Hoofdstuk XXII.

Hoofdstuk XXII.Het stadhouderschap neemt een einde.Verscheidene dagen gingen voorbij, en de arme Sancho werd, in plaats van met krachtige en gezonde spijzen, bijna alleen met terechtzittingen en vervelende twistvragen gevoêrd. En toen hij in den zevenden nacht zijner regeering op zijn prachtig staatsieledikant lag en de zachte slaap hem niettegenstaande zijn honger juist de zware oogleden toedrukken wou, vernam hij op eens een vreeselijk alarm en hoorde het luiden der klokken met zulk een geschreeuw en rumoer, dat hij meende, dat de ondergang der wereld, of althans van zijn eiland, voor de deur stond. Hij rees verschrikt overeind en luisterde scherp toe, om zoo mogelijk de oorzaak van al dat spektakel te vernemen. Het al luider wordend getier, waaronder zich nu ook het geluid van trommen en trompetten mengde, maakte hem geheel verbijsterd, en half zinneloos van schrik en angst, was hij met een geweldigen sprong op de been, trok zijne pantoffels aan, vloog naar de deur van zijn vertrek, rukte die open en zag nu meer dan twintig personen, die van verschillende kanten metbrandende fakkels en ontbloote zwaarden toesnelden. Zoodra zij den sidderenden Sancho zagen, riepen zij met luider stem: “Te wapen! Te wapen! Op, heer stadhouder! Tallooze vijanden overstroomen het eiland, en zoo uw krijgsbeleid en uwe dapperheid ons niet redt, zijn wij reddeloos verloren! Grijp de wapens op!”“Maar lieve tijd, waar zal ik mij mee wapenen?” huilde Sancho het uit. “Ik heb van wapens en van vechten heel geen verstand, en ’k stel dus voor, die dingen liever aan mijn heer Don Quichot over te laten, aan wien dat beter toevertrouwd is. Mij, arme sukkel van een schildknaap, staan de handen daar heel verkeerd toe.”“Geen uitvluchten! Geen bezwaren!” schreeuwden al de heeren als met ééne stem. “Hier brengen wij u wapens; wapen u daarmee en stel u dan als aanvoerder aan onze spits. Dat komt u toe en gij moet het, want gij zijt onze stadhouder.”“Nu, wapen mij dan in ’s hemelsnaam maar,” antwoordde Sancho en gaf zich lijdelijk aan zijn lot over.Terstond namen de mannen nu twee groote schilden, die zij, daar de heele historie weer een afgesproken stukje was, al meegebracht hadden, en bonden daarvan het een vóór, ’t ander achter aan Sancho’s dikke lichaam vast, waarna zij zijne armen door een paar daarin gesneden gaten trokken en de schilden zoo vast bonden, dat hij tusschen de planken als ingemetseld zat en geen stap vooruit doen, noch ook de knieën buigen kon. Hierop gaven zij hem eene lans in de hand, waarop hij steunen moest, om zich op de voeten te kunnen houden, en vervolgens zeiden zij, dat hij nu maar voor hen uit moest stappen, als hun aanvoerder, en hun door zijne dapperheid moed inboezemen. Wanneer hij zich aan het hoofd des legers wilde stellen, zou de overwinning hun nooit betwist kunnen worden.“Maar om ’s hemelswil!” schreeuwde de ongelukkige ridder in de klem; “hoe zal ik dan gaan en vooruitkomen, daar ik niet eens de knie buigen en geen lid van mijn lijf roeren kan? Als ik voorwaarts zal en moet, neemt mij dan op uwe armen en zet mij ergens op een punt, dat ik met mijne lans verdedigen kan. Dit wil ik met hart en ziel doen, maar meer kan men van een tusschen planken ingeklemd mensch niet verlangen.”“Vooruit, al vooruit, heer stadhouder!” riepen daarop de mannen. “Niet die planken hinderen u, maar de vrees voor den vijand is het, die de u knieën knikken doet. Er is al veel tijd verzuimd, de macht der vijanden groeit aan, ’t gevaar wordt al grooter en grooter. Vooruit, vooruit dan, heer stadhouder!”Om deze beschuldigingen te ontgaan en de zich tegen hem verheffende stemmen tot zwijgen te brengen, deed de ongelukkige Sancho Panza werkelijk eene zwakke poging om zich van de plaats te bewegen. Zonder zich staande te kunnen houden, plofte hij echter met zulk een geweldigen bons voorover, dat hij een oogenblik meende, dat hij al zijne beenderen stuk had gevallen. Daar lag hij dan nu en bleef liggen, als een schildpad, die men de pooten heeft afgesneden. Geen mensch hielp hem op of had medelijden met hem; veeleer werden de fakkels terstond uitgedaan, een nieuw krijgsgeschreeuw ging uit de rauwe kelen op, de kreet “Te wapen!” werd onophoudelijk herhaald, en eindelijk liep zelfs de geheele schaar over den armen Sancho Panza heen, waarbij ieder in ’t voorbijgaan een zwaren zwaardstomp of slag op zijn plankenharnas liet neerkomen. Zoo de arme stadhouder zich niet als een schildpad had ingetrokken, zoo hij niet hoofd en voeten onder zijne schaal verborgen had, zou ’t leelijk met hem zijn afgeloopen. Zoo echter kwam hij er met eenig angstzweet en eenige schrammen en builen nogal boven verwachting goed af.Intusschen daagden telkens nieuwe krijgers op. Eenige strompelden over Sancho heen, andere tuimelden werkelijk op hem neer, en eindelijk was er zelfs een, die eene geruime poos op hem bleef staan trappelen en van dit standpunt, als van een toren, het gevecht scheen te leiden, daar den moed der zijnen met bezielende woorden aanvurende.“Hier, dappere mannen!” riep hij met donderende stem. “Hier is de strijd het heetst. Hierheen, die een hart in ’t lijf hebt! Verdedigt dat poortje daar! Sluit de valpoort daar ginder! Werpt de stormladders om en laat de beklimmers in de gracht tuimelen! Granaten hier! Hier pek en hars en kokende olie!—Wakker, mannen! Slaat dood, die te na komt!”Op deze wijze ging het eenigen tijd voort, daar de aanvoerder orders gaf en alle maatregelen scheen te nemen, om een heftigen aanval van het stadje en het slot af te slaan. Sancho hoorde elk woord en onderwierp zich lijdelijk aan zijn zwaar lot.“Mocht de hemel toch maar geven, dat het eiland verloren ging,” zuchtte hij, “en dat de vijanden mij doodsloegen of althans uit deze harde gevangenis bevrijdden!”Een half uur verliep weer; doch toen scheen eindelijk zijn wensch om verlossing uit zijn benauwden toestand verhoord te worden. Hij hoorde luide stemmen en den blijden kreet:“Victorie! Victorie! De vijand is overwonnen! Heer stadhouder, op! Sta op en verheug u over uwe overwinning! Kom, en verdeel den onmetelijken buit, die door uwe dapperheid den vijand is afgenomen!”“Helpt mij weer op de beenen!” kreunde de overwinnende held met klagende stem.Men hielp hem overeind, en toen hij weer eenigszins vast op zijne voeten stond, zeide hij: “Den vijand, dien ik overwonnen heb, wil ik met huid en haar opeten, of ’k mag lijden, dat ge hem den nek omdraait. Ik verlang geen buit van den vijand; maar als een mensch hier in de nabijheid maar een sikkepitje medelijden of vriendschap in zijn hart heeft, laat hem mij dan een slok wijn geven en mij ’t zweet afdrogen, want ik smelt bijna tot klaar water weg.”Op deze smeekende bede werd hem wijn gereikt. Men droogde hem af en bond de schilden los, waartusschen hij had vastgeklemd gezeten. Toen hij zich weer vrij roeren kon, waggelde hij naar zijn ledikant toe, en hij had dat pas bereikt, of hij lag in diepe onmacht.Toen de deelhebbers aan de klucht dit bemerkten, werden zij ongerust en vreesden, dat de dolle comedie den armen schildknaap wel eens het leven kon kosten. Onze brave Sancho kwam echter spoedig weer bij, en zoo had die bezorgdheid dan ook een einde.“Hoe laat is het?” vroeg de lijder met zwakke stem.“Het daglicht zal spoedig aanbreken,” antwoordde men hem.Hierop stond Sancho zonder een woord te spreken van zijn ledikant op en begon zich aan te kleeden, en niemand waagde het, hem een woord te zeggen, ofschoon allen even nieuwsgierig waren, hoe de geheele geschiedenis afloopen zou.Na zich in de kleeren te hebben gestoken, ging Sancho langzaam naar den stal en scheen er zich niet om te bekommeren of men hem volgde of niet. In den stal gekomen, trad hij zelf op zijn ezel toe, omarmde het trouwe dier, drukte het een kus op den ruigen kop en zei, terwijl de gulle tranen hem bij de wangen neerstroomden:“Kom hier, mijn oude vriend en makker, die alle lasten en lusten met mij gedragen hebt. Zoolang wij ons aan elkaar hielden, wist ik van geen zorg, en ik kan in waarheid zeggen, dat toen mijne jaren, mijne dagen en mijne uren gelukkig waren. Sinds ik u verliet, heb ik maar altijd met ergernis, moeite en kommer te kampen gehad, en ik wil daarom alle eerzucht entrotschheidvan mij afzetten en de ongelukkige zucht, om het tot wat hoogers te brengen, met kracht in mijne borst verstikken.”Onder deze woorden zadelde hij zijn ezel, zonder dat iemand zich daartegen verzette, steeg, daar hij half lam en kreupel getrapt was, met moeite op en voegde den hofmeester, den secretaris, dokter Recio en anderen, die om hem stonden, de woorden toe:“Mijne heeren, ik verzoek u, maakt plaats voor mij, opdat ik tot mijne oude vrijheid terugkeeren kan. Ik wil uit mijn tegenwoordigen dood opstaan en mijn vroeger leven weder opzoeken. Tot stadhouder ben ik nu eens voor al niet geboren, en hoe men eilanden en steden tegen een oprukkenden vijand verdedigen moet, daarvan heb ik geen verstand. Ik weet meer van spitten, graven en wingerd snoeien dan van wetten geven en vreemde rechtzaken beslissen. Ik wil liever schrale aardappelsoep eten dan aan een rijk bezette tafel zitten, voor de kostelijkheden, waarvan ik niets over de lippen mag nemen, zoodat ik te midden van den overvloed van honger omkom. Ik wil liever in vrijheid gebrek lijden, dan in slavernij op zijden kussens rusten. God zij met u, heeren! Zegt aan uwen hertog, dat ik hier armgekomen ben en ook arm weer weggegaan. Ik heb niets gewonnen en ook niets verloren, en mij dus althans aan geen schelmerij en afpersingen schuldig gemaakt. Gaatopzijen laat mij den weg vrij; want waarachtig, ’t wordt tijd, dat ik naar mijne ribben laat zien, waarvan in dezen stormachtigen nacht zeker een stuk of wat gebroken zijn.”“Heer stadhouder, neen, dat mag niet gebeuren,” zeide Recio, de lijfarts. “Gij moogt niet weg, voordat ik zelf uw toestand onderzocht heb, en ik beloof u, mijn uiterste best te zullen doen, om u ten spoedigste van alle pijnen en kwetsuren te bevrijden. Ook geef ik u mijn woord, dat gij voortaan vergunning zult hebben, om alles te eten en te drinken, wat uw hart maar begeert.”“Te laat, te laat!” antwoordde Sancho. “Gij komt te laat, vrienden. Ik laat mij nu zoo weinig van mijn voornemen afbrengen, als ik ooit een Turk worden wil. Liever dan in dit verwenschte stadhouderschap blijven, wil ik zonder vleugels ten hemel vliegen. Neen, neen! Ik ben uit het geslacht der Panza’s, die een hardnekkig geslacht zijn. Als die eens zeggen, dat een ding krom is, dan moet het krom blijven, al zei de heele wereld anders, en al was ’t ook zoo recht als een lamsstaartje. Ik moet weg, heeren; maakt mij dus ruimte, want iedere minuut, die ik nog hier blijf, wordt mij een nagel aan mijn doodkist.”“Genadige heer,” nam nu de hofmeester het woord, “wij zouden u zonder tegenspraak gaan laten, ofschoon wij uw helder verstand en uitstekend voorbeeld ongaarne missen; maar ’t zal u bekend zijn, dat ieder stadhouder voor het neerleggen van zijn ambt rekenschap van zijn beheer moet geven. Voldoe aan deze verplichting, en ga, als gij u toch niet wilt laten terughouden.”“Niemand kan zoo iets van mij verlangen, als niet de hertog zelf het gebiedt,” antwoordde Sancho. “Tot hem ga ik, en aan hem zal ik rekenschap afleggen, zooveel hij maar verkiest. Van u echter heb ik geen getuigenis noodig, want dat ik mij niet verrijkt en in alle onschuld geregeerd heb, weet gij even goed als ik zelf ’t weet.”“Bij den hemel, Sancho heeft recht!” riep Recio, de lijfarts. “Ikvoor mij stem er voor, dat wij hem in vrede laten trekken, want de hertog zal brandend verlangen hem weer te zien.”Al de anderen waren het met den dokter eens, verklaarden, dat men den stadhouder moest laten trekken, en boden aan, hem van al, wat hij op reis noodig had, ruim en rijkelijk te voorzien.“Ik heb alleen maar wat haver voor mijn grauwtje, en wat brood en kaas voor mijzelf noodig, en van een en ander ben ik al voorzien,” zeide Sancho. “De weg, dien ik af te leggen heb, is niet lang, en daarom zou meer pakkage mij maar lastig wezen.”Na deze woorden nam hij afscheid, omhelsde de achterblijvenden, werd door hen omarmd, en liet hen eindelijk verbaasd over zijne zielsgrootheid, levenswijsheid en standvastigheid staan.Sancho Panza reed langzaam voort, totdat hij het landgoed van den hertog tot op ongeveer eene halve mijl was genaderd. Hier liet hij zich van zijn grauwtje glijden, legde zich onder een boom en overpeinsde, wat hij zijn meester Don Quichot en den hertog en de hertogin al zoo vertellen zoude. Terwijl hij hierover nadacht, overviel hem de slaap, en daar hij den ganschen voorgaanden nacht geen oog had toegedaan, werd hij eerst weer wakker, toen de zon al onder en het ten volle donker geworden was. Verschrikt rees hij op, klom weer in den zadel en wou zich zooveel mogelijk haasten, om het hertogelijk slot nog tijdig te bereiken.Terwijl hij nu zoo voortdraafde, wilde het ongeluk, dat hij in de donkerheidopeensmet zijn beest in een diep, donker gat stortte, dat daar tusschen eenig vervallen muurwerk openlag. Onder het vallen meende hij, dat hij den bodem des afgronds wel nooit levend bereiken zou.Intusschen liep het nog al redelijk goed af. Op eene diepte van ruim achttien voet kreeg de ezel vasten grond onder zijne pooten en kwam Sancho op grauwtjes buik te liggen, zonder zich eenigszins van belang bezeerd te voelen. Hij betastte zijne ledematen, onderzocht de stevigheid zijner beenderen, en hield den adem in, om te weten, of hij ook ergens een gat in zijn lichaam was gevallen; echter was zijn lichaam van top tot teen heel gebleven.Eindelijk stond hij op en zocht met de handen in de ruimten desafgronds rond, om zoo mogelijk middelen en wegen te ontdekken, om zonder vreemden bijstand weer uit den kuil te komen. Tot zijn bitter leedwezen waren de wanden echter overal glad en zeer steil, zoodat hij zich over zijne toekomst niet weinig ongerust moest maken. Zijn angst nam nog toe, toen nu ook de ezel, die door den val deerlijk gekneusd en geschaafd was, op jammerlijken toon begon te schreien en te balken. Hij dacht nu niet anders, dan dat hij met zijn geliefd grauwtje in die ongelukkige groeve op ellendige manier van honger, dorst en gebrek zou moeten omkomen.Weeklagend bracht hij den nacht in het gat door, totdat daarin eindelijk het schemerlicht van den aanbrekenden dag doordrong, zonder den braven schildknaap echter veel troost aan te brengen; want bij het schijnsel der zon overtuigde hij zich, dat uit zijne gevangenis te ontkomen zonder vreemde hulp een onmogelijkheid was. Hij begon opnieuw te jammeren en te schreeuwen, en zette zijne stem zooveel mogelijk uit, om een toevalligen voorbijganger van zijn klimmenden nood te onderrichten. Zijn geschreeuw was echter als de stem van een roepende in de woestijn, daar in den ganschen omtrek geen levend wezen dat vernam. Sancho achtte zich dus reddeloos verloren en begon zichzelf als een stervende te beschouwen. Desniettemin bespeurde hij nog iets als medelijden met zijn grauwtje, dat met verdraaide oogen op den grond lag en zijn bek opendeed, alsof het ieder oogenblik een roerend klaaglied dacht aan te heffen. Sancho Panza hielp hem met veel moeite op de been, liet hem, daar hij moeielijk rechtop staan kon, tegen den wand leunen en versterkte hem vervolgens met een stuk brood, dat hij nog uit zijn knapzak opschommelde.“Neem dat maar en eet,” zeide hij, alsof de ezel hem verstaan kon. “Met een goede bete in den mond kan een mensch nogal veel doorstaan, en een ezel zeker ook.”Terwijl grauwtje aan de broodkorst knabbelde, zag Sancho Panza nog eens in zijne gevangenis rond, en ontdekte eindelijk aan de eene zijde eene opening, die juist groot genoeg was, om hem door te laten, als hij zich bukte en zoo klein mogelijk maakte. Hij kromde zijn rug dus, kroop er in en vond, dat de doorgang naareene tamelijk ruime en wijde plaats leidde, waarin, vermoedelijk door een half vervallen dak, de zonnestralen helder en glansrijk neervielen. Bij hun schijnsel bemerkte hij, dat deze ruimte zich tot een hol verwijdde, welks omvang hij nader moest onderzoeken.Allereerst keerde Sancho tot zijn ezel terug, van wien hij onmogelijk scheiden kon, en beproefde de opening zoo veel mogelijk te verbreeden. Met behulp van een zwaren, scherpen steen gelukte dit hem zoo tamelijk goed, en het duurde niet lang, of hij kon er ook grauwtje zonder al te groot bezwaar doorkrijgen. Hij pakte hem dus bij den halster, sleepte hem mee en drong toen verder in ’t hol door, om misschien aan ’t ander eind daarvan een uitgang te vinden. Soms tastte hij in den donker, soms verlichtte een van boven invallende zonnestraal zijn pad; maar nog altijd bleef zijne ziel met angst en bange vrees vervuld.“De hemel sta mij bij!” mompelde hij in zijn baard. “Dat Don Quichot toch maar in mijne plaats was! Hij zou wat mij een ongeluk toelijkt, voor het allergelukkigst avontuur houden, en zeker al deze afgronden en onderaardsche gangen voor bloemtuinen en schitterende paleizen aanzien, waaruit hij op eene of andere heerlijke, bloeiende lustgaarde moest geraken. Ik ongelukkige daarentegen, die meer vrees dan heldenmoed in mijn binnenste bespeur, ik denk bij iederen voetstap, dat zich voor mij een bodemlooze afgrond zal openen, waaruit geen menschelijke macht mij ooit redden kan. O ongeluk, wees verwenscht door hem, dien gij zoo gruwelijk hebt beetgenomen!”Toen hij onder zulke en soortgelijke ontboezemingen zijn weg een goed half uur had voortgezet, ontdekte hij in de verte een helder schijnsel, dat zeker het lieve volle daglicht moest zijn. Vol hoop ging hij daarop aan, en hij hield zich vast overtuigd, dat hij daar den uitweg uit de gruwelijke gangen en spelonken der onderwereld moest vinden.Terwijl Sancho Panza in dat hol omdwaalde, trof het, dat de dappere ridder Don Quichot, die tot nu toe op het slot van den hertog een zeer aangenaam en genoeglijk leven geleid had, zijn nu bij den dag in welgedaanheid toenemenden Rocinante besteeg enuitreed, om eenige uren de frissche lucht te genieten. In diepe gedachten reed hij vooruit, totdat eensklaps Rocinante met de voorpooten zoo dicht bij eene diepe steenkloof kwam, dat hij onwillekeurig een zijsprong deed en den edelen ridder uit zijne droomerijen opwekte. Deze hield zijn paard in, keek naar de kloof om en reed er zoo dicht bij, dat hij er in neerzien kon. Terwijl hij al bespiegelingen maakte, wat die donkere afgrond toch wel in zijn schoot verbergen kon, drong daaruit een dof, diep stemgeluid tot zijn oor door. Hij luisterde scherp en nieuwsgierig en vernam zeer duidelijk de woorden:“Holla daar boven! Is er niet een of ander christenmensch in de buurt, die mij hooren en zich over mij armen zondaar ontfermen kan? Hulp, hulp, schrei ik; hulp voor een ongelukkigen, in de diepte gezakten stadhouder!”Don Quichot was dadelijk overtuigd, dat dit de stem van zijn schildknaap Sancho moest zijn, en bleef een oogenblik stom van verbazing.“Wie is daar omlaag?” riep hij eindelijk. “Wie schreeuwt daar om hulp?”“Ik ben het,” antwoordde de stem uit den afgrond, “ik, de benarde en benepen Sancho Panza, gewezen stadhouder van het eiland Barataria en schildknaap van den beroemden en dapperen ridder Don Quichot van La Mancha.”De verwondering van den dolenden ridder nam bij deze woorden nog toe, en daar hij zijn voormaligen dienaar onmogelijk in zoo zonderlingen toestand kon vermoeden, kwam hij op de gedachte, dat de arme stadhouder moest gestorven zijn, en dat nu diens geest verscheen, die wegens begane zonden in het graf geen rust kon vinden. In deze veronderstelling zeide hij:“Bij alles, wat heilig is, bezweer ik u, verkond mij, wie gij zijt! Zijt gij een boetende ziel, geef mij dan te kennen, wat ik voor u doen moet, en zoo waar ik leef, wil ik alles doen, om u de rust en de ongestoorde zaligheid te verschaffen. Mijne roeping is, de noodlijdenden te helpen en de bedrukten bij te staan, en daarom wil ik ook u beschermen, ook als uw lichaam niet meer op aarde omwandelt.”“Heer,” schreeuwde Sancho Panza, die nu eindelijk de stem zijns meesters herkende, “heer Don Quichot van La Mancha, merkt gij dan niet, dat ik uw schildknaap en in mijn gansche leven nog nooit gestorven ben? Ik heb om redenen, die ik u later wel eens zal vertellen, mijn stadhouderschap verlaten en ben gisterenavond met mijn grauwtje in dit hol gevallen, zooals ’t stomme dier, als het spreken kon, zeker plechtig zou helpen getuigen.”Op ditzelfde oogenblik, juist alsof de ezel verstaan had, wat zijn heer sprak, begon die geducht te schreeuwen en balkte zijn Y-ah zoo luid, dat de gansche grot er van weergalmde.“Sancho, aan uw ezel herken ik u,” riep Don Quichot nu zeer verblijd. “Wacht nu maar een kort poosje en heb geduld, totdat ik terugkom. Ik wil in vliegende vaart naar het kasteel van den hertog rijden, dat dichtbij ligt, en wil volk roepen, om u uit den afgrond op te trekken, waarin uwe zonden u zeker hebben doen neerstorten.”“Zoo gij gaan wilt, edele heer, blijf dan maar niet staan leuteren,” antwoordde Sancho uit de diepte. “Ik ben hier als bij levenden lijve begraven en kom om van angst en benauwdheid.”Don Quichot zette het dadelijk op een galop en deelde de onderaardsche ontdekking aan den hertog en de hertogin mede. Terstond werden de noodige orders aan de dienaren gegeven; men trok, toereikend van ladders en touwen voorzien, naar het hol, en Sancho Panza werd, hij en zijn ezel, met behulp van veel volk en niet zonder groote moeite en inspanning uit zijn onderaardschen kerker opgetrokken. Zonder zich met de menschen, die hem geholpen hadden, in veel praatjes in te laten, trok hij nu met zijn grauwtje naar het slot, waar het doorluchtig paar en zijn niet minder doorluchtige meester hem reeds met groot ongeduld wachtten. Hij ging echter eerst tot hen, nadat hij zijn ezel met zorg van al het noodige had voorzien.“Mijne genadige heerschappen,” sprak hij eindelijk, voor den hertog en de hertogin eerbiedig de knie buigend, “daar ben ik weerom. Het stadhouderen heeft mij in veel opzichten niet recht willen bevallen, en dus vond ik maar beter dat te laten varen; voordat het mij liet varen. Arm ging ik heen, arm keer ik terug,en ik heb niets verloren, dan bijna mijn klein beetje verstand. Ik heb als rechter gezeten, heb processen uitgewezen, en ben daarbij bijkans van honger omgekomen, omdat die wijze dokter Recio uit Tirteafuera dat voor gezond voor mij hield. Bij nacht en ontijd overvielen de vijanden ons, en schoon mijne onderdanen zeiden, dat ik die door mijn heldenmoed weer verjaagd had, zoo weet ik dat toch wel beter en mijne arme ribben kunnen er een droevig klaaglied van zingen. Gisterenmorgen verliet ik het eiland, viel in een diepen, donkeren afgrond, stond uren lang den vreeselijksten doodsangst uit, en zou zoo zeker als wat zijn omgekomen, als mij niet mijn dappere meester tot hulp en troost was toegezonden.—Zoo is ’t met mij gegaan, heer hertog, en eerbiedig leg ik de van u verkregen waardigheid hier weer voor uwe voeten neer. Van mijne hoogte afdalend, keer ik weer in den dienst van mijn ouden heer terug, waar ’k mij althans zat mag eten, wat voor een hongerigen mensch een uitstekend en zeer aangenaam medicijn is.”“Het bedroeft mij diep in de ziel, Sancho Panza,” sprak de hertog, “dat gij ’t regeeren zoo schielijk moe zijt geworden. In allen gevalle wil ik er op bedacht zijn, u een anderen, minder bezwaarlijken, maar des te voordeeliger post aan te wijzen, en ik hoop, dat gij alsdan met uwe doorgestane moeielijkheden en gevaren geheel verzoend zult zijn.”Sancho Panza boog zich, zonder antwoord te geven, en de hertogin gaf orders, dat de arme schildknaap als een prins verpleegd en verzorgd zou worden, daar men hem maar al te goed kon aanzien, hoe bitter hij door zijne kwelgeesten, den lijfarts en den hofmeester, geleden had.Hoofdstuk XXIII.Don Quichot verlaat het kasteel van den hertog en komt te Barcelona.De edele ridder van den leeuw of van de droevige figuur werd het luie leven op het slot nu zoetjes aan toch moe en verzocht dus den hertog vergunning, om afscheid te nemen en zijn tocht te vervolgen. Deze vergunning werd hem verleend, schoon eerst nadat de hertog en ook zijne gemalin al hunne welsprekendheid verspild hadden, om hem tot langer blijven te bewegen. Hij nam afscheid van het doorluchtig paar en ging den volgenden morgen al voor dag en dauw weder op reis. Langzaam stapte Rocinante met hem voort, en Sancho sjokte op zijn grauwtje vergenoegd bij hem aan. De ezel was van een welgevulden knapzak voorzien, en in Sancho’s zak stak eene beurs met twee honderd goudguldens, die hem op bevel des hertogs ten geschenke waren medegegeven. Geen wonder derhalve, dat Sancho vergenoegd was, want zulk een voor hem schier onmetelijken rijkdom had hij zijn leven lang nog niet bezeten.Nadat de beide dolende helden den halven dag door dik en dun waren voortgereden, bereikten zij een bosch, dat eenigszins bezijden den weg lag, en hier zag de ridder zich eensklaps in een net van groene draden verstrikt, die tusschen de boomen van den eenen stam tot den anderen waren uitgespannen.“Sancho,” sprak hij tot zijn schildknaap, “het zou mij verwonderen, als ons hier in dit woud niet weer een der zeldzaamste avonturen wachtte. Zeker willen de boosaardige toovenaars, die mij onophoudelijk plagen en vervolgen, mijne reis door dit net ophouden. Doch dit zal hun niet gelukken! Al waren deze draden ook, niet uit boomwol, maar uit ijzer, staal, graniet of diamant geweven,toch zou ik ze als spinrag doorhakken, voordat men drie tellen kon.”Bij deze woorden trok hij zijn zwaard en spoorde Rocinante aan, om te doen, gelijk hij gezegd had, doch werd daarin verhinderd, daar eenige mannen van wild en woest uitzien van achter de boomen voor den dag sprongen en zich op hem en op Sancho wierpen, beiden de wapens afnamen en hierop het grauwtje zoo zorgvuldig doorzochten en uitplunderden, dat in den knapzak geen enkel kruimeltje meer overbleef. Een geluk voor Sancho was het, dat de roovers niet aan het onderzoeken van zijn persoon dachten, daar in dat geval zijne goedgespekte beurs voorzeker liefhebbers en een anderen bezitter gevonden had.Terwijl de roovers nog bij den ezel bezig waren, en Don Quichot de plundering met bedroefde oogen aankeek, kwam de hoofdman van de bende aanrijden. Hij was een man op het oog over de dertig, kloek van gestalte, vurig van blik en van een fier, ridderlijk voorkomen. Op een wenk van hem staakten de roovers hun werk, en hijzelf naderde hierop den edelen ridder Don Quichot, die bedroefd en nadenkend tegen een boom stond te leunen.“Wees niet zoo bedrukt, man,” sprak hij den dolenden held aan. “Gij zijt niet in de handen van bloeddorstige duivels gevallen, en zoolang ik Roque Guinart heet, zal uw persoon geen leed geschieden.”“Ik ben niet bedrukt uit vrees, dappere rooverhoofdman,” antwoordde Don Quichot. “Mij grieft alleen, dat ik door een onverhoedschen aanval verrast en van het paard geworpen werd, daar ik als dolend ridder toch had moeten vooruitzien, dat in dit woud gevaarlijke roofridders huizen. Had ik maar eene minuut tijd tot bezinning gehad, dan zou de overwinning u niet zoo licht zijn gevallen, want weet, dat gij met Don Quichot van La Mancha spreekt, met den ridder van den leeuw, van wiens daden de gansche aardbol weet te gewagen.”“Ha, gij zijt dus de beroemde dolende ridder, over wien men thans overal hoort spreken?” zei de rooverhoofdman, die zich van die ontmoeting met Don Quichot veel pret beloofde. “Nu, dan hoop ik, dat gij eenige dagen als gast bij mij vertoeven zult, en ikbeloof dan, u zoo eerbiedig te zullen doen behandelen, als een ridder van uwe vermaardheid met recht verwachten mag.”Don Quichot boog bij die vleiende woorden zeer beleefd en gaf zijne bereidwilligheid te kennen, om eenigen tijd in het gezelschap van den rooverhoofdman door te brengen.“Waarheen wildet gij eigenlijk, toen mijn volk u aanhield?” vroeg Roque Guinart.“Naar Barcelona, naar het stierengevecht,” antwoordde Don Quichot.De rooverhoofdman scheen nu op eens op een inval te komen. Hij trad op zij en schreef een briefje aan een vriend in Barcelona, waarin hij dezen bericht gaf, dat Don Quichot bij hem was de zotste, kluchtigste personage, die men in heel Spanje vinden kon. Hij wilde hem over eenige dagen naar Barcelona brengen, en zorg dragen, dat hij daar in volle wapenrusting, op Rocinante zijn strijdros gezeten en in gezelschap van Sancho Panza, zijn schildknaap, aankwam. Hij, de vriend, moest zijne bekenden daar vooraf van verwittigen en zou zich met den wonderlijken ridder zeker kostelijk kunnen vermaken.De hoofdman verzegelde dit briefje en gaf het aan een van zijn volk over met last, om het onverwijld naar Barcelona over te brengen. Hierop keerde hij zich weder tot zijn gast en liet zich in een gesprek met hem in, dat hem al zeer spoedig van des edelen ridders volslagen verstandsverbijstering overtuigde.Drie dagen en drie nachten bleef Don Quichot bij Roque Guinart te gast, en de hoofdman had al dien tijd overvloedig stof tot lachen. Toen hij den dolenden ridder eindelijk moe werd en ook de dag naderde, waarop Don Quichot in Barcelona moest verschijnen, ging hij met dezen op weg en bracht hem en den schildknaap tot dicht onder de muren van de stad. Hier nam hij afscheid en gaf den held aan zijn noodlot en aan de handen zijner vrienden over, die hij wel wist, dat hem zeer spoedig opsporen zouden. Terwijl hij naar het gebergte terugkeerde, naderden ridder en schildknaap de poort der stad en reden dood op hun gemak de eerste de beste straat op, over wier fraaiheid zij zich niet weinig verwonderden.Toen zij nu de huizen en de golvende volksmenigte met verbaasdeoogen aanstaarden, kwam eensklaps een rijk gekleed man met eenige volgelingen op hen toe, bleef voor Don Quichot staan en riep met alle teekenen van de grootste blijdschap:“Ha, welkom, welkom in onze goede stad, gij pronkstuk en kompas van heel de dolende ridderschap! Welkom, edele held Don Quichot! Wees gegroet en bewonderd door een vurigen bewonderaar van uwe ongehoorde dapperheid!”Bij deze woorden van den onbekende maakten deze en zijn geleide eene behendige zwenking en brachten zoo Don Quichot in hun midden. Deze wendde zich koelbloedig tot Sancho Panza en zeide: “Zie nu, mijn vriend, hoe wijd de faam van mijn heldenmoed zich verbreid heeft; want deze lieden hebben ons op het eerste gezicht herkend, ofschoon zij ons nooit te voren kunnen gezien hebben.”Intusschen kwam de onbekende nog nader en noodigde Don Quichot beleefd uit, hem in zijne woning te volgen. “Ga met ons, genadige heer!” sprak hij. “Wij zijn allen uwe dienaren en de beste vrienden van Roque Guinart, die ons van uwe aankomst verwittigd heeft.”“Gij zijt een zoo beleefd man, heer ridder,” antwoordde Don Quichot, “dat ik uwe heusche uitnoodiging onmogelijk afslaan kan. Breng mij, waarheen gij wilt; ik zal geen anderen wil hebben dan den uwen.”De vreemde boog diep en bracht zijn paard aan zijne zijde. Terwijl zij nu langzaam door het gewemel der straten voortdrongen, wilde het ongeluk, dat twee ondeugende straatbengels hun in den weg kwamen en met onzen Don Quichot en zijn schildknaap wakker den draak begonnen te steken. Een hunner lichtte Grauwtjes, de ander den staart van Rocinante op, waarna beiden daar met goochelaarsvlugheid een handvol stekelachtige distels onder wisten te schuiven. Zoodra de arme dieren nu deze vreemde sporen voelden, trokken zij hunne staarten vast aan het lijf en verergerden daardoor hunne pijn zoozeer, dat zij als dol en razend heen en weer sprongen en eindelijk hunne toch al niet bijster zadelvaste berijders hals over kop in het stof wierpen. Don Quichot richtte zichbeschaamd en hevig verstoord op, om Rocinante van de oorzaak zijner kwelling te bevrijden, en riep Sancho Panza toe, met zijn ezeltje hetzelfde te doen. Hierop bestegen zij hunne kleppers weder en keken naar de jonge deugnieten, die hun die poets gespeeld hadden, om. De ondeugende bengels hadden zich echter lang geborgen, zoodat Don Quichot zonder hen gekastijd te hebben zijn weg vervolgen moest. Weldra kwam hij met zijn begeleider in diens huis, waar hij terstond bij zijne intrede door de talrijke dienaren met luide juichkreten en eene ruischende muziek werd verwelkomd, al ’t geen den goeden ridder in niet geringe mate streelde en met aangename aandoeningen vervulde.Don Quichots gastheer heette Don Antonio Moreno en was een rijk en aanzienlijk man. Zoodra hij den held onder zijn dak zag, was hij er op bedacht, diens dwaasheden aan den dag te brengen, zonder dat de leeuwenridder er iets van merkte; want zijn gast te krenken of zeer te doen, was in geenen deele zijne bedoeling.Vooreerst leidde hij hem aan tafel en onderhield zich met hem op eene wijze, die, zonder hem te beleedigen, voor al de gasten uiterst vermakelijk was, en daarop ging hij met hem in een afgelegen vertrek, waarin niets dan een tafel van jaspis stond, die door een voetstuk van dezelfde stof werd gedragen. Op die tafel stond een reusachtig menschenhoofd van metaal, waarop Don Moreno zijn gast al dadelijk opmerkzaam maakte.“Dit hoofd, heer,” sprak hij, “is vervaardigd door een der grootste toovenaars, die ooit op aarde bestaan hebben. Het bezit de eigenschap van op iedere vraag, die men het in het oor zegt, te antwoorden, en het doet mij leed, dat ik u hier niet oogenblikkelijk van overtuigen kan. Maar ’t is vandaag Vrijdag en juist op dezen dag is het hoofd stom. Morgen echter, zoo gij dat goedvindt, zullen wij er de proef van nemen en zult gij zien, dat ik de volle waarheid heb gesproken.”Don Quichot was over deze begaafdheid van een levenloozen metalen kop zoo zeer verwonderd, dat hij zijn gastheer bezwaarlijk gelooven kon. Daar de proef op de som echter zoo spoedig geleverd zou worden, gaf hij zijne ongeloovigheid niet te kennen, maardankte Don Moreno, dat die hem met zulk een merkwaardig tooverwerk had bekendgemaakt. Zij verlieten het vertrek en keerden naar het overige gezelschap terug, dat zich onderwijl met Sancho Panza’s grappen en kluchtige vertellingen niet weinig vermaakt had.Tegen den avond werd een wandelritje gedaan. Don Quichot was niet gewapend, maar droeg over zijne gewone kleeding een wijden zwaren mantel van donkere stof, die hem niet weinig zweetdroppels afperste. Ook bereed hij heden niet zijn Rocinante, maar een fraai, kloek muildier, dat bijzonder net en sierlijk was opgetuigd. Toen men hem den mantel omwierp, spelde men hem, zonder dat hij er iets van merkte, een blad perkament op den rug, waarop met groote letters geschreven stond: “Dit is de ridder Don Quichot van La Mancha.”Toen men nu de straten doorreed, trok dat groote plakkaat natuurlijk ieders oogen tot zich. De menschen lazen hardop: “Dit is de ridder Don Quichot van La Mancha!” En Don Quichot, die dit hoorde, verwonderde zich zeer, dat iedereen hem zoo goed kende en bij zijn naam wist te noemen. Verbaasd wendde hij zich tot Don Moreno, die aan zijne zijde reed, en sprak:“Wat is het toch aangenaam een dolend ridder te zijn, en in alle hoeken en einden der aarde bekend en beroemd te worden! Zie maar, beste heer, tot zelfs de dartele straatjeugd in deze stad kent mijn persoon en moet zeker ook met mijne roemrijke daden bekend wezen.”“Natuurlijk, en dat is ook geen wonder,” antwoordde Don Moreno hoogst ernstig, schoon hij moeite had zijn lachlust te onderdrukken. “Gelijk het vuur niet verborgen en onderdrukt worden kan, zoo blinkt en schittert ook de verdienste, welke de man zich door heldenmoed en dapperheid verworven heeft.”Intusschen werd het gedrang om Don Quichot heen toch zoo erg, dat men hem het plakkaat heimelijk weer afnemen en naar huis terugkeeren moest. Daar was een prachtige avondmaaltijd aangericht, en tot diep in den nacht vermaakte de ridder met zijn dolle, dwaze en ongerijmde redeneeringen het gansche gezelschap.Tegen den volgenden dag, wanneer het betooverd menschenhoofdzijne kunsten vertoonen moest, had Don Moreno verschillende bevriende families genoodigd. Daar was niemand onder, die iets van het eigenlijke geheim van dat hoofd wist, dan twee jonge ridders, aan wie Don Moreno het ontdekt had. Het was een kunstwerk, dat van een vindingrijkheid en vernuft getuigde, die ieder versteld deden staan.De eerste, die het oor van het hoofd naderde, was Don Moreno zelf. Met zachte stem, maar toch zoo luid, dat ieder zijne woorden verstaan kon, vroeg hij: “Kunt gij mij ook zeggen, hoofd, met welke gedachte ik mij op dit oogenblik bezighoud?”Het hoofd, zonder de lippen te bewegen, antwoordde met heldere stem: “Over gedachten oordeel en spreek ik niet.”De toehoorders waren ten toppunt van verbazing, te meer daar zij overtuigd waren, dat in het gansche vertrek of althans in de nabijheid van de tafel geen menschelijk wezen was, dat had kunnen antwoorden.“Kunt gij mij eenige personen noemen, die zich in dit vertrek bevinden?” vroeg Don Moreno weder.“Gij en uwe vrouw zijn hier,” sprak het hoofd met dezelfde duidelijkheid; “buitendien zijn twee vrienden met hunne echtgenooten tegenwoordig, verder de bij uitnemendheid beroemde ridder Don Quichot van La Mancha, en eindelijk nog Sancho Panza, zijn trouwe schildknaap.”De bewondering der toeschouwers maakte voor schrik en ontzetting plaats, die enkelen de haren te berge deed rijzen. Don Moreno trad nu echter achteruit en zeide: “De hier door mij genomen proeven overtuigen zeker iedereen, dat de toovenaar, wien ik dit hoofd afkocht, mij niet heeft bedrogen. Wie nog lust heeft, eene vraag te doen, trede nader.”Oogenblikkelijk trad eene jonge vrouw op het hoofd toe en vroeg: “Wat moet ik doen, om recht schoon te worden?”“Wees goed en deugdzaam,” luidde het antwoord.De dame trad terug, en een jong man richtte tot het wonderhoofd de vraag: “Wie ben ik?”“Dat weet gij zelf!” werd hem geantwoord.“Dat is waar,” sprak de ridder; “maar wilt gij mij niet zeggen, of gij mij kent?”“Ik ken u,” antwoordde het hoofd; “gij zijt Don Pedro Noviz.”“Goed, goed; meer verlang ik niet te hooren,” riep de jonge man en scheen niets van het geval te begrijpen.“Zeg, hoofd, welke wenschen voedt mijn zoon?” vroeg een oud-achtig ridder, die insgelijks was toegetreden.“Ik oordeel eigenlijk niet over wenschen,” klonk de stem uit het hoofd; “alleen kan ik u zeggen, dat uw zoon u wenscht te begraven.”“Dat kan ik zelf wel zoo wat half begrijpen!” zeide de oude ridder wrevelig. “Maar genoeg, genoeg; ik vraag niet meer.”Don Moreno’s vrouw trad nu toe en zeide: “Ik wensch niets anders te weten, dan of ik mijn edelen echtgenoot nog recht vele jaren zal mogen bezitten?”“Dat zult gij,” antwoordde het hoofd. “Uw gemaal zal nog jaren lang leven, want hij is gezond, matig en deugdzaam.”“En hoor dan nu mijne drie vragen, wijs hoofd!” vroeg eindelijk Don Quichot.“Kunt gij mij ook zeggen, of het waarheid of een droom was, wat mij in de grot van Montesinos is overkomen?—Kan ik mij op Sancho Panza’s zelfkastijding gerust verlaten?—En eindelijk, zal mijne edele gebiederes Dulcinea ooit onttooverd worden?”“Van die grot zwijg ik,” antwoordde het hoofd. “Met Sancho Panza’s geeseling zal het langzaam vooruitgaan; maar eindelijk zal de aanminnige Dulcinea van Toboso u toch in haar vollen glans weer verschijnen.”“Verder verlang ik niets te weten,” zeide Don Quichot en trad terug. “Maar gij, Sancho Panza, wilt gij het hoofd niet eene vraag voorleggen?”“Ei, te vragen had ik genoeg, maar ik wil ’t kort maken,” zei Sancho. “Hoor dan eens, heer kopstuk! Zal ik het nog weer eens tot een stadhouderschap brengen, of zal ik schildknaap blijven? En dan nog—zal ik ooit vrouw en kinderen weerzien?”“Stadhouder of regent zult ge in uw eigen huis zijn, waar ge ook vrouw en kinderen weerziet, als ge daarheen terugkeert. Voor’t overige zult ge ophouden schildknaap te blijven, zoodra gij het dienen van een heer hebt opgegeven.”Hiermede eindigden de vragen en antwoorden, en allen, tot op Sancho na, waren verbaasd over het wonderbare en de wijsheid van dat hoofd. Sancho daarentegen bromde wat in zijn baard, daar de verkregen antwoorden maar half naar zijn zin waren geweest.Voordat wij verder gaan, moeten wij hier het wonder van dat sprekend hoofd verklaren.Het blad en de voet van de tafel namelijk waren van hout, waaraan men door beschildering en verlakking het aanzien van jaspis had weten te geven. Het hoofd was hol en hol waren ook de voet en het blad van de tafel, in welk laatste het hoofd zoo kunstig ingezet was, dat men geen teeken van verbinding bemerken kon. De voet van de tafel stond in verband met de keel en de borst van het hoofd, en dit alles weer met een vertrekje, dat onder de kamer met het hoofd was gelegen. Door de holte van voet, tafel, keel en borst liep eene zeer kunstig aangebrachte blikken buis of pijp, die voor niemand zichtbaar was en zich tot diep in het benedenvertrekje uitstrekte. Hier nu stond de persoon, die de antwoorden had te geven. Om de gedane vragen te verstaan legde hij zijn oor aan de opening van de buis, en hij antwoordde door zelf in de buis te spreken.Een neef van Moreno had zich, na nauwkeurig van alles onderricht te zijn, met de rol van het orakel belast en die, gelijk wij gezien hebben, uitmuntend volgehouden.Verscheiden dagen verliepen. Don Quichot werd steeds zeer voorkomend behandeld en voelde zich volmaakt tevreden en gelukkig. De kleine, onschuldige parten, die men hem speelde, bemerkte hij niet, daar Don Moreno met scherp oog over hem waakte en zorgde, dat niemand hem te na kwam.Daar gebeurde het op een morgen, dat hij met Sancho Panza in volledige wapenrusting een ritje langs de haven deed en hier een ridder ontmoette, die, evenals hij, van top tot teen gewapend was en eene zilveren maan als wapenteeken op zijn schild droeg.Deze vreemde ridder reed recht op Don Quichot toe en zeide, genaderd zijnde, met ridderlijke hoffelijkheid:“Doorluchtige, glansrijke en wijd en zijd vermaarde Don Quichot van La Mancha, zie in mij den ridder van de zilveren maan, wiens faam denkelijk ook reeds tot uwe ooren is doorgedrongen. Ik ben gekomen, om met u te kampen en de sterkte van uw arm te ondervinden, daar ik u tot de bekentenis wil dwingen, dat mijne dame schooner en edeler dan Dulcinea van Toboso is. Erkent gij dit vrijwillig, dan moogt gij ongehinderd uws weegs trekken en voor ditmaal den dood ontgaan; zoo niet, gord u aan ten strijde, en de hemel doe de waarheid zegepralen. Ben ik overwinnaar, zoo verlang ik niets anders van u, dan dat gij voor een jaar uwe wapens nederlegt, uwe avontuurlijke tochten staakt en u naar huis begeeft, om in rust en vrede verpoozing te vinden. Ontwapent gij mij, dan zij mijn leven aan uw goeddunken overgelaten, mijne wapens mogen uw buit zijn, en de roem mijner daden zal dienen, om den uwen te verhoogen en ten top te voeren. Overleg, of gij met deze voorwaarden tevreden zijt, en antwoord zonder lang dralen, want heden nog wil ik uw lot en het mijne beslist weten.”Don Quichot voelde zich door deze aanmatigende taal des ridders van de zilveren maan ten ergste beleedigd, en op kalmen, maar vasten en ernstigen toon antwoordde hij:“Heer ridder van de zilveren maan, van wiens daden ik nog geen woord vernomen heb, ik neem uwe uitdaging en uwe voorwaarden aan. Neem uwe plaats in, waar gij wilt! Ik zal hetzelfde doen, en dan mag in Sint Pieters naam de kamp beginnen.”Terwijl de beide ridders hunne plaatsen innamen, naderde Don Moreno met verscheiden vrienden en vroeg, om welke reden de tweekamp wezen zou. De ridder van de zilveren maan verklaarde hem dat, en wijl Don Moreno dadelijk eenige guiterij vermoedde en geen groot gevaar voor zijn gast vreesde, liet hij de zaak haar vrijen loop.“Daar er geen ander middel bestaat, toont dan in ’s hemelsnaam wat gij kunt, mijne heeren!” zeide hij glimlachend. “Ik zal mij, met uw goedvinden, tot kamprechter opwerpen.”De beide ridders dankten Don Moreno en maakten zich tot den aanval gereed. Don Quichot riep de bescherming van zijne Dulcinea in, en nam hierop nog een weinig meer veld, daar hij zag, dat zijne tegenpartij datzelfde deed. Hierop wendden beiden hunne rossen en stormden met geweld op elkaar in.Daar nu het paard van den ridder der zilveren maan veel flinker en lichter ter been was, dan de stijve, half lamme Rocinante, bereikte de ridder Don Quichot, voordat deze een derde van de renbaan had doorloopen, en trof hem met zoo vreeselijk geweld, dat ruiter en ros in een ommezien over elkaar heen tuimelden en zich lagen te wentelen in het stof. Terstond boog nu de ridder van de maan zich over Don Quichot heen, zette hem zijne lans op de borst en sprak:“Gij zijt overwonnen, ridder, en moet sterven, indien gij de voorwaarden van onzen kamp niet dadelijk aanneemt.”Hoewel bitter gekneusd en bijna van zijne zinnen beroofd, bracht Don Quichot toch, zij ’t al met zwakke en trillende stem, de koene woorden uit: “In spijt van uwe lans beweer ik, dat Dulcinea van Toboso de schitterendste schoonheid op den wijden aardbodem is, niettegenstaande ik van mijzelven erkennen wil, dat mijne zwakheid en mijn ongeluk mij verhinderd hebben, deze waarheid zegevierend staande te houden. Grijp dan nu uwe lans, ridder, en beroof mij van mijn leven, gelijk gij mij reeds mijn eer en mijn roem ontnomen hebt.”“Dat zij verre van mij,” antwoordde de ridder van de zilveren maan. “Leve jonkvrouwe Dulcinea van Toboso, en moge zij ten eeuwigen dage als roem en bloem der schoonheid en volmaaktheid gehuldigd worden. Ik voor mijn deel ben ten volle tevredengesteld, wanneer gij u voor een jaar naar uwe woonplaats wilt terugbegeven en van uw avontuurlijk leven afzien.”“Welaan, dat wil ik beloven, omdat het niet tot nadeel van mijne verheven gebiederesse strekt,” antwoordde Don Quichot al kreunend en zuchtend. “Ik wil dat beloven, en als een trouw, eerlijk en braaf ridder mijn woord in alles gestand blijven.”Na het ontvangen van deze toezegging wierp de ridder der zilverenmaan zijn paard om, maakte voor Don Moreno en zijn geleide eene beleefde buiging en reed heen in galop.Onderwijl werd de gevelde dolende ridder van den grond opgetild, zijn gelaat ontdekt en hem de helm afgenomen. Hij droop van zweet en was doodsbleek. Rocinante was zoo deerlijk gehavend, dat hij geen poot verzetten kon, en Sancho Panza toonde zich zoo bijster bedroefd en neerslachtig, dat men puur niet wist, wat met den armen sukkel aan te vangen. Sancho dacht, dat alles een droom of een werk van booze toovenaars en heksenmeesters was, nu hij zijn dapperen heer daar zoo uit den zadel gelicht, tegen den grond gekwakt en verplicht zag, om voor een rond jaar wapens, zwaard en lans neer te leggen. Dat leek hem ongehoord, ongeloofelijk toe. Lijdelijk zag hij toe, hoe Don Quichot in een draagkoetsje gepakt en naar de stad teruggebracht werd, terwijl hij zelf langzaam en met een bedrukt harte volgde.Wij moeten nu verklaren, wie eigenlijk de ridder van de zilveren maan en wat zijne bedoeling was. Don Moreno vernam dat eerst, toen hij in al de logementen der stad naar hem vroeg, hem vond en de volgende opheldering van hem verkreeg:“Gij moet weten, mijnheer, dat ik Sanson Carrasco heet en een landsman van onzen ridder Don Quichot ben. Zijne gekheid ging mij en allen, die hem kenden, aan het hart, en daar ik het er voor hield, dat alleen ongestoorde rust in zijn eigen huis hem van zijne dwaze inbeeldingen genezen kon, ontwierp ik een plan, om hem die te verschaffen. Eerst ging ik, als spiegelridder verkleed, op weg, om met hem te vechten en, bleef ik overwinnaar, hem de belofte af te dwingen, dat hij voor een bepaalden tijd zijne tochten opgeven en naar huis terugkeeren zou. Het geluk liep mij echter tegen, want ik werd de onderliggende partij en bracht er met moeite het leven af. Evenwel liet ik mij door dien eersten tegenspoed niet afschrikken, maar verschafte mij nieuwe wapens en een beter paard, volgde het spoor van den goeden man en vond hem eindelijk hier, waar ik mijn doel bereikte. Dit is alles, wat ik u te vertellen heb, en ik verzoek u dringend, Don Quichot niet te verraden, met wien hij gevochten heeft, daar ik dan eenvergeefsch werk zou gedaan hebben. Onze vriend moet echter zijn verstand terugkrijgen, daar hij op die dwaze inbeeldingen en kuren na de beste en braafste mensch van de wereld is.”Don Moreno beloofde het diepste stilzwijgen en Sanson Carrasco verliet nog dienzelfden dag de stad.Onderwijl bleef Don Quichot zes dagen te bed liggen, was verdrietig, somber en nadenkend, en kon zijn ongelukkig gevecht met geen mogelijkheid uit het hoofd zetten. Sancho Panza zocht hem te troosten, zoo goed hij maar kon.“Beste heer,” sprak hij, “laat den moed niet zinken en steek het hoofd maar weer op. Het ding is nog vrij gezegend afgeloopen, en al hebt ge al een harden smak gekregen, toch zijn al uwe ribben nog heel. Kom, laat ons naar huis terugkeeren en ons alle avonturen uit het hoofd zetten. Troost u met mij en bedenk, dat ik er in den grond nog bekaaider afkom, dan gij. Dat stadhouderschap mag naar de maan loopen; maar ’k had toch wel graaf of zoo wat willen worden. Doch hoe is daar kans op, nu gij naar huis moet en op uw koningschap weinig hoop meer is? Door uw ongeluk hebt ge meteen mijn spel voor altijd verbroddeld.”“Zwijg, Sancho!” antwoordde Don Quichot op knorrigen toon. “Hoe kunt ge zulke onnutte jammerklachten aanheffen, daar ge wel weet, dat ik mijn heldenleven toch maar voor één jaar opgeven moet? Is die tijd voorbij, dan grijp ik weer naar lans en zwaard en, onder ’s hemels zegen, zal een koninkrijk dan wel niet uitblijven. Maar anders hebt gij gelijk. Ik wil alle donkere gedachten uit mijn hoofd zetten en zonder verwijl op reis gaan naar huis. Zadel Rocinante en uw ezel, en pak mijne wapens op uw grauwtje, daar ik die nu toch een jaar lang niet dragen mag.”Sancho kuierde te voet bij hem aan, daar zijn langoor de wapens van den ridder moest dragen.Sancho kuierde te voet bij hem aan, daar zijn langoor de wapens van den ridder moest dragen.Ten hoogste verblijd, ging Sancho Panza heen, om aan de bevelen van zijn meester te voldoen. Deze zelf kwam uit zijn bed kruipen, trok zijn lederen kleeding aan en ging Don Moreno opzoeken, om dien edelen man voor zijne gastvrijheid te danken. Don Moreno omarmde hem hartelijk en wenschte hem allen bedenkelijken zegen en voorspoed. Daarop besteeg de dolende ridder Rocinante, en Sancho Panza kuierde te voet bij hem aan, daarzijn langoor de wapens van den ridder moest dragen en hij ’t goede beest niet te zwaar belasten wou.Zoo verlieten de beiden Barcelona, waar onzen ridder door zijne nederlaag ’t zwaarste leed had getroffen, dat hem, naar zijne gedachten, ooit op aarde kon overkomen.

Hoofdstuk XXII.Het stadhouderschap neemt een einde.Verscheidene dagen gingen voorbij, en de arme Sancho werd, in plaats van met krachtige en gezonde spijzen, bijna alleen met terechtzittingen en vervelende twistvragen gevoêrd. En toen hij in den zevenden nacht zijner regeering op zijn prachtig staatsieledikant lag en de zachte slaap hem niettegenstaande zijn honger juist de zware oogleden toedrukken wou, vernam hij op eens een vreeselijk alarm en hoorde het luiden der klokken met zulk een geschreeuw en rumoer, dat hij meende, dat de ondergang der wereld, of althans van zijn eiland, voor de deur stond. Hij rees verschrikt overeind en luisterde scherp toe, om zoo mogelijk de oorzaak van al dat spektakel te vernemen. Het al luider wordend getier, waaronder zich nu ook het geluid van trommen en trompetten mengde, maakte hem geheel verbijsterd, en half zinneloos van schrik en angst, was hij met een geweldigen sprong op de been, trok zijne pantoffels aan, vloog naar de deur van zijn vertrek, rukte die open en zag nu meer dan twintig personen, die van verschillende kanten metbrandende fakkels en ontbloote zwaarden toesnelden. Zoodra zij den sidderenden Sancho zagen, riepen zij met luider stem: “Te wapen! Te wapen! Op, heer stadhouder! Tallooze vijanden overstroomen het eiland, en zoo uw krijgsbeleid en uwe dapperheid ons niet redt, zijn wij reddeloos verloren! Grijp de wapens op!”“Maar lieve tijd, waar zal ik mij mee wapenen?” huilde Sancho het uit. “Ik heb van wapens en van vechten heel geen verstand, en ’k stel dus voor, die dingen liever aan mijn heer Don Quichot over te laten, aan wien dat beter toevertrouwd is. Mij, arme sukkel van een schildknaap, staan de handen daar heel verkeerd toe.”“Geen uitvluchten! Geen bezwaren!” schreeuwden al de heeren als met ééne stem. “Hier brengen wij u wapens; wapen u daarmee en stel u dan als aanvoerder aan onze spits. Dat komt u toe en gij moet het, want gij zijt onze stadhouder.”“Nu, wapen mij dan in ’s hemelsnaam maar,” antwoordde Sancho en gaf zich lijdelijk aan zijn lot over.Terstond namen de mannen nu twee groote schilden, die zij, daar de heele historie weer een afgesproken stukje was, al meegebracht hadden, en bonden daarvan het een vóór, ’t ander achter aan Sancho’s dikke lichaam vast, waarna zij zijne armen door een paar daarin gesneden gaten trokken en de schilden zoo vast bonden, dat hij tusschen de planken als ingemetseld zat en geen stap vooruit doen, noch ook de knieën buigen kon. Hierop gaven zij hem eene lans in de hand, waarop hij steunen moest, om zich op de voeten te kunnen houden, en vervolgens zeiden zij, dat hij nu maar voor hen uit moest stappen, als hun aanvoerder, en hun door zijne dapperheid moed inboezemen. Wanneer hij zich aan het hoofd des legers wilde stellen, zou de overwinning hun nooit betwist kunnen worden.“Maar om ’s hemelswil!” schreeuwde de ongelukkige ridder in de klem; “hoe zal ik dan gaan en vooruitkomen, daar ik niet eens de knie buigen en geen lid van mijn lijf roeren kan? Als ik voorwaarts zal en moet, neemt mij dan op uwe armen en zet mij ergens op een punt, dat ik met mijne lans verdedigen kan. Dit wil ik met hart en ziel doen, maar meer kan men van een tusschen planken ingeklemd mensch niet verlangen.”“Vooruit, al vooruit, heer stadhouder!” riepen daarop de mannen. “Niet die planken hinderen u, maar de vrees voor den vijand is het, die de u knieën knikken doet. Er is al veel tijd verzuimd, de macht der vijanden groeit aan, ’t gevaar wordt al grooter en grooter. Vooruit, vooruit dan, heer stadhouder!”Om deze beschuldigingen te ontgaan en de zich tegen hem verheffende stemmen tot zwijgen te brengen, deed de ongelukkige Sancho Panza werkelijk eene zwakke poging om zich van de plaats te bewegen. Zonder zich staande te kunnen houden, plofte hij echter met zulk een geweldigen bons voorover, dat hij een oogenblik meende, dat hij al zijne beenderen stuk had gevallen. Daar lag hij dan nu en bleef liggen, als een schildpad, die men de pooten heeft afgesneden. Geen mensch hielp hem op of had medelijden met hem; veeleer werden de fakkels terstond uitgedaan, een nieuw krijgsgeschreeuw ging uit de rauwe kelen op, de kreet “Te wapen!” werd onophoudelijk herhaald, en eindelijk liep zelfs de geheele schaar over den armen Sancho Panza heen, waarbij ieder in ’t voorbijgaan een zwaren zwaardstomp of slag op zijn plankenharnas liet neerkomen. Zoo de arme stadhouder zich niet als een schildpad had ingetrokken, zoo hij niet hoofd en voeten onder zijne schaal verborgen had, zou ’t leelijk met hem zijn afgeloopen. Zoo echter kwam hij er met eenig angstzweet en eenige schrammen en builen nogal boven verwachting goed af.Intusschen daagden telkens nieuwe krijgers op. Eenige strompelden over Sancho heen, andere tuimelden werkelijk op hem neer, en eindelijk was er zelfs een, die eene geruime poos op hem bleef staan trappelen en van dit standpunt, als van een toren, het gevecht scheen te leiden, daar den moed der zijnen met bezielende woorden aanvurende.“Hier, dappere mannen!” riep hij met donderende stem. “Hier is de strijd het heetst. Hierheen, die een hart in ’t lijf hebt! Verdedigt dat poortje daar! Sluit de valpoort daar ginder! Werpt de stormladders om en laat de beklimmers in de gracht tuimelen! Granaten hier! Hier pek en hars en kokende olie!—Wakker, mannen! Slaat dood, die te na komt!”Op deze wijze ging het eenigen tijd voort, daar de aanvoerder orders gaf en alle maatregelen scheen te nemen, om een heftigen aanval van het stadje en het slot af te slaan. Sancho hoorde elk woord en onderwierp zich lijdelijk aan zijn zwaar lot.“Mocht de hemel toch maar geven, dat het eiland verloren ging,” zuchtte hij, “en dat de vijanden mij doodsloegen of althans uit deze harde gevangenis bevrijdden!”Een half uur verliep weer; doch toen scheen eindelijk zijn wensch om verlossing uit zijn benauwden toestand verhoord te worden. Hij hoorde luide stemmen en den blijden kreet:“Victorie! Victorie! De vijand is overwonnen! Heer stadhouder, op! Sta op en verheug u over uwe overwinning! Kom, en verdeel den onmetelijken buit, die door uwe dapperheid den vijand is afgenomen!”“Helpt mij weer op de beenen!” kreunde de overwinnende held met klagende stem.Men hielp hem overeind, en toen hij weer eenigszins vast op zijne voeten stond, zeide hij: “Den vijand, dien ik overwonnen heb, wil ik met huid en haar opeten, of ’k mag lijden, dat ge hem den nek omdraait. Ik verlang geen buit van den vijand; maar als een mensch hier in de nabijheid maar een sikkepitje medelijden of vriendschap in zijn hart heeft, laat hem mij dan een slok wijn geven en mij ’t zweet afdrogen, want ik smelt bijna tot klaar water weg.”Op deze smeekende bede werd hem wijn gereikt. Men droogde hem af en bond de schilden los, waartusschen hij had vastgeklemd gezeten. Toen hij zich weer vrij roeren kon, waggelde hij naar zijn ledikant toe, en hij had dat pas bereikt, of hij lag in diepe onmacht.Toen de deelhebbers aan de klucht dit bemerkten, werden zij ongerust en vreesden, dat de dolle comedie den armen schildknaap wel eens het leven kon kosten. Onze brave Sancho kwam echter spoedig weer bij, en zoo had die bezorgdheid dan ook een einde.“Hoe laat is het?” vroeg de lijder met zwakke stem.“Het daglicht zal spoedig aanbreken,” antwoordde men hem.Hierop stond Sancho zonder een woord te spreken van zijn ledikant op en begon zich aan te kleeden, en niemand waagde het, hem een woord te zeggen, ofschoon allen even nieuwsgierig waren, hoe de geheele geschiedenis afloopen zou.Na zich in de kleeren te hebben gestoken, ging Sancho langzaam naar den stal en scheen er zich niet om te bekommeren of men hem volgde of niet. In den stal gekomen, trad hij zelf op zijn ezel toe, omarmde het trouwe dier, drukte het een kus op den ruigen kop en zei, terwijl de gulle tranen hem bij de wangen neerstroomden:“Kom hier, mijn oude vriend en makker, die alle lasten en lusten met mij gedragen hebt. Zoolang wij ons aan elkaar hielden, wist ik van geen zorg, en ik kan in waarheid zeggen, dat toen mijne jaren, mijne dagen en mijne uren gelukkig waren. Sinds ik u verliet, heb ik maar altijd met ergernis, moeite en kommer te kampen gehad, en ik wil daarom alle eerzucht entrotschheidvan mij afzetten en de ongelukkige zucht, om het tot wat hoogers te brengen, met kracht in mijne borst verstikken.”Onder deze woorden zadelde hij zijn ezel, zonder dat iemand zich daartegen verzette, steeg, daar hij half lam en kreupel getrapt was, met moeite op en voegde den hofmeester, den secretaris, dokter Recio en anderen, die om hem stonden, de woorden toe:“Mijne heeren, ik verzoek u, maakt plaats voor mij, opdat ik tot mijne oude vrijheid terugkeeren kan. Ik wil uit mijn tegenwoordigen dood opstaan en mijn vroeger leven weder opzoeken. Tot stadhouder ben ik nu eens voor al niet geboren, en hoe men eilanden en steden tegen een oprukkenden vijand verdedigen moet, daarvan heb ik geen verstand. Ik weet meer van spitten, graven en wingerd snoeien dan van wetten geven en vreemde rechtzaken beslissen. Ik wil liever schrale aardappelsoep eten dan aan een rijk bezette tafel zitten, voor de kostelijkheden, waarvan ik niets over de lippen mag nemen, zoodat ik te midden van den overvloed van honger omkom. Ik wil liever in vrijheid gebrek lijden, dan in slavernij op zijden kussens rusten. God zij met u, heeren! Zegt aan uwen hertog, dat ik hier armgekomen ben en ook arm weer weggegaan. Ik heb niets gewonnen en ook niets verloren, en mij dus althans aan geen schelmerij en afpersingen schuldig gemaakt. Gaatopzijen laat mij den weg vrij; want waarachtig, ’t wordt tijd, dat ik naar mijne ribben laat zien, waarvan in dezen stormachtigen nacht zeker een stuk of wat gebroken zijn.”“Heer stadhouder, neen, dat mag niet gebeuren,” zeide Recio, de lijfarts. “Gij moogt niet weg, voordat ik zelf uw toestand onderzocht heb, en ik beloof u, mijn uiterste best te zullen doen, om u ten spoedigste van alle pijnen en kwetsuren te bevrijden. Ook geef ik u mijn woord, dat gij voortaan vergunning zult hebben, om alles te eten en te drinken, wat uw hart maar begeert.”“Te laat, te laat!” antwoordde Sancho. “Gij komt te laat, vrienden. Ik laat mij nu zoo weinig van mijn voornemen afbrengen, als ik ooit een Turk worden wil. Liever dan in dit verwenschte stadhouderschap blijven, wil ik zonder vleugels ten hemel vliegen. Neen, neen! Ik ben uit het geslacht der Panza’s, die een hardnekkig geslacht zijn. Als die eens zeggen, dat een ding krom is, dan moet het krom blijven, al zei de heele wereld anders, en al was ’t ook zoo recht als een lamsstaartje. Ik moet weg, heeren; maakt mij dus ruimte, want iedere minuut, die ik nog hier blijf, wordt mij een nagel aan mijn doodkist.”“Genadige heer,” nam nu de hofmeester het woord, “wij zouden u zonder tegenspraak gaan laten, ofschoon wij uw helder verstand en uitstekend voorbeeld ongaarne missen; maar ’t zal u bekend zijn, dat ieder stadhouder voor het neerleggen van zijn ambt rekenschap van zijn beheer moet geven. Voldoe aan deze verplichting, en ga, als gij u toch niet wilt laten terughouden.”“Niemand kan zoo iets van mij verlangen, als niet de hertog zelf het gebiedt,” antwoordde Sancho. “Tot hem ga ik, en aan hem zal ik rekenschap afleggen, zooveel hij maar verkiest. Van u echter heb ik geen getuigenis noodig, want dat ik mij niet verrijkt en in alle onschuld geregeerd heb, weet gij even goed als ik zelf ’t weet.”“Bij den hemel, Sancho heeft recht!” riep Recio, de lijfarts. “Ikvoor mij stem er voor, dat wij hem in vrede laten trekken, want de hertog zal brandend verlangen hem weer te zien.”Al de anderen waren het met den dokter eens, verklaarden, dat men den stadhouder moest laten trekken, en boden aan, hem van al, wat hij op reis noodig had, ruim en rijkelijk te voorzien.“Ik heb alleen maar wat haver voor mijn grauwtje, en wat brood en kaas voor mijzelf noodig, en van een en ander ben ik al voorzien,” zeide Sancho. “De weg, dien ik af te leggen heb, is niet lang, en daarom zou meer pakkage mij maar lastig wezen.”Na deze woorden nam hij afscheid, omhelsde de achterblijvenden, werd door hen omarmd, en liet hen eindelijk verbaasd over zijne zielsgrootheid, levenswijsheid en standvastigheid staan.Sancho Panza reed langzaam voort, totdat hij het landgoed van den hertog tot op ongeveer eene halve mijl was genaderd. Hier liet hij zich van zijn grauwtje glijden, legde zich onder een boom en overpeinsde, wat hij zijn meester Don Quichot en den hertog en de hertogin al zoo vertellen zoude. Terwijl hij hierover nadacht, overviel hem de slaap, en daar hij den ganschen voorgaanden nacht geen oog had toegedaan, werd hij eerst weer wakker, toen de zon al onder en het ten volle donker geworden was. Verschrikt rees hij op, klom weer in den zadel en wou zich zooveel mogelijk haasten, om het hertogelijk slot nog tijdig te bereiken.Terwijl hij nu zoo voortdraafde, wilde het ongeluk, dat hij in de donkerheidopeensmet zijn beest in een diep, donker gat stortte, dat daar tusschen eenig vervallen muurwerk openlag. Onder het vallen meende hij, dat hij den bodem des afgronds wel nooit levend bereiken zou.Intusschen liep het nog al redelijk goed af. Op eene diepte van ruim achttien voet kreeg de ezel vasten grond onder zijne pooten en kwam Sancho op grauwtjes buik te liggen, zonder zich eenigszins van belang bezeerd te voelen. Hij betastte zijne ledematen, onderzocht de stevigheid zijner beenderen, en hield den adem in, om te weten, of hij ook ergens een gat in zijn lichaam was gevallen; echter was zijn lichaam van top tot teen heel gebleven.Eindelijk stond hij op en zocht met de handen in de ruimten desafgronds rond, om zoo mogelijk middelen en wegen te ontdekken, om zonder vreemden bijstand weer uit den kuil te komen. Tot zijn bitter leedwezen waren de wanden echter overal glad en zeer steil, zoodat hij zich over zijne toekomst niet weinig ongerust moest maken. Zijn angst nam nog toe, toen nu ook de ezel, die door den val deerlijk gekneusd en geschaafd was, op jammerlijken toon begon te schreien en te balken. Hij dacht nu niet anders, dan dat hij met zijn geliefd grauwtje in die ongelukkige groeve op ellendige manier van honger, dorst en gebrek zou moeten omkomen.Weeklagend bracht hij den nacht in het gat door, totdat daarin eindelijk het schemerlicht van den aanbrekenden dag doordrong, zonder den braven schildknaap echter veel troost aan te brengen; want bij het schijnsel der zon overtuigde hij zich, dat uit zijne gevangenis te ontkomen zonder vreemde hulp een onmogelijkheid was. Hij begon opnieuw te jammeren en te schreeuwen, en zette zijne stem zooveel mogelijk uit, om een toevalligen voorbijganger van zijn klimmenden nood te onderrichten. Zijn geschreeuw was echter als de stem van een roepende in de woestijn, daar in den ganschen omtrek geen levend wezen dat vernam. Sancho achtte zich dus reddeloos verloren en begon zichzelf als een stervende te beschouwen. Desniettemin bespeurde hij nog iets als medelijden met zijn grauwtje, dat met verdraaide oogen op den grond lag en zijn bek opendeed, alsof het ieder oogenblik een roerend klaaglied dacht aan te heffen. Sancho Panza hielp hem met veel moeite op de been, liet hem, daar hij moeielijk rechtop staan kon, tegen den wand leunen en versterkte hem vervolgens met een stuk brood, dat hij nog uit zijn knapzak opschommelde.“Neem dat maar en eet,” zeide hij, alsof de ezel hem verstaan kon. “Met een goede bete in den mond kan een mensch nogal veel doorstaan, en een ezel zeker ook.”Terwijl grauwtje aan de broodkorst knabbelde, zag Sancho Panza nog eens in zijne gevangenis rond, en ontdekte eindelijk aan de eene zijde eene opening, die juist groot genoeg was, om hem door te laten, als hij zich bukte en zoo klein mogelijk maakte. Hij kromde zijn rug dus, kroop er in en vond, dat de doorgang naareene tamelijk ruime en wijde plaats leidde, waarin, vermoedelijk door een half vervallen dak, de zonnestralen helder en glansrijk neervielen. Bij hun schijnsel bemerkte hij, dat deze ruimte zich tot een hol verwijdde, welks omvang hij nader moest onderzoeken.Allereerst keerde Sancho tot zijn ezel terug, van wien hij onmogelijk scheiden kon, en beproefde de opening zoo veel mogelijk te verbreeden. Met behulp van een zwaren, scherpen steen gelukte dit hem zoo tamelijk goed, en het duurde niet lang, of hij kon er ook grauwtje zonder al te groot bezwaar doorkrijgen. Hij pakte hem dus bij den halster, sleepte hem mee en drong toen verder in ’t hol door, om misschien aan ’t ander eind daarvan een uitgang te vinden. Soms tastte hij in den donker, soms verlichtte een van boven invallende zonnestraal zijn pad; maar nog altijd bleef zijne ziel met angst en bange vrees vervuld.“De hemel sta mij bij!” mompelde hij in zijn baard. “Dat Don Quichot toch maar in mijne plaats was! Hij zou wat mij een ongeluk toelijkt, voor het allergelukkigst avontuur houden, en zeker al deze afgronden en onderaardsche gangen voor bloemtuinen en schitterende paleizen aanzien, waaruit hij op eene of andere heerlijke, bloeiende lustgaarde moest geraken. Ik ongelukkige daarentegen, die meer vrees dan heldenmoed in mijn binnenste bespeur, ik denk bij iederen voetstap, dat zich voor mij een bodemlooze afgrond zal openen, waaruit geen menschelijke macht mij ooit redden kan. O ongeluk, wees verwenscht door hem, dien gij zoo gruwelijk hebt beetgenomen!”Toen hij onder zulke en soortgelijke ontboezemingen zijn weg een goed half uur had voortgezet, ontdekte hij in de verte een helder schijnsel, dat zeker het lieve volle daglicht moest zijn. Vol hoop ging hij daarop aan, en hij hield zich vast overtuigd, dat hij daar den uitweg uit de gruwelijke gangen en spelonken der onderwereld moest vinden.Terwijl Sancho Panza in dat hol omdwaalde, trof het, dat de dappere ridder Don Quichot, die tot nu toe op het slot van den hertog een zeer aangenaam en genoeglijk leven geleid had, zijn nu bij den dag in welgedaanheid toenemenden Rocinante besteeg enuitreed, om eenige uren de frissche lucht te genieten. In diepe gedachten reed hij vooruit, totdat eensklaps Rocinante met de voorpooten zoo dicht bij eene diepe steenkloof kwam, dat hij onwillekeurig een zijsprong deed en den edelen ridder uit zijne droomerijen opwekte. Deze hield zijn paard in, keek naar de kloof om en reed er zoo dicht bij, dat hij er in neerzien kon. Terwijl hij al bespiegelingen maakte, wat die donkere afgrond toch wel in zijn schoot verbergen kon, drong daaruit een dof, diep stemgeluid tot zijn oor door. Hij luisterde scherp en nieuwsgierig en vernam zeer duidelijk de woorden:“Holla daar boven! Is er niet een of ander christenmensch in de buurt, die mij hooren en zich over mij armen zondaar ontfermen kan? Hulp, hulp, schrei ik; hulp voor een ongelukkigen, in de diepte gezakten stadhouder!”Don Quichot was dadelijk overtuigd, dat dit de stem van zijn schildknaap Sancho moest zijn, en bleef een oogenblik stom van verbazing.“Wie is daar omlaag?” riep hij eindelijk. “Wie schreeuwt daar om hulp?”“Ik ben het,” antwoordde de stem uit den afgrond, “ik, de benarde en benepen Sancho Panza, gewezen stadhouder van het eiland Barataria en schildknaap van den beroemden en dapperen ridder Don Quichot van La Mancha.”De verwondering van den dolenden ridder nam bij deze woorden nog toe, en daar hij zijn voormaligen dienaar onmogelijk in zoo zonderlingen toestand kon vermoeden, kwam hij op de gedachte, dat de arme stadhouder moest gestorven zijn, en dat nu diens geest verscheen, die wegens begane zonden in het graf geen rust kon vinden. In deze veronderstelling zeide hij:“Bij alles, wat heilig is, bezweer ik u, verkond mij, wie gij zijt! Zijt gij een boetende ziel, geef mij dan te kennen, wat ik voor u doen moet, en zoo waar ik leef, wil ik alles doen, om u de rust en de ongestoorde zaligheid te verschaffen. Mijne roeping is, de noodlijdenden te helpen en de bedrukten bij te staan, en daarom wil ik ook u beschermen, ook als uw lichaam niet meer op aarde omwandelt.”“Heer,” schreeuwde Sancho Panza, die nu eindelijk de stem zijns meesters herkende, “heer Don Quichot van La Mancha, merkt gij dan niet, dat ik uw schildknaap en in mijn gansche leven nog nooit gestorven ben? Ik heb om redenen, die ik u later wel eens zal vertellen, mijn stadhouderschap verlaten en ben gisterenavond met mijn grauwtje in dit hol gevallen, zooals ’t stomme dier, als het spreken kon, zeker plechtig zou helpen getuigen.”Op ditzelfde oogenblik, juist alsof de ezel verstaan had, wat zijn heer sprak, begon die geducht te schreeuwen en balkte zijn Y-ah zoo luid, dat de gansche grot er van weergalmde.“Sancho, aan uw ezel herken ik u,” riep Don Quichot nu zeer verblijd. “Wacht nu maar een kort poosje en heb geduld, totdat ik terugkom. Ik wil in vliegende vaart naar het kasteel van den hertog rijden, dat dichtbij ligt, en wil volk roepen, om u uit den afgrond op te trekken, waarin uwe zonden u zeker hebben doen neerstorten.”“Zoo gij gaan wilt, edele heer, blijf dan maar niet staan leuteren,” antwoordde Sancho uit de diepte. “Ik ben hier als bij levenden lijve begraven en kom om van angst en benauwdheid.”Don Quichot zette het dadelijk op een galop en deelde de onderaardsche ontdekking aan den hertog en de hertogin mede. Terstond werden de noodige orders aan de dienaren gegeven; men trok, toereikend van ladders en touwen voorzien, naar het hol, en Sancho Panza werd, hij en zijn ezel, met behulp van veel volk en niet zonder groote moeite en inspanning uit zijn onderaardschen kerker opgetrokken. Zonder zich met de menschen, die hem geholpen hadden, in veel praatjes in te laten, trok hij nu met zijn grauwtje naar het slot, waar het doorluchtig paar en zijn niet minder doorluchtige meester hem reeds met groot ongeduld wachtten. Hij ging echter eerst tot hen, nadat hij zijn ezel met zorg van al het noodige had voorzien.“Mijne genadige heerschappen,” sprak hij eindelijk, voor den hertog en de hertogin eerbiedig de knie buigend, “daar ben ik weerom. Het stadhouderen heeft mij in veel opzichten niet recht willen bevallen, en dus vond ik maar beter dat te laten varen; voordat het mij liet varen. Arm ging ik heen, arm keer ik terug,en ik heb niets verloren, dan bijna mijn klein beetje verstand. Ik heb als rechter gezeten, heb processen uitgewezen, en ben daarbij bijkans van honger omgekomen, omdat die wijze dokter Recio uit Tirteafuera dat voor gezond voor mij hield. Bij nacht en ontijd overvielen de vijanden ons, en schoon mijne onderdanen zeiden, dat ik die door mijn heldenmoed weer verjaagd had, zoo weet ik dat toch wel beter en mijne arme ribben kunnen er een droevig klaaglied van zingen. Gisterenmorgen verliet ik het eiland, viel in een diepen, donkeren afgrond, stond uren lang den vreeselijksten doodsangst uit, en zou zoo zeker als wat zijn omgekomen, als mij niet mijn dappere meester tot hulp en troost was toegezonden.—Zoo is ’t met mij gegaan, heer hertog, en eerbiedig leg ik de van u verkregen waardigheid hier weer voor uwe voeten neer. Van mijne hoogte afdalend, keer ik weer in den dienst van mijn ouden heer terug, waar ’k mij althans zat mag eten, wat voor een hongerigen mensch een uitstekend en zeer aangenaam medicijn is.”“Het bedroeft mij diep in de ziel, Sancho Panza,” sprak de hertog, “dat gij ’t regeeren zoo schielijk moe zijt geworden. In allen gevalle wil ik er op bedacht zijn, u een anderen, minder bezwaarlijken, maar des te voordeeliger post aan te wijzen, en ik hoop, dat gij alsdan met uwe doorgestane moeielijkheden en gevaren geheel verzoend zult zijn.”Sancho Panza boog zich, zonder antwoord te geven, en de hertogin gaf orders, dat de arme schildknaap als een prins verpleegd en verzorgd zou worden, daar men hem maar al te goed kon aanzien, hoe bitter hij door zijne kwelgeesten, den lijfarts en den hofmeester, geleden had.

Verscheidene dagen gingen voorbij, en de arme Sancho werd, in plaats van met krachtige en gezonde spijzen, bijna alleen met terechtzittingen en vervelende twistvragen gevoêrd. En toen hij in den zevenden nacht zijner regeering op zijn prachtig staatsieledikant lag en de zachte slaap hem niettegenstaande zijn honger juist de zware oogleden toedrukken wou, vernam hij op eens een vreeselijk alarm en hoorde het luiden der klokken met zulk een geschreeuw en rumoer, dat hij meende, dat de ondergang der wereld, of althans van zijn eiland, voor de deur stond. Hij rees verschrikt overeind en luisterde scherp toe, om zoo mogelijk de oorzaak van al dat spektakel te vernemen. Het al luider wordend getier, waaronder zich nu ook het geluid van trommen en trompetten mengde, maakte hem geheel verbijsterd, en half zinneloos van schrik en angst, was hij met een geweldigen sprong op de been, trok zijne pantoffels aan, vloog naar de deur van zijn vertrek, rukte die open en zag nu meer dan twintig personen, die van verschillende kanten metbrandende fakkels en ontbloote zwaarden toesnelden. Zoodra zij den sidderenden Sancho zagen, riepen zij met luider stem: “Te wapen! Te wapen! Op, heer stadhouder! Tallooze vijanden overstroomen het eiland, en zoo uw krijgsbeleid en uwe dapperheid ons niet redt, zijn wij reddeloos verloren! Grijp de wapens op!”

“Maar lieve tijd, waar zal ik mij mee wapenen?” huilde Sancho het uit. “Ik heb van wapens en van vechten heel geen verstand, en ’k stel dus voor, die dingen liever aan mijn heer Don Quichot over te laten, aan wien dat beter toevertrouwd is. Mij, arme sukkel van een schildknaap, staan de handen daar heel verkeerd toe.”

“Geen uitvluchten! Geen bezwaren!” schreeuwden al de heeren als met ééne stem. “Hier brengen wij u wapens; wapen u daarmee en stel u dan als aanvoerder aan onze spits. Dat komt u toe en gij moet het, want gij zijt onze stadhouder.”

“Nu, wapen mij dan in ’s hemelsnaam maar,” antwoordde Sancho en gaf zich lijdelijk aan zijn lot over.

Terstond namen de mannen nu twee groote schilden, die zij, daar de heele historie weer een afgesproken stukje was, al meegebracht hadden, en bonden daarvan het een vóór, ’t ander achter aan Sancho’s dikke lichaam vast, waarna zij zijne armen door een paar daarin gesneden gaten trokken en de schilden zoo vast bonden, dat hij tusschen de planken als ingemetseld zat en geen stap vooruit doen, noch ook de knieën buigen kon. Hierop gaven zij hem eene lans in de hand, waarop hij steunen moest, om zich op de voeten te kunnen houden, en vervolgens zeiden zij, dat hij nu maar voor hen uit moest stappen, als hun aanvoerder, en hun door zijne dapperheid moed inboezemen. Wanneer hij zich aan het hoofd des legers wilde stellen, zou de overwinning hun nooit betwist kunnen worden.

“Maar om ’s hemelswil!” schreeuwde de ongelukkige ridder in de klem; “hoe zal ik dan gaan en vooruitkomen, daar ik niet eens de knie buigen en geen lid van mijn lijf roeren kan? Als ik voorwaarts zal en moet, neemt mij dan op uwe armen en zet mij ergens op een punt, dat ik met mijne lans verdedigen kan. Dit wil ik met hart en ziel doen, maar meer kan men van een tusschen planken ingeklemd mensch niet verlangen.”

“Vooruit, al vooruit, heer stadhouder!” riepen daarop de mannen. “Niet die planken hinderen u, maar de vrees voor den vijand is het, die de u knieën knikken doet. Er is al veel tijd verzuimd, de macht der vijanden groeit aan, ’t gevaar wordt al grooter en grooter. Vooruit, vooruit dan, heer stadhouder!”

Om deze beschuldigingen te ontgaan en de zich tegen hem verheffende stemmen tot zwijgen te brengen, deed de ongelukkige Sancho Panza werkelijk eene zwakke poging om zich van de plaats te bewegen. Zonder zich staande te kunnen houden, plofte hij echter met zulk een geweldigen bons voorover, dat hij een oogenblik meende, dat hij al zijne beenderen stuk had gevallen. Daar lag hij dan nu en bleef liggen, als een schildpad, die men de pooten heeft afgesneden. Geen mensch hielp hem op of had medelijden met hem; veeleer werden de fakkels terstond uitgedaan, een nieuw krijgsgeschreeuw ging uit de rauwe kelen op, de kreet “Te wapen!” werd onophoudelijk herhaald, en eindelijk liep zelfs de geheele schaar over den armen Sancho Panza heen, waarbij ieder in ’t voorbijgaan een zwaren zwaardstomp of slag op zijn plankenharnas liet neerkomen. Zoo de arme stadhouder zich niet als een schildpad had ingetrokken, zoo hij niet hoofd en voeten onder zijne schaal verborgen had, zou ’t leelijk met hem zijn afgeloopen. Zoo echter kwam hij er met eenig angstzweet en eenige schrammen en builen nogal boven verwachting goed af.

Intusschen daagden telkens nieuwe krijgers op. Eenige strompelden over Sancho heen, andere tuimelden werkelijk op hem neer, en eindelijk was er zelfs een, die eene geruime poos op hem bleef staan trappelen en van dit standpunt, als van een toren, het gevecht scheen te leiden, daar den moed der zijnen met bezielende woorden aanvurende.

“Hier, dappere mannen!” riep hij met donderende stem. “Hier is de strijd het heetst. Hierheen, die een hart in ’t lijf hebt! Verdedigt dat poortje daar! Sluit de valpoort daar ginder! Werpt de stormladders om en laat de beklimmers in de gracht tuimelen! Granaten hier! Hier pek en hars en kokende olie!—Wakker, mannen! Slaat dood, die te na komt!”

Op deze wijze ging het eenigen tijd voort, daar de aanvoerder orders gaf en alle maatregelen scheen te nemen, om een heftigen aanval van het stadje en het slot af te slaan. Sancho hoorde elk woord en onderwierp zich lijdelijk aan zijn zwaar lot.

“Mocht de hemel toch maar geven, dat het eiland verloren ging,” zuchtte hij, “en dat de vijanden mij doodsloegen of althans uit deze harde gevangenis bevrijdden!”

Een half uur verliep weer; doch toen scheen eindelijk zijn wensch om verlossing uit zijn benauwden toestand verhoord te worden. Hij hoorde luide stemmen en den blijden kreet:

“Victorie! Victorie! De vijand is overwonnen! Heer stadhouder, op! Sta op en verheug u over uwe overwinning! Kom, en verdeel den onmetelijken buit, die door uwe dapperheid den vijand is afgenomen!”

“Helpt mij weer op de beenen!” kreunde de overwinnende held met klagende stem.

Men hielp hem overeind, en toen hij weer eenigszins vast op zijne voeten stond, zeide hij: “Den vijand, dien ik overwonnen heb, wil ik met huid en haar opeten, of ’k mag lijden, dat ge hem den nek omdraait. Ik verlang geen buit van den vijand; maar als een mensch hier in de nabijheid maar een sikkepitje medelijden of vriendschap in zijn hart heeft, laat hem mij dan een slok wijn geven en mij ’t zweet afdrogen, want ik smelt bijna tot klaar water weg.”

Op deze smeekende bede werd hem wijn gereikt. Men droogde hem af en bond de schilden los, waartusschen hij had vastgeklemd gezeten. Toen hij zich weer vrij roeren kon, waggelde hij naar zijn ledikant toe, en hij had dat pas bereikt, of hij lag in diepe onmacht.

Toen de deelhebbers aan de klucht dit bemerkten, werden zij ongerust en vreesden, dat de dolle comedie den armen schildknaap wel eens het leven kon kosten. Onze brave Sancho kwam echter spoedig weer bij, en zoo had die bezorgdheid dan ook een einde.

“Hoe laat is het?” vroeg de lijder met zwakke stem.

“Het daglicht zal spoedig aanbreken,” antwoordde men hem.

Hierop stond Sancho zonder een woord te spreken van zijn ledikant op en begon zich aan te kleeden, en niemand waagde het, hem een woord te zeggen, ofschoon allen even nieuwsgierig waren, hoe de geheele geschiedenis afloopen zou.

Na zich in de kleeren te hebben gestoken, ging Sancho langzaam naar den stal en scheen er zich niet om te bekommeren of men hem volgde of niet. In den stal gekomen, trad hij zelf op zijn ezel toe, omarmde het trouwe dier, drukte het een kus op den ruigen kop en zei, terwijl de gulle tranen hem bij de wangen neerstroomden:

“Kom hier, mijn oude vriend en makker, die alle lasten en lusten met mij gedragen hebt. Zoolang wij ons aan elkaar hielden, wist ik van geen zorg, en ik kan in waarheid zeggen, dat toen mijne jaren, mijne dagen en mijne uren gelukkig waren. Sinds ik u verliet, heb ik maar altijd met ergernis, moeite en kommer te kampen gehad, en ik wil daarom alle eerzucht entrotschheidvan mij afzetten en de ongelukkige zucht, om het tot wat hoogers te brengen, met kracht in mijne borst verstikken.”

Onder deze woorden zadelde hij zijn ezel, zonder dat iemand zich daartegen verzette, steeg, daar hij half lam en kreupel getrapt was, met moeite op en voegde den hofmeester, den secretaris, dokter Recio en anderen, die om hem stonden, de woorden toe:

“Mijne heeren, ik verzoek u, maakt plaats voor mij, opdat ik tot mijne oude vrijheid terugkeeren kan. Ik wil uit mijn tegenwoordigen dood opstaan en mijn vroeger leven weder opzoeken. Tot stadhouder ben ik nu eens voor al niet geboren, en hoe men eilanden en steden tegen een oprukkenden vijand verdedigen moet, daarvan heb ik geen verstand. Ik weet meer van spitten, graven en wingerd snoeien dan van wetten geven en vreemde rechtzaken beslissen. Ik wil liever schrale aardappelsoep eten dan aan een rijk bezette tafel zitten, voor de kostelijkheden, waarvan ik niets over de lippen mag nemen, zoodat ik te midden van den overvloed van honger omkom. Ik wil liever in vrijheid gebrek lijden, dan in slavernij op zijden kussens rusten. God zij met u, heeren! Zegt aan uwen hertog, dat ik hier armgekomen ben en ook arm weer weggegaan. Ik heb niets gewonnen en ook niets verloren, en mij dus althans aan geen schelmerij en afpersingen schuldig gemaakt. Gaatopzijen laat mij den weg vrij; want waarachtig, ’t wordt tijd, dat ik naar mijne ribben laat zien, waarvan in dezen stormachtigen nacht zeker een stuk of wat gebroken zijn.”

“Heer stadhouder, neen, dat mag niet gebeuren,” zeide Recio, de lijfarts. “Gij moogt niet weg, voordat ik zelf uw toestand onderzocht heb, en ik beloof u, mijn uiterste best te zullen doen, om u ten spoedigste van alle pijnen en kwetsuren te bevrijden. Ook geef ik u mijn woord, dat gij voortaan vergunning zult hebben, om alles te eten en te drinken, wat uw hart maar begeert.”

“Te laat, te laat!” antwoordde Sancho. “Gij komt te laat, vrienden. Ik laat mij nu zoo weinig van mijn voornemen afbrengen, als ik ooit een Turk worden wil. Liever dan in dit verwenschte stadhouderschap blijven, wil ik zonder vleugels ten hemel vliegen. Neen, neen! Ik ben uit het geslacht der Panza’s, die een hardnekkig geslacht zijn. Als die eens zeggen, dat een ding krom is, dan moet het krom blijven, al zei de heele wereld anders, en al was ’t ook zoo recht als een lamsstaartje. Ik moet weg, heeren; maakt mij dus ruimte, want iedere minuut, die ik nog hier blijf, wordt mij een nagel aan mijn doodkist.”

“Genadige heer,” nam nu de hofmeester het woord, “wij zouden u zonder tegenspraak gaan laten, ofschoon wij uw helder verstand en uitstekend voorbeeld ongaarne missen; maar ’t zal u bekend zijn, dat ieder stadhouder voor het neerleggen van zijn ambt rekenschap van zijn beheer moet geven. Voldoe aan deze verplichting, en ga, als gij u toch niet wilt laten terughouden.”

“Niemand kan zoo iets van mij verlangen, als niet de hertog zelf het gebiedt,” antwoordde Sancho. “Tot hem ga ik, en aan hem zal ik rekenschap afleggen, zooveel hij maar verkiest. Van u echter heb ik geen getuigenis noodig, want dat ik mij niet verrijkt en in alle onschuld geregeerd heb, weet gij even goed als ik zelf ’t weet.”

“Bij den hemel, Sancho heeft recht!” riep Recio, de lijfarts. “Ikvoor mij stem er voor, dat wij hem in vrede laten trekken, want de hertog zal brandend verlangen hem weer te zien.”

Al de anderen waren het met den dokter eens, verklaarden, dat men den stadhouder moest laten trekken, en boden aan, hem van al, wat hij op reis noodig had, ruim en rijkelijk te voorzien.

“Ik heb alleen maar wat haver voor mijn grauwtje, en wat brood en kaas voor mijzelf noodig, en van een en ander ben ik al voorzien,” zeide Sancho. “De weg, dien ik af te leggen heb, is niet lang, en daarom zou meer pakkage mij maar lastig wezen.”

Na deze woorden nam hij afscheid, omhelsde de achterblijvenden, werd door hen omarmd, en liet hen eindelijk verbaasd over zijne zielsgrootheid, levenswijsheid en standvastigheid staan.

Sancho Panza reed langzaam voort, totdat hij het landgoed van den hertog tot op ongeveer eene halve mijl was genaderd. Hier liet hij zich van zijn grauwtje glijden, legde zich onder een boom en overpeinsde, wat hij zijn meester Don Quichot en den hertog en de hertogin al zoo vertellen zoude. Terwijl hij hierover nadacht, overviel hem de slaap, en daar hij den ganschen voorgaanden nacht geen oog had toegedaan, werd hij eerst weer wakker, toen de zon al onder en het ten volle donker geworden was. Verschrikt rees hij op, klom weer in den zadel en wou zich zooveel mogelijk haasten, om het hertogelijk slot nog tijdig te bereiken.

Terwijl hij nu zoo voortdraafde, wilde het ongeluk, dat hij in de donkerheidopeensmet zijn beest in een diep, donker gat stortte, dat daar tusschen eenig vervallen muurwerk openlag. Onder het vallen meende hij, dat hij den bodem des afgronds wel nooit levend bereiken zou.

Intusschen liep het nog al redelijk goed af. Op eene diepte van ruim achttien voet kreeg de ezel vasten grond onder zijne pooten en kwam Sancho op grauwtjes buik te liggen, zonder zich eenigszins van belang bezeerd te voelen. Hij betastte zijne ledematen, onderzocht de stevigheid zijner beenderen, en hield den adem in, om te weten, of hij ook ergens een gat in zijn lichaam was gevallen; echter was zijn lichaam van top tot teen heel gebleven.

Eindelijk stond hij op en zocht met de handen in de ruimten desafgronds rond, om zoo mogelijk middelen en wegen te ontdekken, om zonder vreemden bijstand weer uit den kuil te komen. Tot zijn bitter leedwezen waren de wanden echter overal glad en zeer steil, zoodat hij zich over zijne toekomst niet weinig ongerust moest maken. Zijn angst nam nog toe, toen nu ook de ezel, die door den val deerlijk gekneusd en geschaafd was, op jammerlijken toon begon te schreien en te balken. Hij dacht nu niet anders, dan dat hij met zijn geliefd grauwtje in die ongelukkige groeve op ellendige manier van honger, dorst en gebrek zou moeten omkomen.

Weeklagend bracht hij den nacht in het gat door, totdat daarin eindelijk het schemerlicht van den aanbrekenden dag doordrong, zonder den braven schildknaap echter veel troost aan te brengen; want bij het schijnsel der zon overtuigde hij zich, dat uit zijne gevangenis te ontkomen zonder vreemde hulp een onmogelijkheid was. Hij begon opnieuw te jammeren en te schreeuwen, en zette zijne stem zooveel mogelijk uit, om een toevalligen voorbijganger van zijn klimmenden nood te onderrichten. Zijn geschreeuw was echter als de stem van een roepende in de woestijn, daar in den ganschen omtrek geen levend wezen dat vernam. Sancho achtte zich dus reddeloos verloren en begon zichzelf als een stervende te beschouwen. Desniettemin bespeurde hij nog iets als medelijden met zijn grauwtje, dat met verdraaide oogen op den grond lag en zijn bek opendeed, alsof het ieder oogenblik een roerend klaaglied dacht aan te heffen. Sancho Panza hielp hem met veel moeite op de been, liet hem, daar hij moeielijk rechtop staan kon, tegen den wand leunen en versterkte hem vervolgens met een stuk brood, dat hij nog uit zijn knapzak opschommelde.

“Neem dat maar en eet,” zeide hij, alsof de ezel hem verstaan kon. “Met een goede bete in den mond kan een mensch nogal veel doorstaan, en een ezel zeker ook.”

Terwijl grauwtje aan de broodkorst knabbelde, zag Sancho Panza nog eens in zijne gevangenis rond, en ontdekte eindelijk aan de eene zijde eene opening, die juist groot genoeg was, om hem door te laten, als hij zich bukte en zoo klein mogelijk maakte. Hij kromde zijn rug dus, kroop er in en vond, dat de doorgang naareene tamelijk ruime en wijde plaats leidde, waarin, vermoedelijk door een half vervallen dak, de zonnestralen helder en glansrijk neervielen. Bij hun schijnsel bemerkte hij, dat deze ruimte zich tot een hol verwijdde, welks omvang hij nader moest onderzoeken.

Allereerst keerde Sancho tot zijn ezel terug, van wien hij onmogelijk scheiden kon, en beproefde de opening zoo veel mogelijk te verbreeden. Met behulp van een zwaren, scherpen steen gelukte dit hem zoo tamelijk goed, en het duurde niet lang, of hij kon er ook grauwtje zonder al te groot bezwaar doorkrijgen. Hij pakte hem dus bij den halster, sleepte hem mee en drong toen verder in ’t hol door, om misschien aan ’t ander eind daarvan een uitgang te vinden. Soms tastte hij in den donker, soms verlichtte een van boven invallende zonnestraal zijn pad; maar nog altijd bleef zijne ziel met angst en bange vrees vervuld.

“De hemel sta mij bij!” mompelde hij in zijn baard. “Dat Don Quichot toch maar in mijne plaats was! Hij zou wat mij een ongeluk toelijkt, voor het allergelukkigst avontuur houden, en zeker al deze afgronden en onderaardsche gangen voor bloemtuinen en schitterende paleizen aanzien, waaruit hij op eene of andere heerlijke, bloeiende lustgaarde moest geraken. Ik ongelukkige daarentegen, die meer vrees dan heldenmoed in mijn binnenste bespeur, ik denk bij iederen voetstap, dat zich voor mij een bodemlooze afgrond zal openen, waaruit geen menschelijke macht mij ooit redden kan. O ongeluk, wees verwenscht door hem, dien gij zoo gruwelijk hebt beetgenomen!”

Toen hij onder zulke en soortgelijke ontboezemingen zijn weg een goed half uur had voortgezet, ontdekte hij in de verte een helder schijnsel, dat zeker het lieve volle daglicht moest zijn. Vol hoop ging hij daarop aan, en hij hield zich vast overtuigd, dat hij daar den uitweg uit de gruwelijke gangen en spelonken der onderwereld moest vinden.

Terwijl Sancho Panza in dat hol omdwaalde, trof het, dat de dappere ridder Don Quichot, die tot nu toe op het slot van den hertog een zeer aangenaam en genoeglijk leven geleid had, zijn nu bij den dag in welgedaanheid toenemenden Rocinante besteeg enuitreed, om eenige uren de frissche lucht te genieten. In diepe gedachten reed hij vooruit, totdat eensklaps Rocinante met de voorpooten zoo dicht bij eene diepe steenkloof kwam, dat hij onwillekeurig een zijsprong deed en den edelen ridder uit zijne droomerijen opwekte. Deze hield zijn paard in, keek naar de kloof om en reed er zoo dicht bij, dat hij er in neerzien kon. Terwijl hij al bespiegelingen maakte, wat die donkere afgrond toch wel in zijn schoot verbergen kon, drong daaruit een dof, diep stemgeluid tot zijn oor door. Hij luisterde scherp en nieuwsgierig en vernam zeer duidelijk de woorden:

“Holla daar boven! Is er niet een of ander christenmensch in de buurt, die mij hooren en zich over mij armen zondaar ontfermen kan? Hulp, hulp, schrei ik; hulp voor een ongelukkigen, in de diepte gezakten stadhouder!”

Don Quichot was dadelijk overtuigd, dat dit de stem van zijn schildknaap Sancho moest zijn, en bleef een oogenblik stom van verbazing.

“Wie is daar omlaag?” riep hij eindelijk. “Wie schreeuwt daar om hulp?”

“Ik ben het,” antwoordde de stem uit den afgrond, “ik, de benarde en benepen Sancho Panza, gewezen stadhouder van het eiland Barataria en schildknaap van den beroemden en dapperen ridder Don Quichot van La Mancha.”

De verwondering van den dolenden ridder nam bij deze woorden nog toe, en daar hij zijn voormaligen dienaar onmogelijk in zoo zonderlingen toestand kon vermoeden, kwam hij op de gedachte, dat de arme stadhouder moest gestorven zijn, en dat nu diens geest verscheen, die wegens begane zonden in het graf geen rust kon vinden. In deze veronderstelling zeide hij:

“Bij alles, wat heilig is, bezweer ik u, verkond mij, wie gij zijt! Zijt gij een boetende ziel, geef mij dan te kennen, wat ik voor u doen moet, en zoo waar ik leef, wil ik alles doen, om u de rust en de ongestoorde zaligheid te verschaffen. Mijne roeping is, de noodlijdenden te helpen en de bedrukten bij te staan, en daarom wil ik ook u beschermen, ook als uw lichaam niet meer op aarde omwandelt.”

“Heer,” schreeuwde Sancho Panza, die nu eindelijk de stem zijns meesters herkende, “heer Don Quichot van La Mancha, merkt gij dan niet, dat ik uw schildknaap en in mijn gansche leven nog nooit gestorven ben? Ik heb om redenen, die ik u later wel eens zal vertellen, mijn stadhouderschap verlaten en ben gisterenavond met mijn grauwtje in dit hol gevallen, zooals ’t stomme dier, als het spreken kon, zeker plechtig zou helpen getuigen.”

Op ditzelfde oogenblik, juist alsof de ezel verstaan had, wat zijn heer sprak, begon die geducht te schreeuwen en balkte zijn Y-ah zoo luid, dat de gansche grot er van weergalmde.

“Sancho, aan uw ezel herken ik u,” riep Don Quichot nu zeer verblijd. “Wacht nu maar een kort poosje en heb geduld, totdat ik terugkom. Ik wil in vliegende vaart naar het kasteel van den hertog rijden, dat dichtbij ligt, en wil volk roepen, om u uit den afgrond op te trekken, waarin uwe zonden u zeker hebben doen neerstorten.”

“Zoo gij gaan wilt, edele heer, blijf dan maar niet staan leuteren,” antwoordde Sancho uit de diepte. “Ik ben hier als bij levenden lijve begraven en kom om van angst en benauwdheid.”

Don Quichot zette het dadelijk op een galop en deelde de onderaardsche ontdekking aan den hertog en de hertogin mede. Terstond werden de noodige orders aan de dienaren gegeven; men trok, toereikend van ladders en touwen voorzien, naar het hol, en Sancho Panza werd, hij en zijn ezel, met behulp van veel volk en niet zonder groote moeite en inspanning uit zijn onderaardschen kerker opgetrokken. Zonder zich met de menschen, die hem geholpen hadden, in veel praatjes in te laten, trok hij nu met zijn grauwtje naar het slot, waar het doorluchtig paar en zijn niet minder doorluchtige meester hem reeds met groot ongeduld wachtten. Hij ging echter eerst tot hen, nadat hij zijn ezel met zorg van al het noodige had voorzien.

“Mijne genadige heerschappen,” sprak hij eindelijk, voor den hertog en de hertogin eerbiedig de knie buigend, “daar ben ik weerom. Het stadhouderen heeft mij in veel opzichten niet recht willen bevallen, en dus vond ik maar beter dat te laten varen; voordat het mij liet varen. Arm ging ik heen, arm keer ik terug,en ik heb niets verloren, dan bijna mijn klein beetje verstand. Ik heb als rechter gezeten, heb processen uitgewezen, en ben daarbij bijkans van honger omgekomen, omdat die wijze dokter Recio uit Tirteafuera dat voor gezond voor mij hield. Bij nacht en ontijd overvielen de vijanden ons, en schoon mijne onderdanen zeiden, dat ik die door mijn heldenmoed weer verjaagd had, zoo weet ik dat toch wel beter en mijne arme ribben kunnen er een droevig klaaglied van zingen. Gisterenmorgen verliet ik het eiland, viel in een diepen, donkeren afgrond, stond uren lang den vreeselijksten doodsangst uit, en zou zoo zeker als wat zijn omgekomen, als mij niet mijn dappere meester tot hulp en troost was toegezonden.—Zoo is ’t met mij gegaan, heer hertog, en eerbiedig leg ik de van u verkregen waardigheid hier weer voor uwe voeten neer. Van mijne hoogte afdalend, keer ik weer in den dienst van mijn ouden heer terug, waar ’k mij althans zat mag eten, wat voor een hongerigen mensch een uitstekend en zeer aangenaam medicijn is.”

“Het bedroeft mij diep in de ziel, Sancho Panza,” sprak de hertog, “dat gij ’t regeeren zoo schielijk moe zijt geworden. In allen gevalle wil ik er op bedacht zijn, u een anderen, minder bezwaarlijken, maar des te voordeeliger post aan te wijzen, en ik hoop, dat gij alsdan met uwe doorgestane moeielijkheden en gevaren geheel verzoend zult zijn.”

Sancho Panza boog zich, zonder antwoord te geven, en de hertogin gaf orders, dat de arme schildknaap als een prins verpleegd en verzorgd zou worden, daar men hem maar al te goed kon aanzien, hoe bitter hij door zijne kwelgeesten, den lijfarts en den hofmeester, geleden had.

Hoofdstuk XXIII.Don Quichot verlaat het kasteel van den hertog en komt te Barcelona.De edele ridder van den leeuw of van de droevige figuur werd het luie leven op het slot nu zoetjes aan toch moe en verzocht dus den hertog vergunning, om afscheid te nemen en zijn tocht te vervolgen. Deze vergunning werd hem verleend, schoon eerst nadat de hertog en ook zijne gemalin al hunne welsprekendheid verspild hadden, om hem tot langer blijven te bewegen. Hij nam afscheid van het doorluchtig paar en ging den volgenden morgen al voor dag en dauw weder op reis. Langzaam stapte Rocinante met hem voort, en Sancho sjokte op zijn grauwtje vergenoegd bij hem aan. De ezel was van een welgevulden knapzak voorzien, en in Sancho’s zak stak eene beurs met twee honderd goudguldens, die hem op bevel des hertogs ten geschenke waren medegegeven. Geen wonder derhalve, dat Sancho vergenoegd was, want zulk een voor hem schier onmetelijken rijkdom had hij zijn leven lang nog niet bezeten.Nadat de beide dolende helden den halven dag door dik en dun waren voortgereden, bereikten zij een bosch, dat eenigszins bezijden den weg lag, en hier zag de ridder zich eensklaps in een net van groene draden verstrikt, die tusschen de boomen van den eenen stam tot den anderen waren uitgespannen.“Sancho,” sprak hij tot zijn schildknaap, “het zou mij verwonderen, als ons hier in dit woud niet weer een der zeldzaamste avonturen wachtte. Zeker willen de boosaardige toovenaars, die mij onophoudelijk plagen en vervolgen, mijne reis door dit net ophouden. Doch dit zal hun niet gelukken! Al waren deze draden ook, niet uit boomwol, maar uit ijzer, staal, graniet of diamant geweven,toch zou ik ze als spinrag doorhakken, voordat men drie tellen kon.”Bij deze woorden trok hij zijn zwaard en spoorde Rocinante aan, om te doen, gelijk hij gezegd had, doch werd daarin verhinderd, daar eenige mannen van wild en woest uitzien van achter de boomen voor den dag sprongen en zich op hem en op Sancho wierpen, beiden de wapens afnamen en hierop het grauwtje zoo zorgvuldig doorzochten en uitplunderden, dat in den knapzak geen enkel kruimeltje meer overbleef. Een geluk voor Sancho was het, dat de roovers niet aan het onderzoeken van zijn persoon dachten, daar in dat geval zijne goedgespekte beurs voorzeker liefhebbers en een anderen bezitter gevonden had.Terwijl de roovers nog bij den ezel bezig waren, en Don Quichot de plundering met bedroefde oogen aankeek, kwam de hoofdman van de bende aanrijden. Hij was een man op het oog over de dertig, kloek van gestalte, vurig van blik en van een fier, ridderlijk voorkomen. Op een wenk van hem staakten de roovers hun werk, en hijzelf naderde hierop den edelen ridder Don Quichot, die bedroefd en nadenkend tegen een boom stond te leunen.“Wees niet zoo bedrukt, man,” sprak hij den dolenden held aan. “Gij zijt niet in de handen van bloeddorstige duivels gevallen, en zoolang ik Roque Guinart heet, zal uw persoon geen leed geschieden.”“Ik ben niet bedrukt uit vrees, dappere rooverhoofdman,” antwoordde Don Quichot. “Mij grieft alleen, dat ik door een onverhoedschen aanval verrast en van het paard geworpen werd, daar ik als dolend ridder toch had moeten vooruitzien, dat in dit woud gevaarlijke roofridders huizen. Had ik maar eene minuut tijd tot bezinning gehad, dan zou de overwinning u niet zoo licht zijn gevallen, want weet, dat gij met Don Quichot van La Mancha spreekt, met den ridder van den leeuw, van wiens daden de gansche aardbol weet te gewagen.”“Ha, gij zijt dus de beroemde dolende ridder, over wien men thans overal hoort spreken?” zei de rooverhoofdman, die zich van die ontmoeting met Don Quichot veel pret beloofde. “Nu, dan hoop ik, dat gij eenige dagen als gast bij mij vertoeven zult, en ikbeloof dan, u zoo eerbiedig te zullen doen behandelen, als een ridder van uwe vermaardheid met recht verwachten mag.”Don Quichot boog bij die vleiende woorden zeer beleefd en gaf zijne bereidwilligheid te kennen, om eenigen tijd in het gezelschap van den rooverhoofdman door te brengen.“Waarheen wildet gij eigenlijk, toen mijn volk u aanhield?” vroeg Roque Guinart.“Naar Barcelona, naar het stierengevecht,” antwoordde Don Quichot.De rooverhoofdman scheen nu op eens op een inval te komen. Hij trad op zij en schreef een briefje aan een vriend in Barcelona, waarin hij dezen bericht gaf, dat Don Quichot bij hem was de zotste, kluchtigste personage, die men in heel Spanje vinden kon. Hij wilde hem over eenige dagen naar Barcelona brengen, en zorg dragen, dat hij daar in volle wapenrusting, op Rocinante zijn strijdros gezeten en in gezelschap van Sancho Panza, zijn schildknaap, aankwam. Hij, de vriend, moest zijne bekenden daar vooraf van verwittigen en zou zich met den wonderlijken ridder zeker kostelijk kunnen vermaken.De hoofdman verzegelde dit briefje en gaf het aan een van zijn volk over met last, om het onverwijld naar Barcelona over te brengen. Hierop keerde hij zich weder tot zijn gast en liet zich in een gesprek met hem in, dat hem al zeer spoedig van des edelen ridders volslagen verstandsverbijstering overtuigde.Drie dagen en drie nachten bleef Don Quichot bij Roque Guinart te gast, en de hoofdman had al dien tijd overvloedig stof tot lachen. Toen hij den dolenden ridder eindelijk moe werd en ook de dag naderde, waarop Don Quichot in Barcelona moest verschijnen, ging hij met dezen op weg en bracht hem en den schildknaap tot dicht onder de muren van de stad. Hier nam hij afscheid en gaf den held aan zijn noodlot en aan de handen zijner vrienden over, die hij wel wist, dat hem zeer spoedig opsporen zouden. Terwijl hij naar het gebergte terugkeerde, naderden ridder en schildknaap de poort der stad en reden dood op hun gemak de eerste de beste straat op, over wier fraaiheid zij zich niet weinig verwonderden.Toen zij nu de huizen en de golvende volksmenigte met verbaasdeoogen aanstaarden, kwam eensklaps een rijk gekleed man met eenige volgelingen op hen toe, bleef voor Don Quichot staan en riep met alle teekenen van de grootste blijdschap:“Ha, welkom, welkom in onze goede stad, gij pronkstuk en kompas van heel de dolende ridderschap! Welkom, edele held Don Quichot! Wees gegroet en bewonderd door een vurigen bewonderaar van uwe ongehoorde dapperheid!”Bij deze woorden van den onbekende maakten deze en zijn geleide eene behendige zwenking en brachten zoo Don Quichot in hun midden. Deze wendde zich koelbloedig tot Sancho Panza en zeide: “Zie nu, mijn vriend, hoe wijd de faam van mijn heldenmoed zich verbreid heeft; want deze lieden hebben ons op het eerste gezicht herkend, ofschoon zij ons nooit te voren kunnen gezien hebben.”Intusschen kwam de onbekende nog nader en noodigde Don Quichot beleefd uit, hem in zijne woning te volgen. “Ga met ons, genadige heer!” sprak hij. “Wij zijn allen uwe dienaren en de beste vrienden van Roque Guinart, die ons van uwe aankomst verwittigd heeft.”“Gij zijt een zoo beleefd man, heer ridder,” antwoordde Don Quichot, “dat ik uwe heusche uitnoodiging onmogelijk afslaan kan. Breng mij, waarheen gij wilt; ik zal geen anderen wil hebben dan den uwen.”De vreemde boog diep en bracht zijn paard aan zijne zijde. Terwijl zij nu langzaam door het gewemel der straten voortdrongen, wilde het ongeluk, dat twee ondeugende straatbengels hun in den weg kwamen en met onzen Don Quichot en zijn schildknaap wakker den draak begonnen te steken. Een hunner lichtte Grauwtjes, de ander den staart van Rocinante op, waarna beiden daar met goochelaarsvlugheid een handvol stekelachtige distels onder wisten te schuiven. Zoodra de arme dieren nu deze vreemde sporen voelden, trokken zij hunne staarten vast aan het lijf en verergerden daardoor hunne pijn zoozeer, dat zij als dol en razend heen en weer sprongen en eindelijk hunne toch al niet bijster zadelvaste berijders hals over kop in het stof wierpen. Don Quichot richtte zichbeschaamd en hevig verstoord op, om Rocinante van de oorzaak zijner kwelling te bevrijden, en riep Sancho Panza toe, met zijn ezeltje hetzelfde te doen. Hierop bestegen zij hunne kleppers weder en keken naar de jonge deugnieten, die hun die poets gespeeld hadden, om. De ondeugende bengels hadden zich echter lang geborgen, zoodat Don Quichot zonder hen gekastijd te hebben zijn weg vervolgen moest. Weldra kwam hij met zijn begeleider in diens huis, waar hij terstond bij zijne intrede door de talrijke dienaren met luide juichkreten en eene ruischende muziek werd verwelkomd, al ’t geen den goeden ridder in niet geringe mate streelde en met aangename aandoeningen vervulde.Don Quichots gastheer heette Don Antonio Moreno en was een rijk en aanzienlijk man. Zoodra hij den held onder zijn dak zag, was hij er op bedacht, diens dwaasheden aan den dag te brengen, zonder dat de leeuwenridder er iets van merkte; want zijn gast te krenken of zeer te doen, was in geenen deele zijne bedoeling.Vooreerst leidde hij hem aan tafel en onderhield zich met hem op eene wijze, die, zonder hem te beleedigen, voor al de gasten uiterst vermakelijk was, en daarop ging hij met hem in een afgelegen vertrek, waarin niets dan een tafel van jaspis stond, die door een voetstuk van dezelfde stof werd gedragen. Op die tafel stond een reusachtig menschenhoofd van metaal, waarop Don Moreno zijn gast al dadelijk opmerkzaam maakte.“Dit hoofd, heer,” sprak hij, “is vervaardigd door een der grootste toovenaars, die ooit op aarde bestaan hebben. Het bezit de eigenschap van op iedere vraag, die men het in het oor zegt, te antwoorden, en het doet mij leed, dat ik u hier niet oogenblikkelijk van overtuigen kan. Maar ’t is vandaag Vrijdag en juist op dezen dag is het hoofd stom. Morgen echter, zoo gij dat goedvindt, zullen wij er de proef van nemen en zult gij zien, dat ik de volle waarheid heb gesproken.”Don Quichot was over deze begaafdheid van een levenloozen metalen kop zoo zeer verwonderd, dat hij zijn gastheer bezwaarlijk gelooven kon. Daar de proef op de som echter zoo spoedig geleverd zou worden, gaf hij zijne ongeloovigheid niet te kennen, maardankte Don Moreno, dat die hem met zulk een merkwaardig tooverwerk had bekendgemaakt. Zij verlieten het vertrek en keerden naar het overige gezelschap terug, dat zich onderwijl met Sancho Panza’s grappen en kluchtige vertellingen niet weinig vermaakt had.Tegen den avond werd een wandelritje gedaan. Don Quichot was niet gewapend, maar droeg over zijne gewone kleeding een wijden zwaren mantel van donkere stof, die hem niet weinig zweetdroppels afperste. Ook bereed hij heden niet zijn Rocinante, maar een fraai, kloek muildier, dat bijzonder net en sierlijk was opgetuigd. Toen men hem den mantel omwierp, spelde men hem, zonder dat hij er iets van merkte, een blad perkament op den rug, waarop met groote letters geschreven stond: “Dit is de ridder Don Quichot van La Mancha.”Toen men nu de straten doorreed, trok dat groote plakkaat natuurlijk ieders oogen tot zich. De menschen lazen hardop: “Dit is de ridder Don Quichot van La Mancha!” En Don Quichot, die dit hoorde, verwonderde zich zeer, dat iedereen hem zoo goed kende en bij zijn naam wist te noemen. Verbaasd wendde hij zich tot Don Moreno, die aan zijne zijde reed, en sprak:“Wat is het toch aangenaam een dolend ridder te zijn, en in alle hoeken en einden der aarde bekend en beroemd te worden! Zie maar, beste heer, tot zelfs de dartele straatjeugd in deze stad kent mijn persoon en moet zeker ook met mijne roemrijke daden bekend wezen.”“Natuurlijk, en dat is ook geen wonder,” antwoordde Don Moreno hoogst ernstig, schoon hij moeite had zijn lachlust te onderdrukken. “Gelijk het vuur niet verborgen en onderdrukt worden kan, zoo blinkt en schittert ook de verdienste, welke de man zich door heldenmoed en dapperheid verworven heeft.”Intusschen werd het gedrang om Don Quichot heen toch zoo erg, dat men hem het plakkaat heimelijk weer afnemen en naar huis terugkeeren moest. Daar was een prachtige avondmaaltijd aangericht, en tot diep in den nacht vermaakte de ridder met zijn dolle, dwaze en ongerijmde redeneeringen het gansche gezelschap.Tegen den volgenden dag, wanneer het betooverd menschenhoofdzijne kunsten vertoonen moest, had Don Moreno verschillende bevriende families genoodigd. Daar was niemand onder, die iets van het eigenlijke geheim van dat hoofd wist, dan twee jonge ridders, aan wie Don Moreno het ontdekt had. Het was een kunstwerk, dat van een vindingrijkheid en vernuft getuigde, die ieder versteld deden staan.De eerste, die het oor van het hoofd naderde, was Don Moreno zelf. Met zachte stem, maar toch zoo luid, dat ieder zijne woorden verstaan kon, vroeg hij: “Kunt gij mij ook zeggen, hoofd, met welke gedachte ik mij op dit oogenblik bezighoud?”Het hoofd, zonder de lippen te bewegen, antwoordde met heldere stem: “Over gedachten oordeel en spreek ik niet.”De toehoorders waren ten toppunt van verbazing, te meer daar zij overtuigd waren, dat in het gansche vertrek of althans in de nabijheid van de tafel geen menschelijk wezen was, dat had kunnen antwoorden.“Kunt gij mij eenige personen noemen, die zich in dit vertrek bevinden?” vroeg Don Moreno weder.“Gij en uwe vrouw zijn hier,” sprak het hoofd met dezelfde duidelijkheid; “buitendien zijn twee vrienden met hunne echtgenooten tegenwoordig, verder de bij uitnemendheid beroemde ridder Don Quichot van La Mancha, en eindelijk nog Sancho Panza, zijn trouwe schildknaap.”De bewondering der toeschouwers maakte voor schrik en ontzetting plaats, die enkelen de haren te berge deed rijzen. Don Moreno trad nu echter achteruit en zeide: “De hier door mij genomen proeven overtuigen zeker iedereen, dat de toovenaar, wien ik dit hoofd afkocht, mij niet heeft bedrogen. Wie nog lust heeft, eene vraag te doen, trede nader.”Oogenblikkelijk trad eene jonge vrouw op het hoofd toe en vroeg: “Wat moet ik doen, om recht schoon te worden?”“Wees goed en deugdzaam,” luidde het antwoord.De dame trad terug, en een jong man richtte tot het wonderhoofd de vraag: “Wie ben ik?”“Dat weet gij zelf!” werd hem geantwoord.“Dat is waar,” sprak de ridder; “maar wilt gij mij niet zeggen, of gij mij kent?”“Ik ken u,” antwoordde het hoofd; “gij zijt Don Pedro Noviz.”“Goed, goed; meer verlang ik niet te hooren,” riep de jonge man en scheen niets van het geval te begrijpen.“Zeg, hoofd, welke wenschen voedt mijn zoon?” vroeg een oud-achtig ridder, die insgelijks was toegetreden.“Ik oordeel eigenlijk niet over wenschen,” klonk de stem uit het hoofd; “alleen kan ik u zeggen, dat uw zoon u wenscht te begraven.”“Dat kan ik zelf wel zoo wat half begrijpen!” zeide de oude ridder wrevelig. “Maar genoeg, genoeg; ik vraag niet meer.”Don Moreno’s vrouw trad nu toe en zeide: “Ik wensch niets anders te weten, dan of ik mijn edelen echtgenoot nog recht vele jaren zal mogen bezitten?”“Dat zult gij,” antwoordde het hoofd. “Uw gemaal zal nog jaren lang leven, want hij is gezond, matig en deugdzaam.”“En hoor dan nu mijne drie vragen, wijs hoofd!” vroeg eindelijk Don Quichot.“Kunt gij mij ook zeggen, of het waarheid of een droom was, wat mij in de grot van Montesinos is overkomen?—Kan ik mij op Sancho Panza’s zelfkastijding gerust verlaten?—En eindelijk, zal mijne edele gebiederes Dulcinea ooit onttooverd worden?”“Van die grot zwijg ik,” antwoordde het hoofd. “Met Sancho Panza’s geeseling zal het langzaam vooruitgaan; maar eindelijk zal de aanminnige Dulcinea van Toboso u toch in haar vollen glans weer verschijnen.”“Verder verlang ik niets te weten,” zeide Don Quichot en trad terug. “Maar gij, Sancho Panza, wilt gij het hoofd niet eene vraag voorleggen?”“Ei, te vragen had ik genoeg, maar ik wil ’t kort maken,” zei Sancho. “Hoor dan eens, heer kopstuk! Zal ik het nog weer eens tot een stadhouderschap brengen, of zal ik schildknaap blijven? En dan nog—zal ik ooit vrouw en kinderen weerzien?”“Stadhouder of regent zult ge in uw eigen huis zijn, waar ge ook vrouw en kinderen weerziet, als ge daarheen terugkeert. Voor’t overige zult ge ophouden schildknaap te blijven, zoodra gij het dienen van een heer hebt opgegeven.”Hiermede eindigden de vragen en antwoorden, en allen, tot op Sancho na, waren verbaasd over het wonderbare en de wijsheid van dat hoofd. Sancho daarentegen bromde wat in zijn baard, daar de verkregen antwoorden maar half naar zijn zin waren geweest.Voordat wij verder gaan, moeten wij hier het wonder van dat sprekend hoofd verklaren.Het blad en de voet van de tafel namelijk waren van hout, waaraan men door beschildering en verlakking het aanzien van jaspis had weten te geven. Het hoofd was hol en hol waren ook de voet en het blad van de tafel, in welk laatste het hoofd zoo kunstig ingezet was, dat men geen teeken van verbinding bemerken kon. De voet van de tafel stond in verband met de keel en de borst van het hoofd, en dit alles weer met een vertrekje, dat onder de kamer met het hoofd was gelegen. Door de holte van voet, tafel, keel en borst liep eene zeer kunstig aangebrachte blikken buis of pijp, die voor niemand zichtbaar was en zich tot diep in het benedenvertrekje uitstrekte. Hier nu stond de persoon, die de antwoorden had te geven. Om de gedane vragen te verstaan legde hij zijn oor aan de opening van de buis, en hij antwoordde door zelf in de buis te spreken.Een neef van Moreno had zich, na nauwkeurig van alles onderricht te zijn, met de rol van het orakel belast en die, gelijk wij gezien hebben, uitmuntend volgehouden.Verscheiden dagen verliepen. Don Quichot werd steeds zeer voorkomend behandeld en voelde zich volmaakt tevreden en gelukkig. De kleine, onschuldige parten, die men hem speelde, bemerkte hij niet, daar Don Moreno met scherp oog over hem waakte en zorgde, dat niemand hem te na kwam.Daar gebeurde het op een morgen, dat hij met Sancho Panza in volledige wapenrusting een ritje langs de haven deed en hier een ridder ontmoette, die, evenals hij, van top tot teen gewapend was en eene zilveren maan als wapenteeken op zijn schild droeg.Deze vreemde ridder reed recht op Don Quichot toe en zeide, genaderd zijnde, met ridderlijke hoffelijkheid:“Doorluchtige, glansrijke en wijd en zijd vermaarde Don Quichot van La Mancha, zie in mij den ridder van de zilveren maan, wiens faam denkelijk ook reeds tot uwe ooren is doorgedrongen. Ik ben gekomen, om met u te kampen en de sterkte van uw arm te ondervinden, daar ik u tot de bekentenis wil dwingen, dat mijne dame schooner en edeler dan Dulcinea van Toboso is. Erkent gij dit vrijwillig, dan moogt gij ongehinderd uws weegs trekken en voor ditmaal den dood ontgaan; zoo niet, gord u aan ten strijde, en de hemel doe de waarheid zegepralen. Ben ik overwinnaar, zoo verlang ik niets anders van u, dan dat gij voor een jaar uwe wapens nederlegt, uwe avontuurlijke tochten staakt en u naar huis begeeft, om in rust en vrede verpoozing te vinden. Ontwapent gij mij, dan zij mijn leven aan uw goeddunken overgelaten, mijne wapens mogen uw buit zijn, en de roem mijner daden zal dienen, om den uwen te verhoogen en ten top te voeren. Overleg, of gij met deze voorwaarden tevreden zijt, en antwoord zonder lang dralen, want heden nog wil ik uw lot en het mijne beslist weten.”Don Quichot voelde zich door deze aanmatigende taal des ridders van de zilveren maan ten ergste beleedigd, en op kalmen, maar vasten en ernstigen toon antwoordde hij:“Heer ridder van de zilveren maan, van wiens daden ik nog geen woord vernomen heb, ik neem uwe uitdaging en uwe voorwaarden aan. Neem uwe plaats in, waar gij wilt! Ik zal hetzelfde doen, en dan mag in Sint Pieters naam de kamp beginnen.”Terwijl de beide ridders hunne plaatsen innamen, naderde Don Moreno met verscheiden vrienden en vroeg, om welke reden de tweekamp wezen zou. De ridder van de zilveren maan verklaarde hem dat, en wijl Don Moreno dadelijk eenige guiterij vermoedde en geen groot gevaar voor zijn gast vreesde, liet hij de zaak haar vrijen loop.“Daar er geen ander middel bestaat, toont dan in ’s hemelsnaam wat gij kunt, mijne heeren!” zeide hij glimlachend. “Ik zal mij, met uw goedvinden, tot kamprechter opwerpen.”De beide ridders dankten Don Moreno en maakten zich tot den aanval gereed. Don Quichot riep de bescherming van zijne Dulcinea in, en nam hierop nog een weinig meer veld, daar hij zag, dat zijne tegenpartij datzelfde deed. Hierop wendden beiden hunne rossen en stormden met geweld op elkaar in.Daar nu het paard van den ridder der zilveren maan veel flinker en lichter ter been was, dan de stijve, half lamme Rocinante, bereikte de ridder Don Quichot, voordat deze een derde van de renbaan had doorloopen, en trof hem met zoo vreeselijk geweld, dat ruiter en ros in een ommezien over elkaar heen tuimelden en zich lagen te wentelen in het stof. Terstond boog nu de ridder van de maan zich over Don Quichot heen, zette hem zijne lans op de borst en sprak:“Gij zijt overwonnen, ridder, en moet sterven, indien gij de voorwaarden van onzen kamp niet dadelijk aanneemt.”Hoewel bitter gekneusd en bijna van zijne zinnen beroofd, bracht Don Quichot toch, zij ’t al met zwakke en trillende stem, de koene woorden uit: “In spijt van uwe lans beweer ik, dat Dulcinea van Toboso de schitterendste schoonheid op den wijden aardbodem is, niettegenstaande ik van mijzelven erkennen wil, dat mijne zwakheid en mijn ongeluk mij verhinderd hebben, deze waarheid zegevierend staande te houden. Grijp dan nu uwe lans, ridder, en beroof mij van mijn leven, gelijk gij mij reeds mijn eer en mijn roem ontnomen hebt.”“Dat zij verre van mij,” antwoordde de ridder van de zilveren maan. “Leve jonkvrouwe Dulcinea van Toboso, en moge zij ten eeuwigen dage als roem en bloem der schoonheid en volmaaktheid gehuldigd worden. Ik voor mijn deel ben ten volle tevredengesteld, wanneer gij u voor een jaar naar uwe woonplaats wilt terugbegeven en van uw avontuurlijk leven afzien.”“Welaan, dat wil ik beloven, omdat het niet tot nadeel van mijne verheven gebiederesse strekt,” antwoordde Don Quichot al kreunend en zuchtend. “Ik wil dat beloven, en als een trouw, eerlijk en braaf ridder mijn woord in alles gestand blijven.”Na het ontvangen van deze toezegging wierp de ridder der zilverenmaan zijn paard om, maakte voor Don Moreno en zijn geleide eene beleefde buiging en reed heen in galop.Onderwijl werd de gevelde dolende ridder van den grond opgetild, zijn gelaat ontdekt en hem de helm afgenomen. Hij droop van zweet en was doodsbleek. Rocinante was zoo deerlijk gehavend, dat hij geen poot verzetten kon, en Sancho Panza toonde zich zoo bijster bedroefd en neerslachtig, dat men puur niet wist, wat met den armen sukkel aan te vangen. Sancho dacht, dat alles een droom of een werk van booze toovenaars en heksenmeesters was, nu hij zijn dapperen heer daar zoo uit den zadel gelicht, tegen den grond gekwakt en verplicht zag, om voor een rond jaar wapens, zwaard en lans neer te leggen. Dat leek hem ongehoord, ongeloofelijk toe. Lijdelijk zag hij toe, hoe Don Quichot in een draagkoetsje gepakt en naar de stad teruggebracht werd, terwijl hij zelf langzaam en met een bedrukt harte volgde.Wij moeten nu verklaren, wie eigenlijk de ridder van de zilveren maan en wat zijne bedoeling was. Don Moreno vernam dat eerst, toen hij in al de logementen der stad naar hem vroeg, hem vond en de volgende opheldering van hem verkreeg:“Gij moet weten, mijnheer, dat ik Sanson Carrasco heet en een landsman van onzen ridder Don Quichot ben. Zijne gekheid ging mij en allen, die hem kenden, aan het hart, en daar ik het er voor hield, dat alleen ongestoorde rust in zijn eigen huis hem van zijne dwaze inbeeldingen genezen kon, ontwierp ik een plan, om hem die te verschaffen. Eerst ging ik, als spiegelridder verkleed, op weg, om met hem te vechten en, bleef ik overwinnaar, hem de belofte af te dwingen, dat hij voor een bepaalden tijd zijne tochten opgeven en naar huis terugkeeren zou. Het geluk liep mij echter tegen, want ik werd de onderliggende partij en bracht er met moeite het leven af. Evenwel liet ik mij door dien eersten tegenspoed niet afschrikken, maar verschafte mij nieuwe wapens en een beter paard, volgde het spoor van den goeden man en vond hem eindelijk hier, waar ik mijn doel bereikte. Dit is alles, wat ik u te vertellen heb, en ik verzoek u dringend, Don Quichot niet te verraden, met wien hij gevochten heeft, daar ik dan eenvergeefsch werk zou gedaan hebben. Onze vriend moet echter zijn verstand terugkrijgen, daar hij op die dwaze inbeeldingen en kuren na de beste en braafste mensch van de wereld is.”Don Moreno beloofde het diepste stilzwijgen en Sanson Carrasco verliet nog dienzelfden dag de stad.Onderwijl bleef Don Quichot zes dagen te bed liggen, was verdrietig, somber en nadenkend, en kon zijn ongelukkig gevecht met geen mogelijkheid uit het hoofd zetten. Sancho Panza zocht hem te troosten, zoo goed hij maar kon.“Beste heer,” sprak hij, “laat den moed niet zinken en steek het hoofd maar weer op. Het ding is nog vrij gezegend afgeloopen, en al hebt ge al een harden smak gekregen, toch zijn al uwe ribben nog heel. Kom, laat ons naar huis terugkeeren en ons alle avonturen uit het hoofd zetten. Troost u met mij en bedenk, dat ik er in den grond nog bekaaider afkom, dan gij. Dat stadhouderschap mag naar de maan loopen; maar ’k had toch wel graaf of zoo wat willen worden. Doch hoe is daar kans op, nu gij naar huis moet en op uw koningschap weinig hoop meer is? Door uw ongeluk hebt ge meteen mijn spel voor altijd verbroddeld.”“Zwijg, Sancho!” antwoordde Don Quichot op knorrigen toon. “Hoe kunt ge zulke onnutte jammerklachten aanheffen, daar ge wel weet, dat ik mijn heldenleven toch maar voor één jaar opgeven moet? Is die tijd voorbij, dan grijp ik weer naar lans en zwaard en, onder ’s hemels zegen, zal een koninkrijk dan wel niet uitblijven. Maar anders hebt gij gelijk. Ik wil alle donkere gedachten uit mijn hoofd zetten en zonder verwijl op reis gaan naar huis. Zadel Rocinante en uw ezel, en pak mijne wapens op uw grauwtje, daar ik die nu toch een jaar lang niet dragen mag.”Sancho kuierde te voet bij hem aan, daar zijn langoor de wapens van den ridder moest dragen.Sancho kuierde te voet bij hem aan, daar zijn langoor de wapens van den ridder moest dragen.Ten hoogste verblijd, ging Sancho Panza heen, om aan de bevelen van zijn meester te voldoen. Deze zelf kwam uit zijn bed kruipen, trok zijn lederen kleeding aan en ging Don Moreno opzoeken, om dien edelen man voor zijne gastvrijheid te danken. Don Moreno omarmde hem hartelijk en wenschte hem allen bedenkelijken zegen en voorspoed. Daarop besteeg de dolende ridder Rocinante, en Sancho Panza kuierde te voet bij hem aan, daarzijn langoor de wapens van den ridder moest dragen en hij ’t goede beest niet te zwaar belasten wou.Zoo verlieten de beiden Barcelona, waar onzen ridder door zijne nederlaag ’t zwaarste leed had getroffen, dat hem, naar zijne gedachten, ooit op aarde kon overkomen.

De edele ridder van den leeuw of van de droevige figuur werd het luie leven op het slot nu zoetjes aan toch moe en verzocht dus den hertog vergunning, om afscheid te nemen en zijn tocht te vervolgen. Deze vergunning werd hem verleend, schoon eerst nadat de hertog en ook zijne gemalin al hunne welsprekendheid verspild hadden, om hem tot langer blijven te bewegen. Hij nam afscheid van het doorluchtig paar en ging den volgenden morgen al voor dag en dauw weder op reis. Langzaam stapte Rocinante met hem voort, en Sancho sjokte op zijn grauwtje vergenoegd bij hem aan. De ezel was van een welgevulden knapzak voorzien, en in Sancho’s zak stak eene beurs met twee honderd goudguldens, die hem op bevel des hertogs ten geschenke waren medegegeven. Geen wonder derhalve, dat Sancho vergenoegd was, want zulk een voor hem schier onmetelijken rijkdom had hij zijn leven lang nog niet bezeten.

Nadat de beide dolende helden den halven dag door dik en dun waren voortgereden, bereikten zij een bosch, dat eenigszins bezijden den weg lag, en hier zag de ridder zich eensklaps in een net van groene draden verstrikt, die tusschen de boomen van den eenen stam tot den anderen waren uitgespannen.

“Sancho,” sprak hij tot zijn schildknaap, “het zou mij verwonderen, als ons hier in dit woud niet weer een der zeldzaamste avonturen wachtte. Zeker willen de boosaardige toovenaars, die mij onophoudelijk plagen en vervolgen, mijne reis door dit net ophouden. Doch dit zal hun niet gelukken! Al waren deze draden ook, niet uit boomwol, maar uit ijzer, staal, graniet of diamant geweven,toch zou ik ze als spinrag doorhakken, voordat men drie tellen kon.”

Bij deze woorden trok hij zijn zwaard en spoorde Rocinante aan, om te doen, gelijk hij gezegd had, doch werd daarin verhinderd, daar eenige mannen van wild en woest uitzien van achter de boomen voor den dag sprongen en zich op hem en op Sancho wierpen, beiden de wapens afnamen en hierop het grauwtje zoo zorgvuldig doorzochten en uitplunderden, dat in den knapzak geen enkel kruimeltje meer overbleef. Een geluk voor Sancho was het, dat de roovers niet aan het onderzoeken van zijn persoon dachten, daar in dat geval zijne goedgespekte beurs voorzeker liefhebbers en een anderen bezitter gevonden had.

Terwijl de roovers nog bij den ezel bezig waren, en Don Quichot de plundering met bedroefde oogen aankeek, kwam de hoofdman van de bende aanrijden. Hij was een man op het oog over de dertig, kloek van gestalte, vurig van blik en van een fier, ridderlijk voorkomen. Op een wenk van hem staakten de roovers hun werk, en hijzelf naderde hierop den edelen ridder Don Quichot, die bedroefd en nadenkend tegen een boom stond te leunen.

“Wees niet zoo bedrukt, man,” sprak hij den dolenden held aan. “Gij zijt niet in de handen van bloeddorstige duivels gevallen, en zoolang ik Roque Guinart heet, zal uw persoon geen leed geschieden.”

“Ik ben niet bedrukt uit vrees, dappere rooverhoofdman,” antwoordde Don Quichot. “Mij grieft alleen, dat ik door een onverhoedschen aanval verrast en van het paard geworpen werd, daar ik als dolend ridder toch had moeten vooruitzien, dat in dit woud gevaarlijke roofridders huizen. Had ik maar eene minuut tijd tot bezinning gehad, dan zou de overwinning u niet zoo licht zijn gevallen, want weet, dat gij met Don Quichot van La Mancha spreekt, met den ridder van den leeuw, van wiens daden de gansche aardbol weet te gewagen.”

“Ha, gij zijt dus de beroemde dolende ridder, over wien men thans overal hoort spreken?” zei de rooverhoofdman, die zich van die ontmoeting met Don Quichot veel pret beloofde. “Nu, dan hoop ik, dat gij eenige dagen als gast bij mij vertoeven zult, en ikbeloof dan, u zoo eerbiedig te zullen doen behandelen, als een ridder van uwe vermaardheid met recht verwachten mag.”

Don Quichot boog bij die vleiende woorden zeer beleefd en gaf zijne bereidwilligheid te kennen, om eenigen tijd in het gezelschap van den rooverhoofdman door te brengen.

“Waarheen wildet gij eigenlijk, toen mijn volk u aanhield?” vroeg Roque Guinart.

“Naar Barcelona, naar het stierengevecht,” antwoordde Don Quichot.

De rooverhoofdman scheen nu op eens op een inval te komen. Hij trad op zij en schreef een briefje aan een vriend in Barcelona, waarin hij dezen bericht gaf, dat Don Quichot bij hem was de zotste, kluchtigste personage, die men in heel Spanje vinden kon. Hij wilde hem over eenige dagen naar Barcelona brengen, en zorg dragen, dat hij daar in volle wapenrusting, op Rocinante zijn strijdros gezeten en in gezelschap van Sancho Panza, zijn schildknaap, aankwam. Hij, de vriend, moest zijne bekenden daar vooraf van verwittigen en zou zich met den wonderlijken ridder zeker kostelijk kunnen vermaken.

De hoofdman verzegelde dit briefje en gaf het aan een van zijn volk over met last, om het onverwijld naar Barcelona over te brengen. Hierop keerde hij zich weder tot zijn gast en liet zich in een gesprek met hem in, dat hem al zeer spoedig van des edelen ridders volslagen verstandsverbijstering overtuigde.

Drie dagen en drie nachten bleef Don Quichot bij Roque Guinart te gast, en de hoofdman had al dien tijd overvloedig stof tot lachen. Toen hij den dolenden ridder eindelijk moe werd en ook de dag naderde, waarop Don Quichot in Barcelona moest verschijnen, ging hij met dezen op weg en bracht hem en den schildknaap tot dicht onder de muren van de stad. Hier nam hij afscheid en gaf den held aan zijn noodlot en aan de handen zijner vrienden over, die hij wel wist, dat hem zeer spoedig opsporen zouden. Terwijl hij naar het gebergte terugkeerde, naderden ridder en schildknaap de poort der stad en reden dood op hun gemak de eerste de beste straat op, over wier fraaiheid zij zich niet weinig verwonderden.

Toen zij nu de huizen en de golvende volksmenigte met verbaasdeoogen aanstaarden, kwam eensklaps een rijk gekleed man met eenige volgelingen op hen toe, bleef voor Don Quichot staan en riep met alle teekenen van de grootste blijdschap:

“Ha, welkom, welkom in onze goede stad, gij pronkstuk en kompas van heel de dolende ridderschap! Welkom, edele held Don Quichot! Wees gegroet en bewonderd door een vurigen bewonderaar van uwe ongehoorde dapperheid!”

Bij deze woorden van den onbekende maakten deze en zijn geleide eene behendige zwenking en brachten zoo Don Quichot in hun midden. Deze wendde zich koelbloedig tot Sancho Panza en zeide: “Zie nu, mijn vriend, hoe wijd de faam van mijn heldenmoed zich verbreid heeft; want deze lieden hebben ons op het eerste gezicht herkend, ofschoon zij ons nooit te voren kunnen gezien hebben.”

Intusschen kwam de onbekende nog nader en noodigde Don Quichot beleefd uit, hem in zijne woning te volgen. “Ga met ons, genadige heer!” sprak hij. “Wij zijn allen uwe dienaren en de beste vrienden van Roque Guinart, die ons van uwe aankomst verwittigd heeft.”

“Gij zijt een zoo beleefd man, heer ridder,” antwoordde Don Quichot, “dat ik uwe heusche uitnoodiging onmogelijk afslaan kan. Breng mij, waarheen gij wilt; ik zal geen anderen wil hebben dan den uwen.”

De vreemde boog diep en bracht zijn paard aan zijne zijde. Terwijl zij nu langzaam door het gewemel der straten voortdrongen, wilde het ongeluk, dat twee ondeugende straatbengels hun in den weg kwamen en met onzen Don Quichot en zijn schildknaap wakker den draak begonnen te steken. Een hunner lichtte Grauwtjes, de ander den staart van Rocinante op, waarna beiden daar met goochelaarsvlugheid een handvol stekelachtige distels onder wisten te schuiven. Zoodra de arme dieren nu deze vreemde sporen voelden, trokken zij hunne staarten vast aan het lijf en verergerden daardoor hunne pijn zoozeer, dat zij als dol en razend heen en weer sprongen en eindelijk hunne toch al niet bijster zadelvaste berijders hals over kop in het stof wierpen. Don Quichot richtte zichbeschaamd en hevig verstoord op, om Rocinante van de oorzaak zijner kwelling te bevrijden, en riep Sancho Panza toe, met zijn ezeltje hetzelfde te doen. Hierop bestegen zij hunne kleppers weder en keken naar de jonge deugnieten, die hun die poets gespeeld hadden, om. De ondeugende bengels hadden zich echter lang geborgen, zoodat Don Quichot zonder hen gekastijd te hebben zijn weg vervolgen moest. Weldra kwam hij met zijn begeleider in diens huis, waar hij terstond bij zijne intrede door de talrijke dienaren met luide juichkreten en eene ruischende muziek werd verwelkomd, al ’t geen den goeden ridder in niet geringe mate streelde en met aangename aandoeningen vervulde.

Don Quichots gastheer heette Don Antonio Moreno en was een rijk en aanzienlijk man. Zoodra hij den held onder zijn dak zag, was hij er op bedacht, diens dwaasheden aan den dag te brengen, zonder dat de leeuwenridder er iets van merkte; want zijn gast te krenken of zeer te doen, was in geenen deele zijne bedoeling.

Vooreerst leidde hij hem aan tafel en onderhield zich met hem op eene wijze, die, zonder hem te beleedigen, voor al de gasten uiterst vermakelijk was, en daarop ging hij met hem in een afgelegen vertrek, waarin niets dan een tafel van jaspis stond, die door een voetstuk van dezelfde stof werd gedragen. Op die tafel stond een reusachtig menschenhoofd van metaal, waarop Don Moreno zijn gast al dadelijk opmerkzaam maakte.

“Dit hoofd, heer,” sprak hij, “is vervaardigd door een der grootste toovenaars, die ooit op aarde bestaan hebben. Het bezit de eigenschap van op iedere vraag, die men het in het oor zegt, te antwoorden, en het doet mij leed, dat ik u hier niet oogenblikkelijk van overtuigen kan. Maar ’t is vandaag Vrijdag en juist op dezen dag is het hoofd stom. Morgen echter, zoo gij dat goedvindt, zullen wij er de proef van nemen en zult gij zien, dat ik de volle waarheid heb gesproken.”

Don Quichot was over deze begaafdheid van een levenloozen metalen kop zoo zeer verwonderd, dat hij zijn gastheer bezwaarlijk gelooven kon. Daar de proef op de som echter zoo spoedig geleverd zou worden, gaf hij zijne ongeloovigheid niet te kennen, maardankte Don Moreno, dat die hem met zulk een merkwaardig tooverwerk had bekendgemaakt. Zij verlieten het vertrek en keerden naar het overige gezelschap terug, dat zich onderwijl met Sancho Panza’s grappen en kluchtige vertellingen niet weinig vermaakt had.

Tegen den avond werd een wandelritje gedaan. Don Quichot was niet gewapend, maar droeg over zijne gewone kleeding een wijden zwaren mantel van donkere stof, die hem niet weinig zweetdroppels afperste. Ook bereed hij heden niet zijn Rocinante, maar een fraai, kloek muildier, dat bijzonder net en sierlijk was opgetuigd. Toen men hem den mantel omwierp, spelde men hem, zonder dat hij er iets van merkte, een blad perkament op den rug, waarop met groote letters geschreven stond: “Dit is de ridder Don Quichot van La Mancha.”

Toen men nu de straten doorreed, trok dat groote plakkaat natuurlijk ieders oogen tot zich. De menschen lazen hardop: “Dit is de ridder Don Quichot van La Mancha!” En Don Quichot, die dit hoorde, verwonderde zich zeer, dat iedereen hem zoo goed kende en bij zijn naam wist te noemen. Verbaasd wendde hij zich tot Don Moreno, die aan zijne zijde reed, en sprak:

“Wat is het toch aangenaam een dolend ridder te zijn, en in alle hoeken en einden der aarde bekend en beroemd te worden! Zie maar, beste heer, tot zelfs de dartele straatjeugd in deze stad kent mijn persoon en moet zeker ook met mijne roemrijke daden bekend wezen.”

“Natuurlijk, en dat is ook geen wonder,” antwoordde Don Moreno hoogst ernstig, schoon hij moeite had zijn lachlust te onderdrukken. “Gelijk het vuur niet verborgen en onderdrukt worden kan, zoo blinkt en schittert ook de verdienste, welke de man zich door heldenmoed en dapperheid verworven heeft.”

Intusschen werd het gedrang om Don Quichot heen toch zoo erg, dat men hem het plakkaat heimelijk weer afnemen en naar huis terugkeeren moest. Daar was een prachtige avondmaaltijd aangericht, en tot diep in den nacht vermaakte de ridder met zijn dolle, dwaze en ongerijmde redeneeringen het gansche gezelschap.

Tegen den volgenden dag, wanneer het betooverd menschenhoofdzijne kunsten vertoonen moest, had Don Moreno verschillende bevriende families genoodigd. Daar was niemand onder, die iets van het eigenlijke geheim van dat hoofd wist, dan twee jonge ridders, aan wie Don Moreno het ontdekt had. Het was een kunstwerk, dat van een vindingrijkheid en vernuft getuigde, die ieder versteld deden staan.

De eerste, die het oor van het hoofd naderde, was Don Moreno zelf. Met zachte stem, maar toch zoo luid, dat ieder zijne woorden verstaan kon, vroeg hij: “Kunt gij mij ook zeggen, hoofd, met welke gedachte ik mij op dit oogenblik bezighoud?”

Het hoofd, zonder de lippen te bewegen, antwoordde met heldere stem: “Over gedachten oordeel en spreek ik niet.”

De toehoorders waren ten toppunt van verbazing, te meer daar zij overtuigd waren, dat in het gansche vertrek of althans in de nabijheid van de tafel geen menschelijk wezen was, dat had kunnen antwoorden.

“Kunt gij mij eenige personen noemen, die zich in dit vertrek bevinden?” vroeg Don Moreno weder.

“Gij en uwe vrouw zijn hier,” sprak het hoofd met dezelfde duidelijkheid; “buitendien zijn twee vrienden met hunne echtgenooten tegenwoordig, verder de bij uitnemendheid beroemde ridder Don Quichot van La Mancha, en eindelijk nog Sancho Panza, zijn trouwe schildknaap.”

De bewondering der toeschouwers maakte voor schrik en ontzetting plaats, die enkelen de haren te berge deed rijzen. Don Moreno trad nu echter achteruit en zeide: “De hier door mij genomen proeven overtuigen zeker iedereen, dat de toovenaar, wien ik dit hoofd afkocht, mij niet heeft bedrogen. Wie nog lust heeft, eene vraag te doen, trede nader.”

Oogenblikkelijk trad eene jonge vrouw op het hoofd toe en vroeg: “Wat moet ik doen, om recht schoon te worden?”

“Wees goed en deugdzaam,” luidde het antwoord.

De dame trad terug, en een jong man richtte tot het wonderhoofd de vraag: “Wie ben ik?”

“Dat weet gij zelf!” werd hem geantwoord.

“Dat is waar,” sprak de ridder; “maar wilt gij mij niet zeggen, of gij mij kent?”

“Ik ken u,” antwoordde het hoofd; “gij zijt Don Pedro Noviz.”

“Goed, goed; meer verlang ik niet te hooren,” riep de jonge man en scheen niets van het geval te begrijpen.

“Zeg, hoofd, welke wenschen voedt mijn zoon?” vroeg een oud-achtig ridder, die insgelijks was toegetreden.

“Ik oordeel eigenlijk niet over wenschen,” klonk de stem uit het hoofd; “alleen kan ik u zeggen, dat uw zoon u wenscht te begraven.”

“Dat kan ik zelf wel zoo wat half begrijpen!” zeide de oude ridder wrevelig. “Maar genoeg, genoeg; ik vraag niet meer.”

Don Moreno’s vrouw trad nu toe en zeide: “Ik wensch niets anders te weten, dan of ik mijn edelen echtgenoot nog recht vele jaren zal mogen bezitten?”

“Dat zult gij,” antwoordde het hoofd. “Uw gemaal zal nog jaren lang leven, want hij is gezond, matig en deugdzaam.”

“En hoor dan nu mijne drie vragen, wijs hoofd!” vroeg eindelijk Don Quichot.“Kunt gij mij ook zeggen, of het waarheid of een droom was, wat mij in de grot van Montesinos is overkomen?—Kan ik mij op Sancho Panza’s zelfkastijding gerust verlaten?—En eindelijk, zal mijne edele gebiederes Dulcinea ooit onttooverd worden?”

“Van die grot zwijg ik,” antwoordde het hoofd. “Met Sancho Panza’s geeseling zal het langzaam vooruitgaan; maar eindelijk zal de aanminnige Dulcinea van Toboso u toch in haar vollen glans weer verschijnen.”

“Verder verlang ik niets te weten,” zeide Don Quichot en trad terug. “Maar gij, Sancho Panza, wilt gij het hoofd niet eene vraag voorleggen?”

“Ei, te vragen had ik genoeg, maar ik wil ’t kort maken,” zei Sancho. “Hoor dan eens, heer kopstuk! Zal ik het nog weer eens tot een stadhouderschap brengen, of zal ik schildknaap blijven? En dan nog—zal ik ooit vrouw en kinderen weerzien?”

“Stadhouder of regent zult ge in uw eigen huis zijn, waar ge ook vrouw en kinderen weerziet, als ge daarheen terugkeert. Voor’t overige zult ge ophouden schildknaap te blijven, zoodra gij het dienen van een heer hebt opgegeven.”

Hiermede eindigden de vragen en antwoorden, en allen, tot op Sancho na, waren verbaasd over het wonderbare en de wijsheid van dat hoofd. Sancho daarentegen bromde wat in zijn baard, daar de verkregen antwoorden maar half naar zijn zin waren geweest.

Voordat wij verder gaan, moeten wij hier het wonder van dat sprekend hoofd verklaren.

Het blad en de voet van de tafel namelijk waren van hout, waaraan men door beschildering en verlakking het aanzien van jaspis had weten te geven. Het hoofd was hol en hol waren ook de voet en het blad van de tafel, in welk laatste het hoofd zoo kunstig ingezet was, dat men geen teeken van verbinding bemerken kon. De voet van de tafel stond in verband met de keel en de borst van het hoofd, en dit alles weer met een vertrekje, dat onder de kamer met het hoofd was gelegen. Door de holte van voet, tafel, keel en borst liep eene zeer kunstig aangebrachte blikken buis of pijp, die voor niemand zichtbaar was en zich tot diep in het benedenvertrekje uitstrekte. Hier nu stond de persoon, die de antwoorden had te geven. Om de gedane vragen te verstaan legde hij zijn oor aan de opening van de buis, en hij antwoordde door zelf in de buis te spreken.

Een neef van Moreno had zich, na nauwkeurig van alles onderricht te zijn, met de rol van het orakel belast en die, gelijk wij gezien hebben, uitmuntend volgehouden.

Verscheiden dagen verliepen. Don Quichot werd steeds zeer voorkomend behandeld en voelde zich volmaakt tevreden en gelukkig. De kleine, onschuldige parten, die men hem speelde, bemerkte hij niet, daar Don Moreno met scherp oog over hem waakte en zorgde, dat niemand hem te na kwam.

Daar gebeurde het op een morgen, dat hij met Sancho Panza in volledige wapenrusting een ritje langs de haven deed en hier een ridder ontmoette, die, evenals hij, van top tot teen gewapend was en eene zilveren maan als wapenteeken op zijn schild droeg.Deze vreemde ridder reed recht op Don Quichot toe en zeide, genaderd zijnde, met ridderlijke hoffelijkheid:

“Doorluchtige, glansrijke en wijd en zijd vermaarde Don Quichot van La Mancha, zie in mij den ridder van de zilveren maan, wiens faam denkelijk ook reeds tot uwe ooren is doorgedrongen. Ik ben gekomen, om met u te kampen en de sterkte van uw arm te ondervinden, daar ik u tot de bekentenis wil dwingen, dat mijne dame schooner en edeler dan Dulcinea van Toboso is. Erkent gij dit vrijwillig, dan moogt gij ongehinderd uws weegs trekken en voor ditmaal den dood ontgaan; zoo niet, gord u aan ten strijde, en de hemel doe de waarheid zegepralen. Ben ik overwinnaar, zoo verlang ik niets anders van u, dan dat gij voor een jaar uwe wapens nederlegt, uwe avontuurlijke tochten staakt en u naar huis begeeft, om in rust en vrede verpoozing te vinden. Ontwapent gij mij, dan zij mijn leven aan uw goeddunken overgelaten, mijne wapens mogen uw buit zijn, en de roem mijner daden zal dienen, om den uwen te verhoogen en ten top te voeren. Overleg, of gij met deze voorwaarden tevreden zijt, en antwoord zonder lang dralen, want heden nog wil ik uw lot en het mijne beslist weten.”

Don Quichot voelde zich door deze aanmatigende taal des ridders van de zilveren maan ten ergste beleedigd, en op kalmen, maar vasten en ernstigen toon antwoordde hij:

“Heer ridder van de zilveren maan, van wiens daden ik nog geen woord vernomen heb, ik neem uwe uitdaging en uwe voorwaarden aan. Neem uwe plaats in, waar gij wilt! Ik zal hetzelfde doen, en dan mag in Sint Pieters naam de kamp beginnen.”

Terwijl de beide ridders hunne plaatsen innamen, naderde Don Moreno met verscheiden vrienden en vroeg, om welke reden de tweekamp wezen zou. De ridder van de zilveren maan verklaarde hem dat, en wijl Don Moreno dadelijk eenige guiterij vermoedde en geen groot gevaar voor zijn gast vreesde, liet hij de zaak haar vrijen loop.

“Daar er geen ander middel bestaat, toont dan in ’s hemelsnaam wat gij kunt, mijne heeren!” zeide hij glimlachend. “Ik zal mij, met uw goedvinden, tot kamprechter opwerpen.”

De beide ridders dankten Don Moreno en maakten zich tot den aanval gereed. Don Quichot riep de bescherming van zijne Dulcinea in, en nam hierop nog een weinig meer veld, daar hij zag, dat zijne tegenpartij datzelfde deed. Hierop wendden beiden hunne rossen en stormden met geweld op elkaar in.

Daar nu het paard van den ridder der zilveren maan veel flinker en lichter ter been was, dan de stijve, half lamme Rocinante, bereikte de ridder Don Quichot, voordat deze een derde van de renbaan had doorloopen, en trof hem met zoo vreeselijk geweld, dat ruiter en ros in een ommezien over elkaar heen tuimelden en zich lagen te wentelen in het stof. Terstond boog nu de ridder van de maan zich over Don Quichot heen, zette hem zijne lans op de borst en sprak:

“Gij zijt overwonnen, ridder, en moet sterven, indien gij de voorwaarden van onzen kamp niet dadelijk aanneemt.”

Hoewel bitter gekneusd en bijna van zijne zinnen beroofd, bracht Don Quichot toch, zij ’t al met zwakke en trillende stem, de koene woorden uit: “In spijt van uwe lans beweer ik, dat Dulcinea van Toboso de schitterendste schoonheid op den wijden aardbodem is, niettegenstaande ik van mijzelven erkennen wil, dat mijne zwakheid en mijn ongeluk mij verhinderd hebben, deze waarheid zegevierend staande te houden. Grijp dan nu uwe lans, ridder, en beroof mij van mijn leven, gelijk gij mij reeds mijn eer en mijn roem ontnomen hebt.”

“Dat zij verre van mij,” antwoordde de ridder van de zilveren maan. “Leve jonkvrouwe Dulcinea van Toboso, en moge zij ten eeuwigen dage als roem en bloem der schoonheid en volmaaktheid gehuldigd worden. Ik voor mijn deel ben ten volle tevredengesteld, wanneer gij u voor een jaar naar uwe woonplaats wilt terugbegeven en van uw avontuurlijk leven afzien.”

“Welaan, dat wil ik beloven, omdat het niet tot nadeel van mijne verheven gebiederesse strekt,” antwoordde Don Quichot al kreunend en zuchtend. “Ik wil dat beloven, en als een trouw, eerlijk en braaf ridder mijn woord in alles gestand blijven.”

Na het ontvangen van deze toezegging wierp de ridder der zilverenmaan zijn paard om, maakte voor Don Moreno en zijn geleide eene beleefde buiging en reed heen in galop.

Onderwijl werd de gevelde dolende ridder van den grond opgetild, zijn gelaat ontdekt en hem de helm afgenomen. Hij droop van zweet en was doodsbleek. Rocinante was zoo deerlijk gehavend, dat hij geen poot verzetten kon, en Sancho Panza toonde zich zoo bijster bedroefd en neerslachtig, dat men puur niet wist, wat met den armen sukkel aan te vangen. Sancho dacht, dat alles een droom of een werk van booze toovenaars en heksenmeesters was, nu hij zijn dapperen heer daar zoo uit den zadel gelicht, tegen den grond gekwakt en verplicht zag, om voor een rond jaar wapens, zwaard en lans neer te leggen. Dat leek hem ongehoord, ongeloofelijk toe. Lijdelijk zag hij toe, hoe Don Quichot in een draagkoetsje gepakt en naar de stad teruggebracht werd, terwijl hij zelf langzaam en met een bedrukt harte volgde.

Wij moeten nu verklaren, wie eigenlijk de ridder van de zilveren maan en wat zijne bedoeling was. Don Moreno vernam dat eerst, toen hij in al de logementen der stad naar hem vroeg, hem vond en de volgende opheldering van hem verkreeg:

“Gij moet weten, mijnheer, dat ik Sanson Carrasco heet en een landsman van onzen ridder Don Quichot ben. Zijne gekheid ging mij en allen, die hem kenden, aan het hart, en daar ik het er voor hield, dat alleen ongestoorde rust in zijn eigen huis hem van zijne dwaze inbeeldingen genezen kon, ontwierp ik een plan, om hem die te verschaffen. Eerst ging ik, als spiegelridder verkleed, op weg, om met hem te vechten en, bleef ik overwinnaar, hem de belofte af te dwingen, dat hij voor een bepaalden tijd zijne tochten opgeven en naar huis terugkeeren zou. Het geluk liep mij echter tegen, want ik werd de onderliggende partij en bracht er met moeite het leven af. Evenwel liet ik mij door dien eersten tegenspoed niet afschrikken, maar verschafte mij nieuwe wapens en een beter paard, volgde het spoor van den goeden man en vond hem eindelijk hier, waar ik mijn doel bereikte. Dit is alles, wat ik u te vertellen heb, en ik verzoek u dringend, Don Quichot niet te verraden, met wien hij gevochten heeft, daar ik dan eenvergeefsch werk zou gedaan hebben. Onze vriend moet echter zijn verstand terugkrijgen, daar hij op die dwaze inbeeldingen en kuren na de beste en braafste mensch van de wereld is.”

Don Moreno beloofde het diepste stilzwijgen en Sanson Carrasco verliet nog dienzelfden dag de stad.

Onderwijl bleef Don Quichot zes dagen te bed liggen, was verdrietig, somber en nadenkend, en kon zijn ongelukkig gevecht met geen mogelijkheid uit het hoofd zetten. Sancho Panza zocht hem te troosten, zoo goed hij maar kon.

“Beste heer,” sprak hij, “laat den moed niet zinken en steek het hoofd maar weer op. Het ding is nog vrij gezegend afgeloopen, en al hebt ge al een harden smak gekregen, toch zijn al uwe ribben nog heel. Kom, laat ons naar huis terugkeeren en ons alle avonturen uit het hoofd zetten. Troost u met mij en bedenk, dat ik er in den grond nog bekaaider afkom, dan gij. Dat stadhouderschap mag naar de maan loopen; maar ’k had toch wel graaf of zoo wat willen worden. Doch hoe is daar kans op, nu gij naar huis moet en op uw koningschap weinig hoop meer is? Door uw ongeluk hebt ge meteen mijn spel voor altijd verbroddeld.”

“Zwijg, Sancho!” antwoordde Don Quichot op knorrigen toon. “Hoe kunt ge zulke onnutte jammerklachten aanheffen, daar ge wel weet, dat ik mijn heldenleven toch maar voor één jaar opgeven moet? Is die tijd voorbij, dan grijp ik weer naar lans en zwaard en, onder ’s hemels zegen, zal een koninkrijk dan wel niet uitblijven. Maar anders hebt gij gelijk. Ik wil alle donkere gedachten uit mijn hoofd zetten en zonder verwijl op reis gaan naar huis. Zadel Rocinante en uw ezel, en pak mijne wapens op uw grauwtje, daar ik die nu toch een jaar lang niet dragen mag.”

Sancho kuierde te voet bij hem aan, daar zijn langoor de wapens van den ridder moest dragen.Sancho kuierde te voet bij hem aan, daar zijn langoor de wapens van den ridder moest dragen.

Sancho kuierde te voet bij hem aan, daar zijn langoor de wapens van den ridder moest dragen.

Ten hoogste verblijd, ging Sancho Panza heen, om aan de bevelen van zijn meester te voldoen. Deze zelf kwam uit zijn bed kruipen, trok zijn lederen kleeding aan en ging Don Moreno opzoeken, om dien edelen man voor zijne gastvrijheid te danken. Don Moreno omarmde hem hartelijk en wenschte hem allen bedenkelijken zegen en voorspoed. Daarop besteeg de dolende ridder Rocinante, en Sancho Panza kuierde te voet bij hem aan, daarzijn langoor de wapens van den ridder moest dragen en hij ’t goede beest niet te zwaar belasten wou.

Zoo verlieten de beiden Barcelona, waar onzen ridder door zijne nederlaag ’t zwaarste leed had getroffen, dat hem, naar zijne gedachten, ooit op aarde kon overkomen.


Back to IndexNext