De Lotefos. (Phot. Wilse, Kristiania.)De Lotefos. (Phot. Wilse, Kristiania.)Daar trof ik juist den stroom van reizigers, die van de andere zijde gekomen was, en we werdenslechts bij partijen tot de eetzaal toegelaten. De bediening was langzaam; er waren nog eenige heeren en dames, die er een soort van feestmaal hadden, en die werden altijd het eerst bediend. Ik was buitengemeen tevreden over het middagmaal; er was eene ongewone verscheidenheid van gerechten, en ik begon juist te overwegen dat eene goede wandeling toch maar het beste middel is, om smakelijk te eten, toen op eens bleek wat de oorzaak was van mijn overvloed. Ik sloot aan tafel aan aan het gezelschap dat afzonderlijk dineerde, en nu werd ik dubbel bediend! In de gezelschapszaal, waar ik een gemakkelijken stoel opzocht, bediende de eigenares zelve hare gasten van koffie, en hielp mij ook aan eene sigaar. Aangename verrassing! Zij presenteerde mij uit een kistje van een welbekend hollandsch merk. Op het gebied van sigaren had ik tegenspoed gehad. Ze mede te nemen door Duitschland, Denemarken en Zweden tot in Noorwegen, zoude ze te duur maken door viermaal inkomend recht. (De reizigers die over zee in Noorwegen komen, hebben daar geen last aan, de douanen in de havens zijn sigarenblind.) Ik besloot daarom te Kristiania mijn voorraad voor de reis op te doen. ’s Morgens was mijn eerste gang naar een sigarenwinkel, om eenige monsters te koopen; toen ik ’s avonds terug kwam om den inslag te doen, was de winkel gesloten. Die vervroegde winkelsluiting—de heeren doen het daar zonder tusschenkomst der autoriteiten—was oorzaak dat ik ongeveer veertien dagen lang bijna niets anders dan hemeltergende namaaksels van goede sigaren gerookt had.Nu had ik nog 25 kilometer tot Dalen af te leggen, maar mijn rijtuigje was weêr bij de hand en welgemoed reed ik in den laten namiddag verder. Een heerlijke weg langs dat frissche Bortevand, afwisselend over open terreinen en door bosch, altijd langs de helling van een bergrug. Toen over eene hoogte, om eindelijk onder bosch uit te komen aan het kleine meer van Moen, waar het dorp met zijn kerkje aardig in het water weêrkaatste. Zachtjes aan had ik de overtuiging gekregen, dat de rit van af Haukeligraend den koetsier niet zooveel goed gedaan had als mij de wandeling. Hij scheen aan elke gelegenheid aangelegd te hebben en zich daar telkens een enkel of dubbel glas bier goed te hebben laten smaken. Wat hoogst zelden gebeurt in Noorwegen, mijn koetsier was dronken, en dat kwam minder dan ooit gelegen, want niet ver voorbij Moen begon de weg te dalen, steeds sterker en sterker, tot het eindelijk over tallooze slingerwegen, altijd een bergstroom diep onder ons, telkens over bruggen waar het water onder bruiste en loeide, steil omlaag ging. De kloof waar wij door heen renden, was prachtig begroeid met zwaar masthout en behoort onder de mooiste punten van de reis; maar ’t genot werd vergald door het wilde rijden van den beschonken koetsier. ’t Liep goed af; we kwamen ongedeerd beneden, en in vliegende vaart ging het nu over een vlakken weg tot aan het hotel Dalen. Ik maakte den dronken kerel een duchtig standje, gaf hem de kleinst mogelijke fooi en achtte daarmede de zaak afgeloopen, maar rekende buiten den waard. De portier van het hotel had het opgemerkt en aan zijn patroon medegedeeld, die er weêr met andere heeren over sprak. Na tafel vervoegden zich mijne noorsche vrienden bij mij, en verzochten mij aan een derden persoon, die eene officiëele positie scheen te hebben, eene verklaring omtrent het geval af te leggen; men stelde die schriftelijk op en verzocht mij haar te onderteekenen, desgelijks ook den portier als getuige. Het gevolg van de geschiedenis was, dat de dronken koetsier dienzelfden avond nog als skyd, dat is postrijder, ontslagen werd. Hij bleek te Dalen te wonen en al eens meer tot klachten aanleiding gegeven te hebben. Ik beklaagde mij over den last die mij aangedaan werd, maar men antwoordde, dat het rijden in Noorwegen den koetsiers groote omzichtigheid oplegde—nu, dat had ik niet zelden opgemerkt,—zoodat men in het belang der reizigers, dat ook het belang der bereisde streek was, dronkenschap zooveel mogelijk moest weren. Daarenboven, zeide men, stellen wij er eene eer in, dat zelfs eene vrouw alléén gerust en veilig in ons land reizen kan, en dat maakt strenge maatregelen tegenover dergelijke misstappen noodzakelijk.Zoo liep mijn tweede rit dwars door Noorwegen af; ik had in die drie dagen weder 165 K.M. op de stolkjaerre afgelegd.Het hotel Dalen is een tegenhanger van dat te Odde, in denzelfden stijl gebouwd, geheel van hout, maar slechts gedeeltelijk met eene verdieping. De verpleging was er uitstekend. Des avonds maakten we nog een wandeling; er waren enkele huizen, een paar luxe winkels met reisartikelen en noorsche merkwaardigheden. Maar ’t meest trok onze aandacht de groenten- en vruchtentuin van het hotel. De duitsche vrienden waren uit Elbing; “daar waar de wolven beginnen te huilen wonen wij”, zeiden zij; de noorsche vrienden waren uit de omstreken van Drontheim, en nu zocht ieder in den tuin op, wat ook bij hem thuis groeide, en merkte de afwijking in de groeiwijze, en in de vruchten op. Toen kwam ter sprake de wijze waarop groenten en vruchten toebereid, en hoe ze gegeten werden; hoe hunne wetenschappelijke en hoe hunne volksnamen waren; daarbij hadden de dames het hoogste woord. Het werd later dan wij wisten, en de boot naar Skien vertrok den volgenden morgen reeds tijdig. Met grooten spoed dus naar bed!’t Laatste noorsche ontbijt en toen naar de boot, die tamelijk bezet was. ’t Was weer een heerlijke dag. Het Bandaksvand is een prachtige waterplas; hoewel ruim, toch blijven de beide oevers altijd in ’t zicht. Eerst is het enger en aan de noordzijde begrensd door stoute bergen, dan een kalmer natuur, uitgestrekte weiden in het westen, afgesloten door de bergen van Saetersdalen. Er wordt op vele stations aangelegd, er is een druk verkeer van reizigers van station tot station, en op al die plaatsen ziet men veel zomergasten. Nu om het Bandaksö (ö is eiland) heen, een heerlijke plek, en dan steeds verder over het smaller wordend meer met zijne fraaie oevers, totdat het zich tot eene rivier vernauwt; ’t is de gekanaliseerde Skarperud-Strommen, die ons op de Hoidesjö brengt. We maken daar weder een omwegje in de Sundkile, een prachtige bocht langs Kirkebö en om het fraaie eiland Bubö. Aan haar einde is de Hoidesjö weder door een stroom, Tjaagesund, verbonden aan hetFlaavand, een ruimer plas dan de vorigen; we leggen nog enkele malen aan en komen weder in eene rivier, de Lund, en krijgen daar de eerste van eene lange reeks sluizen, het begin van een der grootste waterwerken in Noorwegen. ’t Is te Hogga, en die eerste sluis schut ons 7 meter naar beneden. Dan de sluis van Kjeldal met 3 meter verval, en dan die van Lunde, ook met 3 meter verval. Daar vinden we weêr eene aanlegplaats, Lundefares, met een aardig kerkje. Nu over den steeds breeder wordenden stroom verder tot aan den Vrangfoss, vroeger eene sterke stroomversnelling, die het aanleggen van zes sluizen noodig maakte. Een reusachtige sluisdam van 32 meter hoogte, geheel van granietblokken gebouwd, houdt het water tegen, dat voor zoover het niet voor schutten verbruikt wordt, in een 23 meter hoogen waterval omlaag stort. Thans komen we aan den Eidsfoss, waar we met twee sluizen weder 10 meter naar beneden geschut worden, en dan nog door drie sluizen eer we aan den Ulefoss komen, die met eene reeks van sluizen toegang geeft tot de Nordsjö. Men kan tusschen Vrangfoss en Ulefoss de boot verlaten, en langs een aangenaam pad, door bosch, op eene hoogte komen, waar een uitkijk gemaakt is. Daar heeft men den stouten sluizentrap voor zich, waarlangs de stoomboot langzaam afdaalt; rechts boven bij het begin der sluizen ziet men den waterval, die de aanleiding was tot dit reuzenwerk.Het geheele werk heet het Bandak-Nordsjökanaal en werd van 1889–1892 gebouwd. Het verschil in waterhoogte tusschen de beide meren is 57 M., dat overwonnen wordt met 17 sluizen over een afstand 17 K.M. Gewoonlijk kan men in die streken de sluizen eenvoudig uitkappen in de rotsen, en verkrijgt daardoor een onwrikbaar waterdicht geheel. Bij het bouwen van dit kanaal ging het niet zoo eenvoudig, en stuitte men op rotsen met groote spleten, of geene rotsen; en dan een onbetrouwbare bodem, waar dan behoorlijk in gefundeerd moest worden. Het is een prachtige waterweg voor het vervoer van goederen en voor den toerist niet minder, om de vele fraaie uitzichten die men langs alle zijden genieten kan.Zoo kwamen we dan te Skien, een middenpunt van houtstoffabricatie voor de papierfabrieken. We zien de groote fabrieksgebouwen en werven langs de oevers, maar ook tal van fraaie buitenhuizen in vriendelijke tuinen. Te Skien al weer dezelfde moeielijkheid om van de aanlegplaats der boot naar ’t station te komen. De menschen schijnen maar niet te begrijpen dat er iemand kan zijn, die den weg in hunne stad niet kent; of liever de organisatie der reisbureaux heeft hier den toestand voor de ongeorganiseerden bedorven. Die een Cooks- of Bennetts-ticket had, behoefde dit maar te vertoonen en dadelijk kwam een rijtuig om hem naar ’t station te rijden.De reis van Skien naar Kristiania duurt per sneltrein 6½ uur, en er zijn doorgaande rijtuigen in de treinen, die men sneltreinen noemt. De reis biedt weinig aantrekkelijks; hier en daar een aardig uitzicht op de zee; eene vroolijke badplaats; ook wel enkele aardige landschappen, maar niets buitengewoons. Er liggen interessante oude steden aan de lijn, bijv. Larvik, maar de tijd ontbrak me om daar nog te vertoeven. Zoodoende was de spoorreis, na een geheelen dag op de boot gezeten te hebben, wel wat lang, en mocht ik werkelijk wel dankbaar zijn onderweg een landgenoot aan te treffen, met wien de tijd aangenaam gekort werd. Van de Noorsche en Duitsche vrienden was afscheid genomen op de boot.Te Kristiania bleef me nog één dag over, want de trein vertrok eerst ten 11 uur des avonds; desverkiezende had ik denzelfden dag nog wel door kunnen reizen, want de trein uit Skien kwam ten 10 uur aan, en de afstand tusschen het Wester- en het hoofdstation is niet groot. Intusschen, ik deed het niet en besteedde het eerste gedeelte van den morgen aan eene zeer tijdroovende bezigheid, namelijk die van eens uit te slapen. De uren in den voormiddag werden nog eens zoek gebracht met eene wandeling door de stad, en aan ’t bezoeken van het magazijn: “Den norsche Husfledsforening” eene uitstekende plaats om de cadeautjes te koopen, die men uit verre landen pleegt mede te brengen. Er is daar de ruimste keuze van interessante en fraaie voorwerpen, vanaf de eenvoudigste uit berkenhout vervaardigde en bont met kleuren versierde, tot aan de fraaiste weefsels, aantrekkelijk door kleur en patroon. Gouden en zilveren sieraden ontbreken ook niet, en men krijgt zoo den indruk, dat in Noorwegen al wat gemaakt wordt tot de huisvlijt behoort als het maar mooi is, of dat het woord “huisvlijt” sterk misbruikt wordt. Het voorrecht om zooveel moois te zien en er uit te kunnen kiezen, betaalt men echter in den stijven prijs. Druk bezig met rondkijken in deze magazijnen, trof ik weder de Elbinger vrienden; we schenen elkaar niet kwijt te kunnen raken.Van den Husflid, die in de Karl Johann’s gade gelegen is, spoedde ik mij naar de haven, om aan de Pipervikenbrigge de boot te krijgen, die me aan de overzijde op het eiland Bygdö bracht. ’t Is eigenlijk een schier-eiland, waar men een paar badplaatsen vindt, het fraaie Oskar Hall, een koninklijk paleis en het noorsche volksmuseum. Dit laatste was het doel van het tochtje. Van de landingsplaats naar het museum is eene aardige wandeling; het eiland is overdekt met landhuizen in tuintjes gelegen, die er spoedig in geslaagd zullen zijn om het laatste spoor van landbouwbedrijf van het eiland te verdrijven.Men treedt het tentoonstellingsterrein binnen door een groote poort, een kolossaal gebouw, eene copie van een der oude stadspoorten van Bergen; als geschiedkundige herinnering stellig erg merkwaardig, maar niet mooi. Rondom een vierkant plein zijn eenige gebouwen geschaard, waarin oudheden bijeengebracht zijn. Er zijn daar vele prachtige en hoogst interessante voorwerpen. De meeste aandacht trok de inrichting der huizen, door de eeuwen heen. Van tijd tot tijd kon men denken in eene nederlandsche oudheidkamer te zijn, zooveel bekende en op gelijke wijze versierde voorwerpen trof men er aan, maar in ’t algemeen wilde het mij voorkomen, dat er te veel van alles en nog wat verzameld was. De bedoeling is een beeld te geven hoe ’t vroeger was; maar de aandacht wordt steeds afgeleid door allerlei curiositeiten, die niets met de hoofdzaak te maken hebben. De passie van te verzamelen dreigt ook hier den oudheidkenner te verschalken. Er is ook een groote ruimte ingenomen door kerkorgels, preekstoelen,altaren en velerlei kerksieraden. Daar was veel eenerlei bijeen en veel onbelangrijks. Dan is er nog een gebouw, waarin zich eene verzameling van ijzeren kachels bevindt, stellig een zaak van gewicht voor Noorwegen; er waren er dan ook heel veel.In de zalen waren overal fröken in nationaal costuum: bijv. in de afdeeling Telemarken eene dame in Telemarksche dracht; die dames hielden zich, zittend, staand of loopend, altijd door bezig met breien van buitengewoon lange kousen; zij waren zeer bereid een vriendelijk praatje met den bezoeker te maken, maar inlichtingen geven konden zij maar weinig.Op de terreinen van het museum vond men oude gebouwen staan, uit verschillende deelen van het land overgebracht, en daarbij was zeer aardig gebruik gemaakt van de golvingen in het terrein en van de boomen die er toevallig voorkwamen. In die gebouwen waren ook weder gecostumeerde bewaaksters met breikousen; de huizen waren meestal volkomen leeg, op één na, eene herberg, waarin zeer eigenaardig de restauratie gevestigd was; men vond er ook de nabootsing eener Stavekerke; dat is nog een geschenk van den Zwedenkoning Oscar, zijn naam staat er met groote gulden letters op. Dan is er nog eene verzameling van oudere noorsche landbouwwerktuigen. Als geheel is het museum zeer interessant en leerzaam; ik heb er opgemerkt dat de versieringen, die men thans ten plattelande op werktuigen en gereedschappen aanbrengt, nog altijd dezelfde zijn als die men op de daar bewaarde oudheden vindt.Sluizentrap tusschen Ulefoss en Vrangfoss. (Eene stoomboot in de hoogste schutkolk.)Sluizentrap tusschen Ulefoss en Vrangfoss. (Eene stoomboot in de hoogste schutkolk.)Den namiddag besteedde ik aan eene rondvaart op de golf van Kristiania; een alleraangenaamste tocht met de meeste afwisseling. Men vaart om en langs talrijke eilanden en eilandjes, kaal, begroeid en dikwijls ook bebouwd met een of meer aardige landhuizen; hier en daar eene visscherswoning, en dikwijls heerlijke uitzichten op de zich amphitheatersgewijze verheffende kusten. Niemand die een namiddag te Kristiania vrij heeft mag dezen tocht verzuimen.De trein vertrok ten 11 uur ’s avonds. Slaapcoupé tot Göteborg. Van daar af allerprettigst gezelschap van drie amerikaansche dames, die alleen hoofdsteden in Europa bezochten! Te Kopenhagen had ik drie uur tijd en maakte ik nog eene wandeling door de stad; aan het station trof ik waarlijk weer de Elbinger vrienden, die van Kristiania met eene boot naar Kopenhagen gekomen waren. Wij besloten nu maar bijeen te blijven. Zij hadden hunne slaapplaatsen in het rijtuig naar Berlijn; ik in dat naar Hamburg, maar een welwillend conducteur bezorgde ons een coupé, waar we nog een gezelligen avond doorbrachten tot Gedser, waarna ieder in zijn eigen coupé moest plaats nemen, om het douanebezoek af te wachten en te gaan slapen. Te Hamburg had ik weêr een oponthoud van drie uren, en daarop te Osnabrück nog eens van trein te verwisselen, om verder ongestoord Amsterdam te bereiken.
De Lotefos. (Phot. Wilse, Kristiania.)De Lotefos. (Phot. Wilse, Kristiania.)Daar trof ik juist den stroom van reizigers, die van de andere zijde gekomen was, en we werdenslechts bij partijen tot de eetzaal toegelaten. De bediening was langzaam; er waren nog eenige heeren en dames, die er een soort van feestmaal hadden, en die werden altijd het eerst bediend. Ik was buitengemeen tevreden over het middagmaal; er was eene ongewone verscheidenheid van gerechten, en ik begon juist te overwegen dat eene goede wandeling toch maar het beste middel is, om smakelijk te eten, toen op eens bleek wat de oorzaak was van mijn overvloed. Ik sloot aan tafel aan aan het gezelschap dat afzonderlijk dineerde, en nu werd ik dubbel bediend! In de gezelschapszaal, waar ik een gemakkelijken stoel opzocht, bediende de eigenares zelve hare gasten van koffie, en hielp mij ook aan eene sigaar. Aangename verrassing! Zij presenteerde mij uit een kistje van een welbekend hollandsch merk. Op het gebied van sigaren had ik tegenspoed gehad. Ze mede te nemen door Duitschland, Denemarken en Zweden tot in Noorwegen, zoude ze te duur maken door viermaal inkomend recht. (De reizigers die over zee in Noorwegen komen, hebben daar geen last aan, de douanen in de havens zijn sigarenblind.) Ik besloot daarom te Kristiania mijn voorraad voor de reis op te doen. ’s Morgens was mijn eerste gang naar een sigarenwinkel, om eenige monsters te koopen; toen ik ’s avonds terug kwam om den inslag te doen, was de winkel gesloten. Die vervroegde winkelsluiting—de heeren doen het daar zonder tusschenkomst der autoriteiten—was oorzaak dat ik ongeveer veertien dagen lang bijna niets anders dan hemeltergende namaaksels van goede sigaren gerookt had.Nu had ik nog 25 kilometer tot Dalen af te leggen, maar mijn rijtuigje was weêr bij de hand en welgemoed reed ik in den laten namiddag verder. Een heerlijke weg langs dat frissche Bortevand, afwisselend over open terreinen en door bosch, altijd langs de helling van een bergrug. Toen over eene hoogte, om eindelijk onder bosch uit te komen aan het kleine meer van Moen, waar het dorp met zijn kerkje aardig in het water weêrkaatste. Zachtjes aan had ik de overtuiging gekregen, dat de rit van af Haukeligraend den koetsier niet zooveel goed gedaan had als mij de wandeling. Hij scheen aan elke gelegenheid aangelegd te hebben en zich daar telkens een enkel of dubbel glas bier goed te hebben laten smaken. Wat hoogst zelden gebeurt in Noorwegen, mijn koetsier was dronken, en dat kwam minder dan ooit gelegen, want niet ver voorbij Moen begon de weg te dalen, steeds sterker en sterker, tot het eindelijk over tallooze slingerwegen, altijd een bergstroom diep onder ons, telkens over bruggen waar het water onder bruiste en loeide, steil omlaag ging. De kloof waar wij door heen renden, was prachtig begroeid met zwaar masthout en behoort onder de mooiste punten van de reis; maar ’t genot werd vergald door het wilde rijden van den beschonken koetsier. ’t Liep goed af; we kwamen ongedeerd beneden, en in vliegende vaart ging het nu over een vlakken weg tot aan het hotel Dalen. Ik maakte den dronken kerel een duchtig standje, gaf hem de kleinst mogelijke fooi en achtte daarmede de zaak afgeloopen, maar rekende buiten den waard. De portier van het hotel had het opgemerkt en aan zijn patroon medegedeeld, die er weêr met andere heeren over sprak. Na tafel vervoegden zich mijne noorsche vrienden bij mij, en verzochten mij aan een derden persoon, die eene officiëele positie scheen te hebben, eene verklaring omtrent het geval af te leggen; men stelde die schriftelijk op en verzocht mij haar te onderteekenen, desgelijks ook den portier als getuige. Het gevolg van de geschiedenis was, dat de dronken koetsier dienzelfden avond nog als skyd, dat is postrijder, ontslagen werd. Hij bleek te Dalen te wonen en al eens meer tot klachten aanleiding gegeven te hebben. Ik beklaagde mij over den last die mij aangedaan werd, maar men antwoordde, dat het rijden in Noorwegen den koetsiers groote omzichtigheid oplegde—nu, dat had ik niet zelden opgemerkt,—zoodat men in het belang der reizigers, dat ook het belang der bereisde streek was, dronkenschap zooveel mogelijk moest weren. Daarenboven, zeide men, stellen wij er eene eer in, dat zelfs eene vrouw alléén gerust en veilig in ons land reizen kan, en dat maakt strenge maatregelen tegenover dergelijke misstappen noodzakelijk.Zoo liep mijn tweede rit dwars door Noorwegen af; ik had in die drie dagen weder 165 K.M. op de stolkjaerre afgelegd.Het hotel Dalen is een tegenhanger van dat te Odde, in denzelfden stijl gebouwd, geheel van hout, maar slechts gedeeltelijk met eene verdieping. De verpleging was er uitstekend. Des avonds maakten we nog een wandeling; er waren enkele huizen, een paar luxe winkels met reisartikelen en noorsche merkwaardigheden. Maar ’t meest trok onze aandacht de groenten- en vruchtentuin van het hotel. De duitsche vrienden waren uit Elbing; “daar waar de wolven beginnen te huilen wonen wij”, zeiden zij; de noorsche vrienden waren uit de omstreken van Drontheim, en nu zocht ieder in den tuin op, wat ook bij hem thuis groeide, en merkte de afwijking in de groeiwijze, en in de vruchten op. Toen kwam ter sprake de wijze waarop groenten en vruchten toebereid, en hoe ze gegeten werden; hoe hunne wetenschappelijke en hoe hunne volksnamen waren; daarbij hadden de dames het hoogste woord. Het werd later dan wij wisten, en de boot naar Skien vertrok den volgenden morgen reeds tijdig. Met grooten spoed dus naar bed!’t Laatste noorsche ontbijt en toen naar de boot, die tamelijk bezet was. ’t Was weer een heerlijke dag. Het Bandaksvand is een prachtige waterplas; hoewel ruim, toch blijven de beide oevers altijd in ’t zicht. Eerst is het enger en aan de noordzijde begrensd door stoute bergen, dan een kalmer natuur, uitgestrekte weiden in het westen, afgesloten door de bergen van Saetersdalen. Er wordt op vele stations aangelegd, er is een druk verkeer van reizigers van station tot station, en op al die plaatsen ziet men veel zomergasten. Nu om het Bandaksö (ö is eiland) heen, een heerlijke plek, en dan steeds verder over het smaller wordend meer met zijne fraaie oevers, totdat het zich tot eene rivier vernauwt; ’t is de gekanaliseerde Skarperud-Strommen, die ons op de Hoidesjö brengt. We maken daar weder een omwegje in de Sundkile, een prachtige bocht langs Kirkebö en om het fraaie eiland Bubö. Aan haar einde is de Hoidesjö weder door een stroom, Tjaagesund, verbonden aan hetFlaavand, een ruimer plas dan de vorigen; we leggen nog enkele malen aan en komen weder in eene rivier, de Lund, en krijgen daar de eerste van eene lange reeks sluizen, het begin van een der grootste waterwerken in Noorwegen. ’t Is te Hogga, en die eerste sluis schut ons 7 meter naar beneden. Dan de sluis van Kjeldal met 3 meter verval, en dan die van Lunde, ook met 3 meter verval. Daar vinden we weêr eene aanlegplaats, Lundefares, met een aardig kerkje. Nu over den steeds breeder wordenden stroom verder tot aan den Vrangfoss, vroeger eene sterke stroomversnelling, die het aanleggen van zes sluizen noodig maakte. Een reusachtige sluisdam van 32 meter hoogte, geheel van granietblokken gebouwd, houdt het water tegen, dat voor zoover het niet voor schutten verbruikt wordt, in een 23 meter hoogen waterval omlaag stort. Thans komen we aan den Eidsfoss, waar we met twee sluizen weder 10 meter naar beneden geschut worden, en dan nog door drie sluizen eer we aan den Ulefoss komen, die met eene reeks van sluizen toegang geeft tot de Nordsjö. Men kan tusschen Vrangfoss en Ulefoss de boot verlaten, en langs een aangenaam pad, door bosch, op eene hoogte komen, waar een uitkijk gemaakt is. Daar heeft men den stouten sluizentrap voor zich, waarlangs de stoomboot langzaam afdaalt; rechts boven bij het begin der sluizen ziet men den waterval, die de aanleiding was tot dit reuzenwerk.Het geheele werk heet het Bandak-Nordsjökanaal en werd van 1889–1892 gebouwd. Het verschil in waterhoogte tusschen de beide meren is 57 M., dat overwonnen wordt met 17 sluizen over een afstand 17 K.M. Gewoonlijk kan men in die streken de sluizen eenvoudig uitkappen in de rotsen, en verkrijgt daardoor een onwrikbaar waterdicht geheel. Bij het bouwen van dit kanaal ging het niet zoo eenvoudig, en stuitte men op rotsen met groote spleten, of geene rotsen; en dan een onbetrouwbare bodem, waar dan behoorlijk in gefundeerd moest worden. Het is een prachtige waterweg voor het vervoer van goederen en voor den toerist niet minder, om de vele fraaie uitzichten die men langs alle zijden genieten kan.Zoo kwamen we dan te Skien, een middenpunt van houtstoffabricatie voor de papierfabrieken. We zien de groote fabrieksgebouwen en werven langs de oevers, maar ook tal van fraaie buitenhuizen in vriendelijke tuinen. Te Skien al weer dezelfde moeielijkheid om van de aanlegplaats der boot naar ’t station te komen. De menschen schijnen maar niet te begrijpen dat er iemand kan zijn, die den weg in hunne stad niet kent; of liever de organisatie der reisbureaux heeft hier den toestand voor de ongeorganiseerden bedorven. Die een Cooks- of Bennetts-ticket had, behoefde dit maar te vertoonen en dadelijk kwam een rijtuig om hem naar ’t station te rijden.De reis van Skien naar Kristiania duurt per sneltrein 6½ uur, en er zijn doorgaande rijtuigen in de treinen, die men sneltreinen noemt. De reis biedt weinig aantrekkelijks; hier en daar een aardig uitzicht op de zee; eene vroolijke badplaats; ook wel enkele aardige landschappen, maar niets buitengewoons. Er liggen interessante oude steden aan de lijn, bijv. Larvik, maar de tijd ontbrak me om daar nog te vertoeven. Zoodoende was de spoorreis, na een geheelen dag op de boot gezeten te hebben, wel wat lang, en mocht ik werkelijk wel dankbaar zijn onderweg een landgenoot aan te treffen, met wien de tijd aangenaam gekort werd. Van de Noorsche en Duitsche vrienden was afscheid genomen op de boot.Te Kristiania bleef me nog één dag over, want de trein vertrok eerst ten 11 uur des avonds; desverkiezende had ik denzelfden dag nog wel door kunnen reizen, want de trein uit Skien kwam ten 10 uur aan, en de afstand tusschen het Wester- en het hoofdstation is niet groot. Intusschen, ik deed het niet en besteedde het eerste gedeelte van den morgen aan eene zeer tijdroovende bezigheid, namelijk die van eens uit te slapen. De uren in den voormiddag werden nog eens zoek gebracht met eene wandeling door de stad, en aan ’t bezoeken van het magazijn: “Den norsche Husfledsforening” eene uitstekende plaats om de cadeautjes te koopen, die men uit verre landen pleegt mede te brengen. Er is daar de ruimste keuze van interessante en fraaie voorwerpen, vanaf de eenvoudigste uit berkenhout vervaardigde en bont met kleuren versierde, tot aan de fraaiste weefsels, aantrekkelijk door kleur en patroon. Gouden en zilveren sieraden ontbreken ook niet, en men krijgt zoo den indruk, dat in Noorwegen al wat gemaakt wordt tot de huisvlijt behoort als het maar mooi is, of dat het woord “huisvlijt” sterk misbruikt wordt. Het voorrecht om zooveel moois te zien en er uit te kunnen kiezen, betaalt men echter in den stijven prijs. Druk bezig met rondkijken in deze magazijnen, trof ik weder de Elbinger vrienden; we schenen elkaar niet kwijt te kunnen raken.Van den Husflid, die in de Karl Johann’s gade gelegen is, spoedde ik mij naar de haven, om aan de Pipervikenbrigge de boot te krijgen, die me aan de overzijde op het eiland Bygdö bracht. ’t Is eigenlijk een schier-eiland, waar men een paar badplaatsen vindt, het fraaie Oskar Hall, een koninklijk paleis en het noorsche volksmuseum. Dit laatste was het doel van het tochtje. Van de landingsplaats naar het museum is eene aardige wandeling; het eiland is overdekt met landhuizen in tuintjes gelegen, die er spoedig in geslaagd zullen zijn om het laatste spoor van landbouwbedrijf van het eiland te verdrijven.Men treedt het tentoonstellingsterrein binnen door een groote poort, een kolossaal gebouw, eene copie van een der oude stadspoorten van Bergen; als geschiedkundige herinnering stellig erg merkwaardig, maar niet mooi. Rondom een vierkant plein zijn eenige gebouwen geschaard, waarin oudheden bijeengebracht zijn. Er zijn daar vele prachtige en hoogst interessante voorwerpen. De meeste aandacht trok de inrichting der huizen, door de eeuwen heen. Van tijd tot tijd kon men denken in eene nederlandsche oudheidkamer te zijn, zooveel bekende en op gelijke wijze versierde voorwerpen trof men er aan, maar in ’t algemeen wilde het mij voorkomen, dat er te veel van alles en nog wat verzameld was. De bedoeling is een beeld te geven hoe ’t vroeger was; maar de aandacht wordt steeds afgeleid door allerlei curiositeiten, die niets met de hoofdzaak te maken hebben. De passie van te verzamelen dreigt ook hier den oudheidkenner te verschalken. Er is ook een groote ruimte ingenomen door kerkorgels, preekstoelen,altaren en velerlei kerksieraden. Daar was veel eenerlei bijeen en veel onbelangrijks. Dan is er nog een gebouw, waarin zich eene verzameling van ijzeren kachels bevindt, stellig een zaak van gewicht voor Noorwegen; er waren er dan ook heel veel.In de zalen waren overal fröken in nationaal costuum: bijv. in de afdeeling Telemarken eene dame in Telemarksche dracht; die dames hielden zich, zittend, staand of loopend, altijd door bezig met breien van buitengewoon lange kousen; zij waren zeer bereid een vriendelijk praatje met den bezoeker te maken, maar inlichtingen geven konden zij maar weinig.Op de terreinen van het museum vond men oude gebouwen staan, uit verschillende deelen van het land overgebracht, en daarbij was zeer aardig gebruik gemaakt van de golvingen in het terrein en van de boomen die er toevallig voorkwamen. In die gebouwen waren ook weder gecostumeerde bewaaksters met breikousen; de huizen waren meestal volkomen leeg, op één na, eene herberg, waarin zeer eigenaardig de restauratie gevestigd was; men vond er ook de nabootsing eener Stavekerke; dat is nog een geschenk van den Zwedenkoning Oscar, zijn naam staat er met groote gulden letters op. Dan is er nog eene verzameling van oudere noorsche landbouwwerktuigen. Als geheel is het museum zeer interessant en leerzaam; ik heb er opgemerkt dat de versieringen, die men thans ten plattelande op werktuigen en gereedschappen aanbrengt, nog altijd dezelfde zijn als die men op de daar bewaarde oudheden vindt.Sluizentrap tusschen Ulefoss en Vrangfoss. (Eene stoomboot in de hoogste schutkolk.)Sluizentrap tusschen Ulefoss en Vrangfoss. (Eene stoomboot in de hoogste schutkolk.)Den namiddag besteedde ik aan eene rondvaart op de golf van Kristiania; een alleraangenaamste tocht met de meeste afwisseling. Men vaart om en langs talrijke eilanden en eilandjes, kaal, begroeid en dikwijls ook bebouwd met een of meer aardige landhuizen; hier en daar eene visscherswoning, en dikwijls heerlijke uitzichten op de zich amphitheatersgewijze verheffende kusten. Niemand die een namiddag te Kristiania vrij heeft mag dezen tocht verzuimen.De trein vertrok ten 11 uur ’s avonds. Slaapcoupé tot Göteborg. Van daar af allerprettigst gezelschap van drie amerikaansche dames, die alleen hoofdsteden in Europa bezochten! Te Kopenhagen had ik drie uur tijd en maakte ik nog eene wandeling door de stad; aan het station trof ik waarlijk weer de Elbinger vrienden, die van Kristiania met eene boot naar Kopenhagen gekomen waren. Wij besloten nu maar bijeen te blijven. Zij hadden hunne slaapplaatsen in het rijtuig naar Berlijn; ik in dat naar Hamburg, maar een welwillend conducteur bezorgde ons een coupé, waar we nog een gezelligen avond doorbrachten tot Gedser, waarna ieder in zijn eigen coupé moest plaats nemen, om het douanebezoek af te wachten en te gaan slapen. Te Hamburg had ik weêr een oponthoud van drie uren, en daarop te Osnabrück nog eens van trein te verwisselen, om verder ongestoord Amsterdam te bereiken.
De Lotefos. (Phot. Wilse, Kristiania.)De Lotefos. (Phot. Wilse, Kristiania.)
De Lotefos. (Phot. Wilse, Kristiania.)
Daar trof ik juist den stroom van reizigers, die van de andere zijde gekomen was, en we werdenslechts bij partijen tot de eetzaal toegelaten. De bediening was langzaam; er waren nog eenige heeren en dames, die er een soort van feestmaal hadden, en die werden altijd het eerst bediend. Ik was buitengemeen tevreden over het middagmaal; er was eene ongewone verscheidenheid van gerechten, en ik begon juist te overwegen dat eene goede wandeling toch maar het beste middel is, om smakelijk te eten, toen op eens bleek wat de oorzaak was van mijn overvloed. Ik sloot aan tafel aan aan het gezelschap dat afzonderlijk dineerde, en nu werd ik dubbel bediend! In de gezelschapszaal, waar ik een gemakkelijken stoel opzocht, bediende de eigenares zelve hare gasten van koffie, en hielp mij ook aan eene sigaar. Aangename verrassing! Zij presenteerde mij uit een kistje van een welbekend hollandsch merk. Op het gebied van sigaren had ik tegenspoed gehad. Ze mede te nemen door Duitschland, Denemarken en Zweden tot in Noorwegen, zoude ze te duur maken door viermaal inkomend recht. (De reizigers die over zee in Noorwegen komen, hebben daar geen last aan, de douanen in de havens zijn sigarenblind.) Ik besloot daarom te Kristiania mijn voorraad voor de reis op te doen. ’s Morgens was mijn eerste gang naar een sigarenwinkel, om eenige monsters te koopen; toen ik ’s avonds terug kwam om den inslag te doen, was de winkel gesloten. Die vervroegde winkelsluiting—de heeren doen het daar zonder tusschenkomst der autoriteiten—was oorzaak dat ik ongeveer veertien dagen lang bijna niets anders dan hemeltergende namaaksels van goede sigaren gerookt had.
Nu had ik nog 25 kilometer tot Dalen af te leggen, maar mijn rijtuigje was weêr bij de hand en welgemoed reed ik in den laten namiddag verder. Een heerlijke weg langs dat frissche Bortevand, afwisselend over open terreinen en door bosch, altijd langs de helling van een bergrug. Toen over eene hoogte, om eindelijk onder bosch uit te komen aan het kleine meer van Moen, waar het dorp met zijn kerkje aardig in het water weêrkaatste. Zachtjes aan had ik de overtuiging gekregen, dat de rit van af Haukeligraend den koetsier niet zooveel goed gedaan had als mij de wandeling. Hij scheen aan elke gelegenheid aangelegd te hebben en zich daar telkens een enkel of dubbel glas bier goed te hebben laten smaken. Wat hoogst zelden gebeurt in Noorwegen, mijn koetsier was dronken, en dat kwam minder dan ooit gelegen, want niet ver voorbij Moen begon de weg te dalen, steeds sterker en sterker, tot het eindelijk over tallooze slingerwegen, altijd een bergstroom diep onder ons, telkens over bruggen waar het water onder bruiste en loeide, steil omlaag ging. De kloof waar wij door heen renden, was prachtig begroeid met zwaar masthout en behoort onder de mooiste punten van de reis; maar ’t genot werd vergald door het wilde rijden van den beschonken koetsier. ’t Liep goed af; we kwamen ongedeerd beneden, en in vliegende vaart ging het nu over een vlakken weg tot aan het hotel Dalen. Ik maakte den dronken kerel een duchtig standje, gaf hem de kleinst mogelijke fooi en achtte daarmede de zaak afgeloopen, maar rekende buiten den waard. De portier van het hotel had het opgemerkt en aan zijn patroon medegedeeld, die er weêr met andere heeren over sprak. Na tafel vervoegden zich mijne noorsche vrienden bij mij, en verzochten mij aan een derden persoon, die eene officiëele positie scheen te hebben, eene verklaring omtrent het geval af te leggen; men stelde die schriftelijk op en verzocht mij haar te onderteekenen, desgelijks ook den portier als getuige. Het gevolg van de geschiedenis was, dat de dronken koetsier dienzelfden avond nog als skyd, dat is postrijder, ontslagen werd. Hij bleek te Dalen te wonen en al eens meer tot klachten aanleiding gegeven te hebben. Ik beklaagde mij over den last die mij aangedaan werd, maar men antwoordde, dat het rijden in Noorwegen den koetsiers groote omzichtigheid oplegde—nu, dat had ik niet zelden opgemerkt,—zoodat men in het belang der reizigers, dat ook het belang der bereisde streek was, dronkenschap zooveel mogelijk moest weren. Daarenboven, zeide men, stellen wij er eene eer in, dat zelfs eene vrouw alléén gerust en veilig in ons land reizen kan, en dat maakt strenge maatregelen tegenover dergelijke misstappen noodzakelijk.
Zoo liep mijn tweede rit dwars door Noorwegen af; ik had in die drie dagen weder 165 K.M. op de stolkjaerre afgelegd.
Het hotel Dalen is een tegenhanger van dat te Odde, in denzelfden stijl gebouwd, geheel van hout, maar slechts gedeeltelijk met eene verdieping. De verpleging was er uitstekend. Des avonds maakten we nog een wandeling; er waren enkele huizen, een paar luxe winkels met reisartikelen en noorsche merkwaardigheden. Maar ’t meest trok onze aandacht de groenten- en vruchtentuin van het hotel. De duitsche vrienden waren uit Elbing; “daar waar de wolven beginnen te huilen wonen wij”, zeiden zij; de noorsche vrienden waren uit de omstreken van Drontheim, en nu zocht ieder in den tuin op, wat ook bij hem thuis groeide, en merkte de afwijking in de groeiwijze, en in de vruchten op. Toen kwam ter sprake de wijze waarop groenten en vruchten toebereid, en hoe ze gegeten werden; hoe hunne wetenschappelijke en hoe hunne volksnamen waren; daarbij hadden de dames het hoogste woord. Het werd later dan wij wisten, en de boot naar Skien vertrok den volgenden morgen reeds tijdig. Met grooten spoed dus naar bed!
’t Laatste noorsche ontbijt en toen naar de boot, die tamelijk bezet was. ’t Was weer een heerlijke dag. Het Bandaksvand is een prachtige waterplas; hoewel ruim, toch blijven de beide oevers altijd in ’t zicht. Eerst is het enger en aan de noordzijde begrensd door stoute bergen, dan een kalmer natuur, uitgestrekte weiden in het westen, afgesloten door de bergen van Saetersdalen. Er wordt op vele stations aangelegd, er is een druk verkeer van reizigers van station tot station, en op al die plaatsen ziet men veel zomergasten. Nu om het Bandaksö (ö is eiland) heen, een heerlijke plek, en dan steeds verder over het smaller wordend meer met zijne fraaie oevers, totdat het zich tot eene rivier vernauwt; ’t is de gekanaliseerde Skarperud-Strommen, die ons op de Hoidesjö brengt. We maken daar weder een omwegje in de Sundkile, een prachtige bocht langs Kirkebö en om het fraaie eiland Bubö. Aan haar einde is de Hoidesjö weder door een stroom, Tjaagesund, verbonden aan hetFlaavand, een ruimer plas dan de vorigen; we leggen nog enkele malen aan en komen weder in eene rivier, de Lund, en krijgen daar de eerste van eene lange reeks sluizen, het begin van een der grootste waterwerken in Noorwegen. ’t Is te Hogga, en die eerste sluis schut ons 7 meter naar beneden. Dan de sluis van Kjeldal met 3 meter verval, en dan die van Lunde, ook met 3 meter verval. Daar vinden we weêr eene aanlegplaats, Lundefares, met een aardig kerkje. Nu over den steeds breeder wordenden stroom verder tot aan den Vrangfoss, vroeger eene sterke stroomversnelling, die het aanleggen van zes sluizen noodig maakte. Een reusachtige sluisdam van 32 meter hoogte, geheel van granietblokken gebouwd, houdt het water tegen, dat voor zoover het niet voor schutten verbruikt wordt, in een 23 meter hoogen waterval omlaag stort. Thans komen we aan den Eidsfoss, waar we met twee sluizen weder 10 meter naar beneden geschut worden, en dan nog door drie sluizen eer we aan den Ulefoss komen, die met eene reeks van sluizen toegang geeft tot de Nordsjö. Men kan tusschen Vrangfoss en Ulefoss de boot verlaten, en langs een aangenaam pad, door bosch, op eene hoogte komen, waar een uitkijk gemaakt is. Daar heeft men den stouten sluizentrap voor zich, waarlangs de stoomboot langzaam afdaalt; rechts boven bij het begin der sluizen ziet men den waterval, die de aanleiding was tot dit reuzenwerk.
Het geheele werk heet het Bandak-Nordsjökanaal en werd van 1889–1892 gebouwd. Het verschil in waterhoogte tusschen de beide meren is 57 M., dat overwonnen wordt met 17 sluizen over een afstand 17 K.M. Gewoonlijk kan men in die streken de sluizen eenvoudig uitkappen in de rotsen, en verkrijgt daardoor een onwrikbaar waterdicht geheel. Bij het bouwen van dit kanaal ging het niet zoo eenvoudig, en stuitte men op rotsen met groote spleten, of geene rotsen; en dan een onbetrouwbare bodem, waar dan behoorlijk in gefundeerd moest worden. Het is een prachtige waterweg voor het vervoer van goederen en voor den toerist niet minder, om de vele fraaie uitzichten die men langs alle zijden genieten kan.
Zoo kwamen we dan te Skien, een middenpunt van houtstoffabricatie voor de papierfabrieken. We zien de groote fabrieksgebouwen en werven langs de oevers, maar ook tal van fraaie buitenhuizen in vriendelijke tuinen. Te Skien al weer dezelfde moeielijkheid om van de aanlegplaats der boot naar ’t station te komen. De menschen schijnen maar niet te begrijpen dat er iemand kan zijn, die den weg in hunne stad niet kent; of liever de organisatie der reisbureaux heeft hier den toestand voor de ongeorganiseerden bedorven. Die een Cooks- of Bennetts-ticket had, behoefde dit maar te vertoonen en dadelijk kwam een rijtuig om hem naar ’t station te rijden.
De reis van Skien naar Kristiania duurt per sneltrein 6½ uur, en er zijn doorgaande rijtuigen in de treinen, die men sneltreinen noemt. De reis biedt weinig aantrekkelijks; hier en daar een aardig uitzicht op de zee; eene vroolijke badplaats; ook wel enkele aardige landschappen, maar niets buitengewoons. Er liggen interessante oude steden aan de lijn, bijv. Larvik, maar de tijd ontbrak me om daar nog te vertoeven. Zoodoende was de spoorreis, na een geheelen dag op de boot gezeten te hebben, wel wat lang, en mocht ik werkelijk wel dankbaar zijn onderweg een landgenoot aan te treffen, met wien de tijd aangenaam gekort werd. Van de Noorsche en Duitsche vrienden was afscheid genomen op de boot.
Te Kristiania bleef me nog één dag over, want de trein vertrok eerst ten 11 uur des avonds; desverkiezende had ik denzelfden dag nog wel door kunnen reizen, want de trein uit Skien kwam ten 10 uur aan, en de afstand tusschen het Wester- en het hoofdstation is niet groot. Intusschen, ik deed het niet en besteedde het eerste gedeelte van den morgen aan eene zeer tijdroovende bezigheid, namelijk die van eens uit te slapen. De uren in den voormiddag werden nog eens zoek gebracht met eene wandeling door de stad, en aan ’t bezoeken van het magazijn: “Den norsche Husfledsforening” eene uitstekende plaats om de cadeautjes te koopen, die men uit verre landen pleegt mede te brengen. Er is daar de ruimste keuze van interessante en fraaie voorwerpen, vanaf de eenvoudigste uit berkenhout vervaardigde en bont met kleuren versierde, tot aan de fraaiste weefsels, aantrekkelijk door kleur en patroon. Gouden en zilveren sieraden ontbreken ook niet, en men krijgt zoo den indruk, dat in Noorwegen al wat gemaakt wordt tot de huisvlijt behoort als het maar mooi is, of dat het woord “huisvlijt” sterk misbruikt wordt. Het voorrecht om zooveel moois te zien en er uit te kunnen kiezen, betaalt men echter in den stijven prijs. Druk bezig met rondkijken in deze magazijnen, trof ik weder de Elbinger vrienden; we schenen elkaar niet kwijt te kunnen raken.
Van den Husflid, die in de Karl Johann’s gade gelegen is, spoedde ik mij naar de haven, om aan de Pipervikenbrigge de boot te krijgen, die me aan de overzijde op het eiland Bygdö bracht. ’t Is eigenlijk een schier-eiland, waar men een paar badplaatsen vindt, het fraaie Oskar Hall, een koninklijk paleis en het noorsche volksmuseum. Dit laatste was het doel van het tochtje. Van de landingsplaats naar het museum is eene aardige wandeling; het eiland is overdekt met landhuizen in tuintjes gelegen, die er spoedig in geslaagd zullen zijn om het laatste spoor van landbouwbedrijf van het eiland te verdrijven.
Men treedt het tentoonstellingsterrein binnen door een groote poort, een kolossaal gebouw, eene copie van een der oude stadspoorten van Bergen; als geschiedkundige herinnering stellig erg merkwaardig, maar niet mooi. Rondom een vierkant plein zijn eenige gebouwen geschaard, waarin oudheden bijeengebracht zijn. Er zijn daar vele prachtige en hoogst interessante voorwerpen. De meeste aandacht trok de inrichting der huizen, door de eeuwen heen. Van tijd tot tijd kon men denken in eene nederlandsche oudheidkamer te zijn, zooveel bekende en op gelijke wijze versierde voorwerpen trof men er aan, maar in ’t algemeen wilde het mij voorkomen, dat er te veel van alles en nog wat verzameld was. De bedoeling is een beeld te geven hoe ’t vroeger was; maar de aandacht wordt steeds afgeleid door allerlei curiositeiten, die niets met de hoofdzaak te maken hebben. De passie van te verzamelen dreigt ook hier den oudheidkenner te verschalken. Er is ook een groote ruimte ingenomen door kerkorgels, preekstoelen,altaren en velerlei kerksieraden. Daar was veel eenerlei bijeen en veel onbelangrijks. Dan is er nog een gebouw, waarin zich eene verzameling van ijzeren kachels bevindt, stellig een zaak van gewicht voor Noorwegen; er waren er dan ook heel veel.
In de zalen waren overal fröken in nationaal costuum: bijv. in de afdeeling Telemarken eene dame in Telemarksche dracht; die dames hielden zich, zittend, staand of loopend, altijd door bezig met breien van buitengewoon lange kousen; zij waren zeer bereid een vriendelijk praatje met den bezoeker te maken, maar inlichtingen geven konden zij maar weinig.
Op de terreinen van het museum vond men oude gebouwen staan, uit verschillende deelen van het land overgebracht, en daarbij was zeer aardig gebruik gemaakt van de golvingen in het terrein en van de boomen die er toevallig voorkwamen. In die gebouwen waren ook weder gecostumeerde bewaaksters met breikousen; de huizen waren meestal volkomen leeg, op één na, eene herberg, waarin zeer eigenaardig de restauratie gevestigd was; men vond er ook de nabootsing eener Stavekerke; dat is nog een geschenk van den Zwedenkoning Oscar, zijn naam staat er met groote gulden letters op. Dan is er nog eene verzameling van oudere noorsche landbouwwerktuigen. Als geheel is het museum zeer interessant en leerzaam; ik heb er opgemerkt dat de versieringen, die men thans ten plattelande op werktuigen en gereedschappen aanbrengt, nog altijd dezelfde zijn als die men op de daar bewaarde oudheden vindt.
Sluizentrap tusschen Ulefoss en Vrangfoss. (Eene stoomboot in de hoogste schutkolk.)Sluizentrap tusschen Ulefoss en Vrangfoss. (Eene stoomboot in de hoogste schutkolk.)
Sluizentrap tusschen Ulefoss en Vrangfoss. (Eene stoomboot in de hoogste schutkolk.)
Den namiddag besteedde ik aan eene rondvaart op de golf van Kristiania; een alleraangenaamste tocht met de meeste afwisseling. Men vaart om en langs talrijke eilanden en eilandjes, kaal, begroeid en dikwijls ook bebouwd met een of meer aardige landhuizen; hier en daar eene visscherswoning, en dikwijls heerlijke uitzichten op de zich amphitheatersgewijze verheffende kusten. Niemand die een namiddag te Kristiania vrij heeft mag dezen tocht verzuimen.
De trein vertrok ten 11 uur ’s avonds. Slaapcoupé tot Göteborg. Van daar af allerprettigst gezelschap van drie amerikaansche dames, die alleen hoofdsteden in Europa bezochten! Te Kopenhagen had ik drie uur tijd en maakte ik nog eene wandeling door de stad; aan het station trof ik waarlijk weer de Elbinger vrienden, die van Kristiania met eene boot naar Kopenhagen gekomen waren. Wij besloten nu maar bijeen te blijven. Zij hadden hunne slaapplaatsen in het rijtuig naar Berlijn; ik in dat naar Hamburg, maar een welwillend conducteur bezorgde ons een coupé, waar we nog een gezelligen avond doorbrachten tot Gedser, waarna ieder in zijn eigen coupé moest plaats nemen, om het douanebezoek af te wachten en te gaan slapen. Te Hamburg had ik weêr een oponthoud van drie uren, en daarop te Osnabrück nog eens van trein te verwisselen, om verder ongestoord Amsterdam te bereiken.