuur van het verdwaalde kind, jaren geleden voor de plek gevoeld had, en keek vooral naar die bovenvensters. Terwijl hij zoo stond, hield er een koetsje voor de deur stil, en een zwaarlijvig heer, in het zwart, met een zwaren horlogeketting, stapte af en ging binnen. Toen hij zich naderhand dien heer en zijne equipage te zamen herinnerde, twijfelde Walter niet of het was een dokter, en toen verwonderde hij zich wie er ziek was: maar dit viel hem niet in[109]voordat hij een eind ver was gegaan en mijmerend aan andere dingen had gedacht.Maar toch aan dingen die door het huis bij hem opkwamen, want hij streelde zich met de gedachte, dat er misschien eens een tijd zou komen, wanneer het schoone meisje, dat zijne oude vriendin was, en hem altijd zoo dankbaar was geweest en zoo blijde dat zij hem zag, haar broeder in zijn belang zou trekken en zoo een gunstigen invloed op zijn lot uitoefenen. Hij streelde zich daarmede, meer, op het oogenblik, omdat hij zich dan zou kunnen verbeelden dat zij bestendig aan hem bleef denken, dan om het voordeel dat het hem zou kunnen geven; maar zijn nuchter verstand fluisterde hem toe dat hij, als hij dan nog leefde, over zee, en vergeten zou wezen, en zij getrouwd, rijk, trotsch en gelukkig. Er bestond niet meer reden dat zij bij zulk een veranderden staat van zaken met eenige belangstelling aan hem zou denken, dan aan eenig speeltuig dat zij ooit had gehad—neen, zelfs zooveel niet.En toch idealiseerde Walter het bevallige meisje, dat hij eens op de gemeene straten had vinden zwerven, zoodanig, en vond in de onschuldige dankbaarheid, welke zij dien avond zoo eenvoudig en oprecht had getoond, zooveel edels en schoons, dat hij zich voor zich zelven schaamde, toen hij zich wilde opdringen dat zij trotsch zou worden. Aan den anderen kant waren zijne gedachten zoo grillig, dat het hem bijna niet minder lasterlijk voorkwam zich haar als eene volwassene vrouw te verbeelden, haar zich anders voor te stellen dan als hetzelfde zachtzinnige, argelooze, aanhalige kind, dat zij in de dagen van Goede Vrouw Brown geweest was. Kortom, Walter ontdekte dat hij, zoodra hij met zich zelven over Florence wilde redeneeren, terstond geheel onredelijk werd, en maar niet beter kon doen dan haar beeld in zijn hart te bewaren als iets kostbaars, onveranderlijks, onbereikbaars en onduidelijks—onduidelijk in alles behalve haar vermogen om hem op te beuren, en hem als een beschermengel terug te houden van alles wat harer onwaardig zou zijn.Het was eene lange wandeling die Walter deed, terwijl hij naar de vogeltjes, en de kerkklokken, en het verzachte gegons der stad luisterde—streelende geuren inademde—somtijds naar den benevelden gezichteinder keek, waarachter zijne reis en de plaats zijnerbestemminglagen—en dan weder rondzag naar het groene Engelsche gras en het bekende landschap. Evenwel dacht hij niet duidelijk, zelfs niet aan zijn vertrek; hij scheen het nadenken, uit traagheid, van uur tot uur, en van minuut tot minuut uit te stellen, en toch bleef hij al dien tijd aan het peinzen.Walter had de velden weder verlaten, en stapte in dezelfde mijmerende stemming huiswaarts, toen hij een man een schreeuw hoorde geven, en terstond daarop eene gillende vrouwenstem hem bij zijn naam riep. Verwonderd omkijkende, zag hij dat eene huurkoets, die den anderen kant opreed, niet ver van hem af, was blijven stilstaan; dat de koetsier op den bok omzag en hem met zijne zweep wenkte, en dat eene jonge vrouw het halve lijf uit het portier stak en hem met alle macht teekenen gaf. Naar deze koets toeloopende, bevond hij dat de onbekende jonge jufvrouw Nipper was, en dat jonge jufvrouw Nipper zoodanig onthutst was dat zij haast niet wist wat zij zeide of deed.“Staggs’s Gardens, mijnheer Walter!” zeide zij. “O zeg toch, als je blieft.”—“Wat?” vroeg Walter. “Wat is er te doen?”—“O, mijnheer Walter,Staggs’s Gardensals je blieft!” zeide Suze.—“Daar!” zeide de koetsier, zich met zekere zegevierende wanhoop op Walter beroepende, “zoo heeft die jonge jufvrouw al een uur lang aangegaan, en mij gedurig weer achteruit laten rijden uit blinde sloppen, waar zijwildedat ik zou inrijden. Ik heb al veel vrachten in die koets gehad, maar nog nooit zulk eene vracht als zij.”—“Woudt ge naarStaggs’s Gardens, Suze?” vroeg Walter.—“Ja! Daar wil ze naar toe! Maar waar is het?” bromde de koetsier.—“Ik weet niet waar het is,” riep Suze radeloos uit. “Ik ben er eens geweest, mijnheer Walter, met jonge jufvrouw Flore en onzen armen lieveling, jongen heer Paul, op denzelfden dag toen gij jonge jufvrouw Flore in deCityhebt gevonden, want wij raakten haar kwijt toen wij naar huis kwamen, jufvrouw Richards en ik, en een dolle stier en haar oudste jongetje; en ik ben er later nog wel geweest, maar nu kan ik het niet vinden, het is alsof het in den grond is gezonken. O, mijnheer Walter, laat mij toch niet zitten.Staggs’s Gardens, als je blieft. Flore’s lieveling—de lieveling van ons allemaal—die kleine, vriendelijke jonge heer Paul! O mijnheer Walter!”—“Goede God!” riep Walter uit. “Is hij ziek—erg ziek?”—“Och dat engeltje!” zeide Suze, hare handen wringende. “Hij heeft in zijn hoofdje gekregen, dat hij graag zijne oude min zou zien, en nu moet ik haar bij hem aan zijn bed halen, jufvrouw Staggs, in Polly Toodle’s Gardens—wist het toch maar iemand!”Ontroerd van hetgeen hij hoorde, en terstond door Suze’s ijver aangestoken, trok Walter, nu hij hare boodschap begreep, zich de zaak zoo hartelijk aan, dat de koetsier genoeg werk had om hem dicht op te volgen, terwijl hij vooruitliep, om hier en daar en overal naarStaggs’s Gardenste vragen.Er was geenStaggs’sGardensmeer. Het was van de aarde verdwenen. Waar eens het oude vermolmde zomerhuisje stond, verhief zich[110]nu een paleis, en opende zich tusschen reusachtige kolommen een vergezicht in de spoorwegwereld daarachter. Het ellendige stuk braakland, waar voorheen allerlei vuilnis lag opgehoopt, was weg; in plaats daarvan zag men rijen van magazijnen met allerlei kostbare koopwaren volgestapeld. De oude achterstraten wemelden nu van voetgangers en rijtuigen; de nieuwe straten, die moedeloos in den modder waren blijven steken, vormden nu steden op zich zelven, met eigenaardige gemakken en genoegens, die men nooit beproefd, waaraan men nooit gedacht had, eer zij hier geschapen werden. Bruggen die naar niets toe gingen, brachten nu naar villa’s, tuinen, kerken en gezonde openbare wandelingen. De geraamten van huizen en beginselen van nieuwe buitenwijken waren langs den weg met stoomsnelheid medegeloopen, en als een monstertrein het land ingevlogen.Wat de buurt betrof, die den spoorweg in zijne dagen van ontstaan niet had willen erkennen, zij was wijzer geworden en roemde nu op haar rijken en machtigen buurman. Men zag er spoorwegpatronen voor de vensters der manufactuurwinkels, en spoorwegbladen voor die der courantenloopers. Men zag er spoorweghotels en koffiehuizen, men had er spoorwegplannen, kaarten, gezichten, mantels, flesschen, boterhammenblikjes en vertreklijsten; spoorwegkoetsveeren, spoorwegomnibussen, spoorwegstraten en gebouwen, spoorweghandlangers en pannelikkers, en vleiers buiten getal. De klokken wezen zelfs spoorwegtijd, alsof de zon was afgeschaft. Onder de overwonnelingen was de voorheen zoo ongeloovige schoorsteenveger vanStaggs’s Gardens, die nu in een gepleisterd huis van drie verdiepingen woonde, en zich op een geschilderd bord met gouden krulletters voor “aannemer van het machinale reinigen der spoorwegschoorsteenen” uitgaf.Naar en van het hart dier groote verandering stroomde nacht en dag een rustelooze stroom van levensbloed heen en weder. Scharen van menschen en bergen van goederen, die twintig maal in de vier en twintig uren aankwamen en vertrokken, onderhielden eene eeuwigdurende beweging. Zelfs de huizen schenen genegen om op te pakken en uitstapjes te gaan doen. Wonderlijke parlementsleden, die zich, weinig langer dan twintig jaren geleden, met de wilde spoorwegtheorieën der ingenieurs hadden vroolijk gemaakt, en bij parlementaire verhooren den draak met hen hadden gestoken, reden nu met het horloge in de hand naar het noorden, en zonden met den magnetischen telegraaf boodschappen vooruit, dat zij kwamen. Dag en nacht snorden de locomotieven zegevierend voort, of gleden, op het eind van een tocht, gelijk getemde draken, naar het aangewezene hoekje, op een duimbreed afgemeten, en stonden daar te borrelen en te trillen, dat de muren er van beefden, als vervulde hen de geheime bewustheid van groote vermogens, die men nog niet vermoedde, en veruitziende oogmerken, die zij nog moesten verwezenlijken.MaarStaggs’s Gardenswas met wortel en tak uitgeroeid. O jammer, dat geen voet Engelschen grond—met krotjes van huizen bezet—meer veilig is!Eindelijk vond Walter, na veel vruchteloos navragen, een man, die in dat verdwenen land had gewoond, en niemand anders was dan de vroeger gemelde schoorsteenveger, nu een deftig, zwaarlijvig man geworden, die juist aan zijne eigene deur klopte. Hij kende Toodle wel, zeide hij. Was hij niet aan den spoorweg geplaatst?“Ja, mijnheer, ja!” riep Suze Nipper uit het portier.Waar woonde hij nu? vroeg Walter haastig.Hij woonde in de gebouwen der Compagnie, den tweeden hoek rechtsom, de werf langs, dan dwars over en weer den tweeden hoek rechtsom. Het was nommer elf; zij kon niet missen; maar als zij dat toch deden, moesten zij maar naar Toodle den stoker vragen, en iedereen zou hun wijzen waar hij woonde. Bij dit onverwachte geluk, kwam Suze met allen spoed uit de koets, nam Walter’s arm en ging met een stap, die haar spoedig buiten adem moest doen raken, te voet op weg, de koets daar latende om op hare terugkomst te wachten.“Is de kleine jongen lang ziek geweest, Suze?” vroeg Walter, terwijl zij zich voortrepten.—“Al heel lang sukkelig, maar niemand hield het voor zoo erg,” antwoordde Suze, en voegde er met buitengemeene scherpheid bij: “O die Blimber’s!”—“Blimber’s?” herhaalde Walter.—“Ik zou het mij zelve niet kunnen vergeven, mijnheer Walter,” antwoordde Suze, “als ik iemand hard viel in een tijd als deze, nu er zooveel ernstige droefheid is om aan te denken, maar ik mag toch wel wenschen dat die heele familie aan het werk werd gezet om nieuwe wegen te maken in een steenigen grond, en dat die jufvrouw Blimber met het houweel vooruit moest.”Daarop haalde zij eens adem en stapte nog harder door, alsof die buitengewone ontboezeming hare borst verruimd had. Walter, die nu zelf geen adem te missen had, stapte met haar mede zonder meer te vragen, en spoedig stormden zij in hun ongeduld eene deur binnen, en kwamen zoo in een zindelijk voorkamertje vol kinderen.“Waar is jufvrouw Richards?” riep Suze rondkijkende. “O jufvrouw Richards, jufvrouw Richards, kom toch met mij mee, als een lief mensch!”—“Wel waarlijk, als dat Suze niet is!” zeide Polly, onder de groep, met haar goedig moederlijk gezicht, zeer verwonderd opstaande.—“Ja, jufvrouw Richards, ik ben het,” zeide Suze; “en ik wou dat ik het niet was,[111]al lijkt het niet beleefd om zoo te zeggen; maar jonge heer Paul is heel ziek, en heeft zijn papa vandaag gezegd dat hij zijne oude min zoo graag nog eens zou zien, en hij en jonge jufvrouw Flore hopen dat ge met mij mee zult komen—en mijnheer Walter, jufvrouw Richards—en vergeten wat er is voorgevallen, en dat lieve kind nog een pleizier willen doen, want hij zal het niet lang meer maken, jufvrouw Richards. Och, hij zal het niet lang meer maken!”Toen Suze begon te schreien, en Polly, van aandoening over hare komst en het gehoorde bericht, mede schreide, en al de kinderen (waaronder verscheidene kleintjes) zich om haar heen drongen, legde Toodle, die juist vanBirminghamthuis was gekomen, en uit een schotel zat te eten, mes en vork neer, stond op, kreeg voor zijne vrouw den hoed en doek, die achter de deur hingen, hielp haar die opzetten en omdoen, klopte haar toen op den rug, en zeide, met meer vaderlijk gevoel dan welsprekendheid: “Snij maar uit, Polly!”Zoo kwamen zij naar de koets terug, lang voor dat de koetsier hen verwachtte; en Walter hielp Suze en jufvrouw Richards er in, ging zelf op den bok zitten, opdat er geene vergissing meer zou plaats hebben, en bracht de twee veilig tot bijmijnheerDombey in het voorhuis—waar hij, terloops gezegd, een reusachtigen ruiker zag liggen, welke hem aan dien herinnerde, dien kapitein Cuttle des morgens in zijn gezelschap had gekocht. Hij zou gaarne nog wat gebleven zijn om meer van den kleinen zieke te hooren, of gewacht hebben, hoelang ook, om te zien of hij den minsten dienst kon bewijzen; maar zich pijnlijk bewust, dat zulk een gedrag door zijn patroon voor vrijpostig en aanmatigend zou worden gehouden, ging hij langzaam en treurig heen.Hij was nog geene vijf minuten ver, toen een man hem kwam naloopen en verzocht om terug te komen. Walter ging haastig weder met hem mede, en trad met een droevig voorgevoel het sombere huis binnen.
XV.VERBAZENDE SLIMHEID VAN KAPITEIN CUTTLE EN IETS NIEUWS VOOR WALTER GAY.
Walter kon het verscheidene dagen niet met zich zelven eens worden, wat hij in die zaak[104]van Barbados zou doen, en koesterde zelfs eene flauwe hoop dat mijnheer Dombey niet zou gemeend hebben wat hij zeide, of van gedachten zou veranderen en hem naderhand zeggen dat hij niet behoefde te gaan. Maar dewijl er niets voorviel om dit denkbeeld (dat op zich zelf onwaarschijnlijk genoeg was) den minsten zweem van bevestiging te geven, en de tijd zachtjes aan verliep, begreep hij dat hij moest handelen, zonder zich langer te bedenken.Walter’s grootste bezwaar was, hoe hij de verandering in zijne vooruitzichten aan zijn oom Sam zou mededeelen, voor wien hij gevoelde dat dit een geduchte slag zou zijn. Het viel hem te zwaarder oom Sam met zulk eene ontzettende tijding te bedroeven, dewijl de oude man sedert eenigen tijd veel was opgefleurd, en weder zoo vroolijk geworden, dat het achterkamertje wederom even gezellig was als voorheen. Oom Sam had den eersten termijn van de schuld aan Dombey betaald, en hoopte op zijn tijd ook de rest af te doen; en hem thans opnieuw ter neer te slaan, nu hij zich zoo mannelijk boven zijn leed had verheven, was eene droevige noodzakelijkheid.Het ging evenwel niet aan om zoo maar van hem weg te loopen. Hij moest er vooruit van weten; en hoe het hem te zeggen, was de zaak. Wat de vraag van gaan of niet gaan betrof, meende Walter geene keus te hebben. Dombey had hem met waarheid gezegd, dat hij nog jong was en zijn ooms omstandigheden niet goed waren; en door den blik, die deze herinnering vergezelde, had hij duidelijk te kennen gegeven, dat Walter, als hij het voorstel afwees, wel thuis mocht blijven, als hij zoo verkoos, maar niet op zijn kantoor. Zijn oom en hij hadden eene groote verplichting aan mijnheer Dombey, waarom Walter zelf had verzocht. Hij mocht er heimelijk aan wanhopen om ooit de gunst van dien heer te winnen, en denken dat deze hem nu en dan met eene minachting behandelde, die eigenlijk niet billijk was; maar wat buitendien zijn plicht zou geweest zijn, bleef toch zijn plicht—zoo dacht Walter ten minste—en zijn plicht moest hij doen.Toen Dombey hem aanzag en zeide dat hij nog jong was en zijn ooms omstandigheden niet goed waren, had zijn gezicht de smadelijke onderstelling uitgedrukt, dat Walter wel lust zou hebben om op kosten van een oud man, die toch reeds in bekrompene omstandigheden verkeerde, te blijven ledig loopen; en dit had den edeldenkenden jongeling tot in de ziel getroffen. Met voornemen om mijnheer Dombey, zoover hij dit zonder woorden te gebruiken doen kon, te verzekeren dat hij zich in zijn karakter had vergist, had Walter er zich op toegelegd om zich na die West-Indische benoeming nog vroolijker en vlijtiger te toonen dan te voren, zoo dit voor een jongen van zijn levendigen en vurigen aard mogelijk was. Hij was te jong en te onervaren om te denken, dat juist deze hoedanigheid van hem mijnheer Dombey niet aangenaam was, en het geen middel was om zijne goede meening te winnen als iemand zich onder de schaduw van zijn geducht ongenoegen, hetzij billijk of onbillijk, weltevreden en gemoedigd bleef toonen. Maar misschien—misschien—dacht de groote man dat dit nieuwe blijk van een edel en mannelijk gemoed moest dienen om hem te tarten, en nam hij zich voor het te vernederen.“Wel, eens moet het oom Sam toch gezegd worden,” dacht Walter met een zucht; en daar hij vreesde dat zijne stem misschien wat mocht beven, en zijn uitzicht niet zooveel hoop aanduiden als hij wenschte, indien hij het den ouden man zelf zeide en den eersten indruk dier mededeeling in zijne gerimpelde trekken waarnam, besloot hij de goede diensten van kapitein Cuttle, als bemiddelaar in te roepen. Toen het weder zondag was geworden, begaf hij zich nog eens naar de woning des kapiteins.Onderweg was het geene onaangename herinnering voor hem, dat jufvrouw MacStinger elken zondagochtend een verren tocht deed, om de godsdienstoefening bij te wonen, onder het gehoor van den eerwaardenMelchizedekHowler, die, toen hij van de West-Indische dokken werd weggezonden, op de valsche verdenking (door den grooten vijand opzettelijk tegen hem uitgestrooid) dat hij gaatjes in vaten boorde en dan zijn mond er voor hield, begonnen was het vergaan der wereld tegen dien dag over twee jaren aan te kondigen, en eene benedenkamer had gehuurd ter ontvangst van heeren en dames van de Dolle Gezindte, op welke, bij hunne eerste vergadering, zijne vermaningen zulk een krachtigen indruk hadden gemaakt, dat, onder den heiligen dans welke de plechtigheden besloot, de vloer bezweek en de geheele gemeente beneden in de keuken neerplofte, waarbij een mangel, aan een lid der kudde toebehoorende, onherstelbaar werd beschadigd.Dit had de kapitein, in een oogenblik van buitengemeene spraakzaamheid, op den avond toen Brogley de uitdrager werd afbetaald, aan Walter en zijn oom verteld. De kapitein bezocht geregeld elken zondagmorgen eene kerk in zijne eigene buurt, waar hij goed genoeg was om—daar de wettige hondenslager een gebrekkig oud man was—het oog op de jongens te houden, over welke hij, door zijn geheimzinnigen haak, een groot vermogen uitoefende. Wetende hoe geregeld de kapitein in alles was, maakte Walter zooveel haast als hij kon, om hem nog eer hij uitging te vinden, en had ook het genoegen, toen hij den hoek vanBrig placeomsloeg, de blauwe jas en het vest van kapiteinCuttle[105]buiten het venster in de zon te luchten te zien hangen.Het was bijna ongeloofelijk de blauwe jas te zien, zonder dat de kapitein er instak; maar hij stak er toch niet in, anders zouden zijne beenen—daar de huizen inBrig Placeniet hoog zijn—de straatdeur hebben verstopt, die evenwel geheel vrij was. Zeer verwonderd over dit gezicht, klopte Walter ééns aan.Eer zij ver waren gekomen, ontmoetten zij eene vrouw met bloemen te koop, en de kapitein bleef op eens, alsof hij een gelukkigen inval kreeg, bij haar staan, en kocht den grootsten ruiker uit hare mand. (blz. 108).Eer zij ver waren gekomen, ontmoetten zij eene vrouw met bloemen te koop, en de kapitein bleef op eens, alsof hij een gelukkigen inval kreeg, bij haar staan, en kocht den grootsten ruiker uit hare mand.(blz. 108).“Stinger,” hoorde hij den kapitein, boven op zijne kamer, duidelijk zeggen, alsof dit kloppen hem niet aanging. Walter klopte dus tweemaal.“Cuttle,” hoorde hij den kapitein daarop zeggen; en terstond daarop kwam de kapitein zelf, in zijne schoone hemdsmouwen, met zijne das als een touw om den hals en zijn blinkenden hoed op, boven zijne jas en vest uit het raam kijken.“Walter!” riep de kapitein uit, met verbazing naar beneden ziende.—“Ja, kapitein Cuttle,” antwoordde Walter. “Ik ben het maar.”—“Wat scheelt er aan, mijn jongen?” zeide de kapitein zeer bezorgd. “Gills is toch niet weer over stuur?”—“Neen, neen,” antwoordde Walter. “Mijn oom scheelt niets, kapitein.”[106]Kapitein Cuttle gaf zijn genoegen daarover te kennen, en zeide dat hij naar beneden zou komen en de deur opendoen, hetgeen hij dan ook deed.“Maar ge zijt er toch heel vroeg bij, Walter,” zeide de kapitein, hem nog twijfelachtig aanziende, toen zij boven waren gekomen.—“Wel, kapitein,” zeide Walter, zich neerzettende, “de zaak is eigenlijk, dat ik bang was dat ge zoudt uitgaan; en ik wenschte eens een vriendelijken raad van u te hebben.”—“Kom maar op, mijn jongen,” zeide de kapitein. “Gij kunt alles van mij krijgen.”Walter verhaalde hem wat er was voorgevallen, in welk bezwaar hij zich daardoor ten opzichte van zijn oom bevond, en hoe het hem verplichten zou als kapitein Cuttle zoo goed wilde zijn om hem bij te staan. Kapitein Cuttle’s verbazing was zoo groot, dat zijn gezicht op het eind van het verhaal een ledig masker scheen te zijn, waarachter nooit eene menschelijke ziel had gescholen.“Gij begrijpt wel, kapitein Cuttle,” vervolgde Walter, “watmijzelven betreft, ik ben nog jong, zooals mijnheer Dombey zegt, en op mij komt het niet aan. Ik moet maken dat ik door de wereld kom, dat weet ik wel, maar er zijn twee punten dacht ik, terwijl ik hier naar toekwam, waarop ik voor mijn oom bijzonder moet letten. Ik wil niet zeggen dat ik verdien zijn roem en de lust van zijn leven te zijn—dat gelooft gij wel van mij—maar dat ben ik toch. Denkt gij het ook niet?”De kapitein scheen eene poging te doen om uit de diepte zijner verbazing op te rijzen en zijn gezicht weder te bezielen; maar daar dit hem mislukte, knikte de blinkende hoed slechts met onuitsprekelijke beteekenis.“Als ik in leven en gezond blijf,” zeide Walter, “en daar ben ik niet bang voor, kan ik toch, als ik naarWest-Indiëga, bezwaarlijk hopen mijn oom ooit weder te zien. Hij is oud, en buitendien, kapitein Cuttle, zijn leven is een leven van gewoonte.…”—“Sta vast, Walter! En als die gewoonte ophoudt!” zeide de kapitein, eensklaps als het ware herlevende.—“Maar al te waar, kapitein,” antwoordde Walter, zijn hoofd schuddende. “En als het (zooals gij eens met waarheid hebt gezegd) zijn leven zou verkort hebben, als hij zijn winkelvoorraad, en al die dingen, waaraan hij zooveel jaren gewoon was, had verloren, denkt gij dan niet dat het zijn leven ook verkorten zou.…”—“Als hij zijn neef verloor?” viel de kapitein er op in. “Wel zeker.”—“Nu dan,” zeide Walter, met eene poging om een vroolijken toon aan te nemen; “wij moeten ons best doen om hem te doen gelooven, dat de scheiding maar voor een tijd zal zijn; maar daar ik beter weet, of vrees beter te weten, kapitein, en zooveel redenen heb om hem te achten en lief te hebben, vrees ik dat het mij zeer slecht zou afgaan als ik probeerde hem dat wijs te maken. Dat is mijne voornaamste reden om te wenschen dat gij er hem het eerst van spreekt, en dat is mijn eerste punt.”—“Laveeren,” merkte de kapitein peinzend aan.—“Wat zegt ge, kapitein?” vroeg Walter.—“Sta vast!” antwoordde de kapitein, nog peinzend.Walter zweeg eene poos om te wachten of de kapitein er nog iets bij zou voegen; maar daar deze niets meer zeide vervolgde hij.“Nu het tweede punt, kapitein Cuttle. Het spijt mij dat ik het moet zeggen, maar ik ben geen gunsteling van mijnheer Dombey. Ik heb altijd mijn best willen doen, en ik heb dat ook altijd gedaan, maar hij houdt niet van mij. Ik kan het misschien niet helpen, dat ik hem niet beval. Daar zeg ik niets van. Ik zeg maar, het is zeker dat hij niet van mij houdt. Hij zendt mij niet naar dien post omdat het een goede post is; hij wil mij dien zelfs niet beter doen voorkomen dan hij is, en ik twijfel zeer of ik daardoor ooit tot bevordering op het kantoor zal komen—of hij mij niet integendeel maar voor altijd uit den weg wil hebben. Nu moeten wij hiervan niets tegen oom zeggen, kapitein Cuttle, maar de zaak zoo gunstig voorstellen als wij kunnen; en als ik u zeg hoe het werkelijk is, doe ik dat alleen opdat ik, als er ooit gelegenheid mocht komen om mij een handje te helpen, terwijl ik zoo ver weg ben, thuis een vriend zou hebben, die mijne wezenlijke omstandigheden kent.”—“Walter, mijn jongen,” antwoordde de kapitein, “in de spreuken van Salomo vinden wij dit: “Mogen wij nooit gebrek hebben aan een vriend in nood, of aan eene flesch om hem te geven!” Als ge dat vindt, zet er dan een streepje bij.”Hierbij had de kapitein, met een gezicht vol welmeenendheid, Walter zijne hand toegestoken; en nog eens zeide hij (want hij was eenigszins trotsch op de nauwkeurigheid en gepastheid van zijne aanhaling): “Als ge dat vindt, zet er dan een streepje bij.”—“Kapitein Cuttle,” zeide Walter, de vervaarlijke vuist, die hem werd toegestoken, met zijne beide handen vattende; “na mijn oom, is er niemand van wien ik zooveel houd als van u. Er is niemand op de wereld wien ik zoo gerust kan vertrouwen, dat weet ik zeker. Wat het heengaan betreft, kapitein, daarom geef ik niet. Waarom zou ik daarom geven? Als ik mijn fortuin mocht gaan zoeken als gemeen matroos, zou ik het gaarne doen. Ik zou het al jaren geleden gaarne gedaan hebben, en het er op gewaagd hebben hoe het met mij afliep. Maar dat was tegen den zin van mijn oom en tegen de plannen die hij voor mij gemaakt had; en daarmede was dat afgedaan. Maar wat ik gevoel, kapitein[107]Cuttle, is dat wij ons allen aldoor eenigszins vergist hebben, en dat ik tegenwoordig geene betere vooruitzichten heb dan toen ik pas bij mijnheer Dombey op het kantoor kwam—misschien slechter vooruitzichten, want misschien was de patroon mij toen wel wat genegen, en dat is hij nu zeker niet.”—“Keer terug, Whittington,” mompelde de verslagene kapitein, nadat hij Walter eene poos had aangezien.—“Het zal lang duren, vrees ik,” antwoordde Walter lachende, “eer er weer een Whittington komt. Niet dat ik klaag,” vervolgde hij, weder zijn gewonen levendigen toon aannemende. “Ik heb over niets te klagen. Ik ben bezorgd. Ik kan leven. Als ik mijn oom verlaat, laat ik hem aan u over, kapitein Cuttle, en ik kan hem aan niemand beter overlaten. Ik heb u dat alles niet gezegd omdat ik wanhopig ben, dat niet; het is maar om u te overtuigen, dat ik het op het kantoor niet maar zoo voor het kiezen heb, en dat ik moet gaan waar ik gezonden word en moet nemen wat mij geboden wordt. Het is voor mijn oom beter dat ik word weggezonden; want mijnheer Dombey is een vriend die hem kan bijstaan, en ook wel wil, gelijk gebleken is; en ik ben overtuigd dat hij dit nog eerder zal doen als ik er niet ben, dien hij niet gaarne ziet. Dus, kapitein Cuttle, met eene kleine verandering van het matrozen-liedje:“Dat gaat naarWest-Injetoe,Voor meer dan zeven jaren.””Kapitein Cuttle kon niet nalaten mede te schreeuwen, en besloot het gezang met een lang uitgerekt “A-hoy!” dat de geheele straat doorklonk.“En nu, kapitein Cuttle,” zeide Walter, hem met groote drukte jas en vest aangevende, “als ge nu wilt meekomen en oom Sam het nieuws vertellen (dat hij eigenlijk al lang had moeten weten) zal ik u aan de deur laten en tot van middag gaan rondkuieren.”De kapitein scheen niet veel zin in die taak te hebben, of te denken dat hij ze naar behooren zou kunnen volvoeren. Hij had zich Walter’s toekomstige loopbaan zoo geheel anders voorgesteld; hij had zich zoo dikwijls verheugd over de schranderheid waarmede hij zijn fortuin vooruitzag, dat het hem veel kostte daarvan af te zien, en zelfs mede te helpen, om die vooruitzichten den bodem in te slaan. Buitendien vond hij het moeilijk zijne oude denkbeelden in dit opzicht over boord te werpen en eene nieuwe lading in te nemen, zonder in de haast, welke de omstandigheden vereischten, de eene met de andere zaak te verwarren en zelf niet te weten hoe hij het had. In plaats van dus met zooveel spoed, als Walter zou verlangd hebben, vest en jas aan te trekken, weigerde hij dit geheel en al, en onderrichtte hij Walter dat hij over zulk eene ernstige zaak eerst “een beetje op zijne nagels moest bijten.”“Dat is eene oude gewoonte van mij. Walter,” zeide de kapitein, “al sedert vijftig jaar. Als gij Ned Cuttle op zijne nagels ziet bijten, denk dan maar dat hij aan den grond zit.”Daarop nam de kapitein zijn ijzeren haak tusschen de tanden, alsof het eene hand was, en begon de zaak, met een gezicht vol diepdenkende wijsheid, uit alle oogpunten te overwegen.“Ik heb een vriend,” mompelde hij peinzende, “maar hij is tegenwoordig op de kustvaart naarWhitbyuit, die er zooveel over zoukunnenzeggen en over alle andere dingen, dat hij het parlement wel zes zou kunnen voorgeven en het nog kloppen. Hij is tweemaal over boord geslagen, die man, en het heeft hem niets gedeerd. Toen hij nog een jongen was kreeg hij alle dag met eene handspaak op zijn kop, en toch is er geen mensch op de wereld die helderder kop heeft.”In weerwil van zijne achting voor kapitein Cuttle kon Walter niet nalaten zich heimelijk over de afwezigheid van dien wijzen man te verheugen, en te hopen dat zijn helder verstand zich niet met zijne bezwaren mocht bemoeien eer zij geheel waren opgeruimd.“Als ik dien man de ton aan deNorewees,” zeide kapitein Cuttle, op denzelfden toon, “en hem zijne meening daarover vroeg, Walter, zou hij er een ding van maken dat zoo weinig op eene ton geleek als de knoopen van uw oom. Geen mensch loopt zoo hard—op twee beenen zeker niet—dat hij hem kan bijhouden.”—“Hoe heet hij, kapitein Cuttle?” zeide Walter, die toch eenige belangstelling in den vriend des kapiteins wilde toonen.—“Hij heet Bunsby,” zeide de kapitein. “Maar, Heere, hij zou heel wat anders kunnen heeten, met zulk een verstand als hij heeft.”Welk denkbeeld de kapitein eigenlijk aan deze lofspraak hechtte helderde hij niet verder op, en Walter lokte hem ook niet daartoe uit; want toen hij met zijne natuurlijke levendigheid nog eens over de voornaamste punten zijner zaak begon te spreken, ontdekte hij spoedig dat de kapitein weder in zijne vroegere diepzinnigheid was verzonken, en hoewel hij hem onder zijne ruige wenkbrauwen strak aankeek, hem blijkbaar niet zag of hoorde.Kapitein Cuttle zat zich inderdaad met zulke diepzinnige bespiegelingen bezig te houden, dat zijn doorzicht weldra geheel geen grond meer vond. Langzamerhand werd het hem duidelijk dat er eene misvatting moest plaats hebben, en het veel waarschijnlijker was dat Walter zich vergiste dan hij; dat, indien er werkelijk een West-Indisch plan bestond, dit geheel iets anders moest wezen dan Walter, die zoo jong en loszinnig was, meende,—dat het niets[108]anders wezen kon dan een nieuw verzinsel om hem met buitengewonen spoed fortuin te laten maken. “Of als er werkelijk eene kleine haspelarij tusschen hen is,” dacht de kapitein, meenende tusschen Walter en Dombey, “zal er maar een gepast woordje van een wederzijdsch vriend noodig zijn, om alles weder in orde te brengen.” De slotsom, die kapitein Cuttle uit deze overwegingen trok, was, dat daar hij reeds de eer had gehad om mijnheer Dombey te leeren kennen en teBrightoneen zeer aangenaam half uur in zijn gezelschap door te brengen (op den ochtend toen zij dat geld leenden), en daar twee lieden, die de wereld kenden en elkander verstonden, en genegen waren om elkander pleizier te doen, gemakkelijk een klein bezwaar van dien aard konden schikken, het vriendschappelijk van hem zou zijn, als hij, zonder er Walter iets van te zeggen, bij mijnheer Dombey aan huis ging—tegen den knecht zeide: “Jongetje, wilt gij wel zoo goed zijn om kapitein Cuttle te rapporteeren?”—Mijnheer Dombey in een geest van vertrouwen aan te spreken—hem bij zijn knoopsgat te haken—er over te praten—alles in het effen te brengen—en in zegepraal heen te gaan!Terwijl deze gedachten langzamerhand bij kapitein Cuttle opkwamen en een bepaalden vorm kregen, klaarde zijn gezicht op, evenals een benevelde morgen voor een helderen middag plaats maakt. Zijne wenkbrauwen, die geducht dreigend waren geweest, trokken naar omhoog en werden minder borstelig; zijne oogen, bijna dichtgeknepen van het ingespannen denken, openden zich ongedwongen; een glimlach, die eerst maar drie plekjes had,—een aan den rechterkant van zijn mond en een aan beide ooghoeken—verspreidde zich over geheel zijn gezicht, ontrimpelde zijn voorhoofd, en lichtte den blinkenden hoed op, alsof deze, die met den kapitein aan den grond had gezeten, nu, evenals hij, gelukkig weder vlot was.Eindelijk staakte de kapitein het nagelbijten, en zeide: “Nu, Walter, mijn jongen, kunt ge mij eens helpen met dat tuig;” waarmede hij zijn vest en jas bedoelde.Walter vermoedde weinig waarom de kapitein zoo keurig was op zijne das, dat hij de beide slippen tot een soort van staart maakte, en deze door een zwaren gouden ring haalde, met eene tombe, een hek en een boom er op, ter gedachtenis van een overleden vriend; en waarom de kapitein zijne boordjes zoo hoog mogelijk optrok, zoodat hij er slechts even overheen kon zien; of waarom hij zijne schoenen uitdeed en een paar halvelaarzen aantrok, die hij slechts bij buitengewone gelegenheden droeg. Toen eindelijk de kapitein naar zijn genoegen was gekleed, en zich van het hoofd tot de voeten had bekeken in een scheerspiegeltje, hetwelk hij ten dien einde van een spijker nam, greep hij zijn knoestigen stok en zeide, dat hij gereed was.De kapitein stapte op straat deftiger dan gewoonlijk, maar Walter schreef dit aan de laarzen toe en lette er dus weinig op. Eer zij ver waren gekomen, ontmoetten zij eene vrouw met bloemen te koop, en de kapitein bleef op eens, alsof hij een gelukkigen inval kreeg, bij haar staan, en kocht den grootsten ruiker uit hare mand; een waaierachtig bouquet, dat twee en een halven voet in omtrek had en uit de kleurigste en vroolijkste bloemen was samengesteld.Met dit presentje, dat hij voor mijnheer Dombey bestemde, gewapend, stapte kapitein Cuttle met Walter voort, tot zij de deur des instrumentmakers bereikten, waarvoor zij beiden bleven stilstaan.“Gij gaat binnen?” zeide Walter.—“Ja,” antwoordde de kapitein, die wel gevoelde dat hij zich Walter moest kwijt maken, eer hij verder ging, en dat hij zijn voorgenomen bezoek liever tot wat later op den dag moest uitstellen.—“En gij zult niets vergeten?” zeide Walter.—“Neen,” antwoordde de kapitein.—“Ik zal dus maar dadelijk op mijne wandeling uitgaan,” zeide Walter, “dan ben ik uit den weg.”—“Doe maar eene frissche lange wandeling, mijn jongen,” riep de kapitein hem na. Walter wuifde met de hand om dit te beloven, en ging zijns weegs.Zijn weg lag eigenlijk nergens heen; maar hij dacht dat hij eens naar buiten wilde gaan, waar hij over het onbekende leven, dat voor hem lag, kon nadenken en onder een of anderen boom gerust zitten peinzen. Hij wist geene betere buitenwandeling dan bijHampstead, en geene betere manier om daarheen te komen dan door Dombey’s huis voorbij te gaan.Het was zoo statig en donker als ooit, en hij ging voorbij en zag naar den dreigenden gevel op. De valgordijnen waren allen neergelaten, maar de bovenvensters stonden wijd open, en het koeltje, dat die gordijnen deed heen en weder zwaaien, was het eenige teeken van leven of beweging dat van buiten zichtbaar was. Walter stapte zachter, toen hij het huis voorbijging, en was blijde toen hij het een paar deuren achter zich had.Toen zag hij om—met die belangstelling welke hij altijd, sedert het avontuur van het verdwaalde kind, jaren geleden voor de plek gevoeld had, en keek vooral naar die bovenvensters. Terwijl hij zoo stond, hield er een koetsje voor de deur stil, en een zwaarlijvig heer, in het zwart, met een zwaren horlogeketting, stapte af en ging binnen. Toen hij zich naderhand dien heer en zijne equipage te zamen herinnerde, twijfelde Walter niet of het was een dokter, en toen verwonderde hij zich wie er ziek was: maar dit viel hem niet in[109]voordat hij een eind ver was gegaan en mijmerend aan andere dingen had gedacht.Maar toch aan dingen die door het huis bij hem opkwamen, want hij streelde zich met de gedachte, dat er misschien eens een tijd zou komen, wanneer het schoone meisje, dat zijne oude vriendin was, en hem altijd zoo dankbaar was geweest en zoo blijde dat zij hem zag, haar broeder in zijn belang zou trekken en zoo een gunstigen invloed op zijn lot uitoefenen. Hij streelde zich daarmede, meer, op het oogenblik, omdat hij zich dan zou kunnen verbeelden dat zij bestendig aan hem bleef denken, dan om het voordeel dat het hem zou kunnen geven; maar zijn nuchter verstand fluisterde hem toe dat hij, als hij dan nog leefde, over zee, en vergeten zou wezen, en zij getrouwd, rijk, trotsch en gelukkig. Er bestond niet meer reden dat zij bij zulk een veranderden staat van zaken met eenige belangstelling aan hem zou denken, dan aan eenig speeltuig dat zij ooit had gehad—neen, zelfs zooveel niet.En toch idealiseerde Walter het bevallige meisje, dat hij eens op de gemeene straten had vinden zwerven, zoodanig, en vond in de onschuldige dankbaarheid, welke zij dien avond zoo eenvoudig en oprecht had getoond, zooveel edels en schoons, dat hij zich voor zich zelven schaamde, toen hij zich wilde opdringen dat zij trotsch zou worden. Aan den anderen kant waren zijne gedachten zoo grillig, dat het hem bijna niet minder lasterlijk voorkwam zich haar als eene volwassene vrouw te verbeelden, haar zich anders voor te stellen dan als hetzelfde zachtzinnige, argelooze, aanhalige kind, dat zij in de dagen van Goede Vrouw Brown geweest was. Kortom, Walter ontdekte dat hij, zoodra hij met zich zelven over Florence wilde redeneeren, terstond geheel onredelijk werd, en maar niet beter kon doen dan haar beeld in zijn hart te bewaren als iets kostbaars, onveranderlijks, onbereikbaars en onduidelijks—onduidelijk in alles behalve haar vermogen om hem op te beuren, en hem als een beschermengel terug te houden van alles wat harer onwaardig zou zijn.Het was eene lange wandeling die Walter deed, terwijl hij naar de vogeltjes, en de kerkklokken, en het verzachte gegons der stad luisterde—streelende geuren inademde—somtijds naar den benevelden gezichteinder keek, waarachter zijne reis en de plaats zijnerbestemminglagen—en dan weder rondzag naar het groene Engelsche gras en het bekende landschap. Evenwel dacht hij niet duidelijk, zelfs niet aan zijn vertrek; hij scheen het nadenken, uit traagheid, van uur tot uur, en van minuut tot minuut uit te stellen, en toch bleef hij al dien tijd aan het peinzen.Walter had de velden weder verlaten, en stapte in dezelfde mijmerende stemming huiswaarts, toen hij een man een schreeuw hoorde geven, en terstond daarop eene gillende vrouwenstem hem bij zijn naam riep. Verwonderd omkijkende, zag hij dat eene huurkoets, die den anderen kant opreed, niet ver van hem af, was blijven stilstaan; dat de koetsier op den bok omzag en hem met zijne zweep wenkte, en dat eene jonge vrouw het halve lijf uit het portier stak en hem met alle macht teekenen gaf. Naar deze koets toeloopende, bevond hij dat de onbekende jonge jufvrouw Nipper was, en dat jonge jufvrouw Nipper zoodanig onthutst was dat zij haast niet wist wat zij zeide of deed.“Staggs’s Gardens, mijnheer Walter!” zeide zij. “O zeg toch, als je blieft.”—“Wat?” vroeg Walter. “Wat is er te doen?”—“O, mijnheer Walter,Staggs’s Gardensals je blieft!” zeide Suze.—“Daar!” zeide de koetsier, zich met zekere zegevierende wanhoop op Walter beroepende, “zoo heeft die jonge jufvrouw al een uur lang aangegaan, en mij gedurig weer achteruit laten rijden uit blinde sloppen, waar zijwildedat ik zou inrijden. Ik heb al veel vrachten in die koets gehad, maar nog nooit zulk eene vracht als zij.”—“Woudt ge naarStaggs’s Gardens, Suze?” vroeg Walter.—“Ja! Daar wil ze naar toe! Maar waar is het?” bromde de koetsier.—“Ik weet niet waar het is,” riep Suze radeloos uit. “Ik ben er eens geweest, mijnheer Walter, met jonge jufvrouw Flore en onzen armen lieveling, jongen heer Paul, op denzelfden dag toen gij jonge jufvrouw Flore in deCityhebt gevonden, want wij raakten haar kwijt toen wij naar huis kwamen, jufvrouw Richards en ik, en een dolle stier en haar oudste jongetje; en ik ben er later nog wel geweest, maar nu kan ik het niet vinden, het is alsof het in den grond is gezonken. O, mijnheer Walter, laat mij toch niet zitten.Staggs’s Gardens, als je blieft. Flore’s lieveling—de lieveling van ons allemaal—die kleine, vriendelijke jonge heer Paul! O mijnheer Walter!”—“Goede God!” riep Walter uit. “Is hij ziek—erg ziek?”—“Och dat engeltje!” zeide Suze, hare handen wringende. “Hij heeft in zijn hoofdje gekregen, dat hij graag zijne oude min zou zien, en nu moet ik haar bij hem aan zijn bed halen, jufvrouw Staggs, in Polly Toodle’s Gardens—wist het toch maar iemand!”Ontroerd van hetgeen hij hoorde, en terstond door Suze’s ijver aangestoken, trok Walter, nu hij hare boodschap begreep, zich de zaak zoo hartelijk aan, dat de koetsier genoeg werk had om hem dicht op te volgen, terwijl hij vooruitliep, om hier en daar en overal naarStaggs’s Gardenste vragen.Er was geenStaggs’sGardensmeer. Het was van de aarde verdwenen. Waar eens het oude vermolmde zomerhuisje stond, verhief zich[110]nu een paleis, en opende zich tusschen reusachtige kolommen een vergezicht in de spoorwegwereld daarachter. Het ellendige stuk braakland, waar voorheen allerlei vuilnis lag opgehoopt, was weg; in plaats daarvan zag men rijen van magazijnen met allerlei kostbare koopwaren volgestapeld. De oude achterstraten wemelden nu van voetgangers en rijtuigen; de nieuwe straten, die moedeloos in den modder waren blijven steken, vormden nu steden op zich zelven, met eigenaardige gemakken en genoegens, die men nooit beproefd, waaraan men nooit gedacht had, eer zij hier geschapen werden. Bruggen die naar niets toe gingen, brachten nu naar villa’s, tuinen, kerken en gezonde openbare wandelingen. De geraamten van huizen en beginselen van nieuwe buitenwijken waren langs den weg met stoomsnelheid medegeloopen, en als een monstertrein het land ingevlogen.Wat de buurt betrof, die den spoorweg in zijne dagen van ontstaan niet had willen erkennen, zij was wijzer geworden en roemde nu op haar rijken en machtigen buurman. Men zag er spoorwegpatronen voor de vensters der manufactuurwinkels, en spoorwegbladen voor die der courantenloopers. Men zag er spoorweghotels en koffiehuizen, men had er spoorwegplannen, kaarten, gezichten, mantels, flesschen, boterhammenblikjes en vertreklijsten; spoorwegkoetsveeren, spoorwegomnibussen, spoorwegstraten en gebouwen, spoorweghandlangers en pannelikkers, en vleiers buiten getal. De klokken wezen zelfs spoorwegtijd, alsof de zon was afgeschaft. Onder de overwonnelingen was de voorheen zoo ongeloovige schoorsteenveger vanStaggs’s Gardens, die nu in een gepleisterd huis van drie verdiepingen woonde, en zich op een geschilderd bord met gouden krulletters voor “aannemer van het machinale reinigen der spoorwegschoorsteenen” uitgaf.Naar en van het hart dier groote verandering stroomde nacht en dag een rustelooze stroom van levensbloed heen en weder. Scharen van menschen en bergen van goederen, die twintig maal in de vier en twintig uren aankwamen en vertrokken, onderhielden eene eeuwigdurende beweging. Zelfs de huizen schenen genegen om op te pakken en uitstapjes te gaan doen. Wonderlijke parlementsleden, die zich, weinig langer dan twintig jaren geleden, met de wilde spoorwegtheorieën der ingenieurs hadden vroolijk gemaakt, en bij parlementaire verhooren den draak met hen hadden gestoken, reden nu met het horloge in de hand naar het noorden, en zonden met den magnetischen telegraaf boodschappen vooruit, dat zij kwamen. Dag en nacht snorden de locomotieven zegevierend voort, of gleden, op het eind van een tocht, gelijk getemde draken, naar het aangewezene hoekje, op een duimbreed afgemeten, en stonden daar te borrelen en te trillen, dat de muren er van beefden, als vervulde hen de geheime bewustheid van groote vermogens, die men nog niet vermoedde, en veruitziende oogmerken, die zij nog moesten verwezenlijken.MaarStaggs’s Gardenswas met wortel en tak uitgeroeid. O jammer, dat geen voet Engelschen grond—met krotjes van huizen bezet—meer veilig is!Eindelijk vond Walter, na veel vruchteloos navragen, een man, die in dat verdwenen land had gewoond, en niemand anders was dan de vroeger gemelde schoorsteenveger, nu een deftig, zwaarlijvig man geworden, die juist aan zijne eigene deur klopte. Hij kende Toodle wel, zeide hij. Was hij niet aan den spoorweg geplaatst?“Ja, mijnheer, ja!” riep Suze Nipper uit het portier.Waar woonde hij nu? vroeg Walter haastig.Hij woonde in de gebouwen der Compagnie, den tweeden hoek rechtsom, de werf langs, dan dwars over en weer den tweeden hoek rechtsom. Het was nommer elf; zij kon niet missen; maar als zij dat toch deden, moesten zij maar naar Toodle den stoker vragen, en iedereen zou hun wijzen waar hij woonde. Bij dit onverwachte geluk, kwam Suze met allen spoed uit de koets, nam Walter’s arm en ging met een stap, die haar spoedig buiten adem moest doen raken, te voet op weg, de koets daar latende om op hare terugkomst te wachten.“Is de kleine jongen lang ziek geweest, Suze?” vroeg Walter, terwijl zij zich voortrepten.—“Al heel lang sukkelig, maar niemand hield het voor zoo erg,” antwoordde Suze, en voegde er met buitengemeene scherpheid bij: “O die Blimber’s!”—“Blimber’s?” herhaalde Walter.—“Ik zou het mij zelve niet kunnen vergeven, mijnheer Walter,” antwoordde Suze, “als ik iemand hard viel in een tijd als deze, nu er zooveel ernstige droefheid is om aan te denken, maar ik mag toch wel wenschen dat die heele familie aan het werk werd gezet om nieuwe wegen te maken in een steenigen grond, en dat die jufvrouw Blimber met het houweel vooruit moest.”Daarop haalde zij eens adem en stapte nog harder door, alsof die buitengewone ontboezeming hare borst verruimd had. Walter, die nu zelf geen adem te missen had, stapte met haar mede zonder meer te vragen, en spoedig stormden zij in hun ongeduld eene deur binnen, en kwamen zoo in een zindelijk voorkamertje vol kinderen.“Waar is jufvrouw Richards?” riep Suze rondkijkende. “O jufvrouw Richards, jufvrouw Richards, kom toch met mij mee, als een lief mensch!”—“Wel waarlijk, als dat Suze niet is!” zeide Polly, onder de groep, met haar goedig moederlijk gezicht, zeer verwonderd opstaande.—“Ja, jufvrouw Richards, ik ben het,” zeide Suze; “en ik wou dat ik het niet was,[111]al lijkt het niet beleefd om zoo te zeggen; maar jonge heer Paul is heel ziek, en heeft zijn papa vandaag gezegd dat hij zijne oude min zoo graag nog eens zou zien, en hij en jonge jufvrouw Flore hopen dat ge met mij mee zult komen—en mijnheer Walter, jufvrouw Richards—en vergeten wat er is voorgevallen, en dat lieve kind nog een pleizier willen doen, want hij zal het niet lang meer maken, jufvrouw Richards. Och, hij zal het niet lang meer maken!”Toen Suze begon te schreien, en Polly, van aandoening over hare komst en het gehoorde bericht, mede schreide, en al de kinderen (waaronder verscheidene kleintjes) zich om haar heen drongen, legde Toodle, die juist vanBirminghamthuis was gekomen, en uit een schotel zat te eten, mes en vork neer, stond op, kreeg voor zijne vrouw den hoed en doek, die achter de deur hingen, hielp haar die opzetten en omdoen, klopte haar toen op den rug, en zeide, met meer vaderlijk gevoel dan welsprekendheid: “Snij maar uit, Polly!”Zoo kwamen zij naar de koets terug, lang voor dat de koetsier hen verwachtte; en Walter hielp Suze en jufvrouw Richards er in, ging zelf op den bok zitten, opdat er geene vergissing meer zou plaats hebben, en bracht de twee veilig tot bijmijnheerDombey in het voorhuis—waar hij, terloops gezegd, een reusachtigen ruiker zag liggen, welke hem aan dien herinnerde, dien kapitein Cuttle des morgens in zijn gezelschap had gekocht. Hij zou gaarne nog wat gebleven zijn om meer van den kleinen zieke te hooren, of gewacht hebben, hoelang ook, om te zien of hij den minsten dienst kon bewijzen; maar zich pijnlijk bewust, dat zulk een gedrag door zijn patroon voor vrijpostig en aanmatigend zou worden gehouden, ging hij langzaam en treurig heen.Hij was nog geene vijf minuten ver, toen een man hem kwam naloopen en verzocht om terug te komen. Walter ging haastig weder met hem mede, en trad met een droevig voorgevoel het sombere huis binnen.
Walter kon het verscheidene dagen niet met zich zelven eens worden, wat hij in die zaak[104]van Barbados zou doen, en koesterde zelfs eene flauwe hoop dat mijnheer Dombey niet zou gemeend hebben wat hij zeide, of van gedachten zou veranderen en hem naderhand zeggen dat hij niet behoefde te gaan. Maar dewijl er niets voorviel om dit denkbeeld (dat op zich zelf onwaarschijnlijk genoeg was) den minsten zweem van bevestiging te geven, en de tijd zachtjes aan verliep, begreep hij dat hij moest handelen, zonder zich langer te bedenken.
Walter’s grootste bezwaar was, hoe hij de verandering in zijne vooruitzichten aan zijn oom Sam zou mededeelen, voor wien hij gevoelde dat dit een geduchte slag zou zijn. Het viel hem te zwaarder oom Sam met zulk eene ontzettende tijding te bedroeven, dewijl de oude man sedert eenigen tijd veel was opgefleurd, en weder zoo vroolijk geworden, dat het achterkamertje wederom even gezellig was als voorheen. Oom Sam had den eersten termijn van de schuld aan Dombey betaald, en hoopte op zijn tijd ook de rest af te doen; en hem thans opnieuw ter neer te slaan, nu hij zich zoo mannelijk boven zijn leed had verheven, was eene droevige noodzakelijkheid.
Het ging evenwel niet aan om zoo maar van hem weg te loopen. Hij moest er vooruit van weten; en hoe het hem te zeggen, was de zaak. Wat de vraag van gaan of niet gaan betrof, meende Walter geene keus te hebben. Dombey had hem met waarheid gezegd, dat hij nog jong was en zijn ooms omstandigheden niet goed waren; en door den blik, die deze herinnering vergezelde, had hij duidelijk te kennen gegeven, dat Walter, als hij het voorstel afwees, wel thuis mocht blijven, als hij zoo verkoos, maar niet op zijn kantoor. Zijn oom en hij hadden eene groote verplichting aan mijnheer Dombey, waarom Walter zelf had verzocht. Hij mocht er heimelijk aan wanhopen om ooit de gunst van dien heer te winnen, en denken dat deze hem nu en dan met eene minachting behandelde, die eigenlijk niet billijk was; maar wat buitendien zijn plicht zou geweest zijn, bleef toch zijn plicht—zoo dacht Walter ten minste—en zijn plicht moest hij doen.
Toen Dombey hem aanzag en zeide dat hij nog jong was en zijn ooms omstandigheden niet goed waren, had zijn gezicht de smadelijke onderstelling uitgedrukt, dat Walter wel lust zou hebben om op kosten van een oud man, die toch reeds in bekrompene omstandigheden verkeerde, te blijven ledig loopen; en dit had den edeldenkenden jongeling tot in de ziel getroffen. Met voornemen om mijnheer Dombey, zoover hij dit zonder woorden te gebruiken doen kon, te verzekeren dat hij zich in zijn karakter had vergist, had Walter er zich op toegelegd om zich na die West-Indische benoeming nog vroolijker en vlijtiger te toonen dan te voren, zoo dit voor een jongen van zijn levendigen en vurigen aard mogelijk was. Hij was te jong en te onervaren om te denken, dat juist deze hoedanigheid van hem mijnheer Dombey niet aangenaam was, en het geen middel was om zijne goede meening te winnen als iemand zich onder de schaduw van zijn geducht ongenoegen, hetzij billijk of onbillijk, weltevreden en gemoedigd bleef toonen. Maar misschien—misschien—dacht de groote man dat dit nieuwe blijk van een edel en mannelijk gemoed moest dienen om hem te tarten, en nam hij zich voor het te vernederen.
“Wel, eens moet het oom Sam toch gezegd worden,” dacht Walter met een zucht; en daar hij vreesde dat zijne stem misschien wat mocht beven, en zijn uitzicht niet zooveel hoop aanduiden als hij wenschte, indien hij het den ouden man zelf zeide en den eersten indruk dier mededeeling in zijne gerimpelde trekken waarnam, besloot hij de goede diensten van kapitein Cuttle, als bemiddelaar in te roepen. Toen het weder zondag was geworden, begaf hij zich nog eens naar de woning des kapiteins.
Onderweg was het geene onaangename herinnering voor hem, dat jufvrouw MacStinger elken zondagochtend een verren tocht deed, om de godsdienstoefening bij te wonen, onder het gehoor van den eerwaardenMelchizedekHowler, die, toen hij van de West-Indische dokken werd weggezonden, op de valsche verdenking (door den grooten vijand opzettelijk tegen hem uitgestrooid) dat hij gaatjes in vaten boorde en dan zijn mond er voor hield, begonnen was het vergaan der wereld tegen dien dag over twee jaren aan te kondigen, en eene benedenkamer had gehuurd ter ontvangst van heeren en dames van de Dolle Gezindte, op welke, bij hunne eerste vergadering, zijne vermaningen zulk een krachtigen indruk hadden gemaakt, dat, onder den heiligen dans welke de plechtigheden besloot, de vloer bezweek en de geheele gemeente beneden in de keuken neerplofte, waarbij een mangel, aan een lid der kudde toebehoorende, onherstelbaar werd beschadigd.
Dit had de kapitein, in een oogenblik van buitengemeene spraakzaamheid, op den avond toen Brogley de uitdrager werd afbetaald, aan Walter en zijn oom verteld. De kapitein bezocht geregeld elken zondagmorgen eene kerk in zijne eigene buurt, waar hij goed genoeg was om—daar de wettige hondenslager een gebrekkig oud man was—het oog op de jongens te houden, over welke hij, door zijn geheimzinnigen haak, een groot vermogen uitoefende. Wetende hoe geregeld de kapitein in alles was, maakte Walter zooveel haast als hij kon, om hem nog eer hij uitging te vinden, en had ook het genoegen, toen hij den hoek vanBrig placeomsloeg, de blauwe jas en het vest van kapiteinCuttle[105]buiten het venster in de zon te luchten te zien hangen.
Het was bijna ongeloofelijk de blauwe jas te zien, zonder dat de kapitein er instak; maar hij stak er toch niet in, anders zouden zijne beenen—daar de huizen inBrig Placeniet hoog zijn—de straatdeur hebben verstopt, die evenwel geheel vrij was. Zeer verwonderd over dit gezicht, klopte Walter ééns aan.
Eer zij ver waren gekomen, ontmoetten zij eene vrouw met bloemen te koop, en de kapitein bleef op eens, alsof hij een gelukkigen inval kreeg, bij haar staan, en kocht den grootsten ruiker uit hare mand. (blz. 108).Eer zij ver waren gekomen, ontmoetten zij eene vrouw met bloemen te koop, en de kapitein bleef op eens, alsof hij een gelukkigen inval kreeg, bij haar staan, en kocht den grootsten ruiker uit hare mand.(blz. 108).
Eer zij ver waren gekomen, ontmoetten zij eene vrouw met bloemen te koop, en de kapitein bleef op eens, alsof hij een gelukkigen inval kreeg, bij haar staan, en kocht den grootsten ruiker uit hare mand.(blz. 108).
“Stinger,” hoorde hij den kapitein, boven op zijne kamer, duidelijk zeggen, alsof dit kloppen hem niet aanging. Walter klopte dus tweemaal.
“Cuttle,” hoorde hij den kapitein daarop zeggen; en terstond daarop kwam de kapitein zelf, in zijne schoone hemdsmouwen, met zijne das als een touw om den hals en zijn blinkenden hoed op, boven zijne jas en vest uit het raam kijken.
“Walter!” riep de kapitein uit, met verbazing naar beneden ziende.—“Ja, kapitein Cuttle,” antwoordde Walter. “Ik ben het maar.”—“Wat scheelt er aan, mijn jongen?” zeide de kapitein zeer bezorgd. “Gills is toch niet weer over stuur?”—“Neen, neen,” antwoordde Walter. “Mijn oom scheelt niets, kapitein.”[106]
Kapitein Cuttle gaf zijn genoegen daarover te kennen, en zeide dat hij naar beneden zou komen en de deur opendoen, hetgeen hij dan ook deed.
“Maar ge zijt er toch heel vroeg bij, Walter,” zeide de kapitein, hem nog twijfelachtig aanziende, toen zij boven waren gekomen.—“Wel, kapitein,” zeide Walter, zich neerzettende, “de zaak is eigenlijk, dat ik bang was dat ge zoudt uitgaan; en ik wenschte eens een vriendelijken raad van u te hebben.”—“Kom maar op, mijn jongen,” zeide de kapitein. “Gij kunt alles van mij krijgen.”
Walter verhaalde hem wat er was voorgevallen, in welk bezwaar hij zich daardoor ten opzichte van zijn oom bevond, en hoe het hem verplichten zou als kapitein Cuttle zoo goed wilde zijn om hem bij te staan. Kapitein Cuttle’s verbazing was zoo groot, dat zijn gezicht op het eind van het verhaal een ledig masker scheen te zijn, waarachter nooit eene menschelijke ziel had gescholen.
“Gij begrijpt wel, kapitein Cuttle,” vervolgde Walter, “watmijzelven betreft, ik ben nog jong, zooals mijnheer Dombey zegt, en op mij komt het niet aan. Ik moet maken dat ik door de wereld kom, dat weet ik wel, maar er zijn twee punten dacht ik, terwijl ik hier naar toekwam, waarop ik voor mijn oom bijzonder moet letten. Ik wil niet zeggen dat ik verdien zijn roem en de lust van zijn leven te zijn—dat gelooft gij wel van mij—maar dat ben ik toch. Denkt gij het ook niet?”
De kapitein scheen eene poging te doen om uit de diepte zijner verbazing op te rijzen en zijn gezicht weder te bezielen; maar daar dit hem mislukte, knikte de blinkende hoed slechts met onuitsprekelijke beteekenis.
“Als ik in leven en gezond blijf,” zeide Walter, “en daar ben ik niet bang voor, kan ik toch, als ik naarWest-Indiëga, bezwaarlijk hopen mijn oom ooit weder te zien. Hij is oud, en buitendien, kapitein Cuttle, zijn leven is een leven van gewoonte.…”—“Sta vast, Walter! En als die gewoonte ophoudt!” zeide de kapitein, eensklaps als het ware herlevende.—“Maar al te waar, kapitein,” antwoordde Walter, zijn hoofd schuddende. “En als het (zooals gij eens met waarheid hebt gezegd) zijn leven zou verkort hebben, als hij zijn winkelvoorraad, en al die dingen, waaraan hij zooveel jaren gewoon was, had verloren, denkt gij dan niet dat het zijn leven ook verkorten zou.…”—“Als hij zijn neef verloor?” viel de kapitein er op in. “Wel zeker.”—“Nu dan,” zeide Walter, met eene poging om een vroolijken toon aan te nemen; “wij moeten ons best doen om hem te doen gelooven, dat de scheiding maar voor een tijd zal zijn; maar daar ik beter weet, of vrees beter te weten, kapitein, en zooveel redenen heb om hem te achten en lief te hebben, vrees ik dat het mij zeer slecht zou afgaan als ik probeerde hem dat wijs te maken. Dat is mijne voornaamste reden om te wenschen dat gij er hem het eerst van spreekt, en dat is mijn eerste punt.”—“Laveeren,” merkte de kapitein peinzend aan.—“Wat zegt ge, kapitein?” vroeg Walter.—“Sta vast!” antwoordde de kapitein, nog peinzend.
Walter zweeg eene poos om te wachten of de kapitein er nog iets bij zou voegen; maar daar deze niets meer zeide vervolgde hij.
“Nu het tweede punt, kapitein Cuttle. Het spijt mij dat ik het moet zeggen, maar ik ben geen gunsteling van mijnheer Dombey. Ik heb altijd mijn best willen doen, en ik heb dat ook altijd gedaan, maar hij houdt niet van mij. Ik kan het misschien niet helpen, dat ik hem niet beval. Daar zeg ik niets van. Ik zeg maar, het is zeker dat hij niet van mij houdt. Hij zendt mij niet naar dien post omdat het een goede post is; hij wil mij dien zelfs niet beter doen voorkomen dan hij is, en ik twijfel zeer of ik daardoor ooit tot bevordering op het kantoor zal komen—of hij mij niet integendeel maar voor altijd uit den weg wil hebben. Nu moeten wij hiervan niets tegen oom zeggen, kapitein Cuttle, maar de zaak zoo gunstig voorstellen als wij kunnen; en als ik u zeg hoe het werkelijk is, doe ik dat alleen opdat ik, als er ooit gelegenheid mocht komen om mij een handje te helpen, terwijl ik zoo ver weg ben, thuis een vriend zou hebben, die mijne wezenlijke omstandigheden kent.”—“Walter, mijn jongen,” antwoordde de kapitein, “in de spreuken van Salomo vinden wij dit: “Mogen wij nooit gebrek hebben aan een vriend in nood, of aan eene flesch om hem te geven!” Als ge dat vindt, zet er dan een streepje bij.”
Hierbij had de kapitein, met een gezicht vol welmeenendheid, Walter zijne hand toegestoken; en nog eens zeide hij (want hij was eenigszins trotsch op de nauwkeurigheid en gepastheid van zijne aanhaling): “Als ge dat vindt, zet er dan een streepje bij.”—“Kapitein Cuttle,” zeide Walter, de vervaarlijke vuist, die hem werd toegestoken, met zijne beide handen vattende; “na mijn oom, is er niemand van wien ik zooveel houd als van u. Er is niemand op de wereld wien ik zoo gerust kan vertrouwen, dat weet ik zeker. Wat het heengaan betreft, kapitein, daarom geef ik niet. Waarom zou ik daarom geven? Als ik mijn fortuin mocht gaan zoeken als gemeen matroos, zou ik het gaarne doen. Ik zou het al jaren geleden gaarne gedaan hebben, en het er op gewaagd hebben hoe het met mij afliep. Maar dat was tegen den zin van mijn oom en tegen de plannen die hij voor mij gemaakt had; en daarmede was dat afgedaan. Maar wat ik gevoel, kapitein[107]Cuttle, is dat wij ons allen aldoor eenigszins vergist hebben, en dat ik tegenwoordig geene betere vooruitzichten heb dan toen ik pas bij mijnheer Dombey op het kantoor kwam—misschien slechter vooruitzichten, want misschien was de patroon mij toen wel wat genegen, en dat is hij nu zeker niet.”—“Keer terug, Whittington,” mompelde de verslagene kapitein, nadat hij Walter eene poos had aangezien.—“Het zal lang duren, vrees ik,” antwoordde Walter lachende, “eer er weer een Whittington komt. Niet dat ik klaag,” vervolgde hij, weder zijn gewonen levendigen toon aannemende. “Ik heb over niets te klagen. Ik ben bezorgd. Ik kan leven. Als ik mijn oom verlaat, laat ik hem aan u over, kapitein Cuttle, en ik kan hem aan niemand beter overlaten. Ik heb u dat alles niet gezegd omdat ik wanhopig ben, dat niet; het is maar om u te overtuigen, dat ik het op het kantoor niet maar zoo voor het kiezen heb, en dat ik moet gaan waar ik gezonden word en moet nemen wat mij geboden wordt. Het is voor mijn oom beter dat ik word weggezonden; want mijnheer Dombey is een vriend die hem kan bijstaan, en ook wel wil, gelijk gebleken is; en ik ben overtuigd dat hij dit nog eerder zal doen als ik er niet ben, dien hij niet gaarne ziet. Dus, kapitein Cuttle, met eene kleine verandering van het matrozen-liedje:
“Dat gaat naarWest-Injetoe,Voor meer dan zeven jaren.””
“Dat gaat naarWest-Injetoe,
Voor meer dan zeven jaren.””
Kapitein Cuttle kon niet nalaten mede te schreeuwen, en besloot het gezang met een lang uitgerekt “A-hoy!” dat de geheele straat doorklonk.
“En nu, kapitein Cuttle,” zeide Walter, hem met groote drukte jas en vest aangevende, “als ge nu wilt meekomen en oom Sam het nieuws vertellen (dat hij eigenlijk al lang had moeten weten) zal ik u aan de deur laten en tot van middag gaan rondkuieren.”
De kapitein scheen niet veel zin in die taak te hebben, of te denken dat hij ze naar behooren zou kunnen volvoeren. Hij had zich Walter’s toekomstige loopbaan zoo geheel anders voorgesteld; hij had zich zoo dikwijls verheugd over de schranderheid waarmede hij zijn fortuin vooruitzag, dat het hem veel kostte daarvan af te zien, en zelfs mede te helpen, om die vooruitzichten den bodem in te slaan. Buitendien vond hij het moeilijk zijne oude denkbeelden in dit opzicht over boord te werpen en eene nieuwe lading in te nemen, zonder in de haast, welke de omstandigheden vereischten, de eene met de andere zaak te verwarren en zelf niet te weten hoe hij het had. In plaats van dus met zooveel spoed, als Walter zou verlangd hebben, vest en jas aan te trekken, weigerde hij dit geheel en al, en onderrichtte hij Walter dat hij over zulk eene ernstige zaak eerst “een beetje op zijne nagels moest bijten.”
“Dat is eene oude gewoonte van mij. Walter,” zeide de kapitein, “al sedert vijftig jaar. Als gij Ned Cuttle op zijne nagels ziet bijten, denk dan maar dat hij aan den grond zit.”
Daarop nam de kapitein zijn ijzeren haak tusschen de tanden, alsof het eene hand was, en begon de zaak, met een gezicht vol diepdenkende wijsheid, uit alle oogpunten te overwegen.
“Ik heb een vriend,” mompelde hij peinzende, “maar hij is tegenwoordig op de kustvaart naarWhitbyuit, die er zooveel over zoukunnenzeggen en over alle andere dingen, dat hij het parlement wel zes zou kunnen voorgeven en het nog kloppen. Hij is tweemaal over boord geslagen, die man, en het heeft hem niets gedeerd. Toen hij nog een jongen was kreeg hij alle dag met eene handspaak op zijn kop, en toch is er geen mensch op de wereld die helderder kop heeft.”
In weerwil van zijne achting voor kapitein Cuttle kon Walter niet nalaten zich heimelijk over de afwezigheid van dien wijzen man te verheugen, en te hopen dat zijn helder verstand zich niet met zijne bezwaren mocht bemoeien eer zij geheel waren opgeruimd.
“Als ik dien man de ton aan deNorewees,” zeide kapitein Cuttle, op denzelfden toon, “en hem zijne meening daarover vroeg, Walter, zou hij er een ding van maken dat zoo weinig op eene ton geleek als de knoopen van uw oom. Geen mensch loopt zoo hard—op twee beenen zeker niet—dat hij hem kan bijhouden.”—“Hoe heet hij, kapitein Cuttle?” zeide Walter, die toch eenige belangstelling in den vriend des kapiteins wilde toonen.—“Hij heet Bunsby,” zeide de kapitein. “Maar, Heere, hij zou heel wat anders kunnen heeten, met zulk een verstand als hij heeft.”
Welk denkbeeld de kapitein eigenlijk aan deze lofspraak hechtte helderde hij niet verder op, en Walter lokte hem ook niet daartoe uit; want toen hij met zijne natuurlijke levendigheid nog eens over de voornaamste punten zijner zaak begon te spreken, ontdekte hij spoedig dat de kapitein weder in zijne vroegere diepzinnigheid was verzonken, en hoewel hij hem onder zijne ruige wenkbrauwen strak aankeek, hem blijkbaar niet zag of hoorde.
Kapitein Cuttle zat zich inderdaad met zulke diepzinnige bespiegelingen bezig te houden, dat zijn doorzicht weldra geheel geen grond meer vond. Langzamerhand werd het hem duidelijk dat er eene misvatting moest plaats hebben, en het veel waarschijnlijker was dat Walter zich vergiste dan hij; dat, indien er werkelijk een West-Indisch plan bestond, dit geheel iets anders moest wezen dan Walter, die zoo jong en loszinnig was, meende,—dat het niets[108]anders wezen kon dan een nieuw verzinsel om hem met buitengewonen spoed fortuin te laten maken. “Of als er werkelijk eene kleine haspelarij tusschen hen is,” dacht de kapitein, meenende tusschen Walter en Dombey, “zal er maar een gepast woordje van een wederzijdsch vriend noodig zijn, om alles weder in orde te brengen.” De slotsom, die kapitein Cuttle uit deze overwegingen trok, was, dat daar hij reeds de eer had gehad om mijnheer Dombey te leeren kennen en teBrightoneen zeer aangenaam half uur in zijn gezelschap door te brengen (op den ochtend toen zij dat geld leenden), en daar twee lieden, die de wereld kenden en elkander verstonden, en genegen waren om elkander pleizier te doen, gemakkelijk een klein bezwaar van dien aard konden schikken, het vriendschappelijk van hem zou zijn, als hij, zonder er Walter iets van te zeggen, bij mijnheer Dombey aan huis ging—tegen den knecht zeide: “Jongetje, wilt gij wel zoo goed zijn om kapitein Cuttle te rapporteeren?”—Mijnheer Dombey in een geest van vertrouwen aan te spreken—hem bij zijn knoopsgat te haken—er over te praten—alles in het effen te brengen—en in zegepraal heen te gaan!
Terwijl deze gedachten langzamerhand bij kapitein Cuttle opkwamen en een bepaalden vorm kregen, klaarde zijn gezicht op, evenals een benevelde morgen voor een helderen middag plaats maakt. Zijne wenkbrauwen, die geducht dreigend waren geweest, trokken naar omhoog en werden minder borstelig; zijne oogen, bijna dichtgeknepen van het ingespannen denken, openden zich ongedwongen; een glimlach, die eerst maar drie plekjes had,—een aan den rechterkant van zijn mond en een aan beide ooghoeken—verspreidde zich over geheel zijn gezicht, ontrimpelde zijn voorhoofd, en lichtte den blinkenden hoed op, alsof deze, die met den kapitein aan den grond had gezeten, nu, evenals hij, gelukkig weder vlot was.
Eindelijk staakte de kapitein het nagelbijten, en zeide: “Nu, Walter, mijn jongen, kunt ge mij eens helpen met dat tuig;” waarmede hij zijn vest en jas bedoelde.
Walter vermoedde weinig waarom de kapitein zoo keurig was op zijne das, dat hij de beide slippen tot een soort van staart maakte, en deze door een zwaren gouden ring haalde, met eene tombe, een hek en een boom er op, ter gedachtenis van een overleden vriend; en waarom de kapitein zijne boordjes zoo hoog mogelijk optrok, zoodat hij er slechts even overheen kon zien; of waarom hij zijne schoenen uitdeed en een paar halvelaarzen aantrok, die hij slechts bij buitengewone gelegenheden droeg. Toen eindelijk de kapitein naar zijn genoegen was gekleed, en zich van het hoofd tot de voeten had bekeken in een scheerspiegeltje, hetwelk hij ten dien einde van een spijker nam, greep hij zijn knoestigen stok en zeide, dat hij gereed was.
De kapitein stapte op straat deftiger dan gewoonlijk, maar Walter schreef dit aan de laarzen toe en lette er dus weinig op. Eer zij ver waren gekomen, ontmoetten zij eene vrouw met bloemen te koop, en de kapitein bleef op eens, alsof hij een gelukkigen inval kreeg, bij haar staan, en kocht den grootsten ruiker uit hare mand; een waaierachtig bouquet, dat twee en een halven voet in omtrek had en uit de kleurigste en vroolijkste bloemen was samengesteld.
Met dit presentje, dat hij voor mijnheer Dombey bestemde, gewapend, stapte kapitein Cuttle met Walter voort, tot zij de deur des instrumentmakers bereikten, waarvoor zij beiden bleven stilstaan.
“Gij gaat binnen?” zeide Walter.—“Ja,” antwoordde de kapitein, die wel gevoelde dat hij zich Walter moest kwijt maken, eer hij verder ging, en dat hij zijn voorgenomen bezoek liever tot wat later op den dag moest uitstellen.—“En gij zult niets vergeten?” zeide Walter.—“Neen,” antwoordde de kapitein.—“Ik zal dus maar dadelijk op mijne wandeling uitgaan,” zeide Walter, “dan ben ik uit den weg.”—“Doe maar eene frissche lange wandeling, mijn jongen,” riep de kapitein hem na. Walter wuifde met de hand om dit te beloven, en ging zijns weegs.
Zijn weg lag eigenlijk nergens heen; maar hij dacht dat hij eens naar buiten wilde gaan, waar hij over het onbekende leven, dat voor hem lag, kon nadenken en onder een of anderen boom gerust zitten peinzen. Hij wist geene betere buitenwandeling dan bijHampstead, en geene betere manier om daarheen te komen dan door Dombey’s huis voorbij te gaan.
Het was zoo statig en donker als ooit, en hij ging voorbij en zag naar den dreigenden gevel op. De valgordijnen waren allen neergelaten, maar de bovenvensters stonden wijd open, en het koeltje, dat die gordijnen deed heen en weder zwaaien, was het eenige teeken van leven of beweging dat van buiten zichtbaar was. Walter stapte zachter, toen hij het huis voorbijging, en was blijde toen hij het een paar deuren achter zich had.
Toen zag hij om—met die belangstelling welke hij altijd, sedert het avontuur van het verdwaalde kind, jaren geleden voor de plek gevoeld had, en keek vooral naar die bovenvensters. Terwijl hij zoo stond, hield er een koetsje voor de deur stil, en een zwaarlijvig heer, in het zwart, met een zwaren horlogeketting, stapte af en ging binnen. Toen hij zich naderhand dien heer en zijne equipage te zamen herinnerde, twijfelde Walter niet of het was een dokter, en toen verwonderde hij zich wie er ziek was: maar dit viel hem niet in[109]voordat hij een eind ver was gegaan en mijmerend aan andere dingen had gedacht.
Maar toch aan dingen die door het huis bij hem opkwamen, want hij streelde zich met de gedachte, dat er misschien eens een tijd zou komen, wanneer het schoone meisje, dat zijne oude vriendin was, en hem altijd zoo dankbaar was geweest en zoo blijde dat zij hem zag, haar broeder in zijn belang zou trekken en zoo een gunstigen invloed op zijn lot uitoefenen. Hij streelde zich daarmede, meer, op het oogenblik, omdat hij zich dan zou kunnen verbeelden dat zij bestendig aan hem bleef denken, dan om het voordeel dat het hem zou kunnen geven; maar zijn nuchter verstand fluisterde hem toe dat hij, als hij dan nog leefde, over zee, en vergeten zou wezen, en zij getrouwd, rijk, trotsch en gelukkig. Er bestond niet meer reden dat zij bij zulk een veranderden staat van zaken met eenige belangstelling aan hem zou denken, dan aan eenig speeltuig dat zij ooit had gehad—neen, zelfs zooveel niet.
En toch idealiseerde Walter het bevallige meisje, dat hij eens op de gemeene straten had vinden zwerven, zoodanig, en vond in de onschuldige dankbaarheid, welke zij dien avond zoo eenvoudig en oprecht had getoond, zooveel edels en schoons, dat hij zich voor zich zelven schaamde, toen hij zich wilde opdringen dat zij trotsch zou worden. Aan den anderen kant waren zijne gedachten zoo grillig, dat het hem bijna niet minder lasterlijk voorkwam zich haar als eene volwassene vrouw te verbeelden, haar zich anders voor te stellen dan als hetzelfde zachtzinnige, argelooze, aanhalige kind, dat zij in de dagen van Goede Vrouw Brown geweest was. Kortom, Walter ontdekte dat hij, zoodra hij met zich zelven over Florence wilde redeneeren, terstond geheel onredelijk werd, en maar niet beter kon doen dan haar beeld in zijn hart te bewaren als iets kostbaars, onveranderlijks, onbereikbaars en onduidelijks—onduidelijk in alles behalve haar vermogen om hem op te beuren, en hem als een beschermengel terug te houden van alles wat harer onwaardig zou zijn.
Het was eene lange wandeling die Walter deed, terwijl hij naar de vogeltjes, en de kerkklokken, en het verzachte gegons der stad luisterde—streelende geuren inademde—somtijds naar den benevelden gezichteinder keek, waarachter zijne reis en de plaats zijnerbestemminglagen—en dan weder rondzag naar het groene Engelsche gras en het bekende landschap. Evenwel dacht hij niet duidelijk, zelfs niet aan zijn vertrek; hij scheen het nadenken, uit traagheid, van uur tot uur, en van minuut tot minuut uit te stellen, en toch bleef hij al dien tijd aan het peinzen.
Walter had de velden weder verlaten, en stapte in dezelfde mijmerende stemming huiswaarts, toen hij een man een schreeuw hoorde geven, en terstond daarop eene gillende vrouwenstem hem bij zijn naam riep. Verwonderd omkijkende, zag hij dat eene huurkoets, die den anderen kant opreed, niet ver van hem af, was blijven stilstaan; dat de koetsier op den bok omzag en hem met zijne zweep wenkte, en dat eene jonge vrouw het halve lijf uit het portier stak en hem met alle macht teekenen gaf. Naar deze koets toeloopende, bevond hij dat de onbekende jonge jufvrouw Nipper was, en dat jonge jufvrouw Nipper zoodanig onthutst was dat zij haast niet wist wat zij zeide of deed.
“Staggs’s Gardens, mijnheer Walter!” zeide zij. “O zeg toch, als je blieft.”—“Wat?” vroeg Walter. “Wat is er te doen?”—“O, mijnheer Walter,Staggs’s Gardensals je blieft!” zeide Suze.—“Daar!” zeide de koetsier, zich met zekere zegevierende wanhoop op Walter beroepende, “zoo heeft die jonge jufvrouw al een uur lang aangegaan, en mij gedurig weer achteruit laten rijden uit blinde sloppen, waar zijwildedat ik zou inrijden. Ik heb al veel vrachten in die koets gehad, maar nog nooit zulk eene vracht als zij.”—“Woudt ge naarStaggs’s Gardens, Suze?” vroeg Walter.—“Ja! Daar wil ze naar toe! Maar waar is het?” bromde de koetsier.—“Ik weet niet waar het is,” riep Suze radeloos uit. “Ik ben er eens geweest, mijnheer Walter, met jonge jufvrouw Flore en onzen armen lieveling, jongen heer Paul, op denzelfden dag toen gij jonge jufvrouw Flore in deCityhebt gevonden, want wij raakten haar kwijt toen wij naar huis kwamen, jufvrouw Richards en ik, en een dolle stier en haar oudste jongetje; en ik ben er later nog wel geweest, maar nu kan ik het niet vinden, het is alsof het in den grond is gezonken. O, mijnheer Walter, laat mij toch niet zitten.Staggs’s Gardens, als je blieft. Flore’s lieveling—de lieveling van ons allemaal—die kleine, vriendelijke jonge heer Paul! O mijnheer Walter!”—“Goede God!” riep Walter uit. “Is hij ziek—erg ziek?”—“Och dat engeltje!” zeide Suze, hare handen wringende. “Hij heeft in zijn hoofdje gekregen, dat hij graag zijne oude min zou zien, en nu moet ik haar bij hem aan zijn bed halen, jufvrouw Staggs, in Polly Toodle’s Gardens—wist het toch maar iemand!”
Ontroerd van hetgeen hij hoorde, en terstond door Suze’s ijver aangestoken, trok Walter, nu hij hare boodschap begreep, zich de zaak zoo hartelijk aan, dat de koetsier genoeg werk had om hem dicht op te volgen, terwijl hij vooruitliep, om hier en daar en overal naarStaggs’s Gardenste vragen.
Er was geenStaggs’sGardensmeer. Het was van de aarde verdwenen. Waar eens het oude vermolmde zomerhuisje stond, verhief zich[110]nu een paleis, en opende zich tusschen reusachtige kolommen een vergezicht in de spoorwegwereld daarachter. Het ellendige stuk braakland, waar voorheen allerlei vuilnis lag opgehoopt, was weg; in plaats daarvan zag men rijen van magazijnen met allerlei kostbare koopwaren volgestapeld. De oude achterstraten wemelden nu van voetgangers en rijtuigen; de nieuwe straten, die moedeloos in den modder waren blijven steken, vormden nu steden op zich zelven, met eigenaardige gemakken en genoegens, die men nooit beproefd, waaraan men nooit gedacht had, eer zij hier geschapen werden. Bruggen die naar niets toe gingen, brachten nu naar villa’s, tuinen, kerken en gezonde openbare wandelingen. De geraamten van huizen en beginselen van nieuwe buitenwijken waren langs den weg met stoomsnelheid medegeloopen, en als een monstertrein het land ingevlogen.
Wat de buurt betrof, die den spoorweg in zijne dagen van ontstaan niet had willen erkennen, zij was wijzer geworden en roemde nu op haar rijken en machtigen buurman. Men zag er spoorwegpatronen voor de vensters der manufactuurwinkels, en spoorwegbladen voor die der courantenloopers. Men zag er spoorweghotels en koffiehuizen, men had er spoorwegplannen, kaarten, gezichten, mantels, flesschen, boterhammenblikjes en vertreklijsten; spoorwegkoetsveeren, spoorwegomnibussen, spoorwegstraten en gebouwen, spoorweghandlangers en pannelikkers, en vleiers buiten getal. De klokken wezen zelfs spoorwegtijd, alsof de zon was afgeschaft. Onder de overwonnelingen was de voorheen zoo ongeloovige schoorsteenveger vanStaggs’s Gardens, die nu in een gepleisterd huis van drie verdiepingen woonde, en zich op een geschilderd bord met gouden krulletters voor “aannemer van het machinale reinigen der spoorwegschoorsteenen” uitgaf.
Naar en van het hart dier groote verandering stroomde nacht en dag een rustelooze stroom van levensbloed heen en weder. Scharen van menschen en bergen van goederen, die twintig maal in de vier en twintig uren aankwamen en vertrokken, onderhielden eene eeuwigdurende beweging. Zelfs de huizen schenen genegen om op te pakken en uitstapjes te gaan doen. Wonderlijke parlementsleden, die zich, weinig langer dan twintig jaren geleden, met de wilde spoorwegtheorieën der ingenieurs hadden vroolijk gemaakt, en bij parlementaire verhooren den draak met hen hadden gestoken, reden nu met het horloge in de hand naar het noorden, en zonden met den magnetischen telegraaf boodschappen vooruit, dat zij kwamen. Dag en nacht snorden de locomotieven zegevierend voort, of gleden, op het eind van een tocht, gelijk getemde draken, naar het aangewezene hoekje, op een duimbreed afgemeten, en stonden daar te borrelen en te trillen, dat de muren er van beefden, als vervulde hen de geheime bewustheid van groote vermogens, die men nog niet vermoedde, en veruitziende oogmerken, die zij nog moesten verwezenlijken.
MaarStaggs’s Gardenswas met wortel en tak uitgeroeid. O jammer, dat geen voet Engelschen grond—met krotjes van huizen bezet—meer veilig is!
Eindelijk vond Walter, na veel vruchteloos navragen, een man, die in dat verdwenen land had gewoond, en niemand anders was dan de vroeger gemelde schoorsteenveger, nu een deftig, zwaarlijvig man geworden, die juist aan zijne eigene deur klopte. Hij kende Toodle wel, zeide hij. Was hij niet aan den spoorweg geplaatst?
“Ja, mijnheer, ja!” riep Suze Nipper uit het portier.
Waar woonde hij nu? vroeg Walter haastig.
Hij woonde in de gebouwen der Compagnie, den tweeden hoek rechtsom, de werf langs, dan dwars over en weer den tweeden hoek rechtsom. Het was nommer elf; zij kon niet missen; maar als zij dat toch deden, moesten zij maar naar Toodle den stoker vragen, en iedereen zou hun wijzen waar hij woonde. Bij dit onverwachte geluk, kwam Suze met allen spoed uit de koets, nam Walter’s arm en ging met een stap, die haar spoedig buiten adem moest doen raken, te voet op weg, de koets daar latende om op hare terugkomst te wachten.
“Is de kleine jongen lang ziek geweest, Suze?” vroeg Walter, terwijl zij zich voortrepten.—“Al heel lang sukkelig, maar niemand hield het voor zoo erg,” antwoordde Suze, en voegde er met buitengemeene scherpheid bij: “O die Blimber’s!”—“Blimber’s?” herhaalde Walter.—“Ik zou het mij zelve niet kunnen vergeven, mijnheer Walter,” antwoordde Suze, “als ik iemand hard viel in een tijd als deze, nu er zooveel ernstige droefheid is om aan te denken, maar ik mag toch wel wenschen dat die heele familie aan het werk werd gezet om nieuwe wegen te maken in een steenigen grond, en dat die jufvrouw Blimber met het houweel vooruit moest.”
Daarop haalde zij eens adem en stapte nog harder door, alsof die buitengewone ontboezeming hare borst verruimd had. Walter, die nu zelf geen adem te missen had, stapte met haar mede zonder meer te vragen, en spoedig stormden zij in hun ongeduld eene deur binnen, en kwamen zoo in een zindelijk voorkamertje vol kinderen.
“Waar is jufvrouw Richards?” riep Suze rondkijkende. “O jufvrouw Richards, jufvrouw Richards, kom toch met mij mee, als een lief mensch!”—“Wel waarlijk, als dat Suze niet is!” zeide Polly, onder de groep, met haar goedig moederlijk gezicht, zeer verwonderd opstaande.—“Ja, jufvrouw Richards, ik ben het,” zeide Suze; “en ik wou dat ik het niet was,[111]al lijkt het niet beleefd om zoo te zeggen; maar jonge heer Paul is heel ziek, en heeft zijn papa vandaag gezegd dat hij zijne oude min zoo graag nog eens zou zien, en hij en jonge jufvrouw Flore hopen dat ge met mij mee zult komen—en mijnheer Walter, jufvrouw Richards—en vergeten wat er is voorgevallen, en dat lieve kind nog een pleizier willen doen, want hij zal het niet lang meer maken, jufvrouw Richards. Och, hij zal het niet lang meer maken!”
Toen Suze begon te schreien, en Polly, van aandoening over hare komst en het gehoorde bericht, mede schreide, en al de kinderen (waaronder verscheidene kleintjes) zich om haar heen drongen, legde Toodle, die juist vanBirminghamthuis was gekomen, en uit een schotel zat te eten, mes en vork neer, stond op, kreeg voor zijne vrouw den hoed en doek, die achter de deur hingen, hielp haar die opzetten en omdoen, klopte haar toen op den rug, en zeide, met meer vaderlijk gevoel dan welsprekendheid: “Snij maar uit, Polly!”
Zoo kwamen zij naar de koets terug, lang voor dat de koetsier hen verwachtte; en Walter hielp Suze en jufvrouw Richards er in, ging zelf op den bok zitten, opdat er geene vergissing meer zou plaats hebben, en bracht de twee veilig tot bijmijnheerDombey in het voorhuis—waar hij, terloops gezegd, een reusachtigen ruiker zag liggen, welke hem aan dien herinnerde, dien kapitein Cuttle des morgens in zijn gezelschap had gekocht. Hij zou gaarne nog wat gebleven zijn om meer van den kleinen zieke te hooren, of gewacht hebben, hoelang ook, om te zien of hij den minsten dienst kon bewijzen; maar zich pijnlijk bewust, dat zulk een gedrag door zijn patroon voor vrijpostig en aanmatigend zou worden gehouden, ging hij langzaam en treurig heen.
Hij was nog geene vijf minuten ver, toen een man hem kwam naloopen en verzocht om terug te komen. Walter ging haastig weder met hem mede, en trad met een droevig voorgevoel het sombere huis binnen.