[Inhoud]XXIV.HET SMACHTEN VAN EEN LIEFDERIJK HART.Sir Barnet en Lady Skettles, zeer goede menschen, woonden op een aardig buitentje bijFulham, aan den oever van den Teems, dat allerliefst gelegen was om een wedstrijd van roeivaartuigen aan te zien, maar anders eenige kleine onaangenaamheden had, waaronder men rekenen kon dat de rivier somtijds in het salon verscheen, en dan gelijktijdig het grasperk en het heesterplantsoen verdwenen.Sir Barnet Skettles duidde het gewicht van zijn persoon voornamelijk aan door eene antieke gouden snuifdoos, en een grooten zijden zakdoek, welken hij gewoon was met bijzondere statigheid uit zijn zak te halen, alsof het eene banier was, en met beide handen te gelijk te gebruiken. Sir Barnet’s levensdoel was den kring zijner bekenden bestendig uit te breiden. Evenals bij een steen, die in het water valt—zonder zulk een deftig man door zulk eene vergelijking te willen verkleinen—lag het in den aard der zaken, dat Sir Barnet een zich altijd vergrootenden kring om zich heen moest verbreiden, tot er geene plaats meer over was. Of, gelijk een klank in de lucht, waarvan de trilling, volgens de gedachten van een schrander natuurkundige, zich voor eeuwig door de eindelooze ruimte kan voortzetten, kon niets anders dan eene volslagene onmogelijkheid Sir Barnet Skettles stuiten in zijne ontdekkingsreis door het heelal der samenleving.Sir Barnet was er trotsch op om andere menschen met andere menschen bekend te maken. Dit was reeds op zich zelf een vermaak voor hem, en het bevorderde ook zijn geliefkoosd doel. Bij voorbeeld, als Sir Barnet het geluk had om een onervaren jongmensch, of een landedelman machtig te worden en naar zijn buitentje te lokken, zeide hij gewoonlijk des morgens na zijne komst: “Wel, mijnheer, is er nu ook iemand met wien gij gaarne zoudt willen kennis maken? Wie is er dien gij gaarne eens zoudt willen zien? Interesseert gij u voor menschen, die schrijven, of schilderen, of op het tooneel zijn, of iets van dien aard?” Mogelijk antwoordde de patiënt van ja, en noemde iemand, dien Sir Barnet even weinig kende als Pompejus den Groote. Sir Barnet antwoordde evenwel, dat niets op de wereld gemakkelijker was, daar hij hem heel wel kende, ging terstond den genoemden een bezoek brengen, liet zijn kaartje, schreef een briefje:—“Waarde heer—last die uwe uitstekende positie medebrengt—bij mij gelogeerde vriend natuurlijk verlangend—Lady Skettles en ik zelf evenzeer—vertrouwende, dat het genie zich boven kleine bedenkelijkheden verheft, zult gij ons wel de uitnemende eer willen bewijzen om ons het genoegen te geven, enz., enz.,”—en sloeg aldus twee vliegen met één klap, mors dood.Met de snuifdoos en de banier in volle kracht, stelde Sir Barnet Florence, op den eersten morgen van haar verblijf, zijne gewone vraag voor. Toen Florence hem bedankte en zeide dat er niemand was, wien zij bijzonder wenschte te zien, was het natuurlijk dat zij met harteleed aan den armen Walter dacht. Toen Sir Barnet, zijn vriendelijk voorstel aandringende, zeide: “Lieve jufvrouw Dombey, zijt gij wel zeker dat gij u niemand herinnert, dien uw goede papa—wien ik u verzoek de beleefdste complimenten van Lady Skettles en mij zelven te doen, als gij schrijft—zou wenschen dat gij mede bekend werdt?” was het misschien even natuurlijk dat haar hoofdje een weinig zakte en hare stem beefde, toen zij met eene zachte ontkenning antwoordde.Skettles junior, met eene veel stijvere das dan voorheen, en lang zoo wild niet meer, was voor de vacantie thuis, en scheen zich zeer verongelijkt te achten door de bezorgdheid zijner uitnemende moeder, dat hij zich voor Florence beleefd en oplettend zou toonen. Een ander en grooter onrecht dat de ziel van den jongen Barnet kwelde, was het gezelschap van doctor Blimber en zijne gade, die onder het ouderlijke dak te logeeren waren gevraagd, en van welke de jonge heer dikwijls zeide te wenschen, dat zij liever in het peperland zaten.“Is er ook iemand, dien gij u bedenken kunt, doctor Blimber?” zeide Sir Barnet, zich naar dien heer keerende.—“Ge zijt wel vriendelijk, Sir Barnet,” antwoordde de doctor. “Ik weet waarlijk niet, dat er iemand in het bijzonder is. Ik ken gaarne mijne medemenschen in het algemeen, Sir Barnet. Wat zegt Terentius? Iedereen, die vader en zoon is, is interessant voor mij.”—“Heeft mevrouw Blimber ook verlangen om een of ander merkwaardig persoon te zien?” vroeg Sir Barnet beleefd.Mevrouw Blimber antwoordde met een vriendelijk lachje, en hare hemelsblauwe muts schuddende, dat, indien Sir Barnet haar metCicerobekend had kunnen maken, zij hem wel lastig had willen vallen; maar daar zulk eene introductie ondoenlijk was, en zij reeds zijne vriendschap en die van zijne beminnelijke echtgenoot bezat, en met den doctor haar man hun gemeenschappelijk vertrouwen ten aanzien van hun dierbaren zoon genoot—hier zag men den jongen Barnet zijn neus ophalen—zij niets meer verlangde.Sir Barnet moest zich dus wel vooreerst met het daar verzamelde gezelschap vergenoegen. Florence verheugde zich daarover; want zij had onder dit gezelschap iets te zoeken, dat haar te gewichtig was en te nauw aan[171]het hart lag, om voor iets anders achter te staan.Er waren eenige kinderen in huis gelogeerd—kinderen die met vader en moeder even gemeenzaam en vroolijk waren, als die met de blozende gezichtjes aan den overkant van haar huis—kinderen die hunne liefde geen bedwang oplegden, maar vrij vertoonden. Florence zocht hun geheim te leeren; zocht te ontdekken wat het was dat zij miste; welke eenvoudige kunst die kinderen kenden en zij niet kende; hoe zij van hen kon leeren haar vader te toonen dat zij hem liefhad, en zijne liefde terug te winnen.Menigen dag sloeg Florence die kinderen nadenkend gade. Op menigen helderen morgen verliet zij haar bed zoodra de zon opging, en wandelde, eer zich in huis iemand begon te roeren, langs den overkant heen en weder, om naar de vensters hunner kamers op te zien, en aan hen te denken, die daar sliepen, zoo bemind en zoo liefderijk verzorgd. Florence gevoelde zich dan eenzamer, dan toen zij in het groote huis geheel alleen was, en dacht somtijds dat zij beter daar was dan hier, en dat zij vergenoegder was wanneer zij zich schuilhield, dan wanneer zij met anderen van hare jaren verkeerde en bevond hoezeer zij van hen allen verschilde. Maar met den vasten wil om dat geheim te bestudeeren, schoon ieder blad, dat zij in het moeielijke boek omsloeg, haar nieuw harteleed gaf, bleef Florence daar en poogde met geduldige hoop de kennis te verwerven, waarnaar zij smachtte.O, hoe zou zij die verwerven! Hoe ontdekken waar men moest beginnen! Er waren daar dochters, die des morgens opstonden en des avonds het hoofd neerlegden, reeds in het volle bezit van het vaderlijke hart. Zij behoefden geen tegenzin te overwinnen, geene koelheid te vreezen, geen donker gezicht te doen ophelderen. Als het later in den ochtend werd, en de vensters een voor een geopend werden, en de dauw op het gras en de bloemen begon te drogen, en jeugdige voetjes over het grasperk huppelden, dacht Florence, in het rond, naar de vroolijke gezichtjes ziende, wat zij toch van die kinderen zou kunnen leeren. Het was te laat om van hen te leeren. Ieder kon onbevreesd haar vader naderen, hare lipjes opsteken om zijn kus te beantwoorden, en haar arm om zijn hals slaan, die zich boog om haar te liefkoozen. Zij kon niet beginnen met zoo stout te zijn. O, kon het wezen, dat er minder hoop was naarmate zij meer leerde?Zij herinnerde zich, dat zelfs de oude vrouw, die haar gestolen had toen zij een klein kind was—wier beeld en wier huis, en al wat zij gezegd en gedaan had, in haar geheugen waren geprent, met de scherpheid en vastheid van een vreeselijken indruk in den vroegsten tijd van het leven—met teederheid van hare dochter had gesproken, en hoe schrikkelijk zij hare smart over hare hopelooze scheiding van haar kind had uitgeschreeuwd. Maar hare eigene moeder, dacht zij dan weder, als zij zich dit herinnerde, had haar ook liefgehad. En als hare gedachten dan snel naar de gapende kloof tusschen haar en haar vader terugkeerden, beefde Florence somtijds en rolden haar de tranen over de wangen, als zij zich verbeeldde hoe hare moeder in leven had kunnen blijven, en misschien ook een afkeer van haar krijgen, omdat het haar ontbrak aan dat onbekende talent, dat haar vaders hart had moeten winnen, maar van hare wieg af nooit gedaan had. Zij wist, dat deze inbeelding de nagedachtenis harer moeder onrecht deed en geheel ongegrond was; en toch was zij zoo verlangend om hem te rechtvaardigen, en al de schuld bij zich zelve te vinden, dat zij niet kon nalaten zich somtijds daaraan over te geven.Onder de andere gasten kwam, kort na Florence, een bevallig meisje, twee of drie jaren jonger dan zij, dat ouderloos was, en door hare tante werd vergezeld, eene dame met grijs haar, die veel met Florence sprak, haar zeer gaarne (maar dit deden allen) des avonds hoorde zingen, en dan altijd met moederlijke belangstelling bij haar bleef zitten. Zij waren pas twee dagen daar in huis geweest, toen Florence op een warmen ochtend in een priëeltje in den tuin zat, door de takken heen peinzend naar een groepje op het grasperk ziende, en bezig met een bloemenkrans te vlechten voor een der kleintjes, dat het speelpopje en de lieveling der anderen was. Zoo gezeten, hoorde zij die dame en haar nichtje, welke dichtbij in een beschaduwd laantje op en neer wandelden, over haar zelve spreken.“Is Florence eene wees evenals ik?” zeide het kind.—“Neen, liefje. Zij heeft geen moeder meer, maar haar vader leeft nog.”—“Is zij nu nog in den rouw over hare arme mama?” vroeg het kind snel.—“Neen, over haar eenigen broeder.”—“Heeft zij geen anderen broeder?”—“Neen.”—“En geene zuster?”—“Neen.”—“Dat spijt mij, dat spijt mij erg,” zeide het meisje.Daar zij kort daarop bleven stilstaan om naar eenige bootjes te kijken en ondertusschen zwegen, ging Florence, die, toen zij haar naam hoorde, met hare bloemen was opgestaan, om de twee te gemoet te gaan en zich te vertoonen, weder zitten en vervolgde haar werk, daar zij nu niets meer dacht te zullen hooren; maar een oogenblik later werd het gesprek hervat.“Florence is een gunsteling van iedereen hier, en verdient dat ook waarlijk wel te zijn,” zeide het kind ernstig. “Waar is haar papa?”Na een oogenblik van stilte, antwoordde de tante, dat zij het niet wist. De klank harer stem[172]boeide Florence, die wederom was opgestaan, en hield haar op de plek vastgeworteld, terwijl zij haar werk met beide handen tegen hare borst drukte, opdat het niet op den grond zou vallen.“Hij is toch inEngeland, hoop ik, tante?” zeide het kind.—“Dat geloof ik wel. Ja, ik weet het, dat hij in het land is.”—“Is hij nooit hier geweest?”—“Dat geloof ik niet. Neen.”—“Komt hij dan niet hier om haar te zien?”—“Ik geloof van neen.”—“Is hij dan lam, of blind, of ziek, tante?” vroeg het kind.De bloemen, die Florence tegen hare borst hield, begonnen te vallen, toen zij dit met zooveel verwondering hoorde vragen. Zij hield ze vaster, en liet haar gezichtje er op neerzinken.“Kaatje,” zeide de dame, na nog een oogenblik van stilzwijgen, “ik zal u de geheele waarheid van Florence vertellen, zooals ik ze gehoord heb, en geloof dat zij is. Vertel het niemand anders, liefje, omdat het hier misschien weinig bekend zal zijn, en het haar verdriet zou veroorzaken als gij dat deedt.”—“Dat zal ik nooit,” riep het kind uit.—“Dat weet ik ook wel,” antwoordde de dame; “ik kan u zoo goed vertrouwen als mij zelve. Ik vrees dan, Kaatje, dat Florence’s vader weinig om haar geeft, haar zeer zelden ziet, nooit in haar leven vriendelijk voor haar is geweest, en haar nu zelfs vermijdt en schuwt. Zij zou hem hartelijk liefhebben, als hij haar dat wilde toelaten; maar dat wil hij niet—schoon zij er geene schuld aan heeft; en alle zachte harten, moeten haar liefhebben en beklagen.”Nog meer van de bloemen, die Florence vasthield, vielen verstrooid over den grond; die zij nog overhield, waren nat, maar niet van den dauw; en haar gezichtje zonk geheel op hare beladene handen.“Arme Florence! Lieve, goede Florence!” riep het kind uit.—“Weet ge wel waarom ik u dit verteld heb, Kaatje?” zeide de dame.—“Omdat ik heel vriendelijk voor haar zou zijn, en mijn best doen om haar te believen. Is dat de reden, tante?”—“Gedeeltelijk,” zeide de dame, “maar niet geheel. Hoewel wij haar zoo opgeruimd zien, met een vriendelijk lachje voor iedereen, gereed om ons te believen, en aan alle vermaken en spelletjes deel te nemen, kan zij zich toch bezwaarlijk heel gelukkig gevoelen; denkt ge dat ook niet, Kaatje?”—“Ik vrees van neen,” zeide het meisje.—“En gij kunt wel begrijpen,” vervolgde de dame, “waarom het gezicht van kinderen, die ouders hebben die veel van hen houden, en trotsch op hen zijn—gelijk er juist veel hier zijn—haar in het geheim moet bedroeven?”—“Ja, lieve tante,” zeide het kind. “Dat begrijp ik heel wel. Arme Florence!”Nog meer bloemen werden over den grond gestrooid, en die zij nog vasthield beefden, alsof er een winterwind door ritselde.“Mijn Kaatje,” zeide de dame, wier stem zeer ernstig was, maar kalm en liefelijk, en op Florence, van het eerste oogenblik dat zij die stem hoorde af, denzelfden indruk gemaakt had, “van al de jongelieden hier zijt gij hare natuurlijke vriendin, die haar geen leed kan doen; gij geeft haar de onschuldige reden niet, die gelukkiger kinderen haar geven.”—“Er zijn geen gelukkiger, tante!” riep het meisje, dat haar scheen te omhelzen.—“Die andere kinderen haar geven, lieve Kaatje, om zich haar ongeluk te herinneren. Daarom moet gij, als gij haar vriendinnetje wilt zijn, te meer uw best doen om dat te worden en denken dat het verlies, dat u getroffen heeft—den hemel zij dank, voordat gij de zwaarte daarvan kondt kennen—u bij de arme Florence een voorrecht geeft.”—“Maar ik gevoel geen gemis van ouderliefde, tante, en dat heb ik nooit gedaan,” zeide het meisje, “zoolang ik bij u ben.”—“Hoe dat wezen mag, liefje,” antwoordde de dame, “uw ongeluk is lichter dan dat van Florence; want geene wees op de wijde wereld kan zoo verlaten zijn als het kind dat uit de liefde van een levend vader is verbannen.”De bloemen werden als stof over den grond gestrooid; de ledige handen bedekten het gezichtje; en de verweesde Florence, op den grond ineengedoken, schreide lang en bitter.Maar trouw van hart en moedig in haar goed voornemen, hield Florence zich daaraan vast gelijk hare stervende moeder zich aan haar had vastgehouden op den dag die Paul het leven gaf. Hij wist niet hoe lief zij hem had. Hoelang het ook duurde eer die tijd kwam, en hoe langzaam de tusschentijd mocht verloopen, zij moest eens haar vaders hart tot die kennis pogen te brengen. Ondertusschen moest zij zorgen om door geen onbedacht woord, of blik, of uitbarsting van gevoel, door eene toevallige omstandigheid veroorzaakt, tegen hem te klagen, of aanleiding te geven tot dit gefluister in zijn nadeel.Zelfs in haar omgang met het weesje, dat haar sterk aantrok en waaraan zij zooveel reden had om zich te herinneren, was Florence aan hem gedachtig. Als zij haar (dacht Florence) al te duidelijk boven de anderen uitkoos, zou zij—in één gemoed zeker, en misschien in meer—het geloof bevestigen, dat hij wreed en onnatuurlijk was. Haar eigen genot woog niet daartegen op. Wat zij beluisterd had was eene reden, niet om haar eigen leed te willen verzachten, maar om hem te sparen; en dit deed Florence en waakte over haar eigen hart.Dit deed zij altijd. Als er uit een boek werd voorgelezen, en er iets kwam dat op een hardvochtig vader doelde, smartte het haar dat dit op hem kon worden toegepast, niet dat het haar aan haar verdriet herinnerde. Zoo was het ook bij eene prent die vertoond, of een spelletje[173]dat onder de kinderen gespeeld werd. De aanleidingen tot zulk eene teedere bezorgdheid voor hem waren zoo talrijk, dat zij dikwijls twijfelde of het niet beter zou zijn naar het oude huis terug te keeren en daar eenzaam, maar ongestoord, te leven. Hoe weinigen, die de lieftallige Florence in haar lentetijd zagen, als het bescheiden koninginnetje dier kinderlijke feesten, verbeeldden zich welk een last van heilige zorg haar hart bezwaarde! Hoe weinigen, die, in den kouden atmospheer van haar vader bevrozen, vermoedden welk een hoop van vurige kolen er op zijn hoofd gestapeld werd!Florence bleef gestadig op haar doel bedacht, en daar het haar niet gelukte het geheim, dat zij zocht onder het jeugdige gezelschap in huis te vinden, ging zij dikwijls in den vroegen morgen alleen onder de kinderen der armen rondwandelen. Maar ook deze vond zij allen veel te ver gevorderd om van hen te kunnen leeren. Zij hadden hunne plaats in het ouderlijke huis reeds lang geleden gevonden, en stonden niet buiten, gelijk zij, met een slagboom voor de deur.Er was een man, dien zij meestal zeer vroeg aan het werk zag, dikwijls met een meisje van omtrent hare eigene jaren bij zich. Hij scheen zeer arm te zijn en geen vast beroep te hebben, maar zwierf nu bij laag water langs den oever der rivier, om in den modder te zoeken naar alles wat van eenige waarde was, werkte dan weder op een weinig belovend plekje gronds bij zijn hutje, lapte somtijds eene ellendige boot die hem toebehoorde, of deed een karreweitje van dien aard voor een buurman. Waaraan de man ook werkte, het meisje was nooit met iets bezig, maar bleef, als zij bij hem was, ledig en lusteloos zitten druilen.Florence had dikwijls verlangd om dien man aan te spreken, maar nog nooit den moed gehad om dit te doen, dewijl hij zelf geene aanleiding daartoe gaf. Maar op een ochtend toen zij onverwacht op hem aankwam, van een voetpad tusschen eenigeknotwilgen, dat op eene afhellende plek gronds uitliep, die tusschen zijne woning en het water lag, en waar hij gebogen stond over een vuur, dat hij had aangemaakt om de oude boot te kalfaten, die met den bodem omhoog daarbij lag, keek hij op, toen hij haar voetstap hoorde, en zeide haar goedenmorgen.“Goedenmorgen,” zeide Florence, nader komende. “Ge zijt al vroeg aan het werk.”—“Ik zou graag dikwijls nog vroeger aan het werk zijn, jufvrouw, als ik maar werk had.”—“Is dat dan zoo moeielijk te krijgen?” vroeg Florence.—“Dat ondervind ik,” antwoordde de man.Florence keek om naar de plek waar het meisje zat ineengedoken, met de ellebogen op de knieën en de kin tusschen de handen, en zeide:“Is dat uwe dochter?”Hij hief snel het hoofd op, en met een verhelderd gezicht naar het meisje omziende, knikte hij tegen haar en zeide: “Ja.”Florence groette haar vriendelijk; het meisje mompelde iets tot antwoord, norsch en stroef.“Heeft zij ook gebrek aan werk?” zeide Florence.De oude man schudde zijn hoofd. “Neen, jufvrouw,” zeide hij. “Ik werk voor allebei.”—“Zijt ge dan maar met u beiden?” vroeg Florence.—“Maar met ons beiden,” antwoordde de man. “Hare moeder is al tien jaren dood. Martha!” Hij hief weder het hoofd op en floot naar haar. “Spreekt ge niet eens tegen die lieve jonge dame?”Het meisje maakte eene beweging van ongeduld met hare ronde schouders en draaide haar gezicht naar een anderen kant. Leelijk, mismaakt, wrevelig, stompzinnig, haveloos, morsig—maar bemind! O, ja! Florence had haar vaders blik naar haar gezien, en zij wist wel naar wiens blik deze niet geleek.“Ik vrees dat zij van morgen weer erger is, mijne arme meid!” zeide de man, zijn werk stakende en zijn onbehaaglijk kind aanziende met een medelijden, dat wel ruw, maar daarom des te teerder was.“Is zij dan ziek?” zeide Florence.De man slaakte een zwaren zucht. “Ik geloof niet dat mijne Martha vijf korte dagen gezondheid gehad heeft,” antwoordde hij, nog naar haar ziende, “in even zooveel lange jaren.”—“Ja, en in nog langer tijd, John,” zeide een buurman, die hem aan de boot kwam helpen.—“Langer, zegt gij?” riep de ander uit, zijn versleten hoed achteroverduwende en met de hand over zijn voorhoofd strijkende. “Wel te denken. Het komt mij ook lang, heel lang voor.”—“En hoe langer het duurde,” vervolgde de buurman, “zooveel te meer hebt gij haar verwend en vertroeteld, John, tot zij een last voor zich zelve en ieder ander is geworden.”—“Voor mij niet,” zeide de vader, weder aan het werk gaande. “Voor mij niet.”Florence kon gevoelen—wie beter?—met hoeveel waarheid hij dit zeide. Zij kwam dicht naar hem toe, en had gaarne zijne ruwe hand willen vatten en hem danken voor zijne goedheid voor het ellendige voorwerp, dat hij met zoo geheel andere oogen beschouwde dan ieder ander. “Wie zou mijn arm kind verwennen en vertroetelen—om het zoo te noemen—als ik het niet deed?” zeide de vader.—“Ja, ja,” zeide de buurman. “Met redelijkheid, John. Maar gij—gij besteelt u zelven om haar te geven. Gij bindt u zelven om haar met handen en voeten vast. Gij maakt uw leven ellendig om haar. En wat geeftzijer om! Ik geloof niet eens dat zij er van weet.”De vader hief weder het hoofd op en floot[174]naar haar. Martha maakte wederom dezelfde beweging van ongeduld met hare schouders, en hij was vergenoegd en blijde.“Alleen om dat, jufvrouw,” zeide de buurman, met een glimlach, waarin meer geheime sympathie lag dan zijne woorden te kennen gaven, “alleen om dat te krijgen, laat hij haar nooit uit zijne oogen.”—“Omdat de dag komen zal, en al lang aan het komen is,” zeide de ander, laag over zijn werk bukkende, “dat ik om half zooveel van dat ongelukkige kind van mij te krijgen—om maar het trillen van een vinger, of het zwieren van een haar van haar te krijgen—de dooden zou moeten kunnen opwekken.”Florence legde zacht eenig geld dicht bij zijne hand op de oude boot, en ging heen.En nu begon Florence te denken of, indien zij ziek werd, indien zij ook verwelkte gelijk haar lieve broeder, hij dan zou begrijpen dat zij hem had liefgehad, of zij hem dan dierbaar zou worden; of hij dan aan haar bed zou komen, als zij zwak en flauw van gezicht was, en haar in zijne armen sluiten en al het verledene uitwisschen? Zou hij het haar dan vergeven, in dien veranderden toestand, dat zij niet in staat was geweest om haar kinderlijk hart voor hem open te leggen; zou het haar dan gemakkelijk worden hem te verhalen met welke aandoeningen zij dien nacht zijne kamer was uitgegaan, wat zij had willen zeggen, als zij er maar moed toe had gehad, en hoe zij naderhand gepoogd had te leeren wat zij in hare kindsheid nooit had geweten?Ja, dacht zij, als zij stervende was, zou hij week worden. Zij dacht, als zij daar lag, kalm en niet onwillig om te verscheiden, op het bed waarom de herinneringen van zijn dierbaren zoon nog zweefden, zou het zijn hart treffen en zou hij zeggen: “Lieve Florence, leef voor mij, en wij zullen elkander liefhebben gelijk wij hadden kunnen doen, en zoo gelukkig zijn als wij deze vele jaren hadden kunnen zijn!” Zij dacht, als zij zulke woorden van hem hoorde, en hare armen omhem heengeslagen had, zou zij met een glimlach kunnen antwoorden: “Het is te laat voor alles behalve dit en ik zou nooit gelukkiger kunnen zijn, lieve vader!” en hem zoo verlaten met eene zegenbede op de lippen.De gouden golfjes op den muur, die zij zich herinnerde, kwamen Florence, in het licht van zulke herinneringen, voor als een stroom die naar het gewest vloeide, waar de dierbaren, die haar vooruit waren gegaan, haar hand in hand stonden te wachten; en dikwijls wanneer zij naar de donkere rivier zag, die aan hare voeten kabbelde, dacht zij met plechtige verwondering, maar niet met schrik, aan de rivier, welke haar broeder zoo dikwijls had gezegd dat hem wegvoerde.De vader en zijne zieke dochter stonden Florence nog versch voor den geest; dat voorval was zelfs nog geene week oud, toen Sir Barnet en zijne vrouw, die op een namiddag gingen wandelen, haar voorstelden om mede te gaan. Daar Florence gewillig toestemde, gelastte Lady Skettles, als iets dat van zelf sprak, den jongen Barnet om haar te geleiden; want niets was voor Lady Skettles zulk een genot, dan haar oudsten zoon met Florence aan den arm te zien.Barnet, om de waarheid te zeggen, scheen geheel anders over de zaak te denken, en liet zich bij zulke gelegenheden dikwijls hoorbaar, schoon onbepaald, over een troep meiden uit. Daar het echter niet gemakkelijk was haar zacht humeur te bederven, verzoende Florence doorgaans den jongen heer na eenige weinige minuten met zijn lot, en wandelden zij danvriendschappelijkmet elkander voort, terwijl Lady Skettles en Sir Barnet, uiterst vergenoegd en tevreden, achteraankwamen.Zoo ging het ook op den bedoelden namiddag, en het was Florence bijna gelukt Skettles Junior zijne grieven voor het oogenblik te doen vergeten, toen er een heer te paard voorbijreed, die hem ernstig aanzag, de teugels aanhield, omkeerde, en met den hoed in de hand kwam terugrijden.Deze heer had inzonderheid naar Florence gezien, en toen het kleine gezelschap bleef stilstaan, boog hij voor haar, eer hij Sir Barnet en zijne dame groette. Florence herinnerde zich niet hem ooit gezien te hebben, maar toen hij haar nabij kwam, trad zij met onwillekeurigen schrik achteruit.“Mijn paard is heel mak, durf ik u verzekeren,” zeide hij.Dit was het niet, maar iets in dien heer zelven—zij had niet kunnen zeggen wat—dat Florence deed terugschrikken, alsof haar iets gestoken had.“Ik heb de eer jufvrouw Dombey aan te spreken, geloof ik?” zeide hij, met een glimlach die innemend moest wezen. Toen Florence daarop antwoordde door haar hoofd te buigen, vervolgde hij: “Mijn naam is Carker. Ik kan niet wel hopen dat jufvrouw Dombey zich iets van mij zal herinneren, behalve mijn naam. Carker.”Florence, die, schoon het een warme dag was, eene zonderlinge neiging gevoelde om te huiveren, presenteerde hem aan haar gastheer en gastvrouw, door welke hij zeer vriendelijk ontvangen werd.“Ik verzoek duizendmaal verschooning,” zeide Carker. “Maar ik ga morgen naar mijnheer Dombey teLeamington, en als jufvrouw Dombey mij eene of andere commissie wil opdragen, behoef ik dan te zeggen hoezeervereerd ik zal zijn?”[175]Sir Barnet, dadelijk radende dat Florence een brief aan haar vader zou willen schrijven, stelde voor om terug te keeren, en verzocht Carker om mede naar huis te komen en zoo in zijn rijcostuum te blijven dineeren. Carker had het ongeluk van reeds zijn woord voor een diner te hebben gegeven, maar als jufvrouw Dombey verlangde te schrijven, zou niets hem meer streelen dan met hen terug te rijden en als haar trouwe slaaf te wachten zoolang het haar beliefde. Toen hij dit met zijn breedsten glimlach gezegd had, en dicht naar Florence bukte om zijn paard op den hals te kloppen, ontmoette zij zijn blik en zag hem—veeleer dan dat zij hoorde—zeggen: “Er is geene tijding van het schip!”Verschrikt, verlegen, voor hem huiverende, en zelfs niet zeker dat hij deze woorden gezegd had, (want hij scheen ze haar op eene buitengewone manier in zijn glimlach te laten lezen, in plaats van ze te spreken), zeide Florence flauw dat zij hem wel verplicht was, maar niet zou schrijven: zij had niets te zeggen.“Niets te zenden, jufvrouw Dombey?” zeide de man van tanden.—“Niets,” zeide Florence, “dan mijne—mijne hartelijke liefde—als het u belieft.”Ontsteld als Florence was, sloeg zij hare oogen met een smeekenden blik vol uitdrukking naar hem op, die hem bad—indien hij wist, gelijk hij duidelijk deed, dat eene boodschap, maar deze vooral, iets ongewoons tusschen haar en haar vader was—om haar te sparen. Carker antwoordde met een glimlach en eene diepe buiging, en nadat hij met de vriendelijkste complimenten van Sir Barnet en Lady Skettles was belast, nam hij afscheid en reed heen, op dit waardige paar een zeer gunstigen indruk nalatende. Toen hij heenreed, werd Florence door zulk eene huivering bevangen, dat Sir Barnet, op het volksbijgeloof doelende, meende dat er iemand over haar graf ging. Carker, die juist een hoek omsloeg, keek om, hoog, en verdween, alsof hij recht naar het kerkhof reed, om dit te doen.
[Inhoud]XXIV.HET SMACHTEN VAN EEN LIEFDERIJK HART.Sir Barnet en Lady Skettles, zeer goede menschen, woonden op een aardig buitentje bijFulham, aan den oever van den Teems, dat allerliefst gelegen was om een wedstrijd van roeivaartuigen aan te zien, maar anders eenige kleine onaangenaamheden had, waaronder men rekenen kon dat de rivier somtijds in het salon verscheen, en dan gelijktijdig het grasperk en het heesterplantsoen verdwenen.Sir Barnet Skettles duidde het gewicht van zijn persoon voornamelijk aan door eene antieke gouden snuifdoos, en een grooten zijden zakdoek, welken hij gewoon was met bijzondere statigheid uit zijn zak te halen, alsof het eene banier was, en met beide handen te gelijk te gebruiken. Sir Barnet’s levensdoel was den kring zijner bekenden bestendig uit te breiden. Evenals bij een steen, die in het water valt—zonder zulk een deftig man door zulk eene vergelijking te willen verkleinen—lag het in den aard der zaken, dat Sir Barnet een zich altijd vergrootenden kring om zich heen moest verbreiden, tot er geene plaats meer over was. Of, gelijk een klank in de lucht, waarvan de trilling, volgens de gedachten van een schrander natuurkundige, zich voor eeuwig door de eindelooze ruimte kan voortzetten, kon niets anders dan eene volslagene onmogelijkheid Sir Barnet Skettles stuiten in zijne ontdekkingsreis door het heelal der samenleving.Sir Barnet was er trotsch op om andere menschen met andere menschen bekend te maken. Dit was reeds op zich zelf een vermaak voor hem, en het bevorderde ook zijn geliefkoosd doel. Bij voorbeeld, als Sir Barnet het geluk had om een onervaren jongmensch, of een landedelman machtig te worden en naar zijn buitentje te lokken, zeide hij gewoonlijk des morgens na zijne komst: “Wel, mijnheer, is er nu ook iemand met wien gij gaarne zoudt willen kennis maken? Wie is er dien gij gaarne eens zoudt willen zien? Interesseert gij u voor menschen, die schrijven, of schilderen, of op het tooneel zijn, of iets van dien aard?” Mogelijk antwoordde de patiënt van ja, en noemde iemand, dien Sir Barnet even weinig kende als Pompejus den Groote. Sir Barnet antwoordde evenwel, dat niets op de wereld gemakkelijker was, daar hij hem heel wel kende, ging terstond den genoemden een bezoek brengen, liet zijn kaartje, schreef een briefje:—“Waarde heer—last die uwe uitstekende positie medebrengt—bij mij gelogeerde vriend natuurlijk verlangend—Lady Skettles en ik zelf evenzeer—vertrouwende, dat het genie zich boven kleine bedenkelijkheden verheft, zult gij ons wel de uitnemende eer willen bewijzen om ons het genoegen te geven, enz., enz.,”—en sloeg aldus twee vliegen met één klap, mors dood.Met de snuifdoos en de banier in volle kracht, stelde Sir Barnet Florence, op den eersten morgen van haar verblijf, zijne gewone vraag voor. Toen Florence hem bedankte en zeide dat er niemand was, wien zij bijzonder wenschte te zien, was het natuurlijk dat zij met harteleed aan den armen Walter dacht. Toen Sir Barnet, zijn vriendelijk voorstel aandringende, zeide: “Lieve jufvrouw Dombey, zijt gij wel zeker dat gij u niemand herinnert, dien uw goede papa—wien ik u verzoek de beleefdste complimenten van Lady Skettles en mij zelven te doen, als gij schrijft—zou wenschen dat gij mede bekend werdt?” was het misschien even natuurlijk dat haar hoofdje een weinig zakte en hare stem beefde, toen zij met eene zachte ontkenning antwoordde.Skettles junior, met eene veel stijvere das dan voorheen, en lang zoo wild niet meer, was voor de vacantie thuis, en scheen zich zeer verongelijkt te achten door de bezorgdheid zijner uitnemende moeder, dat hij zich voor Florence beleefd en oplettend zou toonen. Een ander en grooter onrecht dat de ziel van den jongen Barnet kwelde, was het gezelschap van doctor Blimber en zijne gade, die onder het ouderlijke dak te logeeren waren gevraagd, en van welke de jonge heer dikwijls zeide te wenschen, dat zij liever in het peperland zaten.“Is er ook iemand, dien gij u bedenken kunt, doctor Blimber?” zeide Sir Barnet, zich naar dien heer keerende.—“Ge zijt wel vriendelijk, Sir Barnet,” antwoordde de doctor. “Ik weet waarlijk niet, dat er iemand in het bijzonder is. Ik ken gaarne mijne medemenschen in het algemeen, Sir Barnet. Wat zegt Terentius? Iedereen, die vader en zoon is, is interessant voor mij.”—“Heeft mevrouw Blimber ook verlangen om een of ander merkwaardig persoon te zien?” vroeg Sir Barnet beleefd.Mevrouw Blimber antwoordde met een vriendelijk lachje, en hare hemelsblauwe muts schuddende, dat, indien Sir Barnet haar metCicerobekend had kunnen maken, zij hem wel lastig had willen vallen; maar daar zulk eene introductie ondoenlijk was, en zij reeds zijne vriendschap en die van zijne beminnelijke echtgenoot bezat, en met den doctor haar man hun gemeenschappelijk vertrouwen ten aanzien van hun dierbaren zoon genoot—hier zag men den jongen Barnet zijn neus ophalen—zij niets meer verlangde.Sir Barnet moest zich dus wel vooreerst met het daar verzamelde gezelschap vergenoegen. Florence verheugde zich daarover; want zij had onder dit gezelschap iets te zoeken, dat haar te gewichtig was en te nauw aan[171]het hart lag, om voor iets anders achter te staan.Er waren eenige kinderen in huis gelogeerd—kinderen die met vader en moeder even gemeenzaam en vroolijk waren, als die met de blozende gezichtjes aan den overkant van haar huis—kinderen die hunne liefde geen bedwang oplegden, maar vrij vertoonden. Florence zocht hun geheim te leeren; zocht te ontdekken wat het was dat zij miste; welke eenvoudige kunst die kinderen kenden en zij niet kende; hoe zij van hen kon leeren haar vader te toonen dat zij hem liefhad, en zijne liefde terug te winnen.Menigen dag sloeg Florence die kinderen nadenkend gade. Op menigen helderen morgen verliet zij haar bed zoodra de zon opging, en wandelde, eer zich in huis iemand begon te roeren, langs den overkant heen en weder, om naar de vensters hunner kamers op te zien, en aan hen te denken, die daar sliepen, zoo bemind en zoo liefderijk verzorgd. Florence gevoelde zich dan eenzamer, dan toen zij in het groote huis geheel alleen was, en dacht somtijds dat zij beter daar was dan hier, en dat zij vergenoegder was wanneer zij zich schuilhield, dan wanneer zij met anderen van hare jaren verkeerde en bevond hoezeer zij van hen allen verschilde. Maar met den vasten wil om dat geheim te bestudeeren, schoon ieder blad, dat zij in het moeielijke boek omsloeg, haar nieuw harteleed gaf, bleef Florence daar en poogde met geduldige hoop de kennis te verwerven, waarnaar zij smachtte.O, hoe zou zij die verwerven! Hoe ontdekken waar men moest beginnen! Er waren daar dochters, die des morgens opstonden en des avonds het hoofd neerlegden, reeds in het volle bezit van het vaderlijke hart. Zij behoefden geen tegenzin te overwinnen, geene koelheid te vreezen, geen donker gezicht te doen ophelderen. Als het later in den ochtend werd, en de vensters een voor een geopend werden, en de dauw op het gras en de bloemen begon te drogen, en jeugdige voetjes over het grasperk huppelden, dacht Florence, in het rond, naar de vroolijke gezichtjes ziende, wat zij toch van die kinderen zou kunnen leeren. Het was te laat om van hen te leeren. Ieder kon onbevreesd haar vader naderen, hare lipjes opsteken om zijn kus te beantwoorden, en haar arm om zijn hals slaan, die zich boog om haar te liefkoozen. Zij kon niet beginnen met zoo stout te zijn. O, kon het wezen, dat er minder hoop was naarmate zij meer leerde?Zij herinnerde zich, dat zelfs de oude vrouw, die haar gestolen had toen zij een klein kind was—wier beeld en wier huis, en al wat zij gezegd en gedaan had, in haar geheugen waren geprent, met de scherpheid en vastheid van een vreeselijken indruk in den vroegsten tijd van het leven—met teederheid van hare dochter had gesproken, en hoe schrikkelijk zij hare smart over hare hopelooze scheiding van haar kind had uitgeschreeuwd. Maar hare eigene moeder, dacht zij dan weder, als zij zich dit herinnerde, had haar ook liefgehad. En als hare gedachten dan snel naar de gapende kloof tusschen haar en haar vader terugkeerden, beefde Florence somtijds en rolden haar de tranen over de wangen, als zij zich verbeeldde hoe hare moeder in leven had kunnen blijven, en misschien ook een afkeer van haar krijgen, omdat het haar ontbrak aan dat onbekende talent, dat haar vaders hart had moeten winnen, maar van hare wieg af nooit gedaan had. Zij wist, dat deze inbeelding de nagedachtenis harer moeder onrecht deed en geheel ongegrond was; en toch was zij zoo verlangend om hem te rechtvaardigen, en al de schuld bij zich zelve te vinden, dat zij niet kon nalaten zich somtijds daaraan over te geven.Onder de andere gasten kwam, kort na Florence, een bevallig meisje, twee of drie jaren jonger dan zij, dat ouderloos was, en door hare tante werd vergezeld, eene dame met grijs haar, die veel met Florence sprak, haar zeer gaarne (maar dit deden allen) des avonds hoorde zingen, en dan altijd met moederlijke belangstelling bij haar bleef zitten. Zij waren pas twee dagen daar in huis geweest, toen Florence op een warmen ochtend in een priëeltje in den tuin zat, door de takken heen peinzend naar een groepje op het grasperk ziende, en bezig met een bloemenkrans te vlechten voor een der kleintjes, dat het speelpopje en de lieveling der anderen was. Zoo gezeten, hoorde zij die dame en haar nichtje, welke dichtbij in een beschaduwd laantje op en neer wandelden, over haar zelve spreken.“Is Florence eene wees evenals ik?” zeide het kind.—“Neen, liefje. Zij heeft geen moeder meer, maar haar vader leeft nog.”—“Is zij nu nog in den rouw over hare arme mama?” vroeg het kind snel.—“Neen, over haar eenigen broeder.”—“Heeft zij geen anderen broeder?”—“Neen.”—“En geene zuster?”—“Neen.”—“Dat spijt mij, dat spijt mij erg,” zeide het meisje.Daar zij kort daarop bleven stilstaan om naar eenige bootjes te kijken en ondertusschen zwegen, ging Florence, die, toen zij haar naam hoorde, met hare bloemen was opgestaan, om de twee te gemoet te gaan en zich te vertoonen, weder zitten en vervolgde haar werk, daar zij nu niets meer dacht te zullen hooren; maar een oogenblik later werd het gesprek hervat.“Florence is een gunsteling van iedereen hier, en verdient dat ook waarlijk wel te zijn,” zeide het kind ernstig. “Waar is haar papa?”Na een oogenblik van stilte, antwoordde de tante, dat zij het niet wist. De klank harer stem[172]boeide Florence, die wederom was opgestaan, en hield haar op de plek vastgeworteld, terwijl zij haar werk met beide handen tegen hare borst drukte, opdat het niet op den grond zou vallen.“Hij is toch inEngeland, hoop ik, tante?” zeide het kind.—“Dat geloof ik wel. Ja, ik weet het, dat hij in het land is.”—“Is hij nooit hier geweest?”—“Dat geloof ik niet. Neen.”—“Komt hij dan niet hier om haar te zien?”—“Ik geloof van neen.”—“Is hij dan lam, of blind, of ziek, tante?” vroeg het kind.De bloemen, die Florence tegen hare borst hield, begonnen te vallen, toen zij dit met zooveel verwondering hoorde vragen. Zij hield ze vaster, en liet haar gezichtje er op neerzinken.“Kaatje,” zeide de dame, na nog een oogenblik van stilzwijgen, “ik zal u de geheele waarheid van Florence vertellen, zooals ik ze gehoord heb, en geloof dat zij is. Vertel het niemand anders, liefje, omdat het hier misschien weinig bekend zal zijn, en het haar verdriet zou veroorzaken als gij dat deedt.”—“Dat zal ik nooit,” riep het kind uit.—“Dat weet ik ook wel,” antwoordde de dame; “ik kan u zoo goed vertrouwen als mij zelve. Ik vrees dan, Kaatje, dat Florence’s vader weinig om haar geeft, haar zeer zelden ziet, nooit in haar leven vriendelijk voor haar is geweest, en haar nu zelfs vermijdt en schuwt. Zij zou hem hartelijk liefhebben, als hij haar dat wilde toelaten; maar dat wil hij niet—schoon zij er geene schuld aan heeft; en alle zachte harten, moeten haar liefhebben en beklagen.”Nog meer van de bloemen, die Florence vasthield, vielen verstrooid over den grond; die zij nog overhield, waren nat, maar niet van den dauw; en haar gezichtje zonk geheel op hare beladene handen.“Arme Florence! Lieve, goede Florence!” riep het kind uit.—“Weet ge wel waarom ik u dit verteld heb, Kaatje?” zeide de dame.—“Omdat ik heel vriendelijk voor haar zou zijn, en mijn best doen om haar te believen. Is dat de reden, tante?”—“Gedeeltelijk,” zeide de dame, “maar niet geheel. Hoewel wij haar zoo opgeruimd zien, met een vriendelijk lachje voor iedereen, gereed om ons te believen, en aan alle vermaken en spelletjes deel te nemen, kan zij zich toch bezwaarlijk heel gelukkig gevoelen; denkt ge dat ook niet, Kaatje?”—“Ik vrees van neen,” zeide het meisje.—“En gij kunt wel begrijpen,” vervolgde de dame, “waarom het gezicht van kinderen, die ouders hebben die veel van hen houden, en trotsch op hen zijn—gelijk er juist veel hier zijn—haar in het geheim moet bedroeven?”—“Ja, lieve tante,” zeide het kind. “Dat begrijp ik heel wel. Arme Florence!”Nog meer bloemen werden over den grond gestrooid, en die zij nog vasthield beefden, alsof er een winterwind door ritselde.“Mijn Kaatje,” zeide de dame, wier stem zeer ernstig was, maar kalm en liefelijk, en op Florence, van het eerste oogenblik dat zij die stem hoorde af, denzelfden indruk gemaakt had, “van al de jongelieden hier zijt gij hare natuurlijke vriendin, die haar geen leed kan doen; gij geeft haar de onschuldige reden niet, die gelukkiger kinderen haar geven.”—“Er zijn geen gelukkiger, tante!” riep het meisje, dat haar scheen te omhelzen.—“Die andere kinderen haar geven, lieve Kaatje, om zich haar ongeluk te herinneren. Daarom moet gij, als gij haar vriendinnetje wilt zijn, te meer uw best doen om dat te worden en denken dat het verlies, dat u getroffen heeft—den hemel zij dank, voordat gij de zwaarte daarvan kondt kennen—u bij de arme Florence een voorrecht geeft.”—“Maar ik gevoel geen gemis van ouderliefde, tante, en dat heb ik nooit gedaan,” zeide het meisje, “zoolang ik bij u ben.”—“Hoe dat wezen mag, liefje,” antwoordde de dame, “uw ongeluk is lichter dan dat van Florence; want geene wees op de wijde wereld kan zoo verlaten zijn als het kind dat uit de liefde van een levend vader is verbannen.”De bloemen werden als stof over den grond gestrooid; de ledige handen bedekten het gezichtje; en de verweesde Florence, op den grond ineengedoken, schreide lang en bitter.Maar trouw van hart en moedig in haar goed voornemen, hield Florence zich daaraan vast gelijk hare stervende moeder zich aan haar had vastgehouden op den dag die Paul het leven gaf. Hij wist niet hoe lief zij hem had. Hoelang het ook duurde eer die tijd kwam, en hoe langzaam de tusschentijd mocht verloopen, zij moest eens haar vaders hart tot die kennis pogen te brengen. Ondertusschen moest zij zorgen om door geen onbedacht woord, of blik, of uitbarsting van gevoel, door eene toevallige omstandigheid veroorzaakt, tegen hem te klagen, of aanleiding te geven tot dit gefluister in zijn nadeel.Zelfs in haar omgang met het weesje, dat haar sterk aantrok en waaraan zij zooveel reden had om zich te herinneren, was Florence aan hem gedachtig. Als zij haar (dacht Florence) al te duidelijk boven de anderen uitkoos, zou zij—in één gemoed zeker, en misschien in meer—het geloof bevestigen, dat hij wreed en onnatuurlijk was. Haar eigen genot woog niet daartegen op. Wat zij beluisterd had was eene reden, niet om haar eigen leed te willen verzachten, maar om hem te sparen; en dit deed Florence en waakte over haar eigen hart.Dit deed zij altijd. Als er uit een boek werd voorgelezen, en er iets kwam dat op een hardvochtig vader doelde, smartte het haar dat dit op hem kon worden toegepast, niet dat het haar aan haar verdriet herinnerde. Zoo was het ook bij eene prent die vertoond, of een spelletje[173]dat onder de kinderen gespeeld werd. De aanleidingen tot zulk eene teedere bezorgdheid voor hem waren zoo talrijk, dat zij dikwijls twijfelde of het niet beter zou zijn naar het oude huis terug te keeren en daar eenzaam, maar ongestoord, te leven. Hoe weinigen, die de lieftallige Florence in haar lentetijd zagen, als het bescheiden koninginnetje dier kinderlijke feesten, verbeeldden zich welk een last van heilige zorg haar hart bezwaarde! Hoe weinigen, die, in den kouden atmospheer van haar vader bevrozen, vermoedden welk een hoop van vurige kolen er op zijn hoofd gestapeld werd!Florence bleef gestadig op haar doel bedacht, en daar het haar niet gelukte het geheim, dat zij zocht onder het jeugdige gezelschap in huis te vinden, ging zij dikwijls in den vroegen morgen alleen onder de kinderen der armen rondwandelen. Maar ook deze vond zij allen veel te ver gevorderd om van hen te kunnen leeren. Zij hadden hunne plaats in het ouderlijke huis reeds lang geleden gevonden, en stonden niet buiten, gelijk zij, met een slagboom voor de deur.Er was een man, dien zij meestal zeer vroeg aan het werk zag, dikwijls met een meisje van omtrent hare eigene jaren bij zich. Hij scheen zeer arm te zijn en geen vast beroep te hebben, maar zwierf nu bij laag water langs den oever der rivier, om in den modder te zoeken naar alles wat van eenige waarde was, werkte dan weder op een weinig belovend plekje gronds bij zijn hutje, lapte somtijds eene ellendige boot die hem toebehoorde, of deed een karreweitje van dien aard voor een buurman. Waaraan de man ook werkte, het meisje was nooit met iets bezig, maar bleef, als zij bij hem was, ledig en lusteloos zitten druilen.Florence had dikwijls verlangd om dien man aan te spreken, maar nog nooit den moed gehad om dit te doen, dewijl hij zelf geene aanleiding daartoe gaf. Maar op een ochtend toen zij onverwacht op hem aankwam, van een voetpad tusschen eenigeknotwilgen, dat op eene afhellende plek gronds uitliep, die tusschen zijne woning en het water lag, en waar hij gebogen stond over een vuur, dat hij had aangemaakt om de oude boot te kalfaten, die met den bodem omhoog daarbij lag, keek hij op, toen hij haar voetstap hoorde, en zeide haar goedenmorgen.“Goedenmorgen,” zeide Florence, nader komende. “Ge zijt al vroeg aan het werk.”—“Ik zou graag dikwijls nog vroeger aan het werk zijn, jufvrouw, als ik maar werk had.”—“Is dat dan zoo moeielijk te krijgen?” vroeg Florence.—“Dat ondervind ik,” antwoordde de man.Florence keek om naar de plek waar het meisje zat ineengedoken, met de ellebogen op de knieën en de kin tusschen de handen, en zeide:“Is dat uwe dochter?”Hij hief snel het hoofd op, en met een verhelderd gezicht naar het meisje omziende, knikte hij tegen haar en zeide: “Ja.”Florence groette haar vriendelijk; het meisje mompelde iets tot antwoord, norsch en stroef.“Heeft zij ook gebrek aan werk?” zeide Florence.De oude man schudde zijn hoofd. “Neen, jufvrouw,” zeide hij. “Ik werk voor allebei.”—“Zijt ge dan maar met u beiden?” vroeg Florence.—“Maar met ons beiden,” antwoordde de man. “Hare moeder is al tien jaren dood. Martha!” Hij hief weder het hoofd op en floot naar haar. “Spreekt ge niet eens tegen die lieve jonge dame?”Het meisje maakte eene beweging van ongeduld met hare ronde schouders en draaide haar gezicht naar een anderen kant. Leelijk, mismaakt, wrevelig, stompzinnig, haveloos, morsig—maar bemind! O, ja! Florence had haar vaders blik naar haar gezien, en zij wist wel naar wiens blik deze niet geleek.“Ik vrees dat zij van morgen weer erger is, mijne arme meid!” zeide de man, zijn werk stakende en zijn onbehaaglijk kind aanziende met een medelijden, dat wel ruw, maar daarom des te teerder was.“Is zij dan ziek?” zeide Florence.De man slaakte een zwaren zucht. “Ik geloof niet dat mijne Martha vijf korte dagen gezondheid gehad heeft,” antwoordde hij, nog naar haar ziende, “in even zooveel lange jaren.”—“Ja, en in nog langer tijd, John,” zeide een buurman, die hem aan de boot kwam helpen.—“Langer, zegt gij?” riep de ander uit, zijn versleten hoed achteroverduwende en met de hand over zijn voorhoofd strijkende. “Wel te denken. Het komt mij ook lang, heel lang voor.”—“En hoe langer het duurde,” vervolgde de buurman, “zooveel te meer hebt gij haar verwend en vertroeteld, John, tot zij een last voor zich zelve en ieder ander is geworden.”—“Voor mij niet,” zeide de vader, weder aan het werk gaande. “Voor mij niet.”Florence kon gevoelen—wie beter?—met hoeveel waarheid hij dit zeide. Zij kwam dicht naar hem toe, en had gaarne zijne ruwe hand willen vatten en hem danken voor zijne goedheid voor het ellendige voorwerp, dat hij met zoo geheel andere oogen beschouwde dan ieder ander. “Wie zou mijn arm kind verwennen en vertroetelen—om het zoo te noemen—als ik het niet deed?” zeide de vader.—“Ja, ja,” zeide de buurman. “Met redelijkheid, John. Maar gij—gij besteelt u zelven om haar te geven. Gij bindt u zelven om haar met handen en voeten vast. Gij maakt uw leven ellendig om haar. En wat geeftzijer om! Ik geloof niet eens dat zij er van weet.”De vader hief weder het hoofd op en floot[174]naar haar. Martha maakte wederom dezelfde beweging van ongeduld met hare schouders, en hij was vergenoegd en blijde.“Alleen om dat, jufvrouw,” zeide de buurman, met een glimlach, waarin meer geheime sympathie lag dan zijne woorden te kennen gaven, “alleen om dat te krijgen, laat hij haar nooit uit zijne oogen.”—“Omdat de dag komen zal, en al lang aan het komen is,” zeide de ander, laag over zijn werk bukkende, “dat ik om half zooveel van dat ongelukkige kind van mij te krijgen—om maar het trillen van een vinger, of het zwieren van een haar van haar te krijgen—de dooden zou moeten kunnen opwekken.”Florence legde zacht eenig geld dicht bij zijne hand op de oude boot, en ging heen.En nu begon Florence te denken of, indien zij ziek werd, indien zij ook verwelkte gelijk haar lieve broeder, hij dan zou begrijpen dat zij hem had liefgehad, of zij hem dan dierbaar zou worden; of hij dan aan haar bed zou komen, als zij zwak en flauw van gezicht was, en haar in zijne armen sluiten en al het verledene uitwisschen? Zou hij het haar dan vergeven, in dien veranderden toestand, dat zij niet in staat was geweest om haar kinderlijk hart voor hem open te leggen; zou het haar dan gemakkelijk worden hem te verhalen met welke aandoeningen zij dien nacht zijne kamer was uitgegaan, wat zij had willen zeggen, als zij er maar moed toe had gehad, en hoe zij naderhand gepoogd had te leeren wat zij in hare kindsheid nooit had geweten?Ja, dacht zij, als zij stervende was, zou hij week worden. Zij dacht, als zij daar lag, kalm en niet onwillig om te verscheiden, op het bed waarom de herinneringen van zijn dierbaren zoon nog zweefden, zou het zijn hart treffen en zou hij zeggen: “Lieve Florence, leef voor mij, en wij zullen elkander liefhebben gelijk wij hadden kunnen doen, en zoo gelukkig zijn als wij deze vele jaren hadden kunnen zijn!” Zij dacht, als zij zulke woorden van hem hoorde, en hare armen omhem heengeslagen had, zou zij met een glimlach kunnen antwoorden: “Het is te laat voor alles behalve dit en ik zou nooit gelukkiger kunnen zijn, lieve vader!” en hem zoo verlaten met eene zegenbede op de lippen.De gouden golfjes op den muur, die zij zich herinnerde, kwamen Florence, in het licht van zulke herinneringen, voor als een stroom die naar het gewest vloeide, waar de dierbaren, die haar vooruit waren gegaan, haar hand in hand stonden te wachten; en dikwijls wanneer zij naar de donkere rivier zag, die aan hare voeten kabbelde, dacht zij met plechtige verwondering, maar niet met schrik, aan de rivier, welke haar broeder zoo dikwijls had gezegd dat hem wegvoerde.De vader en zijne zieke dochter stonden Florence nog versch voor den geest; dat voorval was zelfs nog geene week oud, toen Sir Barnet en zijne vrouw, die op een namiddag gingen wandelen, haar voorstelden om mede te gaan. Daar Florence gewillig toestemde, gelastte Lady Skettles, als iets dat van zelf sprak, den jongen Barnet om haar te geleiden; want niets was voor Lady Skettles zulk een genot, dan haar oudsten zoon met Florence aan den arm te zien.Barnet, om de waarheid te zeggen, scheen geheel anders over de zaak te denken, en liet zich bij zulke gelegenheden dikwijls hoorbaar, schoon onbepaald, over een troep meiden uit. Daar het echter niet gemakkelijk was haar zacht humeur te bederven, verzoende Florence doorgaans den jongen heer na eenige weinige minuten met zijn lot, en wandelden zij danvriendschappelijkmet elkander voort, terwijl Lady Skettles en Sir Barnet, uiterst vergenoegd en tevreden, achteraankwamen.Zoo ging het ook op den bedoelden namiddag, en het was Florence bijna gelukt Skettles Junior zijne grieven voor het oogenblik te doen vergeten, toen er een heer te paard voorbijreed, die hem ernstig aanzag, de teugels aanhield, omkeerde, en met den hoed in de hand kwam terugrijden.Deze heer had inzonderheid naar Florence gezien, en toen het kleine gezelschap bleef stilstaan, boog hij voor haar, eer hij Sir Barnet en zijne dame groette. Florence herinnerde zich niet hem ooit gezien te hebben, maar toen hij haar nabij kwam, trad zij met onwillekeurigen schrik achteruit.“Mijn paard is heel mak, durf ik u verzekeren,” zeide hij.Dit was het niet, maar iets in dien heer zelven—zij had niet kunnen zeggen wat—dat Florence deed terugschrikken, alsof haar iets gestoken had.“Ik heb de eer jufvrouw Dombey aan te spreken, geloof ik?” zeide hij, met een glimlach die innemend moest wezen. Toen Florence daarop antwoordde door haar hoofd te buigen, vervolgde hij: “Mijn naam is Carker. Ik kan niet wel hopen dat jufvrouw Dombey zich iets van mij zal herinneren, behalve mijn naam. Carker.”Florence, die, schoon het een warme dag was, eene zonderlinge neiging gevoelde om te huiveren, presenteerde hem aan haar gastheer en gastvrouw, door welke hij zeer vriendelijk ontvangen werd.“Ik verzoek duizendmaal verschooning,” zeide Carker. “Maar ik ga morgen naar mijnheer Dombey teLeamington, en als jufvrouw Dombey mij eene of andere commissie wil opdragen, behoef ik dan te zeggen hoezeervereerd ik zal zijn?”[175]Sir Barnet, dadelijk radende dat Florence een brief aan haar vader zou willen schrijven, stelde voor om terug te keeren, en verzocht Carker om mede naar huis te komen en zoo in zijn rijcostuum te blijven dineeren. Carker had het ongeluk van reeds zijn woord voor een diner te hebben gegeven, maar als jufvrouw Dombey verlangde te schrijven, zou niets hem meer streelen dan met hen terug te rijden en als haar trouwe slaaf te wachten zoolang het haar beliefde. Toen hij dit met zijn breedsten glimlach gezegd had, en dicht naar Florence bukte om zijn paard op den hals te kloppen, ontmoette zij zijn blik en zag hem—veeleer dan dat zij hoorde—zeggen: “Er is geene tijding van het schip!”Verschrikt, verlegen, voor hem huiverende, en zelfs niet zeker dat hij deze woorden gezegd had, (want hij scheen ze haar op eene buitengewone manier in zijn glimlach te laten lezen, in plaats van ze te spreken), zeide Florence flauw dat zij hem wel verplicht was, maar niet zou schrijven: zij had niets te zeggen.“Niets te zenden, jufvrouw Dombey?” zeide de man van tanden.—“Niets,” zeide Florence, “dan mijne—mijne hartelijke liefde—als het u belieft.”Ontsteld als Florence was, sloeg zij hare oogen met een smeekenden blik vol uitdrukking naar hem op, die hem bad—indien hij wist, gelijk hij duidelijk deed, dat eene boodschap, maar deze vooral, iets ongewoons tusschen haar en haar vader was—om haar te sparen. Carker antwoordde met een glimlach en eene diepe buiging, en nadat hij met de vriendelijkste complimenten van Sir Barnet en Lady Skettles was belast, nam hij afscheid en reed heen, op dit waardige paar een zeer gunstigen indruk nalatende. Toen hij heenreed, werd Florence door zulk eene huivering bevangen, dat Sir Barnet, op het volksbijgeloof doelende, meende dat er iemand over haar graf ging. Carker, die juist een hoek omsloeg, keek om, hoog, en verdween, alsof hij recht naar het kerkhof reed, om dit te doen.
XXIV.HET SMACHTEN VAN EEN LIEFDERIJK HART.
Sir Barnet en Lady Skettles, zeer goede menschen, woonden op een aardig buitentje bijFulham, aan den oever van den Teems, dat allerliefst gelegen was om een wedstrijd van roeivaartuigen aan te zien, maar anders eenige kleine onaangenaamheden had, waaronder men rekenen kon dat de rivier somtijds in het salon verscheen, en dan gelijktijdig het grasperk en het heesterplantsoen verdwenen.Sir Barnet Skettles duidde het gewicht van zijn persoon voornamelijk aan door eene antieke gouden snuifdoos, en een grooten zijden zakdoek, welken hij gewoon was met bijzondere statigheid uit zijn zak te halen, alsof het eene banier was, en met beide handen te gelijk te gebruiken. Sir Barnet’s levensdoel was den kring zijner bekenden bestendig uit te breiden. Evenals bij een steen, die in het water valt—zonder zulk een deftig man door zulk eene vergelijking te willen verkleinen—lag het in den aard der zaken, dat Sir Barnet een zich altijd vergrootenden kring om zich heen moest verbreiden, tot er geene plaats meer over was. Of, gelijk een klank in de lucht, waarvan de trilling, volgens de gedachten van een schrander natuurkundige, zich voor eeuwig door de eindelooze ruimte kan voortzetten, kon niets anders dan eene volslagene onmogelijkheid Sir Barnet Skettles stuiten in zijne ontdekkingsreis door het heelal der samenleving.Sir Barnet was er trotsch op om andere menschen met andere menschen bekend te maken. Dit was reeds op zich zelf een vermaak voor hem, en het bevorderde ook zijn geliefkoosd doel. Bij voorbeeld, als Sir Barnet het geluk had om een onervaren jongmensch, of een landedelman machtig te worden en naar zijn buitentje te lokken, zeide hij gewoonlijk des morgens na zijne komst: “Wel, mijnheer, is er nu ook iemand met wien gij gaarne zoudt willen kennis maken? Wie is er dien gij gaarne eens zoudt willen zien? Interesseert gij u voor menschen, die schrijven, of schilderen, of op het tooneel zijn, of iets van dien aard?” Mogelijk antwoordde de patiënt van ja, en noemde iemand, dien Sir Barnet even weinig kende als Pompejus den Groote. Sir Barnet antwoordde evenwel, dat niets op de wereld gemakkelijker was, daar hij hem heel wel kende, ging terstond den genoemden een bezoek brengen, liet zijn kaartje, schreef een briefje:—“Waarde heer—last die uwe uitstekende positie medebrengt—bij mij gelogeerde vriend natuurlijk verlangend—Lady Skettles en ik zelf evenzeer—vertrouwende, dat het genie zich boven kleine bedenkelijkheden verheft, zult gij ons wel de uitnemende eer willen bewijzen om ons het genoegen te geven, enz., enz.,”—en sloeg aldus twee vliegen met één klap, mors dood.Met de snuifdoos en de banier in volle kracht, stelde Sir Barnet Florence, op den eersten morgen van haar verblijf, zijne gewone vraag voor. Toen Florence hem bedankte en zeide dat er niemand was, wien zij bijzonder wenschte te zien, was het natuurlijk dat zij met harteleed aan den armen Walter dacht. Toen Sir Barnet, zijn vriendelijk voorstel aandringende, zeide: “Lieve jufvrouw Dombey, zijt gij wel zeker dat gij u niemand herinnert, dien uw goede papa—wien ik u verzoek de beleefdste complimenten van Lady Skettles en mij zelven te doen, als gij schrijft—zou wenschen dat gij mede bekend werdt?” was het misschien even natuurlijk dat haar hoofdje een weinig zakte en hare stem beefde, toen zij met eene zachte ontkenning antwoordde.Skettles junior, met eene veel stijvere das dan voorheen, en lang zoo wild niet meer, was voor de vacantie thuis, en scheen zich zeer verongelijkt te achten door de bezorgdheid zijner uitnemende moeder, dat hij zich voor Florence beleefd en oplettend zou toonen. Een ander en grooter onrecht dat de ziel van den jongen Barnet kwelde, was het gezelschap van doctor Blimber en zijne gade, die onder het ouderlijke dak te logeeren waren gevraagd, en van welke de jonge heer dikwijls zeide te wenschen, dat zij liever in het peperland zaten.“Is er ook iemand, dien gij u bedenken kunt, doctor Blimber?” zeide Sir Barnet, zich naar dien heer keerende.—“Ge zijt wel vriendelijk, Sir Barnet,” antwoordde de doctor. “Ik weet waarlijk niet, dat er iemand in het bijzonder is. Ik ken gaarne mijne medemenschen in het algemeen, Sir Barnet. Wat zegt Terentius? Iedereen, die vader en zoon is, is interessant voor mij.”—“Heeft mevrouw Blimber ook verlangen om een of ander merkwaardig persoon te zien?” vroeg Sir Barnet beleefd.Mevrouw Blimber antwoordde met een vriendelijk lachje, en hare hemelsblauwe muts schuddende, dat, indien Sir Barnet haar metCicerobekend had kunnen maken, zij hem wel lastig had willen vallen; maar daar zulk eene introductie ondoenlijk was, en zij reeds zijne vriendschap en die van zijne beminnelijke echtgenoot bezat, en met den doctor haar man hun gemeenschappelijk vertrouwen ten aanzien van hun dierbaren zoon genoot—hier zag men den jongen Barnet zijn neus ophalen—zij niets meer verlangde.Sir Barnet moest zich dus wel vooreerst met het daar verzamelde gezelschap vergenoegen. Florence verheugde zich daarover; want zij had onder dit gezelschap iets te zoeken, dat haar te gewichtig was en te nauw aan[171]het hart lag, om voor iets anders achter te staan.Er waren eenige kinderen in huis gelogeerd—kinderen die met vader en moeder even gemeenzaam en vroolijk waren, als die met de blozende gezichtjes aan den overkant van haar huis—kinderen die hunne liefde geen bedwang oplegden, maar vrij vertoonden. Florence zocht hun geheim te leeren; zocht te ontdekken wat het was dat zij miste; welke eenvoudige kunst die kinderen kenden en zij niet kende; hoe zij van hen kon leeren haar vader te toonen dat zij hem liefhad, en zijne liefde terug te winnen.Menigen dag sloeg Florence die kinderen nadenkend gade. Op menigen helderen morgen verliet zij haar bed zoodra de zon opging, en wandelde, eer zich in huis iemand begon te roeren, langs den overkant heen en weder, om naar de vensters hunner kamers op te zien, en aan hen te denken, die daar sliepen, zoo bemind en zoo liefderijk verzorgd. Florence gevoelde zich dan eenzamer, dan toen zij in het groote huis geheel alleen was, en dacht somtijds dat zij beter daar was dan hier, en dat zij vergenoegder was wanneer zij zich schuilhield, dan wanneer zij met anderen van hare jaren verkeerde en bevond hoezeer zij van hen allen verschilde. Maar met den vasten wil om dat geheim te bestudeeren, schoon ieder blad, dat zij in het moeielijke boek omsloeg, haar nieuw harteleed gaf, bleef Florence daar en poogde met geduldige hoop de kennis te verwerven, waarnaar zij smachtte.O, hoe zou zij die verwerven! Hoe ontdekken waar men moest beginnen! Er waren daar dochters, die des morgens opstonden en des avonds het hoofd neerlegden, reeds in het volle bezit van het vaderlijke hart. Zij behoefden geen tegenzin te overwinnen, geene koelheid te vreezen, geen donker gezicht te doen ophelderen. Als het later in den ochtend werd, en de vensters een voor een geopend werden, en de dauw op het gras en de bloemen begon te drogen, en jeugdige voetjes over het grasperk huppelden, dacht Florence, in het rond, naar de vroolijke gezichtjes ziende, wat zij toch van die kinderen zou kunnen leeren. Het was te laat om van hen te leeren. Ieder kon onbevreesd haar vader naderen, hare lipjes opsteken om zijn kus te beantwoorden, en haar arm om zijn hals slaan, die zich boog om haar te liefkoozen. Zij kon niet beginnen met zoo stout te zijn. O, kon het wezen, dat er minder hoop was naarmate zij meer leerde?Zij herinnerde zich, dat zelfs de oude vrouw, die haar gestolen had toen zij een klein kind was—wier beeld en wier huis, en al wat zij gezegd en gedaan had, in haar geheugen waren geprent, met de scherpheid en vastheid van een vreeselijken indruk in den vroegsten tijd van het leven—met teederheid van hare dochter had gesproken, en hoe schrikkelijk zij hare smart over hare hopelooze scheiding van haar kind had uitgeschreeuwd. Maar hare eigene moeder, dacht zij dan weder, als zij zich dit herinnerde, had haar ook liefgehad. En als hare gedachten dan snel naar de gapende kloof tusschen haar en haar vader terugkeerden, beefde Florence somtijds en rolden haar de tranen over de wangen, als zij zich verbeeldde hoe hare moeder in leven had kunnen blijven, en misschien ook een afkeer van haar krijgen, omdat het haar ontbrak aan dat onbekende talent, dat haar vaders hart had moeten winnen, maar van hare wieg af nooit gedaan had. Zij wist, dat deze inbeelding de nagedachtenis harer moeder onrecht deed en geheel ongegrond was; en toch was zij zoo verlangend om hem te rechtvaardigen, en al de schuld bij zich zelve te vinden, dat zij niet kon nalaten zich somtijds daaraan over te geven.Onder de andere gasten kwam, kort na Florence, een bevallig meisje, twee of drie jaren jonger dan zij, dat ouderloos was, en door hare tante werd vergezeld, eene dame met grijs haar, die veel met Florence sprak, haar zeer gaarne (maar dit deden allen) des avonds hoorde zingen, en dan altijd met moederlijke belangstelling bij haar bleef zitten. Zij waren pas twee dagen daar in huis geweest, toen Florence op een warmen ochtend in een priëeltje in den tuin zat, door de takken heen peinzend naar een groepje op het grasperk ziende, en bezig met een bloemenkrans te vlechten voor een der kleintjes, dat het speelpopje en de lieveling der anderen was. Zoo gezeten, hoorde zij die dame en haar nichtje, welke dichtbij in een beschaduwd laantje op en neer wandelden, over haar zelve spreken.“Is Florence eene wees evenals ik?” zeide het kind.—“Neen, liefje. Zij heeft geen moeder meer, maar haar vader leeft nog.”—“Is zij nu nog in den rouw over hare arme mama?” vroeg het kind snel.—“Neen, over haar eenigen broeder.”—“Heeft zij geen anderen broeder?”—“Neen.”—“En geene zuster?”—“Neen.”—“Dat spijt mij, dat spijt mij erg,” zeide het meisje.Daar zij kort daarop bleven stilstaan om naar eenige bootjes te kijken en ondertusschen zwegen, ging Florence, die, toen zij haar naam hoorde, met hare bloemen was opgestaan, om de twee te gemoet te gaan en zich te vertoonen, weder zitten en vervolgde haar werk, daar zij nu niets meer dacht te zullen hooren; maar een oogenblik later werd het gesprek hervat.“Florence is een gunsteling van iedereen hier, en verdient dat ook waarlijk wel te zijn,” zeide het kind ernstig. “Waar is haar papa?”Na een oogenblik van stilte, antwoordde de tante, dat zij het niet wist. De klank harer stem[172]boeide Florence, die wederom was opgestaan, en hield haar op de plek vastgeworteld, terwijl zij haar werk met beide handen tegen hare borst drukte, opdat het niet op den grond zou vallen.“Hij is toch inEngeland, hoop ik, tante?” zeide het kind.—“Dat geloof ik wel. Ja, ik weet het, dat hij in het land is.”—“Is hij nooit hier geweest?”—“Dat geloof ik niet. Neen.”—“Komt hij dan niet hier om haar te zien?”—“Ik geloof van neen.”—“Is hij dan lam, of blind, of ziek, tante?” vroeg het kind.De bloemen, die Florence tegen hare borst hield, begonnen te vallen, toen zij dit met zooveel verwondering hoorde vragen. Zij hield ze vaster, en liet haar gezichtje er op neerzinken.“Kaatje,” zeide de dame, na nog een oogenblik van stilzwijgen, “ik zal u de geheele waarheid van Florence vertellen, zooals ik ze gehoord heb, en geloof dat zij is. Vertel het niemand anders, liefje, omdat het hier misschien weinig bekend zal zijn, en het haar verdriet zou veroorzaken als gij dat deedt.”—“Dat zal ik nooit,” riep het kind uit.—“Dat weet ik ook wel,” antwoordde de dame; “ik kan u zoo goed vertrouwen als mij zelve. Ik vrees dan, Kaatje, dat Florence’s vader weinig om haar geeft, haar zeer zelden ziet, nooit in haar leven vriendelijk voor haar is geweest, en haar nu zelfs vermijdt en schuwt. Zij zou hem hartelijk liefhebben, als hij haar dat wilde toelaten; maar dat wil hij niet—schoon zij er geene schuld aan heeft; en alle zachte harten, moeten haar liefhebben en beklagen.”Nog meer van de bloemen, die Florence vasthield, vielen verstrooid over den grond; die zij nog overhield, waren nat, maar niet van den dauw; en haar gezichtje zonk geheel op hare beladene handen.“Arme Florence! Lieve, goede Florence!” riep het kind uit.—“Weet ge wel waarom ik u dit verteld heb, Kaatje?” zeide de dame.—“Omdat ik heel vriendelijk voor haar zou zijn, en mijn best doen om haar te believen. Is dat de reden, tante?”—“Gedeeltelijk,” zeide de dame, “maar niet geheel. Hoewel wij haar zoo opgeruimd zien, met een vriendelijk lachje voor iedereen, gereed om ons te believen, en aan alle vermaken en spelletjes deel te nemen, kan zij zich toch bezwaarlijk heel gelukkig gevoelen; denkt ge dat ook niet, Kaatje?”—“Ik vrees van neen,” zeide het meisje.—“En gij kunt wel begrijpen,” vervolgde de dame, “waarom het gezicht van kinderen, die ouders hebben die veel van hen houden, en trotsch op hen zijn—gelijk er juist veel hier zijn—haar in het geheim moet bedroeven?”—“Ja, lieve tante,” zeide het kind. “Dat begrijp ik heel wel. Arme Florence!”Nog meer bloemen werden over den grond gestrooid, en die zij nog vasthield beefden, alsof er een winterwind door ritselde.“Mijn Kaatje,” zeide de dame, wier stem zeer ernstig was, maar kalm en liefelijk, en op Florence, van het eerste oogenblik dat zij die stem hoorde af, denzelfden indruk gemaakt had, “van al de jongelieden hier zijt gij hare natuurlijke vriendin, die haar geen leed kan doen; gij geeft haar de onschuldige reden niet, die gelukkiger kinderen haar geven.”—“Er zijn geen gelukkiger, tante!” riep het meisje, dat haar scheen te omhelzen.—“Die andere kinderen haar geven, lieve Kaatje, om zich haar ongeluk te herinneren. Daarom moet gij, als gij haar vriendinnetje wilt zijn, te meer uw best doen om dat te worden en denken dat het verlies, dat u getroffen heeft—den hemel zij dank, voordat gij de zwaarte daarvan kondt kennen—u bij de arme Florence een voorrecht geeft.”—“Maar ik gevoel geen gemis van ouderliefde, tante, en dat heb ik nooit gedaan,” zeide het meisje, “zoolang ik bij u ben.”—“Hoe dat wezen mag, liefje,” antwoordde de dame, “uw ongeluk is lichter dan dat van Florence; want geene wees op de wijde wereld kan zoo verlaten zijn als het kind dat uit de liefde van een levend vader is verbannen.”De bloemen werden als stof over den grond gestrooid; de ledige handen bedekten het gezichtje; en de verweesde Florence, op den grond ineengedoken, schreide lang en bitter.Maar trouw van hart en moedig in haar goed voornemen, hield Florence zich daaraan vast gelijk hare stervende moeder zich aan haar had vastgehouden op den dag die Paul het leven gaf. Hij wist niet hoe lief zij hem had. Hoelang het ook duurde eer die tijd kwam, en hoe langzaam de tusschentijd mocht verloopen, zij moest eens haar vaders hart tot die kennis pogen te brengen. Ondertusschen moest zij zorgen om door geen onbedacht woord, of blik, of uitbarsting van gevoel, door eene toevallige omstandigheid veroorzaakt, tegen hem te klagen, of aanleiding te geven tot dit gefluister in zijn nadeel.Zelfs in haar omgang met het weesje, dat haar sterk aantrok en waaraan zij zooveel reden had om zich te herinneren, was Florence aan hem gedachtig. Als zij haar (dacht Florence) al te duidelijk boven de anderen uitkoos, zou zij—in één gemoed zeker, en misschien in meer—het geloof bevestigen, dat hij wreed en onnatuurlijk was. Haar eigen genot woog niet daartegen op. Wat zij beluisterd had was eene reden, niet om haar eigen leed te willen verzachten, maar om hem te sparen; en dit deed Florence en waakte over haar eigen hart.Dit deed zij altijd. Als er uit een boek werd voorgelezen, en er iets kwam dat op een hardvochtig vader doelde, smartte het haar dat dit op hem kon worden toegepast, niet dat het haar aan haar verdriet herinnerde. Zoo was het ook bij eene prent die vertoond, of een spelletje[173]dat onder de kinderen gespeeld werd. De aanleidingen tot zulk eene teedere bezorgdheid voor hem waren zoo talrijk, dat zij dikwijls twijfelde of het niet beter zou zijn naar het oude huis terug te keeren en daar eenzaam, maar ongestoord, te leven. Hoe weinigen, die de lieftallige Florence in haar lentetijd zagen, als het bescheiden koninginnetje dier kinderlijke feesten, verbeeldden zich welk een last van heilige zorg haar hart bezwaarde! Hoe weinigen, die, in den kouden atmospheer van haar vader bevrozen, vermoedden welk een hoop van vurige kolen er op zijn hoofd gestapeld werd!Florence bleef gestadig op haar doel bedacht, en daar het haar niet gelukte het geheim, dat zij zocht onder het jeugdige gezelschap in huis te vinden, ging zij dikwijls in den vroegen morgen alleen onder de kinderen der armen rondwandelen. Maar ook deze vond zij allen veel te ver gevorderd om van hen te kunnen leeren. Zij hadden hunne plaats in het ouderlijke huis reeds lang geleden gevonden, en stonden niet buiten, gelijk zij, met een slagboom voor de deur.Er was een man, dien zij meestal zeer vroeg aan het werk zag, dikwijls met een meisje van omtrent hare eigene jaren bij zich. Hij scheen zeer arm te zijn en geen vast beroep te hebben, maar zwierf nu bij laag water langs den oever der rivier, om in den modder te zoeken naar alles wat van eenige waarde was, werkte dan weder op een weinig belovend plekje gronds bij zijn hutje, lapte somtijds eene ellendige boot die hem toebehoorde, of deed een karreweitje van dien aard voor een buurman. Waaraan de man ook werkte, het meisje was nooit met iets bezig, maar bleef, als zij bij hem was, ledig en lusteloos zitten druilen.Florence had dikwijls verlangd om dien man aan te spreken, maar nog nooit den moed gehad om dit te doen, dewijl hij zelf geene aanleiding daartoe gaf. Maar op een ochtend toen zij onverwacht op hem aankwam, van een voetpad tusschen eenigeknotwilgen, dat op eene afhellende plek gronds uitliep, die tusschen zijne woning en het water lag, en waar hij gebogen stond over een vuur, dat hij had aangemaakt om de oude boot te kalfaten, die met den bodem omhoog daarbij lag, keek hij op, toen hij haar voetstap hoorde, en zeide haar goedenmorgen.“Goedenmorgen,” zeide Florence, nader komende. “Ge zijt al vroeg aan het werk.”—“Ik zou graag dikwijls nog vroeger aan het werk zijn, jufvrouw, als ik maar werk had.”—“Is dat dan zoo moeielijk te krijgen?” vroeg Florence.—“Dat ondervind ik,” antwoordde de man.Florence keek om naar de plek waar het meisje zat ineengedoken, met de ellebogen op de knieën en de kin tusschen de handen, en zeide:“Is dat uwe dochter?”Hij hief snel het hoofd op, en met een verhelderd gezicht naar het meisje omziende, knikte hij tegen haar en zeide: “Ja.”Florence groette haar vriendelijk; het meisje mompelde iets tot antwoord, norsch en stroef.“Heeft zij ook gebrek aan werk?” zeide Florence.De oude man schudde zijn hoofd. “Neen, jufvrouw,” zeide hij. “Ik werk voor allebei.”—“Zijt ge dan maar met u beiden?” vroeg Florence.—“Maar met ons beiden,” antwoordde de man. “Hare moeder is al tien jaren dood. Martha!” Hij hief weder het hoofd op en floot naar haar. “Spreekt ge niet eens tegen die lieve jonge dame?”Het meisje maakte eene beweging van ongeduld met hare ronde schouders en draaide haar gezicht naar een anderen kant. Leelijk, mismaakt, wrevelig, stompzinnig, haveloos, morsig—maar bemind! O, ja! Florence had haar vaders blik naar haar gezien, en zij wist wel naar wiens blik deze niet geleek.“Ik vrees dat zij van morgen weer erger is, mijne arme meid!” zeide de man, zijn werk stakende en zijn onbehaaglijk kind aanziende met een medelijden, dat wel ruw, maar daarom des te teerder was.“Is zij dan ziek?” zeide Florence.De man slaakte een zwaren zucht. “Ik geloof niet dat mijne Martha vijf korte dagen gezondheid gehad heeft,” antwoordde hij, nog naar haar ziende, “in even zooveel lange jaren.”—“Ja, en in nog langer tijd, John,” zeide een buurman, die hem aan de boot kwam helpen.—“Langer, zegt gij?” riep de ander uit, zijn versleten hoed achteroverduwende en met de hand over zijn voorhoofd strijkende. “Wel te denken. Het komt mij ook lang, heel lang voor.”—“En hoe langer het duurde,” vervolgde de buurman, “zooveel te meer hebt gij haar verwend en vertroeteld, John, tot zij een last voor zich zelve en ieder ander is geworden.”—“Voor mij niet,” zeide de vader, weder aan het werk gaande. “Voor mij niet.”Florence kon gevoelen—wie beter?—met hoeveel waarheid hij dit zeide. Zij kwam dicht naar hem toe, en had gaarne zijne ruwe hand willen vatten en hem danken voor zijne goedheid voor het ellendige voorwerp, dat hij met zoo geheel andere oogen beschouwde dan ieder ander. “Wie zou mijn arm kind verwennen en vertroetelen—om het zoo te noemen—als ik het niet deed?” zeide de vader.—“Ja, ja,” zeide de buurman. “Met redelijkheid, John. Maar gij—gij besteelt u zelven om haar te geven. Gij bindt u zelven om haar met handen en voeten vast. Gij maakt uw leven ellendig om haar. En wat geeftzijer om! Ik geloof niet eens dat zij er van weet.”De vader hief weder het hoofd op en floot[174]naar haar. Martha maakte wederom dezelfde beweging van ongeduld met hare schouders, en hij was vergenoegd en blijde.“Alleen om dat, jufvrouw,” zeide de buurman, met een glimlach, waarin meer geheime sympathie lag dan zijne woorden te kennen gaven, “alleen om dat te krijgen, laat hij haar nooit uit zijne oogen.”—“Omdat de dag komen zal, en al lang aan het komen is,” zeide de ander, laag over zijn werk bukkende, “dat ik om half zooveel van dat ongelukkige kind van mij te krijgen—om maar het trillen van een vinger, of het zwieren van een haar van haar te krijgen—de dooden zou moeten kunnen opwekken.”Florence legde zacht eenig geld dicht bij zijne hand op de oude boot, en ging heen.En nu begon Florence te denken of, indien zij ziek werd, indien zij ook verwelkte gelijk haar lieve broeder, hij dan zou begrijpen dat zij hem had liefgehad, of zij hem dan dierbaar zou worden; of hij dan aan haar bed zou komen, als zij zwak en flauw van gezicht was, en haar in zijne armen sluiten en al het verledene uitwisschen? Zou hij het haar dan vergeven, in dien veranderden toestand, dat zij niet in staat was geweest om haar kinderlijk hart voor hem open te leggen; zou het haar dan gemakkelijk worden hem te verhalen met welke aandoeningen zij dien nacht zijne kamer was uitgegaan, wat zij had willen zeggen, als zij er maar moed toe had gehad, en hoe zij naderhand gepoogd had te leeren wat zij in hare kindsheid nooit had geweten?Ja, dacht zij, als zij stervende was, zou hij week worden. Zij dacht, als zij daar lag, kalm en niet onwillig om te verscheiden, op het bed waarom de herinneringen van zijn dierbaren zoon nog zweefden, zou het zijn hart treffen en zou hij zeggen: “Lieve Florence, leef voor mij, en wij zullen elkander liefhebben gelijk wij hadden kunnen doen, en zoo gelukkig zijn als wij deze vele jaren hadden kunnen zijn!” Zij dacht, als zij zulke woorden van hem hoorde, en hare armen omhem heengeslagen had, zou zij met een glimlach kunnen antwoorden: “Het is te laat voor alles behalve dit en ik zou nooit gelukkiger kunnen zijn, lieve vader!” en hem zoo verlaten met eene zegenbede op de lippen.De gouden golfjes op den muur, die zij zich herinnerde, kwamen Florence, in het licht van zulke herinneringen, voor als een stroom die naar het gewest vloeide, waar de dierbaren, die haar vooruit waren gegaan, haar hand in hand stonden te wachten; en dikwijls wanneer zij naar de donkere rivier zag, die aan hare voeten kabbelde, dacht zij met plechtige verwondering, maar niet met schrik, aan de rivier, welke haar broeder zoo dikwijls had gezegd dat hem wegvoerde.De vader en zijne zieke dochter stonden Florence nog versch voor den geest; dat voorval was zelfs nog geene week oud, toen Sir Barnet en zijne vrouw, die op een namiddag gingen wandelen, haar voorstelden om mede te gaan. Daar Florence gewillig toestemde, gelastte Lady Skettles, als iets dat van zelf sprak, den jongen Barnet om haar te geleiden; want niets was voor Lady Skettles zulk een genot, dan haar oudsten zoon met Florence aan den arm te zien.Barnet, om de waarheid te zeggen, scheen geheel anders over de zaak te denken, en liet zich bij zulke gelegenheden dikwijls hoorbaar, schoon onbepaald, over een troep meiden uit. Daar het echter niet gemakkelijk was haar zacht humeur te bederven, verzoende Florence doorgaans den jongen heer na eenige weinige minuten met zijn lot, en wandelden zij danvriendschappelijkmet elkander voort, terwijl Lady Skettles en Sir Barnet, uiterst vergenoegd en tevreden, achteraankwamen.Zoo ging het ook op den bedoelden namiddag, en het was Florence bijna gelukt Skettles Junior zijne grieven voor het oogenblik te doen vergeten, toen er een heer te paard voorbijreed, die hem ernstig aanzag, de teugels aanhield, omkeerde, en met den hoed in de hand kwam terugrijden.Deze heer had inzonderheid naar Florence gezien, en toen het kleine gezelschap bleef stilstaan, boog hij voor haar, eer hij Sir Barnet en zijne dame groette. Florence herinnerde zich niet hem ooit gezien te hebben, maar toen hij haar nabij kwam, trad zij met onwillekeurigen schrik achteruit.“Mijn paard is heel mak, durf ik u verzekeren,” zeide hij.Dit was het niet, maar iets in dien heer zelven—zij had niet kunnen zeggen wat—dat Florence deed terugschrikken, alsof haar iets gestoken had.“Ik heb de eer jufvrouw Dombey aan te spreken, geloof ik?” zeide hij, met een glimlach die innemend moest wezen. Toen Florence daarop antwoordde door haar hoofd te buigen, vervolgde hij: “Mijn naam is Carker. Ik kan niet wel hopen dat jufvrouw Dombey zich iets van mij zal herinneren, behalve mijn naam. Carker.”Florence, die, schoon het een warme dag was, eene zonderlinge neiging gevoelde om te huiveren, presenteerde hem aan haar gastheer en gastvrouw, door welke hij zeer vriendelijk ontvangen werd.“Ik verzoek duizendmaal verschooning,” zeide Carker. “Maar ik ga morgen naar mijnheer Dombey teLeamington, en als jufvrouw Dombey mij eene of andere commissie wil opdragen, behoef ik dan te zeggen hoezeervereerd ik zal zijn?”[175]Sir Barnet, dadelijk radende dat Florence een brief aan haar vader zou willen schrijven, stelde voor om terug te keeren, en verzocht Carker om mede naar huis te komen en zoo in zijn rijcostuum te blijven dineeren. Carker had het ongeluk van reeds zijn woord voor een diner te hebben gegeven, maar als jufvrouw Dombey verlangde te schrijven, zou niets hem meer streelen dan met hen terug te rijden en als haar trouwe slaaf te wachten zoolang het haar beliefde. Toen hij dit met zijn breedsten glimlach gezegd had, en dicht naar Florence bukte om zijn paard op den hals te kloppen, ontmoette zij zijn blik en zag hem—veeleer dan dat zij hoorde—zeggen: “Er is geene tijding van het schip!”Verschrikt, verlegen, voor hem huiverende, en zelfs niet zeker dat hij deze woorden gezegd had, (want hij scheen ze haar op eene buitengewone manier in zijn glimlach te laten lezen, in plaats van ze te spreken), zeide Florence flauw dat zij hem wel verplicht was, maar niet zou schrijven: zij had niets te zeggen.“Niets te zenden, jufvrouw Dombey?” zeide de man van tanden.—“Niets,” zeide Florence, “dan mijne—mijne hartelijke liefde—als het u belieft.”Ontsteld als Florence was, sloeg zij hare oogen met een smeekenden blik vol uitdrukking naar hem op, die hem bad—indien hij wist, gelijk hij duidelijk deed, dat eene boodschap, maar deze vooral, iets ongewoons tusschen haar en haar vader was—om haar te sparen. Carker antwoordde met een glimlach en eene diepe buiging, en nadat hij met de vriendelijkste complimenten van Sir Barnet en Lady Skettles was belast, nam hij afscheid en reed heen, op dit waardige paar een zeer gunstigen indruk nalatende. Toen hij heenreed, werd Florence door zulk eene huivering bevangen, dat Sir Barnet, op het volksbijgeloof doelende, meende dat er iemand over haar graf ging. Carker, die juist een hoek omsloeg, keek om, hoog, en verdween, alsof hij recht naar het kerkhof reed, om dit te doen.
Sir Barnet en Lady Skettles, zeer goede menschen, woonden op een aardig buitentje bijFulham, aan den oever van den Teems, dat allerliefst gelegen was om een wedstrijd van roeivaartuigen aan te zien, maar anders eenige kleine onaangenaamheden had, waaronder men rekenen kon dat de rivier somtijds in het salon verscheen, en dan gelijktijdig het grasperk en het heesterplantsoen verdwenen.
Sir Barnet Skettles duidde het gewicht van zijn persoon voornamelijk aan door eene antieke gouden snuifdoos, en een grooten zijden zakdoek, welken hij gewoon was met bijzondere statigheid uit zijn zak te halen, alsof het eene banier was, en met beide handen te gelijk te gebruiken. Sir Barnet’s levensdoel was den kring zijner bekenden bestendig uit te breiden. Evenals bij een steen, die in het water valt—zonder zulk een deftig man door zulk eene vergelijking te willen verkleinen—lag het in den aard der zaken, dat Sir Barnet een zich altijd vergrootenden kring om zich heen moest verbreiden, tot er geene plaats meer over was. Of, gelijk een klank in de lucht, waarvan de trilling, volgens de gedachten van een schrander natuurkundige, zich voor eeuwig door de eindelooze ruimte kan voortzetten, kon niets anders dan eene volslagene onmogelijkheid Sir Barnet Skettles stuiten in zijne ontdekkingsreis door het heelal der samenleving.
Sir Barnet was er trotsch op om andere menschen met andere menschen bekend te maken. Dit was reeds op zich zelf een vermaak voor hem, en het bevorderde ook zijn geliefkoosd doel. Bij voorbeeld, als Sir Barnet het geluk had om een onervaren jongmensch, of een landedelman machtig te worden en naar zijn buitentje te lokken, zeide hij gewoonlijk des morgens na zijne komst: “Wel, mijnheer, is er nu ook iemand met wien gij gaarne zoudt willen kennis maken? Wie is er dien gij gaarne eens zoudt willen zien? Interesseert gij u voor menschen, die schrijven, of schilderen, of op het tooneel zijn, of iets van dien aard?” Mogelijk antwoordde de patiënt van ja, en noemde iemand, dien Sir Barnet even weinig kende als Pompejus den Groote. Sir Barnet antwoordde evenwel, dat niets op de wereld gemakkelijker was, daar hij hem heel wel kende, ging terstond den genoemden een bezoek brengen, liet zijn kaartje, schreef een briefje:—“Waarde heer—last die uwe uitstekende positie medebrengt—bij mij gelogeerde vriend natuurlijk verlangend—Lady Skettles en ik zelf evenzeer—vertrouwende, dat het genie zich boven kleine bedenkelijkheden verheft, zult gij ons wel de uitnemende eer willen bewijzen om ons het genoegen te geven, enz., enz.,”—en sloeg aldus twee vliegen met één klap, mors dood.
Met de snuifdoos en de banier in volle kracht, stelde Sir Barnet Florence, op den eersten morgen van haar verblijf, zijne gewone vraag voor. Toen Florence hem bedankte en zeide dat er niemand was, wien zij bijzonder wenschte te zien, was het natuurlijk dat zij met harteleed aan den armen Walter dacht. Toen Sir Barnet, zijn vriendelijk voorstel aandringende, zeide: “Lieve jufvrouw Dombey, zijt gij wel zeker dat gij u niemand herinnert, dien uw goede papa—wien ik u verzoek de beleefdste complimenten van Lady Skettles en mij zelven te doen, als gij schrijft—zou wenschen dat gij mede bekend werdt?” was het misschien even natuurlijk dat haar hoofdje een weinig zakte en hare stem beefde, toen zij met eene zachte ontkenning antwoordde.
Skettles junior, met eene veel stijvere das dan voorheen, en lang zoo wild niet meer, was voor de vacantie thuis, en scheen zich zeer verongelijkt te achten door de bezorgdheid zijner uitnemende moeder, dat hij zich voor Florence beleefd en oplettend zou toonen. Een ander en grooter onrecht dat de ziel van den jongen Barnet kwelde, was het gezelschap van doctor Blimber en zijne gade, die onder het ouderlijke dak te logeeren waren gevraagd, en van welke de jonge heer dikwijls zeide te wenschen, dat zij liever in het peperland zaten.
“Is er ook iemand, dien gij u bedenken kunt, doctor Blimber?” zeide Sir Barnet, zich naar dien heer keerende.—“Ge zijt wel vriendelijk, Sir Barnet,” antwoordde de doctor. “Ik weet waarlijk niet, dat er iemand in het bijzonder is. Ik ken gaarne mijne medemenschen in het algemeen, Sir Barnet. Wat zegt Terentius? Iedereen, die vader en zoon is, is interessant voor mij.”—“Heeft mevrouw Blimber ook verlangen om een of ander merkwaardig persoon te zien?” vroeg Sir Barnet beleefd.
Mevrouw Blimber antwoordde met een vriendelijk lachje, en hare hemelsblauwe muts schuddende, dat, indien Sir Barnet haar metCicerobekend had kunnen maken, zij hem wel lastig had willen vallen; maar daar zulk eene introductie ondoenlijk was, en zij reeds zijne vriendschap en die van zijne beminnelijke echtgenoot bezat, en met den doctor haar man hun gemeenschappelijk vertrouwen ten aanzien van hun dierbaren zoon genoot—hier zag men den jongen Barnet zijn neus ophalen—zij niets meer verlangde.
Sir Barnet moest zich dus wel vooreerst met het daar verzamelde gezelschap vergenoegen. Florence verheugde zich daarover; want zij had onder dit gezelschap iets te zoeken, dat haar te gewichtig was en te nauw aan[171]het hart lag, om voor iets anders achter te staan.
Er waren eenige kinderen in huis gelogeerd—kinderen die met vader en moeder even gemeenzaam en vroolijk waren, als die met de blozende gezichtjes aan den overkant van haar huis—kinderen die hunne liefde geen bedwang oplegden, maar vrij vertoonden. Florence zocht hun geheim te leeren; zocht te ontdekken wat het was dat zij miste; welke eenvoudige kunst die kinderen kenden en zij niet kende; hoe zij van hen kon leeren haar vader te toonen dat zij hem liefhad, en zijne liefde terug te winnen.
Menigen dag sloeg Florence die kinderen nadenkend gade. Op menigen helderen morgen verliet zij haar bed zoodra de zon opging, en wandelde, eer zich in huis iemand begon te roeren, langs den overkant heen en weder, om naar de vensters hunner kamers op te zien, en aan hen te denken, die daar sliepen, zoo bemind en zoo liefderijk verzorgd. Florence gevoelde zich dan eenzamer, dan toen zij in het groote huis geheel alleen was, en dacht somtijds dat zij beter daar was dan hier, en dat zij vergenoegder was wanneer zij zich schuilhield, dan wanneer zij met anderen van hare jaren verkeerde en bevond hoezeer zij van hen allen verschilde. Maar met den vasten wil om dat geheim te bestudeeren, schoon ieder blad, dat zij in het moeielijke boek omsloeg, haar nieuw harteleed gaf, bleef Florence daar en poogde met geduldige hoop de kennis te verwerven, waarnaar zij smachtte.
O, hoe zou zij die verwerven! Hoe ontdekken waar men moest beginnen! Er waren daar dochters, die des morgens opstonden en des avonds het hoofd neerlegden, reeds in het volle bezit van het vaderlijke hart. Zij behoefden geen tegenzin te overwinnen, geene koelheid te vreezen, geen donker gezicht te doen ophelderen. Als het later in den ochtend werd, en de vensters een voor een geopend werden, en de dauw op het gras en de bloemen begon te drogen, en jeugdige voetjes over het grasperk huppelden, dacht Florence, in het rond, naar de vroolijke gezichtjes ziende, wat zij toch van die kinderen zou kunnen leeren. Het was te laat om van hen te leeren. Ieder kon onbevreesd haar vader naderen, hare lipjes opsteken om zijn kus te beantwoorden, en haar arm om zijn hals slaan, die zich boog om haar te liefkoozen. Zij kon niet beginnen met zoo stout te zijn. O, kon het wezen, dat er minder hoop was naarmate zij meer leerde?
Zij herinnerde zich, dat zelfs de oude vrouw, die haar gestolen had toen zij een klein kind was—wier beeld en wier huis, en al wat zij gezegd en gedaan had, in haar geheugen waren geprent, met de scherpheid en vastheid van een vreeselijken indruk in den vroegsten tijd van het leven—met teederheid van hare dochter had gesproken, en hoe schrikkelijk zij hare smart over hare hopelooze scheiding van haar kind had uitgeschreeuwd. Maar hare eigene moeder, dacht zij dan weder, als zij zich dit herinnerde, had haar ook liefgehad. En als hare gedachten dan snel naar de gapende kloof tusschen haar en haar vader terugkeerden, beefde Florence somtijds en rolden haar de tranen over de wangen, als zij zich verbeeldde hoe hare moeder in leven had kunnen blijven, en misschien ook een afkeer van haar krijgen, omdat het haar ontbrak aan dat onbekende talent, dat haar vaders hart had moeten winnen, maar van hare wieg af nooit gedaan had. Zij wist, dat deze inbeelding de nagedachtenis harer moeder onrecht deed en geheel ongegrond was; en toch was zij zoo verlangend om hem te rechtvaardigen, en al de schuld bij zich zelve te vinden, dat zij niet kon nalaten zich somtijds daaraan over te geven.
Onder de andere gasten kwam, kort na Florence, een bevallig meisje, twee of drie jaren jonger dan zij, dat ouderloos was, en door hare tante werd vergezeld, eene dame met grijs haar, die veel met Florence sprak, haar zeer gaarne (maar dit deden allen) des avonds hoorde zingen, en dan altijd met moederlijke belangstelling bij haar bleef zitten. Zij waren pas twee dagen daar in huis geweest, toen Florence op een warmen ochtend in een priëeltje in den tuin zat, door de takken heen peinzend naar een groepje op het grasperk ziende, en bezig met een bloemenkrans te vlechten voor een der kleintjes, dat het speelpopje en de lieveling der anderen was. Zoo gezeten, hoorde zij die dame en haar nichtje, welke dichtbij in een beschaduwd laantje op en neer wandelden, over haar zelve spreken.
“Is Florence eene wees evenals ik?” zeide het kind.—“Neen, liefje. Zij heeft geen moeder meer, maar haar vader leeft nog.”—“Is zij nu nog in den rouw over hare arme mama?” vroeg het kind snel.—“Neen, over haar eenigen broeder.”—“Heeft zij geen anderen broeder?”—“Neen.”—“En geene zuster?”—“Neen.”—“Dat spijt mij, dat spijt mij erg,” zeide het meisje.
Daar zij kort daarop bleven stilstaan om naar eenige bootjes te kijken en ondertusschen zwegen, ging Florence, die, toen zij haar naam hoorde, met hare bloemen was opgestaan, om de twee te gemoet te gaan en zich te vertoonen, weder zitten en vervolgde haar werk, daar zij nu niets meer dacht te zullen hooren; maar een oogenblik later werd het gesprek hervat.
“Florence is een gunsteling van iedereen hier, en verdient dat ook waarlijk wel te zijn,” zeide het kind ernstig. “Waar is haar papa?”
Na een oogenblik van stilte, antwoordde de tante, dat zij het niet wist. De klank harer stem[172]boeide Florence, die wederom was opgestaan, en hield haar op de plek vastgeworteld, terwijl zij haar werk met beide handen tegen hare borst drukte, opdat het niet op den grond zou vallen.
“Hij is toch inEngeland, hoop ik, tante?” zeide het kind.—“Dat geloof ik wel. Ja, ik weet het, dat hij in het land is.”—“Is hij nooit hier geweest?”—“Dat geloof ik niet. Neen.”—“Komt hij dan niet hier om haar te zien?”—“Ik geloof van neen.”—“Is hij dan lam, of blind, of ziek, tante?” vroeg het kind.
De bloemen, die Florence tegen hare borst hield, begonnen te vallen, toen zij dit met zooveel verwondering hoorde vragen. Zij hield ze vaster, en liet haar gezichtje er op neerzinken.
“Kaatje,” zeide de dame, na nog een oogenblik van stilzwijgen, “ik zal u de geheele waarheid van Florence vertellen, zooals ik ze gehoord heb, en geloof dat zij is. Vertel het niemand anders, liefje, omdat het hier misschien weinig bekend zal zijn, en het haar verdriet zou veroorzaken als gij dat deedt.”—“Dat zal ik nooit,” riep het kind uit.—“Dat weet ik ook wel,” antwoordde de dame; “ik kan u zoo goed vertrouwen als mij zelve. Ik vrees dan, Kaatje, dat Florence’s vader weinig om haar geeft, haar zeer zelden ziet, nooit in haar leven vriendelijk voor haar is geweest, en haar nu zelfs vermijdt en schuwt. Zij zou hem hartelijk liefhebben, als hij haar dat wilde toelaten; maar dat wil hij niet—schoon zij er geene schuld aan heeft; en alle zachte harten, moeten haar liefhebben en beklagen.”
Nog meer van de bloemen, die Florence vasthield, vielen verstrooid over den grond; die zij nog overhield, waren nat, maar niet van den dauw; en haar gezichtje zonk geheel op hare beladene handen.
“Arme Florence! Lieve, goede Florence!” riep het kind uit.—“Weet ge wel waarom ik u dit verteld heb, Kaatje?” zeide de dame.—“Omdat ik heel vriendelijk voor haar zou zijn, en mijn best doen om haar te believen. Is dat de reden, tante?”—“Gedeeltelijk,” zeide de dame, “maar niet geheel. Hoewel wij haar zoo opgeruimd zien, met een vriendelijk lachje voor iedereen, gereed om ons te believen, en aan alle vermaken en spelletjes deel te nemen, kan zij zich toch bezwaarlijk heel gelukkig gevoelen; denkt ge dat ook niet, Kaatje?”—“Ik vrees van neen,” zeide het meisje.—“En gij kunt wel begrijpen,” vervolgde de dame, “waarom het gezicht van kinderen, die ouders hebben die veel van hen houden, en trotsch op hen zijn—gelijk er juist veel hier zijn—haar in het geheim moet bedroeven?”—“Ja, lieve tante,” zeide het kind. “Dat begrijp ik heel wel. Arme Florence!”
Nog meer bloemen werden over den grond gestrooid, en die zij nog vasthield beefden, alsof er een winterwind door ritselde.
“Mijn Kaatje,” zeide de dame, wier stem zeer ernstig was, maar kalm en liefelijk, en op Florence, van het eerste oogenblik dat zij die stem hoorde af, denzelfden indruk gemaakt had, “van al de jongelieden hier zijt gij hare natuurlijke vriendin, die haar geen leed kan doen; gij geeft haar de onschuldige reden niet, die gelukkiger kinderen haar geven.”—“Er zijn geen gelukkiger, tante!” riep het meisje, dat haar scheen te omhelzen.—“Die andere kinderen haar geven, lieve Kaatje, om zich haar ongeluk te herinneren. Daarom moet gij, als gij haar vriendinnetje wilt zijn, te meer uw best doen om dat te worden en denken dat het verlies, dat u getroffen heeft—den hemel zij dank, voordat gij de zwaarte daarvan kondt kennen—u bij de arme Florence een voorrecht geeft.”—“Maar ik gevoel geen gemis van ouderliefde, tante, en dat heb ik nooit gedaan,” zeide het meisje, “zoolang ik bij u ben.”—“Hoe dat wezen mag, liefje,” antwoordde de dame, “uw ongeluk is lichter dan dat van Florence; want geene wees op de wijde wereld kan zoo verlaten zijn als het kind dat uit de liefde van een levend vader is verbannen.”
De bloemen werden als stof over den grond gestrooid; de ledige handen bedekten het gezichtje; en de verweesde Florence, op den grond ineengedoken, schreide lang en bitter.
Maar trouw van hart en moedig in haar goed voornemen, hield Florence zich daaraan vast gelijk hare stervende moeder zich aan haar had vastgehouden op den dag die Paul het leven gaf. Hij wist niet hoe lief zij hem had. Hoelang het ook duurde eer die tijd kwam, en hoe langzaam de tusschentijd mocht verloopen, zij moest eens haar vaders hart tot die kennis pogen te brengen. Ondertusschen moest zij zorgen om door geen onbedacht woord, of blik, of uitbarsting van gevoel, door eene toevallige omstandigheid veroorzaakt, tegen hem te klagen, of aanleiding te geven tot dit gefluister in zijn nadeel.
Zelfs in haar omgang met het weesje, dat haar sterk aantrok en waaraan zij zooveel reden had om zich te herinneren, was Florence aan hem gedachtig. Als zij haar (dacht Florence) al te duidelijk boven de anderen uitkoos, zou zij—in één gemoed zeker, en misschien in meer—het geloof bevestigen, dat hij wreed en onnatuurlijk was. Haar eigen genot woog niet daartegen op. Wat zij beluisterd had was eene reden, niet om haar eigen leed te willen verzachten, maar om hem te sparen; en dit deed Florence en waakte over haar eigen hart.
Dit deed zij altijd. Als er uit een boek werd voorgelezen, en er iets kwam dat op een hardvochtig vader doelde, smartte het haar dat dit op hem kon worden toegepast, niet dat het haar aan haar verdriet herinnerde. Zoo was het ook bij eene prent die vertoond, of een spelletje[173]dat onder de kinderen gespeeld werd. De aanleidingen tot zulk eene teedere bezorgdheid voor hem waren zoo talrijk, dat zij dikwijls twijfelde of het niet beter zou zijn naar het oude huis terug te keeren en daar eenzaam, maar ongestoord, te leven. Hoe weinigen, die de lieftallige Florence in haar lentetijd zagen, als het bescheiden koninginnetje dier kinderlijke feesten, verbeeldden zich welk een last van heilige zorg haar hart bezwaarde! Hoe weinigen, die, in den kouden atmospheer van haar vader bevrozen, vermoedden welk een hoop van vurige kolen er op zijn hoofd gestapeld werd!
Florence bleef gestadig op haar doel bedacht, en daar het haar niet gelukte het geheim, dat zij zocht onder het jeugdige gezelschap in huis te vinden, ging zij dikwijls in den vroegen morgen alleen onder de kinderen der armen rondwandelen. Maar ook deze vond zij allen veel te ver gevorderd om van hen te kunnen leeren. Zij hadden hunne plaats in het ouderlijke huis reeds lang geleden gevonden, en stonden niet buiten, gelijk zij, met een slagboom voor de deur.
Er was een man, dien zij meestal zeer vroeg aan het werk zag, dikwijls met een meisje van omtrent hare eigene jaren bij zich. Hij scheen zeer arm te zijn en geen vast beroep te hebben, maar zwierf nu bij laag water langs den oever der rivier, om in den modder te zoeken naar alles wat van eenige waarde was, werkte dan weder op een weinig belovend plekje gronds bij zijn hutje, lapte somtijds eene ellendige boot die hem toebehoorde, of deed een karreweitje van dien aard voor een buurman. Waaraan de man ook werkte, het meisje was nooit met iets bezig, maar bleef, als zij bij hem was, ledig en lusteloos zitten druilen.
Florence had dikwijls verlangd om dien man aan te spreken, maar nog nooit den moed gehad om dit te doen, dewijl hij zelf geene aanleiding daartoe gaf. Maar op een ochtend toen zij onverwacht op hem aankwam, van een voetpad tusschen eenigeknotwilgen, dat op eene afhellende plek gronds uitliep, die tusschen zijne woning en het water lag, en waar hij gebogen stond over een vuur, dat hij had aangemaakt om de oude boot te kalfaten, die met den bodem omhoog daarbij lag, keek hij op, toen hij haar voetstap hoorde, en zeide haar goedenmorgen.
“Goedenmorgen,” zeide Florence, nader komende. “Ge zijt al vroeg aan het werk.”—“Ik zou graag dikwijls nog vroeger aan het werk zijn, jufvrouw, als ik maar werk had.”—“Is dat dan zoo moeielijk te krijgen?” vroeg Florence.—“Dat ondervind ik,” antwoordde de man.
Florence keek om naar de plek waar het meisje zat ineengedoken, met de ellebogen op de knieën en de kin tusschen de handen, en zeide:
“Is dat uwe dochter?”
Hij hief snel het hoofd op, en met een verhelderd gezicht naar het meisje omziende, knikte hij tegen haar en zeide: “Ja.”
Florence groette haar vriendelijk; het meisje mompelde iets tot antwoord, norsch en stroef.
“Heeft zij ook gebrek aan werk?” zeide Florence.
De oude man schudde zijn hoofd. “Neen, jufvrouw,” zeide hij. “Ik werk voor allebei.”—“Zijt ge dan maar met u beiden?” vroeg Florence.—“Maar met ons beiden,” antwoordde de man. “Hare moeder is al tien jaren dood. Martha!” Hij hief weder het hoofd op en floot naar haar. “Spreekt ge niet eens tegen die lieve jonge dame?”
Het meisje maakte eene beweging van ongeduld met hare ronde schouders en draaide haar gezicht naar een anderen kant. Leelijk, mismaakt, wrevelig, stompzinnig, haveloos, morsig—maar bemind! O, ja! Florence had haar vaders blik naar haar gezien, en zij wist wel naar wiens blik deze niet geleek.
“Ik vrees dat zij van morgen weer erger is, mijne arme meid!” zeide de man, zijn werk stakende en zijn onbehaaglijk kind aanziende met een medelijden, dat wel ruw, maar daarom des te teerder was.
“Is zij dan ziek?” zeide Florence.
De man slaakte een zwaren zucht. “Ik geloof niet dat mijne Martha vijf korte dagen gezondheid gehad heeft,” antwoordde hij, nog naar haar ziende, “in even zooveel lange jaren.”—“Ja, en in nog langer tijd, John,” zeide een buurman, die hem aan de boot kwam helpen.—“Langer, zegt gij?” riep de ander uit, zijn versleten hoed achteroverduwende en met de hand over zijn voorhoofd strijkende. “Wel te denken. Het komt mij ook lang, heel lang voor.”—“En hoe langer het duurde,” vervolgde de buurman, “zooveel te meer hebt gij haar verwend en vertroeteld, John, tot zij een last voor zich zelve en ieder ander is geworden.”—“Voor mij niet,” zeide de vader, weder aan het werk gaande. “Voor mij niet.”
Florence kon gevoelen—wie beter?—met hoeveel waarheid hij dit zeide. Zij kwam dicht naar hem toe, en had gaarne zijne ruwe hand willen vatten en hem danken voor zijne goedheid voor het ellendige voorwerp, dat hij met zoo geheel andere oogen beschouwde dan ieder ander. “Wie zou mijn arm kind verwennen en vertroetelen—om het zoo te noemen—als ik het niet deed?” zeide de vader.—“Ja, ja,” zeide de buurman. “Met redelijkheid, John. Maar gij—gij besteelt u zelven om haar te geven. Gij bindt u zelven om haar met handen en voeten vast. Gij maakt uw leven ellendig om haar. En wat geeftzijer om! Ik geloof niet eens dat zij er van weet.”
De vader hief weder het hoofd op en floot[174]naar haar. Martha maakte wederom dezelfde beweging van ongeduld met hare schouders, en hij was vergenoegd en blijde.
“Alleen om dat, jufvrouw,” zeide de buurman, met een glimlach, waarin meer geheime sympathie lag dan zijne woorden te kennen gaven, “alleen om dat te krijgen, laat hij haar nooit uit zijne oogen.”—“Omdat de dag komen zal, en al lang aan het komen is,” zeide de ander, laag over zijn werk bukkende, “dat ik om half zooveel van dat ongelukkige kind van mij te krijgen—om maar het trillen van een vinger, of het zwieren van een haar van haar te krijgen—de dooden zou moeten kunnen opwekken.”
Florence legde zacht eenig geld dicht bij zijne hand op de oude boot, en ging heen.
En nu begon Florence te denken of, indien zij ziek werd, indien zij ook verwelkte gelijk haar lieve broeder, hij dan zou begrijpen dat zij hem had liefgehad, of zij hem dan dierbaar zou worden; of hij dan aan haar bed zou komen, als zij zwak en flauw van gezicht was, en haar in zijne armen sluiten en al het verledene uitwisschen? Zou hij het haar dan vergeven, in dien veranderden toestand, dat zij niet in staat was geweest om haar kinderlijk hart voor hem open te leggen; zou het haar dan gemakkelijk worden hem te verhalen met welke aandoeningen zij dien nacht zijne kamer was uitgegaan, wat zij had willen zeggen, als zij er maar moed toe had gehad, en hoe zij naderhand gepoogd had te leeren wat zij in hare kindsheid nooit had geweten?
Ja, dacht zij, als zij stervende was, zou hij week worden. Zij dacht, als zij daar lag, kalm en niet onwillig om te verscheiden, op het bed waarom de herinneringen van zijn dierbaren zoon nog zweefden, zou het zijn hart treffen en zou hij zeggen: “Lieve Florence, leef voor mij, en wij zullen elkander liefhebben gelijk wij hadden kunnen doen, en zoo gelukkig zijn als wij deze vele jaren hadden kunnen zijn!” Zij dacht, als zij zulke woorden van hem hoorde, en hare armen omhem heengeslagen had, zou zij met een glimlach kunnen antwoorden: “Het is te laat voor alles behalve dit en ik zou nooit gelukkiger kunnen zijn, lieve vader!” en hem zoo verlaten met eene zegenbede op de lippen.
De gouden golfjes op den muur, die zij zich herinnerde, kwamen Florence, in het licht van zulke herinneringen, voor als een stroom die naar het gewest vloeide, waar de dierbaren, die haar vooruit waren gegaan, haar hand in hand stonden te wachten; en dikwijls wanneer zij naar de donkere rivier zag, die aan hare voeten kabbelde, dacht zij met plechtige verwondering, maar niet met schrik, aan de rivier, welke haar broeder zoo dikwijls had gezegd dat hem wegvoerde.
De vader en zijne zieke dochter stonden Florence nog versch voor den geest; dat voorval was zelfs nog geene week oud, toen Sir Barnet en zijne vrouw, die op een namiddag gingen wandelen, haar voorstelden om mede te gaan. Daar Florence gewillig toestemde, gelastte Lady Skettles, als iets dat van zelf sprak, den jongen Barnet om haar te geleiden; want niets was voor Lady Skettles zulk een genot, dan haar oudsten zoon met Florence aan den arm te zien.
Barnet, om de waarheid te zeggen, scheen geheel anders over de zaak te denken, en liet zich bij zulke gelegenheden dikwijls hoorbaar, schoon onbepaald, over een troep meiden uit. Daar het echter niet gemakkelijk was haar zacht humeur te bederven, verzoende Florence doorgaans den jongen heer na eenige weinige minuten met zijn lot, en wandelden zij danvriendschappelijkmet elkander voort, terwijl Lady Skettles en Sir Barnet, uiterst vergenoegd en tevreden, achteraankwamen.
Zoo ging het ook op den bedoelden namiddag, en het was Florence bijna gelukt Skettles Junior zijne grieven voor het oogenblik te doen vergeten, toen er een heer te paard voorbijreed, die hem ernstig aanzag, de teugels aanhield, omkeerde, en met den hoed in de hand kwam terugrijden.
Deze heer had inzonderheid naar Florence gezien, en toen het kleine gezelschap bleef stilstaan, boog hij voor haar, eer hij Sir Barnet en zijne dame groette. Florence herinnerde zich niet hem ooit gezien te hebben, maar toen hij haar nabij kwam, trad zij met onwillekeurigen schrik achteruit.
“Mijn paard is heel mak, durf ik u verzekeren,” zeide hij.
Dit was het niet, maar iets in dien heer zelven—zij had niet kunnen zeggen wat—dat Florence deed terugschrikken, alsof haar iets gestoken had.
“Ik heb de eer jufvrouw Dombey aan te spreken, geloof ik?” zeide hij, met een glimlach die innemend moest wezen. Toen Florence daarop antwoordde door haar hoofd te buigen, vervolgde hij: “Mijn naam is Carker. Ik kan niet wel hopen dat jufvrouw Dombey zich iets van mij zal herinneren, behalve mijn naam. Carker.”
Florence, die, schoon het een warme dag was, eene zonderlinge neiging gevoelde om te huiveren, presenteerde hem aan haar gastheer en gastvrouw, door welke hij zeer vriendelijk ontvangen werd.
“Ik verzoek duizendmaal verschooning,” zeide Carker. “Maar ik ga morgen naar mijnheer Dombey teLeamington, en als jufvrouw Dombey mij eene of andere commissie wil opdragen, behoef ik dan te zeggen hoezeervereerd ik zal zijn?”[175]
Sir Barnet, dadelijk radende dat Florence een brief aan haar vader zou willen schrijven, stelde voor om terug te keeren, en verzocht Carker om mede naar huis te komen en zoo in zijn rijcostuum te blijven dineeren. Carker had het ongeluk van reeds zijn woord voor een diner te hebben gegeven, maar als jufvrouw Dombey verlangde te schrijven, zou niets hem meer streelen dan met hen terug te rijden en als haar trouwe slaaf te wachten zoolang het haar beliefde. Toen hij dit met zijn breedsten glimlach gezegd had, en dicht naar Florence bukte om zijn paard op den hals te kloppen, ontmoette zij zijn blik en zag hem—veeleer dan dat zij hoorde—zeggen: “Er is geene tijding van het schip!”
Verschrikt, verlegen, voor hem huiverende, en zelfs niet zeker dat hij deze woorden gezegd had, (want hij scheen ze haar op eene buitengewone manier in zijn glimlach te laten lezen, in plaats van ze te spreken), zeide Florence flauw dat zij hem wel verplicht was, maar niet zou schrijven: zij had niets te zeggen.
“Niets te zenden, jufvrouw Dombey?” zeide de man van tanden.—“Niets,” zeide Florence, “dan mijne—mijne hartelijke liefde—als het u belieft.”
Ontsteld als Florence was, sloeg zij hare oogen met een smeekenden blik vol uitdrukking naar hem op, die hem bad—indien hij wist, gelijk hij duidelijk deed, dat eene boodschap, maar deze vooral, iets ongewoons tusschen haar en haar vader was—om haar te sparen. Carker antwoordde met een glimlach en eene diepe buiging, en nadat hij met de vriendelijkste complimenten van Sir Barnet en Lady Skettles was belast, nam hij afscheid en reed heen, op dit waardige paar een zeer gunstigen indruk nalatende. Toen hij heenreed, werd Florence door zulk eene huivering bevangen, dat Sir Barnet, op het volksbijgeloof doelende, meende dat er iemand over haar graf ging. Carker, die juist een hoek omsloeg, keek om, hoog, en verdween, alsof hij recht naar het kerkhof reed, om dit te doen.