XXXV.

[Inhoud]XXXV.HET GELUKKIGE PAAR.De donkere plek in de straat is verdwenen.Indien het huis van Dombey nog eene gaping tusschen de andere huizen maakt, is het alleen omdat zij er in pracht niet mede kunnen wedijveren en het hen trotsch van zich afstoot. Thuis is thuis, zegt men, al is het huis nog zoo nederig. Indien het omgekeerde waar blijft, en thuis ook thuis is, al is het nog zoo statig, welk een altaar voor de huisgoden is hier dan opgericht!Lichten schitteren dezen avond voor de vensters, en de roode gloed van het vuur schijnt helder en warm op de behangsels en zachte tapijten, en het diner wacht om te worden opgezet, en de tafel is keurig gedekt, hoewel maar voor vier personen, en het buffet is zwaar met zilver beladen. Het is de eerste maal sedert de jongste verandering dat het huis betrokken zal worden, en ieder oogenblik verwacht men het gelukkige paar.De belangstelling en verwachting welke deze thuiskomstavond bij de dienstboden opwekt, behoeven alleen voor die op den ochtend der huwelijksplechtigheid achter te staan. Jufvrouw Perch zit in de keuken thee te drinken. Zij is het geheele huis door geweest, heeft de zijden en damasten stoffen bij de el gewaardeerd, en alle uitdrukkingen van verwondering en opgetogenheid uitgeput, die het woordenboek bevat. De meesterknecht van den behanger, die zijn hoed, met een zakdoek daarin, (welke beide een vernisreuk hebben), onder een stoel in het voorhuis heeft gelaten, dwaalt nog door het huis rond, kijkt omhoog naar de kroonlijsten en omlaag naar de tapijten, en haalt nu en dan in stille verrukking een duimstok uit zijn zak, en neemt, met onuitsprekelijk gevoel, in de lucht schermend, de maat van de kostbaarste voorwerpen. De keukenmeid is bijzonder vroolijk en zegt, geefhaarmaar een dienst waar veel partijen plaats hebben (gelijk zij nu wel wil wedden dat gebeuren zal), want zij is altijd levendig van aard geweest, van een kind af, en het kan haar niet schelen wie het weet; welk gezegde door jufvrouw Perch met een gemurmel van goedkeuring en overeenstemming wordt aangehoord. Al wat de werkmeid hoopt is, dat zij gelukkig zullen zijn—maar het huwelijk is eene loterij, en hoe meer zij er over denkt, des te meer gevoelt zij hoe onafhankelijk en veilig het ongetrouwde leven is. Towlinson is knorrig en bits, en zegt dat hij ook van die meening is, en geef hem dan maar oorlog, en dood aan de Franschen—want deze jonkman verkeerde in den waan, dat ieder buitenlander een Franschman was en volgens de wetten der natuur moest wezen.Bij ieder nieuw gerucht van wielen zwijgen allen—wat men ook op het oogenblik mag zeggen—en luisteren; en meer dan eens heeft er een algemeen opspringen plaats met den kreet: “Daar zijn zij!” Maar zij zijn er nog niet, en de keukenmeid begint over het diner te treuren, dat al tweemaal is uitgesteld, en de meesterknecht van den behanger dwaalt nog in de kamers rond, ongestoord in zijn zalig gemijmer.Florence is gereed om haar vader en hare nieuwe mama te ontvangen. Of de ontroering, die haar hart zoo doet kloppen, uit blijdschap of droefheid ontstaat, weet zij bijna niet. Maar[247]dat onstuimig kloppende hart doet haar eene verhoogde kleur op de wangen en glans in de oogen komen; en zij zeggen beneden, de hoofden bijeenstekende—want zij spreken altijd zacht als zij van haar spreken—hoe heerlijk jufvrouw Florence er van avond uitziet, en welk eene lieve jonge dame zij geworden is—arme wees! Er volgt eene poos van stilte; en de keukenmeid, die gevoelt dat men, als presidente, iets van haar verwacht, verwondert zich—en blijft daarbij steken. De werkmeid verwondert zich insgelijks, en zoomede jufvrouw Perch, die een gelukkig gezellig talent bezit om zich altijd te verwonderen als anderen dit doen, zonder te vragen waarover zij zich verwondert. Towlinson, die eene gelegenheid ziet om de dames even naargeestig te doen worden als hij zelf is, zegt: wacht maar en zie, hij wenschte dat sommige menschen er al goed doorheen waren. Dan geeft de keukenmeid het voorbeeld van een zucht en een geprevel van “Ja, het is eene vreemde wereld—dat is het wel!” en wanneer dit de tafel is rondgegaan, voegt zij er overredend bij: “Maar, jufvrouw Florence kan toch met geene verandering verliezen, Tom?” Towlinson’s antwoord, dat schrikkelijk vol beteekenis is, luidt: “Zoo, kan zij niet!” en begrijpende dat een gewoon mensch zich niet wel grooter profeet kan toonen, of dit nog overtreffen, zwijgt hij stil.Mevrouw Skewton, voornemens om hare lieve dochter en haar waarden schoonzoon met opene armen te begroeten, is tot dat einde gedost in een zeer jeugdig costuum met korte mouwen. Thans echter bloeien hare rijpe bekoorlijkheden nog in de schaduw harer eigene kamer, waaruit zij niet te voorschijn is gekomen, sedert zij er eenige uren geleden bezit van heeft genomen, en waar zij zich nu wrevelig zit te maken over het uitstellen van het diner. De kamenier, die een geraamte behoorde te zijn, maar inderdaad eene mollige deern is, is integendeel uitmuntend in haar schik, daar zij haar vierendeeljaars inkomen thans voor veel zekerder houdt dan voorheen, en eene groote verbetering van tafel en bed te gemoet ziet.Waar is het gelukkige paar, hetwelk zulk eene heerlijke woning verwacht? Verminderen wind en getij, stoom en paarden allen hun spoed, om zulk een geluk nog wat langer te kunnen aanzien? Vertraagt de zwerm van minnegoodjes en gratiën, die om hen heen zweven, hun tocht door hun aantal? Groeien er zoovele bloemen op hun gelukkig pad, dat zij nauwelijks voort kunnen, telkens verward in rozen zonder doornen?Daar zijn zij eindelijk! Men hoort het geratel van wielen; dit wordt luider, en een rijtuig houdt voor de deur stil. Een donderend geklop van den hatelijken vreemdeling voorkomt nog den spoed van Towlinson en zijn gezelschap om de deur te openen; en Dombey en zijne jonge vrouw stappen af en gaan arm in arm binnen.“Mijne allerliefste Edith!” roept eene aangedane stem op de trap. “Mijn allerwaardste Dombey!” en de korte mouwen strengelen zich beurtelings om het gelukkige paar.Florence was ook naar het voorhuis gekomen, maar durfde niet naderen. Zij bewaarde haar schroomvalligen welkomstgroet, tot de verrukking van haar, die nader en dierbaarder was, zou bedaren. Edith’s oogen zochten haar evenwel reeds op den drempel; en hare teedere moeder met een vluchtigen kus op de wangen afschepende, haastte zij zich naar Florence en omhelsde haar.“Hoe maakt gij het, Florence?” zeide haar vader, zijne hand uitstekende.Toen Florence deze bevend aan hare lippen bracht, ontmoette zij zijn blik. Die blik was koud genoeg; maar het bracht toch geheel haar hart in beweging dat zij daarin wat meer belangstelling ontdekte, dan hij haar ooit voorheen had getoond. Hij drukte zelfs eene flauwe verrassing, en dat wel geene onaangename verrassing, uit, door haar gezicht veroorzaakt. Zij durfde hare oogen niet meer opslaan; maar zij gevoelde dat hij haar nog eens, en niet minder gunstig, aanzag. O, welk eene blijdschap doortintelde haar, bij deze hersenschimmige bevestiging harer hoop, dat zij door hare nieuwe schoone mama zijne liefde zou leeren winnen!“Gij zult u niet lang ophouden met verkleeden, mevrouw Dombey?” zeide hij.—“Ik zal terstond gereed zijn.”—“Laten zij dan over een kwartier het diner opbrengen.”Daarmede stapte Dombey naar zijne eigene kleedkamer en mevrouw ging naar boven naar de hare. Mevrouw Skewton en Florence begaven zich naar het salon, waar die uitmuntende moeder zich verplicht achtte eenige onbedwingbare tranen te storten, die men begrijpen moest dat het geluk harer dochter haar afperste, en die zij nog bezig was af te drogen, zeer voorzichtig, met een puntje van haar geborduurden zakdoek, toen haar schoonzoon binnentrad.“En hoe heeft mijn waarde Dombey die verrukkelijkste van alle steden, dat heerlijkeParijsgevonden?” vroeg zij, hare aandoening bedwingende.—“Het was er koud,” antwoordde Dombey.—“En zoo vroolijk als altijd, natuurlijk,” zeide mevrouw Skewton.—“Niet bijzonder. Ik vond het er vervelend,” antwoordde Dombey.—“Wel foei, mijn beste Dombey,” riep zij schalkachtig uit. “Vervelend!”—“Dat was de indruk, dien het op mij maakte, mevrouw,” zeide Dombey, met beleefden ernst. “Ik geloof dat mevrouw Dombey het er ook vervelend vond. Zij heeft eens of tweemaal aangemerkt dat zij zoo dacht.”—“O gij ondeugend kind,” riep mevrouw Skewton hare beminde[248]dochter, die nu binnentrad, schertsend te gemoet, “welke schrikkelijke ketterijen hebt gij vanParijsverteld?”Edith trok met een voorkomen van verveling en afmatting hare wenkbrauwen op, en de dubbele deur doorgaande, die opengezet was om de fraaie suite met het nieuwe kostbare ameublement te laten zien, waarnaar zij in het voorbijgaan slechts even omkeek, zette zij zich bij Florence neer.“Mijn waarde Dombey,” zeide mevrouw Skewton, “hoe allerliefst hebben die menschen ieder denkbeeld verwezenlijkt, waarvan wij maar een wenk hadden gegeven. Zij hebben uw huis waarlijk tot een paleis gemaakt.”—“Het is mooi,” zeide Dombey, in het rond ziende. “Ik had last gegeven om geene kosten te ontzien, en al wat geld kon doen, is ook gedaan, geloof ik.”—“En wat kan het niet doen, mijn waarde Dombey?” merkte Cleopatra aan.—“Het is machtig, mevrouw,” zeide Dombey.Hij keek op zijne plechtige manier naar zijne vrouw, maar zij sprak geen woord.“Ik hoop, mevrouw Dombey,” zeide hij, na een oogenblik zwijgens, met bijzondere duidelijkheid, “dat deze veranderingen uwe goedkeuring wegdragen?”—“Het is alles zoo fraai als het wezen kan,” antwoordde zij met trotsche onverschilligheid. “Zoo moest het natuurlijk zijn; en het zal ook wel zoo wezen, denk ik.”Eene uitdrukking van hoonende minachting was op haar trotsch gelaat iets gewoons, en scheen daarvan onafscheidbaar te wezen; maar de verachting waarmede zij elke aanspraak op bewondering, eerbied of achting op grond van zijn rijkdom beantwoordde, was iets geheel anders, iets nieuws, waarbij elke andere uitdrukking, waarvoor haar gelaat vatbaar was, in kracht wegzonk. Hetzij Dombey, in zijne eigene grootheid geharnast, dit ontwaarde of niet, het had reeds aan geene gelegenheden ontbroken om hem in dit opzicht de oogen te openen, en op dit oogenblik had dit kunnen geschieden door den enkelen blik van het donkere oog, dat op hem bleef rusten, na met eene haastige minachting te zijn heengegleden over datgene waarop hij zich verhoovaardigde. Hij had in dat oog kunnen lezen, dat niets wat zijn geld kon doen, al ware hij tien duizendmaal rijker, hem één zachten blik had kunnen verwerven van de stugge vrouw, die aan hem was geboeid, maar wier geheele ziel tegen hem in opstand was. Hij had in dat oog kunnen lezen, dat zij dit geld, juist om den verlagenden invloed, dien het op haar had uitgeoefend, haatte en verachtte, terwijl zij, al wat het maar verschaffen kon, opeischte, als een recht dat zij gekocht had—als het gemeene en geringe loon, waarvoor zij zijne vrouw was geworden. Hij had daarin kunnen lezen, dat, daar haar eigen hoofd steeds voor den bliksem harer eigene trotsche verachting ontbloot was, de onschuldigste toespeling op de macht van zijn geld haar opnieuw vernederde, haar in hare eigene schatting nog dieper deed zinken, en de ledigheid en barheid in haar binnenste nog volkomener deed worden.Maar het diner was gereed, en Dombey leidde Cleopatra naar beneden. Edith en zijne dochter volgden. De uitstalling van goud en zilver op het buffet voorbijstrijkende alsof het hoopen slijk waren, en zonder al het fraaie om haar heen met een enkelen blik te verwaardigen, nam zij voor de eerste maal hare plaats aan zijne tafel, en zat daar gelijk een steenen beeld.Dombey, die zelf tamelijk steenenbeeldachtig was, mishaagde het niet zijne schoone vrouw zoo stijf, trotsch en koud te zien. Daar zij toch altijd elegant was, was dit haar algemeen gedrag hem veeleer aangenaam. Hij bewaarde dus zijne gewone deftigheid, en vervulde, zonder zijne vrouw door eenige van hem afstralende warmte of vroolijkheid te berispen, met koele zelfvoldoening zijn aandeel aan de honneurs; en dit eerste diner, hoewel beneden voor geen zeer veelbelovend begin gehouden, liep boven beleefd en complimenteus genoeg af.Mevrouw Skewton, die zich geheel afgemat veinsde door de blijde aandoeningen, welke uit hare bespiegeling van het geluk harer lieve dochter, die met den man van haar hart vereenigd was, ontsproten, maar die waarschijnlijk dezen familiekring wat vervelend begon te vinden, nadat zij een uur achter haar waaier had zitten geeuwen, ging kort na de thee naar bed. Edith ging insgelijks stilzwijgend heen en kwam niet terug. Zoo gebeurde het dat Florence, die naar boven was geweest om met Diogenes te praten, toen zij met haar werkmandje naar het salon terugkwam, daar niemand vond dan haar vader, die in eenzame grootheid heen en weder wandelde.“O, neem mij niet kwalijk. Zal ik weer heengaan, papa?” zeide Florence flauw en bleef aarzelend bij de deur staan.—“Neen,” antwoordde Dombey, over zijn schouder omziende, “gij kunt hier komen en gaan zooals het u belieft, Florence; dit is mijne particuliere kamer niet.”Florence kwam binnen, en zette zich met haar werk aan een tafeltje in den versten hoek; en zoo bevond zij zich voor de eerste maal van haar leven—voor de eerste maal zoolang haar heugde—met haar vader alleen in gezelschap. Zij, zijne natuurlijke gezellin, zijn eenig kind; zij, die in haar eenzaam leven had geleerd wat hartzeer was; die, in hareversmadeliefde, des avonds nooit zijn naam tot God had gefluisterd, dan met tranen en zegeningen, die hem zwaarder drukten dan een vloek; die gebeden had om jong te sterven, als zij maar in zijne armen sterven mocht; die altijd de marteling zijner koele verwaarloozing en afkeerigheid[249]met geduldige liefde had vergolden, hem had verontschuldigd en voor hem gepleit, als zijn goede engel!Zij beefde, en hare oogen waren beneveld. Zijne gedaante scheen, terwijl hij door het vertrek op en neer stapte, hooger en breeder te worden. Nu was zij schemerachtig en onduidelijk, dan weder helder en scherp begrensd; en nu scheen zij te denken dat dit juist eveneens, een aantal jaren geleden, gebeurd was. Zij smachtte naar hem en huiverde toch als hij haar naderde. Onnatuurlijke aandoening bij een kind, dat zich van geen kwaad bewust was! Onnatuurlijk de hand, die den scherpen ploeg had bestuurd, welke haar zacht gemoed had omgewoeld om zulk een zaad te zaaien!“Zij is nog verharder teruggekomen dan zij is heengegaan!” Riep de moeder, naar haar opziende en nog hare knieën vasthoudende. (blz. 242).“Zij is nog verharder teruggekomen dan zij is heengegaan!” Riep de moeder, naar haar opziende en nog hare knieën vasthoudende.(blz. 242).Daar zij hem niet wilde bedroeven of door hare droefheid verstoren, bedwong Florence zich en bleef stil zitten werken. Nadat hij nog eenige malen de kamer op en neer had gestapt, staakte hij dit wandelen, begaf zich naar een duisteren hoek, op eenigen afstand, waar een leuningstoel stond, hing zich een zakdoek over zijn hoofd en zette zich om te slapen.Het was genoeg voor Florence dat zij daar mocht zitten en hem gadeslaan, nu en dan hare oogen naar zijn stoel richten, hem met gedachten bespieden, terwijl haar gezichtje over haar[250]werk gebogen was, en zich weemoedig verheugen in de gedachte dat hijkonslapen terwijl zij daar zat, en door hare vreemde, lang verbodene tegenwoordigheid niet onrustig werd gemaakt.Welke gedachten zou zij niet gehad hebben, als zij geweten had dat hij strak naar haar zag; dat de doek over zijn gezicht, hetzij bij toeval of met opzet, zoodanig was gehangen dat zijne oogen genoegzaam vrij bleven, en dat die geene seconde van haar gezichtje werden afgewend. Dat, wanneer zij naar hem opkeek, hare sprekende oogen, krachtiger en aandoenlijker in hunne stemmelooze taal dan alle redenaren der wereld, de zijne ontmoetten, zonder dat zij dit wist. Dat hij, als zij haar hoofdje weder over haar werk boog, ruimer ademhaalde, maar even oplettend naar haar bleef turen—naar haar blank voorhoofd, en hare hangende lokken, en hare bezige handjes; dat hij, eens daardoor aangetrokken, het vermogen niet scheen te hebben om zijne oogen af te wenden!En wat waren zijne gedachten ondertusschen? Met welke aandoeningen staarde hij zoo tersluiks zijne onbekende dochter aan? Was er iets verwijtends voor hem in die stille gedaante en die zachte oogen? Begon hij eenigszins te gevoelen dat zij aanspraken op hem had, die hij in den wind had geslagen, en dat hij haar daardoor een wreedaardig onrecht had aangedaan?Er zijn weekhartige oogenblikken in het leven der hardvochtigste menschen, schoon zulke menschen meestal hun geheim wel bewaren. Het zien van haar in hare schoonheid, bijna in een volwassen meisje veranderd zonder dat hij het wist, mag wel, zelfs in zijn leven van trots, eenige zulke oogenblikken veroorzaakt hebben. Eene vluchtige gedachte dat hij een gelukkig huiselijk leven binnen zijn bereik had gehad—dat een weldadige huisgeest zich voor zijne voeten had gebogen—dat hij dien in zijne hardnekkige stugheid en verwaandheid over het hoofd had gezien, en weggedwaald en verdwaald was, mag die oogenblikken hebben voortgebracht. Eene eenvoudig welsprekende toespraak, duidelijk gehoord, hoewel hare oogen alleen de tolken er van waren, onbewust dat hij er in las, zooals “bij de sterfbedden, die ik heb bijgewoond, bij de kindsheid die ik heb doorgestaan, bij onze ontmoeting te middernacht in dit akelige huis, bij den kreet dien het harteleed mij afperste, o vader, keer u tot mij en zoek eene toevlucht in mijne liefde eer het te laat is!” mag ze hebben vastgehouden. Gedachten van lager aard, zooals, dat voor zijn dooden zoon nu toch nieuwe banden in de plaats kwamen, en hij het dus wel vergeten kon dat zij uit zijne genegenheid verdrongen was, mogen er aanleiding toe gegeven hebben. De enkele gedachte dat zij ook een sieraad was, dat bij al de pracht om hem heen voegde en behoorde, mag voldoende zijn geweest. Maar terwijl hij zoo tuurde, werd hij al weeker en weeker voor haar. Terwijl hij zoo tuurde, werd zij gemengeld met het kind dat hij lief had gehad, en kon hij de twee bijna niet meer van elkander afscheiden. Terwijl hij zoo tuurde, zag hij haar voor een oogenblik in een helder en duidelijker licht, niet als zijne mededingster, over de peluw van dat kind gebogen—gedrochtelijke gedachte—maar als de goede geest van zijn huis, en die hem zelven niet minder dienstbaar was toen hij met het gebogene hoofd in de hand bij dat bedje zat. Hij gevoelde eene neiging om haar aan te spreken en tot zich te roepen. De woorden “Florence, kom hier!” kwamen hem reeds op de lippen—maar langzaam en met moeite, zoo vreemd waren zij—toen zij gesmoord werden door een voetstap op de trap.Het was die van zijne vrouw. Zij had het kleed, dat zij bij het diner had aangehad, met een loshangend gewaad verwisseld, en hare haren losgemaakt, die nu vrij om haar hals zwierden. Maar dit was de verandering niet die hem bevreemdde.“Florence, lieve,” zeide zij, “ik heb overal naar u gezocht.”Toen zij zich bij Florence neerzette, bukte zij en kuste haar de hand. Hij herkende zijne vrouw bijna niet—zoo was zij veranderd. Het was niet alleen dat haar glimlach nieuw voor hem was—hoewel hij ook dien nog nooit had gezien; maar hare houding, de klank harer stem, de glans harer oogen, de belangstelling, het vertrouwen, het innemende verlangen om te behagen, in dat alles uitgedrukt—dit was Edith niet.“Zachtjes, lieve mama. Papa slaapt.”Nu was het Edith. Zij zag naar den hoek waar hij zat, en hij kende haar gezicht en hare houding zeer wel.“Ik dacht niet dat gij hier kondt zijn, Florence.”Wederom, hoe veranderd en verzacht, in een oogenblik!“Ik ben opzettelijk vroeg heengegaan,” vervolgde Edith, “om boven bij u te zitten en met u te praten. Maar toen ik naar uwe kamer ging, vond ik mijn vogeltje gevlogen, en ik heb daar aldoor zitten wachten, in de gedachte dat het zou terugkomen.”Indien het waarlijk een vogeltje was geweest, had zij het niet teerder en zachter aan hare borst kunnen drukken dan zij Florence deed.“Kom, liefje!”—“Papa zal toch niet verwachten mij nog hier te vinden, als hij wakker wordt, denk ik?” zeide Florence aarzelend.—“Denkt gij dat wel?” antwoordde Edith, haar strak aanziende.Florence liet haar hoofdje zinken en stond op. Edith nam haar arm onder den haren, en[251]zij gingen de kamer uit als zusters. Zelfs haar stap was anders en nieuw voor hem, dacht Dombey, toen zijne oogen haar naar de deur volgden.Hij bleef zoolang in zijn donkeren hoek zitten, dat de klokken nog driemaal het uur sloegen eer hij zich bewoog. Al dien tijd bleven zijne oogen strak op de plek gericht waar Florence gezeten had. De kamer werd donkerder en donkerder naarmate de kaarsen afbrandden en uitgingen; maar er pakte zich in zijne trekken eene duisternis samen, donkerder dan de nacht kon werpen, en die duisternis verdween niet weder.Florence en Edith, voor het vuur gezeten, in de afgelegene kamer waar Paul gestorven was, bleven daar nog lang praten. Diogenes had eerst bezwaren tegen de toelating van Edith gemaakt, en haar, zelfs uit inschikkelijkheid voor zijne meesteres, slechts onder een brommend protest geduld. Maar langzamerhand uit de voorkamer komende, waar hij zich misnoegd had afgezonderd, scheen hij te begrijpen dat hij met de beste meening een van die vergissingen had begaan, waaraan de beste hond nu en dan onderhevig is; en als eene vriendelijke verontschuldiging plantte hij zich recht overeind tusschen de twee, op een zeer heet plaatsje vlak voor het vuur, en bleef zoo, hijgende, met de tong uit den bek en met een allerdomst gezicht, naar het gesprek luisteren.Dit liep in het eerst over Florence’s boeken en bezigheden, en de manier waarop zij zich sedert den dag der huwelijksplechtigheid den tijd had gekort. Dit onderwerp deed haar aan iets denken dat haar zeer nauw aan het harte lag, en terwijl haar de tranen in de oogen kwamen, zeide zij:“O, mama, ik heb in dien tijd zulk een groot verdriet gehad.”—“Gij een groot verdriet, Florence?”—“Ja, de arme Walter is verdronken.”Zij hield hare handen voor hare oogen en schreide met al haar hart. Hoeveel geheime tranen Walter’s lot haar ook reeds had gekost, zij vloeiden nog altijd wanneer zij van hem sprak of aan hem dacht.“Maar zeg mij, liefje,” zeide Edith op een troostenden toon. “Wie was Walter? Wat was hij voor u?”—“Hij was mijn broeder, mama. Toen Paul gestorven was, zeiden wij dat wij broeder en zuster wilden zijn. Ik had hem lang gekend—van een klein kind af. Hij kende Paul ook, die veel van hem hield. Paul zeide, bijna met zijne laatste woorden: “Zorg toch voor Walter, lieve papa. Ik heb veel van hem gehouden!” Walter was binnengeroepen om hem te zien, en hij was daar toen—hier in de kamer.”—“En heeft hij voor Walter gezorgd?” vroeg Edith op stroeven toon.—“Papa? Hij benoemde hem om buitenslands te gaan. Hij verdronk op reis door eene schipbreuk,” zeide Florence snikkende. —“Weet hij dat hij dood is?” vroeg Edith.—“Dat kan ik niet zeggen, mama. Ik heb geen middel om dat te weten te komen. Lieve mama!” riep Florence, zich aan haar vastklemmende, alsof zij hulp verlangde, en haar gezichtje aan hare borst verbergende, “ik weet, gij hebt wel gezien …”—“Stil! Wacht eens, Florence.” Edith was zoo bleek geworden en sprak zoo ernstig, dat zij Florence niet eens de hand op den mond had behoeven te leggen. “Zeg mij eerst alles van Walter. Laat ik zijne geheele geschiedenis wel begrijpen.”Florence verhaalde die met al wat er toe behoorde: zelfs met de vriendschap van Toots, van wien zij zelfs in hare droefheid niet spreken kon zonder een betraanden glimlach, hoewel zij hem innig dankbaar was. Toen haar verhaal ten einde was, waarnaar Edith, hare hand vasthoudende, met ernstige aandacht luisterde, zeide deze:“Wat weet gij dat ik wel gezien heb, Florence?”—“Dat ik,” antwoordde Florence met dezelfde angstige beweging als te voren en wederom haar gezicht verbergende, “geen bemind kind ben, mama. Dat ben ik nooit geweest. Ik heb nooit geweten hoe ik het worden moest. Ik ben van den weg afgeraakt, en had niemand om hem mij te wijzen.O, laat ik van u leeren hoe ik papa dierbaarder kan worden. Leer mij, gij die dat zoo goed kunt!” En zich nog vaster klemmende, met eenige afgebrokene woorden van liefkoozing en dankbaarheid, bleef Florence, van haar treurig geheim ontlast, nog lang schreien, maar niet zoo smartelijk als voorheen, in de armen harer nieuwe moeder.Bleek, tot hare lippen toe, en met een gezicht dat zich tot kalmte dwong, tot de trotsche schoonheid daarvan zoo strak was als de dood, zag Edith op het schreiende meisje neer. Eens gaf zij haar een kus. Zich toen langzamerhand losmakende en Florence van zich afschuivende, zeide zij, statig en stil, als een marmeren beeld, en met eene stem die doffer werd naarmate zij sprak, maar geen ander blijk van aandoening gaf:“Florence, gij kent mij niet! De hemel verhoede dat gij van mij zoudt leeren!”—“Niet van u leeren?” zeide Florence, verwonderd.—“Dat ik u leeren zou hoe gij moet liefhebben of bemind kunt worden, verhoede de hemel!” zeide Edith. “Als gij mij leeren kondt, dat zou beter zijn; maar het is te laat. Gij zijt mij dierbaar, Florence. Ik had niet gedacht dat iets mij ooit zoo dierbaar kon zijn, als gij mij in dien korten tijd zijt geworden.”Zij zag dat Florence hier wilde spreken, wenkte haar daarom met de hand om stil te zwijgen, en vervolgde:“Ik zal altijd uwe ware vriendin zijn. Ik zal u liefhebben zooveel als iemand in deze wereld[252]zou kunnen doen. Gij kunt mij vertrouwen—ik weet het en ik zeg het, lieve—met het gansche vertrouwen zelfs van uw zuiver hart. Er zijn menigten van vrouwen, die hij had kunnen trouwen, beter en trouwer in alle opzichten dan ik ben, Florence; maar geene had als zijne vrouw hier kunnen komen, wier hart met meer oprechtheid voor u klopte dan het mijne doet.”—“Dat weet ik, lieve mama!” riep Florence uit. “Van dien eersten allergelukkigsten dag af heb ik dat geweten.”—“Allergelukkigste dag!” Edith scheen deze woorden onwillekeurig te herhalen, en vervolgde toen: “Schoon ik geene verdienste heb, want ik dacht weinig aan u eer ik u zag, laat mij in uwe liefde en vertrouwen mijne onverdiende belooning vinden. En hierin, Florence, hierin—op den eersten avond dat ik hier mijn intrek neem, krijg ik juist aanleiding, gelijk ook wel goed is, om het voor de eerste en laatste maal te zeggen.”Florence werd, zonder te weten waarom, bijna bang om haar te hooren voortgaan, en hield hare oogen strak op het schoone gelaat gericht, dat haar zoo vast aanzag.“Zoek nooit in mij te vinden,” zeide Edith, hare hand op hare borst leggende, “wat hier niet is. En als gij anders kunt, Florence, verzaak mij dan nooit omdat het hier niet is. Langzamerhand zult gij mij beter leeren kennen, en er zal een tijd komen dat gij mij kennen zult gelijk ik mij zelve ken. Wees dan zoo zacht voor mij als gij kunt, en laat de eenige zoete herinnering, die ik hebben zal, niet in bitterheid veranderen.”De tranen in de oogen, die zij strak op Florence gevestigd hield, toonden dat het kalme gelaat slechts een schoon masker was; maar zij behield dit toch en vervolgde:“Ikhebgezien wat gij zegt, en weet hoe waar het is. Maar geloof mij—dat zult gij spoedig, als gij het nu niet kunt—er is niemand op aarde minder geschikt om dit te recht te brengen of u te helpen dan ik. Vraag mij nooit waarom, en spreek mij nooit weer daarover of over uw papa. In zooverre moet er eene verwijdering tusschen ons zijn, eene stilte gelijk die van het graf zelf.”Zij bleef een tijd lang zwijgend zitten. Florence durfde ondertusschen nauwelijks ademhalen, terwijl flauwe schaduwen van de waarheid en de gevolgen, welk deze dagelijks moest medebrengen, elkander in hare ontstelde, en toch nog ongeloovige, verbeelding verdrongen. Bijna zoodra zij had opgehouden te spreken, begon Edith’s gelaat van deszelfs strakke bedaardheid tot dat zachter en rustiger uitzicht over te gaan, dat het doorgaans had als zij en Florence met elkander alleen waren. Na die verandering hield zij hare handen er voor; en toen zij opstond en Florence met eene teedere omhelzing goedennacht wenschte, ging zij snel en zonder om te zien heen.Maar toen Florence in bed en hare kamer donker was, behalve dat de gloed van het vuur nog een schijnsel gaf, kwam Edith terug, zeide dat zij niet slapen kon en het haar in hare kamer te eenzaam was, schoof een stoel bij den haard, en bleef in de wegstervende vonken zitten turen. Florence tuurde insgelijks daarnaar totdat zij en de statige gedaante met hare golvende haren onduidelijk werden en eindelijk, in haar sluimer, verdwenen.In haar slaap kon Florence evenwel den indruk van wat er zoo kort geleden was voorgevallen, niet te boven komen. Het bleef het onderwerp harer droomen, nu in de eene dan in de andere gedaante, maar altijd benauwend en vreesverwekkend. Zij droomde dat zij in eene woestijn naar haar vader zocht, en zijn spoor volgde over vreeselijke hoogten en in diepe grotten; dat zij iets had of wist waardoor zij hem van een folterend lijden kon ontheffen—zij wist niet wat of waarom—en hem toch nooit kon bereiken en bevrijden. Dan zag zij hem dood, op dat zelfde bed, in dezelfde kamer, en wist dat hij haar tot het laatste toe nooit had liefgehad, en viel, hartstochtelijk schreiende, op zijne koude borst. Dan opende zich een verschiet en stroomde er eene rivier, en riep eene klagende stem die zij kende: “Zij loopt maar voort, Flore. Zij houdt nooit op. Gij drijft er ook mee voort!” En zij zag hem in de verte zijne armen naar haar uitstrekken, terwijl eene gedaante, gelijk Walter placht te zijn, bij hem stond, zoo kalm en helder van uitzicht dat zij daardoor iets geduchts had. In ieder droomgezicht verscheen en verdween Edith, somtijds tot hare blijdschap, somtijds tot hare smart, totdat zij alleen stonden aan den rand van een donker graf, en Edith naar beneden wees en zij bukte en zag—wat!—eene andere Edith die op den bodem lag.De schrik van dezen droom deed haar gillen en ontwaken, dacht zij. Eene zachte stem scheen haar in het oor te fluisteren: “Florence, lieve Florence, het is maar een droom!” en hare armen uitstrekkende, beantwoordde zij de liefkoozing harer nieuwe mama, die vervolgens in het flauwe licht van den dageraad de deur uitging. In een oogenblik zat Florence overeind, zich verwonderende of dit werkelijk had plaats gehad; maar zij zag niets anders dan dat werkelijk de dag aanbrak, en dat de zwartachtige asch van het vuur onder den haard lag, en dat zij alleen was.Zoo verliep de eerste nacht nadat het gelukkige paar thuis was gekomen.[253]

[Inhoud]XXXV.HET GELUKKIGE PAAR.De donkere plek in de straat is verdwenen.Indien het huis van Dombey nog eene gaping tusschen de andere huizen maakt, is het alleen omdat zij er in pracht niet mede kunnen wedijveren en het hen trotsch van zich afstoot. Thuis is thuis, zegt men, al is het huis nog zoo nederig. Indien het omgekeerde waar blijft, en thuis ook thuis is, al is het nog zoo statig, welk een altaar voor de huisgoden is hier dan opgericht!Lichten schitteren dezen avond voor de vensters, en de roode gloed van het vuur schijnt helder en warm op de behangsels en zachte tapijten, en het diner wacht om te worden opgezet, en de tafel is keurig gedekt, hoewel maar voor vier personen, en het buffet is zwaar met zilver beladen. Het is de eerste maal sedert de jongste verandering dat het huis betrokken zal worden, en ieder oogenblik verwacht men het gelukkige paar.De belangstelling en verwachting welke deze thuiskomstavond bij de dienstboden opwekt, behoeven alleen voor die op den ochtend der huwelijksplechtigheid achter te staan. Jufvrouw Perch zit in de keuken thee te drinken. Zij is het geheele huis door geweest, heeft de zijden en damasten stoffen bij de el gewaardeerd, en alle uitdrukkingen van verwondering en opgetogenheid uitgeput, die het woordenboek bevat. De meesterknecht van den behanger, die zijn hoed, met een zakdoek daarin, (welke beide een vernisreuk hebben), onder een stoel in het voorhuis heeft gelaten, dwaalt nog door het huis rond, kijkt omhoog naar de kroonlijsten en omlaag naar de tapijten, en haalt nu en dan in stille verrukking een duimstok uit zijn zak, en neemt, met onuitsprekelijk gevoel, in de lucht schermend, de maat van de kostbaarste voorwerpen. De keukenmeid is bijzonder vroolijk en zegt, geefhaarmaar een dienst waar veel partijen plaats hebben (gelijk zij nu wel wil wedden dat gebeuren zal), want zij is altijd levendig van aard geweest, van een kind af, en het kan haar niet schelen wie het weet; welk gezegde door jufvrouw Perch met een gemurmel van goedkeuring en overeenstemming wordt aangehoord. Al wat de werkmeid hoopt is, dat zij gelukkig zullen zijn—maar het huwelijk is eene loterij, en hoe meer zij er over denkt, des te meer gevoelt zij hoe onafhankelijk en veilig het ongetrouwde leven is. Towlinson is knorrig en bits, en zegt dat hij ook van die meening is, en geef hem dan maar oorlog, en dood aan de Franschen—want deze jonkman verkeerde in den waan, dat ieder buitenlander een Franschman was en volgens de wetten der natuur moest wezen.Bij ieder nieuw gerucht van wielen zwijgen allen—wat men ook op het oogenblik mag zeggen—en luisteren; en meer dan eens heeft er een algemeen opspringen plaats met den kreet: “Daar zijn zij!” Maar zij zijn er nog niet, en de keukenmeid begint over het diner te treuren, dat al tweemaal is uitgesteld, en de meesterknecht van den behanger dwaalt nog in de kamers rond, ongestoord in zijn zalig gemijmer.Florence is gereed om haar vader en hare nieuwe mama te ontvangen. Of de ontroering, die haar hart zoo doet kloppen, uit blijdschap of droefheid ontstaat, weet zij bijna niet. Maar[247]dat onstuimig kloppende hart doet haar eene verhoogde kleur op de wangen en glans in de oogen komen; en zij zeggen beneden, de hoofden bijeenstekende—want zij spreken altijd zacht als zij van haar spreken—hoe heerlijk jufvrouw Florence er van avond uitziet, en welk eene lieve jonge dame zij geworden is—arme wees! Er volgt eene poos van stilte; en de keukenmeid, die gevoelt dat men, als presidente, iets van haar verwacht, verwondert zich—en blijft daarbij steken. De werkmeid verwondert zich insgelijks, en zoomede jufvrouw Perch, die een gelukkig gezellig talent bezit om zich altijd te verwonderen als anderen dit doen, zonder te vragen waarover zij zich verwondert. Towlinson, die eene gelegenheid ziet om de dames even naargeestig te doen worden als hij zelf is, zegt: wacht maar en zie, hij wenschte dat sommige menschen er al goed doorheen waren. Dan geeft de keukenmeid het voorbeeld van een zucht en een geprevel van “Ja, het is eene vreemde wereld—dat is het wel!” en wanneer dit de tafel is rondgegaan, voegt zij er overredend bij: “Maar, jufvrouw Florence kan toch met geene verandering verliezen, Tom?” Towlinson’s antwoord, dat schrikkelijk vol beteekenis is, luidt: “Zoo, kan zij niet!” en begrijpende dat een gewoon mensch zich niet wel grooter profeet kan toonen, of dit nog overtreffen, zwijgt hij stil.Mevrouw Skewton, voornemens om hare lieve dochter en haar waarden schoonzoon met opene armen te begroeten, is tot dat einde gedost in een zeer jeugdig costuum met korte mouwen. Thans echter bloeien hare rijpe bekoorlijkheden nog in de schaduw harer eigene kamer, waaruit zij niet te voorschijn is gekomen, sedert zij er eenige uren geleden bezit van heeft genomen, en waar zij zich nu wrevelig zit te maken over het uitstellen van het diner. De kamenier, die een geraamte behoorde te zijn, maar inderdaad eene mollige deern is, is integendeel uitmuntend in haar schik, daar zij haar vierendeeljaars inkomen thans voor veel zekerder houdt dan voorheen, en eene groote verbetering van tafel en bed te gemoet ziet.Waar is het gelukkige paar, hetwelk zulk eene heerlijke woning verwacht? Verminderen wind en getij, stoom en paarden allen hun spoed, om zulk een geluk nog wat langer te kunnen aanzien? Vertraagt de zwerm van minnegoodjes en gratiën, die om hen heen zweven, hun tocht door hun aantal? Groeien er zoovele bloemen op hun gelukkig pad, dat zij nauwelijks voort kunnen, telkens verward in rozen zonder doornen?Daar zijn zij eindelijk! Men hoort het geratel van wielen; dit wordt luider, en een rijtuig houdt voor de deur stil. Een donderend geklop van den hatelijken vreemdeling voorkomt nog den spoed van Towlinson en zijn gezelschap om de deur te openen; en Dombey en zijne jonge vrouw stappen af en gaan arm in arm binnen.“Mijne allerliefste Edith!” roept eene aangedane stem op de trap. “Mijn allerwaardste Dombey!” en de korte mouwen strengelen zich beurtelings om het gelukkige paar.Florence was ook naar het voorhuis gekomen, maar durfde niet naderen. Zij bewaarde haar schroomvalligen welkomstgroet, tot de verrukking van haar, die nader en dierbaarder was, zou bedaren. Edith’s oogen zochten haar evenwel reeds op den drempel; en hare teedere moeder met een vluchtigen kus op de wangen afschepende, haastte zij zich naar Florence en omhelsde haar.“Hoe maakt gij het, Florence?” zeide haar vader, zijne hand uitstekende.Toen Florence deze bevend aan hare lippen bracht, ontmoette zij zijn blik. Die blik was koud genoeg; maar het bracht toch geheel haar hart in beweging dat zij daarin wat meer belangstelling ontdekte, dan hij haar ooit voorheen had getoond. Hij drukte zelfs eene flauwe verrassing, en dat wel geene onaangename verrassing, uit, door haar gezicht veroorzaakt. Zij durfde hare oogen niet meer opslaan; maar zij gevoelde dat hij haar nog eens, en niet minder gunstig, aanzag. O, welk eene blijdschap doortintelde haar, bij deze hersenschimmige bevestiging harer hoop, dat zij door hare nieuwe schoone mama zijne liefde zou leeren winnen!“Gij zult u niet lang ophouden met verkleeden, mevrouw Dombey?” zeide hij.—“Ik zal terstond gereed zijn.”—“Laten zij dan over een kwartier het diner opbrengen.”Daarmede stapte Dombey naar zijne eigene kleedkamer en mevrouw ging naar boven naar de hare. Mevrouw Skewton en Florence begaven zich naar het salon, waar die uitmuntende moeder zich verplicht achtte eenige onbedwingbare tranen te storten, die men begrijpen moest dat het geluk harer dochter haar afperste, en die zij nog bezig was af te drogen, zeer voorzichtig, met een puntje van haar geborduurden zakdoek, toen haar schoonzoon binnentrad.“En hoe heeft mijn waarde Dombey die verrukkelijkste van alle steden, dat heerlijkeParijsgevonden?” vroeg zij, hare aandoening bedwingende.—“Het was er koud,” antwoordde Dombey.—“En zoo vroolijk als altijd, natuurlijk,” zeide mevrouw Skewton.—“Niet bijzonder. Ik vond het er vervelend,” antwoordde Dombey.—“Wel foei, mijn beste Dombey,” riep zij schalkachtig uit. “Vervelend!”—“Dat was de indruk, dien het op mij maakte, mevrouw,” zeide Dombey, met beleefden ernst. “Ik geloof dat mevrouw Dombey het er ook vervelend vond. Zij heeft eens of tweemaal aangemerkt dat zij zoo dacht.”—“O gij ondeugend kind,” riep mevrouw Skewton hare beminde[248]dochter, die nu binnentrad, schertsend te gemoet, “welke schrikkelijke ketterijen hebt gij vanParijsverteld?”Edith trok met een voorkomen van verveling en afmatting hare wenkbrauwen op, en de dubbele deur doorgaande, die opengezet was om de fraaie suite met het nieuwe kostbare ameublement te laten zien, waarnaar zij in het voorbijgaan slechts even omkeek, zette zij zich bij Florence neer.“Mijn waarde Dombey,” zeide mevrouw Skewton, “hoe allerliefst hebben die menschen ieder denkbeeld verwezenlijkt, waarvan wij maar een wenk hadden gegeven. Zij hebben uw huis waarlijk tot een paleis gemaakt.”—“Het is mooi,” zeide Dombey, in het rond ziende. “Ik had last gegeven om geene kosten te ontzien, en al wat geld kon doen, is ook gedaan, geloof ik.”—“En wat kan het niet doen, mijn waarde Dombey?” merkte Cleopatra aan.—“Het is machtig, mevrouw,” zeide Dombey.Hij keek op zijne plechtige manier naar zijne vrouw, maar zij sprak geen woord.“Ik hoop, mevrouw Dombey,” zeide hij, na een oogenblik zwijgens, met bijzondere duidelijkheid, “dat deze veranderingen uwe goedkeuring wegdragen?”—“Het is alles zoo fraai als het wezen kan,” antwoordde zij met trotsche onverschilligheid. “Zoo moest het natuurlijk zijn; en het zal ook wel zoo wezen, denk ik.”Eene uitdrukking van hoonende minachting was op haar trotsch gelaat iets gewoons, en scheen daarvan onafscheidbaar te wezen; maar de verachting waarmede zij elke aanspraak op bewondering, eerbied of achting op grond van zijn rijkdom beantwoordde, was iets geheel anders, iets nieuws, waarbij elke andere uitdrukking, waarvoor haar gelaat vatbaar was, in kracht wegzonk. Hetzij Dombey, in zijne eigene grootheid geharnast, dit ontwaarde of niet, het had reeds aan geene gelegenheden ontbroken om hem in dit opzicht de oogen te openen, en op dit oogenblik had dit kunnen geschieden door den enkelen blik van het donkere oog, dat op hem bleef rusten, na met eene haastige minachting te zijn heengegleden over datgene waarop hij zich verhoovaardigde. Hij had in dat oog kunnen lezen, dat niets wat zijn geld kon doen, al ware hij tien duizendmaal rijker, hem één zachten blik had kunnen verwerven van de stugge vrouw, die aan hem was geboeid, maar wier geheele ziel tegen hem in opstand was. Hij had in dat oog kunnen lezen, dat zij dit geld, juist om den verlagenden invloed, dien het op haar had uitgeoefend, haatte en verachtte, terwijl zij, al wat het maar verschaffen kon, opeischte, als een recht dat zij gekocht had—als het gemeene en geringe loon, waarvoor zij zijne vrouw was geworden. Hij had daarin kunnen lezen, dat, daar haar eigen hoofd steeds voor den bliksem harer eigene trotsche verachting ontbloot was, de onschuldigste toespeling op de macht van zijn geld haar opnieuw vernederde, haar in hare eigene schatting nog dieper deed zinken, en de ledigheid en barheid in haar binnenste nog volkomener deed worden.Maar het diner was gereed, en Dombey leidde Cleopatra naar beneden. Edith en zijne dochter volgden. De uitstalling van goud en zilver op het buffet voorbijstrijkende alsof het hoopen slijk waren, en zonder al het fraaie om haar heen met een enkelen blik te verwaardigen, nam zij voor de eerste maal hare plaats aan zijne tafel, en zat daar gelijk een steenen beeld.Dombey, die zelf tamelijk steenenbeeldachtig was, mishaagde het niet zijne schoone vrouw zoo stijf, trotsch en koud te zien. Daar zij toch altijd elegant was, was dit haar algemeen gedrag hem veeleer aangenaam. Hij bewaarde dus zijne gewone deftigheid, en vervulde, zonder zijne vrouw door eenige van hem afstralende warmte of vroolijkheid te berispen, met koele zelfvoldoening zijn aandeel aan de honneurs; en dit eerste diner, hoewel beneden voor geen zeer veelbelovend begin gehouden, liep boven beleefd en complimenteus genoeg af.Mevrouw Skewton, die zich geheel afgemat veinsde door de blijde aandoeningen, welke uit hare bespiegeling van het geluk harer lieve dochter, die met den man van haar hart vereenigd was, ontsproten, maar die waarschijnlijk dezen familiekring wat vervelend begon te vinden, nadat zij een uur achter haar waaier had zitten geeuwen, ging kort na de thee naar bed. Edith ging insgelijks stilzwijgend heen en kwam niet terug. Zoo gebeurde het dat Florence, die naar boven was geweest om met Diogenes te praten, toen zij met haar werkmandje naar het salon terugkwam, daar niemand vond dan haar vader, die in eenzame grootheid heen en weder wandelde.“O, neem mij niet kwalijk. Zal ik weer heengaan, papa?” zeide Florence flauw en bleef aarzelend bij de deur staan.—“Neen,” antwoordde Dombey, over zijn schouder omziende, “gij kunt hier komen en gaan zooals het u belieft, Florence; dit is mijne particuliere kamer niet.”Florence kwam binnen, en zette zich met haar werk aan een tafeltje in den versten hoek; en zoo bevond zij zich voor de eerste maal van haar leven—voor de eerste maal zoolang haar heugde—met haar vader alleen in gezelschap. Zij, zijne natuurlijke gezellin, zijn eenig kind; zij, die in haar eenzaam leven had geleerd wat hartzeer was; die, in hareversmadeliefde, des avonds nooit zijn naam tot God had gefluisterd, dan met tranen en zegeningen, die hem zwaarder drukten dan een vloek; die gebeden had om jong te sterven, als zij maar in zijne armen sterven mocht; die altijd de marteling zijner koele verwaarloozing en afkeerigheid[249]met geduldige liefde had vergolden, hem had verontschuldigd en voor hem gepleit, als zijn goede engel!Zij beefde, en hare oogen waren beneveld. Zijne gedaante scheen, terwijl hij door het vertrek op en neer stapte, hooger en breeder te worden. Nu was zij schemerachtig en onduidelijk, dan weder helder en scherp begrensd; en nu scheen zij te denken dat dit juist eveneens, een aantal jaren geleden, gebeurd was. Zij smachtte naar hem en huiverde toch als hij haar naderde. Onnatuurlijke aandoening bij een kind, dat zich van geen kwaad bewust was! Onnatuurlijk de hand, die den scherpen ploeg had bestuurd, welke haar zacht gemoed had omgewoeld om zulk een zaad te zaaien!“Zij is nog verharder teruggekomen dan zij is heengegaan!” Riep de moeder, naar haar opziende en nog hare knieën vasthoudende. (blz. 242).“Zij is nog verharder teruggekomen dan zij is heengegaan!” Riep de moeder, naar haar opziende en nog hare knieën vasthoudende.(blz. 242).Daar zij hem niet wilde bedroeven of door hare droefheid verstoren, bedwong Florence zich en bleef stil zitten werken. Nadat hij nog eenige malen de kamer op en neer had gestapt, staakte hij dit wandelen, begaf zich naar een duisteren hoek, op eenigen afstand, waar een leuningstoel stond, hing zich een zakdoek over zijn hoofd en zette zich om te slapen.Het was genoeg voor Florence dat zij daar mocht zitten en hem gadeslaan, nu en dan hare oogen naar zijn stoel richten, hem met gedachten bespieden, terwijl haar gezichtje over haar[250]werk gebogen was, en zich weemoedig verheugen in de gedachte dat hijkonslapen terwijl zij daar zat, en door hare vreemde, lang verbodene tegenwoordigheid niet onrustig werd gemaakt.Welke gedachten zou zij niet gehad hebben, als zij geweten had dat hij strak naar haar zag; dat de doek over zijn gezicht, hetzij bij toeval of met opzet, zoodanig was gehangen dat zijne oogen genoegzaam vrij bleven, en dat die geene seconde van haar gezichtje werden afgewend. Dat, wanneer zij naar hem opkeek, hare sprekende oogen, krachtiger en aandoenlijker in hunne stemmelooze taal dan alle redenaren der wereld, de zijne ontmoetten, zonder dat zij dit wist. Dat hij, als zij haar hoofdje weder over haar werk boog, ruimer ademhaalde, maar even oplettend naar haar bleef turen—naar haar blank voorhoofd, en hare hangende lokken, en hare bezige handjes; dat hij, eens daardoor aangetrokken, het vermogen niet scheen te hebben om zijne oogen af te wenden!En wat waren zijne gedachten ondertusschen? Met welke aandoeningen staarde hij zoo tersluiks zijne onbekende dochter aan? Was er iets verwijtends voor hem in die stille gedaante en die zachte oogen? Begon hij eenigszins te gevoelen dat zij aanspraken op hem had, die hij in den wind had geslagen, en dat hij haar daardoor een wreedaardig onrecht had aangedaan?Er zijn weekhartige oogenblikken in het leven der hardvochtigste menschen, schoon zulke menschen meestal hun geheim wel bewaren. Het zien van haar in hare schoonheid, bijna in een volwassen meisje veranderd zonder dat hij het wist, mag wel, zelfs in zijn leven van trots, eenige zulke oogenblikken veroorzaakt hebben. Eene vluchtige gedachte dat hij een gelukkig huiselijk leven binnen zijn bereik had gehad—dat een weldadige huisgeest zich voor zijne voeten had gebogen—dat hij dien in zijne hardnekkige stugheid en verwaandheid over het hoofd had gezien, en weggedwaald en verdwaald was, mag die oogenblikken hebben voortgebracht. Eene eenvoudig welsprekende toespraak, duidelijk gehoord, hoewel hare oogen alleen de tolken er van waren, onbewust dat hij er in las, zooals “bij de sterfbedden, die ik heb bijgewoond, bij de kindsheid die ik heb doorgestaan, bij onze ontmoeting te middernacht in dit akelige huis, bij den kreet dien het harteleed mij afperste, o vader, keer u tot mij en zoek eene toevlucht in mijne liefde eer het te laat is!” mag ze hebben vastgehouden. Gedachten van lager aard, zooals, dat voor zijn dooden zoon nu toch nieuwe banden in de plaats kwamen, en hij het dus wel vergeten kon dat zij uit zijne genegenheid verdrongen was, mogen er aanleiding toe gegeven hebben. De enkele gedachte dat zij ook een sieraad was, dat bij al de pracht om hem heen voegde en behoorde, mag voldoende zijn geweest. Maar terwijl hij zoo tuurde, werd hij al weeker en weeker voor haar. Terwijl hij zoo tuurde, werd zij gemengeld met het kind dat hij lief had gehad, en kon hij de twee bijna niet meer van elkander afscheiden. Terwijl hij zoo tuurde, zag hij haar voor een oogenblik in een helder en duidelijker licht, niet als zijne mededingster, over de peluw van dat kind gebogen—gedrochtelijke gedachte—maar als de goede geest van zijn huis, en die hem zelven niet minder dienstbaar was toen hij met het gebogene hoofd in de hand bij dat bedje zat. Hij gevoelde eene neiging om haar aan te spreken en tot zich te roepen. De woorden “Florence, kom hier!” kwamen hem reeds op de lippen—maar langzaam en met moeite, zoo vreemd waren zij—toen zij gesmoord werden door een voetstap op de trap.Het was die van zijne vrouw. Zij had het kleed, dat zij bij het diner had aangehad, met een loshangend gewaad verwisseld, en hare haren losgemaakt, die nu vrij om haar hals zwierden. Maar dit was de verandering niet die hem bevreemdde.“Florence, lieve,” zeide zij, “ik heb overal naar u gezocht.”Toen zij zich bij Florence neerzette, bukte zij en kuste haar de hand. Hij herkende zijne vrouw bijna niet—zoo was zij veranderd. Het was niet alleen dat haar glimlach nieuw voor hem was—hoewel hij ook dien nog nooit had gezien; maar hare houding, de klank harer stem, de glans harer oogen, de belangstelling, het vertrouwen, het innemende verlangen om te behagen, in dat alles uitgedrukt—dit was Edith niet.“Zachtjes, lieve mama. Papa slaapt.”Nu was het Edith. Zij zag naar den hoek waar hij zat, en hij kende haar gezicht en hare houding zeer wel.“Ik dacht niet dat gij hier kondt zijn, Florence.”Wederom, hoe veranderd en verzacht, in een oogenblik!“Ik ben opzettelijk vroeg heengegaan,” vervolgde Edith, “om boven bij u te zitten en met u te praten. Maar toen ik naar uwe kamer ging, vond ik mijn vogeltje gevlogen, en ik heb daar aldoor zitten wachten, in de gedachte dat het zou terugkomen.”Indien het waarlijk een vogeltje was geweest, had zij het niet teerder en zachter aan hare borst kunnen drukken dan zij Florence deed.“Kom, liefje!”—“Papa zal toch niet verwachten mij nog hier te vinden, als hij wakker wordt, denk ik?” zeide Florence aarzelend.—“Denkt gij dat wel?” antwoordde Edith, haar strak aanziende.Florence liet haar hoofdje zinken en stond op. Edith nam haar arm onder den haren, en[251]zij gingen de kamer uit als zusters. Zelfs haar stap was anders en nieuw voor hem, dacht Dombey, toen zijne oogen haar naar de deur volgden.Hij bleef zoolang in zijn donkeren hoek zitten, dat de klokken nog driemaal het uur sloegen eer hij zich bewoog. Al dien tijd bleven zijne oogen strak op de plek gericht waar Florence gezeten had. De kamer werd donkerder en donkerder naarmate de kaarsen afbrandden en uitgingen; maar er pakte zich in zijne trekken eene duisternis samen, donkerder dan de nacht kon werpen, en die duisternis verdween niet weder.Florence en Edith, voor het vuur gezeten, in de afgelegene kamer waar Paul gestorven was, bleven daar nog lang praten. Diogenes had eerst bezwaren tegen de toelating van Edith gemaakt, en haar, zelfs uit inschikkelijkheid voor zijne meesteres, slechts onder een brommend protest geduld. Maar langzamerhand uit de voorkamer komende, waar hij zich misnoegd had afgezonderd, scheen hij te begrijpen dat hij met de beste meening een van die vergissingen had begaan, waaraan de beste hond nu en dan onderhevig is; en als eene vriendelijke verontschuldiging plantte hij zich recht overeind tusschen de twee, op een zeer heet plaatsje vlak voor het vuur, en bleef zoo, hijgende, met de tong uit den bek en met een allerdomst gezicht, naar het gesprek luisteren.Dit liep in het eerst over Florence’s boeken en bezigheden, en de manier waarop zij zich sedert den dag der huwelijksplechtigheid den tijd had gekort. Dit onderwerp deed haar aan iets denken dat haar zeer nauw aan het harte lag, en terwijl haar de tranen in de oogen kwamen, zeide zij:“O, mama, ik heb in dien tijd zulk een groot verdriet gehad.”—“Gij een groot verdriet, Florence?”—“Ja, de arme Walter is verdronken.”Zij hield hare handen voor hare oogen en schreide met al haar hart. Hoeveel geheime tranen Walter’s lot haar ook reeds had gekost, zij vloeiden nog altijd wanneer zij van hem sprak of aan hem dacht.“Maar zeg mij, liefje,” zeide Edith op een troostenden toon. “Wie was Walter? Wat was hij voor u?”—“Hij was mijn broeder, mama. Toen Paul gestorven was, zeiden wij dat wij broeder en zuster wilden zijn. Ik had hem lang gekend—van een klein kind af. Hij kende Paul ook, die veel van hem hield. Paul zeide, bijna met zijne laatste woorden: “Zorg toch voor Walter, lieve papa. Ik heb veel van hem gehouden!” Walter was binnengeroepen om hem te zien, en hij was daar toen—hier in de kamer.”—“En heeft hij voor Walter gezorgd?” vroeg Edith op stroeven toon.—“Papa? Hij benoemde hem om buitenslands te gaan. Hij verdronk op reis door eene schipbreuk,” zeide Florence snikkende. —“Weet hij dat hij dood is?” vroeg Edith.—“Dat kan ik niet zeggen, mama. Ik heb geen middel om dat te weten te komen. Lieve mama!” riep Florence, zich aan haar vastklemmende, alsof zij hulp verlangde, en haar gezichtje aan hare borst verbergende, “ik weet, gij hebt wel gezien …”—“Stil! Wacht eens, Florence.” Edith was zoo bleek geworden en sprak zoo ernstig, dat zij Florence niet eens de hand op den mond had behoeven te leggen. “Zeg mij eerst alles van Walter. Laat ik zijne geheele geschiedenis wel begrijpen.”Florence verhaalde die met al wat er toe behoorde: zelfs met de vriendschap van Toots, van wien zij zelfs in hare droefheid niet spreken kon zonder een betraanden glimlach, hoewel zij hem innig dankbaar was. Toen haar verhaal ten einde was, waarnaar Edith, hare hand vasthoudende, met ernstige aandacht luisterde, zeide deze:“Wat weet gij dat ik wel gezien heb, Florence?”—“Dat ik,” antwoordde Florence met dezelfde angstige beweging als te voren en wederom haar gezicht verbergende, “geen bemind kind ben, mama. Dat ben ik nooit geweest. Ik heb nooit geweten hoe ik het worden moest. Ik ben van den weg afgeraakt, en had niemand om hem mij te wijzen.O, laat ik van u leeren hoe ik papa dierbaarder kan worden. Leer mij, gij die dat zoo goed kunt!” En zich nog vaster klemmende, met eenige afgebrokene woorden van liefkoozing en dankbaarheid, bleef Florence, van haar treurig geheim ontlast, nog lang schreien, maar niet zoo smartelijk als voorheen, in de armen harer nieuwe moeder.Bleek, tot hare lippen toe, en met een gezicht dat zich tot kalmte dwong, tot de trotsche schoonheid daarvan zoo strak was als de dood, zag Edith op het schreiende meisje neer. Eens gaf zij haar een kus. Zich toen langzamerhand losmakende en Florence van zich afschuivende, zeide zij, statig en stil, als een marmeren beeld, en met eene stem die doffer werd naarmate zij sprak, maar geen ander blijk van aandoening gaf:“Florence, gij kent mij niet! De hemel verhoede dat gij van mij zoudt leeren!”—“Niet van u leeren?” zeide Florence, verwonderd.—“Dat ik u leeren zou hoe gij moet liefhebben of bemind kunt worden, verhoede de hemel!” zeide Edith. “Als gij mij leeren kondt, dat zou beter zijn; maar het is te laat. Gij zijt mij dierbaar, Florence. Ik had niet gedacht dat iets mij ooit zoo dierbaar kon zijn, als gij mij in dien korten tijd zijt geworden.”Zij zag dat Florence hier wilde spreken, wenkte haar daarom met de hand om stil te zwijgen, en vervolgde:“Ik zal altijd uwe ware vriendin zijn. Ik zal u liefhebben zooveel als iemand in deze wereld[252]zou kunnen doen. Gij kunt mij vertrouwen—ik weet het en ik zeg het, lieve—met het gansche vertrouwen zelfs van uw zuiver hart. Er zijn menigten van vrouwen, die hij had kunnen trouwen, beter en trouwer in alle opzichten dan ik ben, Florence; maar geene had als zijne vrouw hier kunnen komen, wier hart met meer oprechtheid voor u klopte dan het mijne doet.”—“Dat weet ik, lieve mama!” riep Florence uit. “Van dien eersten allergelukkigsten dag af heb ik dat geweten.”—“Allergelukkigste dag!” Edith scheen deze woorden onwillekeurig te herhalen, en vervolgde toen: “Schoon ik geene verdienste heb, want ik dacht weinig aan u eer ik u zag, laat mij in uwe liefde en vertrouwen mijne onverdiende belooning vinden. En hierin, Florence, hierin—op den eersten avond dat ik hier mijn intrek neem, krijg ik juist aanleiding, gelijk ook wel goed is, om het voor de eerste en laatste maal te zeggen.”Florence werd, zonder te weten waarom, bijna bang om haar te hooren voortgaan, en hield hare oogen strak op het schoone gelaat gericht, dat haar zoo vast aanzag.“Zoek nooit in mij te vinden,” zeide Edith, hare hand op hare borst leggende, “wat hier niet is. En als gij anders kunt, Florence, verzaak mij dan nooit omdat het hier niet is. Langzamerhand zult gij mij beter leeren kennen, en er zal een tijd komen dat gij mij kennen zult gelijk ik mij zelve ken. Wees dan zoo zacht voor mij als gij kunt, en laat de eenige zoete herinnering, die ik hebben zal, niet in bitterheid veranderen.”De tranen in de oogen, die zij strak op Florence gevestigd hield, toonden dat het kalme gelaat slechts een schoon masker was; maar zij behield dit toch en vervolgde:“Ikhebgezien wat gij zegt, en weet hoe waar het is. Maar geloof mij—dat zult gij spoedig, als gij het nu niet kunt—er is niemand op aarde minder geschikt om dit te recht te brengen of u te helpen dan ik. Vraag mij nooit waarom, en spreek mij nooit weer daarover of over uw papa. In zooverre moet er eene verwijdering tusschen ons zijn, eene stilte gelijk die van het graf zelf.”Zij bleef een tijd lang zwijgend zitten. Florence durfde ondertusschen nauwelijks ademhalen, terwijl flauwe schaduwen van de waarheid en de gevolgen, welk deze dagelijks moest medebrengen, elkander in hare ontstelde, en toch nog ongeloovige, verbeelding verdrongen. Bijna zoodra zij had opgehouden te spreken, begon Edith’s gelaat van deszelfs strakke bedaardheid tot dat zachter en rustiger uitzicht over te gaan, dat het doorgaans had als zij en Florence met elkander alleen waren. Na die verandering hield zij hare handen er voor; en toen zij opstond en Florence met eene teedere omhelzing goedennacht wenschte, ging zij snel en zonder om te zien heen.Maar toen Florence in bed en hare kamer donker was, behalve dat de gloed van het vuur nog een schijnsel gaf, kwam Edith terug, zeide dat zij niet slapen kon en het haar in hare kamer te eenzaam was, schoof een stoel bij den haard, en bleef in de wegstervende vonken zitten turen. Florence tuurde insgelijks daarnaar totdat zij en de statige gedaante met hare golvende haren onduidelijk werden en eindelijk, in haar sluimer, verdwenen.In haar slaap kon Florence evenwel den indruk van wat er zoo kort geleden was voorgevallen, niet te boven komen. Het bleef het onderwerp harer droomen, nu in de eene dan in de andere gedaante, maar altijd benauwend en vreesverwekkend. Zij droomde dat zij in eene woestijn naar haar vader zocht, en zijn spoor volgde over vreeselijke hoogten en in diepe grotten; dat zij iets had of wist waardoor zij hem van een folterend lijden kon ontheffen—zij wist niet wat of waarom—en hem toch nooit kon bereiken en bevrijden. Dan zag zij hem dood, op dat zelfde bed, in dezelfde kamer, en wist dat hij haar tot het laatste toe nooit had liefgehad, en viel, hartstochtelijk schreiende, op zijne koude borst. Dan opende zich een verschiet en stroomde er eene rivier, en riep eene klagende stem die zij kende: “Zij loopt maar voort, Flore. Zij houdt nooit op. Gij drijft er ook mee voort!” En zij zag hem in de verte zijne armen naar haar uitstrekken, terwijl eene gedaante, gelijk Walter placht te zijn, bij hem stond, zoo kalm en helder van uitzicht dat zij daardoor iets geduchts had. In ieder droomgezicht verscheen en verdween Edith, somtijds tot hare blijdschap, somtijds tot hare smart, totdat zij alleen stonden aan den rand van een donker graf, en Edith naar beneden wees en zij bukte en zag—wat!—eene andere Edith die op den bodem lag.De schrik van dezen droom deed haar gillen en ontwaken, dacht zij. Eene zachte stem scheen haar in het oor te fluisteren: “Florence, lieve Florence, het is maar een droom!” en hare armen uitstrekkende, beantwoordde zij de liefkoozing harer nieuwe mama, die vervolgens in het flauwe licht van den dageraad de deur uitging. In een oogenblik zat Florence overeind, zich verwonderende of dit werkelijk had plaats gehad; maar zij zag niets anders dan dat werkelijk de dag aanbrak, en dat de zwartachtige asch van het vuur onder den haard lag, en dat zij alleen was.Zoo verliep de eerste nacht nadat het gelukkige paar thuis was gekomen.[253]

XXXV.HET GELUKKIGE PAAR.

De donkere plek in de straat is verdwenen.Indien het huis van Dombey nog eene gaping tusschen de andere huizen maakt, is het alleen omdat zij er in pracht niet mede kunnen wedijveren en het hen trotsch van zich afstoot. Thuis is thuis, zegt men, al is het huis nog zoo nederig. Indien het omgekeerde waar blijft, en thuis ook thuis is, al is het nog zoo statig, welk een altaar voor de huisgoden is hier dan opgericht!Lichten schitteren dezen avond voor de vensters, en de roode gloed van het vuur schijnt helder en warm op de behangsels en zachte tapijten, en het diner wacht om te worden opgezet, en de tafel is keurig gedekt, hoewel maar voor vier personen, en het buffet is zwaar met zilver beladen. Het is de eerste maal sedert de jongste verandering dat het huis betrokken zal worden, en ieder oogenblik verwacht men het gelukkige paar.De belangstelling en verwachting welke deze thuiskomstavond bij de dienstboden opwekt, behoeven alleen voor die op den ochtend der huwelijksplechtigheid achter te staan. Jufvrouw Perch zit in de keuken thee te drinken. Zij is het geheele huis door geweest, heeft de zijden en damasten stoffen bij de el gewaardeerd, en alle uitdrukkingen van verwondering en opgetogenheid uitgeput, die het woordenboek bevat. De meesterknecht van den behanger, die zijn hoed, met een zakdoek daarin, (welke beide een vernisreuk hebben), onder een stoel in het voorhuis heeft gelaten, dwaalt nog door het huis rond, kijkt omhoog naar de kroonlijsten en omlaag naar de tapijten, en haalt nu en dan in stille verrukking een duimstok uit zijn zak, en neemt, met onuitsprekelijk gevoel, in de lucht schermend, de maat van de kostbaarste voorwerpen. De keukenmeid is bijzonder vroolijk en zegt, geefhaarmaar een dienst waar veel partijen plaats hebben (gelijk zij nu wel wil wedden dat gebeuren zal), want zij is altijd levendig van aard geweest, van een kind af, en het kan haar niet schelen wie het weet; welk gezegde door jufvrouw Perch met een gemurmel van goedkeuring en overeenstemming wordt aangehoord. Al wat de werkmeid hoopt is, dat zij gelukkig zullen zijn—maar het huwelijk is eene loterij, en hoe meer zij er over denkt, des te meer gevoelt zij hoe onafhankelijk en veilig het ongetrouwde leven is. Towlinson is knorrig en bits, en zegt dat hij ook van die meening is, en geef hem dan maar oorlog, en dood aan de Franschen—want deze jonkman verkeerde in den waan, dat ieder buitenlander een Franschman was en volgens de wetten der natuur moest wezen.Bij ieder nieuw gerucht van wielen zwijgen allen—wat men ook op het oogenblik mag zeggen—en luisteren; en meer dan eens heeft er een algemeen opspringen plaats met den kreet: “Daar zijn zij!” Maar zij zijn er nog niet, en de keukenmeid begint over het diner te treuren, dat al tweemaal is uitgesteld, en de meesterknecht van den behanger dwaalt nog in de kamers rond, ongestoord in zijn zalig gemijmer.Florence is gereed om haar vader en hare nieuwe mama te ontvangen. Of de ontroering, die haar hart zoo doet kloppen, uit blijdschap of droefheid ontstaat, weet zij bijna niet. Maar[247]dat onstuimig kloppende hart doet haar eene verhoogde kleur op de wangen en glans in de oogen komen; en zij zeggen beneden, de hoofden bijeenstekende—want zij spreken altijd zacht als zij van haar spreken—hoe heerlijk jufvrouw Florence er van avond uitziet, en welk eene lieve jonge dame zij geworden is—arme wees! Er volgt eene poos van stilte; en de keukenmeid, die gevoelt dat men, als presidente, iets van haar verwacht, verwondert zich—en blijft daarbij steken. De werkmeid verwondert zich insgelijks, en zoomede jufvrouw Perch, die een gelukkig gezellig talent bezit om zich altijd te verwonderen als anderen dit doen, zonder te vragen waarover zij zich verwondert. Towlinson, die eene gelegenheid ziet om de dames even naargeestig te doen worden als hij zelf is, zegt: wacht maar en zie, hij wenschte dat sommige menschen er al goed doorheen waren. Dan geeft de keukenmeid het voorbeeld van een zucht en een geprevel van “Ja, het is eene vreemde wereld—dat is het wel!” en wanneer dit de tafel is rondgegaan, voegt zij er overredend bij: “Maar, jufvrouw Florence kan toch met geene verandering verliezen, Tom?” Towlinson’s antwoord, dat schrikkelijk vol beteekenis is, luidt: “Zoo, kan zij niet!” en begrijpende dat een gewoon mensch zich niet wel grooter profeet kan toonen, of dit nog overtreffen, zwijgt hij stil.Mevrouw Skewton, voornemens om hare lieve dochter en haar waarden schoonzoon met opene armen te begroeten, is tot dat einde gedost in een zeer jeugdig costuum met korte mouwen. Thans echter bloeien hare rijpe bekoorlijkheden nog in de schaduw harer eigene kamer, waaruit zij niet te voorschijn is gekomen, sedert zij er eenige uren geleden bezit van heeft genomen, en waar zij zich nu wrevelig zit te maken over het uitstellen van het diner. De kamenier, die een geraamte behoorde te zijn, maar inderdaad eene mollige deern is, is integendeel uitmuntend in haar schik, daar zij haar vierendeeljaars inkomen thans voor veel zekerder houdt dan voorheen, en eene groote verbetering van tafel en bed te gemoet ziet.Waar is het gelukkige paar, hetwelk zulk eene heerlijke woning verwacht? Verminderen wind en getij, stoom en paarden allen hun spoed, om zulk een geluk nog wat langer te kunnen aanzien? Vertraagt de zwerm van minnegoodjes en gratiën, die om hen heen zweven, hun tocht door hun aantal? Groeien er zoovele bloemen op hun gelukkig pad, dat zij nauwelijks voort kunnen, telkens verward in rozen zonder doornen?Daar zijn zij eindelijk! Men hoort het geratel van wielen; dit wordt luider, en een rijtuig houdt voor de deur stil. Een donderend geklop van den hatelijken vreemdeling voorkomt nog den spoed van Towlinson en zijn gezelschap om de deur te openen; en Dombey en zijne jonge vrouw stappen af en gaan arm in arm binnen.“Mijne allerliefste Edith!” roept eene aangedane stem op de trap. “Mijn allerwaardste Dombey!” en de korte mouwen strengelen zich beurtelings om het gelukkige paar.Florence was ook naar het voorhuis gekomen, maar durfde niet naderen. Zij bewaarde haar schroomvalligen welkomstgroet, tot de verrukking van haar, die nader en dierbaarder was, zou bedaren. Edith’s oogen zochten haar evenwel reeds op den drempel; en hare teedere moeder met een vluchtigen kus op de wangen afschepende, haastte zij zich naar Florence en omhelsde haar.“Hoe maakt gij het, Florence?” zeide haar vader, zijne hand uitstekende.Toen Florence deze bevend aan hare lippen bracht, ontmoette zij zijn blik. Die blik was koud genoeg; maar het bracht toch geheel haar hart in beweging dat zij daarin wat meer belangstelling ontdekte, dan hij haar ooit voorheen had getoond. Hij drukte zelfs eene flauwe verrassing, en dat wel geene onaangename verrassing, uit, door haar gezicht veroorzaakt. Zij durfde hare oogen niet meer opslaan; maar zij gevoelde dat hij haar nog eens, en niet minder gunstig, aanzag. O, welk eene blijdschap doortintelde haar, bij deze hersenschimmige bevestiging harer hoop, dat zij door hare nieuwe schoone mama zijne liefde zou leeren winnen!“Gij zult u niet lang ophouden met verkleeden, mevrouw Dombey?” zeide hij.—“Ik zal terstond gereed zijn.”—“Laten zij dan over een kwartier het diner opbrengen.”Daarmede stapte Dombey naar zijne eigene kleedkamer en mevrouw ging naar boven naar de hare. Mevrouw Skewton en Florence begaven zich naar het salon, waar die uitmuntende moeder zich verplicht achtte eenige onbedwingbare tranen te storten, die men begrijpen moest dat het geluk harer dochter haar afperste, en die zij nog bezig was af te drogen, zeer voorzichtig, met een puntje van haar geborduurden zakdoek, toen haar schoonzoon binnentrad.“En hoe heeft mijn waarde Dombey die verrukkelijkste van alle steden, dat heerlijkeParijsgevonden?” vroeg zij, hare aandoening bedwingende.—“Het was er koud,” antwoordde Dombey.—“En zoo vroolijk als altijd, natuurlijk,” zeide mevrouw Skewton.—“Niet bijzonder. Ik vond het er vervelend,” antwoordde Dombey.—“Wel foei, mijn beste Dombey,” riep zij schalkachtig uit. “Vervelend!”—“Dat was de indruk, dien het op mij maakte, mevrouw,” zeide Dombey, met beleefden ernst. “Ik geloof dat mevrouw Dombey het er ook vervelend vond. Zij heeft eens of tweemaal aangemerkt dat zij zoo dacht.”—“O gij ondeugend kind,” riep mevrouw Skewton hare beminde[248]dochter, die nu binnentrad, schertsend te gemoet, “welke schrikkelijke ketterijen hebt gij vanParijsverteld?”Edith trok met een voorkomen van verveling en afmatting hare wenkbrauwen op, en de dubbele deur doorgaande, die opengezet was om de fraaie suite met het nieuwe kostbare ameublement te laten zien, waarnaar zij in het voorbijgaan slechts even omkeek, zette zij zich bij Florence neer.“Mijn waarde Dombey,” zeide mevrouw Skewton, “hoe allerliefst hebben die menschen ieder denkbeeld verwezenlijkt, waarvan wij maar een wenk hadden gegeven. Zij hebben uw huis waarlijk tot een paleis gemaakt.”—“Het is mooi,” zeide Dombey, in het rond ziende. “Ik had last gegeven om geene kosten te ontzien, en al wat geld kon doen, is ook gedaan, geloof ik.”—“En wat kan het niet doen, mijn waarde Dombey?” merkte Cleopatra aan.—“Het is machtig, mevrouw,” zeide Dombey.Hij keek op zijne plechtige manier naar zijne vrouw, maar zij sprak geen woord.“Ik hoop, mevrouw Dombey,” zeide hij, na een oogenblik zwijgens, met bijzondere duidelijkheid, “dat deze veranderingen uwe goedkeuring wegdragen?”—“Het is alles zoo fraai als het wezen kan,” antwoordde zij met trotsche onverschilligheid. “Zoo moest het natuurlijk zijn; en het zal ook wel zoo wezen, denk ik.”Eene uitdrukking van hoonende minachting was op haar trotsch gelaat iets gewoons, en scheen daarvan onafscheidbaar te wezen; maar de verachting waarmede zij elke aanspraak op bewondering, eerbied of achting op grond van zijn rijkdom beantwoordde, was iets geheel anders, iets nieuws, waarbij elke andere uitdrukking, waarvoor haar gelaat vatbaar was, in kracht wegzonk. Hetzij Dombey, in zijne eigene grootheid geharnast, dit ontwaarde of niet, het had reeds aan geene gelegenheden ontbroken om hem in dit opzicht de oogen te openen, en op dit oogenblik had dit kunnen geschieden door den enkelen blik van het donkere oog, dat op hem bleef rusten, na met eene haastige minachting te zijn heengegleden over datgene waarop hij zich verhoovaardigde. Hij had in dat oog kunnen lezen, dat niets wat zijn geld kon doen, al ware hij tien duizendmaal rijker, hem één zachten blik had kunnen verwerven van de stugge vrouw, die aan hem was geboeid, maar wier geheele ziel tegen hem in opstand was. Hij had in dat oog kunnen lezen, dat zij dit geld, juist om den verlagenden invloed, dien het op haar had uitgeoefend, haatte en verachtte, terwijl zij, al wat het maar verschaffen kon, opeischte, als een recht dat zij gekocht had—als het gemeene en geringe loon, waarvoor zij zijne vrouw was geworden. Hij had daarin kunnen lezen, dat, daar haar eigen hoofd steeds voor den bliksem harer eigene trotsche verachting ontbloot was, de onschuldigste toespeling op de macht van zijn geld haar opnieuw vernederde, haar in hare eigene schatting nog dieper deed zinken, en de ledigheid en barheid in haar binnenste nog volkomener deed worden.Maar het diner was gereed, en Dombey leidde Cleopatra naar beneden. Edith en zijne dochter volgden. De uitstalling van goud en zilver op het buffet voorbijstrijkende alsof het hoopen slijk waren, en zonder al het fraaie om haar heen met een enkelen blik te verwaardigen, nam zij voor de eerste maal hare plaats aan zijne tafel, en zat daar gelijk een steenen beeld.Dombey, die zelf tamelijk steenenbeeldachtig was, mishaagde het niet zijne schoone vrouw zoo stijf, trotsch en koud te zien. Daar zij toch altijd elegant was, was dit haar algemeen gedrag hem veeleer aangenaam. Hij bewaarde dus zijne gewone deftigheid, en vervulde, zonder zijne vrouw door eenige van hem afstralende warmte of vroolijkheid te berispen, met koele zelfvoldoening zijn aandeel aan de honneurs; en dit eerste diner, hoewel beneden voor geen zeer veelbelovend begin gehouden, liep boven beleefd en complimenteus genoeg af.Mevrouw Skewton, die zich geheel afgemat veinsde door de blijde aandoeningen, welke uit hare bespiegeling van het geluk harer lieve dochter, die met den man van haar hart vereenigd was, ontsproten, maar die waarschijnlijk dezen familiekring wat vervelend begon te vinden, nadat zij een uur achter haar waaier had zitten geeuwen, ging kort na de thee naar bed. Edith ging insgelijks stilzwijgend heen en kwam niet terug. Zoo gebeurde het dat Florence, die naar boven was geweest om met Diogenes te praten, toen zij met haar werkmandje naar het salon terugkwam, daar niemand vond dan haar vader, die in eenzame grootheid heen en weder wandelde.“O, neem mij niet kwalijk. Zal ik weer heengaan, papa?” zeide Florence flauw en bleef aarzelend bij de deur staan.—“Neen,” antwoordde Dombey, over zijn schouder omziende, “gij kunt hier komen en gaan zooals het u belieft, Florence; dit is mijne particuliere kamer niet.”Florence kwam binnen, en zette zich met haar werk aan een tafeltje in den versten hoek; en zoo bevond zij zich voor de eerste maal van haar leven—voor de eerste maal zoolang haar heugde—met haar vader alleen in gezelschap. Zij, zijne natuurlijke gezellin, zijn eenig kind; zij, die in haar eenzaam leven had geleerd wat hartzeer was; die, in hareversmadeliefde, des avonds nooit zijn naam tot God had gefluisterd, dan met tranen en zegeningen, die hem zwaarder drukten dan een vloek; die gebeden had om jong te sterven, als zij maar in zijne armen sterven mocht; die altijd de marteling zijner koele verwaarloozing en afkeerigheid[249]met geduldige liefde had vergolden, hem had verontschuldigd en voor hem gepleit, als zijn goede engel!Zij beefde, en hare oogen waren beneveld. Zijne gedaante scheen, terwijl hij door het vertrek op en neer stapte, hooger en breeder te worden. Nu was zij schemerachtig en onduidelijk, dan weder helder en scherp begrensd; en nu scheen zij te denken dat dit juist eveneens, een aantal jaren geleden, gebeurd was. Zij smachtte naar hem en huiverde toch als hij haar naderde. Onnatuurlijke aandoening bij een kind, dat zich van geen kwaad bewust was! Onnatuurlijk de hand, die den scherpen ploeg had bestuurd, welke haar zacht gemoed had omgewoeld om zulk een zaad te zaaien!“Zij is nog verharder teruggekomen dan zij is heengegaan!” Riep de moeder, naar haar opziende en nog hare knieën vasthoudende. (blz. 242).“Zij is nog verharder teruggekomen dan zij is heengegaan!” Riep de moeder, naar haar opziende en nog hare knieën vasthoudende.(blz. 242).Daar zij hem niet wilde bedroeven of door hare droefheid verstoren, bedwong Florence zich en bleef stil zitten werken. Nadat hij nog eenige malen de kamer op en neer had gestapt, staakte hij dit wandelen, begaf zich naar een duisteren hoek, op eenigen afstand, waar een leuningstoel stond, hing zich een zakdoek over zijn hoofd en zette zich om te slapen.Het was genoeg voor Florence dat zij daar mocht zitten en hem gadeslaan, nu en dan hare oogen naar zijn stoel richten, hem met gedachten bespieden, terwijl haar gezichtje over haar[250]werk gebogen was, en zich weemoedig verheugen in de gedachte dat hijkonslapen terwijl zij daar zat, en door hare vreemde, lang verbodene tegenwoordigheid niet onrustig werd gemaakt.Welke gedachten zou zij niet gehad hebben, als zij geweten had dat hij strak naar haar zag; dat de doek over zijn gezicht, hetzij bij toeval of met opzet, zoodanig was gehangen dat zijne oogen genoegzaam vrij bleven, en dat die geene seconde van haar gezichtje werden afgewend. Dat, wanneer zij naar hem opkeek, hare sprekende oogen, krachtiger en aandoenlijker in hunne stemmelooze taal dan alle redenaren der wereld, de zijne ontmoetten, zonder dat zij dit wist. Dat hij, als zij haar hoofdje weder over haar werk boog, ruimer ademhaalde, maar even oplettend naar haar bleef turen—naar haar blank voorhoofd, en hare hangende lokken, en hare bezige handjes; dat hij, eens daardoor aangetrokken, het vermogen niet scheen te hebben om zijne oogen af te wenden!En wat waren zijne gedachten ondertusschen? Met welke aandoeningen staarde hij zoo tersluiks zijne onbekende dochter aan? Was er iets verwijtends voor hem in die stille gedaante en die zachte oogen? Begon hij eenigszins te gevoelen dat zij aanspraken op hem had, die hij in den wind had geslagen, en dat hij haar daardoor een wreedaardig onrecht had aangedaan?Er zijn weekhartige oogenblikken in het leven der hardvochtigste menschen, schoon zulke menschen meestal hun geheim wel bewaren. Het zien van haar in hare schoonheid, bijna in een volwassen meisje veranderd zonder dat hij het wist, mag wel, zelfs in zijn leven van trots, eenige zulke oogenblikken veroorzaakt hebben. Eene vluchtige gedachte dat hij een gelukkig huiselijk leven binnen zijn bereik had gehad—dat een weldadige huisgeest zich voor zijne voeten had gebogen—dat hij dien in zijne hardnekkige stugheid en verwaandheid over het hoofd had gezien, en weggedwaald en verdwaald was, mag die oogenblikken hebben voortgebracht. Eene eenvoudig welsprekende toespraak, duidelijk gehoord, hoewel hare oogen alleen de tolken er van waren, onbewust dat hij er in las, zooals “bij de sterfbedden, die ik heb bijgewoond, bij de kindsheid die ik heb doorgestaan, bij onze ontmoeting te middernacht in dit akelige huis, bij den kreet dien het harteleed mij afperste, o vader, keer u tot mij en zoek eene toevlucht in mijne liefde eer het te laat is!” mag ze hebben vastgehouden. Gedachten van lager aard, zooals, dat voor zijn dooden zoon nu toch nieuwe banden in de plaats kwamen, en hij het dus wel vergeten kon dat zij uit zijne genegenheid verdrongen was, mogen er aanleiding toe gegeven hebben. De enkele gedachte dat zij ook een sieraad was, dat bij al de pracht om hem heen voegde en behoorde, mag voldoende zijn geweest. Maar terwijl hij zoo tuurde, werd hij al weeker en weeker voor haar. Terwijl hij zoo tuurde, werd zij gemengeld met het kind dat hij lief had gehad, en kon hij de twee bijna niet meer van elkander afscheiden. Terwijl hij zoo tuurde, zag hij haar voor een oogenblik in een helder en duidelijker licht, niet als zijne mededingster, over de peluw van dat kind gebogen—gedrochtelijke gedachte—maar als de goede geest van zijn huis, en die hem zelven niet minder dienstbaar was toen hij met het gebogene hoofd in de hand bij dat bedje zat. Hij gevoelde eene neiging om haar aan te spreken en tot zich te roepen. De woorden “Florence, kom hier!” kwamen hem reeds op de lippen—maar langzaam en met moeite, zoo vreemd waren zij—toen zij gesmoord werden door een voetstap op de trap.Het was die van zijne vrouw. Zij had het kleed, dat zij bij het diner had aangehad, met een loshangend gewaad verwisseld, en hare haren losgemaakt, die nu vrij om haar hals zwierden. Maar dit was de verandering niet die hem bevreemdde.“Florence, lieve,” zeide zij, “ik heb overal naar u gezocht.”Toen zij zich bij Florence neerzette, bukte zij en kuste haar de hand. Hij herkende zijne vrouw bijna niet—zoo was zij veranderd. Het was niet alleen dat haar glimlach nieuw voor hem was—hoewel hij ook dien nog nooit had gezien; maar hare houding, de klank harer stem, de glans harer oogen, de belangstelling, het vertrouwen, het innemende verlangen om te behagen, in dat alles uitgedrukt—dit was Edith niet.“Zachtjes, lieve mama. Papa slaapt.”Nu was het Edith. Zij zag naar den hoek waar hij zat, en hij kende haar gezicht en hare houding zeer wel.“Ik dacht niet dat gij hier kondt zijn, Florence.”Wederom, hoe veranderd en verzacht, in een oogenblik!“Ik ben opzettelijk vroeg heengegaan,” vervolgde Edith, “om boven bij u te zitten en met u te praten. Maar toen ik naar uwe kamer ging, vond ik mijn vogeltje gevlogen, en ik heb daar aldoor zitten wachten, in de gedachte dat het zou terugkomen.”Indien het waarlijk een vogeltje was geweest, had zij het niet teerder en zachter aan hare borst kunnen drukken dan zij Florence deed.“Kom, liefje!”—“Papa zal toch niet verwachten mij nog hier te vinden, als hij wakker wordt, denk ik?” zeide Florence aarzelend.—“Denkt gij dat wel?” antwoordde Edith, haar strak aanziende.Florence liet haar hoofdje zinken en stond op. Edith nam haar arm onder den haren, en[251]zij gingen de kamer uit als zusters. Zelfs haar stap was anders en nieuw voor hem, dacht Dombey, toen zijne oogen haar naar de deur volgden.Hij bleef zoolang in zijn donkeren hoek zitten, dat de klokken nog driemaal het uur sloegen eer hij zich bewoog. Al dien tijd bleven zijne oogen strak op de plek gericht waar Florence gezeten had. De kamer werd donkerder en donkerder naarmate de kaarsen afbrandden en uitgingen; maar er pakte zich in zijne trekken eene duisternis samen, donkerder dan de nacht kon werpen, en die duisternis verdween niet weder.Florence en Edith, voor het vuur gezeten, in de afgelegene kamer waar Paul gestorven was, bleven daar nog lang praten. Diogenes had eerst bezwaren tegen de toelating van Edith gemaakt, en haar, zelfs uit inschikkelijkheid voor zijne meesteres, slechts onder een brommend protest geduld. Maar langzamerhand uit de voorkamer komende, waar hij zich misnoegd had afgezonderd, scheen hij te begrijpen dat hij met de beste meening een van die vergissingen had begaan, waaraan de beste hond nu en dan onderhevig is; en als eene vriendelijke verontschuldiging plantte hij zich recht overeind tusschen de twee, op een zeer heet plaatsje vlak voor het vuur, en bleef zoo, hijgende, met de tong uit den bek en met een allerdomst gezicht, naar het gesprek luisteren.Dit liep in het eerst over Florence’s boeken en bezigheden, en de manier waarop zij zich sedert den dag der huwelijksplechtigheid den tijd had gekort. Dit onderwerp deed haar aan iets denken dat haar zeer nauw aan het harte lag, en terwijl haar de tranen in de oogen kwamen, zeide zij:“O, mama, ik heb in dien tijd zulk een groot verdriet gehad.”—“Gij een groot verdriet, Florence?”—“Ja, de arme Walter is verdronken.”Zij hield hare handen voor hare oogen en schreide met al haar hart. Hoeveel geheime tranen Walter’s lot haar ook reeds had gekost, zij vloeiden nog altijd wanneer zij van hem sprak of aan hem dacht.“Maar zeg mij, liefje,” zeide Edith op een troostenden toon. “Wie was Walter? Wat was hij voor u?”—“Hij was mijn broeder, mama. Toen Paul gestorven was, zeiden wij dat wij broeder en zuster wilden zijn. Ik had hem lang gekend—van een klein kind af. Hij kende Paul ook, die veel van hem hield. Paul zeide, bijna met zijne laatste woorden: “Zorg toch voor Walter, lieve papa. Ik heb veel van hem gehouden!” Walter was binnengeroepen om hem te zien, en hij was daar toen—hier in de kamer.”—“En heeft hij voor Walter gezorgd?” vroeg Edith op stroeven toon.—“Papa? Hij benoemde hem om buitenslands te gaan. Hij verdronk op reis door eene schipbreuk,” zeide Florence snikkende. —“Weet hij dat hij dood is?” vroeg Edith.—“Dat kan ik niet zeggen, mama. Ik heb geen middel om dat te weten te komen. Lieve mama!” riep Florence, zich aan haar vastklemmende, alsof zij hulp verlangde, en haar gezichtje aan hare borst verbergende, “ik weet, gij hebt wel gezien …”—“Stil! Wacht eens, Florence.” Edith was zoo bleek geworden en sprak zoo ernstig, dat zij Florence niet eens de hand op den mond had behoeven te leggen. “Zeg mij eerst alles van Walter. Laat ik zijne geheele geschiedenis wel begrijpen.”Florence verhaalde die met al wat er toe behoorde: zelfs met de vriendschap van Toots, van wien zij zelfs in hare droefheid niet spreken kon zonder een betraanden glimlach, hoewel zij hem innig dankbaar was. Toen haar verhaal ten einde was, waarnaar Edith, hare hand vasthoudende, met ernstige aandacht luisterde, zeide deze:“Wat weet gij dat ik wel gezien heb, Florence?”—“Dat ik,” antwoordde Florence met dezelfde angstige beweging als te voren en wederom haar gezicht verbergende, “geen bemind kind ben, mama. Dat ben ik nooit geweest. Ik heb nooit geweten hoe ik het worden moest. Ik ben van den weg afgeraakt, en had niemand om hem mij te wijzen.O, laat ik van u leeren hoe ik papa dierbaarder kan worden. Leer mij, gij die dat zoo goed kunt!” En zich nog vaster klemmende, met eenige afgebrokene woorden van liefkoozing en dankbaarheid, bleef Florence, van haar treurig geheim ontlast, nog lang schreien, maar niet zoo smartelijk als voorheen, in de armen harer nieuwe moeder.Bleek, tot hare lippen toe, en met een gezicht dat zich tot kalmte dwong, tot de trotsche schoonheid daarvan zoo strak was als de dood, zag Edith op het schreiende meisje neer. Eens gaf zij haar een kus. Zich toen langzamerhand losmakende en Florence van zich afschuivende, zeide zij, statig en stil, als een marmeren beeld, en met eene stem die doffer werd naarmate zij sprak, maar geen ander blijk van aandoening gaf:“Florence, gij kent mij niet! De hemel verhoede dat gij van mij zoudt leeren!”—“Niet van u leeren?” zeide Florence, verwonderd.—“Dat ik u leeren zou hoe gij moet liefhebben of bemind kunt worden, verhoede de hemel!” zeide Edith. “Als gij mij leeren kondt, dat zou beter zijn; maar het is te laat. Gij zijt mij dierbaar, Florence. Ik had niet gedacht dat iets mij ooit zoo dierbaar kon zijn, als gij mij in dien korten tijd zijt geworden.”Zij zag dat Florence hier wilde spreken, wenkte haar daarom met de hand om stil te zwijgen, en vervolgde:“Ik zal altijd uwe ware vriendin zijn. Ik zal u liefhebben zooveel als iemand in deze wereld[252]zou kunnen doen. Gij kunt mij vertrouwen—ik weet het en ik zeg het, lieve—met het gansche vertrouwen zelfs van uw zuiver hart. Er zijn menigten van vrouwen, die hij had kunnen trouwen, beter en trouwer in alle opzichten dan ik ben, Florence; maar geene had als zijne vrouw hier kunnen komen, wier hart met meer oprechtheid voor u klopte dan het mijne doet.”—“Dat weet ik, lieve mama!” riep Florence uit. “Van dien eersten allergelukkigsten dag af heb ik dat geweten.”—“Allergelukkigste dag!” Edith scheen deze woorden onwillekeurig te herhalen, en vervolgde toen: “Schoon ik geene verdienste heb, want ik dacht weinig aan u eer ik u zag, laat mij in uwe liefde en vertrouwen mijne onverdiende belooning vinden. En hierin, Florence, hierin—op den eersten avond dat ik hier mijn intrek neem, krijg ik juist aanleiding, gelijk ook wel goed is, om het voor de eerste en laatste maal te zeggen.”Florence werd, zonder te weten waarom, bijna bang om haar te hooren voortgaan, en hield hare oogen strak op het schoone gelaat gericht, dat haar zoo vast aanzag.“Zoek nooit in mij te vinden,” zeide Edith, hare hand op hare borst leggende, “wat hier niet is. En als gij anders kunt, Florence, verzaak mij dan nooit omdat het hier niet is. Langzamerhand zult gij mij beter leeren kennen, en er zal een tijd komen dat gij mij kennen zult gelijk ik mij zelve ken. Wees dan zoo zacht voor mij als gij kunt, en laat de eenige zoete herinnering, die ik hebben zal, niet in bitterheid veranderen.”De tranen in de oogen, die zij strak op Florence gevestigd hield, toonden dat het kalme gelaat slechts een schoon masker was; maar zij behield dit toch en vervolgde:“Ikhebgezien wat gij zegt, en weet hoe waar het is. Maar geloof mij—dat zult gij spoedig, als gij het nu niet kunt—er is niemand op aarde minder geschikt om dit te recht te brengen of u te helpen dan ik. Vraag mij nooit waarom, en spreek mij nooit weer daarover of over uw papa. In zooverre moet er eene verwijdering tusschen ons zijn, eene stilte gelijk die van het graf zelf.”Zij bleef een tijd lang zwijgend zitten. Florence durfde ondertusschen nauwelijks ademhalen, terwijl flauwe schaduwen van de waarheid en de gevolgen, welk deze dagelijks moest medebrengen, elkander in hare ontstelde, en toch nog ongeloovige, verbeelding verdrongen. Bijna zoodra zij had opgehouden te spreken, begon Edith’s gelaat van deszelfs strakke bedaardheid tot dat zachter en rustiger uitzicht over te gaan, dat het doorgaans had als zij en Florence met elkander alleen waren. Na die verandering hield zij hare handen er voor; en toen zij opstond en Florence met eene teedere omhelzing goedennacht wenschte, ging zij snel en zonder om te zien heen.Maar toen Florence in bed en hare kamer donker was, behalve dat de gloed van het vuur nog een schijnsel gaf, kwam Edith terug, zeide dat zij niet slapen kon en het haar in hare kamer te eenzaam was, schoof een stoel bij den haard, en bleef in de wegstervende vonken zitten turen. Florence tuurde insgelijks daarnaar totdat zij en de statige gedaante met hare golvende haren onduidelijk werden en eindelijk, in haar sluimer, verdwenen.In haar slaap kon Florence evenwel den indruk van wat er zoo kort geleden was voorgevallen, niet te boven komen. Het bleef het onderwerp harer droomen, nu in de eene dan in de andere gedaante, maar altijd benauwend en vreesverwekkend. Zij droomde dat zij in eene woestijn naar haar vader zocht, en zijn spoor volgde over vreeselijke hoogten en in diepe grotten; dat zij iets had of wist waardoor zij hem van een folterend lijden kon ontheffen—zij wist niet wat of waarom—en hem toch nooit kon bereiken en bevrijden. Dan zag zij hem dood, op dat zelfde bed, in dezelfde kamer, en wist dat hij haar tot het laatste toe nooit had liefgehad, en viel, hartstochtelijk schreiende, op zijne koude borst. Dan opende zich een verschiet en stroomde er eene rivier, en riep eene klagende stem die zij kende: “Zij loopt maar voort, Flore. Zij houdt nooit op. Gij drijft er ook mee voort!” En zij zag hem in de verte zijne armen naar haar uitstrekken, terwijl eene gedaante, gelijk Walter placht te zijn, bij hem stond, zoo kalm en helder van uitzicht dat zij daardoor iets geduchts had. In ieder droomgezicht verscheen en verdween Edith, somtijds tot hare blijdschap, somtijds tot hare smart, totdat zij alleen stonden aan den rand van een donker graf, en Edith naar beneden wees en zij bukte en zag—wat!—eene andere Edith die op den bodem lag.De schrik van dezen droom deed haar gillen en ontwaken, dacht zij. Eene zachte stem scheen haar in het oor te fluisteren: “Florence, lieve Florence, het is maar een droom!” en hare armen uitstrekkende, beantwoordde zij de liefkoozing harer nieuwe mama, die vervolgens in het flauwe licht van den dageraad de deur uitging. In een oogenblik zat Florence overeind, zich verwonderende of dit werkelijk had plaats gehad; maar zij zag niets anders dan dat werkelijk de dag aanbrak, en dat de zwartachtige asch van het vuur onder den haard lag, en dat zij alleen was.Zoo verliep de eerste nacht nadat het gelukkige paar thuis was gekomen.[253]

De donkere plek in de straat is verdwenen.Indien het huis van Dombey nog eene gaping tusschen de andere huizen maakt, is het alleen omdat zij er in pracht niet mede kunnen wedijveren en het hen trotsch van zich afstoot. Thuis is thuis, zegt men, al is het huis nog zoo nederig. Indien het omgekeerde waar blijft, en thuis ook thuis is, al is het nog zoo statig, welk een altaar voor de huisgoden is hier dan opgericht!

Lichten schitteren dezen avond voor de vensters, en de roode gloed van het vuur schijnt helder en warm op de behangsels en zachte tapijten, en het diner wacht om te worden opgezet, en de tafel is keurig gedekt, hoewel maar voor vier personen, en het buffet is zwaar met zilver beladen. Het is de eerste maal sedert de jongste verandering dat het huis betrokken zal worden, en ieder oogenblik verwacht men het gelukkige paar.

De belangstelling en verwachting welke deze thuiskomstavond bij de dienstboden opwekt, behoeven alleen voor die op den ochtend der huwelijksplechtigheid achter te staan. Jufvrouw Perch zit in de keuken thee te drinken. Zij is het geheele huis door geweest, heeft de zijden en damasten stoffen bij de el gewaardeerd, en alle uitdrukkingen van verwondering en opgetogenheid uitgeput, die het woordenboek bevat. De meesterknecht van den behanger, die zijn hoed, met een zakdoek daarin, (welke beide een vernisreuk hebben), onder een stoel in het voorhuis heeft gelaten, dwaalt nog door het huis rond, kijkt omhoog naar de kroonlijsten en omlaag naar de tapijten, en haalt nu en dan in stille verrukking een duimstok uit zijn zak, en neemt, met onuitsprekelijk gevoel, in de lucht schermend, de maat van de kostbaarste voorwerpen. De keukenmeid is bijzonder vroolijk en zegt, geefhaarmaar een dienst waar veel partijen plaats hebben (gelijk zij nu wel wil wedden dat gebeuren zal), want zij is altijd levendig van aard geweest, van een kind af, en het kan haar niet schelen wie het weet; welk gezegde door jufvrouw Perch met een gemurmel van goedkeuring en overeenstemming wordt aangehoord. Al wat de werkmeid hoopt is, dat zij gelukkig zullen zijn—maar het huwelijk is eene loterij, en hoe meer zij er over denkt, des te meer gevoelt zij hoe onafhankelijk en veilig het ongetrouwde leven is. Towlinson is knorrig en bits, en zegt dat hij ook van die meening is, en geef hem dan maar oorlog, en dood aan de Franschen—want deze jonkman verkeerde in den waan, dat ieder buitenlander een Franschman was en volgens de wetten der natuur moest wezen.

Bij ieder nieuw gerucht van wielen zwijgen allen—wat men ook op het oogenblik mag zeggen—en luisteren; en meer dan eens heeft er een algemeen opspringen plaats met den kreet: “Daar zijn zij!” Maar zij zijn er nog niet, en de keukenmeid begint over het diner te treuren, dat al tweemaal is uitgesteld, en de meesterknecht van den behanger dwaalt nog in de kamers rond, ongestoord in zijn zalig gemijmer.

Florence is gereed om haar vader en hare nieuwe mama te ontvangen. Of de ontroering, die haar hart zoo doet kloppen, uit blijdschap of droefheid ontstaat, weet zij bijna niet. Maar[247]dat onstuimig kloppende hart doet haar eene verhoogde kleur op de wangen en glans in de oogen komen; en zij zeggen beneden, de hoofden bijeenstekende—want zij spreken altijd zacht als zij van haar spreken—hoe heerlijk jufvrouw Florence er van avond uitziet, en welk eene lieve jonge dame zij geworden is—arme wees! Er volgt eene poos van stilte; en de keukenmeid, die gevoelt dat men, als presidente, iets van haar verwacht, verwondert zich—en blijft daarbij steken. De werkmeid verwondert zich insgelijks, en zoomede jufvrouw Perch, die een gelukkig gezellig talent bezit om zich altijd te verwonderen als anderen dit doen, zonder te vragen waarover zij zich verwondert. Towlinson, die eene gelegenheid ziet om de dames even naargeestig te doen worden als hij zelf is, zegt: wacht maar en zie, hij wenschte dat sommige menschen er al goed doorheen waren. Dan geeft de keukenmeid het voorbeeld van een zucht en een geprevel van “Ja, het is eene vreemde wereld—dat is het wel!” en wanneer dit de tafel is rondgegaan, voegt zij er overredend bij: “Maar, jufvrouw Florence kan toch met geene verandering verliezen, Tom?” Towlinson’s antwoord, dat schrikkelijk vol beteekenis is, luidt: “Zoo, kan zij niet!” en begrijpende dat een gewoon mensch zich niet wel grooter profeet kan toonen, of dit nog overtreffen, zwijgt hij stil.

Mevrouw Skewton, voornemens om hare lieve dochter en haar waarden schoonzoon met opene armen te begroeten, is tot dat einde gedost in een zeer jeugdig costuum met korte mouwen. Thans echter bloeien hare rijpe bekoorlijkheden nog in de schaduw harer eigene kamer, waaruit zij niet te voorschijn is gekomen, sedert zij er eenige uren geleden bezit van heeft genomen, en waar zij zich nu wrevelig zit te maken over het uitstellen van het diner. De kamenier, die een geraamte behoorde te zijn, maar inderdaad eene mollige deern is, is integendeel uitmuntend in haar schik, daar zij haar vierendeeljaars inkomen thans voor veel zekerder houdt dan voorheen, en eene groote verbetering van tafel en bed te gemoet ziet.

Waar is het gelukkige paar, hetwelk zulk eene heerlijke woning verwacht? Verminderen wind en getij, stoom en paarden allen hun spoed, om zulk een geluk nog wat langer te kunnen aanzien? Vertraagt de zwerm van minnegoodjes en gratiën, die om hen heen zweven, hun tocht door hun aantal? Groeien er zoovele bloemen op hun gelukkig pad, dat zij nauwelijks voort kunnen, telkens verward in rozen zonder doornen?

Daar zijn zij eindelijk! Men hoort het geratel van wielen; dit wordt luider, en een rijtuig houdt voor de deur stil. Een donderend geklop van den hatelijken vreemdeling voorkomt nog den spoed van Towlinson en zijn gezelschap om de deur te openen; en Dombey en zijne jonge vrouw stappen af en gaan arm in arm binnen.

“Mijne allerliefste Edith!” roept eene aangedane stem op de trap. “Mijn allerwaardste Dombey!” en de korte mouwen strengelen zich beurtelings om het gelukkige paar.

Florence was ook naar het voorhuis gekomen, maar durfde niet naderen. Zij bewaarde haar schroomvalligen welkomstgroet, tot de verrukking van haar, die nader en dierbaarder was, zou bedaren. Edith’s oogen zochten haar evenwel reeds op den drempel; en hare teedere moeder met een vluchtigen kus op de wangen afschepende, haastte zij zich naar Florence en omhelsde haar.

“Hoe maakt gij het, Florence?” zeide haar vader, zijne hand uitstekende.

Toen Florence deze bevend aan hare lippen bracht, ontmoette zij zijn blik. Die blik was koud genoeg; maar het bracht toch geheel haar hart in beweging dat zij daarin wat meer belangstelling ontdekte, dan hij haar ooit voorheen had getoond. Hij drukte zelfs eene flauwe verrassing, en dat wel geene onaangename verrassing, uit, door haar gezicht veroorzaakt. Zij durfde hare oogen niet meer opslaan; maar zij gevoelde dat hij haar nog eens, en niet minder gunstig, aanzag. O, welk eene blijdschap doortintelde haar, bij deze hersenschimmige bevestiging harer hoop, dat zij door hare nieuwe schoone mama zijne liefde zou leeren winnen!

“Gij zult u niet lang ophouden met verkleeden, mevrouw Dombey?” zeide hij.—“Ik zal terstond gereed zijn.”—“Laten zij dan over een kwartier het diner opbrengen.”

Daarmede stapte Dombey naar zijne eigene kleedkamer en mevrouw ging naar boven naar de hare. Mevrouw Skewton en Florence begaven zich naar het salon, waar die uitmuntende moeder zich verplicht achtte eenige onbedwingbare tranen te storten, die men begrijpen moest dat het geluk harer dochter haar afperste, en die zij nog bezig was af te drogen, zeer voorzichtig, met een puntje van haar geborduurden zakdoek, toen haar schoonzoon binnentrad.

“En hoe heeft mijn waarde Dombey die verrukkelijkste van alle steden, dat heerlijkeParijsgevonden?” vroeg zij, hare aandoening bedwingende.—“Het was er koud,” antwoordde Dombey.—“En zoo vroolijk als altijd, natuurlijk,” zeide mevrouw Skewton.—“Niet bijzonder. Ik vond het er vervelend,” antwoordde Dombey.—“Wel foei, mijn beste Dombey,” riep zij schalkachtig uit. “Vervelend!”—“Dat was de indruk, dien het op mij maakte, mevrouw,” zeide Dombey, met beleefden ernst. “Ik geloof dat mevrouw Dombey het er ook vervelend vond. Zij heeft eens of tweemaal aangemerkt dat zij zoo dacht.”—“O gij ondeugend kind,” riep mevrouw Skewton hare beminde[248]dochter, die nu binnentrad, schertsend te gemoet, “welke schrikkelijke ketterijen hebt gij vanParijsverteld?”

Edith trok met een voorkomen van verveling en afmatting hare wenkbrauwen op, en de dubbele deur doorgaande, die opengezet was om de fraaie suite met het nieuwe kostbare ameublement te laten zien, waarnaar zij in het voorbijgaan slechts even omkeek, zette zij zich bij Florence neer.

“Mijn waarde Dombey,” zeide mevrouw Skewton, “hoe allerliefst hebben die menschen ieder denkbeeld verwezenlijkt, waarvan wij maar een wenk hadden gegeven. Zij hebben uw huis waarlijk tot een paleis gemaakt.”—“Het is mooi,” zeide Dombey, in het rond ziende. “Ik had last gegeven om geene kosten te ontzien, en al wat geld kon doen, is ook gedaan, geloof ik.”—“En wat kan het niet doen, mijn waarde Dombey?” merkte Cleopatra aan.—“Het is machtig, mevrouw,” zeide Dombey.

Hij keek op zijne plechtige manier naar zijne vrouw, maar zij sprak geen woord.

“Ik hoop, mevrouw Dombey,” zeide hij, na een oogenblik zwijgens, met bijzondere duidelijkheid, “dat deze veranderingen uwe goedkeuring wegdragen?”—“Het is alles zoo fraai als het wezen kan,” antwoordde zij met trotsche onverschilligheid. “Zoo moest het natuurlijk zijn; en het zal ook wel zoo wezen, denk ik.”

Eene uitdrukking van hoonende minachting was op haar trotsch gelaat iets gewoons, en scheen daarvan onafscheidbaar te wezen; maar de verachting waarmede zij elke aanspraak op bewondering, eerbied of achting op grond van zijn rijkdom beantwoordde, was iets geheel anders, iets nieuws, waarbij elke andere uitdrukking, waarvoor haar gelaat vatbaar was, in kracht wegzonk. Hetzij Dombey, in zijne eigene grootheid geharnast, dit ontwaarde of niet, het had reeds aan geene gelegenheden ontbroken om hem in dit opzicht de oogen te openen, en op dit oogenblik had dit kunnen geschieden door den enkelen blik van het donkere oog, dat op hem bleef rusten, na met eene haastige minachting te zijn heengegleden over datgene waarop hij zich verhoovaardigde. Hij had in dat oog kunnen lezen, dat niets wat zijn geld kon doen, al ware hij tien duizendmaal rijker, hem één zachten blik had kunnen verwerven van de stugge vrouw, die aan hem was geboeid, maar wier geheele ziel tegen hem in opstand was. Hij had in dat oog kunnen lezen, dat zij dit geld, juist om den verlagenden invloed, dien het op haar had uitgeoefend, haatte en verachtte, terwijl zij, al wat het maar verschaffen kon, opeischte, als een recht dat zij gekocht had—als het gemeene en geringe loon, waarvoor zij zijne vrouw was geworden. Hij had daarin kunnen lezen, dat, daar haar eigen hoofd steeds voor den bliksem harer eigene trotsche verachting ontbloot was, de onschuldigste toespeling op de macht van zijn geld haar opnieuw vernederde, haar in hare eigene schatting nog dieper deed zinken, en de ledigheid en barheid in haar binnenste nog volkomener deed worden.

Maar het diner was gereed, en Dombey leidde Cleopatra naar beneden. Edith en zijne dochter volgden. De uitstalling van goud en zilver op het buffet voorbijstrijkende alsof het hoopen slijk waren, en zonder al het fraaie om haar heen met een enkelen blik te verwaardigen, nam zij voor de eerste maal hare plaats aan zijne tafel, en zat daar gelijk een steenen beeld.

Dombey, die zelf tamelijk steenenbeeldachtig was, mishaagde het niet zijne schoone vrouw zoo stijf, trotsch en koud te zien. Daar zij toch altijd elegant was, was dit haar algemeen gedrag hem veeleer aangenaam. Hij bewaarde dus zijne gewone deftigheid, en vervulde, zonder zijne vrouw door eenige van hem afstralende warmte of vroolijkheid te berispen, met koele zelfvoldoening zijn aandeel aan de honneurs; en dit eerste diner, hoewel beneden voor geen zeer veelbelovend begin gehouden, liep boven beleefd en complimenteus genoeg af.

Mevrouw Skewton, die zich geheel afgemat veinsde door de blijde aandoeningen, welke uit hare bespiegeling van het geluk harer lieve dochter, die met den man van haar hart vereenigd was, ontsproten, maar die waarschijnlijk dezen familiekring wat vervelend begon te vinden, nadat zij een uur achter haar waaier had zitten geeuwen, ging kort na de thee naar bed. Edith ging insgelijks stilzwijgend heen en kwam niet terug. Zoo gebeurde het dat Florence, die naar boven was geweest om met Diogenes te praten, toen zij met haar werkmandje naar het salon terugkwam, daar niemand vond dan haar vader, die in eenzame grootheid heen en weder wandelde.

“O, neem mij niet kwalijk. Zal ik weer heengaan, papa?” zeide Florence flauw en bleef aarzelend bij de deur staan.—“Neen,” antwoordde Dombey, over zijn schouder omziende, “gij kunt hier komen en gaan zooals het u belieft, Florence; dit is mijne particuliere kamer niet.”

Florence kwam binnen, en zette zich met haar werk aan een tafeltje in den versten hoek; en zoo bevond zij zich voor de eerste maal van haar leven—voor de eerste maal zoolang haar heugde—met haar vader alleen in gezelschap. Zij, zijne natuurlijke gezellin, zijn eenig kind; zij, die in haar eenzaam leven had geleerd wat hartzeer was; die, in hareversmadeliefde, des avonds nooit zijn naam tot God had gefluisterd, dan met tranen en zegeningen, die hem zwaarder drukten dan een vloek; die gebeden had om jong te sterven, als zij maar in zijne armen sterven mocht; die altijd de marteling zijner koele verwaarloozing en afkeerigheid[249]met geduldige liefde had vergolden, hem had verontschuldigd en voor hem gepleit, als zijn goede engel!

Zij beefde, en hare oogen waren beneveld. Zijne gedaante scheen, terwijl hij door het vertrek op en neer stapte, hooger en breeder te worden. Nu was zij schemerachtig en onduidelijk, dan weder helder en scherp begrensd; en nu scheen zij te denken dat dit juist eveneens, een aantal jaren geleden, gebeurd was. Zij smachtte naar hem en huiverde toch als hij haar naderde. Onnatuurlijke aandoening bij een kind, dat zich van geen kwaad bewust was! Onnatuurlijk de hand, die den scherpen ploeg had bestuurd, welke haar zacht gemoed had omgewoeld om zulk een zaad te zaaien!

“Zij is nog verharder teruggekomen dan zij is heengegaan!” Riep de moeder, naar haar opziende en nog hare knieën vasthoudende. (blz. 242).“Zij is nog verharder teruggekomen dan zij is heengegaan!” Riep de moeder, naar haar opziende en nog hare knieën vasthoudende.(blz. 242).

“Zij is nog verharder teruggekomen dan zij is heengegaan!” Riep de moeder, naar haar opziende en nog hare knieën vasthoudende.(blz. 242).

Daar zij hem niet wilde bedroeven of door hare droefheid verstoren, bedwong Florence zich en bleef stil zitten werken. Nadat hij nog eenige malen de kamer op en neer had gestapt, staakte hij dit wandelen, begaf zich naar een duisteren hoek, op eenigen afstand, waar een leuningstoel stond, hing zich een zakdoek over zijn hoofd en zette zich om te slapen.

Het was genoeg voor Florence dat zij daar mocht zitten en hem gadeslaan, nu en dan hare oogen naar zijn stoel richten, hem met gedachten bespieden, terwijl haar gezichtje over haar[250]werk gebogen was, en zich weemoedig verheugen in de gedachte dat hijkonslapen terwijl zij daar zat, en door hare vreemde, lang verbodene tegenwoordigheid niet onrustig werd gemaakt.

Welke gedachten zou zij niet gehad hebben, als zij geweten had dat hij strak naar haar zag; dat de doek over zijn gezicht, hetzij bij toeval of met opzet, zoodanig was gehangen dat zijne oogen genoegzaam vrij bleven, en dat die geene seconde van haar gezichtje werden afgewend. Dat, wanneer zij naar hem opkeek, hare sprekende oogen, krachtiger en aandoenlijker in hunne stemmelooze taal dan alle redenaren der wereld, de zijne ontmoetten, zonder dat zij dit wist. Dat hij, als zij haar hoofdje weder over haar werk boog, ruimer ademhaalde, maar even oplettend naar haar bleef turen—naar haar blank voorhoofd, en hare hangende lokken, en hare bezige handjes; dat hij, eens daardoor aangetrokken, het vermogen niet scheen te hebben om zijne oogen af te wenden!

En wat waren zijne gedachten ondertusschen? Met welke aandoeningen staarde hij zoo tersluiks zijne onbekende dochter aan? Was er iets verwijtends voor hem in die stille gedaante en die zachte oogen? Begon hij eenigszins te gevoelen dat zij aanspraken op hem had, die hij in den wind had geslagen, en dat hij haar daardoor een wreedaardig onrecht had aangedaan?

Er zijn weekhartige oogenblikken in het leven der hardvochtigste menschen, schoon zulke menschen meestal hun geheim wel bewaren. Het zien van haar in hare schoonheid, bijna in een volwassen meisje veranderd zonder dat hij het wist, mag wel, zelfs in zijn leven van trots, eenige zulke oogenblikken veroorzaakt hebben. Eene vluchtige gedachte dat hij een gelukkig huiselijk leven binnen zijn bereik had gehad—dat een weldadige huisgeest zich voor zijne voeten had gebogen—dat hij dien in zijne hardnekkige stugheid en verwaandheid over het hoofd had gezien, en weggedwaald en verdwaald was, mag die oogenblikken hebben voortgebracht. Eene eenvoudig welsprekende toespraak, duidelijk gehoord, hoewel hare oogen alleen de tolken er van waren, onbewust dat hij er in las, zooals “bij de sterfbedden, die ik heb bijgewoond, bij de kindsheid die ik heb doorgestaan, bij onze ontmoeting te middernacht in dit akelige huis, bij den kreet dien het harteleed mij afperste, o vader, keer u tot mij en zoek eene toevlucht in mijne liefde eer het te laat is!” mag ze hebben vastgehouden. Gedachten van lager aard, zooals, dat voor zijn dooden zoon nu toch nieuwe banden in de plaats kwamen, en hij het dus wel vergeten kon dat zij uit zijne genegenheid verdrongen was, mogen er aanleiding toe gegeven hebben. De enkele gedachte dat zij ook een sieraad was, dat bij al de pracht om hem heen voegde en behoorde, mag voldoende zijn geweest. Maar terwijl hij zoo tuurde, werd hij al weeker en weeker voor haar. Terwijl hij zoo tuurde, werd zij gemengeld met het kind dat hij lief had gehad, en kon hij de twee bijna niet meer van elkander afscheiden. Terwijl hij zoo tuurde, zag hij haar voor een oogenblik in een helder en duidelijker licht, niet als zijne mededingster, over de peluw van dat kind gebogen—gedrochtelijke gedachte—maar als de goede geest van zijn huis, en die hem zelven niet minder dienstbaar was toen hij met het gebogene hoofd in de hand bij dat bedje zat. Hij gevoelde eene neiging om haar aan te spreken en tot zich te roepen. De woorden “Florence, kom hier!” kwamen hem reeds op de lippen—maar langzaam en met moeite, zoo vreemd waren zij—toen zij gesmoord werden door een voetstap op de trap.

Het was die van zijne vrouw. Zij had het kleed, dat zij bij het diner had aangehad, met een loshangend gewaad verwisseld, en hare haren losgemaakt, die nu vrij om haar hals zwierden. Maar dit was de verandering niet die hem bevreemdde.

“Florence, lieve,” zeide zij, “ik heb overal naar u gezocht.”

Toen zij zich bij Florence neerzette, bukte zij en kuste haar de hand. Hij herkende zijne vrouw bijna niet—zoo was zij veranderd. Het was niet alleen dat haar glimlach nieuw voor hem was—hoewel hij ook dien nog nooit had gezien; maar hare houding, de klank harer stem, de glans harer oogen, de belangstelling, het vertrouwen, het innemende verlangen om te behagen, in dat alles uitgedrukt—dit was Edith niet.

“Zachtjes, lieve mama. Papa slaapt.”

Nu was het Edith. Zij zag naar den hoek waar hij zat, en hij kende haar gezicht en hare houding zeer wel.

“Ik dacht niet dat gij hier kondt zijn, Florence.”

Wederom, hoe veranderd en verzacht, in een oogenblik!

“Ik ben opzettelijk vroeg heengegaan,” vervolgde Edith, “om boven bij u te zitten en met u te praten. Maar toen ik naar uwe kamer ging, vond ik mijn vogeltje gevlogen, en ik heb daar aldoor zitten wachten, in de gedachte dat het zou terugkomen.”

Indien het waarlijk een vogeltje was geweest, had zij het niet teerder en zachter aan hare borst kunnen drukken dan zij Florence deed.

“Kom, liefje!”—“Papa zal toch niet verwachten mij nog hier te vinden, als hij wakker wordt, denk ik?” zeide Florence aarzelend.—“Denkt gij dat wel?” antwoordde Edith, haar strak aanziende.

Florence liet haar hoofdje zinken en stond op. Edith nam haar arm onder den haren, en[251]zij gingen de kamer uit als zusters. Zelfs haar stap was anders en nieuw voor hem, dacht Dombey, toen zijne oogen haar naar de deur volgden.

Hij bleef zoolang in zijn donkeren hoek zitten, dat de klokken nog driemaal het uur sloegen eer hij zich bewoog. Al dien tijd bleven zijne oogen strak op de plek gericht waar Florence gezeten had. De kamer werd donkerder en donkerder naarmate de kaarsen afbrandden en uitgingen; maar er pakte zich in zijne trekken eene duisternis samen, donkerder dan de nacht kon werpen, en die duisternis verdween niet weder.

Florence en Edith, voor het vuur gezeten, in de afgelegene kamer waar Paul gestorven was, bleven daar nog lang praten. Diogenes had eerst bezwaren tegen de toelating van Edith gemaakt, en haar, zelfs uit inschikkelijkheid voor zijne meesteres, slechts onder een brommend protest geduld. Maar langzamerhand uit de voorkamer komende, waar hij zich misnoegd had afgezonderd, scheen hij te begrijpen dat hij met de beste meening een van die vergissingen had begaan, waaraan de beste hond nu en dan onderhevig is; en als eene vriendelijke verontschuldiging plantte hij zich recht overeind tusschen de twee, op een zeer heet plaatsje vlak voor het vuur, en bleef zoo, hijgende, met de tong uit den bek en met een allerdomst gezicht, naar het gesprek luisteren.

Dit liep in het eerst over Florence’s boeken en bezigheden, en de manier waarop zij zich sedert den dag der huwelijksplechtigheid den tijd had gekort. Dit onderwerp deed haar aan iets denken dat haar zeer nauw aan het harte lag, en terwijl haar de tranen in de oogen kwamen, zeide zij:

“O, mama, ik heb in dien tijd zulk een groot verdriet gehad.”—“Gij een groot verdriet, Florence?”—“Ja, de arme Walter is verdronken.”

Zij hield hare handen voor hare oogen en schreide met al haar hart. Hoeveel geheime tranen Walter’s lot haar ook reeds had gekost, zij vloeiden nog altijd wanneer zij van hem sprak of aan hem dacht.

“Maar zeg mij, liefje,” zeide Edith op een troostenden toon. “Wie was Walter? Wat was hij voor u?”—“Hij was mijn broeder, mama. Toen Paul gestorven was, zeiden wij dat wij broeder en zuster wilden zijn. Ik had hem lang gekend—van een klein kind af. Hij kende Paul ook, die veel van hem hield. Paul zeide, bijna met zijne laatste woorden: “Zorg toch voor Walter, lieve papa. Ik heb veel van hem gehouden!” Walter was binnengeroepen om hem te zien, en hij was daar toen—hier in de kamer.”—“En heeft hij voor Walter gezorgd?” vroeg Edith op stroeven toon.—“Papa? Hij benoemde hem om buitenslands te gaan. Hij verdronk op reis door eene schipbreuk,” zeide Florence snikkende. —“Weet hij dat hij dood is?” vroeg Edith.—“Dat kan ik niet zeggen, mama. Ik heb geen middel om dat te weten te komen. Lieve mama!” riep Florence, zich aan haar vastklemmende, alsof zij hulp verlangde, en haar gezichtje aan hare borst verbergende, “ik weet, gij hebt wel gezien …”—“Stil! Wacht eens, Florence.” Edith was zoo bleek geworden en sprak zoo ernstig, dat zij Florence niet eens de hand op den mond had behoeven te leggen. “Zeg mij eerst alles van Walter. Laat ik zijne geheele geschiedenis wel begrijpen.”

Florence verhaalde die met al wat er toe behoorde: zelfs met de vriendschap van Toots, van wien zij zelfs in hare droefheid niet spreken kon zonder een betraanden glimlach, hoewel zij hem innig dankbaar was. Toen haar verhaal ten einde was, waarnaar Edith, hare hand vasthoudende, met ernstige aandacht luisterde, zeide deze:

“Wat weet gij dat ik wel gezien heb, Florence?”—“Dat ik,” antwoordde Florence met dezelfde angstige beweging als te voren en wederom haar gezicht verbergende, “geen bemind kind ben, mama. Dat ben ik nooit geweest. Ik heb nooit geweten hoe ik het worden moest. Ik ben van den weg afgeraakt, en had niemand om hem mij te wijzen.O, laat ik van u leeren hoe ik papa dierbaarder kan worden. Leer mij, gij die dat zoo goed kunt!” En zich nog vaster klemmende, met eenige afgebrokene woorden van liefkoozing en dankbaarheid, bleef Florence, van haar treurig geheim ontlast, nog lang schreien, maar niet zoo smartelijk als voorheen, in de armen harer nieuwe moeder.

Bleek, tot hare lippen toe, en met een gezicht dat zich tot kalmte dwong, tot de trotsche schoonheid daarvan zoo strak was als de dood, zag Edith op het schreiende meisje neer. Eens gaf zij haar een kus. Zich toen langzamerhand losmakende en Florence van zich afschuivende, zeide zij, statig en stil, als een marmeren beeld, en met eene stem die doffer werd naarmate zij sprak, maar geen ander blijk van aandoening gaf:

“Florence, gij kent mij niet! De hemel verhoede dat gij van mij zoudt leeren!”—“Niet van u leeren?” zeide Florence, verwonderd.—“Dat ik u leeren zou hoe gij moet liefhebben of bemind kunt worden, verhoede de hemel!” zeide Edith. “Als gij mij leeren kondt, dat zou beter zijn; maar het is te laat. Gij zijt mij dierbaar, Florence. Ik had niet gedacht dat iets mij ooit zoo dierbaar kon zijn, als gij mij in dien korten tijd zijt geworden.”

Zij zag dat Florence hier wilde spreken, wenkte haar daarom met de hand om stil te zwijgen, en vervolgde:

“Ik zal altijd uwe ware vriendin zijn. Ik zal u liefhebben zooveel als iemand in deze wereld[252]zou kunnen doen. Gij kunt mij vertrouwen—ik weet het en ik zeg het, lieve—met het gansche vertrouwen zelfs van uw zuiver hart. Er zijn menigten van vrouwen, die hij had kunnen trouwen, beter en trouwer in alle opzichten dan ik ben, Florence; maar geene had als zijne vrouw hier kunnen komen, wier hart met meer oprechtheid voor u klopte dan het mijne doet.”—“Dat weet ik, lieve mama!” riep Florence uit. “Van dien eersten allergelukkigsten dag af heb ik dat geweten.”—“Allergelukkigste dag!” Edith scheen deze woorden onwillekeurig te herhalen, en vervolgde toen: “Schoon ik geene verdienste heb, want ik dacht weinig aan u eer ik u zag, laat mij in uwe liefde en vertrouwen mijne onverdiende belooning vinden. En hierin, Florence, hierin—op den eersten avond dat ik hier mijn intrek neem, krijg ik juist aanleiding, gelijk ook wel goed is, om het voor de eerste en laatste maal te zeggen.”

Florence werd, zonder te weten waarom, bijna bang om haar te hooren voortgaan, en hield hare oogen strak op het schoone gelaat gericht, dat haar zoo vast aanzag.

“Zoek nooit in mij te vinden,” zeide Edith, hare hand op hare borst leggende, “wat hier niet is. En als gij anders kunt, Florence, verzaak mij dan nooit omdat het hier niet is. Langzamerhand zult gij mij beter leeren kennen, en er zal een tijd komen dat gij mij kennen zult gelijk ik mij zelve ken. Wees dan zoo zacht voor mij als gij kunt, en laat de eenige zoete herinnering, die ik hebben zal, niet in bitterheid veranderen.”

De tranen in de oogen, die zij strak op Florence gevestigd hield, toonden dat het kalme gelaat slechts een schoon masker was; maar zij behield dit toch en vervolgde:

“Ikhebgezien wat gij zegt, en weet hoe waar het is. Maar geloof mij—dat zult gij spoedig, als gij het nu niet kunt—er is niemand op aarde minder geschikt om dit te recht te brengen of u te helpen dan ik. Vraag mij nooit waarom, en spreek mij nooit weer daarover of over uw papa. In zooverre moet er eene verwijdering tusschen ons zijn, eene stilte gelijk die van het graf zelf.”

Zij bleef een tijd lang zwijgend zitten. Florence durfde ondertusschen nauwelijks ademhalen, terwijl flauwe schaduwen van de waarheid en de gevolgen, welk deze dagelijks moest medebrengen, elkander in hare ontstelde, en toch nog ongeloovige, verbeelding verdrongen. Bijna zoodra zij had opgehouden te spreken, begon Edith’s gelaat van deszelfs strakke bedaardheid tot dat zachter en rustiger uitzicht over te gaan, dat het doorgaans had als zij en Florence met elkander alleen waren. Na die verandering hield zij hare handen er voor; en toen zij opstond en Florence met eene teedere omhelzing goedennacht wenschte, ging zij snel en zonder om te zien heen.

Maar toen Florence in bed en hare kamer donker was, behalve dat de gloed van het vuur nog een schijnsel gaf, kwam Edith terug, zeide dat zij niet slapen kon en het haar in hare kamer te eenzaam was, schoof een stoel bij den haard, en bleef in de wegstervende vonken zitten turen. Florence tuurde insgelijks daarnaar totdat zij en de statige gedaante met hare golvende haren onduidelijk werden en eindelijk, in haar sluimer, verdwenen.

In haar slaap kon Florence evenwel den indruk van wat er zoo kort geleden was voorgevallen, niet te boven komen. Het bleef het onderwerp harer droomen, nu in de eene dan in de andere gedaante, maar altijd benauwend en vreesverwekkend. Zij droomde dat zij in eene woestijn naar haar vader zocht, en zijn spoor volgde over vreeselijke hoogten en in diepe grotten; dat zij iets had of wist waardoor zij hem van een folterend lijden kon ontheffen—zij wist niet wat of waarom—en hem toch nooit kon bereiken en bevrijden. Dan zag zij hem dood, op dat zelfde bed, in dezelfde kamer, en wist dat hij haar tot het laatste toe nooit had liefgehad, en viel, hartstochtelijk schreiende, op zijne koude borst. Dan opende zich een verschiet en stroomde er eene rivier, en riep eene klagende stem die zij kende: “Zij loopt maar voort, Flore. Zij houdt nooit op. Gij drijft er ook mee voort!” En zij zag hem in de verte zijne armen naar haar uitstrekken, terwijl eene gedaante, gelijk Walter placht te zijn, bij hem stond, zoo kalm en helder van uitzicht dat zij daardoor iets geduchts had. In ieder droomgezicht verscheen en verdween Edith, somtijds tot hare blijdschap, somtijds tot hare smart, totdat zij alleen stonden aan den rand van een donker graf, en Edith naar beneden wees en zij bukte en zag—wat!—eene andere Edith die op den bodem lag.

De schrik van dezen droom deed haar gillen en ontwaken, dacht zij. Eene zachte stem scheen haar in het oor te fluisteren: “Florence, lieve Florence, het is maar een droom!” en hare armen uitstrekkende, beantwoordde zij de liefkoozing harer nieuwe mama, die vervolgens in het flauwe licht van den dageraad de deur uitging. In een oogenblik zat Florence overeind, zich verwonderende of dit werkelijk had plaats gehad; maar zij zag niets anders dan dat werkelijk de dag aanbrak, en dat de zwartachtige asch van het vuur onder den haard lag, en dat zij alleen was.

Zoo verliep de eerste nacht nadat het gelukkige paar thuis was gekomen.[253]


Back to IndexNext