[Inhoud]XXX.DE BRUIDSDAGEN.Hoewel het betooverde huis niet meer bestond, de werkende wereld daar was ingebroken en den geheelen dag hamerde en bonsde en trappen op en neer liep, waardoor Diogenes van den ochtend tot den avond woedend aan het blaffen werd gehouden—hij was blijkbaar overtuigd dat zijn oude vijand hem eindelijk te knap was geweest en het huis had overrompeld—had er in het eerst geene groote verandering in de levenswijs van Florence plaats. Des avonds, als de werklieden heengingen, werd het huis weder akelig en eenzaam; en wanneer Florence bij dat heengaan hunne stemmen in het voorhuis en op de trap hoorde klinken, verbeeldde zij zich de vroolijke huishoudens waarheen zij terugkeerden, en de kinderen die naar hen wachtten, en streelde zij zich met de gedachte dat zij blijde waren dat het tijd was om te gaan.Zij begroette de stilte van den avond als eene oude vriendin; maar deze kwam nu met een veranderd gelaat en zag haar vriendelijker aan. Zij bracht nieuwe hoop mede. De schoone dame, die haar getroost en geliefkoosd had, in dezelfde kamer waar haar hart eens zoo diep was gewond, was een engel van belofte voor haar. Vriendelijker voorboden van een schooner leven, wanneer zij langzamerhand haar vaders liefde zou winnen, en geheel of grootendeels terugkrijgen wat zij verloren had op dien donkeren dag, toen de liefde eener moeder met den laatsten adem eener moeder op hare wang was uitgezucht, zweefden in de schemering om haar heen en waren een opbeurend gezelschap. Naar de blozende kinderen aan den overkant uitkijkende, was het een nieuw en streelend gevoel voor haar, te denken dat zij elkander misschien spoedig zouden spreken en kennen, dat zij niet meer bang zou zijn, gelijk vanouds, om zich aan hen te vertoonen, opdat het hun niet zou bedroeven als zij haar daar in hare zwarte kleeding alleen zagen zitten.Met die gedachten aan hare nieuwe moeder, en met de liefde en het vertrouwen die in haar rein gemoed voor deze opwelden, kreeg Florence hare doode moeder hoe langer hoe meer lief. Zij was niet bang om haar eene mededingster in haar hart te geven. De nieuwe bloem sproot uit den diep geplanten en lang gekoesterden wortel, dien zij wel kende. Ieder vriendelijk woord, dat de lippen der schoone dame was ontvloten, klonk Florence als een nagalm der stem die zoolang had gezwegen. Hoe kon de teederheid eener levende haar de nagedachtenis van alle ouderlijke teederheid die zij ooit gekend had minder doen liefhebben!Florence zat eens op hare kamer te lezen en dacht aan de dame en haar binnen kort beloofd bezoek—want de inhoud van haar boek was geschikt om haar daaraan te herinneren—toen zij hare oogen opsloeg en haar in de deur zag staan.“Mama!” riep Florence, verheugd opstaande. “Nu teruggekomen!”—“Nog geen mama,” antwoordde de dame met een ernstigen glimlach, en sloeg haar arm om Florence’s hals.—“Maar toch heel gauw!” riep Florence uit.—“Nu heel gauw, Florence, heel gauw.”Edith boog haar hoofd, zoodat zij Florence’s blozende wang tegen de hare drukte, en zweeg zoo een poosje. Hare manier van doen had iets zoo teeders, dat Florence dit nog dieper gevoelde dan bij hare eerste ontmoeting.Zij bracht Florence naar een stoel en zette zich naast haar. Florence zag haar aan, waarlijk verwonderd over hare schoonheid, en liet gewillig hare hand vasthouden.“Zijt ge veel alleen geweest, Florence, sedert ik laatst hier was?”—“O ja,” antwoordde Florence haastig en met een glimlach.[209]Zij sloeg hare oogen neer, want hare nieuwe mama zag zeer ernstig en hield haar blik strak en nadenkend op haar gelaat gevestigd.“Ik—ik ben gewoon om alleen te zijn,” zeide Florence eenigszins haperend. “Ik geef er geheel niet om. Di en ik slijten somtijds geheele dagen met elkander.” Zij had wel mogen zeggen geheele weken en maanden.—“Is Di uwe kamenier, liefje?”—“Mijn hond, mama,” antwoordde Florence lachende. “Suze is mijne kamenier.”—“En dit zijn uwe kamers,” zeide Edith, rondziende. “Men heeft mij laatst deze kamers niet laten zien. Wij moeten ze laten verbeteren, Florence. Zij zullen tot de mooiste in het huis gemaakt worden.”—“Als ik ze mocht ruilen, mama,” antwoordde Florence, “is er eene, boven in huis, die ik veel liever zou hebben.”—“Is deze niet hoog genoeg, meisje lief?” vroeg Edith met een glimlach.—“Die andere was mijn broertjes kamer,” zeide Florence, “en daar ben ik zoo gaarne. Ik had er papa van willen spreken toen ik thuis kwam, en de werklieden hier vond, en zag dat alles veranderd werd; maar—” Florence sloeg hare oogen neer, uit vrees dat dezelfde blik haar weder zou doen haperen—“maar ik was bang dat het hem zou bedroeven; en daar ik hoorde zeggen dat ge binnen kort weder hier zoudt komen, mama, en meesteres van alles zijn, dacht ik liever maar moed te vatten om het u te vragen.”Terwijl de twee lange knechts volgden, duwde de een, wiens orgaan van eerbied niet genoeg ontwikkeld was, zijne tong in zijne wang om den ander aan het lachen te maken. (blz. 212).Terwijl de twee lange knechts volgden, duwde de een, wiens orgaan van eerbied niet genoeg ontwikkeld was, zijne tong in zijne wang om den ander aan het lachen te maken.(blz. 212).Edith zat haar met hare schitterende oogen strak aan te staren, tot Florence de hare opsloeg; toen wendde Edith op hare beurt haar blik af en vestigde dien op den grond. Het was toen dat Florence dacht van welk een geheel anderen aard de schoonheid dier dame was dan zij het in het eerst gedacht had. Zij had die voor statig en trotsch gehouden; maar hare manieren waren zoo zacht en vriendelijk dat zij, al was zij van Florence’s eigene jaren en karakter geweest, bezwaarlijk meer vertrouwen had kunnen uitlokken.Uitgezonderd wanneer zekere zonderlinge, gedwongene terughouding haar bekroop; en dan scheen het (maar Florence begreep dit toen nog niet, schoon zij niet kon nalaten het op te merken[210]en er over te denken) alsof zij zich voor Florence vernederd gevoelde en slecht op haar gemak was. Toen zij zeide dat zij hare mama nog niet was, en toen Florence haar meesteres van alles noemde, was deze verandering in haar uitzicht even snel als bevreemdend; en thans, nu Florence’s oogen op haar gelaat gevestigd waren, zat zij daar alsof zij wel voor haar had willen wegkruipen en zich verschuilen, in plaats van haar te liefkoozen gelijk zulk eene nauwe betrekking haar recht gaf.Zij beloofde Florence bereidwillig hare nieuwe kamer, en zeide dat zij zelve last daartoe zou geven. Daarop deed zij eenige vragen naar den armen Paul; en toen zij nog eene poos met elkander hadden gesproken, zeide zij Florence dat zij gekomen was om haar naar hare eigene woning mede te nemen.“Wij zijn nu naarLondengekomen, mijne moeder en ik,” zeide Edith, “en gij zult bij ons logeeren tot ik getrouwd ben. Ik wensch dat wij elkander leeren kennen en vertrouwen, Florence.”—“Ge zijt wel goed voor mij, lieve mama,” zeide Florence. “Hoe dank ik u!”—“Laat ik nu zeggen, want het zal misschien de beste gelegenheid wezen,” vervolgde Edith, rondziende of zij geheel alleen waren en zachter sprekende, “dat ik, als ik getrouwd ben en voor eenige weken op reis ga, veel geruster zal zijn als gij hier weder thuis komt. Onverschillig wie u ergens anders te logeeren vraagt, kom hier thuis. Het is beter hier alleen te zijn dan—wat ik zeggen wilde is,” vervolgde zij, zich bedenkende, “dat ik wel weet dat gij best thuis zijt, lieve Florence.”—“Ik zal nog denzelfden dag weder naar huis gaan, mama.”—“Doe dat. Ik vertrouw op die belofte. Maak u nu gereed om met mij mee te gaan, meisje lief. Als ge klaar zijt, zult ge mij beneden vinden.”Langzaam en peinzend zwierf Edith alleen door het huis, waarvan zij zoo spoedig meesteres zou zijn, en weinig lette zij op de pracht, die het begon ten toon te spreiden. Dezelfde stugge trotschheid, dezelfde hoonende minachting in oog en lip, dezelfde fiere schoonheid, alleen beneveld door het gevoel van hare eigene geringe waardij, dwaalde nu door de kostbare kamers en zalen, die onder het dichte geboomte met woeste hartstochtelijkheid waren uitgebarsten. De nagebootste rozen op de wanden waren met scherpe dorens bezet, die haar de borst opreten; in elk stipje goud, dat haar in de oogen schitterde, zag zij een hatelijk gedeelte van haar koopprijs; de hooge en breede spiegels vertoonden haar ten voeten uit eene vrouw in welke nog iets edels woonde, maar die ontrouw was aan het betere in haar gemoed, en te zeer verlaagd en verloren om zich zelve te redden. Zij geloofde dat dit alles meer of minder zoo duidelijk voor ieders oogen was, dat haar geene toevlucht, geen middel om zich eenigszins te doen gelden overschoot, dan trots; en met dien trots, die haar eigen hart nacht en dag martelde, tartte en bekampte zij haar lot.Was dit de vrouw, welke Florence—een onnoozel meisje, krachtig alleen door haar ernst en hare eenvoudige oprechtheid—zoodanig kon herscheppen, dat zij bij haar een geheel ander wezen was, hare hartstochtelijkheid gestild, zelfs hare trotschheid gedempt was? Was dit de vrouw, die nu naast haar in de koets zat, met hare armen door die van Florence gestrengeld, die haar bad en vleide om haar lief te hebben en te vertrouwen, die haar hoofdje aan hare borst te rust legde, en haar leven had willen opofferen om dat hoofdje voor gevaar of kwaad te bewaren?O, Edith, gelukkig zou het waarlijk voor u zijn geweest op zulk een tijd te sterven! Veel beter en gelukkiger, misschien, zoo te sterven, Edith, dan voort te leven tot aan het einde.Mevrouw Skewton, die liever aan alle andere dingen dan aan zulke bespiegelingen dacht—want gelijk vele fatsoenlijke lieden, wilde zij volstrekt niet van den dood weten, en nam zij het kwalijk als er van zoo iets gemeens werd melding gemaakt—had een huis inBrook-Street, bijGrosvenor-Square, geleend van een aanzienlijk bloedverwant (een lid van de familie Feenix) die uit de stad was, en geen bezwaar maakte om het haar voor den bruidstijd te leenen, daar deze leening dan inhield dat hij van alle verdere leeningen en gaven aan mevrouw Skewton en hare dochter vrij was. Daar het voor de eer der familie noodzakelijk was in zulk een tijd eenige vertooning te maken, zette mevrouw Skewton (met behulp van een gedienstig winkelier, die aan den adel en de fatsoenlijke wereld alle mogelijke dingen verhuurde, van een zilveren tafelservies tot aan een stoet lakeien) in dat huis een bottelier met zilvergrijs haar (die daarom hooger werd berekend, dewijl hij het voorkomen van een oud familiestuk had), twee zeer lange jongelieden in livrei, en een uitgezochten staf van keukenbedienden; zoodat er in het onderhuis een sprookje in omloop kwam, dat men Withers de page, op eens van zijne talrijke huiselijke werkzaamheden en van het duwen van den rolstoel (die in de hoofdstad niet meer gebruikt werd) ontslagen, verscheidene malen zijne oogen had zien uitwrijven en zich zelven in de armen en beenen knijpen, als vreesde hij dat hij bij den melkboer teLeamingtonwas in slaap gevallen en nog in een hemelschen droom verkeerde. Alle benoodigdheden van zilver en porselein werden insgelijks door denzelfden gedienstigen winkelier geleverd, benevens eene verscheidenheid van voorwerpen, waaronder ook een net rijtuigje met een paar bruinen; en door deze hofhouding omringd, zette mevrouw Skewton[211]zich in hare Cleopatrahouding op de fraaiste sofa, om in staatsie audiëntie te geven.“En hoe maakt het mijne bekoorlijke Florence?” zeide mevrouw Skewton, toen het meisje met hare dochter binnentrad. “Kom mij toch een kusje geven, lieve Florence.”Florence bukte schroomvallig om in het witte gedeelte van mevrouw Skewton’s gezicht een plekje te zoeken; toen deze dame haar een oor toehield en dus uit hare verlegenheid hielp.“Edith, melieve,” zeide mevrouw Skewton, “waarlijk, ik—ga eens een weinigje meer in het licht staan, lieve Florence, voor een oogenblikje.”Florence gehoorzaamde blozend.“Weet ge niet meer wat gij waart, lieve Edith,” zeide hare moeder, “toen gij omtrent even oud waart als onze kostbare Florence, of eenige jaren jonger?”—“Dat heb ik lang vergeten, moeder.”—“Want stellig, melieve,” zeide mevrouw Skewton, “mij dunkt ik zie eene bepaalde gelijkenis tusschen datgene wat gij toen waart en ons allerliefst vriendinnetje. En dat bewijst,” vervolgde mevrouw Skewton zachter, om aan te duiden dat zij Florence voor nog zeer ongepolijst hield, “wat polijsten doen kan.”—“Ja, dat doet het wel,” was het stroeve antwoord van Edith.Hare moeder zag haar voor een oogenblik scherp aan, en gevoelende dat zij op onveiligen grond kwam, zeide zij om er weder van af te raken:“Mijne bekoorlijke Florence, gij moet mij nog eens een kusje geven, als het u belieft, liefje.”Florence gehoorzaamde natuurlijk en drukte nog eens hare lippen op mevrouw Skewton’s oor.“En gij hebt zeker wel gehoord, lievelingetje,” zeide mevrouw Skewton, hare hand vasthoudende, “dat uw papa, wien wij allen op de handen dragen, vandaag over acht dagen met mijne lieve Edith zal trouwen.”—“Ik wist wel dat het heel gauw zou zijn,” antwoordde Florence, “maar niet recht wanneer.”—“Maar lieve Edith,” zeide de moeder vroolijk, “is het mogelijk dat ge dat Florence niet gezegd hebt?”—“Waarom zou ik dat Florence zeggen?” antwoordde Edith, zoo snel en scherp, dat Florence bijna niet gelooven kon dat het dezelfde stem was.Mevrouw Skewton vertelde toen Florence, als eene andere veiliger afleiding, dat haar vader daar kwam dineeren en zonder twijfel zeer aangenaam verrast zou zijn als hij haar zag; daar hij den vorigen avond gezegd had, dat hij zich maar in deCityzou kleeden, en niets van Edith’s voornemen had geweten, waarvan de uitvoering, naar mevrouw Skewton’s gedachten, hem zou doen verrukt staan. Florence werd onrustig toen zij dit hoorde; en toen het uur van het diner naderde werd haar angst zoo groot, dat zij, als zij maar geweten had hoe te vragen om maar weder naar huis te mogen gaan, zonder eene verklaring te geven waarin haar vader betrokken was, liever blootshoofds, te voet en alleen teruggekeerd zou zijn, dan zich aan het gevaar van zijn misnoegen bloot te stellen.Toen de tijd naderde, kon zij nauwelijks ademhalen. Zij durfde niet bij het venster komen, uit vrees dat hij haar van de straat zou zien. Zij durfde niet naar boven gaan om hare aandoening te verbergen, uit vrees dat zij, de kamerdeur uitkomende, hem onverwacht zou ontmoeten; en bovendien was het haar alsof zij dan nooit weder zou durven terugkomen als zij voor hem werd opgeroepen. In deze benauwdheid zat zij bij Cleopatra’s sofa, en poogde het flauwe gesnap dier dame aan te hooren en te beantwoorden, toen zij zijn voetstap op de trap hoorde.“Daar hoor ik hem!” riep Florence, opspringend, uit. “Hij komt!”Cleopatra, wier jeugdigheid haar dartel maakte, en wier eigenliefde haar verhinderde om over den aard van Florence’s aandoening te denken, duwde haar achter de sofa en spreidde een shawl over haar heen, om Dombey eens aangenaam te verrassen. Dit gebeurde zoo haastig, dat Florence een oogenblik later zijn geduchten stap in de kamer hoorde.Hij groette zijne aanstaande schoonmoeder en zijne aanstaande gade. De vreemde klank zijner stem deed zijne dochter trillen.“Mijn lieve Dombey,” zeide Cleopatra, “kom eens hier en zeg mij hoe uwe aardige Florence vaart.”—“Florence is heel wel,” zeide Dombey, naar de sofa komende.—“En is zij thuis?”—“Ja, thuis,” antwoordde Dombey.—“Mijn beste Dombey,” hervatte Cleopatra met betooverende levendigheid. “Weet ge nu wel zeker dat ge mij niet bedriegt? Ik weet niet wat mijne lieve Edith zal zeggen als ik zoo spreek, maar ik vrees waarlijk dat gij ook al een valschaard zijt, mijn lieve Dombey.”Al was hij dit geweest, en al was hij op het oogenblik op de grootste valschheid betrapt, die ooit gezegd of gedaan werd, had hij bezwaarlijk meer kunnen ontstellen dan hij deed toen mevrouw Skewton den shawl wegnam, en Florence, bleek en bevende, als een spook voor hem oprees. Hij had zijne tegenwoordigheid van geest nog niet herkregen, toen Florence naar hem toeliep, hare armen om zijn hals sloeg, hem een kus gaf en de kamer uitsnelde. Hij keek rond als wilde hij de zaak naar iemand anders verwijzen, maar Edith was Florence dadelijk gevolgd.“Beken nu maar, mijn lieve Dombey,” zeide mevrouw Skewton, hem hare hand gevende, “dat ge nooit in uw leven meer verrast en in uw schik zijt geweest.”—“Ik ben zeker nooit meer verrast geweest,” zeide Dombey.—“En in uw schik, mijn lieve Dombey?” hervatte mevrouw Skewton, met haar waaier dreigende.[212]—“Ik—ja, ik ben zeer blij dat ik Florence hier ontmoet,” zeide Dombey. Hij scheen er een oogenblik ernstig over te denken en zeide toen stelliger: “Ja, ik ben werkelijk zeer blij dat ik Florence hier ontmoet.”—“Gij verwondert u hoe zij hier komt, niet waar?” zeide mevrouw Skewton.—“Edith, misschien,” begon Dombey en bleef daarbij steken.—“O, gij ondeugd!” antwoordde Cleopatra, haar hoofd schuddende. “Gij kunt goed raden. O, gij slimme man! Iemand moest zulke dingen niet zeggen; want uwe sekse, mijn lieve Dombey, heeft zooveel inbeelding en maakt zoo licht misbruik van onze zwakheid; maar gij kent mijne openhartigheid—heel goed, dadelijk.”Dit was tot een der lange knechts gericht, die kwam zeggen dat het diner gereed was.“Maar Edith, mijn beste Dombey,” vervolgde zij fluisterend, “als zij u niet bij zich kan hebben—en, zooals ik haar zeg, dat kan zij niet altijd verlangen—wil ten minste iemand bij zich hebben die u toebehoort. Wel, dat is heel natuurlijk! En zoo kon niets haar vandaag beletten om uit te rijden en Florence te gaan halen. Dat is toch bekoorlijk!”Daar zij naar een antwoord wachtte, antwoordde Dombey: “Buitengemeen.”—“Zegen u, mijn lieve Dombey, voor dat bewijs van hartelijkheid!” riep Cleopatra uit, en drukte hem de hand. “Maar ik word al te ernstig! Breng mij nu naar beneden, als een engel, en laten wij zien wat voor diner die lieden ons zullen geven. Zegen u, beste Dombey!”Na deze laatste toespraak wipte Cleopatra tamelijk vlug van hare rustkoets, waarop Dombey haar arm in den zijnen nam en haar plechtstatig naar beneden leidde. Terwijl de twee lange knechts volgden, duwde de een, wiens orgaan van eerbied niet genoeg ontwikkeld was, zijne tong in zijne wang om den ander aan het lachen te maken.Florence en Edith waren reeds in de eetzaal en zaten naast elkander. Florence wilde opstaan toen haar vader binnenkwam, om hem haar stoel over te laten; maar Edith legde openlijk hare hand op haar arm, en Dombey nam aan den overkant der ronde tafel plaats.Het gesprek werd bijna uitsluitend door mevrouw Skewton aan den gang gehouden. Florence durfde bijna hare oogen niet opslaan, uit vrees dat zij de sporen van tranen zou laten zien; veel minder durfde zij spreken; en Edith liet geen woord hooren, of het moest tot antwoord op eene vraag zijn. Cleopatra gaf zich waarlijk veel moeite voor het etablissement dat zoo haast gepakt was; en het had waarlijk wel zeer kostbaar mogen zijn om haar te beloonen.“En dus zijn uwe voorbereidselen eindelijk bijna gereed, mijn beste Dombey?” zeide Cleopatra, toen het dessert op de tafel stond en de bottelier met zilvergrijs haar zich verwijderd had. “Ook die van de rechtsgeleerden?”—“Ja, mevrouw,” antwoordde Dombey, “de akte van de huwelijksvoorwaarden, hebben de rechtsgeleerde heeren mij onderricht, is nu gereed, en gelijk ik u zeide, Edith heeft ons maar de gunst te bewijzen om een tijd voor het teekenen voor te stellen.”Edith zat daar gelijk een fraai steenen beeld, even koud en stil.“Liefste liefje,” zeide Cleopatra, “hoort gij wel wat mijnheer Dombey zegt? O, mijn beste Dombey,” ter zijde tot dien heer, “hoe herinnert mij hare verstrooidheid, nu de tijd nadert, aan de dagen toen haar papa, een alleraardigst man, in uwe positie was.”—“Ik heb niets voor te stellen. Het zal zijn wanneer gij verkiest,” zeide Edith, nauwelijks over de tafel naar Dombey ziende.—“Morgen?” zeide Dombey.—“Als het u zoo belieft.”—“Of zou overmorgen u beter schikken met hetgeen gij anders nog te doen hebt?” zeide Dombey.—“Ik heb niets te doen. Ik ben altijd tot uwe beschikking. Laat het zijn wanneer gij verkiest.”—“Niets te doen, lieve Edith,” bracht hare moeder hiertegen in, “en gij hebt het den geheelen dag zoo schrikkelijk druk, met duizenderlei bestellingen bij allerlei leveranciers!”—“Dat is uw bedrijf,” antwoordde Edith, haar met een eenigszins gefronst voorhoofd aanziende. “Gij en mijnheer Dombey kunt het met uw beiden schikken.”—“Wel waar, kindlief, en heel vriendelijk van u,” zeide Cleopatra. “Florence, mijn lievelingetje, gij moet mij waarlijk nog eens een kusje komen geven.”Zonderling dat deze vlagen van belangstelling voor Florence bijna telkens bij Cleopatra opkwamen als Edith eenig deel, hoe gering ook, aan het gesprek nam. Florence was nog nooit zoo dikwijls omhelsd geworden, en misschien, zonder het te weten, nog nooit in haar leven zoo nuttig geweest.Voor zich zelven was Dombey verre van misnoegd over de houding en de manieren zijner bruid. Hij kon zeer wel met trotschheid en koelheid sympathiseeren, en het streelde hem dat zelfs deze eigenschappen zich bij Edith aan hem onderschikten en zij geen anderen wil scheen te hebben dan den zijnen. Het streelde hem zich voor te stellen hoe deze trotsche, statige vrouw de honneurs van zijn huis zou waarnemen en zijne gasten op zijne eigene manier doen verkleumen. De waardigheid van Dombey en Zoon zou in zulke handen wel gehandhaafd, ja zelfs nog verhoogd worden.Zoo dacht Dombey toen hij in de eetzaal alleen was gelaten en over het verledene en de toekomst peinsde. Hij vond niets onaangenaams in de schrale en sobere staatsie die in dat vertrek heerschte, met het donkerbruine behangsel, waarop nog donkerder schilderijen als zwarte grafmonumenten afstaken, en vier en twintig[213]zwarte stoelen, met bijna zooveel spijkers als doodkisten, die als rouwdragers om den rand van het Turksche tapijt geschaard stonden, en twee naakte negers, die candelabres van dorre takken droegen, op de buffettafel, en een duffen reuk, alsof de asch van duizend diners in de sarcophaag daaronder was begraven. De eigenaar van het huis was veel op reis; de lucht vanEngelandwas zelden lang gezond voor een lid der familie Feenix; en dit vertrek was al zwaarder en zwaarder in den rouw over hem gegaan, tot het zoozeer naar eene paradekamer geleek, dat er slechts een lijk aan ontbrak om het geheel daartoe te maken.Geen slechte plaatsvervanger voor een lijk, door zijne stijfheid, zoo niet door zijne houding, was Dombey, terwijl hij in de koude diepte der doode zee van mahoniehout zat te turen, waarop de fruitschalen en karaffen voor anker lagen; alsof de onderwerpen zijner gedachten een voor een naar de oppervlakte rezen en weder wegzonken. Edith was daar in al hare majesteit van gelaat en gestalte; en dicht bij haar kwam Florence, met haar vreesachtig gezichtje naar hem toegekeerd, gelijk het voor een oogenblik geweest was, toen zij de kamer verliet; en Edith’s oogen waren op haar gevestigd, en Edith’s hand was beschermend naar haar uitgestoken. Eene kleine gedaante op een laag leuningstoeltje kwam vervolgens te voorschijn en zag hem verwonderd aan met de heldere oogen en het oudachtig jeugdig gezichtje, dat glansde als in het flikkerende schijnsel van een vuur. Wederom kwam Florence dicht daarbij en boeide zijne geheele aandacht. Of het was als een hem door het noodlot bestemd bezwaar en teleurstelling, of als eene mededingster die hem eens in den weg was gekomen, en dit nogmaals kon doen; of als zijn kind, dat hem op zulk een tijd niet meer vreemd moest blijven; of als eene vermaning dat hij voor zijne nieuwe betrekkingen ten minste den schijn moest bewaren, alsof zijn eigen bloed hem niet onverschillig was—wist hij zelf het best. Misschien wist hij het eigenlijk toch niet recht; want trouwfeesten en trouwaltaren en tooneelen van bekroonde eerzucht—nog hier en daar met Florence daarbij—altijd die Florence—rezen zoo snel en zoo verward voor hem op, dat hij zelf opstond en naar boven ging om er aan te ontkomen.Het was laat in den avond eer er licht gebracht werd, want mevrouw Skewton klaagde dat zij tegenwoordig hoofdpijn daarvan kreeg; en ondertusschen zaten mevrouw Skewton en Florence met elkander te praten (Cleopatra was er zeer op gesteld om het meisje bij zich te houden), of speelde Florence, voor mevrouw Skewton’s vermaak, zachtjes op de piano; om niet van eenige gelegenheden in den loop van den avond te spreken, waarbij die hartelijke dame zich gedrongen gevoelde om nog een kusje te verzoeken, hetgeen altijd gebeurde nadat Edith iets gezegd had. Dit was echter niet dikwijls, want Edith bleef den geheelen tijd afgezonderd bij een open venster zitten (hoewel hare moeder vreesde dat zij kou zou vatten) totdat Dombey afscheid nam. Daarbij was hij zeer genadig voor Florence; en Florence ging in eene kamer achter die van Edith naar bed, zoo gelukkig en vol hoop, dat zij aan haar vroegerikdacht als aan een ander eenzaam en verlaten meisje, waarmede zij medelijden moest hebben; en in haar medelijden snikte zij in slaap.De week vloog voorbij. Men moest naar modemaaksters, kleedermaaksters, juweliers, procureurs, bloemkweekers en pasteibakkers rijden; en Florence reed altijd mede. Florence zou de trouwplechtigheid bijwonen; en dan haar rouwgewaad afleggen en een brillant costuum dragen. Het model, dat de modemaakster—die eene Française was en veel van mevrouw Skewton had—recommandeerde, was zoo elegant, dat mevrouw Skewton insgelijks zulk een kleedje voor zich zelve bestelde. De modemaakster zeide dat het haar uitmuntend zou staan, en dat iedereen haar voor de zuster van de jonge juffer zou aanzien.De week vloog nog sneller voorbij. Edith zag naar niets en bekommerde zich om niets. De kostbare kleederen kwamen thuis, en werden aangepast, en werden door mevrouw Skewton en de modemaakster luid geprezen, en werden weggelegd zonder een enkel woord van haar. Mevrouw Skewton maakte plannen voor elken dag en bracht ze ten uitvoer. Somtijds bleef Edith in de koets zitten als men uitreed om iets te gaan koopen; somtijds, als het volstrekt noodig was, ging zij een winkel binnen; maar mevrouw Skewton deed altijd de zaak af, waarom het ook mocht te doen zijn; en Edith keek met schijnbare onverschilligheid toe, alsof het haar niets aanging. Florence had haar misschien trotsch en stroef kunnen vinden, maar voor haar was zij dit nooit; en zoo smoorde Florence hare verwondering in hare dankbaarheid.De week vloog nog sneller voorbij. Zij was bijna geheel om. De laatste avond, de avond vóór de trouwplechtigheid, was gekomen. In de donkere kamer—want mevrouw Skewton’s hoofd was nog niet beter, hoewel zij des anderen daags eene duurzame beterschap verwachtte—zaten deze dame, Edith en Dombey. Edith zat voor haar open venster naar de straat te kijken; Dombey en Cleopatra waren op de canapé zachtjes aan het praten. Het werd laat; en Florence, die vermoeid was, had zich reeds ter rust begeven.“Mijn beste Dombey,” zeide Cleopatra, “gij zult mij morgen Florence toch laten, als gij mij van mijne lieve Edith berooft?”Dombey antwoordde dat hij dit met genoegen zou doen.“Haar hier bij mij te hebben, terwijl gij beiden[214]naarParijszijt, en te kunnen denken, mijn beste Dombey, dat ik op hare jaren tot de vorming van haar geest bijdraag,” zeide Cleopatra, “zal een balsem voor mij wezen in den geschokten toestand, waarin ik dan verzonken zal zijn.”Edith keerde eensklaps haar hoofd om. Hare lustelooze houding werd in een oogenblik met een uitzicht van vurige belangstelling verwisseld, en zonder dat men dit in het donker zag, luisterde zij oplettend naar hun gesprek.Dombey zou Florence gaarne onder zulk eene uitmuntende voogdij en leiding laten.“Duizendmaal dank voor uwe goede meening, mijn beste Dombey,” antwoordde Cleopatra. “Ik vreesde dat ge mij, met een boos opzet, tot eene volstrekte eenzaamheid woudt veroordeelen.”—“Hoe kondt ge mij zulk een onrecht aandoen, lieve mevrouw?” zeide Dombey.—“Omdat mijne bekoorlijke Florence mij zoo stellig zegt, dat zij morgen naar huis moet,” antwoordde Cleopatra, “dat ik begon te vreezen dat gij een echte turksche Bassa waart.”—“Ik verzeker u, mevrouw,” zeide Dombey, “ik heb Florence niets voorgeschreven. En al was dat zoo, dan zouden die voorschriften toch voor uw verlangen moeten wijken.”—“Mijn beste Dombey,” antwoordde Cleopatra, “wat zijt ge toch een hoveling! Schoon ik dat toch ook niet zeggen wil, want hovelingen hebben geen hart, en ge zijt altijd zoo hartelijk. Gaat ge waarlijk al zoo vroeg heen, mijn beste Dombey?”O, het was inderdaad laat, en Dombey vreesde dat hij gaan moest.“Is het werkelijk, of is alles maar een droom?” lispelde Cleopatra. “Kan ik het gelooven, mijn allerbeste Dombey, dat gij morgenochtend terugkomt om mij mijne lieve gezellin, mijne eigene Edith, te ontrooven!”Dombey, die gewoon was alles letterlijk op te vatten, antwoordde dat zij elkander eerst nog in de kerk zouden zien.“De smart om een kind af te staan,” zeide mevrouw Skewton, “zelfs aan u, mijn beste Dombey, is waarlijk niet te beschrijven, en vereenigd met mijn teer gestel en de ijselijke domheid van den pasteibakker, die het ontbijt heeft aangenomen, is zij haast al te groot voor mijne zwakke krachten. Maar ik zal mij toch morgen wel goed houden, mijn beste Dombey, wees voor mij maar niet ongerust; de hemel zegene u! Lieve Edith,” riep zij schalkachtig, “er gaat iemand heen.”Edith, die het hoofd weder naar het venster had gekeerd, daar zij geen belang in hun gesprek meer stelde, stond op, maar zij kwam niet naar hem toe en sprak geen woord. Met de deftige galanterie, welke bij deze gelegenheid en zijn karakter paste, stapten Dombey’s krakende laarzen naar haar toe, bracht hij hare hand aan zijne lippen en zeide hij: “Morgenochtend zal ik het geluk hebben om deze hand als die van mevrouw Dombey te vragen.” Daarop liet hij zich zelven met eene statige buiging uit.Mevrouw Skewton schelde om licht zoodra de straatdeur achter hem gesloten was. Met het licht kwam hare kamenier, en met de kamenier het jeugdige kleedje dat des anderen daags de wereld moest begoochelen. Dit kleedje wreekte zich gestreng, gelijk zulke kleedjes altijd doen, en maakte haar veel ouder en afschuwelijker dan hare smerige flanellen nachtjapon. Mevrouw Skewton paste het echter met kinderachtige blijdschap aan, glimlachte tegen haar lijkachtig beeld in den spiegel, bij de gedachte welk een indruk zij zoo op den majoor zou maken; liet het zich door hare kamenier weder uittrekken en zich voor hare nachtrust gereedmaken, en viel zoo in elkander gelijk een beschilderd kaartenhuisje.Al dien tijd bleef Edith voor het venster naar de straat kijken. Toen zij eindelijk met hare moeder alleen gebleven was, kwam zij, voor de eerste maal dien avond, daar vandaan en plaatste zich vlak over haar. De geeuwerige, beverige, gemelijke moeder, die hare oogen opsloeg naar de trotsche gestalte harer dochter, wier vurige blik vast op haar gevestigd was, had een schuldbesef in haar voorkomen, dat zij door geene vertooning van lichtzinnigheid of wreveligheid kon verbergen.“Ik ben doodaf,” zeide zij. “Gij zijt geen oogenblik alleen te vertrouwen. Gij zijt nog erger dan een kind. Kind! Geen kind zou half zoo koppig en weerspannig zijn.”—“Luister naar mij, moeder,” antwoordde Edith, deze woorden voorbijziende met eene verachting, die zich niet verwaardigde om zich met zulke beuzelingen op te houden. “Gij moet alleen hier blijven tot ik terugkom.”—“Moet alleen hier blijven tot gij terugkomt, Edith!” herhaalde hare moeder.—“Of bij dien naam, dien ik morgen zoo onbeschaamd en valsch ten getuige zal roepen van wat ik doe, zweer ik dat ik in de kerk de hand van dien man zal weigeren. Als ik dat niet doe, mag ik dood op de steenen neervallen!”De moeder antwoordde met een blik van angstigen schrik, in geenen deele verminderd door den blik dien zij ontmoette.“Het is genoeg,” zeide Edith langzaam, “dat wij zijn wat wij zijn. Ik wil geene jeugd en oprechtheid tot mijne laagte laten neerslepen. Ik wil geen onschuldig gemoed laten vergiftigen en verpesten om eene geheele wereld van moeders te amuseeren. Gij weet wel wat ik meen. Florence moet naar huis gaan.”—“Gij zijt eene zottin, Edith,” riep hare vergramde moeder uit. “Denkt gij dat er ooit vrede voor u in dat huis kan zijn, eer zij getrouwd en uit den weg is?”—“Vraag mij of vraag u zelve, of ik ooit vrede in dat huis verwacht,”[215]zeide hare dochter, “en gij weet het antwoord.”—“En moet het mij van avond gezegd worden, na al mijne moeite en zorg, en nu gij door mij onafhankelijk zult worden,” gilde de moeder bijna, terwijl zij driftig haar hoofd schudde, “dat ik een meisje zou besmetten en bederven, dat ik geen geschikt gezelschap voor een meisje ben? Wat zijt gij, vraag ik u—wat zijt gij?”—“Die vraag,” zeide Edith, doodsbleek en naar het venster wijzende, “heb ik mij zelve meer dan eens gedaan terwijl ik daar zat, als er buiten iets voorbijkwam dat nog maar een zweem van mijne sekse had, en God weet dat ik een antwoord heb gekregen. O moeder, moeder, als gij mij maar aan mijn natuurlijk hart hadt overgelaten toen ik ook een meisje was—jonger dan Florence—hoe geheel anders had ik dan nu kunnen zijn!”Wel begrijpende dat alle vertooning van gramschap hier nutteloos was, bedwong hare moeder zich en begon zij te janken en te jammeren. Zij beklaagde zich dat zij te lang had geleefd, en dat haar eenig kind haar verzaakte, en dat men in dezen boozen tijd om geen kinderplicht meer dacht, en dat zij onnatuurlijke verwijten moest hooren en niet meer om haar leven gaf.“Als ik gedurig zulke scenes moest hebben,” jankte zij, “zou het waarlijk veel beter voor mij zijn als ik maar om een middel dacht om een eind aan mijn bestaan te maken. O, als ik denk dat gij mijne dochter zijt, Edith, en zoo tegen mij spreekt.”—“Tusschen ons, moeder,” antwoordde Edith treurig, “is de tijd voor wederzijdsche verwijten voorbij.”—“Waarom komt gij er dan weder op terug?” jammerde hare moeder. “Gij weet wel dat ge mij het hart verscheurt. Gij weet wel hoe gevoelig ik ben voor alle onvriendelijkheid. En dan nog op zulk een oogenblik, nu ik om zooveel te denken heb, en natuurlijk verlangend ben om er op mijn best uit te zien. Ik ben verbaasd over u, Edith. Uwe moeder op uw trouwdag tot een spook van leelijkheid te willen maken.”Terwijl zij snikte en hare oogen wreef, bleef Edith haar met denzelfden strakken blik aanzien. Eindelijk zeide zij met dezelfde vaste stem, die sedert zij het eerst het woord had genomen niet hooger of lager was geworden: “Ik heb gezegd dat Florence naar huis moet gaan.”—“Laat zij gaan,” riep de verschrikte en beangste moeder uit. “Ik voor mij mag wel lijden dat zij gaat. Wat kan mij dat meisje schelen?”—“Mij kan zij zooveel schelen,” antwoordde Edith, “dat ik, liever dan haar een grein van het kwaad, dat ik in mijn eigen hart heb, te laten mededeelen, u verzaken zou, moeder, gelijk ik hem morgen in de kerk zou verzaken, als gij er mij reden toe gaaft. Laat haar met vrede. Zij zal, zoolang ik het verhinderen kan, niet met de lessen besmet worden die ik geleerd heb. Dit is geene harde voorwaarde op dezen bitteren avond.”—“Als gij het op eene vriendelijke, dochterlijke manier hadt voorgeslagen, Edith,” jankte hare moeder, “misschien wel niet. Maar zulke scherpe, bijtende woorden …”—“Zij zijn nu tusschen ons voorbij en gedaan,” zeide Edith. “Ga uw eigen weg, moeder; neem zooveel deel als gij wilt in wat gij gewonnen hebt; verteer, geniet, vermaak u, en wees zoo gelukkig als gij wilt. Het doel van ons leven is bereikt. Laten wij het voortaan stilzwijgend dragen. Mijn mond zal van dit uur af van het verledene zwijgen. Ik vergeef u uw aandeel in de goddeloosheid van morgen. God vergeve mij het mijne!”Zonder eenige beving in hare stem of hare leden, en voorbijstappende met een voet die elke zachte aandoening op den nek scheen te treden,wenschtezij hare moeder goedennacht en ging naar hare kamer.Maar niet om te rusten; toen zij alleen was liet hare gemoedsbeweging haar geene rust. Op en neer, op en neer, en al weder op en neer, vijfhonderdmalen, tusschen de prachtige toebereidselen om haar morgen op te tooien; met hare donkere haren losgeschud, en hare donkere oogen vol gloed, en hare blanke borst rood van het onbarmhartig knellen der hand, waarmede zij zich zelve in het hart scheen te willen tasten, stapte zij door de kamer met een afgewend hoofd, alsof zij haar eigen gezicht wilde ontwijken en zich uit haar eigen gezelschap verbannen. Zoo worstelde Edith Granger, in het holste van den nacht vóór haar trouwdag, met haar onrustigen geest, zonder tranen, zonder vrienden, zonder woorden, zonder klagen.Eindelijk raakte zij bij toeval de half openstaande deur aan, die in de kamer uitkwam waar Florence sliep.Er brandde daar licht, en dit vertoonde haar Florence in al hare onschuld en schoonheid, gerust in slaap. Edith hield haar adem in, en gevoelde zich naar haar toegetrokken.Nog dichter, en dichter, en dichterbij; eindelijk zoo dichtbij, dat zij bukkende hare lippen op het zachte handje drukte, dat buiten het bed lag, en daarna dat handje zacht op haar hals legde. Dit aanraken was als de staf des profeten op de rots. Hare tranen welden daaronder op, terwijl zij op hare knieën zonk en haar kloppend hoofd met zwierende haren daarnaast op het kussen legde.Zoo sleet Edith Granger den nacht vóór haar huwelijk. Zoo vond haar de zon op den ochtend van haar trouwdag.[216]
[Inhoud]XXX.DE BRUIDSDAGEN.Hoewel het betooverde huis niet meer bestond, de werkende wereld daar was ingebroken en den geheelen dag hamerde en bonsde en trappen op en neer liep, waardoor Diogenes van den ochtend tot den avond woedend aan het blaffen werd gehouden—hij was blijkbaar overtuigd dat zijn oude vijand hem eindelijk te knap was geweest en het huis had overrompeld—had er in het eerst geene groote verandering in de levenswijs van Florence plaats. Des avonds, als de werklieden heengingen, werd het huis weder akelig en eenzaam; en wanneer Florence bij dat heengaan hunne stemmen in het voorhuis en op de trap hoorde klinken, verbeeldde zij zich de vroolijke huishoudens waarheen zij terugkeerden, en de kinderen die naar hen wachtten, en streelde zij zich met de gedachte dat zij blijde waren dat het tijd was om te gaan.Zij begroette de stilte van den avond als eene oude vriendin; maar deze kwam nu met een veranderd gelaat en zag haar vriendelijker aan. Zij bracht nieuwe hoop mede. De schoone dame, die haar getroost en geliefkoosd had, in dezelfde kamer waar haar hart eens zoo diep was gewond, was een engel van belofte voor haar. Vriendelijker voorboden van een schooner leven, wanneer zij langzamerhand haar vaders liefde zou winnen, en geheel of grootendeels terugkrijgen wat zij verloren had op dien donkeren dag, toen de liefde eener moeder met den laatsten adem eener moeder op hare wang was uitgezucht, zweefden in de schemering om haar heen en waren een opbeurend gezelschap. Naar de blozende kinderen aan den overkant uitkijkende, was het een nieuw en streelend gevoel voor haar, te denken dat zij elkander misschien spoedig zouden spreken en kennen, dat zij niet meer bang zou zijn, gelijk vanouds, om zich aan hen te vertoonen, opdat het hun niet zou bedroeven als zij haar daar in hare zwarte kleeding alleen zagen zitten.Met die gedachten aan hare nieuwe moeder, en met de liefde en het vertrouwen die in haar rein gemoed voor deze opwelden, kreeg Florence hare doode moeder hoe langer hoe meer lief. Zij was niet bang om haar eene mededingster in haar hart te geven. De nieuwe bloem sproot uit den diep geplanten en lang gekoesterden wortel, dien zij wel kende. Ieder vriendelijk woord, dat de lippen der schoone dame was ontvloten, klonk Florence als een nagalm der stem die zoolang had gezwegen. Hoe kon de teederheid eener levende haar de nagedachtenis van alle ouderlijke teederheid die zij ooit gekend had minder doen liefhebben!Florence zat eens op hare kamer te lezen en dacht aan de dame en haar binnen kort beloofd bezoek—want de inhoud van haar boek was geschikt om haar daaraan te herinneren—toen zij hare oogen opsloeg en haar in de deur zag staan.“Mama!” riep Florence, verheugd opstaande. “Nu teruggekomen!”—“Nog geen mama,” antwoordde de dame met een ernstigen glimlach, en sloeg haar arm om Florence’s hals.—“Maar toch heel gauw!” riep Florence uit.—“Nu heel gauw, Florence, heel gauw.”Edith boog haar hoofd, zoodat zij Florence’s blozende wang tegen de hare drukte, en zweeg zoo een poosje. Hare manier van doen had iets zoo teeders, dat Florence dit nog dieper gevoelde dan bij hare eerste ontmoeting.Zij bracht Florence naar een stoel en zette zich naast haar. Florence zag haar aan, waarlijk verwonderd over hare schoonheid, en liet gewillig hare hand vasthouden.“Zijt ge veel alleen geweest, Florence, sedert ik laatst hier was?”—“O ja,” antwoordde Florence haastig en met een glimlach.[209]Zij sloeg hare oogen neer, want hare nieuwe mama zag zeer ernstig en hield haar blik strak en nadenkend op haar gelaat gevestigd.“Ik—ik ben gewoon om alleen te zijn,” zeide Florence eenigszins haperend. “Ik geef er geheel niet om. Di en ik slijten somtijds geheele dagen met elkander.” Zij had wel mogen zeggen geheele weken en maanden.—“Is Di uwe kamenier, liefje?”—“Mijn hond, mama,” antwoordde Florence lachende. “Suze is mijne kamenier.”—“En dit zijn uwe kamers,” zeide Edith, rondziende. “Men heeft mij laatst deze kamers niet laten zien. Wij moeten ze laten verbeteren, Florence. Zij zullen tot de mooiste in het huis gemaakt worden.”—“Als ik ze mocht ruilen, mama,” antwoordde Florence, “is er eene, boven in huis, die ik veel liever zou hebben.”—“Is deze niet hoog genoeg, meisje lief?” vroeg Edith met een glimlach.—“Die andere was mijn broertjes kamer,” zeide Florence, “en daar ben ik zoo gaarne. Ik had er papa van willen spreken toen ik thuis kwam, en de werklieden hier vond, en zag dat alles veranderd werd; maar—” Florence sloeg hare oogen neer, uit vrees dat dezelfde blik haar weder zou doen haperen—“maar ik was bang dat het hem zou bedroeven; en daar ik hoorde zeggen dat ge binnen kort weder hier zoudt komen, mama, en meesteres van alles zijn, dacht ik liever maar moed te vatten om het u te vragen.”Terwijl de twee lange knechts volgden, duwde de een, wiens orgaan van eerbied niet genoeg ontwikkeld was, zijne tong in zijne wang om den ander aan het lachen te maken. (blz. 212).Terwijl de twee lange knechts volgden, duwde de een, wiens orgaan van eerbied niet genoeg ontwikkeld was, zijne tong in zijne wang om den ander aan het lachen te maken.(blz. 212).Edith zat haar met hare schitterende oogen strak aan te staren, tot Florence de hare opsloeg; toen wendde Edith op hare beurt haar blik af en vestigde dien op den grond. Het was toen dat Florence dacht van welk een geheel anderen aard de schoonheid dier dame was dan zij het in het eerst gedacht had. Zij had die voor statig en trotsch gehouden; maar hare manieren waren zoo zacht en vriendelijk dat zij, al was zij van Florence’s eigene jaren en karakter geweest, bezwaarlijk meer vertrouwen had kunnen uitlokken.Uitgezonderd wanneer zekere zonderlinge, gedwongene terughouding haar bekroop; en dan scheen het (maar Florence begreep dit toen nog niet, schoon zij niet kon nalaten het op te merken[210]en er over te denken) alsof zij zich voor Florence vernederd gevoelde en slecht op haar gemak was. Toen zij zeide dat zij hare mama nog niet was, en toen Florence haar meesteres van alles noemde, was deze verandering in haar uitzicht even snel als bevreemdend; en thans, nu Florence’s oogen op haar gelaat gevestigd waren, zat zij daar alsof zij wel voor haar had willen wegkruipen en zich verschuilen, in plaats van haar te liefkoozen gelijk zulk eene nauwe betrekking haar recht gaf.Zij beloofde Florence bereidwillig hare nieuwe kamer, en zeide dat zij zelve last daartoe zou geven. Daarop deed zij eenige vragen naar den armen Paul; en toen zij nog eene poos met elkander hadden gesproken, zeide zij Florence dat zij gekomen was om haar naar hare eigene woning mede te nemen.“Wij zijn nu naarLondengekomen, mijne moeder en ik,” zeide Edith, “en gij zult bij ons logeeren tot ik getrouwd ben. Ik wensch dat wij elkander leeren kennen en vertrouwen, Florence.”—“Ge zijt wel goed voor mij, lieve mama,” zeide Florence. “Hoe dank ik u!”—“Laat ik nu zeggen, want het zal misschien de beste gelegenheid wezen,” vervolgde Edith, rondziende of zij geheel alleen waren en zachter sprekende, “dat ik, als ik getrouwd ben en voor eenige weken op reis ga, veel geruster zal zijn als gij hier weder thuis komt. Onverschillig wie u ergens anders te logeeren vraagt, kom hier thuis. Het is beter hier alleen te zijn dan—wat ik zeggen wilde is,” vervolgde zij, zich bedenkende, “dat ik wel weet dat gij best thuis zijt, lieve Florence.”—“Ik zal nog denzelfden dag weder naar huis gaan, mama.”—“Doe dat. Ik vertrouw op die belofte. Maak u nu gereed om met mij mee te gaan, meisje lief. Als ge klaar zijt, zult ge mij beneden vinden.”Langzaam en peinzend zwierf Edith alleen door het huis, waarvan zij zoo spoedig meesteres zou zijn, en weinig lette zij op de pracht, die het begon ten toon te spreiden. Dezelfde stugge trotschheid, dezelfde hoonende minachting in oog en lip, dezelfde fiere schoonheid, alleen beneveld door het gevoel van hare eigene geringe waardij, dwaalde nu door de kostbare kamers en zalen, die onder het dichte geboomte met woeste hartstochtelijkheid waren uitgebarsten. De nagebootste rozen op de wanden waren met scherpe dorens bezet, die haar de borst opreten; in elk stipje goud, dat haar in de oogen schitterde, zag zij een hatelijk gedeelte van haar koopprijs; de hooge en breede spiegels vertoonden haar ten voeten uit eene vrouw in welke nog iets edels woonde, maar die ontrouw was aan het betere in haar gemoed, en te zeer verlaagd en verloren om zich zelve te redden. Zij geloofde dat dit alles meer of minder zoo duidelijk voor ieders oogen was, dat haar geene toevlucht, geen middel om zich eenigszins te doen gelden overschoot, dan trots; en met dien trots, die haar eigen hart nacht en dag martelde, tartte en bekampte zij haar lot.Was dit de vrouw, welke Florence—een onnoozel meisje, krachtig alleen door haar ernst en hare eenvoudige oprechtheid—zoodanig kon herscheppen, dat zij bij haar een geheel ander wezen was, hare hartstochtelijkheid gestild, zelfs hare trotschheid gedempt was? Was dit de vrouw, die nu naast haar in de koets zat, met hare armen door die van Florence gestrengeld, die haar bad en vleide om haar lief te hebben en te vertrouwen, die haar hoofdje aan hare borst te rust legde, en haar leven had willen opofferen om dat hoofdje voor gevaar of kwaad te bewaren?O, Edith, gelukkig zou het waarlijk voor u zijn geweest op zulk een tijd te sterven! Veel beter en gelukkiger, misschien, zoo te sterven, Edith, dan voort te leven tot aan het einde.Mevrouw Skewton, die liever aan alle andere dingen dan aan zulke bespiegelingen dacht—want gelijk vele fatsoenlijke lieden, wilde zij volstrekt niet van den dood weten, en nam zij het kwalijk als er van zoo iets gemeens werd melding gemaakt—had een huis inBrook-Street, bijGrosvenor-Square, geleend van een aanzienlijk bloedverwant (een lid van de familie Feenix) die uit de stad was, en geen bezwaar maakte om het haar voor den bruidstijd te leenen, daar deze leening dan inhield dat hij van alle verdere leeningen en gaven aan mevrouw Skewton en hare dochter vrij was. Daar het voor de eer der familie noodzakelijk was in zulk een tijd eenige vertooning te maken, zette mevrouw Skewton (met behulp van een gedienstig winkelier, die aan den adel en de fatsoenlijke wereld alle mogelijke dingen verhuurde, van een zilveren tafelservies tot aan een stoet lakeien) in dat huis een bottelier met zilvergrijs haar (die daarom hooger werd berekend, dewijl hij het voorkomen van een oud familiestuk had), twee zeer lange jongelieden in livrei, en een uitgezochten staf van keukenbedienden; zoodat er in het onderhuis een sprookje in omloop kwam, dat men Withers de page, op eens van zijne talrijke huiselijke werkzaamheden en van het duwen van den rolstoel (die in de hoofdstad niet meer gebruikt werd) ontslagen, verscheidene malen zijne oogen had zien uitwrijven en zich zelven in de armen en beenen knijpen, als vreesde hij dat hij bij den melkboer teLeamingtonwas in slaap gevallen en nog in een hemelschen droom verkeerde. Alle benoodigdheden van zilver en porselein werden insgelijks door denzelfden gedienstigen winkelier geleverd, benevens eene verscheidenheid van voorwerpen, waaronder ook een net rijtuigje met een paar bruinen; en door deze hofhouding omringd, zette mevrouw Skewton[211]zich in hare Cleopatrahouding op de fraaiste sofa, om in staatsie audiëntie te geven.“En hoe maakt het mijne bekoorlijke Florence?” zeide mevrouw Skewton, toen het meisje met hare dochter binnentrad. “Kom mij toch een kusje geven, lieve Florence.”Florence bukte schroomvallig om in het witte gedeelte van mevrouw Skewton’s gezicht een plekje te zoeken; toen deze dame haar een oor toehield en dus uit hare verlegenheid hielp.“Edith, melieve,” zeide mevrouw Skewton, “waarlijk, ik—ga eens een weinigje meer in het licht staan, lieve Florence, voor een oogenblikje.”Florence gehoorzaamde blozend.“Weet ge niet meer wat gij waart, lieve Edith,” zeide hare moeder, “toen gij omtrent even oud waart als onze kostbare Florence, of eenige jaren jonger?”—“Dat heb ik lang vergeten, moeder.”—“Want stellig, melieve,” zeide mevrouw Skewton, “mij dunkt ik zie eene bepaalde gelijkenis tusschen datgene wat gij toen waart en ons allerliefst vriendinnetje. En dat bewijst,” vervolgde mevrouw Skewton zachter, om aan te duiden dat zij Florence voor nog zeer ongepolijst hield, “wat polijsten doen kan.”—“Ja, dat doet het wel,” was het stroeve antwoord van Edith.Hare moeder zag haar voor een oogenblik scherp aan, en gevoelende dat zij op onveiligen grond kwam, zeide zij om er weder van af te raken:“Mijne bekoorlijke Florence, gij moet mij nog eens een kusje geven, als het u belieft, liefje.”Florence gehoorzaamde natuurlijk en drukte nog eens hare lippen op mevrouw Skewton’s oor.“En gij hebt zeker wel gehoord, lievelingetje,” zeide mevrouw Skewton, hare hand vasthoudende, “dat uw papa, wien wij allen op de handen dragen, vandaag over acht dagen met mijne lieve Edith zal trouwen.”—“Ik wist wel dat het heel gauw zou zijn,” antwoordde Florence, “maar niet recht wanneer.”—“Maar lieve Edith,” zeide de moeder vroolijk, “is het mogelijk dat ge dat Florence niet gezegd hebt?”—“Waarom zou ik dat Florence zeggen?” antwoordde Edith, zoo snel en scherp, dat Florence bijna niet gelooven kon dat het dezelfde stem was.Mevrouw Skewton vertelde toen Florence, als eene andere veiliger afleiding, dat haar vader daar kwam dineeren en zonder twijfel zeer aangenaam verrast zou zijn als hij haar zag; daar hij den vorigen avond gezegd had, dat hij zich maar in deCityzou kleeden, en niets van Edith’s voornemen had geweten, waarvan de uitvoering, naar mevrouw Skewton’s gedachten, hem zou doen verrukt staan. Florence werd onrustig toen zij dit hoorde; en toen het uur van het diner naderde werd haar angst zoo groot, dat zij, als zij maar geweten had hoe te vragen om maar weder naar huis te mogen gaan, zonder eene verklaring te geven waarin haar vader betrokken was, liever blootshoofds, te voet en alleen teruggekeerd zou zijn, dan zich aan het gevaar van zijn misnoegen bloot te stellen.Toen de tijd naderde, kon zij nauwelijks ademhalen. Zij durfde niet bij het venster komen, uit vrees dat hij haar van de straat zou zien. Zij durfde niet naar boven gaan om hare aandoening te verbergen, uit vrees dat zij, de kamerdeur uitkomende, hem onverwacht zou ontmoeten; en bovendien was het haar alsof zij dan nooit weder zou durven terugkomen als zij voor hem werd opgeroepen. In deze benauwdheid zat zij bij Cleopatra’s sofa, en poogde het flauwe gesnap dier dame aan te hooren en te beantwoorden, toen zij zijn voetstap op de trap hoorde.“Daar hoor ik hem!” riep Florence, opspringend, uit. “Hij komt!”Cleopatra, wier jeugdigheid haar dartel maakte, en wier eigenliefde haar verhinderde om over den aard van Florence’s aandoening te denken, duwde haar achter de sofa en spreidde een shawl over haar heen, om Dombey eens aangenaam te verrassen. Dit gebeurde zoo haastig, dat Florence een oogenblik later zijn geduchten stap in de kamer hoorde.Hij groette zijne aanstaande schoonmoeder en zijne aanstaande gade. De vreemde klank zijner stem deed zijne dochter trillen.“Mijn lieve Dombey,” zeide Cleopatra, “kom eens hier en zeg mij hoe uwe aardige Florence vaart.”—“Florence is heel wel,” zeide Dombey, naar de sofa komende.—“En is zij thuis?”—“Ja, thuis,” antwoordde Dombey.—“Mijn beste Dombey,” hervatte Cleopatra met betooverende levendigheid. “Weet ge nu wel zeker dat ge mij niet bedriegt? Ik weet niet wat mijne lieve Edith zal zeggen als ik zoo spreek, maar ik vrees waarlijk dat gij ook al een valschaard zijt, mijn lieve Dombey.”Al was hij dit geweest, en al was hij op het oogenblik op de grootste valschheid betrapt, die ooit gezegd of gedaan werd, had hij bezwaarlijk meer kunnen ontstellen dan hij deed toen mevrouw Skewton den shawl wegnam, en Florence, bleek en bevende, als een spook voor hem oprees. Hij had zijne tegenwoordigheid van geest nog niet herkregen, toen Florence naar hem toeliep, hare armen om zijn hals sloeg, hem een kus gaf en de kamer uitsnelde. Hij keek rond als wilde hij de zaak naar iemand anders verwijzen, maar Edith was Florence dadelijk gevolgd.“Beken nu maar, mijn lieve Dombey,” zeide mevrouw Skewton, hem hare hand gevende, “dat ge nooit in uw leven meer verrast en in uw schik zijt geweest.”—“Ik ben zeker nooit meer verrast geweest,” zeide Dombey.—“En in uw schik, mijn lieve Dombey?” hervatte mevrouw Skewton, met haar waaier dreigende.[212]—“Ik—ja, ik ben zeer blij dat ik Florence hier ontmoet,” zeide Dombey. Hij scheen er een oogenblik ernstig over te denken en zeide toen stelliger: “Ja, ik ben werkelijk zeer blij dat ik Florence hier ontmoet.”—“Gij verwondert u hoe zij hier komt, niet waar?” zeide mevrouw Skewton.—“Edith, misschien,” begon Dombey en bleef daarbij steken.—“O, gij ondeugd!” antwoordde Cleopatra, haar hoofd schuddende. “Gij kunt goed raden. O, gij slimme man! Iemand moest zulke dingen niet zeggen; want uwe sekse, mijn lieve Dombey, heeft zooveel inbeelding en maakt zoo licht misbruik van onze zwakheid; maar gij kent mijne openhartigheid—heel goed, dadelijk.”Dit was tot een der lange knechts gericht, die kwam zeggen dat het diner gereed was.“Maar Edith, mijn beste Dombey,” vervolgde zij fluisterend, “als zij u niet bij zich kan hebben—en, zooals ik haar zeg, dat kan zij niet altijd verlangen—wil ten minste iemand bij zich hebben die u toebehoort. Wel, dat is heel natuurlijk! En zoo kon niets haar vandaag beletten om uit te rijden en Florence te gaan halen. Dat is toch bekoorlijk!”Daar zij naar een antwoord wachtte, antwoordde Dombey: “Buitengemeen.”—“Zegen u, mijn lieve Dombey, voor dat bewijs van hartelijkheid!” riep Cleopatra uit, en drukte hem de hand. “Maar ik word al te ernstig! Breng mij nu naar beneden, als een engel, en laten wij zien wat voor diner die lieden ons zullen geven. Zegen u, beste Dombey!”Na deze laatste toespraak wipte Cleopatra tamelijk vlug van hare rustkoets, waarop Dombey haar arm in den zijnen nam en haar plechtstatig naar beneden leidde. Terwijl de twee lange knechts volgden, duwde de een, wiens orgaan van eerbied niet genoeg ontwikkeld was, zijne tong in zijne wang om den ander aan het lachen te maken.Florence en Edith waren reeds in de eetzaal en zaten naast elkander. Florence wilde opstaan toen haar vader binnenkwam, om hem haar stoel over te laten; maar Edith legde openlijk hare hand op haar arm, en Dombey nam aan den overkant der ronde tafel plaats.Het gesprek werd bijna uitsluitend door mevrouw Skewton aan den gang gehouden. Florence durfde bijna hare oogen niet opslaan, uit vrees dat zij de sporen van tranen zou laten zien; veel minder durfde zij spreken; en Edith liet geen woord hooren, of het moest tot antwoord op eene vraag zijn. Cleopatra gaf zich waarlijk veel moeite voor het etablissement dat zoo haast gepakt was; en het had waarlijk wel zeer kostbaar mogen zijn om haar te beloonen.“En dus zijn uwe voorbereidselen eindelijk bijna gereed, mijn beste Dombey?” zeide Cleopatra, toen het dessert op de tafel stond en de bottelier met zilvergrijs haar zich verwijderd had. “Ook die van de rechtsgeleerden?”—“Ja, mevrouw,” antwoordde Dombey, “de akte van de huwelijksvoorwaarden, hebben de rechtsgeleerde heeren mij onderricht, is nu gereed, en gelijk ik u zeide, Edith heeft ons maar de gunst te bewijzen om een tijd voor het teekenen voor te stellen.”Edith zat daar gelijk een fraai steenen beeld, even koud en stil.“Liefste liefje,” zeide Cleopatra, “hoort gij wel wat mijnheer Dombey zegt? O, mijn beste Dombey,” ter zijde tot dien heer, “hoe herinnert mij hare verstrooidheid, nu de tijd nadert, aan de dagen toen haar papa, een alleraardigst man, in uwe positie was.”—“Ik heb niets voor te stellen. Het zal zijn wanneer gij verkiest,” zeide Edith, nauwelijks over de tafel naar Dombey ziende.—“Morgen?” zeide Dombey.—“Als het u zoo belieft.”—“Of zou overmorgen u beter schikken met hetgeen gij anders nog te doen hebt?” zeide Dombey.—“Ik heb niets te doen. Ik ben altijd tot uwe beschikking. Laat het zijn wanneer gij verkiest.”—“Niets te doen, lieve Edith,” bracht hare moeder hiertegen in, “en gij hebt het den geheelen dag zoo schrikkelijk druk, met duizenderlei bestellingen bij allerlei leveranciers!”—“Dat is uw bedrijf,” antwoordde Edith, haar met een eenigszins gefronst voorhoofd aanziende. “Gij en mijnheer Dombey kunt het met uw beiden schikken.”—“Wel waar, kindlief, en heel vriendelijk van u,” zeide Cleopatra. “Florence, mijn lievelingetje, gij moet mij waarlijk nog eens een kusje komen geven.”Zonderling dat deze vlagen van belangstelling voor Florence bijna telkens bij Cleopatra opkwamen als Edith eenig deel, hoe gering ook, aan het gesprek nam. Florence was nog nooit zoo dikwijls omhelsd geworden, en misschien, zonder het te weten, nog nooit in haar leven zoo nuttig geweest.Voor zich zelven was Dombey verre van misnoegd over de houding en de manieren zijner bruid. Hij kon zeer wel met trotschheid en koelheid sympathiseeren, en het streelde hem dat zelfs deze eigenschappen zich bij Edith aan hem onderschikten en zij geen anderen wil scheen te hebben dan den zijnen. Het streelde hem zich voor te stellen hoe deze trotsche, statige vrouw de honneurs van zijn huis zou waarnemen en zijne gasten op zijne eigene manier doen verkleumen. De waardigheid van Dombey en Zoon zou in zulke handen wel gehandhaafd, ja zelfs nog verhoogd worden.Zoo dacht Dombey toen hij in de eetzaal alleen was gelaten en over het verledene en de toekomst peinsde. Hij vond niets onaangenaams in de schrale en sobere staatsie die in dat vertrek heerschte, met het donkerbruine behangsel, waarop nog donkerder schilderijen als zwarte grafmonumenten afstaken, en vier en twintig[213]zwarte stoelen, met bijna zooveel spijkers als doodkisten, die als rouwdragers om den rand van het Turksche tapijt geschaard stonden, en twee naakte negers, die candelabres van dorre takken droegen, op de buffettafel, en een duffen reuk, alsof de asch van duizend diners in de sarcophaag daaronder was begraven. De eigenaar van het huis was veel op reis; de lucht vanEngelandwas zelden lang gezond voor een lid der familie Feenix; en dit vertrek was al zwaarder en zwaarder in den rouw over hem gegaan, tot het zoozeer naar eene paradekamer geleek, dat er slechts een lijk aan ontbrak om het geheel daartoe te maken.Geen slechte plaatsvervanger voor een lijk, door zijne stijfheid, zoo niet door zijne houding, was Dombey, terwijl hij in de koude diepte der doode zee van mahoniehout zat te turen, waarop de fruitschalen en karaffen voor anker lagen; alsof de onderwerpen zijner gedachten een voor een naar de oppervlakte rezen en weder wegzonken. Edith was daar in al hare majesteit van gelaat en gestalte; en dicht bij haar kwam Florence, met haar vreesachtig gezichtje naar hem toegekeerd, gelijk het voor een oogenblik geweest was, toen zij de kamer verliet; en Edith’s oogen waren op haar gevestigd, en Edith’s hand was beschermend naar haar uitgestoken. Eene kleine gedaante op een laag leuningstoeltje kwam vervolgens te voorschijn en zag hem verwonderd aan met de heldere oogen en het oudachtig jeugdig gezichtje, dat glansde als in het flikkerende schijnsel van een vuur. Wederom kwam Florence dicht daarbij en boeide zijne geheele aandacht. Of het was als een hem door het noodlot bestemd bezwaar en teleurstelling, of als eene mededingster die hem eens in den weg was gekomen, en dit nogmaals kon doen; of als zijn kind, dat hem op zulk een tijd niet meer vreemd moest blijven; of als eene vermaning dat hij voor zijne nieuwe betrekkingen ten minste den schijn moest bewaren, alsof zijn eigen bloed hem niet onverschillig was—wist hij zelf het best. Misschien wist hij het eigenlijk toch niet recht; want trouwfeesten en trouwaltaren en tooneelen van bekroonde eerzucht—nog hier en daar met Florence daarbij—altijd die Florence—rezen zoo snel en zoo verward voor hem op, dat hij zelf opstond en naar boven ging om er aan te ontkomen.Het was laat in den avond eer er licht gebracht werd, want mevrouw Skewton klaagde dat zij tegenwoordig hoofdpijn daarvan kreeg; en ondertusschen zaten mevrouw Skewton en Florence met elkander te praten (Cleopatra was er zeer op gesteld om het meisje bij zich te houden), of speelde Florence, voor mevrouw Skewton’s vermaak, zachtjes op de piano; om niet van eenige gelegenheden in den loop van den avond te spreken, waarbij die hartelijke dame zich gedrongen gevoelde om nog een kusje te verzoeken, hetgeen altijd gebeurde nadat Edith iets gezegd had. Dit was echter niet dikwijls, want Edith bleef den geheelen tijd afgezonderd bij een open venster zitten (hoewel hare moeder vreesde dat zij kou zou vatten) totdat Dombey afscheid nam. Daarbij was hij zeer genadig voor Florence; en Florence ging in eene kamer achter die van Edith naar bed, zoo gelukkig en vol hoop, dat zij aan haar vroegerikdacht als aan een ander eenzaam en verlaten meisje, waarmede zij medelijden moest hebben; en in haar medelijden snikte zij in slaap.De week vloog voorbij. Men moest naar modemaaksters, kleedermaaksters, juweliers, procureurs, bloemkweekers en pasteibakkers rijden; en Florence reed altijd mede. Florence zou de trouwplechtigheid bijwonen; en dan haar rouwgewaad afleggen en een brillant costuum dragen. Het model, dat de modemaakster—die eene Française was en veel van mevrouw Skewton had—recommandeerde, was zoo elegant, dat mevrouw Skewton insgelijks zulk een kleedje voor zich zelve bestelde. De modemaakster zeide dat het haar uitmuntend zou staan, en dat iedereen haar voor de zuster van de jonge juffer zou aanzien.De week vloog nog sneller voorbij. Edith zag naar niets en bekommerde zich om niets. De kostbare kleederen kwamen thuis, en werden aangepast, en werden door mevrouw Skewton en de modemaakster luid geprezen, en werden weggelegd zonder een enkel woord van haar. Mevrouw Skewton maakte plannen voor elken dag en bracht ze ten uitvoer. Somtijds bleef Edith in de koets zitten als men uitreed om iets te gaan koopen; somtijds, als het volstrekt noodig was, ging zij een winkel binnen; maar mevrouw Skewton deed altijd de zaak af, waarom het ook mocht te doen zijn; en Edith keek met schijnbare onverschilligheid toe, alsof het haar niets aanging. Florence had haar misschien trotsch en stroef kunnen vinden, maar voor haar was zij dit nooit; en zoo smoorde Florence hare verwondering in hare dankbaarheid.De week vloog nog sneller voorbij. Zij was bijna geheel om. De laatste avond, de avond vóór de trouwplechtigheid, was gekomen. In de donkere kamer—want mevrouw Skewton’s hoofd was nog niet beter, hoewel zij des anderen daags eene duurzame beterschap verwachtte—zaten deze dame, Edith en Dombey. Edith zat voor haar open venster naar de straat te kijken; Dombey en Cleopatra waren op de canapé zachtjes aan het praten. Het werd laat; en Florence, die vermoeid was, had zich reeds ter rust begeven.“Mijn beste Dombey,” zeide Cleopatra, “gij zult mij morgen Florence toch laten, als gij mij van mijne lieve Edith berooft?”Dombey antwoordde dat hij dit met genoegen zou doen.“Haar hier bij mij te hebben, terwijl gij beiden[214]naarParijszijt, en te kunnen denken, mijn beste Dombey, dat ik op hare jaren tot de vorming van haar geest bijdraag,” zeide Cleopatra, “zal een balsem voor mij wezen in den geschokten toestand, waarin ik dan verzonken zal zijn.”Edith keerde eensklaps haar hoofd om. Hare lustelooze houding werd in een oogenblik met een uitzicht van vurige belangstelling verwisseld, en zonder dat men dit in het donker zag, luisterde zij oplettend naar hun gesprek.Dombey zou Florence gaarne onder zulk eene uitmuntende voogdij en leiding laten.“Duizendmaal dank voor uwe goede meening, mijn beste Dombey,” antwoordde Cleopatra. “Ik vreesde dat ge mij, met een boos opzet, tot eene volstrekte eenzaamheid woudt veroordeelen.”—“Hoe kondt ge mij zulk een onrecht aandoen, lieve mevrouw?” zeide Dombey.—“Omdat mijne bekoorlijke Florence mij zoo stellig zegt, dat zij morgen naar huis moet,” antwoordde Cleopatra, “dat ik begon te vreezen dat gij een echte turksche Bassa waart.”—“Ik verzeker u, mevrouw,” zeide Dombey, “ik heb Florence niets voorgeschreven. En al was dat zoo, dan zouden die voorschriften toch voor uw verlangen moeten wijken.”—“Mijn beste Dombey,” antwoordde Cleopatra, “wat zijt ge toch een hoveling! Schoon ik dat toch ook niet zeggen wil, want hovelingen hebben geen hart, en ge zijt altijd zoo hartelijk. Gaat ge waarlijk al zoo vroeg heen, mijn beste Dombey?”O, het was inderdaad laat, en Dombey vreesde dat hij gaan moest.“Is het werkelijk, of is alles maar een droom?” lispelde Cleopatra. “Kan ik het gelooven, mijn allerbeste Dombey, dat gij morgenochtend terugkomt om mij mijne lieve gezellin, mijne eigene Edith, te ontrooven!”Dombey, die gewoon was alles letterlijk op te vatten, antwoordde dat zij elkander eerst nog in de kerk zouden zien.“De smart om een kind af te staan,” zeide mevrouw Skewton, “zelfs aan u, mijn beste Dombey, is waarlijk niet te beschrijven, en vereenigd met mijn teer gestel en de ijselijke domheid van den pasteibakker, die het ontbijt heeft aangenomen, is zij haast al te groot voor mijne zwakke krachten. Maar ik zal mij toch morgen wel goed houden, mijn beste Dombey, wees voor mij maar niet ongerust; de hemel zegene u! Lieve Edith,” riep zij schalkachtig, “er gaat iemand heen.”Edith, die het hoofd weder naar het venster had gekeerd, daar zij geen belang in hun gesprek meer stelde, stond op, maar zij kwam niet naar hem toe en sprak geen woord. Met de deftige galanterie, welke bij deze gelegenheid en zijn karakter paste, stapten Dombey’s krakende laarzen naar haar toe, bracht hij hare hand aan zijne lippen en zeide hij: “Morgenochtend zal ik het geluk hebben om deze hand als die van mevrouw Dombey te vragen.” Daarop liet hij zich zelven met eene statige buiging uit.Mevrouw Skewton schelde om licht zoodra de straatdeur achter hem gesloten was. Met het licht kwam hare kamenier, en met de kamenier het jeugdige kleedje dat des anderen daags de wereld moest begoochelen. Dit kleedje wreekte zich gestreng, gelijk zulke kleedjes altijd doen, en maakte haar veel ouder en afschuwelijker dan hare smerige flanellen nachtjapon. Mevrouw Skewton paste het echter met kinderachtige blijdschap aan, glimlachte tegen haar lijkachtig beeld in den spiegel, bij de gedachte welk een indruk zij zoo op den majoor zou maken; liet het zich door hare kamenier weder uittrekken en zich voor hare nachtrust gereedmaken, en viel zoo in elkander gelijk een beschilderd kaartenhuisje.Al dien tijd bleef Edith voor het venster naar de straat kijken. Toen zij eindelijk met hare moeder alleen gebleven was, kwam zij, voor de eerste maal dien avond, daar vandaan en plaatste zich vlak over haar. De geeuwerige, beverige, gemelijke moeder, die hare oogen opsloeg naar de trotsche gestalte harer dochter, wier vurige blik vast op haar gevestigd was, had een schuldbesef in haar voorkomen, dat zij door geene vertooning van lichtzinnigheid of wreveligheid kon verbergen.“Ik ben doodaf,” zeide zij. “Gij zijt geen oogenblik alleen te vertrouwen. Gij zijt nog erger dan een kind. Kind! Geen kind zou half zoo koppig en weerspannig zijn.”—“Luister naar mij, moeder,” antwoordde Edith, deze woorden voorbijziende met eene verachting, die zich niet verwaardigde om zich met zulke beuzelingen op te houden. “Gij moet alleen hier blijven tot ik terugkom.”—“Moet alleen hier blijven tot gij terugkomt, Edith!” herhaalde hare moeder.—“Of bij dien naam, dien ik morgen zoo onbeschaamd en valsch ten getuige zal roepen van wat ik doe, zweer ik dat ik in de kerk de hand van dien man zal weigeren. Als ik dat niet doe, mag ik dood op de steenen neervallen!”De moeder antwoordde met een blik van angstigen schrik, in geenen deele verminderd door den blik dien zij ontmoette.“Het is genoeg,” zeide Edith langzaam, “dat wij zijn wat wij zijn. Ik wil geene jeugd en oprechtheid tot mijne laagte laten neerslepen. Ik wil geen onschuldig gemoed laten vergiftigen en verpesten om eene geheele wereld van moeders te amuseeren. Gij weet wel wat ik meen. Florence moet naar huis gaan.”—“Gij zijt eene zottin, Edith,” riep hare vergramde moeder uit. “Denkt gij dat er ooit vrede voor u in dat huis kan zijn, eer zij getrouwd en uit den weg is?”—“Vraag mij of vraag u zelve, of ik ooit vrede in dat huis verwacht,”[215]zeide hare dochter, “en gij weet het antwoord.”—“En moet het mij van avond gezegd worden, na al mijne moeite en zorg, en nu gij door mij onafhankelijk zult worden,” gilde de moeder bijna, terwijl zij driftig haar hoofd schudde, “dat ik een meisje zou besmetten en bederven, dat ik geen geschikt gezelschap voor een meisje ben? Wat zijt gij, vraag ik u—wat zijt gij?”—“Die vraag,” zeide Edith, doodsbleek en naar het venster wijzende, “heb ik mij zelve meer dan eens gedaan terwijl ik daar zat, als er buiten iets voorbijkwam dat nog maar een zweem van mijne sekse had, en God weet dat ik een antwoord heb gekregen. O moeder, moeder, als gij mij maar aan mijn natuurlijk hart hadt overgelaten toen ik ook een meisje was—jonger dan Florence—hoe geheel anders had ik dan nu kunnen zijn!”Wel begrijpende dat alle vertooning van gramschap hier nutteloos was, bedwong hare moeder zich en begon zij te janken en te jammeren. Zij beklaagde zich dat zij te lang had geleefd, en dat haar eenig kind haar verzaakte, en dat men in dezen boozen tijd om geen kinderplicht meer dacht, en dat zij onnatuurlijke verwijten moest hooren en niet meer om haar leven gaf.“Als ik gedurig zulke scenes moest hebben,” jankte zij, “zou het waarlijk veel beter voor mij zijn als ik maar om een middel dacht om een eind aan mijn bestaan te maken. O, als ik denk dat gij mijne dochter zijt, Edith, en zoo tegen mij spreekt.”—“Tusschen ons, moeder,” antwoordde Edith treurig, “is de tijd voor wederzijdsche verwijten voorbij.”—“Waarom komt gij er dan weder op terug?” jammerde hare moeder. “Gij weet wel dat ge mij het hart verscheurt. Gij weet wel hoe gevoelig ik ben voor alle onvriendelijkheid. En dan nog op zulk een oogenblik, nu ik om zooveel te denken heb, en natuurlijk verlangend ben om er op mijn best uit te zien. Ik ben verbaasd over u, Edith. Uwe moeder op uw trouwdag tot een spook van leelijkheid te willen maken.”Terwijl zij snikte en hare oogen wreef, bleef Edith haar met denzelfden strakken blik aanzien. Eindelijk zeide zij met dezelfde vaste stem, die sedert zij het eerst het woord had genomen niet hooger of lager was geworden: “Ik heb gezegd dat Florence naar huis moet gaan.”—“Laat zij gaan,” riep de verschrikte en beangste moeder uit. “Ik voor mij mag wel lijden dat zij gaat. Wat kan mij dat meisje schelen?”—“Mij kan zij zooveel schelen,” antwoordde Edith, “dat ik, liever dan haar een grein van het kwaad, dat ik in mijn eigen hart heb, te laten mededeelen, u verzaken zou, moeder, gelijk ik hem morgen in de kerk zou verzaken, als gij er mij reden toe gaaft. Laat haar met vrede. Zij zal, zoolang ik het verhinderen kan, niet met de lessen besmet worden die ik geleerd heb. Dit is geene harde voorwaarde op dezen bitteren avond.”—“Als gij het op eene vriendelijke, dochterlijke manier hadt voorgeslagen, Edith,” jankte hare moeder, “misschien wel niet. Maar zulke scherpe, bijtende woorden …”—“Zij zijn nu tusschen ons voorbij en gedaan,” zeide Edith. “Ga uw eigen weg, moeder; neem zooveel deel als gij wilt in wat gij gewonnen hebt; verteer, geniet, vermaak u, en wees zoo gelukkig als gij wilt. Het doel van ons leven is bereikt. Laten wij het voortaan stilzwijgend dragen. Mijn mond zal van dit uur af van het verledene zwijgen. Ik vergeef u uw aandeel in de goddeloosheid van morgen. God vergeve mij het mijne!”Zonder eenige beving in hare stem of hare leden, en voorbijstappende met een voet die elke zachte aandoening op den nek scheen te treden,wenschtezij hare moeder goedennacht en ging naar hare kamer.Maar niet om te rusten; toen zij alleen was liet hare gemoedsbeweging haar geene rust. Op en neer, op en neer, en al weder op en neer, vijfhonderdmalen, tusschen de prachtige toebereidselen om haar morgen op te tooien; met hare donkere haren losgeschud, en hare donkere oogen vol gloed, en hare blanke borst rood van het onbarmhartig knellen der hand, waarmede zij zich zelve in het hart scheen te willen tasten, stapte zij door de kamer met een afgewend hoofd, alsof zij haar eigen gezicht wilde ontwijken en zich uit haar eigen gezelschap verbannen. Zoo worstelde Edith Granger, in het holste van den nacht vóór haar trouwdag, met haar onrustigen geest, zonder tranen, zonder vrienden, zonder woorden, zonder klagen.Eindelijk raakte zij bij toeval de half openstaande deur aan, die in de kamer uitkwam waar Florence sliep.Er brandde daar licht, en dit vertoonde haar Florence in al hare onschuld en schoonheid, gerust in slaap. Edith hield haar adem in, en gevoelde zich naar haar toegetrokken.Nog dichter, en dichter, en dichterbij; eindelijk zoo dichtbij, dat zij bukkende hare lippen op het zachte handje drukte, dat buiten het bed lag, en daarna dat handje zacht op haar hals legde. Dit aanraken was als de staf des profeten op de rots. Hare tranen welden daaronder op, terwijl zij op hare knieën zonk en haar kloppend hoofd met zwierende haren daarnaast op het kussen legde.Zoo sleet Edith Granger den nacht vóór haar huwelijk. Zoo vond haar de zon op den ochtend van haar trouwdag.[216]
XXX.DE BRUIDSDAGEN.
Hoewel het betooverde huis niet meer bestond, de werkende wereld daar was ingebroken en den geheelen dag hamerde en bonsde en trappen op en neer liep, waardoor Diogenes van den ochtend tot den avond woedend aan het blaffen werd gehouden—hij was blijkbaar overtuigd dat zijn oude vijand hem eindelijk te knap was geweest en het huis had overrompeld—had er in het eerst geene groote verandering in de levenswijs van Florence plaats. Des avonds, als de werklieden heengingen, werd het huis weder akelig en eenzaam; en wanneer Florence bij dat heengaan hunne stemmen in het voorhuis en op de trap hoorde klinken, verbeeldde zij zich de vroolijke huishoudens waarheen zij terugkeerden, en de kinderen die naar hen wachtten, en streelde zij zich met de gedachte dat zij blijde waren dat het tijd was om te gaan.Zij begroette de stilte van den avond als eene oude vriendin; maar deze kwam nu met een veranderd gelaat en zag haar vriendelijker aan. Zij bracht nieuwe hoop mede. De schoone dame, die haar getroost en geliefkoosd had, in dezelfde kamer waar haar hart eens zoo diep was gewond, was een engel van belofte voor haar. Vriendelijker voorboden van een schooner leven, wanneer zij langzamerhand haar vaders liefde zou winnen, en geheel of grootendeels terugkrijgen wat zij verloren had op dien donkeren dag, toen de liefde eener moeder met den laatsten adem eener moeder op hare wang was uitgezucht, zweefden in de schemering om haar heen en waren een opbeurend gezelschap. Naar de blozende kinderen aan den overkant uitkijkende, was het een nieuw en streelend gevoel voor haar, te denken dat zij elkander misschien spoedig zouden spreken en kennen, dat zij niet meer bang zou zijn, gelijk vanouds, om zich aan hen te vertoonen, opdat het hun niet zou bedroeven als zij haar daar in hare zwarte kleeding alleen zagen zitten.Met die gedachten aan hare nieuwe moeder, en met de liefde en het vertrouwen die in haar rein gemoed voor deze opwelden, kreeg Florence hare doode moeder hoe langer hoe meer lief. Zij was niet bang om haar eene mededingster in haar hart te geven. De nieuwe bloem sproot uit den diep geplanten en lang gekoesterden wortel, dien zij wel kende. Ieder vriendelijk woord, dat de lippen der schoone dame was ontvloten, klonk Florence als een nagalm der stem die zoolang had gezwegen. Hoe kon de teederheid eener levende haar de nagedachtenis van alle ouderlijke teederheid die zij ooit gekend had minder doen liefhebben!Florence zat eens op hare kamer te lezen en dacht aan de dame en haar binnen kort beloofd bezoek—want de inhoud van haar boek was geschikt om haar daaraan te herinneren—toen zij hare oogen opsloeg en haar in de deur zag staan.“Mama!” riep Florence, verheugd opstaande. “Nu teruggekomen!”—“Nog geen mama,” antwoordde de dame met een ernstigen glimlach, en sloeg haar arm om Florence’s hals.—“Maar toch heel gauw!” riep Florence uit.—“Nu heel gauw, Florence, heel gauw.”Edith boog haar hoofd, zoodat zij Florence’s blozende wang tegen de hare drukte, en zweeg zoo een poosje. Hare manier van doen had iets zoo teeders, dat Florence dit nog dieper gevoelde dan bij hare eerste ontmoeting.Zij bracht Florence naar een stoel en zette zich naast haar. Florence zag haar aan, waarlijk verwonderd over hare schoonheid, en liet gewillig hare hand vasthouden.“Zijt ge veel alleen geweest, Florence, sedert ik laatst hier was?”—“O ja,” antwoordde Florence haastig en met een glimlach.[209]Zij sloeg hare oogen neer, want hare nieuwe mama zag zeer ernstig en hield haar blik strak en nadenkend op haar gelaat gevestigd.“Ik—ik ben gewoon om alleen te zijn,” zeide Florence eenigszins haperend. “Ik geef er geheel niet om. Di en ik slijten somtijds geheele dagen met elkander.” Zij had wel mogen zeggen geheele weken en maanden.—“Is Di uwe kamenier, liefje?”—“Mijn hond, mama,” antwoordde Florence lachende. “Suze is mijne kamenier.”—“En dit zijn uwe kamers,” zeide Edith, rondziende. “Men heeft mij laatst deze kamers niet laten zien. Wij moeten ze laten verbeteren, Florence. Zij zullen tot de mooiste in het huis gemaakt worden.”—“Als ik ze mocht ruilen, mama,” antwoordde Florence, “is er eene, boven in huis, die ik veel liever zou hebben.”—“Is deze niet hoog genoeg, meisje lief?” vroeg Edith met een glimlach.—“Die andere was mijn broertjes kamer,” zeide Florence, “en daar ben ik zoo gaarne. Ik had er papa van willen spreken toen ik thuis kwam, en de werklieden hier vond, en zag dat alles veranderd werd; maar—” Florence sloeg hare oogen neer, uit vrees dat dezelfde blik haar weder zou doen haperen—“maar ik was bang dat het hem zou bedroeven; en daar ik hoorde zeggen dat ge binnen kort weder hier zoudt komen, mama, en meesteres van alles zijn, dacht ik liever maar moed te vatten om het u te vragen.”Terwijl de twee lange knechts volgden, duwde de een, wiens orgaan van eerbied niet genoeg ontwikkeld was, zijne tong in zijne wang om den ander aan het lachen te maken. (blz. 212).Terwijl de twee lange knechts volgden, duwde de een, wiens orgaan van eerbied niet genoeg ontwikkeld was, zijne tong in zijne wang om den ander aan het lachen te maken.(blz. 212).Edith zat haar met hare schitterende oogen strak aan te staren, tot Florence de hare opsloeg; toen wendde Edith op hare beurt haar blik af en vestigde dien op den grond. Het was toen dat Florence dacht van welk een geheel anderen aard de schoonheid dier dame was dan zij het in het eerst gedacht had. Zij had die voor statig en trotsch gehouden; maar hare manieren waren zoo zacht en vriendelijk dat zij, al was zij van Florence’s eigene jaren en karakter geweest, bezwaarlijk meer vertrouwen had kunnen uitlokken.Uitgezonderd wanneer zekere zonderlinge, gedwongene terughouding haar bekroop; en dan scheen het (maar Florence begreep dit toen nog niet, schoon zij niet kon nalaten het op te merken[210]en er over te denken) alsof zij zich voor Florence vernederd gevoelde en slecht op haar gemak was. Toen zij zeide dat zij hare mama nog niet was, en toen Florence haar meesteres van alles noemde, was deze verandering in haar uitzicht even snel als bevreemdend; en thans, nu Florence’s oogen op haar gelaat gevestigd waren, zat zij daar alsof zij wel voor haar had willen wegkruipen en zich verschuilen, in plaats van haar te liefkoozen gelijk zulk eene nauwe betrekking haar recht gaf.Zij beloofde Florence bereidwillig hare nieuwe kamer, en zeide dat zij zelve last daartoe zou geven. Daarop deed zij eenige vragen naar den armen Paul; en toen zij nog eene poos met elkander hadden gesproken, zeide zij Florence dat zij gekomen was om haar naar hare eigene woning mede te nemen.“Wij zijn nu naarLondengekomen, mijne moeder en ik,” zeide Edith, “en gij zult bij ons logeeren tot ik getrouwd ben. Ik wensch dat wij elkander leeren kennen en vertrouwen, Florence.”—“Ge zijt wel goed voor mij, lieve mama,” zeide Florence. “Hoe dank ik u!”—“Laat ik nu zeggen, want het zal misschien de beste gelegenheid wezen,” vervolgde Edith, rondziende of zij geheel alleen waren en zachter sprekende, “dat ik, als ik getrouwd ben en voor eenige weken op reis ga, veel geruster zal zijn als gij hier weder thuis komt. Onverschillig wie u ergens anders te logeeren vraagt, kom hier thuis. Het is beter hier alleen te zijn dan—wat ik zeggen wilde is,” vervolgde zij, zich bedenkende, “dat ik wel weet dat gij best thuis zijt, lieve Florence.”—“Ik zal nog denzelfden dag weder naar huis gaan, mama.”—“Doe dat. Ik vertrouw op die belofte. Maak u nu gereed om met mij mee te gaan, meisje lief. Als ge klaar zijt, zult ge mij beneden vinden.”Langzaam en peinzend zwierf Edith alleen door het huis, waarvan zij zoo spoedig meesteres zou zijn, en weinig lette zij op de pracht, die het begon ten toon te spreiden. Dezelfde stugge trotschheid, dezelfde hoonende minachting in oog en lip, dezelfde fiere schoonheid, alleen beneveld door het gevoel van hare eigene geringe waardij, dwaalde nu door de kostbare kamers en zalen, die onder het dichte geboomte met woeste hartstochtelijkheid waren uitgebarsten. De nagebootste rozen op de wanden waren met scherpe dorens bezet, die haar de borst opreten; in elk stipje goud, dat haar in de oogen schitterde, zag zij een hatelijk gedeelte van haar koopprijs; de hooge en breede spiegels vertoonden haar ten voeten uit eene vrouw in welke nog iets edels woonde, maar die ontrouw was aan het betere in haar gemoed, en te zeer verlaagd en verloren om zich zelve te redden. Zij geloofde dat dit alles meer of minder zoo duidelijk voor ieders oogen was, dat haar geene toevlucht, geen middel om zich eenigszins te doen gelden overschoot, dan trots; en met dien trots, die haar eigen hart nacht en dag martelde, tartte en bekampte zij haar lot.Was dit de vrouw, welke Florence—een onnoozel meisje, krachtig alleen door haar ernst en hare eenvoudige oprechtheid—zoodanig kon herscheppen, dat zij bij haar een geheel ander wezen was, hare hartstochtelijkheid gestild, zelfs hare trotschheid gedempt was? Was dit de vrouw, die nu naast haar in de koets zat, met hare armen door die van Florence gestrengeld, die haar bad en vleide om haar lief te hebben en te vertrouwen, die haar hoofdje aan hare borst te rust legde, en haar leven had willen opofferen om dat hoofdje voor gevaar of kwaad te bewaren?O, Edith, gelukkig zou het waarlijk voor u zijn geweest op zulk een tijd te sterven! Veel beter en gelukkiger, misschien, zoo te sterven, Edith, dan voort te leven tot aan het einde.Mevrouw Skewton, die liever aan alle andere dingen dan aan zulke bespiegelingen dacht—want gelijk vele fatsoenlijke lieden, wilde zij volstrekt niet van den dood weten, en nam zij het kwalijk als er van zoo iets gemeens werd melding gemaakt—had een huis inBrook-Street, bijGrosvenor-Square, geleend van een aanzienlijk bloedverwant (een lid van de familie Feenix) die uit de stad was, en geen bezwaar maakte om het haar voor den bruidstijd te leenen, daar deze leening dan inhield dat hij van alle verdere leeningen en gaven aan mevrouw Skewton en hare dochter vrij was. Daar het voor de eer der familie noodzakelijk was in zulk een tijd eenige vertooning te maken, zette mevrouw Skewton (met behulp van een gedienstig winkelier, die aan den adel en de fatsoenlijke wereld alle mogelijke dingen verhuurde, van een zilveren tafelservies tot aan een stoet lakeien) in dat huis een bottelier met zilvergrijs haar (die daarom hooger werd berekend, dewijl hij het voorkomen van een oud familiestuk had), twee zeer lange jongelieden in livrei, en een uitgezochten staf van keukenbedienden; zoodat er in het onderhuis een sprookje in omloop kwam, dat men Withers de page, op eens van zijne talrijke huiselijke werkzaamheden en van het duwen van den rolstoel (die in de hoofdstad niet meer gebruikt werd) ontslagen, verscheidene malen zijne oogen had zien uitwrijven en zich zelven in de armen en beenen knijpen, als vreesde hij dat hij bij den melkboer teLeamingtonwas in slaap gevallen en nog in een hemelschen droom verkeerde. Alle benoodigdheden van zilver en porselein werden insgelijks door denzelfden gedienstigen winkelier geleverd, benevens eene verscheidenheid van voorwerpen, waaronder ook een net rijtuigje met een paar bruinen; en door deze hofhouding omringd, zette mevrouw Skewton[211]zich in hare Cleopatrahouding op de fraaiste sofa, om in staatsie audiëntie te geven.“En hoe maakt het mijne bekoorlijke Florence?” zeide mevrouw Skewton, toen het meisje met hare dochter binnentrad. “Kom mij toch een kusje geven, lieve Florence.”Florence bukte schroomvallig om in het witte gedeelte van mevrouw Skewton’s gezicht een plekje te zoeken; toen deze dame haar een oor toehield en dus uit hare verlegenheid hielp.“Edith, melieve,” zeide mevrouw Skewton, “waarlijk, ik—ga eens een weinigje meer in het licht staan, lieve Florence, voor een oogenblikje.”Florence gehoorzaamde blozend.“Weet ge niet meer wat gij waart, lieve Edith,” zeide hare moeder, “toen gij omtrent even oud waart als onze kostbare Florence, of eenige jaren jonger?”—“Dat heb ik lang vergeten, moeder.”—“Want stellig, melieve,” zeide mevrouw Skewton, “mij dunkt ik zie eene bepaalde gelijkenis tusschen datgene wat gij toen waart en ons allerliefst vriendinnetje. En dat bewijst,” vervolgde mevrouw Skewton zachter, om aan te duiden dat zij Florence voor nog zeer ongepolijst hield, “wat polijsten doen kan.”—“Ja, dat doet het wel,” was het stroeve antwoord van Edith.Hare moeder zag haar voor een oogenblik scherp aan, en gevoelende dat zij op onveiligen grond kwam, zeide zij om er weder van af te raken:“Mijne bekoorlijke Florence, gij moet mij nog eens een kusje geven, als het u belieft, liefje.”Florence gehoorzaamde natuurlijk en drukte nog eens hare lippen op mevrouw Skewton’s oor.“En gij hebt zeker wel gehoord, lievelingetje,” zeide mevrouw Skewton, hare hand vasthoudende, “dat uw papa, wien wij allen op de handen dragen, vandaag over acht dagen met mijne lieve Edith zal trouwen.”—“Ik wist wel dat het heel gauw zou zijn,” antwoordde Florence, “maar niet recht wanneer.”—“Maar lieve Edith,” zeide de moeder vroolijk, “is het mogelijk dat ge dat Florence niet gezegd hebt?”—“Waarom zou ik dat Florence zeggen?” antwoordde Edith, zoo snel en scherp, dat Florence bijna niet gelooven kon dat het dezelfde stem was.Mevrouw Skewton vertelde toen Florence, als eene andere veiliger afleiding, dat haar vader daar kwam dineeren en zonder twijfel zeer aangenaam verrast zou zijn als hij haar zag; daar hij den vorigen avond gezegd had, dat hij zich maar in deCityzou kleeden, en niets van Edith’s voornemen had geweten, waarvan de uitvoering, naar mevrouw Skewton’s gedachten, hem zou doen verrukt staan. Florence werd onrustig toen zij dit hoorde; en toen het uur van het diner naderde werd haar angst zoo groot, dat zij, als zij maar geweten had hoe te vragen om maar weder naar huis te mogen gaan, zonder eene verklaring te geven waarin haar vader betrokken was, liever blootshoofds, te voet en alleen teruggekeerd zou zijn, dan zich aan het gevaar van zijn misnoegen bloot te stellen.Toen de tijd naderde, kon zij nauwelijks ademhalen. Zij durfde niet bij het venster komen, uit vrees dat hij haar van de straat zou zien. Zij durfde niet naar boven gaan om hare aandoening te verbergen, uit vrees dat zij, de kamerdeur uitkomende, hem onverwacht zou ontmoeten; en bovendien was het haar alsof zij dan nooit weder zou durven terugkomen als zij voor hem werd opgeroepen. In deze benauwdheid zat zij bij Cleopatra’s sofa, en poogde het flauwe gesnap dier dame aan te hooren en te beantwoorden, toen zij zijn voetstap op de trap hoorde.“Daar hoor ik hem!” riep Florence, opspringend, uit. “Hij komt!”Cleopatra, wier jeugdigheid haar dartel maakte, en wier eigenliefde haar verhinderde om over den aard van Florence’s aandoening te denken, duwde haar achter de sofa en spreidde een shawl over haar heen, om Dombey eens aangenaam te verrassen. Dit gebeurde zoo haastig, dat Florence een oogenblik later zijn geduchten stap in de kamer hoorde.Hij groette zijne aanstaande schoonmoeder en zijne aanstaande gade. De vreemde klank zijner stem deed zijne dochter trillen.“Mijn lieve Dombey,” zeide Cleopatra, “kom eens hier en zeg mij hoe uwe aardige Florence vaart.”—“Florence is heel wel,” zeide Dombey, naar de sofa komende.—“En is zij thuis?”—“Ja, thuis,” antwoordde Dombey.—“Mijn beste Dombey,” hervatte Cleopatra met betooverende levendigheid. “Weet ge nu wel zeker dat ge mij niet bedriegt? Ik weet niet wat mijne lieve Edith zal zeggen als ik zoo spreek, maar ik vrees waarlijk dat gij ook al een valschaard zijt, mijn lieve Dombey.”Al was hij dit geweest, en al was hij op het oogenblik op de grootste valschheid betrapt, die ooit gezegd of gedaan werd, had hij bezwaarlijk meer kunnen ontstellen dan hij deed toen mevrouw Skewton den shawl wegnam, en Florence, bleek en bevende, als een spook voor hem oprees. Hij had zijne tegenwoordigheid van geest nog niet herkregen, toen Florence naar hem toeliep, hare armen om zijn hals sloeg, hem een kus gaf en de kamer uitsnelde. Hij keek rond als wilde hij de zaak naar iemand anders verwijzen, maar Edith was Florence dadelijk gevolgd.“Beken nu maar, mijn lieve Dombey,” zeide mevrouw Skewton, hem hare hand gevende, “dat ge nooit in uw leven meer verrast en in uw schik zijt geweest.”—“Ik ben zeker nooit meer verrast geweest,” zeide Dombey.—“En in uw schik, mijn lieve Dombey?” hervatte mevrouw Skewton, met haar waaier dreigende.[212]—“Ik—ja, ik ben zeer blij dat ik Florence hier ontmoet,” zeide Dombey. Hij scheen er een oogenblik ernstig over te denken en zeide toen stelliger: “Ja, ik ben werkelijk zeer blij dat ik Florence hier ontmoet.”—“Gij verwondert u hoe zij hier komt, niet waar?” zeide mevrouw Skewton.—“Edith, misschien,” begon Dombey en bleef daarbij steken.—“O, gij ondeugd!” antwoordde Cleopatra, haar hoofd schuddende. “Gij kunt goed raden. O, gij slimme man! Iemand moest zulke dingen niet zeggen; want uwe sekse, mijn lieve Dombey, heeft zooveel inbeelding en maakt zoo licht misbruik van onze zwakheid; maar gij kent mijne openhartigheid—heel goed, dadelijk.”Dit was tot een der lange knechts gericht, die kwam zeggen dat het diner gereed was.“Maar Edith, mijn beste Dombey,” vervolgde zij fluisterend, “als zij u niet bij zich kan hebben—en, zooals ik haar zeg, dat kan zij niet altijd verlangen—wil ten minste iemand bij zich hebben die u toebehoort. Wel, dat is heel natuurlijk! En zoo kon niets haar vandaag beletten om uit te rijden en Florence te gaan halen. Dat is toch bekoorlijk!”Daar zij naar een antwoord wachtte, antwoordde Dombey: “Buitengemeen.”—“Zegen u, mijn lieve Dombey, voor dat bewijs van hartelijkheid!” riep Cleopatra uit, en drukte hem de hand. “Maar ik word al te ernstig! Breng mij nu naar beneden, als een engel, en laten wij zien wat voor diner die lieden ons zullen geven. Zegen u, beste Dombey!”Na deze laatste toespraak wipte Cleopatra tamelijk vlug van hare rustkoets, waarop Dombey haar arm in den zijnen nam en haar plechtstatig naar beneden leidde. Terwijl de twee lange knechts volgden, duwde de een, wiens orgaan van eerbied niet genoeg ontwikkeld was, zijne tong in zijne wang om den ander aan het lachen te maken.Florence en Edith waren reeds in de eetzaal en zaten naast elkander. Florence wilde opstaan toen haar vader binnenkwam, om hem haar stoel over te laten; maar Edith legde openlijk hare hand op haar arm, en Dombey nam aan den overkant der ronde tafel plaats.Het gesprek werd bijna uitsluitend door mevrouw Skewton aan den gang gehouden. Florence durfde bijna hare oogen niet opslaan, uit vrees dat zij de sporen van tranen zou laten zien; veel minder durfde zij spreken; en Edith liet geen woord hooren, of het moest tot antwoord op eene vraag zijn. Cleopatra gaf zich waarlijk veel moeite voor het etablissement dat zoo haast gepakt was; en het had waarlijk wel zeer kostbaar mogen zijn om haar te beloonen.“En dus zijn uwe voorbereidselen eindelijk bijna gereed, mijn beste Dombey?” zeide Cleopatra, toen het dessert op de tafel stond en de bottelier met zilvergrijs haar zich verwijderd had. “Ook die van de rechtsgeleerden?”—“Ja, mevrouw,” antwoordde Dombey, “de akte van de huwelijksvoorwaarden, hebben de rechtsgeleerde heeren mij onderricht, is nu gereed, en gelijk ik u zeide, Edith heeft ons maar de gunst te bewijzen om een tijd voor het teekenen voor te stellen.”Edith zat daar gelijk een fraai steenen beeld, even koud en stil.“Liefste liefje,” zeide Cleopatra, “hoort gij wel wat mijnheer Dombey zegt? O, mijn beste Dombey,” ter zijde tot dien heer, “hoe herinnert mij hare verstrooidheid, nu de tijd nadert, aan de dagen toen haar papa, een alleraardigst man, in uwe positie was.”—“Ik heb niets voor te stellen. Het zal zijn wanneer gij verkiest,” zeide Edith, nauwelijks over de tafel naar Dombey ziende.—“Morgen?” zeide Dombey.—“Als het u zoo belieft.”—“Of zou overmorgen u beter schikken met hetgeen gij anders nog te doen hebt?” zeide Dombey.—“Ik heb niets te doen. Ik ben altijd tot uwe beschikking. Laat het zijn wanneer gij verkiest.”—“Niets te doen, lieve Edith,” bracht hare moeder hiertegen in, “en gij hebt het den geheelen dag zoo schrikkelijk druk, met duizenderlei bestellingen bij allerlei leveranciers!”—“Dat is uw bedrijf,” antwoordde Edith, haar met een eenigszins gefronst voorhoofd aanziende. “Gij en mijnheer Dombey kunt het met uw beiden schikken.”—“Wel waar, kindlief, en heel vriendelijk van u,” zeide Cleopatra. “Florence, mijn lievelingetje, gij moet mij waarlijk nog eens een kusje komen geven.”Zonderling dat deze vlagen van belangstelling voor Florence bijna telkens bij Cleopatra opkwamen als Edith eenig deel, hoe gering ook, aan het gesprek nam. Florence was nog nooit zoo dikwijls omhelsd geworden, en misschien, zonder het te weten, nog nooit in haar leven zoo nuttig geweest.Voor zich zelven was Dombey verre van misnoegd over de houding en de manieren zijner bruid. Hij kon zeer wel met trotschheid en koelheid sympathiseeren, en het streelde hem dat zelfs deze eigenschappen zich bij Edith aan hem onderschikten en zij geen anderen wil scheen te hebben dan den zijnen. Het streelde hem zich voor te stellen hoe deze trotsche, statige vrouw de honneurs van zijn huis zou waarnemen en zijne gasten op zijne eigene manier doen verkleumen. De waardigheid van Dombey en Zoon zou in zulke handen wel gehandhaafd, ja zelfs nog verhoogd worden.Zoo dacht Dombey toen hij in de eetzaal alleen was gelaten en over het verledene en de toekomst peinsde. Hij vond niets onaangenaams in de schrale en sobere staatsie die in dat vertrek heerschte, met het donkerbruine behangsel, waarop nog donkerder schilderijen als zwarte grafmonumenten afstaken, en vier en twintig[213]zwarte stoelen, met bijna zooveel spijkers als doodkisten, die als rouwdragers om den rand van het Turksche tapijt geschaard stonden, en twee naakte negers, die candelabres van dorre takken droegen, op de buffettafel, en een duffen reuk, alsof de asch van duizend diners in de sarcophaag daaronder was begraven. De eigenaar van het huis was veel op reis; de lucht vanEngelandwas zelden lang gezond voor een lid der familie Feenix; en dit vertrek was al zwaarder en zwaarder in den rouw over hem gegaan, tot het zoozeer naar eene paradekamer geleek, dat er slechts een lijk aan ontbrak om het geheel daartoe te maken.Geen slechte plaatsvervanger voor een lijk, door zijne stijfheid, zoo niet door zijne houding, was Dombey, terwijl hij in de koude diepte der doode zee van mahoniehout zat te turen, waarop de fruitschalen en karaffen voor anker lagen; alsof de onderwerpen zijner gedachten een voor een naar de oppervlakte rezen en weder wegzonken. Edith was daar in al hare majesteit van gelaat en gestalte; en dicht bij haar kwam Florence, met haar vreesachtig gezichtje naar hem toegekeerd, gelijk het voor een oogenblik geweest was, toen zij de kamer verliet; en Edith’s oogen waren op haar gevestigd, en Edith’s hand was beschermend naar haar uitgestoken. Eene kleine gedaante op een laag leuningstoeltje kwam vervolgens te voorschijn en zag hem verwonderd aan met de heldere oogen en het oudachtig jeugdig gezichtje, dat glansde als in het flikkerende schijnsel van een vuur. Wederom kwam Florence dicht daarbij en boeide zijne geheele aandacht. Of het was als een hem door het noodlot bestemd bezwaar en teleurstelling, of als eene mededingster die hem eens in den weg was gekomen, en dit nogmaals kon doen; of als zijn kind, dat hem op zulk een tijd niet meer vreemd moest blijven; of als eene vermaning dat hij voor zijne nieuwe betrekkingen ten minste den schijn moest bewaren, alsof zijn eigen bloed hem niet onverschillig was—wist hij zelf het best. Misschien wist hij het eigenlijk toch niet recht; want trouwfeesten en trouwaltaren en tooneelen van bekroonde eerzucht—nog hier en daar met Florence daarbij—altijd die Florence—rezen zoo snel en zoo verward voor hem op, dat hij zelf opstond en naar boven ging om er aan te ontkomen.Het was laat in den avond eer er licht gebracht werd, want mevrouw Skewton klaagde dat zij tegenwoordig hoofdpijn daarvan kreeg; en ondertusschen zaten mevrouw Skewton en Florence met elkander te praten (Cleopatra was er zeer op gesteld om het meisje bij zich te houden), of speelde Florence, voor mevrouw Skewton’s vermaak, zachtjes op de piano; om niet van eenige gelegenheden in den loop van den avond te spreken, waarbij die hartelijke dame zich gedrongen gevoelde om nog een kusje te verzoeken, hetgeen altijd gebeurde nadat Edith iets gezegd had. Dit was echter niet dikwijls, want Edith bleef den geheelen tijd afgezonderd bij een open venster zitten (hoewel hare moeder vreesde dat zij kou zou vatten) totdat Dombey afscheid nam. Daarbij was hij zeer genadig voor Florence; en Florence ging in eene kamer achter die van Edith naar bed, zoo gelukkig en vol hoop, dat zij aan haar vroegerikdacht als aan een ander eenzaam en verlaten meisje, waarmede zij medelijden moest hebben; en in haar medelijden snikte zij in slaap.De week vloog voorbij. Men moest naar modemaaksters, kleedermaaksters, juweliers, procureurs, bloemkweekers en pasteibakkers rijden; en Florence reed altijd mede. Florence zou de trouwplechtigheid bijwonen; en dan haar rouwgewaad afleggen en een brillant costuum dragen. Het model, dat de modemaakster—die eene Française was en veel van mevrouw Skewton had—recommandeerde, was zoo elegant, dat mevrouw Skewton insgelijks zulk een kleedje voor zich zelve bestelde. De modemaakster zeide dat het haar uitmuntend zou staan, en dat iedereen haar voor de zuster van de jonge juffer zou aanzien.De week vloog nog sneller voorbij. Edith zag naar niets en bekommerde zich om niets. De kostbare kleederen kwamen thuis, en werden aangepast, en werden door mevrouw Skewton en de modemaakster luid geprezen, en werden weggelegd zonder een enkel woord van haar. Mevrouw Skewton maakte plannen voor elken dag en bracht ze ten uitvoer. Somtijds bleef Edith in de koets zitten als men uitreed om iets te gaan koopen; somtijds, als het volstrekt noodig was, ging zij een winkel binnen; maar mevrouw Skewton deed altijd de zaak af, waarom het ook mocht te doen zijn; en Edith keek met schijnbare onverschilligheid toe, alsof het haar niets aanging. Florence had haar misschien trotsch en stroef kunnen vinden, maar voor haar was zij dit nooit; en zoo smoorde Florence hare verwondering in hare dankbaarheid.De week vloog nog sneller voorbij. Zij was bijna geheel om. De laatste avond, de avond vóór de trouwplechtigheid, was gekomen. In de donkere kamer—want mevrouw Skewton’s hoofd was nog niet beter, hoewel zij des anderen daags eene duurzame beterschap verwachtte—zaten deze dame, Edith en Dombey. Edith zat voor haar open venster naar de straat te kijken; Dombey en Cleopatra waren op de canapé zachtjes aan het praten. Het werd laat; en Florence, die vermoeid was, had zich reeds ter rust begeven.“Mijn beste Dombey,” zeide Cleopatra, “gij zult mij morgen Florence toch laten, als gij mij van mijne lieve Edith berooft?”Dombey antwoordde dat hij dit met genoegen zou doen.“Haar hier bij mij te hebben, terwijl gij beiden[214]naarParijszijt, en te kunnen denken, mijn beste Dombey, dat ik op hare jaren tot de vorming van haar geest bijdraag,” zeide Cleopatra, “zal een balsem voor mij wezen in den geschokten toestand, waarin ik dan verzonken zal zijn.”Edith keerde eensklaps haar hoofd om. Hare lustelooze houding werd in een oogenblik met een uitzicht van vurige belangstelling verwisseld, en zonder dat men dit in het donker zag, luisterde zij oplettend naar hun gesprek.Dombey zou Florence gaarne onder zulk eene uitmuntende voogdij en leiding laten.“Duizendmaal dank voor uwe goede meening, mijn beste Dombey,” antwoordde Cleopatra. “Ik vreesde dat ge mij, met een boos opzet, tot eene volstrekte eenzaamheid woudt veroordeelen.”—“Hoe kondt ge mij zulk een onrecht aandoen, lieve mevrouw?” zeide Dombey.—“Omdat mijne bekoorlijke Florence mij zoo stellig zegt, dat zij morgen naar huis moet,” antwoordde Cleopatra, “dat ik begon te vreezen dat gij een echte turksche Bassa waart.”—“Ik verzeker u, mevrouw,” zeide Dombey, “ik heb Florence niets voorgeschreven. En al was dat zoo, dan zouden die voorschriften toch voor uw verlangen moeten wijken.”—“Mijn beste Dombey,” antwoordde Cleopatra, “wat zijt ge toch een hoveling! Schoon ik dat toch ook niet zeggen wil, want hovelingen hebben geen hart, en ge zijt altijd zoo hartelijk. Gaat ge waarlijk al zoo vroeg heen, mijn beste Dombey?”O, het was inderdaad laat, en Dombey vreesde dat hij gaan moest.“Is het werkelijk, of is alles maar een droom?” lispelde Cleopatra. “Kan ik het gelooven, mijn allerbeste Dombey, dat gij morgenochtend terugkomt om mij mijne lieve gezellin, mijne eigene Edith, te ontrooven!”Dombey, die gewoon was alles letterlijk op te vatten, antwoordde dat zij elkander eerst nog in de kerk zouden zien.“De smart om een kind af te staan,” zeide mevrouw Skewton, “zelfs aan u, mijn beste Dombey, is waarlijk niet te beschrijven, en vereenigd met mijn teer gestel en de ijselijke domheid van den pasteibakker, die het ontbijt heeft aangenomen, is zij haast al te groot voor mijne zwakke krachten. Maar ik zal mij toch morgen wel goed houden, mijn beste Dombey, wees voor mij maar niet ongerust; de hemel zegene u! Lieve Edith,” riep zij schalkachtig, “er gaat iemand heen.”Edith, die het hoofd weder naar het venster had gekeerd, daar zij geen belang in hun gesprek meer stelde, stond op, maar zij kwam niet naar hem toe en sprak geen woord. Met de deftige galanterie, welke bij deze gelegenheid en zijn karakter paste, stapten Dombey’s krakende laarzen naar haar toe, bracht hij hare hand aan zijne lippen en zeide hij: “Morgenochtend zal ik het geluk hebben om deze hand als die van mevrouw Dombey te vragen.” Daarop liet hij zich zelven met eene statige buiging uit.Mevrouw Skewton schelde om licht zoodra de straatdeur achter hem gesloten was. Met het licht kwam hare kamenier, en met de kamenier het jeugdige kleedje dat des anderen daags de wereld moest begoochelen. Dit kleedje wreekte zich gestreng, gelijk zulke kleedjes altijd doen, en maakte haar veel ouder en afschuwelijker dan hare smerige flanellen nachtjapon. Mevrouw Skewton paste het echter met kinderachtige blijdschap aan, glimlachte tegen haar lijkachtig beeld in den spiegel, bij de gedachte welk een indruk zij zoo op den majoor zou maken; liet het zich door hare kamenier weder uittrekken en zich voor hare nachtrust gereedmaken, en viel zoo in elkander gelijk een beschilderd kaartenhuisje.Al dien tijd bleef Edith voor het venster naar de straat kijken. Toen zij eindelijk met hare moeder alleen gebleven was, kwam zij, voor de eerste maal dien avond, daar vandaan en plaatste zich vlak over haar. De geeuwerige, beverige, gemelijke moeder, die hare oogen opsloeg naar de trotsche gestalte harer dochter, wier vurige blik vast op haar gevestigd was, had een schuldbesef in haar voorkomen, dat zij door geene vertooning van lichtzinnigheid of wreveligheid kon verbergen.“Ik ben doodaf,” zeide zij. “Gij zijt geen oogenblik alleen te vertrouwen. Gij zijt nog erger dan een kind. Kind! Geen kind zou half zoo koppig en weerspannig zijn.”—“Luister naar mij, moeder,” antwoordde Edith, deze woorden voorbijziende met eene verachting, die zich niet verwaardigde om zich met zulke beuzelingen op te houden. “Gij moet alleen hier blijven tot ik terugkom.”—“Moet alleen hier blijven tot gij terugkomt, Edith!” herhaalde hare moeder.—“Of bij dien naam, dien ik morgen zoo onbeschaamd en valsch ten getuige zal roepen van wat ik doe, zweer ik dat ik in de kerk de hand van dien man zal weigeren. Als ik dat niet doe, mag ik dood op de steenen neervallen!”De moeder antwoordde met een blik van angstigen schrik, in geenen deele verminderd door den blik dien zij ontmoette.“Het is genoeg,” zeide Edith langzaam, “dat wij zijn wat wij zijn. Ik wil geene jeugd en oprechtheid tot mijne laagte laten neerslepen. Ik wil geen onschuldig gemoed laten vergiftigen en verpesten om eene geheele wereld van moeders te amuseeren. Gij weet wel wat ik meen. Florence moet naar huis gaan.”—“Gij zijt eene zottin, Edith,” riep hare vergramde moeder uit. “Denkt gij dat er ooit vrede voor u in dat huis kan zijn, eer zij getrouwd en uit den weg is?”—“Vraag mij of vraag u zelve, of ik ooit vrede in dat huis verwacht,”[215]zeide hare dochter, “en gij weet het antwoord.”—“En moet het mij van avond gezegd worden, na al mijne moeite en zorg, en nu gij door mij onafhankelijk zult worden,” gilde de moeder bijna, terwijl zij driftig haar hoofd schudde, “dat ik een meisje zou besmetten en bederven, dat ik geen geschikt gezelschap voor een meisje ben? Wat zijt gij, vraag ik u—wat zijt gij?”—“Die vraag,” zeide Edith, doodsbleek en naar het venster wijzende, “heb ik mij zelve meer dan eens gedaan terwijl ik daar zat, als er buiten iets voorbijkwam dat nog maar een zweem van mijne sekse had, en God weet dat ik een antwoord heb gekregen. O moeder, moeder, als gij mij maar aan mijn natuurlijk hart hadt overgelaten toen ik ook een meisje was—jonger dan Florence—hoe geheel anders had ik dan nu kunnen zijn!”Wel begrijpende dat alle vertooning van gramschap hier nutteloos was, bedwong hare moeder zich en begon zij te janken en te jammeren. Zij beklaagde zich dat zij te lang had geleefd, en dat haar eenig kind haar verzaakte, en dat men in dezen boozen tijd om geen kinderplicht meer dacht, en dat zij onnatuurlijke verwijten moest hooren en niet meer om haar leven gaf.“Als ik gedurig zulke scenes moest hebben,” jankte zij, “zou het waarlijk veel beter voor mij zijn als ik maar om een middel dacht om een eind aan mijn bestaan te maken. O, als ik denk dat gij mijne dochter zijt, Edith, en zoo tegen mij spreekt.”—“Tusschen ons, moeder,” antwoordde Edith treurig, “is de tijd voor wederzijdsche verwijten voorbij.”—“Waarom komt gij er dan weder op terug?” jammerde hare moeder. “Gij weet wel dat ge mij het hart verscheurt. Gij weet wel hoe gevoelig ik ben voor alle onvriendelijkheid. En dan nog op zulk een oogenblik, nu ik om zooveel te denken heb, en natuurlijk verlangend ben om er op mijn best uit te zien. Ik ben verbaasd over u, Edith. Uwe moeder op uw trouwdag tot een spook van leelijkheid te willen maken.”Terwijl zij snikte en hare oogen wreef, bleef Edith haar met denzelfden strakken blik aanzien. Eindelijk zeide zij met dezelfde vaste stem, die sedert zij het eerst het woord had genomen niet hooger of lager was geworden: “Ik heb gezegd dat Florence naar huis moet gaan.”—“Laat zij gaan,” riep de verschrikte en beangste moeder uit. “Ik voor mij mag wel lijden dat zij gaat. Wat kan mij dat meisje schelen?”—“Mij kan zij zooveel schelen,” antwoordde Edith, “dat ik, liever dan haar een grein van het kwaad, dat ik in mijn eigen hart heb, te laten mededeelen, u verzaken zou, moeder, gelijk ik hem morgen in de kerk zou verzaken, als gij er mij reden toe gaaft. Laat haar met vrede. Zij zal, zoolang ik het verhinderen kan, niet met de lessen besmet worden die ik geleerd heb. Dit is geene harde voorwaarde op dezen bitteren avond.”—“Als gij het op eene vriendelijke, dochterlijke manier hadt voorgeslagen, Edith,” jankte hare moeder, “misschien wel niet. Maar zulke scherpe, bijtende woorden …”—“Zij zijn nu tusschen ons voorbij en gedaan,” zeide Edith. “Ga uw eigen weg, moeder; neem zooveel deel als gij wilt in wat gij gewonnen hebt; verteer, geniet, vermaak u, en wees zoo gelukkig als gij wilt. Het doel van ons leven is bereikt. Laten wij het voortaan stilzwijgend dragen. Mijn mond zal van dit uur af van het verledene zwijgen. Ik vergeef u uw aandeel in de goddeloosheid van morgen. God vergeve mij het mijne!”Zonder eenige beving in hare stem of hare leden, en voorbijstappende met een voet die elke zachte aandoening op den nek scheen te treden,wenschtezij hare moeder goedennacht en ging naar hare kamer.Maar niet om te rusten; toen zij alleen was liet hare gemoedsbeweging haar geene rust. Op en neer, op en neer, en al weder op en neer, vijfhonderdmalen, tusschen de prachtige toebereidselen om haar morgen op te tooien; met hare donkere haren losgeschud, en hare donkere oogen vol gloed, en hare blanke borst rood van het onbarmhartig knellen der hand, waarmede zij zich zelve in het hart scheen te willen tasten, stapte zij door de kamer met een afgewend hoofd, alsof zij haar eigen gezicht wilde ontwijken en zich uit haar eigen gezelschap verbannen. Zoo worstelde Edith Granger, in het holste van den nacht vóór haar trouwdag, met haar onrustigen geest, zonder tranen, zonder vrienden, zonder woorden, zonder klagen.Eindelijk raakte zij bij toeval de half openstaande deur aan, die in de kamer uitkwam waar Florence sliep.Er brandde daar licht, en dit vertoonde haar Florence in al hare onschuld en schoonheid, gerust in slaap. Edith hield haar adem in, en gevoelde zich naar haar toegetrokken.Nog dichter, en dichter, en dichterbij; eindelijk zoo dichtbij, dat zij bukkende hare lippen op het zachte handje drukte, dat buiten het bed lag, en daarna dat handje zacht op haar hals legde. Dit aanraken was als de staf des profeten op de rots. Hare tranen welden daaronder op, terwijl zij op hare knieën zonk en haar kloppend hoofd met zwierende haren daarnaast op het kussen legde.Zoo sleet Edith Granger den nacht vóór haar huwelijk. Zoo vond haar de zon op den ochtend van haar trouwdag.[216]
Hoewel het betooverde huis niet meer bestond, de werkende wereld daar was ingebroken en den geheelen dag hamerde en bonsde en trappen op en neer liep, waardoor Diogenes van den ochtend tot den avond woedend aan het blaffen werd gehouden—hij was blijkbaar overtuigd dat zijn oude vijand hem eindelijk te knap was geweest en het huis had overrompeld—had er in het eerst geene groote verandering in de levenswijs van Florence plaats. Des avonds, als de werklieden heengingen, werd het huis weder akelig en eenzaam; en wanneer Florence bij dat heengaan hunne stemmen in het voorhuis en op de trap hoorde klinken, verbeeldde zij zich de vroolijke huishoudens waarheen zij terugkeerden, en de kinderen die naar hen wachtten, en streelde zij zich met de gedachte dat zij blijde waren dat het tijd was om te gaan.
Zij begroette de stilte van den avond als eene oude vriendin; maar deze kwam nu met een veranderd gelaat en zag haar vriendelijker aan. Zij bracht nieuwe hoop mede. De schoone dame, die haar getroost en geliefkoosd had, in dezelfde kamer waar haar hart eens zoo diep was gewond, was een engel van belofte voor haar. Vriendelijker voorboden van een schooner leven, wanneer zij langzamerhand haar vaders liefde zou winnen, en geheel of grootendeels terugkrijgen wat zij verloren had op dien donkeren dag, toen de liefde eener moeder met den laatsten adem eener moeder op hare wang was uitgezucht, zweefden in de schemering om haar heen en waren een opbeurend gezelschap. Naar de blozende kinderen aan den overkant uitkijkende, was het een nieuw en streelend gevoel voor haar, te denken dat zij elkander misschien spoedig zouden spreken en kennen, dat zij niet meer bang zou zijn, gelijk vanouds, om zich aan hen te vertoonen, opdat het hun niet zou bedroeven als zij haar daar in hare zwarte kleeding alleen zagen zitten.
Met die gedachten aan hare nieuwe moeder, en met de liefde en het vertrouwen die in haar rein gemoed voor deze opwelden, kreeg Florence hare doode moeder hoe langer hoe meer lief. Zij was niet bang om haar eene mededingster in haar hart te geven. De nieuwe bloem sproot uit den diep geplanten en lang gekoesterden wortel, dien zij wel kende. Ieder vriendelijk woord, dat de lippen der schoone dame was ontvloten, klonk Florence als een nagalm der stem die zoolang had gezwegen. Hoe kon de teederheid eener levende haar de nagedachtenis van alle ouderlijke teederheid die zij ooit gekend had minder doen liefhebben!
Florence zat eens op hare kamer te lezen en dacht aan de dame en haar binnen kort beloofd bezoek—want de inhoud van haar boek was geschikt om haar daaraan te herinneren—toen zij hare oogen opsloeg en haar in de deur zag staan.
“Mama!” riep Florence, verheugd opstaande. “Nu teruggekomen!”—“Nog geen mama,” antwoordde de dame met een ernstigen glimlach, en sloeg haar arm om Florence’s hals.—“Maar toch heel gauw!” riep Florence uit.—“Nu heel gauw, Florence, heel gauw.”
Edith boog haar hoofd, zoodat zij Florence’s blozende wang tegen de hare drukte, en zweeg zoo een poosje. Hare manier van doen had iets zoo teeders, dat Florence dit nog dieper gevoelde dan bij hare eerste ontmoeting.
Zij bracht Florence naar een stoel en zette zich naast haar. Florence zag haar aan, waarlijk verwonderd over hare schoonheid, en liet gewillig hare hand vasthouden.
“Zijt ge veel alleen geweest, Florence, sedert ik laatst hier was?”—“O ja,” antwoordde Florence haastig en met een glimlach.[209]
Zij sloeg hare oogen neer, want hare nieuwe mama zag zeer ernstig en hield haar blik strak en nadenkend op haar gelaat gevestigd.
“Ik—ik ben gewoon om alleen te zijn,” zeide Florence eenigszins haperend. “Ik geef er geheel niet om. Di en ik slijten somtijds geheele dagen met elkander.” Zij had wel mogen zeggen geheele weken en maanden.—“Is Di uwe kamenier, liefje?”—“Mijn hond, mama,” antwoordde Florence lachende. “Suze is mijne kamenier.”—“En dit zijn uwe kamers,” zeide Edith, rondziende. “Men heeft mij laatst deze kamers niet laten zien. Wij moeten ze laten verbeteren, Florence. Zij zullen tot de mooiste in het huis gemaakt worden.”—“Als ik ze mocht ruilen, mama,” antwoordde Florence, “is er eene, boven in huis, die ik veel liever zou hebben.”—“Is deze niet hoog genoeg, meisje lief?” vroeg Edith met een glimlach.—“Die andere was mijn broertjes kamer,” zeide Florence, “en daar ben ik zoo gaarne. Ik had er papa van willen spreken toen ik thuis kwam, en de werklieden hier vond, en zag dat alles veranderd werd; maar—” Florence sloeg hare oogen neer, uit vrees dat dezelfde blik haar weder zou doen haperen—“maar ik was bang dat het hem zou bedroeven; en daar ik hoorde zeggen dat ge binnen kort weder hier zoudt komen, mama, en meesteres van alles zijn, dacht ik liever maar moed te vatten om het u te vragen.”
Terwijl de twee lange knechts volgden, duwde de een, wiens orgaan van eerbied niet genoeg ontwikkeld was, zijne tong in zijne wang om den ander aan het lachen te maken. (blz. 212).Terwijl de twee lange knechts volgden, duwde de een, wiens orgaan van eerbied niet genoeg ontwikkeld was, zijne tong in zijne wang om den ander aan het lachen te maken.(blz. 212).
Terwijl de twee lange knechts volgden, duwde de een, wiens orgaan van eerbied niet genoeg ontwikkeld was, zijne tong in zijne wang om den ander aan het lachen te maken.(blz. 212).
Edith zat haar met hare schitterende oogen strak aan te staren, tot Florence de hare opsloeg; toen wendde Edith op hare beurt haar blik af en vestigde dien op den grond. Het was toen dat Florence dacht van welk een geheel anderen aard de schoonheid dier dame was dan zij het in het eerst gedacht had. Zij had die voor statig en trotsch gehouden; maar hare manieren waren zoo zacht en vriendelijk dat zij, al was zij van Florence’s eigene jaren en karakter geweest, bezwaarlijk meer vertrouwen had kunnen uitlokken.
Uitgezonderd wanneer zekere zonderlinge, gedwongene terughouding haar bekroop; en dan scheen het (maar Florence begreep dit toen nog niet, schoon zij niet kon nalaten het op te merken[210]en er over te denken) alsof zij zich voor Florence vernederd gevoelde en slecht op haar gemak was. Toen zij zeide dat zij hare mama nog niet was, en toen Florence haar meesteres van alles noemde, was deze verandering in haar uitzicht even snel als bevreemdend; en thans, nu Florence’s oogen op haar gelaat gevestigd waren, zat zij daar alsof zij wel voor haar had willen wegkruipen en zich verschuilen, in plaats van haar te liefkoozen gelijk zulk eene nauwe betrekking haar recht gaf.
Zij beloofde Florence bereidwillig hare nieuwe kamer, en zeide dat zij zelve last daartoe zou geven. Daarop deed zij eenige vragen naar den armen Paul; en toen zij nog eene poos met elkander hadden gesproken, zeide zij Florence dat zij gekomen was om haar naar hare eigene woning mede te nemen.
“Wij zijn nu naarLondengekomen, mijne moeder en ik,” zeide Edith, “en gij zult bij ons logeeren tot ik getrouwd ben. Ik wensch dat wij elkander leeren kennen en vertrouwen, Florence.”—“Ge zijt wel goed voor mij, lieve mama,” zeide Florence. “Hoe dank ik u!”—“Laat ik nu zeggen, want het zal misschien de beste gelegenheid wezen,” vervolgde Edith, rondziende of zij geheel alleen waren en zachter sprekende, “dat ik, als ik getrouwd ben en voor eenige weken op reis ga, veel geruster zal zijn als gij hier weder thuis komt. Onverschillig wie u ergens anders te logeeren vraagt, kom hier thuis. Het is beter hier alleen te zijn dan—wat ik zeggen wilde is,” vervolgde zij, zich bedenkende, “dat ik wel weet dat gij best thuis zijt, lieve Florence.”—“Ik zal nog denzelfden dag weder naar huis gaan, mama.”—“Doe dat. Ik vertrouw op die belofte. Maak u nu gereed om met mij mee te gaan, meisje lief. Als ge klaar zijt, zult ge mij beneden vinden.”
Langzaam en peinzend zwierf Edith alleen door het huis, waarvan zij zoo spoedig meesteres zou zijn, en weinig lette zij op de pracht, die het begon ten toon te spreiden. Dezelfde stugge trotschheid, dezelfde hoonende minachting in oog en lip, dezelfde fiere schoonheid, alleen beneveld door het gevoel van hare eigene geringe waardij, dwaalde nu door de kostbare kamers en zalen, die onder het dichte geboomte met woeste hartstochtelijkheid waren uitgebarsten. De nagebootste rozen op de wanden waren met scherpe dorens bezet, die haar de borst opreten; in elk stipje goud, dat haar in de oogen schitterde, zag zij een hatelijk gedeelte van haar koopprijs; de hooge en breede spiegels vertoonden haar ten voeten uit eene vrouw in welke nog iets edels woonde, maar die ontrouw was aan het betere in haar gemoed, en te zeer verlaagd en verloren om zich zelve te redden. Zij geloofde dat dit alles meer of minder zoo duidelijk voor ieders oogen was, dat haar geene toevlucht, geen middel om zich eenigszins te doen gelden overschoot, dan trots; en met dien trots, die haar eigen hart nacht en dag martelde, tartte en bekampte zij haar lot.
Was dit de vrouw, welke Florence—een onnoozel meisje, krachtig alleen door haar ernst en hare eenvoudige oprechtheid—zoodanig kon herscheppen, dat zij bij haar een geheel ander wezen was, hare hartstochtelijkheid gestild, zelfs hare trotschheid gedempt was? Was dit de vrouw, die nu naast haar in de koets zat, met hare armen door die van Florence gestrengeld, die haar bad en vleide om haar lief te hebben en te vertrouwen, die haar hoofdje aan hare borst te rust legde, en haar leven had willen opofferen om dat hoofdje voor gevaar of kwaad te bewaren?
O, Edith, gelukkig zou het waarlijk voor u zijn geweest op zulk een tijd te sterven! Veel beter en gelukkiger, misschien, zoo te sterven, Edith, dan voort te leven tot aan het einde.
Mevrouw Skewton, die liever aan alle andere dingen dan aan zulke bespiegelingen dacht—want gelijk vele fatsoenlijke lieden, wilde zij volstrekt niet van den dood weten, en nam zij het kwalijk als er van zoo iets gemeens werd melding gemaakt—had een huis inBrook-Street, bijGrosvenor-Square, geleend van een aanzienlijk bloedverwant (een lid van de familie Feenix) die uit de stad was, en geen bezwaar maakte om het haar voor den bruidstijd te leenen, daar deze leening dan inhield dat hij van alle verdere leeningen en gaven aan mevrouw Skewton en hare dochter vrij was. Daar het voor de eer der familie noodzakelijk was in zulk een tijd eenige vertooning te maken, zette mevrouw Skewton (met behulp van een gedienstig winkelier, die aan den adel en de fatsoenlijke wereld alle mogelijke dingen verhuurde, van een zilveren tafelservies tot aan een stoet lakeien) in dat huis een bottelier met zilvergrijs haar (die daarom hooger werd berekend, dewijl hij het voorkomen van een oud familiestuk had), twee zeer lange jongelieden in livrei, en een uitgezochten staf van keukenbedienden; zoodat er in het onderhuis een sprookje in omloop kwam, dat men Withers de page, op eens van zijne talrijke huiselijke werkzaamheden en van het duwen van den rolstoel (die in de hoofdstad niet meer gebruikt werd) ontslagen, verscheidene malen zijne oogen had zien uitwrijven en zich zelven in de armen en beenen knijpen, als vreesde hij dat hij bij den melkboer teLeamingtonwas in slaap gevallen en nog in een hemelschen droom verkeerde. Alle benoodigdheden van zilver en porselein werden insgelijks door denzelfden gedienstigen winkelier geleverd, benevens eene verscheidenheid van voorwerpen, waaronder ook een net rijtuigje met een paar bruinen; en door deze hofhouding omringd, zette mevrouw Skewton[211]zich in hare Cleopatrahouding op de fraaiste sofa, om in staatsie audiëntie te geven.
“En hoe maakt het mijne bekoorlijke Florence?” zeide mevrouw Skewton, toen het meisje met hare dochter binnentrad. “Kom mij toch een kusje geven, lieve Florence.”
Florence bukte schroomvallig om in het witte gedeelte van mevrouw Skewton’s gezicht een plekje te zoeken; toen deze dame haar een oor toehield en dus uit hare verlegenheid hielp.
“Edith, melieve,” zeide mevrouw Skewton, “waarlijk, ik—ga eens een weinigje meer in het licht staan, lieve Florence, voor een oogenblikje.”
Florence gehoorzaamde blozend.
“Weet ge niet meer wat gij waart, lieve Edith,” zeide hare moeder, “toen gij omtrent even oud waart als onze kostbare Florence, of eenige jaren jonger?”—“Dat heb ik lang vergeten, moeder.”—“Want stellig, melieve,” zeide mevrouw Skewton, “mij dunkt ik zie eene bepaalde gelijkenis tusschen datgene wat gij toen waart en ons allerliefst vriendinnetje. En dat bewijst,” vervolgde mevrouw Skewton zachter, om aan te duiden dat zij Florence voor nog zeer ongepolijst hield, “wat polijsten doen kan.”—“Ja, dat doet het wel,” was het stroeve antwoord van Edith.
Hare moeder zag haar voor een oogenblik scherp aan, en gevoelende dat zij op onveiligen grond kwam, zeide zij om er weder van af te raken:
“Mijne bekoorlijke Florence, gij moet mij nog eens een kusje geven, als het u belieft, liefje.”
Florence gehoorzaamde natuurlijk en drukte nog eens hare lippen op mevrouw Skewton’s oor.
“En gij hebt zeker wel gehoord, lievelingetje,” zeide mevrouw Skewton, hare hand vasthoudende, “dat uw papa, wien wij allen op de handen dragen, vandaag over acht dagen met mijne lieve Edith zal trouwen.”—“Ik wist wel dat het heel gauw zou zijn,” antwoordde Florence, “maar niet recht wanneer.”—“Maar lieve Edith,” zeide de moeder vroolijk, “is het mogelijk dat ge dat Florence niet gezegd hebt?”—“Waarom zou ik dat Florence zeggen?” antwoordde Edith, zoo snel en scherp, dat Florence bijna niet gelooven kon dat het dezelfde stem was.
Mevrouw Skewton vertelde toen Florence, als eene andere veiliger afleiding, dat haar vader daar kwam dineeren en zonder twijfel zeer aangenaam verrast zou zijn als hij haar zag; daar hij den vorigen avond gezegd had, dat hij zich maar in deCityzou kleeden, en niets van Edith’s voornemen had geweten, waarvan de uitvoering, naar mevrouw Skewton’s gedachten, hem zou doen verrukt staan. Florence werd onrustig toen zij dit hoorde; en toen het uur van het diner naderde werd haar angst zoo groot, dat zij, als zij maar geweten had hoe te vragen om maar weder naar huis te mogen gaan, zonder eene verklaring te geven waarin haar vader betrokken was, liever blootshoofds, te voet en alleen teruggekeerd zou zijn, dan zich aan het gevaar van zijn misnoegen bloot te stellen.
Toen de tijd naderde, kon zij nauwelijks ademhalen. Zij durfde niet bij het venster komen, uit vrees dat hij haar van de straat zou zien. Zij durfde niet naar boven gaan om hare aandoening te verbergen, uit vrees dat zij, de kamerdeur uitkomende, hem onverwacht zou ontmoeten; en bovendien was het haar alsof zij dan nooit weder zou durven terugkomen als zij voor hem werd opgeroepen. In deze benauwdheid zat zij bij Cleopatra’s sofa, en poogde het flauwe gesnap dier dame aan te hooren en te beantwoorden, toen zij zijn voetstap op de trap hoorde.
“Daar hoor ik hem!” riep Florence, opspringend, uit. “Hij komt!”
Cleopatra, wier jeugdigheid haar dartel maakte, en wier eigenliefde haar verhinderde om over den aard van Florence’s aandoening te denken, duwde haar achter de sofa en spreidde een shawl over haar heen, om Dombey eens aangenaam te verrassen. Dit gebeurde zoo haastig, dat Florence een oogenblik later zijn geduchten stap in de kamer hoorde.
Hij groette zijne aanstaande schoonmoeder en zijne aanstaande gade. De vreemde klank zijner stem deed zijne dochter trillen.
“Mijn lieve Dombey,” zeide Cleopatra, “kom eens hier en zeg mij hoe uwe aardige Florence vaart.”—“Florence is heel wel,” zeide Dombey, naar de sofa komende.—“En is zij thuis?”—“Ja, thuis,” antwoordde Dombey.—“Mijn beste Dombey,” hervatte Cleopatra met betooverende levendigheid. “Weet ge nu wel zeker dat ge mij niet bedriegt? Ik weet niet wat mijne lieve Edith zal zeggen als ik zoo spreek, maar ik vrees waarlijk dat gij ook al een valschaard zijt, mijn lieve Dombey.”
Al was hij dit geweest, en al was hij op het oogenblik op de grootste valschheid betrapt, die ooit gezegd of gedaan werd, had hij bezwaarlijk meer kunnen ontstellen dan hij deed toen mevrouw Skewton den shawl wegnam, en Florence, bleek en bevende, als een spook voor hem oprees. Hij had zijne tegenwoordigheid van geest nog niet herkregen, toen Florence naar hem toeliep, hare armen om zijn hals sloeg, hem een kus gaf en de kamer uitsnelde. Hij keek rond als wilde hij de zaak naar iemand anders verwijzen, maar Edith was Florence dadelijk gevolgd.
“Beken nu maar, mijn lieve Dombey,” zeide mevrouw Skewton, hem hare hand gevende, “dat ge nooit in uw leven meer verrast en in uw schik zijt geweest.”—“Ik ben zeker nooit meer verrast geweest,” zeide Dombey.—“En in uw schik, mijn lieve Dombey?” hervatte mevrouw Skewton, met haar waaier dreigende.[212]—“Ik—ja, ik ben zeer blij dat ik Florence hier ontmoet,” zeide Dombey. Hij scheen er een oogenblik ernstig over te denken en zeide toen stelliger: “Ja, ik ben werkelijk zeer blij dat ik Florence hier ontmoet.”—“Gij verwondert u hoe zij hier komt, niet waar?” zeide mevrouw Skewton.—“Edith, misschien,” begon Dombey en bleef daarbij steken.—“O, gij ondeugd!” antwoordde Cleopatra, haar hoofd schuddende. “Gij kunt goed raden. O, gij slimme man! Iemand moest zulke dingen niet zeggen; want uwe sekse, mijn lieve Dombey, heeft zooveel inbeelding en maakt zoo licht misbruik van onze zwakheid; maar gij kent mijne openhartigheid—heel goed, dadelijk.”
Dit was tot een der lange knechts gericht, die kwam zeggen dat het diner gereed was.
“Maar Edith, mijn beste Dombey,” vervolgde zij fluisterend, “als zij u niet bij zich kan hebben—en, zooals ik haar zeg, dat kan zij niet altijd verlangen—wil ten minste iemand bij zich hebben die u toebehoort. Wel, dat is heel natuurlijk! En zoo kon niets haar vandaag beletten om uit te rijden en Florence te gaan halen. Dat is toch bekoorlijk!”
Daar zij naar een antwoord wachtte, antwoordde Dombey: “Buitengemeen.”—“Zegen u, mijn lieve Dombey, voor dat bewijs van hartelijkheid!” riep Cleopatra uit, en drukte hem de hand. “Maar ik word al te ernstig! Breng mij nu naar beneden, als een engel, en laten wij zien wat voor diner die lieden ons zullen geven. Zegen u, beste Dombey!”
Na deze laatste toespraak wipte Cleopatra tamelijk vlug van hare rustkoets, waarop Dombey haar arm in den zijnen nam en haar plechtstatig naar beneden leidde. Terwijl de twee lange knechts volgden, duwde de een, wiens orgaan van eerbied niet genoeg ontwikkeld was, zijne tong in zijne wang om den ander aan het lachen te maken.
Florence en Edith waren reeds in de eetzaal en zaten naast elkander. Florence wilde opstaan toen haar vader binnenkwam, om hem haar stoel over te laten; maar Edith legde openlijk hare hand op haar arm, en Dombey nam aan den overkant der ronde tafel plaats.
Het gesprek werd bijna uitsluitend door mevrouw Skewton aan den gang gehouden. Florence durfde bijna hare oogen niet opslaan, uit vrees dat zij de sporen van tranen zou laten zien; veel minder durfde zij spreken; en Edith liet geen woord hooren, of het moest tot antwoord op eene vraag zijn. Cleopatra gaf zich waarlijk veel moeite voor het etablissement dat zoo haast gepakt was; en het had waarlijk wel zeer kostbaar mogen zijn om haar te beloonen.
“En dus zijn uwe voorbereidselen eindelijk bijna gereed, mijn beste Dombey?” zeide Cleopatra, toen het dessert op de tafel stond en de bottelier met zilvergrijs haar zich verwijderd had. “Ook die van de rechtsgeleerden?”—“Ja, mevrouw,” antwoordde Dombey, “de akte van de huwelijksvoorwaarden, hebben de rechtsgeleerde heeren mij onderricht, is nu gereed, en gelijk ik u zeide, Edith heeft ons maar de gunst te bewijzen om een tijd voor het teekenen voor te stellen.”
Edith zat daar gelijk een fraai steenen beeld, even koud en stil.
“Liefste liefje,” zeide Cleopatra, “hoort gij wel wat mijnheer Dombey zegt? O, mijn beste Dombey,” ter zijde tot dien heer, “hoe herinnert mij hare verstrooidheid, nu de tijd nadert, aan de dagen toen haar papa, een alleraardigst man, in uwe positie was.”—“Ik heb niets voor te stellen. Het zal zijn wanneer gij verkiest,” zeide Edith, nauwelijks over de tafel naar Dombey ziende.—“Morgen?” zeide Dombey.—“Als het u zoo belieft.”—“Of zou overmorgen u beter schikken met hetgeen gij anders nog te doen hebt?” zeide Dombey.—“Ik heb niets te doen. Ik ben altijd tot uwe beschikking. Laat het zijn wanneer gij verkiest.”—“Niets te doen, lieve Edith,” bracht hare moeder hiertegen in, “en gij hebt het den geheelen dag zoo schrikkelijk druk, met duizenderlei bestellingen bij allerlei leveranciers!”—“Dat is uw bedrijf,” antwoordde Edith, haar met een eenigszins gefronst voorhoofd aanziende. “Gij en mijnheer Dombey kunt het met uw beiden schikken.”—“Wel waar, kindlief, en heel vriendelijk van u,” zeide Cleopatra. “Florence, mijn lievelingetje, gij moet mij waarlijk nog eens een kusje komen geven.”
Zonderling dat deze vlagen van belangstelling voor Florence bijna telkens bij Cleopatra opkwamen als Edith eenig deel, hoe gering ook, aan het gesprek nam. Florence was nog nooit zoo dikwijls omhelsd geworden, en misschien, zonder het te weten, nog nooit in haar leven zoo nuttig geweest.
Voor zich zelven was Dombey verre van misnoegd over de houding en de manieren zijner bruid. Hij kon zeer wel met trotschheid en koelheid sympathiseeren, en het streelde hem dat zelfs deze eigenschappen zich bij Edith aan hem onderschikten en zij geen anderen wil scheen te hebben dan den zijnen. Het streelde hem zich voor te stellen hoe deze trotsche, statige vrouw de honneurs van zijn huis zou waarnemen en zijne gasten op zijne eigene manier doen verkleumen. De waardigheid van Dombey en Zoon zou in zulke handen wel gehandhaafd, ja zelfs nog verhoogd worden.
Zoo dacht Dombey toen hij in de eetzaal alleen was gelaten en over het verledene en de toekomst peinsde. Hij vond niets onaangenaams in de schrale en sobere staatsie die in dat vertrek heerschte, met het donkerbruine behangsel, waarop nog donkerder schilderijen als zwarte grafmonumenten afstaken, en vier en twintig[213]zwarte stoelen, met bijna zooveel spijkers als doodkisten, die als rouwdragers om den rand van het Turksche tapijt geschaard stonden, en twee naakte negers, die candelabres van dorre takken droegen, op de buffettafel, en een duffen reuk, alsof de asch van duizend diners in de sarcophaag daaronder was begraven. De eigenaar van het huis was veel op reis; de lucht vanEngelandwas zelden lang gezond voor een lid der familie Feenix; en dit vertrek was al zwaarder en zwaarder in den rouw over hem gegaan, tot het zoozeer naar eene paradekamer geleek, dat er slechts een lijk aan ontbrak om het geheel daartoe te maken.
Geen slechte plaatsvervanger voor een lijk, door zijne stijfheid, zoo niet door zijne houding, was Dombey, terwijl hij in de koude diepte der doode zee van mahoniehout zat te turen, waarop de fruitschalen en karaffen voor anker lagen; alsof de onderwerpen zijner gedachten een voor een naar de oppervlakte rezen en weder wegzonken. Edith was daar in al hare majesteit van gelaat en gestalte; en dicht bij haar kwam Florence, met haar vreesachtig gezichtje naar hem toegekeerd, gelijk het voor een oogenblik geweest was, toen zij de kamer verliet; en Edith’s oogen waren op haar gevestigd, en Edith’s hand was beschermend naar haar uitgestoken. Eene kleine gedaante op een laag leuningstoeltje kwam vervolgens te voorschijn en zag hem verwonderd aan met de heldere oogen en het oudachtig jeugdig gezichtje, dat glansde als in het flikkerende schijnsel van een vuur. Wederom kwam Florence dicht daarbij en boeide zijne geheele aandacht. Of het was als een hem door het noodlot bestemd bezwaar en teleurstelling, of als eene mededingster die hem eens in den weg was gekomen, en dit nogmaals kon doen; of als zijn kind, dat hem op zulk een tijd niet meer vreemd moest blijven; of als eene vermaning dat hij voor zijne nieuwe betrekkingen ten minste den schijn moest bewaren, alsof zijn eigen bloed hem niet onverschillig was—wist hij zelf het best. Misschien wist hij het eigenlijk toch niet recht; want trouwfeesten en trouwaltaren en tooneelen van bekroonde eerzucht—nog hier en daar met Florence daarbij—altijd die Florence—rezen zoo snel en zoo verward voor hem op, dat hij zelf opstond en naar boven ging om er aan te ontkomen.
Het was laat in den avond eer er licht gebracht werd, want mevrouw Skewton klaagde dat zij tegenwoordig hoofdpijn daarvan kreeg; en ondertusschen zaten mevrouw Skewton en Florence met elkander te praten (Cleopatra was er zeer op gesteld om het meisje bij zich te houden), of speelde Florence, voor mevrouw Skewton’s vermaak, zachtjes op de piano; om niet van eenige gelegenheden in den loop van den avond te spreken, waarbij die hartelijke dame zich gedrongen gevoelde om nog een kusje te verzoeken, hetgeen altijd gebeurde nadat Edith iets gezegd had. Dit was echter niet dikwijls, want Edith bleef den geheelen tijd afgezonderd bij een open venster zitten (hoewel hare moeder vreesde dat zij kou zou vatten) totdat Dombey afscheid nam. Daarbij was hij zeer genadig voor Florence; en Florence ging in eene kamer achter die van Edith naar bed, zoo gelukkig en vol hoop, dat zij aan haar vroegerikdacht als aan een ander eenzaam en verlaten meisje, waarmede zij medelijden moest hebben; en in haar medelijden snikte zij in slaap.
De week vloog voorbij. Men moest naar modemaaksters, kleedermaaksters, juweliers, procureurs, bloemkweekers en pasteibakkers rijden; en Florence reed altijd mede. Florence zou de trouwplechtigheid bijwonen; en dan haar rouwgewaad afleggen en een brillant costuum dragen. Het model, dat de modemaakster—die eene Française was en veel van mevrouw Skewton had—recommandeerde, was zoo elegant, dat mevrouw Skewton insgelijks zulk een kleedje voor zich zelve bestelde. De modemaakster zeide dat het haar uitmuntend zou staan, en dat iedereen haar voor de zuster van de jonge juffer zou aanzien.
De week vloog nog sneller voorbij. Edith zag naar niets en bekommerde zich om niets. De kostbare kleederen kwamen thuis, en werden aangepast, en werden door mevrouw Skewton en de modemaakster luid geprezen, en werden weggelegd zonder een enkel woord van haar. Mevrouw Skewton maakte plannen voor elken dag en bracht ze ten uitvoer. Somtijds bleef Edith in de koets zitten als men uitreed om iets te gaan koopen; somtijds, als het volstrekt noodig was, ging zij een winkel binnen; maar mevrouw Skewton deed altijd de zaak af, waarom het ook mocht te doen zijn; en Edith keek met schijnbare onverschilligheid toe, alsof het haar niets aanging. Florence had haar misschien trotsch en stroef kunnen vinden, maar voor haar was zij dit nooit; en zoo smoorde Florence hare verwondering in hare dankbaarheid.
De week vloog nog sneller voorbij. Zij was bijna geheel om. De laatste avond, de avond vóór de trouwplechtigheid, was gekomen. In de donkere kamer—want mevrouw Skewton’s hoofd was nog niet beter, hoewel zij des anderen daags eene duurzame beterschap verwachtte—zaten deze dame, Edith en Dombey. Edith zat voor haar open venster naar de straat te kijken; Dombey en Cleopatra waren op de canapé zachtjes aan het praten. Het werd laat; en Florence, die vermoeid was, had zich reeds ter rust begeven.
“Mijn beste Dombey,” zeide Cleopatra, “gij zult mij morgen Florence toch laten, als gij mij van mijne lieve Edith berooft?”
Dombey antwoordde dat hij dit met genoegen zou doen.
“Haar hier bij mij te hebben, terwijl gij beiden[214]naarParijszijt, en te kunnen denken, mijn beste Dombey, dat ik op hare jaren tot de vorming van haar geest bijdraag,” zeide Cleopatra, “zal een balsem voor mij wezen in den geschokten toestand, waarin ik dan verzonken zal zijn.”
Edith keerde eensklaps haar hoofd om. Hare lustelooze houding werd in een oogenblik met een uitzicht van vurige belangstelling verwisseld, en zonder dat men dit in het donker zag, luisterde zij oplettend naar hun gesprek.
Dombey zou Florence gaarne onder zulk eene uitmuntende voogdij en leiding laten.
“Duizendmaal dank voor uwe goede meening, mijn beste Dombey,” antwoordde Cleopatra. “Ik vreesde dat ge mij, met een boos opzet, tot eene volstrekte eenzaamheid woudt veroordeelen.”—“Hoe kondt ge mij zulk een onrecht aandoen, lieve mevrouw?” zeide Dombey.—“Omdat mijne bekoorlijke Florence mij zoo stellig zegt, dat zij morgen naar huis moet,” antwoordde Cleopatra, “dat ik begon te vreezen dat gij een echte turksche Bassa waart.”—“Ik verzeker u, mevrouw,” zeide Dombey, “ik heb Florence niets voorgeschreven. En al was dat zoo, dan zouden die voorschriften toch voor uw verlangen moeten wijken.”—“Mijn beste Dombey,” antwoordde Cleopatra, “wat zijt ge toch een hoveling! Schoon ik dat toch ook niet zeggen wil, want hovelingen hebben geen hart, en ge zijt altijd zoo hartelijk. Gaat ge waarlijk al zoo vroeg heen, mijn beste Dombey?”
O, het was inderdaad laat, en Dombey vreesde dat hij gaan moest.
“Is het werkelijk, of is alles maar een droom?” lispelde Cleopatra. “Kan ik het gelooven, mijn allerbeste Dombey, dat gij morgenochtend terugkomt om mij mijne lieve gezellin, mijne eigene Edith, te ontrooven!”
Dombey, die gewoon was alles letterlijk op te vatten, antwoordde dat zij elkander eerst nog in de kerk zouden zien.
“De smart om een kind af te staan,” zeide mevrouw Skewton, “zelfs aan u, mijn beste Dombey, is waarlijk niet te beschrijven, en vereenigd met mijn teer gestel en de ijselijke domheid van den pasteibakker, die het ontbijt heeft aangenomen, is zij haast al te groot voor mijne zwakke krachten. Maar ik zal mij toch morgen wel goed houden, mijn beste Dombey, wees voor mij maar niet ongerust; de hemel zegene u! Lieve Edith,” riep zij schalkachtig, “er gaat iemand heen.”
Edith, die het hoofd weder naar het venster had gekeerd, daar zij geen belang in hun gesprek meer stelde, stond op, maar zij kwam niet naar hem toe en sprak geen woord. Met de deftige galanterie, welke bij deze gelegenheid en zijn karakter paste, stapten Dombey’s krakende laarzen naar haar toe, bracht hij hare hand aan zijne lippen en zeide hij: “Morgenochtend zal ik het geluk hebben om deze hand als die van mevrouw Dombey te vragen.” Daarop liet hij zich zelven met eene statige buiging uit.
Mevrouw Skewton schelde om licht zoodra de straatdeur achter hem gesloten was. Met het licht kwam hare kamenier, en met de kamenier het jeugdige kleedje dat des anderen daags de wereld moest begoochelen. Dit kleedje wreekte zich gestreng, gelijk zulke kleedjes altijd doen, en maakte haar veel ouder en afschuwelijker dan hare smerige flanellen nachtjapon. Mevrouw Skewton paste het echter met kinderachtige blijdschap aan, glimlachte tegen haar lijkachtig beeld in den spiegel, bij de gedachte welk een indruk zij zoo op den majoor zou maken; liet het zich door hare kamenier weder uittrekken en zich voor hare nachtrust gereedmaken, en viel zoo in elkander gelijk een beschilderd kaartenhuisje.
Al dien tijd bleef Edith voor het venster naar de straat kijken. Toen zij eindelijk met hare moeder alleen gebleven was, kwam zij, voor de eerste maal dien avond, daar vandaan en plaatste zich vlak over haar. De geeuwerige, beverige, gemelijke moeder, die hare oogen opsloeg naar de trotsche gestalte harer dochter, wier vurige blik vast op haar gevestigd was, had een schuldbesef in haar voorkomen, dat zij door geene vertooning van lichtzinnigheid of wreveligheid kon verbergen.
“Ik ben doodaf,” zeide zij. “Gij zijt geen oogenblik alleen te vertrouwen. Gij zijt nog erger dan een kind. Kind! Geen kind zou half zoo koppig en weerspannig zijn.”—“Luister naar mij, moeder,” antwoordde Edith, deze woorden voorbijziende met eene verachting, die zich niet verwaardigde om zich met zulke beuzelingen op te houden. “Gij moet alleen hier blijven tot ik terugkom.”—“Moet alleen hier blijven tot gij terugkomt, Edith!” herhaalde hare moeder.—“Of bij dien naam, dien ik morgen zoo onbeschaamd en valsch ten getuige zal roepen van wat ik doe, zweer ik dat ik in de kerk de hand van dien man zal weigeren. Als ik dat niet doe, mag ik dood op de steenen neervallen!”
De moeder antwoordde met een blik van angstigen schrik, in geenen deele verminderd door den blik dien zij ontmoette.
“Het is genoeg,” zeide Edith langzaam, “dat wij zijn wat wij zijn. Ik wil geene jeugd en oprechtheid tot mijne laagte laten neerslepen. Ik wil geen onschuldig gemoed laten vergiftigen en verpesten om eene geheele wereld van moeders te amuseeren. Gij weet wel wat ik meen. Florence moet naar huis gaan.”—“Gij zijt eene zottin, Edith,” riep hare vergramde moeder uit. “Denkt gij dat er ooit vrede voor u in dat huis kan zijn, eer zij getrouwd en uit den weg is?”—“Vraag mij of vraag u zelve, of ik ooit vrede in dat huis verwacht,”[215]zeide hare dochter, “en gij weet het antwoord.”—“En moet het mij van avond gezegd worden, na al mijne moeite en zorg, en nu gij door mij onafhankelijk zult worden,” gilde de moeder bijna, terwijl zij driftig haar hoofd schudde, “dat ik een meisje zou besmetten en bederven, dat ik geen geschikt gezelschap voor een meisje ben? Wat zijt gij, vraag ik u—wat zijt gij?”—“Die vraag,” zeide Edith, doodsbleek en naar het venster wijzende, “heb ik mij zelve meer dan eens gedaan terwijl ik daar zat, als er buiten iets voorbijkwam dat nog maar een zweem van mijne sekse had, en God weet dat ik een antwoord heb gekregen. O moeder, moeder, als gij mij maar aan mijn natuurlijk hart hadt overgelaten toen ik ook een meisje was—jonger dan Florence—hoe geheel anders had ik dan nu kunnen zijn!”
Wel begrijpende dat alle vertooning van gramschap hier nutteloos was, bedwong hare moeder zich en begon zij te janken en te jammeren. Zij beklaagde zich dat zij te lang had geleefd, en dat haar eenig kind haar verzaakte, en dat men in dezen boozen tijd om geen kinderplicht meer dacht, en dat zij onnatuurlijke verwijten moest hooren en niet meer om haar leven gaf.
“Als ik gedurig zulke scenes moest hebben,” jankte zij, “zou het waarlijk veel beter voor mij zijn als ik maar om een middel dacht om een eind aan mijn bestaan te maken. O, als ik denk dat gij mijne dochter zijt, Edith, en zoo tegen mij spreekt.”—“Tusschen ons, moeder,” antwoordde Edith treurig, “is de tijd voor wederzijdsche verwijten voorbij.”—“Waarom komt gij er dan weder op terug?” jammerde hare moeder. “Gij weet wel dat ge mij het hart verscheurt. Gij weet wel hoe gevoelig ik ben voor alle onvriendelijkheid. En dan nog op zulk een oogenblik, nu ik om zooveel te denken heb, en natuurlijk verlangend ben om er op mijn best uit te zien. Ik ben verbaasd over u, Edith. Uwe moeder op uw trouwdag tot een spook van leelijkheid te willen maken.”
Terwijl zij snikte en hare oogen wreef, bleef Edith haar met denzelfden strakken blik aanzien. Eindelijk zeide zij met dezelfde vaste stem, die sedert zij het eerst het woord had genomen niet hooger of lager was geworden: “Ik heb gezegd dat Florence naar huis moet gaan.”—“Laat zij gaan,” riep de verschrikte en beangste moeder uit. “Ik voor mij mag wel lijden dat zij gaat. Wat kan mij dat meisje schelen?”—“Mij kan zij zooveel schelen,” antwoordde Edith, “dat ik, liever dan haar een grein van het kwaad, dat ik in mijn eigen hart heb, te laten mededeelen, u verzaken zou, moeder, gelijk ik hem morgen in de kerk zou verzaken, als gij er mij reden toe gaaft. Laat haar met vrede. Zij zal, zoolang ik het verhinderen kan, niet met de lessen besmet worden die ik geleerd heb. Dit is geene harde voorwaarde op dezen bitteren avond.”—“Als gij het op eene vriendelijke, dochterlijke manier hadt voorgeslagen, Edith,” jankte hare moeder, “misschien wel niet. Maar zulke scherpe, bijtende woorden …”—“Zij zijn nu tusschen ons voorbij en gedaan,” zeide Edith. “Ga uw eigen weg, moeder; neem zooveel deel als gij wilt in wat gij gewonnen hebt; verteer, geniet, vermaak u, en wees zoo gelukkig als gij wilt. Het doel van ons leven is bereikt. Laten wij het voortaan stilzwijgend dragen. Mijn mond zal van dit uur af van het verledene zwijgen. Ik vergeef u uw aandeel in de goddeloosheid van morgen. God vergeve mij het mijne!”
Zonder eenige beving in hare stem of hare leden, en voorbijstappende met een voet die elke zachte aandoening op den nek scheen te treden,wenschtezij hare moeder goedennacht en ging naar hare kamer.
Maar niet om te rusten; toen zij alleen was liet hare gemoedsbeweging haar geene rust. Op en neer, op en neer, en al weder op en neer, vijfhonderdmalen, tusschen de prachtige toebereidselen om haar morgen op te tooien; met hare donkere haren losgeschud, en hare donkere oogen vol gloed, en hare blanke borst rood van het onbarmhartig knellen der hand, waarmede zij zich zelve in het hart scheen te willen tasten, stapte zij door de kamer met een afgewend hoofd, alsof zij haar eigen gezicht wilde ontwijken en zich uit haar eigen gezelschap verbannen. Zoo worstelde Edith Granger, in het holste van den nacht vóór haar trouwdag, met haar onrustigen geest, zonder tranen, zonder vrienden, zonder woorden, zonder klagen.
Eindelijk raakte zij bij toeval de half openstaande deur aan, die in de kamer uitkwam waar Florence sliep.
Er brandde daar licht, en dit vertoonde haar Florence in al hare onschuld en schoonheid, gerust in slaap. Edith hield haar adem in, en gevoelde zich naar haar toegetrokken.
Nog dichter, en dichter, en dichterbij; eindelijk zoo dichtbij, dat zij bukkende hare lippen op het zachte handje drukte, dat buiten het bed lag, en daarna dat handje zacht op haar hals legde. Dit aanraken was als de staf des profeten op de rots. Hare tranen welden daaronder op, terwijl zij op hare knieën zonk en haar kloppend hoofd met zwierende haren daarnaast op het kussen legde.
Zoo sleet Edith Granger den nacht vóór haar huwelijk. Zoo vond haar de zon op den ochtend van haar trouwdag.[216]