[Inhoud]XXVII.DONKERDER SCHADUWEN.Carker de chef stond met den leeuwerik op en ging in den zomerochtendstond uit wandelen. Zijn gepeins—en hij peinsde al voortkuierende met saamgetrokken wenkbrauwen—scheen niet zoo hoog als de leeuwerik te zweven, of die richting te nemen; het bleef integendeel dicht bij de aarde en wroette daar tusschen stof en wormen. Maar er was geen onzichtbaar zingende vogel in de lucht, verder buiten bereik van ieder menschelijk oog dan Carker’s gedachten. Hij had zijn gezicht zoo volmaakt onder bedwang, dat weinigen van zijne uitdrukking meer bepaalds konden zeggen dan dat het lachte of peinsde. Het peinsde nu met inspanning. Naarmate de leeuwerik hooger steeg verzonk hij in dieper gedachten. Naarmate de leeuwerik zijn gezang helderder uitgalmde, werd zijn stilzwijgen strakker en ernstiger. Eindelijk, toen de leeuwerik, met verdubbeld geschal, naar beneden kwam duiken en dicht bij hem in het groene koren neerviel, dat in het ochtendkoeltje als eene rivier golfde, ontwaakte hij uit zijn gemijmer en keek eensklaps met een glimlach rond, zoo beleefd en vriendelijk alsof hij een aantal opmerkers met zich te verzoenen had. Ook vergat hij zich, aldus gewekt, niet weder, maar streek zijn gezicht glad, als bedacht hij zich dat het anders rimpels zou kunnen krijgen en geheimen verklappen, en kuierde, als tot oefening, al glimlachend voort.Misschien was het dewijl hij wist hoeveel van een eersten indruk afhangt, dat Carker dien ochtend bijzonder net en zorgvuldig gekleed was. Schoon altijd eenigszins stijf in zijne kleeding, in navolging van den grooten man wien hij diende, ging hij echter niet zoover als Dombey’s stijfheid; misschien te gelijk omdat hij wel wist dat deze belachelijk was, als omdat hij daardoor wederom een middel vond om zijne bewustheid van het verschil en den afstand tusschen hen aan te duiden. Sommige menschen noemden hem in dit opzicht een paskwil op zijn bevrozen patroon, maar de wereld is zeer genegen om iets verkeerd uit te leggen, en Carker was niet voor die slechte neiging verantwoordelijk.Zoo net en proper, blozend en welgedaan, met een voorzichtigen stap, die het gras nog zachter scheen te maken, kuierde Carker de chef door de weiden, en gleed hij tusschen het groene geboomte door, tot het tijd werd om te gaan ontbijten. Toen omkeerende om een naderen weg terug te nemen, zeide hij hardop: “Nu om de tweede mevrouw Dombey te gaan zien!”“Ga maar naar haar toe!” (blz. 189)“Ga maar naar haar toe!”(blz. 189)[188]Hij was om de stad heengedwaald en naderde deze weder langs eene wandelplaats, door zwaar[189]geboomte beschaduwd, en waar hier en daar banken stonden voor hen die verkozen te rusten. Daar deze plaats nooit druk bezocht werd, en op dat stille morgenuur er zeer eenzaam en verlaten uitzag, meende Carker geheel alleen te zijn, en kreeg het dus in zijn hoofd—daar hij nog twintig minuten tijd had voor een weg, dien hij gemakkelijk in tien kon afleggen—om geen pad te volgen, maar slingerend tusschen de dikke stammen der boomen heen te gaan, voor den eenen heen en achter den anderen om, als het ware een net van voetstappen over het bedauwde gras vlechtende.Hij bevond dat hij zich vergist had met te denken, dat er niemand in dit boschje was, want toen hij zachtjes om den stam van een grooten boom heenstapte, met een bast zoo ruw en knobbelig als de huid van een rhinoceros, zag hij onverwacht eene gedaante op eene bank dichtbij zitten, welke hij een oogenblik later in zijn net zou hebben ingevlochten.Het was eene dame, zeer elegant en kostbaar gekleed, welker donkere, trotsche oogen op den grond gevestigd waren, en in wier binnenste een of andere hartstocht scheen te woelen. Want terwijl zij daar zoo zat, had zij een hoek harer onderlip tusschen hare tanden getrokken, zwoegde hare borst en trilden hare neusgaten, beefde haar hoofd, rolden er tranen van verontwaardiging over hare wangen, en was haar voet op het mos gedrukt alsof zij het tot niet had willen stampen. En toch zag hij bijna met denzelfden blik, waarmede hij dit opmerkte, dezelfde dame opstaan met eene houding van lustelooze verveling, en zich omkeeren met een gezicht waarop niets anders dan koude schoonheid en hooghartige minachting te zien waren.Eene gerimpelde, leelijke oude vrouw, gekleed niet zoozeer als eene heidin, dan als behoorde zij tot dat gemengde ras van vagebonden, die bedelend, stelend, ketellappend en biezen vlechtend het land afloopen, had insgelijks deze dame gadegeslagen; want toen zij opstond, krabbelde deze tweede gedaante—zulk een zonderling contrast met de eerste—van den grond op (scheen bijna daaruit op te rijzen) en trad haar in den weg.“Laat ik u eens uw fortuin voorzeggen, mooie dame,” zeide het oude wijf, met hare kaken mommelende alsof het doodshoofd onder hare gele huid ongeduldig was om er uit te komen.—“Dat kan ik zelve wel doen,” was het antwoord.—“Ja, ja, mooie dame, maar niet recht. Gij hebt het niet recht gedaan toen gij daar zat. Ik heb u wel gezien. Geef mij een stuk zilver, mooie dame, en ik zal u waarzeggen. Er is rijkdom, mooie dame, in uw gezicht.”—“Dat weet ik wel,” antwoordde de dame, haar met een donkeren glimlach en een trotschen tred voorbijgaande. “Dat wist ik te voren al.”—“Wat, wilt ge mij niets geven?” riep het oude wijf. “Gij wilt mij niets geven om u te zeggen wat ik weet, mooie dame? Hoeveel wilt ge mij dan geven om hetniette zeggen? Geef mij wat, of ik zal het u naschreeuwen!” kraste het oude wijf kwaadaardig.Carker, achter den boom, dien de dame juist wilde voorbijgaan om op het pad te komen, kwam vooruit, zoodat hij haar moest ontmoeten, nam in het voorbijgaan zijn hoed af, en beval het oude wijf om zich stil te houden. De dame dankte voor zijne tusschenkomst door even haar hoofd te buigen en ging haars weegs.“Geef gij mij dan wat, of ik zal het haar naschreeuwen,” gilde het oude wijf, tegen zijn uitgestrekten arm inloopende. “Of kom,” vervolgde zij, en liet eensklaps hare stem dalen, zag hem ernstig aan en scheen in een oogenblik het voorwerp harer gramschap te vergeten, “geef mij wat, of ik zal het u naschreeuwen.”—“Mijnaschreeuwen, moedertje!” antwoordde Carker, de hand in den zak stekende.—“Ja,” zeide het wijf, hem nog strak aanziende en hare verschrompelde hand uitstekende. “Ik weet veel.”—“Wat weet gij dan?” zeide Carker, haar een schelling toewerpende. “Weet gij wie die mooie dame is?”Al mommelend en met een boosaardigen schelen blik raapte het oude wijf den schelling op, en ging toen achteruit als eene krab, of liever als een geheele hoop krabben, want hare handen, met de kromme zich beurtelings sluitende en openende vingers, hadden er twee kunnen voorstellen, en haar verwrongen gezicht nog een aantal meer. Zij liet zich op den knoestigen wortel van een boom neerzakken, haalde een kort, zwart pijpje uit den bol van haar hoed, stak het met een vuurslag aan en ging stil zitten rooken, altijd nog den vrager aanziende.Carker lachte en draaide zich luchtig om.“Goed!” zeide het oude wijf. “Een kind dood, en een kind in leven; eene vrouw dood, en eene vrouw op zicht. Ga maar naar haar toe!”Carker kon niet nalaten om te kijken en te blijven staan. Het wijf had haar pijpje niet uit den mond genomen, en mompelde terwijl zij rookte, alsof zij met een onzichtbaren gedienstigen in gesprek was, terwijl zij met haar vinger in de richting wees die hij ging.“Wat hebt gij daar gezegd, oude heks?” zeide hij.Het wijf bleef mommelen, snateren en rooken, en nog met haar vinger wijzen, maar gaf geen antwoord. Een lang niet vleienden afscheidsgroet mompelende ging Carker heen, maar toen hij in de verte nog eens omkeek, zag hij het wijf nog met haar vinger wijzen, en meende hij haar nog te hooren schreeuwen: “Ga maar naar haar toe!”In het logement vond hij een keurig ontbijt gereed, waarbij Dombey en de majoor op de[190]dames zaten te wachten. Zoo iets hangt zeker grootendeels van iemands gestel af, maar in dit geval was de eetlust sterker dan de liefde; want Dombey was zeer koel en bedaard en de majoor zeer ongeduldig. Eindelijk werd de deur door den inboorling geopend, en na eene poos wachtens, daardoor veroorzaakt, dat zij zoo kwijnend langzaam den gang doorkwam, verscheen eene zeer blozende, maar niet zeer jeugdige dame.“Mijn beste mijnheer Dombey,” zeide de dame, “ik vrees dat wij laat komen; maar Edith is al uit geweest om naar een fraai gelegen plekje voor eene schets te zoeken, en heeft mij naar haar laten wachten. Valschaard van een majoor,” hem haar pink gevende; “hoe gaat het u?”—“Mevrouw Skewton,” zeide Dombey, “laat ik mijn vriend Carker het genoegen mogen geven om hem u te presenteeren.” Onwillekeurig legde hij een nadruk op het woord “vriend,” als wilde hij zeggen “ik weet wel dat ik hem veel eer bewijs met die onderscheiding.”—“Gij hebt mij wel van mijnheer Carker hooren spreken.”—“O, ik ben waarlijk gecharmeerd,” zeide mevrouw Skewton zeer vriendelijk.Carker was natuurlijk ook gecharmeerd—zou, ter wille van Dombey, nog meer gecharmeerd zijn geweest, als mevrouw Skewton (gelijk hij eerst dacht) de Edith geweest was, op welke hij den vorigen avond had gedronken.“Maar waar om ’s hemels wil blijft Edith toch!” riep mevrouw Skewton uit. “Nog aan de deur om Withers te beduiden waarbij die teekeningen moet brengen om op te zetten! Lieve mijnheer Dombey, wilt gij wel zoo goed zijn—”Dombey was haar reeds gaan zoeken. Een oogenblik later kwam hij terug, met de schoone elegant gekleede dame aan den arm, welke Carker onder het geboomte had ontmoet.“Carker—” begon Dombey. Maar hunne wederzijdsche herkenning was zoo duidelijk, dat hij verwonderd bleef steken.—“Ik ben mijnheer verplicht,” zeide Edith, met eene statige buiging, “dat hij mij daar straks van den overlast van eene bedelaarster heeft bevrijd.”Terwijl haar oog even op hem rustte en toen naar den grond werd geslagen, zag hij in dien helderen, uitvorschenden blik een vermoeden, dat hij niet pas op het oogenblik zijner tusschenkomst was aangekomen, maar haar reeds vroeger had waargenomen. Terwijl hij dit zag, zag zij inzijnoog dat haar wantrouwen niet ongegrond was.“Waarlijk,” zeide mevrouw Skewton, die deze gelegenheid had waargenomen om Carker door haar lorgnet te inspecteeren, en zich overtuigd had (gelijk zij den majoor hoorbaar toefluisterde) dat hij een allerliefst, hartelijk man was. “Waarlijk, dat is zulk eene charmante toevalligheid als ik ooit gehoord heb. Lieve Edith, er is zulk eene zichtbare bestemming van het noodlot in, dat iemand waarlijk haast de armen kruiselings over haar fichu zou leggen en zeggen, evenals die gruwelijke Turken, er is geen, ge weet wel, dan, ge weet wel, en die met zijn raren naam is zijn profeet.”Edith verwaardigde zich niet om iets over deze buitengewone aanhaling uit den Koran te zeggen, maar Dombey achtte het noodig eenige beleefde aanmerkingen te bieden.“Het doet mij groot genoegen,” zeide hij met stijve galanterie, “dat een heer, die in zulke nauwe betrekking met mij staat als Carker, de eer en het geluk mocht hebben om mevrouw Granger den geringsten dienst te bewijzen.” Daarbij boog hij voor haar. “Maar het spijt mij eenigszins en het geeft mij waarlijk aanleiding om op Carker wangunstig te zijn,” onwillekeurig legde hij een nadruk op deze woorden, als bewust dat zij zeer bevreemdend moesten schijnen, “dat ik niet zelf die eer en dat geluk mocht hebben.” Hij boog zich wederom, Edith bleef roerloos behalve dat hare lip eenigszins krulde.—“Waarachtig, mijnheer,” riep de majoor uit, op het gezicht van den knecht, die kwam zeggen dat het ontbijt gereed was, eensklaps zijne spraak herkrijgende, “het komt mij zeer wonderlijk voor dat niemand de eer en het geluk kan hebben om zulke bedelaarsters door den kop te schieten, zonder dat hem dat kwalijk zou genomen worden. Maar hier is een arm voor mevrouw Granger, als zij J. B. de eer wil geven om dien te nemen, en de grootste dienst, dien Joe u nu kan bewijzen, mevrouw, is u naar de tafel te brengen.”Daarmede gaf de majoor Edith zijn arm; Dombey ging met mevrouw Skewton vooruit; Carker kwam achteraan en zag het gezelschap glimlachend na.“Ik ben waarlijk opgetogen, mijnheer Carker,” zeide de mama, onder het ontbijt, nadat zij hem nog eens goedkeurend door haar lorgnet had bekeken, “dat uw bezoek juist zoo gelukkig treft, dat gij vandaag met ons kunt medegaan. Het zal een charmant toertje zijn.”—“Ieder toertje zou in zulk een gezelschap charmant wezen,” antwoordde Carker; “maar ik geloof dat dit op zich zelf zeer interessant is.”—“O,” zeide mevrouw Skewton, met een flauw gilletje van verrukking, “het kasteel is betooverend—vol herinneringen uit de middeleeuwen en dat alles—dat zoo aandoenlijk is. Houdt gij ook niet veel van de middeleeuwen, mijnheer Carker?”—“Bijzonder,” antwoordde Carker.—“Zulk een verrukkelijke tijd!” riep Cleopatra uit. “Zoo hartelijk en natuurlijk! Zoo schilderachtig! Zoo ver boven al het alledaagsche! Och, dat men ons in dezen akeligen tijd wat meer van de poëzie des levens wilde laten houden.”Mevrouw Skewton lette, terwijl zij dit zeide, scherp op Dombey, die naar Edith zag, welke, zonder hare oogen op te slaan, zat te luisteren.“Wij zijn verschrikkelijk aan de prozaïsche[191]werkelijkheid gebonden, niet waar, mijnheer Carker?” zeide mevrouw Skewton.Weinig menschen hadden minder over een gebonden zijn aan de werkelijkheid te klagen dan Cleopatra, die zooveel valsche eigenschappen en sieraden had, dat men bijna niets werkelijks meer aan haar zag. Carker beklaagde haar evenwel en bekende dat zij het in dat opzicht zeer hard hadden.“Schilderijen op het kasteel—goddelijk!” zeide Cleopatra. “Ik hoop dat gij ook veel van schilderijen houdt?”—“Ik verzeker u, mevrouw Skewton,” zeide Dombey, om zijn dienaar eene plechtige aanmoediging te geven, “dat Carker zeer veel smaak voor schilderijen heeft; een natuurlijk talent om ze te beoordeelen. Hij is zelf een zeer knap teekenaar. Hij zal opgetogen zijn, houd ik mij verzekerd, over mevrouw Granger’s smaak en bekwaamheid.”—“Verduiveld, mijnheer,” riep majoor Bagstock uit, “ik ben van gedachten dat gij een mirakel van knapheid zijt, en alles kunt.”—“O, majoor,” zeide Carker met glimlachende nederigheid, “ge zijt veel te goed. Ik kan maar zeer weinig. Maar mijnheer Dombey is zoo mild in het prijzen van alle beuzelachtige talenten, die iemand als ik zich bijna noodzakelijk moet eigen maken, en waarboven hij, in zijne positie, ver verheven is, dat …” Hij haalde zijne schouders op, als om te verzoeken van meerderen lof verschoond te blijven, en sprak niet verder.Al dien tijd sloeg Edith hare oogen niet op, dan om somtijds even naar hare moeder te zien, wanneer deze hare geestdrift lucht gaf. Maar toen Carker zweeg, zag zij Dombey voor een oogenblik aan. Voor een oogenblik slechts, maar met eene uitdrukking van verwondering en minachting, welke voor een opmerker, die glimlachend de tafel rondkeek, niet verloren ging.Dombey zag haar hare oogen weder neerslaan en poogde hare aandacht opnieuw te trekken.“Ge zijt ongelukkig al dikwijls naarWarwickgeweest?” zeide hij.—“Verscheidene malen.”—“Het toertje zal dus vervelend voor u zijn, vrees ik?”—“O neen, geheel niet.”—“Ja, daarin gelijkt ge naar uw neef Feenix, lieve Edith,” liet mevrouw Skewton hierop volgen. “Hij is zeker wel vijftigmaal naar het kasteel vanWarwickgeweest, en toch, als hij morgen teLeamingtonkwam—dat ik wel wenschte—zou hij het overmorgen zijne een en vijftigste visite brengen.”—“Wij hebben allen zooveel enthusiasme, niet waar, mama?” zeide Edith met een kouden glimlach.—“Al te veel voor de rust van onze ziel misschien, melieve,” antwoordde hare moeder, “maar wij willen niet klagen. Onze eigene aandoeningen zijn onze belooning. Misschien verslijt, gelijk uw neef Feenix zegt, de degen de—hoe is het ook weer?”—“De scheede, misschien,” zeide Edith.—“O ja—wat al te gauw, maar dat is omdat hij zoo gloeiend scherp en blinkend is, weet ge wel, liefje.”Mevrouw Skewton slaakte een zuchtje, dat de houten kling moest gelden waarvan hare teergevoelige borst de scheede was, liet à la Cleopatra haar hoofd op zijde hangen, en zag haar geliefd kind met peinzende genegenheid aan.Edith had, toen Dombey haar aansprak, haar gezicht naar hem toegekeerd, en was in die houding gebleven, terwijl zij tot hare moeder en hare moeder tot haar sprak, alsof zij hem hare oplettendheid aanbood, als hij nog iets te zeggen had. De manier, waarop zij deze eenvoudige beleefdheid bewees, had bijna iets uitdagends, iets alsof zij die gedwongen en tegen haar zin bewees, en dit ging wederom niet verloren voor den opmerker, die glimlachend de tafel rondkeek. Het deed hem aan haar denken gelijk hij haar het eerst had gezien, toen zij geloofde dat zij tusschen het geboomte alleen was.Daar Dombey niets anders te zeggen had, en het ontbijt nu was afgeloopen—de majoor was opgepropt als een boa constrictor—deed hij het voorstel om te vertrekken. Er stond eene barouche te wachten. De twee dames, de majoor en Dombey namen daarin plaats; de inboorling en de bleeke page klommen op den bok, Towlinson bleef achter, en Carker reed te paard mede.Carker bleef op den geheelenriteen eind achter het rijtuig, en beloerde het alsof hij werkelijk eene kat, en de vier, die er inzaten, muizen waren. Hetzij hij naar den eenen kant van den weg of naar den anderen keek—over het uitgebreide landschap met zacht golvende heuvelen, windmolens, korenvelden, weiden, wilde bloemen, boerenwoningen, hooibergen en kerktorens—of omhoog in de zonnige lucht, waar de vlindertjes om zijn hoofd fladderden en de vogelen hunne liederen uitgalmden—of naar beneden, waar de schaduwen der takken zich samenvlochten en een geschakeerd tapijt over den grond weefden—of vooruit, waar het overhangende geboomte gewelven en bogen vormde en slechts eene zachte schemering door het loofdak drong—altijd hield hij één oog schuins op het stijf opgerichte hoofd van Dombey gericht, dat naar hem was toegekeerd, en op de veder, die zoo sierlijk, maar zoo smadelijk tusschen hen inhing, en toonde dat de trotsche oogleden niet werden opgeslagen. Slechts eenmaal liet zijn loerende blik die voorwerpen los, en dat was toen een sprong over eene lage heg en een galop door een veld het hem mogelijk maakten om het rijtuig voor te komen, en aan het eind van den tocht gereed te staan om de dames er uit te helpen. Toen, en toen alleen, ontmoette hij, in hare eerste verrassing, haar blik, maar toen hij haar, bij het afstappen,[192]met zijne zachte witte hand aanraakte, scheen zij hem weder geheel niet te zien.Mevrouw Skewton was er op gesteld om Carker bij zich te houden en hem de schoonheden van het kasteel te laten zien. Zij wilde zijn arm hebben en dien van den majoor ook. Het zou dat onverbeterlijke schepsel, dat op het punt van poëzie een ongeloovig barbaar was, goeddoen in zulk gezelschap te wezen. Deze schikking liet Dombey toevallig vrijheid om Edith te geleiden, hetgeen hij dan ook deed, met statige deftigheid vooruit door de vertrekken stappende.“Die lieve oude tijd, mijnheer Carker,” zeide Cleopatra, “met zijne heerlijke kasteelen, en die aardige oude gevangenissen, en die verrukkelijke pijnkelders, en die romaneske wraakoefeningen, en die schilderachtige gevechten en belegeringen, en alles dat het leven zoo bekoorlijk maakt! Hoe vreeselijk zijn wij toch verbasterd!”—“Ja, wij zijn jammerlijk achteruitgegaan,” zeide Carker.Het eigenaardige van hun gesprek bestond daarin, dat mevrouw Skewton in spijt van hare verrukking, en Carker in spijt van zijne beleefdheid, beide scherp op Dombey en Edith acht gaven. Met al hun talent voor conversatie spraken zij dus tamelijk verstrooid en verward.“Wij hebben geen geloof meer,” zeide mevrouw Skewton, haar uitgedroogd oor naar voren keerende, want Dombey zeide juist iets tot Edith; “wij hebben geen geloof meer aan die goede oude baronnen, die zulke alleraardigste lieden waren—of aan die brave oude priesters, die zoo krijgshaftig waren—of zelfs in de dagen van die weergalooze koningin Elizabeth, daar aan den muur, die zulk een echt gouden tijd waren. Lieve vrouw! Zij nog hartelijk! En die charmante vader van haar! Ik hoop dat gij ook veel van Hendrik den achtste houdt?”—“Ik bewonder hem buitengemeen,” zeide Carker.—“Zoo rondborstig, niet waar?” riep mevrouw Skewton uit. “En zoo welgedaan! Zoo echt engelsch! En zulk een schilderachtig portret geeft hij, met zijne kleine, geknepene oogjes en zijne menschlievende kin!”—“O mevrouw,” zeide Carker, en bleef stilstaan, “als gij van schilderijen spreekt, daar hebt gij eene compositie! Welke galerij in de wereld kan er een pendant van toonen?”Terwijl de glimlachende geleider van mevrouw Skewton zoo sprak, wees hij door eene deur naar het midden van eene andere kamer waar Dombey en Edith stonden.Zij waren met elkander alleen, maar wisselden woord noch blik. Zoo bij elkander, arm in arm, scheen het dat zij verder van elkander gescheiden waren dan alsof zeeën tusschen hen stroomden. Er was zelfs een verschil in de trotschheid van die twee, dat hen nog verder van elkander verwijderde, dan wanneer de een het hoogmoedigste en de andere het nederigste schepsel op aarde was geweest. Hij, vol van zijne eigene waarde, onbuigzaam, stijf en stroef. Zij, schoon en bevallig, in buitengewone mate, maar onverschillig voor zich zelve en hem en alles in het rond, en met haar fieren trots hare eigene bekoorlijkheden smadende, alsof deze eene livrei waren, waarvan zij een afkeer had. Zoo slecht pasten zij bij elkander, zoo geweldig waren zij aan elkander geboeid met eene keten, die het ongelukkigste toeval had gesmeed, dat men zich had kunnen verbeelden dat de schilderijen aan de wanden van die onnatuurlijke vereeniging schrikten, en daarop met eigenaardige blijken van ongenoegen acht gaven. Ridders en krijgslieden zagen met dreigende verontwaardiging op hen neer. Een geestelijke veroordeelde, met opgehevene hand, de heiligschennis dat zulk een paar voor Gods altaar zou treden. Stille waters in landschappen, in welker diepte de zonneschijn spiegelde, vroegen of, als er geene betere uitkomst was, er geen verdrinken overschoot. Dieven, door de natuur tot vijanden gemaakt, verscheurden elkander, als een waarschuwend voorbeeld voor hen. Minnegoodjes en engeltjes namen verschrikt de vlucht, en de geschilderde geschiedenis van het martelaarschap kon geene zulke foltering vertoonen.Evenwel was mevrouw Skewton zoo opgetogen over het gezicht, waarop Carker hare aandacht vestigde, dat zij zich niet onthouden kon half luid te zeggen, hoe vol ziel en gevoel het was! Edith hoorde haar, zag om en kreeg van verontwaardiging een blos tot over het voorhoofd.“Mijne lieve Edith weet wel dat ik haar stond te bewonderen,” zeide Cleopatra, haar bijna schroomvallig met hare parasol op den rug tikkende. “Niet waar, liefje?”Wederom zag Carker den zielestrijd, waarvan hij tusschen het geboomte zoo onverwacht getuige was geweest. Wederom zag hij die trotsche onverschilligheid en lusteloosheid terugkomen en hare gemoedsbeweging als achter eene wolk verbergen.Zij sloeg hare oogen niet naar hem op, maar met eene kleine, gebiedende beweging daarvan scheen zij hare moeder te bevelen, om bij haar te komen. Mevrouw Skewton achtte het raadzaam dien wenk te verstaan, en met hare twee cavaliers snel nader komende, bleef zij van dien tijd af bij hare dochter.Carker, die nu niets meer had om zijne aandacht af te trekken, begon over de schilderijen te spreken, en wees de beste aan Dombey. Hij sprak met zijne gewone ongedwongene erkentenis van Dombey’s grootheid, en bewees hem hulde door zijn tooneelkijker voor hem op de rechte maat uit te schuiven, iets in den catalogus voor hem op te zoeken, zijn stok vast[193]te houden, en dergelijke. Deze diensten waren echter, om de waarheid te zeggen, niet zoozeer van Carker afkomstig als van Dombey zelven, die wel genegen was om zijn oppergezag te doen blijken, door op eene voor hem ongedwongene manier te zeggen: “Hier, Carker, wilt ge zoo goed zijn om mij eens te helpen?” hetgeen de glimlachende dienaar dan altijd met genoegen deed.“Een kind?” zeide Edith, haar aanziende. “Wanneer ben ik een kind geweest? Welke kindsheid hebt gij mij ooit gelaten?” (blz. 196).“Een kind?” zeide Edith, haar aanziende. “Wanneer ben ik een kind geweest? Welke kindsheid hebt gij mij ooit gelaten?”(blz. 196).Zij bezichtigden zoo de schilderijen, de muren, het kraaiennest, en zoo voort; en daar zij nu één gezelschap uitmaakten, en de majoor, die, zoolang zijne spijsvertering duurde, slaperig was, zich in de schaduw hield, werd Carker zeer spraakzaam en onderhoudend. Eerst richtte hij grootendeels het woord tot mevrouw Skewton, maar daar deze fijngevoelige dame, na het eerste kwartieruurs, zoo verrukt over de kunstwerken was, dat zij niets anders kon doen dan geeuwen (zij waren zulke volmaakte inspiratiën, merkte zij aan als eene reden voor dit blijk van verrukking) wijdde hij verder zijne opmerkzaamheid aan Dombey. Deze zeide weinig meer dan: “Wel waar, Carker,” of “inderdaad, Carker,” maar moedigde hem toch stilzwijgend aan om voort te gaan, en was bij zich zelven zeer tevreden over zijn gedrag, daar hij het zeer goed vond dat er iemand praatte en[194]meende dat zijne geestigheden, die als het ware eene bijzaak van het kantoor waren, mevrouw Granger misschien zouden amuseeren. Carker, die wel wist wat hij deed, nam nooit de vrijheid om die dame rechtstreeks aan te spreken: maar zij scheen toch te luisteren, hoewel zij hem nooit aanzag, en een paar malen, toen zijne eigenaardige nederigheid bijzonder uitkwam, vloog die schemering van een glimlach over haar gelaat, niet als een licht, maar als eene donkere, zwarte schaduw.ToenWarwick Castlezoo tamelijk, en de majoor geheel uitgeput was—om niet van mevrouw Skewton te spreken, wier eigenaardige blijken van genot zeer veelvuldig waren geworden, ging men weder naar het rijtuig, en reed men naar eenige der meest bewonderde gezichtspunten in den omtrek. Dombey merkte bij een daarvan metcomplimenteuzestatigheid aan, dat eene schets, hoe vluchtig ook, van de schoone hand van mevrouw Granger, eene aangename herinnering van een aangenamen dag voor hem zou zijn; hoewel hij voorzeker geene opzettelijke herinnering noodig zou hebben (hier maakte hij weder een van zijne buigingen) van iets dat hij altijd op hoogen prijs zou stellen. Withers, die Edith’s schetsboek onder den arm had, werd dadelijk door mevrouw Skewton geroepen om het aan te geven; en het rijtuig hield stil, opdat Edith de teekening zou kunnen maken, welke Dombey onder zijne schatten zou bewaren.“Maar ik vrees dat ik u te veel moeite verg,” zeide Dombey.—“O neen. Waarvan wenscht gij eene schets genomen te hebben?” antwoordde zij, zich naar hem toekeerende met dezelfde gedwongene oplettendheid als te voren.Met nog eene buiging, welke de stijfsel in zijne das deed kraken, verzocht Dombey dit aan de kunstenares te mogen overlaten.“Ik heb liever dat gij zelf kiest,” zeide Edith.—“Als wij dan zeiden hier vandaan,” hervatte Dombey. “Dit schijnt een goed punt te zijn, of—Carker, wat denkt gij?”Toevallig lag er op den voorgrond, niet ver van daar, een boschje, niet ongelijk aan dat waarin Carker des morgens zijn net van voetstappen had gevlochten, en met eene bank onder één boom, in plaatsing en uitzicht zeer gelijkende naar die, waar zijne wandeling was gestuit.“Zou ik mevrouw Granger in bedenking mogen geven,” zeide Carker, “dat daar een interessant—bijna een merkwaardig—oogpunt is.”Zij volgde de richting zijner karwats met hare oogen en sloeg ze toen snel naar zijn gezicht op. Dit was de tweede blik dien zij met elkander wisselden, en hij zou volkomen gelijk aan den eersten zijn geweest, als de uitdrukking niet nog duidelijker geweest was.“Zou dat u bevallen?” zeide Edith tot Dombey.—“Het zal mij bekoren,” was zijn antwoord.Het rijtuig reed dus naar de plek die Dombey zou bekoren; en zonder van hare plaats op te staan, opende Edith, met hare gewone trotsche onverschilligheid, haar schetsboek, en begon te teekenen.“Mijne potlooden zijn allen zonder punt,” zeide zij, ophoudende en ze naziende.—“O mag ik dan,” zeide Dombey. “Of Carker zal dat beter doen, hij verstaat die dingen. Carker, wees zoo goed om die potlooden eens voor mevrouw Granger na te zien.”Carker kwam met zijn paard dicht bij het portier aan mevrouw Granger’s kant, liet de teugels op den hals van het dier vallen, nam haar met een glimlach en eene buiging de potlooden uit de hand, en puntte ze, zoo in den zadel zittende, op zijn gemak aan. Dit gedaan hebbende, verzocht hij haar ze te mogen vasthouden en haar aan te geven naarmate zij ze noodig had. En zoo bleef Carker, onder vele loftuitingen op mevrouw Granger’s buitengemeen talent, inzonderheid voor boomen, vlak bij haar en keek naar de teekening terwijl zij die maakte; Dombey stond ondertusschen stijf rechtop in het rijtuig, als een hoogst fatsoenlijk spook, insgelijks toe te kijken, terwijl Cleopatra en de majoor dartelden gelijk twee stokoude duifjes hadden kunnen doen.“Zijt ge daarmede tevreden, of zal ik het nog wat meer afmaken?”Dombey verzocht er niets meer aan te doen; het was de volmaaktheid zelve.“Het is buitengemeen,” zeide Carker, bij dien lof al zijn tandvleesch toonende. “Ik had niet gedacht iets zoo schoons—en zoo ongewoons—te zullen zien.”Dit had op de teekenares niet minder dan op de teekening toepasselijk kunnen zijn; maar Carker’s gezicht was de openhartigheid zelve. En dit bleef het terwijl de teekening voor Dombey geborgen en het schetsboek weder ingepakt werd. Toen gaf hij de potlooden terug (die met eene geringe buiging tot dank voor zijne hulp, maar zonder hem aan te zien, werden aangenomen) hernam de teugels, liet het rijtuig voorbij en reed weder daarachter.Misschien dacht hij, terwijl hij reed, dat zelfs deze luchtige schets geteekend en aan den eigenaar overgegeven was, alsof zij bedongen en gekocht was. Misschien dacht hij, dat, hoewel zij zoo bereidvaardig in zijn verzoek had bewilligd, haar strak gezicht, over de teekening gebogen, of opgeheven naar de verwijderde voorwerpen die zij afbeeldde, het gezicht eener trotsche vrouw was, gedwongen om zich met iets laags en gemeens in te laten. Misschien dacht hij aan zulke dingen; maar zekerlijk glimlachte hij, en terwijl hij nog scheen rond te zien en de ruime lucht en de beweging te genieten, hield hij in de schuinte het rijtuig altijd scherp in het oog.[195]Eene wandeling tusschen de spookachtige ruïnen vanKenilworth, en nog eenige ritjes naar nog eenige gezichtspunten, waarvan Edith, gelijk mevrouw Skewton Dombey herinnerde, de meeste reeds had geteekend, gelijk hij gezien had toen hij hare teekeningen doorkeek, brachten den dag verder om. Men reed terug en bracht mevrouw Skewton en Edith naar hare woning. Carker werd door Cleopatra vriendelijk geïnviteerd om des avonds daar met Dombey en den majoor terug te komen, en wat muziek van Edith te hooren, en de drie heeren begaven zich naar hun logement om te dineeren.Het diner was het pendant van dat van gisteren, behalve dat de majoor vier en twintig uren meer triomfeerend en minder geheimzinnig was. Wederom werd er op Edith gedronken. Wederom was Dombey aangenaam verlegen, en Carker vol belangstelling en lof.Er was geen ander bezoek bij mevrouw Skewton. Edith’s teekeningen waren door de kamer verstrooid, wat rijkelijker dan gewoonlijk misschien; en Withers, de bleeke page, gaf wat sterker thee rond. Maar zelfs de muziek werd, als het ware, door Edith aan de orde van Dombey uitbetaald, met dezelfde stroeve promptheid. Aldus bij voorbeeld:“Edith, liefje,” zeide mevrouw Skewton, een half uur na de thee. “Mijnheer Dombey sterft van verlangen om u te hooren, weet ik.”—“Mijnheer Dombey heeft nog leven genoeg om dat zelf te zeggen, mama, twijfel ik niet.”—“Het zal mij ontzaglijk verplichten,” zeide Dombey.—“Wat verlangt gij?”—“Piano?” zeide Dombey aarzelend.—“Wat u belieft. Gij hebt maar te kiezen.”Zij begon dus met de piano. Eveneens was het met de harp; eveneens met de keus der stukken die zij zong en speelde. Zulk eene ijskoude en gedwongene, en toch vaardige en opzettelijk in het oogloopende bewilliging in de wenschen die hij haar oplegde, was opmerkelijk genoeg om onder al de afwisselingen van het piket-spel Carker’s aandacht te trekken. Ook ontging het hem niet dat Dombey blijkbaar trotsch was op zijne macht en die met zeker welbehagen toonde.Evenwel speelde Carker zoo goed—eenige partijen met den majoor en eenige met Cleopatra, welker waakzaamheid van oog ten aanzien van Dombey en Edith geen lynks had kunnen overtreffen—dat hij nog hooger in de gunst dier dame steeg, en dat, toen hij bij het afscheidnemen zijn leedwezen betuigde dat hij den volgenden morgen naarLondenmoest terugkeeren, Cleopatra, met eene overeenstemming van gevoel die men niet dagelijks aantreft, vertrouwde dat zij elkander lang niet voor de laatste maal zouden ontmoet hebben.“Dat hoop ik ook,” zeide Carker, met een veelbeteekenenden blik naar het paar op eenigen afstand, “en denk ik ook,” en volgde den majoor naar de deur.Dombey, die statig afscheid van Edith had genomen, boog zich eenigszins over Cleopatra’s sofa en zeide zacht:“Ik heb mevrouw Granger verlof gevraagd om haar morgenochtend nog eens te komen bezoeken—met een oogmerk—en zij heeft twaalf uur bepaald. Mag ik hopen om u naderhand thuis te vinden, mevrouw?”Cleopatra was zoodanig onthutst door het hooren van dit, natuurlijk onbegrijpelijke, gezegde, dat zij niets anders kon doen, dan hare oogen sluiten, haar hoofd schudden en Dombey hare hand geven, welke Dombey, niet recht wetende wat er mede te doen, liet vallen.“Kom toch voort, Dombey!” riep de majoor, de deur binnenkijkende. “Verduiveld, mijnheer, oude Joe heeft grooten lust om eene verandering in den naam van hetRoyal Hotelvoor te slaan, en dat het deDrie Vroolijke Vrijerszou moeten heeten, ter eere van ons zelven en Carker.” Daarbij klopte de majoor Dombey op den rug, lonkte over zijn schouder naar de dames, op het punt om eene beroerte te krijgen, naar het scheen, en ging met hem heen.Mevrouw Skewton bleef op hare sofa liggen rusten, en Edith bleef, een eind van haar af, stil bij hare harp zitten. De moeder speelde met haar waaier en keek tersluiks meer dan eens naar de dochter; maar de dochter, in somber gepeins verdiept, liet zich niet storen.Zoo bleven zij een eindeloos uur bij elkander, zonder een woord te spreken, tot mevrouw Skewton’s kamenier verscheen, om haar langzamerhand voor den nacht gereed te maken. Des avonds had die kamenier een geraamte moeten zijn met eene schicht en een zandlooper, want hare hand was als de hand van den dood. Het geblankette ding schrompelde onder die hand weg; de geheele gedaante zakte ineen, de haren vielen af, de donkere gebogene wenkbrauwen veranderden in ongeregelde plekjes grijs, de bleeke lippen krompen in, de huid werd slap en lijkkleurig, en in Cleopatra’s plaats bleef niets anders over dan een geel, afgeleefd oud bestje, gelijk een slordig gebonden pakje vuil goed in eene smerige flanellen japon gemoffeld.Zelfs de stem, die Edith aansprak toen zij weder alleen waren, was veranderd.“Waarom zegt ge mij niet,” zeide die stem scherp, “dat hij morgen met afspraak hier komt?”—“Omdat ge dat wel weet—moeder,” antwoordde Edith.Welk een spottenden nadruk legde zij op dat woord!“Gij weet wel dat hij mij gekocht heeft,”[196]hervatte zij, “of dat hij dat morgen doen zal. Hij heeft zijn koopje overlegd; hij heeft het zijn vriend laten zien; hij is er zelfs eenigszins grootsch op; hij denkt dat het hem wel zal bevallen en goedkoop genoeg te krijgen zal zijn; en morgen zal hij koopen. God, dat ik daarvoor geleefd heb, en dat ik het gevoel!”Vereenig in een schoon gelaat de bewuste zelfvernedering en de gloeiende verontwaardiging van honderd vrouwen, vol hartstocht en trots, en daar verborgen zij zich met twee blanke bevende armen.“Wat meent gij toch?” antwoordde de vergramde moeder. “Hebt gij niet van een kind af …”—“Een kind?” zeide Edith, haar aanziende. “Wanneer ben ik een kind geweest? Welke kindsheid hebt gij mij ooit gelaten? Ik was eene vrouw—baatzuchtig, listig, afgericht om de mannen strikken te spannen—eer ik mij zelve of u nog kende; eer ik zelfs het gemeene, ellendige doel begreep van elke nieuwe kunst die ik leerde. Gij hebt eene volwassene vrouw geboren. Zie haar aan. Zij is van avond in al haar glans.”En zoo sprekende gaf zij een slag op hare schoone borst, alsof zij zich zelve wilde neervellen.“Zie mij aan,” zeide zij, “die nooit geweten heb wat het is een eerlijk hart te hebben of liefde te gevoelen. Zie mij aan, geleerd om te kuipen en te intrigeeren als andere kinderen nog spelen, en in mijne jeugd—oud in geslepenheid—getrouwd met iemand voor wien ik niets anders gevoelde dan onverschilligheid. Zie mij aan, weduwe gebleven, toen hij stierf eer hij zijn erfgoed kreeg—een oordeel over u, en wel verdiend—en zeg mij wat sedert mijn leven, tien jaren lang, is geweest.”—“Wij hebben ons best gedaan om u weder goed te etablisseeren,” antwoordde hare moeder. “Dat is uw leven geweest. En nu is het zoover gelukt.”—“Er is geene slavin op de slavenmarkt, geen paard op de paardenmarkt, zoo ten toon gesteld en aangeboden en opgeveild en onderzocht en bekeken—moeder—als ik die tien schandelijke jaren geweest ben,” zeide Edith, met een gloeiend voorhoofd en denzelfden bitteren nadruk op dat eene woord. “Is het zoo niet? Ben ik niet tot een spot gemaakt voor allerlei mannen? Hebben gekken en lichtmissen, kwade jongens en oude suffers mij niet nageloopen, en mij een voor een afgekeurd en laten loopen, omdat gij met al uwe slimheid toch al te lomp waart, en al te oprecht, met al uwe valsche streken; tot wij bijna overal met spot en schande bekend zijn? Welke vrijpostigheid van bekijken en aanraken,” zeide zij met vlammende oogen, “heb ik niet moeten velen, bijna op de helft van al de plaatsen waar men inEngelandbijeenkomt? Ben ik niet hier en daar uitgestald en opgeveild, tot ik alle achting voor mij zelve heb verloren en van mij zelve walg? Is dat mijne late kindsheid geweest? Vroeger heb ik er geen gehad. Zeg mij niet dat ik er een gehad heb, van avond vooral niet!”—“Gij hadt ten minste al twintigmaal goed getrouwd kunnen zijn, Edith,” zeide hare moeder, “als ge maar aanmoediging genoeg hadt gegeven.”—“Neen! Wie mij neemt, uitschot dat ik ben en wel verdien te zijn,” antwoordde zij, haar hoofd opheffende en bevende van schaamte en trotsche verontwaardiging, “zal mij nemen, gelijk deze man doet, zonder dat ik eenige kunsten aanwend om hem te lokken. Hij ziet mij op de veiling en hij vindt goed mij te koopen. Laat hij! Toen hij kwam om mij te zien—misschien om te bieden—wilde hij de lijst van mijne talenten hebben. Ik gaf ze hem. Als hij wil dat ik er een van vertoon, om zijne lieden te laten zien dat hij een goeden koop doet, vraag ik hem wat hij verlangt vertoond te hebben, en vertoon het dan. Meer wil ik niet doen. Hij koopt uit eigene beweging en schat zelf de waarde van zijn koop en van zijn geld; en ik hoop dat hij nooit te leur gesteld zal zijn. Ik heb den koop niet geroemd en opgedrongen; dat hebt gij ook niet, zoover ik in staat ben geweest om het u te beletten.”—“Gij spreekt al zeer vreemd van avond, Edith, en dat tegen uwe eigene moeder.”—“Zoo komt het mij ook voor; mij nog vreemder dan u,” zeide Edith. “Maar mijne opvoeding is al lang geleden voltooid. Ik ben nu te oud en ben langzamerhand te laag gedaald, om een nieuwen weg in te slaan, en u op den uwen te stuiten. De kiem van alles wat het hart eener vrouw reinigt en het oprecht en goed maakt, is nooit in het mijne opgewekt, en als ik mij zelve veracht, heb ik niets meer om mij staande te houden.” Zij had eene aandoenlijke treurigheid in hare stem gehad, maar deze verdween weder, toen zij met opgekrulde bovenlip vervolgde: “Daar wij dus grootsch en arm zijn, ben ik er mede tevreden dat wij op die manier rijk worden. Al wat ik te zeggen heb is, dat ik het eenige voornemen getrouw ben gebleven, dat ik, met u bij mij, moeder, heb kunnen vormen, en dien man niet heb gelokt.”—“Dien man!” zeide hare moeder. “Gij spreekt haast alsof gij een haat tegen hem hadt.”—“En gij dacht dat ik hem liefhad, niet waar?” was haar antwoord. “Zal ik u zeggen,” hervatte zij, hare moeder strak aanziende, “wie ons reeds door en door kent en doorziet, en voor wien ik nog minder gevoel van eigenwaarde en zelfvertrouwen heb dan voor mij zelve, zoo vernederd als ik mij gevoel door de kennis die hij van mij heeft?”—“Dat is een uitval, moet ik denken,” antwoordde hare moeder koeltjes, “op dien armen, ongelukkigen, hoe heet hij ook weer—mijnheer Carker. Uw gebrek aan gevoel van eigenwaarde en zelfvertrouwen tegenover dien[197]persoon (dien ik een zeer innemend man vind, moet ik zeggen) zal u waarschijnlijk niet veel meer hinderen als gij eens geëtablisseerd zijt. Waarom ziet ge mij zoo strak aan? Zijt ge niet wel?”Edith’s gezicht betrok eensklaps, alsof zij door eene slang was gestoken, en terwijl zij hare handen voor hare oogen hield, liep er eene huivering door al hare leden. Dit was echter spoedig voorbij, en met haar gewonen tred ging zij de kamer uit.De kamenier, die een geraamte had moeten zijn, verscheen toen weder en gaf den eenen arm aan hare meesteres, die met hare valsche bekoorlijkheden ook al hare krachten scheen verloren, en met haar flanellen nachtgewaad eene verlamming scheen aangetrokken te hebben, zamelde de asch van Cleopatra bij elkander, nam deze in den anderen arm mede, en bracht beide weg, gereed voor eene kunstmatige opwekking des anderen daags.
[Inhoud]XXVII.DONKERDER SCHADUWEN.Carker de chef stond met den leeuwerik op en ging in den zomerochtendstond uit wandelen. Zijn gepeins—en hij peinsde al voortkuierende met saamgetrokken wenkbrauwen—scheen niet zoo hoog als de leeuwerik te zweven, of die richting te nemen; het bleef integendeel dicht bij de aarde en wroette daar tusschen stof en wormen. Maar er was geen onzichtbaar zingende vogel in de lucht, verder buiten bereik van ieder menschelijk oog dan Carker’s gedachten. Hij had zijn gezicht zoo volmaakt onder bedwang, dat weinigen van zijne uitdrukking meer bepaalds konden zeggen dan dat het lachte of peinsde. Het peinsde nu met inspanning. Naarmate de leeuwerik hooger steeg verzonk hij in dieper gedachten. Naarmate de leeuwerik zijn gezang helderder uitgalmde, werd zijn stilzwijgen strakker en ernstiger. Eindelijk, toen de leeuwerik, met verdubbeld geschal, naar beneden kwam duiken en dicht bij hem in het groene koren neerviel, dat in het ochtendkoeltje als eene rivier golfde, ontwaakte hij uit zijn gemijmer en keek eensklaps met een glimlach rond, zoo beleefd en vriendelijk alsof hij een aantal opmerkers met zich te verzoenen had. Ook vergat hij zich, aldus gewekt, niet weder, maar streek zijn gezicht glad, als bedacht hij zich dat het anders rimpels zou kunnen krijgen en geheimen verklappen, en kuierde, als tot oefening, al glimlachend voort.Misschien was het dewijl hij wist hoeveel van een eersten indruk afhangt, dat Carker dien ochtend bijzonder net en zorgvuldig gekleed was. Schoon altijd eenigszins stijf in zijne kleeding, in navolging van den grooten man wien hij diende, ging hij echter niet zoover als Dombey’s stijfheid; misschien te gelijk omdat hij wel wist dat deze belachelijk was, als omdat hij daardoor wederom een middel vond om zijne bewustheid van het verschil en den afstand tusschen hen aan te duiden. Sommige menschen noemden hem in dit opzicht een paskwil op zijn bevrozen patroon, maar de wereld is zeer genegen om iets verkeerd uit te leggen, en Carker was niet voor die slechte neiging verantwoordelijk.Zoo net en proper, blozend en welgedaan, met een voorzichtigen stap, die het gras nog zachter scheen te maken, kuierde Carker de chef door de weiden, en gleed hij tusschen het groene geboomte door, tot het tijd werd om te gaan ontbijten. Toen omkeerende om een naderen weg terug te nemen, zeide hij hardop: “Nu om de tweede mevrouw Dombey te gaan zien!”“Ga maar naar haar toe!” (blz. 189)“Ga maar naar haar toe!”(blz. 189)[188]Hij was om de stad heengedwaald en naderde deze weder langs eene wandelplaats, door zwaar[189]geboomte beschaduwd, en waar hier en daar banken stonden voor hen die verkozen te rusten. Daar deze plaats nooit druk bezocht werd, en op dat stille morgenuur er zeer eenzaam en verlaten uitzag, meende Carker geheel alleen te zijn, en kreeg het dus in zijn hoofd—daar hij nog twintig minuten tijd had voor een weg, dien hij gemakkelijk in tien kon afleggen—om geen pad te volgen, maar slingerend tusschen de dikke stammen der boomen heen te gaan, voor den eenen heen en achter den anderen om, als het ware een net van voetstappen over het bedauwde gras vlechtende.Hij bevond dat hij zich vergist had met te denken, dat er niemand in dit boschje was, want toen hij zachtjes om den stam van een grooten boom heenstapte, met een bast zoo ruw en knobbelig als de huid van een rhinoceros, zag hij onverwacht eene gedaante op eene bank dichtbij zitten, welke hij een oogenblik later in zijn net zou hebben ingevlochten.Het was eene dame, zeer elegant en kostbaar gekleed, welker donkere, trotsche oogen op den grond gevestigd waren, en in wier binnenste een of andere hartstocht scheen te woelen. Want terwijl zij daar zoo zat, had zij een hoek harer onderlip tusschen hare tanden getrokken, zwoegde hare borst en trilden hare neusgaten, beefde haar hoofd, rolden er tranen van verontwaardiging over hare wangen, en was haar voet op het mos gedrukt alsof zij het tot niet had willen stampen. En toch zag hij bijna met denzelfden blik, waarmede hij dit opmerkte, dezelfde dame opstaan met eene houding van lustelooze verveling, en zich omkeeren met een gezicht waarop niets anders dan koude schoonheid en hooghartige minachting te zien waren.Eene gerimpelde, leelijke oude vrouw, gekleed niet zoozeer als eene heidin, dan als behoorde zij tot dat gemengde ras van vagebonden, die bedelend, stelend, ketellappend en biezen vlechtend het land afloopen, had insgelijks deze dame gadegeslagen; want toen zij opstond, krabbelde deze tweede gedaante—zulk een zonderling contrast met de eerste—van den grond op (scheen bijna daaruit op te rijzen) en trad haar in den weg.“Laat ik u eens uw fortuin voorzeggen, mooie dame,” zeide het oude wijf, met hare kaken mommelende alsof het doodshoofd onder hare gele huid ongeduldig was om er uit te komen.—“Dat kan ik zelve wel doen,” was het antwoord.—“Ja, ja, mooie dame, maar niet recht. Gij hebt het niet recht gedaan toen gij daar zat. Ik heb u wel gezien. Geef mij een stuk zilver, mooie dame, en ik zal u waarzeggen. Er is rijkdom, mooie dame, in uw gezicht.”—“Dat weet ik wel,” antwoordde de dame, haar met een donkeren glimlach en een trotschen tred voorbijgaande. “Dat wist ik te voren al.”—“Wat, wilt ge mij niets geven?” riep het oude wijf. “Gij wilt mij niets geven om u te zeggen wat ik weet, mooie dame? Hoeveel wilt ge mij dan geven om hetniette zeggen? Geef mij wat, of ik zal het u naschreeuwen!” kraste het oude wijf kwaadaardig.Carker, achter den boom, dien de dame juist wilde voorbijgaan om op het pad te komen, kwam vooruit, zoodat hij haar moest ontmoeten, nam in het voorbijgaan zijn hoed af, en beval het oude wijf om zich stil te houden. De dame dankte voor zijne tusschenkomst door even haar hoofd te buigen en ging haars weegs.“Geef gij mij dan wat, of ik zal het haar naschreeuwen,” gilde het oude wijf, tegen zijn uitgestrekten arm inloopende. “Of kom,” vervolgde zij, en liet eensklaps hare stem dalen, zag hem ernstig aan en scheen in een oogenblik het voorwerp harer gramschap te vergeten, “geef mij wat, of ik zal het u naschreeuwen.”—“Mijnaschreeuwen, moedertje!” antwoordde Carker, de hand in den zak stekende.—“Ja,” zeide het wijf, hem nog strak aanziende en hare verschrompelde hand uitstekende. “Ik weet veel.”—“Wat weet gij dan?” zeide Carker, haar een schelling toewerpende. “Weet gij wie die mooie dame is?”Al mommelend en met een boosaardigen schelen blik raapte het oude wijf den schelling op, en ging toen achteruit als eene krab, of liever als een geheele hoop krabben, want hare handen, met de kromme zich beurtelings sluitende en openende vingers, hadden er twee kunnen voorstellen, en haar verwrongen gezicht nog een aantal meer. Zij liet zich op den knoestigen wortel van een boom neerzakken, haalde een kort, zwart pijpje uit den bol van haar hoed, stak het met een vuurslag aan en ging stil zitten rooken, altijd nog den vrager aanziende.Carker lachte en draaide zich luchtig om.“Goed!” zeide het oude wijf. “Een kind dood, en een kind in leven; eene vrouw dood, en eene vrouw op zicht. Ga maar naar haar toe!”Carker kon niet nalaten om te kijken en te blijven staan. Het wijf had haar pijpje niet uit den mond genomen, en mompelde terwijl zij rookte, alsof zij met een onzichtbaren gedienstigen in gesprek was, terwijl zij met haar vinger in de richting wees die hij ging.“Wat hebt gij daar gezegd, oude heks?” zeide hij.Het wijf bleef mommelen, snateren en rooken, en nog met haar vinger wijzen, maar gaf geen antwoord. Een lang niet vleienden afscheidsgroet mompelende ging Carker heen, maar toen hij in de verte nog eens omkeek, zag hij het wijf nog met haar vinger wijzen, en meende hij haar nog te hooren schreeuwen: “Ga maar naar haar toe!”In het logement vond hij een keurig ontbijt gereed, waarbij Dombey en de majoor op de[190]dames zaten te wachten. Zoo iets hangt zeker grootendeels van iemands gestel af, maar in dit geval was de eetlust sterker dan de liefde; want Dombey was zeer koel en bedaard en de majoor zeer ongeduldig. Eindelijk werd de deur door den inboorling geopend, en na eene poos wachtens, daardoor veroorzaakt, dat zij zoo kwijnend langzaam den gang doorkwam, verscheen eene zeer blozende, maar niet zeer jeugdige dame.“Mijn beste mijnheer Dombey,” zeide de dame, “ik vrees dat wij laat komen; maar Edith is al uit geweest om naar een fraai gelegen plekje voor eene schets te zoeken, en heeft mij naar haar laten wachten. Valschaard van een majoor,” hem haar pink gevende; “hoe gaat het u?”—“Mevrouw Skewton,” zeide Dombey, “laat ik mijn vriend Carker het genoegen mogen geven om hem u te presenteeren.” Onwillekeurig legde hij een nadruk op het woord “vriend,” als wilde hij zeggen “ik weet wel dat ik hem veel eer bewijs met die onderscheiding.”—“Gij hebt mij wel van mijnheer Carker hooren spreken.”—“O, ik ben waarlijk gecharmeerd,” zeide mevrouw Skewton zeer vriendelijk.Carker was natuurlijk ook gecharmeerd—zou, ter wille van Dombey, nog meer gecharmeerd zijn geweest, als mevrouw Skewton (gelijk hij eerst dacht) de Edith geweest was, op welke hij den vorigen avond had gedronken.“Maar waar om ’s hemels wil blijft Edith toch!” riep mevrouw Skewton uit. “Nog aan de deur om Withers te beduiden waarbij die teekeningen moet brengen om op te zetten! Lieve mijnheer Dombey, wilt gij wel zoo goed zijn—”Dombey was haar reeds gaan zoeken. Een oogenblik later kwam hij terug, met de schoone elegant gekleede dame aan den arm, welke Carker onder het geboomte had ontmoet.“Carker—” begon Dombey. Maar hunne wederzijdsche herkenning was zoo duidelijk, dat hij verwonderd bleef steken.—“Ik ben mijnheer verplicht,” zeide Edith, met eene statige buiging, “dat hij mij daar straks van den overlast van eene bedelaarster heeft bevrijd.”Terwijl haar oog even op hem rustte en toen naar den grond werd geslagen, zag hij in dien helderen, uitvorschenden blik een vermoeden, dat hij niet pas op het oogenblik zijner tusschenkomst was aangekomen, maar haar reeds vroeger had waargenomen. Terwijl hij dit zag, zag zij inzijnoog dat haar wantrouwen niet ongegrond was.“Waarlijk,” zeide mevrouw Skewton, die deze gelegenheid had waargenomen om Carker door haar lorgnet te inspecteeren, en zich overtuigd had (gelijk zij den majoor hoorbaar toefluisterde) dat hij een allerliefst, hartelijk man was. “Waarlijk, dat is zulk eene charmante toevalligheid als ik ooit gehoord heb. Lieve Edith, er is zulk eene zichtbare bestemming van het noodlot in, dat iemand waarlijk haast de armen kruiselings over haar fichu zou leggen en zeggen, evenals die gruwelijke Turken, er is geen, ge weet wel, dan, ge weet wel, en die met zijn raren naam is zijn profeet.”Edith verwaardigde zich niet om iets over deze buitengewone aanhaling uit den Koran te zeggen, maar Dombey achtte het noodig eenige beleefde aanmerkingen te bieden.“Het doet mij groot genoegen,” zeide hij met stijve galanterie, “dat een heer, die in zulke nauwe betrekking met mij staat als Carker, de eer en het geluk mocht hebben om mevrouw Granger den geringsten dienst te bewijzen.” Daarbij boog hij voor haar. “Maar het spijt mij eenigszins en het geeft mij waarlijk aanleiding om op Carker wangunstig te zijn,” onwillekeurig legde hij een nadruk op deze woorden, als bewust dat zij zeer bevreemdend moesten schijnen, “dat ik niet zelf die eer en dat geluk mocht hebben.” Hij boog zich wederom, Edith bleef roerloos behalve dat hare lip eenigszins krulde.—“Waarachtig, mijnheer,” riep de majoor uit, op het gezicht van den knecht, die kwam zeggen dat het ontbijt gereed was, eensklaps zijne spraak herkrijgende, “het komt mij zeer wonderlijk voor dat niemand de eer en het geluk kan hebben om zulke bedelaarsters door den kop te schieten, zonder dat hem dat kwalijk zou genomen worden. Maar hier is een arm voor mevrouw Granger, als zij J. B. de eer wil geven om dien te nemen, en de grootste dienst, dien Joe u nu kan bewijzen, mevrouw, is u naar de tafel te brengen.”Daarmede gaf de majoor Edith zijn arm; Dombey ging met mevrouw Skewton vooruit; Carker kwam achteraan en zag het gezelschap glimlachend na.“Ik ben waarlijk opgetogen, mijnheer Carker,” zeide de mama, onder het ontbijt, nadat zij hem nog eens goedkeurend door haar lorgnet had bekeken, “dat uw bezoek juist zoo gelukkig treft, dat gij vandaag met ons kunt medegaan. Het zal een charmant toertje zijn.”—“Ieder toertje zou in zulk een gezelschap charmant wezen,” antwoordde Carker; “maar ik geloof dat dit op zich zelf zeer interessant is.”—“O,” zeide mevrouw Skewton, met een flauw gilletje van verrukking, “het kasteel is betooverend—vol herinneringen uit de middeleeuwen en dat alles—dat zoo aandoenlijk is. Houdt gij ook niet veel van de middeleeuwen, mijnheer Carker?”—“Bijzonder,” antwoordde Carker.—“Zulk een verrukkelijke tijd!” riep Cleopatra uit. “Zoo hartelijk en natuurlijk! Zoo schilderachtig! Zoo ver boven al het alledaagsche! Och, dat men ons in dezen akeligen tijd wat meer van de poëzie des levens wilde laten houden.”Mevrouw Skewton lette, terwijl zij dit zeide, scherp op Dombey, die naar Edith zag, welke, zonder hare oogen op te slaan, zat te luisteren.“Wij zijn verschrikkelijk aan de prozaïsche[191]werkelijkheid gebonden, niet waar, mijnheer Carker?” zeide mevrouw Skewton.Weinig menschen hadden minder over een gebonden zijn aan de werkelijkheid te klagen dan Cleopatra, die zooveel valsche eigenschappen en sieraden had, dat men bijna niets werkelijks meer aan haar zag. Carker beklaagde haar evenwel en bekende dat zij het in dat opzicht zeer hard hadden.“Schilderijen op het kasteel—goddelijk!” zeide Cleopatra. “Ik hoop dat gij ook veel van schilderijen houdt?”—“Ik verzeker u, mevrouw Skewton,” zeide Dombey, om zijn dienaar eene plechtige aanmoediging te geven, “dat Carker zeer veel smaak voor schilderijen heeft; een natuurlijk talent om ze te beoordeelen. Hij is zelf een zeer knap teekenaar. Hij zal opgetogen zijn, houd ik mij verzekerd, over mevrouw Granger’s smaak en bekwaamheid.”—“Verduiveld, mijnheer,” riep majoor Bagstock uit, “ik ben van gedachten dat gij een mirakel van knapheid zijt, en alles kunt.”—“O, majoor,” zeide Carker met glimlachende nederigheid, “ge zijt veel te goed. Ik kan maar zeer weinig. Maar mijnheer Dombey is zoo mild in het prijzen van alle beuzelachtige talenten, die iemand als ik zich bijna noodzakelijk moet eigen maken, en waarboven hij, in zijne positie, ver verheven is, dat …” Hij haalde zijne schouders op, als om te verzoeken van meerderen lof verschoond te blijven, en sprak niet verder.Al dien tijd sloeg Edith hare oogen niet op, dan om somtijds even naar hare moeder te zien, wanneer deze hare geestdrift lucht gaf. Maar toen Carker zweeg, zag zij Dombey voor een oogenblik aan. Voor een oogenblik slechts, maar met eene uitdrukking van verwondering en minachting, welke voor een opmerker, die glimlachend de tafel rondkeek, niet verloren ging.Dombey zag haar hare oogen weder neerslaan en poogde hare aandacht opnieuw te trekken.“Ge zijt ongelukkig al dikwijls naarWarwickgeweest?” zeide hij.—“Verscheidene malen.”—“Het toertje zal dus vervelend voor u zijn, vrees ik?”—“O neen, geheel niet.”—“Ja, daarin gelijkt ge naar uw neef Feenix, lieve Edith,” liet mevrouw Skewton hierop volgen. “Hij is zeker wel vijftigmaal naar het kasteel vanWarwickgeweest, en toch, als hij morgen teLeamingtonkwam—dat ik wel wenschte—zou hij het overmorgen zijne een en vijftigste visite brengen.”—“Wij hebben allen zooveel enthusiasme, niet waar, mama?” zeide Edith met een kouden glimlach.—“Al te veel voor de rust van onze ziel misschien, melieve,” antwoordde hare moeder, “maar wij willen niet klagen. Onze eigene aandoeningen zijn onze belooning. Misschien verslijt, gelijk uw neef Feenix zegt, de degen de—hoe is het ook weer?”—“De scheede, misschien,” zeide Edith.—“O ja—wat al te gauw, maar dat is omdat hij zoo gloeiend scherp en blinkend is, weet ge wel, liefje.”Mevrouw Skewton slaakte een zuchtje, dat de houten kling moest gelden waarvan hare teergevoelige borst de scheede was, liet à la Cleopatra haar hoofd op zijde hangen, en zag haar geliefd kind met peinzende genegenheid aan.Edith had, toen Dombey haar aansprak, haar gezicht naar hem toegekeerd, en was in die houding gebleven, terwijl zij tot hare moeder en hare moeder tot haar sprak, alsof zij hem hare oplettendheid aanbood, als hij nog iets te zeggen had. De manier, waarop zij deze eenvoudige beleefdheid bewees, had bijna iets uitdagends, iets alsof zij die gedwongen en tegen haar zin bewees, en dit ging wederom niet verloren voor den opmerker, die glimlachend de tafel rondkeek. Het deed hem aan haar denken gelijk hij haar het eerst had gezien, toen zij geloofde dat zij tusschen het geboomte alleen was.Daar Dombey niets anders te zeggen had, en het ontbijt nu was afgeloopen—de majoor was opgepropt als een boa constrictor—deed hij het voorstel om te vertrekken. Er stond eene barouche te wachten. De twee dames, de majoor en Dombey namen daarin plaats; de inboorling en de bleeke page klommen op den bok, Towlinson bleef achter, en Carker reed te paard mede.Carker bleef op den geheelenriteen eind achter het rijtuig, en beloerde het alsof hij werkelijk eene kat, en de vier, die er inzaten, muizen waren. Hetzij hij naar den eenen kant van den weg of naar den anderen keek—over het uitgebreide landschap met zacht golvende heuvelen, windmolens, korenvelden, weiden, wilde bloemen, boerenwoningen, hooibergen en kerktorens—of omhoog in de zonnige lucht, waar de vlindertjes om zijn hoofd fladderden en de vogelen hunne liederen uitgalmden—of naar beneden, waar de schaduwen der takken zich samenvlochten en een geschakeerd tapijt over den grond weefden—of vooruit, waar het overhangende geboomte gewelven en bogen vormde en slechts eene zachte schemering door het loofdak drong—altijd hield hij één oog schuins op het stijf opgerichte hoofd van Dombey gericht, dat naar hem was toegekeerd, en op de veder, die zoo sierlijk, maar zoo smadelijk tusschen hen inhing, en toonde dat de trotsche oogleden niet werden opgeslagen. Slechts eenmaal liet zijn loerende blik die voorwerpen los, en dat was toen een sprong over eene lage heg en een galop door een veld het hem mogelijk maakten om het rijtuig voor te komen, en aan het eind van den tocht gereed te staan om de dames er uit te helpen. Toen, en toen alleen, ontmoette hij, in hare eerste verrassing, haar blik, maar toen hij haar, bij het afstappen,[192]met zijne zachte witte hand aanraakte, scheen zij hem weder geheel niet te zien.Mevrouw Skewton was er op gesteld om Carker bij zich te houden en hem de schoonheden van het kasteel te laten zien. Zij wilde zijn arm hebben en dien van den majoor ook. Het zou dat onverbeterlijke schepsel, dat op het punt van poëzie een ongeloovig barbaar was, goeddoen in zulk gezelschap te wezen. Deze schikking liet Dombey toevallig vrijheid om Edith te geleiden, hetgeen hij dan ook deed, met statige deftigheid vooruit door de vertrekken stappende.“Die lieve oude tijd, mijnheer Carker,” zeide Cleopatra, “met zijne heerlijke kasteelen, en die aardige oude gevangenissen, en die verrukkelijke pijnkelders, en die romaneske wraakoefeningen, en die schilderachtige gevechten en belegeringen, en alles dat het leven zoo bekoorlijk maakt! Hoe vreeselijk zijn wij toch verbasterd!”—“Ja, wij zijn jammerlijk achteruitgegaan,” zeide Carker.Het eigenaardige van hun gesprek bestond daarin, dat mevrouw Skewton in spijt van hare verrukking, en Carker in spijt van zijne beleefdheid, beide scherp op Dombey en Edith acht gaven. Met al hun talent voor conversatie spraken zij dus tamelijk verstrooid en verward.“Wij hebben geen geloof meer,” zeide mevrouw Skewton, haar uitgedroogd oor naar voren keerende, want Dombey zeide juist iets tot Edith; “wij hebben geen geloof meer aan die goede oude baronnen, die zulke alleraardigste lieden waren—of aan die brave oude priesters, die zoo krijgshaftig waren—of zelfs in de dagen van die weergalooze koningin Elizabeth, daar aan den muur, die zulk een echt gouden tijd waren. Lieve vrouw! Zij nog hartelijk! En die charmante vader van haar! Ik hoop dat gij ook veel van Hendrik den achtste houdt?”—“Ik bewonder hem buitengemeen,” zeide Carker.—“Zoo rondborstig, niet waar?” riep mevrouw Skewton uit. “En zoo welgedaan! Zoo echt engelsch! En zulk een schilderachtig portret geeft hij, met zijne kleine, geknepene oogjes en zijne menschlievende kin!”—“O mevrouw,” zeide Carker, en bleef stilstaan, “als gij van schilderijen spreekt, daar hebt gij eene compositie! Welke galerij in de wereld kan er een pendant van toonen?”Terwijl de glimlachende geleider van mevrouw Skewton zoo sprak, wees hij door eene deur naar het midden van eene andere kamer waar Dombey en Edith stonden.Zij waren met elkander alleen, maar wisselden woord noch blik. Zoo bij elkander, arm in arm, scheen het dat zij verder van elkander gescheiden waren dan alsof zeeën tusschen hen stroomden. Er was zelfs een verschil in de trotschheid van die twee, dat hen nog verder van elkander verwijderde, dan wanneer de een het hoogmoedigste en de andere het nederigste schepsel op aarde was geweest. Hij, vol van zijne eigene waarde, onbuigzaam, stijf en stroef. Zij, schoon en bevallig, in buitengewone mate, maar onverschillig voor zich zelve en hem en alles in het rond, en met haar fieren trots hare eigene bekoorlijkheden smadende, alsof deze eene livrei waren, waarvan zij een afkeer had. Zoo slecht pasten zij bij elkander, zoo geweldig waren zij aan elkander geboeid met eene keten, die het ongelukkigste toeval had gesmeed, dat men zich had kunnen verbeelden dat de schilderijen aan de wanden van die onnatuurlijke vereeniging schrikten, en daarop met eigenaardige blijken van ongenoegen acht gaven. Ridders en krijgslieden zagen met dreigende verontwaardiging op hen neer. Een geestelijke veroordeelde, met opgehevene hand, de heiligschennis dat zulk een paar voor Gods altaar zou treden. Stille waters in landschappen, in welker diepte de zonneschijn spiegelde, vroegen of, als er geene betere uitkomst was, er geen verdrinken overschoot. Dieven, door de natuur tot vijanden gemaakt, verscheurden elkander, als een waarschuwend voorbeeld voor hen. Minnegoodjes en engeltjes namen verschrikt de vlucht, en de geschilderde geschiedenis van het martelaarschap kon geene zulke foltering vertoonen.Evenwel was mevrouw Skewton zoo opgetogen over het gezicht, waarop Carker hare aandacht vestigde, dat zij zich niet onthouden kon half luid te zeggen, hoe vol ziel en gevoel het was! Edith hoorde haar, zag om en kreeg van verontwaardiging een blos tot over het voorhoofd.“Mijne lieve Edith weet wel dat ik haar stond te bewonderen,” zeide Cleopatra, haar bijna schroomvallig met hare parasol op den rug tikkende. “Niet waar, liefje?”Wederom zag Carker den zielestrijd, waarvan hij tusschen het geboomte zoo onverwacht getuige was geweest. Wederom zag hij die trotsche onverschilligheid en lusteloosheid terugkomen en hare gemoedsbeweging als achter eene wolk verbergen.Zij sloeg hare oogen niet naar hem op, maar met eene kleine, gebiedende beweging daarvan scheen zij hare moeder te bevelen, om bij haar te komen. Mevrouw Skewton achtte het raadzaam dien wenk te verstaan, en met hare twee cavaliers snel nader komende, bleef zij van dien tijd af bij hare dochter.Carker, die nu niets meer had om zijne aandacht af te trekken, begon over de schilderijen te spreken, en wees de beste aan Dombey. Hij sprak met zijne gewone ongedwongene erkentenis van Dombey’s grootheid, en bewees hem hulde door zijn tooneelkijker voor hem op de rechte maat uit te schuiven, iets in den catalogus voor hem op te zoeken, zijn stok vast[193]te houden, en dergelijke. Deze diensten waren echter, om de waarheid te zeggen, niet zoozeer van Carker afkomstig als van Dombey zelven, die wel genegen was om zijn oppergezag te doen blijken, door op eene voor hem ongedwongene manier te zeggen: “Hier, Carker, wilt ge zoo goed zijn om mij eens te helpen?” hetgeen de glimlachende dienaar dan altijd met genoegen deed.“Een kind?” zeide Edith, haar aanziende. “Wanneer ben ik een kind geweest? Welke kindsheid hebt gij mij ooit gelaten?” (blz. 196).“Een kind?” zeide Edith, haar aanziende. “Wanneer ben ik een kind geweest? Welke kindsheid hebt gij mij ooit gelaten?”(blz. 196).Zij bezichtigden zoo de schilderijen, de muren, het kraaiennest, en zoo voort; en daar zij nu één gezelschap uitmaakten, en de majoor, die, zoolang zijne spijsvertering duurde, slaperig was, zich in de schaduw hield, werd Carker zeer spraakzaam en onderhoudend. Eerst richtte hij grootendeels het woord tot mevrouw Skewton, maar daar deze fijngevoelige dame, na het eerste kwartieruurs, zoo verrukt over de kunstwerken was, dat zij niets anders kon doen dan geeuwen (zij waren zulke volmaakte inspiratiën, merkte zij aan als eene reden voor dit blijk van verrukking) wijdde hij verder zijne opmerkzaamheid aan Dombey. Deze zeide weinig meer dan: “Wel waar, Carker,” of “inderdaad, Carker,” maar moedigde hem toch stilzwijgend aan om voort te gaan, en was bij zich zelven zeer tevreden over zijn gedrag, daar hij het zeer goed vond dat er iemand praatte en[194]meende dat zijne geestigheden, die als het ware eene bijzaak van het kantoor waren, mevrouw Granger misschien zouden amuseeren. Carker, die wel wist wat hij deed, nam nooit de vrijheid om die dame rechtstreeks aan te spreken: maar zij scheen toch te luisteren, hoewel zij hem nooit aanzag, en een paar malen, toen zijne eigenaardige nederigheid bijzonder uitkwam, vloog die schemering van een glimlach over haar gelaat, niet als een licht, maar als eene donkere, zwarte schaduw.ToenWarwick Castlezoo tamelijk, en de majoor geheel uitgeput was—om niet van mevrouw Skewton te spreken, wier eigenaardige blijken van genot zeer veelvuldig waren geworden, ging men weder naar het rijtuig, en reed men naar eenige der meest bewonderde gezichtspunten in den omtrek. Dombey merkte bij een daarvan metcomplimenteuzestatigheid aan, dat eene schets, hoe vluchtig ook, van de schoone hand van mevrouw Granger, eene aangename herinnering van een aangenamen dag voor hem zou zijn; hoewel hij voorzeker geene opzettelijke herinnering noodig zou hebben (hier maakte hij weder een van zijne buigingen) van iets dat hij altijd op hoogen prijs zou stellen. Withers, die Edith’s schetsboek onder den arm had, werd dadelijk door mevrouw Skewton geroepen om het aan te geven; en het rijtuig hield stil, opdat Edith de teekening zou kunnen maken, welke Dombey onder zijne schatten zou bewaren.“Maar ik vrees dat ik u te veel moeite verg,” zeide Dombey.—“O neen. Waarvan wenscht gij eene schets genomen te hebben?” antwoordde zij, zich naar hem toekeerende met dezelfde gedwongene oplettendheid als te voren.Met nog eene buiging, welke de stijfsel in zijne das deed kraken, verzocht Dombey dit aan de kunstenares te mogen overlaten.“Ik heb liever dat gij zelf kiest,” zeide Edith.—“Als wij dan zeiden hier vandaan,” hervatte Dombey. “Dit schijnt een goed punt te zijn, of—Carker, wat denkt gij?”Toevallig lag er op den voorgrond, niet ver van daar, een boschje, niet ongelijk aan dat waarin Carker des morgens zijn net van voetstappen had gevlochten, en met eene bank onder één boom, in plaatsing en uitzicht zeer gelijkende naar die, waar zijne wandeling was gestuit.“Zou ik mevrouw Granger in bedenking mogen geven,” zeide Carker, “dat daar een interessant—bijna een merkwaardig—oogpunt is.”Zij volgde de richting zijner karwats met hare oogen en sloeg ze toen snel naar zijn gezicht op. Dit was de tweede blik dien zij met elkander wisselden, en hij zou volkomen gelijk aan den eersten zijn geweest, als de uitdrukking niet nog duidelijker geweest was.“Zou dat u bevallen?” zeide Edith tot Dombey.—“Het zal mij bekoren,” was zijn antwoord.Het rijtuig reed dus naar de plek die Dombey zou bekoren; en zonder van hare plaats op te staan, opende Edith, met hare gewone trotsche onverschilligheid, haar schetsboek, en begon te teekenen.“Mijne potlooden zijn allen zonder punt,” zeide zij, ophoudende en ze naziende.—“O mag ik dan,” zeide Dombey. “Of Carker zal dat beter doen, hij verstaat die dingen. Carker, wees zoo goed om die potlooden eens voor mevrouw Granger na te zien.”Carker kwam met zijn paard dicht bij het portier aan mevrouw Granger’s kant, liet de teugels op den hals van het dier vallen, nam haar met een glimlach en eene buiging de potlooden uit de hand, en puntte ze, zoo in den zadel zittende, op zijn gemak aan. Dit gedaan hebbende, verzocht hij haar ze te mogen vasthouden en haar aan te geven naarmate zij ze noodig had. En zoo bleef Carker, onder vele loftuitingen op mevrouw Granger’s buitengemeen talent, inzonderheid voor boomen, vlak bij haar en keek naar de teekening terwijl zij die maakte; Dombey stond ondertusschen stijf rechtop in het rijtuig, als een hoogst fatsoenlijk spook, insgelijks toe te kijken, terwijl Cleopatra en de majoor dartelden gelijk twee stokoude duifjes hadden kunnen doen.“Zijt ge daarmede tevreden, of zal ik het nog wat meer afmaken?”Dombey verzocht er niets meer aan te doen; het was de volmaaktheid zelve.“Het is buitengemeen,” zeide Carker, bij dien lof al zijn tandvleesch toonende. “Ik had niet gedacht iets zoo schoons—en zoo ongewoons—te zullen zien.”Dit had op de teekenares niet minder dan op de teekening toepasselijk kunnen zijn; maar Carker’s gezicht was de openhartigheid zelve. En dit bleef het terwijl de teekening voor Dombey geborgen en het schetsboek weder ingepakt werd. Toen gaf hij de potlooden terug (die met eene geringe buiging tot dank voor zijne hulp, maar zonder hem aan te zien, werden aangenomen) hernam de teugels, liet het rijtuig voorbij en reed weder daarachter.Misschien dacht hij, terwijl hij reed, dat zelfs deze luchtige schets geteekend en aan den eigenaar overgegeven was, alsof zij bedongen en gekocht was. Misschien dacht hij, dat, hoewel zij zoo bereidvaardig in zijn verzoek had bewilligd, haar strak gezicht, over de teekening gebogen, of opgeheven naar de verwijderde voorwerpen die zij afbeeldde, het gezicht eener trotsche vrouw was, gedwongen om zich met iets laags en gemeens in te laten. Misschien dacht hij aan zulke dingen; maar zekerlijk glimlachte hij, en terwijl hij nog scheen rond te zien en de ruime lucht en de beweging te genieten, hield hij in de schuinte het rijtuig altijd scherp in het oog.[195]Eene wandeling tusschen de spookachtige ruïnen vanKenilworth, en nog eenige ritjes naar nog eenige gezichtspunten, waarvan Edith, gelijk mevrouw Skewton Dombey herinnerde, de meeste reeds had geteekend, gelijk hij gezien had toen hij hare teekeningen doorkeek, brachten den dag verder om. Men reed terug en bracht mevrouw Skewton en Edith naar hare woning. Carker werd door Cleopatra vriendelijk geïnviteerd om des avonds daar met Dombey en den majoor terug te komen, en wat muziek van Edith te hooren, en de drie heeren begaven zich naar hun logement om te dineeren.Het diner was het pendant van dat van gisteren, behalve dat de majoor vier en twintig uren meer triomfeerend en minder geheimzinnig was. Wederom werd er op Edith gedronken. Wederom was Dombey aangenaam verlegen, en Carker vol belangstelling en lof.Er was geen ander bezoek bij mevrouw Skewton. Edith’s teekeningen waren door de kamer verstrooid, wat rijkelijker dan gewoonlijk misschien; en Withers, de bleeke page, gaf wat sterker thee rond. Maar zelfs de muziek werd, als het ware, door Edith aan de orde van Dombey uitbetaald, met dezelfde stroeve promptheid. Aldus bij voorbeeld:“Edith, liefje,” zeide mevrouw Skewton, een half uur na de thee. “Mijnheer Dombey sterft van verlangen om u te hooren, weet ik.”—“Mijnheer Dombey heeft nog leven genoeg om dat zelf te zeggen, mama, twijfel ik niet.”—“Het zal mij ontzaglijk verplichten,” zeide Dombey.—“Wat verlangt gij?”—“Piano?” zeide Dombey aarzelend.—“Wat u belieft. Gij hebt maar te kiezen.”Zij begon dus met de piano. Eveneens was het met de harp; eveneens met de keus der stukken die zij zong en speelde. Zulk eene ijskoude en gedwongene, en toch vaardige en opzettelijk in het oogloopende bewilliging in de wenschen die hij haar oplegde, was opmerkelijk genoeg om onder al de afwisselingen van het piket-spel Carker’s aandacht te trekken. Ook ontging het hem niet dat Dombey blijkbaar trotsch was op zijne macht en die met zeker welbehagen toonde.Evenwel speelde Carker zoo goed—eenige partijen met den majoor en eenige met Cleopatra, welker waakzaamheid van oog ten aanzien van Dombey en Edith geen lynks had kunnen overtreffen—dat hij nog hooger in de gunst dier dame steeg, en dat, toen hij bij het afscheidnemen zijn leedwezen betuigde dat hij den volgenden morgen naarLondenmoest terugkeeren, Cleopatra, met eene overeenstemming van gevoel die men niet dagelijks aantreft, vertrouwde dat zij elkander lang niet voor de laatste maal zouden ontmoet hebben.“Dat hoop ik ook,” zeide Carker, met een veelbeteekenenden blik naar het paar op eenigen afstand, “en denk ik ook,” en volgde den majoor naar de deur.Dombey, die statig afscheid van Edith had genomen, boog zich eenigszins over Cleopatra’s sofa en zeide zacht:“Ik heb mevrouw Granger verlof gevraagd om haar morgenochtend nog eens te komen bezoeken—met een oogmerk—en zij heeft twaalf uur bepaald. Mag ik hopen om u naderhand thuis te vinden, mevrouw?”Cleopatra was zoodanig onthutst door het hooren van dit, natuurlijk onbegrijpelijke, gezegde, dat zij niets anders kon doen, dan hare oogen sluiten, haar hoofd schudden en Dombey hare hand geven, welke Dombey, niet recht wetende wat er mede te doen, liet vallen.“Kom toch voort, Dombey!” riep de majoor, de deur binnenkijkende. “Verduiveld, mijnheer, oude Joe heeft grooten lust om eene verandering in den naam van hetRoyal Hotelvoor te slaan, en dat het deDrie Vroolijke Vrijerszou moeten heeten, ter eere van ons zelven en Carker.” Daarbij klopte de majoor Dombey op den rug, lonkte over zijn schouder naar de dames, op het punt om eene beroerte te krijgen, naar het scheen, en ging met hem heen.Mevrouw Skewton bleef op hare sofa liggen rusten, en Edith bleef, een eind van haar af, stil bij hare harp zitten. De moeder speelde met haar waaier en keek tersluiks meer dan eens naar de dochter; maar de dochter, in somber gepeins verdiept, liet zich niet storen.Zoo bleven zij een eindeloos uur bij elkander, zonder een woord te spreken, tot mevrouw Skewton’s kamenier verscheen, om haar langzamerhand voor den nacht gereed te maken. Des avonds had die kamenier een geraamte moeten zijn met eene schicht en een zandlooper, want hare hand was als de hand van den dood. Het geblankette ding schrompelde onder die hand weg; de geheele gedaante zakte ineen, de haren vielen af, de donkere gebogene wenkbrauwen veranderden in ongeregelde plekjes grijs, de bleeke lippen krompen in, de huid werd slap en lijkkleurig, en in Cleopatra’s plaats bleef niets anders over dan een geel, afgeleefd oud bestje, gelijk een slordig gebonden pakje vuil goed in eene smerige flanellen japon gemoffeld.Zelfs de stem, die Edith aansprak toen zij weder alleen waren, was veranderd.“Waarom zegt ge mij niet,” zeide die stem scherp, “dat hij morgen met afspraak hier komt?”—“Omdat ge dat wel weet—moeder,” antwoordde Edith.Welk een spottenden nadruk legde zij op dat woord!“Gij weet wel dat hij mij gekocht heeft,”[196]hervatte zij, “of dat hij dat morgen doen zal. Hij heeft zijn koopje overlegd; hij heeft het zijn vriend laten zien; hij is er zelfs eenigszins grootsch op; hij denkt dat het hem wel zal bevallen en goedkoop genoeg te krijgen zal zijn; en morgen zal hij koopen. God, dat ik daarvoor geleefd heb, en dat ik het gevoel!”Vereenig in een schoon gelaat de bewuste zelfvernedering en de gloeiende verontwaardiging van honderd vrouwen, vol hartstocht en trots, en daar verborgen zij zich met twee blanke bevende armen.“Wat meent gij toch?” antwoordde de vergramde moeder. “Hebt gij niet van een kind af …”—“Een kind?” zeide Edith, haar aanziende. “Wanneer ben ik een kind geweest? Welke kindsheid hebt gij mij ooit gelaten? Ik was eene vrouw—baatzuchtig, listig, afgericht om de mannen strikken te spannen—eer ik mij zelve of u nog kende; eer ik zelfs het gemeene, ellendige doel begreep van elke nieuwe kunst die ik leerde. Gij hebt eene volwassene vrouw geboren. Zie haar aan. Zij is van avond in al haar glans.”En zoo sprekende gaf zij een slag op hare schoone borst, alsof zij zich zelve wilde neervellen.“Zie mij aan,” zeide zij, “die nooit geweten heb wat het is een eerlijk hart te hebben of liefde te gevoelen. Zie mij aan, geleerd om te kuipen en te intrigeeren als andere kinderen nog spelen, en in mijne jeugd—oud in geslepenheid—getrouwd met iemand voor wien ik niets anders gevoelde dan onverschilligheid. Zie mij aan, weduwe gebleven, toen hij stierf eer hij zijn erfgoed kreeg—een oordeel over u, en wel verdiend—en zeg mij wat sedert mijn leven, tien jaren lang, is geweest.”—“Wij hebben ons best gedaan om u weder goed te etablisseeren,” antwoordde hare moeder. “Dat is uw leven geweest. En nu is het zoover gelukt.”—“Er is geene slavin op de slavenmarkt, geen paard op de paardenmarkt, zoo ten toon gesteld en aangeboden en opgeveild en onderzocht en bekeken—moeder—als ik die tien schandelijke jaren geweest ben,” zeide Edith, met een gloeiend voorhoofd en denzelfden bitteren nadruk op dat eene woord. “Is het zoo niet? Ben ik niet tot een spot gemaakt voor allerlei mannen? Hebben gekken en lichtmissen, kwade jongens en oude suffers mij niet nageloopen, en mij een voor een afgekeurd en laten loopen, omdat gij met al uwe slimheid toch al te lomp waart, en al te oprecht, met al uwe valsche streken; tot wij bijna overal met spot en schande bekend zijn? Welke vrijpostigheid van bekijken en aanraken,” zeide zij met vlammende oogen, “heb ik niet moeten velen, bijna op de helft van al de plaatsen waar men inEngelandbijeenkomt? Ben ik niet hier en daar uitgestald en opgeveild, tot ik alle achting voor mij zelve heb verloren en van mij zelve walg? Is dat mijne late kindsheid geweest? Vroeger heb ik er geen gehad. Zeg mij niet dat ik er een gehad heb, van avond vooral niet!”—“Gij hadt ten minste al twintigmaal goed getrouwd kunnen zijn, Edith,” zeide hare moeder, “als ge maar aanmoediging genoeg hadt gegeven.”—“Neen! Wie mij neemt, uitschot dat ik ben en wel verdien te zijn,” antwoordde zij, haar hoofd opheffende en bevende van schaamte en trotsche verontwaardiging, “zal mij nemen, gelijk deze man doet, zonder dat ik eenige kunsten aanwend om hem te lokken. Hij ziet mij op de veiling en hij vindt goed mij te koopen. Laat hij! Toen hij kwam om mij te zien—misschien om te bieden—wilde hij de lijst van mijne talenten hebben. Ik gaf ze hem. Als hij wil dat ik er een van vertoon, om zijne lieden te laten zien dat hij een goeden koop doet, vraag ik hem wat hij verlangt vertoond te hebben, en vertoon het dan. Meer wil ik niet doen. Hij koopt uit eigene beweging en schat zelf de waarde van zijn koop en van zijn geld; en ik hoop dat hij nooit te leur gesteld zal zijn. Ik heb den koop niet geroemd en opgedrongen; dat hebt gij ook niet, zoover ik in staat ben geweest om het u te beletten.”—“Gij spreekt al zeer vreemd van avond, Edith, en dat tegen uwe eigene moeder.”—“Zoo komt het mij ook voor; mij nog vreemder dan u,” zeide Edith. “Maar mijne opvoeding is al lang geleden voltooid. Ik ben nu te oud en ben langzamerhand te laag gedaald, om een nieuwen weg in te slaan, en u op den uwen te stuiten. De kiem van alles wat het hart eener vrouw reinigt en het oprecht en goed maakt, is nooit in het mijne opgewekt, en als ik mij zelve veracht, heb ik niets meer om mij staande te houden.” Zij had eene aandoenlijke treurigheid in hare stem gehad, maar deze verdween weder, toen zij met opgekrulde bovenlip vervolgde: “Daar wij dus grootsch en arm zijn, ben ik er mede tevreden dat wij op die manier rijk worden. Al wat ik te zeggen heb is, dat ik het eenige voornemen getrouw ben gebleven, dat ik, met u bij mij, moeder, heb kunnen vormen, en dien man niet heb gelokt.”—“Dien man!” zeide hare moeder. “Gij spreekt haast alsof gij een haat tegen hem hadt.”—“En gij dacht dat ik hem liefhad, niet waar?” was haar antwoord. “Zal ik u zeggen,” hervatte zij, hare moeder strak aanziende, “wie ons reeds door en door kent en doorziet, en voor wien ik nog minder gevoel van eigenwaarde en zelfvertrouwen heb dan voor mij zelve, zoo vernederd als ik mij gevoel door de kennis die hij van mij heeft?”—“Dat is een uitval, moet ik denken,” antwoordde hare moeder koeltjes, “op dien armen, ongelukkigen, hoe heet hij ook weer—mijnheer Carker. Uw gebrek aan gevoel van eigenwaarde en zelfvertrouwen tegenover dien[197]persoon (dien ik een zeer innemend man vind, moet ik zeggen) zal u waarschijnlijk niet veel meer hinderen als gij eens geëtablisseerd zijt. Waarom ziet ge mij zoo strak aan? Zijt ge niet wel?”Edith’s gezicht betrok eensklaps, alsof zij door eene slang was gestoken, en terwijl zij hare handen voor hare oogen hield, liep er eene huivering door al hare leden. Dit was echter spoedig voorbij, en met haar gewonen tred ging zij de kamer uit.De kamenier, die een geraamte had moeten zijn, verscheen toen weder en gaf den eenen arm aan hare meesteres, die met hare valsche bekoorlijkheden ook al hare krachten scheen verloren, en met haar flanellen nachtgewaad eene verlamming scheen aangetrokken te hebben, zamelde de asch van Cleopatra bij elkander, nam deze in den anderen arm mede, en bracht beide weg, gereed voor eene kunstmatige opwekking des anderen daags.
XXVII.DONKERDER SCHADUWEN.
Carker de chef stond met den leeuwerik op en ging in den zomerochtendstond uit wandelen. Zijn gepeins—en hij peinsde al voortkuierende met saamgetrokken wenkbrauwen—scheen niet zoo hoog als de leeuwerik te zweven, of die richting te nemen; het bleef integendeel dicht bij de aarde en wroette daar tusschen stof en wormen. Maar er was geen onzichtbaar zingende vogel in de lucht, verder buiten bereik van ieder menschelijk oog dan Carker’s gedachten. Hij had zijn gezicht zoo volmaakt onder bedwang, dat weinigen van zijne uitdrukking meer bepaalds konden zeggen dan dat het lachte of peinsde. Het peinsde nu met inspanning. Naarmate de leeuwerik hooger steeg verzonk hij in dieper gedachten. Naarmate de leeuwerik zijn gezang helderder uitgalmde, werd zijn stilzwijgen strakker en ernstiger. Eindelijk, toen de leeuwerik, met verdubbeld geschal, naar beneden kwam duiken en dicht bij hem in het groene koren neerviel, dat in het ochtendkoeltje als eene rivier golfde, ontwaakte hij uit zijn gemijmer en keek eensklaps met een glimlach rond, zoo beleefd en vriendelijk alsof hij een aantal opmerkers met zich te verzoenen had. Ook vergat hij zich, aldus gewekt, niet weder, maar streek zijn gezicht glad, als bedacht hij zich dat het anders rimpels zou kunnen krijgen en geheimen verklappen, en kuierde, als tot oefening, al glimlachend voort.Misschien was het dewijl hij wist hoeveel van een eersten indruk afhangt, dat Carker dien ochtend bijzonder net en zorgvuldig gekleed was. Schoon altijd eenigszins stijf in zijne kleeding, in navolging van den grooten man wien hij diende, ging hij echter niet zoover als Dombey’s stijfheid; misschien te gelijk omdat hij wel wist dat deze belachelijk was, als omdat hij daardoor wederom een middel vond om zijne bewustheid van het verschil en den afstand tusschen hen aan te duiden. Sommige menschen noemden hem in dit opzicht een paskwil op zijn bevrozen patroon, maar de wereld is zeer genegen om iets verkeerd uit te leggen, en Carker was niet voor die slechte neiging verantwoordelijk.Zoo net en proper, blozend en welgedaan, met een voorzichtigen stap, die het gras nog zachter scheen te maken, kuierde Carker de chef door de weiden, en gleed hij tusschen het groene geboomte door, tot het tijd werd om te gaan ontbijten. Toen omkeerende om een naderen weg terug te nemen, zeide hij hardop: “Nu om de tweede mevrouw Dombey te gaan zien!”“Ga maar naar haar toe!” (blz. 189)“Ga maar naar haar toe!”(blz. 189)[188]Hij was om de stad heengedwaald en naderde deze weder langs eene wandelplaats, door zwaar[189]geboomte beschaduwd, en waar hier en daar banken stonden voor hen die verkozen te rusten. Daar deze plaats nooit druk bezocht werd, en op dat stille morgenuur er zeer eenzaam en verlaten uitzag, meende Carker geheel alleen te zijn, en kreeg het dus in zijn hoofd—daar hij nog twintig minuten tijd had voor een weg, dien hij gemakkelijk in tien kon afleggen—om geen pad te volgen, maar slingerend tusschen de dikke stammen der boomen heen te gaan, voor den eenen heen en achter den anderen om, als het ware een net van voetstappen over het bedauwde gras vlechtende.Hij bevond dat hij zich vergist had met te denken, dat er niemand in dit boschje was, want toen hij zachtjes om den stam van een grooten boom heenstapte, met een bast zoo ruw en knobbelig als de huid van een rhinoceros, zag hij onverwacht eene gedaante op eene bank dichtbij zitten, welke hij een oogenblik later in zijn net zou hebben ingevlochten.Het was eene dame, zeer elegant en kostbaar gekleed, welker donkere, trotsche oogen op den grond gevestigd waren, en in wier binnenste een of andere hartstocht scheen te woelen. Want terwijl zij daar zoo zat, had zij een hoek harer onderlip tusschen hare tanden getrokken, zwoegde hare borst en trilden hare neusgaten, beefde haar hoofd, rolden er tranen van verontwaardiging over hare wangen, en was haar voet op het mos gedrukt alsof zij het tot niet had willen stampen. En toch zag hij bijna met denzelfden blik, waarmede hij dit opmerkte, dezelfde dame opstaan met eene houding van lustelooze verveling, en zich omkeeren met een gezicht waarop niets anders dan koude schoonheid en hooghartige minachting te zien waren.Eene gerimpelde, leelijke oude vrouw, gekleed niet zoozeer als eene heidin, dan als behoorde zij tot dat gemengde ras van vagebonden, die bedelend, stelend, ketellappend en biezen vlechtend het land afloopen, had insgelijks deze dame gadegeslagen; want toen zij opstond, krabbelde deze tweede gedaante—zulk een zonderling contrast met de eerste—van den grond op (scheen bijna daaruit op te rijzen) en trad haar in den weg.“Laat ik u eens uw fortuin voorzeggen, mooie dame,” zeide het oude wijf, met hare kaken mommelende alsof het doodshoofd onder hare gele huid ongeduldig was om er uit te komen.—“Dat kan ik zelve wel doen,” was het antwoord.—“Ja, ja, mooie dame, maar niet recht. Gij hebt het niet recht gedaan toen gij daar zat. Ik heb u wel gezien. Geef mij een stuk zilver, mooie dame, en ik zal u waarzeggen. Er is rijkdom, mooie dame, in uw gezicht.”—“Dat weet ik wel,” antwoordde de dame, haar met een donkeren glimlach en een trotschen tred voorbijgaande. “Dat wist ik te voren al.”—“Wat, wilt ge mij niets geven?” riep het oude wijf. “Gij wilt mij niets geven om u te zeggen wat ik weet, mooie dame? Hoeveel wilt ge mij dan geven om hetniette zeggen? Geef mij wat, of ik zal het u naschreeuwen!” kraste het oude wijf kwaadaardig.Carker, achter den boom, dien de dame juist wilde voorbijgaan om op het pad te komen, kwam vooruit, zoodat hij haar moest ontmoeten, nam in het voorbijgaan zijn hoed af, en beval het oude wijf om zich stil te houden. De dame dankte voor zijne tusschenkomst door even haar hoofd te buigen en ging haars weegs.“Geef gij mij dan wat, of ik zal het haar naschreeuwen,” gilde het oude wijf, tegen zijn uitgestrekten arm inloopende. “Of kom,” vervolgde zij, en liet eensklaps hare stem dalen, zag hem ernstig aan en scheen in een oogenblik het voorwerp harer gramschap te vergeten, “geef mij wat, of ik zal het u naschreeuwen.”—“Mijnaschreeuwen, moedertje!” antwoordde Carker, de hand in den zak stekende.—“Ja,” zeide het wijf, hem nog strak aanziende en hare verschrompelde hand uitstekende. “Ik weet veel.”—“Wat weet gij dan?” zeide Carker, haar een schelling toewerpende. “Weet gij wie die mooie dame is?”Al mommelend en met een boosaardigen schelen blik raapte het oude wijf den schelling op, en ging toen achteruit als eene krab, of liever als een geheele hoop krabben, want hare handen, met de kromme zich beurtelings sluitende en openende vingers, hadden er twee kunnen voorstellen, en haar verwrongen gezicht nog een aantal meer. Zij liet zich op den knoestigen wortel van een boom neerzakken, haalde een kort, zwart pijpje uit den bol van haar hoed, stak het met een vuurslag aan en ging stil zitten rooken, altijd nog den vrager aanziende.Carker lachte en draaide zich luchtig om.“Goed!” zeide het oude wijf. “Een kind dood, en een kind in leven; eene vrouw dood, en eene vrouw op zicht. Ga maar naar haar toe!”Carker kon niet nalaten om te kijken en te blijven staan. Het wijf had haar pijpje niet uit den mond genomen, en mompelde terwijl zij rookte, alsof zij met een onzichtbaren gedienstigen in gesprek was, terwijl zij met haar vinger in de richting wees die hij ging.“Wat hebt gij daar gezegd, oude heks?” zeide hij.Het wijf bleef mommelen, snateren en rooken, en nog met haar vinger wijzen, maar gaf geen antwoord. Een lang niet vleienden afscheidsgroet mompelende ging Carker heen, maar toen hij in de verte nog eens omkeek, zag hij het wijf nog met haar vinger wijzen, en meende hij haar nog te hooren schreeuwen: “Ga maar naar haar toe!”In het logement vond hij een keurig ontbijt gereed, waarbij Dombey en de majoor op de[190]dames zaten te wachten. Zoo iets hangt zeker grootendeels van iemands gestel af, maar in dit geval was de eetlust sterker dan de liefde; want Dombey was zeer koel en bedaard en de majoor zeer ongeduldig. Eindelijk werd de deur door den inboorling geopend, en na eene poos wachtens, daardoor veroorzaakt, dat zij zoo kwijnend langzaam den gang doorkwam, verscheen eene zeer blozende, maar niet zeer jeugdige dame.“Mijn beste mijnheer Dombey,” zeide de dame, “ik vrees dat wij laat komen; maar Edith is al uit geweest om naar een fraai gelegen plekje voor eene schets te zoeken, en heeft mij naar haar laten wachten. Valschaard van een majoor,” hem haar pink gevende; “hoe gaat het u?”—“Mevrouw Skewton,” zeide Dombey, “laat ik mijn vriend Carker het genoegen mogen geven om hem u te presenteeren.” Onwillekeurig legde hij een nadruk op het woord “vriend,” als wilde hij zeggen “ik weet wel dat ik hem veel eer bewijs met die onderscheiding.”—“Gij hebt mij wel van mijnheer Carker hooren spreken.”—“O, ik ben waarlijk gecharmeerd,” zeide mevrouw Skewton zeer vriendelijk.Carker was natuurlijk ook gecharmeerd—zou, ter wille van Dombey, nog meer gecharmeerd zijn geweest, als mevrouw Skewton (gelijk hij eerst dacht) de Edith geweest was, op welke hij den vorigen avond had gedronken.“Maar waar om ’s hemels wil blijft Edith toch!” riep mevrouw Skewton uit. “Nog aan de deur om Withers te beduiden waarbij die teekeningen moet brengen om op te zetten! Lieve mijnheer Dombey, wilt gij wel zoo goed zijn—”Dombey was haar reeds gaan zoeken. Een oogenblik later kwam hij terug, met de schoone elegant gekleede dame aan den arm, welke Carker onder het geboomte had ontmoet.“Carker—” begon Dombey. Maar hunne wederzijdsche herkenning was zoo duidelijk, dat hij verwonderd bleef steken.—“Ik ben mijnheer verplicht,” zeide Edith, met eene statige buiging, “dat hij mij daar straks van den overlast van eene bedelaarster heeft bevrijd.”Terwijl haar oog even op hem rustte en toen naar den grond werd geslagen, zag hij in dien helderen, uitvorschenden blik een vermoeden, dat hij niet pas op het oogenblik zijner tusschenkomst was aangekomen, maar haar reeds vroeger had waargenomen. Terwijl hij dit zag, zag zij inzijnoog dat haar wantrouwen niet ongegrond was.“Waarlijk,” zeide mevrouw Skewton, die deze gelegenheid had waargenomen om Carker door haar lorgnet te inspecteeren, en zich overtuigd had (gelijk zij den majoor hoorbaar toefluisterde) dat hij een allerliefst, hartelijk man was. “Waarlijk, dat is zulk eene charmante toevalligheid als ik ooit gehoord heb. Lieve Edith, er is zulk eene zichtbare bestemming van het noodlot in, dat iemand waarlijk haast de armen kruiselings over haar fichu zou leggen en zeggen, evenals die gruwelijke Turken, er is geen, ge weet wel, dan, ge weet wel, en die met zijn raren naam is zijn profeet.”Edith verwaardigde zich niet om iets over deze buitengewone aanhaling uit den Koran te zeggen, maar Dombey achtte het noodig eenige beleefde aanmerkingen te bieden.“Het doet mij groot genoegen,” zeide hij met stijve galanterie, “dat een heer, die in zulke nauwe betrekking met mij staat als Carker, de eer en het geluk mocht hebben om mevrouw Granger den geringsten dienst te bewijzen.” Daarbij boog hij voor haar. “Maar het spijt mij eenigszins en het geeft mij waarlijk aanleiding om op Carker wangunstig te zijn,” onwillekeurig legde hij een nadruk op deze woorden, als bewust dat zij zeer bevreemdend moesten schijnen, “dat ik niet zelf die eer en dat geluk mocht hebben.” Hij boog zich wederom, Edith bleef roerloos behalve dat hare lip eenigszins krulde.—“Waarachtig, mijnheer,” riep de majoor uit, op het gezicht van den knecht, die kwam zeggen dat het ontbijt gereed was, eensklaps zijne spraak herkrijgende, “het komt mij zeer wonderlijk voor dat niemand de eer en het geluk kan hebben om zulke bedelaarsters door den kop te schieten, zonder dat hem dat kwalijk zou genomen worden. Maar hier is een arm voor mevrouw Granger, als zij J. B. de eer wil geven om dien te nemen, en de grootste dienst, dien Joe u nu kan bewijzen, mevrouw, is u naar de tafel te brengen.”Daarmede gaf de majoor Edith zijn arm; Dombey ging met mevrouw Skewton vooruit; Carker kwam achteraan en zag het gezelschap glimlachend na.“Ik ben waarlijk opgetogen, mijnheer Carker,” zeide de mama, onder het ontbijt, nadat zij hem nog eens goedkeurend door haar lorgnet had bekeken, “dat uw bezoek juist zoo gelukkig treft, dat gij vandaag met ons kunt medegaan. Het zal een charmant toertje zijn.”—“Ieder toertje zou in zulk een gezelschap charmant wezen,” antwoordde Carker; “maar ik geloof dat dit op zich zelf zeer interessant is.”—“O,” zeide mevrouw Skewton, met een flauw gilletje van verrukking, “het kasteel is betooverend—vol herinneringen uit de middeleeuwen en dat alles—dat zoo aandoenlijk is. Houdt gij ook niet veel van de middeleeuwen, mijnheer Carker?”—“Bijzonder,” antwoordde Carker.—“Zulk een verrukkelijke tijd!” riep Cleopatra uit. “Zoo hartelijk en natuurlijk! Zoo schilderachtig! Zoo ver boven al het alledaagsche! Och, dat men ons in dezen akeligen tijd wat meer van de poëzie des levens wilde laten houden.”Mevrouw Skewton lette, terwijl zij dit zeide, scherp op Dombey, die naar Edith zag, welke, zonder hare oogen op te slaan, zat te luisteren.“Wij zijn verschrikkelijk aan de prozaïsche[191]werkelijkheid gebonden, niet waar, mijnheer Carker?” zeide mevrouw Skewton.Weinig menschen hadden minder over een gebonden zijn aan de werkelijkheid te klagen dan Cleopatra, die zooveel valsche eigenschappen en sieraden had, dat men bijna niets werkelijks meer aan haar zag. Carker beklaagde haar evenwel en bekende dat zij het in dat opzicht zeer hard hadden.“Schilderijen op het kasteel—goddelijk!” zeide Cleopatra. “Ik hoop dat gij ook veel van schilderijen houdt?”—“Ik verzeker u, mevrouw Skewton,” zeide Dombey, om zijn dienaar eene plechtige aanmoediging te geven, “dat Carker zeer veel smaak voor schilderijen heeft; een natuurlijk talent om ze te beoordeelen. Hij is zelf een zeer knap teekenaar. Hij zal opgetogen zijn, houd ik mij verzekerd, over mevrouw Granger’s smaak en bekwaamheid.”—“Verduiveld, mijnheer,” riep majoor Bagstock uit, “ik ben van gedachten dat gij een mirakel van knapheid zijt, en alles kunt.”—“O, majoor,” zeide Carker met glimlachende nederigheid, “ge zijt veel te goed. Ik kan maar zeer weinig. Maar mijnheer Dombey is zoo mild in het prijzen van alle beuzelachtige talenten, die iemand als ik zich bijna noodzakelijk moet eigen maken, en waarboven hij, in zijne positie, ver verheven is, dat …” Hij haalde zijne schouders op, als om te verzoeken van meerderen lof verschoond te blijven, en sprak niet verder.Al dien tijd sloeg Edith hare oogen niet op, dan om somtijds even naar hare moeder te zien, wanneer deze hare geestdrift lucht gaf. Maar toen Carker zweeg, zag zij Dombey voor een oogenblik aan. Voor een oogenblik slechts, maar met eene uitdrukking van verwondering en minachting, welke voor een opmerker, die glimlachend de tafel rondkeek, niet verloren ging.Dombey zag haar hare oogen weder neerslaan en poogde hare aandacht opnieuw te trekken.“Ge zijt ongelukkig al dikwijls naarWarwickgeweest?” zeide hij.—“Verscheidene malen.”—“Het toertje zal dus vervelend voor u zijn, vrees ik?”—“O neen, geheel niet.”—“Ja, daarin gelijkt ge naar uw neef Feenix, lieve Edith,” liet mevrouw Skewton hierop volgen. “Hij is zeker wel vijftigmaal naar het kasteel vanWarwickgeweest, en toch, als hij morgen teLeamingtonkwam—dat ik wel wenschte—zou hij het overmorgen zijne een en vijftigste visite brengen.”—“Wij hebben allen zooveel enthusiasme, niet waar, mama?” zeide Edith met een kouden glimlach.—“Al te veel voor de rust van onze ziel misschien, melieve,” antwoordde hare moeder, “maar wij willen niet klagen. Onze eigene aandoeningen zijn onze belooning. Misschien verslijt, gelijk uw neef Feenix zegt, de degen de—hoe is het ook weer?”—“De scheede, misschien,” zeide Edith.—“O ja—wat al te gauw, maar dat is omdat hij zoo gloeiend scherp en blinkend is, weet ge wel, liefje.”Mevrouw Skewton slaakte een zuchtje, dat de houten kling moest gelden waarvan hare teergevoelige borst de scheede was, liet à la Cleopatra haar hoofd op zijde hangen, en zag haar geliefd kind met peinzende genegenheid aan.Edith had, toen Dombey haar aansprak, haar gezicht naar hem toegekeerd, en was in die houding gebleven, terwijl zij tot hare moeder en hare moeder tot haar sprak, alsof zij hem hare oplettendheid aanbood, als hij nog iets te zeggen had. De manier, waarop zij deze eenvoudige beleefdheid bewees, had bijna iets uitdagends, iets alsof zij die gedwongen en tegen haar zin bewees, en dit ging wederom niet verloren voor den opmerker, die glimlachend de tafel rondkeek. Het deed hem aan haar denken gelijk hij haar het eerst had gezien, toen zij geloofde dat zij tusschen het geboomte alleen was.Daar Dombey niets anders te zeggen had, en het ontbijt nu was afgeloopen—de majoor was opgepropt als een boa constrictor—deed hij het voorstel om te vertrekken. Er stond eene barouche te wachten. De twee dames, de majoor en Dombey namen daarin plaats; de inboorling en de bleeke page klommen op den bok, Towlinson bleef achter, en Carker reed te paard mede.Carker bleef op den geheelenriteen eind achter het rijtuig, en beloerde het alsof hij werkelijk eene kat, en de vier, die er inzaten, muizen waren. Hetzij hij naar den eenen kant van den weg of naar den anderen keek—over het uitgebreide landschap met zacht golvende heuvelen, windmolens, korenvelden, weiden, wilde bloemen, boerenwoningen, hooibergen en kerktorens—of omhoog in de zonnige lucht, waar de vlindertjes om zijn hoofd fladderden en de vogelen hunne liederen uitgalmden—of naar beneden, waar de schaduwen der takken zich samenvlochten en een geschakeerd tapijt over den grond weefden—of vooruit, waar het overhangende geboomte gewelven en bogen vormde en slechts eene zachte schemering door het loofdak drong—altijd hield hij één oog schuins op het stijf opgerichte hoofd van Dombey gericht, dat naar hem was toegekeerd, en op de veder, die zoo sierlijk, maar zoo smadelijk tusschen hen inhing, en toonde dat de trotsche oogleden niet werden opgeslagen. Slechts eenmaal liet zijn loerende blik die voorwerpen los, en dat was toen een sprong over eene lage heg en een galop door een veld het hem mogelijk maakten om het rijtuig voor te komen, en aan het eind van den tocht gereed te staan om de dames er uit te helpen. Toen, en toen alleen, ontmoette hij, in hare eerste verrassing, haar blik, maar toen hij haar, bij het afstappen,[192]met zijne zachte witte hand aanraakte, scheen zij hem weder geheel niet te zien.Mevrouw Skewton was er op gesteld om Carker bij zich te houden en hem de schoonheden van het kasteel te laten zien. Zij wilde zijn arm hebben en dien van den majoor ook. Het zou dat onverbeterlijke schepsel, dat op het punt van poëzie een ongeloovig barbaar was, goeddoen in zulk gezelschap te wezen. Deze schikking liet Dombey toevallig vrijheid om Edith te geleiden, hetgeen hij dan ook deed, met statige deftigheid vooruit door de vertrekken stappende.“Die lieve oude tijd, mijnheer Carker,” zeide Cleopatra, “met zijne heerlijke kasteelen, en die aardige oude gevangenissen, en die verrukkelijke pijnkelders, en die romaneske wraakoefeningen, en die schilderachtige gevechten en belegeringen, en alles dat het leven zoo bekoorlijk maakt! Hoe vreeselijk zijn wij toch verbasterd!”—“Ja, wij zijn jammerlijk achteruitgegaan,” zeide Carker.Het eigenaardige van hun gesprek bestond daarin, dat mevrouw Skewton in spijt van hare verrukking, en Carker in spijt van zijne beleefdheid, beide scherp op Dombey en Edith acht gaven. Met al hun talent voor conversatie spraken zij dus tamelijk verstrooid en verward.“Wij hebben geen geloof meer,” zeide mevrouw Skewton, haar uitgedroogd oor naar voren keerende, want Dombey zeide juist iets tot Edith; “wij hebben geen geloof meer aan die goede oude baronnen, die zulke alleraardigste lieden waren—of aan die brave oude priesters, die zoo krijgshaftig waren—of zelfs in de dagen van die weergalooze koningin Elizabeth, daar aan den muur, die zulk een echt gouden tijd waren. Lieve vrouw! Zij nog hartelijk! En die charmante vader van haar! Ik hoop dat gij ook veel van Hendrik den achtste houdt?”—“Ik bewonder hem buitengemeen,” zeide Carker.—“Zoo rondborstig, niet waar?” riep mevrouw Skewton uit. “En zoo welgedaan! Zoo echt engelsch! En zulk een schilderachtig portret geeft hij, met zijne kleine, geknepene oogjes en zijne menschlievende kin!”—“O mevrouw,” zeide Carker, en bleef stilstaan, “als gij van schilderijen spreekt, daar hebt gij eene compositie! Welke galerij in de wereld kan er een pendant van toonen?”Terwijl de glimlachende geleider van mevrouw Skewton zoo sprak, wees hij door eene deur naar het midden van eene andere kamer waar Dombey en Edith stonden.Zij waren met elkander alleen, maar wisselden woord noch blik. Zoo bij elkander, arm in arm, scheen het dat zij verder van elkander gescheiden waren dan alsof zeeën tusschen hen stroomden. Er was zelfs een verschil in de trotschheid van die twee, dat hen nog verder van elkander verwijderde, dan wanneer de een het hoogmoedigste en de andere het nederigste schepsel op aarde was geweest. Hij, vol van zijne eigene waarde, onbuigzaam, stijf en stroef. Zij, schoon en bevallig, in buitengewone mate, maar onverschillig voor zich zelve en hem en alles in het rond, en met haar fieren trots hare eigene bekoorlijkheden smadende, alsof deze eene livrei waren, waarvan zij een afkeer had. Zoo slecht pasten zij bij elkander, zoo geweldig waren zij aan elkander geboeid met eene keten, die het ongelukkigste toeval had gesmeed, dat men zich had kunnen verbeelden dat de schilderijen aan de wanden van die onnatuurlijke vereeniging schrikten, en daarop met eigenaardige blijken van ongenoegen acht gaven. Ridders en krijgslieden zagen met dreigende verontwaardiging op hen neer. Een geestelijke veroordeelde, met opgehevene hand, de heiligschennis dat zulk een paar voor Gods altaar zou treden. Stille waters in landschappen, in welker diepte de zonneschijn spiegelde, vroegen of, als er geene betere uitkomst was, er geen verdrinken overschoot. Dieven, door de natuur tot vijanden gemaakt, verscheurden elkander, als een waarschuwend voorbeeld voor hen. Minnegoodjes en engeltjes namen verschrikt de vlucht, en de geschilderde geschiedenis van het martelaarschap kon geene zulke foltering vertoonen.Evenwel was mevrouw Skewton zoo opgetogen over het gezicht, waarop Carker hare aandacht vestigde, dat zij zich niet onthouden kon half luid te zeggen, hoe vol ziel en gevoel het was! Edith hoorde haar, zag om en kreeg van verontwaardiging een blos tot over het voorhoofd.“Mijne lieve Edith weet wel dat ik haar stond te bewonderen,” zeide Cleopatra, haar bijna schroomvallig met hare parasol op den rug tikkende. “Niet waar, liefje?”Wederom zag Carker den zielestrijd, waarvan hij tusschen het geboomte zoo onverwacht getuige was geweest. Wederom zag hij die trotsche onverschilligheid en lusteloosheid terugkomen en hare gemoedsbeweging als achter eene wolk verbergen.Zij sloeg hare oogen niet naar hem op, maar met eene kleine, gebiedende beweging daarvan scheen zij hare moeder te bevelen, om bij haar te komen. Mevrouw Skewton achtte het raadzaam dien wenk te verstaan, en met hare twee cavaliers snel nader komende, bleef zij van dien tijd af bij hare dochter.Carker, die nu niets meer had om zijne aandacht af te trekken, begon over de schilderijen te spreken, en wees de beste aan Dombey. Hij sprak met zijne gewone ongedwongene erkentenis van Dombey’s grootheid, en bewees hem hulde door zijn tooneelkijker voor hem op de rechte maat uit te schuiven, iets in den catalogus voor hem op te zoeken, zijn stok vast[193]te houden, en dergelijke. Deze diensten waren echter, om de waarheid te zeggen, niet zoozeer van Carker afkomstig als van Dombey zelven, die wel genegen was om zijn oppergezag te doen blijken, door op eene voor hem ongedwongene manier te zeggen: “Hier, Carker, wilt ge zoo goed zijn om mij eens te helpen?” hetgeen de glimlachende dienaar dan altijd met genoegen deed.“Een kind?” zeide Edith, haar aanziende. “Wanneer ben ik een kind geweest? Welke kindsheid hebt gij mij ooit gelaten?” (blz. 196).“Een kind?” zeide Edith, haar aanziende. “Wanneer ben ik een kind geweest? Welke kindsheid hebt gij mij ooit gelaten?”(blz. 196).Zij bezichtigden zoo de schilderijen, de muren, het kraaiennest, en zoo voort; en daar zij nu één gezelschap uitmaakten, en de majoor, die, zoolang zijne spijsvertering duurde, slaperig was, zich in de schaduw hield, werd Carker zeer spraakzaam en onderhoudend. Eerst richtte hij grootendeels het woord tot mevrouw Skewton, maar daar deze fijngevoelige dame, na het eerste kwartieruurs, zoo verrukt over de kunstwerken was, dat zij niets anders kon doen dan geeuwen (zij waren zulke volmaakte inspiratiën, merkte zij aan als eene reden voor dit blijk van verrukking) wijdde hij verder zijne opmerkzaamheid aan Dombey. Deze zeide weinig meer dan: “Wel waar, Carker,” of “inderdaad, Carker,” maar moedigde hem toch stilzwijgend aan om voort te gaan, en was bij zich zelven zeer tevreden over zijn gedrag, daar hij het zeer goed vond dat er iemand praatte en[194]meende dat zijne geestigheden, die als het ware eene bijzaak van het kantoor waren, mevrouw Granger misschien zouden amuseeren. Carker, die wel wist wat hij deed, nam nooit de vrijheid om die dame rechtstreeks aan te spreken: maar zij scheen toch te luisteren, hoewel zij hem nooit aanzag, en een paar malen, toen zijne eigenaardige nederigheid bijzonder uitkwam, vloog die schemering van een glimlach over haar gelaat, niet als een licht, maar als eene donkere, zwarte schaduw.ToenWarwick Castlezoo tamelijk, en de majoor geheel uitgeput was—om niet van mevrouw Skewton te spreken, wier eigenaardige blijken van genot zeer veelvuldig waren geworden, ging men weder naar het rijtuig, en reed men naar eenige der meest bewonderde gezichtspunten in den omtrek. Dombey merkte bij een daarvan metcomplimenteuzestatigheid aan, dat eene schets, hoe vluchtig ook, van de schoone hand van mevrouw Granger, eene aangename herinnering van een aangenamen dag voor hem zou zijn; hoewel hij voorzeker geene opzettelijke herinnering noodig zou hebben (hier maakte hij weder een van zijne buigingen) van iets dat hij altijd op hoogen prijs zou stellen. Withers, die Edith’s schetsboek onder den arm had, werd dadelijk door mevrouw Skewton geroepen om het aan te geven; en het rijtuig hield stil, opdat Edith de teekening zou kunnen maken, welke Dombey onder zijne schatten zou bewaren.“Maar ik vrees dat ik u te veel moeite verg,” zeide Dombey.—“O neen. Waarvan wenscht gij eene schets genomen te hebben?” antwoordde zij, zich naar hem toekeerende met dezelfde gedwongene oplettendheid als te voren.Met nog eene buiging, welke de stijfsel in zijne das deed kraken, verzocht Dombey dit aan de kunstenares te mogen overlaten.“Ik heb liever dat gij zelf kiest,” zeide Edith.—“Als wij dan zeiden hier vandaan,” hervatte Dombey. “Dit schijnt een goed punt te zijn, of—Carker, wat denkt gij?”Toevallig lag er op den voorgrond, niet ver van daar, een boschje, niet ongelijk aan dat waarin Carker des morgens zijn net van voetstappen had gevlochten, en met eene bank onder één boom, in plaatsing en uitzicht zeer gelijkende naar die, waar zijne wandeling was gestuit.“Zou ik mevrouw Granger in bedenking mogen geven,” zeide Carker, “dat daar een interessant—bijna een merkwaardig—oogpunt is.”Zij volgde de richting zijner karwats met hare oogen en sloeg ze toen snel naar zijn gezicht op. Dit was de tweede blik dien zij met elkander wisselden, en hij zou volkomen gelijk aan den eersten zijn geweest, als de uitdrukking niet nog duidelijker geweest was.“Zou dat u bevallen?” zeide Edith tot Dombey.—“Het zal mij bekoren,” was zijn antwoord.Het rijtuig reed dus naar de plek die Dombey zou bekoren; en zonder van hare plaats op te staan, opende Edith, met hare gewone trotsche onverschilligheid, haar schetsboek, en begon te teekenen.“Mijne potlooden zijn allen zonder punt,” zeide zij, ophoudende en ze naziende.—“O mag ik dan,” zeide Dombey. “Of Carker zal dat beter doen, hij verstaat die dingen. Carker, wees zoo goed om die potlooden eens voor mevrouw Granger na te zien.”Carker kwam met zijn paard dicht bij het portier aan mevrouw Granger’s kant, liet de teugels op den hals van het dier vallen, nam haar met een glimlach en eene buiging de potlooden uit de hand, en puntte ze, zoo in den zadel zittende, op zijn gemak aan. Dit gedaan hebbende, verzocht hij haar ze te mogen vasthouden en haar aan te geven naarmate zij ze noodig had. En zoo bleef Carker, onder vele loftuitingen op mevrouw Granger’s buitengemeen talent, inzonderheid voor boomen, vlak bij haar en keek naar de teekening terwijl zij die maakte; Dombey stond ondertusschen stijf rechtop in het rijtuig, als een hoogst fatsoenlijk spook, insgelijks toe te kijken, terwijl Cleopatra en de majoor dartelden gelijk twee stokoude duifjes hadden kunnen doen.“Zijt ge daarmede tevreden, of zal ik het nog wat meer afmaken?”Dombey verzocht er niets meer aan te doen; het was de volmaaktheid zelve.“Het is buitengemeen,” zeide Carker, bij dien lof al zijn tandvleesch toonende. “Ik had niet gedacht iets zoo schoons—en zoo ongewoons—te zullen zien.”Dit had op de teekenares niet minder dan op de teekening toepasselijk kunnen zijn; maar Carker’s gezicht was de openhartigheid zelve. En dit bleef het terwijl de teekening voor Dombey geborgen en het schetsboek weder ingepakt werd. Toen gaf hij de potlooden terug (die met eene geringe buiging tot dank voor zijne hulp, maar zonder hem aan te zien, werden aangenomen) hernam de teugels, liet het rijtuig voorbij en reed weder daarachter.Misschien dacht hij, terwijl hij reed, dat zelfs deze luchtige schets geteekend en aan den eigenaar overgegeven was, alsof zij bedongen en gekocht was. Misschien dacht hij, dat, hoewel zij zoo bereidvaardig in zijn verzoek had bewilligd, haar strak gezicht, over de teekening gebogen, of opgeheven naar de verwijderde voorwerpen die zij afbeeldde, het gezicht eener trotsche vrouw was, gedwongen om zich met iets laags en gemeens in te laten. Misschien dacht hij aan zulke dingen; maar zekerlijk glimlachte hij, en terwijl hij nog scheen rond te zien en de ruime lucht en de beweging te genieten, hield hij in de schuinte het rijtuig altijd scherp in het oog.[195]Eene wandeling tusschen de spookachtige ruïnen vanKenilworth, en nog eenige ritjes naar nog eenige gezichtspunten, waarvan Edith, gelijk mevrouw Skewton Dombey herinnerde, de meeste reeds had geteekend, gelijk hij gezien had toen hij hare teekeningen doorkeek, brachten den dag verder om. Men reed terug en bracht mevrouw Skewton en Edith naar hare woning. Carker werd door Cleopatra vriendelijk geïnviteerd om des avonds daar met Dombey en den majoor terug te komen, en wat muziek van Edith te hooren, en de drie heeren begaven zich naar hun logement om te dineeren.Het diner was het pendant van dat van gisteren, behalve dat de majoor vier en twintig uren meer triomfeerend en minder geheimzinnig was. Wederom werd er op Edith gedronken. Wederom was Dombey aangenaam verlegen, en Carker vol belangstelling en lof.Er was geen ander bezoek bij mevrouw Skewton. Edith’s teekeningen waren door de kamer verstrooid, wat rijkelijker dan gewoonlijk misschien; en Withers, de bleeke page, gaf wat sterker thee rond. Maar zelfs de muziek werd, als het ware, door Edith aan de orde van Dombey uitbetaald, met dezelfde stroeve promptheid. Aldus bij voorbeeld:“Edith, liefje,” zeide mevrouw Skewton, een half uur na de thee. “Mijnheer Dombey sterft van verlangen om u te hooren, weet ik.”—“Mijnheer Dombey heeft nog leven genoeg om dat zelf te zeggen, mama, twijfel ik niet.”—“Het zal mij ontzaglijk verplichten,” zeide Dombey.—“Wat verlangt gij?”—“Piano?” zeide Dombey aarzelend.—“Wat u belieft. Gij hebt maar te kiezen.”Zij begon dus met de piano. Eveneens was het met de harp; eveneens met de keus der stukken die zij zong en speelde. Zulk eene ijskoude en gedwongene, en toch vaardige en opzettelijk in het oogloopende bewilliging in de wenschen die hij haar oplegde, was opmerkelijk genoeg om onder al de afwisselingen van het piket-spel Carker’s aandacht te trekken. Ook ontging het hem niet dat Dombey blijkbaar trotsch was op zijne macht en die met zeker welbehagen toonde.Evenwel speelde Carker zoo goed—eenige partijen met den majoor en eenige met Cleopatra, welker waakzaamheid van oog ten aanzien van Dombey en Edith geen lynks had kunnen overtreffen—dat hij nog hooger in de gunst dier dame steeg, en dat, toen hij bij het afscheidnemen zijn leedwezen betuigde dat hij den volgenden morgen naarLondenmoest terugkeeren, Cleopatra, met eene overeenstemming van gevoel die men niet dagelijks aantreft, vertrouwde dat zij elkander lang niet voor de laatste maal zouden ontmoet hebben.“Dat hoop ik ook,” zeide Carker, met een veelbeteekenenden blik naar het paar op eenigen afstand, “en denk ik ook,” en volgde den majoor naar de deur.Dombey, die statig afscheid van Edith had genomen, boog zich eenigszins over Cleopatra’s sofa en zeide zacht:“Ik heb mevrouw Granger verlof gevraagd om haar morgenochtend nog eens te komen bezoeken—met een oogmerk—en zij heeft twaalf uur bepaald. Mag ik hopen om u naderhand thuis te vinden, mevrouw?”Cleopatra was zoodanig onthutst door het hooren van dit, natuurlijk onbegrijpelijke, gezegde, dat zij niets anders kon doen, dan hare oogen sluiten, haar hoofd schudden en Dombey hare hand geven, welke Dombey, niet recht wetende wat er mede te doen, liet vallen.“Kom toch voort, Dombey!” riep de majoor, de deur binnenkijkende. “Verduiveld, mijnheer, oude Joe heeft grooten lust om eene verandering in den naam van hetRoyal Hotelvoor te slaan, en dat het deDrie Vroolijke Vrijerszou moeten heeten, ter eere van ons zelven en Carker.” Daarbij klopte de majoor Dombey op den rug, lonkte over zijn schouder naar de dames, op het punt om eene beroerte te krijgen, naar het scheen, en ging met hem heen.Mevrouw Skewton bleef op hare sofa liggen rusten, en Edith bleef, een eind van haar af, stil bij hare harp zitten. De moeder speelde met haar waaier en keek tersluiks meer dan eens naar de dochter; maar de dochter, in somber gepeins verdiept, liet zich niet storen.Zoo bleven zij een eindeloos uur bij elkander, zonder een woord te spreken, tot mevrouw Skewton’s kamenier verscheen, om haar langzamerhand voor den nacht gereed te maken. Des avonds had die kamenier een geraamte moeten zijn met eene schicht en een zandlooper, want hare hand was als de hand van den dood. Het geblankette ding schrompelde onder die hand weg; de geheele gedaante zakte ineen, de haren vielen af, de donkere gebogene wenkbrauwen veranderden in ongeregelde plekjes grijs, de bleeke lippen krompen in, de huid werd slap en lijkkleurig, en in Cleopatra’s plaats bleef niets anders over dan een geel, afgeleefd oud bestje, gelijk een slordig gebonden pakje vuil goed in eene smerige flanellen japon gemoffeld.Zelfs de stem, die Edith aansprak toen zij weder alleen waren, was veranderd.“Waarom zegt ge mij niet,” zeide die stem scherp, “dat hij morgen met afspraak hier komt?”—“Omdat ge dat wel weet—moeder,” antwoordde Edith.Welk een spottenden nadruk legde zij op dat woord!“Gij weet wel dat hij mij gekocht heeft,”[196]hervatte zij, “of dat hij dat morgen doen zal. Hij heeft zijn koopje overlegd; hij heeft het zijn vriend laten zien; hij is er zelfs eenigszins grootsch op; hij denkt dat het hem wel zal bevallen en goedkoop genoeg te krijgen zal zijn; en morgen zal hij koopen. God, dat ik daarvoor geleefd heb, en dat ik het gevoel!”Vereenig in een schoon gelaat de bewuste zelfvernedering en de gloeiende verontwaardiging van honderd vrouwen, vol hartstocht en trots, en daar verborgen zij zich met twee blanke bevende armen.“Wat meent gij toch?” antwoordde de vergramde moeder. “Hebt gij niet van een kind af …”—“Een kind?” zeide Edith, haar aanziende. “Wanneer ben ik een kind geweest? Welke kindsheid hebt gij mij ooit gelaten? Ik was eene vrouw—baatzuchtig, listig, afgericht om de mannen strikken te spannen—eer ik mij zelve of u nog kende; eer ik zelfs het gemeene, ellendige doel begreep van elke nieuwe kunst die ik leerde. Gij hebt eene volwassene vrouw geboren. Zie haar aan. Zij is van avond in al haar glans.”En zoo sprekende gaf zij een slag op hare schoone borst, alsof zij zich zelve wilde neervellen.“Zie mij aan,” zeide zij, “die nooit geweten heb wat het is een eerlijk hart te hebben of liefde te gevoelen. Zie mij aan, geleerd om te kuipen en te intrigeeren als andere kinderen nog spelen, en in mijne jeugd—oud in geslepenheid—getrouwd met iemand voor wien ik niets anders gevoelde dan onverschilligheid. Zie mij aan, weduwe gebleven, toen hij stierf eer hij zijn erfgoed kreeg—een oordeel over u, en wel verdiend—en zeg mij wat sedert mijn leven, tien jaren lang, is geweest.”—“Wij hebben ons best gedaan om u weder goed te etablisseeren,” antwoordde hare moeder. “Dat is uw leven geweest. En nu is het zoover gelukt.”—“Er is geene slavin op de slavenmarkt, geen paard op de paardenmarkt, zoo ten toon gesteld en aangeboden en opgeveild en onderzocht en bekeken—moeder—als ik die tien schandelijke jaren geweest ben,” zeide Edith, met een gloeiend voorhoofd en denzelfden bitteren nadruk op dat eene woord. “Is het zoo niet? Ben ik niet tot een spot gemaakt voor allerlei mannen? Hebben gekken en lichtmissen, kwade jongens en oude suffers mij niet nageloopen, en mij een voor een afgekeurd en laten loopen, omdat gij met al uwe slimheid toch al te lomp waart, en al te oprecht, met al uwe valsche streken; tot wij bijna overal met spot en schande bekend zijn? Welke vrijpostigheid van bekijken en aanraken,” zeide zij met vlammende oogen, “heb ik niet moeten velen, bijna op de helft van al de plaatsen waar men inEngelandbijeenkomt? Ben ik niet hier en daar uitgestald en opgeveild, tot ik alle achting voor mij zelve heb verloren en van mij zelve walg? Is dat mijne late kindsheid geweest? Vroeger heb ik er geen gehad. Zeg mij niet dat ik er een gehad heb, van avond vooral niet!”—“Gij hadt ten minste al twintigmaal goed getrouwd kunnen zijn, Edith,” zeide hare moeder, “als ge maar aanmoediging genoeg hadt gegeven.”—“Neen! Wie mij neemt, uitschot dat ik ben en wel verdien te zijn,” antwoordde zij, haar hoofd opheffende en bevende van schaamte en trotsche verontwaardiging, “zal mij nemen, gelijk deze man doet, zonder dat ik eenige kunsten aanwend om hem te lokken. Hij ziet mij op de veiling en hij vindt goed mij te koopen. Laat hij! Toen hij kwam om mij te zien—misschien om te bieden—wilde hij de lijst van mijne talenten hebben. Ik gaf ze hem. Als hij wil dat ik er een van vertoon, om zijne lieden te laten zien dat hij een goeden koop doet, vraag ik hem wat hij verlangt vertoond te hebben, en vertoon het dan. Meer wil ik niet doen. Hij koopt uit eigene beweging en schat zelf de waarde van zijn koop en van zijn geld; en ik hoop dat hij nooit te leur gesteld zal zijn. Ik heb den koop niet geroemd en opgedrongen; dat hebt gij ook niet, zoover ik in staat ben geweest om het u te beletten.”—“Gij spreekt al zeer vreemd van avond, Edith, en dat tegen uwe eigene moeder.”—“Zoo komt het mij ook voor; mij nog vreemder dan u,” zeide Edith. “Maar mijne opvoeding is al lang geleden voltooid. Ik ben nu te oud en ben langzamerhand te laag gedaald, om een nieuwen weg in te slaan, en u op den uwen te stuiten. De kiem van alles wat het hart eener vrouw reinigt en het oprecht en goed maakt, is nooit in het mijne opgewekt, en als ik mij zelve veracht, heb ik niets meer om mij staande te houden.” Zij had eene aandoenlijke treurigheid in hare stem gehad, maar deze verdween weder, toen zij met opgekrulde bovenlip vervolgde: “Daar wij dus grootsch en arm zijn, ben ik er mede tevreden dat wij op die manier rijk worden. Al wat ik te zeggen heb is, dat ik het eenige voornemen getrouw ben gebleven, dat ik, met u bij mij, moeder, heb kunnen vormen, en dien man niet heb gelokt.”—“Dien man!” zeide hare moeder. “Gij spreekt haast alsof gij een haat tegen hem hadt.”—“En gij dacht dat ik hem liefhad, niet waar?” was haar antwoord. “Zal ik u zeggen,” hervatte zij, hare moeder strak aanziende, “wie ons reeds door en door kent en doorziet, en voor wien ik nog minder gevoel van eigenwaarde en zelfvertrouwen heb dan voor mij zelve, zoo vernederd als ik mij gevoel door de kennis die hij van mij heeft?”—“Dat is een uitval, moet ik denken,” antwoordde hare moeder koeltjes, “op dien armen, ongelukkigen, hoe heet hij ook weer—mijnheer Carker. Uw gebrek aan gevoel van eigenwaarde en zelfvertrouwen tegenover dien[197]persoon (dien ik een zeer innemend man vind, moet ik zeggen) zal u waarschijnlijk niet veel meer hinderen als gij eens geëtablisseerd zijt. Waarom ziet ge mij zoo strak aan? Zijt ge niet wel?”Edith’s gezicht betrok eensklaps, alsof zij door eene slang was gestoken, en terwijl zij hare handen voor hare oogen hield, liep er eene huivering door al hare leden. Dit was echter spoedig voorbij, en met haar gewonen tred ging zij de kamer uit.De kamenier, die een geraamte had moeten zijn, verscheen toen weder en gaf den eenen arm aan hare meesteres, die met hare valsche bekoorlijkheden ook al hare krachten scheen verloren, en met haar flanellen nachtgewaad eene verlamming scheen aangetrokken te hebben, zamelde de asch van Cleopatra bij elkander, nam deze in den anderen arm mede, en bracht beide weg, gereed voor eene kunstmatige opwekking des anderen daags.
Carker de chef stond met den leeuwerik op en ging in den zomerochtendstond uit wandelen. Zijn gepeins—en hij peinsde al voortkuierende met saamgetrokken wenkbrauwen—scheen niet zoo hoog als de leeuwerik te zweven, of die richting te nemen; het bleef integendeel dicht bij de aarde en wroette daar tusschen stof en wormen. Maar er was geen onzichtbaar zingende vogel in de lucht, verder buiten bereik van ieder menschelijk oog dan Carker’s gedachten. Hij had zijn gezicht zoo volmaakt onder bedwang, dat weinigen van zijne uitdrukking meer bepaalds konden zeggen dan dat het lachte of peinsde. Het peinsde nu met inspanning. Naarmate de leeuwerik hooger steeg verzonk hij in dieper gedachten. Naarmate de leeuwerik zijn gezang helderder uitgalmde, werd zijn stilzwijgen strakker en ernstiger. Eindelijk, toen de leeuwerik, met verdubbeld geschal, naar beneden kwam duiken en dicht bij hem in het groene koren neerviel, dat in het ochtendkoeltje als eene rivier golfde, ontwaakte hij uit zijn gemijmer en keek eensklaps met een glimlach rond, zoo beleefd en vriendelijk alsof hij een aantal opmerkers met zich te verzoenen had. Ook vergat hij zich, aldus gewekt, niet weder, maar streek zijn gezicht glad, als bedacht hij zich dat het anders rimpels zou kunnen krijgen en geheimen verklappen, en kuierde, als tot oefening, al glimlachend voort.
Misschien was het dewijl hij wist hoeveel van een eersten indruk afhangt, dat Carker dien ochtend bijzonder net en zorgvuldig gekleed was. Schoon altijd eenigszins stijf in zijne kleeding, in navolging van den grooten man wien hij diende, ging hij echter niet zoover als Dombey’s stijfheid; misschien te gelijk omdat hij wel wist dat deze belachelijk was, als omdat hij daardoor wederom een middel vond om zijne bewustheid van het verschil en den afstand tusschen hen aan te duiden. Sommige menschen noemden hem in dit opzicht een paskwil op zijn bevrozen patroon, maar de wereld is zeer genegen om iets verkeerd uit te leggen, en Carker was niet voor die slechte neiging verantwoordelijk.
Zoo net en proper, blozend en welgedaan, met een voorzichtigen stap, die het gras nog zachter scheen te maken, kuierde Carker de chef door de weiden, en gleed hij tusschen het groene geboomte door, tot het tijd werd om te gaan ontbijten. Toen omkeerende om een naderen weg terug te nemen, zeide hij hardop: “Nu om de tweede mevrouw Dombey te gaan zien!”
“Ga maar naar haar toe!” (blz. 189)“Ga maar naar haar toe!”(blz. 189)
“Ga maar naar haar toe!”(blz. 189)
[188]
Hij was om de stad heengedwaald en naderde deze weder langs eene wandelplaats, door zwaar[189]geboomte beschaduwd, en waar hier en daar banken stonden voor hen die verkozen te rusten. Daar deze plaats nooit druk bezocht werd, en op dat stille morgenuur er zeer eenzaam en verlaten uitzag, meende Carker geheel alleen te zijn, en kreeg het dus in zijn hoofd—daar hij nog twintig minuten tijd had voor een weg, dien hij gemakkelijk in tien kon afleggen—om geen pad te volgen, maar slingerend tusschen de dikke stammen der boomen heen te gaan, voor den eenen heen en achter den anderen om, als het ware een net van voetstappen over het bedauwde gras vlechtende.
Hij bevond dat hij zich vergist had met te denken, dat er niemand in dit boschje was, want toen hij zachtjes om den stam van een grooten boom heenstapte, met een bast zoo ruw en knobbelig als de huid van een rhinoceros, zag hij onverwacht eene gedaante op eene bank dichtbij zitten, welke hij een oogenblik later in zijn net zou hebben ingevlochten.
Het was eene dame, zeer elegant en kostbaar gekleed, welker donkere, trotsche oogen op den grond gevestigd waren, en in wier binnenste een of andere hartstocht scheen te woelen. Want terwijl zij daar zoo zat, had zij een hoek harer onderlip tusschen hare tanden getrokken, zwoegde hare borst en trilden hare neusgaten, beefde haar hoofd, rolden er tranen van verontwaardiging over hare wangen, en was haar voet op het mos gedrukt alsof zij het tot niet had willen stampen. En toch zag hij bijna met denzelfden blik, waarmede hij dit opmerkte, dezelfde dame opstaan met eene houding van lustelooze verveling, en zich omkeeren met een gezicht waarop niets anders dan koude schoonheid en hooghartige minachting te zien waren.
Eene gerimpelde, leelijke oude vrouw, gekleed niet zoozeer als eene heidin, dan als behoorde zij tot dat gemengde ras van vagebonden, die bedelend, stelend, ketellappend en biezen vlechtend het land afloopen, had insgelijks deze dame gadegeslagen; want toen zij opstond, krabbelde deze tweede gedaante—zulk een zonderling contrast met de eerste—van den grond op (scheen bijna daaruit op te rijzen) en trad haar in den weg.
“Laat ik u eens uw fortuin voorzeggen, mooie dame,” zeide het oude wijf, met hare kaken mommelende alsof het doodshoofd onder hare gele huid ongeduldig was om er uit te komen.—“Dat kan ik zelve wel doen,” was het antwoord.—“Ja, ja, mooie dame, maar niet recht. Gij hebt het niet recht gedaan toen gij daar zat. Ik heb u wel gezien. Geef mij een stuk zilver, mooie dame, en ik zal u waarzeggen. Er is rijkdom, mooie dame, in uw gezicht.”—“Dat weet ik wel,” antwoordde de dame, haar met een donkeren glimlach en een trotschen tred voorbijgaande. “Dat wist ik te voren al.”—“Wat, wilt ge mij niets geven?” riep het oude wijf. “Gij wilt mij niets geven om u te zeggen wat ik weet, mooie dame? Hoeveel wilt ge mij dan geven om hetniette zeggen? Geef mij wat, of ik zal het u naschreeuwen!” kraste het oude wijf kwaadaardig.
Carker, achter den boom, dien de dame juist wilde voorbijgaan om op het pad te komen, kwam vooruit, zoodat hij haar moest ontmoeten, nam in het voorbijgaan zijn hoed af, en beval het oude wijf om zich stil te houden. De dame dankte voor zijne tusschenkomst door even haar hoofd te buigen en ging haars weegs.
“Geef gij mij dan wat, of ik zal het haar naschreeuwen,” gilde het oude wijf, tegen zijn uitgestrekten arm inloopende. “Of kom,” vervolgde zij, en liet eensklaps hare stem dalen, zag hem ernstig aan en scheen in een oogenblik het voorwerp harer gramschap te vergeten, “geef mij wat, of ik zal het u naschreeuwen.”—“Mijnaschreeuwen, moedertje!” antwoordde Carker, de hand in den zak stekende.—“Ja,” zeide het wijf, hem nog strak aanziende en hare verschrompelde hand uitstekende. “Ik weet veel.”—“Wat weet gij dan?” zeide Carker, haar een schelling toewerpende. “Weet gij wie die mooie dame is?”
Al mommelend en met een boosaardigen schelen blik raapte het oude wijf den schelling op, en ging toen achteruit als eene krab, of liever als een geheele hoop krabben, want hare handen, met de kromme zich beurtelings sluitende en openende vingers, hadden er twee kunnen voorstellen, en haar verwrongen gezicht nog een aantal meer. Zij liet zich op den knoestigen wortel van een boom neerzakken, haalde een kort, zwart pijpje uit den bol van haar hoed, stak het met een vuurslag aan en ging stil zitten rooken, altijd nog den vrager aanziende.
Carker lachte en draaide zich luchtig om.
“Goed!” zeide het oude wijf. “Een kind dood, en een kind in leven; eene vrouw dood, en eene vrouw op zicht. Ga maar naar haar toe!”
Carker kon niet nalaten om te kijken en te blijven staan. Het wijf had haar pijpje niet uit den mond genomen, en mompelde terwijl zij rookte, alsof zij met een onzichtbaren gedienstigen in gesprek was, terwijl zij met haar vinger in de richting wees die hij ging.
“Wat hebt gij daar gezegd, oude heks?” zeide hij.
Het wijf bleef mommelen, snateren en rooken, en nog met haar vinger wijzen, maar gaf geen antwoord. Een lang niet vleienden afscheidsgroet mompelende ging Carker heen, maar toen hij in de verte nog eens omkeek, zag hij het wijf nog met haar vinger wijzen, en meende hij haar nog te hooren schreeuwen: “Ga maar naar haar toe!”
In het logement vond hij een keurig ontbijt gereed, waarbij Dombey en de majoor op de[190]dames zaten te wachten. Zoo iets hangt zeker grootendeels van iemands gestel af, maar in dit geval was de eetlust sterker dan de liefde; want Dombey was zeer koel en bedaard en de majoor zeer ongeduldig. Eindelijk werd de deur door den inboorling geopend, en na eene poos wachtens, daardoor veroorzaakt, dat zij zoo kwijnend langzaam den gang doorkwam, verscheen eene zeer blozende, maar niet zeer jeugdige dame.
“Mijn beste mijnheer Dombey,” zeide de dame, “ik vrees dat wij laat komen; maar Edith is al uit geweest om naar een fraai gelegen plekje voor eene schets te zoeken, en heeft mij naar haar laten wachten. Valschaard van een majoor,” hem haar pink gevende; “hoe gaat het u?”—“Mevrouw Skewton,” zeide Dombey, “laat ik mijn vriend Carker het genoegen mogen geven om hem u te presenteeren.” Onwillekeurig legde hij een nadruk op het woord “vriend,” als wilde hij zeggen “ik weet wel dat ik hem veel eer bewijs met die onderscheiding.”—“Gij hebt mij wel van mijnheer Carker hooren spreken.”—“O, ik ben waarlijk gecharmeerd,” zeide mevrouw Skewton zeer vriendelijk.
Carker was natuurlijk ook gecharmeerd—zou, ter wille van Dombey, nog meer gecharmeerd zijn geweest, als mevrouw Skewton (gelijk hij eerst dacht) de Edith geweest was, op welke hij den vorigen avond had gedronken.
“Maar waar om ’s hemels wil blijft Edith toch!” riep mevrouw Skewton uit. “Nog aan de deur om Withers te beduiden waarbij die teekeningen moet brengen om op te zetten! Lieve mijnheer Dombey, wilt gij wel zoo goed zijn—”
Dombey was haar reeds gaan zoeken. Een oogenblik later kwam hij terug, met de schoone elegant gekleede dame aan den arm, welke Carker onder het geboomte had ontmoet.
“Carker—” begon Dombey. Maar hunne wederzijdsche herkenning was zoo duidelijk, dat hij verwonderd bleef steken.—“Ik ben mijnheer verplicht,” zeide Edith, met eene statige buiging, “dat hij mij daar straks van den overlast van eene bedelaarster heeft bevrijd.”
Terwijl haar oog even op hem rustte en toen naar den grond werd geslagen, zag hij in dien helderen, uitvorschenden blik een vermoeden, dat hij niet pas op het oogenblik zijner tusschenkomst was aangekomen, maar haar reeds vroeger had waargenomen. Terwijl hij dit zag, zag zij inzijnoog dat haar wantrouwen niet ongegrond was.
“Waarlijk,” zeide mevrouw Skewton, die deze gelegenheid had waargenomen om Carker door haar lorgnet te inspecteeren, en zich overtuigd had (gelijk zij den majoor hoorbaar toefluisterde) dat hij een allerliefst, hartelijk man was. “Waarlijk, dat is zulk eene charmante toevalligheid als ik ooit gehoord heb. Lieve Edith, er is zulk eene zichtbare bestemming van het noodlot in, dat iemand waarlijk haast de armen kruiselings over haar fichu zou leggen en zeggen, evenals die gruwelijke Turken, er is geen, ge weet wel, dan, ge weet wel, en die met zijn raren naam is zijn profeet.”
Edith verwaardigde zich niet om iets over deze buitengewone aanhaling uit den Koran te zeggen, maar Dombey achtte het noodig eenige beleefde aanmerkingen te bieden.
“Het doet mij groot genoegen,” zeide hij met stijve galanterie, “dat een heer, die in zulke nauwe betrekking met mij staat als Carker, de eer en het geluk mocht hebben om mevrouw Granger den geringsten dienst te bewijzen.” Daarbij boog hij voor haar. “Maar het spijt mij eenigszins en het geeft mij waarlijk aanleiding om op Carker wangunstig te zijn,” onwillekeurig legde hij een nadruk op deze woorden, als bewust dat zij zeer bevreemdend moesten schijnen, “dat ik niet zelf die eer en dat geluk mocht hebben.” Hij boog zich wederom, Edith bleef roerloos behalve dat hare lip eenigszins krulde.—“Waarachtig, mijnheer,” riep de majoor uit, op het gezicht van den knecht, die kwam zeggen dat het ontbijt gereed was, eensklaps zijne spraak herkrijgende, “het komt mij zeer wonderlijk voor dat niemand de eer en het geluk kan hebben om zulke bedelaarsters door den kop te schieten, zonder dat hem dat kwalijk zou genomen worden. Maar hier is een arm voor mevrouw Granger, als zij J. B. de eer wil geven om dien te nemen, en de grootste dienst, dien Joe u nu kan bewijzen, mevrouw, is u naar de tafel te brengen.”
Daarmede gaf de majoor Edith zijn arm; Dombey ging met mevrouw Skewton vooruit; Carker kwam achteraan en zag het gezelschap glimlachend na.
“Ik ben waarlijk opgetogen, mijnheer Carker,” zeide de mama, onder het ontbijt, nadat zij hem nog eens goedkeurend door haar lorgnet had bekeken, “dat uw bezoek juist zoo gelukkig treft, dat gij vandaag met ons kunt medegaan. Het zal een charmant toertje zijn.”—“Ieder toertje zou in zulk een gezelschap charmant wezen,” antwoordde Carker; “maar ik geloof dat dit op zich zelf zeer interessant is.”—“O,” zeide mevrouw Skewton, met een flauw gilletje van verrukking, “het kasteel is betooverend—vol herinneringen uit de middeleeuwen en dat alles—dat zoo aandoenlijk is. Houdt gij ook niet veel van de middeleeuwen, mijnheer Carker?”—“Bijzonder,” antwoordde Carker.—“Zulk een verrukkelijke tijd!” riep Cleopatra uit. “Zoo hartelijk en natuurlijk! Zoo schilderachtig! Zoo ver boven al het alledaagsche! Och, dat men ons in dezen akeligen tijd wat meer van de poëzie des levens wilde laten houden.”
Mevrouw Skewton lette, terwijl zij dit zeide, scherp op Dombey, die naar Edith zag, welke, zonder hare oogen op te slaan, zat te luisteren.
“Wij zijn verschrikkelijk aan de prozaïsche[191]werkelijkheid gebonden, niet waar, mijnheer Carker?” zeide mevrouw Skewton.
Weinig menschen hadden minder over een gebonden zijn aan de werkelijkheid te klagen dan Cleopatra, die zooveel valsche eigenschappen en sieraden had, dat men bijna niets werkelijks meer aan haar zag. Carker beklaagde haar evenwel en bekende dat zij het in dat opzicht zeer hard hadden.
“Schilderijen op het kasteel—goddelijk!” zeide Cleopatra. “Ik hoop dat gij ook veel van schilderijen houdt?”—“Ik verzeker u, mevrouw Skewton,” zeide Dombey, om zijn dienaar eene plechtige aanmoediging te geven, “dat Carker zeer veel smaak voor schilderijen heeft; een natuurlijk talent om ze te beoordeelen. Hij is zelf een zeer knap teekenaar. Hij zal opgetogen zijn, houd ik mij verzekerd, over mevrouw Granger’s smaak en bekwaamheid.”—“Verduiveld, mijnheer,” riep majoor Bagstock uit, “ik ben van gedachten dat gij een mirakel van knapheid zijt, en alles kunt.”—“O, majoor,” zeide Carker met glimlachende nederigheid, “ge zijt veel te goed. Ik kan maar zeer weinig. Maar mijnheer Dombey is zoo mild in het prijzen van alle beuzelachtige talenten, die iemand als ik zich bijna noodzakelijk moet eigen maken, en waarboven hij, in zijne positie, ver verheven is, dat …” Hij haalde zijne schouders op, als om te verzoeken van meerderen lof verschoond te blijven, en sprak niet verder.
Al dien tijd sloeg Edith hare oogen niet op, dan om somtijds even naar hare moeder te zien, wanneer deze hare geestdrift lucht gaf. Maar toen Carker zweeg, zag zij Dombey voor een oogenblik aan. Voor een oogenblik slechts, maar met eene uitdrukking van verwondering en minachting, welke voor een opmerker, die glimlachend de tafel rondkeek, niet verloren ging.
Dombey zag haar hare oogen weder neerslaan en poogde hare aandacht opnieuw te trekken.
“Ge zijt ongelukkig al dikwijls naarWarwickgeweest?” zeide hij.—“Verscheidene malen.”—“Het toertje zal dus vervelend voor u zijn, vrees ik?”—“O neen, geheel niet.”—“Ja, daarin gelijkt ge naar uw neef Feenix, lieve Edith,” liet mevrouw Skewton hierop volgen. “Hij is zeker wel vijftigmaal naar het kasteel vanWarwickgeweest, en toch, als hij morgen teLeamingtonkwam—dat ik wel wenschte—zou hij het overmorgen zijne een en vijftigste visite brengen.”—“Wij hebben allen zooveel enthusiasme, niet waar, mama?” zeide Edith met een kouden glimlach.—“Al te veel voor de rust van onze ziel misschien, melieve,” antwoordde hare moeder, “maar wij willen niet klagen. Onze eigene aandoeningen zijn onze belooning. Misschien verslijt, gelijk uw neef Feenix zegt, de degen de—hoe is het ook weer?”—“De scheede, misschien,” zeide Edith.—“O ja—wat al te gauw, maar dat is omdat hij zoo gloeiend scherp en blinkend is, weet ge wel, liefje.”
Mevrouw Skewton slaakte een zuchtje, dat de houten kling moest gelden waarvan hare teergevoelige borst de scheede was, liet à la Cleopatra haar hoofd op zijde hangen, en zag haar geliefd kind met peinzende genegenheid aan.
Edith had, toen Dombey haar aansprak, haar gezicht naar hem toegekeerd, en was in die houding gebleven, terwijl zij tot hare moeder en hare moeder tot haar sprak, alsof zij hem hare oplettendheid aanbood, als hij nog iets te zeggen had. De manier, waarop zij deze eenvoudige beleefdheid bewees, had bijna iets uitdagends, iets alsof zij die gedwongen en tegen haar zin bewees, en dit ging wederom niet verloren voor den opmerker, die glimlachend de tafel rondkeek. Het deed hem aan haar denken gelijk hij haar het eerst had gezien, toen zij geloofde dat zij tusschen het geboomte alleen was.
Daar Dombey niets anders te zeggen had, en het ontbijt nu was afgeloopen—de majoor was opgepropt als een boa constrictor—deed hij het voorstel om te vertrekken. Er stond eene barouche te wachten. De twee dames, de majoor en Dombey namen daarin plaats; de inboorling en de bleeke page klommen op den bok, Towlinson bleef achter, en Carker reed te paard mede.
Carker bleef op den geheelenriteen eind achter het rijtuig, en beloerde het alsof hij werkelijk eene kat, en de vier, die er inzaten, muizen waren. Hetzij hij naar den eenen kant van den weg of naar den anderen keek—over het uitgebreide landschap met zacht golvende heuvelen, windmolens, korenvelden, weiden, wilde bloemen, boerenwoningen, hooibergen en kerktorens—of omhoog in de zonnige lucht, waar de vlindertjes om zijn hoofd fladderden en de vogelen hunne liederen uitgalmden—of naar beneden, waar de schaduwen der takken zich samenvlochten en een geschakeerd tapijt over den grond weefden—of vooruit, waar het overhangende geboomte gewelven en bogen vormde en slechts eene zachte schemering door het loofdak drong—altijd hield hij één oog schuins op het stijf opgerichte hoofd van Dombey gericht, dat naar hem was toegekeerd, en op de veder, die zoo sierlijk, maar zoo smadelijk tusschen hen inhing, en toonde dat de trotsche oogleden niet werden opgeslagen. Slechts eenmaal liet zijn loerende blik die voorwerpen los, en dat was toen een sprong over eene lage heg en een galop door een veld het hem mogelijk maakten om het rijtuig voor te komen, en aan het eind van den tocht gereed te staan om de dames er uit te helpen. Toen, en toen alleen, ontmoette hij, in hare eerste verrassing, haar blik, maar toen hij haar, bij het afstappen,[192]met zijne zachte witte hand aanraakte, scheen zij hem weder geheel niet te zien.
Mevrouw Skewton was er op gesteld om Carker bij zich te houden en hem de schoonheden van het kasteel te laten zien. Zij wilde zijn arm hebben en dien van den majoor ook. Het zou dat onverbeterlijke schepsel, dat op het punt van poëzie een ongeloovig barbaar was, goeddoen in zulk gezelschap te wezen. Deze schikking liet Dombey toevallig vrijheid om Edith te geleiden, hetgeen hij dan ook deed, met statige deftigheid vooruit door de vertrekken stappende.
“Die lieve oude tijd, mijnheer Carker,” zeide Cleopatra, “met zijne heerlijke kasteelen, en die aardige oude gevangenissen, en die verrukkelijke pijnkelders, en die romaneske wraakoefeningen, en die schilderachtige gevechten en belegeringen, en alles dat het leven zoo bekoorlijk maakt! Hoe vreeselijk zijn wij toch verbasterd!”—“Ja, wij zijn jammerlijk achteruitgegaan,” zeide Carker.
Het eigenaardige van hun gesprek bestond daarin, dat mevrouw Skewton in spijt van hare verrukking, en Carker in spijt van zijne beleefdheid, beide scherp op Dombey en Edith acht gaven. Met al hun talent voor conversatie spraken zij dus tamelijk verstrooid en verward.
“Wij hebben geen geloof meer,” zeide mevrouw Skewton, haar uitgedroogd oor naar voren keerende, want Dombey zeide juist iets tot Edith; “wij hebben geen geloof meer aan die goede oude baronnen, die zulke alleraardigste lieden waren—of aan die brave oude priesters, die zoo krijgshaftig waren—of zelfs in de dagen van die weergalooze koningin Elizabeth, daar aan den muur, die zulk een echt gouden tijd waren. Lieve vrouw! Zij nog hartelijk! En die charmante vader van haar! Ik hoop dat gij ook veel van Hendrik den achtste houdt?”—“Ik bewonder hem buitengemeen,” zeide Carker.—“Zoo rondborstig, niet waar?” riep mevrouw Skewton uit. “En zoo welgedaan! Zoo echt engelsch! En zulk een schilderachtig portret geeft hij, met zijne kleine, geknepene oogjes en zijne menschlievende kin!”—“O mevrouw,” zeide Carker, en bleef stilstaan, “als gij van schilderijen spreekt, daar hebt gij eene compositie! Welke galerij in de wereld kan er een pendant van toonen?”
Terwijl de glimlachende geleider van mevrouw Skewton zoo sprak, wees hij door eene deur naar het midden van eene andere kamer waar Dombey en Edith stonden.
Zij waren met elkander alleen, maar wisselden woord noch blik. Zoo bij elkander, arm in arm, scheen het dat zij verder van elkander gescheiden waren dan alsof zeeën tusschen hen stroomden. Er was zelfs een verschil in de trotschheid van die twee, dat hen nog verder van elkander verwijderde, dan wanneer de een het hoogmoedigste en de andere het nederigste schepsel op aarde was geweest. Hij, vol van zijne eigene waarde, onbuigzaam, stijf en stroef. Zij, schoon en bevallig, in buitengewone mate, maar onverschillig voor zich zelve en hem en alles in het rond, en met haar fieren trots hare eigene bekoorlijkheden smadende, alsof deze eene livrei waren, waarvan zij een afkeer had. Zoo slecht pasten zij bij elkander, zoo geweldig waren zij aan elkander geboeid met eene keten, die het ongelukkigste toeval had gesmeed, dat men zich had kunnen verbeelden dat de schilderijen aan de wanden van die onnatuurlijke vereeniging schrikten, en daarop met eigenaardige blijken van ongenoegen acht gaven. Ridders en krijgslieden zagen met dreigende verontwaardiging op hen neer. Een geestelijke veroordeelde, met opgehevene hand, de heiligschennis dat zulk een paar voor Gods altaar zou treden. Stille waters in landschappen, in welker diepte de zonneschijn spiegelde, vroegen of, als er geene betere uitkomst was, er geen verdrinken overschoot. Dieven, door de natuur tot vijanden gemaakt, verscheurden elkander, als een waarschuwend voorbeeld voor hen. Minnegoodjes en engeltjes namen verschrikt de vlucht, en de geschilderde geschiedenis van het martelaarschap kon geene zulke foltering vertoonen.
Evenwel was mevrouw Skewton zoo opgetogen over het gezicht, waarop Carker hare aandacht vestigde, dat zij zich niet onthouden kon half luid te zeggen, hoe vol ziel en gevoel het was! Edith hoorde haar, zag om en kreeg van verontwaardiging een blos tot over het voorhoofd.
“Mijne lieve Edith weet wel dat ik haar stond te bewonderen,” zeide Cleopatra, haar bijna schroomvallig met hare parasol op den rug tikkende. “Niet waar, liefje?”
Wederom zag Carker den zielestrijd, waarvan hij tusschen het geboomte zoo onverwacht getuige was geweest. Wederom zag hij die trotsche onverschilligheid en lusteloosheid terugkomen en hare gemoedsbeweging als achter eene wolk verbergen.
Zij sloeg hare oogen niet naar hem op, maar met eene kleine, gebiedende beweging daarvan scheen zij hare moeder te bevelen, om bij haar te komen. Mevrouw Skewton achtte het raadzaam dien wenk te verstaan, en met hare twee cavaliers snel nader komende, bleef zij van dien tijd af bij hare dochter.
Carker, die nu niets meer had om zijne aandacht af te trekken, begon over de schilderijen te spreken, en wees de beste aan Dombey. Hij sprak met zijne gewone ongedwongene erkentenis van Dombey’s grootheid, en bewees hem hulde door zijn tooneelkijker voor hem op de rechte maat uit te schuiven, iets in den catalogus voor hem op te zoeken, zijn stok vast[193]te houden, en dergelijke. Deze diensten waren echter, om de waarheid te zeggen, niet zoozeer van Carker afkomstig als van Dombey zelven, die wel genegen was om zijn oppergezag te doen blijken, door op eene voor hem ongedwongene manier te zeggen: “Hier, Carker, wilt ge zoo goed zijn om mij eens te helpen?” hetgeen de glimlachende dienaar dan altijd met genoegen deed.
“Een kind?” zeide Edith, haar aanziende. “Wanneer ben ik een kind geweest? Welke kindsheid hebt gij mij ooit gelaten?” (blz. 196).“Een kind?” zeide Edith, haar aanziende. “Wanneer ben ik een kind geweest? Welke kindsheid hebt gij mij ooit gelaten?”(blz. 196).
“Een kind?” zeide Edith, haar aanziende. “Wanneer ben ik een kind geweest? Welke kindsheid hebt gij mij ooit gelaten?”(blz. 196).
Zij bezichtigden zoo de schilderijen, de muren, het kraaiennest, en zoo voort; en daar zij nu één gezelschap uitmaakten, en de majoor, die, zoolang zijne spijsvertering duurde, slaperig was, zich in de schaduw hield, werd Carker zeer spraakzaam en onderhoudend. Eerst richtte hij grootendeels het woord tot mevrouw Skewton, maar daar deze fijngevoelige dame, na het eerste kwartieruurs, zoo verrukt over de kunstwerken was, dat zij niets anders kon doen dan geeuwen (zij waren zulke volmaakte inspiratiën, merkte zij aan als eene reden voor dit blijk van verrukking) wijdde hij verder zijne opmerkzaamheid aan Dombey. Deze zeide weinig meer dan: “Wel waar, Carker,” of “inderdaad, Carker,” maar moedigde hem toch stilzwijgend aan om voort te gaan, en was bij zich zelven zeer tevreden over zijn gedrag, daar hij het zeer goed vond dat er iemand praatte en[194]meende dat zijne geestigheden, die als het ware eene bijzaak van het kantoor waren, mevrouw Granger misschien zouden amuseeren. Carker, die wel wist wat hij deed, nam nooit de vrijheid om die dame rechtstreeks aan te spreken: maar zij scheen toch te luisteren, hoewel zij hem nooit aanzag, en een paar malen, toen zijne eigenaardige nederigheid bijzonder uitkwam, vloog die schemering van een glimlach over haar gelaat, niet als een licht, maar als eene donkere, zwarte schaduw.
ToenWarwick Castlezoo tamelijk, en de majoor geheel uitgeput was—om niet van mevrouw Skewton te spreken, wier eigenaardige blijken van genot zeer veelvuldig waren geworden, ging men weder naar het rijtuig, en reed men naar eenige der meest bewonderde gezichtspunten in den omtrek. Dombey merkte bij een daarvan metcomplimenteuzestatigheid aan, dat eene schets, hoe vluchtig ook, van de schoone hand van mevrouw Granger, eene aangename herinnering van een aangenamen dag voor hem zou zijn; hoewel hij voorzeker geene opzettelijke herinnering noodig zou hebben (hier maakte hij weder een van zijne buigingen) van iets dat hij altijd op hoogen prijs zou stellen. Withers, die Edith’s schetsboek onder den arm had, werd dadelijk door mevrouw Skewton geroepen om het aan te geven; en het rijtuig hield stil, opdat Edith de teekening zou kunnen maken, welke Dombey onder zijne schatten zou bewaren.
“Maar ik vrees dat ik u te veel moeite verg,” zeide Dombey.—“O neen. Waarvan wenscht gij eene schets genomen te hebben?” antwoordde zij, zich naar hem toekeerende met dezelfde gedwongene oplettendheid als te voren.
Met nog eene buiging, welke de stijfsel in zijne das deed kraken, verzocht Dombey dit aan de kunstenares te mogen overlaten.
“Ik heb liever dat gij zelf kiest,” zeide Edith.—“Als wij dan zeiden hier vandaan,” hervatte Dombey. “Dit schijnt een goed punt te zijn, of—Carker, wat denkt gij?”
Toevallig lag er op den voorgrond, niet ver van daar, een boschje, niet ongelijk aan dat waarin Carker des morgens zijn net van voetstappen had gevlochten, en met eene bank onder één boom, in plaatsing en uitzicht zeer gelijkende naar die, waar zijne wandeling was gestuit.
“Zou ik mevrouw Granger in bedenking mogen geven,” zeide Carker, “dat daar een interessant—bijna een merkwaardig—oogpunt is.”
Zij volgde de richting zijner karwats met hare oogen en sloeg ze toen snel naar zijn gezicht op. Dit was de tweede blik dien zij met elkander wisselden, en hij zou volkomen gelijk aan den eersten zijn geweest, als de uitdrukking niet nog duidelijker geweest was.
“Zou dat u bevallen?” zeide Edith tot Dombey.—“Het zal mij bekoren,” was zijn antwoord.
Het rijtuig reed dus naar de plek die Dombey zou bekoren; en zonder van hare plaats op te staan, opende Edith, met hare gewone trotsche onverschilligheid, haar schetsboek, en begon te teekenen.
“Mijne potlooden zijn allen zonder punt,” zeide zij, ophoudende en ze naziende.—“O mag ik dan,” zeide Dombey. “Of Carker zal dat beter doen, hij verstaat die dingen. Carker, wees zoo goed om die potlooden eens voor mevrouw Granger na te zien.”
Carker kwam met zijn paard dicht bij het portier aan mevrouw Granger’s kant, liet de teugels op den hals van het dier vallen, nam haar met een glimlach en eene buiging de potlooden uit de hand, en puntte ze, zoo in den zadel zittende, op zijn gemak aan. Dit gedaan hebbende, verzocht hij haar ze te mogen vasthouden en haar aan te geven naarmate zij ze noodig had. En zoo bleef Carker, onder vele loftuitingen op mevrouw Granger’s buitengemeen talent, inzonderheid voor boomen, vlak bij haar en keek naar de teekening terwijl zij die maakte; Dombey stond ondertusschen stijf rechtop in het rijtuig, als een hoogst fatsoenlijk spook, insgelijks toe te kijken, terwijl Cleopatra en de majoor dartelden gelijk twee stokoude duifjes hadden kunnen doen.
“Zijt ge daarmede tevreden, of zal ik het nog wat meer afmaken?”
Dombey verzocht er niets meer aan te doen; het was de volmaaktheid zelve.
“Het is buitengemeen,” zeide Carker, bij dien lof al zijn tandvleesch toonende. “Ik had niet gedacht iets zoo schoons—en zoo ongewoons—te zullen zien.”
Dit had op de teekenares niet minder dan op de teekening toepasselijk kunnen zijn; maar Carker’s gezicht was de openhartigheid zelve. En dit bleef het terwijl de teekening voor Dombey geborgen en het schetsboek weder ingepakt werd. Toen gaf hij de potlooden terug (die met eene geringe buiging tot dank voor zijne hulp, maar zonder hem aan te zien, werden aangenomen) hernam de teugels, liet het rijtuig voorbij en reed weder daarachter.
Misschien dacht hij, terwijl hij reed, dat zelfs deze luchtige schets geteekend en aan den eigenaar overgegeven was, alsof zij bedongen en gekocht was. Misschien dacht hij, dat, hoewel zij zoo bereidvaardig in zijn verzoek had bewilligd, haar strak gezicht, over de teekening gebogen, of opgeheven naar de verwijderde voorwerpen die zij afbeeldde, het gezicht eener trotsche vrouw was, gedwongen om zich met iets laags en gemeens in te laten. Misschien dacht hij aan zulke dingen; maar zekerlijk glimlachte hij, en terwijl hij nog scheen rond te zien en de ruime lucht en de beweging te genieten, hield hij in de schuinte het rijtuig altijd scherp in het oog.[195]
Eene wandeling tusschen de spookachtige ruïnen vanKenilworth, en nog eenige ritjes naar nog eenige gezichtspunten, waarvan Edith, gelijk mevrouw Skewton Dombey herinnerde, de meeste reeds had geteekend, gelijk hij gezien had toen hij hare teekeningen doorkeek, brachten den dag verder om. Men reed terug en bracht mevrouw Skewton en Edith naar hare woning. Carker werd door Cleopatra vriendelijk geïnviteerd om des avonds daar met Dombey en den majoor terug te komen, en wat muziek van Edith te hooren, en de drie heeren begaven zich naar hun logement om te dineeren.
Het diner was het pendant van dat van gisteren, behalve dat de majoor vier en twintig uren meer triomfeerend en minder geheimzinnig was. Wederom werd er op Edith gedronken. Wederom was Dombey aangenaam verlegen, en Carker vol belangstelling en lof.
Er was geen ander bezoek bij mevrouw Skewton. Edith’s teekeningen waren door de kamer verstrooid, wat rijkelijker dan gewoonlijk misschien; en Withers, de bleeke page, gaf wat sterker thee rond. Maar zelfs de muziek werd, als het ware, door Edith aan de orde van Dombey uitbetaald, met dezelfde stroeve promptheid. Aldus bij voorbeeld:
“Edith, liefje,” zeide mevrouw Skewton, een half uur na de thee. “Mijnheer Dombey sterft van verlangen om u te hooren, weet ik.”—“Mijnheer Dombey heeft nog leven genoeg om dat zelf te zeggen, mama, twijfel ik niet.”—“Het zal mij ontzaglijk verplichten,” zeide Dombey.—“Wat verlangt gij?”—“Piano?” zeide Dombey aarzelend.—“Wat u belieft. Gij hebt maar te kiezen.”
Zij begon dus met de piano. Eveneens was het met de harp; eveneens met de keus der stukken die zij zong en speelde. Zulk eene ijskoude en gedwongene, en toch vaardige en opzettelijk in het oogloopende bewilliging in de wenschen die hij haar oplegde, was opmerkelijk genoeg om onder al de afwisselingen van het piket-spel Carker’s aandacht te trekken. Ook ontging het hem niet dat Dombey blijkbaar trotsch was op zijne macht en die met zeker welbehagen toonde.
Evenwel speelde Carker zoo goed—eenige partijen met den majoor en eenige met Cleopatra, welker waakzaamheid van oog ten aanzien van Dombey en Edith geen lynks had kunnen overtreffen—dat hij nog hooger in de gunst dier dame steeg, en dat, toen hij bij het afscheidnemen zijn leedwezen betuigde dat hij den volgenden morgen naarLondenmoest terugkeeren, Cleopatra, met eene overeenstemming van gevoel die men niet dagelijks aantreft, vertrouwde dat zij elkander lang niet voor de laatste maal zouden ontmoet hebben.
“Dat hoop ik ook,” zeide Carker, met een veelbeteekenenden blik naar het paar op eenigen afstand, “en denk ik ook,” en volgde den majoor naar de deur.
Dombey, die statig afscheid van Edith had genomen, boog zich eenigszins over Cleopatra’s sofa en zeide zacht:
“Ik heb mevrouw Granger verlof gevraagd om haar morgenochtend nog eens te komen bezoeken—met een oogmerk—en zij heeft twaalf uur bepaald. Mag ik hopen om u naderhand thuis te vinden, mevrouw?”
Cleopatra was zoodanig onthutst door het hooren van dit, natuurlijk onbegrijpelijke, gezegde, dat zij niets anders kon doen, dan hare oogen sluiten, haar hoofd schudden en Dombey hare hand geven, welke Dombey, niet recht wetende wat er mede te doen, liet vallen.
“Kom toch voort, Dombey!” riep de majoor, de deur binnenkijkende. “Verduiveld, mijnheer, oude Joe heeft grooten lust om eene verandering in den naam van hetRoyal Hotelvoor te slaan, en dat het deDrie Vroolijke Vrijerszou moeten heeten, ter eere van ons zelven en Carker.” Daarbij klopte de majoor Dombey op den rug, lonkte over zijn schouder naar de dames, op het punt om eene beroerte te krijgen, naar het scheen, en ging met hem heen.
Mevrouw Skewton bleef op hare sofa liggen rusten, en Edith bleef, een eind van haar af, stil bij hare harp zitten. De moeder speelde met haar waaier en keek tersluiks meer dan eens naar de dochter; maar de dochter, in somber gepeins verdiept, liet zich niet storen.
Zoo bleven zij een eindeloos uur bij elkander, zonder een woord te spreken, tot mevrouw Skewton’s kamenier verscheen, om haar langzamerhand voor den nacht gereed te maken. Des avonds had die kamenier een geraamte moeten zijn met eene schicht en een zandlooper, want hare hand was als de hand van den dood. Het geblankette ding schrompelde onder die hand weg; de geheele gedaante zakte ineen, de haren vielen af, de donkere gebogene wenkbrauwen veranderden in ongeregelde plekjes grijs, de bleeke lippen krompen in, de huid werd slap en lijkkleurig, en in Cleopatra’s plaats bleef niets anders over dan een geel, afgeleefd oud bestje, gelijk een slordig gebonden pakje vuil goed in eene smerige flanellen japon gemoffeld.
Zelfs de stem, die Edith aansprak toen zij weder alleen waren, was veranderd.
“Waarom zegt ge mij niet,” zeide die stem scherp, “dat hij morgen met afspraak hier komt?”—“Omdat ge dat wel weet—moeder,” antwoordde Edith.
Welk een spottenden nadruk legde zij op dat woord!
“Gij weet wel dat hij mij gekocht heeft,”[196]hervatte zij, “of dat hij dat morgen doen zal. Hij heeft zijn koopje overlegd; hij heeft het zijn vriend laten zien; hij is er zelfs eenigszins grootsch op; hij denkt dat het hem wel zal bevallen en goedkoop genoeg te krijgen zal zijn; en morgen zal hij koopen. God, dat ik daarvoor geleefd heb, en dat ik het gevoel!”
Vereenig in een schoon gelaat de bewuste zelfvernedering en de gloeiende verontwaardiging van honderd vrouwen, vol hartstocht en trots, en daar verborgen zij zich met twee blanke bevende armen.
“Wat meent gij toch?” antwoordde de vergramde moeder. “Hebt gij niet van een kind af …”—“Een kind?” zeide Edith, haar aanziende. “Wanneer ben ik een kind geweest? Welke kindsheid hebt gij mij ooit gelaten? Ik was eene vrouw—baatzuchtig, listig, afgericht om de mannen strikken te spannen—eer ik mij zelve of u nog kende; eer ik zelfs het gemeene, ellendige doel begreep van elke nieuwe kunst die ik leerde. Gij hebt eene volwassene vrouw geboren. Zie haar aan. Zij is van avond in al haar glans.”
En zoo sprekende gaf zij een slag op hare schoone borst, alsof zij zich zelve wilde neervellen.
“Zie mij aan,” zeide zij, “die nooit geweten heb wat het is een eerlijk hart te hebben of liefde te gevoelen. Zie mij aan, geleerd om te kuipen en te intrigeeren als andere kinderen nog spelen, en in mijne jeugd—oud in geslepenheid—getrouwd met iemand voor wien ik niets anders gevoelde dan onverschilligheid. Zie mij aan, weduwe gebleven, toen hij stierf eer hij zijn erfgoed kreeg—een oordeel over u, en wel verdiend—en zeg mij wat sedert mijn leven, tien jaren lang, is geweest.”—“Wij hebben ons best gedaan om u weder goed te etablisseeren,” antwoordde hare moeder. “Dat is uw leven geweest. En nu is het zoover gelukt.”—“Er is geene slavin op de slavenmarkt, geen paard op de paardenmarkt, zoo ten toon gesteld en aangeboden en opgeveild en onderzocht en bekeken—moeder—als ik die tien schandelijke jaren geweest ben,” zeide Edith, met een gloeiend voorhoofd en denzelfden bitteren nadruk op dat eene woord. “Is het zoo niet? Ben ik niet tot een spot gemaakt voor allerlei mannen? Hebben gekken en lichtmissen, kwade jongens en oude suffers mij niet nageloopen, en mij een voor een afgekeurd en laten loopen, omdat gij met al uwe slimheid toch al te lomp waart, en al te oprecht, met al uwe valsche streken; tot wij bijna overal met spot en schande bekend zijn? Welke vrijpostigheid van bekijken en aanraken,” zeide zij met vlammende oogen, “heb ik niet moeten velen, bijna op de helft van al de plaatsen waar men inEngelandbijeenkomt? Ben ik niet hier en daar uitgestald en opgeveild, tot ik alle achting voor mij zelve heb verloren en van mij zelve walg? Is dat mijne late kindsheid geweest? Vroeger heb ik er geen gehad. Zeg mij niet dat ik er een gehad heb, van avond vooral niet!”—“Gij hadt ten minste al twintigmaal goed getrouwd kunnen zijn, Edith,” zeide hare moeder, “als ge maar aanmoediging genoeg hadt gegeven.”—“Neen! Wie mij neemt, uitschot dat ik ben en wel verdien te zijn,” antwoordde zij, haar hoofd opheffende en bevende van schaamte en trotsche verontwaardiging, “zal mij nemen, gelijk deze man doet, zonder dat ik eenige kunsten aanwend om hem te lokken. Hij ziet mij op de veiling en hij vindt goed mij te koopen. Laat hij! Toen hij kwam om mij te zien—misschien om te bieden—wilde hij de lijst van mijne talenten hebben. Ik gaf ze hem. Als hij wil dat ik er een van vertoon, om zijne lieden te laten zien dat hij een goeden koop doet, vraag ik hem wat hij verlangt vertoond te hebben, en vertoon het dan. Meer wil ik niet doen. Hij koopt uit eigene beweging en schat zelf de waarde van zijn koop en van zijn geld; en ik hoop dat hij nooit te leur gesteld zal zijn. Ik heb den koop niet geroemd en opgedrongen; dat hebt gij ook niet, zoover ik in staat ben geweest om het u te beletten.”—“Gij spreekt al zeer vreemd van avond, Edith, en dat tegen uwe eigene moeder.”—“Zoo komt het mij ook voor; mij nog vreemder dan u,” zeide Edith. “Maar mijne opvoeding is al lang geleden voltooid. Ik ben nu te oud en ben langzamerhand te laag gedaald, om een nieuwen weg in te slaan, en u op den uwen te stuiten. De kiem van alles wat het hart eener vrouw reinigt en het oprecht en goed maakt, is nooit in het mijne opgewekt, en als ik mij zelve veracht, heb ik niets meer om mij staande te houden.” Zij had eene aandoenlijke treurigheid in hare stem gehad, maar deze verdween weder, toen zij met opgekrulde bovenlip vervolgde: “Daar wij dus grootsch en arm zijn, ben ik er mede tevreden dat wij op die manier rijk worden. Al wat ik te zeggen heb is, dat ik het eenige voornemen getrouw ben gebleven, dat ik, met u bij mij, moeder, heb kunnen vormen, en dien man niet heb gelokt.”—“Dien man!” zeide hare moeder. “Gij spreekt haast alsof gij een haat tegen hem hadt.”—“En gij dacht dat ik hem liefhad, niet waar?” was haar antwoord. “Zal ik u zeggen,” hervatte zij, hare moeder strak aanziende, “wie ons reeds door en door kent en doorziet, en voor wien ik nog minder gevoel van eigenwaarde en zelfvertrouwen heb dan voor mij zelve, zoo vernederd als ik mij gevoel door de kennis die hij van mij heeft?”—“Dat is een uitval, moet ik denken,” antwoordde hare moeder koeltjes, “op dien armen, ongelukkigen, hoe heet hij ook weer—mijnheer Carker. Uw gebrek aan gevoel van eigenwaarde en zelfvertrouwen tegenover dien[197]persoon (dien ik een zeer innemend man vind, moet ik zeggen) zal u waarschijnlijk niet veel meer hinderen als gij eens geëtablisseerd zijt. Waarom ziet ge mij zoo strak aan? Zijt ge niet wel?”
Edith’s gezicht betrok eensklaps, alsof zij door eene slang was gestoken, en terwijl zij hare handen voor hare oogen hield, liep er eene huivering door al hare leden. Dit was echter spoedig voorbij, en met haar gewonen tred ging zij de kamer uit.
De kamenier, die een geraamte had moeten zijn, verscheen toen weder en gaf den eenen arm aan hare meesteres, die met hare valsche bekoorlijkheden ook al hare krachten scheen verloren, en met haar flanellen nachtgewaad eene verlamming scheen aangetrokken te hebben, zamelde de asch van Cleopatra bij elkander, nam deze in den anderen arm mede, en bracht beide weg, gereed voor eene kunstmatige opwekking des anderen daags.