XXXIII.

[Inhoud]XXXIII.CONTRASTEN.Vestigen wij de oogen eens op twee huizen, niet naast elkander, maar ver van elkander af, schoon beide op geringen afstand van de groote stad en gemakkelijk uit deCityte bereiken.Het eerste staat in eene groene, boomrijke streek bijNorwood. Het is geen deftig gebouw, en niet zeer groot; maar de geheele aanleg is zeer smaakvol en alles is uitmuntend in orde gehouden. Het zacht afhellende grasperk, de bloemtuin, de boomgroepen, waarin de sierlijke vormen van esschen en treurwilgen niet ontbreken, de oranjerie, de rustieke veranda, waar geurige slingerplanten tegen de pilaren opgroeien, het eenvoudige huis, de welingerichte bijgebouwen, schoon allen zoo klein als op zulk een buitentje behoort, dat den naam van hutje (cottage) draagt; alles belooft ook van binnen zooveel smaak en gemak als voor een paleis zouden kunnen volstaan. Deze belofte blijft niet onvervuld, want het inwendige van het huis draagt evenveel blijken van weelde als van fijne beschaving. Overal ontmoet het oog fraaie kleuren, op het schoonst aan elkander gepaard, zoowel aan de meubelen, die uitmuntend bij de fatsoenen en afmetingen der kleine vertrekken passen, als op de wanden en de vloeren, zelfs in het licht dat gekleurd en gematigd door de vensters en glazendeuren schijnt. Er zijn ook eenige uitgezochte schilderijen en prenten; in fraaie kasten, hier en daar in een verloren hoek gezet, ontbreekt het niet aan boeken; benoodigdheden voor spelen van kunst of kans staan gereed—schaakstukken, dobbelsteenen, een triktrakbord, kaarten en een biljart.En toch, bij dien overvloed van weelde en gemak, heeft het algemeene voorkomen iets dat niet deugt. Is het dat de tapijten en kussens al te zacht zijn en het geluid te veel dooven, zoodat zij, die er over gaan of er op rusten, dit tersluiks schijnen te doen? Is het omdat de prenten en schilderijen geene groote daden of gedachten vertegenwoordigen, of de poëzie der natuur in landschappen, prachtgebouwen of hutten teruggeven, maar allen van dezelfde weelderige soort zijn—een pronken met vormen en kleuren, anders niet? Is het omdat de boeken al hun goud van buiten hebben, en de titels der meesten ze reeds met de schilderijen en prenten op dezelfde lijn plaatsen? Is het omdat de schoonheid en de volledigheid van het geheel hier en daar belogen wordt door eene vertooning van nederigheid in een of ander onbelangrijk en onkostbaar opzicht; eene vertooning, even valsch als het gezicht van het maar al te goed getroffen portret dat daar hangt, of als het origineel dat daaronder in zijn leuningstoel zit te ontbijten? Of is het omdat dit origineel, dat hier van alles meester is, met zijn dagelijkschen adem een gedeelte van zich zelven heeft gewasemd, hetgeen alles om hem heen een onbestemden zweem van zijn eigen karakter heeft gegeven?Het is Carker de chef die daar in den leuningstoel zit. Een bonte papegaai, in eene als goud blinkende kooi op de tafel, plukt met zijn bek aan de traliën, enklautertten onderste boven er langs, en schudt geheel zijn huis en schreeuwt. Maar Carker let niet op den vogel, en ziet met een peinzenden glimlach naar een portret aan den wand tegenover hem.“Zeker eene buitengemeen toevallige gelijkenis,” zegt hij.Misschien is het eene Juno, misschien eene Potiphar’s vrouw, misschien eene preutsche nimf—naarmate de kunstkoopers den smaak der markt vonden, toen zij het stuk een naam gaven. Het is het afbeeldsel eener schoone vrouw, die zich omkeert, maar haar gezicht naar den toeschouwer gericht houdt en hem een vurigen en trotschen blik toewerpt.Het gelijkt naar Edith.Met eene vlugge beweging zijner hand naar de schilderij—wat! een dreigement? Neen; en toch iets dat er naar gelijkt. Een zegevierend wuiven? Neen; maar toch meer daarnaar gelijkend. Een beleedigend vrijpostige groet van zijne lippen toegeworpen? Neen; maar toch ook daarnaar gelijkende—gaat hij weder aan zijn ontbijt en roept den ongeduldigen en gekerkerden vogel, die naar een vergulden hoepel in zijne kooiklautert, gelijk een groote trouwring, en daarin voor zijn vermaak gaat zitten zwaaien.Het tweede huis staat aan den anderen kant vanLonden, daar waar de groote weg naar het noorden loopt, die voorheen zoo druk was en nu bijna geheel verlaten is, behalve door reizigers die te voet voortzwoegen. Het is een klein, armoedig huis, schraal gemeubileerd, maar net en zindelijk gehouden; en er zijn zelfs pogingen gedaan om het te versieren, gelijk uit de gemeene bloemen blijkt die tegen den muur en in het smalle tuintje groeien. De buurt, waarin het staat, heeft even weinig van het land als van de stad om haar aan te bevelen. Zij behoort ook noch tot de stad noch tot het land. De eerste, gelijk de reus met zijne reislaarzen, heeft een stap gedaan, is haar daarmede voorbijgekomen en heeft zijn hiel van kalk en steen veel verder vooruitgezet; maar de ruimte tusschen de voeten van den reus is nog maar bedorven land, en heeft nog niets van de stad; en hier, tusschen eenige hooge schoorsteenen, die nacht en dag rook uitbraken, en tusschen steenbakkerijen, en velden waar de graszoden zijn weggestoken, en de schuttingen omvallen en bestofte[235]brandnetels groeien, en waar men nog eenige overblijfselen van heggen kan zien en waar de vogelvanger nog somtijds komt, hoewel hij telkens zweert dat hij niet weer zal komen—is dit tweede huis te vinden.Zij, die het bewoont, is zij die het eerste uit gehechtheid aan een gevallen broeder verlaten heeft. Daarmede vertrok uit dat huis alles wat het waarlijk goeds en schoons had, en uit de borst van den meester zijn eenige engel; maar hoewel zijne genegenheid voor haar is verdwenen, sedert die ondankbare minachting, gelijk hij het begrijpt, en hij haar tot straf daarvoor verzaakt, kan hij het oude denkbeeld van haar toch niet geheel vergeten. Laat haar bloemtuin, waarin hij nooit een voet zet, maar die, onder al zijne kostbare veranderingen, toch nog eveneens wordt onderhouden alsof zij dien pas gisteren had verlaten, daarvan getuigen!Harriët Carker is sedert veranderd, en op hare schoonheid ligt eene zwaardere schaduw, dan de Tijd alleen, zoo alvermogend als hij is, kan werpen—de schaduw van kommer en zorg, en de dagelijksche worsteling van een armoedig leven. Maar het is toch nog schoonheid, en nog eene zachte, stille, zedige schoonheid, die opgezocht moet worden, daar zij niet kan pralen, en als zij dit doen kon, niet meer zijn zou wat zij is.Ja, die kleine, tengere gedaante, met dat geduldige gezichtje, net gekleed in geringe stoffen, en welke men niets aanziet dan die stille huiselijke deugden, die zoo weinig gemeen hebben met het aangenomene denkbeeld van heldhaftigheid en grootheid, of een straal daarvan moet door het leven van de grooten der aarde schijnen, en dan ziet men terstond dat dit licht van den hemel komt—die kleine tengere gedaante, leunende op dien man, nog jong, maar afgeleefd en grijs, zij is zijne zuster, die, alleen in de geheele wereld, tot hem overtrad in zijne schande, en hare hand in de zijne legde, en met lieftallige bedaardheid en beradenheid hem voortleidde op zijn barren weg.“Het is nog vroeg, John,” zeide zij. “Waarom gaat gij zoo vroeg?”—“Niet veel vroeger dan gewoonlijk, Harriët. Als ik tijd over heb zou ik gaarne, denk ik—het is eene gril van mij—het huis nog eens voorbijgaan waar ik afscheid van hem heb genomen.”—“Ik wenschte dat ik hem gezien of gekend had, John.”—“Beter zóó, lieve, om zijn lot denkende.”—“Maar dat zou mij niet erger kunnen spijten, al had ik hem gekend. Is uw leed niet het mijne? En als ik hem gekend had, zou ik misschien beter gezelschap voor u zijn als gij van hem spreekt, dan ik nu wel schijn.”—“Lieve zuster, is er iets, zoover blijdschap of droefheid kunnen gaan, waarvan ik niet zeker ben dat gij het met mij gevoelt en deelt?”—“Ik hoop dat gij van neen denkt, John, want er is waarlijk niets.”—“Hoe zoudt gij beter voor mij kunnen zijn, of mij nader wezen, dan gij hierin of in iets anders zijt?” zeide haar broeder. “Ik gevoel dat gij hem gekend hebt, Harriët, en mijn gevoel voor hem hebt gedeeld.”Zij sloeg de hand, die op zijn schouder had gelegen, om zijn hals, en zeide eenigszins aarzelend:“Neen, niet geheel.”—“Dat is waar,” zeide hij, “gij dacht dat ik hem geen kwaad zou hebben gedaan, al had ik mij zelven toegelaten om nader kennis met hem te maken.”—“Dacht! Ik wist het zeker.”—“Met opzet, weet de hemel, zou ik het niet gedaan hebben,” antwoordde hij, treurig zijn hoofd schuddende, “maar zijn goede naam was te kostbaar om door zulk een omgang in de waagschaal te stellen. Hetzij gij dat toegeeft of niet, lieve—”—“Dat doe ik niet,” zeide zij kalm.—“Het is toch de waarheid, Harriët, en mijn hart is nu lichter, als ik aan hem denk, juist door datgene wat het toen zooveel te zwaarder maakte.” Hij dwong zich om zijn zwaarmoedigen toon af te leggen, en zag haar glimlachend aan toen hij zeide: “Goedendag nu!”—“Goedendag, beste John. Van avond zal ik u op den gewonen tijd te gemoet komen. Goedendag!”Het hartelijke gezichtje, dat zij naar hem ophief om te laten kussen, was zijn leven, zijn alles, en toch was het een gedeelte van zijne straf en zijn leed; want in de wolk die hij daarop zag—schoon zoo helder als eenig stralend wolkje bij ondergaande zon—en in de standvastige trouw van haar leven, en in de opoffering van genot, gemak en hoop, die zij gebracht had, zag hij de bittere vruchten zijner oude misdaad altijd versch en rijp voor zich.Zij stond hem aan de deur na te zien, met de handen los over elkander, terwijl hij over de ongelijke, modderige plek gronds stapte, die voor hun huis lag. De plek was voorheen (niet lang geleden) eene groene weide geweest, maar was nu eene wildernis, waar de beginselen van geringe huisjes uit den grond begonnen op te schieten alsof eene ongeregelde hand ze gezaaid had. Wanneer hij omkeek, gelijk hij een paar malen deed, straalde haar hartelijk gezichtje als een licht in zijn hart; maar wanneer hij voortstapte en haar niet zag, stonden er tranen in hare oogen zoolang zij hem nakeek.Zij bleef niet lang ledig aan de deur staan peinzen. Er waren dagelijksche plichten te vervullen, er was dagelijksch werk te doen—want zulke alledaagsche wezens, die niet heldhaftig zijn, werken dikwijls zwaar met hunne handen—en Harriët was weldra druk aan hare huiselijke bezigheden. Toen deze waren afgedaan en het armoedige huisje net in orde was, telde zij met een bekommerd gezichtje haar[236]geringen voorraad van geld, en ging nadenkend uit om eenige benoodigdheden voor hunne tafel te koopen, onderweg verzinnende hoe zij daarop iets zou kunnen bezuinigen. Zoo gemeen is het leven van zulke lage wezens, die niet slechts niet heldhaftig zijn voor hunne kamerdienaren en kameniers, maar zelfs geene kamerdienaren of kameniers hebben om heldhaftig te wezen!Terwijl zij afwezig en er niemand in huis was, naderde er van een anderen kant dan haar broeder was opgegaan, een heer, die misschien reeds eenigszins over het best van zijn leven was, maar eene gezonde, blozende kleur, eene rechte houding en een helder uitzicht had, dat goedhartigheid en welwillendheid aanduidde. Zijne wenkbrauwen waren nog zwart, en het meeste van zijn haar was dit ook nog; het daar tusschen gesprenkelde grijs stond hem zelfs goed, daar het zijne zwarte wenkbrauwen, zijn open voorhoofd en zijne heldere oogen beter deed uitkomen.Toen hij eens aan de deur had geklopt en geen antwoord gekregen, zette deze heer zich op eene bank onder het afdak om te wachten. Zekere vlugge beweging van zijne vingers, terwijl hij eenige regels neuriede en op de bank naast hem de maat sloeg, scheen den muzikant aan te duiden, en het buitengemeene genoegen waarmede hij iets neuriede, dat zeer langzaam en lang was en waarin men geene wijs kon herkennen, scheen te toonen dat hij een geleerde in de muziek was.Deze heer neuriede nog een thema, dat al rond en rond scheen te draaien, en zich in zich zelf in te winden, gelijk een kurketrekker, dien men op de tafel laat tollen, zonder dichter bij iets te komen, toen Harriët weder in de verte aankwam. Hij stond op toen zij naderde, en bleef blootshoofds wachten.“Gij zijt teruggekomen, mijnheer!” zeide zij haperend.—“Ik neem nog eens die vrijheid,” antwoordde hij. “Mag ik u vijf minuten verzoeken, als gij tijd hebt?”Na een oogenblik aarzelens opende zij de deur en liet hem in het voorkamertje. Hij zette zich neer, schoof zijn stoel bij de tafel tegen haar over, en zeide, met eene stem die volkomen met zijn voorkomen strookte, en met eene eenvoudigheid die waarlijk innemend was:“Jufvrouw Harriët, gij kunt toch niet trotsch wezen. Gij hebt mij, toen ik laatst hier was, gezegd dat gij dat waart. Neem mij niet kwalijk, als ik zeg dat ik u in uw gezicht keek onder het spreken, en dat dit u tegensprak. Nu zie ik u nog eens in het gezicht,” daarbij legde hij even zijne hand op haar arm, “en het spreekt u meer en meer tegen.”Zij was eenigszins verlegen en ontroerd, en had niet dadelijk een antwoord gereed.“Het is een spiegel van oprechtheid en zachtaardigheid,” zeide hij. “Verschooning dat ik daarop vertrouw en nog eens terugkom.”De manier, waarop hij dit zeide, ontdeed zijne gezegden geheel en al van den aard van complimenten. Hij sprak zoo eenvoudig, ernstig, ongemaakt en oprecht, dat zij haar hoofd boog, als ware het om hem te bedanken en zijne oprechtheid te erkennen.“Het verschil tusschen onze jaren,” zeide hij, “en de duidelijkheid van mijn oogmerk, geven mij, tot mijn genoegen, vrijheid om mijn gevoelen te zeggen. Dat is nu mijn gevoelen, en dus ziet ge mij nog eens hier.”—“Er is een soort van trots, mijnheer,” antwoordde zij, na een oogenblik stilzwijgens, “of wat men voor trots kan houden, die enkel plicht is. Ik hoop dat ik geene andere trotschheid heb.”—“Voor u zelve,” zeide hij.—“Voor mij zelve.”—“Maar—neem mij niet kwalijk—voor uw broeder John?”—“Ik ben trotsch op zijne liefde,” zeide Harriët, haar bezoeker aanziende en geheel van toon veranderende—niet dat zij minder kalm en zacht bleef, maar zij sprak met een vurigen ernst, welke zelfs de beving in hare stem tot een deel van hare standvastigheid maakte, “en trotsch op hem zelven. Gij, mijnheer, die zoo zonderling de geschiedenis van zijn leven kent, en mij die hebt laten hooren, toen gij de vorige maal hier waart …”—“Alleen om uw vertrouwen te winnen,” viel hij er op in. “Om ’s hemels wil, denk niet …”—“Ik ben overtuigd,” zeide zij, “dat ge mij die met een goed en welwillend oogmerk hebt laten hooren. Daarvan ben ik volkomen overtuigd.”—“Ik dank u,” zeide haar bezoeker, haar haastig de hand drukkende, “ik ben u zeer verplicht. Gij laat mij recht wedervaren, dat verzeker ik u. Gij wildet zeggen, dat ik, die de geschiedenis van John Carker’s leven weet.…”—“Het voor trots van mij kunt houden,” vervolgde zij, “als ik zeg dat ik trotsch op hem ben. Maar dat ben ik toch. Gij weet dat er eens een tijd bestond, toen ik dat niet was—toen ik dat niet kon wezen—maar die is voorbij. De nederigheid van vele jaren, de bereidwillige boete, het oprechte berouw, de vreeselijke spijt, de smart die ik weet dat zelfs mijne genegenheid hem veroorzaakt, die hij denkt dat mij duur te staan komt, schoon de hemel weet dat ik gelukkig ben, volkomen gelukkig zou zijn, als hij niet ongelukkig was!—o mijnheer, laat ik, na hetgeen ik gezien heb, u bezweren, als gij eenig gezag of invloed hebt en ooit verongelijkt wordt, leg nooit voor eenig kwaad eene straf op die niet herroepen kan worden, terwijl er een God boven ons is, die veranderingen kan bewerken in een hart dat zijn maaksel is!”—“Uw broeder is een veranderd mensch,” antwoordde hij medelijdend. “Ik verzeker u dat ik daaraan niet twijfel.”—“Hij was een veranderd mensch toen hij kwaad deed,” zeide Harriët. “Hij is weder een veranderd mensch, en hij is nu in[237]zijn waar karakter, geloof mij, mijnheer.”—“Maar wij,” zeide de vreemdeling, verstrooid zijn voorhoofd wrijvende, en toen peinzend op de tafel trommelende, “leven van dag tot dag in onzen ouden sleur voort, en kunnen die veranderingen niet waarnemen of volgen. Zij zijn boven ons begrip. Wij—wij hebben er geen tijd voor. Wij—wij hebben er den moed niet toe. Het wordt ons op school niet geleerd, en wij weten niet hoe het aan te vangen. Kortom, wij zijn zoo verduiveld koopmanachtig,” zeide hij, ging naar het venster, kwam terug en ging weder zitten, zeer ontstemd en ontevreden. “Ik ben zeker,” zeide hij, wederom zijn voorhoofd wrijvende en op de tafel trommelende, “ik heb goede reden om te gelooven dat een eentonig leven, hetzelfde van dag tot dag, iemand met alles zou kunnen verzoenen. Men ziet niets, men hoort, men weet niets; en zoo gaat het. Wij nemen alles zoo maar aan, en zoo gaan wij voort, tot wij al wat wij doen, goed, kwaad en onverschillig, alleen maar uit gewoonte doen. Gewoonte is al wat ik zal hebben in te brengen, als ik op mijn sterfbed voor mijn geweten zal moeten pleiten. “Gewoonte,” zeg ik dan. “Ik was doof, stom, blind en lam voor een millioen dingen, uit gewoonte.” “Heel koopmanachtig, mijnheer,”zegt het geweten, “maar dat geldt hier niet!””Hij stond op en ging weder naar het venster en terug, ernstig ongerust, hoewel hij zijne ongerustheid op zulk eene eigenaardige en zonderlinge manier te kennen gaf.“Jufvrouw Harriët,” zeide hij, zich weder zettende, “ik wenschte dat gij mij u woudt laten dienst doen. Zie mij aan! ik behoor er nu oprecht uit te zien, want ik weet dat ik het ben. Doe ik het?”—“Ja,” antwoordde zij met een glimlach.—“Ik geloof ieder woord dat gij gezegd hebt,” hervatte hij. “Ik ben vol zelfverwijt dat ik dit had kunnen weten en zien, en u had kunnen kennen en zien, wanneer ik maar wilde, deze tien jaren, en dat ik het nooit heb gedaan. Ik weet haast niet hoe ik ooit hier gekomen ben—slaaf als ik ben, niet alleen van mijne eigene gewoonten, maar ook van die van anderen! Maar nu ik hier gekomen ben, laat mij nu ook iets doen. Ik vraag het met alle achting en eerbied. Ik gevoel beide voor u in de hoogste mate. Laat mij iets doen.”—“Wij zijn tevreden, mijnheer.”—“Neen, neen, niet geheel en al,” hernam hij. “Niet geheel en al, denk ik. Er zijn nog wel eenige kleine gemakken en genoegens die uw leven konden veraangenamen, en het zijne. En het zijne,” herhaalde hij, zich verbeeldende dat hij eenigen indruk op haar gemaakt had. “Ik ben gewoon geweest te denken dat er niets voor hem behoefde gedaan te worden, dat alles was gelijk het wezen moest, kortom, om er geheel niet over te denken. Ik ben nu veranderd. Laat mij iets voor hem doen. Gij ook,” zeide hij met kiesche schroomvalligheid, “moet om zijnentwil voor uwe gezondheid zorgen, en ik vrees dat die begint te verzwakken.”—“Wie gij ook wezen moogt, mijnheer,” antwoordde Harriët, hare oogen naar hem opslaande, “ik ben u innig dankbaar. Ik ben overtuigd, dat gij met al wat gij zegt geen ander oogmerk hebt dan welwillendheid voor ons. Maar jaren zijn verloopen sedert wij dit leven begonnen; en mijn broeder iets te ontnemen van datgene wat hem mij zoo dierbaar heeft gemaakt en zijn vast besluit tot verbetering heeft bewezen—het minste van de verdienste zijner stille, vergetene boete—zou zijn den troost te verminderen die het voor ons wezen zal, wanneer voor ons beiden de tijd komt, waarvan gij gesproken hebt. Ik dank u beter met deze tranen dan met woorden. Geloof dat, bid ik u.”Hij was ontroerd, en bracht de hand, die zij hem toereikte, aan zijne lippen, omtrent gelijk een vader de hand van eene goede dochter zou kussen, maar met eerbied.“Als ooit de dag mocht komen,” zeide Harriët “dat hij, maar gedeeltelijk, hersteld wordt in de positie die hij verloren heeft …”—“Hersteld!” riep de vreemdeling snel uit. “Hoe kan men dat hopen? Wie heeft de macht tot zulk eene herstelling in handen? Ik vergis mij zeker niet als ik denk dat de onwaardeerbare zegening die hij hier heeft medegenomen, eene voorname reden is van de haatdragendheid, die zijn broeder hem toont.”—“Gij spreekt daar van iets dat door ons nooit wordt aangeroerd; zelfs tusschen ons niet,” zeide Harriët.—“Ik verzoek u verschooning,” zeide hij. “Dat had ik moeten weten. Vergeef mij dat ik het onbedacht gedaan heb. En nu, daar ik niet meer durf dringen—en daar ik niet zeker ben of mij dat wel vrijstaat—schoon de Hemel weet, ook dat twijfelen kan wel eene gewoonte zijn,” zeide hij, even verdrietig als te voren zijn hoofd wrijvende, “laat ik, schoon een vreemdeling, en toch geen vreemdeling, u om twee gunsten mogen vragen.”—“Wat zijn die?” vroeg zij.—“De eerste, dat gij, als gij reden mocht zien om van besluit te veranderen, mij zult toelaten om zoo goed als uwe rechterhand te zijn. Mijn naam zal dan tot uw dienst wezen; hij is nu nutteloos en altijd onbeduidend.”—“Onze keus van vrienden,” antwoordde zij met een flauw glimlachje, “is zoo groot niet, dat ik tijd voor beraad noodig heb. Dit kan ik wel beloven.”—“De tweede, dat gij mij wilt vergunnen om somtijds, zeg elken maandagochtend om negen uur—wederom gewoonte—ik moet altijd de regelmatigheid van een koopman hebben,” zeide hij, met eene luimige neiging om dit zich zelven kwalijk te nemen,[238]“u, als ik voorbijwandel, aan de deur of voor het venster te zien. Ik vraag niet om binnen te komen, daar uw broeder op dat uur uit zal zijn. Ik vraag niet om u te spreken. Ik vraag alleen om u te zien, tot mijne eigene geruststelling dat gij wel vaart, en om u, zonder indringendheid, door mijn gezicht te herinneren dat gij een vriend hebt—een bejaard vriend, die al grijze haren heeft en spoedig geheel grijs zal worden—over wien gij altijd kunt beschikken.”Het hartelijk gezichtje zag naar het zijne op, vertrouwde en beloofde.“Ik begrijp, gelijk te voren,” zeide de vreemdeling, opstaande, “dat gij niet voornemens zijt om mijn bezoek aan John Carker mede te deelen, opdat mijne bekendheid met zijne geschiedenis hem geene onaangenaamheid zou veroorzaken. Ik ben blijde daarom, want het is buiten den gewonen regel—al weder gewoonte!” zeide hij zich zelven ongeduldig in de rede vallende; “alsof men niet beter kon doen dan den gewonen regel volgen!”Daarmede keerde hij zich om, ging blootshoofds tot buiten de voordeur, en nam afscheid van haar met zulk eene gelukkige mengeling van ongedwongen eerbied en ongeveinsde belangstelling, als geene kunstmatige beschaving had kunnen leeren, geen ander dan een rein en oprecht hart had kunnen uitdrukken, en die dan ook door geen oprecht hart kon gewantrouwd worden.Vele half vergetene aandoeningen werden door dit bezoek in het gemoed der zuster opgewekt. Het was zoolang geleden dat er een ander bezoek over hun drempel was gekomen; het was zoolang geleden dat eene stem van sympathie hare ooren eene weemoedige muziek had laten hooren; dat de gedaante des vreemdelings nog uren lang voor haar bleef, terwijl zij met haar naaiwerk voor het venster zat, en zijne woorden nogmaals en nogmaals opnieuw schenen gesproken te worden. Hij had de springveder aangeraakt, die geheel haar leven opende, en als zij hem eene korte poos vergat, was het alleen onder de vele vormen der ééne groote herinnering waaruit dat leven bestond.Beurtelings peinzende en werkende; zich nu dwingende om een langen tijd achtereen stipt aan het naaien te blijven, dan haar werk op haar schoot latende zinken, terwijl hare gedachten dwaalden waarheen zij wilden, bevond Harriët Carker dat de uren onopgemerkt voorbijvlogen. Later op den dag werd de lucht, die helder geweest was, betrokken; er stak een scherpe wind op, het begon te regenen, en een donkere mist verborg de afgelegene stad voor het gezicht.Dikwijls zag zij op zulk een tijd met medelijden naar de arme vermoeide voetreizigers, die langs den grooten weg dichtbij naarLondentrokken, en vreesachtig naar de reusachtige stad, die voor hen lag, uitkeken, als met een voorgevoel dat hunne ellende daar slechts gelijk een droppel water in de zee, of gelijk eene zandkorrel op het zeestrand zou zijn, en dan huiverend voortstapten, voor het gure weder in elkander duikende, terwijl het scheen alsof zelfs de elementen hun vijandig waren. Dag aan dag kropen er zulke reizigers voorbij, maar altijd, naar zij dacht, in ééne richting—altijd naar de stad. Verzwolgen in hare onmetelijkheid, waarheen zij door de toovermacht der wanhoop schenen te worden voortgestuwd, kwamen zij nooit terug. Voedsel voor de hospitalen, de kerkhoven, de gevangenissen, de rivier, voor koorts, razernij, ondeugd en dood—werden zij aangetrokken door het monster, dat in de verte brulde, en waren verloren.De gure wind huilde, de regen kletterde, de lucht was donker betrokken, toen Harriët, hare oogen van haar werk opslaande, waarop zij weder langen tijd standvastig had zitten turen, een dezer reizigers zag aankomen.Eene vrouw. Eene eenzame vrouw van ongeveer dertig jaren, rijzig, welgevormd, met fraaie trekken, ellendig gekleed. De grond van velerlei landwegen bij afwisselend weder—stof, kalk, klei en zand—kleefde aan haar druipenden mantel. Geen hoed op het hoofd; niets om hare welige zwarte haren voor den regen te beschermen, dan een gescheurden zakdoek, met welks fladderende slippen en met hare eigene haren de wind haar zoodanig verblindde, dat zij dikwijls moest stilstaan om ze weg te strijken en uit te zien welken weg zij ging.Zij deed dit juist weder, toen Harriët haar opmerkte. Toen hare handen, op haar door de zon gebruind voorhoofd samengevoegd, over haar gezicht streken, en de belemmeringen, die het half bedekten, wegveegden, vertoonde het eene roekeloos trotsche, achtelooze schoonheid; eene onverschrokkene, woeste onverschilligheid voor meer dan het weder; eene minachting voor alles wat hemel of aarde op haar hoofd mocht werpen; en dit, met hare ellende en eenzaamheid, trof het vrouwelijk hart van Harriët. Zij dacht aan alles wat in haar binnenste, evenzeer als in haar uiterlijk, bedorven en verbasterd moest wezen; aan de zachte sieraden van het gemoed, verhard en verstaald gelijk die lichamelijke bekoorlijkheden; aan de vele gaven van den Schepper, in den wind geslingerd gelijk dat woeste haar; aan de geheele schoone ruïne, die door den storm geteisterd werd en waarover de nacht nederdaalde.Hieraan denkende, keerde zij zich niet met kiesche verontwaardiging af—gelijk menigeen van hare teedere, gevoelvolle sekse maar al te dikwijls doet—maar kreeg medelijden met haar.Hare gevallene zuster kwam nader. Zij keek[239]ver voor zich uit, alsof zij met hare oogen door den nevel poogde te dringen, die de stad bedekte, en wierp nu en dan een blik links en rechts met het twijfelachtige, verbijsterde gezicht eener vreemde. Hoewel haar tred nog fier was, was zij toch vermoeid, en na een oogenblik van besluiteloosheid, zette zij zich op een hoop steenen neer, zonder eene schuilplaats voor den regen te zoeken.Zij was nu vlak tegenover het huis. Haar hoofd opheffende, nadat zij het eene korte poos in hare handen had laten rusten, ontmoetten hare oogen die van Harriët.In een oogenblik was Harriët aan de deur. Op haar wenken stond de andere op en kwam naar haar toe, maar met geen gezicht alsof zij haar voor zich wilde innemen.“Waarom gaat gij in den regen zitten rusten?” zeide Harriët vriendelijk.—“Omdat ik geene andere plaats heb,” was het antwoord.—“Maar er zijn hier toch plaatsen genoeg om te schuilen. Dit,” de schuilplaats onder het afdakje bedoelende, “is beter dan waar gij waart gaan zitten. Gij moogt hier vrij zitten uitrusten.”De zwervelinge zag haar aan, met twijfel en verwondering, maar zonder eenige dankbaarheid te laten blijken, zette zich neer, trok een van hare versletene schoenen uit, om er het zand en steengruis uit te slaan dat er in was, en liet zoo zien dat haar voet gekwetst was en bloedde.Harriët kon dit niet zien zonder eene uitroeping van medelijden. De zwervelinge zag met een verachtelijken en ongeloovigen glimlach naar haar op.“Wel, wat is een kapotte voet voor iemand als ik?” zeide zij. “En wat is een kapotte voet van iemand als ik, voor iemand als gij?”—“Kom binnen om hem af te wasschen,” zeide Harriët zachtzinnig, “en laat ik u iets geven om hem te verbinden.”De vrouw vatte haar arm, en dien voor hare eigene oogen houdende, om ze te verbergen, barstte zij in tranen uit. Zij schreide niet gelijk eene vrouw, maar gelijk een hardvochtig man, die zich door zulk eene zwakheid laat verrassen; met een geweldig zwoegen van hare borst en een worstelen om zich te bedwingen, waaruit bleek hoe ongewoon zulk eene aandoening bij haar was.Zij liet zich in huis brengen, en blijkbaar meer uit dankbaarheid dan omdat zij iets om zich zelve gaf, wiesch en verbond zij de gewonde plek. Daarop zette Harriët haar het overschot van haar eigen karig middagmaal voor, en toen de vrouw daarvan gegeten had (maar spaarzaam), verzocht zij haar om, eer zij haar weg voortzette (hetgeen zij terstond wilde doen) hare kleeren voor het vuur te drogen. Wederom meer uit dankbaarheid dan omdat zij zich eenigszins om zich zelve bekommerde, zette zij zich voor den haard, en den doek om haar hoofd losmakende, liet zij hare dikke natte haren tot beneden haar middel afvallen, droogde ze met hare handpalmen af, en zat in de vlam te staren.“Gij zult zeker wel denken,” zeide zij, eensklaps haar hoofd opheffende, “dat ik eens mooi moet zijn geweest. Dat geloof ik ook—ik weet het. Zie hier!”Zij hield hare haren ruw met beide handen omhoog, ze aanvattende alsof zij ze wilde uitrukken, en smeet ze weder naar achteren alsof het een hoop kronkelende slangen was.“Zijt gij hier vreemd?” zeide Harriët.—“Vreemd!” antwoordde zij, tusschen ieder kort gezegde ophoudende, en naar het vuur kijkende. “Ja. Tien of twaalf jaren lang vreemd. Ik heb geen almanak gehad waar ik geweest ben. Tien of twaalf jaren. Ik ken deze streek niet meer. Zij is veel veranderd sedert ik heenging.”—“Zijt ge ver geweest?”—“Heel ver. Maanden aan maanden over zee, en toen nog heel ver. Ik ben geweest waar gecondemneerden heengaan,” voegde zij er bij, hare gastvrouw strak aanziende. “Ik ben er zelf een geweest.”—“De hemel helpe u en vergeve u!” was het zachte antwoord.—“Ja! de hemel mag mij wel helpen en vergeven!” antwoordde zij, met haar hoofd naar het vuur knikkende. “Als de menschen sommigen van ons wat meer wilden helpen, zou God ons allen misschien des te eerder vergeven.”Zij liet zich echter verzachten door het hartelijke gezichtje, dat haar zoo vriendelijk en vrij van alle veroordeeling aanzag, en zeide met minder hardvochtigheid:“Wij zullen misschien haast even oud zijn, gij enik. Of als ik ouder ben is het niet meer dan een jaar of twee. O, denk daar eens aan!”Zij sloeg hare armen open als moest hare uitwendige gedaante toonen hoe ellendig diep verzonken zij ook in het zedelijke was, liet ze toen weder neervallen en te gelijk haar hoofd op de borst zinken.“Er is niets dat men niet mag hopen te herstellen; het is nooit te laat om zich te verbeteren,” zeide Harriët. “Gij zijt boetvaardig …”—“Neen,” antwoordde zij. “Dat ben ik niet. Dat kan ik niet zijn. Dat ben ik geheel niet. Waarom zouikboetvaardig wezen, en alle anderen vrijloopen. Zij praten mij van boetvaardigheid en berouw. Wie heeft er berouw over het kwaad dat mij gedaan is!”Zij stond op, bond den doek om haar hoofd en wilde gaan.“Waar gaat gij naar toe?” zeide Harriët.—“Daar naar toe,” antwoordde zij, met hare hand wijzende. “NaarLonden.”—“Hebt gij daar een thuis, waar gij naar toe kunt gaan?”—“Ik geloof dat ik eene moeder heb. Zij is evenveel eene moeder als hare woning een thuis is,” antwoordde zij met een bitteren lach.—“Neem dit nog,” zeide Harriët, haar eenig[240]geld in de hand stoppende. “Doe uw best. Het is heel weinig, maar een dag lang kan het u toch wel voor kwaad bewaren.”—“Zijt gij getrouwd?” zeide de vrouw flauw, terwijl zij het geld aannam.—“Neen. Ik woon hier met mijn broeder. Wij hebben niet veel te missen, of ik zou u meer geven.”—“Wilt gij mij u een kus laten geven?”Geene verachting of tegenzin op haar gezichtje lezende, boog het voorwerp harer liefdadigheid zich over haar heen en drukte hare lippen op hare wang. Nogmaals vatte zij haar arm en bedekte hare oogen daarmede, en toen was zij verdwenen.Verdwenen in de toenemende duisternis, in den loeienden wind en den kletterenden regen; verder op haar weg naar de in nevel gehulde stad, waar de schemerende lichten schenen; met hare zwarte haren en slordig hoofddeksel, dat om haar roekeloos stoutmoedig gezicht fladderde.

[Inhoud]XXXIII.CONTRASTEN.Vestigen wij de oogen eens op twee huizen, niet naast elkander, maar ver van elkander af, schoon beide op geringen afstand van de groote stad en gemakkelijk uit deCityte bereiken.Het eerste staat in eene groene, boomrijke streek bijNorwood. Het is geen deftig gebouw, en niet zeer groot; maar de geheele aanleg is zeer smaakvol en alles is uitmuntend in orde gehouden. Het zacht afhellende grasperk, de bloemtuin, de boomgroepen, waarin de sierlijke vormen van esschen en treurwilgen niet ontbreken, de oranjerie, de rustieke veranda, waar geurige slingerplanten tegen de pilaren opgroeien, het eenvoudige huis, de welingerichte bijgebouwen, schoon allen zoo klein als op zulk een buitentje behoort, dat den naam van hutje (cottage) draagt; alles belooft ook van binnen zooveel smaak en gemak als voor een paleis zouden kunnen volstaan. Deze belofte blijft niet onvervuld, want het inwendige van het huis draagt evenveel blijken van weelde als van fijne beschaving. Overal ontmoet het oog fraaie kleuren, op het schoonst aan elkander gepaard, zoowel aan de meubelen, die uitmuntend bij de fatsoenen en afmetingen der kleine vertrekken passen, als op de wanden en de vloeren, zelfs in het licht dat gekleurd en gematigd door de vensters en glazendeuren schijnt. Er zijn ook eenige uitgezochte schilderijen en prenten; in fraaie kasten, hier en daar in een verloren hoek gezet, ontbreekt het niet aan boeken; benoodigdheden voor spelen van kunst of kans staan gereed—schaakstukken, dobbelsteenen, een triktrakbord, kaarten en een biljart.En toch, bij dien overvloed van weelde en gemak, heeft het algemeene voorkomen iets dat niet deugt. Is het dat de tapijten en kussens al te zacht zijn en het geluid te veel dooven, zoodat zij, die er over gaan of er op rusten, dit tersluiks schijnen te doen? Is het omdat de prenten en schilderijen geene groote daden of gedachten vertegenwoordigen, of de poëzie der natuur in landschappen, prachtgebouwen of hutten teruggeven, maar allen van dezelfde weelderige soort zijn—een pronken met vormen en kleuren, anders niet? Is het omdat de boeken al hun goud van buiten hebben, en de titels der meesten ze reeds met de schilderijen en prenten op dezelfde lijn plaatsen? Is het omdat de schoonheid en de volledigheid van het geheel hier en daar belogen wordt door eene vertooning van nederigheid in een of ander onbelangrijk en onkostbaar opzicht; eene vertooning, even valsch als het gezicht van het maar al te goed getroffen portret dat daar hangt, of als het origineel dat daaronder in zijn leuningstoel zit te ontbijten? Of is het omdat dit origineel, dat hier van alles meester is, met zijn dagelijkschen adem een gedeelte van zich zelven heeft gewasemd, hetgeen alles om hem heen een onbestemden zweem van zijn eigen karakter heeft gegeven?Het is Carker de chef die daar in den leuningstoel zit. Een bonte papegaai, in eene als goud blinkende kooi op de tafel, plukt met zijn bek aan de traliën, enklautertten onderste boven er langs, en schudt geheel zijn huis en schreeuwt. Maar Carker let niet op den vogel, en ziet met een peinzenden glimlach naar een portret aan den wand tegenover hem.“Zeker eene buitengemeen toevallige gelijkenis,” zegt hij.Misschien is het eene Juno, misschien eene Potiphar’s vrouw, misschien eene preutsche nimf—naarmate de kunstkoopers den smaak der markt vonden, toen zij het stuk een naam gaven. Het is het afbeeldsel eener schoone vrouw, die zich omkeert, maar haar gezicht naar den toeschouwer gericht houdt en hem een vurigen en trotschen blik toewerpt.Het gelijkt naar Edith.Met eene vlugge beweging zijner hand naar de schilderij—wat! een dreigement? Neen; en toch iets dat er naar gelijkt. Een zegevierend wuiven? Neen; maar toch meer daarnaar gelijkend. Een beleedigend vrijpostige groet van zijne lippen toegeworpen? Neen; maar toch ook daarnaar gelijkende—gaat hij weder aan zijn ontbijt en roept den ongeduldigen en gekerkerden vogel, die naar een vergulden hoepel in zijne kooiklautert, gelijk een groote trouwring, en daarin voor zijn vermaak gaat zitten zwaaien.Het tweede huis staat aan den anderen kant vanLonden, daar waar de groote weg naar het noorden loopt, die voorheen zoo druk was en nu bijna geheel verlaten is, behalve door reizigers die te voet voortzwoegen. Het is een klein, armoedig huis, schraal gemeubileerd, maar net en zindelijk gehouden; en er zijn zelfs pogingen gedaan om het te versieren, gelijk uit de gemeene bloemen blijkt die tegen den muur en in het smalle tuintje groeien. De buurt, waarin het staat, heeft even weinig van het land als van de stad om haar aan te bevelen. Zij behoort ook noch tot de stad noch tot het land. De eerste, gelijk de reus met zijne reislaarzen, heeft een stap gedaan, is haar daarmede voorbijgekomen en heeft zijn hiel van kalk en steen veel verder vooruitgezet; maar de ruimte tusschen de voeten van den reus is nog maar bedorven land, en heeft nog niets van de stad; en hier, tusschen eenige hooge schoorsteenen, die nacht en dag rook uitbraken, en tusschen steenbakkerijen, en velden waar de graszoden zijn weggestoken, en de schuttingen omvallen en bestofte[235]brandnetels groeien, en waar men nog eenige overblijfselen van heggen kan zien en waar de vogelvanger nog somtijds komt, hoewel hij telkens zweert dat hij niet weer zal komen—is dit tweede huis te vinden.Zij, die het bewoont, is zij die het eerste uit gehechtheid aan een gevallen broeder verlaten heeft. Daarmede vertrok uit dat huis alles wat het waarlijk goeds en schoons had, en uit de borst van den meester zijn eenige engel; maar hoewel zijne genegenheid voor haar is verdwenen, sedert die ondankbare minachting, gelijk hij het begrijpt, en hij haar tot straf daarvoor verzaakt, kan hij het oude denkbeeld van haar toch niet geheel vergeten. Laat haar bloemtuin, waarin hij nooit een voet zet, maar die, onder al zijne kostbare veranderingen, toch nog eveneens wordt onderhouden alsof zij dien pas gisteren had verlaten, daarvan getuigen!Harriët Carker is sedert veranderd, en op hare schoonheid ligt eene zwaardere schaduw, dan de Tijd alleen, zoo alvermogend als hij is, kan werpen—de schaduw van kommer en zorg, en de dagelijksche worsteling van een armoedig leven. Maar het is toch nog schoonheid, en nog eene zachte, stille, zedige schoonheid, die opgezocht moet worden, daar zij niet kan pralen, en als zij dit doen kon, niet meer zijn zou wat zij is.Ja, die kleine, tengere gedaante, met dat geduldige gezichtje, net gekleed in geringe stoffen, en welke men niets aanziet dan die stille huiselijke deugden, die zoo weinig gemeen hebben met het aangenomene denkbeeld van heldhaftigheid en grootheid, of een straal daarvan moet door het leven van de grooten der aarde schijnen, en dan ziet men terstond dat dit licht van den hemel komt—die kleine tengere gedaante, leunende op dien man, nog jong, maar afgeleefd en grijs, zij is zijne zuster, die, alleen in de geheele wereld, tot hem overtrad in zijne schande, en hare hand in de zijne legde, en met lieftallige bedaardheid en beradenheid hem voortleidde op zijn barren weg.“Het is nog vroeg, John,” zeide zij. “Waarom gaat gij zoo vroeg?”—“Niet veel vroeger dan gewoonlijk, Harriët. Als ik tijd over heb zou ik gaarne, denk ik—het is eene gril van mij—het huis nog eens voorbijgaan waar ik afscheid van hem heb genomen.”—“Ik wenschte dat ik hem gezien of gekend had, John.”—“Beter zóó, lieve, om zijn lot denkende.”—“Maar dat zou mij niet erger kunnen spijten, al had ik hem gekend. Is uw leed niet het mijne? En als ik hem gekend had, zou ik misschien beter gezelschap voor u zijn als gij van hem spreekt, dan ik nu wel schijn.”—“Lieve zuster, is er iets, zoover blijdschap of droefheid kunnen gaan, waarvan ik niet zeker ben dat gij het met mij gevoelt en deelt?”—“Ik hoop dat gij van neen denkt, John, want er is waarlijk niets.”—“Hoe zoudt gij beter voor mij kunnen zijn, of mij nader wezen, dan gij hierin of in iets anders zijt?” zeide haar broeder. “Ik gevoel dat gij hem gekend hebt, Harriët, en mijn gevoel voor hem hebt gedeeld.”Zij sloeg de hand, die op zijn schouder had gelegen, om zijn hals, en zeide eenigszins aarzelend:“Neen, niet geheel.”—“Dat is waar,” zeide hij, “gij dacht dat ik hem geen kwaad zou hebben gedaan, al had ik mij zelven toegelaten om nader kennis met hem te maken.”—“Dacht! Ik wist het zeker.”—“Met opzet, weet de hemel, zou ik het niet gedaan hebben,” antwoordde hij, treurig zijn hoofd schuddende, “maar zijn goede naam was te kostbaar om door zulk een omgang in de waagschaal te stellen. Hetzij gij dat toegeeft of niet, lieve—”—“Dat doe ik niet,” zeide zij kalm.—“Het is toch de waarheid, Harriët, en mijn hart is nu lichter, als ik aan hem denk, juist door datgene wat het toen zooveel te zwaarder maakte.” Hij dwong zich om zijn zwaarmoedigen toon af te leggen, en zag haar glimlachend aan toen hij zeide: “Goedendag nu!”—“Goedendag, beste John. Van avond zal ik u op den gewonen tijd te gemoet komen. Goedendag!”Het hartelijke gezichtje, dat zij naar hem ophief om te laten kussen, was zijn leven, zijn alles, en toch was het een gedeelte van zijne straf en zijn leed; want in de wolk die hij daarop zag—schoon zoo helder als eenig stralend wolkje bij ondergaande zon—en in de standvastige trouw van haar leven, en in de opoffering van genot, gemak en hoop, die zij gebracht had, zag hij de bittere vruchten zijner oude misdaad altijd versch en rijp voor zich.Zij stond hem aan de deur na te zien, met de handen los over elkander, terwijl hij over de ongelijke, modderige plek gronds stapte, die voor hun huis lag. De plek was voorheen (niet lang geleden) eene groene weide geweest, maar was nu eene wildernis, waar de beginselen van geringe huisjes uit den grond begonnen op te schieten alsof eene ongeregelde hand ze gezaaid had. Wanneer hij omkeek, gelijk hij een paar malen deed, straalde haar hartelijk gezichtje als een licht in zijn hart; maar wanneer hij voortstapte en haar niet zag, stonden er tranen in hare oogen zoolang zij hem nakeek.Zij bleef niet lang ledig aan de deur staan peinzen. Er waren dagelijksche plichten te vervullen, er was dagelijksch werk te doen—want zulke alledaagsche wezens, die niet heldhaftig zijn, werken dikwijls zwaar met hunne handen—en Harriët was weldra druk aan hare huiselijke bezigheden. Toen deze waren afgedaan en het armoedige huisje net in orde was, telde zij met een bekommerd gezichtje haar[236]geringen voorraad van geld, en ging nadenkend uit om eenige benoodigdheden voor hunne tafel te koopen, onderweg verzinnende hoe zij daarop iets zou kunnen bezuinigen. Zoo gemeen is het leven van zulke lage wezens, die niet slechts niet heldhaftig zijn voor hunne kamerdienaren en kameniers, maar zelfs geene kamerdienaren of kameniers hebben om heldhaftig te wezen!Terwijl zij afwezig en er niemand in huis was, naderde er van een anderen kant dan haar broeder was opgegaan, een heer, die misschien reeds eenigszins over het best van zijn leven was, maar eene gezonde, blozende kleur, eene rechte houding en een helder uitzicht had, dat goedhartigheid en welwillendheid aanduidde. Zijne wenkbrauwen waren nog zwart, en het meeste van zijn haar was dit ook nog; het daar tusschen gesprenkelde grijs stond hem zelfs goed, daar het zijne zwarte wenkbrauwen, zijn open voorhoofd en zijne heldere oogen beter deed uitkomen.Toen hij eens aan de deur had geklopt en geen antwoord gekregen, zette deze heer zich op eene bank onder het afdak om te wachten. Zekere vlugge beweging van zijne vingers, terwijl hij eenige regels neuriede en op de bank naast hem de maat sloeg, scheen den muzikant aan te duiden, en het buitengemeene genoegen waarmede hij iets neuriede, dat zeer langzaam en lang was en waarin men geene wijs kon herkennen, scheen te toonen dat hij een geleerde in de muziek was.Deze heer neuriede nog een thema, dat al rond en rond scheen te draaien, en zich in zich zelf in te winden, gelijk een kurketrekker, dien men op de tafel laat tollen, zonder dichter bij iets te komen, toen Harriët weder in de verte aankwam. Hij stond op toen zij naderde, en bleef blootshoofds wachten.“Gij zijt teruggekomen, mijnheer!” zeide zij haperend.—“Ik neem nog eens die vrijheid,” antwoordde hij. “Mag ik u vijf minuten verzoeken, als gij tijd hebt?”Na een oogenblik aarzelens opende zij de deur en liet hem in het voorkamertje. Hij zette zich neer, schoof zijn stoel bij de tafel tegen haar over, en zeide, met eene stem die volkomen met zijn voorkomen strookte, en met eene eenvoudigheid die waarlijk innemend was:“Jufvrouw Harriët, gij kunt toch niet trotsch wezen. Gij hebt mij, toen ik laatst hier was, gezegd dat gij dat waart. Neem mij niet kwalijk, als ik zeg dat ik u in uw gezicht keek onder het spreken, en dat dit u tegensprak. Nu zie ik u nog eens in het gezicht,” daarbij legde hij even zijne hand op haar arm, “en het spreekt u meer en meer tegen.”Zij was eenigszins verlegen en ontroerd, en had niet dadelijk een antwoord gereed.“Het is een spiegel van oprechtheid en zachtaardigheid,” zeide hij. “Verschooning dat ik daarop vertrouw en nog eens terugkom.”De manier, waarop hij dit zeide, ontdeed zijne gezegden geheel en al van den aard van complimenten. Hij sprak zoo eenvoudig, ernstig, ongemaakt en oprecht, dat zij haar hoofd boog, als ware het om hem te bedanken en zijne oprechtheid te erkennen.“Het verschil tusschen onze jaren,” zeide hij, “en de duidelijkheid van mijn oogmerk, geven mij, tot mijn genoegen, vrijheid om mijn gevoelen te zeggen. Dat is nu mijn gevoelen, en dus ziet ge mij nog eens hier.”—“Er is een soort van trots, mijnheer,” antwoordde zij, na een oogenblik stilzwijgens, “of wat men voor trots kan houden, die enkel plicht is. Ik hoop dat ik geene andere trotschheid heb.”—“Voor u zelve,” zeide hij.—“Voor mij zelve.”—“Maar—neem mij niet kwalijk—voor uw broeder John?”—“Ik ben trotsch op zijne liefde,” zeide Harriët, haar bezoeker aanziende en geheel van toon veranderende—niet dat zij minder kalm en zacht bleef, maar zij sprak met een vurigen ernst, welke zelfs de beving in hare stem tot een deel van hare standvastigheid maakte, “en trotsch op hem zelven. Gij, mijnheer, die zoo zonderling de geschiedenis van zijn leven kent, en mij die hebt laten hooren, toen gij de vorige maal hier waart …”—“Alleen om uw vertrouwen te winnen,” viel hij er op in. “Om ’s hemels wil, denk niet …”—“Ik ben overtuigd,” zeide zij, “dat ge mij die met een goed en welwillend oogmerk hebt laten hooren. Daarvan ben ik volkomen overtuigd.”—“Ik dank u,” zeide haar bezoeker, haar haastig de hand drukkende, “ik ben u zeer verplicht. Gij laat mij recht wedervaren, dat verzeker ik u. Gij wildet zeggen, dat ik, die de geschiedenis van John Carker’s leven weet.…”—“Het voor trots van mij kunt houden,” vervolgde zij, “als ik zeg dat ik trotsch op hem ben. Maar dat ben ik toch. Gij weet dat er eens een tijd bestond, toen ik dat niet was—toen ik dat niet kon wezen—maar die is voorbij. De nederigheid van vele jaren, de bereidwillige boete, het oprechte berouw, de vreeselijke spijt, de smart die ik weet dat zelfs mijne genegenheid hem veroorzaakt, die hij denkt dat mij duur te staan komt, schoon de hemel weet dat ik gelukkig ben, volkomen gelukkig zou zijn, als hij niet ongelukkig was!—o mijnheer, laat ik, na hetgeen ik gezien heb, u bezweren, als gij eenig gezag of invloed hebt en ooit verongelijkt wordt, leg nooit voor eenig kwaad eene straf op die niet herroepen kan worden, terwijl er een God boven ons is, die veranderingen kan bewerken in een hart dat zijn maaksel is!”—“Uw broeder is een veranderd mensch,” antwoordde hij medelijdend. “Ik verzeker u dat ik daaraan niet twijfel.”—“Hij was een veranderd mensch toen hij kwaad deed,” zeide Harriët. “Hij is weder een veranderd mensch, en hij is nu in[237]zijn waar karakter, geloof mij, mijnheer.”—“Maar wij,” zeide de vreemdeling, verstrooid zijn voorhoofd wrijvende, en toen peinzend op de tafel trommelende, “leven van dag tot dag in onzen ouden sleur voort, en kunnen die veranderingen niet waarnemen of volgen. Zij zijn boven ons begrip. Wij—wij hebben er geen tijd voor. Wij—wij hebben er den moed niet toe. Het wordt ons op school niet geleerd, en wij weten niet hoe het aan te vangen. Kortom, wij zijn zoo verduiveld koopmanachtig,” zeide hij, ging naar het venster, kwam terug en ging weder zitten, zeer ontstemd en ontevreden. “Ik ben zeker,” zeide hij, wederom zijn voorhoofd wrijvende en op de tafel trommelende, “ik heb goede reden om te gelooven dat een eentonig leven, hetzelfde van dag tot dag, iemand met alles zou kunnen verzoenen. Men ziet niets, men hoort, men weet niets; en zoo gaat het. Wij nemen alles zoo maar aan, en zoo gaan wij voort, tot wij al wat wij doen, goed, kwaad en onverschillig, alleen maar uit gewoonte doen. Gewoonte is al wat ik zal hebben in te brengen, als ik op mijn sterfbed voor mijn geweten zal moeten pleiten. “Gewoonte,” zeg ik dan. “Ik was doof, stom, blind en lam voor een millioen dingen, uit gewoonte.” “Heel koopmanachtig, mijnheer,”zegt het geweten, “maar dat geldt hier niet!””Hij stond op en ging weder naar het venster en terug, ernstig ongerust, hoewel hij zijne ongerustheid op zulk eene eigenaardige en zonderlinge manier te kennen gaf.“Jufvrouw Harriët,” zeide hij, zich weder zettende, “ik wenschte dat gij mij u woudt laten dienst doen. Zie mij aan! ik behoor er nu oprecht uit te zien, want ik weet dat ik het ben. Doe ik het?”—“Ja,” antwoordde zij met een glimlach.—“Ik geloof ieder woord dat gij gezegd hebt,” hervatte hij. “Ik ben vol zelfverwijt dat ik dit had kunnen weten en zien, en u had kunnen kennen en zien, wanneer ik maar wilde, deze tien jaren, en dat ik het nooit heb gedaan. Ik weet haast niet hoe ik ooit hier gekomen ben—slaaf als ik ben, niet alleen van mijne eigene gewoonten, maar ook van die van anderen! Maar nu ik hier gekomen ben, laat mij nu ook iets doen. Ik vraag het met alle achting en eerbied. Ik gevoel beide voor u in de hoogste mate. Laat mij iets doen.”—“Wij zijn tevreden, mijnheer.”—“Neen, neen, niet geheel en al,” hernam hij. “Niet geheel en al, denk ik. Er zijn nog wel eenige kleine gemakken en genoegens die uw leven konden veraangenamen, en het zijne. En het zijne,” herhaalde hij, zich verbeeldende dat hij eenigen indruk op haar gemaakt had. “Ik ben gewoon geweest te denken dat er niets voor hem behoefde gedaan te worden, dat alles was gelijk het wezen moest, kortom, om er geheel niet over te denken. Ik ben nu veranderd. Laat mij iets voor hem doen. Gij ook,” zeide hij met kiesche schroomvalligheid, “moet om zijnentwil voor uwe gezondheid zorgen, en ik vrees dat die begint te verzwakken.”—“Wie gij ook wezen moogt, mijnheer,” antwoordde Harriët, hare oogen naar hem opslaande, “ik ben u innig dankbaar. Ik ben overtuigd, dat gij met al wat gij zegt geen ander oogmerk hebt dan welwillendheid voor ons. Maar jaren zijn verloopen sedert wij dit leven begonnen; en mijn broeder iets te ontnemen van datgene wat hem mij zoo dierbaar heeft gemaakt en zijn vast besluit tot verbetering heeft bewezen—het minste van de verdienste zijner stille, vergetene boete—zou zijn den troost te verminderen die het voor ons wezen zal, wanneer voor ons beiden de tijd komt, waarvan gij gesproken hebt. Ik dank u beter met deze tranen dan met woorden. Geloof dat, bid ik u.”Hij was ontroerd, en bracht de hand, die zij hem toereikte, aan zijne lippen, omtrent gelijk een vader de hand van eene goede dochter zou kussen, maar met eerbied.“Als ooit de dag mocht komen,” zeide Harriët “dat hij, maar gedeeltelijk, hersteld wordt in de positie die hij verloren heeft …”—“Hersteld!” riep de vreemdeling snel uit. “Hoe kan men dat hopen? Wie heeft de macht tot zulk eene herstelling in handen? Ik vergis mij zeker niet als ik denk dat de onwaardeerbare zegening die hij hier heeft medegenomen, eene voorname reden is van de haatdragendheid, die zijn broeder hem toont.”—“Gij spreekt daar van iets dat door ons nooit wordt aangeroerd; zelfs tusschen ons niet,” zeide Harriët.—“Ik verzoek u verschooning,” zeide hij. “Dat had ik moeten weten. Vergeef mij dat ik het onbedacht gedaan heb. En nu, daar ik niet meer durf dringen—en daar ik niet zeker ben of mij dat wel vrijstaat—schoon de Hemel weet, ook dat twijfelen kan wel eene gewoonte zijn,” zeide hij, even verdrietig als te voren zijn hoofd wrijvende, “laat ik, schoon een vreemdeling, en toch geen vreemdeling, u om twee gunsten mogen vragen.”—“Wat zijn die?” vroeg zij.—“De eerste, dat gij, als gij reden mocht zien om van besluit te veranderen, mij zult toelaten om zoo goed als uwe rechterhand te zijn. Mijn naam zal dan tot uw dienst wezen; hij is nu nutteloos en altijd onbeduidend.”—“Onze keus van vrienden,” antwoordde zij met een flauw glimlachje, “is zoo groot niet, dat ik tijd voor beraad noodig heb. Dit kan ik wel beloven.”—“De tweede, dat gij mij wilt vergunnen om somtijds, zeg elken maandagochtend om negen uur—wederom gewoonte—ik moet altijd de regelmatigheid van een koopman hebben,” zeide hij, met eene luimige neiging om dit zich zelven kwalijk te nemen,[238]“u, als ik voorbijwandel, aan de deur of voor het venster te zien. Ik vraag niet om binnen te komen, daar uw broeder op dat uur uit zal zijn. Ik vraag niet om u te spreken. Ik vraag alleen om u te zien, tot mijne eigene geruststelling dat gij wel vaart, en om u, zonder indringendheid, door mijn gezicht te herinneren dat gij een vriend hebt—een bejaard vriend, die al grijze haren heeft en spoedig geheel grijs zal worden—over wien gij altijd kunt beschikken.”Het hartelijk gezichtje zag naar het zijne op, vertrouwde en beloofde.“Ik begrijp, gelijk te voren,” zeide de vreemdeling, opstaande, “dat gij niet voornemens zijt om mijn bezoek aan John Carker mede te deelen, opdat mijne bekendheid met zijne geschiedenis hem geene onaangenaamheid zou veroorzaken. Ik ben blijde daarom, want het is buiten den gewonen regel—al weder gewoonte!” zeide hij zich zelven ongeduldig in de rede vallende; “alsof men niet beter kon doen dan den gewonen regel volgen!”Daarmede keerde hij zich om, ging blootshoofds tot buiten de voordeur, en nam afscheid van haar met zulk eene gelukkige mengeling van ongedwongen eerbied en ongeveinsde belangstelling, als geene kunstmatige beschaving had kunnen leeren, geen ander dan een rein en oprecht hart had kunnen uitdrukken, en die dan ook door geen oprecht hart kon gewantrouwd worden.Vele half vergetene aandoeningen werden door dit bezoek in het gemoed der zuster opgewekt. Het was zoolang geleden dat er een ander bezoek over hun drempel was gekomen; het was zoolang geleden dat eene stem van sympathie hare ooren eene weemoedige muziek had laten hooren; dat de gedaante des vreemdelings nog uren lang voor haar bleef, terwijl zij met haar naaiwerk voor het venster zat, en zijne woorden nogmaals en nogmaals opnieuw schenen gesproken te worden. Hij had de springveder aangeraakt, die geheel haar leven opende, en als zij hem eene korte poos vergat, was het alleen onder de vele vormen der ééne groote herinnering waaruit dat leven bestond.Beurtelings peinzende en werkende; zich nu dwingende om een langen tijd achtereen stipt aan het naaien te blijven, dan haar werk op haar schoot latende zinken, terwijl hare gedachten dwaalden waarheen zij wilden, bevond Harriët Carker dat de uren onopgemerkt voorbijvlogen. Later op den dag werd de lucht, die helder geweest was, betrokken; er stak een scherpe wind op, het begon te regenen, en een donkere mist verborg de afgelegene stad voor het gezicht.Dikwijls zag zij op zulk een tijd met medelijden naar de arme vermoeide voetreizigers, die langs den grooten weg dichtbij naarLondentrokken, en vreesachtig naar de reusachtige stad, die voor hen lag, uitkeken, als met een voorgevoel dat hunne ellende daar slechts gelijk een droppel water in de zee, of gelijk eene zandkorrel op het zeestrand zou zijn, en dan huiverend voortstapten, voor het gure weder in elkander duikende, terwijl het scheen alsof zelfs de elementen hun vijandig waren. Dag aan dag kropen er zulke reizigers voorbij, maar altijd, naar zij dacht, in ééne richting—altijd naar de stad. Verzwolgen in hare onmetelijkheid, waarheen zij door de toovermacht der wanhoop schenen te worden voortgestuwd, kwamen zij nooit terug. Voedsel voor de hospitalen, de kerkhoven, de gevangenissen, de rivier, voor koorts, razernij, ondeugd en dood—werden zij aangetrokken door het monster, dat in de verte brulde, en waren verloren.De gure wind huilde, de regen kletterde, de lucht was donker betrokken, toen Harriët, hare oogen van haar werk opslaande, waarop zij weder langen tijd standvastig had zitten turen, een dezer reizigers zag aankomen.Eene vrouw. Eene eenzame vrouw van ongeveer dertig jaren, rijzig, welgevormd, met fraaie trekken, ellendig gekleed. De grond van velerlei landwegen bij afwisselend weder—stof, kalk, klei en zand—kleefde aan haar druipenden mantel. Geen hoed op het hoofd; niets om hare welige zwarte haren voor den regen te beschermen, dan een gescheurden zakdoek, met welks fladderende slippen en met hare eigene haren de wind haar zoodanig verblindde, dat zij dikwijls moest stilstaan om ze weg te strijken en uit te zien welken weg zij ging.Zij deed dit juist weder, toen Harriët haar opmerkte. Toen hare handen, op haar door de zon gebruind voorhoofd samengevoegd, over haar gezicht streken, en de belemmeringen, die het half bedekten, wegveegden, vertoonde het eene roekeloos trotsche, achtelooze schoonheid; eene onverschrokkene, woeste onverschilligheid voor meer dan het weder; eene minachting voor alles wat hemel of aarde op haar hoofd mocht werpen; en dit, met hare ellende en eenzaamheid, trof het vrouwelijk hart van Harriët. Zij dacht aan alles wat in haar binnenste, evenzeer als in haar uiterlijk, bedorven en verbasterd moest wezen; aan de zachte sieraden van het gemoed, verhard en verstaald gelijk die lichamelijke bekoorlijkheden; aan de vele gaven van den Schepper, in den wind geslingerd gelijk dat woeste haar; aan de geheele schoone ruïne, die door den storm geteisterd werd en waarover de nacht nederdaalde.Hieraan denkende, keerde zij zich niet met kiesche verontwaardiging af—gelijk menigeen van hare teedere, gevoelvolle sekse maar al te dikwijls doet—maar kreeg medelijden met haar.Hare gevallene zuster kwam nader. Zij keek[239]ver voor zich uit, alsof zij met hare oogen door den nevel poogde te dringen, die de stad bedekte, en wierp nu en dan een blik links en rechts met het twijfelachtige, verbijsterde gezicht eener vreemde. Hoewel haar tred nog fier was, was zij toch vermoeid, en na een oogenblik van besluiteloosheid, zette zij zich op een hoop steenen neer, zonder eene schuilplaats voor den regen te zoeken.Zij was nu vlak tegenover het huis. Haar hoofd opheffende, nadat zij het eene korte poos in hare handen had laten rusten, ontmoetten hare oogen die van Harriët.In een oogenblik was Harriët aan de deur. Op haar wenken stond de andere op en kwam naar haar toe, maar met geen gezicht alsof zij haar voor zich wilde innemen.“Waarom gaat gij in den regen zitten rusten?” zeide Harriët vriendelijk.—“Omdat ik geene andere plaats heb,” was het antwoord.—“Maar er zijn hier toch plaatsen genoeg om te schuilen. Dit,” de schuilplaats onder het afdakje bedoelende, “is beter dan waar gij waart gaan zitten. Gij moogt hier vrij zitten uitrusten.”De zwervelinge zag haar aan, met twijfel en verwondering, maar zonder eenige dankbaarheid te laten blijken, zette zich neer, trok een van hare versletene schoenen uit, om er het zand en steengruis uit te slaan dat er in was, en liet zoo zien dat haar voet gekwetst was en bloedde.Harriët kon dit niet zien zonder eene uitroeping van medelijden. De zwervelinge zag met een verachtelijken en ongeloovigen glimlach naar haar op.“Wel, wat is een kapotte voet voor iemand als ik?” zeide zij. “En wat is een kapotte voet van iemand als ik, voor iemand als gij?”—“Kom binnen om hem af te wasschen,” zeide Harriët zachtzinnig, “en laat ik u iets geven om hem te verbinden.”De vrouw vatte haar arm, en dien voor hare eigene oogen houdende, om ze te verbergen, barstte zij in tranen uit. Zij schreide niet gelijk eene vrouw, maar gelijk een hardvochtig man, die zich door zulk eene zwakheid laat verrassen; met een geweldig zwoegen van hare borst en een worstelen om zich te bedwingen, waaruit bleek hoe ongewoon zulk eene aandoening bij haar was.Zij liet zich in huis brengen, en blijkbaar meer uit dankbaarheid dan omdat zij iets om zich zelve gaf, wiesch en verbond zij de gewonde plek. Daarop zette Harriët haar het overschot van haar eigen karig middagmaal voor, en toen de vrouw daarvan gegeten had (maar spaarzaam), verzocht zij haar om, eer zij haar weg voortzette (hetgeen zij terstond wilde doen) hare kleeren voor het vuur te drogen. Wederom meer uit dankbaarheid dan omdat zij zich eenigszins om zich zelve bekommerde, zette zij zich voor den haard, en den doek om haar hoofd losmakende, liet zij hare dikke natte haren tot beneden haar middel afvallen, droogde ze met hare handpalmen af, en zat in de vlam te staren.“Gij zult zeker wel denken,” zeide zij, eensklaps haar hoofd opheffende, “dat ik eens mooi moet zijn geweest. Dat geloof ik ook—ik weet het. Zie hier!”Zij hield hare haren ruw met beide handen omhoog, ze aanvattende alsof zij ze wilde uitrukken, en smeet ze weder naar achteren alsof het een hoop kronkelende slangen was.“Zijt gij hier vreemd?” zeide Harriët.—“Vreemd!” antwoordde zij, tusschen ieder kort gezegde ophoudende, en naar het vuur kijkende. “Ja. Tien of twaalf jaren lang vreemd. Ik heb geen almanak gehad waar ik geweest ben. Tien of twaalf jaren. Ik ken deze streek niet meer. Zij is veel veranderd sedert ik heenging.”—“Zijt ge ver geweest?”—“Heel ver. Maanden aan maanden over zee, en toen nog heel ver. Ik ben geweest waar gecondemneerden heengaan,” voegde zij er bij, hare gastvrouw strak aanziende. “Ik ben er zelf een geweest.”—“De hemel helpe u en vergeve u!” was het zachte antwoord.—“Ja! de hemel mag mij wel helpen en vergeven!” antwoordde zij, met haar hoofd naar het vuur knikkende. “Als de menschen sommigen van ons wat meer wilden helpen, zou God ons allen misschien des te eerder vergeven.”Zij liet zich echter verzachten door het hartelijke gezichtje, dat haar zoo vriendelijk en vrij van alle veroordeeling aanzag, en zeide met minder hardvochtigheid:“Wij zullen misschien haast even oud zijn, gij enik. Of als ik ouder ben is het niet meer dan een jaar of twee. O, denk daar eens aan!”Zij sloeg hare armen open als moest hare uitwendige gedaante toonen hoe ellendig diep verzonken zij ook in het zedelijke was, liet ze toen weder neervallen en te gelijk haar hoofd op de borst zinken.“Er is niets dat men niet mag hopen te herstellen; het is nooit te laat om zich te verbeteren,” zeide Harriët. “Gij zijt boetvaardig …”—“Neen,” antwoordde zij. “Dat ben ik niet. Dat kan ik niet zijn. Dat ben ik geheel niet. Waarom zouikboetvaardig wezen, en alle anderen vrijloopen. Zij praten mij van boetvaardigheid en berouw. Wie heeft er berouw over het kwaad dat mij gedaan is!”Zij stond op, bond den doek om haar hoofd en wilde gaan.“Waar gaat gij naar toe?” zeide Harriët.—“Daar naar toe,” antwoordde zij, met hare hand wijzende. “NaarLonden.”—“Hebt gij daar een thuis, waar gij naar toe kunt gaan?”—“Ik geloof dat ik eene moeder heb. Zij is evenveel eene moeder als hare woning een thuis is,” antwoordde zij met een bitteren lach.—“Neem dit nog,” zeide Harriët, haar eenig[240]geld in de hand stoppende. “Doe uw best. Het is heel weinig, maar een dag lang kan het u toch wel voor kwaad bewaren.”—“Zijt gij getrouwd?” zeide de vrouw flauw, terwijl zij het geld aannam.—“Neen. Ik woon hier met mijn broeder. Wij hebben niet veel te missen, of ik zou u meer geven.”—“Wilt gij mij u een kus laten geven?”Geene verachting of tegenzin op haar gezichtje lezende, boog het voorwerp harer liefdadigheid zich over haar heen en drukte hare lippen op hare wang. Nogmaals vatte zij haar arm en bedekte hare oogen daarmede, en toen was zij verdwenen.Verdwenen in de toenemende duisternis, in den loeienden wind en den kletterenden regen; verder op haar weg naar de in nevel gehulde stad, waar de schemerende lichten schenen; met hare zwarte haren en slordig hoofddeksel, dat om haar roekeloos stoutmoedig gezicht fladderde.

XXXIII.CONTRASTEN.

Vestigen wij de oogen eens op twee huizen, niet naast elkander, maar ver van elkander af, schoon beide op geringen afstand van de groote stad en gemakkelijk uit deCityte bereiken.Het eerste staat in eene groene, boomrijke streek bijNorwood. Het is geen deftig gebouw, en niet zeer groot; maar de geheele aanleg is zeer smaakvol en alles is uitmuntend in orde gehouden. Het zacht afhellende grasperk, de bloemtuin, de boomgroepen, waarin de sierlijke vormen van esschen en treurwilgen niet ontbreken, de oranjerie, de rustieke veranda, waar geurige slingerplanten tegen de pilaren opgroeien, het eenvoudige huis, de welingerichte bijgebouwen, schoon allen zoo klein als op zulk een buitentje behoort, dat den naam van hutje (cottage) draagt; alles belooft ook van binnen zooveel smaak en gemak als voor een paleis zouden kunnen volstaan. Deze belofte blijft niet onvervuld, want het inwendige van het huis draagt evenveel blijken van weelde als van fijne beschaving. Overal ontmoet het oog fraaie kleuren, op het schoonst aan elkander gepaard, zoowel aan de meubelen, die uitmuntend bij de fatsoenen en afmetingen der kleine vertrekken passen, als op de wanden en de vloeren, zelfs in het licht dat gekleurd en gematigd door de vensters en glazendeuren schijnt. Er zijn ook eenige uitgezochte schilderijen en prenten; in fraaie kasten, hier en daar in een verloren hoek gezet, ontbreekt het niet aan boeken; benoodigdheden voor spelen van kunst of kans staan gereed—schaakstukken, dobbelsteenen, een triktrakbord, kaarten en een biljart.En toch, bij dien overvloed van weelde en gemak, heeft het algemeene voorkomen iets dat niet deugt. Is het dat de tapijten en kussens al te zacht zijn en het geluid te veel dooven, zoodat zij, die er over gaan of er op rusten, dit tersluiks schijnen te doen? Is het omdat de prenten en schilderijen geene groote daden of gedachten vertegenwoordigen, of de poëzie der natuur in landschappen, prachtgebouwen of hutten teruggeven, maar allen van dezelfde weelderige soort zijn—een pronken met vormen en kleuren, anders niet? Is het omdat de boeken al hun goud van buiten hebben, en de titels der meesten ze reeds met de schilderijen en prenten op dezelfde lijn plaatsen? Is het omdat de schoonheid en de volledigheid van het geheel hier en daar belogen wordt door eene vertooning van nederigheid in een of ander onbelangrijk en onkostbaar opzicht; eene vertooning, even valsch als het gezicht van het maar al te goed getroffen portret dat daar hangt, of als het origineel dat daaronder in zijn leuningstoel zit te ontbijten? Of is het omdat dit origineel, dat hier van alles meester is, met zijn dagelijkschen adem een gedeelte van zich zelven heeft gewasemd, hetgeen alles om hem heen een onbestemden zweem van zijn eigen karakter heeft gegeven?Het is Carker de chef die daar in den leuningstoel zit. Een bonte papegaai, in eene als goud blinkende kooi op de tafel, plukt met zijn bek aan de traliën, enklautertten onderste boven er langs, en schudt geheel zijn huis en schreeuwt. Maar Carker let niet op den vogel, en ziet met een peinzenden glimlach naar een portret aan den wand tegenover hem.“Zeker eene buitengemeen toevallige gelijkenis,” zegt hij.Misschien is het eene Juno, misschien eene Potiphar’s vrouw, misschien eene preutsche nimf—naarmate de kunstkoopers den smaak der markt vonden, toen zij het stuk een naam gaven. Het is het afbeeldsel eener schoone vrouw, die zich omkeert, maar haar gezicht naar den toeschouwer gericht houdt en hem een vurigen en trotschen blik toewerpt.Het gelijkt naar Edith.Met eene vlugge beweging zijner hand naar de schilderij—wat! een dreigement? Neen; en toch iets dat er naar gelijkt. Een zegevierend wuiven? Neen; maar toch meer daarnaar gelijkend. Een beleedigend vrijpostige groet van zijne lippen toegeworpen? Neen; maar toch ook daarnaar gelijkende—gaat hij weder aan zijn ontbijt en roept den ongeduldigen en gekerkerden vogel, die naar een vergulden hoepel in zijne kooiklautert, gelijk een groote trouwring, en daarin voor zijn vermaak gaat zitten zwaaien.Het tweede huis staat aan den anderen kant vanLonden, daar waar de groote weg naar het noorden loopt, die voorheen zoo druk was en nu bijna geheel verlaten is, behalve door reizigers die te voet voortzwoegen. Het is een klein, armoedig huis, schraal gemeubileerd, maar net en zindelijk gehouden; en er zijn zelfs pogingen gedaan om het te versieren, gelijk uit de gemeene bloemen blijkt die tegen den muur en in het smalle tuintje groeien. De buurt, waarin het staat, heeft even weinig van het land als van de stad om haar aan te bevelen. Zij behoort ook noch tot de stad noch tot het land. De eerste, gelijk de reus met zijne reislaarzen, heeft een stap gedaan, is haar daarmede voorbijgekomen en heeft zijn hiel van kalk en steen veel verder vooruitgezet; maar de ruimte tusschen de voeten van den reus is nog maar bedorven land, en heeft nog niets van de stad; en hier, tusschen eenige hooge schoorsteenen, die nacht en dag rook uitbraken, en tusschen steenbakkerijen, en velden waar de graszoden zijn weggestoken, en de schuttingen omvallen en bestofte[235]brandnetels groeien, en waar men nog eenige overblijfselen van heggen kan zien en waar de vogelvanger nog somtijds komt, hoewel hij telkens zweert dat hij niet weer zal komen—is dit tweede huis te vinden.Zij, die het bewoont, is zij die het eerste uit gehechtheid aan een gevallen broeder verlaten heeft. Daarmede vertrok uit dat huis alles wat het waarlijk goeds en schoons had, en uit de borst van den meester zijn eenige engel; maar hoewel zijne genegenheid voor haar is verdwenen, sedert die ondankbare minachting, gelijk hij het begrijpt, en hij haar tot straf daarvoor verzaakt, kan hij het oude denkbeeld van haar toch niet geheel vergeten. Laat haar bloemtuin, waarin hij nooit een voet zet, maar die, onder al zijne kostbare veranderingen, toch nog eveneens wordt onderhouden alsof zij dien pas gisteren had verlaten, daarvan getuigen!Harriët Carker is sedert veranderd, en op hare schoonheid ligt eene zwaardere schaduw, dan de Tijd alleen, zoo alvermogend als hij is, kan werpen—de schaduw van kommer en zorg, en de dagelijksche worsteling van een armoedig leven. Maar het is toch nog schoonheid, en nog eene zachte, stille, zedige schoonheid, die opgezocht moet worden, daar zij niet kan pralen, en als zij dit doen kon, niet meer zijn zou wat zij is.Ja, die kleine, tengere gedaante, met dat geduldige gezichtje, net gekleed in geringe stoffen, en welke men niets aanziet dan die stille huiselijke deugden, die zoo weinig gemeen hebben met het aangenomene denkbeeld van heldhaftigheid en grootheid, of een straal daarvan moet door het leven van de grooten der aarde schijnen, en dan ziet men terstond dat dit licht van den hemel komt—die kleine tengere gedaante, leunende op dien man, nog jong, maar afgeleefd en grijs, zij is zijne zuster, die, alleen in de geheele wereld, tot hem overtrad in zijne schande, en hare hand in de zijne legde, en met lieftallige bedaardheid en beradenheid hem voortleidde op zijn barren weg.“Het is nog vroeg, John,” zeide zij. “Waarom gaat gij zoo vroeg?”—“Niet veel vroeger dan gewoonlijk, Harriët. Als ik tijd over heb zou ik gaarne, denk ik—het is eene gril van mij—het huis nog eens voorbijgaan waar ik afscheid van hem heb genomen.”—“Ik wenschte dat ik hem gezien of gekend had, John.”—“Beter zóó, lieve, om zijn lot denkende.”—“Maar dat zou mij niet erger kunnen spijten, al had ik hem gekend. Is uw leed niet het mijne? En als ik hem gekend had, zou ik misschien beter gezelschap voor u zijn als gij van hem spreekt, dan ik nu wel schijn.”—“Lieve zuster, is er iets, zoover blijdschap of droefheid kunnen gaan, waarvan ik niet zeker ben dat gij het met mij gevoelt en deelt?”—“Ik hoop dat gij van neen denkt, John, want er is waarlijk niets.”—“Hoe zoudt gij beter voor mij kunnen zijn, of mij nader wezen, dan gij hierin of in iets anders zijt?” zeide haar broeder. “Ik gevoel dat gij hem gekend hebt, Harriët, en mijn gevoel voor hem hebt gedeeld.”Zij sloeg de hand, die op zijn schouder had gelegen, om zijn hals, en zeide eenigszins aarzelend:“Neen, niet geheel.”—“Dat is waar,” zeide hij, “gij dacht dat ik hem geen kwaad zou hebben gedaan, al had ik mij zelven toegelaten om nader kennis met hem te maken.”—“Dacht! Ik wist het zeker.”—“Met opzet, weet de hemel, zou ik het niet gedaan hebben,” antwoordde hij, treurig zijn hoofd schuddende, “maar zijn goede naam was te kostbaar om door zulk een omgang in de waagschaal te stellen. Hetzij gij dat toegeeft of niet, lieve—”—“Dat doe ik niet,” zeide zij kalm.—“Het is toch de waarheid, Harriët, en mijn hart is nu lichter, als ik aan hem denk, juist door datgene wat het toen zooveel te zwaarder maakte.” Hij dwong zich om zijn zwaarmoedigen toon af te leggen, en zag haar glimlachend aan toen hij zeide: “Goedendag nu!”—“Goedendag, beste John. Van avond zal ik u op den gewonen tijd te gemoet komen. Goedendag!”Het hartelijke gezichtje, dat zij naar hem ophief om te laten kussen, was zijn leven, zijn alles, en toch was het een gedeelte van zijne straf en zijn leed; want in de wolk die hij daarop zag—schoon zoo helder als eenig stralend wolkje bij ondergaande zon—en in de standvastige trouw van haar leven, en in de opoffering van genot, gemak en hoop, die zij gebracht had, zag hij de bittere vruchten zijner oude misdaad altijd versch en rijp voor zich.Zij stond hem aan de deur na te zien, met de handen los over elkander, terwijl hij over de ongelijke, modderige plek gronds stapte, die voor hun huis lag. De plek was voorheen (niet lang geleden) eene groene weide geweest, maar was nu eene wildernis, waar de beginselen van geringe huisjes uit den grond begonnen op te schieten alsof eene ongeregelde hand ze gezaaid had. Wanneer hij omkeek, gelijk hij een paar malen deed, straalde haar hartelijk gezichtje als een licht in zijn hart; maar wanneer hij voortstapte en haar niet zag, stonden er tranen in hare oogen zoolang zij hem nakeek.Zij bleef niet lang ledig aan de deur staan peinzen. Er waren dagelijksche plichten te vervullen, er was dagelijksch werk te doen—want zulke alledaagsche wezens, die niet heldhaftig zijn, werken dikwijls zwaar met hunne handen—en Harriët was weldra druk aan hare huiselijke bezigheden. Toen deze waren afgedaan en het armoedige huisje net in orde was, telde zij met een bekommerd gezichtje haar[236]geringen voorraad van geld, en ging nadenkend uit om eenige benoodigdheden voor hunne tafel te koopen, onderweg verzinnende hoe zij daarop iets zou kunnen bezuinigen. Zoo gemeen is het leven van zulke lage wezens, die niet slechts niet heldhaftig zijn voor hunne kamerdienaren en kameniers, maar zelfs geene kamerdienaren of kameniers hebben om heldhaftig te wezen!Terwijl zij afwezig en er niemand in huis was, naderde er van een anderen kant dan haar broeder was opgegaan, een heer, die misschien reeds eenigszins over het best van zijn leven was, maar eene gezonde, blozende kleur, eene rechte houding en een helder uitzicht had, dat goedhartigheid en welwillendheid aanduidde. Zijne wenkbrauwen waren nog zwart, en het meeste van zijn haar was dit ook nog; het daar tusschen gesprenkelde grijs stond hem zelfs goed, daar het zijne zwarte wenkbrauwen, zijn open voorhoofd en zijne heldere oogen beter deed uitkomen.Toen hij eens aan de deur had geklopt en geen antwoord gekregen, zette deze heer zich op eene bank onder het afdak om te wachten. Zekere vlugge beweging van zijne vingers, terwijl hij eenige regels neuriede en op de bank naast hem de maat sloeg, scheen den muzikant aan te duiden, en het buitengemeene genoegen waarmede hij iets neuriede, dat zeer langzaam en lang was en waarin men geene wijs kon herkennen, scheen te toonen dat hij een geleerde in de muziek was.Deze heer neuriede nog een thema, dat al rond en rond scheen te draaien, en zich in zich zelf in te winden, gelijk een kurketrekker, dien men op de tafel laat tollen, zonder dichter bij iets te komen, toen Harriët weder in de verte aankwam. Hij stond op toen zij naderde, en bleef blootshoofds wachten.“Gij zijt teruggekomen, mijnheer!” zeide zij haperend.—“Ik neem nog eens die vrijheid,” antwoordde hij. “Mag ik u vijf minuten verzoeken, als gij tijd hebt?”Na een oogenblik aarzelens opende zij de deur en liet hem in het voorkamertje. Hij zette zich neer, schoof zijn stoel bij de tafel tegen haar over, en zeide, met eene stem die volkomen met zijn voorkomen strookte, en met eene eenvoudigheid die waarlijk innemend was:“Jufvrouw Harriët, gij kunt toch niet trotsch wezen. Gij hebt mij, toen ik laatst hier was, gezegd dat gij dat waart. Neem mij niet kwalijk, als ik zeg dat ik u in uw gezicht keek onder het spreken, en dat dit u tegensprak. Nu zie ik u nog eens in het gezicht,” daarbij legde hij even zijne hand op haar arm, “en het spreekt u meer en meer tegen.”Zij was eenigszins verlegen en ontroerd, en had niet dadelijk een antwoord gereed.“Het is een spiegel van oprechtheid en zachtaardigheid,” zeide hij. “Verschooning dat ik daarop vertrouw en nog eens terugkom.”De manier, waarop hij dit zeide, ontdeed zijne gezegden geheel en al van den aard van complimenten. Hij sprak zoo eenvoudig, ernstig, ongemaakt en oprecht, dat zij haar hoofd boog, als ware het om hem te bedanken en zijne oprechtheid te erkennen.“Het verschil tusschen onze jaren,” zeide hij, “en de duidelijkheid van mijn oogmerk, geven mij, tot mijn genoegen, vrijheid om mijn gevoelen te zeggen. Dat is nu mijn gevoelen, en dus ziet ge mij nog eens hier.”—“Er is een soort van trots, mijnheer,” antwoordde zij, na een oogenblik stilzwijgens, “of wat men voor trots kan houden, die enkel plicht is. Ik hoop dat ik geene andere trotschheid heb.”—“Voor u zelve,” zeide hij.—“Voor mij zelve.”—“Maar—neem mij niet kwalijk—voor uw broeder John?”—“Ik ben trotsch op zijne liefde,” zeide Harriët, haar bezoeker aanziende en geheel van toon veranderende—niet dat zij minder kalm en zacht bleef, maar zij sprak met een vurigen ernst, welke zelfs de beving in hare stem tot een deel van hare standvastigheid maakte, “en trotsch op hem zelven. Gij, mijnheer, die zoo zonderling de geschiedenis van zijn leven kent, en mij die hebt laten hooren, toen gij de vorige maal hier waart …”—“Alleen om uw vertrouwen te winnen,” viel hij er op in. “Om ’s hemels wil, denk niet …”—“Ik ben overtuigd,” zeide zij, “dat ge mij die met een goed en welwillend oogmerk hebt laten hooren. Daarvan ben ik volkomen overtuigd.”—“Ik dank u,” zeide haar bezoeker, haar haastig de hand drukkende, “ik ben u zeer verplicht. Gij laat mij recht wedervaren, dat verzeker ik u. Gij wildet zeggen, dat ik, die de geschiedenis van John Carker’s leven weet.…”—“Het voor trots van mij kunt houden,” vervolgde zij, “als ik zeg dat ik trotsch op hem ben. Maar dat ben ik toch. Gij weet dat er eens een tijd bestond, toen ik dat niet was—toen ik dat niet kon wezen—maar die is voorbij. De nederigheid van vele jaren, de bereidwillige boete, het oprechte berouw, de vreeselijke spijt, de smart die ik weet dat zelfs mijne genegenheid hem veroorzaakt, die hij denkt dat mij duur te staan komt, schoon de hemel weet dat ik gelukkig ben, volkomen gelukkig zou zijn, als hij niet ongelukkig was!—o mijnheer, laat ik, na hetgeen ik gezien heb, u bezweren, als gij eenig gezag of invloed hebt en ooit verongelijkt wordt, leg nooit voor eenig kwaad eene straf op die niet herroepen kan worden, terwijl er een God boven ons is, die veranderingen kan bewerken in een hart dat zijn maaksel is!”—“Uw broeder is een veranderd mensch,” antwoordde hij medelijdend. “Ik verzeker u dat ik daaraan niet twijfel.”—“Hij was een veranderd mensch toen hij kwaad deed,” zeide Harriët. “Hij is weder een veranderd mensch, en hij is nu in[237]zijn waar karakter, geloof mij, mijnheer.”—“Maar wij,” zeide de vreemdeling, verstrooid zijn voorhoofd wrijvende, en toen peinzend op de tafel trommelende, “leven van dag tot dag in onzen ouden sleur voort, en kunnen die veranderingen niet waarnemen of volgen. Zij zijn boven ons begrip. Wij—wij hebben er geen tijd voor. Wij—wij hebben er den moed niet toe. Het wordt ons op school niet geleerd, en wij weten niet hoe het aan te vangen. Kortom, wij zijn zoo verduiveld koopmanachtig,” zeide hij, ging naar het venster, kwam terug en ging weder zitten, zeer ontstemd en ontevreden. “Ik ben zeker,” zeide hij, wederom zijn voorhoofd wrijvende en op de tafel trommelende, “ik heb goede reden om te gelooven dat een eentonig leven, hetzelfde van dag tot dag, iemand met alles zou kunnen verzoenen. Men ziet niets, men hoort, men weet niets; en zoo gaat het. Wij nemen alles zoo maar aan, en zoo gaan wij voort, tot wij al wat wij doen, goed, kwaad en onverschillig, alleen maar uit gewoonte doen. Gewoonte is al wat ik zal hebben in te brengen, als ik op mijn sterfbed voor mijn geweten zal moeten pleiten. “Gewoonte,” zeg ik dan. “Ik was doof, stom, blind en lam voor een millioen dingen, uit gewoonte.” “Heel koopmanachtig, mijnheer,”zegt het geweten, “maar dat geldt hier niet!””Hij stond op en ging weder naar het venster en terug, ernstig ongerust, hoewel hij zijne ongerustheid op zulk eene eigenaardige en zonderlinge manier te kennen gaf.“Jufvrouw Harriët,” zeide hij, zich weder zettende, “ik wenschte dat gij mij u woudt laten dienst doen. Zie mij aan! ik behoor er nu oprecht uit te zien, want ik weet dat ik het ben. Doe ik het?”—“Ja,” antwoordde zij met een glimlach.—“Ik geloof ieder woord dat gij gezegd hebt,” hervatte hij. “Ik ben vol zelfverwijt dat ik dit had kunnen weten en zien, en u had kunnen kennen en zien, wanneer ik maar wilde, deze tien jaren, en dat ik het nooit heb gedaan. Ik weet haast niet hoe ik ooit hier gekomen ben—slaaf als ik ben, niet alleen van mijne eigene gewoonten, maar ook van die van anderen! Maar nu ik hier gekomen ben, laat mij nu ook iets doen. Ik vraag het met alle achting en eerbied. Ik gevoel beide voor u in de hoogste mate. Laat mij iets doen.”—“Wij zijn tevreden, mijnheer.”—“Neen, neen, niet geheel en al,” hernam hij. “Niet geheel en al, denk ik. Er zijn nog wel eenige kleine gemakken en genoegens die uw leven konden veraangenamen, en het zijne. En het zijne,” herhaalde hij, zich verbeeldende dat hij eenigen indruk op haar gemaakt had. “Ik ben gewoon geweest te denken dat er niets voor hem behoefde gedaan te worden, dat alles was gelijk het wezen moest, kortom, om er geheel niet over te denken. Ik ben nu veranderd. Laat mij iets voor hem doen. Gij ook,” zeide hij met kiesche schroomvalligheid, “moet om zijnentwil voor uwe gezondheid zorgen, en ik vrees dat die begint te verzwakken.”—“Wie gij ook wezen moogt, mijnheer,” antwoordde Harriët, hare oogen naar hem opslaande, “ik ben u innig dankbaar. Ik ben overtuigd, dat gij met al wat gij zegt geen ander oogmerk hebt dan welwillendheid voor ons. Maar jaren zijn verloopen sedert wij dit leven begonnen; en mijn broeder iets te ontnemen van datgene wat hem mij zoo dierbaar heeft gemaakt en zijn vast besluit tot verbetering heeft bewezen—het minste van de verdienste zijner stille, vergetene boete—zou zijn den troost te verminderen die het voor ons wezen zal, wanneer voor ons beiden de tijd komt, waarvan gij gesproken hebt. Ik dank u beter met deze tranen dan met woorden. Geloof dat, bid ik u.”Hij was ontroerd, en bracht de hand, die zij hem toereikte, aan zijne lippen, omtrent gelijk een vader de hand van eene goede dochter zou kussen, maar met eerbied.“Als ooit de dag mocht komen,” zeide Harriët “dat hij, maar gedeeltelijk, hersteld wordt in de positie die hij verloren heeft …”—“Hersteld!” riep de vreemdeling snel uit. “Hoe kan men dat hopen? Wie heeft de macht tot zulk eene herstelling in handen? Ik vergis mij zeker niet als ik denk dat de onwaardeerbare zegening die hij hier heeft medegenomen, eene voorname reden is van de haatdragendheid, die zijn broeder hem toont.”—“Gij spreekt daar van iets dat door ons nooit wordt aangeroerd; zelfs tusschen ons niet,” zeide Harriët.—“Ik verzoek u verschooning,” zeide hij. “Dat had ik moeten weten. Vergeef mij dat ik het onbedacht gedaan heb. En nu, daar ik niet meer durf dringen—en daar ik niet zeker ben of mij dat wel vrijstaat—schoon de Hemel weet, ook dat twijfelen kan wel eene gewoonte zijn,” zeide hij, even verdrietig als te voren zijn hoofd wrijvende, “laat ik, schoon een vreemdeling, en toch geen vreemdeling, u om twee gunsten mogen vragen.”—“Wat zijn die?” vroeg zij.—“De eerste, dat gij, als gij reden mocht zien om van besluit te veranderen, mij zult toelaten om zoo goed als uwe rechterhand te zijn. Mijn naam zal dan tot uw dienst wezen; hij is nu nutteloos en altijd onbeduidend.”—“Onze keus van vrienden,” antwoordde zij met een flauw glimlachje, “is zoo groot niet, dat ik tijd voor beraad noodig heb. Dit kan ik wel beloven.”—“De tweede, dat gij mij wilt vergunnen om somtijds, zeg elken maandagochtend om negen uur—wederom gewoonte—ik moet altijd de regelmatigheid van een koopman hebben,” zeide hij, met eene luimige neiging om dit zich zelven kwalijk te nemen,[238]“u, als ik voorbijwandel, aan de deur of voor het venster te zien. Ik vraag niet om binnen te komen, daar uw broeder op dat uur uit zal zijn. Ik vraag niet om u te spreken. Ik vraag alleen om u te zien, tot mijne eigene geruststelling dat gij wel vaart, en om u, zonder indringendheid, door mijn gezicht te herinneren dat gij een vriend hebt—een bejaard vriend, die al grijze haren heeft en spoedig geheel grijs zal worden—over wien gij altijd kunt beschikken.”Het hartelijk gezichtje zag naar het zijne op, vertrouwde en beloofde.“Ik begrijp, gelijk te voren,” zeide de vreemdeling, opstaande, “dat gij niet voornemens zijt om mijn bezoek aan John Carker mede te deelen, opdat mijne bekendheid met zijne geschiedenis hem geene onaangenaamheid zou veroorzaken. Ik ben blijde daarom, want het is buiten den gewonen regel—al weder gewoonte!” zeide hij zich zelven ongeduldig in de rede vallende; “alsof men niet beter kon doen dan den gewonen regel volgen!”Daarmede keerde hij zich om, ging blootshoofds tot buiten de voordeur, en nam afscheid van haar met zulk eene gelukkige mengeling van ongedwongen eerbied en ongeveinsde belangstelling, als geene kunstmatige beschaving had kunnen leeren, geen ander dan een rein en oprecht hart had kunnen uitdrukken, en die dan ook door geen oprecht hart kon gewantrouwd worden.Vele half vergetene aandoeningen werden door dit bezoek in het gemoed der zuster opgewekt. Het was zoolang geleden dat er een ander bezoek over hun drempel was gekomen; het was zoolang geleden dat eene stem van sympathie hare ooren eene weemoedige muziek had laten hooren; dat de gedaante des vreemdelings nog uren lang voor haar bleef, terwijl zij met haar naaiwerk voor het venster zat, en zijne woorden nogmaals en nogmaals opnieuw schenen gesproken te worden. Hij had de springveder aangeraakt, die geheel haar leven opende, en als zij hem eene korte poos vergat, was het alleen onder de vele vormen der ééne groote herinnering waaruit dat leven bestond.Beurtelings peinzende en werkende; zich nu dwingende om een langen tijd achtereen stipt aan het naaien te blijven, dan haar werk op haar schoot latende zinken, terwijl hare gedachten dwaalden waarheen zij wilden, bevond Harriët Carker dat de uren onopgemerkt voorbijvlogen. Later op den dag werd de lucht, die helder geweest was, betrokken; er stak een scherpe wind op, het begon te regenen, en een donkere mist verborg de afgelegene stad voor het gezicht.Dikwijls zag zij op zulk een tijd met medelijden naar de arme vermoeide voetreizigers, die langs den grooten weg dichtbij naarLondentrokken, en vreesachtig naar de reusachtige stad, die voor hen lag, uitkeken, als met een voorgevoel dat hunne ellende daar slechts gelijk een droppel water in de zee, of gelijk eene zandkorrel op het zeestrand zou zijn, en dan huiverend voortstapten, voor het gure weder in elkander duikende, terwijl het scheen alsof zelfs de elementen hun vijandig waren. Dag aan dag kropen er zulke reizigers voorbij, maar altijd, naar zij dacht, in ééne richting—altijd naar de stad. Verzwolgen in hare onmetelijkheid, waarheen zij door de toovermacht der wanhoop schenen te worden voortgestuwd, kwamen zij nooit terug. Voedsel voor de hospitalen, de kerkhoven, de gevangenissen, de rivier, voor koorts, razernij, ondeugd en dood—werden zij aangetrokken door het monster, dat in de verte brulde, en waren verloren.De gure wind huilde, de regen kletterde, de lucht was donker betrokken, toen Harriët, hare oogen van haar werk opslaande, waarop zij weder langen tijd standvastig had zitten turen, een dezer reizigers zag aankomen.Eene vrouw. Eene eenzame vrouw van ongeveer dertig jaren, rijzig, welgevormd, met fraaie trekken, ellendig gekleed. De grond van velerlei landwegen bij afwisselend weder—stof, kalk, klei en zand—kleefde aan haar druipenden mantel. Geen hoed op het hoofd; niets om hare welige zwarte haren voor den regen te beschermen, dan een gescheurden zakdoek, met welks fladderende slippen en met hare eigene haren de wind haar zoodanig verblindde, dat zij dikwijls moest stilstaan om ze weg te strijken en uit te zien welken weg zij ging.Zij deed dit juist weder, toen Harriët haar opmerkte. Toen hare handen, op haar door de zon gebruind voorhoofd samengevoegd, over haar gezicht streken, en de belemmeringen, die het half bedekten, wegveegden, vertoonde het eene roekeloos trotsche, achtelooze schoonheid; eene onverschrokkene, woeste onverschilligheid voor meer dan het weder; eene minachting voor alles wat hemel of aarde op haar hoofd mocht werpen; en dit, met hare ellende en eenzaamheid, trof het vrouwelijk hart van Harriët. Zij dacht aan alles wat in haar binnenste, evenzeer als in haar uiterlijk, bedorven en verbasterd moest wezen; aan de zachte sieraden van het gemoed, verhard en verstaald gelijk die lichamelijke bekoorlijkheden; aan de vele gaven van den Schepper, in den wind geslingerd gelijk dat woeste haar; aan de geheele schoone ruïne, die door den storm geteisterd werd en waarover de nacht nederdaalde.Hieraan denkende, keerde zij zich niet met kiesche verontwaardiging af—gelijk menigeen van hare teedere, gevoelvolle sekse maar al te dikwijls doet—maar kreeg medelijden met haar.Hare gevallene zuster kwam nader. Zij keek[239]ver voor zich uit, alsof zij met hare oogen door den nevel poogde te dringen, die de stad bedekte, en wierp nu en dan een blik links en rechts met het twijfelachtige, verbijsterde gezicht eener vreemde. Hoewel haar tred nog fier was, was zij toch vermoeid, en na een oogenblik van besluiteloosheid, zette zij zich op een hoop steenen neer, zonder eene schuilplaats voor den regen te zoeken.Zij was nu vlak tegenover het huis. Haar hoofd opheffende, nadat zij het eene korte poos in hare handen had laten rusten, ontmoetten hare oogen die van Harriët.In een oogenblik was Harriët aan de deur. Op haar wenken stond de andere op en kwam naar haar toe, maar met geen gezicht alsof zij haar voor zich wilde innemen.“Waarom gaat gij in den regen zitten rusten?” zeide Harriët vriendelijk.—“Omdat ik geene andere plaats heb,” was het antwoord.—“Maar er zijn hier toch plaatsen genoeg om te schuilen. Dit,” de schuilplaats onder het afdakje bedoelende, “is beter dan waar gij waart gaan zitten. Gij moogt hier vrij zitten uitrusten.”De zwervelinge zag haar aan, met twijfel en verwondering, maar zonder eenige dankbaarheid te laten blijken, zette zich neer, trok een van hare versletene schoenen uit, om er het zand en steengruis uit te slaan dat er in was, en liet zoo zien dat haar voet gekwetst was en bloedde.Harriët kon dit niet zien zonder eene uitroeping van medelijden. De zwervelinge zag met een verachtelijken en ongeloovigen glimlach naar haar op.“Wel, wat is een kapotte voet voor iemand als ik?” zeide zij. “En wat is een kapotte voet van iemand als ik, voor iemand als gij?”—“Kom binnen om hem af te wasschen,” zeide Harriët zachtzinnig, “en laat ik u iets geven om hem te verbinden.”De vrouw vatte haar arm, en dien voor hare eigene oogen houdende, om ze te verbergen, barstte zij in tranen uit. Zij schreide niet gelijk eene vrouw, maar gelijk een hardvochtig man, die zich door zulk eene zwakheid laat verrassen; met een geweldig zwoegen van hare borst en een worstelen om zich te bedwingen, waaruit bleek hoe ongewoon zulk eene aandoening bij haar was.Zij liet zich in huis brengen, en blijkbaar meer uit dankbaarheid dan omdat zij iets om zich zelve gaf, wiesch en verbond zij de gewonde plek. Daarop zette Harriët haar het overschot van haar eigen karig middagmaal voor, en toen de vrouw daarvan gegeten had (maar spaarzaam), verzocht zij haar om, eer zij haar weg voortzette (hetgeen zij terstond wilde doen) hare kleeren voor het vuur te drogen. Wederom meer uit dankbaarheid dan omdat zij zich eenigszins om zich zelve bekommerde, zette zij zich voor den haard, en den doek om haar hoofd losmakende, liet zij hare dikke natte haren tot beneden haar middel afvallen, droogde ze met hare handpalmen af, en zat in de vlam te staren.“Gij zult zeker wel denken,” zeide zij, eensklaps haar hoofd opheffende, “dat ik eens mooi moet zijn geweest. Dat geloof ik ook—ik weet het. Zie hier!”Zij hield hare haren ruw met beide handen omhoog, ze aanvattende alsof zij ze wilde uitrukken, en smeet ze weder naar achteren alsof het een hoop kronkelende slangen was.“Zijt gij hier vreemd?” zeide Harriët.—“Vreemd!” antwoordde zij, tusschen ieder kort gezegde ophoudende, en naar het vuur kijkende. “Ja. Tien of twaalf jaren lang vreemd. Ik heb geen almanak gehad waar ik geweest ben. Tien of twaalf jaren. Ik ken deze streek niet meer. Zij is veel veranderd sedert ik heenging.”—“Zijt ge ver geweest?”—“Heel ver. Maanden aan maanden over zee, en toen nog heel ver. Ik ben geweest waar gecondemneerden heengaan,” voegde zij er bij, hare gastvrouw strak aanziende. “Ik ben er zelf een geweest.”—“De hemel helpe u en vergeve u!” was het zachte antwoord.—“Ja! de hemel mag mij wel helpen en vergeven!” antwoordde zij, met haar hoofd naar het vuur knikkende. “Als de menschen sommigen van ons wat meer wilden helpen, zou God ons allen misschien des te eerder vergeven.”Zij liet zich echter verzachten door het hartelijke gezichtje, dat haar zoo vriendelijk en vrij van alle veroordeeling aanzag, en zeide met minder hardvochtigheid:“Wij zullen misschien haast even oud zijn, gij enik. Of als ik ouder ben is het niet meer dan een jaar of twee. O, denk daar eens aan!”Zij sloeg hare armen open als moest hare uitwendige gedaante toonen hoe ellendig diep verzonken zij ook in het zedelijke was, liet ze toen weder neervallen en te gelijk haar hoofd op de borst zinken.“Er is niets dat men niet mag hopen te herstellen; het is nooit te laat om zich te verbeteren,” zeide Harriët. “Gij zijt boetvaardig …”—“Neen,” antwoordde zij. “Dat ben ik niet. Dat kan ik niet zijn. Dat ben ik geheel niet. Waarom zouikboetvaardig wezen, en alle anderen vrijloopen. Zij praten mij van boetvaardigheid en berouw. Wie heeft er berouw over het kwaad dat mij gedaan is!”Zij stond op, bond den doek om haar hoofd en wilde gaan.“Waar gaat gij naar toe?” zeide Harriët.—“Daar naar toe,” antwoordde zij, met hare hand wijzende. “NaarLonden.”—“Hebt gij daar een thuis, waar gij naar toe kunt gaan?”—“Ik geloof dat ik eene moeder heb. Zij is evenveel eene moeder als hare woning een thuis is,” antwoordde zij met een bitteren lach.—“Neem dit nog,” zeide Harriët, haar eenig[240]geld in de hand stoppende. “Doe uw best. Het is heel weinig, maar een dag lang kan het u toch wel voor kwaad bewaren.”—“Zijt gij getrouwd?” zeide de vrouw flauw, terwijl zij het geld aannam.—“Neen. Ik woon hier met mijn broeder. Wij hebben niet veel te missen, of ik zou u meer geven.”—“Wilt gij mij u een kus laten geven?”Geene verachting of tegenzin op haar gezichtje lezende, boog het voorwerp harer liefdadigheid zich over haar heen en drukte hare lippen op hare wang. Nogmaals vatte zij haar arm en bedekte hare oogen daarmede, en toen was zij verdwenen.Verdwenen in de toenemende duisternis, in den loeienden wind en den kletterenden regen; verder op haar weg naar de in nevel gehulde stad, waar de schemerende lichten schenen; met hare zwarte haren en slordig hoofddeksel, dat om haar roekeloos stoutmoedig gezicht fladderde.

Vestigen wij de oogen eens op twee huizen, niet naast elkander, maar ver van elkander af, schoon beide op geringen afstand van de groote stad en gemakkelijk uit deCityte bereiken.

Het eerste staat in eene groene, boomrijke streek bijNorwood. Het is geen deftig gebouw, en niet zeer groot; maar de geheele aanleg is zeer smaakvol en alles is uitmuntend in orde gehouden. Het zacht afhellende grasperk, de bloemtuin, de boomgroepen, waarin de sierlijke vormen van esschen en treurwilgen niet ontbreken, de oranjerie, de rustieke veranda, waar geurige slingerplanten tegen de pilaren opgroeien, het eenvoudige huis, de welingerichte bijgebouwen, schoon allen zoo klein als op zulk een buitentje behoort, dat den naam van hutje (cottage) draagt; alles belooft ook van binnen zooveel smaak en gemak als voor een paleis zouden kunnen volstaan. Deze belofte blijft niet onvervuld, want het inwendige van het huis draagt evenveel blijken van weelde als van fijne beschaving. Overal ontmoet het oog fraaie kleuren, op het schoonst aan elkander gepaard, zoowel aan de meubelen, die uitmuntend bij de fatsoenen en afmetingen der kleine vertrekken passen, als op de wanden en de vloeren, zelfs in het licht dat gekleurd en gematigd door de vensters en glazendeuren schijnt. Er zijn ook eenige uitgezochte schilderijen en prenten; in fraaie kasten, hier en daar in een verloren hoek gezet, ontbreekt het niet aan boeken; benoodigdheden voor spelen van kunst of kans staan gereed—schaakstukken, dobbelsteenen, een triktrakbord, kaarten en een biljart.

En toch, bij dien overvloed van weelde en gemak, heeft het algemeene voorkomen iets dat niet deugt. Is het dat de tapijten en kussens al te zacht zijn en het geluid te veel dooven, zoodat zij, die er over gaan of er op rusten, dit tersluiks schijnen te doen? Is het omdat de prenten en schilderijen geene groote daden of gedachten vertegenwoordigen, of de poëzie der natuur in landschappen, prachtgebouwen of hutten teruggeven, maar allen van dezelfde weelderige soort zijn—een pronken met vormen en kleuren, anders niet? Is het omdat de boeken al hun goud van buiten hebben, en de titels der meesten ze reeds met de schilderijen en prenten op dezelfde lijn plaatsen? Is het omdat de schoonheid en de volledigheid van het geheel hier en daar belogen wordt door eene vertooning van nederigheid in een of ander onbelangrijk en onkostbaar opzicht; eene vertooning, even valsch als het gezicht van het maar al te goed getroffen portret dat daar hangt, of als het origineel dat daaronder in zijn leuningstoel zit te ontbijten? Of is het omdat dit origineel, dat hier van alles meester is, met zijn dagelijkschen adem een gedeelte van zich zelven heeft gewasemd, hetgeen alles om hem heen een onbestemden zweem van zijn eigen karakter heeft gegeven?

Het is Carker de chef die daar in den leuningstoel zit. Een bonte papegaai, in eene als goud blinkende kooi op de tafel, plukt met zijn bek aan de traliën, enklautertten onderste boven er langs, en schudt geheel zijn huis en schreeuwt. Maar Carker let niet op den vogel, en ziet met een peinzenden glimlach naar een portret aan den wand tegenover hem.

“Zeker eene buitengemeen toevallige gelijkenis,” zegt hij.

Misschien is het eene Juno, misschien eene Potiphar’s vrouw, misschien eene preutsche nimf—naarmate de kunstkoopers den smaak der markt vonden, toen zij het stuk een naam gaven. Het is het afbeeldsel eener schoone vrouw, die zich omkeert, maar haar gezicht naar den toeschouwer gericht houdt en hem een vurigen en trotschen blik toewerpt.

Het gelijkt naar Edith.

Met eene vlugge beweging zijner hand naar de schilderij—wat! een dreigement? Neen; en toch iets dat er naar gelijkt. Een zegevierend wuiven? Neen; maar toch meer daarnaar gelijkend. Een beleedigend vrijpostige groet van zijne lippen toegeworpen? Neen; maar toch ook daarnaar gelijkende—gaat hij weder aan zijn ontbijt en roept den ongeduldigen en gekerkerden vogel, die naar een vergulden hoepel in zijne kooiklautert, gelijk een groote trouwring, en daarin voor zijn vermaak gaat zitten zwaaien.

Het tweede huis staat aan den anderen kant vanLonden, daar waar de groote weg naar het noorden loopt, die voorheen zoo druk was en nu bijna geheel verlaten is, behalve door reizigers die te voet voortzwoegen. Het is een klein, armoedig huis, schraal gemeubileerd, maar net en zindelijk gehouden; en er zijn zelfs pogingen gedaan om het te versieren, gelijk uit de gemeene bloemen blijkt die tegen den muur en in het smalle tuintje groeien. De buurt, waarin het staat, heeft even weinig van het land als van de stad om haar aan te bevelen. Zij behoort ook noch tot de stad noch tot het land. De eerste, gelijk de reus met zijne reislaarzen, heeft een stap gedaan, is haar daarmede voorbijgekomen en heeft zijn hiel van kalk en steen veel verder vooruitgezet; maar de ruimte tusschen de voeten van den reus is nog maar bedorven land, en heeft nog niets van de stad; en hier, tusschen eenige hooge schoorsteenen, die nacht en dag rook uitbraken, en tusschen steenbakkerijen, en velden waar de graszoden zijn weggestoken, en de schuttingen omvallen en bestofte[235]brandnetels groeien, en waar men nog eenige overblijfselen van heggen kan zien en waar de vogelvanger nog somtijds komt, hoewel hij telkens zweert dat hij niet weer zal komen—is dit tweede huis te vinden.

Zij, die het bewoont, is zij die het eerste uit gehechtheid aan een gevallen broeder verlaten heeft. Daarmede vertrok uit dat huis alles wat het waarlijk goeds en schoons had, en uit de borst van den meester zijn eenige engel; maar hoewel zijne genegenheid voor haar is verdwenen, sedert die ondankbare minachting, gelijk hij het begrijpt, en hij haar tot straf daarvoor verzaakt, kan hij het oude denkbeeld van haar toch niet geheel vergeten. Laat haar bloemtuin, waarin hij nooit een voet zet, maar die, onder al zijne kostbare veranderingen, toch nog eveneens wordt onderhouden alsof zij dien pas gisteren had verlaten, daarvan getuigen!

Harriët Carker is sedert veranderd, en op hare schoonheid ligt eene zwaardere schaduw, dan de Tijd alleen, zoo alvermogend als hij is, kan werpen—de schaduw van kommer en zorg, en de dagelijksche worsteling van een armoedig leven. Maar het is toch nog schoonheid, en nog eene zachte, stille, zedige schoonheid, die opgezocht moet worden, daar zij niet kan pralen, en als zij dit doen kon, niet meer zijn zou wat zij is.

Ja, die kleine, tengere gedaante, met dat geduldige gezichtje, net gekleed in geringe stoffen, en welke men niets aanziet dan die stille huiselijke deugden, die zoo weinig gemeen hebben met het aangenomene denkbeeld van heldhaftigheid en grootheid, of een straal daarvan moet door het leven van de grooten der aarde schijnen, en dan ziet men terstond dat dit licht van den hemel komt—die kleine tengere gedaante, leunende op dien man, nog jong, maar afgeleefd en grijs, zij is zijne zuster, die, alleen in de geheele wereld, tot hem overtrad in zijne schande, en hare hand in de zijne legde, en met lieftallige bedaardheid en beradenheid hem voortleidde op zijn barren weg.

“Het is nog vroeg, John,” zeide zij. “Waarom gaat gij zoo vroeg?”—“Niet veel vroeger dan gewoonlijk, Harriët. Als ik tijd over heb zou ik gaarne, denk ik—het is eene gril van mij—het huis nog eens voorbijgaan waar ik afscheid van hem heb genomen.”—“Ik wenschte dat ik hem gezien of gekend had, John.”—“Beter zóó, lieve, om zijn lot denkende.”—“Maar dat zou mij niet erger kunnen spijten, al had ik hem gekend. Is uw leed niet het mijne? En als ik hem gekend had, zou ik misschien beter gezelschap voor u zijn als gij van hem spreekt, dan ik nu wel schijn.”—“Lieve zuster, is er iets, zoover blijdschap of droefheid kunnen gaan, waarvan ik niet zeker ben dat gij het met mij gevoelt en deelt?”—“Ik hoop dat gij van neen denkt, John, want er is waarlijk niets.”—“Hoe zoudt gij beter voor mij kunnen zijn, of mij nader wezen, dan gij hierin of in iets anders zijt?” zeide haar broeder. “Ik gevoel dat gij hem gekend hebt, Harriët, en mijn gevoel voor hem hebt gedeeld.”

Zij sloeg de hand, die op zijn schouder had gelegen, om zijn hals, en zeide eenigszins aarzelend:

“Neen, niet geheel.”—“Dat is waar,” zeide hij, “gij dacht dat ik hem geen kwaad zou hebben gedaan, al had ik mij zelven toegelaten om nader kennis met hem te maken.”—“Dacht! Ik wist het zeker.”—“Met opzet, weet de hemel, zou ik het niet gedaan hebben,” antwoordde hij, treurig zijn hoofd schuddende, “maar zijn goede naam was te kostbaar om door zulk een omgang in de waagschaal te stellen. Hetzij gij dat toegeeft of niet, lieve—”—“Dat doe ik niet,” zeide zij kalm.—“Het is toch de waarheid, Harriët, en mijn hart is nu lichter, als ik aan hem denk, juist door datgene wat het toen zooveel te zwaarder maakte.” Hij dwong zich om zijn zwaarmoedigen toon af te leggen, en zag haar glimlachend aan toen hij zeide: “Goedendag nu!”—“Goedendag, beste John. Van avond zal ik u op den gewonen tijd te gemoet komen. Goedendag!”

Het hartelijke gezichtje, dat zij naar hem ophief om te laten kussen, was zijn leven, zijn alles, en toch was het een gedeelte van zijne straf en zijn leed; want in de wolk die hij daarop zag—schoon zoo helder als eenig stralend wolkje bij ondergaande zon—en in de standvastige trouw van haar leven, en in de opoffering van genot, gemak en hoop, die zij gebracht had, zag hij de bittere vruchten zijner oude misdaad altijd versch en rijp voor zich.

Zij stond hem aan de deur na te zien, met de handen los over elkander, terwijl hij over de ongelijke, modderige plek gronds stapte, die voor hun huis lag. De plek was voorheen (niet lang geleden) eene groene weide geweest, maar was nu eene wildernis, waar de beginselen van geringe huisjes uit den grond begonnen op te schieten alsof eene ongeregelde hand ze gezaaid had. Wanneer hij omkeek, gelijk hij een paar malen deed, straalde haar hartelijk gezichtje als een licht in zijn hart; maar wanneer hij voortstapte en haar niet zag, stonden er tranen in hare oogen zoolang zij hem nakeek.

Zij bleef niet lang ledig aan de deur staan peinzen. Er waren dagelijksche plichten te vervullen, er was dagelijksch werk te doen—want zulke alledaagsche wezens, die niet heldhaftig zijn, werken dikwijls zwaar met hunne handen—en Harriët was weldra druk aan hare huiselijke bezigheden. Toen deze waren afgedaan en het armoedige huisje net in orde was, telde zij met een bekommerd gezichtje haar[236]geringen voorraad van geld, en ging nadenkend uit om eenige benoodigdheden voor hunne tafel te koopen, onderweg verzinnende hoe zij daarop iets zou kunnen bezuinigen. Zoo gemeen is het leven van zulke lage wezens, die niet slechts niet heldhaftig zijn voor hunne kamerdienaren en kameniers, maar zelfs geene kamerdienaren of kameniers hebben om heldhaftig te wezen!

Terwijl zij afwezig en er niemand in huis was, naderde er van een anderen kant dan haar broeder was opgegaan, een heer, die misschien reeds eenigszins over het best van zijn leven was, maar eene gezonde, blozende kleur, eene rechte houding en een helder uitzicht had, dat goedhartigheid en welwillendheid aanduidde. Zijne wenkbrauwen waren nog zwart, en het meeste van zijn haar was dit ook nog; het daar tusschen gesprenkelde grijs stond hem zelfs goed, daar het zijne zwarte wenkbrauwen, zijn open voorhoofd en zijne heldere oogen beter deed uitkomen.

Toen hij eens aan de deur had geklopt en geen antwoord gekregen, zette deze heer zich op eene bank onder het afdak om te wachten. Zekere vlugge beweging van zijne vingers, terwijl hij eenige regels neuriede en op de bank naast hem de maat sloeg, scheen den muzikant aan te duiden, en het buitengemeene genoegen waarmede hij iets neuriede, dat zeer langzaam en lang was en waarin men geene wijs kon herkennen, scheen te toonen dat hij een geleerde in de muziek was.

Deze heer neuriede nog een thema, dat al rond en rond scheen te draaien, en zich in zich zelf in te winden, gelijk een kurketrekker, dien men op de tafel laat tollen, zonder dichter bij iets te komen, toen Harriët weder in de verte aankwam. Hij stond op toen zij naderde, en bleef blootshoofds wachten.

“Gij zijt teruggekomen, mijnheer!” zeide zij haperend.—“Ik neem nog eens die vrijheid,” antwoordde hij. “Mag ik u vijf minuten verzoeken, als gij tijd hebt?”

Na een oogenblik aarzelens opende zij de deur en liet hem in het voorkamertje. Hij zette zich neer, schoof zijn stoel bij de tafel tegen haar over, en zeide, met eene stem die volkomen met zijn voorkomen strookte, en met eene eenvoudigheid die waarlijk innemend was:

“Jufvrouw Harriët, gij kunt toch niet trotsch wezen. Gij hebt mij, toen ik laatst hier was, gezegd dat gij dat waart. Neem mij niet kwalijk, als ik zeg dat ik u in uw gezicht keek onder het spreken, en dat dit u tegensprak. Nu zie ik u nog eens in het gezicht,” daarbij legde hij even zijne hand op haar arm, “en het spreekt u meer en meer tegen.”

Zij was eenigszins verlegen en ontroerd, en had niet dadelijk een antwoord gereed.

“Het is een spiegel van oprechtheid en zachtaardigheid,” zeide hij. “Verschooning dat ik daarop vertrouw en nog eens terugkom.”

De manier, waarop hij dit zeide, ontdeed zijne gezegden geheel en al van den aard van complimenten. Hij sprak zoo eenvoudig, ernstig, ongemaakt en oprecht, dat zij haar hoofd boog, als ware het om hem te bedanken en zijne oprechtheid te erkennen.

“Het verschil tusschen onze jaren,” zeide hij, “en de duidelijkheid van mijn oogmerk, geven mij, tot mijn genoegen, vrijheid om mijn gevoelen te zeggen. Dat is nu mijn gevoelen, en dus ziet ge mij nog eens hier.”—“Er is een soort van trots, mijnheer,” antwoordde zij, na een oogenblik stilzwijgens, “of wat men voor trots kan houden, die enkel plicht is. Ik hoop dat ik geene andere trotschheid heb.”—“Voor u zelve,” zeide hij.—“Voor mij zelve.”—“Maar—neem mij niet kwalijk—voor uw broeder John?”—“Ik ben trotsch op zijne liefde,” zeide Harriët, haar bezoeker aanziende en geheel van toon veranderende—niet dat zij minder kalm en zacht bleef, maar zij sprak met een vurigen ernst, welke zelfs de beving in hare stem tot een deel van hare standvastigheid maakte, “en trotsch op hem zelven. Gij, mijnheer, die zoo zonderling de geschiedenis van zijn leven kent, en mij die hebt laten hooren, toen gij de vorige maal hier waart …”—“Alleen om uw vertrouwen te winnen,” viel hij er op in. “Om ’s hemels wil, denk niet …”—“Ik ben overtuigd,” zeide zij, “dat ge mij die met een goed en welwillend oogmerk hebt laten hooren. Daarvan ben ik volkomen overtuigd.”—“Ik dank u,” zeide haar bezoeker, haar haastig de hand drukkende, “ik ben u zeer verplicht. Gij laat mij recht wedervaren, dat verzeker ik u. Gij wildet zeggen, dat ik, die de geschiedenis van John Carker’s leven weet.…”—“Het voor trots van mij kunt houden,” vervolgde zij, “als ik zeg dat ik trotsch op hem ben. Maar dat ben ik toch. Gij weet dat er eens een tijd bestond, toen ik dat niet was—toen ik dat niet kon wezen—maar die is voorbij. De nederigheid van vele jaren, de bereidwillige boete, het oprechte berouw, de vreeselijke spijt, de smart die ik weet dat zelfs mijne genegenheid hem veroorzaakt, die hij denkt dat mij duur te staan komt, schoon de hemel weet dat ik gelukkig ben, volkomen gelukkig zou zijn, als hij niet ongelukkig was!—o mijnheer, laat ik, na hetgeen ik gezien heb, u bezweren, als gij eenig gezag of invloed hebt en ooit verongelijkt wordt, leg nooit voor eenig kwaad eene straf op die niet herroepen kan worden, terwijl er een God boven ons is, die veranderingen kan bewerken in een hart dat zijn maaksel is!”—“Uw broeder is een veranderd mensch,” antwoordde hij medelijdend. “Ik verzeker u dat ik daaraan niet twijfel.”—“Hij was een veranderd mensch toen hij kwaad deed,” zeide Harriët. “Hij is weder een veranderd mensch, en hij is nu in[237]zijn waar karakter, geloof mij, mijnheer.”—“Maar wij,” zeide de vreemdeling, verstrooid zijn voorhoofd wrijvende, en toen peinzend op de tafel trommelende, “leven van dag tot dag in onzen ouden sleur voort, en kunnen die veranderingen niet waarnemen of volgen. Zij zijn boven ons begrip. Wij—wij hebben er geen tijd voor. Wij—wij hebben er den moed niet toe. Het wordt ons op school niet geleerd, en wij weten niet hoe het aan te vangen. Kortom, wij zijn zoo verduiveld koopmanachtig,” zeide hij, ging naar het venster, kwam terug en ging weder zitten, zeer ontstemd en ontevreden. “Ik ben zeker,” zeide hij, wederom zijn voorhoofd wrijvende en op de tafel trommelende, “ik heb goede reden om te gelooven dat een eentonig leven, hetzelfde van dag tot dag, iemand met alles zou kunnen verzoenen. Men ziet niets, men hoort, men weet niets; en zoo gaat het. Wij nemen alles zoo maar aan, en zoo gaan wij voort, tot wij al wat wij doen, goed, kwaad en onverschillig, alleen maar uit gewoonte doen. Gewoonte is al wat ik zal hebben in te brengen, als ik op mijn sterfbed voor mijn geweten zal moeten pleiten. “Gewoonte,” zeg ik dan. “Ik was doof, stom, blind en lam voor een millioen dingen, uit gewoonte.” “Heel koopmanachtig, mijnheer,”zegt het geweten, “maar dat geldt hier niet!””

Hij stond op en ging weder naar het venster en terug, ernstig ongerust, hoewel hij zijne ongerustheid op zulk eene eigenaardige en zonderlinge manier te kennen gaf.

“Jufvrouw Harriët,” zeide hij, zich weder zettende, “ik wenschte dat gij mij u woudt laten dienst doen. Zie mij aan! ik behoor er nu oprecht uit te zien, want ik weet dat ik het ben. Doe ik het?”—“Ja,” antwoordde zij met een glimlach.—“Ik geloof ieder woord dat gij gezegd hebt,” hervatte hij. “Ik ben vol zelfverwijt dat ik dit had kunnen weten en zien, en u had kunnen kennen en zien, wanneer ik maar wilde, deze tien jaren, en dat ik het nooit heb gedaan. Ik weet haast niet hoe ik ooit hier gekomen ben—slaaf als ik ben, niet alleen van mijne eigene gewoonten, maar ook van die van anderen! Maar nu ik hier gekomen ben, laat mij nu ook iets doen. Ik vraag het met alle achting en eerbied. Ik gevoel beide voor u in de hoogste mate. Laat mij iets doen.”—“Wij zijn tevreden, mijnheer.”—“Neen, neen, niet geheel en al,” hernam hij. “Niet geheel en al, denk ik. Er zijn nog wel eenige kleine gemakken en genoegens die uw leven konden veraangenamen, en het zijne. En het zijne,” herhaalde hij, zich verbeeldende dat hij eenigen indruk op haar gemaakt had. “Ik ben gewoon geweest te denken dat er niets voor hem behoefde gedaan te worden, dat alles was gelijk het wezen moest, kortom, om er geheel niet over te denken. Ik ben nu veranderd. Laat mij iets voor hem doen. Gij ook,” zeide hij met kiesche schroomvalligheid, “moet om zijnentwil voor uwe gezondheid zorgen, en ik vrees dat die begint te verzwakken.”—“Wie gij ook wezen moogt, mijnheer,” antwoordde Harriët, hare oogen naar hem opslaande, “ik ben u innig dankbaar. Ik ben overtuigd, dat gij met al wat gij zegt geen ander oogmerk hebt dan welwillendheid voor ons. Maar jaren zijn verloopen sedert wij dit leven begonnen; en mijn broeder iets te ontnemen van datgene wat hem mij zoo dierbaar heeft gemaakt en zijn vast besluit tot verbetering heeft bewezen—het minste van de verdienste zijner stille, vergetene boete—zou zijn den troost te verminderen die het voor ons wezen zal, wanneer voor ons beiden de tijd komt, waarvan gij gesproken hebt. Ik dank u beter met deze tranen dan met woorden. Geloof dat, bid ik u.”

Hij was ontroerd, en bracht de hand, die zij hem toereikte, aan zijne lippen, omtrent gelijk een vader de hand van eene goede dochter zou kussen, maar met eerbied.

“Als ooit de dag mocht komen,” zeide Harriët “dat hij, maar gedeeltelijk, hersteld wordt in de positie die hij verloren heeft …”—“Hersteld!” riep de vreemdeling snel uit. “Hoe kan men dat hopen? Wie heeft de macht tot zulk eene herstelling in handen? Ik vergis mij zeker niet als ik denk dat de onwaardeerbare zegening die hij hier heeft medegenomen, eene voorname reden is van de haatdragendheid, die zijn broeder hem toont.”—“Gij spreekt daar van iets dat door ons nooit wordt aangeroerd; zelfs tusschen ons niet,” zeide Harriët.—“Ik verzoek u verschooning,” zeide hij. “Dat had ik moeten weten. Vergeef mij dat ik het onbedacht gedaan heb. En nu, daar ik niet meer durf dringen—en daar ik niet zeker ben of mij dat wel vrijstaat—schoon de Hemel weet, ook dat twijfelen kan wel eene gewoonte zijn,” zeide hij, even verdrietig als te voren zijn hoofd wrijvende, “laat ik, schoon een vreemdeling, en toch geen vreemdeling, u om twee gunsten mogen vragen.”—“Wat zijn die?” vroeg zij.—“De eerste, dat gij, als gij reden mocht zien om van besluit te veranderen, mij zult toelaten om zoo goed als uwe rechterhand te zijn. Mijn naam zal dan tot uw dienst wezen; hij is nu nutteloos en altijd onbeduidend.”—“Onze keus van vrienden,” antwoordde zij met een flauw glimlachje, “is zoo groot niet, dat ik tijd voor beraad noodig heb. Dit kan ik wel beloven.”—“De tweede, dat gij mij wilt vergunnen om somtijds, zeg elken maandagochtend om negen uur—wederom gewoonte—ik moet altijd de regelmatigheid van een koopman hebben,” zeide hij, met eene luimige neiging om dit zich zelven kwalijk te nemen,[238]“u, als ik voorbijwandel, aan de deur of voor het venster te zien. Ik vraag niet om binnen te komen, daar uw broeder op dat uur uit zal zijn. Ik vraag niet om u te spreken. Ik vraag alleen om u te zien, tot mijne eigene geruststelling dat gij wel vaart, en om u, zonder indringendheid, door mijn gezicht te herinneren dat gij een vriend hebt—een bejaard vriend, die al grijze haren heeft en spoedig geheel grijs zal worden—over wien gij altijd kunt beschikken.”

Het hartelijk gezichtje zag naar het zijne op, vertrouwde en beloofde.

“Ik begrijp, gelijk te voren,” zeide de vreemdeling, opstaande, “dat gij niet voornemens zijt om mijn bezoek aan John Carker mede te deelen, opdat mijne bekendheid met zijne geschiedenis hem geene onaangenaamheid zou veroorzaken. Ik ben blijde daarom, want het is buiten den gewonen regel—al weder gewoonte!” zeide hij zich zelven ongeduldig in de rede vallende; “alsof men niet beter kon doen dan den gewonen regel volgen!”

Daarmede keerde hij zich om, ging blootshoofds tot buiten de voordeur, en nam afscheid van haar met zulk eene gelukkige mengeling van ongedwongen eerbied en ongeveinsde belangstelling, als geene kunstmatige beschaving had kunnen leeren, geen ander dan een rein en oprecht hart had kunnen uitdrukken, en die dan ook door geen oprecht hart kon gewantrouwd worden.

Vele half vergetene aandoeningen werden door dit bezoek in het gemoed der zuster opgewekt. Het was zoolang geleden dat er een ander bezoek over hun drempel was gekomen; het was zoolang geleden dat eene stem van sympathie hare ooren eene weemoedige muziek had laten hooren; dat de gedaante des vreemdelings nog uren lang voor haar bleef, terwijl zij met haar naaiwerk voor het venster zat, en zijne woorden nogmaals en nogmaals opnieuw schenen gesproken te worden. Hij had de springveder aangeraakt, die geheel haar leven opende, en als zij hem eene korte poos vergat, was het alleen onder de vele vormen der ééne groote herinnering waaruit dat leven bestond.

Beurtelings peinzende en werkende; zich nu dwingende om een langen tijd achtereen stipt aan het naaien te blijven, dan haar werk op haar schoot latende zinken, terwijl hare gedachten dwaalden waarheen zij wilden, bevond Harriët Carker dat de uren onopgemerkt voorbijvlogen. Later op den dag werd de lucht, die helder geweest was, betrokken; er stak een scherpe wind op, het begon te regenen, en een donkere mist verborg de afgelegene stad voor het gezicht.

Dikwijls zag zij op zulk een tijd met medelijden naar de arme vermoeide voetreizigers, die langs den grooten weg dichtbij naarLondentrokken, en vreesachtig naar de reusachtige stad, die voor hen lag, uitkeken, als met een voorgevoel dat hunne ellende daar slechts gelijk een droppel water in de zee, of gelijk eene zandkorrel op het zeestrand zou zijn, en dan huiverend voortstapten, voor het gure weder in elkander duikende, terwijl het scheen alsof zelfs de elementen hun vijandig waren. Dag aan dag kropen er zulke reizigers voorbij, maar altijd, naar zij dacht, in ééne richting—altijd naar de stad. Verzwolgen in hare onmetelijkheid, waarheen zij door de toovermacht der wanhoop schenen te worden voortgestuwd, kwamen zij nooit terug. Voedsel voor de hospitalen, de kerkhoven, de gevangenissen, de rivier, voor koorts, razernij, ondeugd en dood—werden zij aangetrokken door het monster, dat in de verte brulde, en waren verloren.

De gure wind huilde, de regen kletterde, de lucht was donker betrokken, toen Harriët, hare oogen van haar werk opslaande, waarop zij weder langen tijd standvastig had zitten turen, een dezer reizigers zag aankomen.

Eene vrouw. Eene eenzame vrouw van ongeveer dertig jaren, rijzig, welgevormd, met fraaie trekken, ellendig gekleed. De grond van velerlei landwegen bij afwisselend weder—stof, kalk, klei en zand—kleefde aan haar druipenden mantel. Geen hoed op het hoofd; niets om hare welige zwarte haren voor den regen te beschermen, dan een gescheurden zakdoek, met welks fladderende slippen en met hare eigene haren de wind haar zoodanig verblindde, dat zij dikwijls moest stilstaan om ze weg te strijken en uit te zien welken weg zij ging.

Zij deed dit juist weder, toen Harriët haar opmerkte. Toen hare handen, op haar door de zon gebruind voorhoofd samengevoegd, over haar gezicht streken, en de belemmeringen, die het half bedekten, wegveegden, vertoonde het eene roekeloos trotsche, achtelooze schoonheid; eene onverschrokkene, woeste onverschilligheid voor meer dan het weder; eene minachting voor alles wat hemel of aarde op haar hoofd mocht werpen; en dit, met hare ellende en eenzaamheid, trof het vrouwelijk hart van Harriët. Zij dacht aan alles wat in haar binnenste, evenzeer als in haar uiterlijk, bedorven en verbasterd moest wezen; aan de zachte sieraden van het gemoed, verhard en verstaald gelijk die lichamelijke bekoorlijkheden; aan de vele gaven van den Schepper, in den wind geslingerd gelijk dat woeste haar; aan de geheele schoone ruïne, die door den storm geteisterd werd en waarover de nacht nederdaalde.

Hieraan denkende, keerde zij zich niet met kiesche verontwaardiging af—gelijk menigeen van hare teedere, gevoelvolle sekse maar al te dikwijls doet—maar kreeg medelijden met haar.

Hare gevallene zuster kwam nader. Zij keek[239]ver voor zich uit, alsof zij met hare oogen door den nevel poogde te dringen, die de stad bedekte, en wierp nu en dan een blik links en rechts met het twijfelachtige, verbijsterde gezicht eener vreemde. Hoewel haar tred nog fier was, was zij toch vermoeid, en na een oogenblik van besluiteloosheid, zette zij zich op een hoop steenen neer, zonder eene schuilplaats voor den regen te zoeken.

Zij was nu vlak tegenover het huis. Haar hoofd opheffende, nadat zij het eene korte poos in hare handen had laten rusten, ontmoetten hare oogen die van Harriët.

In een oogenblik was Harriët aan de deur. Op haar wenken stond de andere op en kwam naar haar toe, maar met geen gezicht alsof zij haar voor zich wilde innemen.

“Waarom gaat gij in den regen zitten rusten?” zeide Harriët vriendelijk.—“Omdat ik geene andere plaats heb,” was het antwoord.—“Maar er zijn hier toch plaatsen genoeg om te schuilen. Dit,” de schuilplaats onder het afdakje bedoelende, “is beter dan waar gij waart gaan zitten. Gij moogt hier vrij zitten uitrusten.”

De zwervelinge zag haar aan, met twijfel en verwondering, maar zonder eenige dankbaarheid te laten blijken, zette zich neer, trok een van hare versletene schoenen uit, om er het zand en steengruis uit te slaan dat er in was, en liet zoo zien dat haar voet gekwetst was en bloedde.

Harriët kon dit niet zien zonder eene uitroeping van medelijden. De zwervelinge zag met een verachtelijken en ongeloovigen glimlach naar haar op.

“Wel, wat is een kapotte voet voor iemand als ik?” zeide zij. “En wat is een kapotte voet van iemand als ik, voor iemand als gij?”—“Kom binnen om hem af te wasschen,” zeide Harriët zachtzinnig, “en laat ik u iets geven om hem te verbinden.”

De vrouw vatte haar arm, en dien voor hare eigene oogen houdende, om ze te verbergen, barstte zij in tranen uit. Zij schreide niet gelijk eene vrouw, maar gelijk een hardvochtig man, die zich door zulk eene zwakheid laat verrassen; met een geweldig zwoegen van hare borst en een worstelen om zich te bedwingen, waaruit bleek hoe ongewoon zulk eene aandoening bij haar was.

Zij liet zich in huis brengen, en blijkbaar meer uit dankbaarheid dan omdat zij iets om zich zelve gaf, wiesch en verbond zij de gewonde plek. Daarop zette Harriët haar het overschot van haar eigen karig middagmaal voor, en toen de vrouw daarvan gegeten had (maar spaarzaam), verzocht zij haar om, eer zij haar weg voortzette (hetgeen zij terstond wilde doen) hare kleeren voor het vuur te drogen. Wederom meer uit dankbaarheid dan omdat zij zich eenigszins om zich zelve bekommerde, zette zij zich voor den haard, en den doek om haar hoofd losmakende, liet zij hare dikke natte haren tot beneden haar middel afvallen, droogde ze met hare handpalmen af, en zat in de vlam te staren.

“Gij zult zeker wel denken,” zeide zij, eensklaps haar hoofd opheffende, “dat ik eens mooi moet zijn geweest. Dat geloof ik ook—ik weet het. Zie hier!”

Zij hield hare haren ruw met beide handen omhoog, ze aanvattende alsof zij ze wilde uitrukken, en smeet ze weder naar achteren alsof het een hoop kronkelende slangen was.

“Zijt gij hier vreemd?” zeide Harriët.—“Vreemd!” antwoordde zij, tusschen ieder kort gezegde ophoudende, en naar het vuur kijkende. “Ja. Tien of twaalf jaren lang vreemd. Ik heb geen almanak gehad waar ik geweest ben. Tien of twaalf jaren. Ik ken deze streek niet meer. Zij is veel veranderd sedert ik heenging.”—“Zijt ge ver geweest?”—“Heel ver. Maanden aan maanden over zee, en toen nog heel ver. Ik ben geweest waar gecondemneerden heengaan,” voegde zij er bij, hare gastvrouw strak aanziende. “Ik ben er zelf een geweest.”—“De hemel helpe u en vergeve u!” was het zachte antwoord.—“Ja! de hemel mag mij wel helpen en vergeven!” antwoordde zij, met haar hoofd naar het vuur knikkende. “Als de menschen sommigen van ons wat meer wilden helpen, zou God ons allen misschien des te eerder vergeven.”

Zij liet zich echter verzachten door het hartelijke gezichtje, dat haar zoo vriendelijk en vrij van alle veroordeeling aanzag, en zeide met minder hardvochtigheid:

“Wij zullen misschien haast even oud zijn, gij enik. Of als ik ouder ben is het niet meer dan een jaar of twee. O, denk daar eens aan!”

Zij sloeg hare armen open als moest hare uitwendige gedaante toonen hoe ellendig diep verzonken zij ook in het zedelijke was, liet ze toen weder neervallen en te gelijk haar hoofd op de borst zinken.

“Er is niets dat men niet mag hopen te herstellen; het is nooit te laat om zich te verbeteren,” zeide Harriët. “Gij zijt boetvaardig …”—“Neen,” antwoordde zij. “Dat ben ik niet. Dat kan ik niet zijn. Dat ben ik geheel niet. Waarom zouikboetvaardig wezen, en alle anderen vrijloopen. Zij praten mij van boetvaardigheid en berouw. Wie heeft er berouw over het kwaad dat mij gedaan is!”

Zij stond op, bond den doek om haar hoofd en wilde gaan.

“Waar gaat gij naar toe?” zeide Harriët.—“Daar naar toe,” antwoordde zij, met hare hand wijzende. “NaarLonden.”—“Hebt gij daar een thuis, waar gij naar toe kunt gaan?”—“Ik geloof dat ik eene moeder heb. Zij is evenveel eene moeder als hare woning een thuis is,” antwoordde zij met een bitteren lach.—“Neem dit nog,” zeide Harriët, haar eenig[240]geld in de hand stoppende. “Doe uw best. Het is heel weinig, maar een dag lang kan het u toch wel voor kwaad bewaren.”—“Zijt gij getrouwd?” zeide de vrouw flauw, terwijl zij het geld aannam.—“Neen. Ik woon hier met mijn broeder. Wij hebben niet veel te missen, of ik zou u meer geven.”—“Wilt gij mij u een kus laten geven?”

Geene verachting of tegenzin op haar gezichtje lezende, boog het voorwerp harer liefdadigheid zich over haar heen en drukte hare lippen op hare wang. Nogmaals vatte zij haar arm en bedekte hare oogen daarmede, en toen was zij verdwenen.

Verdwenen in de toenemende duisternis, in den loeienden wind en den kletterenden regen; verder op haar weg naar de in nevel gehulde stad, waar de schemerende lichten schenen; met hare zwarte haren en slordig hoofddeksel, dat om haar roekeloos stoutmoedig gezicht fladderde.


Back to IndexNext