Chapter 12

[1]Bendoro = heer (ook tegenover hoog geplaatste vrouwen gebezigd).

[1]Bendoro = heer (ook tegenover hoog geplaatste vrouwen gebezigd).

2 September 1902. (VIII).

Eigenwijs van ons, om "moeder" te spelen en dikwijls over "kinderen", die ouder zijn dan wij. Maar wat doet leeftijd er toe? ieder mensch heeft liefde noodig, de grijsaard zoowel als het kind.

Zou de vrouw werkelijk alleen en uitsluitend in het huwelijk tot haar recht, tot de volle ontwikkeling harer gemoedsgaven kunnen komen?—omdat der vrouw hoogste en schoonste glorie is het moederschap? Maar moet een vrouw dan absoluut eeneigen kindhebben om "moeder" te zijn, zooals dat woord behoort te beteekenen: een wezen, één liefde en toewijding? Als dat waar was, hoe bedroevend laag is het standpunt der wereld dan, dat menalleen een stuk van zichzelfkàn liefhebben, met algeheele overgave van het eigen ik! Hoeveel moeders zijn er niet, die alleen "moeder" heeten, omdat zij kinderen ter wereld hebben gebracht, maar die verder den moedernaam niet waard zijn te dragen. Een vrouw, die zich aan anderen geeft, met àl de liefde, die er in haar hart is, met alle toewijding, waartoe zij is in staat, is in geestelijken zin "moeder".

Wij stellen de geestelijke moeder hooger dan de lichamelijke.

Wij hopen en bidden vurig, dat later als 't ons gegeven is ons ideaal verwezenlijkt te zien, in een school te staan, onze kinderen ons niet alleen voor den vorm "moeder" zullen noemen; maar omdat zij in ons "moeders" zien en voelen.

Wij hopen innig, dat Anneke op Buitenzorg lieve, hartelijke menschen zal vinden, die het arme, alleenstaande kind het gemis van een moeder en een eigen thuis eenigszins zullen vergoeden.

Anneke heeft hier het Javaansche leven meê geleefd. Kon u maar eens om het hoekje van de deur zien, als Anneke met ons zoo zusterlijk op den grond zit. Op een avond zat zij bij ons in de kamer, aan het laag tafeltje, waaraan ik nu zit; zij naaide en wij schreven; er was nog een vierde in 't vertrek, een vriendin van ons; zij las ons vóór op zang.

U weet waarschijnlijk wel, dat al onze boeken in dichtmaat, bloementaal—zooals wij zeggen—geschreven zijn, en zij gelezen worden op zang.

Deuren en vensters stonden open; vóór de kamer bloeide een tjempakaboom, die met een windezucht ons zijn zachten, zoeten geur zond. Liefelijk klonk de zachte, weeke stem; zoet streeldehet graag-luisterend oor haar zang, die onze zielen meevoerde naar 't ver verleden, naar de oertijden vol schittering en pracht, en wijze, schoone, àlvermogende menschen....

Het was heerlijk, die zielendroom....

Wij beten, al droomend, meer op onze penhouder, dan dat wij ze over 't papier lieten vliegen. En in die echt Javaansche omgeving, zat tusschen bruine kinderen van 't zonneland, een blank dochtertje van het Westen. O! zoo gaarne zouden wij u zóó in ons midden willen hebben.

Wij leeren die zangen ook, en als wij niet al te verlegen zijn, zullen wij voor u droomen op zang.

Gisteren heeft Annie met ons iets typisch Javaansch uitgehaald. Zij wilde zoo graag van Japara weg; toen zeiden wij haar: "Vraag hulp van den Soenan van Mantingan; beloof hem een bloemoffer als je wensch uitkomt".

Zij heeft het gedaan. Eergisteravond dacht zij er aan, en den volgenden morgen ging zij met ons offeren. Met een troep priesters zijn we gisteren naar het heilige graf getogen; wij brachten bloemen en wierook mee.

Anneke ging met ons in het gebouw der heilige graven, en zat met ons op den grond aan het voeteinde van het graf. Er werd wierook gebrand, en een mystiek gebrom, eerst zachtkens, maar allengs luider, steeg op als priesterkoor. Het was plechtig en indrukwekkend. Wij zaten allen met gebogen hoofden, waarover het mystiek gebed der priesters ruischte en de blauwe wierookwolken gingen. Een der priesters bracht, over den grond vooruitschuifelende, Annie's bloemen aan, en legde die eerbiedig op het graf van den Soenan en daarna op de andere graven. Naast me hoorde ik snikken. 't was Anneke! Blootsvoets, ten teeken van eerbiediging, kwam zij het gebouw binnen, en wij brachten de dooden op onze wijze groet en hulde.

Vandaar gingen we naar de kalie, die achter het kerkhof stroomt, om er onze voeten te wasschen.

Wij vroegen den priesters om voor Anneke 's Hemels zegen af te smeeken.

Liefste, wij zouden zielsgraag met ü dit alles willen doen en doorleven.

Er is zooveel in 't Javaansche leven, dat verteedert, bijv. de roerende eerbied, dien we voor onze dooden hebben, voor onzeouderen. Er gebeurt niets in ons leven van eenig belang, zonder dat wij onze dooden gedenken, vreugde of rouw.

Anneke zal nog wel eens aan Japara denken, als ze al hoog en droog op Buitenzorg zit, al mocht ze 't daar ook duizendmaal beter hebben dan hier op Japara. Wie Japara en zijnezieleens heeft gekend, zal het nooit meer kunnen vergeten. Men mòet er aan terug denken, hetzij metliefde, hetzij methaat.

Gistermiddag zijn wij naar de houtsnijwerkerij geweest; 't was hoogst interessant, er waren 15 menschen, mannen en knapen, aan 't werk. 't Was hoogst eenvoudig, doch hoe effectvol, wat er van daan komt!

Zusje R. moest natuurlijk dadelijk meewerken, en zat al spoedig met de houtsnijwerkers aan een bank, heel genoegelijk of ze daar altijd aan gezeten heeft.

15 September 1902 (VIII).

Hoe zal ik u zeggen, met welke gevoelens bezield, wij de Charlotte van de Willem II zagen afvaren! Wij zagen hen aan met een lach om de lippen, maar tranen in het hart. Daar gaan ze, een stuk van ons hart, een stuk van onze ziel. Moedertje is weg, onze vriend is weg; wij hebben hier nu niemand meer als u. Wil u nu ons Moedertje zijn, ons nog meer liefhebben? Liefste, liefste, ik wilde, dat ik in uwe armen kon vliegen, mij nestelen aan uw hart, om te hooren hoe warm dat voor ons slaat! Blijf ons altijdliefhebbenenvertrouwen! Liefste, liefste, is er dan heelemaal geen kans, dat wij elkaar terugzien in dit leven? Wij kunnen en willen het niet gelooven.

De heer Royaards, die bij den Resident logeerde, bracht onze vrienden weg; wij herkenden hem dadelijk van de portretten, die wij van hem zagen. Hij maakte een allerprettigst en indruk, en was zeer vriendelijk voor ons. Hij kon niet naar Japara komen, zei hij uit zichzelf; zou 't aardig vinden, als wij hem konden hooren, en inviteerde ons hem a.s. Zaterdagavond te komen hooren in Julius Cesar, dat zeker tot ons spreken zal. Hij zou die uitnoodiging aan onzen broer zenden; konden wij daarvan geen gebruik maken, dan zou 't niets zijn. Aardig toch,vindt u niet? Hij hoopt ons in Holland te ontmoeten; wij óók. Wij zijn heel dankbaar hem ontmoet te hebben, al zullen wij het voorrecht niet mogen hebben hem te hooren; wij zijn al gelukkig hem persoonlijk te hebben mogen spreken. Wij hadden dat heelemaal niet gedacht.

Zelden was voor ons eene week zoo rijk aan emoties, en van zoo velerlei en uiteenloopenden aard, als deze afgeloopene. Zij begon met eene gebeurtenis, in 't leven van vrienden, die grooten invloed op hun verdere toekomst kan oefenen. Wij waren er in gewijd. Daarop deden wij iets, een vriendendienst, waardoor wij ons Vaders ongenade op den hals haalden. Ik zie mij nog zitten voor Vader, hem vrij in de oogen ziende; ik was mij van geen slechte daad bewust. Vader heel somber, en bedroefd klonk zijn stem: "Ni, heb ik dat aan jou verdiend? ik heb jou vertrouwd. Je hebt mij nooit wezenlijk pijn gedaan, nu doe je het. Ik ben nooit ernstig boos op je geweest, maar nu heb ik werkelijk sakit ati.[1]Wat je ook gedaan mag hebben, ik ben nooit boos op je, maar dit doet mij wezenlijk pijn." Ik zei niets, geen woord, en ik sloeg mijne oogen niet neer, overtuigd, als ik was, geen slechte daad begaan te nebben. Bedroefd was ik, dat Vader zich de zaak zoo aantrok, maar hemelsch gelukkig daarnaast met zijne verzekering, dat ik hemnooit wezenlijk pijnhad gedaan, en hij nooit wezenlijk boos op mij was geweest. Ik had de overtuiging, dat de tijd Vader anders zou doen denken over die slechtheid van me. Wij hadden niets gedaan, dat wij niet zouden durven vertellen; wij hadden tegen onze ouders gezwegen, omdat het was een geheim van anderen, en niet omdat wij het niet durfden. Wij kúnnen niet bij alles 't allereerst aan ons zelf denken, en dat willen zij. Wij mogen anderen wèl helpen, als wij zelf er hoegenaamd niets geen gevaar bij loopen. Dit is misschien zeer verstandig, maar dat strookt heelemaal niet met ons idee, die den dood zweert aan alle egoïsme. En het is een groot verdriet voor ons, dat wij onze omgeving dit hoog beginsel niet duidelijk kunnen maken. Het woord zelfzucht zoeken wij nog steeds in onze taal—heerlijke taal, waar dat woord niet in voorkomt. Was het in 't leven ook maar zoo! Helaas! Alles draait om het spilletje "ik". Weldoen als je zelf genoeg hebt,helpen als je zelf er geen onaangenaamheden door op den hals haalt. Wij kúnnen niet in dat schuitje meevaren. Wij kunnen het niet met 't woord bepleiten; wij moeten prediken met de daad, het voorbeeld!

Eerder dan wij verwacht hadden, kwam Vader tot een ander inzicht. Den avond van den zoo treurig begonnen dag kreeg ik eene ingeving; ik dacht er niet aan, dat het voor mij ook nut kon hebben, toen men mij raad vragend, ik raad gaf. Ik dacht alleen aan de belangen van mijn raadgeefster, en zie de gegeven raad kwam ook mijzelve ten goede. Vader liefkoosde me weer, en sprak met me of er niets was gebeurd. Wat zou ik me vroeger, vóór ik Nellie kende, doodongelukkig gevoeld hebben onder Vaders toorn en ongenade, maar nu hebben wij God om op te steunen en te vertrouwen, en wij waren kalm onder dat ongeval.

Hierna namen wij afscheid van Annie. 't Was ellendig, maar uiterlijk kon men aan ons niets zien. Misschien vond Annie ons wel koel, maar wij weten 't nu: stilte is de tolk van diep voelen. Na het afscheid van Annie—u raad nooit, wat ons toen overkomen is; wij werden biechtmoeders van iemand die bijna twee maal zoo oud is als wij. Dit vreemde geval deed ons zonderling aan. Wonderlijke dingen zijn ons overkomen, maar dit geval was zeker wel het allervreemdste. Wij hoorden de biecht aan met ouderlijke toestemming. Bij die gelegenheid wonnen wij een vriend voor den Javaan en een vriend voor ons streven. "Jullie zijn echte duvels, om een ouwen man de les te lezen". Dat klonk zóó van harte, dat wij in een lach schoten.

Grappig, dat wij bij onze pogingen om anderen te helpen den weg tot het goede, het waar geluk, zielevrede te vinden, menschenouderdan wij zelf ontmoeten, die onze hand vatten.

Het geeft zoo'n heerlijk zoet gevoel, het bewustzijn anderen te kunnen helpen. Wij verbeelden onsvolstrekt niet, dat wij "lichten" zijn, en daarom menig treurend hart tot ons komt om steun en troost, maar wij denken, dat men instinctmatig voelt liefde bij ons te vinden. Wij vinden het heerlijk, dat wij kunnen liefhebben, ons aan anderen kunnen geven. Arme harten, dienietkunnen liefhebben!

Wij deden heel gekke vragen, maar wij mochten alles, werd ons vooruit verzekerd.

Wij vroegen o.a.: "Wanneer een man eene vrouw liefheeft, waar denkt hij dan het allereerst aan: zal ik haar gelukkigkunnen maken? of zal ik door haar gelukkig kunnen worden?" De arme geplaagde krabde zich achter 't oor: "dat is een drommels lastige vraag, maar ik heb beloofd je oprecht op alles te antwoorden. Ik denk het laatste het eerst, en ik geloof, dat alle mannen, op enkele uitzonderingen na, er zóó over denken, want het gros der mannen is egoïstisch; jullie vrouwen staan zedelijk veel hooger dan wij". Wij wisten, dat 't was oprecht gemeend. Veel hebben wij van dien man geleerd, dat zeiden wij hem ronduit. Hij heeft ons geduld en zelfbeheersching geleerd; die stelde hij bij ons dikwijls zwaar op de proef. Materialistisch als hij is, kon hij vreeselijk tekeer gaan tegen hetgeen ons lief en dierbaar is. Als hij zoo tergend spotte en afbrak, dan kostte het ons dikwijls moeite om ons kalm te houden. En nu bekende hij, dat hij spotte, omdat hij voor zich zelven niet weten wilde, dat hetgeen wij zeiden hem trof; hij lag er dikwijls halve nachten over te pikeren.[2]Hij had over die dingen nooit nagedacht en zich het leven maar laten aanwaaien. Nu voelt hij hoe leeg het is. We zeiden hem, dat het gemakkelijk is om het leven van de oppervlakte te leven, maar dat de ziel zich niet verdrukken laat, en vroeg of laat boven op komt. Onvoldaanheid, leegheid, is haar uiting, haar kreet om voedsel!

"'t Is waar, mijn leven is zóó leeg; maar waarom heeft mijne ziel niet eerder gepiept!"

"U heeft haar niet willen hooren."

Hij was verbaasd, hoe wij sommige dingen zeiden, precies zooals hij dacht. "Dan moet er toch wat aan zijn van zielen, zielenverwantschap, enz.; ik word er nog huiverig van", zei hij met eene opglinstering van zijn ouden spot. Nu konden wij zijn spot beter verdragen, nu wij weten, dat het veelal slechts tot dekmantel diende van zijn warm gevoelen.

[1]Sakit ati beteekent letterlijk: ziek van harte, maar wordt gebezigd voor verdriet hebben en boos zijn.

[1]Sakit ati beteekent letterlijk: ziek van harte, maar wordt gebezigd voor verdriet hebben en boos zijn.

[2]Pikeren van pikir = nadenken.

[2]Pikeren van pikir = nadenken.

22 September 1902. (VIII.)

Innig dank voor uwe deelneming in ons leed over het vertrek onzer beste vrienden. Wij hadden zóó gehoopt, dat u hen nog zou kunnen zien. Uit uw briefje zien we, dat zij niet naar u hadden kunnen komen. U was in die dagen, dat zij er waren, juist op Buitenzorg. Wat is u aan 't pretmaken geweest! Mijn lief, best "Oudje" heerlijk! weer eens jong en vroolijk geweest! Ik las in de courant, dat het concert der Italianen ter gelegenheid der races bijzonder mooi moet zijn geweest, en dat Z.Exc. en hare gasten meermalen blijken van ingenomenheid gaven, ik wist toen niet, dat onder die gasten liefste was!

't Ligt misschien aan onzen gebrekkigen smaak, maar wij kunnen maar geen vermaak scheppen in de wedrennen zelf, hoewel wij dol veel van mooie paarden houden en ze te zien ons een lust is! Doch hen zoo te zien afjakkeren, wij moeten het nog leeren daarvoor enthousiast te worden; voor ons hopen wij, dat wij het nooit zullen leeren. Het aardigste nummer van races vinden wij wel de dames-bendie-race. Dat is een lust om te zien, jonge meisjes, jong en frisch als de morgenstond, in lichte toiletjes en bloemen het carré rondrijdend in lichte karretjes met vurige paardjes.

U moet weten, wij hadden ook eens de weelde gekend, van een race-club te bezitten. Een paar jaar geleden hebben wij de Japarasche Race-club met muziek, bloemen en champagne begraven op de toenmalige residentie-hoofdplaats Pati.

Hoef ik u nog te zeggen, hoe ikgenietvan uwe verrukking over het schermpje! Heerlijk, dat het zóó in uw beider smaak viel! Het is een heel mooi idee, dat u mij daar aan de hand deed. Zeg u aan Mijnheer, wil u, dat ik ZEd. bedank voor zijn vertrouwen in mij; ik zal mijn best doen het niet te beschamen, d.i. uw meiske zal hare krachten eens gaan beproeven aan dat verlangd artikeltje[1]en zien wat zij daarvan zal terechtbrengen. Doch een verzoek: Stel u er niet te veel van voor enheb een beetje geduld! De vorige week heb ik net iemand bedankt, die me voorstelde het Japarasche houtsnijwerk in de Echo te gaan bespreken. Het lachte mij wel toe, maar ik heb nog zooveel schrijfwerk, en ik schreef toen maar terug, dat ik het niet aandurfde, wat nu niet geheel een verzinseltje is. Die dame zal er over gaan schrijven in de Bataviasche en Soerabajasche bladen.

[1]Over de houtsnijkunst in Japara. Het stukje werd met photo's van voortbrengselen dier kunst opgenomen in Eigen Haard van 3 Januari 1903 bl. 11. Het daarbij zonder toestemming afgedrukt portret der drie zusters kreeg de redactie van eene in Nederland gevestigde vriendin. De schrijfster legt daarvan in een brief van 7 Juni 1903: "Ik was kregelig geworden over 't afdrukken onzer portretten, zonder ons er eerst in gekend te hebben.... Nu ben ik er over heen. Als de taak of mijne landgenooten er maar door gebaat worden, wat beteekenen dan persoonlijke onaangenaamheden.Allesvoor onsVolk!

[1]Over de houtsnijkunst in Japara. Het stukje werd met photo's van voortbrengselen dier kunst opgenomen in Eigen Haard van 3 Januari 1903 bl. 11. Het daarbij zonder toestemming afgedrukt portret der drie zusters kreeg de redactie van eene in Nederland gevestigde vriendin. De schrijfster legt daarvan in een brief van 7 Juni 1903: "Ik was kregelig geworden over 't afdrukken onzer portretten, zonder ons er eerst in gekend te hebben.... Nu ben ik er over heen. Als de taak of mijne landgenooten er maar door gebaat worden, wat beteekenen dan persoonlijke onaangenaamheden.Allesvoor onsVolk!

24 September 1902. (IV.)

Hoe zal ik u onze blijdschap beschrijven, toen wij uwe vriendelijke kaart en boekske ontvingen. Wij zijn u o, zoo dankbaar, dat u ons geschreven heeft; nu durven wij u weer te schrijven.

Schandelijk hebben wij u veronachtzaamd; wij schamen er ons diep over! Er is geen verontschuldiging voor te vinden, en die zoeken wij ook niet en willen wij u niet aanbieden, doch eerlijk en oprecht willen wij schuld belijden.

't Waszwakheidvan ons, die ons zoolang tegen u zwijgen deed. Bedroevende bekentenis van menschen die eene taak zoo groot op zich willen nemen als wij. U, die één liefde is, zal ons zacht oordeelen, onze jeugd, onze onervarendheid in aanmerking nemen.

Groot is mijn schuld tegenover u; nog grooter het kwaad, dat wij daardoor onszelven doen. Vergeef ons! wij zijn zwak geweest. Wil u ons helpen sterk te worden?—dàt moeten wij zijn, om de groote taak, die wij zoo zielsgraag op ons willen nemen, naar behooren te kunnen vervullen.

Wij zijn nog zoo jong, staan nog heel aan het begin, nog vóór onze taak, vóór het leven, wij, jonge, onervaren menschen, heel alleen met ons beiden. Zóóvele gedachten hebben in deze jonge hoofden gewoeld, zoovele gevoelens de jonge harten beroerd. Groot was telkenmale het verlangen om ons te wijden aan onze vrienden, maar wij onervaren kinderen waren te zwak en te onbedreven om ons los te rukken van de tallooze gedachten en gevoelens, die ons gevangen hielden. Zusje heeft u reeds alles verteld van wat er heeft omgegaan, en nog omgaat in onzen geest en ziel, van wat er is gebeurd in ons leven van de laatstemaanden, van onze plannen, onze droomen voor de toekomst. Wij hopen, dat u daaraan uwe sympathie zal hechten.

In vele emotievolle en dikwijls zeer moeilijke dagen was de gedachte aan u beiden, edele menschenvrienden, ons een troost, een. steun, eene opbeuring. Wat ons in 't leven zóó bedroefd, is der menschen egoïsme, dat dikwijls geen grenzen kent. En als wij weemoedig gestemd door 't zien en weten van grove zelfzucht, "het afschuwelijk monster", dat ons van alle kanten aangrijnst, aan u beiden denken, komt over ons pijnlijk getroffen hart eene groote verteedering.De Liefdeis, ondanks dat zelfzucht de wereld schijnt te besturen.

Te midden van brandend denken en gevoelen, over veel, dat gevoelige naturen als de onze moet pijn doen in het leven, en ontmoedigt, is eene gedachte aan u beiden ons eene lafenis, die versterkend werkt.

Veel spreken en denken wij aan u beiden, en dat doet zóó goed. U zei ven onbewust gaf u ons steun en troost in vele moeilijke uren. Wij danken God, dat wij u op onzen weg hebben mogen ontmoeten, en wij hopen en bidden vurig, dat wij uw vriendschap heel het leven door mogen behouden.

U kent nu àl onze plannen, ons doel, ons streven; wij hoeven 't u niet te vragen, ons hart zegt ons, dat u zelf het reeds gedaan heeft en nog meermalen doen zal: voor uwe jonge Javaansche vriendinnen bidden om hulp en steun van Boven, van den Allerhoogste, het Opperwezen!

Hoe verschillend de wegen ook zijn, die wij bewandelen, zij leiden alle tot één en hetzelfde doel: het Goede. Wij ook dienen het Goede, dat u God noemt, en wij Allah.

Waarom zullen wij het u niet zeggen? Eerlijk en oprecht willen wij steeds tegenover u zijn—eene vriendschap, of welk verbond ook, dat niet oprechtheid tot grondslag heeft, zal de tand des tijds niet kunnen weerstaan, en wij willen, dat onze vriendschap, die ons heel lief is, zal blijven ons heele leven door—langen tijd was God, Alla, voor ons slechts eenaanroep. Goddank! dat die heerlijke naam thans voor ons heeft een gewijden klank en heilige beteekenis.

O! hoe zal ik u zeggen, hoe gelukkig we zijn, hoe rustig en vredig het in ons is, nu wij Hem hebben gevonden, om er ons geheel aan over te geven, om er op te steunen en te vertrouwen.Wij zijn zóó gerust en voelen ons zoo veilig in Zijn hoede. Er is een Vader, die ons kent, ziet en liefdevol oordeelt!

Wie ons dien schat, het geloof in het Opperwezen heeft doen vinden? Mevrouw Nellie van Kol. 't Mag dan zijn, dat lang te voren het in ons reeds aan het werken en gisten is geweest, wij ons zelven onbewust, een zieleproces ondergingen; een feit is en blijft: Mevrouw van Kol heeft de nevelen voor onze oogen weggevaagd, waardoor het Licht helder tot ons straalt.

Zij heeft ons den weg doen vinden tot den Vader van Liefde, dien u God en wij Allah heeten.

Wij voelen ons zoo onuitsprekelijk gelukkig met dien gouden schat in ons, de overtuiging, het innige geloof aan het bestaan van een Vader van Liefde.

Dat geloof doet ons alles in een ander en gelukkiger licht zien; het verzoent en vertroost en maakt ons vrijer en gelukkiger.[1]

O, we kunnen niet genoeg dankbaar zijn, dat die goddelijke uitvinding, die correspondentie heet, bestaat. Zij heeft zooveel goeds en liefs in ons leven gebracht. Wat zou ons leven zijn zonder die nooit volprezen uitvinding: correspondentie?

Superieure gedachten in boeken en andere gedrukten tot ons komend werken opvoedend, ontwikkelend, veredelend en verheffend op ons—van nog grooter opbouwende kracht zijn ze, wanneer ze tot ons komen direct van de personen zelf, wier geest en ziel die gedachten voortbrachten. Wij kunnen nooit genoeg dankbaar zijn, dat wij tot de bevoorrechten behooren, die direct in verbinding staan met enkele superieure geesten en zielen. Dat maakt ons het leven zoo rijk en zoet.

't Is voor ons een feest als wij brieven ontvangen, waarvan wij door de personen, die ze afzonden, weten, dat zij mooie, zooals Nellie zegt, "levensgeluk en liefde verspreidende gedachten" bevatten.

U kunt wel raden, wie o.a. ons een feestdag bezorgt met ons zijne gedachten over de post te doen toekomen. Met groote belangstelling en genoegen namen wij kennis van den inhoud der geschriften, die u zoo vriendelijk was ons te schenken.

Wij achten het een groot voorrecht om den schrijver dier belangwekkende artikelen persoonlijk te kennen en de geschriftendirect van hem te krijgen. Mevrouw Abendanon vertelde ons zooveel van uwe lezing op Batavia, nu twee jaar geleden. Zij sprak er ons met zooveel enthousiasme over. Wij waren erg verlangend kennis te nemen van het gesprokene op 3 September 1900. Hoe verrukt waren we, toen u, zonder 't te weten, dien wensch van ons vervulde. Hoe heerlijk moet het zijn, om wat gedrukt tot ons kwam, van u zelf te hooren!

Waar zal de tijd zijn, die dien innigen wensch van ons zal vervullen? Wij hopen, dat hij eens komen, en niet te lang op zich laten wachten zal.

En nu danken wij u recht hartelijk voor uwe vriendelijkheid, om ons de zoo leerzame, boeiende en belangwekkende lectuur te zenden; wij hebben er zeer van genoten en veel in ons opgenomen. Met zeer veel belangstelling ook volgden wij de levensschets van "Njai Magdalenah". Reeds meer hebben wij van die vrome, godvruchtige vrouw gelezen; het laatst, meen ik, in de Hollandsche Revue. 't Is toch zoo jammer, dat Mapane[2]zoo ver en zoo moeilijk te bereiken is. Wat zouden wij 't anders verrukkelijk vinden, om bij u te komen! Er is zooveel, dat wij zoo gaarne met u zouden willen bespreken, en moeilijk alles in een brief zeggen kunnen. De langste, uitvoerige brief haalt niet bij een rustig uurtje mondeling gesprek. In een gesprek kan men zooveel beter zich uitdrukken, wat men denkt en wil.

Het verslag van het eindexamen der kweekelingen van de kweekschool voor Inlandsche onderwijzers te Tomohon heeft zeer onze aandacht getrokken; wij lazen het met klimmende belangstelling en genot.

't Is voor ons een groote vreugde om bewijzen te zien van de vatbaarheid voor ontwikkeling der volken in Indië. Wij bewonderen ze zoo graag en zijn er zoo gaarne trotsch op!

Hoe graag zouden wc in de Minahassa willen komen, en er de landskinderen leeren kennen. Al wat vandaar komt, boezemt ons belangstelling in. Zoo gaarne zouden wij de geschiedenis van dat land en volk kennen. En wat wij er gaarne zouden zien, is de kostschool voor Inlandsche meisjes in Tomohon. We zouden er zooveel uit kunnen leeren.

Steeds hebben wij belang gesteld in de Minahassa en deMinahassaërs. Nu wij in die buurt een vriend hebben zitten, die het beschavingswerk begint onder de koppensnellers, stellen wij des te meer belang in die landen en volken.

Moge u steeds voldoening hebben van uw edel werk; 't is een bede, die uit het diepst van mijn hart opstijgt, telkenmale, als ik aan u en aan uw werk denk.

Hoe gaarne zouden wij een tijdje op uw zendingspost, bij zendelingen, willen vertoeven. Ons lijkt het zoo iets heerlijks toe om te zijn te midden van reinen van hart, die leven enkel voor de Liefde.

Als het hart zoo rumoerig is, in opstand komt tegen het lot, hoe vredig zou die reine liefdes-atmosfeer op ons inwerken!

De omgang met reine, liefdegevende en zichzelf geheel vergetende menschen moet louterend werken.

Wie weet of die wensch niet vervuld zal worden. En, zooals het meer gaat, de vervulling van lieve wenschen gaat menigmaal gepaard met bittere tranen.

Als wij naar Modjowarno mochten gaan, zullen wij afgedaan hebben met andere illusies en droomen; wij zullen den dood aan ze gebracht en ze begraven hebben.

Zusje heeft u reeds verteld, wat onze plannen zijn, als wij onze ideeën niet tot werkelijkheid konden brengen, niet konden studeeren voor de vakken, waarin wij gaarne zouden willen opgeleid worden, afstand moesten doen van onze illusie: eene school op te richten voor meisjes van den Inlandschen adel.

Niet, dat Modjowarno voor ons een schrikbeeld is; ik vertelde u reeds, wat wij ons daarvan voorstellen: voor het uiterlijk bedrijvig, rusteloos; voor het innerlijk, een vredig rustoord. Maar u begrijpt wel, dat het voor ons bitter hard zal zijn, om afstand te moeten doen van onze idealen, die wij reeds zóó lang in ons hebben omgedragen en liefgehad.

[1]De hier volgende beschouwingen zijn reeds opgenomen in den brief van15Aug. 1902.

[1]De hier volgende beschouwingen zijn reeds opgenomen in den brief van15Aug. 1902.

[2]Mapane is de plaats aan de golf van Tomini (Midden-Celebes) waar de Heer Adriani destijds woonde.

[2]Mapane is de plaats aan de golf van Tomini (Midden-Celebes) waar de Heer Adriani destijds woonde.

4 October 1902. (III.)

Werkelijk, meermalen had ik de pen reeds opgenomen om u te schrijven, maar dan kwam er weer dit en dat tusschen, dat mij mijn brief weer deed uitstellen. Ik wachtte op een mooie gelegenheid ... nu zie ik, dat die gelegenheden nooit komen, men moet zemaken.

Brieven aan ons onverschillige menschen worden makkelijker geschreven, of beter gezegd, men komt er gemakkelijker toe ze te schrijven, dan epistels aan personen, waarvoor men sympathie gevoelt.

Aan de eersten heeft men niets te vertellen, kan men afkomen met een paar woordjes; maar onzen vrienden willen wij uitvoerige brieven schrijven.

't Vorige jaar was er aldoor verdriet in de kaboepaten van Japara. De een na den ander werd op 't ziekbed geworpen en wel steeds in zóó hevige mate, dat wij voortdurend in angst verkeerden, een dierbaar leven te moeten afstaan. Goddank! alles is ten goede gekeerd. Het nieuwe jaar begon vroolijk en verdrietig tezamen. Den 24stenJanuari vierden wij hier bruiloft. Zusje Kardinah, de jongste van het klaverblad, trouwde; dit was een blijde gebeurtenis. Aan die vreugde was leed verbonden. Wij, die steeds zoo innig met elkaar samen waren geweest, moesten afstand van elkaar doen. Na haar vertrek was hier zoo'n groote pijnlijke leegte. Er is met haar zooveel liefs uit huis gegaan.

Wij zijn al eens bij haar geweest, in April; toen zag ze er uitstekend uit; was dik, wat ze thuis nooit was, en had rozen op de wangen. Ma heeft haar in Augustus weergezien. Ma ging er met angst in 't harte heen, want een ernstige ongesteldheid riep haar bij zusje. De rozen op de wangen waren weg, doch wij waren dankbaar, dat Ma zusje nog vond. Het was heel erg met haar geweest, een zware attaque van malaria. Nu is zusje weer beter en zit in het gebergte, om in een koel klimaat de verloren krachten te herwinnen.

Met groote belangstelling lazen wij het belangwekkend in-rijke stuk van u "Een talenbond met Nederland". Wij danken u nog eens zeer hartelijk voor uwe vriendelijke attentie ons dat geschrift te zenden; wij stellen uwe vriendelijkheid op hoogen prijs. Wijlazen verscheidene artikelen, geschreven naar aanleiding van het uwe.

Uit het artikel van Mr. P. Brooshooft, hoofd-redacteur van de Locomotief, zagen we, dat de vertaling van het veelbesproken stuk van Professor Anton van de hand zijner lieve, begaafde vrouw is.

Heerlijk voor den man, die in zijne vrouw niet alleen een huishoudster, een moeder zijner kinderen, maar ook eenvriendinheeft, die belang stelt in zijn werk, met hem meeleeft daarin. Dit is voor den man ongetwijfeld van onschatbare waarde, ten minste als hij niet bekrompen en pedant is. Genoeg zijn dezulken zeker, die in de belangstelling hunner vrouwen voor hun werk, nieuwsgierigheid en bemoeizucht zien. Zoo zoetjes aan betreed ik 't gebied der vrouwen-emancipatie, waarvan u in Europa meer dan genoeg zal gehoord hebben. Heeft de vrouwenquaestie reeds uwe aandacht getrokken, in de komende jaren zal u daaraan meer aandacht geven, omdat u nu zelf ook een dochtertje heeft op te voeden.

Als wij hier onderwijs en opvoeding voor de meisjes vragen, ja bidden, smeeken, dan is het niet omdat wij van de meisjes concurrenten van den man willen maken in 's levens strijd, maar omdat wij, overtuigd als wij zijn van den grooten invloed, die van de vrouw kan ten leven uitgaan, de vrouwen beter geschikt willen maken tot de groote taak, die moeder Natuur zelf haar in handen legt:moeder—eerste opvoedsterzijn van het menschdom!

Niet waar, van de vrouw ontvangt de mensch zijn allervroegste opvoeding, die in de meeste gevallen niet zonder beteekenis is voor het geheele leven.

't Is de vrouw, de moeder, die in 's menschen hart de allereerste kiemen van deugden en ondeugden legt, welke den mensch meestal het geheele leven door bijblijven.

Niet zonder grond zegt men: "hij of zij heeft het met de moedermelk ingezogen".

Lang geleden dachten we, dat wie intellectueel goed ontwikkeld was, ook zedelijk hoog stond. Helaas! al gauw werden we uit dien droom opgeschrikt—leerden we inzien, dat hooge intellectueele ontwikkeling nog volstrekt geen brevet is voor zedelijke superioriteit.

Diep ontroerd en pijnlijk getroffen stonden wij voor dezeontdekking. Toen wij van deze groote emotie bekomen waren, drongen wij diep in de quaestie door, en speurden de oorzaken na. En daar stonden wij weer voor een tweede waarheid: "Niet de school alleen ontwikkele den geest van het kind, vooral ook hethuisgezinmoèt opvoeden! De school ontwikkelt het verstand, het gezin vorme het karakter!"

Aan de moeder, het middelpunt van het gezin, is eene groote taak in de opvoeding harer kinderen opgedragen: het zedelijk deel hunner vorming. Men geve den meisjes eene deugdelijke opvoeding, bereide haar degelijk voor tot hare groote taak.

O, dat de moeders weten, wat zij in handen krijgen, als haar het grootste vrouwengeluk geschonken wordt: moederweelde! Met het kind aanvaarden zij de toekomst. O, dat 't haar klaar en duidelijk voor oogen sta de verplichting, die het moederschap haar oplegt. Niet voorhaar zelvenhebben zij het kind gekregen; zij moeten het opvoeden voor dat groote gezin, waarvan het eens deel zal uitmaken, het reuzengezin, dat Maatschappij heet!

Hiervoor vragen wij opvoeding en onderwijs voor meisjes.

Wij zijn innig overtuigd, dat de beschaving van 't Javaansche volk niet krachtig zal kunnen voortschrijden, zoolang de vrouwen daarvan uitgesloten blijven.

Den vrouwen moet het beschavingswerk in de hand gegeven worden—en de beschaving zal zich krachtig verbreiden onder het Javaansche volk. Vorm flinke, verstandige moeders, en Java zal flinke arbeidsters aan zijn vooruitgang hebben gekregen. Zij zullen haar beschaving en ontwikkeling op haar kinderen overplanten; haar dochters, die weer moeders zullen zijn, haar zoons, die eenmaal geroepen zullen zijn te waken over de belangen van het volk.

O, waar zal de tijd zijn, dat mijne landgenooten deze denkbeelden zullen onderschrijven? Ik vrees, die tijd is nog heel, heel ver! Maar als er niet eindelijk eens een begin aan wordt gemaakt, dan zal hij nog verder zijn, nog langer wegblijven.

Alle begin ismoeilijken voor menigen baanbreker is 't levenvol bitterheid. En 't is heel begrijpelijk, dat ouders hun kinderen liever een lot zien kiezen, dat hun meer waarborgen geeft voor een gelukkig leven, dan een, waarvan men vooruit met zekerheid kan zeggen, dat het vol bitterheid zal zijn.

Als men in het hart een groot ideaal draagt, en dat ideaalbeoogt nu eens niet eigen geluk, maar anderer heil, is 't dan zonde, om te trachten 't ideaal te bereiken, ook als men daardoor een paar liefhebbende harten breekt? Of is 't dure plicht om terwille dier harten het ideaal uit eigen boezem te rukken?

Hoe zal men zich het nuttigst maken voor de menschheid, doorzelfverzaking, of doorzelfverwezenlijking? Zelfverzaking ter wille van een paar dierbaren, of zelfverwezenlijking ten dienste van het groote huisgezin Maatschappij?

O! wat is 't schoon om te willen, te kúnnen en te mògen! Deze gelukkige combinatie is helaas! slechts voor heel weinigen weggelegd.

Met groot, groot genot maakten wij kennis met Frits Reuter. Hè, dat is nu eens een lectuur, waaraan men zijn hart ophaalt. Het is zoogezonden frischt zoo op. Groot, groot genoegen, heeft u ons met dat heerlijke cadeau gedaan! Ook anderen hier hebben van dat heerlijk werk genoten. Het ging hun als ons; toen zij er eenmaal aan begonnen waren, konden zij er niet van scheiden. Wat zegt u wel, van 7 uur in den vooravond tot 3 uur in den nacht aan één stuk doorlezen? Verstandig is het niet, maar wel begrijpelijk als men in zulk eenuitstekend gezelschapis. Als 't uwe bedoeling was, dat wij uwen grooten volksdichter zouden liefkrijgen, dan heeft u wel voldoening van uw werk. Frits Reuter heeft een vast plaatsje veroverd in onze liefde en vereering!

Van Couperus' prachtig werk hebben wij zeer genoten. Wij lezen hem anders alleen graag om zijn heerlijk mooie taal; de personen in zijn werken vinden wij doorgaans ziekelijk. Maar nu hebben taal en inhoud beide tot ons gesproken. Verrukkelijke sprake! Wel mag Nederland trotsch zijn op zulk een kunstenaar!

Ook de lectuur van Vosmaer's voortreffelijk boek heeft ons groot genot verschaft. Met ontroering lazen wij zijn mooie "Inwijding". Het is de eerste maal, dat wij met dezen Nederlandschen schrijver kennis maakten, en wij danken u wel hartelijk voor deze kennismaking, die tot een der aangenaamsten van dien aard behoort. Na de lezing van "Inwijding" kregen wij een boek over de Grieksche Mythologie, met afbeeldingen van de Goden en Godinnen uit de Grieksche Godenleer. Heerlijk om die platen te zien en de beschrijvingen daarvan te lezen: na de lectuur van "Inwijding"! O! al dat moois met eigen oogen te aanschouwen,de zielsverrukking te ondergaan, die Sietske en Frank doortrilde bij het gezicht van al dat Grootsche en Schoone! Neen, neen, zooveel niet verlangen!—laten wij al dankbaar zijn, dat er iemand is, begaafd met de macht over 't woord, die dat Schoone zoo levendig heeft uitgebeeld, en wij zijn schoone taalverstaan!

Sedert een paar maanden is een van Nederland's groote kunstenaars op Java, mijn mooi vaderland. De tooneelspeler en declamator Willem Royaards maakt een ware zegetocht door ons Zonneland, oogst het grootste succes in, overal waar hij het publiek genieten laat van zijne machtige kunst.

Hoe gaarne zouden wij hem willen hooren. De vorige maand stonden wij op 't punt om van zijne kunst te genieten, toen de voordracht, die hij zou geven, afsprong. Wij hebben den grooten kunstenaar niet op 't tooneel mogen hooren, ons is eene andere vreugde ten deel gevallen. Wij hebben hem persoonlijk gesproken. Wij hadden hier heelemaal niet op gerekend; geheel onverwacht ontmoetten wij hem; 't was eene heerlijke verrassing:—een pleister op de wonde, die ons dat zelfde uur in het harte geslagen werd.

Een droef gebeuren was de aanleiding tot die onverhoopte kennismaking. Wij brachten onze vrienden, de familie Ovink weg, en aan boord van 't stoombootje, dat ons naar de groote boot bracht, die onze vrienden van ons wegvoeren zou naar hun eigen land, ontmoetten wij den heer Royaards, die ook de familie Ovink uitgeleide deed.

Het was voor ons een hard oogenblik, toen wij onze vriendin moesten afstaan—en God weet, misschien voorgoed, want zij komennietmeer naar Indië terug. Er is geen kans op weerzien, tenzij het "gelukkigste aller gelukkigste gesternten" ons naar haar land voert!

Zou daar hoop op zijn?—de tijd, die antwoord geeft op alle levensvragen, zal ook deze vraag eens beantwoorden!

Ze zijn ons zoo lief! Wij hadden een gevoel of een stuk van ons eigen werd losgescheurd, toen de beide booten van elkaar afvaarden! Zij zijn als een stuk geworden van onze eigen ziel! "Er kan geen duurzame vriendschap, geen volkomen sympathie bestaan tusschen kinderen van een verschillend ras, geboren onder een verschillende hemelstreek", beweert men zoo dikwijls. Hoe wordt die bewering hier gelogenstraft! Inniger, trouwervriendschap kunnen kinderen van eenzelfde ras en land niet met elkaar sluiten, dan de vriendschap hier tusschen de blanke kinderen van het Westen en de bruine kinderen van het Oosten! De ziel, het onzienlijke, het wezenlijke in ons, dat eeuwig is, spot met alle uiterlijkheid; waar de ziel een zusterziel ontmoet, bestaat er voor haar geen scheidsmuur van ras en van geloof; en zal zij met groote vreugde de ziel, wonend in een lichaam van andere huidskleur, dan die van 't hare, begroeten en zich met haar vereenigen,—omdat zij zich met haar verwant voelt. Zieleverwantschap is dieper band dan bloedverwantschap.

Gezegende menschen, die in dit leven zijn geplaatst niet alleen alsbloedverwanten, maar ook alszielsverwanten, de zusters en broeders naar den geest en naar de ziel!

De controleur, dien u hier bij ons ontmoet heeft, en die ook eenvriendis van ons, is den heer Ovink als assistent-resident gevolgd op Djombang: een speling van het toeval!

Het gaat dikwijls heel vreemd toe in het leven! Het geluk kiest soms de onmogelijkste wegen, om ons te naderen, en wij kortzichtige menschen, met ons eindige verstand, zijn gauw geneigd om te morren, als wij iets niet verklaren kunnen van het Oneindige! En toch, alles is zoo eenvoudig als wij maarbegrijpen willen. Geen licht, waar nietduisternisvooraf ging: dat leert dag aan dag, avond aan avond, de dag en de nacht!

Wat zouden wij 't aardig vinden, als u in den Haag eens onze vrienden, de familie Ovink, ontmoette! 't Spijt mij nog altijd, dat u indertijd niet naar Djombang had kunnen gaan. U had dan het Zendingsstation Modjowarno kunnen zien, en dat was wel de moeite waard. Wij zelf zouden er graag naar toe willen, helaas! tot nu toe hebben we geen uitvoering aan dat voornemen kunnen geven. Wij zouden er zelfs een tijdje willen blijven. Het zal ons stellig goed doen om een poos te ademen in die heilige, zichzelf verzakende liefdesatmosfeer. Die reine lucht werktzuiverendenversterkend!

Geen mensch zoo verdorven, of hij ondergaat den invloed van zulk eene hooge, heilige liefde!

11 October 1902. (I.)

O! je weet niet, hoe zoet 't me streelt, dat men nu de kunstvoortbrengselen van ons land kent en waardeert. Ik maak mij er wel eens bezorgd over, wie zal ons werk in die richting voortzetten, als wij hier niet meer zijn? Onze zusjes kunnen wij het niet opdragen; ze zijn nog zoo jong, en er is eene geldelijke verantwoordelijkheid aan verbonden. Komt er een Europeaan hier, die zich met dien arbeid belast, dan zal 't natuurlijk zijn, dat onze artisten geëxploiteerd zullen worden ten bate van zijn eigen zak. Voor zijn pleizier, of ter wille van die lieden, Javanen, zal hij de tusschenpersoon en correspondent der Japarasche kunstenaars en de markt, niet zijn. Er moet èn liefde voor de kunst, èn liefde voor den Javaan in 't hart wonen om dien arbeid belangeloos en met toewijding te vervullen.

Gelukkig, dat Oost en West zich nu over onze beschermelingen ontfermd heeft, doch ook die Vereeniging moet hier iemand hebben, want zich direct in verbinding stellen met die lieden kan zij niet, aangezien deze alleen hun eigen taal spreken en lezen.

Dat baanbreker zijn geen kinderwerk noch pleizierwerk is, wisten we altijd; dat het een lot vol bitterheid is, ook; maar dat je de hel in je draagt, neen, Stella, dat wisten we niet. O! en toch duizend maal liever de hel in ons, dan geen gevoel! Al wat uitsteekt, moet geknot worden; al wat blinkt, besmet, bevuild! Ten allen tijde hebben idealisten het hard te verantwoorden gehad. De wereld duldt niet, dat er andere merken onder de menschen rondloopen dan het gros. En iemand, die niet is als de anderen, zal zijn levenlang geplaagd worden, om zijn eigen kleed weg te werpen, en in plaats daarvan het kleed der gewoonheid aan te doen.

Ik kan je niets beloven en wil niets beloven, Stella, want ik weet niet, of ik mijne belofte wel zal kunnen houden. Vindt je Modjowarno dan zoo verschrikkelijk? Wat heb je liever, dat we krankzinnig worden hier thuis, of dat wij genezing zoeken voor onze zielewonden in die liefdesatmosfeer? Daar zal het naar toe, als ons verlangen niet wordt bevredigd, wij nog langer gevangen, gekluisterd gehouden worden door kleinzieligheid en kleingeestigheid. Wij zijn veel te vurig van aard, om ons te kunnen schikkenin een toestand, dien wij met hart en ziel verachten en verfoeien. Niet de buitenlandsche vijand maakt ons vleugellam, dien vreezen we niet; maar de binnenlandsche vreet ons in de ziel, in 't hart, in de hersens! Niets kan ons troosten, niemand kan ons helpen dan God en wij zelf!

Toe, zeg, dat je niet terneergeslagen, wanhopig verdrietig zal zijn, als je een brief van me krijgt, om je brieven voortaan naar Modjowarno te adresseeren. Gun ons die troost, Stella. Toe, sta, als 't moet, met weemoed, doch niet met bloedend hart ons af aan Modjowarno. Die plaats heeft voor ons geen verschrikking. Wij hebben de innige overtuiging, dat die omgeving van hooge, reine, zichzelf verzakende liefde onze harte- en zielewonden zal heelen, en ons louteren. Dat wij daar met verscheurde harten en diepgewonde zielen zullen komen, lijdt geen twijfel, maar Modjowarno zal daaraan niet de minste schuld hebben. En nog zal alles dan niet verloren zijn, Stella! Jij zelf hebt mij zoo vaak gewezen op mijne pen. Die zal ik op Modjowarno ook nog hebben. Want ik zal daar niets te verliezen en niets te wagen hebben danmijzelf. Hier waag ikveel, als ik alles uitzeg, wat in mij leeft en bruist. Word ik opvoedster, dan is de voorwaarde tot slagen, dat de menschen vertrouwen in mij hebben en mij apprecieeren; anders zal men mij zijne kinderennietter opvoeding toevertrouwen. En dat zal men niet, als ik alles zeg, wat ik denk en voel; dat zal de menschen tegen mij in het harnas jagen. En, zooals ik je reeds zei, op Modjowarno zullen wij niet anders komen dan met verscheurde harten en diep gewonde zielen. Weet je wat dit beteekenen zal voor mijne pen?

Niets spreekt zoo tot 't hart alshartebloed. De jongste gebeurtenissen hebben het weer bewezen, en mij doen zien, dat ik kànmeeslepenmet mijne pen, zoo ... ik haar in hartebloed doop. Ik heb harten doen trillen van ontroering, oogen vochtig doen worden. Je kent mij te goed, hoop ik, om te denken aan ijdelheid, dat ik je dit vertel. Het is mij alleen te doen, om je te laten zien, hoezeer de waarde van een pen stijgt, heeft men hartebloed tot inkt. Weinige maanden nog maar geleden snikte een mij persoonlijk geheel onbekende het uit bij het lezen van enkele woorden van me; zij voelde hòe mijne ziel verscheurde en mijn hart brak, toen de woorden aan mijn pen ontvloeiden. Het greep haar zóó aan, dat zij onmiddellijk werk maakte om redding te brengen in dien nood. Den volgenden dag reeds kon zijons eene uitkomst bieden; helaas, om een paar dagen later teniet gedaan te worden door hetverstand.

Men denkt mij zeker een pleizier te doen met me telkens te verzekeren, dat ik "prachtig" schrijf. Wat heb ik daaraan? Ik wil, dat mijn geschrijf blijvend indruk maakt, Stella, en diepte wordt alleen verkregen doorgraven. In mijn hart, mijn ziel moet gewroet, gegraven worden, en als daaruit als een fontein het bloed opspuit, dan eerst zal het blijvende waarde hebben. Treurig, maar waar!

12 October 1902. (VIII.)

Al sinds een jaar heb ik wat van mijzelf gehoord, dat mij bedroeft.Ik ben coquet. Spaar mij niet, antwoord mij oprecht: ben ik coquet? En zoo ja, waarin dan? Ik ben er erg verdrietig om, want ik wil niets aan me of om me hebben dat wuft is.

Iemand, geen kwaadspreker, zegt, dat ik met mijneoogen spreek. Is het waar? Ik heb den zusjes gevraagd om goed op mijn doen en laten te letten en mij dan te zeggen, wat voor bijzonders zij er in zien, wat er aan is van mijn oogengespeel. En het waarheidlievend zusje zegt, altijd geweten te hebben, dat mijne oogen schitteren, als ik veel spreek, met wie ook.

Geloof me, dat ik hetniet met opzetdoe, en dat ik er nooit aan gedacht heb, waarmee ook, te behagen, en als ik iets doe, waaraan zij die uitlegging geven, hetonbewustis, ondanks mijzelve.

't Is eene vreemde gewaarwording, als men altijd gedacht heeft, een ernstig degelijk meisje te zijn, om dan op eens te hooren, dat men een coquet schepsel is. Ik stond verstomd, en was toen erg verdrietig er over. Geloof me toch, dat ik nooit, nooit gedacht heb aan die dingen, en het ook nooit doen zal.

Men wil, dat ik zedig (schijnheilig) mijne oogen neersla; dat doe ik niet; ik wil de menschen in de oogen zien, niet voor hen mijne oogen neerslaan, noch hennaarde oogen kijken. Ik weet wel, wat men ons zal latenbeloven, misschien wel onder eede, als wij van hier gaan, dat wij hun die vreeselijkeschande niet zullen aandoen, van met Europeanen lief en leed te deelen. Zij kunnengerustzijn op dat punt.

Uit ons eigenzullen, wij al daaraan niet denken; immers wij zouden er de heele boel meebederven. Vanonszelvenmogen wij het niet; wij, dievoorbeeldwillen geven in het goede.

U weet wel, hoe bitter weinig wij geven om wat "men" zegt, maar in dit geval mag men niet en nooit zeggen: "Daar heb je het al, waar 't naar toe gaat, als men zijne dochters Europeesch opvoedt, dan trouwen ze met Europeanen." Dat zou onberekenbare schade aan de zaak toebrengen, en dat màg niet.

En toch doen wij feitelijk niet anders dan lief en leed met Europeanen deelen. Wat doe ik op 't oogenblik? Leven niet Europeanen ons innigste voelen, ons zieleleven mee? en leven wij niet mee het gemoedsleven van Europeanen?

Men kan ons veel, ja alles ontnemen, maar niet mijne pen. Die blijft mijn, en ik zal mij ijverig oefenen in het hanteeren van dat wapen. Laat men ons niet al te veel tergen, ook 't taaiste geduld wordt uitgeput, en dan zullen we van dat wapen gebruik maken, al zullen wij ons-zelven er aan wonden. U kan er zeker van zijn, dat als wij op Modjowarno komen, wij daarvan flink gebruik zullen maken. Dan zullen wij niets meer te verliezen of te wagen hebben danonszelf.

Dat wij in deze dagen meer dan ooit naar een trouw vriendenhart verlangen, hoeven wij u dat nog te zeggen?

Wij zijnkoudgeworden, wij willen onze verkilde harten warmen aan uw hart, uwe liefde! Wij klagen over andrer egoïsme, en wat zijn we zelf dan? De grootste egoisten! Is het niet puur egoïsme, om anderen in eigen pijnen en smarten te doen deelen? om liefde te vragen, terwijl wijweten, dat liefde voor onsonafscheidbaaris vanleed?

Vindt u ons niet erg achteruit gegaan?

Wij zijnhard, liefdeloosgeworden enscherp; o, wij schrikken er dikwijls zelf van.

O! God, geef ons kracht, sterk, steun ons! En u, lieveling, vraag ik vergeving voor 't leed, dat ik u doe met dezen brief. Zwijgen is ook weer niet goed, niet eerlijk. Vergeef me, heb uwe bruine kinderen lief.

27 October 1902. (VIII).

O! konden wij u maar zeggen, welk eene verteedering er over ons komt telkenmale als wij bewijzen uwer hartelijke liefde voor ons ontvangen. In al onze ellende achten wij onsbevoorrechtewezens. Er zijn o, zoo vele armen, in ellendiger toestand nog dan wij, diealleen, zonder maagd of vriend het leven moeten doorworstelen, nooit een hartelijk-deelnemend woord hooren, een sympathieken blik opvangen, een warmen handdruk krijgen. Wij voelen onsrijk gezegendin het bezit van zulk eene vriendschap en liefde als de uwe.

Blijf ons steeds liefhebben en vertrouwen, Moedertje, zóó maakt u ons gelukkig. Wij danken u innig, innig voor uwe liefde en sympathie.

U ziet, dat we al wat op streek zijn gekomen; hierop wachtten wij om u te antwoorden op uw laatste schrijven, dat wij in ons hebben opgenomen en bewaren als een reliquie.

Och toe, wij bidden en smeeken u, denkt u niet meer zóó aan ons geluk, wij hebben het u al zoo dikwijls gezegd,niet onsgeluk zoeken wij, maar dat vananderen.

Geloof ons, wij verwachten vanEuropa, noch vanonze toekomstrozen voorons zelf. Wij hebben maar één droom, één illusie van Europa, dat het ons goed zal toerusten voor den strijd, dien wij ons hebben aangebonden voor het heil van ons volk, onze zusteren.

Heusch, we verwachten niets, niets van Europa, wat Europeesche meisjes daarvan droomen: "vreugde"; noch daar veel vriendschap en sympathie te zullen vinden; noch onsgelukkigerte zullen gevoelen in eeneEuropeescheomgeving; wij verwachten en hopen slechts dit eene, daar te zullen vinden, wat wijnoodighebben voorons doel: kennis, ontwikkeling.En dááraan allééndenkenwij. Wat komt het er op aan, of wij het niet prettig zullen vinden in Europa, ons nooit thuis zullen kunnen gevoelen in die Hollandsche omgeving, als wij daar maar krijgen wat wijzoekenennoodighebben voor onsdoel? Daarvoor komen wij, en niet om er vreugde te scheppen.

Het lichtpunt van ons zijn daar zal zijn het samenzijn met onzen besten broer, aan wien wij verbonden zijn, niet alleen door banden des bloeds, maar ook door verwantschap van ziel en geest!


Back to IndexNext