Hoofdstuk XV.Don Quichot zoekt zijne hooge gebiederes Dulcinea van Toboso op.Toen de dolende ridder en zijn wakkere schildknaap het open veld bereikt hadden, snoof en brieschte Rocinante luid en begon ook het grauwtje uit volle keel zijn welluidend Yah in de lucht te brullen. Beiden zagen deze omstandigheid voor een zeer gunstig voorteeken aan en hunne harten klopten van blijdschap, nu ze zich de daden voorstelden, die zij in ’t vervolg zeker bedrijven, en den onvergankelijken roem, dien zij daarvoor inoogsten zouden.“Sancho Panza,” sprak Don Quichot, toen zij eene poos zwijgend zij aan zij hadden voortgedraafd, “Sancho Panza, de avond valt en het zal donkerder worden, dan wij wenschen, voordat wij Toboso bereiken, dat ik in allen gevalle bezoeken moet. Daar, waar Dulcinea leeft en ademt, wil ik haar zegen afsmeeken, naardien ik overtuigd ben, dat ik daardoor ieder avontuur gelukkig zal te boven komen. Niets, moet gij weten, maakt de dolende ridders gelukkiger en dapperder, dan dat zij van de genade en de bescherming hunner meesteressen verzekerd zijn.”“Daar wil ik niets tegen zeggen, gestrenge heer,” antwoordde Sancho Panza, die wist, wat hij van Dulcinea te denken had; “maar toch kan ’t u nog wel wat moeite kosten, Dulcinea te spreken te krijgen en eene geschikte plaats te vinden, waar gij den zegen van de hooge dame ontvangen kunt. Ik vrees, dat ze u dien over de schutting of door een gat in den muur zal moeten geven.”“De schutting, Sancho?” vroeg Don Quichot verwonderd. “Zijt gij dan blind geweest, of hebt ge uwe oogen niet gebruikt? Wat gij voor een schutting aanzaagt, was zeker eene rij van trotsche galerijen, gangen en booggewelven, zooals men die altijd bij rijke koninklijke paleizen heeft.”“Nu, dan weet ik het niet,” verklaarde Sancho. “Voor zoover mij voorstaat, was ’t een gewoone schutting, en nog wel in niet al te besten staat, want ik meende er vrij wat scheuren, spleten en gaten in te zien.”“Dat mag wezen, hoe ’t wil,” zeide Don Quichot een weinig verdrietig; “maar toch zullen wij haar een bezoek brengen. Als ik haar maar te zien krijgt, raakt het mij weinig, of over eene schutting, of door een raam, of door een traliehek de straal van haar oog op mij valt en mijne ziel verlicht. Een blik van haar zal mij bezielen en wel zoo geweldig, dat ik onvergelijkelijk moet worden in deugd en in dapperheid.”Sancho Panza schudde het hoofd, zonder op deze hoogdravende taal iets te antwoorden, en zwijgend vervolgden ridder en knaap nu voortaan hun weg. Het zal tegen middernacht hebben geloopen, toen zij, bij een heuvel neerdalende, Toboso bereikten. In het dorp heerschte de diepste rust; want natuurlijk lagen al de bewoners te bed en rustten in de armen van de slaap. De maan stond aan den hemel, en de nacht was dus niet zoo donker, als Sancho Panza gewenscht had. ’t Zou hem liever geweest zijn, dat geen sterretje aan den hemel had geblonken, daar de donkerheid hem dan tot verontschuldiging voor zijne onwetendheid kon hebben gediend. Hij had, gelijk wij weten, Toboso nog met geen voet betreden, hoewel hij den bedrogen ridder duizend dingen van Dulcinea en zijne boodschap aan haar had weten op de mouw te spelden.Zooals gezegd is, lagen de bewoners van het dorp nog in dendiepsten slaap, en men vernam niets dan het blaffen van honden, dat den ridder hoogst onaangenaam in de ooren klonk, terwijl het den vreesachtigen schildknaap niet minder beangstigde. Toen het blaffen niet ophield, voegden zich daar nog andere tonen bij: ezels balkten, varkens knorden, paarden snoven, katten miauwden, wat alles in de stilte van den nacht duidelijker dan ooit hoorbaar was. Don Quichot behaagde dat volstrekt niet, daar hij al die geluiden voor slechte voorteekens hield, hoewel hij er niets van zei, maar stil aan Sancho Panza’s zijde doorreed. Eindelijk brak hij het lange stilzwijgen af en sprak:“Sancho, breng mij naar het paleis mijner gebiedster. Misschien wil een gelukkig toeval, dat wij haar wakende vinden.”“Maar naar wat paleis moet ik u dan brengen, edele heer?” riep Sancho verlegen uit. “Hier heeft men geen paleizen en, zooals ik u al zei, uwe Dulcinea woont in een ellendig klein kot van een huisje.”“Gij vergist u zeker, vriend,” beweerde Don Quichot. “Waarschijnlijk had mijne edele gebiedster zich toen maar in een zijvleugel van haar vorstelijk paleis afgezonderd, gelijk hooge dames wel eens meer de stilte en eenzaamheid zoeken.”“Gestrenge heer,”antwoorddeSancho, “gesteld nu al, dat gij gelijk hadt, is het dan toch wel gepast, dat wij zoo in het holle van den nacht de rust uwer meesteresse storen? Als wij op de deur kloppen, zullen ook de buren wakker worden en ons voor zeer dwaze en onzinnige menschen houden.”“Dat moeten wij afwachten,” zeide de ridder. “Laat ons eerst maar haar burcht opzoeken, en dan zal ik u zeggen, wat verder te doen. Zie daar eens, Sancho! Een donker gebouw rijst daar hoog op in den nacht en ik bedrieg mij zeker niet, als ik dat voor de woonstede mijner onvergelijkelijke dame houd.”“Rijd er dan maar op los,” bromde de schildknaap; “maar ’k laat mij hangen, als ge ’t niet glad mishebt.”Don Quichot gaf Rocinante de sporen en reed vooruit. Toen hij echter in denabijheidvan het groote gebouw was gekomen, zag hij wel, dat hij niet het slot eener edele prinses, maar enkel de kerk van het dorp voor zich had.“Het is de kerk,” zeide hij, onaangenaam verrast.“Ja, dat zie ik,” zeide Sancho Panza, “en de hemel geve maar, dat wij niet op het kerkhof ons graf vinden. Voor ’t overige heb ik u wel gezeid, dat de woning van uwe Dulcinea in een of ander achterafstraatje moet liggen.”“Ezel! Domkop! Stommerik!” bulderde Don Quichot. “Waar hebt ge dan ooit van uw leven gezien, dat riddersloten en paleizen in achterafstraatjes liggen?”“Gehoord en gezien heb ik dat niet,” was Sancho’s koel antwoord; “maar ’s lands wijs ’s lands eer, zegt het spreekwoord, en misschien is ’t hier in Toboso wel gebruikelijk groote huizen en voorname gebouwen wat achteraf te zetten. Wilt gij mijn raad volgen, gestrenge ridder, laat mij dan maar eens op mijn eigen houtje gaan zoeken. Misschien lukt het ons wel ’t paleis van uwe gebiedster te vinden, dat mijnentwege in den grond mag verzinken, zoo veel ergernis heb ik er al van gehad.”“Sancho Panza,” zeide de ridder op dreigenden toon, “ik raad u, met achting van alle dingen te spreken, die met mijne gebiedster ook maar van verre in verband staan. Ga nu voorts in vrede, zoek al uw best, en als ge het paleis gevonden hebt, val dan niet zoo dadelijk met de deur in huis. Overleg, Sancho, overleg en bedaardheid bij alle dingen en in alle omstandigheden moet de hoofddeugd van iederen dolenden schildknaap zijn.”“Ik ben bedaard genoeg,” antwoordde Sancho Panza, “maar hoe zou ik mijn geduld niet verliezen, als uwe edelheid verlangt, dat ik midden in den nacht een huis weerom zou vinden, dat ik nog maar eens bij helder daglicht gezien heb? Waarom zoekt gij zelf het dan niet? Gij moest het toch, dunkt mij, in een ommezien kunnen vinden, daar gij het meer dan duizendmaal moet gezien hebben.”“Sancho Panza, gij zult mij nog tot razernij brengen,” schreeuwde Don Quichot. “Ik heb u wel honderdmaal gezegd, dat ik de gebiederesse mijner ziel nog geen enkel maal met eigen oogen aanschouwd, dat ik nog nooit den drempel van haar geheiligd paleis betreden heb.”“Nu, edele heer, als gij haar nog niet gezien hebt, dan heb ik haar ook niet gezien,” antwoordde Sancho. “Men kan uit u niet wijs worden! Nu spreekt gij zus, dan spreekt gij zoo, al naar ’t u best past, en meent, dat gij uwen schildknaap vrij de huid vol moogt liegen. Fop je mij, ik fop je weer, zegt het spreekwoord; en dat heb ik ook al vaak genoeg gedaan. Ik zeg u nu ronduit, dat ik noch uwe Dulcinea, noch haar vader, noch een van hare familie ooit met mijne oogen gezien heb,—en daarmee basta!”“Sancho, Sancho,” sprak Don Quichot, “met heilige dingen mag men niet gekscheren. Hoe kunt gij dus zeggen, dat gij Dulcinea nooit gezien hebt, daar gij mij zooveel van haar hebt verteld?”“Wat ik vertelde, heb ik maar zoo van hooren zeggen gehad,” antwoordde de schildknaap.Voordat de ridder antwoordde, bemerkte hij, dat hem een man met twee muilezels voorbijkwam, die een ploeg trokken. Waarschijnlijk wou de man naar den akker gaan en voor dag en dauw zijn arbeid beginnen, en Don Quichot nam de gelegenheid waar, om bij hem naar Dulcinea’s woning te vernemen.“Kunt gij mij ook zeggen, goede vriend,” riep hij hem toe, “waar ik hier ergens het paleis van de onvergelijkelijke prinses Dulcinea van Toboso vind?”De boer hield zijn span ezels stil en keek verwonderd op.“Heer,” zei hij na kort beraad, “ik ben hier zelf nog vreemd, daar ik mij hier eerst voor korte dagen bij een boer als knecht verhuurd heb. Als gij alles precies weten wilt, ga dan bij den pastoor, die daar recht tegenover in dat groote huis woont. Evenwel kan ik kwalijk gelooven, dat hier in het dorp eene prinses verblijf houdt, ofschoon er vrouwen genoeg zijn, die binnen hare vier muren wel voor prinsessen doorgaan kunnen.”Na deze woorden dreef de man zijne dieren weer aan en reed door, terwijl Don Quichot hem verdrietig nakeek.“Gestrenge heer,” zeide Sancho tot den ridder, “de dag begint te lichten en ik geloof niet, dat het goed is, dat wij ons hier vóór de zon op straat laten vinden. ’t Zou beter wezen, dat gij u hier in den omtrek ergens in een boschje verborgen hieldt, terwijl ik geenhoekje ondoorzocht wil laten, tot ik uwe prinses gevonden heb. Het moest al vreemd toegaan, als ik haar niet eindelijk te pakken kreeg!”“Uw raad bevalt mij, Sancho Panza,” antwoordde Don Quichot na kort nadenken. “Volg mij dus eerst tot buiten het dorp en keer terug om haar te hooren, te zien en te spreken.”Van harte blij, dat hij zijn heer zoo gewillig vond, maakte Sancho, dat hij buiten het dorp kwam, en hield eerst een heel eind daar vandaan stil bij een boschje, waar Don Quichot zich tusschen de boomen schuil kon houden, terwijl Sancho Panza onverwijld naar het dorp terugkeerde.Toen de knaap echter zoo ver was, dat zijn meester hem niet meer zien kon, liet hij zich doodbedaard van zijn ezel neerglijden, wierp zich onder een boom in het malsche gras neer en hield de volgende alleenspraak:“’k Moest wel zot wezen, als ik naar prinsessen en paleizen ging zoeken, die heel niet in de wereld zijn. Mijn heer moet gefopt worden en zal gefopt worden. Zooveel is zeker, dat hij gek is, stapelgek, ’t eene ding voor het ander houdt en zwart voor wit, maar wit voor zwart aanziet, zooals bij die windmolens, die schapenkudden en de hemel weet waar meer zonneklaar gebleken is. De eerste de beste boerenmeid, die ik te zien krijg, stel ik hem als prinses Dulcinea voor. Gelooft hij mij niet, dan bezweer ik ’t, en vloekt hij, dan bezweer ik ’t weer en wil ’t zoo lang bezweren, totdat ik hem eindelijk de baas word. Hij laat mij dan òf later met zijne malle boodschappen ongemoeid, of misschien denkt hij ook, dat de eene of andere toovenaar zijne prinses, om hem te plagen, heeft omgehekst, en ’t een is mij zoo lief als ’t ander en zal mij voortaan ’t leven minder zuur maken.”Na die stichtelijke redeneering legde Sancho rustig zijn hoofd neer, sloot de oogen en deed een dutje, dat tot den laten namiddag duurde. Toen eerst besteeg hij zijn ezel weer en ging zijn meester opzoeken. Zijn goed geluk wou, dat hij drie boerenmeiden inhaalde, die op muilezels denzelfden weg reden, en nu was zijn plan dadelijk ontworpen. Zijn grauwtje in draf zettend, was hijspoedig bij zijn ridder en vond dien stijf te paard zittend, en luid zuchtend en weeklagend over het lang uitblijven van zijn schildknaap.“Nu, hoe is het, Sancho” vroeg hij, “moet ik dezen dag met een zwarten of mag ik hem met een witten steen teekenen?”“Met een witten, of nog liever met een vuurrooden,” antwoordde Sancho Panza. “Gij hebt uw Rocinante maar aan te sporen en den weg op te rijden, om uwe aanminnige Dulcinea te zien. Zij komt daar met twee van hare hofdames aandraven, om u een bezoek te brengen.”“Wat zegt gij daar?” riep Don Quichot half verschrikt. “Hoed u, hoed u, Sancho, mij opzettelijk te misleiden, om door eene bedrieglijke boodschap mijne diepe treurigheid in een snel vervliegend geluk te verkeeren.”“Maar, heer ridder, wat zou ’t mij baten, dat ik u trachtte te bedriegen?” vroeg Sancho met een doodonnoozel gezicht. “Gij zoudt dat bedrog immers in een ommezien ontdekken. Kom, kom, en spoor uw ros, om uwe verheven gebiedster van aangezicht tot aangezicht te aanschouwen. Och, wat is zij mooi, heer! Zij en hare staatsiedames glimmen van klinkklaar goud, van juweelen, van parels en van brocaat. Haar krullend haar blinkt in den zonneschijn en fladdert in den wind. Zij rijden op drie telgangers, zooals ik ze mijn leven lang nog niet gezien heb.”“Nu, dan willen we ons haasten, vriend Sancho,” antwoordde Don Quichot. “Heb dank voor de heuglijke tijding en maak er staat op, dat ik u daar koninklijk voor beloonen zal.”Zij brachten hunne dieren in draf en zagen, uit het bosch komende, de drie boerinnetjes reeds dicht voor zich. Don Quichot keek deze echter nauwelijks aan, maar liet zijne oogen over den weg naar Toboso rondgaan, om de schoone prinses Dulcinea met hare hofdames te zien te krijgen. Met groote verwondering bemerkte hij echter, dat van de drie geen spoor te ontdekken was, en vroeg dus zijn schildknaap, of die haar reeds buiten het dorp had gezien.“Wel zeker heb ik dat,” zei Sancho Panza. “Heeft uwe edelheid dan geen oogen in het hoofd en ziet de prinses niet, die daar aankomt, schitterend als de zon en flikkerend als tienmaal honderdduizend diamanten.”“Sancho Panza, ik zie niets dan drie boerenmeiden op drie magere bonken van muilezels.”“Wel drommel en geen einde!” riep Sancho met geveinsde verwondering. “Is het mogelijk, dat gij drie zulke juweeltjes van paarden voor muilezels en uw hooge gebiederes voor eene boerin aanziet? De rossen zijn spierwit, als versch gevallen sneeuw; en mijn naam mag geen Sancho Panza wezen, als ’t niet waarempel waar is.”“Ik zeg je evenwel,” riep de ridder, “dat het drie ezelinnen en drie boerenmeiden zijn, zoo waar als ik op Rocinante en jij op je grauwtje zit.”“Zwijg stil, ridder, zwijg stil, genadige heer, en kijk beter uit de oogen,” zei Sancho. “Daarkomtuwe dame al aan; rijd haar te gemoet en betoon haar de verschuldigde achting en eerbied.”En zonder af te wachten, wat zijn heer doen zou, reed hij vooruit, om de drie boerinnen te begroeten. Hij liet zich van zijn ezeltje glijden, greep het paard van de zoogenaamde Dulcinea bij den teugel, viel op beide knieën neer en sprak:“Hooge en doorluchtige prinses, keizerinne der schoonheid, wilt gij zoo goed wezen en uwen getrouwen ridder ontvangen, die daar, door uw aanblik betooverd, als versteend staat en door uwe tegenwoordigheid totaal is beteuterd? Ik ben Sancho Panza, de schildknaap, maar hij is de wijdvermaarde en hoogbefaamde held Don Quichot van La Mancha, Ridder van de Droevige Figuur.”Gedurende Sancho’s deftige toespraak was ook Don Quichot naast zijn schildknaap neergeknield en staarde verbaasd en verbijsterd de schoone aan, die door zijn dienaar als prinses en keizerin werd aangesproken. Daar hij nog altijd niets dan eene heel gewone en daarbij nog vrij leelijke boerenmeid met platten neus en een mond als een bakoven kon zien, geraakte hij zoo van streek, dat hij buiten staat was ook maar een enkel woord over de lippen te brengen.De boerinnen waren intusschen niet minder verlegen dan hij zelf. Eene heele poos keken zij verbaasd op de knielende helden neer en wisten niet, wat van Sancho’s zotte toespraak te denken, totdat eindelijk de vermeende Dulcinea het woord nam en vrij kribbig en boos riep:“Loopt naar de maan en laat ons ’t pad vrij! Wat hebben wij noodig met al die malligheden!”“O, bekoorlijke prinses en gebiederesse van Toboso,” antwoordde Sancho Panza, “wordt dan uw steenen hart niet verweekt door het leed van den ridder aan uwe voeten?”“Laat ons met vree, leelijke kerels!” schreeuwden de meiden. “Wij doen geen mensch wat; wat heb je dan ons overlast aan te doen?”“Sancho Panza, sta op!” beval Don Quichot op bedrukten toon. “Ik zie wel, dat weer een ongelukkig gesternte boven mijn hoofd staat en dat de bron van mijn lijden nog niet is opgedroogd. Gij echter, aanbiddelijke Dulcinea, die, gelijk ik nu wel zie, door een snooden toovenaar van uwe verrukkelijke schoonheid en aanminnigheid werdt beroofd, buig u neder tot mij, verkwik en laaf mij door een zoeten straal uit uwe oogen, en zie uit deze mijne kniebuiging, dat ik u ten eeuwigen dage als mijne hooge gebiederesse vereeren zal.”“Die smerige ouwe vent is gek!” riep de meid, terwijl zij Sancho de teugels van haar muilezel met geweld uit de handen rukte. “Laat los, leelijke dikzak, en houd ons niet langer op met je dol gezanik.”Sancho Panza week op zij, en de boerendeernen zetten het nu dadelijk op een draf. Zij waren echter niet ver, of daar kwam Dulcinea’s ezel te struikelen en wierp zijne berijdster af. Don Quichot schoot dadelijk toe, om haar weer op de been te helpen; doch voordat hij nog bij haar kwam, was zij weer opgesprongen, nam een aanloop, zette hare vuisten op de achterschonken van haar rijdier, zat met een wip weer in den zadel en galoppeerde voort, zonder ook maar eens naar den verbaasden ridder om te zien. De dolende held tuurde haar na, tot zij uit zijn gezicht verdwenen was, en keerde zich toen tot Sancho, met de woorden:“Wat zegt gij nu, mijn schildknaap? Ziet gij nu, hoe erg ik door de toovenaars gehaat en vervolgd word? Zij hebben mij het onschuldig genot ontroofd van mijne aangebedene in den vollen glans harer schoonheid te zien, en haar tot mijne kwelling in een gemeene boerenmeid veranderd.”“Ja, ja, ’t zijn rekels, ’t zijn schobbejakken, al die toovenaars!”riep Sancho uit. “Maar tob daar maar niet over, gestrenge heer; want ’k weet wel vast, dat de deugd en dapperheid bij slot van rekening over alle boosheid triomfeeren moeten.”Don Quichot antwoordde hier niet op, maar besteeg weer zijn Rocinante en de schildknaap zijn grauwtje, en zoo sukkelden beiden den weg naar de wereldberoemde stad Saragossa op. Voordat zij die bereikten, moesten zij echter nog velerlei wonderbaarlijke avonturen beleven, waarvan wij niet verzuimen mogen het trouw en waarachtig relaas te laten volgen.Hoofdstuk XVI.De kar des doods en de ridder met de spiegels.Terwijl Don Quichot in diep gepeins zijn weg vervolgde, keek Sancho Panza, over ’t gelukken van zijne list in zijn vuistje lachend, vroolijk rond en ontdekte een wagen, die met allerlei vreemde gedaanten en personages beladen was. Hij maakte Don Quichot daar opmerkzaam op, en beiden staarden het wonderlijk schouwspel verbaasd aan.De voerman van den wagen was een schrikbarende duivel, en de wagen zelf was open en onbedekt. Binnenin zat de dood in levenden lijve en met een menschelijk aangezicht. Naast hem vertoonde zich een engel met bont beschilderde vleugels. Verder stond daar een keizer met zijn gouden kroon op het hoofd, en aan de voeten des doods zat god Cupido met boog, koker en pijlen. Buitendien waren nog een ridder in blank harnas en eene menigte andere personen in verschillende drachten en met allerlei tronies en gezichten op den wagen te zien.Hoewel eerst een weinig ontsteld, kreeg de Ridder van de Droevige Figuur toch spoedig zijne gewone bedaardheid weer en geloofde, dat daar een nieuw avontuur in aantocht was. In deze meening stelde hij zich dicht voor de kar in postuur en riep met dreigende stem:“Voerman of duivel, of wat gij wezen moogt, zeg mij onverwijld, wie gij zijt en wat vreemd volk gij daar bij u hebt?”“Och, waarde heer,” antwoordde de duivel zeer onderdanig, “anders niet dan arme komedianten, die in het kleine dorp ginder achter den heuvel eene voorstelling van de hofhouding des doods willen geven. Om tijd te sparen en terstond na onze aankomst het spel te kunnen beginnen, hebben we ons maar vooraf verkleed. Deze knaap hier speelt voor dood, die voor engel, die voor soldaat, die voor keizer en ik zelf voor duivel. Zoo is het gelegen met het geval, en als gij nog meer wilt weten, vraag dan maar vrij; daar een duivel alles moet weten, kan ik u wis voldoend bescheid geven.”“Neen, neen, ik weet al genoeg,” sprak Don Quichot. “Toen ik uwe kar zag, meende ik, dat ik eenig avontuur zou moeten bestaan; maar ik merk nu wel anders. Trekt in vrede, goede lui, houdt uwe vertooning en bedenkt eens, of gij niet ’t een of ander voor mij te doen weet. Van harte gaarne wil ik u van dienst wezen, want als kind ben ik al een groot vriend van zulke mommespelen geweest.”Terwijl Don Quichot zulke goelijke en vriendelijke woorden sprak, wilde het toeval, dat de paljas van het gezelschap, die wat achter was gebleven, aankwam. Hij was als hansworst gekleed, met belletjes behangen en had op het hoofd een zotskap en in de hand een stok, aan ’t eind waarvan drie groote, met erwten gevulde koeblazen hingen. Zoodra hij Don Quichot te zien kreeg, begon hij zijn stok te zwaaien, met de blazen te rammelen, te springen en cabriolen te maken, zoodat al zijne belletjes rinkelden. Dat geraas en het vreemd uitzien van den paljas brachten Rocinante zoo van streek, dat hij het gebit tusschen de tanden nam en, wat de ridder ook trok en riep, in suizenden galop over de vlaktevoortstoof. Ziende, hoe zijn heer zoo gevaar liep van zandruiter te worden, sprong nu Sancho Panza van zijn grauwtje en liep achter den ridder aan, om hembijstand te verleenen. Voordat hij hem bereikte, was het ongeluk al gebeurd. Don Quichot lag zoo lang als hij was op den grond, en Rocinante lag naast hem.Zoodra echter Sancho Panza van zijn ezel was gestapt, sprong de paljas op grauwtje en sloeg het met zijne rammelende blazen om de ooren. ’t Geduldige beest, door dat nooit gehoorde geraas verschrikt, zette het nu op een loopen en holde regelrecht op het dorp aan, waar de komedianten hunne voorstelling wilden geven.Sancho zag zijn ezel wegloopen, maar zag ook te gelijk den benauwden toestand, waarin zijn heer verkeerde, en wist dus eerst niet, naar wat kant hij zich keeren zou. Na kort beraad besloot hij echter, als trouw en eerlijk schildknaap, eerst zijn heer te hulp te springen, niettegenstaande hem telkens een steek door ’t hart ging, als hij dien verwenschten hansworst zijn stok om de ooren van zijn arme grauwtje zag zwaaien. Hij wou liever, dat al die slagen hemzelf troffen, dan dat zijn lief ezeltje ook maar een haartje in zijn staart gekrenkt werd.In woede en vertwijfeling over den ongelukkigen staat van zijn lieveling naderde hij Don Quichot, die vrij leelijk toegetakeld was, en hielp hem weer op de been en boven op zijn Rocinante.“De duivel heeft mijn ezel gehaald, edele heer,” zeide hij toen.“Welke duivel dan?” vroeg de dolende ridder.“De duivel met blazen,”antwoordde Sancho. “Daar gaat hij met hem aan den haal.”“Dan wil ik hem weer veroveren, al zou ik hem uit den afgrond van de hel halen,” riep Don Quichot. “Volg mij, Sancho! De wagen rijdt langzaam en de muilezels, die hem trekken, zullen u ’t verlies van uw ezel vergoeden.”“Laat dat maar rusten, heer,” zeide Sancho. “Naar ik zie, heeft de duivel mijn grauwtje al losgelaten, en ’t komt op een drafje weer naar ons toe.”“Toch moet zijn lijden gewroken worden,” verklaarde Don Quichot, “en voor de ondeugendheid van den hansworst moet het gansche gezelschap boeten.”“Heer!” riep Sancho Panza, “zet u die gedachten in ’s hemelsnaam uit het hoofd en laat u niet in met potsenmakers, die overal in hooge gunst en gratie staan.”“En toch zullen zij hunne verdiende tuchtiging ontvangen,” sprak de ridder.Met deze woorden keerde hij zich naar den wagen, die al dicht bij het dorp was, en riep met daverende stem: “Halt, halt! Wacht wat, menschen, en ’k wil u toonen, hoe men een ezel behandelt, waarop de schildknaap van een dolenden ridder rijdt!”Don Quichot was met zulke gezonde longen begaafd, dat het volkje op de kar hem van woord tot woord verstond en zonder veel moeite zijn voornemen begreep. Meteen was dus de dood van de kar; duivel, engel en keizer sprongen hem vlug achterna, en ook de overige gedaanten draalden niet dat voorbeeld te volgen. Allen raapten nu steenen van den grond op, gingen in eene gesloten rij staan en wachtten zoo manmoedig den ridder af, om hem met een hagelbui van steenen te ontvangen.Toen onze held de dreigende houding der vijanden en hunne armen tot den worp opgeheven zag, hield hij Rocinante staande en overlegde, op wat wijze hij die rij met het geringste gevaar voor zichzelf aanvallen en overhoop werpen zou. Terwijl hij dienaangaande nog in ’t onzekere was, kwam Sancho Panza nader en riep hem vol schrik toe:“Heer, ik zeg, dat het roekeloos en dwaas zijn zou, tegen zulk eene legermacht op te rukken. Bedenk, dat men tegen een keisteenenregen weinig uitrichten kan, en dat het doldriest zou zijn, een krijgsheer aan te tasten, dat dood en keizer tot aanvoerders heeft en waarin engel en duivel meevechten. En mocht dit alles u nog niet afschrikken, bedenk dan toch, dat onder die gansche bende, al heeft ze koningen en keizers, toch geen enkel dolend ridder is.”“Dat is waar, Sancho,” antwoordde Don Quichot. “Ge hebt daar het rechte punt getroffen, ’t eenige, dat mij bewegen kan, van mijn voornemen af te zien. Ik mag mijn goed zwaard tegen niemand ontblooten, die niet werkelijk tot ridder is geslagen. Maar gij, Sancho, zoo gij wraak wilt nemen voor de beschimping, uw ezel aangedaan,draal dan niet en wees verzekerd, dat ik u met nuttige raadgevingen en wenken ter zijde zal staan.”“Neen, edele heer, ik wil het maar liever blauwblauw laten; gedane dingen nemen toch geen keer,” verklaarde de schildknaap. “Als ik mijn grauwtje maar weerom krijg, wil ik er verder geen water om vuil maken.”“Welaan dan, Sancho,” sprak de ridder, “indien dit werkelijk uw vast besluit is, willen wij die akelige schimmen en spooksels dan maar laten loopen en avonturen opzoeken, waarbij meer roem en eer is te behalen. Pak uw ezel bij den teugel: daar komt hij al vroolijk aandraven.”Sancho ving zijn grauwtje op. Don Quichot wierp Rocinante om, en de opgejaagde zwerm komedianten keerde naar de verlaten kar terug.Den nacht, die op dezen dag volgde, brachten onze twee helden onder eenige lommerrijke boomen door. Zij zadelden af, verteerden hun avondkost uit den knapzak van den ezel, strekten zich toen, Don Quichot onder een eik, Sancho Panza onder een kurkboom, uit en waren spoedig in slaap.Een tijdlang snurkten beiden rustig en ongestoord; doch op eens rees Don Quichot overeind en keek rond. Hij had een ongewoon gerucht vernomen en ontdekte nu twee mannen te paard, van wie de een juist uit den zadel steeg en zeide: “Neem onze dieren de teugels af en laat ze grazen. Deze plaats schijnt rijkelijk met gras gezegend, en de stilte en eenzaamheid hier passen goed voor mijne rustzoekende gedachten.”Na deze woorden wierp de nieuwe aankomeling zich op den grond, en zijne wapens maakten zulk een gedreun en gekletter, dat Don Quichot terstond begreep, dat hij hier een echten dolenden ridder voor zich had. Hij schudde Sancho bij den arm en kreeg hem, schoon niet zonder moeite, wakker.“Sancho, vriend Sancho,” fluisterde hij, “een avontuur is nabij.”“De hemel geve, dat het wat goeds is,” antwoordde de schildknaap en wreef zich de oogen uit. “Waar is het dan?”“Kijk dien kant uit, vriend,” antwoordde Don Quichot. “Gij zult een dolenden ridder, als ik ben, ontdekken, die zoo even van zijnstrijdros steeg en zich onder het kletteren zijner wapenrusting op de aarde uitstrekte.”“Ja, waarachtig, ik zie hem,” verzekerde Sancho Panza. “Wat zullen wij met hem aanvangen?”Op dit oogenblik richtte de vreemde ridder, die dat gefluister vermoedelijk vernomen had, zich op en vroeg barsch: “Wie is daar? Wie spreekt daar? Behoort gij tot het getal der vergenoegden of tot het getal der mistroostigen?”“Wij behooren tot de mistroostigen,” antwoordde Don Quichot.“Welaan, komt dan hier, opdat wij elkaar nader leeren kennen,” sprak de vreemde ridder.Terstond stond Don Quichot op en naderde met Sancho den onbekende, die zich van het gras half oprichtte en onzen ridder uitnoodigde, aan zijne zijde plaats te nemen. Sancho Panza vervoegde zich intusschen bij den wapendrager van den vreemden dolenden ridder, en zij evenals de ridders begonnen elkaar nu hunne ontmoetingen en avonturen te vertellen. Na voor zijn collega een waar klaaglied te hebben aangeheven, begon Sancho Panza dit onderhoud echter al spoedig moe te worden en verlangde, daar hij onderwijl al weer honger had gekregen, uitermate zeer naar eenige gezonde hartsterking voor de maag.“De tong kleeft mij aan ’t gehemelte,” zuchtte hij.“Daar weet ik goeden raad voor,” zeide zijn collega. “Ik heb een kostelijk middel tegen honger en dorst aan den zadelknop van mijn paard hangen.”Met deze woorden stond hij op, en kwam al spoedig terug met een grooten, goed gevulden wijnzak en eene pastei, die wel een halve el hoog en breed was.“Ei, ei, maat, ben je van zoo’n teerkost voorzien?” vroeg Sancho en likte zich al de lippen.“Wel wis en zeker,” antwoordde de vreemde schildknaap. “Denkt ge, dat ik mijn zwaren dienst heb aangenomen, om van water en brood te leven? ’t Mocht wat! Ik eet en drink er zoo goed van, als menig generaal niet. Maar tast toe en laat je niet lang noodigen.”Sancho liet ééne uitnoodiging genoeg zijn en at zonder er onnuttewoorden bij te verliezen. In den donker stopte hij brokken zoo groot als een vuist in den mond. Toen hij zijn bekomst had, tastte hij naar den wijnzak, en men zou liegen, als men den dorstigen knaap nazei, dat hij de opening daarvan korter dan een kwartier achtereen aan den mond hield. Toen hij met slokken ophield, boog hij het hoofd op zij, haalde diep adem en zeide:“Hoor, ondeugend schermpje, ik wil gehangen worden, als deze wijn niet uit een klooster gestolen is.”De vreemde lachte, zonder te antwoorden, en de beide kameraads praatten en dronken, totdat eindelijk de slaap hun de zware oogleden toedrukte.Terwijl zij in vrede rustten, verhaalde de vreemde ridder aan onzen Don Quichot, dat zijne hooge en edele uitverkorene Casildea van Vandalia werd geheeten, en dat zij onvergelijkelijk zoowel in schoonheid als in voornaamheid was.“Voor kort,”zeide hij, “heeft zij mij opgedragen, alle provinciën van Spanje te doorkruisen en iederen dolenden ridder tot de bekentenis te dwingen, dat zij de aanminnigste schoonheid is, die ooit door de zon beschenen werd. Ik deed volgens haar bevel en wierp menigen ridder in het stof neder; maar waarop ik het meest trotsch ben, is een kamp met den beroemden ridder Don Quichot van La Mancha. Ook hem overwon ik in tweegevecht en dwong ik tot de verklaring, dat mijne gebiedster Casildea schooner is, dan de zijne, die Dulcinea heet.”Toen onze Don Quichot den boschridder, dien hij in zijn gansche leven nog niet gezien had, aldus hoorde spreken, ontbrandde hij in geweldigen toorn, sprong op en riep:“Gij liegt, snoode en schandelijke ridder! Want weet, ik ben het, dien gij noemt, ik ben Don Quichot van La Mancha, bijgenaamd de Ridder van de Droevige Figuur. Kom op ten strijde, zoo gij moed daartoe hebt.”De boschridder antwoordde zeer koelbloedig: “Dus zijt gij Don Quichot? Nu, dan moet wel de een of andere schelm zich voor u hebben uitgegeven, dien ik in de meening, dat gij zelf voor mij stondt, in het zand wierp. Dat schaadt evenwel niet, daar ik nuinhalen kan, wat ik toen verzuimde. Wacht nu echter den dag af, daar ’t geen gebruik is, dat edele ridders hunne wapenfeiten in den donker volbrengen als roovers en gauwdieven. Over dag wil ik u staan, te voet en te paard, met zwaard en met lans.”“Goed, daar ben ik tevreden mee, en ik stel voor, dat wij onze schildknapen wekken, zoodat zij tegen zonsopgang onze paarden getuigd en gezadeld hebben.”Zij gingen naar de plaats, waar de twee in slaap lagen, wekten hen en bevalen hun, al het noodige tot den voorgenomen kamp gereed te maken. Sancho schrikte niet weinig, daar hij voor het leven en de gezondheid van zijn heer bijzonder bezorgd was. Nochtans waagde hij geen woord van tegenspraak, maar ging in stilte zijn werk verrichten. De andere schildknaap volgde zijn voorbeeld.“Hoor, broeder,” sprak hij tot Sancho, “als onze meesters aan het vechten zijn, mogen wij de handen niet stil in den schoot leggen, maar moeten elkaar ook eens duchtig op ’t jak zitten.”“Dat reken ik heelemaal onnoodig,” antwoordde Sancho Panza. “Ook heb ik nog nooit gehoord, dat schildknapen van dolende ridders zich met de zaken van hunne meesters bemoeiden, en buitendien ben ik niet eens een zwaard rijk.”“O, dat doet er niet toe,” zeide de ander. “Wij vullen een paar linnen zakjes met keisteentjes en slaan elkaar daar zoo lang mee om de ooren, tot een van ons op den grond ligt.”“Kijk, bij mijns vaders baard, dat zou een groote gekheid wezen!” riep Sancho. “Neen, ik ben er niet op gesteld, dat men mij kop en schonken bont en blauw beukt.”“En toch moeten wij op zijn minst een half uurtje lang samen vechten,” zei de vreemde schildknaap; “en als ge niet wilt, dan zal ik je zoo lang om de ooren slaan, tot ge wel weerom slaat.”“O,” riep Sancho, die nu boos werd, “als ge me zoo aankomt, zal ik een knuppel pakken en je afranselen, tot je geen raad meer weet. Volg mijn raad en zet je die vechterijen uit de malle hersens. Zoo niet, dan zeg ik je, dat al ’t ongeluk, dat er uit ontstaat, op je eigen rekening komt.”“Goed, goed,” bromde de ander; “’t wordt gauw dag, en dan zullen we wel nader zien.”Onderwijl begonnen de vogeltjes op de takken rond te huppelen en hunne fijne stemmetjes te laten hooren; het morgenrood verguldde den hemel en de dauw viel in flonkerende parels op bloem en kruid neer. Nauwelijks echter liet het licht van den dag de voorwerpen duidelijk onderscheiden, of Sancho Panza zag een ding, dat hem allen moed uit het harte dreef en hem eene rilling over den rug joeg. En dat ding was—de neus van zijn collega, den vreemden schildknaap.Die was van buitensporige grootte, gebogen als een vogelsneb, met wratten en puisten bezaaid en vertoonde alle kleurschakeeringen van het zachte rozerood tot het donkerst purper toe. Sancho Panza kreeg zoo’n schrik van dien neus, dat hij in stilte besloot, zich liever tweehonderd oorvijgen te getroosten, dan zich met zulk een vogelverschrikker in een gevecht in te laten.Intusschen nam ook Don Quichot zijn tegenstander op, die een stevig, gezet en grof gespierd man was. Over zijn harnas droeg hij een wapenrok van ’t fijnste goudlaken, die van onder tot boven met kleine halvemaanvormige spiegeltjes was bezet, wat bij iedere beweging eene zeer aardige vertooning maakte. Van zijn helm hing een zware pluimbos neer, en zijne lans, die tegen een boom geleund stond, was buitengewoon dik en lang en met een lange stalen punt gewapend.Uit dit alles maakte Don Quichot op, dat hij eene kloeke tegenpartij had te bekampen; doch zijn bekende en beproefde heldenmoed geraakte daardoor geen oogenblik aan het wankelen. Veeleer daagde hij hem, zonder nog zijn door het vizier van den helm bedekt aangezicht gezien te hebben, op staanden voet ten kampstrijd uit, en beide ridders bestegen onmiddellijk hunne rossen.Om de vereischte ruimte tot kampplaats te winnen, maakte Don Quichot eene korte wending met zijn paard, en de spiegelridder volgde zijn voorbeeld. Terstond daarop stonden zij tegen elkaar over en sloegen, als om afscheid van de wereld te nemen, nog eens een blik in het rond. Nu kreeg Don Quichot ook den vervaarlijkenneus van den vreemden schildknaap in het oog en verwonderde zich er niet minder over dan Sancho, die op ditzelfde oogenblik kwam aanloopen, om zijn meester eene dringende bede in het oor te fluisteren.“Heer ridder,”zei hij, “ik bid u in ’s hemels naam mij op gindschen kurkboom te helpen, omdat ik daar uit de hoogte het vreeselijk slagveld veel beter zal kunnen overzien.”“Hoor, Sancho,” antwoordde Don Quichot, “ik vrees, dat gij enkel en alleen zoo hoogop wilt, om uw armzalig lijf in veiligheid te brengen.”“Nu, nu, om de waarheid te zeggen, wil ik wel bekennen, dat ik wat bang voor dat gruwelijk neuswerk ben,” betuigde de knaap. “Dat jaagt mij zoo’n schrik aan, dat ik ’t er onmogelijk dicht bij uithouden kan.”“Ja, ja, die neus is een afgrijselijk ding,” zei Don Quichot, “en maak dus maar gauw, dat ge naar boven komt.”Terwijl Don Quichot zijn schildknaap een handje hielp, om op een tak te komen, spoorde de spiegelridder zijn ros aan, om zijn vijand met knaap en al overhoop te rennen. Daar nu evenwel zijn hengst een knol van de gemeenste soort was, bleef die midden in zijn vaart staan en kuchte en hijgde zoo erbarmelijk, dat men wel bijkans medelijden moest krijgen met het arme beest, dat van lamlendigheid haast niet op zijne vier pooten kon blijven staan.Don Quichot had intusschen zijn knaap in veiligheid gebracht en, door zulk een verraderlijk gedrag in blakende grimmigheid ontstoken, gaf hij Rocinante nu met zooveel geweld de sporen, dat hij in vollen galop op den nu roerloos wachtenden spiegelridder instoof. In het midden van de baan bereikte hij dien en trof hem met zijne lans zoo geweldig in de zijde, dat de snoode man in den zadel waggelde en ruggelings over zijn paard heen ter aarde tuimelde. De bons, dien hij kreeg, was zoo geducht, dat hij stokstijf bleef liggen en Don Quichot zelf geloofde, dat hij zoo dood als een pier was.Zoodra Sancho hem zag rollen, liet hij zich schielijk weer uit zijn boom neerglijden en kwam toe op zijn heer, die uiterst bedaard van Rocinante was gestegen en zich over den gevelden spiegelridderneerboog. Hij gespte hem den helmband los, om hem lucht te verschaffen en te zien, of hij wis en wezenlijk dood was, en aanschouwde nu tot zijne allerovergrootste verbazing het aangezicht van—van den heer Sanson Carrasco, denzelfden, van wien hij zijn fraaien helm ten geschenke had gekregen.“Sancho!” riep hij, “Sancho Panza, kom hier en zie met eigen oogen, welke kunstenarijen die snoode toovenaars aanwenden, om mijn zinnen te verbijsteren en mij geheel op ’t dwaalspoor te brengen.”Sancho kwam reeds aansjokken en zette het bij dien toeroep op een drafje. Bij ’t zien van het bleeke aangezicht van Carrasco sloeg hij van louter verbaasdheid een kruis en spoorde zijn heer aan, om den gevallene maar zonder omslag het zwaard tusschen de tanden in te boren en zoodoende aan die verfoeielijke tooverij op eens een einde te maken.“Dat zou zoo verkeerd niet wezen,” zeide Don Quichot en trok zijn zwaard, om Sancho’s raad onverwijld op te volgen. Evenwel werd hem dat nog bijtijds belet, daar de schildknaap van den gevallene, hoewel thans zonder zijn groot neuswerk, op een drafje kwam aanloopen en al van verre bad en smeekte, dat men zijn armen heer toch sparen mocht.“Kijk wel toe, gestrenge heer!” lamenteerde hij. “Die man daar aan uwe voeten is wis en vast Sanson Carrasco, uw goede vriend, en ik ben zijn alleronderdanigste knecht en dienaar.”“Maar waar heb je dan je neus gelaten?” vroeg Sancho Panza, als ten toppunt van verbazing, toen hij dat schrikbarend uitsteeksel niet meer ontdekte.“Dien heb ik hier in mijn zak,” antwoordde de knaap en haalde een ding van beschilderd bordpapier voor den dag.“Wat is dat?” schreeuwde Sancho, toen hij den vreemde nu eens goed had aangekeken. “Waarachtig, ’t is Tomé Cecial, mijn naaste buurman!”“Geen mensch anders, mijn oude vriend Sancho Panza,” zei de ander; “en als ge een weinigje geduld hebt, wil ik je van haver tot gort vertellen, hoe en waartoe ik hierheen ben gekomen. Verzoek uwendapperen heer echter eerst, dat hij den armen spiegelridder geen kwaad doet; want het is wezenlijk de heer Sanson Carrasco, zijn oude vriend.”Intusschen was de spiegelridder weer tot bezinning gekomen; en zoodra Don Quichot dat bemerkte, hield hij hem de punt van zijn zwaard voor het gezicht en sprak:“Gij zijt een kind des doods, zoo gij niet oogenblikkelijk erkent, dat mijne hooge gebiedster Dulcinea van Toboso de uwe, Casildea van Vandalia, in schoonheid ver overtreft.”“Dat erken ik! Dat erken ik!” riep de spiegelridder, die in zijn hulpeloozen toestand natuurlijk niet zeer op zijn gemak was. “Casildea is niet waard, uwe Dulcinea de schoenriemen los te binden. Laat mij in ’s Hemels naam maar opstaan, gestrenge heer!”“Erken eerst nog, dat gij nu en nooit mij, Don Quichot van La Mancha, den Ridder van de Droevige Figuur, in tweegevecht hebt overwonnen, en, hoewel gij in uitzien veel op Sanson Carrasco gelijkt, toch niet die, maar een heel ander zijt.”“Dat erken ik! Dat erken ik!” riep de spiegelridder nogmaals in zijn doodelijken angst. “Ik beken alles, wat gij wilt, als gij mij maar eerst laat opstaan en mijne gekneusde ledematen wrijven, die van den val deerlijk geleden hebben.”Don Quichot stak thans bevredigd zijn zwaard op en hielp den overwonnen ridder op de been. Beschaamd en neerslachtig trok deze met zijn schildknaap zijns weegs; maar Don Quichot en Sancho Panza vervolgden met fiere harten hun tocht, en de Ridder van de Droevige Figuur bleef onverzettelijk bij zijne meening, dat hij een vijand had geveld, dien een vijandig gezind toovenaar naderhand, om den overwinnaar te ergeren en den overwonnene te redden, in den persoon vanSansonCarrasco had veranderd.Dit was echter, gelijk wij uit goede bron weten, in geenen deele het geval. De overwonnen dolende ridder was wel waarlijk Sanson Carrasco, die uitgetrokken was om Don Quichot van zijne dwaasheid te genezen. In de verwachting, dat het hem niet zwaar zou vallen den dolenden ridder te overwinnen, had hij dien tot een nieuwen tocht aangespoord en besloten Don Quichot, als hijhem meester was geworden, te gelasten stilletjes naar zijn dorp terug te keeren en dat in de eerste twee jaren niet weder te verlaten.Nu echter was dat anders uitgevallen. In plaats van victorie te kraaien, moest Sanson Carrasco met hangende pootjes aftrekken. Hij peinsde op wraak; maar Don Quichot was blij en welgemoed en had den overwonnene spoedig weer vergeten.Hoofdstuk XVII.Het avontuur met de leeuwen en andere wonderlijke geschiedenissen.Den grooten weg volgende, haalde Don Quichot een goed gekleed, oudachtig heer in, met wien hij zich, daar hij in alles, wat niet met die dwaasheid van het dolend ridderschap in verband stond, een hoogst beschaafd en verstandig man was, op recht aangename wijze wist te onderhouden. Hij geraakte zóo met hem in ’t gesprek verdiept, dat Sancho Panza, die den helm zijns meesters aan zijn zadelknop droeg, zich ongemerkt van zijne zijde verwijderen en bij eenige herders vervoegen kon, die op een naburig veld hunne schapen weidden. Hij wilde wat melk van hen vragen, waarop hij ontzettend belust was.Nog was Sancho bij de herders, toen Don Quichot toevallig opkeek en eene kar in het oog kreeg, die, met vele bonte vaantjes en wimpels versierd, regelrecht op hem toekwam. Daar hij terstond een nieuw avontuur vermoedde, riep hij met luider stemme aan Sancho om zijn helm.De schildknaap vernam het dringend roepen van zijn heer juist op het oogenblik, toen hij van de herders een paar vette, weekekaasjes had gekocht. Inderhaast wist hij niet, waar hij die bergen zou, en daar hij ze reeds betaald had, wilde hij ze toch liefst niet in den steek laten. In deze verlegenheid viel zijn oog op den helm, die hem op eens op een gelukkigen inval bracht. Hij stopte de kaasjes in zijns meesters ijzeren hoofddeksel en kwam nu haastig aandraven, om te vernemen, wat Don Quichot van hem verlangde.“Geef mij mijn helm, Sancho!”riep de dolende ridder vol ongeduld. “Mijn helm hier! Haast u, want nu staat ons een avontuur te wachten, waarvan het late nageslacht nog gewagen zal.”Driftig rukte hij Sancho, die nog geen tijd gehad had, om zijne kaasjes in veiligheid te brengen, den helm uit de hand en drukte dien, zonder te bemerken, dat er iets in was, stevig op zijn hoofd. Daar nu de kaas nog versch was en door de zwaarte van den ijzeren helm niet weinig geperst werd, zoo begon natuurlijk de vettige melkpap al spoedig over Don Quichots haar, gezicht en baard neer te druppelen en ’t hem niet weinig lastig te maken.“Sancho,” riep hij ontsteld, “Sancho, wat is dat hier? ’t Is, alsof mij de hersenen gaan smelten, of ’t mij schemerachtig voor de oogen wordt, of ’t gulle zweet mij van alle kanten uitbreekt. Geef mij wat, om mij af te drogen, want die bijtende zweetdroppels zullen mij anders stekeblind maken.”Zonder een woord te zeggen, reikte Sancho den ridder een vuilen, vettigen doek toe en was in zijn hart maar blij, dat Don Quichot in zijn ongeduld den eigenlijken aard van dat lastig zweet niet nader onderzocht.De ridder merkte intusschen toch onraad en nam, na zich zoo wat afgeveegd te hebben, den helm af, om zijn zweetenden schedel eens te betasten. En toen hij nu aan zijne vingers dat witte kaasdeeg zag en daaraan rook, begreep hij ’t gansche geval en maakte zich. ontzettend driftig.“Schandelijke, verraderlijke, laaghartige en arglistige knaap,” barstte hij los, “’t is kaas, wat gij daarin gestopt hebt! Kaas, bij het leven en de schoonheid mijner hooge dame Dulcinea van Toboso!”Ofschoon Sancho Panza eerst geducht schrikte, herstelde hij zich toch spoedig en kreeg zijne gewone onbeschaamdheid terug.“Ei, als ’t werkelijk kaas is, edele heer,” sprak hij, “geef die mij dan, want op kaas ben ik dol. Schoon neen, de duivel mag haar eten, want die alleen kan ze daarin getooverd hebben. Gij zult toch niet gelooven, edele ridder, dat ik ooit de stoutheid zou hebben, uw helm te verontreinigen? De hemel moge mij voor zulke heiligschennis behoeden! Misschien vervolgt mij en u een snoode toovenaar, die de kaas er alleen indeed om u te vertoornen en mij daardoor een dracht slagen te bezorgen. Maar ik ben zeker, dat hem ditmaal zijne list niet gelukken zal, want mijn edele heer is veel te verstandig, om niet in te zien, dat ik de kaas, als ik die namelijk gehad had, honderdmaal liever in mijn maag dan in uw helm zou hebben geborgen.”“Dat komt mij wel waarschijnlijk voor,” zeide Don Quichot, nu weer ten volle tevredengesteld.Zonder zich aan het verwonderd gezicht te storen van den heer die hem gezelschap hield, reinigde hij zich ten volle van de vettige brij, zette toen zijn helm weer op, stond overeind in de beugels, keek naar zijn zwaard, velde de lans en riep vol kamplust en moed: “Kome nu, wie wil! Hier sta ik en voel de kracht in mij, om het zelfs tegen den baarlijken duivel op te nemen.”Onderwijl naderde de met vaantjes versierde kar, en het bleek nu, dat daar niemand bij was dan de voerman met zijne muilezels en een man, die op het voorste bankje zat. Don Quichot plaatste zich toen midden in den weg en vroeg:“Wie zijt gij, menschen? Waar gaat gij heen? Wat voor een wagen is dat? Wat hebt gij daarin? En wat moeten die vlaggetjes daar beduiden?”“Heer,” antwoordde de voerman, “die kar is mijn eigendom, en er zijn twee geweldige leeuwen in, die de stadhouder van Oran aan zijne majesteit den koning ten geschenke zendt. Die vaantjes beduiden alleen, dat de inhoud der kar ’s konings eigendom is.”“Zijn de leeuwen groot en sterk?”vroegDon Quichot.“Zeker, edele heer!” antwoordde de man. “Ze zijn grooter en sterker dan er ooit nog uit Afrika naar Spanje zijn gekomen. Ik heb al veel leeuwen gezien, maar huns gelijken nog niet. Hier inhet voorste hok zit de leeuw en in dat andere de leeuwin. Ze zijn nu ontzettend hongerig, daar ze vandaag nog geen voêr hebben gehad, en ik verzoek dus, dat de heeren uit den weg gaan en ons doorlaten, zoodat wij spoedig naar eene plaats komen, waar vleesch is te krijgen.”“Ik voor zoo’n paar ellendige leeuwen uit den weg gaan?” vroeg Don Quichot met minachting. “Zie mij aan, of ik de man daarnaar ben! Gauw afgestapt, goede man, en de hokken geopend, zoodat de beestjes naar buiten kunnen komen! Hier midden op het open veld wil ik met hen vechten en hun toonen, wie Don Quichot van La Mancha, de Ridder van de Droevige Figuur, is. Kom af, zeg ik, en voor den dag met de twee, in spijt van al de toovenaars, die ze mij zeker in den weg hebben gezonden.”De vreemde heer zag Don Quichot met groote oogen aan en meende zeker, dat het hem eensklaps in het hoofd was geslagen. In zijn bitteren angst en benauwdheid wendde Sancho Panza zich tot hem en smeekte hem in roerende bewoordingen althans eene poging te doen, om den ridder van zijne roekelooze onderneming terug te houden.“Ik bid u in Gods naam,” smeekte hij, “maak toch, dat mijn meester zich niet met dat wilde gedierte inlaat, dat ons zeker in stukken zal scheuren.”“Maar wil uw heer dan wezenlijk die dieren bevechten?” vroeg de vreemde. “Is hij dan geheel razend en dol?”“Dol en razend niet, maar zoo moedig, dat er geen houden aan is,” verzekerde Sancho.“Nu, dan wil ik mijn best doen, om ongelukken voor te komen,” zeide de vreemde en keerde zich tot Don Quichot, die den leeuwenhoeder nog altijd drong de hokken te openen en de dieren vrij te laten.“Heer dolend ridder,” sprak hij tot Don Quichot, “voor zoover mij bekend is, moeten alle helden slechts zulke avonturen bestaan, die hun kans laten op levensbehoud. Door zich met andere dingen in te laten verraden zij meer dwaasheid dan kracht en verdienen geen lof, maar berisping. Laat dus, bid ik u, deze leeuwenmet rust; zij komen aan zijne majesteit den koning toe en worden niet ongestraft aangeroerd.”“Mijn beste heer,” antwoordde Don Quichot, “bemoei gij u met uwe hazen en patrijzen en laat mij mijn werk doen, gelijk dat mij goeddunkt. De kamp met deze leeuwen behoort daartoe, en ik verzoek u, dat gij u daar niet verder mee bemoeit.”De heer zweeg, daar hij begreep, dat zijn spreken toch niet baatte, terwijl Don Quichot zich opnieuw tot den leeuwenhoeder wendde en sprak:“Gij schandelijke en plichtvergeten dienaar! als gij niet op staanden voet gehoorzaamt, zweer ik, dat ik u met deze lans aan uw hok vast zal nagelen.”Nu de man zag, dat het den geharnasten ridder ernst was, durfde hij zich niet langer verzetten en zeide: “Ieder hier tegenwoordig kan getuigen, dat ik alleen door geweld ben gedwongen geworden de kooi der leeuwen te openen en het eigendom des konings op het spel te zetten. Alle schade en alle onheil, dat daaruit ontstaan kan, gaat mij niet aan, maar alles moet naar billijkheid en recht op rekening van dezen ridder komen. Maakt plaats, mijne heeren, bergt u, voordat ik de grendels openschuif.”“Heer,” keerde de voerman zich thans tot Don Quichot, “vergun althans, dat ik mijne muilezels afspan en in veiligheid breng. Als de leeuwen mijne dieren ombrengen, ben ik voor altijd mijne kostwinning kwijt.”“Gij zijt een dom mensch,” riep de ridder verstoord. “Denkt gij, dat ik aan de leeuwen tijd zal laten, om uwe dieren aan te vallen? Mijnentwege doe echter, wat gij wilt; maar gij zult zien, dat gij nutteloos werk gedaan hebt.”Niettegenstaande deze verzekering spande de man in aller ijl zijn trekvee af, en gedurende dien tijd trachtte de vreemde heer den ridder nogmaals tot andere gedachten te brengen. Deze bleef echter onverzettelijk bij zijn opzet volharden.“Wilt gij niet getuige zijn van den kamp, dien ik hier op het open veld beginnenzal, spoor dan uw schimmel aan en maak u uit de voeten,” zeide hij.Thans deed ook nog Sancho Panza een goed woord en smeekte met tranen in de oogen zijn meester, toch van zijn voornemen af te zien.“Dit avontuur is zoo vreeselijk,” zei hij, “dat al, wat wij reeds beleefd hebben, er maar kinderspel bij was. Hier is geen tooverij of hekserij in ’t spel, maar alles is wis en wezenlijk ernst. Ik heb tusschen de ijzeren tralies door in ’t hok gekeken en daar de klauwen van den leeuw gezien, die ontzettend lang en breed zijn. ’t Is een dier, zoo groot als een berg, heer.”“Uwe benauwdheid zal het nog grooter maken dan de halve wereld,” zei Don Quichot. “Maak maar, dat ge weg komt, Sancho! Mocht ik bij den zwaren strijd, die mij te wachten staat, het leven laten, spoed u dan naar mijne gebiedster Dulcinea van Toboso en maak haar bekend met mijn dood.”Na deze woorden begrepen allen, dat met Don Quichot niets meer was aan te vangen en dat men hem stil zijn gang moest laten gaan. Zoo dreef dan de voerman zijne muilezels op zij, bracht de vreemde heer zijn schimmel in veiligheid en zorgde Sancho Panza, dat hij met zijn grauwtje op eerbiedigen afstand kwam. En toen gebood de ridder op dreigenden toon, dat men de hokken zou openen.Ziende, dat alle menschen en dieren buiten gevaar waren, bracht de leeuwenhoeder Don Quichot nogmaals onder het oog, welk eene roekelooze onderneming hij voorhad, en waarschuwde hem ernstig zich toch niet zoo moedwillig in gevaar te begeven. Don Quichot luisterde daar echter niet naar. Terwijl de man talmde en nog steeds tijd zocht te winnen, overlegde hij, of het niet beter zou zijn, den kamp te voet, in plaats van te paard te beginnen, en besloot eindelijk tot het eerste, omdat hij vreesde, dat Rocinante bij het zien van het vreeselijk roofdier schuw en wild zou worden. Hij sprong dus van het paard, wierp zijne lans op den grond, dekte zijne borst met het schild, trad met ontbloot zwaard voor de deur van het hok en beval zijne ziel Dulcinea van Toboso aan.Toen de leeuwenhoeder nu zag, dat Don Quichot ten volle bedaard en beraden was, en dat hij hem dus wel zijn zin diendete geven, rukte hij de deur van het eerste hok, waarin de leeuw zat, wagenwijd open. De leeuw, werkelijk een dier van buitengewone grootte en schrikinboezemende gestalte, keerde zich om in zijn kooi, schoof zijn voorpooten vooruit en rekte zich. Daarop ontsloot hij zijn ontzettenden muil, spalkte dien wijd open en gaapte zeer majestueus. Vervolgens stak hij de bloedroode tong uit, likte zich de oogen, trad met langzamen tred vooruit, stak zijn geweldigen kop buiten het hok, liet zijne gloeiende oogen naar alle zijden rondrollen en nam eene houding aan, die iedereen met ontzetting zou vervuld hebben. Don Quichot week echter niet terug, maar nam het vreeselijk dier kalm en bedaard op en wenschte zelfs, dat het dadelijk van den wagen springen en den kamp met hem beginnen mocht.Na echter het landschap en zijn uitdager eene poos bedaard te hebben aangekeken, schudde de leeuw langzaam zijn kop en—draaide zich om, Don Quichot den rug toekeerend. Met de grootste onverschilligheid strekte hij zich vervolgens op de planken uit en scheen zich om niets ter wereld meer te bekommeren.“Jaag hem op!” riep Don Quichot den leeuwenhoeder toe. “Stoot, sla, schop, terg en sar hem, tot hij uit zijn hok komt.”“Ja, ja, dat zal ik wel uit mijn hersens laten,” riep de man. “Als ik hem aanraakte, zou hij mij allereerst beetpakken, en dat is een ding, waarvoor ik hartelijk bedank. Vergenoeg u met wat gij gedaan hebt, heer ridder, en wees verzekerd, dat het meer is, dan één menschenkind u zou durven nadoen. Stel u niet voor de tweede maal bloot en bedenk, dat gij alles gedaan hebt, wat men van een held kan verlangen. De deur staat open, de leeuw is uitgedaagd, gij staat tot den kamp bereid. Wil uw vijand niet vechten, dan is aan hem de schande en oneer en aan u de zege en de roem.”“Dat is waar!” riep Don Quichot uit. “Sluit de deur weer toe, vriend, en geef mij de getuigenis, dat ik werkelijk alles gedaan heb, wat mij geoorloofd was. Gij hebt den leeuw de deur opengezet; ik heb hem opgewacht, maar hij is niet gekomen; eindelijk heb ik nog een poos gewacht, en hij is weer niet verschenen, maaris naar den versten hoek van zijn kooi gekropen en heeft zich daar lafhartig neergelegd. Meer is niet noodig, om mijne dapperheid in vollen glans te vertoonen, en gij moogt dus vrij de deur sluiten, terwijl ik onze gevluchte vrienden wil terugroepen, opdat zij uit uw mond het verhaal van mijne daden hooren.”De wachter sloot het hok weer toe, en Don Quichot bond den doek, waarmee hij de kaas van zijn gezicht had gewischt, aan zijne lans, om daarmee de anderen terug te roepen. Te gelijk verhief hij zijne stem en riep: “Sancho! Sancho!” dat het wijd over het veld klonk.Sancho Panza vernam dien roep, keerde zich om, zag het witte vaantje en zei: “Ik laat mij levend villen, als mijn heer de wilde beesten niet overwonnen heeft; want zie, hij wenkt ons en zijn vaan wappert in den wind.”Ook de anderen zagen het gegeven teeken, en hunne harten, die tot nog toe met angst vervuld waren geweest, werden gerust. Zij keerden naar de kar terug en waren zeer verlangend, de toedracht en den afloop van den gewaagden kamp te vernemen.“Span uwe muilezels weer voor,” riep Don Quichot den voerman toe; “span ze voor en vervolg ongehinderd uwe reis. En gij, Sancho, geef den leeuwenhoeder twee goudguldens tot vergoeding omdat hij zich zoo lang heeft opgehouden.”“Die goudguldens wil ik hem wel geven,” antwoordde de schildknaap; “doch zeg mij eerst, wat er van de leeuwen geworden is. Zijn ze al dood, of hebben ze er ’t leven afgebracht?”“Wend u tot dezen man,” sprak Don Quichot met trotschheid; “hij zal u berichten, hoe de zaak is afgeloopen.”Sancho talmde hier dan ook niet mee, en de leeuwenhoeder vertelde uitvoerig de geheele geschiedenis en kon niet genoeg roemen, hoe uitstekend dapper en heldhaftig de ridder zich in dit geval gedragen had. De leeuw scheen reeds bij zijne eerste verschijning door schrik aangetast en was, in plaats van den aangeboden kamp aan te nemen, lafhartig naar den versten hoek van zijn hok teruggeweken; en daar hij, de leeuwenhoeder, den dapperen Don Quichot nu gezegd had, dat het roekeloos zou zijn, den leeuw nog verderte tergen, had de ridder, hoewel ongaarne, hem eindelijk vrijheid gegeven de deur van het hok weer dicht te doen.“Wat zegt gij daarvan, Sancho?” vroeg Don Quichot vol fierheid. “Daar ziet gij nu uit, dat alle betooveringen tegen ware dapperheid en echten heldenmoed geen zier kunnen uitrichten.”Sancho haalde stilzwijgend de schouders op en stopte den leeuwenhoeder de twee goudguldens in de hand, waarna deze laatste beloofde de koenheid van Don Quichot overal te zullen uitbazuinen en zelfs te zorgen, dat die zijne majesteit den koning ter oore kwam.“Goed, dat moogt gij doen,” sprak Don Quichot; “en als de koning u naar mijn naam mocht vragen, kunt gij antwoorden, dat het de “leeuwenridder” is, die de stoute daad gewaagd heeft. Voortaan namelijk wil ik, een overoud heilig gebruik volgend, dezen bijnaam voeren en daarentegen dien van “Ridder van de Droevige Figuur” afleggen. Dat hebben vóór mij reeds vele dolende helden gedaan, en ik wil hun doorluchtig voorbeeld volgen.”De kar reed nu weg en Don Quichot vervolgde met zijn klein gezelschap den vroeger ingeslagen weg naar Saragossa.Het duurde nu niet lang, of zij kwamen eene beroemde grot, het zoogenaamde hol van Montesinos, voorbij, waarvan allerlei wonderbare dingen verteld worden, en de vreemde heer maakte daar Don Quichot opmerkzaam op. Terstond betoonde deze grooten lust het inwendige te bezien; doch de vreemde ried hem dit af, omdat men er niet anders in kon komen, dan door zich aan lange touwen in de diepte te laten neerzakken.“En al zou ik er voor in de hel komen, toch moet ik de grot bezien,” verklaarde Don Quichot en reed regelrecht op het naaste dorp aan, om daar te overnachten en zich van de vereischte touwen en strikken te voorzien. Hij kocht daarvan tot eene lengte van honderd vaam, en begaf zich den anderen dag met den vreemden heer en met Sancho Panza naar de gevaarlijke plaats.Na den middag te twee uren kwamen zij daar aan en vonden den toegang tot de grot vrij breed, ruim en slechts weinig door doornen en ander struikgewas bedekt en verdonkerd. Zij stegen af,en Don Quichot werd vast en stevig aan een touw gebonden, om zonder verwijl in de diepte te worden neergelaten.“Heer,” zeide Sancho Panza, terwijl zij daarmee bezig waren, “heer, bezin, eer gij begint, en bedenk nog eens goed, wat gij doet. Nog niemand heeft het eind van de spelonk bereikt, en niemand dwingt u zulk een gevaarvol stuk te ondernemen. Blijf stilletjes hier boven en neem goeden raad van mij aan.”“Houd den mond, Sancho, en bind maar de touwen vast,” antwoordde Don Quichot op deze welgemeende waarschuwing. “Juist zulk eene onderneming, die nog niemand gelukt is, past voor mij.”De schildknaap zweeg en liet verdrietig de lip hangen. Toen nu echter Don Quichot stevig was vastgebonden, knielde hij neder, riep de krachtdadige bescherming van zijne Dulcinea in en naderde toen den afgrond, waarin hij zich wilde laten neerzakken. Voordat hij aan den rand kwam, moest hij echter met zijn zwaard zich een weg door het struikgewas banen, dat voor den ingang der grot welig was opgeschoten. Het door het kraken en breken der takken veroorzaakte gerucht joeg eene ontzettende menigte raven, kraaien, uilen en vleermuizen op, die tot hiertoe in ongestoorde rust in de grot genesteld hadden, en zij stoven met zooveel geweld op Don Quichot los, dat die daardoor overhoop werd geworpen en zoo lang als hij was op den grond kwam te liggen.Ieder ander, dan onze onverschrokken ridder, zou deze omstandigheid als een noodlottig voorteeken hebben beschouwd; doch hem versterkte zij slechts in zijn heldhaftig voornemen. Toen al dat fladderend roofgedierte zich een uitweg had gebaand, sprong hij in den afgrond neer; de vreemde heer en Sancho Panza vierden langzaam de lijn, en Don Quichot verdween aldra in de donkere, gapende diepte.“De hemel behoede u, gij pronk en sieraad van de dolende ridderschap!” riep Sancho Panza hem na. “Daal neer, gij hoofd van ijzer, hart van staal en arm van metaal! Moogt gij behouden het daglicht weer aanschouwen, waarvan gij daar in den afgrond niet heel veel te zien zult krijgen.”Onderwijl schreeuwde Don Quichot voortdurend, dat zij nogmaar meer touw zouden vieren, tot in ’t eind het geluid zijner stem niet langer tot hen opstijgen kon. Ten laatste liep de lijn echter toch ten einde, en nu wachtten zij een half uur, voordat zij haar weder optrokken. Toen zij hiermee begonnen, scheen zij hun echter zoo licht en onbezwaard toe, dat zij vreezen moesten, dat Don Quichot zich had losgemaakt en in de diepte was achtergebleven, wat Sancho tranen met tuiten deed schreien en zich al zijn best reppen, om toch maar spoedig zeker te zijn van de zaak. Op eens echter, toen reeds tachtig vaam van de lijn was ingehaald, voelden zij een zwaren last en bemerkten al spoedig, dat Don Quichot tegen vermoeden toch nog aan het touw hing. Zij trokken en trokken met al hunne kracht, en vol blijdschap riep Sancho naar beneden:“Welkom, welkom, gestrenge heer! Wij waren al bang, dat wij uw edel aangezicht nooit meer aanschouwen zouden.”Don Quichot antwoordde niet op dezen vriendelijken toeroep, en toen zij hem eindelijk goed en wel boven hadden, zagen zij, dat zijne oogen gesloten waren en dat hij in vasten slaap lag. Zij legden hem op den grond, bevrijdden hem van zijne banden en hoopten, dat hij nu vanzelf wel weer wakker zou worden. Dit gebeurde echter niet, en zij moesten hem lang knijpen en schudden, rollen en omkeeren, voordat hij ten laatste weer tot bezinning kwam, de oogen opsloeg, zich rekte en strekte en in alles deed als iemand, die uit eene zwaren droom ontwaakt. Verschrikt keek hij rond en eene rilling liep hem over de leden, toen hij zich weder op de bovenwereld verplaatst en den blauwen hemel boven zijn hoofd zag.“O, mijne vrienden,” sprak hij op klagenden toon, “waarom hebt gij mij aan den zoetsten toestand ontrukt, waarin ik ooit in mijn leven heb mogen verkeeren? Een hemelsch aanminnig gezicht heb ik aanschouwd, en nu eerst zie ik in, dat alle genietingen van dit ondermaansche slechts nesterijen en kinderspel zijn, dat zij verdwijnen als een schaduw, en verwelken gelijk de bloemen des velds.”“Maar, sakkerloot, heer, wat hebt gij dan daar wel in die hel te zien gekregen?” vroeg Sancho.“Eene hel noemt gij dat?” riep Don Quichot. “O, noem het niet zoo; ’t is de schoonste plaats, die op aarde te vinden is. Luister toe, wat ik zal vertellen.”“Ja, naderhand met alle genoegen,” antwoordde Sancho Panza; “maar nu blaf ik van honger en moet eerst mijne arme maag wat tevredenstellen.”Don Quichot zeide hier niets tegen en begon, nadat hij zichzelf ook door een hartig maal gesterkt had, het verhaal van zijne avonturen in de onderaardsche grot.“Ongeveer twaalf vaam diep in de kloof opent zich rechts een gewelf, als eene hal, waar wel eene groote koets met zes paarden zou kunnen keeren. Door eenige spleten, die tot de oppervlakte der aarde reiken, dringt daar een flauw en schemerachtig licht in door.“Dit gewelf ontdekte ik, toen ik het hangen en bongelen aan de lijn al moe was, waarom ik besloot er binnen te treden en er eene korte poos te rusten. Ik riep u toe, dat gij met het vieren van het touw moest ophouden; maar daar gij mij niet scheent te verstaan, rolde ik het touw, al naarmate dat mij nakwam, tot een tros op en ging toen daarop zitten, om mij in gepeins te verdiepen. Ik overlegde, hoe ik het aanvangen moest, om de diepte van den afgrond te bereiken, daar ik nu niemand meer had, die mij neerlaten kon, en onder dat denken overviel mij op eens de diepste slaap. Het duurde evenwel niet lang, of ik ontwaakte weer en bevond mij op eene groote weide, schooner en liefelijker, dan ik ooit nog met mijne oogen had aanschouwd. Ik dacht te droomen en betastte hoofd, borst en handen, om mij van mijn wakenden toestand ten volle te overtuigen. Uit alle teekens maakte ik op, dat werkelijk de slaap van mij geweken was, en dat geen droom, geen phantasie, geen drogbeeld van het verhitte bloed mij misleidde.“Nadat ik mij ten volle van mijn waken overtuigd had, keek ik rond en viel mij een prachtig koninklijk paleis in het oog, welks dak en wanden uit glinsterende kristallen schenen te bestaan. De vleugeldeuren vlogen open, en nu trad een eerwaardig, met een lang slepend gewaad bekleed grijsaard te voorschijn. Hij kwamop mij toe, groette mij heel vriendelijk, sprak mij aan en vroeg, of hij mij de wonderen van het betooverde paleis mocht vertoonen. Ik boog mij dankbaar ten teeken van toestemming en volgde hem in het slot. Door wijde portalen gingen wij, door lange gangen en onmetelijk groote zalen. Overal, waar wij kwamen, stonden prachtige monumenten uit goud en diamanten, en op ieder prijkte een kristallen standbeeld van meer dan levensgrootte. Het waren de grafsteden der overleden dolende ridders, die zich door deugd en dapperheid beroemd gemaakt hebben, en de standbeelden stelden hen voor, gelijk zij er bij hun leven hadden uitgezien. Daar zag ik Amadis van Gallië, en Roland, en Durandarte, den spiegel der ridderschap, en nog vele, vele anderen, welker namen ik niet weet op te noemen. Toen ik mij met het aanzien dezer helden lang genoeg verkwikt had, bracht de grijsaard mij in een heerlijken lusthof, waaruit mij de geur der kostelijkste bloemen en gewassen tegensloeg en die met allerlei kunstwerken, beelden, grotten en fonteinen koninklijk versierd was. En hier zag ik iets, dat mijn geheele ziel in zoete verrukking bracht, namelijk ik zag mijne doorluchtige gebiedster, de aanminnige jonkvrouwe Dulcinea van Toboso. In een eenvoudig gewaad, als herderin gekleed en begeleid door twee gesluierde hofdames, verlustigde zij zich in de lanen van den betooverenden lusthof, lachte en schertste en deed nu en dan sprongen, die mij door hunne hoogte verbaasd deden staan.“De grijsaard sprak mij aan en zeide: “Zie, in zulke nederige en armoedige gedaante wandelt uwe schoone thans op aarde rond. Maar wees getroost! Een booze toovenaar heeft haar slechts voor korten tijd veranderd, en eens zult gij haar in de volle glorie harer verheven schoonheid aanschouwen. Opdat gij zien moogt, wat glans haar dan omstralen zal, wil ik u hare beeltenis toonen, gelijk die hare natuurlijke gedaante volkomen waar en getrouw teruggeeft.”“Hij wenkte met den vinger, en oogenblikkelijk verdween het omhulsel der herderin, en Dulcinea zelve stond van aanminnigheid stralende voor mij. Hare schoonheid overweldigde mij dusdanig, dat ik een luiden kreet van verrukking uitstiet en daarop onmachtig neerstortte.“Wat verder met mij gebeurde, weet ik niet. Ik kwam eerst weer tot bezinning, toen gij mij met geweld aan mijne zoete droomen ontruktet.”“Neen, dat is te wonderbaarlijk, om waar te kunnen wezen!” riep Sancho Panza uit. “Gij moet noodzakelijk gedroomd hebben, of een of ander booze toovenaar heeft u dolle kluchten vertoond om uwe ziel te verstrikken en u naar den afgrond des verderfs te lokken.”“Spreek niet zoo, Sancho,” zeide Don Quichot. “Alles, wat ik gezien heb, heb ik met gezonde, wakende zinnen gezien. De tijd zal nog eens openbaar maken, dat ik geen tittel of jota bezijden de waarheid sprak.”Onderwijl bestegen zij hunne dieren weder, keerden de wondergrot den rug toe en gingen hun nachtverblijf zoeken in eene herberg, waar dienzelfden avond eene poppencomedie zou worden vertoond. De directeur van het spel, een reizend genie, bood Don Quichot en zijn twee geleiders plaatsen aan, kreeg zijn geld daarvoor, en liet hierop het gordijn naar boven gaan.Don Quichot staarde met verwondering op de poppen, die, door onzichtbare draden bestuurd, zich op de natuurlijkste wijze bewogen.Met gespannen aandacht volgde hij den loop der voorstelling, die hoofdzakelijk in een gevecht tusschen Christenen en Mooren bestond. De Christenen werden verslagen en de Mooren vervolgden hunne vluchtende vijanden tot onder de torens van eene versterkte stad.Toen Don Quichot zag, dat de Heidenen hier nog eens een aanval op de arme Christenen deden, steeg het bloed hem naar her hoofd en oordeelde hij het niet meer dan billijk, dat hij de zwakkere partij te hulp kwam.“Houdt op! Houdt op!” riep hij, driftig opspringend, het Heidensche poppenvolk toe. “Vervolgt mijne geloofsbroeders niet langer, of gij krijgt het met mij te doen.”Onder deze haastig uitgestooten woorden trok hij zijn zwaard, was met een wip op het kleine tooneel en begon met ongehoorde woede op de onschuldige poppen in te houwen. Sommige traptehij als een pannekoek plat, andere sloeg hij den kop af, nog andere verminkte hij op deerlijke manier, kortom, hij zou een gruwelijk bloedbad hebben aangericht, indien de poppen, in plaats van leder en werk, van vleesch en bloed waren geweest.Bij het zien van deze verwoesting schoot de ontstelde tooneeldirecteur toe, viel den verbolgen ridder te voet en smeekte hem met tranen in de oogen, zijne arme levenlooze schepsels toch te sparen. Don Quichot evenwel luisterde daar niet naar, en zou den armen poppenman zelven het hoofd hebben afgeslagen, indien deze zich niet met alle snelheid uit de voeten had gemaakt.De slagen des ridders vielen als hagelsteenen bij eene donderbui.In minder dan een kwartier tijds had hij het gansche tooneel tot splinters geslagen, al de toeschouwers, die hem voor razend en dol hielden, op de vlucht gejaagd, en zelfs Sancho Panza tot de stomme bekentenis genoodzaakt, dat zijn meester wel al veel gekke dingen had vertoond, maar nooit nog zoo’n gek stuk, als nu dit hier.Eerst toen het Heidensche leger de volle neerlaag had geleden, kwam Don Quichot eenigszins tot bedaren, leunde hijgend op zijn zwaard en zei: “Nu mocht ik nog wel eens iemand hooren zeggen, dat een dolend ridder een onnut ding in de wereld is! Was ik hier niet gekomen, dan was een gansch Christenleger vernietigd geweest, terwijl nu de snoode Heidenen tot den laatsten man toe verslagen liggen. En daarom zeg ik: eere, lof, roem en glorie der dolende ridderschap!”“Ja, ja, dat is goed en wel,” riep de poppenman, die zich nu ook weer kwam vertoonen: “maar in allen gevalle moet gij mij de schade betalen, die gij mij moedwillig hebt toegevoegd.”“Wat dan betalen?” vroeg Don Quichot verwonderd. “Wat heb ik u dan bedorven?”“Hoe! dat weet gij niet?” vroeg meester Pedro, de eigenaar van het poppenspel. “Ziet gij dan niet het armzalig overschot van mijne poppen, die gij met uw zwaard in gruizels en splinters hebt geslagen?”“Poppen?” vroeg Don Quichot. “Poppen heb ik vernield? Ja, waarlijk, het zijn poppen, en geen menschen van vleesch en bloed. Daar ziet men weer, hoe ik door die snoode toovenaarsvervolgd word! Zij verblindden mijn oog, zoodat ik de poppen voor levende menschen moest aanzien, en dat ik alles, wat gespeeld werd, voor echte werkelijkheid hield. Maar wat te doen? Daar ik nu eens uit dwaling zoo groote schade aangericht heb, is het ook mijn plicht, die ten volle te vergoeden, en ik zal dus mijzelf tot alle kosten veroordeelen. Overleg, meester Pedro, welke som u als schadeloosstelling toekomt, en laat u die door mijn schildknaap Sancho Panza uitbetalen.”Meester Pedro boog dankend voor den grootmoedigen ridder, die nu niet weinig beschaamd zijn slaapkamer opzocht. Sancho Panza echter moest de beurs trekken en voor de dwaasheden van zijn heer eene aanzienlijke som betalen.
Hoofdstuk XV.Don Quichot zoekt zijne hooge gebiederes Dulcinea van Toboso op.Toen de dolende ridder en zijn wakkere schildknaap het open veld bereikt hadden, snoof en brieschte Rocinante luid en begon ook het grauwtje uit volle keel zijn welluidend Yah in de lucht te brullen. Beiden zagen deze omstandigheid voor een zeer gunstig voorteeken aan en hunne harten klopten van blijdschap, nu ze zich de daden voorstelden, die zij in ’t vervolg zeker bedrijven, en den onvergankelijken roem, dien zij daarvoor inoogsten zouden.“Sancho Panza,” sprak Don Quichot, toen zij eene poos zwijgend zij aan zij hadden voortgedraafd, “Sancho Panza, de avond valt en het zal donkerder worden, dan wij wenschen, voordat wij Toboso bereiken, dat ik in allen gevalle bezoeken moet. Daar, waar Dulcinea leeft en ademt, wil ik haar zegen afsmeeken, naardien ik overtuigd ben, dat ik daardoor ieder avontuur gelukkig zal te boven komen. Niets, moet gij weten, maakt de dolende ridders gelukkiger en dapperder, dan dat zij van de genade en de bescherming hunner meesteressen verzekerd zijn.”“Daar wil ik niets tegen zeggen, gestrenge heer,” antwoordde Sancho Panza, die wist, wat hij van Dulcinea te denken had; “maar toch kan ’t u nog wel wat moeite kosten, Dulcinea te spreken te krijgen en eene geschikte plaats te vinden, waar gij den zegen van de hooge dame ontvangen kunt. Ik vrees, dat ze u dien over de schutting of door een gat in den muur zal moeten geven.”“De schutting, Sancho?” vroeg Don Quichot verwonderd. “Zijt gij dan blind geweest, of hebt ge uwe oogen niet gebruikt? Wat gij voor een schutting aanzaagt, was zeker eene rij van trotsche galerijen, gangen en booggewelven, zooals men die altijd bij rijke koninklijke paleizen heeft.”“Nu, dan weet ik het niet,” verklaarde Sancho. “Voor zoover mij voorstaat, was ’t een gewoone schutting, en nog wel in niet al te besten staat, want ik meende er vrij wat scheuren, spleten en gaten in te zien.”“Dat mag wezen, hoe ’t wil,” zeide Don Quichot een weinig verdrietig; “maar toch zullen wij haar een bezoek brengen. Als ik haar maar te zien krijgt, raakt het mij weinig, of over eene schutting, of door een raam, of door een traliehek de straal van haar oog op mij valt en mijne ziel verlicht. Een blik van haar zal mij bezielen en wel zoo geweldig, dat ik onvergelijkelijk moet worden in deugd en in dapperheid.”Sancho Panza schudde het hoofd, zonder op deze hoogdravende taal iets te antwoorden, en zwijgend vervolgden ridder en knaap nu voortaan hun weg. Het zal tegen middernacht hebben geloopen, toen zij, bij een heuvel neerdalende, Toboso bereikten. In het dorp heerschte de diepste rust; want natuurlijk lagen al de bewoners te bed en rustten in de armen van de slaap. De maan stond aan den hemel, en de nacht was dus niet zoo donker, als Sancho Panza gewenscht had. ’t Zou hem liever geweest zijn, dat geen sterretje aan den hemel had geblonken, daar de donkerheid hem dan tot verontschuldiging voor zijne onwetendheid kon hebben gediend. Hij had, gelijk wij weten, Toboso nog met geen voet betreden, hoewel hij den bedrogen ridder duizend dingen van Dulcinea en zijne boodschap aan haar had weten op de mouw te spelden.Zooals gezegd is, lagen de bewoners van het dorp nog in dendiepsten slaap, en men vernam niets dan het blaffen van honden, dat den ridder hoogst onaangenaam in de ooren klonk, terwijl het den vreesachtigen schildknaap niet minder beangstigde. Toen het blaffen niet ophield, voegden zich daar nog andere tonen bij: ezels balkten, varkens knorden, paarden snoven, katten miauwden, wat alles in de stilte van den nacht duidelijker dan ooit hoorbaar was. Don Quichot behaagde dat volstrekt niet, daar hij al die geluiden voor slechte voorteekens hield, hoewel hij er niets van zei, maar stil aan Sancho Panza’s zijde doorreed. Eindelijk brak hij het lange stilzwijgen af en sprak:“Sancho, breng mij naar het paleis mijner gebiedster. Misschien wil een gelukkig toeval, dat wij haar wakende vinden.”“Maar naar wat paleis moet ik u dan brengen, edele heer?” riep Sancho verlegen uit. “Hier heeft men geen paleizen en, zooals ik u al zei, uwe Dulcinea woont in een ellendig klein kot van een huisje.”“Gij vergist u zeker, vriend,” beweerde Don Quichot. “Waarschijnlijk had mijne edele gebiedster zich toen maar in een zijvleugel van haar vorstelijk paleis afgezonderd, gelijk hooge dames wel eens meer de stilte en eenzaamheid zoeken.”“Gestrenge heer,”antwoorddeSancho, “gesteld nu al, dat gij gelijk hadt, is het dan toch wel gepast, dat wij zoo in het holle van den nacht de rust uwer meesteresse storen? Als wij op de deur kloppen, zullen ook de buren wakker worden en ons voor zeer dwaze en onzinnige menschen houden.”“Dat moeten wij afwachten,” zeide de ridder. “Laat ons eerst maar haar burcht opzoeken, en dan zal ik u zeggen, wat verder te doen. Zie daar eens, Sancho! Een donker gebouw rijst daar hoog op in den nacht en ik bedrieg mij zeker niet, als ik dat voor de woonstede mijner onvergelijkelijke dame houd.”“Rijd er dan maar op los,” bromde de schildknaap; “maar ’k laat mij hangen, als ge ’t niet glad mishebt.”Don Quichot gaf Rocinante de sporen en reed vooruit. Toen hij echter in denabijheidvan het groote gebouw was gekomen, zag hij wel, dat hij niet het slot eener edele prinses, maar enkel de kerk van het dorp voor zich had.“Het is de kerk,” zeide hij, onaangenaam verrast.“Ja, dat zie ik,” zeide Sancho Panza, “en de hemel geve maar, dat wij niet op het kerkhof ons graf vinden. Voor ’t overige heb ik u wel gezeid, dat de woning van uwe Dulcinea in een of ander achterafstraatje moet liggen.”“Ezel! Domkop! Stommerik!” bulderde Don Quichot. “Waar hebt ge dan ooit van uw leven gezien, dat riddersloten en paleizen in achterafstraatjes liggen?”“Gehoord en gezien heb ik dat niet,” was Sancho’s koel antwoord; “maar ’s lands wijs ’s lands eer, zegt het spreekwoord, en misschien is ’t hier in Toboso wel gebruikelijk groote huizen en voorname gebouwen wat achteraf te zetten. Wilt gij mijn raad volgen, gestrenge ridder, laat mij dan maar eens op mijn eigen houtje gaan zoeken. Misschien lukt het ons wel ’t paleis van uwe gebiedster te vinden, dat mijnentwege in den grond mag verzinken, zoo veel ergernis heb ik er al van gehad.”“Sancho Panza,” zeide de ridder op dreigenden toon, “ik raad u, met achting van alle dingen te spreken, die met mijne gebiedster ook maar van verre in verband staan. Ga nu voorts in vrede, zoek al uw best, en als ge het paleis gevonden hebt, val dan niet zoo dadelijk met de deur in huis. Overleg, Sancho, overleg en bedaardheid bij alle dingen en in alle omstandigheden moet de hoofddeugd van iederen dolenden schildknaap zijn.”“Ik ben bedaard genoeg,” antwoordde Sancho Panza, “maar hoe zou ik mijn geduld niet verliezen, als uwe edelheid verlangt, dat ik midden in den nacht een huis weerom zou vinden, dat ik nog maar eens bij helder daglicht gezien heb? Waarom zoekt gij zelf het dan niet? Gij moest het toch, dunkt mij, in een ommezien kunnen vinden, daar gij het meer dan duizendmaal moet gezien hebben.”“Sancho Panza, gij zult mij nog tot razernij brengen,” schreeuwde Don Quichot. “Ik heb u wel honderdmaal gezegd, dat ik de gebiederesse mijner ziel nog geen enkel maal met eigen oogen aanschouwd, dat ik nog nooit den drempel van haar geheiligd paleis betreden heb.”“Nu, edele heer, als gij haar nog niet gezien hebt, dan heb ik haar ook niet gezien,” antwoordde Sancho. “Men kan uit u niet wijs worden! Nu spreekt gij zus, dan spreekt gij zoo, al naar ’t u best past, en meent, dat gij uwen schildknaap vrij de huid vol moogt liegen. Fop je mij, ik fop je weer, zegt het spreekwoord; en dat heb ik ook al vaak genoeg gedaan. Ik zeg u nu ronduit, dat ik noch uwe Dulcinea, noch haar vader, noch een van hare familie ooit met mijne oogen gezien heb,—en daarmee basta!”“Sancho, Sancho,” sprak Don Quichot, “met heilige dingen mag men niet gekscheren. Hoe kunt gij dus zeggen, dat gij Dulcinea nooit gezien hebt, daar gij mij zooveel van haar hebt verteld?”“Wat ik vertelde, heb ik maar zoo van hooren zeggen gehad,” antwoordde de schildknaap.Voordat de ridder antwoordde, bemerkte hij, dat hem een man met twee muilezels voorbijkwam, die een ploeg trokken. Waarschijnlijk wou de man naar den akker gaan en voor dag en dauw zijn arbeid beginnen, en Don Quichot nam de gelegenheid waar, om bij hem naar Dulcinea’s woning te vernemen.“Kunt gij mij ook zeggen, goede vriend,” riep hij hem toe, “waar ik hier ergens het paleis van de onvergelijkelijke prinses Dulcinea van Toboso vind?”De boer hield zijn span ezels stil en keek verwonderd op.“Heer,” zei hij na kort beraad, “ik ben hier zelf nog vreemd, daar ik mij hier eerst voor korte dagen bij een boer als knecht verhuurd heb. Als gij alles precies weten wilt, ga dan bij den pastoor, die daar recht tegenover in dat groote huis woont. Evenwel kan ik kwalijk gelooven, dat hier in het dorp eene prinses verblijf houdt, ofschoon er vrouwen genoeg zijn, die binnen hare vier muren wel voor prinsessen doorgaan kunnen.”Na deze woorden dreef de man zijne dieren weer aan en reed door, terwijl Don Quichot hem verdrietig nakeek.“Gestrenge heer,” zeide Sancho tot den ridder, “de dag begint te lichten en ik geloof niet, dat het goed is, dat wij ons hier vóór de zon op straat laten vinden. ’t Zou beter wezen, dat gij u hier in den omtrek ergens in een boschje verborgen hieldt, terwijl ik geenhoekje ondoorzocht wil laten, tot ik uwe prinses gevonden heb. Het moest al vreemd toegaan, als ik haar niet eindelijk te pakken kreeg!”“Uw raad bevalt mij, Sancho Panza,” antwoordde Don Quichot na kort nadenken. “Volg mij dus eerst tot buiten het dorp en keer terug om haar te hooren, te zien en te spreken.”Van harte blij, dat hij zijn heer zoo gewillig vond, maakte Sancho, dat hij buiten het dorp kwam, en hield eerst een heel eind daar vandaan stil bij een boschje, waar Don Quichot zich tusschen de boomen schuil kon houden, terwijl Sancho Panza onverwijld naar het dorp terugkeerde.Toen de knaap echter zoo ver was, dat zijn meester hem niet meer zien kon, liet hij zich doodbedaard van zijn ezel neerglijden, wierp zich onder een boom in het malsche gras neer en hield de volgende alleenspraak:“’k Moest wel zot wezen, als ik naar prinsessen en paleizen ging zoeken, die heel niet in de wereld zijn. Mijn heer moet gefopt worden en zal gefopt worden. Zooveel is zeker, dat hij gek is, stapelgek, ’t eene ding voor het ander houdt en zwart voor wit, maar wit voor zwart aanziet, zooals bij die windmolens, die schapenkudden en de hemel weet waar meer zonneklaar gebleken is. De eerste de beste boerenmeid, die ik te zien krijg, stel ik hem als prinses Dulcinea voor. Gelooft hij mij niet, dan bezweer ik ’t, en vloekt hij, dan bezweer ik ’t weer en wil ’t zoo lang bezweren, totdat ik hem eindelijk de baas word. Hij laat mij dan òf later met zijne malle boodschappen ongemoeid, of misschien denkt hij ook, dat de eene of andere toovenaar zijne prinses, om hem te plagen, heeft omgehekst, en ’t een is mij zoo lief als ’t ander en zal mij voortaan ’t leven minder zuur maken.”Na die stichtelijke redeneering legde Sancho rustig zijn hoofd neer, sloot de oogen en deed een dutje, dat tot den laten namiddag duurde. Toen eerst besteeg hij zijn ezel weer en ging zijn meester opzoeken. Zijn goed geluk wou, dat hij drie boerenmeiden inhaalde, die op muilezels denzelfden weg reden, en nu was zijn plan dadelijk ontworpen. Zijn grauwtje in draf zettend, was hijspoedig bij zijn ridder en vond dien stijf te paard zittend, en luid zuchtend en weeklagend over het lang uitblijven van zijn schildknaap.“Nu, hoe is het, Sancho” vroeg hij, “moet ik dezen dag met een zwarten of mag ik hem met een witten steen teekenen?”“Met een witten, of nog liever met een vuurrooden,” antwoordde Sancho Panza. “Gij hebt uw Rocinante maar aan te sporen en den weg op te rijden, om uwe aanminnige Dulcinea te zien. Zij komt daar met twee van hare hofdames aandraven, om u een bezoek te brengen.”“Wat zegt gij daar?” riep Don Quichot half verschrikt. “Hoed u, hoed u, Sancho, mij opzettelijk te misleiden, om door eene bedrieglijke boodschap mijne diepe treurigheid in een snel vervliegend geluk te verkeeren.”“Maar, heer ridder, wat zou ’t mij baten, dat ik u trachtte te bedriegen?” vroeg Sancho met een doodonnoozel gezicht. “Gij zoudt dat bedrog immers in een ommezien ontdekken. Kom, kom, en spoor uw ros, om uwe verheven gebiedster van aangezicht tot aangezicht te aanschouwen. Och, wat is zij mooi, heer! Zij en hare staatsiedames glimmen van klinkklaar goud, van juweelen, van parels en van brocaat. Haar krullend haar blinkt in den zonneschijn en fladdert in den wind. Zij rijden op drie telgangers, zooals ik ze mijn leven lang nog niet gezien heb.”“Nu, dan willen we ons haasten, vriend Sancho,” antwoordde Don Quichot. “Heb dank voor de heuglijke tijding en maak er staat op, dat ik u daar koninklijk voor beloonen zal.”Zij brachten hunne dieren in draf en zagen, uit het bosch komende, de drie boerinnetjes reeds dicht voor zich. Don Quichot keek deze echter nauwelijks aan, maar liet zijne oogen over den weg naar Toboso rondgaan, om de schoone prinses Dulcinea met hare hofdames te zien te krijgen. Met groote verwondering bemerkte hij echter, dat van de drie geen spoor te ontdekken was, en vroeg dus zijn schildknaap, of die haar reeds buiten het dorp had gezien.“Wel zeker heb ik dat,” zei Sancho Panza. “Heeft uwe edelheid dan geen oogen in het hoofd en ziet de prinses niet, die daar aankomt, schitterend als de zon en flikkerend als tienmaal honderdduizend diamanten.”“Sancho Panza, ik zie niets dan drie boerenmeiden op drie magere bonken van muilezels.”“Wel drommel en geen einde!” riep Sancho met geveinsde verwondering. “Is het mogelijk, dat gij drie zulke juweeltjes van paarden voor muilezels en uw hooge gebiederes voor eene boerin aanziet? De rossen zijn spierwit, als versch gevallen sneeuw; en mijn naam mag geen Sancho Panza wezen, als ’t niet waarempel waar is.”“Ik zeg je evenwel,” riep de ridder, “dat het drie ezelinnen en drie boerenmeiden zijn, zoo waar als ik op Rocinante en jij op je grauwtje zit.”“Zwijg stil, ridder, zwijg stil, genadige heer, en kijk beter uit de oogen,” zei Sancho. “Daarkomtuwe dame al aan; rijd haar te gemoet en betoon haar de verschuldigde achting en eerbied.”En zonder af te wachten, wat zijn heer doen zou, reed hij vooruit, om de drie boerinnen te begroeten. Hij liet zich van zijn ezeltje glijden, greep het paard van de zoogenaamde Dulcinea bij den teugel, viel op beide knieën neer en sprak:“Hooge en doorluchtige prinses, keizerinne der schoonheid, wilt gij zoo goed wezen en uwen getrouwen ridder ontvangen, die daar, door uw aanblik betooverd, als versteend staat en door uwe tegenwoordigheid totaal is beteuterd? Ik ben Sancho Panza, de schildknaap, maar hij is de wijdvermaarde en hoogbefaamde held Don Quichot van La Mancha, Ridder van de Droevige Figuur.”Gedurende Sancho’s deftige toespraak was ook Don Quichot naast zijn schildknaap neergeknield en staarde verbaasd en verbijsterd de schoone aan, die door zijn dienaar als prinses en keizerin werd aangesproken. Daar hij nog altijd niets dan eene heel gewone en daarbij nog vrij leelijke boerenmeid met platten neus en een mond als een bakoven kon zien, geraakte hij zoo van streek, dat hij buiten staat was ook maar een enkel woord over de lippen te brengen.De boerinnen waren intusschen niet minder verlegen dan hij zelf. Eene heele poos keken zij verbaasd op de knielende helden neer en wisten niet, wat van Sancho’s zotte toespraak te denken, totdat eindelijk de vermeende Dulcinea het woord nam en vrij kribbig en boos riep:“Loopt naar de maan en laat ons ’t pad vrij! Wat hebben wij noodig met al die malligheden!”“O, bekoorlijke prinses en gebiederesse van Toboso,” antwoordde Sancho Panza, “wordt dan uw steenen hart niet verweekt door het leed van den ridder aan uwe voeten?”“Laat ons met vree, leelijke kerels!” schreeuwden de meiden. “Wij doen geen mensch wat; wat heb je dan ons overlast aan te doen?”“Sancho Panza, sta op!” beval Don Quichot op bedrukten toon. “Ik zie wel, dat weer een ongelukkig gesternte boven mijn hoofd staat en dat de bron van mijn lijden nog niet is opgedroogd. Gij echter, aanbiddelijke Dulcinea, die, gelijk ik nu wel zie, door een snooden toovenaar van uwe verrukkelijke schoonheid en aanminnigheid werdt beroofd, buig u neder tot mij, verkwik en laaf mij door een zoeten straal uit uwe oogen, en zie uit deze mijne kniebuiging, dat ik u ten eeuwigen dage als mijne hooge gebiederesse vereeren zal.”“Die smerige ouwe vent is gek!” riep de meid, terwijl zij Sancho de teugels van haar muilezel met geweld uit de handen rukte. “Laat los, leelijke dikzak, en houd ons niet langer op met je dol gezanik.”Sancho Panza week op zij, en de boerendeernen zetten het nu dadelijk op een draf. Zij waren echter niet ver, of daar kwam Dulcinea’s ezel te struikelen en wierp zijne berijdster af. Don Quichot schoot dadelijk toe, om haar weer op de been te helpen; doch voordat hij nog bij haar kwam, was zij weer opgesprongen, nam een aanloop, zette hare vuisten op de achterschonken van haar rijdier, zat met een wip weer in den zadel en galoppeerde voort, zonder ook maar eens naar den verbaasden ridder om te zien. De dolende held tuurde haar na, tot zij uit zijn gezicht verdwenen was, en keerde zich toen tot Sancho, met de woorden:“Wat zegt gij nu, mijn schildknaap? Ziet gij nu, hoe erg ik door de toovenaars gehaat en vervolgd word? Zij hebben mij het onschuldig genot ontroofd van mijne aangebedene in den vollen glans harer schoonheid te zien, en haar tot mijne kwelling in een gemeene boerenmeid veranderd.”“Ja, ja, ’t zijn rekels, ’t zijn schobbejakken, al die toovenaars!”riep Sancho uit. “Maar tob daar maar niet over, gestrenge heer; want ’k weet wel vast, dat de deugd en dapperheid bij slot van rekening over alle boosheid triomfeeren moeten.”Don Quichot antwoordde hier niet op, maar besteeg weer zijn Rocinante en de schildknaap zijn grauwtje, en zoo sukkelden beiden den weg naar de wereldberoemde stad Saragossa op. Voordat zij die bereikten, moesten zij echter nog velerlei wonderbaarlijke avonturen beleven, waarvan wij niet verzuimen mogen het trouw en waarachtig relaas te laten volgen.
Toen de dolende ridder en zijn wakkere schildknaap het open veld bereikt hadden, snoof en brieschte Rocinante luid en begon ook het grauwtje uit volle keel zijn welluidend Yah in de lucht te brullen. Beiden zagen deze omstandigheid voor een zeer gunstig voorteeken aan en hunne harten klopten van blijdschap, nu ze zich de daden voorstelden, die zij in ’t vervolg zeker bedrijven, en den onvergankelijken roem, dien zij daarvoor inoogsten zouden.
“Sancho Panza,” sprak Don Quichot, toen zij eene poos zwijgend zij aan zij hadden voortgedraafd, “Sancho Panza, de avond valt en het zal donkerder worden, dan wij wenschen, voordat wij Toboso bereiken, dat ik in allen gevalle bezoeken moet. Daar, waar Dulcinea leeft en ademt, wil ik haar zegen afsmeeken, naardien ik overtuigd ben, dat ik daardoor ieder avontuur gelukkig zal te boven komen. Niets, moet gij weten, maakt de dolende ridders gelukkiger en dapperder, dan dat zij van de genade en de bescherming hunner meesteressen verzekerd zijn.”
“Daar wil ik niets tegen zeggen, gestrenge heer,” antwoordde Sancho Panza, die wist, wat hij van Dulcinea te denken had; “maar toch kan ’t u nog wel wat moeite kosten, Dulcinea te spreken te krijgen en eene geschikte plaats te vinden, waar gij den zegen van de hooge dame ontvangen kunt. Ik vrees, dat ze u dien over de schutting of door een gat in den muur zal moeten geven.”
“De schutting, Sancho?” vroeg Don Quichot verwonderd. “Zijt gij dan blind geweest, of hebt ge uwe oogen niet gebruikt? Wat gij voor een schutting aanzaagt, was zeker eene rij van trotsche galerijen, gangen en booggewelven, zooals men die altijd bij rijke koninklijke paleizen heeft.”
“Nu, dan weet ik het niet,” verklaarde Sancho. “Voor zoover mij voorstaat, was ’t een gewoone schutting, en nog wel in niet al te besten staat, want ik meende er vrij wat scheuren, spleten en gaten in te zien.”
“Dat mag wezen, hoe ’t wil,” zeide Don Quichot een weinig verdrietig; “maar toch zullen wij haar een bezoek brengen. Als ik haar maar te zien krijgt, raakt het mij weinig, of over eene schutting, of door een raam, of door een traliehek de straal van haar oog op mij valt en mijne ziel verlicht. Een blik van haar zal mij bezielen en wel zoo geweldig, dat ik onvergelijkelijk moet worden in deugd en in dapperheid.”
Sancho Panza schudde het hoofd, zonder op deze hoogdravende taal iets te antwoorden, en zwijgend vervolgden ridder en knaap nu voortaan hun weg. Het zal tegen middernacht hebben geloopen, toen zij, bij een heuvel neerdalende, Toboso bereikten. In het dorp heerschte de diepste rust; want natuurlijk lagen al de bewoners te bed en rustten in de armen van de slaap. De maan stond aan den hemel, en de nacht was dus niet zoo donker, als Sancho Panza gewenscht had. ’t Zou hem liever geweest zijn, dat geen sterretje aan den hemel had geblonken, daar de donkerheid hem dan tot verontschuldiging voor zijne onwetendheid kon hebben gediend. Hij had, gelijk wij weten, Toboso nog met geen voet betreden, hoewel hij den bedrogen ridder duizend dingen van Dulcinea en zijne boodschap aan haar had weten op de mouw te spelden.
Zooals gezegd is, lagen de bewoners van het dorp nog in dendiepsten slaap, en men vernam niets dan het blaffen van honden, dat den ridder hoogst onaangenaam in de ooren klonk, terwijl het den vreesachtigen schildknaap niet minder beangstigde. Toen het blaffen niet ophield, voegden zich daar nog andere tonen bij: ezels balkten, varkens knorden, paarden snoven, katten miauwden, wat alles in de stilte van den nacht duidelijker dan ooit hoorbaar was. Don Quichot behaagde dat volstrekt niet, daar hij al die geluiden voor slechte voorteekens hield, hoewel hij er niets van zei, maar stil aan Sancho Panza’s zijde doorreed. Eindelijk brak hij het lange stilzwijgen af en sprak:
“Sancho, breng mij naar het paleis mijner gebiedster. Misschien wil een gelukkig toeval, dat wij haar wakende vinden.”
“Maar naar wat paleis moet ik u dan brengen, edele heer?” riep Sancho verlegen uit. “Hier heeft men geen paleizen en, zooals ik u al zei, uwe Dulcinea woont in een ellendig klein kot van een huisje.”
“Gij vergist u zeker, vriend,” beweerde Don Quichot. “Waarschijnlijk had mijne edele gebiedster zich toen maar in een zijvleugel van haar vorstelijk paleis afgezonderd, gelijk hooge dames wel eens meer de stilte en eenzaamheid zoeken.”
“Gestrenge heer,”antwoorddeSancho, “gesteld nu al, dat gij gelijk hadt, is het dan toch wel gepast, dat wij zoo in het holle van den nacht de rust uwer meesteresse storen? Als wij op de deur kloppen, zullen ook de buren wakker worden en ons voor zeer dwaze en onzinnige menschen houden.”
“Dat moeten wij afwachten,” zeide de ridder. “Laat ons eerst maar haar burcht opzoeken, en dan zal ik u zeggen, wat verder te doen. Zie daar eens, Sancho! Een donker gebouw rijst daar hoog op in den nacht en ik bedrieg mij zeker niet, als ik dat voor de woonstede mijner onvergelijkelijke dame houd.”
“Rijd er dan maar op los,” bromde de schildknaap; “maar ’k laat mij hangen, als ge ’t niet glad mishebt.”
Don Quichot gaf Rocinante de sporen en reed vooruit. Toen hij echter in denabijheidvan het groote gebouw was gekomen, zag hij wel, dat hij niet het slot eener edele prinses, maar enkel de kerk van het dorp voor zich had.
“Het is de kerk,” zeide hij, onaangenaam verrast.
“Ja, dat zie ik,” zeide Sancho Panza, “en de hemel geve maar, dat wij niet op het kerkhof ons graf vinden. Voor ’t overige heb ik u wel gezeid, dat de woning van uwe Dulcinea in een of ander achterafstraatje moet liggen.”
“Ezel! Domkop! Stommerik!” bulderde Don Quichot. “Waar hebt ge dan ooit van uw leven gezien, dat riddersloten en paleizen in achterafstraatjes liggen?”
“Gehoord en gezien heb ik dat niet,” was Sancho’s koel antwoord; “maar ’s lands wijs ’s lands eer, zegt het spreekwoord, en misschien is ’t hier in Toboso wel gebruikelijk groote huizen en voorname gebouwen wat achteraf te zetten. Wilt gij mijn raad volgen, gestrenge ridder, laat mij dan maar eens op mijn eigen houtje gaan zoeken. Misschien lukt het ons wel ’t paleis van uwe gebiedster te vinden, dat mijnentwege in den grond mag verzinken, zoo veel ergernis heb ik er al van gehad.”
“Sancho Panza,” zeide de ridder op dreigenden toon, “ik raad u, met achting van alle dingen te spreken, die met mijne gebiedster ook maar van verre in verband staan. Ga nu voorts in vrede, zoek al uw best, en als ge het paleis gevonden hebt, val dan niet zoo dadelijk met de deur in huis. Overleg, Sancho, overleg en bedaardheid bij alle dingen en in alle omstandigheden moet de hoofddeugd van iederen dolenden schildknaap zijn.”
“Ik ben bedaard genoeg,” antwoordde Sancho Panza, “maar hoe zou ik mijn geduld niet verliezen, als uwe edelheid verlangt, dat ik midden in den nacht een huis weerom zou vinden, dat ik nog maar eens bij helder daglicht gezien heb? Waarom zoekt gij zelf het dan niet? Gij moest het toch, dunkt mij, in een ommezien kunnen vinden, daar gij het meer dan duizendmaal moet gezien hebben.”
“Sancho Panza, gij zult mij nog tot razernij brengen,” schreeuwde Don Quichot. “Ik heb u wel honderdmaal gezegd, dat ik de gebiederesse mijner ziel nog geen enkel maal met eigen oogen aanschouwd, dat ik nog nooit den drempel van haar geheiligd paleis betreden heb.”
“Nu, edele heer, als gij haar nog niet gezien hebt, dan heb ik haar ook niet gezien,” antwoordde Sancho. “Men kan uit u niet wijs worden! Nu spreekt gij zus, dan spreekt gij zoo, al naar ’t u best past, en meent, dat gij uwen schildknaap vrij de huid vol moogt liegen. Fop je mij, ik fop je weer, zegt het spreekwoord; en dat heb ik ook al vaak genoeg gedaan. Ik zeg u nu ronduit, dat ik noch uwe Dulcinea, noch haar vader, noch een van hare familie ooit met mijne oogen gezien heb,—en daarmee basta!”
“Sancho, Sancho,” sprak Don Quichot, “met heilige dingen mag men niet gekscheren. Hoe kunt gij dus zeggen, dat gij Dulcinea nooit gezien hebt, daar gij mij zooveel van haar hebt verteld?”
“Wat ik vertelde, heb ik maar zoo van hooren zeggen gehad,” antwoordde de schildknaap.
Voordat de ridder antwoordde, bemerkte hij, dat hem een man met twee muilezels voorbijkwam, die een ploeg trokken. Waarschijnlijk wou de man naar den akker gaan en voor dag en dauw zijn arbeid beginnen, en Don Quichot nam de gelegenheid waar, om bij hem naar Dulcinea’s woning te vernemen.
“Kunt gij mij ook zeggen, goede vriend,” riep hij hem toe, “waar ik hier ergens het paleis van de onvergelijkelijke prinses Dulcinea van Toboso vind?”
De boer hield zijn span ezels stil en keek verwonderd op.
“Heer,” zei hij na kort beraad, “ik ben hier zelf nog vreemd, daar ik mij hier eerst voor korte dagen bij een boer als knecht verhuurd heb. Als gij alles precies weten wilt, ga dan bij den pastoor, die daar recht tegenover in dat groote huis woont. Evenwel kan ik kwalijk gelooven, dat hier in het dorp eene prinses verblijf houdt, ofschoon er vrouwen genoeg zijn, die binnen hare vier muren wel voor prinsessen doorgaan kunnen.”
Na deze woorden dreef de man zijne dieren weer aan en reed door, terwijl Don Quichot hem verdrietig nakeek.
“Gestrenge heer,” zeide Sancho tot den ridder, “de dag begint te lichten en ik geloof niet, dat het goed is, dat wij ons hier vóór de zon op straat laten vinden. ’t Zou beter wezen, dat gij u hier in den omtrek ergens in een boschje verborgen hieldt, terwijl ik geenhoekje ondoorzocht wil laten, tot ik uwe prinses gevonden heb. Het moest al vreemd toegaan, als ik haar niet eindelijk te pakken kreeg!”
“Uw raad bevalt mij, Sancho Panza,” antwoordde Don Quichot na kort nadenken. “Volg mij dus eerst tot buiten het dorp en keer terug om haar te hooren, te zien en te spreken.”
Van harte blij, dat hij zijn heer zoo gewillig vond, maakte Sancho, dat hij buiten het dorp kwam, en hield eerst een heel eind daar vandaan stil bij een boschje, waar Don Quichot zich tusschen de boomen schuil kon houden, terwijl Sancho Panza onverwijld naar het dorp terugkeerde.
Toen de knaap echter zoo ver was, dat zijn meester hem niet meer zien kon, liet hij zich doodbedaard van zijn ezel neerglijden, wierp zich onder een boom in het malsche gras neer en hield de volgende alleenspraak:
“’k Moest wel zot wezen, als ik naar prinsessen en paleizen ging zoeken, die heel niet in de wereld zijn. Mijn heer moet gefopt worden en zal gefopt worden. Zooveel is zeker, dat hij gek is, stapelgek, ’t eene ding voor het ander houdt en zwart voor wit, maar wit voor zwart aanziet, zooals bij die windmolens, die schapenkudden en de hemel weet waar meer zonneklaar gebleken is. De eerste de beste boerenmeid, die ik te zien krijg, stel ik hem als prinses Dulcinea voor. Gelooft hij mij niet, dan bezweer ik ’t, en vloekt hij, dan bezweer ik ’t weer en wil ’t zoo lang bezweren, totdat ik hem eindelijk de baas word. Hij laat mij dan òf later met zijne malle boodschappen ongemoeid, of misschien denkt hij ook, dat de eene of andere toovenaar zijne prinses, om hem te plagen, heeft omgehekst, en ’t een is mij zoo lief als ’t ander en zal mij voortaan ’t leven minder zuur maken.”
Na die stichtelijke redeneering legde Sancho rustig zijn hoofd neer, sloot de oogen en deed een dutje, dat tot den laten namiddag duurde. Toen eerst besteeg hij zijn ezel weer en ging zijn meester opzoeken. Zijn goed geluk wou, dat hij drie boerenmeiden inhaalde, die op muilezels denzelfden weg reden, en nu was zijn plan dadelijk ontworpen. Zijn grauwtje in draf zettend, was hijspoedig bij zijn ridder en vond dien stijf te paard zittend, en luid zuchtend en weeklagend over het lang uitblijven van zijn schildknaap.
“Nu, hoe is het, Sancho” vroeg hij, “moet ik dezen dag met een zwarten of mag ik hem met een witten steen teekenen?”
“Met een witten, of nog liever met een vuurrooden,” antwoordde Sancho Panza. “Gij hebt uw Rocinante maar aan te sporen en den weg op te rijden, om uwe aanminnige Dulcinea te zien. Zij komt daar met twee van hare hofdames aandraven, om u een bezoek te brengen.”
“Wat zegt gij daar?” riep Don Quichot half verschrikt. “Hoed u, hoed u, Sancho, mij opzettelijk te misleiden, om door eene bedrieglijke boodschap mijne diepe treurigheid in een snel vervliegend geluk te verkeeren.”
“Maar, heer ridder, wat zou ’t mij baten, dat ik u trachtte te bedriegen?” vroeg Sancho met een doodonnoozel gezicht. “Gij zoudt dat bedrog immers in een ommezien ontdekken. Kom, kom, en spoor uw ros, om uwe verheven gebiedster van aangezicht tot aangezicht te aanschouwen. Och, wat is zij mooi, heer! Zij en hare staatsiedames glimmen van klinkklaar goud, van juweelen, van parels en van brocaat. Haar krullend haar blinkt in den zonneschijn en fladdert in den wind. Zij rijden op drie telgangers, zooals ik ze mijn leven lang nog niet gezien heb.”
“Nu, dan willen we ons haasten, vriend Sancho,” antwoordde Don Quichot. “Heb dank voor de heuglijke tijding en maak er staat op, dat ik u daar koninklijk voor beloonen zal.”
Zij brachten hunne dieren in draf en zagen, uit het bosch komende, de drie boerinnetjes reeds dicht voor zich. Don Quichot keek deze echter nauwelijks aan, maar liet zijne oogen over den weg naar Toboso rondgaan, om de schoone prinses Dulcinea met hare hofdames te zien te krijgen. Met groote verwondering bemerkte hij echter, dat van de drie geen spoor te ontdekken was, en vroeg dus zijn schildknaap, of die haar reeds buiten het dorp had gezien.
“Wel zeker heb ik dat,” zei Sancho Panza. “Heeft uwe edelheid dan geen oogen in het hoofd en ziet de prinses niet, die daar aankomt, schitterend als de zon en flikkerend als tienmaal honderdduizend diamanten.”
“Sancho Panza, ik zie niets dan drie boerenmeiden op drie magere bonken van muilezels.”
“Wel drommel en geen einde!” riep Sancho met geveinsde verwondering. “Is het mogelijk, dat gij drie zulke juweeltjes van paarden voor muilezels en uw hooge gebiederes voor eene boerin aanziet? De rossen zijn spierwit, als versch gevallen sneeuw; en mijn naam mag geen Sancho Panza wezen, als ’t niet waarempel waar is.”
“Ik zeg je evenwel,” riep de ridder, “dat het drie ezelinnen en drie boerenmeiden zijn, zoo waar als ik op Rocinante en jij op je grauwtje zit.”
“Zwijg stil, ridder, zwijg stil, genadige heer, en kijk beter uit de oogen,” zei Sancho. “Daarkomtuwe dame al aan; rijd haar te gemoet en betoon haar de verschuldigde achting en eerbied.”
En zonder af te wachten, wat zijn heer doen zou, reed hij vooruit, om de drie boerinnen te begroeten. Hij liet zich van zijn ezeltje glijden, greep het paard van de zoogenaamde Dulcinea bij den teugel, viel op beide knieën neer en sprak:
“Hooge en doorluchtige prinses, keizerinne der schoonheid, wilt gij zoo goed wezen en uwen getrouwen ridder ontvangen, die daar, door uw aanblik betooverd, als versteend staat en door uwe tegenwoordigheid totaal is beteuterd? Ik ben Sancho Panza, de schildknaap, maar hij is de wijdvermaarde en hoogbefaamde held Don Quichot van La Mancha, Ridder van de Droevige Figuur.”
Gedurende Sancho’s deftige toespraak was ook Don Quichot naast zijn schildknaap neergeknield en staarde verbaasd en verbijsterd de schoone aan, die door zijn dienaar als prinses en keizerin werd aangesproken. Daar hij nog altijd niets dan eene heel gewone en daarbij nog vrij leelijke boerenmeid met platten neus en een mond als een bakoven kon zien, geraakte hij zoo van streek, dat hij buiten staat was ook maar een enkel woord over de lippen te brengen.
De boerinnen waren intusschen niet minder verlegen dan hij zelf. Eene heele poos keken zij verbaasd op de knielende helden neer en wisten niet, wat van Sancho’s zotte toespraak te denken, totdat eindelijk de vermeende Dulcinea het woord nam en vrij kribbig en boos riep:
“Loopt naar de maan en laat ons ’t pad vrij! Wat hebben wij noodig met al die malligheden!”
“O, bekoorlijke prinses en gebiederesse van Toboso,” antwoordde Sancho Panza, “wordt dan uw steenen hart niet verweekt door het leed van den ridder aan uwe voeten?”
“Laat ons met vree, leelijke kerels!” schreeuwden de meiden. “Wij doen geen mensch wat; wat heb je dan ons overlast aan te doen?”
“Sancho Panza, sta op!” beval Don Quichot op bedrukten toon. “Ik zie wel, dat weer een ongelukkig gesternte boven mijn hoofd staat en dat de bron van mijn lijden nog niet is opgedroogd. Gij echter, aanbiddelijke Dulcinea, die, gelijk ik nu wel zie, door een snooden toovenaar van uwe verrukkelijke schoonheid en aanminnigheid werdt beroofd, buig u neder tot mij, verkwik en laaf mij door een zoeten straal uit uwe oogen, en zie uit deze mijne kniebuiging, dat ik u ten eeuwigen dage als mijne hooge gebiederesse vereeren zal.”
“Die smerige ouwe vent is gek!” riep de meid, terwijl zij Sancho de teugels van haar muilezel met geweld uit de handen rukte. “Laat los, leelijke dikzak, en houd ons niet langer op met je dol gezanik.”
Sancho Panza week op zij, en de boerendeernen zetten het nu dadelijk op een draf. Zij waren echter niet ver, of daar kwam Dulcinea’s ezel te struikelen en wierp zijne berijdster af. Don Quichot schoot dadelijk toe, om haar weer op de been te helpen; doch voordat hij nog bij haar kwam, was zij weer opgesprongen, nam een aanloop, zette hare vuisten op de achterschonken van haar rijdier, zat met een wip weer in den zadel en galoppeerde voort, zonder ook maar eens naar den verbaasden ridder om te zien. De dolende held tuurde haar na, tot zij uit zijn gezicht verdwenen was, en keerde zich toen tot Sancho, met de woorden:
“Wat zegt gij nu, mijn schildknaap? Ziet gij nu, hoe erg ik door de toovenaars gehaat en vervolgd word? Zij hebben mij het onschuldig genot ontroofd van mijne aangebedene in den vollen glans harer schoonheid te zien, en haar tot mijne kwelling in een gemeene boerenmeid veranderd.”
“Ja, ja, ’t zijn rekels, ’t zijn schobbejakken, al die toovenaars!”riep Sancho uit. “Maar tob daar maar niet over, gestrenge heer; want ’k weet wel vast, dat de deugd en dapperheid bij slot van rekening over alle boosheid triomfeeren moeten.”
Don Quichot antwoordde hier niet op, maar besteeg weer zijn Rocinante en de schildknaap zijn grauwtje, en zoo sukkelden beiden den weg naar de wereldberoemde stad Saragossa op. Voordat zij die bereikten, moesten zij echter nog velerlei wonderbaarlijke avonturen beleven, waarvan wij niet verzuimen mogen het trouw en waarachtig relaas te laten volgen.
Hoofdstuk XVI.De kar des doods en de ridder met de spiegels.Terwijl Don Quichot in diep gepeins zijn weg vervolgde, keek Sancho Panza, over ’t gelukken van zijne list in zijn vuistje lachend, vroolijk rond en ontdekte een wagen, die met allerlei vreemde gedaanten en personages beladen was. Hij maakte Don Quichot daar opmerkzaam op, en beiden staarden het wonderlijk schouwspel verbaasd aan.De voerman van den wagen was een schrikbarende duivel, en de wagen zelf was open en onbedekt. Binnenin zat de dood in levenden lijve en met een menschelijk aangezicht. Naast hem vertoonde zich een engel met bont beschilderde vleugels. Verder stond daar een keizer met zijn gouden kroon op het hoofd, en aan de voeten des doods zat god Cupido met boog, koker en pijlen. Buitendien waren nog een ridder in blank harnas en eene menigte andere personen in verschillende drachten en met allerlei tronies en gezichten op den wagen te zien.Hoewel eerst een weinig ontsteld, kreeg de Ridder van de Droevige Figuur toch spoedig zijne gewone bedaardheid weer en geloofde, dat daar een nieuw avontuur in aantocht was. In deze meening stelde hij zich dicht voor de kar in postuur en riep met dreigende stem:“Voerman of duivel, of wat gij wezen moogt, zeg mij onverwijld, wie gij zijt en wat vreemd volk gij daar bij u hebt?”“Och, waarde heer,” antwoordde de duivel zeer onderdanig, “anders niet dan arme komedianten, die in het kleine dorp ginder achter den heuvel eene voorstelling van de hofhouding des doods willen geven. Om tijd te sparen en terstond na onze aankomst het spel te kunnen beginnen, hebben we ons maar vooraf verkleed. Deze knaap hier speelt voor dood, die voor engel, die voor soldaat, die voor keizer en ik zelf voor duivel. Zoo is het gelegen met het geval, en als gij nog meer wilt weten, vraag dan maar vrij; daar een duivel alles moet weten, kan ik u wis voldoend bescheid geven.”“Neen, neen, ik weet al genoeg,” sprak Don Quichot. “Toen ik uwe kar zag, meende ik, dat ik eenig avontuur zou moeten bestaan; maar ik merk nu wel anders. Trekt in vrede, goede lui, houdt uwe vertooning en bedenkt eens, of gij niet ’t een of ander voor mij te doen weet. Van harte gaarne wil ik u van dienst wezen, want als kind ben ik al een groot vriend van zulke mommespelen geweest.”Terwijl Don Quichot zulke goelijke en vriendelijke woorden sprak, wilde het toeval, dat de paljas van het gezelschap, die wat achter was gebleven, aankwam. Hij was als hansworst gekleed, met belletjes behangen en had op het hoofd een zotskap en in de hand een stok, aan ’t eind waarvan drie groote, met erwten gevulde koeblazen hingen. Zoodra hij Don Quichot te zien kreeg, begon hij zijn stok te zwaaien, met de blazen te rammelen, te springen en cabriolen te maken, zoodat al zijne belletjes rinkelden. Dat geraas en het vreemd uitzien van den paljas brachten Rocinante zoo van streek, dat hij het gebit tusschen de tanden nam en, wat de ridder ook trok en riep, in suizenden galop over de vlaktevoortstoof. Ziende, hoe zijn heer zoo gevaar liep van zandruiter te worden, sprong nu Sancho Panza van zijn grauwtje en liep achter den ridder aan, om hembijstand te verleenen. Voordat hij hem bereikte, was het ongeluk al gebeurd. Don Quichot lag zoo lang als hij was op den grond, en Rocinante lag naast hem.Zoodra echter Sancho Panza van zijn ezel was gestapt, sprong de paljas op grauwtje en sloeg het met zijne rammelende blazen om de ooren. ’t Geduldige beest, door dat nooit gehoorde geraas verschrikt, zette het nu op een loopen en holde regelrecht op het dorp aan, waar de komedianten hunne voorstelling wilden geven.Sancho zag zijn ezel wegloopen, maar zag ook te gelijk den benauwden toestand, waarin zijn heer verkeerde, en wist dus eerst niet, naar wat kant hij zich keeren zou. Na kort beraad besloot hij echter, als trouw en eerlijk schildknaap, eerst zijn heer te hulp te springen, niettegenstaande hem telkens een steek door ’t hart ging, als hij dien verwenschten hansworst zijn stok om de ooren van zijn arme grauwtje zag zwaaien. Hij wou liever, dat al die slagen hemzelf troffen, dan dat zijn lief ezeltje ook maar een haartje in zijn staart gekrenkt werd.In woede en vertwijfeling over den ongelukkigen staat van zijn lieveling naderde hij Don Quichot, die vrij leelijk toegetakeld was, en hielp hem weer op de been en boven op zijn Rocinante.“De duivel heeft mijn ezel gehaald, edele heer,” zeide hij toen.“Welke duivel dan?” vroeg de dolende ridder.“De duivel met blazen,”antwoordde Sancho. “Daar gaat hij met hem aan den haal.”“Dan wil ik hem weer veroveren, al zou ik hem uit den afgrond van de hel halen,” riep Don Quichot. “Volg mij, Sancho! De wagen rijdt langzaam en de muilezels, die hem trekken, zullen u ’t verlies van uw ezel vergoeden.”“Laat dat maar rusten, heer,” zeide Sancho. “Naar ik zie, heeft de duivel mijn grauwtje al losgelaten, en ’t komt op een drafje weer naar ons toe.”“Toch moet zijn lijden gewroken worden,” verklaarde Don Quichot, “en voor de ondeugendheid van den hansworst moet het gansche gezelschap boeten.”“Heer!” riep Sancho Panza, “zet u die gedachten in ’s hemelsnaam uit het hoofd en laat u niet in met potsenmakers, die overal in hooge gunst en gratie staan.”“En toch zullen zij hunne verdiende tuchtiging ontvangen,” sprak de ridder.Met deze woorden keerde hij zich naar den wagen, die al dicht bij het dorp was, en riep met daverende stem: “Halt, halt! Wacht wat, menschen, en ’k wil u toonen, hoe men een ezel behandelt, waarop de schildknaap van een dolenden ridder rijdt!”Don Quichot was met zulke gezonde longen begaafd, dat het volkje op de kar hem van woord tot woord verstond en zonder veel moeite zijn voornemen begreep. Meteen was dus de dood van de kar; duivel, engel en keizer sprongen hem vlug achterna, en ook de overige gedaanten draalden niet dat voorbeeld te volgen. Allen raapten nu steenen van den grond op, gingen in eene gesloten rij staan en wachtten zoo manmoedig den ridder af, om hem met een hagelbui van steenen te ontvangen.Toen onze held de dreigende houding der vijanden en hunne armen tot den worp opgeheven zag, hield hij Rocinante staande en overlegde, op wat wijze hij die rij met het geringste gevaar voor zichzelf aanvallen en overhoop werpen zou. Terwijl hij dienaangaande nog in ’t onzekere was, kwam Sancho Panza nader en riep hem vol schrik toe:“Heer, ik zeg, dat het roekeloos en dwaas zijn zou, tegen zulk eene legermacht op te rukken. Bedenk, dat men tegen een keisteenenregen weinig uitrichten kan, en dat het doldriest zou zijn, een krijgsheer aan te tasten, dat dood en keizer tot aanvoerders heeft en waarin engel en duivel meevechten. En mocht dit alles u nog niet afschrikken, bedenk dan toch, dat onder die gansche bende, al heeft ze koningen en keizers, toch geen enkel dolend ridder is.”“Dat is waar, Sancho,” antwoordde Don Quichot. “Ge hebt daar het rechte punt getroffen, ’t eenige, dat mij bewegen kan, van mijn voornemen af te zien. Ik mag mijn goed zwaard tegen niemand ontblooten, die niet werkelijk tot ridder is geslagen. Maar gij, Sancho, zoo gij wraak wilt nemen voor de beschimping, uw ezel aangedaan,draal dan niet en wees verzekerd, dat ik u met nuttige raadgevingen en wenken ter zijde zal staan.”“Neen, edele heer, ik wil het maar liever blauwblauw laten; gedane dingen nemen toch geen keer,” verklaarde de schildknaap. “Als ik mijn grauwtje maar weerom krijg, wil ik er verder geen water om vuil maken.”“Welaan dan, Sancho,” sprak de ridder, “indien dit werkelijk uw vast besluit is, willen wij die akelige schimmen en spooksels dan maar laten loopen en avonturen opzoeken, waarbij meer roem en eer is te behalen. Pak uw ezel bij den teugel: daar komt hij al vroolijk aandraven.”Sancho ving zijn grauwtje op. Don Quichot wierp Rocinante om, en de opgejaagde zwerm komedianten keerde naar de verlaten kar terug.Den nacht, die op dezen dag volgde, brachten onze twee helden onder eenige lommerrijke boomen door. Zij zadelden af, verteerden hun avondkost uit den knapzak van den ezel, strekten zich toen, Don Quichot onder een eik, Sancho Panza onder een kurkboom, uit en waren spoedig in slaap.Een tijdlang snurkten beiden rustig en ongestoord; doch op eens rees Don Quichot overeind en keek rond. Hij had een ongewoon gerucht vernomen en ontdekte nu twee mannen te paard, van wie de een juist uit den zadel steeg en zeide: “Neem onze dieren de teugels af en laat ze grazen. Deze plaats schijnt rijkelijk met gras gezegend, en de stilte en eenzaamheid hier passen goed voor mijne rustzoekende gedachten.”Na deze woorden wierp de nieuwe aankomeling zich op den grond, en zijne wapens maakten zulk een gedreun en gekletter, dat Don Quichot terstond begreep, dat hij hier een echten dolenden ridder voor zich had. Hij schudde Sancho bij den arm en kreeg hem, schoon niet zonder moeite, wakker.“Sancho, vriend Sancho,” fluisterde hij, “een avontuur is nabij.”“De hemel geve, dat het wat goeds is,” antwoordde de schildknaap en wreef zich de oogen uit. “Waar is het dan?”“Kijk dien kant uit, vriend,” antwoordde Don Quichot. “Gij zult een dolenden ridder, als ik ben, ontdekken, die zoo even van zijnstrijdros steeg en zich onder het kletteren zijner wapenrusting op de aarde uitstrekte.”“Ja, waarachtig, ik zie hem,” verzekerde Sancho Panza. “Wat zullen wij met hem aanvangen?”Op dit oogenblik richtte de vreemde ridder, die dat gefluister vermoedelijk vernomen had, zich op en vroeg barsch: “Wie is daar? Wie spreekt daar? Behoort gij tot het getal der vergenoegden of tot het getal der mistroostigen?”“Wij behooren tot de mistroostigen,” antwoordde Don Quichot.“Welaan, komt dan hier, opdat wij elkaar nader leeren kennen,” sprak de vreemde ridder.Terstond stond Don Quichot op en naderde met Sancho den onbekende, die zich van het gras half oprichtte en onzen ridder uitnoodigde, aan zijne zijde plaats te nemen. Sancho Panza vervoegde zich intusschen bij den wapendrager van den vreemden dolenden ridder, en zij evenals de ridders begonnen elkaar nu hunne ontmoetingen en avonturen te vertellen. Na voor zijn collega een waar klaaglied te hebben aangeheven, begon Sancho Panza dit onderhoud echter al spoedig moe te worden en verlangde, daar hij onderwijl al weer honger had gekregen, uitermate zeer naar eenige gezonde hartsterking voor de maag.“De tong kleeft mij aan ’t gehemelte,” zuchtte hij.“Daar weet ik goeden raad voor,” zeide zijn collega. “Ik heb een kostelijk middel tegen honger en dorst aan den zadelknop van mijn paard hangen.”Met deze woorden stond hij op, en kwam al spoedig terug met een grooten, goed gevulden wijnzak en eene pastei, die wel een halve el hoog en breed was.“Ei, ei, maat, ben je van zoo’n teerkost voorzien?” vroeg Sancho en likte zich al de lippen.“Wel wis en zeker,” antwoordde de vreemde schildknaap. “Denkt ge, dat ik mijn zwaren dienst heb aangenomen, om van water en brood te leven? ’t Mocht wat! Ik eet en drink er zoo goed van, als menig generaal niet. Maar tast toe en laat je niet lang noodigen.”Sancho liet ééne uitnoodiging genoeg zijn en at zonder er onnuttewoorden bij te verliezen. In den donker stopte hij brokken zoo groot als een vuist in den mond. Toen hij zijn bekomst had, tastte hij naar den wijnzak, en men zou liegen, als men den dorstigen knaap nazei, dat hij de opening daarvan korter dan een kwartier achtereen aan den mond hield. Toen hij met slokken ophield, boog hij het hoofd op zij, haalde diep adem en zeide:“Hoor, ondeugend schermpje, ik wil gehangen worden, als deze wijn niet uit een klooster gestolen is.”De vreemde lachte, zonder te antwoorden, en de beide kameraads praatten en dronken, totdat eindelijk de slaap hun de zware oogleden toedrukte.Terwijl zij in vrede rustten, verhaalde de vreemde ridder aan onzen Don Quichot, dat zijne hooge en edele uitverkorene Casildea van Vandalia werd geheeten, en dat zij onvergelijkelijk zoowel in schoonheid als in voornaamheid was.“Voor kort,”zeide hij, “heeft zij mij opgedragen, alle provinciën van Spanje te doorkruisen en iederen dolenden ridder tot de bekentenis te dwingen, dat zij de aanminnigste schoonheid is, die ooit door de zon beschenen werd. Ik deed volgens haar bevel en wierp menigen ridder in het stof neder; maar waarop ik het meest trotsch ben, is een kamp met den beroemden ridder Don Quichot van La Mancha. Ook hem overwon ik in tweegevecht en dwong ik tot de verklaring, dat mijne gebiedster Casildea schooner is, dan de zijne, die Dulcinea heet.”Toen onze Don Quichot den boschridder, dien hij in zijn gansche leven nog niet gezien had, aldus hoorde spreken, ontbrandde hij in geweldigen toorn, sprong op en riep:“Gij liegt, snoode en schandelijke ridder! Want weet, ik ben het, dien gij noemt, ik ben Don Quichot van La Mancha, bijgenaamd de Ridder van de Droevige Figuur. Kom op ten strijde, zoo gij moed daartoe hebt.”De boschridder antwoordde zeer koelbloedig: “Dus zijt gij Don Quichot? Nu, dan moet wel de een of andere schelm zich voor u hebben uitgegeven, dien ik in de meening, dat gij zelf voor mij stondt, in het zand wierp. Dat schaadt evenwel niet, daar ik nuinhalen kan, wat ik toen verzuimde. Wacht nu echter den dag af, daar ’t geen gebruik is, dat edele ridders hunne wapenfeiten in den donker volbrengen als roovers en gauwdieven. Over dag wil ik u staan, te voet en te paard, met zwaard en met lans.”“Goed, daar ben ik tevreden mee, en ik stel voor, dat wij onze schildknapen wekken, zoodat zij tegen zonsopgang onze paarden getuigd en gezadeld hebben.”Zij gingen naar de plaats, waar de twee in slaap lagen, wekten hen en bevalen hun, al het noodige tot den voorgenomen kamp gereed te maken. Sancho schrikte niet weinig, daar hij voor het leven en de gezondheid van zijn heer bijzonder bezorgd was. Nochtans waagde hij geen woord van tegenspraak, maar ging in stilte zijn werk verrichten. De andere schildknaap volgde zijn voorbeeld.“Hoor, broeder,” sprak hij tot Sancho, “als onze meesters aan het vechten zijn, mogen wij de handen niet stil in den schoot leggen, maar moeten elkaar ook eens duchtig op ’t jak zitten.”“Dat reken ik heelemaal onnoodig,” antwoordde Sancho Panza. “Ook heb ik nog nooit gehoord, dat schildknapen van dolende ridders zich met de zaken van hunne meesters bemoeiden, en buitendien ben ik niet eens een zwaard rijk.”“O, dat doet er niet toe,” zeide de ander. “Wij vullen een paar linnen zakjes met keisteentjes en slaan elkaar daar zoo lang mee om de ooren, tot een van ons op den grond ligt.”“Kijk, bij mijns vaders baard, dat zou een groote gekheid wezen!” riep Sancho. “Neen, ik ben er niet op gesteld, dat men mij kop en schonken bont en blauw beukt.”“En toch moeten wij op zijn minst een half uurtje lang samen vechten,” zei de vreemde schildknaap; “en als ge niet wilt, dan zal ik je zoo lang om de ooren slaan, tot ge wel weerom slaat.”“O,” riep Sancho, die nu boos werd, “als ge me zoo aankomt, zal ik een knuppel pakken en je afranselen, tot je geen raad meer weet. Volg mijn raad en zet je die vechterijen uit de malle hersens. Zoo niet, dan zeg ik je, dat al ’t ongeluk, dat er uit ontstaat, op je eigen rekening komt.”“Goed, goed,” bromde de ander; “’t wordt gauw dag, en dan zullen we wel nader zien.”Onderwijl begonnen de vogeltjes op de takken rond te huppelen en hunne fijne stemmetjes te laten hooren; het morgenrood verguldde den hemel en de dauw viel in flonkerende parels op bloem en kruid neer. Nauwelijks echter liet het licht van den dag de voorwerpen duidelijk onderscheiden, of Sancho Panza zag een ding, dat hem allen moed uit het harte dreef en hem eene rilling over den rug joeg. En dat ding was—de neus van zijn collega, den vreemden schildknaap.Die was van buitensporige grootte, gebogen als een vogelsneb, met wratten en puisten bezaaid en vertoonde alle kleurschakeeringen van het zachte rozerood tot het donkerst purper toe. Sancho Panza kreeg zoo’n schrik van dien neus, dat hij in stilte besloot, zich liever tweehonderd oorvijgen te getroosten, dan zich met zulk een vogelverschrikker in een gevecht in te laten.Intusschen nam ook Don Quichot zijn tegenstander op, die een stevig, gezet en grof gespierd man was. Over zijn harnas droeg hij een wapenrok van ’t fijnste goudlaken, die van onder tot boven met kleine halvemaanvormige spiegeltjes was bezet, wat bij iedere beweging eene zeer aardige vertooning maakte. Van zijn helm hing een zware pluimbos neer, en zijne lans, die tegen een boom geleund stond, was buitengewoon dik en lang en met een lange stalen punt gewapend.Uit dit alles maakte Don Quichot op, dat hij eene kloeke tegenpartij had te bekampen; doch zijn bekende en beproefde heldenmoed geraakte daardoor geen oogenblik aan het wankelen. Veeleer daagde hij hem, zonder nog zijn door het vizier van den helm bedekt aangezicht gezien te hebben, op staanden voet ten kampstrijd uit, en beide ridders bestegen onmiddellijk hunne rossen.Om de vereischte ruimte tot kampplaats te winnen, maakte Don Quichot eene korte wending met zijn paard, en de spiegelridder volgde zijn voorbeeld. Terstond daarop stonden zij tegen elkaar over en sloegen, als om afscheid van de wereld te nemen, nog eens een blik in het rond. Nu kreeg Don Quichot ook den vervaarlijkenneus van den vreemden schildknaap in het oog en verwonderde zich er niet minder over dan Sancho, die op ditzelfde oogenblik kwam aanloopen, om zijn meester eene dringende bede in het oor te fluisteren.“Heer ridder,”zei hij, “ik bid u in ’s hemels naam mij op gindschen kurkboom te helpen, omdat ik daar uit de hoogte het vreeselijk slagveld veel beter zal kunnen overzien.”“Hoor, Sancho,” antwoordde Don Quichot, “ik vrees, dat gij enkel en alleen zoo hoogop wilt, om uw armzalig lijf in veiligheid te brengen.”“Nu, nu, om de waarheid te zeggen, wil ik wel bekennen, dat ik wat bang voor dat gruwelijk neuswerk ben,” betuigde de knaap. “Dat jaagt mij zoo’n schrik aan, dat ik ’t er onmogelijk dicht bij uithouden kan.”“Ja, ja, die neus is een afgrijselijk ding,” zei Don Quichot, “en maak dus maar gauw, dat ge naar boven komt.”Terwijl Don Quichot zijn schildknaap een handje hielp, om op een tak te komen, spoorde de spiegelridder zijn ros aan, om zijn vijand met knaap en al overhoop te rennen. Daar nu evenwel zijn hengst een knol van de gemeenste soort was, bleef die midden in zijn vaart staan en kuchte en hijgde zoo erbarmelijk, dat men wel bijkans medelijden moest krijgen met het arme beest, dat van lamlendigheid haast niet op zijne vier pooten kon blijven staan.Don Quichot had intusschen zijn knaap in veiligheid gebracht en, door zulk een verraderlijk gedrag in blakende grimmigheid ontstoken, gaf hij Rocinante nu met zooveel geweld de sporen, dat hij in vollen galop op den nu roerloos wachtenden spiegelridder instoof. In het midden van de baan bereikte hij dien en trof hem met zijne lans zoo geweldig in de zijde, dat de snoode man in den zadel waggelde en ruggelings over zijn paard heen ter aarde tuimelde. De bons, dien hij kreeg, was zoo geducht, dat hij stokstijf bleef liggen en Don Quichot zelf geloofde, dat hij zoo dood als een pier was.Zoodra Sancho hem zag rollen, liet hij zich schielijk weer uit zijn boom neerglijden en kwam toe op zijn heer, die uiterst bedaard van Rocinante was gestegen en zich over den gevelden spiegelridderneerboog. Hij gespte hem den helmband los, om hem lucht te verschaffen en te zien, of hij wis en wezenlijk dood was, en aanschouwde nu tot zijne allerovergrootste verbazing het aangezicht van—van den heer Sanson Carrasco, denzelfden, van wien hij zijn fraaien helm ten geschenke had gekregen.“Sancho!” riep hij, “Sancho Panza, kom hier en zie met eigen oogen, welke kunstenarijen die snoode toovenaars aanwenden, om mijn zinnen te verbijsteren en mij geheel op ’t dwaalspoor te brengen.”Sancho kwam reeds aansjokken en zette het bij dien toeroep op een drafje. Bij ’t zien van het bleeke aangezicht van Carrasco sloeg hij van louter verbaasdheid een kruis en spoorde zijn heer aan, om den gevallene maar zonder omslag het zwaard tusschen de tanden in te boren en zoodoende aan die verfoeielijke tooverij op eens een einde te maken.“Dat zou zoo verkeerd niet wezen,” zeide Don Quichot en trok zijn zwaard, om Sancho’s raad onverwijld op te volgen. Evenwel werd hem dat nog bijtijds belet, daar de schildknaap van den gevallene, hoewel thans zonder zijn groot neuswerk, op een drafje kwam aanloopen en al van verre bad en smeekte, dat men zijn armen heer toch sparen mocht.“Kijk wel toe, gestrenge heer!” lamenteerde hij. “Die man daar aan uwe voeten is wis en vast Sanson Carrasco, uw goede vriend, en ik ben zijn alleronderdanigste knecht en dienaar.”“Maar waar heb je dan je neus gelaten?” vroeg Sancho Panza, als ten toppunt van verbazing, toen hij dat schrikbarend uitsteeksel niet meer ontdekte.“Dien heb ik hier in mijn zak,” antwoordde de knaap en haalde een ding van beschilderd bordpapier voor den dag.“Wat is dat?” schreeuwde Sancho, toen hij den vreemde nu eens goed had aangekeken. “Waarachtig, ’t is Tomé Cecial, mijn naaste buurman!”“Geen mensch anders, mijn oude vriend Sancho Panza,” zei de ander; “en als ge een weinigje geduld hebt, wil ik je van haver tot gort vertellen, hoe en waartoe ik hierheen ben gekomen. Verzoek uwendapperen heer echter eerst, dat hij den armen spiegelridder geen kwaad doet; want het is wezenlijk de heer Sanson Carrasco, zijn oude vriend.”Intusschen was de spiegelridder weer tot bezinning gekomen; en zoodra Don Quichot dat bemerkte, hield hij hem de punt van zijn zwaard voor het gezicht en sprak:“Gij zijt een kind des doods, zoo gij niet oogenblikkelijk erkent, dat mijne hooge gebiedster Dulcinea van Toboso de uwe, Casildea van Vandalia, in schoonheid ver overtreft.”“Dat erken ik! Dat erken ik!” riep de spiegelridder, die in zijn hulpeloozen toestand natuurlijk niet zeer op zijn gemak was. “Casildea is niet waard, uwe Dulcinea de schoenriemen los te binden. Laat mij in ’s Hemels naam maar opstaan, gestrenge heer!”“Erken eerst nog, dat gij nu en nooit mij, Don Quichot van La Mancha, den Ridder van de Droevige Figuur, in tweegevecht hebt overwonnen, en, hoewel gij in uitzien veel op Sanson Carrasco gelijkt, toch niet die, maar een heel ander zijt.”“Dat erken ik! Dat erken ik!” riep de spiegelridder nogmaals in zijn doodelijken angst. “Ik beken alles, wat gij wilt, als gij mij maar eerst laat opstaan en mijne gekneusde ledematen wrijven, die van den val deerlijk geleden hebben.”Don Quichot stak thans bevredigd zijn zwaard op en hielp den overwonnen ridder op de been. Beschaamd en neerslachtig trok deze met zijn schildknaap zijns weegs; maar Don Quichot en Sancho Panza vervolgden met fiere harten hun tocht, en de Ridder van de Droevige Figuur bleef onverzettelijk bij zijne meening, dat hij een vijand had geveld, dien een vijandig gezind toovenaar naderhand, om den overwinnaar te ergeren en den overwonnene te redden, in den persoon vanSansonCarrasco had veranderd.Dit was echter, gelijk wij uit goede bron weten, in geenen deele het geval. De overwonnen dolende ridder was wel waarlijk Sanson Carrasco, die uitgetrokken was om Don Quichot van zijne dwaasheid te genezen. In de verwachting, dat het hem niet zwaar zou vallen den dolenden ridder te overwinnen, had hij dien tot een nieuwen tocht aangespoord en besloten Don Quichot, als hijhem meester was geworden, te gelasten stilletjes naar zijn dorp terug te keeren en dat in de eerste twee jaren niet weder te verlaten.Nu echter was dat anders uitgevallen. In plaats van victorie te kraaien, moest Sanson Carrasco met hangende pootjes aftrekken. Hij peinsde op wraak; maar Don Quichot was blij en welgemoed en had den overwonnene spoedig weer vergeten.
Terwijl Don Quichot in diep gepeins zijn weg vervolgde, keek Sancho Panza, over ’t gelukken van zijne list in zijn vuistje lachend, vroolijk rond en ontdekte een wagen, die met allerlei vreemde gedaanten en personages beladen was. Hij maakte Don Quichot daar opmerkzaam op, en beiden staarden het wonderlijk schouwspel verbaasd aan.
De voerman van den wagen was een schrikbarende duivel, en de wagen zelf was open en onbedekt. Binnenin zat de dood in levenden lijve en met een menschelijk aangezicht. Naast hem vertoonde zich een engel met bont beschilderde vleugels. Verder stond daar een keizer met zijn gouden kroon op het hoofd, en aan de voeten des doods zat god Cupido met boog, koker en pijlen. Buitendien waren nog een ridder in blank harnas en eene menigte andere personen in verschillende drachten en met allerlei tronies en gezichten op den wagen te zien.
Hoewel eerst een weinig ontsteld, kreeg de Ridder van de Droevige Figuur toch spoedig zijne gewone bedaardheid weer en geloofde, dat daar een nieuw avontuur in aantocht was. In deze meening stelde hij zich dicht voor de kar in postuur en riep met dreigende stem:
“Voerman of duivel, of wat gij wezen moogt, zeg mij onverwijld, wie gij zijt en wat vreemd volk gij daar bij u hebt?”
“Och, waarde heer,” antwoordde de duivel zeer onderdanig, “anders niet dan arme komedianten, die in het kleine dorp ginder achter den heuvel eene voorstelling van de hofhouding des doods willen geven. Om tijd te sparen en terstond na onze aankomst het spel te kunnen beginnen, hebben we ons maar vooraf verkleed. Deze knaap hier speelt voor dood, die voor engel, die voor soldaat, die voor keizer en ik zelf voor duivel. Zoo is het gelegen met het geval, en als gij nog meer wilt weten, vraag dan maar vrij; daar een duivel alles moet weten, kan ik u wis voldoend bescheid geven.”
“Neen, neen, ik weet al genoeg,” sprak Don Quichot. “Toen ik uwe kar zag, meende ik, dat ik eenig avontuur zou moeten bestaan; maar ik merk nu wel anders. Trekt in vrede, goede lui, houdt uwe vertooning en bedenkt eens, of gij niet ’t een of ander voor mij te doen weet. Van harte gaarne wil ik u van dienst wezen, want als kind ben ik al een groot vriend van zulke mommespelen geweest.”
Terwijl Don Quichot zulke goelijke en vriendelijke woorden sprak, wilde het toeval, dat de paljas van het gezelschap, die wat achter was gebleven, aankwam. Hij was als hansworst gekleed, met belletjes behangen en had op het hoofd een zotskap en in de hand een stok, aan ’t eind waarvan drie groote, met erwten gevulde koeblazen hingen. Zoodra hij Don Quichot te zien kreeg, begon hij zijn stok te zwaaien, met de blazen te rammelen, te springen en cabriolen te maken, zoodat al zijne belletjes rinkelden. Dat geraas en het vreemd uitzien van den paljas brachten Rocinante zoo van streek, dat hij het gebit tusschen de tanden nam en, wat de ridder ook trok en riep, in suizenden galop over de vlaktevoortstoof. Ziende, hoe zijn heer zoo gevaar liep van zandruiter te worden, sprong nu Sancho Panza van zijn grauwtje en liep achter den ridder aan, om hembijstand te verleenen. Voordat hij hem bereikte, was het ongeluk al gebeurd. Don Quichot lag zoo lang als hij was op den grond, en Rocinante lag naast hem.
Zoodra echter Sancho Panza van zijn ezel was gestapt, sprong de paljas op grauwtje en sloeg het met zijne rammelende blazen om de ooren. ’t Geduldige beest, door dat nooit gehoorde geraas verschrikt, zette het nu op een loopen en holde regelrecht op het dorp aan, waar de komedianten hunne voorstelling wilden geven.
Sancho zag zijn ezel wegloopen, maar zag ook te gelijk den benauwden toestand, waarin zijn heer verkeerde, en wist dus eerst niet, naar wat kant hij zich keeren zou. Na kort beraad besloot hij echter, als trouw en eerlijk schildknaap, eerst zijn heer te hulp te springen, niettegenstaande hem telkens een steek door ’t hart ging, als hij dien verwenschten hansworst zijn stok om de ooren van zijn arme grauwtje zag zwaaien. Hij wou liever, dat al die slagen hemzelf troffen, dan dat zijn lief ezeltje ook maar een haartje in zijn staart gekrenkt werd.
In woede en vertwijfeling over den ongelukkigen staat van zijn lieveling naderde hij Don Quichot, die vrij leelijk toegetakeld was, en hielp hem weer op de been en boven op zijn Rocinante.
“De duivel heeft mijn ezel gehaald, edele heer,” zeide hij toen.
“Welke duivel dan?” vroeg de dolende ridder.
“De duivel met blazen,”antwoordde Sancho. “Daar gaat hij met hem aan den haal.”
“Dan wil ik hem weer veroveren, al zou ik hem uit den afgrond van de hel halen,” riep Don Quichot. “Volg mij, Sancho! De wagen rijdt langzaam en de muilezels, die hem trekken, zullen u ’t verlies van uw ezel vergoeden.”
“Laat dat maar rusten, heer,” zeide Sancho. “Naar ik zie, heeft de duivel mijn grauwtje al losgelaten, en ’t komt op een drafje weer naar ons toe.”
“Toch moet zijn lijden gewroken worden,” verklaarde Don Quichot, “en voor de ondeugendheid van den hansworst moet het gansche gezelschap boeten.”
“Heer!” riep Sancho Panza, “zet u die gedachten in ’s hemelsnaam uit het hoofd en laat u niet in met potsenmakers, die overal in hooge gunst en gratie staan.”
“En toch zullen zij hunne verdiende tuchtiging ontvangen,” sprak de ridder.
Met deze woorden keerde hij zich naar den wagen, die al dicht bij het dorp was, en riep met daverende stem: “Halt, halt! Wacht wat, menschen, en ’k wil u toonen, hoe men een ezel behandelt, waarop de schildknaap van een dolenden ridder rijdt!”
Don Quichot was met zulke gezonde longen begaafd, dat het volkje op de kar hem van woord tot woord verstond en zonder veel moeite zijn voornemen begreep. Meteen was dus de dood van de kar; duivel, engel en keizer sprongen hem vlug achterna, en ook de overige gedaanten draalden niet dat voorbeeld te volgen. Allen raapten nu steenen van den grond op, gingen in eene gesloten rij staan en wachtten zoo manmoedig den ridder af, om hem met een hagelbui van steenen te ontvangen.
Toen onze held de dreigende houding der vijanden en hunne armen tot den worp opgeheven zag, hield hij Rocinante staande en overlegde, op wat wijze hij die rij met het geringste gevaar voor zichzelf aanvallen en overhoop werpen zou. Terwijl hij dienaangaande nog in ’t onzekere was, kwam Sancho Panza nader en riep hem vol schrik toe:
“Heer, ik zeg, dat het roekeloos en dwaas zijn zou, tegen zulk eene legermacht op te rukken. Bedenk, dat men tegen een keisteenenregen weinig uitrichten kan, en dat het doldriest zou zijn, een krijgsheer aan te tasten, dat dood en keizer tot aanvoerders heeft en waarin engel en duivel meevechten. En mocht dit alles u nog niet afschrikken, bedenk dan toch, dat onder die gansche bende, al heeft ze koningen en keizers, toch geen enkel dolend ridder is.”
“Dat is waar, Sancho,” antwoordde Don Quichot. “Ge hebt daar het rechte punt getroffen, ’t eenige, dat mij bewegen kan, van mijn voornemen af te zien. Ik mag mijn goed zwaard tegen niemand ontblooten, die niet werkelijk tot ridder is geslagen. Maar gij, Sancho, zoo gij wraak wilt nemen voor de beschimping, uw ezel aangedaan,draal dan niet en wees verzekerd, dat ik u met nuttige raadgevingen en wenken ter zijde zal staan.”
“Neen, edele heer, ik wil het maar liever blauwblauw laten; gedane dingen nemen toch geen keer,” verklaarde de schildknaap. “Als ik mijn grauwtje maar weerom krijg, wil ik er verder geen water om vuil maken.”
“Welaan dan, Sancho,” sprak de ridder, “indien dit werkelijk uw vast besluit is, willen wij die akelige schimmen en spooksels dan maar laten loopen en avonturen opzoeken, waarbij meer roem en eer is te behalen. Pak uw ezel bij den teugel: daar komt hij al vroolijk aandraven.”
Sancho ving zijn grauwtje op. Don Quichot wierp Rocinante om, en de opgejaagde zwerm komedianten keerde naar de verlaten kar terug.
Den nacht, die op dezen dag volgde, brachten onze twee helden onder eenige lommerrijke boomen door. Zij zadelden af, verteerden hun avondkost uit den knapzak van den ezel, strekten zich toen, Don Quichot onder een eik, Sancho Panza onder een kurkboom, uit en waren spoedig in slaap.
Een tijdlang snurkten beiden rustig en ongestoord; doch op eens rees Don Quichot overeind en keek rond. Hij had een ongewoon gerucht vernomen en ontdekte nu twee mannen te paard, van wie de een juist uit den zadel steeg en zeide: “Neem onze dieren de teugels af en laat ze grazen. Deze plaats schijnt rijkelijk met gras gezegend, en de stilte en eenzaamheid hier passen goed voor mijne rustzoekende gedachten.”
Na deze woorden wierp de nieuwe aankomeling zich op den grond, en zijne wapens maakten zulk een gedreun en gekletter, dat Don Quichot terstond begreep, dat hij hier een echten dolenden ridder voor zich had. Hij schudde Sancho bij den arm en kreeg hem, schoon niet zonder moeite, wakker.
“Sancho, vriend Sancho,” fluisterde hij, “een avontuur is nabij.”
“De hemel geve, dat het wat goeds is,” antwoordde de schildknaap en wreef zich de oogen uit. “Waar is het dan?”
“Kijk dien kant uit, vriend,” antwoordde Don Quichot. “Gij zult een dolenden ridder, als ik ben, ontdekken, die zoo even van zijnstrijdros steeg en zich onder het kletteren zijner wapenrusting op de aarde uitstrekte.”
“Ja, waarachtig, ik zie hem,” verzekerde Sancho Panza. “Wat zullen wij met hem aanvangen?”
Op dit oogenblik richtte de vreemde ridder, die dat gefluister vermoedelijk vernomen had, zich op en vroeg barsch: “Wie is daar? Wie spreekt daar? Behoort gij tot het getal der vergenoegden of tot het getal der mistroostigen?”
“Wij behooren tot de mistroostigen,” antwoordde Don Quichot.
“Welaan, komt dan hier, opdat wij elkaar nader leeren kennen,” sprak de vreemde ridder.
Terstond stond Don Quichot op en naderde met Sancho den onbekende, die zich van het gras half oprichtte en onzen ridder uitnoodigde, aan zijne zijde plaats te nemen. Sancho Panza vervoegde zich intusschen bij den wapendrager van den vreemden dolenden ridder, en zij evenals de ridders begonnen elkaar nu hunne ontmoetingen en avonturen te vertellen. Na voor zijn collega een waar klaaglied te hebben aangeheven, begon Sancho Panza dit onderhoud echter al spoedig moe te worden en verlangde, daar hij onderwijl al weer honger had gekregen, uitermate zeer naar eenige gezonde hartsterking voor de maag.
“De tong kleeft mij aan ’t gehemelte,” zuchtte hij.
“Daar weet ik goeden raad voor,” zeide zijn collega. “Ik heb een kostelijk middel tegen honger en dorst aan den zadelknop van mijn paard hangen.”
Met deze woorden stond hij op, en kwam al spoedig terug met een grooten, goed gevulden wijnzak en eene pastei, die wel een halve el hoog en breed was.
“Ei, ei, maat, ben je van zoo’n teerkost voorzien?” vroeg Sancho en likte zich al de lippen.
“Wel wis en zeker,” antwoordde de vreemde schildknaap. “Denkt ge, dat ik mijn zwaren dienst heb aangenomen, om van water en brood te leven? ’t Mocht wat! Ik eet en drink er zoo goed van, als menig generaal niet. Maar tast toe en laat je niet lang noodigen.”
Sancho liet ééne uitnoodiging genoeg zijn en at zonder er onnuttewoorden bij te verliezen. In den donker stopte hij brokken zoo groot als een vuist in den mond. Toen hij zijn bekomst had, tastte hij naar den wijnzak, en men zou liegen, als men den dorstigen knaap nazei, dat hij de opening daarvan korter dan een kwartier achtereen aan den mond hield. Toen hij met slokken ophield, boog hij het hoofd op zij, haalde diep adem en zeide:
“Hoor, ondeugend schermpje, ik wil gehangen worden, als deze wijn niet uit een klooster gestolen is.”
De vreemde lachte, zonder te antwoorden, en de beide kameraads praatten en dronken, totdat eindelijk de slaap hun de zware oogleden toedrukte.
Terwijl zij in vrede rustten, verhaalde de vreemde ridder aan onzen Don Quichot, dat zijne hooge en edele uitverkorene Casildea van Vandalia werd geheeten, en dat zij onvergelijkelijk zoowel in schoonheid als in voornaamheid was.
“Voor kort,”zeide hij, “heeft zij mij opgedragen, alle provinciën van Spanje te doorkruisen en iederen dolenden ridder tot de bekentenis te dwingen, dat zij de aanminnigste schoonheid is, die ooit door de zon beschenen werd. Ik deed volgens haar bevel en wierp menigen ridder in het stof neder; maar waarop ik het meest trotsch ben, is een kamp met den beroemden ridder Don Quichot van La Mancha. Ook hem overwon ik in tweegevecht en dwong ik tot de verklaring, dat mijne gebiedster Casildea schooner is, dan de zijne, die Dulcinea heet.”
Toen onze Don Quichot den boschridder, dien hij in zijn gansche leven nog niet gezien had, aldus hoorde spreken, ontbrandde hij in geweldigen toorn, sprong op en riep:
“Gij liegt, snoode en schandelijke ridder! Want weet, ik ben het, dien gij noemt, ik ben Don Quichot van La Mancha, bijgenaamd de Ridder van de Droevige Figuur. Kom op ten strijde, zoo gij moed daartoe hebt.”
De boschridder antwoordde zeer koelbloedig: “Dus zijt gij Don Quichot? Nu, dan moet wel de een of andere schelm zich voor u hebben uitgegeven, dien ik in de meening, dat gij zelf voor mij stondt, in het zand wierp. Dat schaadt evenwel niet, daar ik nuinhalen kan, wat ik toen verzuimde. Wacht nu echter den dag af, daar ’t geen gebruik is, dat edele ridders hunne wapenfeiten in den donker volbrengen als roovers en gauwdieven. Over dag wil ik u staan, te voet en te paard, met zwaard en met lans.”
“Goed, daar ben ik tevreden mee, en ik stel voor, dat wij onze schildknapen wekken, zoodat zij tegen zonsopgang onze paarden getuigd en gezadeld hebben.”
Zij gingen naar de plaats, waar de twee in slaap lagen, wekten hen en bevalen hun, al het noodige tot den voorgenomen kamp gereed te maken. Sancho schrikte niet weinig, daar hij voor het leven en de gezondheid van zijn heer bijzonder bezorgd was. Nochtans waagde hij geen woord van tegenspraak, maar ging in stilte zijn werk verrichten. De andere schildknaap volgde zijn voorbeeld.
“Hoor, broeder,” sprak hij tot Sancho, “als onze meesters aan het vechten zijn, mogen wij de handen niet stil in den schoot leggen, maar moeten elkaar ook eens duchtig op ’t jak zitten.”
“Dat reken ik heelemaal onnoodig,” antwoordde Sancho Panza. “Ook heb ik nog nooit gehoord, dat schildknapen van dolende ridders zich met de zaken van hunne meesters bemoeiden, en buitendien ben ik niet eens een zwaard rijk.”
“O, dat doet er niet toe,” zeide de ander. “Wij vullen een paar linnen zakjes met keisteentjes en slaan elkaar daar zoo lang mee om de ooren, tot een van ons op den grond ligt.”
“Kijk, bij mijns vaders baard, dat zou een groote gekheid wezen!” riep Sancho. “Neen, ik ben er niet op gesteld, dat men mij kop en schonken bont en blauw beukt.”
“En toch moeten wij op zijn minst een half uurtje lang samen vechten,” zei de vreemde schildknaap; “en als ge niet wilt, dan zal ik je zoo lang om de ooren slaan, tot ge wel weerom slaat.”
“O,” riep Sancho, die nu boos werd, “als ge me zoo aankomt, zal ik een knuppel pakken en je afranselen, tot je geen raad meer weet. Volg mijn raad en zet je die vechterijen uit de malle hersens. Zoo niet, dan zeg ik je, dat al ’t ongeluk, dat er uit ontstaat, op je eigen rekening komt.”
“Goed, goed,” bromde de ander; “’t wordt gauw dag, en dan zullen we wel nader zien.”
Onderwijl begonnen de vogeltjes op de takken rond te huppelen en hunne fijne stemmetjes te laten hooren; het morgenrood verguldde den hemel en de dauw viel in flonkerende parels op bloem en kruid neer. Nauwelijks echter liet het licht van den dag de voorwerpen duidelijk onderscheiden, of Sancho Panza zag een ding, dat hem allen moed uit het harte dreef en hem eene rilling over den rug joeg. En dat ding was—de neus van zijn collega, den vreemden schildknaap.
Die was van buitensporige grootte, gebogen als een vogelsneb, met wratten en puisten bezaaid en vertoonde alle kleurschakeeringen van het zachte rozerood tot het donkerst purper toe. Sancho Panza kreeg zoo’n schrik van dien neus, dat hij in stilte besloot, zich liever tweehonderd oorvijgen te getroosten, dan zich met zulk een vogelverschrikker in een gevecht in te laten.
Intusschen nam ook Don Quichot zijn tegenstander op, die een stevig, gezet en grof gespierd man was. Over zijn harnas droeg hij een wapenrok van ’t fijnste goudlaken, die van onder tot boven met kleine halvemaanvormige spiegeltjes was bezet, wat bij iedere beweging eene zeer aardige vertooning maakte. Van zijn helm hing een zware pluimbos neer, en zijne lans, die tegen een boom geleund stond, was buitengewoon dik en lang en met een lange stalen punt gewapend.
Uit dit alles maakte Don Quichot op, dat hij eene kloeke tegenpartij had te bekampen; doch zijn bekende en beproefde heldenmoed geraakte daardoor geen oogenblik aan het wankelen. Veeleer daagde hij hem, zonder nog zijn door het vizier van den helm bedekt aangezicht gezien te hebben, op staanden voet ten kampstrijd uit, en beide ridders bestegen onmiddellijk hunne rossen.
Om de vereischte ruimte tot kampplaats te winnen, maakte Don Quichot eene korte wending met zijn paard, en de spiegelridder volgde zijn voorbeeld. Terstond daarop stonden zij tegen elkaar over en sloegen, als om afscheid van de wereld te nemen, nog eens een blik in het rond. Nu kreeg Don Quichot ook den vervaarlijkenneus van den vreemden schildknaap in het oog en verwonderde zich er niet minder over dan Sancho, die op ditzelfde oogenblik kwam aanloopen, om zijn meester eene dringende bede in het oor te fluisteren.
“Heer ridder,”zei hij, “ik bid u in ’s hemels naam mij op gindschen kurkboom te helpen, omdat ik daar uit de hoogte het vreeselijk slagveld veel beter zal kunnen overzien.”
“Hoor, Sancho,” antwoordde Don Quichot, “ik vrees, dat gij enkel en alleen zoo hoogop wilt, om uw armzalig lijf in veiligheid te brengen.”
“Nu, nu, om de waarheid te zeggen, wil ik wel bekennen, dat ik wat bang voor dat gruwelijk neuswerk ben,” betuigde de knaap. “Dat jaagt mij zoo’n schrik aan, dat ik ’t er onmogelijk dicht bij uithouden kan.”
“Ja, ja, die neus is een afgrijselijk ding,” zei Don Quichot, “en maak dus maar gauw, dat ge naar boven komt.”
Terwijl Don Quichot zijn schildknaap een handje hielp, om op een tak te komen, spoorde de spiegelridder zijn ros aan, om zijn vijand met knaap en al overhoop te rennen. Daar nu evenwel zijn hengst een knol van de gemeenste soort was, bleef die midden in zijn vaart staan en kuchte en hijgde zoo erbarmelijk, dat men wel bijkans medelijden moest krijgen met het arme beest, dat van lamlendigheid haast niet op zijne vier pooten kon blijven staan.
Don Quichot had intusschen zijn knaap in veiligheid gebracht en, door zulk een verraderlijk gedrag in blakende grimmigheid ontstoken, gaf hij Rocinante nu met zooveel geweld de sporen, dat hij in vollen galop op den nu roerloos wachtenden spiegelridder instoof. In het midden van de baan bereikte hij dien en trof hem met zijne lans zoo geweldig in de zijde, dat de snoode man in den zadel waggelde en ruggelings over zijn paard heen ter aarde tuimelde. De bons, dien hij kreeg, was zoo geducht, dat hij stokstijf bleef liggen en Don Quichot zelf geloofde, dat hij zoo dood als een pier was.
Zoodra Sancho hem zag rollen, liet hij zich schielijk weer uit zijn boom neerglijden en kwam toe op zijn heer, die uiterst bedaard van Rocinante was gestegen en zich over den gevelden spiegelridderneerboog. Hij gespte hem den helmband los, om hem lucht te verschaffen en te zien, of hij wis en wezenlijk dood was, en aanschouwde nu tot zijne allerovergrootste verbazing het aangezicht van—van den heer Sanson Carrasco, denzelfden, van wien hij zijn fraaien helm ten geschenke had gekregen.
“Sancho!” riep hij, “Sancho Panza, kom hier en zie met eigen oogen, welke kunstenarijen die snoode toovenaars aanwenden, om mijn zinnen te verbijsteren en mij geheel op ’t dwaalspoor te brengen.”
Sancho kwam reeds aansjokken en zette het bij dien toeroep op een drafje. Bij ’t zien van het bleeke aangezicht van Carrasco sloeg hij van louter verbaasdheid een kruis en spoorde zijn heer aan, om den gevallene maar zonder omslag het zwaard tusschen de tanden in te boren en zoodoende aan die verfoeielijke tooverij op eens een einde te maken.
“Dat zou zoo verkeerd niet wezen,” zeide Don Quichot en trok zijn zwaard, om Sancho’s raad onverwijld op te volgen. Evenwel werd hem dat nog bijtijds belet, daar de schildknaap van den gevallene, hoewel thans zonder zijn groot neuswerk, op een drafje kwam aanloopen en al van verre bad en smeekte, dat men zijn armen heer toch sparen mocht.
“Kijk wel toe, gestrenge heer!” lamenteerde hij. “Die man daar aan uwe voeten is wis en vast Sanson Carrasco, uw goede vriend, en ik ben zijn alleronderdanigste knecht en dienaar.”
“Maar waar heb je dan je neus gelaten?” vroeg Sancho Panza, als ten toppunt van verbazing, toen hij dat schrikbarend uitsteeksel niet meer ontdekte.
“Dien heb ik hier in mijn zak,” antwoordde de knaap en haalde een ding van beschilderd bordpapier voor den dag.
“Wat is dat?” schreeuwde Sancho, toen hij den vreemde nu eens goed had aangekeken. “Waarachtig, ’t is Tomé Cecial, mijn naaste buurman!”
“Geen mensch anders, mijn oude vriend Sancho Panza,” zei de ander; “en als ge een weinigje geduld hebt, wil ik je van haver tot gort vertellen, hoe en waartoe ik hierheen ben gekomen. Verzoek uwendapperen heer echter eerst, dat hij den armen spiegelridder geen kwaad doet; want het is wezenlijk de heer Sanson Carrasco, zijn oude vriend.”
Intusschen was de spiegelridder weer tot bezinning gekomen; en zoodra Don Quichot dat bemerkte, hield hij hem de punt van zijn zwaard voor het gezicht en sprak:
“Gij zijt een kind des doods, zoo gij niet oogenblikkelijk erkent, dat mijne hooge gebiedster Dulcinea van Toboso de uwe, Casildea van Vandalia, in schoonheid ver overtreft.”
“Dat erken ik! Dat erken ik!” riep de spiegelridder, die in zijn hulpeloozen toestand natuurlijk niet zeer op zijn gemak was. “Casildea is niet waard, uwe Dulcinea de schoenriemen los te binden. Laat mij in ’s Hemels naam maar opstaan, gestrenge heer!”
“Erken eerst nog, dat gij nu en nooit mij, Don Quichot van La Mancha, den Ridder van de Droevige Figuur, in tweegevecht hebt overwonnen, en, hoewel gij in uitzien veel op Sanson Carrasco gelijkt, toch niet die, maar een heel ander zijt.”
“Dat erken ik! Dat erken ik!” riep de spiegelridder nogmaals in zijn doodelijken angst. “Ik beken alles, wat gij wilt, als gij mij maar eerst laat opstaan en mijne gekneusde ledematen wrijven, die van den val deerlijk geleden hebben.”
Don Quichot stak thans bevredigd zijn zwaard op en hielp den overwonnen ridder op de been. Beschaamd en neerslachtig trok deze met zijn schildknaap zijns weegs; maar Don Quichot en Sancho Panza vervolgden met fiere harten hun tocht, en de Ridder van de Droevige Figuur bleef onverzettelijk bij zijne meening, dat hij een vijand had geveld, dien een vijandig gezind toovenaar naderhand, om den overwinnaar te ergeren en den overwonnene te redden, in den persoon vanSansonCarrasco had veranderd.
Dit was echter, gelijk wij uit goede bron weten, in geenen deele het geval. De overwonnen dolende ridder was wel waarlijk Sanson Carrasco, die uitgetrokken was om Don Quichot van zijne dwaasheid te genezen. In de verwachting, dat het hem niet zwaar zou vallen den dolenden ridder te overwinnen, had hij dien tot een nieuwen tocht aangespoord en besloten Don Quichot, als hijhem meester was geworden, te gelasten stilletjes naar zijn dorp terug te keeren en dat in de eerste twee jaren niet weder te verlaten.
Nu echter was dat anders uitgevallen. In plaats van victorie te kraaien, moest Sanson Carrasco met hangende pootjes aftrekken. Hij peinsde op wraak; maar Don Quichot was blij en welgemoed en had den overwonnene spoedig weer vergeten.
Hoofdstuk XVII.Het avontuur met de leeuwen en andere wonderlijke geschiedenissen.Den grooten weg volgende, haalde Don Quichot een goed gekleed, oudachtig heer in, met wien hij zich, daar hij in alles, wat niet met die dwaasheid van het dolend ridderschap in verband stond, een hoogst beschaafd en verstandig man was, op recht aangename wijze wist te onderhouden. Hij geraakte zóo met hem in ’t gesprek verdiept, dat Sancho Panza, die den helm zijns meesters aan zijn zadelknop droeg, zich ongemerkt van zijne zijde verwijderen en bij eenige herders vervoegen kon, die op een naburig veld hunne schapen weidden. Hij wilde wat melk van hen vragen, waarop hij ontzettend belust was.Nog was Sancho bij de herders, toen Don Quichot toevallig opkeek en eene kar in het oog kreeg, die, met vele bonte vaantjes en wimpels versierd, regelrecht op hem toekwam. Daar hij terstond een nieuw avontuur vermoedde, riep hij met luider stemme aan Sancho om zijn helm.De schildknaap vernam het dringend roepen van zijn heer juist op het oogenblik, toen hij van de herders een paar vette, weekekaasjes had gekocht. Inderhaast wist hij niet, waar hij die bergen zou, en daar hij ze reeds betaald had, wilde hij ze toch liefst niet in den steek laten. In deze verlegenheid viel zijn oog op den helm, die hem op eens op een gelukkigen inval bracht. Hij stopte de kaasjes in zijns meesters ijzeren hoofddeksel en kwam nu haastig aandraven, om te vernemen, wat Don Quichot van hem verlangde.“Geef mij mijn helm, Sancho!”riep de dolende ridder vol ongeduld. “Mijn helm hier! Haast u, want nu staat ons een avontuur te wachten, waarvan het late nageslacht nog gewagen zal.”Driftig rukte hij Sancho, die nog geen tijd gehad had, om zijne kaasjes in veiligheid te brengen, den helm uit de hand en drukte dien, zonder te bemerken, dat er iets in was, stevig op zijn hoofd. Daar nu de kaas nog versch was en door de zwaarte van den ijzeren helm niet weinig geperst werd, zoo begon natuurlijk de vettige melkpap al spoedig over Don Quichots haar, gezicht en baard neer te druppelen en ’t hem niet weinig lastig te maken.“Sancho,” riep hij ontsteld, “Sancho, wat is dat hier? ’t Is, alsof mij de hersenen gaan smelten, of ’t mij schemerachtig voor de oogen wordt, of ’t gulle zweet mij van alle kanten uitbreekt. Geef mij wat, om mij af te drogen, want die bijtende zweetdroppels zullen mij anders stekeblind maken.”Zonder een woord te zeggen, reikte Sancho den ridder een vuilen, vettigen doek toe en was in zijn hart maar blij, dat Don Quichot in zijn ongeduld den eigenlijken aard van dat lastig zweet niet nader onderzocht.De ridder merkte intusschen toch onraad en nam, na zich zoo wat afgeveegd te hebben, den helm af, om zijn zweetenden schedel eens te betasten. En toen hij nu aan zijne vingers dat witte kaasdeeg zag en daaraan rook, begreep hij ’t gansche geval en maakte zich. ontzettend driftig.“Schandelijke, verraderlijke, laaghartige en arglistige knaap,” barstte hij los, “’t is kaas, wat gij daarin gestopt hebt! Kaas, bij het leven en de schoonheid mijner hooge dame Dulcinea van Toboso!”Ofschoon Sancho Panza eerst geducht schrikte, herstelde hij zich toch spoedig en kreeg zijne gewone onbeschaamdheid terug.“Ei, als ’t werkelijk kaas is, edele heer,” sprak hij, “geef die mij dan, want op kaas ben ik dol. Schoon neen, de duivel mag haar eten, want die alleen kan ze daarin getooverd hebben. Gij zult toch niet gelooven, edele ridder, dat ik ooit de stoutheid zou hebben, uw helm te verontreinigen? De hemel moge mij voor zulke heiligschennis behoeden! Misschien vervolgt mij en u een snoode toovenaar, die de kaas er alleen indeed om u te vertoornen en mij daardoor een dracht slagen te bezorgen. Maar ik ben zeker, dat hem ditmaal zijne list niet gelukken zal, want mijn edele heer is veel te verstandig, om niet in te zien, dat ik de kaas, als ik die namelijk gehad had, honderdmaal liever in mijn maag dan in uw helm zou hebben geborgen.”“Dat komt mij wel waarschijnlijk voor,” zeide Don Quichot, nu weer ten volle tevredengesteld.Zonder zich aan het verwonderd gezicht te storen van den heer die hem gezelschap hield, reinigde hij zich ten volle van de vettige brij, zette toen zijn helm weer op, stond overeind in de beugels, keek naar zijn zwaard, velde de lans en riep vol kamplust en moed: “Kome nu, wie wil! Hier sta ik en voel de kracht in mij, om het zelfs tegen den baarlijken duivel op te nemen.”Onderwijl naderde de met vaantjes versierde kar, en het bleek nu, dat daar niemand bij was dan de voerman met zijne muilezels en een man, die op het voorste bankje zat. Don Quichot plaatste zich toen midden in den weg en vroeg:“Wie zijt gij, menschen? Waar gaat gij heen? Wat voor een wagen is dat? Wat hebt gij daarin? En wat moeten die vlaggetjes daar beduiden?”“Heer,” antwoordde de voerman, “die kar is mijn eigendom, en er zijn twee geweldige leeuwen in, die de stadhouder van Oran aan zijne majesteit den koning ten geschenke zendt. Die vaantjes beduiden alleen, dat de inhoud der kar ’s konings eigendom is.”“Zijn de leeuwen groot en sterk?”vroegDon Quichot.“Zeker, edele heer!” antwoordde de man. “Ze zijn grooter en sterker dan er ooit nog uit Afrika naar Spanje zijn gekomen. Ik heb al veel leeuwen gezien, maar huns gelijken nog niet. Hier inhet voorste hok zit de leeuw en in dat andere de leeuwin. Ze zijn nu ontzettend hongerig, daar ze vandaag nog geen voêr hebben gehad, en ik verzoek dus, dat de heeren uit den weg gaan en ons doorlaten, zoodat wij spoedig naar eene plaats komen, waar vleesch is te krijgen.”“Ik voor zoo’n paar ellendige leeuwen uit den weg gaan?” vroeg Don Quichot met minachting. “Zie mij aan, of ik de man daarnaar ben! Gauw afgestapt, goede man, en de hokken geopend, zoodat de beestjes naar buiten kunnen komen! Hier midden op het open veld wil ik met hen vechten en hun toonen, wie Don Quichot van La Mancha, de Ridder van de Droevige Figuur, is. Kom af, zeg ik, en voor den dag met de twee, in spijt van al de toovenaars, die ze mij zeker in den weg hebben gezonden.”De vreemde heer zag Don Quichot met groote oogen aan en meende zeker, dat het hem eensklaps in het hoofd was geslagen. In zijn bitteren angst en benauwdheid wendde Sancho Panza zich tot hem en smeekte hem in roerende bewoordingen althans eene poging te doen, om den ridder van zijne roekelooze onderneming terug te houden.“Ik bid u in Gods naam,” smeekte hij, “maak toch, dat mijn meester zich niet met dat wilde gedierte inlaat, dat ons zeker in stukken zal scheuren.”“Maar wil uw heer dan wezenlijk die dieren bevechten?” vroeg de vreemde. “Is hij dan geheel razend en dol?”“Dol en razend niet, maar zoo moedig, dat er geen houden aan is,” verzekerde Sancho.“Nu, dan wil ik mijn best doen, om ongelukken voor te komen,” zeide de vreemde en keerde zich tot Don Quichot, die den leeuwenhoeder nog altijd drong de hokken te openen en de dieren vrij te laten.“Heer dolend ridder,” sprak hij tot Don Quichot, “voor zoover mij bekend is, moeten alle helden slechts zulke avonturen bestaan, die hun kans laten op levensbehoud. Door zich met andere dingen in te laten verraden zij meer dwaasheid dan kracht en verdienen geen lof, maar berisping. Laat dus, bid ik u, deze leeuwenmet rust; zij komen aan zijne majesteit den koning toe en worden niet ongestraft aangeroerd.”“Mijn beste heer,” antwoordde Don Quichot, “bemoei gij u met uwe hazen en patrijzen en laat mij mijn werk doen, gelijk dat mij goeddunkt. De kamp met deze leeuwen behoort daartoe, en ik verzoek u, dat gij u daar niet verder mee bemoeit.”De heer zweeg, daar hij begreep, dat zijn spreken toch niet baatte, terwijl Don Quichot zich opnieuw tot den leeuwenhoeder wendde en sprak:“Gij schandelijke en plichtvergeten dienaar! als gij niet op staanden voet gehoorzaamt, zweer ik, dat ik u met deze lans aan uw hok vast zal nagelen.”Nu de man zag, dat het den geharnasten ridder ernst was, durfde hij zich niet langer verzetten en zeide: “Ieder hier tegenwoordig kan getuigen, dat ik alleen door geweld ben gedwongen geworden de kooi der leeuwen te openen en het eigendom des konings op het spel te zetten. Alle schade en alle onheil, dat daaruit ontstaan kan, gaat mij niet aan, maar alles moet naar billijkheid en recht op rekening van dezen ridder komen. Maakt plaats, mijne heeren, bergt u, voordat ik de grendels openschuif.”“Heer,” keerde de voerman zich thans tot Don Quichot, “vergun althans, dat ik mijne muilezels afspan en in veiligheid breng. Als de leeuwen mijne dieren ombrengen, ben ik voor altijd mijne kostwinning kwijt.”“Gij zijt een dom mensch,” riep de ridder verstoord. “Denkt gij, dat ik aan de leeuwen tijd zal laten, om uwe dieren aan te vallen? Mijnentwege doe echter, wat gij wilt; maar gij zult zien, dat gij nutteloos werk gedaan hebt.”Niettegenstaande deze verzekering spande de man in aller ijl zijn trekvee af, en gedurende dien tijd trachtte de vreemde heer den ridder nogmaals tot andere gedachten te brengen. Deze bleef echter onverzettelijk bij zijn opzet volharden.“Wilt gij niet getuige zijn van den kamp, dien ik hier op het open veld beginnenzal, spoor dan uw schimmel aan en maak u uit de voeten,” zeide hij.Thans deed ook nog Sancho Panza een goed woord en smeekte met tranen in de oogen zijn meester, toch van zijn voornemen af te zien.“Dit avontuur is zoo vreeselijk,” zei hij, “dat al, wat wij reeds beleefd hebben, er maar kinderspel bij was. Hier is geen tooverij of hekserij in ’t spel, maar alles is wis en wezenlijk ernst. Ik heb tusschen de ijzeren tralies door in ’t hok gekeken en daar de klauwen van den leeuw gezien, die ontzettend lang en breed zijn. ’t Is een dier, zoo groot als een berg, heer.”“Uwe benauwdheid zal het nog grooter maken dan de halve wereld,” zei Don Quichot. “Maak maar, dat ge weg komt, Sancho! Mocht ik bij den zwaren strijd, die mij te wachten staat, het leven laten, spoed u dan naar mijne gebiedster Dulcinea van Toboso en maak haar bekend met mijn dood.”Na deze woorden begrepen allen, dat met Don Quichot niets meer was aan te vangen en dat men hem stil zijn gang moest laten gaan. Zoo dreef dan de voerman zijne muilezels op zij, bracht de vreemde heer zijn schimmel in veiligheid en zorgde Sancho Panza, dat hij met zijn grauwtje op eerbiedigen afstand kwam. En toen gebood de ridder op dreigenden toon, dat men de hokken zou openen.Ziende, dat alle menschen en dieren buiten gevaar waren, bracht de leeuwenhoeder Don Quichot nogmaals onder het oog, welk eene roekelooze onderneming hij voorhad, en waarschuwde hem ernstig zich toch niet zoo moedwillig in gevaar te begeven. Don Quichot luisterde daar echter niet naar. Terwijl de man talmde en nog steeds tijd zocht te winnen, overlegde hij, of het niet beter zou zijn, den kamp te voet, in plaats van te paard te beginnen, en besloot eindelijk tot het eerste, omdat hij vreesde, dat Rocinante bij het zien van het vreeselijk roofdier schuw en wild zou worden. Hij sprong dus van het paard, wierp zijne lans op den grond, dekte zijne borst met het schild, trad met ontbloot zwaard voor de deur van het hok en beval zijne ziel Dulcinea van Toboso aan.Toen de leeuwenhoeder nu zag, dat Don Quichot ten volle bedaard en beraden was, en dat hij hem dus wel zijn zin diendete geven, rukte hij de deur van het eerste hok, waarin de leeuw zat, wagenwijd open. De leeuw, werkelijk een dier van buitengewone grootte en schrikinboezemende gestalte, keerde zich om in zijn kooi, schoof zijn voorpooten vooruit en rekte zich. Daarop ontsloot hij zijn ontzettenden muil, spalkte dien wijd open en gaapte zeer majestueus. Vervolgens stak hij de bloedroode tong uit, likte zich de oogen, trad met langzamen tred vooruit, stak zijn geweldigen kop buiten het hok, liet zijne gloeiende oogen naar alle zijden rondrollen en nam eene houding aan, die iedereen met ontzetting zou vervuld hebben. Don Quichot week echter niet terug, maar nam het vreeselijk dier kalm en bedaard op en wenschte zelfs, dat het dadelijk van den wagen springen en den kamp met hem beginnen mocht.Na echter het landschap en zijn uitdager eene poos bedaard te hebben aangekeken, schudde de leeuw langzaam zijn kop en—draaide zich om, Don Quichot den rug toekeerend. Met de grootste onverschilligheid strekte hij zich vervolgens op de planken uit en scheen zich om niets ter wereld meer te bekommeren.“Jaag hem op!” riep Don Quichot den leeuwenhoeder toe. “Stoot, sla, schop, terg en sar hem, tot hij uit zijn hok komt.”“Ja, ja, dat zal ik wel uit mijn hersens laten,” riep de man. “Als ik hem aanraakte, zou hij mij allereerst beetpakken, en dat is een ding, waarvoor ik hartelijk bedank. Vergenoeg u met wat gij gedaan hebt, heer ridder, en wees verzekerd, dat het meer is, dan één menschenkind u zou durven nadoen. Stel u niet voor de tweede maal bloot en bedenk, dat gij alles gedaan hebt, wat men van een held kan verlangen. De deur staat open, de leeuw is uitgedaagd, gij staat tot den kamp bereid. Wil uw vijand niet vechten, dan is aan hem de schande en oneer en aan u de zege en de roem.”“Dat is waar!” riep Don Quichot uit. “Sluit de deur weer toe, vriend, en geef mij de getuigenis, dat ik werkelijk alles gedaan heb, wat mij geoorloofd was. Gij hebt den leeuw de deur opengezet; ik heb hem opgewacht, maar hij is niet gekomen; eindelijk heb ik nog een poos gewacht, en hij is weer niet verschenen, maaris naar den versten hoek van zijn kooi gekropen en heeft zich daar lafhartig neergelegd. Meer is niet noodig, om mijne dapperheid in vollen glans te vertoonen, en gij moogt dus vrij de deur sluiten, terwijl ik onze gevluchte vrienden wil terugroepen, opdat zij uit uw mond het verhaal van mijne daden hooren.”De wachter sloot het hok weer toe, en Don Quichot bond den doek, waarmee hij de kaas van zijn gezicht had gewischt, aan zijne lans, om daarmee de anderen terug te roepen. Te gelijk verhief hij zijne stem en riep: “Sancho! Sancho!” dat het wijd over het veld klonk.Sancho Panza vernam dien roep, keerde zich om, zag het witte vaantje en zei: “Ik laat mij levend villen, als mijn heer de wilde beesten niet overwonnen heeft; want zie, hij wenkt ons en zijn vaan wappert in den wind.”Ook de anderen zagen het gegeven teeken, en hunne harten, die tot nog toe met angst vervuld waren geweest, werden gerust. Zij keerden naar de kar terug en waren zeer verlangend, de toedracht en den afloop van den gewaagden kamp te vernemen.“Span uwe muilezels weer voor,” riep Don Quichot den voerman toe; “span ze voor en vervolg ongehinderd uwe reis. En gij, Sancho, geef den leeuwenhoeder twee goudguldens tot vergoeding omdat hij zich zoo lang heeft opgehouden.”“Die goudguldens wil ik hem wel geven,” antwoordde de schildknaap; “doch zeg mij eerst, wat er van de leeuwen geworden is. Zijn ze al dood, of hebben ze er ’t leven afgebracht?”“Wend u tot dezen man,” sprak Don Quichot met trotschheid; “hij zal u berichten, hoe de zaak is afgeloopen.”Sancho talmde hier dan ook niet mee, en de leeuwenhoeder vertelde uitvoerig de geheele geschiedenis en kon niet genoeg roemen, hoe uitstekend dapper en heldhaftig de ridder zich in dit geval gedragen had. De leeuw scheen reeds bij zijne eerste verschijning door schrik aangetast en was, in plaats van den aangeboden kamp aan te nemen, lafhartig naar den versten hoek van zijn hok teruggeweken; en daar hij, de leeuwenhoeder, den dapperen Don Quichot nu gezegd had, dat het roekeloos zou zijn, den leeuw nog verderte tergen, had de ridder, hoewel ongaarne, hem eindelijk vrijheid gegeven de deur van het hok weer dicht te doen.“Wat zegt gij daarvan, Sancho?” vroeg Don Quichot vol fierheid. “Daar ziet gij nu uit, dat alle betooveringen tegen ware dapperheid en echten heldenmoed geen zier kunnen uitrichten.”Sancho haalde stilzwijgend de schouders op en stopte den leeuwenhoeder de twee goudguldens in de hand, waarna deze laatste beloofde de koenheid van Don Quichot overal te zullen uitbazuinen en zelfs te zorgen, dat die zijne majesteit den koning ter oore kwam.“Goed, dat moogt gij doen,” sprak Don Quichot; “en als de koning u naar mijn naam mocht vragen, kunt gij antwoorden, dat het de “leeuwenridder” is, die de stoute daad gewaagd heeft. Voortaan namelijk wil ik, een overoud heilig gebruik volgend, dezen bijnaam voeren en daarentegen dien van “Ridder van de Droevige Figuur” afleggen. Dat hebben vóór mij reeds vele dolende helden gedaan, en ik wil hun doorluchtig voorbeeld volgen.”De kar reed nu weg en Don Quichot vervolgde met zijn klein gezelschap den vroeger ingeslagen weg naar Saragossa.Het duurde nu niet lang, of zij kwamen eene beroemde grot, het zoogenaamde hol van Montesinos, voorbij, waarvan allerlei wonderbare dingen verteld worden, en de vreemde heer maakte daar Don Quichot opmerkzaam op. Terstond betoonde deze grooten lust het inwendige te bezien; doch de vreemde ried hem dit af, omdat men er niet anders in kon komen, dan door zich aan lange touwen in de diepte te laten neerzakken.“En al zou ik er voor in de hel komen, toch moet ik de grot bezien,” verklaarde Don Quichot en reed regelrecht op het naaste dorp aan, om daar te overnachten en zich van de vereischte touwen en strikken te voorzien. Hij kocht daarvan tot eene lengte van honderd vaam, en begaf zich den anderen dag met den vreemden heer en met Sancho Panza naar de gevaarlijke plaats.Na den middag te twee uren kwamen zij daar aan en vonden den toegang tot de grot vrij breed, ruim en slechts weinig door doornen en ander struikgewas bedekt en verdonkerd. Zij stegen af,en Don Quichot werd vast en stevig aan een touw gebonden, om zonder verwijl in de diepte te worden neergelaten.“Heer,” zeide Sancho Panza, terwijl zij daarmee bezig waren, “heer, bezin, eer gij begint, en bedenk nog eens goed, wat gij doet. Nog niemand heeft het eind van de spelonk bereikt, en niemand dwingt u zulk een gevaarvol stuk te ondernemen. Blijf stilletjes hier boven en neem goeden raad van mij aan.”“Houd den mond, Sancho, en bind maar de touwen vast,” antwoordde Don Quichot op deze welgemeende waarschuwing. “Juist zulk eene onderneming, die nog niemand gelukt is, past voor mij.”De schildknaap zweeg en liet verdrietig de lip hangen. Toen nu echter Don Quichot stevig was vastgebonden, knielde hij neder, riep de krachtdadige bescherming van zijne Dulcinea in en naderde toen den afgrond, waarin hij zich wilde laten neerzakken. Voordat hij aan den rand kwam, moest hij echter met zijn zwaard zich een weg door het struikgewas banen, dat voor den ingang der grot welig was opgeschoten. Het door het kraken en breken der takken veroorzaakte gerucht joeg eene ontzettende menigte raven, kraaien, uilen en vleermuizen op, die tot hiertoe in ongestoorde rust in de grot genesteld hadden, en zij stoven met zooveel geweld op Don Quichot los, dat die daardoor overhoop werd geworpen en zoo lang als hij was op den grond kwam te liggen.Ieder ander, dan onze onverschrokken ridder, zou deze omstandigheid als een noodlottig voorteeken hebben beschouwd; doch hem versterkte zij slechts in zijn heldhaftig voornemen. Toen al dat fladderend roofgedierte zich een uitweg had gebaand, sprong hij in den afgrond neer; de vreemde heer en Sancho Panza vierden langzaam de lijn, en Don Quichot verdween aldra in de donkere, gapende diepte.“De hemel behoede u, gij pronk en sieraad van de dolende ridderschap!” riep Sancho Panza hem na. “Daal neer, gij hoofd van ijzer, hart van staal en arm van metaal! Moogt gij behouden het daglicht weer aanschouwen, waarvan gij daar in den afgrond niet heel veel te zien zult krijgen.”Onderwijl schreeuwde Don Quichot voortdurend, dat zij nogmaar meer touw zouden vieren, tot in ’t eind het geluid zijner stem niet langer tot hen opstijgen kon. Ten laatste liep de lijn echter toch ten einde, en nu wachtten zij een half uur, voordat zij haar weder optrokken. Toen zij hiermee begonnen, scheen zij hun echter zoo licht en onbezwaard toe, dat zij vreezen moesten, dat Don Quichot zich had losgemaakt en in de diepte was achtergebleven, wat Sancho tranen met tuiten deed schreien en zich al zijn best reppen, om toch maar spoedig zeker te zijn van de zaak. Op eens echter, toen reeds tachtig vaam van de lijn was ingehaald, voelden zij een zwaren last en bemerkten al spoedig, dat Don Quichot tegen vermoeden toch nog aan het touw hing. Zij trokken en trokken met al hunne kracht, en vol blijdschap riep Sancho naar beneden:“Welkom, welkom, gestrenge heer! Wij waren al bang, dat wij uw edel aangezicht nooit meer aanschouwen zouden.”Don Quichot antwoordde niet op dezen vriendelijken toeroep, en toen zij hem eindelijk goed en wel boven hadden, zagen zij, dat zijne oogen gesloten waren en dat hij in vasten slaap lag. Zij legden hem op den grond, bevrijdden hem van zijne banden en hoopten, dat hij nu vanzelf wel weer wakker zou worden. Dit gebeurde echter niet, en zij moesten hem lang knijpen en schudden, rollen en omkeeren, voordat hij ten laatste weer tot bezinning kwam, de oogen opsloeg, zich rekte en strekte en in alles deed als iemand, die uit eene zwaren droom ontwaakt. Verschrikt keek hij rond en eene rilling liep hem over de leden, toen hij zich weder op de bovenwereld verplaatst en den blauwen hemel boven zijn hoofd zag.“O, mijne vrienden,” sprak hij op klagenden toon, “waarom hebt gij mij aan den zoetsten toestand ontrukt, waarin ik ooit in mijn leven heb mogen verkeeren? Een hemelsch aanminnig gezicht heb ik aanschouwd, en nu eerst zie ik in, dat alle genietingen van dit ondermaansche slechts nesterijen en kinderspel zijn, dat zij verdwijnen als een schaduw, en verwelken gelijk de bloemen des velds.”“Maar, sakkerloot, heer, wat hebt gij dan daar wel in die hel te zien gekregen?” vroeg Sancho.“Eene hel noemt gij dat?” riep Don Quichot. “O, noem het niet zoo; ’t is de schoonste plaats, die op aarde te vinden is. Luister toe, wat ik zal vertellen.”“Ja, naderhand met alle genoegen,” antwoordde Sancho Panza; “maar nu blaf ik van honger en moet eerst mijne arme maag wat tevredenstellen.”Don Quichot zeide hier niets tegen en begon, nadat hij zichzelf ook door een hartig maal gesterkt had, het verhaal van zijne avonturen in de onderaardsche grot.“Ongeveer twaalf vaam diep in de kloof opent zich rechts een gewelf, als eene hal, waar wel eene groote koets met zes paarden zou kunnen keeren. Door eenige spleten, die tot de oppervlakte der aarde reiken, dringt daar een flauw en schemerachtig licht in door.“Dit gewelf ontdekte ik, toen ik het hangen en bongelen aan de lijn al moe was, waarom ik besloot er binnen te treden en er eene korte poos te rusten. Ik riep u toe, dat gij met het vieren van het touw moest ophouden; maar daar gij mij niet scheent te verstaan, rolde ik het touw, al naarmate dat mij nakwam, tot een tros op en ging toen daarop zitten, om mij in gepeins te verdiepen. Ik overlegde, hoe ik het aanvangen moest, om de diepte van den afgrond te bereiken, daar ik nu niemand meer had, die mij neerlaten kon, en onder dat denken overviel mij op eens de diepste slaap. Het duurde evenwel niet lang, of ik ontwaakte weer en bevond mij op eene groote weide, schooner en liefelijker, dan ik ooit nog met mijne oogen had aanschouwd. Ik dacht te droomen en betastte hoofd, borst en handen, om mij van mijn wakenden toestand ten volle te overtuigen. Uit alle teekens maakte ik op, dat werkelijk de slaap van mij geweken was, en dat geen droom, geen phantasie, geen drogbeeld van het verhitte bloed mij misleidde.“Nadat ik mij ten volle van mijn waken overtuigd had, keek ik rond en viel mij een prachtig koninklijk paleis in het oog, welks dak en wanden uit glinsterende kristallen schenen te bestaan. De vleugeldeuren vlogen open, en nu trad een eerwaardig, met een lang slepend gewaad bekleed grijsaard te voorschijn. Hij kwamop mij toe, groette mij heel vriendelijk, sprak mij aan en vroeg, of hij mij de wonderen van het betooverde paleis mocht vertoonen. Ik boog mij dankbaar ten teeken van toestemming en volgde hem in het slot. Door wijde portalen gingen wij, door lange gangen en onmetelijk groote zalen. Overal, waar wij kwamen, stonden prachtige monumenten uit goud en diamanten, en op ieder prijkte een kristallen standbeeld van meer dan levensgrootte. Het waren de grafsteden der overleden dolende ridders, die zich door deugd en dapperheid beroemd gemaakt hebben, en de standbeelden stelden hen voor, gelijk zij er bij hun leven hadden uitgezien. Daar zag ik Amadis van Gallië, en Roland, en Durandarte, den spiegel der ridderschap, en nog vele, vele anderen, welker namen ik niet weet op te noemen. Toen ik mij met het aanzien dezer helden lang genoeg verkwikt had, bracht de grijsaard mij in een heerlijken lusthof, waaruit mij de geur der kostelijkste bloemen en gewassen tegensloeg en die met allerlei kunstwerken, beelden, grotten en fonteinen koninklijk versierd was. En hier zag ik iets, dat mijn geheele ziel in zoete verrukking bracht, namelijk ik zag mijne doorluchtige gebiedster, de aanminnige jonkvrouwe Dulcinea van Toboso. In een eenvoudig gewaad, als herderin gekleed en begeleid door twee gesluierde hofdames, verlustigde zij zich in de lanen van den betooverenden lusthof, lachte en schertste en deed nu en dan sprongen, die mij door hunne hoogte verbaasd deden staan.“De grijsaard sprak mij aan en zeide: “Zie, in zulke nederige en armoedige gedaante wandelt uwe schoone thans op aarde rond. Maar wees getroost! Een booze toovenaar heeft haar slechts voor korten tijd veranderd, en eens zult gij haar in de volle glorie harer verheven schoonheid aanschouwen. Opdat gij zien moogt, wat glans haar dan omstralen zal, wil ik u hare beeltenis toonen, gelijk die hare natuurlijke gedaante volkomen waar en getrouw teruggeeft.”“Hij wenkte met den vinger, en oogenblikkelijk verdween het omhulsel der herderin, en Dulcinea zelve stond van aanminnigheid stralende voor mij. Hare schoonheid overweldigde mij dusdanig, dat ik een luiden kreet van verrukking uitstiet en daarop onmachtig neerstortte.“Wat verder met mij gebeurde, weet ik niet. Ik kwam eerst weer tot bezinning, toen gij mij met geweld aan mijne zoete droomen ontruktet.”“Neen, dat is te wonderbaarlijk, om waar te kunnen wezen!” riep Sancho Panza uit. “Gij moet noodzakelijk gedroomd hebben, of een of ander booze toovenaar heeft u dolle kluchten vertoond om uwe ziel te verstrikken en u naar den afgrond des verderfs te lokken.”“Spreek niet zoo, Sancho,” zeide Don Quichot. “Alles, wat ik gezien heb, heb ik met gezonde, wakende zinnen gezien. De tijd zal nog eens openbaar maken, dat ik geen tittel of jota bezijden de waarheid sprak.”Onderwijl bestegen zij hunne dieren weder, keerden de wondergrot den rug toe en gingen hun nachtverblijf zoeken in eene herberg, waar dienzelfden avond eene poppencomedie zou worden vertoond. De directeur van het spel, een reizend genie, bood Don Quichot en zijn twee geleiders plaatsen aan, kreeg zijn geld daarvoor, en liet hierop het gordijn naar boven gaan.Don Quichot staarde met verwondering op de poppen, die, door onzichtbare draden bestuurd, zich op de natuurlijkste wijze bewogen.Met gespannen aandacht volgde hij den loop der voorstelling, die hoofdzakelijk in een gevecht tusschen Christenen en Mooren bestond. De Christenen werden verslagen en de Mooren vervolgden hunne vluchtende vijanden tot onder de torens van eene versterkte stad.Toen Don Quichot zag, dat de Heidenen hier nog eens een aanval op de arme Christenen deden, steeg het bloed hem naar her hoofd en oordeelde hij het niet meer dan billijk, dat hij de zwakkere partij te hulp kwam.“Houdt op! Houdt op!” riep hij, driftig opspringend, het Heidensche poppenvolk toe. “Vervolgt mijne geloofsbroeders niet langer, of gij krijgt het met mij te doen.”Onder deze haastig uitgestooten woorden trok hij zijn zwaard, was met een wip op het kleine tooneel en begon met ongehoorde woede op de onschuldige poppen in te houwen. Sommige traptehij als een pannekoek plat, andere sloeg hij den kop af, nog andere verminkte hij op deerlijke manier, kortom, hij zou een gruwelijk bloedbad hebben aangericht, indien de poppen, in plaats van leder en werk, van vleesch en bloed waren geweest.Bij het zien van deze verwoesting schoot de ontstelde tooneeldirecteur toe, viel den verbolgen ridder te voet en smeekte hem met tranen in de oogen, zijne arme levenlooze schepsels toch te sparen. Don Quichot evenwel luisterde daar niet naar, en zou den armen poppenman zelven het hoofd hebben afgeslagen, indien deze zich niet met alle snelheid uit de voeten had gemaakt.De slagen des ridders vielen als hagelsteenen bij eene donderbui.In minder dan een kwartier tijds had hij het gansche tooneel tot splinters geslagen, al de toeschouwers, die hem voor razend en dol hielden, op de vlucht gejaagd, en zelfs Sancho Panza tot de stomme bekentenis genoodzaakt, dat zijn meester wel al veel gekke dingen had vertoond, maar nooit nog zoo’n gek stuk, als nu dit hier.Eerst toen het Heidensche leger de volle neerlaag had geleden, kwam Don Quichot eenigszins tot bedaren, leunde hijgend op zijn zwaard en zei: “Nu mocht ik nog wel eens iemand hooren zeggen, dat een dolend ridder een onnut ding in de wereld is! Was ik hier niet gekomen, dan was een gansch Christenleger vernietigd geweest, terwijl nu de snoode Heidenen tot den laatsten man toe verslagen liggen. En daarom zeg ik: eere, lof, roem en glorie der dolende ridderschap!”“Ja, ja, dat is goed en wel,” riep de poppenman, die zich nu ook weer kwam vertoonen: “maar in allen gevalle moet gij mij de schade betalen, die gij mij moedwillig hebt toegevoegd.”“Wat dan betalen?” vroeg Don Quichot verwonderd. “Wat heb ik u dan bedorven?”“Hoe! dat weet gij niet?” vroeg meester Pedro, de eigenaar van het poppenspel. “Ziet gij dan niet het armzalig overschot van mijne poppen, die gij met uw zwaard in gruizels en splinters hebt geslagen?”“Poppen?” vroeg Don Quichot. “Poppen heb ik vernield? Ja, waarlijk, het zijn poppen, en geen menschen van vleesch en bloed. Daar ziet men weer, hoe ik door die snoode toovenaarsvervolgd word! Zij verblindden mijn oog, zoodat ik de poppen voor levende menschen moest aanzien, en dat ik alles, wat gespeeld werd, voor echte werkelijkheid hield. Maar wat te doen? Daar ik nu eens uit dwaling zoo groote schade aangericht heb, is het ook mijn plicht, die ten volle te vergoeden, en ik zal dus mijzelf tot alle kosten veroordeelen. Overleg, meester Pedro, welke som u als schadeloosstelling toekomt, en laat u die door mijn schildknaap Sancho Panza uitbetalen.”Meester Pedro boog dankend voor den grootmoedigen ridder, die nu niet weinig beschaamd zijn slaapkamer opzocht. Sancho Panza echter moest de beurs trekken en voor de dwaasheden van zijn heer eene aanzienlijke som betalen.
Den grooten weg volgende, haalde Don Quichot een goed gekleed, oudachtig heer in, met wien hij zich, daar hij in alles, wat niet met die dwaasheid van het dolend ridderschap in verband stond, een hoogst beschaafd en verstandig man was, op recht aangename wijze wist te onderhouden. Hij geraakte zóo met hem in ’t gesprek verdiept, dat Sancho Panza, die den helm zijns meesters aan zijn zadelknop droeg, zich ongemerkt van zijne zijde verwijderen en bij eenige herders vervoegen kon, die op een naburig veld hunne schapen weidden. Hij wilde wat melk van hen vragen, waarop hij ontzettend belust was.
Nog was Sancho bij de herders, toen Don Quichot toevallig opkeek en eene kar in het oog kreeg, die, met vele bonte vaantjes en wimpels versierd, regelrecht op hem toekwam. Daar hij terstond een nieuw avontuur vermoedde, riep hij met luider stemme aan Sancho om zijn helm.
De schildknaap vernam het dringend roepen van zijn heer juist op het oogenblik, toen hij van de herders een paar vette, weekekaasjes had gekocht. Inderhaast wist hij niet, waar hij die bergen zou, en daar hij ze reeds betaald had, wilde hij ze toch liefst niet in den steek laten. In deze verlegenheid viel zijn oog op den helm, die hem op eens op een gelukkigen inval bracht. Hij stopte de kaasjes in zijns meesters ijzeren hoofddeksel en kwam nu haastig aandraven, om te vernemen, wat Don Quichot van hem verlangde.
“Geef mij mijn helm, Sancho!”riep de dolende ridder vol ongeduld. “Mijn helm hier! Haast u, want nu staat ons een avontuur te wachten, waarvan het late nageslacht nog gewagen zal.”
Driftig rukte hij Sancho, die nog geen tijd gehad had, om zijne kaasjes in veiligheid te brengen, den helm uit de hand en drukte dien, zonder te bemerken, dat er iets in was, stevig op zijn hoofd. Daar nu de kaas nog versch was en door de zwaarte van den ijzeren helm niet weinig geperst werd, zoo begon natuurlijk de vettige melkpap al spoedig over Don Quichots haar, gezicht en baard neer te druppelen en ’t hem niet weinig lastig te maken.
“Sancho,” riep hij ontsteld, “Sancho, wat is dat hier? ’t Is, alsof mij de hersenen gaan smelten, of ’t mij schemerachtig voor de oogen wordt, of ’t gulle zweet mij van alle kanten uitbreekt. Geef mij wat, om mij af te drogen, want die bijtende zweetdroppels zullen mij anders stekeblind maken.”
Zonder een woord te zeggen, reikte Sancho den ridder een vuilen, vettigen doek toe en was in zijn hart maar blij, dat Don Quichot in zijn ongeduld den eigenlijken aard van dat lastig zweet niet nader onderzocht.
De ridder merkte intusschen toch onraad en nam, na zich zoo wat afgeveegd te hebben, den helm af, om zijn zweetenden schedel eens te betasten. En toen hij nu aan zijne vingers dat witte kaasdeeg zag en daaraan rook, begreep hij ’t gansche geval en maakte zich. ontzettend driftig.
“Schandelijke, verraderlijke, laaghartige en arglistige knaap,” barstte hij los, “’t is kaas, wat gij daarin gestopt hebt! Kaas, bij het leven en de schoonheid mijner hooge dame Dulcinea van Toboso!”
Ofschoon Sancho Panza eerst geducht schrikte, herstelde hij zich toch spoedig en kreeg zijne gewone onbeschaamdheid terug.
“Ei, als ’t werkelijk kaas is, edele heer,” sprak hij, “geef die mij dan, want op kaas ben ik dol. Schoon neen, de duivel mag haar eten, want die alleen kan ze daarin getooverd hebben. Gij zult toch niet gelooven, edele ridder, dat ik ooit de stoutheid zou hebben, uw helm te verontreinigen? De hemel moge mij voor zulke heiligschennis behoeden! Misschien vervolgt mij en u een snoode toovenaar, die de kaas er alleen indeed om u te vertoornen en mij daardoor een dracht slagen te bezorgen. Maar ik ben zeker, dat hem ditmaal zijne list niet gelukken zal, want mijn edele heer is veel te verstandig, om niet in te zien, dat ik de kaas, als ik die namelijk gehad had, honderdmaal liever in mijn maag dan in uw helm zou hebben geborgen.”
“Dat komt mij wel waarschijnlijk voor,” zeide Don Quichot, nu weer ten volle tevredengesteld.
Zonder zich aan het verwonderd gezicht te storen van den heer die hem gezelschap hield, reinigde hij zich ten volle van de vettige brij, zette toen zijn helm weer op, stond overeind in de beugels, keek naar zijn zwaard, velde de lans en riep vol kamplust en moed: “Kome nu, wie wil! Hier sta ik en voel de kracht in mij, om het zelfs tegen den baarlijken duivel op te nemen.”
Onderwijl naderde de met vaantjes versierde kar, en het bleek nu, dat daar niemand bij was dan de voerman met zijne muilezels en een man, die op het voorste bankje zat. Don Quichot plaatste zich toen midden in den weg en vroeg:
“Wie zijt gij, menschen? Waar gaat gij heen? Wat voor een wagen is dat? Wat hebt gij daarin? En wat moeten die vlaggetjes daar beduiden?”
“Heer,” antwoordde de voerman, “die kar is mijn eigendom, en er zijn twee geweldige leeuwen in, die de stadhouder van Oran aan zijne majesteit den koning ten geschenke zendt. Die vaantjes beduiden alleen, dat de inhoud der kar ’s konings eigendom is.”
“Zijn de leeuwen groot en sterk?”vroegDon Quichot.
“Zeker, edele heer!” antwoordde de man. “Ze zijn grooter en sterker dan er ooit nog uit Afrika naar Spanje zijn gekomen. Ik heb al veel leeuwen gezien, maar huns gelijken nog niet. Hier inhet voorste hok zit de leeuw en in dat andere de leeuwin. Ze zijn nu ontzettend hongerig, daar ze vandaag nog geen voêr hebben gehad, en ik verzoek dus, dat de heeren uit den weg gaan en ons doorlaten, zoodat wij spoedig naar eene plaats komen, waar vleesch is te krijgen.”
“Ik voor zoo’n paar ellendige leeuwen uit den weg gaan?” vroeg Don Quichot met minachting. “Zie mij aan, of ik de man daarnaar ben! Gauw afgestapt, goede man, en de hokken geopend, zoodat de beestjes naar buiten kunnen komen! Hier midden op het open veld wil ik met hen vechten en hun toonen, wie Don Quichot van La Mancha, de Ridder van de Droevige Figuur, is. Kom af, zeg ik, en voor den dag met de twee, in spijt van al de toovenaars, die ze mij zeker in den weg hebben gezonden.”
De vreemde heer zag Don Quichot met groote oogen aan en meende zeker, dat het hem eensklaps in het hoofd was geslagen. In zijn bitteren angst en benauwdheid wendde Sancho Panza zich tot hem en smeekte hem in roerende bewoordingen althans eene poging te doen, om den ridder van zijne roekelooze onderneming terug te houden.
“Ik bid u in Gods naam,” smeekte hij, “maak toch, dat mijn meester zich niet met dat wilde gedierte inlaat, dat ons zeker in stukken zal scheuren.”
“Maar wil uw heer dan wezenlijk die dieren bevechten?” vroeg de vreemde. “Is hij dan geheel razend en dol?”
“Dol en razend niet, maar zoo moedig, dat er geen houden aan is,” verzekerde Sancho.
“Nu, dan wil ik mijn best doen, om ongelukken voor te komen,” zeide de vreemde en keerde zich tot Don Quichot, die den leeuwenhoeder nog altijd drong de hokken te openen en de dieren vrij te laten.
“Heer dolend ridder,” sprak hij tot Don Quichot, “voor zoover mij bekend is, moeten alle helden slechts zulke avonturen bestaan, die hun kans laten op levensbehoud. Door zich met andere dingen in te laten verraden zij meer dwaasheid dan kracht en verdienen geen lof, maar berisping. Laat dus, bid ik u, deze leeuwenmet rust; zij komen aan zijne majesteit den koning toe en worden niet ongestraft aangeroerd.”
“Mijn beste heer,” antwoordde Don Quichot, “bemoei gij u met uwe hazen en patrijzen en laat mij mijn werk doen, gelijk dat mij goeddunkt. De kamp met deze leeuwen behoort daartoe, en ik verzoek u, dat gij u daar niet verder mee bemoeit.”
De heer zweeg, daar hij begreep, dat zijn spreken toch niet baatte, terwijl Don Quichot zich opnieuw tot den leeuwenhoeder wendde en sprak:
“Gij schandelijke en plichtvergeten dienaar! als gij niet op staanden voet gehoorzaamt, zweer ik, dat ik u met deze lans aan uw hok vast zal nagelen.”
Nu de man zag, dat het den geharnasten ridder ernst was, durfde hij zich niet langer verzetten en zeide: “Ieder hier tegenwoordig kan getuigen, dat ik alleen door geweld ben gedwongen geworden de kooi der leeuwen te openen en het eigendom des konings op het spel te zetten. Alle schade en alle onheil, dat daaruit ontstaan kan, gaat mij niet aan, maar alles moet naar billijkheid en recht op rekening van dezen ridder komen. Maakt plaats, mijne heeren, bergt u, voordat ik de grendels openschuif.”
“Heer,” keerde de voerman zich thans tot Don Quichot, “vergun althans, dat ik mijne muilezels afspan en in veiligheid breng. Als de leeuwen mijne dieren ombrengen, ben ik voor altijd mijne kostwinning kwijt.”
“Gij zijt een dom mensch,” riep de ridder verstoord. “Denkt gij, dat ik aan de leeuwen tijd zal laten, om uwe dieren aan te vallen? Mijnentwege doe echter, wat gij wilt; maar gij zult zien, dat gij nutteloos werk gedaan hebt.”
Niettegenstaande deze verzekering spande de man in aller ijl zijn trekvee af, en gedurende dien tijd trachtte de vreemde heer den ridder nogmaals tot andere gedachten te brengen. Deze bleef echter onverzettelijk bij zijn opzet volharden.
“Wilt gij niet getuige zijn van den kamp, dien ik hier op het open veld beginnenzal, spoor dan uw schimmel aan en maak u uit de voeten,” zeide hij.
Thans deed ook nog Sancho Panza een goed woord en smeekte met tranen in de oogen zijn meester, toch van zijn voornemen af te zien.
“Dit avontuur is zoo vreeselijk,” zei hij, “dat al, wat wij reeds beleefd hebben, er maar kinderspel bij was. Hier is geen tooverij of hekserij in ’t spel, maar alles is wis en wezenlijk ernst. Ik heb tusschen de ijzeren tralies door in ’t hok gekeken en daar de klauwen van den leeuw gezien, die ontzettend lang en breed zijn. ’t Is een dier, zoo groot als een berg, heer.”
“Uwe benauwdheid zal het nog grooter maken dan de halve wereld,” zei Don Quichot. “Maak maar, dat ge weg komt, Sancho! Mocht ik bij den zwaren strijd, die mij te wachten staat, het leven laten, spoed u dan naar mijne gebiedster Dulcinea van Toboso en maak haar bekend met mijn dood.”
Na deze woorden begrepen allen, dat met Don Quichot niets meer was aan te vangen en dat men hem stil zijn gang moest laten gaan. Zoo dreef dan de voerman zijne muilezels op zij, bracht de vreemde heer zijn schimmel in veiligheid en zorgde Sancho Panza, dat hij met zijn grauwtje op eerbiedigen afstand kwam. En toen gebood de ridder op dreigenden toon, dat men de hokken zou openen.
Ziende, dat alle menschen en dieren buiten gevaar waren, bracht de leeuwenhoeder Don Quichot nogmaals onder het oog, welk eene roekelooze onderneming hij voorhad, en waarschuwde hem ernstig zich toch niet zoo moedwillig in gevaar te begeven. Don Quichot luisterde daar echter niet naar. Terwijl de man talmde en nog steeds tijd zocht te winnen, overlegde hij, of het niet beter zou zijn, den kamp te voet, in plaats van te paard te beginnen, en besloot eindelijk tot het eerste, omdat hij vreesde, dat Rocinante bij het zien van het vreeselijk roofdier schuw en wild zou worden. Hij sprong dus van het paard, wierp zijne lans op den grond, dekte zijne borst met het schild, trad met ontbloot zwaard voor de deur van het hok en beval zijne ziel Dulcinea van Toboso aan.
Toen de leeuwenhoeder nu zag, dat Don Quichot ten volle bedaard en beraden was, en dat hij hem dus wel zijn zin diendete geven, rukte hij de deur van het eerste hok, waarin de leeuw zat, wagenwijd open. De leeuw, werkelijk een dier van buitengewone grootte en schrikinboezemende gestalte, keerde zich om in zijn kooi, schoof zijn voorpooten vooruit en rekte zich. Daarop ontsloot hij zijn ontzettenden muil, spalkte dien wijd open en gaapte zeer majestueus. Vervolgens stak hij de bloedroode tong uit, likte zich de oogen, trad met langzamen tred vooruit, stak zijn geweldigen kop buiten het hok, liet zijne gloeiende oogen naar alle zijden rondrollen en nam eene houding aan, die iedereen met ontzetting zou vervuld hebben. Don Quichot week echter niet terug, maar nam het vreeselijk dier kalm en bedaard op en wenschte zelfs, dat het dadelijk van den wagen springen en den kamp met hem beginnen mocht.
Na echter het landschap en zijn uitdager eene poos bedaard te hebben aangekeken, schudde de leeuw langzaam zijn kop en—draaide zich om, Don Quichot den rug toekeerend. Met de grootste onverschilligheid strekte hij zich vervolgens op de planken uit en scheen zich om niets ter wereld meer te bekommeren.
“Jaag hem op!” riep Don Quichot den leeuwenhoeder toe. “Stoot, sla, schop, terg en sar hem, tot hij uit zijn hok komt.”
“Ja, ja, dat zal ik wel uit mijn hersens laten,” riep de man. “Als ik hem aanraakte, zou hij mij allereerst beetpakken, en dat is een ding, waarvoor ik hartelijk bedank. Vergenoeg u met wat gij gedaan hebt, heer ridder, en wees verzekerd, dat het meer is, dan één menschenkind u zou durven nadoen. Stel u niet voor de tweede maal bloot en bedenk, dat gij alles gedaan hebt, wat men van een held kan verlangen. De deur staat open, de leeuw is uitgedaagd, gij staat tot den kamp bereid. Wil uw vijand niet vechten, dan is aan hem de schande en oneer en aan u de zege en de roem.”
“Dat is waar!” riep Don Quichot uit. “Sluit de deur weer toe, vriend, en geef mij de getuigenis, dat ik werkelijk alles gedaan heb, wat mij geoorloofd was. Gij hebt den leeuw de deur opengezet; ik heb hem opgewacht, maar hij is niet gekomen; eindelijk heb ik nog een poos gewacht, en hij is weer niet verschenen, maaris naar den versten hoek van zijn kooi gekropen en heeft zich daar lafhartig neergelegd. Meer is niet noodig, om mijne dapperheid in vollen glans te vertoonen, en gij moogt dus vrij de deur sluiten, terwijl ik onze gevluchte vrienden wil terugroepen, opdat zij uit uw mond het verhaal van mijne daden hooren.”
De wachter sloot het hok weer toe, en Don Quichot bond den doek, waarmee hij de kaas van zijn gezicht had gewischt, aan zijne lans, om daarmee de anderen terug te roepen. Te gelijk verhief hij zijne stem en riep: “Sancho! Sancho!” dat het wijd over het veld klonk.
Sancho Panza vernam dien roep, keerde zich om, zag het witte vaantje en zei: “Ik laat mij levend villen, als mijn heer de wilde beesten niet overwonnen heeft; want zie, hij wenkt ons en zijn vaan wappert in den wind.”
Ook de anderen zagen het gegeven teeken, en hunne harten, die tot nog toe met angst vervuld waren geweest, werden gerust. Zij keerden naar de kar terug en waren zeer verlangend, de toedracht en den afloop van den gewaagden kamp te vernemen.
“Span uwe muilezels weer voor,” riep Don Quichot den voerman toe; “span ze voor en vervolg ongehinderd uwe reis. En gij, Sancho, geef den leeuwenhoeder twee goudguldens tot vergoeding omdat hij zich zoo lang heeft opgehouden.”
“Die goudguldens wil ik hem wel geven,” antwoordde de schildknaap; “doch zeg mij eerst, wat er van de leeuwen geworden is. Zijn ze al dood, of hebben ze er ’t leven afgebracht?”
“Wend u tot dezen man,” sprak Don Quichot met trotschheid; “hij zal u berichten, hoe de zaak is afgeloopen.”
Sancho talmde hier dan ook niet mee, en de leeuwenhoeder vertelde uitvoerig de geheele geschiedenis en kon niet genoeg roemen, hoe uitstekend dapper en heldhaftig de ridder zich in dit geval gedragen had. De leeuw scheen reeds bij zijne eerste verschijning door schrik aangetast en was, in plaats van den aangeboden kamp aan te nemen, lafhartig naar den versten hoek van zijn hok teruggeweken; en daar hij, de leeuwenhoeder, den dapperen Don Quichot nu gezegd had, dat het roekeloos zou zijn, den leeuw nog verderte tergen, had de ridder, hoewel ongaarne, hem eindelijk vrijheid gegeven de deur van het hok weer dicht te doen.
“Wat zegt gij daarvan, Sancho?” vroeg Don Quichot vol fierheid. “Daar ziet gij nu uit, dat alle betooveringen tegen ware dapperheid en echten heldenmoed geen zier kunnen uitrichten.”
Sancho haalde stilzwijgend de schouders op en stopte den leeuwenhoeder de twee goudguldens in de hand, waarna deze laatste beloofde de koenheid van Don Quichot overal te zullen uitbazuinen en zelfs te zorgen, dat die zijne majesteit den koning ter oore kwam.
“Goed, dat moogt gij doen,” sprak Don Quichot; “en als de koning u naar mijn naam mocht vragen, kunt gij antwoorden, dat het de “leeuwenridder” is, die de stoute daad gewaagd heeft. Voortaan namelijk wil ik, een overoud heilig gebruik volgend, dezen bijnaam voeren en daarentegen dien van “Ridder van de Droevige Figuur” afleggen. Dat hebben vóór mij reeds vele dolende helden gedaan, en ik wil hun doorluchtig voorbeeld volgen.”
De kar reed nu weg en Don Quichot vervolgde met zijn klein gezelschap den vroeger ingeslagen weg naar Saragossa.
Het duurde nu niet lang, of zij kwamen eene beroemde grot, het zoogenaamde hol van Montesinos, voorbij, waarvan allerlei wonderbare dingen verteld worden, en de vreemde heer maakte daar Don Quichot opmerkzaam op. Terstond betoonde deze grooten lust het inwendige te bezien; doch de vreemde ried hem dit af, omdat men er niet anders in kon komen, dan door zich aan lange touwen in de diepte te laten neerzakken.
“En al zou ik er voor in de hel komen, toch moet ik de grot bezien,” verklaarde Don Quichot en reed regelrecht op het naaste dorp aan, om daar te overnachten en zich van de vereischte touwen en strikken te voorzien. Hij kocht daarvan tot eene lengte van honderd vaam, en begaf zich den anderen dag met den vreemden heer en met Sancho Panza naar de gevaarlijke plaats.
Na den middag te twee uren kwamen zij daar aan en vonden den toegang tot de grot vrij breed, ruim en slechts weinig door doornen en ander struikgewas bedekt en verdonkerd. Zij stegen af,en Don Quichot werd vast en stevig aan een touw gebonden, om zonder verwijl in de diepte te worden neergelaten.
“Heer,” zeide Sancho Panza, terwijl zij daarmee bezig waren, “heer, bezin, eer gij begint, en bedenk nog eens goed, wat gij doet. Nog niemand heeft het eind van de spelonk bereikt, en niemand dwingt u zulk een gevaarvol stuk te ondernemen. Blijf stilletjes hier boven en neem goeden raad van mij aan.”
“Houd den mond, Sancho, en bind maar de touwen vast,” antwoordde Don Quichot op deze welgemeende waarschuwing. “Juist zulk eene onderneming, die nog niemand gelukt is, past voor mij.”
De schildknaap zweeg en liet verdrietig de lip hangen. Toen nu echter Don Quichot stevig was vastgebonden, knielde hij neder, riep de krachtdadige bescherming van zijne Dulcinea in en naderde toen den afgrond, waarin hij zich wilde laten neerzakken. Voordat hij aan den rand kwam, moest hij echter met zijn zwaard zich een weg door het struikgewas banen, dat voor den ingang der grot welig was opgeschoten. Het door het kraken en breken der takken veroorzaakte gerucht joeg eene ontzettende menigte raven, kraaien, uilen en vleermuizen op, die tot hiertoe in ongestoorde rust in de grot genesteld hadden, en zij stoven met zooveel geweld op Don Quichot los, dat die daardoor overhoop werd geworpen en zoo lang als hij was op den grond kwam te liggen.
Ieder ander, dan onze onverschrokken ridder, zou deze omstandigheid als een noodlottig voorteeken hebben beschouwd; doch hem versterkte zij slechts in zijn heldhaftig voornemen. Toen al dat fladderend roofgedierte zich een uitweg had gebaand, sprong hij in den afgrond neer; de vreemde heer en Sancho Panza vierden langzaam de lijn, en Don Quichot verdween aldra in de donkere, gapende diepte.
“De hemel behoede u, gij pronk en sieraad van de dolende ridderschap!” riep Sancho Panza hem na. “Daal neer, gij hoofd van ijzer, hart van staal en arm van metaal! Moogt gij behouden het daglicht weer aanschouwen, waarvan gij daar in den afgrond niet heel veel te zien zult krijgen.”
Onderwijl schreeuwde Don Quichot voortdurend, dat zij nogmaar meer touw zouden vieren, tot in ’t eind het geluid zijner stem niet langer tot hen opstijgen kon. Ten laatste liep de lijn echter toch ten einde, en nu wachtten zij een half uur, voordat zij haar weder optrokken. Toen zij hiermee begonnen, scheen zij hun echter zoo licht en onbezwaard toe, dat zij vreezen moesten, dat Don Quichot zich had losgemaakt en in de diepte was achtergebleven, wat Sancho tranen met tuiten deed schreien en zich al zijn best reppen, om toch maar spoedig zeker te zijn van de zaak. Op eens echter, toen reeds tachtig vaam van de lijn was ingehaald, voelden zij een zwaren last en bemerkten al spoedig, dat Don Quichot tegen vermoeden toch nog aan het touw hing. Zij trokken en trokken met al hunne kracht, en vol blijdschap riep Sancho naar beneden:
“Welkom, welkom, gestrenge heer! Wij waren al bang, dat wij uw edel aangezicht nooit meer aanschouwen zouden.”
Don Quichot antwoordde niet op dezen vriendelijken toeroep, en toen zij hem eindelijk goed en wel boven hadden, zagen zij, dat zijne oogen gesloten waren en dat hij in vasten slaap lag. Zij legden hem op den grond, bevrijdden hem van zijne banden en hoopten, dat hij nu vanzelf wel weer wakker zou worden. Dit gebeurde echter niet, en zij moesten hem lang knijpen en schudden, rollen en omkeeren, voordat hij ten laatste weer tot bezinning kwam, de oogen opsloeg, zich rekte en strekte en in alles deed als iemand, die uit eene zwaren droom ontwaakt. Verschrikt keek hij rond en eene rilling liep hem over de leden, toen hij zich weder op de bovenwereld verplaatst en den blauwen hemel boven zijn hoofd zag.
“O, mijne vrienden,” sprak hij op klagenden toon, “waarom hebt gij mij aan den zoetsten toestand ontrukt, waarin ik ooit in mijn leven heb mogen verkeeren? Een hemelsch aanminnig gezicht heb ik aanschouwd, en nu eerst zie ik in, dat alle genietingen van dit ondermaansche slechts nesterijen en kinderspel zijn, dat zij verdwijnen als een schaduw, en verwelken gelijk de bloemen des velds.”
“Maar, sakkerloot, heer, wat hebt gij dan daar wel in die hel te zien gekregen?” vroeg Sancho.
“Eene hel noemt gij dat?” riep Don Quichot. “O, noem het niet zoo; ’t is de schoonste plaats, die op aarde te vinden is. Luister toe, wat ik zal vertellen.”
“Ja, naderhand met alle genoegen,” antwoordde Sancho Panza; “maar nu blaf ik van honger en moet eerst mijne arme maag wat tevredenstellen.”
Don Quichot zeide hier niets tegen en begon, nadat hij zichzelf ook door een hartig maal gesterkt had, het verhaal van zijne avonturen in de onderaardsche grot.
“Ongeveer twaalf vaam diep in de kloof opent zich rechts een gewelf, als eene hal, waar wel eene groote koets met zes paarden zou kunnen keeren. Door eenige spleten, die tot de oppervlakte der aarde reiken, dringt daar een flauw en schemerachtig licht in door.
“Dit gewelf ontdekte ik, toen ik het hangen en bongelen aan de lijn al moe was, waarom ik besloot er binnen te treden en er eene korte poos te rusten. Ik riep u toe, dat gij met het vieren van het touw moest ophouden; maar daar gij mij niet scheent te verstaan, rolde ik het touw, al naarmate dat mij nakwam, tot een tros op en ging toen daarop zitten, om mij in gepeins te verdiepen. Ik overlegde, hoe ik het aanvangen moest, om de diepte van den afgrond te bereiken, daar ik nu niemand meer had, die mij neerlaten kon, en onder dat denken overviel mij op eens de diepste slaap. Het duurde evenwel niet lang, of ik ontwaakte weer en bevond mij op eene groote weide, schooner en liefelijker, dan ik ooit nog met mijne oogen had aanschouwd. Ik dacht te droomen en betastte hoofd, borst en handen, om mij van mijn wakenden toestand ten volle te overtuigen. Uit alle teekens maakte ik op, dat werkelijk de slaap van mij geweken was, en dat geen droom, geen phantasie, geen drogbeeld van het verhitte bloed mij misleidde.
“Nadat ik mij ten volle van mijn waken overtuigd had, keek ik rond en viel mij een prachtig koninklijk paleis in het oog, welks dak en wanden uit glinsterende kristallen schenen te bestaan. De vleugeldeuren vlogen open, en nu trad een eerwaardig, met een lang slepend gewaad bekleed grijsaard te voorschijn. Hij kwamop mij toe, groette mij heel vriendelijk, sprak mij aan en vroeg, of hij mij de wonderen van het betooverde paleis mocht vertoonen. Ik boog mij dankbaar ten teeken van toestemming en volgde hem in het slot. Door wijde portalen gingen wij, door lange gangen en onmetelijk groote zalen. Overal, waar wij kwamen, stonden prachtige monumenten uit goud en diamanten, en op ieder prijkte een kristallen standbeeld van meer dan levensgrootte. Het waren de grafsteden der overleden dolende ridders, die zich door deugd en dapperheid beroemd gemaakt hebben, en de standbeelden stelden hen voor, gelijk zij er bij hun leven hadden uitgezien. Daar zag ik Amadis van Gallië, en Roland, en Durandarte, den spiegel der ridderschap, en nog vele, vele anderen, welker namen ik niet weet op te noemen. Toen ik mij met het aanzien dezer helden lang genoeg verkwikt had, bracht de grijsaard mij in een heerlijken lusthof, waaruit mij de geur der kostelijkste bloemen en gewassen tegensloeg en die met allerlei kunstwerken, beelden, grotten en fonteinen koninklijk versierd was. En hier zag ik iets, dat mijn geheele ziel in zoete verrukking bracht, namelijk ik zag mijne doorluchtige gebiedster, de aanminnige jonkvrouwe Dulcinea van Toboso. In een eenvoudig gewaad, als herderin gekleed en begeleid door twee gesluierde hofdames, verlustigde zij zich in de lanen van den betooverenden lusthof, lachte en schertste en deed nu en dan sprongen, die mij door hunne hoogte verbaasd deden staan.
“De grijsaard sprak mij aan en zeide: “Zie, in zulke nederige en armoedige gedaante wandelt uwe schoone thans op aarde rond. Maar wees getroost! Een booze toovenaar heeft haar slechts voor korten tijd veranderd, en eens zult gij haar in de volle glorie harer verheven schoonheid aanschouwen. Opdat gij zien moogt, wat glans haar dan omstralen zal, wil ik u hare beeltenis toonen, gelijk die hare natuurlijke gedaante volkomen waar en getrouw teruggeeft.”
“Hij wenkte met den vinger, en oogenblikkelijk verdween het omhulsel der herderin, en Dulcinea zelve stond van aanminnigheid stralende voor mij. Hare schoonheid overweldigde mij dusdanig, dat ik een luiden kreet van verrukking uitstiet en daarop onmachtig neerstortte.
“Wat verder met mij gebeurde, weet ik niet. Ik kwam eerst weer tot bezinning, toen gij mij met geweld aan mijne zoete droomen ontruktet.”
“Neen, dat is te wonderbaarlijk, om waar te kunnen wezen!” riep Sancho Panza uit. “Gij moet noodzakelijk gedroomd hebben, of een of ander booze toovenaar heeft u dolle kluchten vertoond om uwe ziel te verstrikken en u naar den afgrond des verderfs te lokken.”
“Spreek niet zoo, Sancho,” zeide Don Quichot. “Alles, wat ik gezien heb, heb ik met gezonde, wakende zinnen gezien. De tijd zal nog eens openbaar maken, dat ik geen tittel of jota bezijden de waarheid sprak.”
Onderwijl bestegen zij hunne dieren weder, keerden de wondergrot den rug toe en gingen hun nachtverblijf zoeken in eene herberg, waar dienzelfden avond eene poppencomedie zou worden vertoond. De directeur van het spel, een reizend genie, bood Don Quichot en zijn twee geleiders plaatsen aan, kreeg zijn geld daarvoor, en liet hierop het gordijn naar boven gaan.
Don Quichot staarde met verwondering op de poppen, die, door onzichtbare draden bestuurd, zich op de natuurlijkste wijze bewogen.
Met gespannen aandacht volgde hij den loop der voorstelling, die hoofdzakelijk in een gevecht tusschen Christenen en Mooren bestond. De Christenen werden verslagen en de Mooren vervolgden hunne vluchtende vijanden tot onder de torens van eene versterkte stad.
Toen Don Quichot zag, dat de Heidenen hier nog eens een aanval op de arme Christenen deden, steeg het bloed hem naar her hoofd en oordeelde hij het niet meer dan billijk, dat hij de zwakkere partij te hulp kwam.
“Houdt op! Houdt op!” riep hij, driftig opspringend, het Heidensche poppenvolk toe. “Vervolgt mijne geloofsbroeders niet langer, of gij krijgt het met mij te doen.”
Onder deze haastig uitgestooten woorden trok hij zijn zwaard, was met een wip op het kleine tooneel en begon met ongehoorde woede op de onschuldige poppen in te houwen. Sommige traptehij als een pannekoek plat, andere sloeg hij den kop af, nog andere verminkte hij op deerlijke manier, kortom, hij zou een gruwelijk bloedbad hebben aangericht, indien de poppen, in plaats van leder en werk, van vleesch en bloed waren geweest.
Bij het zien van deze verwoesting schoot de ontstelde tooneeldirecteur toe, viel den verbolgen ridder te voet en smeekte hem met tranen in de oogen, zijne arme levenlooze schepsels toch te sparen. Don Quichot evenwel luisterde daar niet naar, en zou den armen poppenman zelven het hoofd hebben afgeslagen, indien deze zich niet met alle snelheid uit de voeten had gemaakt.
De slagen des ridders vielen als hagelsteenen bij eene donderbui.
In minder dan een kwartier tijds had hij het gansche tooneel tot splinters geslagen, al de toeschouwers, die hem voor razend en dol hielden, op de vlucht gejaagd, en zelfs Sancho Panza tot de stomme bekentenis genoodzaakt, dat zijn meester wel al veel gekke dingen had vertoond, maar nooit nog zoo’n gek stuk, als nu dit hier.
Eerst toen het Heidensche leger de volle neerlaag had geleden, kwam Don Quichot eenigszins tot bedaren, leunde hijgend op zijn zwaard en zei: “Nu mocht ik nog wel eens iemand hooren zeggen, dat een dolend ridder een onnut ding in de wereld is! Was ik hier niet gekomen, dan was een gansch Christenleger vernietigd geweest, terwijl nu de snoode Heidenen tot den laatsten man toe verslagen liggen. En daarom zeg ik: eere, lof, roem en glorie der dolende ridderschap!”
“Ja, ja, dat is goed en wel,” riep de poppenman, die zich nu ook weer kwam vertoonen: “maar in allen gevalle moet gij mij de schade betalen, die gij mij moedwillig hebt toegevoegd.”
“Wat dan betalen?” vroeg Don Quichot verwonderd. “Wat heb ik u dan bedorven?”
“Hoe! dat weet gij niet?” vroeg meester Pedro, de eigenaar van het poppenspel. “Ziet gij dan niet het armzalig overschot van mijne poppen, die gij met uw zwaard in gruizels en splinters hebt geslagen?”
“Poppen?” vroeg Don Quichot. “Poppen heb ik vernield? Ja, waarlijk, het zijn poppen, en geen menschen van vleesch en bloed. Daar ziet men weer, hoe ik door die snoode toovenaarsvervolgd word! Zij verblindden mijn oog, zoodat ik de poppen voor levende menschen moest aanzien, en dat ik alles, wat gespeeld werd, voor echte werkelijkheid hield. Maar wat te doen? Daar ik nu eens uit dwaling zoo groote schade aangericht heb, is het ook mijn plicht, die ten volle te vergoeden, en ik zal dus mijzelf tot alle kosten veroordeelen. Overleg, meester Pedro, welke som u als schadeloosstelling toekomt, en laat u die door mijn schildknaap Sancho Panza uitbetalen.”
Meester Pedro boog dankend voor den grootmoedigen ridder, die nu niet weinig beschaamd zijn slaapkamer opzocht. Sancho Panza echter moest de beurs trekken en voor de dwaasheden van zijn heer eene aanzienlijke som betalen.