[1]Het gesprek blijkt uit den volgenden brief.
[1]Het gesprek blijkt uit den volgenden brief.
27 Januari 1903. (X.)
Ik dacht aan den vorigen keer toen met je Vader je Moedertje samen met ons genoot van de zee,onze zee! Dat waren weelde-oogenblikken die je niet, nooit vergeet! Ook dezen laatsten keer zal dat aan 't strand zitten met je Vader steeds in onze herinnering blijven voortleven. Dáár sprak je Vader met ons over onze plannen.
Wàt was ons dàt weldadig, dat gesprek van hart tot hart met een dien wij zóó hoogachten, liefhebben en oprecht vriend weten. En wat dàt voor eene uitwerking had? Ik had er den geheelen nacht niet van kunnen slapen; ik had in bed liggen woelen met je Vader's ernstige, liefdevolle woorden in mijn hoofd en in mijn hart! Dàt was het waaraan wij behoefte hadden, waarnaar wij met smachtend verlangen hadden uitgezien: een ernstig, liefdevol woord gesproken van hart tot hart, oog in oog.
Den volgenden ochtend heel vroeg moest je vader al weêr weg tot ons groot verdriet; wij brachten Z.Ed. weg en in den wagen hervatten wij weder ons gesprek aan 't strand. Het resultaat daarvan is, dat wij al heel gauw met volkomen toestemming van de oudjes een request aan den Gouverneur-Generaal zullen richten, om door de Regeering in de gelegenheid te worden gesteld ten bate van de Javaansche vrouw in de toekomst, onze opvoeding te voltooien op ... Batavia!
Kijk je er niet van op beste broer? Ik weet niet hoe jij het vinden zal. Maar vindt je ons niet erg wispelturig? Dat wilde eerst met alle geweld naar Holland; bewoog hemel en aarde om haar zin te krijgen, en nu zij eindelijk kunnen gaan, dank zij 't werk der vrienden, zeggen zij: "Ik blijf!" Wat zeg je wel van zulk een wispelturigheid? Maar beter gedwaald en ten halvegekeerd, dan heelemaal gedwaald, soms alleen uit dwazen trots om niet ongelijk te willen bekennen.
Weet je wanneer dat idee van naar Holland gaan in ons vaste vormen nam?
In de Decemberdagen van 1901, toen wij nameloos leden. In ons kwam een wild, woest verlangen wèg, ver, ver weg te gaan, geheel van de omgeving weg, die ons zoo bitter heeft doen lijden. Weg, weg, weg, vèr weg, in een andere atmosfeer, in een ander land, in een andere luchtstreek ademen, leven, en als onze zielewonden waren geheeld, en wij naar den geest, en misschien ook naar lichaam, waren gesterkt, terugkeeren als herboren in onze oude maatschappij om er te werken aan hare hervorming.... Dat helsche leed mag niet meer worden geleden. Holland sluit die mogelijkheid geheel uit, men zal niet meer aan ons denken; helaas, dat men dat vergeten maar al te goed zal doen. Ook door dat deel der Inlandsche maatschappij zullen wij vergeten worden, voor wie wij juist werken willen, zijn wij in Holland geweest. En wat in Holland ons wacht? bergen verdriet, waarvan wij geen flauw vermoeden hebben. Hierop heeft je Vader ons gewezen en op ander verdriet, dat onshierwacht van de zijde van hen juist, voor wie we werken willen als wij in Holland zijn geweest.
Het is alles zéér waar,—o! arme illusies! Je weet, dat 't steeds een groote illusie van ons is geweest, om in Holland opgeleid te worden voor de taak, die wij denken te gaan vervullen.... Ook Vaders laatste zware ongesteldheid heeft ons tot nadenken gebracht. Z.Ed. is zóó aan ons gehecht.... Aangrijpende tooneelen aan zijn jongste ziekbed staan me voor den geest, waaruit wij zagen hoezeer dat lieve hart aan ons gehecht was. Maar ik vraag mezelf af, zouden wij wel tot dit besluit zijn gekomen, als je beste vader niet hier was geweest en met ons had gesproken, zooals Z.Ed. het heeft gedaan? Ik weet het niet ... doch dat onze oudjes je Vader veel te danken hebben, lijdt geen twijfel. En wijzelf zijn Z.Ed. o zoo dankbaar!
Lang hebben zusje en ik over je Vader's woorden gesproken en nagedacht, en de slotsom is, dat het gaan naar Holland voorloopig onder het loodje blijft, en wij hopen al heel spoedig te Batavia te kunnen komen.
Doch dit alles ispersoonlijk. Op den voorgrond moeten staan de practische voordeden, die onze zaak heeft van eeneopleiding op Batavia. Wij zouden al dadelijk kunnen beginnen, terwijl als wij naar Holland gingen, wij nog zoolang moeten wachten. Ik denk aldoor aan je Vader's woorden: "Waarom niet dadelijk gedaan, wat gedaan kan worden? Het is dangedaan, terwijl dat andere nog in de toekomst ligt." Je Vader sprak van een gewonde, die om hulp roept: daar komt iemand, maar die zegt: "Neen vriend, ik wil je nu niet helpen, ik zal eerst leeren, hoe wonden moeten verbonden worden." Die iemand gaat weg, studeeren, en als hij eindelijk volgens de kunst verbinden kan, is de gewonde, die om hulp riep, al lang dood.
Dan sprak je Vader van een parel, die diep ligt in zee. Je weet, dat zij er in ligt, maar je weet niet precies waar. Je stapt in zee en wil haar zóó halen. Het water komt je aan de lippen. Er komt iemand, die je zegt: "Vriend, doe zoo niet, ga niet verder, 't water reikt je aan de lippen; als je verdrinkt, dan heb je de parel nog niet. Ga terug, stap in een prauw, peil en visch naar de parel."
Je Vader zei, dat als wij wilden, wij al dadelijk de school konden openen, zonder eenig examen gedaan te hebben. 't Staat nergens in de wet voorgeschreven, dat men examen moet gedaan hebben om aan Inlandsche meisjes onderwijs te geven. Wij konden dan Europeesche onderwijzeressen er bij nemen, dat was bijzaak. Maar vindt je wel dat wij die school mogen openen, zonder er eerst voor opgeleid te worden? 't Is waar, dat wij met "Onze School" (hoe grappig klinkt het, en pedant tevens) meer een zedelijke opvoeding beoogen dan een doctrinale. Daarom zouden wij de school niet van Regeeringswege opgericht willen hebben, maar particulier, omdat wij ons anders aan bepaalde voorschriften moeten onderwerpen, en wij willen ons schooltje geheel inrichten volgens ons idee, de kinderen onderwijzen, niet schoolsch, maar zooals eene moeder hare kinderen opvoedt.
Het moet volstrekt niet aan eene school herinneren, maar aan een groot huisgezin, waarvan de leden elkander liefhebben en van elkaar leeren, en de moeder niet in naam, maarinderdaad moederis—de lichamelijke en geestelijke opvoedster van het kind.
Aan dat idee van je Vader hebben wij wel meer gedacht, maar op deze manier: als wijniet konden studeerenen thuis moesten blijven, zouden wij dan niet dochtertjes van regenten bij ons nemen, zooveel als de kaboepaten maar bergenkan, ze hier naar school laten gaan en thuis hare zedelijke opvoeding op ons nemen, spelenderwijze de jonge hartjes leiden, de karaktertjes vormen, en op uren, dat ònze kinderen schoolgaan, andere kindertjes van Inlandsche hoofden hier ter plaatse bij ons nemen, ze leeren handwerken, enz., onderwijl ongemerkt aan hare hartjes kloppende voor den geest, dien wij voorstaan? Maar als wij eeneschoolkonden openen, dan wilden wij liever eerst studeeren, vindt je dat ook niet, broer? De school zal komen òf op Magelang òf op Salatiga. Je Vader heeft er met den onzen over gesproken, en er is heel geen bezwaar; wel voor dat gaan naar Holland. Heerlijk, hè broer?
Op de wijze als daareven aangegeven, had indertijd mijn Grootvader anderer hoofdenzonen opgevoed. Grootvader had een gouverneur uit laten komen voor zijne kinderen, en Pangerans van Solo en een regent van Midden-Java zonden Grootvader hunne zoons om op te voeden. Zoo zie je; er is niets nieuws onder de zon; ons idee, zoogenaamd "splinternieuw", is al eenoudidee, van Grootvader reeds afkomstig. Onze denkbeelden, onze geest is overgeërfd; hij, Grootvader, was de pionnier; wij zetten slechts zijn werk voort. 't Waren beste menschen, beiden, Grootvader en Grootmoeder.
Je Vader heeft ons den inhoud van het request voorgezegd; 't is een enkel regeltje maar, doch daarbij moet een nota gaan, waarin onze plannen en ideeën uitvoerig en nauwkeurig moeten omschreven worden, en het moet geschreven wordenuit het hart, heelemaal niet denken, dat het bestemd is voor den Gouverneur-Generaal, maar eenvoudig schrijven wat 't hart ons ingeeft.
Je Vader wil die nota wel eerst lezen, als wij daarop gesteld zijn, maar Z.Ed. denkt, dat 't niet noodig is.
Wij moeten eenvoudig schrijven wat uit 't hart komt.
31 Januari 1903. (X.)
Vandaag moet de brief af, want morgen sluit de mail, waar hij meê moet gaan. Wat vliegt de tijd toch! 't Is vandaag al een week geleden, dat je beste Vader hier kwam.
Nu even over zaken spreken, is het goed? Het tafeltje en 't boekenplankje heb ik den houtsnijwerker opgegeven, hij is er al aan bezig. Maar je zal wel een beetje geduld willen oefenen, niet waar? Hij heeft een hoop te doen voor Oost en West. Je tafeltje hebben wij achtkantig laten maken, en naar een batik-patroon van een kain van me, zuiver Javaansch, hoor! Ik heb het, evenals het boekenplankje, laten uitvoeren in sonohout (donker gevlamd); het is het mooiste hout dat wij hier krijgen kunnen. Het boekenplankje hebben wij uit twee planken laten bestaan, niet te groot, zooals jij 't me gevraagd hebt. De juiste afmeting ben ik op het oogenblik vergeten. Ik heb eigenlijk twee tafeltjes laten maken van verschillenden vorm. Hierbij een ideetje daarvan. Ze staan op drie bewerkte pootjes met kleiner blad er tusschen in.
Het scherm dat wij dezer dagen verzonden voor den Gouverneur-Generaal is om voor neer te knielen. Je vader heeft het nog hier gezien, en is er vol lof over. Nu laten wij twee vuurschermpjes maken, een driebladig in schelpvorm à jour en een in den vorm van een garoeda (legendarische Inlandsche vogel) met beweegbare vleugels.
Gedurig schieten ons nieuwe denkbeelden te binnen, en 't is heerlijk dat Oost en West ons in staat stelt ze uit te laten voeren. Soms valt ons iets in, als wij al in onze mandjes zijn; gauw er uit gekropen, het licht aangestoken, (gekke uitdrukking toch) en de gedachte opgeteekend; wij mochten haar soms vergeten den volgenden morgen en dat zou toch jammer zijn.
Vertel jij aan Moedertje, dat wij reeds met de oudjes hebben gesproken over dat gaan naar Batavia en die school op Meester-Cornelis of Salemba. Ze hebben heelemaal geen bezwaar. Heerlijk hè, broer? Ze zijnverrukt, dat wij op Java blijven. "Ik zou 'tvreeselijkvinden, als je ging," zei Vader. "Ik moet je altijd kunnen zien." Arme lieverd! Nu is het goed. Ze zijn je Vader zoo dankbaar. Wij moesten Mama beloven altijd bij elkaar te blijven en samen te werken. Kan 't mooier? dat is juist wat wij willen.
Het is toch wel goed geweest, dat wij eerst absoluut naar Holland wilden. Nu zijn zegelukkigmet Batavia; als wij Batavia hadden gewild, zouden er bezwaren zijn geweest; na Holland vallen die bezwaren weg. Nu gaat al heel gauw ons request in zee met nota en Vader's verklaring niets tegen onze plannen te hebben.
Wat zal Annie Glaser er blij om zijn! Nu zullen wij dan weer bij elkaar komen! Leuk idee!... Ze komt dan misschien bij ons op Batavia. Dat was haar plan, vroeger. Dan zouden wij weer bij elkaar zijn, en als trouwe kameraden, zuur en zoet samen deelen. Gisteren kregen wij een briefje van haar, en verbeeld je, met een lijstje vragen ter beantwoording, van een mijnheer, die veel belang stelt in de vraag van den dag: de opvoeding van het Javaansche volk, en gaarne onze gedachten en ideeën er over zou vernemen. Mr. Slingenberg, aan 't Ministerie van Koloniën[1]werkzaam, hierheen gezonden door de Regeering om een nieuwe strafwet te maken. Annie zegt, dat hij 't ernstig meent, zijn best wil doen en zien wat hij voor ons doen kan. Hij kan niet meer hier komen, daar hij half Februari weer weg moet. Daarom moesten die vragen spoedig beantwoord worden en uitgebreid ook!!!
Het zijn zeer belangrijke vragen, die hij ons ter beantwoording stelde, juist die, waarvan wij vervuld zijn; maar juist daarom zouden wij ze met roef-roef kunnen en willen beantwoorden. Om je maar iets te noemen, vraag 1 luidt: "Welke maatregelen zijn geschikt om het volk van Java tot meerdere ontwikkeling en welvaart te brengen?" een vraag, waarop grijze, kundige mannen hebbengestudeerd... en die zouden wij een, twee, drie, en dan gedetailleerd moeten beantwoorden!
2. In welke richting moet 't onderwijs verbeterd en uitgebreid worden?"—'t is me een vraag om met een enkel woord beantwoord te worden! er zouden minstens een stuk of wat pagina's voor noodig zijn!
Vraag 5 kan echter dadelijk en met één woord beantwoord worden: "Wordt de beteekenis van de vrouw in de ontwikkeling van den Javaan door de staatslieden niet te weinig in het oog gehouden?"
Hij is stellig een nieuw-denkend mensch die deze vraag heeft gesteld.
En de laatste vraag is eenvoudig verrukkelijk om te beantwoorden. "Op welke wijze kan het best een aanvang gemaakt worden met de meerdere beschavingen ontwikkeling der Javaansche vrouw van hooger of lager stand, en komt men, zoo doende niet in strijd met de zeden en gebruiken van het land?" Allemaal heerlijke vragen! wij zullen er nog uitvoerig over correspondeeren; is het goed?
Ze inspireeren ons gedachten en gevoelens, die wij zonder die vragen niet zouden hebben gehad. Wij hebben ze gisteravond laat opgeteekend en gaan ze verder uitwerken. Vreemd toch, zooals 't toegaat in de wereld. Het eene lokt het andere uit, en ten slotte hangt alles aan elkaar. Daar zijn ideeën in ons opgekomen, die zeker het Christelijk Kabinet niet aangenaam zouden zijn, als het er van hoorde.
Wat denk je van een zending, die niet het kerstenen beoogt, allen godsdienst er buiten laat, maar enkel en alleen uit liefdebeginsel het volk van Java wèl doet? Waarom zouden er niet op meer plaatsen van Java instellingen als op Modjowarno kunnen komen, zonder dat zij gedekt staan, onder godsdienstig vaandel? Zoo zal men de Mohammedaansche bevolking niet tegen zich in het harnas jagen. De Mohammedaan beschouwt met min of meer minachting den voormaligen geloofsgenoot, die zijn eigen geloof verzaakt en een ander omhelst. Dit is in het oog van den Mohammedaan de grootste zonde, die men begaan kan. En de Christen geworden Mohammedaan kijkt van zijn kant met minachting neer op zijn voormaligen geloofsgenoot. Nu hij dezelfde leer belijdt als de blanda[2], denkt hij even hoog te staan als deze. Ik hoef niet verder uit te spinnen wat hieruit voortvloeit.
Wil men den Javaan absoluut godsdienst leeren, welnu, leer hem dan den eenigen God kennen, den Vader van liefde, die de Vader is van alle schepselen, die van Christenen, zoo goed als van Mohammedanen, Boeddhisten, Joden enz. Leer hem den waren godsdienst, d.i. deninnerlijken, en men kan dien godsdienst belijden als Christen, zoowel als Mohammedaan e.a. Ons idee is, dat Nederland zende beschaafde, ontwikkelde en hoogstaande menschen, die uit zuivere menschenmin zich willen vestigen midden in het Javaansche volk, met hen levende en lievende, hen onderrichtende, genezende, helpende, overal waar hulp noodig is.
Het volk latende in zijn eenvoud, geen meerdere behoeften leerende kennen, en alleen dáár ingrijpen metzachtehand waar de zeden lijnrecht staan tegenover het hooge beginsel: Liefde! Later zou dit werk ter hand genomen kunnen worden door de kinderen van 't land zelve; op 't oogenblik zijn daarvoor nog geen krachten beschikbaar.—In 't kort, zendingsarbeid—dochzònder doop.
Zou dat uitvoerbaar zijn? 't Zal wel lastig zijn om geschikte elementen voor zulk werk te vinden. Ik kom er telkens weer op terug. Er moet eerst een zedelijke ondergrond gevormd worden, en bij alle te geven onderwijs dit punt in 't oog houden.
Hoe de volwassenen en half-volwassenen dien zedelijken ondergrond bij te brengen? Mij dunkt doorlectuur. Men moet bladen uitgeven, die ontspanningslectuur (om veel gelezen te worden) bevatten, maar altijd met een opvoedkundigen ondergrond. Hetzelfde idee, dat wij op onze kindertjes willen toepassen, spelenderwijs, onderwijzen en opvoeden, waarom zou dat niet toegepast kunnen worden op volwassen menschen?
Op Batavia hopen wij veel met de a.s. dokter-djawa's in aanraking te komen om met hen veel over die dingen te praten, en te zien of wij niet een paar er voor kunnen winnen. Zij zouden dan dat zendingswerk zonder doop kunnen doen.
Mijn jongste zus Soematri heeft onlangs het klein-ambtenaarsexamen afgelegd. Zij is het eerste Javaansche meisje, dat dat examen deed! Leuk hè!
[1]Mr. J. Slingenberg, thans rechter in de Arr. Rechtbank te Amsterdam. De nota volgt achter de brieven op blz.353.
[1]Mr. J. Slingenberg, thans rechter in de Arr. Rechtbank te Amsterdam. De nota volgt achter de brieven op blz.353.
[2]Blanda = Europeaan, meer bepaald: Hollander.
[2]Blanda = Europeaan, meer bepaald: Hollander.
1 Februari 1903. (IX.)
Maar nu de oudjes zelf; roerend was hunne verrukking, dat wij zullen blijven. Zij zijn er u innig dankbaar voor! Achteraf beschouwd is het toch wel goed geweest, dat wij eerst absoluut naar Holland wilden; nu zijn de oudjes blij met Batavia, en hebben heelemaal geen bezwaren voor onze verdere plannen; alleen bedong Mama, dat wij beiden steeds bij elkaar moesten blijven en samenwerken. Kan 't mooier? Dat is juist wat wijwillen.
Ik moet u toch nog eens hartelijk bedanken voor uw vriendenraad. Wat heeft me dat gesprek enorm goed gedaan. Waarom zal ik 't u niet bekennen, van die zijde hebben wij de zaak nog niet bezien; n.l. dat het gaan naar Holland voor de zaak zelve gevaarlijk zou zijn. Onze "vrienden" zouden zeker maar al te gaarne het praatje verbreiden, dat wij geheel "blanda" zijn geworden, als wij naar Holland gingen, en menige ouders zouden huiverig worden ons hunne kinderen toe te vertrouwen. Goddank, dat u nog bijtijds ons de oogen er voor opende! Hartelijk dank!
Van morgen op een rijtoertje waren wij getuigen van een staaltje van naïef volksgeloof.
't Was buiten op 't veld. Mensch en dier waren er vereenigd in een gebed tot den Allerhoogsten om de dorstige aarde te laven met hemelwater.
Vooraan zaten de priesters en santries, daarachter priesteressen[1]in witte gewaden, en aan weerszijden honderden mannen, vrouwen en kinderen. Schapen, geiten, paarden, karbouwen, stonden aan paaltjes gebonden. Een priester leidde den dienst, stond aan de spits en bad met luide stem. De menigte viel in met "amin, amin", waarbij zich mengde het geblaat der schapen.
"Sembajang istira" heet het. Roerend naïef geloof en vertrouwen van ons kindvolk.
Het zegengebed heeft drie dagen en drie nachten geduurd. U kunt begrijpen hoe opgetogen en dankbaar het volk is, dat het sedert heeft geregend, dat het goot. Het gebed heeft geholpen! En weet u wat men zegt? Omdat wij den dienst bijwoonden!
Het is hun niet uit het hoofd te praten, dat wij daar part noch deel aan hadden.
Tevoren had men op andere plaatsen óók "sembajang istira" gehouden, maar nergens viel een drup regen, en 't toeval wilde, dat wij geen van die plechtigheden bijgewoond hadden. Dat deed ons naïef kindvolk de conclusie trekken, dat wij kracht hadden bijgezet aan het laatste zegengebed, waarom het dan ook dadelijk werd verhoord.
Werkelijk, roerend is zoon kinderlijk vertrouwend geloof!
Ik wenschte zoo dikwijls, dat ik een fototoestel had en kieken kon, als wij eigenaardigheden zagen van ons volk, waar geen Europeaan bij kan komen. Zoo veel zouden wij in woord en beeld willen vastleggen, dat den Europeaan een zuiver beeld zou kunnen geven van ons Javanen.
Iemand beloofde mij om het heele wordingsproces van de paddi voor ons te kieken, de karbouwen en de botjak-angons[2]incluis. Ik zou er dan eene beschrijving bij geven, zooals ik als kind van 't volk zelve de dingen zie en voel.
U weet, dat ik altijd gráág wat voor u doe, dat het voor mij eenfeestis, om wat voor u beiden te mogen doen. Ook Oost en West kan steeds over mij beschikken. Ik bewijs daarmee niemand dan mij zelve een dienst. Het is voorons volk, en daar voel ik mijéénmeê. Al wat ik aan ons volk doe, doe ik aan mijzelve. Beschik dus steeds gerust over mij, draag mij zooveel op als u wil; vrees nooit, dat 't mij te veel zal zijn. Alleen roep ik uw aller welwillendheid in, als een en ander niet vlug genoeg naar uw zin kan afkomen.
In heb met den goudsmid gesproken over het gaan naar Solo, om daar het bewerken van schildpad te leeren. De man was er dadelijk voor te vinden, toen ik het hem voorstelde. Kammetjes kan hij al maken, en hij heeft er de bekakas[3]voor; doch het polijsten kan hij nog niet goed, dat zou hij dan op Solo leeren. Ook bewerkt men daar hoorn en parelmoer; dat moet hij er ook bij leeren, en dat wil hij wel.
Wij staan nog maar heel aan 't begin van de wederopkomst onzer mooie kunst, en natuurlijk, dat dan alles niet dadelijk in de puntjes kan zijn.
Ik kreeg een aardigen brief van Dr. Pijzel, een der redacteurs van Eigen Haard; ook eenige afdrukjes van 't stukje over het houtsnijwerk.[4]De kiekjes zijn mooi afgedrukt, vindt u ook niet? Ik kreeg er een paar op mooi papier afgedrukt. Weet u wat ik heerlijk vindt? Dat Moedertje mij heeft ingeleid, den allereersten keer, dat ik onder mijn eigen naam voor 't publiek schreef. Maar minder aardig vinden wij, dat men ons weer als reclame heeft gebruikt.[5]Dat schijnt nu zoo er bij te moeten behooren.
Heerlijk vinden wij 't bericht, dat ook in de Minahassa een Inlandsch meisje "dwaze ideeën" heeft als wij. Ziet u wel; wij zijn de eenige "gekken" niet! En als nu de adel hier ons niet hebben wil, en óók het volk ons afwijst, dan vluchten wij naar dat verre zusterzieltje, om ver van het marktgewoel, ergens op een vergeten plaats werk te zoeken en te vinden voor hoofd, hart en handen. Er zal in de groote, groote wereld ergens wel een plaatsje zijn, waar men ons wel verdragen kan.
Mijn oudste zuster is hier geweest; zij is gisteren weer vertrokken, doch niet om door te gaan naar Kendal, maar om op Koedoes bij hare schoonmoeder af te stappen en onze zaak bij haar te bepleiten.[6]Al wat wij in den laatsten tijd hebben ondervonden, maakt ons stil, ernstig! Daar gaat iemand onze zaak bepleiten, die zich steeds zoo scherp tegenover ons had gesteld.[7]Wij hadden ons hoofd niet gebroken om een toespraak samen te stellen, die haar 't hart zou vermurwen. Wij hadden eenvoudig van hart tot hart gesproken, en 't was ons zoo vreemd te moede, toen onze zuster met vochtige oogen en eene trilling in hare stem zeide: "Goed, volvoert je plannen, verwezenlijkt je ideeën; ik zal God bidden, dat Hij je zegene!"
Wij vroegen haar nog: "Zult gij 't u niet aantrekken, als anderen ons beschimpen, veroordeelen?" En zij antwoordde; "Ook de luidste sprekers zullen eenmaal zwijgen!" Zus denkt, dat hare moeder wel zal willen; ook, dat haar man het goed zal vinden.
En hoe 't hier thuis is? Vroeger mochten wij er nooit metanderen over spreken; nu spreken zij er zelf over. Wij spraken onlangs met een vreemde over allerlei onderwerpen; hoe zwol mijn hart van vreugde en geluk, toen ik mij telkens naast Vader zag staan. Ook naar den geest ben ik zijn kind, zong mijn hart! Vader verzocht dien vreemde ook hier te komen, om onze gedachten aan elkaar te toetsen, dat was goed voor ons. O! zal dan onze droom eens verwezenlijkt worden, dat wij onzen weg beginnen methunvollen zegen!
O! en wat zegt u er wel van, nog vóór wij den Heer Sijthoff[8]geschreven hadden, kregen wij verleden week een heel hartelijken brief van hem, waarin hij ons zijn spijt betuigde over onze koppigheid, om een paar regels verder te verklaren, dat dat hem eerbied afdwong, om daarop ons steun te beloven. Waar wij dien noodig hadden, behoefden wij slechts bij hem aan te kloppen.
[1]Met "priesters" en "priesteressen" worden bedoeld personen die de godsdienstplichten te Mekka hebben vervuld. Met "santries" meer in het algemeen de zeer aan de godsdienstige vormen en gebruiken gehechten.
[1]Met "priesters" en "priesteressen" worden bedoeld personen die de godsdienstplichten te Mekka hebben vervuld. Met "santries" meer in het algemeen de zeer aan de godsdienstige vormen en gebruiken gehechten.
[2]Botjak-angons sijn jongetjes belast met het hoeden der karbouwen.
[2]Botjak-angons sijn jongetjes belast met het hoeden der karbouwen.
[3]Bekakas = gereedschap.
[3]Bekakas = gereedschap.
[4]In het nummer van 3 Januari 1903 (blz. 11) met het opschrift "Van een vergeten uithoekje".
[4]In het nummer van 3 Januari 1903 (blz. 11) met het opschrift "Van een vergeten uithoekje".
[5]Door het afdrukken der portretten, hetgeen zonder toestemming geschiedde. De portretten waren door iemand anders in Nederland aan de redactie verstrekt.
[5]Door het afdrukken der portretten, hetgeen zonder toestemming geschiedde. De portretten waren door iemand anders in Nederland aan de redactie verstrekt.
[6]Het doel en de uitslag der bespreking vindt men in den brief van 19 April 1903 (blz.307).
[6]Het doel en de uitslag der bespreking vindt men in den brief van 19 April 1903 (blz.307).
[7]Men vergelijke hier blz.52.
[7]Men vergelijke hier blz.52.
[8]Den Resident.
[8]Den Resident.
4 Maart 1903 (VIII.)
Ik benerg naargeweest. Dagen lang had men hier in angst over mij gezeten, en had ik de afschuwelijkste pijnen. Goddank, die ellende is nu achter den rug, 't leed is weer geleden. O! en wat een onnoozel middeltje heeft mij van die pijnen bevrijd. Wij hebben het opgeteekend voor onze verzameling, die later onzen kinderen ten goede zal komen.
Gisteren ben ik weer begonnen te werken; 't gaat best; en vandaag ben ik voor 't eerst eens weer meê uit rijden geweest. Roerend was Vader's dankbaarheid er over. Ik zat natuurlijk naast hem, en Vader hield mij aldoor vast, als vreesde hij me te verliezen. Dat waren weelde-oogenblikken, kostbare herinneringen, voor mij een talisman voor de toekomst! O, wij hebben allen zóóveel geleden, physiek en moreel.
9 Maart 1903 (VIII.)
Wij hebben bericht gekregen, dat het schildpad binnen weinige dagen hier zal zijn en dan gaat de goudsmid er mee naar Solo. Heerlijk, nu zijn er al drie takken van kunstnijverheid in mijne geboorteplaats aan het opleven, en wij zijn doende om nog andere op te sporen, en er leven in te brengen. Zij weten nu, zien in, dat het ons doel is,henzelventot welvaart te brengen; zij begrijpen hun voordeel, en apprecieeren ons werk, door met lust en ijver mede te werken. Al wat wij voor hen doen, zou nutteloos zijn, als zij niet begrepen, dat wij hetgoedmet hen voor hebben, enhunwelvaart voor oogen hebben. Ik ben dankbaar, dat zij dit begrijpen!
Het is heerlijk om te zien, hoe erlevenkomt in die takken van nijverheid. De dringin-werksters[1]beginnen op groote schaal te werken, en zelfs in dekampong, om het Maleische kamp, doen Inlanders er aan. Het gaat dusgoed. De goudsmid heeft meer knechts enleerlingengenomen. En er zijn knapen, die zich voor het houtsnijwerk-vak laten opleiden. Eén feit heb ik vooral met groote vreugde begroet. Er is onder die leerlingen een knaap van dekota, dus geen kind van Blakang-Goenoeng, het houtsnijwerkersdorp. Andere leerlingen zochten wij, maar die ééne uit de kota kwam zichzelven er voor aanmelden. Dat is het ware! en zoo'n heerlijk, verblijdend teeken! Ik ben er erg dankbaar voor!
De kleintjes hier zullen ons werk voortzetten, als wij er niet meer zijn; wij zullen haar leiden van uit de verte, zoolang zij nog leiding behoeven.
Iemand klaagde ons over ondankbaarheid, en over den haat der menschen onderling. Wij zeiden hem, dat als hij verdriet had over de ondankbaarheid der menschen, datzijn eigen schuld was.
Hij keek ons met groote oogen aan en vroeg: "Mijn schuld, als de menschen ondankbaar tegenover mij zijn?" "Ja, uw schuld, als u daarover verdriet hebt; want wij moeten nooit het goede doen, om dankbaarheid te oogsten, doch het goede doen,enkel en alleen omdat hetgoedis, en wij daarin zelfvoldoening vinden.
Ik denk en geloof, dat 't beste middel om zelf gelukkig te zijn en daarbij anderer leven mooi te maken is, dat wij zóóveel mogelijk trachten te begrijpen. Hoe meer wij begrijpen, hoe minder verbittering er is in ons, hoe liefdevoller, rechtvaardiger ons oordeel is voor anderen. Dit laatste maakt anderer leven mooi, en het eerst ons eigen; niet verbitterd zijn, is gelukkig zijn.
Hij vroeg ons ook:
"Wat zou er gebeuren, als je iemand ontmoette, waarvoor je hart klopte?"
"Ik zou blij en dankbaar zijn, want dat zou beteekenen, dat ik een geestverwant ontmoette, en hoe meer geestverwanten wij vinden, hoe beter voor onze zaak en des te liever is het ons."
"Een geestverwant zal jenooitontmoeten."
Kras gezegd; òf hij stelde onze mannen zóó laag, òf hij stelt mij overdreven hoog!
Wist hij maar, dat ik zoo juist een enthousiastischen brief kreeg van een mij onbekenden, jeugdigen geestverwant. Ik zal u dien brief bij gelegenheid eens zenden; hij is van een leerling der Inlandsche artsenschool. Een spontane uiting van sympathie, naar aanleiding van het stukje in Eigen Haard, dat u inleidde. Zoo echt jongensachtig—jòng in zijn gloeiend enthousiasme, maar daaruit sprak ontegenzeggelijk een niet alledaagsche geest—een degelijke ondergrond schemerde er door.
Auteurswedde, dat onbekende menschen zich vriend voelen met iemand, wiens woord hun hart trof! Ik vind 't een heerlijk idee, dat u 't was, die mij onder mijn waren naam in 't publiek binnenleidde. Zulk een inleiden door iemand, die men zielslief heeft, moet zegenend zijn.
En als dat stukje eenig succes heeft gehad, dan schrijf ik dat toe aan de omstandigheid, dat het door uwe handen 't licht zag. Er is mij veel wedervaren naar aanleiding daarvan, maar het heeft zijn doel niet gemist; voor onze artisten heeft het eenig succes gehad. Er zijn naar aanleiding daarvan eenige niet onbelangrijke aanvragen naar houtsnijwerk gekomen.
[1]"Dringin" is een bepaalde werkwijze waardoor verkregen worden doeken met hetgeen in Nederland genoemd worden "moesjes".
[1]"Dringin" is een bepaalde werkwijze waardoor verkregen worden doeken met hetgeen in Nederland genoemd worden "moesjes".
19 April 1903. (IX.)
Zelfbeperkingheb ik zoo zeer noodig aan te leeren.
Het is uitstekend, dat men mij in den laatsten tijd dikwijls daarop attent maakt.
Ik kijk mijn schrijfmap dikwijls met heimwee aan, maar ik moet mij beheerschen; aan mijn schrijflust mag ik niet meer ten allen tijde bot vieren; dat mag nu slechts een uitspanning voor me zijn.
En nu nog iets prettigs. De schoonmoeder van mijne zuster Soelastri, wil met groot genoegen ons chaperonneeren,[1]wáár ook; het aangenaamst voor haar natuurlijk op Magelang, waar zij in familie en vrienden zit, en die allen vóór de vrije opvoeding zijn. Mijn zwager was er dadelijk voor te vinden.
[1]Voor de oprichting van een internaat voor Inlandsche meisjes van goeden huize.
[1]Voor de oprichting van een internaat voor Inlandsche meisjes van goeden huize.
25 April 1903 (I.)
Laf, onvergeeflijk is 't, dat wij je niet direct zelf geschreven hadden, toen het groote besluit genomen was, dat wij vooreerst niet van de vrucht van uw aller edel werk zullen gebruik maken.... Niemand kan meer verbaasd zijn over deze uitkomst dan wij zelven.Alleshadden wij verwacht, dochnooitdat wij uit eigen vrijen wil zouden zeggen: "wij blijven!"
Denk niet aan ons, denk aande zaaken wat voor háár het beste is; daar moeten wij ons bij neerleggen.
O! denk niet, dat wij van gevoelens veranderd zijn; geenszins is dat het geval. Zelfs nu, terwijl ons request reeds op weg is naar den Gouverneur-Generaal gelooven wij vast, dat voor onze toekomstige leerlingen, eene opvoeding in Europa,uitstekendzal zijn. Doch daarnaast staat thans een andere waarheid: "Voor de zaakis op het oogenblik een blijven in Indiëbeter."
Je weet, dat het een onzer grootste illusies is geweest en nòg is, om in Europa onze opvoeding te voltooien. Begrijp je, wàt het ons gekost heeft, om daarvan afstand te doen, terwijlzij op 't punt stond werkelijkheid te worden? Ontzettend hebben wij gestreden, voor wij daartoe konden overgaan. Gaven wij aan ons zielsverlangen toe, dan zochten wijons zelf, want wij weten, datde zaak, op een andere manier beter gediend zal worden. Wij hooren nu ons zelf niet meer toe, wij hooren de zaak toe. Op 't oogenblik dienen wij haar 't beste, door in 't land te blijven. Het publiek, waarvoor wij willen werken, moet ons nog leeren kennen; gaan wijnuweg, dan zullen wij ons daarvan vervreemden. En als wij over eenige jaren terugkomen, zal men in ons Europeesche vrouwen zien. En als men Europeanen zijne dochters niet wil toevertrouwen, des te minder zal men dit willen doen aan een, in zijn oog, Europeesch geworden Javaansche vrouw.
Het doel isons volk. En als dit tegen ons ingenomen wordt, wat zal ons Regeeringshulp baten? De quaestie is nu, zoo spoedig mogelijk aan den slag te gaan, het publiek voor eenfeitte stellen: een school voor Inlandsche meisjesis er! Op 't oogenblik houdt men zich met ons bezig, zijn wij over geheel Java bekend; wij moeten het vuur gaande houden. Als wij weggingen en lang uitbleven, zou die belangstelling verflauwen en op 't laatst verdwijnen. Wij moeten ons nupersoonlijkbekend maken aan ons publiek, zijn sympathie trachten te verwerven en het leeren in ons vertrouwen te stellen. Hebben wij die sympathie en dat vertrouwen, dan kunnen wij gerust gaan. Dat gaan naar Holland vervalt niet geheel, Stella. Wij kunnen nog altijd gaan. En als wij dat van uit Batavia doen, zal dit beter zijn, dan van hier uit. Ten eerste voor de Oudjes. Zij zullen al gewend zijn, ons op een grooten afstand van zich te weten, en dan kunnen zij gemakkelijker er toe overgaan, zich dien afstand nog grooter te denken. Voor ons zelf zou dat ook goed zijn. Kijk, wij zijn nooit van huis geweest. En dan in eens van ons warm nestje, van ons land, verplaatst in eene andere omgeving, in een vreemd land, zoo ver van al wat ons lief is. Die overgang zou te groot zijn.
Doch dat is maar bijzaak, dit wisten wij altijd toch wel, en wij hadden er nooit tegen opgezien. Hoofdzaak is: het gevaar voor onzeondernemingzelf. Dit hadden wij nooit ingezien, uit trotschen overmoed, of overmoedigen trots, hoe je het noemen wil. Geheel opgaande in onze extase, dachten wij weinig of niet aan de meening van ons publiek; ja, wij stelden er zelfseene eer in, om haar te trotseeren, waar zij afweek van de onze; en deze hoog te houden tegenover de menigte, ons niets storend aan hare afkeuring, waar wij voor ons heilig overtuigd waren van het goede van ons willen, streven of daad. Wij blijven ditgoedvinden, doch inditgeval mogen wij zulks niet doen, hebben wij wel degelijk rekening te houden met de inzichten van het publiek. Immers voorons volkwillen wij werken, en dan is het zaak het niet tegen ons in te nemen, door met ruwe hand te grijpen in ideeën, waarin het is groot gebracht en oud geworden.
Geduld! hebben de wijzen ons toegeroepen, wij hoorden het, maar verstonden het niet. Nu eerst begrijpen wij het, Stella, nu weten we, wat het wachtwoord is van alle hervormers:Geduld!Wij kunnen den loop der dingen niet bespoedigen, wèl vertragen door te hard van stapel te willen gaan. Als het publiek tegen ons ingenomen was, dan zou dit den gang der zaak vertragen. Men zou huiveren zijnen dochters eene verlichtende opvoeding te geven, als deze zulke onmogelijkheden vormde als wij, die de menigte tot voorbeelden worden gesteld.
Geduld! geduld tot in het oneindige, Stella, ik was zóó ontroerd, toen deze waarheid tot me doordrong. Wij moeten ons beteugelen, er voor waken, dat wij in ons vuur en ijverhet doelniet voorbij streven. Mevrouw Van Kol schreef ons: "om een ideaal te bereiken, moet men menige, o menige illusie afleggen". De eerste illusie, die wij hebben afgelegd is: ons te geven aan het publiek zooals wij zijn.
Neen, dat mag niet; het publiek mag nooit weten, wat wij bestrijden. Den naam van den vijand, waartegen wij te velde trekken mag nooit, nooit gehoord worden:polygamie. Weet men dit, dan zal geen mensch ons zijn kind ter opvoeding willen geven. Ik heb mij dit erg aangetrokken; 't is mij of wij met een leugen onze taak aanvaarden.
Onze illusie was, dat men ons geheel kende, en dan uit overtuiging ons zijne kinderen afstond.
Dit is onmogelijk.
Wij staan nog vóór onze taak, en wij zien de illusies al een voor een verdwijnen...! O, Stella, maak ons het afstaan van deze groote illusie niet nog zwaarder door er verdriet over te hebben. Zóó is 't ons al hard genoeg. Je hebt 't altijd geweten, dat het een groote, groote illusie van me was, om in je landte komen en daar wijsheid te vergaren voor ons volk. Laat ik er niet meer over spreken. Ik dank je, ook namens mijne Oudjes, duizend maal vooralleswat je voor ons gedaan hebt ... en voor niets! Neen, Stella, niet verloren is je werk; jullie aller werk; maken wij van de vrucht daarvan op het oogenblik geen gebruik, voor de zaak is het van groot nut. De aandacht is er op gevestigd, en weldenkenden bepeinzen dat vraagstuk. De vrucht van deze overdenkingen zal ons volk tot zegen komen.
Reeds zijn ons vragen over de opvoeding van het Javaansche volk gedaan door menschen, die wat in de melk te brokkelen hebben.
Zou men dit ooit gedaan hebben, als niet jullie de aandacht van weldenkenden op ons gevestigd hadden? Zou de Regeering, zouden velen bereid tot helpen zijn, indien jullie niet voor ons gewerkt hadden? Stella, nogmaals duizendmaal dank voor jouw groote, groote liefde! Neen, lieveling, jouw werk, jouw moeiten zijn niet verloren. Uit naam van ons volk dank ik je er innig voor. Aan den Javaan zullen al je moeiten ten goede komen.
Onze plannen zijn, zoodra er gunstig op ons request geantwoord is, dadelijk naar Batavia te gaan. Roekmini om zich te bekwamen voor teekenen, handwerken, gezondheids-, zieken- en verbandleer. In teekenen zal ze les krijgen van een leeraar van het gymnasium, en voor hygiëne de lessen volgen der dokter-djawa-school. Ik ga voor het onderwijs studeeren, met welke studie ik sedert een paar maanden begonnen ben onder leiding van een hoofdonderwijzer. Ik ga maar één acte halen. Zoodra ik die heb, wordt onze school geopend, òf op Magelang òf op Salatiga, beide een koel klimaat en met veel doktoren (officieren van gezondheid). Wij hebben grootsche plannen; als de school er is, en alles goed gaat, dan willen wij daaraan een cursus voor vrouwelijke geneeskundigen, verpleegsters en verloskundigen verbinden, waarin officieren van gezondheid zullen les geven, en waarvan Roekmini de leiding zal hebben. Zoo iets kan hier alleen bestaan onder leiding van eenebeschaafde, ontwikkelde vrouw.
Wij hebben de Regeering ook subsidie gevraagd voor de oprichting van die school. Wordt het geweigerd, dan gaan wij particuliere hulp inroepen. Misschien gebeurt het dan toch nog, dat wij ons tot de Koningin zullen wenden.
Dat was ook Vader's idee geweest, in Indië studeeren, endaarna voor verruiming van den geesteshorizon naar Europa gaan. Niet zooals wij eerst van plan waren, in Europa studeeren, daar duseenige jarenblijven.
Het is net een jaar geleden, dat ik je jubelend gelukkig schreef over het bezoek van den heer Van Kol. En precies één jaar daarna moet je dezen krijgen. Stella, heb mij nog een beetje lief; uit piëteit voor de groote liefde die je mij eens toegedragen hebt, smeek ik je: Heb mij nog een beetje lief.
14 Mei 1903. (IX.)
Onlangs kreeg ik eenige aardige kiekjes van sawahs; ik wacht op 't rijp worden van de paddi, om daarover te gaan droomen; en als die droom dan aardig uitvalt, gaat hij met de kiekjes naar Holland om gedrukt te worden.
Wij zijn gisteren op Blakang Goenoeng geweest. Wat genoten wij, èn van de heerlijke mooie kunst, die we zagen, èn van de zichtbare welvaart van onze artisten! Wat is Singo's huis veranderd, sinds we 't laatst daar zijn geweest. Hij heeft nu een houten en steenen huis! Heerlijk! Ze zagen er zóó gelukkig uit! O! U moest ze toch eens bezig zien! De kleine aapjes, die hij opleidt, zijn al zoo handig. 't Is een lust om diekindertjeste zien werken! Wij zijn er gisteren geweest met goede kennissen. En 't was, zooals ik gedacht had; nu zij daar zijn geweest, staat de kunst onzer simpele artisten nòg hooger in hun oog.
7 Juni 1903. (VIII.)
Onlangs maakten wij kennis met een piepjong ding, dat me erg aan uw a.s. schoondochtertje herinnerde. Zij was zoo fijn, o zoo fijn, en blikt zoo vroolijk en gelukkig in het rond; toch heeft zij al veel meegemaakt, dat jonge ding. Kijk, zoo moesten al uwe dochtertjes zijn! ze zouden dan zoo uitstekend passen bij haar lief Moedertje. Wij dachten dat jonge ding een kind van 15—16 jaar, en konden 't nauwelijks gelooven, toen wij hoorden, dat zemoederwas. Dat ranke, fijne ding,moeder! 't Speet me zoo, dat ik zoo veraf van haar zat, zoodat ik niet met haar kon praten.
't Was bij Oom,[1]dat ik haar ontmoette, tegelijk met vele anderen.
Wij hadden ons voorgenomen, om dien avond op alles, wat men tegen ons mocht zeggen, niets te antwoorden dan "ja" of "neen", hopende zoodoende de menschen van ons af te houden.
Het ging uitstekend, tot een jonge man zich bij ons voegde, de echtgenoot van dat bekoorlijke kind-moedertje. Hij begon met te vertellen, dat hij onzen Kartono goed kende, tegelijk met hem examen had gedaan.
Ik luisterde onwillekeurig met meer belangstelling naar hem, maar stribbelde toch nog tegen. Doch daar begon hij over kunst, onze heerlijke Javaansche kunst, over ons volk, over 't Mohammedanisme, enz. enz. en voor ik 't zelf wist was ik in een levendig gesprek met hem gewikkeld.
Zoo ziet u, hoe de beste voornemens ijdel kunnen zijn!
Dien avond hoorde ik zooveel interessants, dat ik tevoren niet geweten had!
Wat hebben wij genoten van den mooien dans van de wajangs. Een was er, van wie we de oogen niet konden afwenden. Hij danste éénig en was mooi. Het was eene vrouw, maar moest een man voorstellen.
Heerlijk was het, wat zij ons te aanschouwen gaf! Eene uiting van fiere kracht, en toch o zoo gracieus en fijn. Dat is 't mooie, 't sublieme in onze kunst: de voorname, zachte gratie in iedere lijn, in iedere beweging!
Ik zal die twee feestdagen op Demak nooit vergeten, dat weetik zeker! Wij gingen er laat naar bed, maar eigenlijk slapen deden wij niet. Hoe konden wij dat?—terwijl buiten de gamelan zoo betooverend klonk, en eene menschelijke stem zoo verrukkelijk daar boven uit zong. Wij konden niet slapen—de sirenenzang hield ons geboeid—en in ons hart bewoog zich het idee: 't is wellicht voor 'tlaatst.
Gamelan en zang zullen wij op Batavia nooit zoo mooi hooren. 't Was mij of ik in die dagen afscheid nam van mijne jeugd.
Iedere phase van ons leven heeft hare eigen bekoorlijkheden, en elk afscheid is weemoedig.
Lieve, lieve Moeske, zal u ons helpen den eersten tijd in den vreemde doorkomen?
Heb ons nog méér lief, als de tijd daar is, dat wij om ons heen dierbare gezichten zullen missen, die noodig zijn voor ons geluk.
Wij kunnen veel ontberen,liefdeniet.
U weet wel, dat ons request al een tijd weg is? Wat zal 't antwoord daarop zijn?