Op de losbranding volgde onmiddellijk een jammerkreet, die van buiten kwam.Halef had Osko’s waarschuwing gehoord en zich naar het venster omgewend, maar mijn geweer was iets vlugger geweest dan zijn blik. Hij had de verraderlijke tromp niet gezien. Daarom sprong hij, bij het schieten, van zijn stoel op, en riep:—Wat is er, Sihdi? Gij schiet!—Een moordenaar, een moordenaar!—stamelde Osko, nog altijd stijf van den schrik en met gestrekten arm staande, terwijl ik opsprong, den berendooder neerwierp en het revolvergeweer uit de handen van den waard rukte.Ik kon niet zien, wie buiten stond; bevond de schurk zich nog daar, dan was hij verloren, want ter zijde van het venster staande, waar ik geen juist mikpunt voor een buitenstaande aanbood, vuurde ik zes zeven schoten zoo snel achter elkaar af, dat ze wel een eenig schot leken.Halef had terstond begrepen, wat er gaande was.—Houd op met schieten!—riep hij mij toe.Oogenblikkelijk was hij in het open venster en wilde er uit.—Halef, zijt ge dol!—riep ik, hem bij de beenen terug houdende.—Ik moet er uit!—schreeuwde hij, wrong zich los en sprong.Ik had met mijn gezonden voet een wijden vluggen sprong gedaan, die mij aan het raam bracht. Ik stak er eerst mijn geweer door, daarna mijn hoofd en linkerarm. Verder ging niet. Het raam was te smal. Ik zag Halef loopen, rechtsaf, waar de breede plaatsdeur open stond en het schijnsel van het flikkerende vuur de straat goed belichtte.Tezelfder tijd kwam van af de donkere deur van het tegenover liggende huis van den slager, een persoon, die Halef achterna liep.Was dat een vijand? Ik legde mijn geweer aan. Daar kwam iemand voorbij de plaatsdeur vluchten. Hij was bij het schijnsel duidelijk te herkennen.—Manach el Barscha!—brulde Halef hem achterna. Ook ik had hem herkend en zag nu Halef de groote deur voorbij stuiven. Ik mikte op de smalle streep, die verlicht was en waarover de derde moest gaan, die Halef achtervolgde. Daar kwam hij, juist zoo gekleed als de slager geweest was. Hij kwam in mijn lijn en ik schoot. Maar ik zag, dat ik hem miste. Alleen mijn linkerarm buiten het raam hebbende, moest ik links mikken. Wie kan nu, bij nacht, in mijn ongemakkelijke, gedwongen houding en door het flikkerende vuur gehinderd, het geweer aan de linkerwang leggen, het rechteroog sluiten en van een treffer zeker zijn! Dat was bijna onmogelijk.Natuurlijk trok ik mij uit het raam terug, de kamer in, en beval Osko en Omar:—Vlug, door de voorkamer, en de binnenplaats over, rechts de straat op! Halefbevindtzich tusschen twee vijanden in.Op dat oogenblik vielen er verscheidene schoten. Het waren pistolen, die ik hoorde knallen. De twee genoemden grepen naar hun geweren.—Geen geweren! Daar helpt alleen mes en pistool. Voort, maakt voort, vlug!Zij snelden de deur uit. Ik kon, helaas! niet volgen. In mijn hulpeloozen toestand was ik tot blijven gedwongen.De waard zat nog altijd verstijfd van schrik op zijn stoel. Zooals ik hem het geweer uit zijn hand had getrokken, zoo hield hij die nog. Hij had sedert Osko’s angstkreet zich nog niet bewogen en nog geen geluid gegeven.—Ef—ef—effen—fendi! stamelde hij nu. Wat was er toch?—Dat hebt gij toch gezien en gehoord.—Men heeft ge—ge—geschoten!Ik greep hem bij zijn schouder en schudde hem.—Man, kom toch tot bezinning. Gij zijt suf van den angst!—Wilde men mij dooden?—Neen, mij.—Ik dacht, omdat—omdat ik u geholpen had, wilde men mij doodschieten.—Neen, uw lieve leven werd niet bedreigd, maar het mijne. Sluit nu het luik: wij willen niemand gelegenheid geven, om weer op ons te mikken.Hij waggelde, toen hij mijn aanwijzing volgde. Hij was in ’t geheel geen lafaard; maar het onverhoedsche en de geweldige snelheid der opvolgende handelingen hadden hem heelemaal in de war gebracht. Nadat hij het luik had gesloten, zonk hij weer op zijn stoel, en stak ik mijn pijp op nieuw aan.—Rookt gij, Effendi?—vroeg hij verwonderd. En buiten vechten ze!—Kan ik hen bijstaan? Als gij een kloeke kerel waart, dan zoudt gij u haasten om ze bij te springen!—Dank u wel! Het gaat mij niet aan.—Rook dan ook!—Ik beef nog aan al mijn leden. Dat oude geweer van u gaf een slag als een kanon!—Ja, mijn oudje heeft nog al een krachtige basstem. Ik wil terstond weer laden. Gij hebt nu gezien, hoe goed dat is. Was de oude niet geladen geweest, dan zag het er nu slecht met mij uit.—Gij had toch uw lichtere geweer nog.—Dat hadt gij in uw hand, maar de zware buks lag voor het grijpen. Ook weet ik niet of een minder zwaar schot wel dezelfde uitwerking zou gehad hebben.—Gij hebt toch op den moordenaar geschoten!—Neen. Ik kon niets van hem zien. Ik zag alleen de tromp van zijn geweer. Hij mikte precies op mijn voorhoofd. Mij bleef niets anders over, dan zóó te schieten, dat mijn kogel den op mij gerichten loop omhoog sloeg, en dat is mij gelukt.Onder de vrouwen en kinderen op de binnenplaats was het onrustig geworden. Zij hadden natuurlijk de schoten ook gehoord en daarna de mannen ook zien loopen. Ook wisten zij, dat de Aladschy’s in de buurt waren en dat maakte ze dubbel zenuwachtig.Het begon nu echter stil te worden, en de deur van het voorvertrek ging open. Osko, Omar en Halef kwamen terug. De laatste zag er erg toegetakeld uit. Zijn kleeren zaten vol vuil en waren niet weinig gehavend; van zijn voorhoofd liep het bloed over zijn gezicht.—Gij zijt gewond?—vroeg ik verschrikt. Is het gevaarlijk?—Ik weet het niet, Sihdi. Wilt gij het eens onderzoeken?—Terstond water hier!Daar dit niet zoo gauw bij de hand was, doopte ik mijn zakdoek in het bier en waschte daarmede het gezicht van mijn dapperen kleine af.—God zij dank! Een onbeduidend schampschot,—troostte ik. Binnen twee weken is de krabbel genezen.—Dat valt mee!—lachte Halef. Maar het was anders bedoeld. De kerel wilde mij het licht uitblazen.—Wie heeft op u geschoten? Manach el Barscha?—Neen, de andere.—Kent gij hem?—Neen. Het was zoo donker, dat ik zijn gezicht niet herkennen kon, ofschoon onze baarden zoo dicht bij elkaar waren, dat wij ons over en weer hadden kunnen kussen.—Ik vermoed dat het de broer van den slager geweest is.—Best mogelijk, want juist als een slager greep hij toe.—Vertel nu hoe het gegaan is. Omar kan intusschen het verbandlinnen uit mijn zadeltasch halen.—Wel, alles ging nog al gauw in zijn werk. Toen ik mijn hoofd uit het venster stak, zag ik een man er onder liggen. Ik wilde boven op hem springen, maar gij hieldt mij van achteren vast. Ik wrong mij los, maar toen ik mijn beenen naar buiten stak, sprong de kerel op en liep weg.—Dat moet Manach el Barscha geweest zijn. Hij zeide heden, toen ik hem beluisterde, tegen de drie anderen, dat hij heel graag eens op mij zou willen schieten. Dat heeft hij gedaan. Het is dus blijkbaar een gevaarlijke aardigheid zich voor kogelvrij uit te geven.—O, het was in allen ernst op ons gemunt. Zooals gij daar zat, waart gij zoo’n mooi mikpunt. De schurken zagen het en besloten u weg te blazen. Daar Manach nu gaarne weten wilde, of uw hoofd werkelijk harder was dan zijn kogel, zoo droegen zij hem op op u te schieten. Het was in allen gevalle hun plan u te vermoorden; dat staat vast!—Dat laat zich hooren.—Juist. Maar nu verder! Ik sprong naar omlaag, en kwam op een lang smal ding terecht, zoodat ik viel. Het moet een geweer wezen, dat er nog liggen zal.—Dat zal ik hem uit zijn handen geschoten hebben. Hij moet een stoot of slag gekregen hebben, waardoor hij neersloeg.—Hij moet in allen gevalle, hoe kort dan ook, niet bij zijn zinnen geweest zijn, want anders was hij niet blijven liggen tot ik kwam. Ik krabbelde terstond weer op en sprong hem achterna. Toen hij voorbij de slagdeuren liep, herkende ik hem terstond en riep het u toe.—Ik heb hem ook herkend.—Hij liep als een haas, maar ik zat hem op de hielen. Plotseling struikelde hij en viel. Ik was zóó dicht achter hem, dat ik niet tijdig genoeg kon stoppen en over hem heen vloog. Daar maakte hij gebruik van, om op te springen en door te loopen.—Dat was dom. Hij had zich boven op u moeten werpen.—Zeker. Maar de schurken hebben geen geluk.—Wie schoot toen?—Ik. Terwijl ik opsprong, trok ik mijn pistolen uit mijn gordel en brandde op hem los. Maar ook ik was dom, want ik schoot al loopende. Was ik blijven staan, om rustig te mikken, dan had ik hem stellig geraakt, want mijn pistolen dragen ver. Dat zal mij ook geen tweede keer gebeuren.Toen Halef zoover was met zijn verhaal, kwam Omar met de verbandmiddelen.—Buiten onder het venster ligt Manach’s geweer,—zeide Halef tegen hem. Haal het hier.—Maar ik wil uw verhaal ook hooren.—Ik zal opuwachten.Toen Omar het geweer bracht, bleek het dat Manach een geduchte oorvijg moest gekregen hebben, want de kolf was gespleten. Men kon aan de tromp zien, waar mijn kogels getroffen hadden.—Maar het geweer is niet geladen,—merkte Halef op, terwijl hij dapper bezig was, het bloed uit zijn gezicht weg te wasschen. Dus heeft hij toch geschoten!—Natuurlijk! Bijna tegelijk met mij.—Dan hebben uw kogels zijn geweerloop naar omhoog geslagen, en moeten zijn kogels ginds in den muur of hier in de zoldering zitten.Osko nam de lamp en vond al gauw het gat, waarin de kogel zat.—Daar is ie,—zeide hij. Die zat nu in uw hoofd, Sihdi, wanneer ik niet bij tijds het op u gerichte geweer had gezien.—Ja, u heb ik mijn leven te danken.—Daar ben ik trotsch op. Wij hebben u zooveel te danken, ik vooral, want mijn dochter hebt gij verlost uit de macht van dezen Abrahim Mamur. Nu heb ik u toch ook een kleinen dienst kunnen bewijzen!—Klein kan ik dezen dienst niet noemen. Ik ben er u van harte dankbaar voor!—Gij behoeft mij daar niet voor te danken. Ondanks mijn waarschuwing zou een ander doodgeschoten zijn. Hoe kwaamt gij op de gedachte zijn loop weg te schieten? Gij hadt maar te bukken.—Dan zou hij toch geschoten en u getroffen hebben. Hij lag al in aanslag.—Dus gij hebt geschoten en niet gebukt, om mij te redden?—Ja, daarom. Maar nu wij zijn kogel gevonden hebben, kunnen wij ook naar de mijne zoeken. Zij zijn door zijn loop afgewend en naar omhoog of ter zijde gevlogen. Kijk eens aan de zijkozijnen van het raam.Ja wel, zij zaten in de zachte poreuze steenen, heel dicht bij elkaar. Osko groef ze er uit.—En die daar boven moet ik ook hebben,—zeide hij. Ik moet de drie kogels tot een aandenken hebben. Maar vertel nu verder, Halef!Deze verhaalde: wat er verder gebeurd is, weet gij even goed als ik. Ik haalde Manach in en pakte hem van achteren beet. Hij deed een geweldigen sprong zijwaarts, rukte zich weer los en ik viel op den grond. Ditmaal was hij verstandiger dan vroeger. Hij wierp zich op mij en pakte mij bij mijn keel. Juist trok ik mijn mes, om het hem van onderen op, tusschen de ribben te steken, toen er nog een ander kwam. Wie hij was weet ik niet, maar morgen zal ik hem wel herkennen, want ik gaf hem met mijn mes zoo’n haal over zijn gezicht, dat hij mij los moest laten. Daarvoor hield hij mij echter den loop van zijn pistool aan mijn hoofd. Ik geloof, dat hij, ten gevolge van de kennismaking met mijn mes, te sterk bloedde om goed te kunnen zien, want hij zeide: Houd hem vast, Manach!—wat deze tamelijk goed deed. Ik lag met mijn gezicht op zij. De tromp van zijn pistool raakte den slaap van mijn hoofd. Ik wierp het hoofd in den nek en hij brandde los. Het was, alsof iemand met een gloeienden draad langs mijn voorhoofd had gestreken; maar toen spande ik alle kracht in, om mij los te maken uit hun handen. Het mes wasmij ontvallen. Zij hielden mij vast, bij mijn keel en armen. Op eens kreeg ik lucht. Een hunner stiet een vloek uit, want hij werd van achteren beet gepakt.—Dat deed ik,—zeide Osko. Ik pakte hem bij den strot, maar ik ging te onbedaard te werk. Het was niet de goede greep. Hij rukte zich los en ontkwam.—Ja, en onderwijl was Manach er ook van doorgegaan,—voegde Halef er bij. Ik was op stikken na dood, en toen ik weer adem kon halen, was Manach zonder afscheid nemen weggegaan.Het is een eigenaardig en onbeschrijfbaar gevoel, zoo plotseling door den dood gegrepen te worden en even onverwacht gered te worden. Millioenen kunnen gelukkig zich daar geen voorstelling van maken.De wond van Halef was gemakkelijk te verbinden en zou maar een onbeduidend litteeken nalaten.—Nog weer een teeken van uw dapperheid, mijn beste jongen! zeide ik. Wat zal Hannah, het juweel van haar geslacht, zeggen, als zij deze merkteekenen van uw onversaagdheid bemerkt?—Zij zal denken, dat ik het voor mijn Sihdi gedaan heb, van wien zij evenveel houdt als ik. O, wat zal ik haar van ons te vertellen hebben! Er zullen niet veel Beni Arab (zonen van Arabië) zijn, die zulke reizen hebben gemaakt als wij! En dan, als ik... Hoor!Wij hoorden van verre een geluid als van scherp zingende muggen. De tonen werden aldoor luider, en weldra herkenden wij de krijgsmarsch van ons strijdlustige leger, dat nu terugkwam.—Zij komen!—riep de waard, nu eerst uit zijn lethargie ontwakende en van zijn stoel opstaande. Zij brengen de gevangenen,—die in het dorp waren om op mij te schieten, terwijl de dappere inwoners uit wandelen waren,—antwoordde ik hem.—Heer, hier is er toch maar één geweest! De andere drie zijn zeker gevangen.—Dan geef ik duizend piasters voor ieder van hen!—Wie kan weten, of zij niet geslaagd zijn! Ik, het hoofd der politie, moet hen ontvangen.Hij ging, zeker om de landstormers te waarschuwen, mij wat voor te liegen. Hij liet de deuren open, zoodat wij den intocht van het roemrijke leger konden zien.Voorop kwam de Muschir, zijn sikkelstok hanteerende, als eenechte tamboer-majoor. Hem volgden de muzikanten, als om strijd musiceerende, doch niet naar noten en niet in harmonie en in de maat, maar ieder naar zijn eigen zin.Na dezen kwamen de helden, ieder in een houding, alsof hij een Roland of Byard in moed en kracht overtroffen had. Vier hunner droegen berries, uit jonge stammen en loofhout gemaakt, waarop de beide dooden—de slager en de voormalige gevangenbewaarder.In het voorvertrek werd halt gehouden. De muziek liet een zeer gemengde fanfare hooren, waarna een diepe stilte volgde.De geur van de bradende hamels drong in de kamer door. De veldmaarschalk sperde zijn neusgaten wijd open, snoof de heerlijke lucht welbehaaglijk op en trad in fiere houding op ons toe.—Effendi,—zeide hij,—de veldtocht is ten einde. De beide Aladschy’s zijn alleen door mij geveld. Mij komen dus twee huiden toe.—Waar zijn hun lijken?—In de rivier geworpen.—En waar zijn de beide andere boosdoeners?—Ook in de Sletowska. Wij hebben ze als honden verdronken.—En wie heeft ze gepakt?—Dat kan men niet met zekerheid zeggen. Wij zullen dus om de andere moeten loten.—Vreemd, dat gij hen verdronken hebt, zoodat men hun lijken niet kan vinden.—Het is de kortste manier met zulke schurken.—Ja, en het heeft nog dit voor, dat men den veldmaarschalk niet gemakkelijk kan bewijzen dat hij liegt.—Heer, beleedig mij niet!—Sedert wanneer kunnen dan de dooden hier in het dorp komen, om hier door het raam op mijn hoofd te mikken en te schieten?Hij werd bleek van schrik.—Heer, wat bedoelt gij?—Dat de vier mannen, tegen wie gij opgetrokken zijt, intusschen hier op mij hebben geschoten.—Dat moeten dan hun schimmen geweest zijn!—Een schim zijt gij zelf. Gelooft gij aan geesten, die spoken?—Zeker, Heer.—Goed, dan zal ik de gebraden hamels oproepen om hier, waarze dood gemaakt zijn, te komen spoken. Die spokende geesten moogt gij dan met uw dapper leger opeten, maar van hun vleesch en been, blijft gij af.—Effendi, gij hebt ze ons beloofd! Wij houden u bij uw woord!—Ik beloofde ze u, onder voorwaarden, die gij niet hebt vervuld. Wanneer gij mij voor een man houdt, tegen wien men zoo brutaal mag liegen als gij doet, dan laat ik u een duchtig pak zweepslagen geven. Ik heb er de macht toe; vraag het maar aan den Kiaja. Hij zal u zeggen, dat de Sultan zelf mij die macht heeft gegeven.Ik had op hoogen toon en goed duidelijk gesproken, zoodat allen die in het voorvertrek en buiten de deur stonden, het hoorden. De gezichten betrokken. Mijn ernst maakte zichtbaren indruk. Zij staken, bezorgd over het verbeuren der smullerij, de hoofden bij elkaar. De politieman stond als een arme zondaar te kijken. De Kiaja, die dicht bij mij was, meende dat hij het voor zijn onderhoorigen moest opnemen, maar zonder te erkennen dat ik bedrogen en belogen was. Hij zeide alzoo:—Effendi, wat gij denkt, is absoluut onwaar! Er is u niets voorgelogen. Hoe zouden wij zoo iets durven!—Ja, hoe hebt gij het durven wagen, te doen wat gij gedaan hebt! Mij bedriegen en beliegen, en voor den gek houden! Gij weet, dat ik onder de hooge bescherming sta van den Grooten Heer en diens eerste raadslieden. Wat is een Kiaja, wat een politieman tegenover mij! En ik ben uit een land, waar de knapen verstandiger en geleerder zijn dan de mannen van hier die gij voor verstandig en wijs houdt. Toch hebt gij gemeend, mij te kunnen bedriegen. Alleen omdat gij zoo dom zijt, hebt gij dat kunnen denken. Zelfs de kinderen, die op de binnenplaats bij de vrouwen zijn, weten dat ik bedrogen werd, en wij, die de voorlichters van alle wetenschap en kennis zijn, wij zouden dommer zijn dan zij? Zoo iets kan en mag ik niet dulden. Ik wilde uw onderhoorigen Arpa suju, Raki en vier gebraden hamels geven, en tot dank speldt gij mij zulke leugens op de mouw! De Arpa en de Raki blijven in uw kelder tot een ander ze bestelt. De hamels neem ik morgen mee, om ze aan betere menschen te geven.Deze laatste bedreiging had de gewenschte uitwerking. De waard ging verlegen achteruit. De maarschalk snoof den binnenstroomenden geur van het gebraad op, kneep zijn lippen samen, wreef schurkendzijn been. De bazuinblazer echter wist den toestand te redden. Hij kwam zelfbewust en flink naar ons toe, stelde zich voor mij op en zeide:—Effendi, de hamels willen wij liever niet verbeuren. Ook zou het uw geweten met medelijden bezwaren, indien gij ze ons onthieldt. Ik wil u ontlasten van heimelijk zelfverwijt, door u de waarheid te zeggen.—Ik zie, dat er toch ook nog eerlijke mannen hier zijn,—zeide ik, goedkeurend hem toeknikkend.—O, eerlijk zijn wij allemaal; maar wij kunnen wel tegelijk spelen, maar niet spreken. Dat doe ik nu voor ons allen, omdat ik gewoon ben om de maat aan te geven met mijn Zurna, die alle andere instrumenten overstemt. Neen, wij hebben niet gestreden, maar wij zijn naar de rotshut gegaan, om de dooden te halen. Het water van de Sletowka heeft geen lijken gezien. Als gij het wilt, zal ik u zeggen, hoe alles gegaan is.—Spreek op.—Ik was thuis, bezig met mijn Zurna te repareeren van een diepe deuk, omdat ik er gisteren iemand, die mij beleedigde, mee voor den grond had geslagen, en toen kwam deze politie-agent, die mijn zwager is omdat hij met de zuster van mijn vrouw is getrouwd. Hij vertelde mij van u, van de Aladschy’s en wat gij van den Kiaja had verlangd. Deze had hem opgedragen, om in ’t geheim naar het bosch te gaan en aan de Aladschy’s te zeggen, dat gij aan hen ontkomen waart en zij zich uit de voeten moesten maken, omdat al gauw onze landstorm tegen hen zou optrekken, om hen gevangen te nemen.—Dat heb ik wel gedacht!—De schutsman der openbare veiligheid wilde mij, omdat ik zijn vriend en zwager ben, laten deelen in den roem, met de Aladschy’s gesproken te hebben; daarom vorderde hij, dat ik met hem zou meegaan.—Zeg liever, dat hij bang was om alleen te gaan en dat hij u daarom mee wilde hebben.—Daarin vergist gij u. In zijn hart is, zoo min als in het mijne, eenige vrees, voor wien of wat ook. Voor den sterksten vijand ga ik niet uit den weg, want in mijn Zurna heb ik een wapen, waarmee ik al menigeen duchtig toegetakeld heb. Wij braken dus op en gingen.—Maar u gehaast om er te komen, hebt gij niet?—Neen, want wij moesten overleggen, hoe wij het best ons van deze netelige opdracht zouden kwijten, en wij verhieven van tijd tot tijd onze stem, om aan de Aladschy’s te zeggen, dat wij niet kwamen om hen dood te schieten.—Dat was zeker zeer voorzichtig van u, want anders hadden zij u kunnen overvallen.—O neen! Wij deden het, om ze niet al te veel te laten schrikken, maar zij vergolden onze teergevoeligheid voor hen met ondank.—Dat wil zeggen, zij lachten u brutaal weg uit!—O neen, dat deden zij niet; maar hun ondankbaarheid is ook een reden, om u alles te zeggen.—Waarin bestond dan hun ondankbaarheid?—In zweepslagen, die zij mijn lieven zwager rijkelijk toedeelden, wat zij mij natuurlijk niet durfden doen.—Oho!—viel de politie-agent zijn lieven zwager in de rede. Heeft de eene Aladschy u niet een oorveeg gegeven, dat gij op den grond zijt gaan zitten?—Dat verbeeldt gij u maar, want het was te donker dan dat gij het zoudt hebben kunnen zien. En ook vielen de slagen zoo hageldik op u, dat gij geen tijd hadt om te zien. Uw woorden bewijzen dus niets.—Twist niet met elkaar!—beval ik. Wat deden de Aladschy’s ten leste?—Zij vroegen, in wat moeielijkheid zich onze Kiaja bevond, en wij vertelden, dat wij hen zouden moeten gevangen nemen en dan den ouden Mubarek met de lijken uit de rotshut moesten halen. Zij hadden gemeend, dat Mubarek dood was. Toen zij het tegendeel hoorden, waren zij in hun schik, en besloten, gauw naar hem toe te gaan, opdat hij niet in uw handen zou vallen. Mijn zwager kreeg nog een schop van——Neen, gij hebt dien gekregen!—viel de agent in.—Zwijg! Of gij ’m gekregen hebt of ik, dat is hetzelfde, want wij zijn nauw aan elkaar verwant. Zij gaven dus aan een van ons een schop en retireerden toen in de plooien van het nachtgewaad dezer aarde.—En toen zijt gij teruggekeerd om de helden saam te roepen?—Ja. Wij hadden ons lang opgehouden, en opdat gij niets vermoeden zoudt, hebben wij ons moeten haasten.—En gij hebt daarbij tevens gezegd, dat men niet bevreesd behoefde te zijn, want dat de vijanden in allen trots geweken waren?—Ja, Heer.—En dat het eenige gevaar voor hen bestond in de belofte, dat zij Arpa suju zouden moeten drinken en hamels eten?—Dat hebben wij hun in goed vertrouwen medegedeeld.—En hebt gij op uw krijgstocht ook een spoor van de Aladschy’s ontdekt?—Niet maar een spoor, maar hen zelf.—Ah! waar dat? Aan het eind van het dorp?—Aan het einde van het dorp. Daar waren zij te paard—twee links en twee rechts van den weg—en Mubarek stond bij hen. Wij trokken met Janitzaren-muziek tusschen hen door. Het is geen kleinigheid, twee lijken uit een stik donker bosch te halen; zij liggen nu in het voorvertrek.Met een handbeweging wees hij naar de deur. Ik antwoordde:—Alles wat gij mij verteld hebt, wist ik. Maar omdat gij de waarheid hebt gezegd, wil ik u de smulpartij niet onthouden.—En wie krijgt de huiden?—Wie is de armste van het dorp?—Chasna, de houthakker, die ginds met zijn bijl staat.—Dan zal hij ze hebben. Breng nu de lijken weg en laat de Arpa suju komen.Dit woord werd met gejubel ontvangen. Er werden groote dikbuikige bierpotten gebracht en gevuld. Daar de Turken vroeger het bier niet kenden, hebben zij er ook geen bijzonder woord voor. Hij noemt het met de Czechische uitdrukking Piwa of met het genoemde omschrijvende woord. Arpa beteekent: gerst. Su: water. Ju: van water. Arpa suju: gerstewater van water, wat nu niet precies verleidelijk klinkt.Onderwijl nu iedereen een kleiner kom of glas zocht meester te worden, om er alleen uit te drinken, riep ik den politie-agent ter zijde en vroeg hem:—Waarheen denkt gij het lijk van den slager te brengen?—Naar zijn huis aan de overzij.—De overbrenging geschiedt natuurlijk onder uw leiding?—Niet maar onder mijn leiding, maar onder mijn opzicht, want ik ben de opzichter der politie.—Dan heb ik iets voor u te doen. Ik heb opgemerkt dat gij een echte diplomaat zijt, die een zaak bij het rechte eind weet aan te vatten. Luister dus eens goed! Ik stel er prijs op, dat gij den broeder van den slager, bij de overbrenging van het lijk, te zien krijgt.—Dat zal niet moeilijk zijn.—Misschien toch wel. Hij kan reden hebben om zich niet te laten zien.—O, ik ben de politie! Mij moet hij te woord staan.—Neen, zoo moet gij het niet aanleggen! Niet barsch, maar verstandig en slim moet gij optreden.—Daarvoor ben ik de rechte man.—Leg het zoo aan, dat hij, als uit eigen beweging te voorschijn komt en gij hem in ’t gezicht kunt zien. Ik geef u vijf piasters, wanneer het u gelukt.—Daar ben ik zoo zeker van, dat u ik verzoek mij de vijf piasters nu al te geven.—Neen, mijn waarde. Gij hebt mij reeds zooveel voorgelogen, dat ik voortaan voorzichtig zijn moet. Geloof dus niet, dat gij mij kunt wijs maken hem gezien te hebben, zonder dat het waar is. Ik weet terstond of gij mij wat voorliegt.—Heer, geen enkel onwaar woord zal over mijn lippen komen. Maar wat wilt gij dan eigenlijk weten?—Daarover spreken wij later! Gij moet hem goed aangezien hebben; als gij dat gedaan hebt, is het voldoende.—Maar bedenk, dat gij een groote opoffering van mij vergt. Onderwijl ik mij verwijder, drinken de anderen al de lekkere Arpa suju op.—Ik zal zorgen, dat gij uw deel rijkelijk krijgt.Hij ging. Ik zag, dat hij twee mannen riep om het lijk van den slager voor hem te dragen. Dat van den gevangenbewaarder werd voorloopig ergens opgeborgen.Alles was nu in orde. Sommigen zaten, met de beenen kruiselings, op den grond, terwijl anderen, op onze manier, aan tafels zaten. De helden hadden allerlei mogelijk en onmogelijk vaatwerk in de hand, om er uit te drinken. Buiten op de plaats hurkten de vrouwen en kinderen rondom het vuur. Ook deze hadden eenige kannen bier gekregen. De jongens en meisjes waren bijzonder druk in de weer.met het opvangen van het vet, dat van de bradende hamels in het vuur dreigde te vallen. De een had voor dat doel een steen, een ander een stuk hout, waarop zij den druppel lieten vallen, om dien dan terstond daarvan af te likken.Alleraardigst deed dit een misschien achtjarige jongen. Hij ving de druppels in zijn kleine fez op, en als hij meende er genoeg bijeen te hebben, om echt te kunnen smullen, dan keerde hij de muts binnenste buiten, en belikte de bedruppelde plek zoolang er nog iets van te halen was. Was het vet, te veel naar zijn zin, in de roodwollen muts gedrongen, of kleefde het er te vast aan, dan weerde hij zich dapper met zijn tanden. Toen het braden afgeloopen was, liet ik den knaap bij mij komen en bekeek zijn fez. De kleine had er verscheidene gaatjes in gebeten, en was den koning te rijk, toen ik zijn volharding met een piaster beloonde.Een der vuren werd letterlijk belegerd door een kleine bende. Telkens als de aandacht van de braadster ook maar een oogenblik afgeleid kon worden, sprong een der saamgezworenen vooruit, om de een of andere appetijtelijke plek van het gebraad een lik te geven en dan vlug weer weg te loopen.Dat was geen ongevaarlijk werk, omdat het vuur de kleeren van den kleinen gauwdief in brand kon steken. Gelukkig was niet een van het troepje in zijde met Brusselsche kanten gekleed. Was het waagstuk aan iemand gelukt, dan werd de gelukkige door de saamgezworenen met brulgejuich begroet. Kreeg de waaghals echter van een der vrouwen een flinken klap of ook wel een duchtige oorvijg, wat bij negen van de tien aanvallen gebeurde, dan werd hij geweldig uitgelachen. Maar telkens als de aanval gelukt was of niet, volgde er een zeer teekenend gebarenspel, naar aanleiding van de oorvijg of de gebrande tong.Er was een mengeling van typische figuren, die een interessant geheel uitmaakten. De gasten—zoowel oude als jonge—gingen ongedwongen en in allen eenvoud hun gang. De ceremonieele vormen, die de Oosterling, vooral tegenover vreemden, streng in acht neemt, waren door de Arpa suju volkomen verdrongen. Langzamerhand werd men vertrouwelijk ook met ons en waren wij door vroolijke gezellen omringd, die mij tot kostelijke studie-opnamen dienden.Toen de politie-agent van zijn diplomatische zending terug kwam, berichtte hij:—Heer, het is mij gelukt! Ik heb hem gezien; maar het heeft moeite gekost. Gij zult mij wel tien piasters mogen geven in plaats van vijf.—Waarom?—Omdat ik mij tienmaal meer heb moeten inspannen. Toen ik naar hem vroeg, kreeg ik ten antwoord, dat hij afwezig was. Maar ik was hem te slim af, en liet zeggen, dat ik hem noodzakelijk moest spreken, omdat ik hem een belangrijke mededeeling te doen had betrekkelijk de laatste oogenblikken van zijn broeder. Toen liet hij mij komen, want hij zat alleen, in een vertrek. Hem ziende schrikte ik geweldig, want hij had een lange diepe wond, die over zijn voorhoofd, neus en wang liep. Naast hem stond een kom water, om de wond af te koelen.—Hebt gij hem gevraagd, hoe dat gekomen was?—Zeker. De spijker, waar zijn bijl aan hing, had losgelaten en toen was de bijl op zijn gezicht gevallen,—zoo zeide hij.—En toen wilde hij zeker uw gewichtige mededeeling hooren?—Ik zeide hem, dat zijn broeder nog niet dood was, toen ik hem opnam, maar nog eenmaal had gezucht.—Was dat alles?—Was dat niet genoeg? Moest ik dan mijn teere geweten met een nog grootere leugen bezwaren? Een enkel zuchtje zal ik voor den gerichts-engel nog wel kunnen verantwoorden. Maar had ik gezegd dat de doode nog eerst een lange redevoering had gehouden, dan zou ik mijn ziel daarmee ernstig bezwaard hebben.—Nu, wat dat betreft, ik had u niet opgedragen, om leugens te vertellen. En tien piasters zijn voor een zuchtje te veel.—Te veel voor u? Voor een man van zoo’n grooten invloed en begaafdheid? Wanneer ik de voortreffelijkheid had van uw karakter, de innigheid van uw gevoel, den rijkdom van uw hart en de sierlijkheid van uw denken, zouden vijftig piasters mij niet te veel zijn!—Vijftig piasters zijn ook niet te veel voor mijzelf.—Ik bedoel niet voor uw eigen gebruik, maar om ze mij te geven, te meer omdat de zaak niet zoo eenvoudig afgeloopen is, als ik wenschte.—Hoe dan?—Wel, hij werd boos, sprong op en vloekte afgrijselijk. Hij zei, er voor te zullen zorgen, dat ik ook nog zuchten zou, en niet zoo zacht als, volgens mij, zijn broer zou gedaan hebben. En wat er toen gebeurde, kunt gij wel denken.—Neen. Zoo duidelijk als gij, kan ik mij den toestand niet voorstellen.—Welnu, ik nam in ontvangst, wat men gewoonlijk een pak slaag noemt, maar wat ik nu betitelen wil als gevolg mijner innige toewijding aan uw belangen.—Waren de slagen ter dege raak?—Meer dan dat!—Het is mij zeer aangenaam, dat te hooren!—Maar ze te ontvangen, was mij het niet. Ik zal heel wat noodig hebben voor mijn genezing, uitwendig een afwrijving met Raki, en inwendig heel wat Arpa suju voor afkoeling, en hamelvleesch tot herstel van verloren kracht en lenigheid.—Ik vermoed, dat gij de Raki ook wel voor den innerlijken mensch zult gebruiken. En wat uw lenigheid betreft, bewijs mij terstond dat die niet geleden heeft, door u oogenblikkelijk uit de voeten te maken. Hier zijn de tien piasters.—Heer, uw woorden zijn beleedigend, maar uw daden zijn balsem. Al de roerselen van mijn hart zijn eenstemmig in liefde voor uw persoon, en mijn ingewanden rommelen van verrukking over uw goedertierenheid!—Maak dat gij weg komt, gij groote held, of ik zal uw beenen zóó smeren, dat gij er op springt!Ik greep het handvat van mijn zweep, en terstond was de dappere verdwenen.Het nauwkeurig herhaalde onderzoek naar den toestand van de hamels bewees dat ze gaar waren, en de verdeeling begon. Opdat er geen twist zou ontstaan, liet ik Halef voorsnijden, een kunst, waarin hij een meester was. Daarna werden de porties verloot. Wij kregen de staartstukken; maar ik ontzegde mij het genot dier lekkere stukken, omdat ze in mijn tegenwoordigheid het meest door de jeugd waren belikt geworden.Trouwens, onze waard had goed voor ons gezorgd. Wij konden ons vergasten aan een overvloedig en smakelijk avondeten. Wat dat betreft, konden wij over hem tevreden zijn.Na de bijna spoorlooze verdwijning der vier vette hamels, nam de krijgskapel plaats in een hoek van den binnenhof, en fungeerde als orkest voor zang en dans.Wat wij nu te hooren kregen, gaat alle beschrijving te bovenIk moet mij bepalen tot de vermelding, dat er gedanst werd, bijna alleen door de mannen; later verschenen er ook eenige vrouwen. De dans bestond òf uit wilde onregelmatige sprongen òf in minder mooie verdraaiïngen van het lichaam. Eén enkel paar, man en vrouw, vertoonde een vrij goede pantomime, waarbij gitaar en viool alleen begeleidden.Ter afwisseling van den dans, lieten zich de zangers hooren, meestal in koor. De solostukken ademden een weemoedigen geest, maar er zat ten minste melodie in, en bij de begeleiding ook sporen van harmonie. De koorzangen waren meest krijgsliederen. Deze werden eenstemmig gezongen of veel meer gebruld en door gegil onderbroken dat oorverscheurend was. De begeleiding was als de zang. Bazuingeschal, de trommel en fluit vervulden de hoofdrol.Laat in den avond, omstreeks middernacht, zag ik een ruiter aankomen, die hier overnachten wilde. Hij was klein van gestalte en steeg van een oud mager en slecht verzorgd paard af, dat nu hard had moeten loopen.Hij wisselde eenige woorden met onzen waard, en deze zeide mij, dat ik morgen al een zeer goeden gids zou kunnen krijgen.Ik dacht terstond aan den man, van wien de beide Aladschy’s gesproken hadden, en die mij in hun handen leveren zou. Suef hadden zij hem genoemd, een echt Arabische naam.Hij moest, in geval ook de aanslag op heden niet mocht gelukken, terstond met zijn verraderij beginnen. Welnu, de poging om mij door het raam dood te schieten, was mislukt; dus stond het vast, dat hij van daag met zijn verraderij beginnen zou.Het was mogelijk, dat hij al van avond zou trachten, met ons in verbinding te komen, en in dat geval kon de reiziger de gevaarlijke persoon zijn. Ik moest voorzichtig te werk gaan en nauwkeurig onderzoeken.—Hoe komt gij er toe, van een gids te spreken?—vroeg ik den waard. Wij hebben zoo iemand niet noodig.—Misschien toch wel! Kent gij den weg?—Wij hebben nooit een weg, dien wij in deze streken gingen, vooruit gekend, en zijn toch altijd terecht gekomen.—Gij verlangt dus geen gids?—Neen.—Zoo als gij wilt. Ik meende u een dienst te bewijzen.Hij wilde van ons weggaan. Dat zag er niet naar uit, alsof deaangekomen vreemdeling zich door hem bij ons wilde indringen. Daarom vroeg ik nader:—Wie is hij dan, dien gij bedoelt?—Een bij u passend gezelschap is hij eigenlijk niet. Het is een arme kleermaker, die niet eens een vaste woonplaats heeft.—Hoe heet hij?—Afrit is zijn naam.—Afrit, dat woord beteekent: reus. Die naam past niet bij zijn gestalte, want hij is zoo klein, dat hij veel van een dwerg heeft.—Dat hij nochtans Afrit heet, is zijn schuld niet, want dien naam heeft niet hij gekozen, maar is hem door zijn vader gegeven. Misschien was die ook zoo klein, en heeft zijn zoon Afrit gedoopt, in de hoop dat zijn zoon een reus zou worden.—Is hij uit deze streek?—Waar hij geboren is, dat weet niemand. Hij is overal als de reizende kleermaker bekend. Waar hij werk vindt, daar blijft hij tot het klaar is. Met den kost en een kleine vergoeding is hij tevreden.—Is hij eerlijk?—Volkomen vertrouwd. Hij is door zijn onbaatzuchtigheid zelfs spreekwoordelijk geworden. Zoo eerlijk als de reizende kleermaker, pleegt men te zeggen.—Waar komt hij nu van daan?—Van Sletowo, dat in het Noorden ligt.—En waar wil hij heen?—Naar Uskub en nog verder. Omdat gij ook derwaarts wilt gaan, meende ik hem u te mogen aanbevelen. Volgt gij den straatweg, dan maakt gij een omweg, en de kortste weg is heel moeielijk te vinden.—Hebt gij met hem al over ons gesproken?—Neen, Heer. Hij weet in ’t geheel niet, dat hier vreemdelingen zijn. Hij vroeg alleen, of hij hier tot morgen ochtend blijven kon. Ik wilde hem werk geven, maar hij kon het, om een ziekte-geval niet aannemen. Hij wordt daarvoor gewacht.—Waar is hij op het oogenblik?—Achter het huis, waar hij zijn paard laat weiden. Gij kunt het dat dier aanzien, hoe arm zijn baas is.—Geef hem dan straks vergunning om bij ons binnen te komen. Hij mag onze gast zijn.Al spoedig kwam dan ook de man zelf. Hij was zeer klein, zwak,en bepaald armoedig gekleed. Hij scheen zeer veel geleden te hebben, en nam uiterst bescheiden in een hoekje plaats. Behalve een mes, droeg hij geen wapens, en al spoedig haalde hij een stuk hard maïsbrood uit zijn zak, om daarmee zijn avondmaal te doen. Deze arme man was zeker geen makker van de bandieten. Ik noodigde hem uit, om bij ons plaats te nemen, en van het overschot van ons avondeten, dat nog op tafel stond, gebruik te maken.—Heer, gij zijt wel vriendelijk,—zeide hij beleefd,—en ik heb werkelijk honger en dorst. Maar ik ben een arme kleermaker en het past mij niet bij Heeren, zooals gij zijt, aan te gaan zitten. Wanneer gij mij iets geven wilt, zal ik het dankbaar aannemen, maar vergun mij, het hier, waar ik zit, te mogen nuttigen.—Zooals gij wilt. Halef, zet hem ons eten voor!De Hadschi zette hem zooveel voor, dat meerdere personen er hun genoegen aan hadden kunnen eten. Ook gaf hij hem bier en Raki.Toen de man verzadigd was, kwam hij naar mij toe, reikte mij de hand en dankte mij met de meest eerbiedige woorden. Hij zag er zoo verarmd en eerlijk uit, bovendien sprak er zooveel oprechtheid uit zijn oogen, dat ik zeer ingenomen met hem was.—Hebt gij bloedverwanten?—vroeg ik hem.—Geen enkele. Mijn vrouw en kinderen zijn, twee jaar geleden, aan de pokken gestorven. Nu ben ik alleen.—Hoe heet gij?—Men noemt mij: de reizende kleermaker, maar mijn eigen naam is Afrit.—Kunt gij mij ook zeggen, waar gij eigenlijk thuis hoort?—Waarom niet? Ik moet toch weten, waar ik geboren ben? Ik stam af uit het kleine berg-dorp Weicza in de Schar Dagh.Ah, dat was de plaats, die door den stervenden gevangenbewaarder genoemd was, als in de buurt liggende van de gezochte Karanorman-Khan. De ontmoeting met dezen armen man kon van groot nut voor ons zijn.—Zijt gij daar bekend?—vroeg ik.—Zeer goed; ik kom er dikwijls.—Wanneer gaat gij er weer heen?—Ik ga er juist nu naar toe. Over Uskub en Kakandelen reis ik er heen.—Om iemand een bezoek te brengen?—Neen. Daar woont een wonderdokter die mij moet helpen, want ik heb iets, daar hij mij moet afhelpen.—Wilt gij niet liever een wetenschappelijk man raadplegen?—Dat heb ik gedaan, maar het heeft niet geholpen. Bij den wonderdokter heb ik al veel baat gevonden.—Wat hebt gij dan?—Men zegt dat ik aan steenen in de lever lijd.Hij zag er ook heelemaal naar uit, alsof hij aan innerlijke pijnen leed. Ik had werkelijk medelijden met hem.—Wanneer denkt gij verder te rijden?—Morgen vroeg.—Rijdt gij dan ineens door naar Uskub?—Neen. Dat is te ver, om het in één dag te doen.—Is er dan onderweg een goede herberg?—Wel meer dan een.—Zullen wij samen reizen?—Ik met u reizen! Maar dat gaat toch niet! Met zulke Heeren als gij, kan ik toch niet spreken.—Waarom niet? Gij doet het nu wel, en gij bevalt mij goed. Wanneer gij er niet op tegen hebt, dan reizen wij samen, gij kent den weg beter dan ik, en voor uw wegwijzing betaal ik u als mijn gids.—Heer, spreek niet zoo tegen mij! Ik ben maar een arme kleermaker, voor wien het een bijzondere eer is met u mee te mogen rijden. Ook is het veiliger niet alleen op weg te zijn. Wanneer gij het dan wilt, zal ik mij bij u aansluiten.Daarmee was de zaak afgedaan, en hij ging weer op zijn plaats zitten. Een poos later wenschte hij ons wel-te-rusten, en verwijderde zich om te gaan slapen. Osko, Omar en Halef, zij ook waren van oordeel, dat wij met een eerlijken man te doen hadden, wat de waard ons ook nogmaals verzekerde.Langzamerhand liep de binnenplaats leeg en werd ook het voorvertrek ontruimd. Ook voor ons werd het tijd om te gaan slapen. De waard maakte voor mij de sofa in orde, maar de anderen moesten een plekje opzoeken bij de paarden, die ik allerminst hier zonder toezicht wilde laten.Toen ik alleen was, sloot ik van binnen de deur af. De vensters waren ook sekuur gesloten, en daar ik mij op mijn scherp gehoor kon verlaten, sliep ik onbezorgd in.
Op de losbranding volgde onmiddellijk een jammerkreet, die van buiten kwam.Halef had Osko’s waarschuwing gehoord en zich naar het venster omgewend, maar mijn geweer was iets vlugger geweest dan zijn blik. Hij had de verraderlijke tromp niet gezien. Daarom sprong hij, bij het schieten, van zijn stoel op, en riep:—Wat is er, Sihdi? Gij schiet!—Een moordenaar, een moordenaar!—stamelde Osko, nog altijd stijf van den schrik en met gestrekten arm staande, terwijl ik opsprong, den berendooder neerwierp en het revolvergeweer uit de handen van den waard rukte.Ik kon niet zien, wie buiten stond; bevond de schurk zich nog daar, dan was hij verloren, want ter zijde van het venster staande, waar ik geen juist mikpunt voor een buitenstaande aanbood, vuurde ik zes zeven schoten zoo snel achter elkaar af, dat ze wel een eenig schot leken.Halef had terstond begrepen, wat er gaande was.—Houd op met schieten!—riep hij mij toe.Oogenblikkelijk was hij in het open venster en wilde er uit.—Halef, zijt ge dol!—riep ik, hem bij de beenen terug houdende.—Ik moet er uit!—schreeuwde hij, wrong zich los en sprong.Ik had met mijn gezonden voet een wijden vluggen sprong gedaan, die mij aan het raam bracht. Ik stak er eerst mijn geweer door, daarna mijn hoofd en linkerarm. Verder ging niet. Het raam was te smal. Ik zag Halef loopen, rechtsaf, waar de breede plaatsdeur open stond en het schijnsel van het flikkerende vuur de straat goed belichtte.Tezelfder tijd kwam van af de donkere deur van het tegenover liggende huis van den slager, een persoon, die Halef achterna liep.Was dat een vijand? Ik legde mijn geweer aan. Daar kwam iemand voorbij de plaatsdeur vluchten. Hij was bij het schijnsel duidelijk te herkennen.—Manach el Barscha!—brulde Halef hem achterna. Ook ik had hem herkend en zag nu Halef de groote deur voorbij stuiven. Ik mikte op de smalle streep, die verlicht was en waarover de derde moest gaan, die Halef achtervolgde. Daar kwam hij, juist zoo gekleed als de slager geweest was. Hij kwam in mijn lijn en ik schoot. Maar ik zag, dat ik hem miste. Alleen mijn linkerarm buiten het raam hebbende, moest ik links mikken. Wie kan nu, bij nacht, in mijn ongemakkelijke, gedwongen houding en door het flikkerende vuur gehinderd, het geweer aan de linkerwang leggen, het rechteroog sluiten en van een treffer zeker zijn! Dat was bijna onmogelijk.Natuurlijk trok ik mij uit het raam terug, de kamer in, en beval Osko en Omar:—Vlug, door de voorkamer, en de binnenplaats over, rechts de straat op! Halefbevindtzich tusschen twee vijanden in.Op dat oogenblik vielen er verscheidene schoten. Het waren pistolen, die ik hoorde knallen. De twee genoemden grepen naar hun geweren.—Geen geweren! Daar helpt alleen mes en pistool. Voort, maakt voort, vlug!Zij snelden de deur uit. Ik kon, helaas! niet volgen. In mijn hulpeloozen toestand was ik tot blijven gedwongen.De waard zat nog altijd verstijfd van schrik op zijn stoel. Zooals ik hem het geweer uit zijn hand had getrokken, zoo hield hij die nog. Hij had sedert Osko’s angstkreet zich nog niet bewogen en nog geen geluid gegeven.—Ef—ef—effen—fendi! stamelde hij nu. Wat was er toch?—Dat hebt gij toch gezien en gehoord.—Men heeft ge—ge—geschoten!Ik greep hem bij zijn schouder en schudde hem.—Man, kom toch tot bezinning. Gij zijt suf van den angst!—Wilde men mij dooden?—Neen, mij.—Ik dacht, omdat—omdat ik u geholpen had, wilde men mij doodschieten.—Neen, uw lieve leven werd niet bedreigd, maar het mijne. Sluit nu het luik: wij willen niemand gelegenheid geven, om weer op ons te mikken.Hij waggelde, toen hij mijn aanwijzing volgde. Hij was in ’t geheel geen lafaard; maar het onverhoedsche en de geweldige snelheid der opvolgende handelingen hadden hem heelemaal in de war gebracht. Nadat hij het luik had gesloten, zonk hij weer op zijn stoel, en stak ik mijn pijp op nieuw aan.—Rookt gij, Effendi?—vroeg hij verwonderd. En buiten vechten ze!—Kan ik hen bijstaan? Als gij een kloeke kerel waart, dan zoudt gij u haasten om ze bij te springen!—Dank u wel! Het gaat mij niet aan.—Rook dan ook!—Ik beef nog aan al mijn leden. Dat oude geweer van u gaf een slag als een kanon!—Ja, mijn oudje heeft nog al een krachtige basstem. Ik wil terstond weer laden. Gij hebt nu gezien, hoe goed dat is. Was de oude niet geladen geweest, dan zag het er nu slecht met mij uit.—Gij had toch uw lichtere geweer nog.—Dat hadt gij in uw hand, maar de zware buks lag voor het grijpen. Ook weet ik niet of een minder zwaar schot wel dezelfde uitwerking zou gehad hebben.—Gij hebt toch op den moordenaar geschoten!—Neen. Ik kon niets van hem zien. Ik zag alleen de tromp van zijn geweer. Hij mikte precies op mijn voorhoofd. Mij bleef niets anders over, dan zóó te schieten, dat mijn kogel den op mij gerichten loop omhoog sloeg, en dat is mij gelukt.Onder de vrouwen en kinderen op de binnenplaats was het onrustig geworden. Zij hadden natuurlijk de schoten ook gehoord en daarna de mannen ook zien loopen. Ook wisten zij, dat de Aladschy’s in de buurt waren en dat maakte ze dubbel zenuwachtig.Het begon nu echter stil te worden, en de deur van het voorvertrek ging open. Osko, Omar en Halef kwamen terug. De laatste zag er erg toegetakeld uit. Zijn kleeren zaten vol vuil en waren niet weinig gehavend; van zijn voorhoofd liep het bloed over zijn gezicht.—Gij zijt gewond?—vroeg ik verschrikt. Is het gevaarlijk?—Ik weet het niet, Sihdi. Wilt gij het eens onderzoeken?—Terstond water hier!Daar dit niet zoo gauw bij de hand was, doopte ik mijn zakdoek in het bier en waschte daarmede het gezicht van mijn dapperen kleine af.—God zij dank! Een onbeduidend schampschot,—troostte ik. Binnen twee weken is de krabbel genezen.—Dat valt mee!—lachte Halef. Maar het was anders bedoeld. De kerel wilde mij het licht uitblazen.—Wie heeft op u geschoten? Manach el Barscha?—Neen, de andere.—Kent gij hem?—Neen. Het was zoo donker, dat ik zijn gezicht niet herkennen kon, ofschoon onze baarden zoo dicht bij elkaar waren, dat wij ons over en weer hadden kunnen kussen.—Ik vermoed dat het de broer van den slager geweest is.—Best mogelijk, want juist als een slager greep hij toe.—Vertel nu hoe het gegaan is. Omar kan intusschen het verbandlinnen uit mijn zadeltasch halen.—Wel, alles ging nog al gauw in zijn werk. Toen ik mijn hoofd uit het venster stak, zag ik een man er onder liggen. Ik wilde boven op hem springen, maar gij hieldt mij van achteren vast. Ik wrong mij los, maar toen ik mijn beenen naar buiten stak, sprong de kerel op en liep weg.—Dat moet Manach el Barscha geweest zijn. Hij zeide heden, toen ik hem beluisterde, tegen de drie anderen, dat hij heel graag eens op mij zou willen schieten. Dat heeft hij gedaan. Het is dus blijkbaar een gevaarlijke aardigheid zich voor kogelvrij uit te geven.—O, het was in allen ernst op ons gemunt. Zooals gij daar zat, waart gij zoo’n mooi mikpunt. De schurken zagen het en besloten u weg te blazen. Daar Manach nu gaarne weten wilde, of uw hoofd werkelijk harder was dan zijn kogel, zoo droegen zij hem op op u te schieten. Het was in allen gevalle hun plan u te vermoorden; dat staat vast!—Dat laat zich hooren.—Juist. Maar nu verder! Ik sprong naar omlaag, en kwam op een lang smal ding terecht, zoodat ik viel. Het moet een geweer wezen, dat er nog liggen zal.—Dat zal ik hem uit zijn handen geschoten hebben. Hij moet een stoot of slag gekregen hebben, waardoor hij neersloeg.—Hij moet in allen gevalle, hoe kort dan ook, niet bij zijn zinnen geweest zijn, want anders was hij niet blijven liggen tot ik kwam. Ik krabbelde terstond weer op en sprong hem achterna. Toen hij voorbij de slagdeuren liep, herkende ik hem terstond en riep het u toe.—Ik heb hem ook herkend.—Hij liep als een haas, maar ik zat hem op de hielen. Plotseling struikelde hij en viel. Ik was zóó dicht achter hem, dat ik niet tijdig genoeg kon stoppen en over hem heen vloog. Daar maakte hij gebruik van, om op te springen en door te loopen.—Dat was dom. Hij had zich boven op u moeten werpen.—Zeker. Maar de schurken hebben geen geluk.—Wie schoot toen?—Ik. Terwijl ik opsprong, trok ik mijn pistolen uit mijn gordel en brandde op hem los. Maar ook ik was dom, want ik schoot al loopende. Was ik blijven staan, om rustig te mikken, dan had ik hem stellig geraakt, want mijn pistolen dragen ver. Dat zal mij ook geen tweede keer gebeuren.Toen Halef zoover was met zijn verhaal, kwam Omar met de verbandmiddelen.—Buiten onder het venster ligt Manach’s geweer,—zeide Halef tegen hem. Haal het hier.—Maar ik wil uw verhaal ook hooren.—Ik zal opuwachten.Toen Omar het geweer bracht, bleek het dat Manach een geduchte oorvijg moest gekregen hebben, want de kolf was gespleten. Men kon aan de tromp zien, waar mijn kogels getroffen hadden.—Maar het geweer is niet geladen,—merkte Halef op, terwijl hij dapper bezig was, het bloed uit zijn gezicht weg te wasschen. Dus heeft hij toch geschoten!—Natuurlijk! Bijna tegelijk met mij.—Dan hebben uw kogels zijn geweerloop naar omhoog geslagen, en moeten zijn kogels ginds in den muur of hier in de zoldering zitten.Osko nam de lamp en vond al gauw het gat, waarin de kogel zat.—Daar is ie,—zeide hij. Die zat nu in uw hoofd, Sihdi, wanneer ik niet bij tijds het op u gerichte geweer had gezien.—Ja, u heb ik mijn leven te danken.—Daar ben ik trotsch op. Wij hebben u zooveel te danken, ik vooral, want mijn dochter hebt gij verlost uit de macht van dezen Abrahim Mamur. Nu heb ik u toch ook een kleinen dienst kunnen bewijzen!—Klein kan ik dezen dienst niet noemen. Ik ben er u van harte dankbaar voor!—Gij behoeft mij daar niet voor te danken. Ondanks mijn waarschuwing zou een ander doodgeschoten zijn. Hoe kwaamt gij op de gedachte zijn loop weg te schieten? Gij hadt maar te bukken.—Dan zou hij toch geschoten en u getroffen hebben. Hij lag al in aanslag.—Dus gij hebt geschoten en niet gebukt, om mij te redden?—Ja, daarom. Maar nu wij zijn kogel gevonden hebben, kunnen wij ook naar de mijne zoeken. Zij zijn door zijn loop afgewend en naar omhoog of ter zijde gevlogen. Kijk eens aan de zijkozijnen van het raam.Ja wel, zij zaten in de zachte poreuze steenen, heel dicht bij elkaar. Osko groef ze er uit.—En die daar boven moet ik ook hebben,—zeide hij. Ik moet de drie kogels tot een aandenken hebben. Maar vertel nu verder, Halef!Deze verhaalde: wat er verder gebeurd is, weet gij even goed als ik. Ik haalde Manach in en pakte hem van achteren beet. Hij deed een geweldigen sprong zijwaarts, rukte zich weer los en ik viel op den grond. Ditmaal was hij verstandiger dan vroeger. Hij wierp zich op mij en pakte mij bij mijn keel. Juist trok ik mijn mes, om het hem van onderen op, tusschen de ribben te steken, toen er nog een ander kwam. Wie hij was weet ik niet, maar morgen zal ik hem wel herkennen, want ik gaf hem met mijn mes zoo’n haal over zijn gezicht, dat hij mij los moest laten. Daarvoor hield hij mij echter den loop van zijn pistool aan mijn hoofd. Ik geloof, dat hij, ten gevolge van de kennismaking met mijn mes, te sterk bloedde om goed te kunnen zien, want hij zeide: Houd hem vast, Manach!—wat deze tamelijk goed deed. Ik lag met mijn gezicht op zij. De tromp van zijn pistool raakte den slaap van mijn hoofd. Ik wierp het hoofd in den nek en hij brandde los. Het was, alsof iemand met een gloeienden draad langs mijn voorhoofd had gestreken; maar toen spande ik alle kracht in, om mij los te maken uit hun handen. Het mes wasmij ontvallen. Zij hielden mij vast, bij mijn keel en armen. Op eens kreeg ik lucht. Een hunner stiet een vloek uit, want hij werd van achteren beet gepakt.—Dat deed ik,—zeide Osko. Ik pakte hem bij den strot, maar ik ging te onbedaard te werk. Het was niet de goede greep. Hij rukte zich los en ontkwam.—Ja, en onderwijl was Manach er ook van doorgegaan,—voegde Halef er bij. Ik was op stikken na dood, en toen ik weer adem kon halen, was Manach zonder afscheid nemen weggegaan.Het is een eigenaardig en onbeschrijfbaar gevoel, zoo plotseling door den dood gegrepen te worden en even onverwacht gered te worden. Millioenen kunnen gelukkig zich daar geen voorstelling van maken.De wond van Halef was gemakkelijk te verbinden en zou maar een onbeduidend litteeken nalaten.—Nog weer een teeken van uw dapperheid, mijn beste jongen! zeide ik. Wat zal Hannah, het juweel van haar geslacht, zeggen, als zij deze merkteekenen van uw onversaagdheid bemerkt?—Zij zal denken, dat ik het voor mijn Sihdi gedaan heb, van wien zij evenveel houdt als ik. O, wat zal ik haar van ons te vertellen hebben! Er zullen niet veel Beni Arab (zonen van Arabië) zijn, die zulke reizen hebben gemaakt als wij! En dan, als ik... Hoor!Wij hoorden van verre een geluid als van scherp zingende muggen. De tonen werden aldoor luider, en weldra herkenden wij de krijgsmarsch van ons strijdlustige leger, dat nu terugkwam.—Zij komen!—riep de waard, nu eerst uit zijn lethargie ontwakende en van zijn stoel opstaande. Zij brengen de gevangenen,—die in het dorp waren om op mij te schieten, terwijl de dappere inwoners uit wandelen waren,—antwoordde ik hem.—Heer, hier is er toch maar één geweest! De andere drie zijn zeker gevangen.—Dan geef ik duizend piasters voor ieder van hen!—Wie kan weten, of zij niet geslaagd zijn! Ik, het hoofd der politie, moet hen ontvangen.Hij ging, zeker om de landstormers te waarschuwen, mij wat voor te liegen. Hij liet de deuren open, zoodat wij den intocht van het roemrijke leger konden zien.Voorop kwam de Muschir, zijn sikkelstok hanteerende, als eenechte tamboer-majoor. Hem volgden de muzikanten, als om strijd musiceerende, doch niet naar noten en niet in harmonie en in de maat, maar ieder naar zijn eigen zin.Na dezen kwamen de helden, ieder in een houding, alsof hij een Roland of Byard in moed en kracht overtroffen had. Vier hunner droegen berries, uit jonge stammen en loofhout gemaakt, waarop de beide dooden—de slager en de voormalige gevangenbewaarder.In het voorvertrek werd halt gehouden. De muziek liet een zeer gemengde fanfare hooren, waarna een diepe stilte volgde.De geur van de bradende hamels drong in de kamer door. De veldmaarschalk sperde zijn neusgaten wijd open, snoof de heerlijke lucht welbehaaglijk op en trad in fiere houding op ons toe.—Effendi,—zeide hij,—de veldtocht is ten einde. De beide Aladschy’s zijn alleen door mij geveld. Mij komen dus twee huiden toe.—Waar zijn hun lijken?—In de rivier geworpen.—En waar zijn de beide andere boosdoeners?—Ook in de Sletowska. Wij hebben ze als honden verdronken.—En wie heeft ze gepakt?—Dat kan men niet met zekerheid zeggen. Wij zullen dus om de andere moeten loten.—Vreemd, dat gij hen verdronken hebt, zoodat men hun lijken niet kan vinden.—Het is de kortste manier met zulke schurken.—Ja, en het heeft nog dit voor, dat men den veldmaarschalk niet gemakkelijk kan bewijzen dat hij liegt.—Heer, beleedig mij niet!—Sedert wanneer kunnen dan de dooden hier in het dorp komen, om hier door het raam op mijn hoofd te mikken en te schieten?Hij werd bleek van schrik.—Heer, wat bedoelt gij?—Dat de vier mannen, tegen wie gij opgetrokken zijt, intusschen hier op mij hebben geschoten.—Dat moeten dan hun schimmen geweest zijn!—Een schim zijt gij zelf. Gelooft gij aan geesten, die spoken?—Zeker, Heer.—Goed, dan zal ik de gebraden hamels oproepen om hier, waarze dood gemaakt zijn, te komen spoken. Die spokende geesten moogt gij dan met uw dapper leger opeten, maar van hun vleesch en been, blijft gij af.—Effendi, gij hebt ze ons beloofd! Wij houden u bij uw woord!—Ik beloofde ze u, onder voorwaarden, die gij niet hebt vervuld. Wanneer gij mij voor een man houdt, tegen wien men zoo brutaal mag liegen als gij doet, dan laat ik u een duchtig pak zweepslagen geven. Ik heb er de macht toe; vraag het maar aan den Kiaja. Hij zal u zeggen, dat de Sultan zelf mij die macht heeft gegeven.Ik had op hoogen toon en goed duidelijk gesproken, zoodat allen die in het voorvertrek en buiten de deur stonden, het hoorden. De gezichten betrokken. Mijn ernst maakte zichtbaren indruk. Zij staken, bezorgd over het verbeuren der smullerij, de hoofden bij elkaar. De politieman stond als een arme zondaar te kijken. De Kiaja, die dicht bij mij was, meende dat hij het voor zijn onderhoorigen moest opnemen, maar zonder te erkennen dat ik bedrogen en belogen was. Hij zeide alzoo:—Effendi, wat gij denkt, is absoluut onwaar! Er is u niets voorgelogen. Hoe zouden wij zoo iets durven!—Ja, hoe hebt gij het durven wagen, te doen wat gij gedaan hebt! Mij bedriegen en beliegen, en voor den gek houden! Gij weet, dat ik onder de hooge bescherming sta van den Grooten Heer en diens eerste raadslieden. Wat is een Kiaja, wat een politieman tegenover mij! En ik ben uit een land, waar de knapen verstandiger en geleerder zijn dan de mannen van hier die gij voor verstandig en wijs houdt. Toch hebt gij gemeend, mij te kunnen bedriegen. Alleen omdat gij zoo dom zijt, hebt gij dat kunnen denken. Zelfs de kinderen, die op de binnenplaats bij de vrouwen zijn, weten dat ik bedrogen werd, en wij, die de voorlichters van alle wetenschap en kennis zijn, wij zouden dommer zijn dan zij? Zoo iets kan en mag ik niet dulden. Ik wilde uw onderhoorigen Arpa suju, Raki en vier gebraden hamels geven, en tot dank speldt gij mij zulke leugens op de mouw! De Arpa en de Raki blijven in uw kelder tot een ander ze bestelt. De hamels neem ik morgen mee, om ze aan betere menschen te geven.Deze laatste bedreiging had de gewenschte uitwerking. De waard ging verlegen achteruit. De maarschalk snoof den binnenstroomenden geur van het gebraad op, kneep zijn lippen samen, wreef schurkendzijn been. De bazuinblazer echter wist den toestand te redden. Hij kwam zelfbewust en flink naar ons toe, stelde zich voor mij op en zeide:—Effendi, de hamels willen wij liever niet verbeuren. Ook zou het uw geweten met medelijden bezwaren, indien gij ze ons onthieldt. Ik wil u ontlasten van heimelijk zelfverwijt, door u de waarheid te zeggen.—Ik zie, dat er toch ook nog eerlijke mannen hier zijn,—zeide ik, goedkeurend hem toeknikkend.—O, eerlijk zijn wij allemaal; maar wij kunnen wel tegelijk spelen, maar niet spreken. Dat doe ik nu voor ons allen, omdat ik gewoon ben om de maat aan te geven met mijn Zurna, die alle andere instrumenten overstemt. Neen, wij hebben niet gestreden, maar wij zijn naar de rotshut gegaan, om de dooden te halen. Het water van de Sletowka heeft geen lijken gezien. Als gij het wilt, zal ik u zeggen, hoe alles gegaan is.—Spreek op.—Ik was thuis, bezig met mijn Zurna te repareeren van een diepe deuk, omdat ik er gisteren iemand, die mij beleedigde, mee voor den grond had geslagen, en toen kwam deze politie-agent, die mijn zwager is omdat hij met de zuster van mijn vrouw is getrouwd. Hij vertelde mij van u, van de Aladschy’s en wat gij van den Kiaja had verlangd. Deze had hem opgedragen, om in ’t geheim naar het bosch te gaan en aan de Aladschy’s te zeggen, dat gij aan hen ontkomen waart en zij zich uit de voeten moesten maken, omdat al gauw onze landstorm tegen hen zou optrekken, om hen gevangen te nemen.—Dat heb ik wel gedacht!—De schutsman der openbare veiligheid wilde mij, omdat ik zijn vriend en zwager ben, laten deelen in den roem, met de Aladschy’s gesproken te hebben; daarom vorderde hij, dat ik met hem zou meegaan.—Zeg liever, dat hij bang was om alleen te gaan en dat hij u daarom mee wilde hebben.—Daarin vergist gij u. In zijn hart is, zoo min als in het mijne, eenige vrees, voor wien of wat ook. Voor den sterksten vijand ga ik niet uit den weg, want in mijn Zurna heb ik een wapen, waarmee ik al menigeen duchtig toegetakeld heb. Wij braken dus op en gingen.—Maar u gehaast om er te komen, hebt gij niet?—Neen, want wij moesten overleggen, hoe wij het best ons van deze netelige opdracht zouden kwijten, en wij verhieven van tijd tot tijd onze stem, om aan de Aladschy’s te zeggen, dat wij niet kwamen om hen dood te schieten.—Dat was zeker zeer voorzichtig van u, want anders hadden zij u kunnen overvallen.—O neen! Wij deden het, om ze niet al te veel te laten schrikken, maar zij vergolden onze teergevoeligheid voor hen met ondank.—Dat wil zeggen, zij lachten u brutaal weg uit!—O neen, dat deden zij niet; maar hun ondankbaarheid is ook een reden, om u alles te zeggen.—Waarin bestond dan hun ondankbaarheid?—In zweepslagen, die zij mijn lieven zwager rijkelijk toedeelden, wat zij mij natuurlijk niet durfden doen.—Oho!—viel de politie-agent zijn lieven zwager in de rede. Heeft de eene Aladschy u niet een oorveeg gegeven, dat gij op den grond zijt gaan zitten?—Dat verbeeldt gij u maar, want het was te donker dan dat gij het zoudt hebben kunnen zien. En ook vielen de slagen zoo hageldik op u, dat gij geen tijd hadt om te zien. Uw woorden bewijzen dus niets.—Twist niet met elkaar!—beval ik. Wat deden de Aladschy’s ten leste?—Zij vroegen, in wat moeielijkheid zich onze Kiaja bevond, en wij vertelden, dat wij hen zouden moeten gevangen nemen en dan den ouden Mubarek met de lijken uit de rotshut moesten halen. Zij hadden gemeend, dat Mubarek dood was. Toen zij het tegendeel hoorden, waren zij in hun schik, en besloten, gauw naar hem toe te gaan, opdat hij niet in uw handen zou vallen. Mijn zwager kreeg nog een schop van——Neen, gij hebt dien gekregen!—viel de agent in.—Zwijg! Of gij ’m gekregen hebt of ik, dat is hetzelfde, want wij zijn nauw aan elkaar verwant. Zij gaven dus aan een van ons een schop en retireerden toen in de plooien van het nachtgewaad dezer aarde.—En toen zijt gij teruggekeerd om de helden saam te roepen?—Ja. Wij hadden ons lang opgehouden, en opdat gij niets vermoeden zoudt, hebben wij ons moeten haasten.—En gij hebt daarbij tevens gezegd, dat men niet bevreesd behoefde te zijn, want dat de vijanden in allen trots geweken waren?—Ja, Heer.—En dat het eenige gevaar voor hen bestond in de belofte, dat zij Arpa suju zouden moeten drinken en hamels eten?—Dat hebben wij hun in goed vertrouwen medegedeeld.—En hebt gij op uw krijgstocht ook een spoor van de Aladschy’s ontdekt?—Niet maar een spoor, maar hen zelf.—Ah! waar dat? Aan het eind van het dorp?—Aan het einde van het dorp. Daar waren zij te paard—twee links en twee rechts van den weg—en Mubarek stond bij hen. Wij trokken met Janitzaren-muziek tusschen hen door. Het is geen kleinigheid, twee lijken uit een stik donker bosch te halen; zij liggen nu in het voorvertrek.Met een handbeweging wees hij naar de deur. Ik antwoordde:—Alles wat gij mij verteld hebt, wist ik. Maar omdat gij de waarheid hebt gezegd, wil ik u de smulpartij niet onthouden.—En wie krijgt de huiden?—Wie is de armste van het dorp?—Chasna, de houthakker, die ginds met zijn bijl staat.—Dan zal hij ze hebben. Breng nu de lijken weg en laat de Arpa suju komen.Dit woord werd met gejubel ontvangen. Er werden groote dikbuikige bierpotten gebracht en gevuld. Daar de Turken vroeger het bier niet kenden, hebben zij er ook geen bijzonder woord voor. Hij noemt het met de Czechische uitdrukking Piwa of met het genoemde omschrijvende woord. Arpa beteekent: gerst. Su: water. Ju: van water. Arpa suju: gerstewater van water, wat nu niet precies verleidelijk klinkt.Onderwijl nu iedereen een kleiner kom of glas zocht meester te worden, om er alleen uit te drinken, riep ik den politie-agent ter zijde en vroeg hem:—Waarheen denkt gij het lijk van den slager te brengen?—Naar zijn huis aan de overzij.—De overbrenging geschiedt natuurlijk onder uw leiding?—Niet maar onder mijn leiding, maar onder mijn opzicht, want ik ben de opzichter der politie.—Dan heb ik iets voor u te doen. Ik heb opgemerkt dat gij een echte diplomaat zijt, die een zaak bij het rechte eind weet aan te vatten. Luister dus eens goed! Ik stel er prijs op, dat gij den broeder van den slager, bij de overbrenging van het lijk, te zien krijgt.—Dat zal niet moeilijk zijn.—Misschien toch wel. Hij kan reden hebben om zich niet te laten zien.—O, ik ben de politie! Mij moet hij te woord staan.—Neen, zoo moet gij het niet aanleggen! Niet barsch, maar verstandig en slim moet gij optreden.—Daarvoor ben ik de rechte man.—Leg het zoo aan, dat hij, als uit eigen beweging te voorschijn komt en gij hem in ’t gezicht kunt zien. Ik geef u vijf piasters, wanneer het u gelukt.—Daar ben ik zoo zeker van, dat u ik verzoek mij de vijf piasters nu al te geven.—Neen, mijn waarde. Gij hebt mij reeds zooveel voorgelogen, dat ik voortaan voorzichtig zijn moet. Geloof dus niet, dat gij mij kunt wijs maken hem gezien te hebben, zonder dat het waar is. Ik weet terstond of gij mij wat voorliegt.—Heer, geen enkel onwaar woord zal over mijn lippen komen. Maar wat wilt gij dan eigenlijk weten?—Daarover spreken wij later! Gij moet hem goed aangezien hebben; als gij dat gedaan hebt, is het voldoende.—Maar bedenk, dat gij een groote opoffering van mij vergt. Onderwijl ik mij verwijder, drinken de anderen al de lekkere Arpa suju op.—Ik zal zorgen, dat gij uw deel rijkelijk krijgt.Hij ging. Ik zag, dat hij twee mannen riep om het lijk van den slager voor hem te dragen. Dat van den gevangenbewaarder werd voorloopig ergens opgeborgen.Alles was nu in orde. Sommigen zaten, met de beenen kruiselings, op den grond, terwijl anderen, op onze manier, aan tafels zaten. De helden hadden allerlei mogelijk en onmogelijk vaatwerk in de hand, om er uit te drinken. Buiten op de plaats hurkten de vrouwen en kinderen rondom het vuur. Ook deze hadden eenige kannen bier gekregen. De jongens en meisjes waren bijzonder druk in de weer.met het opvangen van het vet, dat van de bradende hamels in het vuur dreigde te vallen. De een had voor dat doel een steen, een ander een stuk hout, waarop zij den druppel lieten vallen, om dien dan terstond daarvan af te likken.Alleraardigst deed dit een misschien achtjarige jongen. Hij ving de druppels in zijn kleine fez op, en als hij meende er genoeg bijeen te hebben, om echt te kunnen smullen, dan keerde hij de muts binnenste buiten, en belikte de bedruppelde plek zoolang er nog iets van te halen was. Was het vet, te veel naar zijn zin, in de roodwollen muts gedrongen, of kleefde het er te vast aan, dan weerde hij zich dapper met zijn tanden. Toen het braden afgeloopen was, liet ik den knaap bij mij komen en bekeek zijn fez. De kleine had er verscheidene gaatjes in gebeten, en was den koning te rijk, toen ik zijn volharding met een piaster beloonde.Een der vuren werd letterlijk belegerd door een kleine bende. Telkens als de aandacht van de braadster ook maar een oogenblik afgeleid kon worden, sprong een der saamgezworenen vooruit, om de een of andere appetijtelijke plek van het gebraad een lik te geven en dan vlug weer weg te loopen.Dat was geen ongevaarlijk werk, omdat het vuur de kleeren van den kleinen gauwdief in brand kon steken. Gelukkig was niet een van het troepje in zijde met Brusselsche kanten gekleed. Was het waagstuk aan iemand gelukt, dan werd de gelukkige door de saamgezworenen met brulgejuich begroet. Kreeg de waaghals echter van een der vrouwen een flinken klap of ook wel een duchtige oorvijg, wat bij negen van de tien aanvallen gebeurde, dan werd hij geweldig uitgelachen. Maar telkens als de aanval gelukt was of niet, volgde er een zeer teekenend gebarenspel, naar aanleiding van de oorvijg of de gebrande tong.Er was een mengeling van typische figuren, die een interessant geheel uitmaakten. De gasten—zoowel oude als jonge—gingen ongedwongen en in allen eenvoud hun gang. De ceremonieele vormen, die de Oosterling, vooral tegenover vreemden, streng in acht neemt, waren door de Arpa suju volkomen verdrongen. Langzamerhand werd men vertrouwelijk ook met ons en waren wij door vroolijke gezellen omringd, die mij tot kostelijke studie-opnamen dienden.Toen de politie-agent van zijn diplomatische zending terug kwam, berichtte hij:—Heer, het is mij gelukt! Ik heb hem gezien; maar het heeft moeite gekost. Gij zult mij wel tien piasters mogen geven in plaats van vijf.—Waarom?—Omdat ik mij tienmaal meer heb moeten inspannen. Toen ik naar hem vroeg, kreeg ik ten antwoord, dat hij afwezig was. Maar ik was hem te slim af, en liet zeggen, dat ik hem noodzakelijk moest spreken, omdat ik hem een belangrijke mededeeling te doen had betrekkelijk de laatste oogenblikken van zijn broeder. Toen liet hij mij komen, want hij zat alleen, in een vertrek. Hem ziende schrikte ik geweldig, want hij had een lange diepe wond, die over zijn voorhoofd, neus en wang liep. Naast hem stond een kom water, om de wond af te koelen.—Hebt gij hem gevraagd, hoe dat gekomen was?—Zeker. De spijker, waar zijn bijl aan hing, had losgelaten en toen was de bijl op zijn gezicht gevallen,—zoo zeide hij.—En toen wilde hij zeker uw gewichtige mededeeling hooren?—Ik zeide hem, dat zijn broeder nog niet dood was, toen ik hem opnam, maar nog eenmaal had gezucht.—Was dat alles?—Was dat niet genoeg? Moest ik dan mijn teere geweten met een nog grootere leugen bezwaren? Een enkel zuchtje zal ik voor den gerichts-engel nog wel kunnen verantwoorden. Maar had ik gezegd dat de doode nog eerst een lange redevoering had gehouden, dan zou ik mijn ziel daarmee ernstig bezwaard hebben.—Nu, wat dat betreft, ik had u niet opgedragen, om leugens te vertellen. En tien piasters zijn voor een zuchtje te veel.—Te veel voor u? Voor een man van zoo’n grooten invloed en begaafdheid? Wanneer ik de voortreffelijkheid had van uw karakter, de innigheid van uw gevoel, den rijkdom van uw hart en de sierlijkheid van uw denken, zouden vijftig piasters mij niet te veel zijn!—Vijftig piasters zijn ook niet te veel voor mijzelf.—Ik bedoel niet voor uw eigen gebruik, maar om ze mij te geven, te meer omdat de zaak niet zoo eenvoudig afgeloopen is, als ik wenschte.—Hoe dan?—Wel, hij werd boos, sprong op en vloekte afgrijselijk. Hij zei, er voor te zullen zorgen, dat ik ook nog zuchten zou, en niet zoo zacht als, volgens mij, zijn broer zou gedaan hebben. En wat er toen gebeurde, kunt gij wel denken.—Neen. Zoo duidelijk als gij, kan ik mij den toestand niet voorstellen.—Welnu, ik nam in ontvangst, wat men gewoonlijk een pak slaag noemt, maar wat ik nu betitelen wil als gevolg mijner innige toewijding aan uw belangen.—Waren de slagen ter dege raak?—Meer dan dat!—Het is mij zeer aangenaam, dat te hooren!—Maar ze te ontvangen, was mij het niet. Ik zal heel wat noodig hebben voor mijn genezing, uitwendig een afwrijving met Raki, en inwendig heel wat Arpa suju voor afkoeling, en hamelvleesch tot herstel van verloren kracht en lenigheid.—Ik vermoed, dat gij de Raki ook wel voor den innerlijken mensch zult gebruiken. En wat uw lenigheid betreft, bewijs mij terstond dat die niet geleden heeft, door u oogenblikkelijk uit de voeten te maken. Hier zijn de tien piasters.—Heer, uw woorden zijn beleedigend, maar uw daden zijn balsem. Al de roerselen van mijn hart zijn eenstemmig in liefde voor uw persoon, en mijn ingewanden rommelen van verrukking over uw goedertierenheid!—Maak dat gij weg komt, gij groote held, of ik zal uw beenen zóó smeren, dat gij er op springt!Ik greep het handvat van mijn zweep, en terstond was de dappere verdwenen.Het nauwkeurig herhaalde onderzoek naar den toestand van de hamels bewees dat ze gaar waren, en de verdeeling begon. Opdat er geen twist zou ontstaan, liet ik Halef voorsnijden, een kunst, waarin hij een meester was. Daarna werden de porties verloot. Wij kregen de staartstukken; maar ik ontzegde mij het genot dier lekkere stukken, omdat ze in mijn tegenwoordigheid het meest door de jeugd waren belikt geworden.Trouwens, onze waard had goed voor ons gezorgd. Wij konden ons vergasten aan een overvloedig en smakelijk avondeten. Wat dat betreft, konden wij over hem tevreden zijn.Na de bijna spoorlooze verdwijning der vier vette hamels, nam de krijgskapel plaats in een hoek van den binnenhof, en fungeerde als orkest voor zang en dans.Wat wij nu te hooren kregen, gaat alle beschrijving te bovenIk moet mij bepalen tot de vermelding, dat er gedanst werd, bijna alleen door de mannen; later verschenen er ook eenige vrouwen. De dans bestond òf uit wilde onregelmatige sprongen òf in minder mooie verdraaiïngen van het lichaam. Eén enkel paar, man en vrouw, vertoonde een vrij goede pantomime, waarbij gitaar en viool alleen begeleidden.Ter afwisseling van den dans, lieten zich de zangers hooren, meestal in koor. De solostukken ademden een weemoedigen geest, maar er zat ten minste melodie in, en bij de begeleiding ook sporen van harmonie. De koorzangen waren meest krijgsliederen. Deze werden eenstemmig gezongen of veel meer gebruld en door gegil onderbroken dat oorverscheurend was. De begeleiding was als de zang. Bazuingeschal, de trommel en fluit vervulden de hoofdrol.Laat in den avond, omstreeks middernacht, zag ik een ruiter aankomen, die hier overnachten wilde. Hij was klein van gestalte en steeg van een oud mager en slecht verzorgd paard af, dat nu hard had moeten loopen.Hij wisselde eenige woorden met onzen waard, en deze zeide mij, dat ik morgen al een zeer goeden gids zou kunnen krijgen.Ik dacht terstond aan den man, van wien de beide Aladschy’s gesproken hadden, en die mij in hun handen leveren zou. Suef hadden zij hem genoemd, een echt Arabische naam.Hij moest, in geval ook de aanslag op heden niet mocht gelukken, terstond met zijn verraderij beginnen. Welnu, de poging om mij door het raam dood te schieten, was mislukt; dus stond het vast, dat hij van daag met zijn verraderij beginnen zou.Het was mogelijk, dat hij al van avond zou trachten, met ons in verbinding te komen, en in dat geval kon de reiziger de gevaarlijke persoon zijn. Ik moest voorzichtig te werk gaan en nauwkeurig onderzoeken.—Hoe komt gij er toe, van een gids te spreken?—vroeg ik den waard. Wij hebben zoo iemand niet noodig.—Misschien toch wel! Kent gij den weg?—Wij hebben nooit een weg, dien wij in deze streken gingen, vooruit gekend, en zijn toch altijd terecht gekomen.—Gij verlangt dus geen gids?—Neen.—Zoo als gij wilt. Ik meende u een dienst te bewijzen.Hij wilde van ons weggaan. Dat zag er niet naar uit, alsof deaangekomen vreemdeling zich door hem bij ons wilde indringen. Daarom vroeg ik nader:—Wie is hij dan, dien gij bedoelt?—Een bij u passend gezelschap is hij eigenlijk niet. Het is een arme kleermaker, die niet eens een vaste woonplaats heeft.—Hoe heet hij?—Afrit is zijn naam.—Afrit, dat woord beteekent: reus. Die naam past niet bij zijn gestalte, want hij is zoo klein, dat hij veel van een dwerg heeft.—Dat hij nochtans Afrit heet, is zijn schuld niet, want dien naam heeft niet hij gekozen, maar is hem door zijn vader gegeven. Misschien was die ook zoo klein, en heeft zijn zoon Afrit gedoopt, in de hoop dat zijn zoon een reus zou worden.—Is hij uit deze streek?—Waar hij geboren is, dat weet niemand. Hij is overal als de reizende kleermaker bekend. Waar hij werk vindt, daar blijft hij tot het klaar is. Met den kost en een kleine vergoeding is hij tevreden.—Is hij eerlijk?—Volkomen vertrouwd. Hij is door zijn onbaatzuchtigheid zelfs spreekwoordelijk geworden. Zoo eerlijk als de reizende kleermaker, pleegt men te zeggen.—Waar komt hij nu van daan?—Van Sletowo, dat in het Noorden ligt.—En waar wil hij heen?—Naar Uskub en nog verder. Omdat gij ook derwaarts wilt gaan, meende ik hem u te mogen aanbevelen. Volgt gij den straatweg, dan maakt gij een omweg, en de kortste weg is heel moeielijk te vinden.—Hebt gij met hem al over ons gesproken?—Neen, Heer. Hij weet in ’t geheel niet, dat hier vreemdelingen zijn. Hij vroeg alleen, of hij hier tot morgen ochtend blijven kon. Ik wilde hem werk geven, maar hij kon het, om een ziekte-geval niet aannemen. Hij wordt daarvoor gewacht.—Waar is hij op het oogenblik?—Achter het huis, waar hij zijn paard laat weiden. Gij kunt het dat dier aanzien, hoe arm zijn baas is.—Geef hem dan straks vergunning om bij ons binnen te komen. Hij mag onze gast zijn.Al spoedig kwam dan ook de man zelf. Hij was zeer klein, zwak,en bepaald armoedig gekleed. Hij scheen zeer veel geleden te hebben, en nam uiterst bescheiden in een hoekje plaats. Behalve een mes, droeg hij geen wapens, en al spoedig haalde hij een stuk hard maïsbrood uit zijn zak, om daarmee zijn avondmaal te doen. Deze arme man was zeker geen makker van de bandieten. Ik noodigde hem uit, om bij ons plaats te nemen, en van het overschot van ons avondeten, dat nog op tafel stond, gebruik te maken.—Heer, gij zijt wel vriendelijk,—zeide hij beleefd,—en ik heb werkelijk honger en dorst. Maar ik ben een arme kleermaker en het past mij niet bij Heeren, zooals gij zijt, aan te gaan zitten. Wanneer gij mij iets geven wilt, zal ik het dankbaar aannemen, maar vergun mij, het hier, waar ik zit, te mogen nuttigen.—Zooals gij wilt. Halef, zet hem ons eten voor!De Hadschi zette hem zooveel voor, dat meerdere personen er hun genoegen aan hadden kunnen eten. Ook gaf hij hem bier en Raki.Toen de man verzadigd was, kwam hij naar mij toe, reikte mij de hand en dankte mij met de meest eerbiedige woorden. Hij zag er zoo verarmd en eerlijk uit, bovendien sprak er zooveel oprechtheid uit zijn oogen, dat ik zeer ingenomen met hem was.—Hebt gij bloedverwanten?—vroeg ik hem.—Geen enkele. Mijn vrouw en kinderen zijn, twee jaar geleden, aan de pokken gestorven. Nu ben ik alleen.—Hoe heet gij?—Men noemt mij: de reizende kleermaker, maar mijn eigen naam is Afrit.—Kunt gij mij ook zeggen, waar gij eigenlijk thuis hoort?—Waarom niet? Ik moet toch weten, waar ik geboren ben? Ik stam af uit het kleine berg-dorp Weicza in de Schar Dagh.Ah, dat was de plaats, die door den stervenden gevangenbewaarder genoemd was, als in de buurt liggende van de gezochte Karanorman-Khan. De ontmoeting met dezen armen man kon van groot nut voor ons zijn.—Zijt gij daar bekend?—vroeg ik.—Zeer goed; ik kom er dikwijls.—Wanneer gaat gij er weer heen?—Ik ga er juist nu naar toe. Over Uskub en Kakandelen reis ik er heen.—Om iemand een bezoek te brengen?—Neen. Daar woont een wonderdokter die mij moet helpen, want ik heb iets, daar hij mij moet afhelpen.—Wilt gij niet liever een wetenschappelijk man raadplegen?—Dat heb ik gedaan, maar het heeft niet geholpen. Bij den wonderdokter heb ik al veel baat gevonden.—Wat hebt gij dan?—Men zegt dat ik aan steenen in de lever lijd.Hij zag er ook heelemaal naar uit, alsof hij aan innerlijke pijnen leed. Ik had werkelijk medelijden met hem.—Wanneer denkt gij verder te rijden?—Morgen vroeg.—Rijdt gij dan ineens door naar Uskub?—Neen. Dat is te ver, om het in één dag te doen.—Is er dan onderweg een goede herberg?—Wel meer dan een.—Zullen wij samen reizen?—Ik met u reizen! Maar dat gaat toch niet! Met zulke Heeren als gij, kan ik toch niet spreken.—Waarom niet? Gij doet het nu wel, en gij bevalt mij goed. Wanneer gij er niet op tegen hebt, dan reizen wij samen, gij kent den weg beter dan ik, en voor uw wegwijzing betaal ik u als mijn gids.—Heer, spreek niet zoo tegen mij! Ik ben maar een arme kleermaker, voor wien het een bijzondere eer is met u mee te mogen rijden. Ook is het veiliger niet alleen op weg te zijn. Wanneer gij het dan wilt, zal ik mij bij u aansluiten.Daarmee was de zaak afgedaan, en hij ging weer op zijn plaats zitten. Een poos later wenschte hij ons wel-te-rusten, en verwijderde zich om te gaan slapen. Osko, Omar en Halef, zij ook waren van oordeel, dat wij met een eerlijken man te doen hadden, wat de waard ons ook nogmaals verzekerde.Langzamerhand liep de binnenplaats leeg en werd ook het voorvertrek ontruimd. Ook voor ons werd het tijd om te gaan slapen. De waard maakte voor mij de sofa in orde, maar de anderen moesten een plekje opzoeken bij de paarden, die ik allerminst hier zonder toezicht wilde laten.Toen ik alleen was, sloot ik van binnen de deur af. De vensters waren ook sekuur gesloten, en daar ik mij op mijn scherp gehoor kon verlaten, sliep ik onbezorgd in.
Op de losbranding volgde onmiddellijk een jammerkreet, die van buiten kwam.
Halef had Osko’s waarschuwing gehoord en zich naar het venster omgewend, maar mijn geweer was iets vlugger geweest dan zijn blik. Hij had de verraderlijke tromp niet gezien. Daarom sprong hij, bij het schieten, van zijn stoel op, en riep:
—Wat is er, Sihdi? Gij schiet!
—Een moordenaar, een moordenaar!—stamelde Osko, nog altijd stijf van den schrik en met gestrekten arm staande, terwijl ik opsprong, den berendooder neerwierp en het revolvergeweer uit de handen van den waard rukte.
Ik kon niet zien, wie buiten stond; bevond de schurk zich nog daar, dan was hij verloren, want ter zijde van het venster staande, waar ik geen juist mikpunt voor een buitenstaande aanbood, vuurde ik zes zeven schoten zoo snel achter elkaar af, dat ze wel een eenig schot leken.
Halef had terstond begrepen, wat er gaande was.
—Houd op met schieten!—riep hij mij toe.
Oogenblikkelijk was hij in het open venster en wilde er uit.
—Halef, zijt ge dol!—riep ik, hem bij de beenen terug houdende.
—Ik moet er uit!—schreeuwde hij, wrong zich los en sprong.
Ik had met mijn gezonden voet een wijden vluggen sprong gedaan, die mij aan het raam bracht. Ik stak er eerst mijn geweer door, daarna mijn hoofd en linkerarm. Verder ging niet. Het raam was te smal. Ik zag Halef loopen, rechtsaf, waar de breede plaatsdeur open stond en het schijnsel van het flikkerende vuur de straat goed belichtte.
Tezelfder tijd kwam van af de donkere deur van het tegenover liggende huis van den slager, een persoon, die Halef achterna liep.
Was dat een vijand? Ik legde mijn geweer aan. Daar kwam iemand voorbij de plaatsdeur vluchten. Hij was bij het schijnsel duidelijk te herkennen.
—Manach el Barscha!—brulde Halef hem achterna. Ook ik had hem herkend en zag nu Halef de groote deur voorbij stuiven. Ik mikte op de smalle streep, die verlicht was en waarover de derde moest gaan, die Halef achtervolgde. Daar kwam hij, juist zoo gekleed als de slager geweest was. Hij kwam in mijn lijn en ik schoot. Maar ik zag, dat ik hem miste. Alleen mijn linkerarm buiten het raam hebbende, moest ik links mikken. Wie kan nu, bij nacht, in mijn ongemakkelijke, gedwongen houding en door het flikkerende vuur gehinderd, het geweer aan de linkerwang leggen, het rechteroog sluiten en van een treffer zeker zijn! Dat was bijna onmogelijk.
Natuurlijk trok ik mij uit het raam terug, de kamer in, en beval Osko en Omar:
—Vlug, door de voorkamer, en de binnenplaats over, rechts de straat op! Halefbevindtzich tusschen twee vijanden in.
Op dat oogenblik vielen er verscheidene schoten. Het waren pistolen, die ik hoorde knallen. De twee genoemden grepen naar hun geweren.
—Geen geweren! Daar helpt alleen mes en pistool. Voort, maakt voort, vlug!
Zij snelden de deur uit. Ik kon, helaas! niet volgen. In mijn hulpeloozen toestand was ik tot blijven gedwongen.
De waard zat nog altijd verstijfd van schrik op zijn stoel. Zooals ik hem het geweer uit zijn hand had getrokken, zoo hield hij die nog. Hij had sedert Osko’s angstkreet zich nog niet bewogen en nog geen geluid gegeven.
—Ef—ef—effen—fendi! stamelde hij nu. Wat was er toch?
—Dat hebt gij toch gezien en gehoord.
—Men heeft ge—ge—geschoten!
Ik greep hem bij zijn schouder en schudde hem.
—Man, kom toch tot bezinning. Gij zijt suf van den angst!
—Wilde men mij dooden?
—Neen, mij.
—Ik dacht, omdat—omdat ik u geholpen had, wilde men mij doodschieten.
—Neen, uw lieve leven werd niet bedreigd, maar het mijne. Sluit nu het luik: wij willen niemand gelegenheid geven, om weer op ons te mikken.
Hij waggelde, toen hij mijn aanwijzing volgde. Hij was in ’t geheel geen lafaard; maar het onverhoedsche en de geweldige snelheid der opvolgende handelingen hadden hem heelemaal in de war gebracht. Nadat hij het luik had gesloten, zonk hij weer op zijn stoel, en stak ik mijn pijp op nieuw aan.
—Rookt gij, Effendi?—vroeg hij verwonderd. En buiten vechten ze!
—Kan ik hen bijstaan? Als gij een kloeke kerel waart, dan zoudt gij u haasten om ze bij te springen!
—Dank u wel! Het gaat mij niet aan.
—Rook dan ook!
—Ik beef nog aan al mijn leden. Dat oude geweer van u gaf een slag als een kanon!
—Ja, mijn oudje heeft nog al een krachtige basstem. Ik wil terstond weer laden. Gij hebt nu gezien, hoe goed dat is. Was de oude niet geladen geweest, dan zag het er nu slecht met mij uit.
—Gij had toch uw lichtere geweer nog.
—Dat hadt gij in uw hand, maar de zware buks lag voor het grijpen. Ook weet ik niet of een minder zwaar schot wel dezelfde uitwerking zou gehad hebben.
—Gij hebt toch op den moordenaar geschoten!
—Neen. Ik kon niets van hem zien. Ik zag alleen de tromp van zijn geweer. Hij mikte precies op mijn voorhoofd. Mij bleef niets anders over, dan zóó te schieten, dat mijn kogel den op mij gerichten loop omhoog sloeg, en dat is mij gelukt.
Onder de vrouwen en kinderen op de binnenplaats was het onrustig geworden. Zij hadden natuurlijk de schoten ook gehoord en daarna de mannen ook zien loopen. Ook wisten zij, dat de Aladschy’s in de buurt waren en dat maakte ze dubbel zenuwachtig.
Het begon nu echter stil te worden, en de deur van het voorvertrek ging open. Osko, Omar en Halef kwamen terug. De laatste zag er erg toegetakeld uit. Zijn kleeren zaten vol vuil en waren niet weinig gehavend; van zijn voorhoofd liep het bloed over zijn gezicht.
—Gij zijt gewond?—vroeg ik verschrikt. Is het gevaarlijk?
—Ik weet het niet, Sihdi. Wilt gij het eens onderzoeken?
—Terstond water hier!
Daar dit niet zoo gauw bij de hand was, doopte ik mijn zakdoek in het bier en waschte daarmede het gezicht van mijn dapperen kleine af.
—God zij dank! Een onbeduidend schampschot,—troostte ik. Binnen twee weken is de krabbel genezen.
—Dat valt mee!—lachte Halef. Maar het was anders bedoeld. De kerel wilde mij het licht uitblazen.
—Wie heeft op u geschoten? Manach el Barscha?
—Neen, de andere.
—Kent gij hem?
—Neen. Het was zoo donker, dat ik zijn gezicht niet herkennen kon, ofschoon onze baarden zoo dicht bij elkaar waren, dat wij ons over en weer hadden kunnen kussen.
—Ik vermoed dat het de broer van den slager geweest is.
—Best mogelijk, want juist als een slager greep hij toe.
—Vertel nu hoe het gegaan is. Omar kan intusschen het verbandlinnen uit mijn zadeltasch halen.
—Wel, alles ging nog al gauw in zijn werk. Toen ik mijn hoofd uit het venster stak, zag ik een man er onder liggen. Ik wilde boven op hem springen, maar gij hieldt mij van achteren vast. Ik wrong mij los, maar toen ik mijn beenen naar buiten stak, sprong de kerel op en liep weg.
—Dat moet Manach el Barscha geweest zijn. Hij zeide heden, toen ik hem beluisterde, tegen de drie anderen, dat hij heel graag eens op mij zou willen schieten. Dat heeft hij gedaan. Het is dus blijkbaar een gevaarlijke aardigheid zich voor kogelvrij uit te geven.
—O, het was in allen ernst op ons gemunt. Zooals gij daar zat, waart gij zoo’n mooi mikpunt. De schurken zagen het en besloten u weg te blazen. Daar Manach nu gaarne weten wilde, of uw hoofd werkelijk harder was dan zijn kogel, zoo droegen zij hem op op u te schieten. Het was in allen gevalle hun plan u te vermoorden; dat staat vast!
—Dat laat zich hooren.
—Juist. Maar nu verder! Ik sprong naar omlaag, en kwam op een lang smal ding terecht, zoodat ik viel. Het moet een geweer wezen, dat er nog liggen zal.
—Dat zal ik hem uit zijn handen geschoten hebben. Hij moet een stoot of slag gekregen hebben, waardoor hij neersloeg.
—Hij moet in allen gevalle, hoe kort dan ook, niet bij zijn zinnen geweest zijn, want anders was hij niet blijven liggen tot ik kwam. Ik krabbelde terstond weer op en sprong hem achterna. Toen hij voorbij de slagdeuren liep, herkende ik hem terstond en riep het u toe.
—Ik heb hem ook herkend.
—Hij liep als een haas, maar ik zat hem op de hielen. Plotseling struikelde hij en viel. Ik was zóó dicht achter hem, dat ik niet tijdig genoeg kon stoppen en over hem heen vloog. Daar maakte hij gebruik van, om op te springen en door te loopen.
—Dat was dom. Hij had zich boven op u moeten werpen.
—Zeker. Maar de schurken hebben geen geluk.
—Wie schoot toen?
—Ik. Terwijl ik opsprong, trok ik mijn pistolen uit mijn gordel en brandde op hem los. Maar ook ik was dom, want ik schoot al loopende. Was ik blijven staan, om rustig te mikken, dan had ik hem stellig geraakt, want mijn pistolen dragen ver. Dat zal mij ook geen tweede keer gebeuren.
Toen Halef zoover was met zijn verhaal, kwam Omar met de verbandmiddelen.
—Buiten onder het venster ligt Manach’s geweer,—zeide Halef tegen hem. Haal het hier.
—Maar ik wil uw verhaal ook hooren.
—Ik zal opuwachten.
Toen Omar het geweer bracht, bleek het dat Manach een geduchte oorvijg moest gekregen hebben, want de kolf was gespleten. Men kon aan de tromp zien, waar mijn kogels getroffen hadden.
—Maar het geweer is niet geladen,—merkte Halef op, terwijl hij dapper bezig was, het bloed uit zijn gezicht weg te wasschen. Dus heeft hij toch geschoten!
—Natuurlijk! Bijna tegelijk met mij.
—Dan hebben uw kogels zijn geweerloop naar omhoog geslagen, en moeten zijn kogels ginds in den muur of hier in de zoldering zitten.
Osko nam de lamp en vond al gauw het gat, waarin de kogel zat.
—Daar is ie,—zeide hij. Die zat nu in uw hoofd, Sihdi, wanneer ik niet bij tijds het op u gerichte geweer had gezien.
—Ja, u heb ik mijn leven te danken.
—Daar ben ik trotsch op. Wij hebben u zooveel te danken, ik vooral, want mijn dochter hebt gij verlost uit de macht van dezen Abrahim Mamur. Nu heb ik u toch ook een kleinen dienst kunnen bewijzen!
—Klein kan ik dezen dienst niet noemen. Ik ben er u van harte dankbaar voor!
—Gij behoeft mij daar niet voor te danken. Ondanks mijn waarschuwing zou een ander doodgeschoten zijn. Hoe kwaamt gij op de gedachte zijn loop weg te schieten? Gij hadt maar te bukken.
—Dan zou hij toch geschoten en u getroffen hebben. Hij lag al in aanslag.
—Dus gij hebt geschoten en niet gebukt, om mij te redden?
—Ja, daarom. Maar nu wij zijn kogel gevonden hebben, kunnen wij ook naar de mijne zoeken. Zij zijn door zijn loop afgewend en naar omhoog of ter zijde gevlogen. Kijk eens aan de zijkozijnen van het raam.
Ja wel, zij zaten in de zachte poreuze steenen, heel dicht bij elkaar. Osko groef ze er uit.
—En die daar boven moet ik ook hebben,—zeide hij. Ik moet de drie kogels tot een aandenken hebben. Maar vertel nu verder, Halef!
Deze verhaalde: wat er verder gebeurd is, weet gij even goed als ik. Ik haalde Manach in en pakte hem van achteren beet. Hij deed een geweldigen sprong zijwaarts, rukte zich weer los en ik viel op den grond. Ditmaal was hij verstandiger dan vroeger. Hij wierp zich op mij en pakte mij bij mijn keel. Juist trok ik mijn mes, om het hem van onderen op, tusschen de ribben te steken, toen er nog een ander kwam. Wie hij was weet ik niet, maar morgen zal ik hem wel herkennen, want ik gaf hem met mijn mes zoo’n haal over zijn gezicht, dat hij mij los moest laten. Daarvoor hield hij mij echter den loop van zijn pistool aan mijn hoofd. Ik geloof, dat hij, ten gevolge van de kennismaking met mijn mes, te sterk bloedde om goed te kunnen zien, want hij zeide: Houd hem vast, Manach!—wat deze tamelijk goed deed. Ik lag met mijn gezicht op zij. De tromp van zijn pistool raakte den slaap van mijn hoofd. Ik wierp het hoofd in den nek en hij brandde los. Het was, alsof iemand met een gloeienden draad langs mijn voorhoofd had gestreken; maar toen spande ik alle kracht in, om mij los te maken uit hun handen. Het mes wasmij ontvallen. Zij hielden mij vast, bij mijn keel en armen. Op eens kreeg ik lucht. Een hunner stiet een vloek uit, want hij werd van achteren beet gepakt.
—Dat deed ik,—zeide Osko. Ik pakte hem bij den strot, maar ik ging te onbedaard te werk. Het was niet de goede greep. Hij rukte zich los en ontkwam.
—Ja, en onderwijl was Manach er ook van doorgegaan,—voegde Halef er bij. Ik was op stikken na dood, en toen ik weer adem kon halen, was Manach zonder afscheid nemen weggegaan.
Het is een eigenaardig en onbeschrijfbaar gevoel, zoo plotseling door den dood gegrepen te worden en even onverwacht gered te worden. Millioenen kunnen gelukkig zich daar geen voorstelling van maken.
De wond van Halef was gemakkelijk te verbinden en zou maar een onbeduidend litteeken nalaten.
—Nog weer een teeken van uw dapperheid, mijn beste jongen! zeide ik. Wat zal Hannah, het juweel van haar geslacht, zeggen, als zij deze merkteekenen van uw onversaagdheid bemerkt?
—Zij zal denken, dat ik het voor mijn Sihdi gedaan heb, van wien zij evenveel houdt als ik. O, wat zal ik haar van ons te vertellen hebben! Er zullen niet veel Beni Arab (zonen van Arabië) zijn, die zulke reizen hebben gemaakt als wij! En dan, als ik... Hoor!
Wij hoorden van verre een geluid als van scherp zingende muggen. De tonen werden aldoor luider, en weldra herkenden wij de krijgsmarsch van ons strijdlustige leger, dat nu terugkwam.
—Zij komen!—riep de waard, nu eerst uit zijn lethargie ontwakende en van zijn stoel opstaande. Zij brengen de gevangenen,—die in het dorp waren om op mij te schieten, terwijl de dappere inwoners uit wandelen waren,—antwoordde ik hem.
—Heer, hier is er toch maar één geweest! De andere drie zijn zeker gevangen.
—Dan geef ik duizend piasters voor ieder van hen!
—Wie kan weten, of zij niet geslaagd zijn! Ik, het hoofd der politie, moet hen ontvangen.
Hij ging, zeker om de landstormers te waarschuwen, mij wat voor te liegen. Hij liet de deuren open, zoodat wij den intocht van het roemrijke leger konden zien.
Voorop kwam de Muschir, zijn sikkelstok hanteerende, als eenechte tamboer-majoor. Hem volgden de muzikanten, als om strijd musiceerende, doch niet naar noten en niet in harmonie en in de maat, maar ieder naar zijn eigen zin.
Na dezen kwamen de helden, ieder in een houding, alsof hij een Roland of Byard in moed en kracht overtroffen had. Vier hunner droegen berries, uit jonge stammen en loofhout gemaakt, waarop de beide dooden—de slager en de voormalige gevangenbewaarder.
In het voorvertrek werd halt gehouden. De muziek liet een zeer gemengde fanfare hooren, waarna een diepe stilte volgde.
De geur van de bradende hamels drong in de kamer door. De veldmaarschalk sperde zijn neusgaten wijd open, snoof de heerlijke lucht welbehaaglijk op en trad in fiere houding op ons toe.
—Effendi,—zeide hij,—de veldtocht is ten einde. De beide Aladschy’s zijn alleen door mij geveld. Mij komen dus twee huiden toe.
—Waar zijn hun lijken?
—In de rivier geworpen.
—En waar zijn de beide andere boosdoeners?
—Ook in de Sletowska. Wij hebben ze als honden verdronken.
—En wie heeft ze gepakt?
—Dat kan men niet met zekerheid zeggen. Wij zullen dus om de andere moeten loten.
—Vreemd, dat gij hen verdronken hebt, zoodat men hun lijken niet kan vinden.
—Het is de kortste manier met zulke schurken.
—Ja, en het heeft nog dit voor, dat men den veldmaarschalk niet gemakkelijk kan bewijzen dat hij liegt.
—Heer, beleedig mij niet!
—Sedert wanneer kunnen dan de dooden hier in het dorp komen, om hier door het raam op mijn hoofd te mikken en te schieten?
Hij werd bleek van schrik.
—Heer, wat bedoelt gij?
—Dat de vier mannen, tegen wie gij opgetrokken zijt, intusschen hier op mij hebben geschoten.
—Dat moeten dan hun schimmen geweest zijn!
—Een schim zijt gij zelf. Gelooft gij aan geesten, die spoken?
—Zeker, Heer.
—Goed, dan zal ik de gebraden hamels oproepen om hier, waarze dood gemaakt zijn, te komen spoken. Die spokende geesten moogt gij dan met uw dapper leger opeten, maar van hun vleesch en been, blijft gij af.
—Effendi, gij hebt ze ons beloofd! Wij houden u bij uw woord!
—Ik beloofde ze u, onder voorwaarden, die gij niet hebt vervuld. Wanneer gij mij voor een man houdt, tegen wien men zoo brutaal mag liegen als gij doet, dan laat ik u een duchtig pak zweepslagen geven. Ik heb er de macht toe; vraag het maar aan den Kiaja. Hij zal u zeggen, dat de Sultan zelf mij die macht heeft gegeven.
Ik had op hoogen toon en goed duidelijk gesproken, zoodat allen die in het voorvertrek en buiten de deur stonden, het hoorden. De gezichten betrokken. Mijn ernst maakte zichtbaren indruk. Zij staken, bezorgd over het verbeuren der smullerij, de hoofden bij elkaar. De politieman stond als een arme zondaar te kijken. De Kiaja, die dicht bij mij was, meende dat hij het voor zijn onderhoorigen moest opnemen, maar zonder te erkennen dat ik bedrogen en belogen was. Hij zeide alzoo:
—Effendi, wat gij denkt, is absoluut onwaar! Er is u niets voorgelogen. Hoe zouden wij zoo iets durven!
—Ja, hoe hebt gij het durven wagen, te doen wat gij gedaan hebt! Mij bedriegen en beliegen, en voor den gek houden! Gij weet, dat ik onder de hooge bescherming sta van den Grooten Heer en diens eerste raadslieden. Wat is een Kiaja, wat een politieman tegenover mij! En ik ben uit een land, waar de knapen verstandiger en geleerder zijn dan de mannen van hier die gij voor verstandig en wijs houdt. Toch hebt gij gemeend, mij te kunnen bedriegen. Alleen omdat gij zoo dom zijt, hebt gij dat kunnen denken. Zelfs de kinderen, die op de binnenplaats bij de vrouwen zijn, weten dat ik bedrogen werd, en wij, die de voorlichters van alle wetenschap en kennis zijn, wij zouden dommer zijn dan zij? Zoo iets kan en mag ik niet dulden. Ik wilde uw onderhoorigen Arpa suju, Raki en vier gebraden hamels geven, en tot dank speldt gij mij zulke leugens op de mouw! De Arpa en de Raki blijven in uw kelder tot een ander ze bestelt. De hamels neem ik morgen mee, om ze aan betere menschen te geven.
Deze laatste bedreiging had de gewenschte uitwerking. De waard ging verlegen achteruit. De maarschalk snoof den binnenstroomenden geur van het gebraad op, kneep zijn lippen samen, wreef schurkendzijn been. De bazuinblazer echter wist den toestand te redden. Hij kwam zelfbewust en flink naar ons toe, stelde zich voor mij op en zeide:
—Effendi, de hamels willen wij liever niet verbeuren. Ook zou het uw geweten met medelijden bezwaren, indien gij ze ons onthieldt. Ik wil u ontlasten van heimelijk zelfverwijt, door u de waarheid te zeggen.
—Ik zie, dat er toch ook nog eerlijke mannen hier zijn,—zeide ik, goedkeurend hem toeknikkend.
—O, eerlijk zijn wij allemaal; maar wij kunnen wel tegelijk spelen, maar niet spreken. Dat doe ik nu voor ons allen, omdat ik gewoon ben om de maat aan te geven met mijn Zurna, die alle andere instrumenten overstemt. Neen, wij hebben niet gestreden, maar wij zijn naar de rotshut gegaan, om de dooden te halen. Het water van de Sletowka heeft geen lijken gezien. Als gij het wilt, zal ik u zeggen, hoe alles gegaan is.
—Spreek op.
—Ik was thuis, bezig met mijn Zurna te repareeren van een diepe deuk, omdat ik er gisteren iemand, die mij beleedigde, mee voor den grond had geslagen, en toen kwam deze politie-agent, die mijn zwager is omdat hij met de zuster van mijn vrouw is getrouwd. Hij vertelde mij van u, van de Aladschy’s en wat gij van den Kiaja had verlangd. Deze had hem opgedragen, om in ’t geheim naar het bosch te gaan en aan de Aladschy’s te zeggen, dat gij aan hen ontkomen waart en zij zich uit de voeten moesten maken, omdat al gauw onze landstorm tegen hen zou optrekken, om hen gevangen te nemen.
—Dat heb ik wel gedacht!
—De schutsman der openbare veiligheid wilde mij, omdat ik zijn vriend en zwager ben, laten deelen in den roem, met de Aladschy’s gesproken te hebben; daarom vorderde hij, dat ik met hem zou meegaan.
—Zeg liever, dat hij bang was om alleen te gaan en dat hij u daarom mee wilde hebben.
—Daarin vergist gij u. In zijn hart is, zoo min als in het mijne, eenige vrees, voor wien of wat ook. Voor den sterksten vijand ga ik niet uit den weg, want in mijn Zurna heb ik een wapen, waarmee ik al menigeen duchtig toegetakeld heb. Wij braken dus op en gingen.
—Maar u gehaast om er te komen, hebt gij niet?
—Neen, want wij moesten overleggen, hoe wij het best ons van deze netelige opdracht zouden kwijten, en wij verhieven van tijd tot tijd onze stem, om aan de Aladschy’s te zeggen, dat wij niet kwamen om hen dood te schieten.
—Dat was zeker zeer voorzichtig van u, want anders hadden zij u kunnen overvallen.
—O neen! Wij deden het, om ze niet al te veel te laten schrikken, maar zij vergolden onze teergevoeligheid voor hen met ondank.
—Dat wil zeggen, zij lachten u brutaal weg uit!
—O neen, dat deden zij niet; maar hun ondankbaarheid is ook een reden, om u alles te zeggen.
—Waarin bestond dan hun ondankbaarheid?
—In zweepslagen, die zij mijn lieven zwager rijkelijk toedeelden, wat zij mij natuurlijk niet durfden doen.
—Oho!—viel de politie-agent zijn lieven zwager in de rede. Heeft de eene Aladschy u niet een oorveeg gegeven, dat gij op den grond zijt gaan zitten?
—Dat verbeeldt gij u maar, want het was te donker dan dat gij het zoudt hebben kunnen zien. En ook vielen de slagen zoo hageldik op u, dat gij geen tijd hadt om te zien. Uw woorden bewijzen dus niets.
—Twist niet met elkaar!—beval ik. Wat deden de Aladschy’s ten leste?
—Zij vroegen, in wat moeielijkheid zich onze Kiaja bevond, en wij vertelden, dat wij hen zouden moeten gevangen nemen en dan den ouden Mubarek met de lijken uit de rotshut moesten halen. Zij hadden gemeend, dat Mubarek dood was. Toen zij het tegendeel hoorden, waren zij in hun schik, en besloten, gauw naar hem toe te gaan, opdat hij niet in uw handen zou vallen. Mijn zwager kreeg nog een schop van—
—Neen, gij hebt dien gekregen!—viel de agent in.
—Zwijg! Of gij ’m gekregen hebt of ik, dat is hetzelfde, want wij zijn nauw aan elkaar verwant. Zij gaven dus aan een van ons een schop en retireerden toen in de plooien van het nachtgewaad dezer aarde.
—En toen zijt gij teruggekeerd om de helden saam te roepen?
—Ja. Wij hadden ons lang opgehouden, en opdat gij niets vermoeden zoudt, hebben wij ons moeten haasten.
—En gij hebt daarbij tevens gezegd, dat men niet bevreesd behoefde te zijn, want dat de vijanden in allen trots geweken waren?
—Ja, Heer.
—En dat het eenige gevaar voor hen bestond in de belofte, dat zij Arpa suju zouden moeten drinken en hamels eten?
—Dat hebben wij hun in goed vertrouwen medegedeeld.
—En hebt gij op uw krijgstocht ook een spoor van de Aladschy’s ontdekt?
—Niet maar een spoor, maar hen zelf.
—Ah! waar dat? Aan het eind van het dorp?
—Aan het einde van het dorp. Daar waren zij te paard—twee links en twee rechts van den weg—en Mubarek stond bij hen. Wij trokken met Janitzaren-muziek tusschen hen door. Het is geen kleinigheid, twee lijken uit een stik donker bosch te halen; zij liggen nu in het voorvertrek.
Met een handbeweging wees hij naar de deur. Ik antwoordde:
—Alles wat gij mij verteld hebt, wist ik. Maar omdat gij de waarheid hebt gezegd, wil ik u de smulpartij niet onthouden.
—En wie krijgt de huiden?
—Wie is de armste van het dorp?
—Chasna, de houthakker, die ginds met zijn bijl staat.
—Dan zal hij ze hebben. Breng nu de lijken weg en laat de Arpa suju komen.
Dit woord werd met gejubel ontvangen. Er werden groote dikbuikige bierpotten gebracht en gevuld. Daar de Turken vroeger het bier niet kenden, hebben zij er ook geen bijzonder woord voor. Hij noemt het met de Czechische uitdrukking Piwa of met het genoemde omschrijvende woord. Arpa beteekent: gerst. Su: water. Ju: van water. Arpa suju: gerstewater van water, wat nu niet precies verleidelijk klinkt.
Onderwijl nu iedereen een kleiner kom of glas zocht meester te worden, om er alleen uit te drinken, riep ik den politie-agent ter zijde en vroeg hem:
—Waarheen denkt gij het lijk van den slager te brengen?
—Naar zijn huis aan de overzij.
—De overbrenging geschiedt natuurlijk onder uw leiding?
—Niet maar onder mijn leiding, maar onder mijn opzicht, want ik ben de opzichter der politie.
—Dan heb ik iets voor u te doen. Ik heb opgemerkt dat gij een echte diplomaat zijt, die een zaak bij het rechte eind weet aan te vatten. Luister dus eens goed! Ik stel er prijs op, dat gij den broeder van den slager, bij de overbrenging van het lijk, te zien krijgt.
—Dat zal niet moeilijk zijn.
—Misschien toch wel. Hij kan reden hebben om zich niet te laten zien.
—O, ik ben de politie! Mij moet hij te woord staan.
—Neen, zoo moet gij het niet aanleggen! Niet barsch, maar verstandig en slim moet gij optreden.
—Daarvoor ben ik de rechte man.
—Leg het zoo aan, dat hij, als uit eigen beweging te voorschijn komt en gij hem in ’t gezicht kunt zien. Ik geef u vijf piasters, wanneer het u gelukt.
—Daar ben ik zoo zeker van, dat u ik verzoek mij de vijf piasters nu al te geven.
—Neen, mijn waarde. Gij hebt mij reeds zooveel voorgelogen, dat ik voortaan voorzichtig zijn moet. Geloof dus niet, dat gij mij kunt wijs maken hem gezien te hebben, zonder dat het waar is. Ik weet terstond of gij mij wat voorliegt.
—Heer, geen enkel onwaar woord zal over mijn lippen komen. Maar wat wilt gij dan eigenlijk weten?
—Daarover spreken wij later! Gij moet hem goed aangezien hebben; als gij dat gedaan hebt, is het voldoende.
—Maar bedenk, dat gij een groote opoffering van mij vergt. Onderwijl ik mij verwijder, drinken de anderen al de lekkere Arpa suju op.
—Ik zal zorgen, dat gij uw deel rijkelijk krijgt.
Hij ging. Ik zag, dat hij twee mannen riep om het lijk van den slager voor hem te dragen. Dat van den gevangenbewaarder werd voorloopig ergens opgeborgen.
Alles was nu in orde. Sommigen zaten, met de beenen kruiselings, op den grond, terwijl anderen, op onze manier, aan tafels zaten. De helden hadden allerlei mogelijk en onmogelijk vaatwerk in de hand, om er uit te drinken. Buiten op de plaats hurkten de vrouwen en kinderen rondom het vuur. Ook deze hadden eenige kannen bier gekregen. De jongens en meisjes waren bijzonder druk in de weer.met het opvangen van het vet, dat van de bradende hamels in het vuur dreigde te vallen. De een had voor dat doel een steen, een ander een stuk hout, waarop zij den druppel lieten vallen, om dien dan terstond daarvan af te likken.
Alleraardigst deed dit een misschien achtjarige jongen. Hij ving de druppels in zijn kleine fez op, en als hij meende er genoeg bijeen te hebben, om echt te kunnen smullen, dan keerde hij de muts binnenste buiten, en belikte de bedruppelde plek zoolang er nog iets van te halen was. Was het vet, te veel naar zijn zin, in de roodwollen muts gedrongen, of kleefde het er te vast aan, dan weerde hij zich dapper met zijn tanden. Toen het braden afgeloopen was, liet ik den knaap bij mij komen en bekeek zijn fez. De kleine had er verscheidene gaatjes in gebeten, en was den koning te rijk, toen ik zijn volharding met een piaster beloonde.
Een der vuren werd letterlijk belegerd door een kleine bende. Telkens als de aandacht van de braadster ook maar een oogenblik afgeleid kon worden, sprong een der saamgezworenen vooruit, om de een of andere appetijtelijke plek van het gebraad een lik te geven en dan vlug weer weg te loopen.
Dat was geen ongevaarlijk werk, omdat het vuur de kleeren van den kleinen gauwdief in brand kon steken. Gelukkig was niet een van het troepje in zijde met Brusselsche kanten gekleed. Was het waagstuk aan iemand gelukt, dan werd de gelukkige door de saamgezworenen met brulgejuich begroet. Kreeg de waaghals echter van een der vrouwen een flinken klap of ook wel een duchtige oorvijg, wat bij negen van de tien aanvallen gebeurde, dan werd hij geweldig uitgelachen. Maar telkens als de aanval gelukt was of niet, volgde er een zeer teekenend gebarenspel, naar aanleiding van de oorvijg of de gebrande tong.
Er was een mengeling van typische figuren, die een interessant geheel uitmaakten. De gasten—zoowel oude als jonge—gingen ongedwongen en in allen eenvoud hun gang. De ceremonieele vormen, die de Oosterling, vooral tegenover vreemden, streng in acht neemt, waren door de Arpa suju volkomen verdrongen. Langzamerhand werd men vertrouwelijk ook met ons en waren wij door vroolijke gezellen omringd, die mij tot kostelijke studie-opnamen dienden.
Toen de politie-agent van zijn diplomatische zending terug kwam, berichtte hij:
—Heer, het is mij gelukt! Ik heb hem gezien; maar het heeft moeite gekost. Gij zult mij wel tien piasters mogen geven in plaats van vijf.
—Waarom?
—Omdat ik mij tienmaal meer heb moeten inspannen. Toen ik naar hem vroeg, kreeg ik ten antwoord, dat hij afwezig was. Maar ik was hem te slim af, en liet zeggen, dat ik hem noodzakelijk moest spreken, omdat ik hem een belangrijke mededeeling te doen had betrekkelijk de laatste oogenblikken van zijn broeder. Toen liet hij mij komen, want hij zat alleen, in een vertrek. Hem ziende schrikte ik geweldig, want hij had een lange diepe wond, die over zijn voorhoofd, neus en wang liep. Naast hem stond een kom water, om de wond af te koelen.
—Hebt gij hem gevraagd, hoe dat gekomen was?
—Zeker. De spijker, waar zijn bijl aan hing, had losgelaten en toen was de bijl op zijn gezicht gevallen,—zoo zeide hij.
—En toen wilde hij zeker uw gewichtige mededeeling hooren?
—Ik zeide hem, dat zijn broeder nog niet dood was, toen ik hem opnam, maar nog eenmaal had gezucht.
—Was dat alles?
—Was dat niet genoeg? Moest ik dan mijn teere geweten met een nog grootere leugen bezwaren? Een enkel zuchtje zal ik voor den gerichts-engel nog wel kunnen verantwoorden. Maar had ik gezegd dat de doode nog eerst een lange redevoering had gehouden, dan zou ik mijn ziel daarmee ernstig bezwaard hebben.
—Nu, wat dat betreft, ik had u niet opgedragen, om leugens te vertellen. En tien piasters zijn voor een zuchtje te veel.
—Te veel voor u? Voor een man van zoo’n grooten invloed en begaafdheid? Wanneer ik de voortreffelijkheid had van uw karakter, de innigheid van uw gevoel, den rijkdom van uw hart en de sierlijkheid van uw denken, zouden vijftig piasters mij niet te veel zijn!
—Vijftig piasters zijn ook niet te veel voor mijzelf.
—Ik bedoel niet voor uw eigen gebruik, maar om ze mij te geven, te meer omdat de zaak niet zoo eenvoudig afgeloopen is, als ik wenschte.
—Hoe dan?
—Wel, hij werd boos, sprong op en vloekte afgrijselijk. Hij zei, er voor te zullen zorgen, dat ik ook nog zuchten zou, en niet zoo zacht als, volgens mij, zijn broer zou gedaan hebben. En wat er toen gebeurde, kunt gij wel denken.
—Neen. Zoo duidelijk als gij, kan ik mij den toestand niet voorstellen.
—Welnu, ik nam in ontvangst, wat men gewoonlijk een pak slaag noemt, maar wat ik nu betitelen wil als gevolg mijner innige toewijding aan uw belangen.
—Waren de slagen ter dege raak?
—Meer dan dat!
—Het is mij zeer aangenaam, dat te hooren!
—Maar ze te ontvangen, was mij het niet. Ik zal heel wat noodig hebben voor mijn genezing, uitwendig een afwrijving met Raki, en inwendig heel wat Arpa suju voor afkoeling, en hamelvleesch tot herstel van verloren kracht en lenigheid.
—Ik vermoed, dat gij de Raki ook wel voor den innerlijken mensch zult gebruiken. En wat uw lenigheid betreft, bewijs mij terstond dat die niet geleden heeft, door u oogenblikkelijk uit de voeten te maken. Hier zijn de tien piasters.
—Heer, uw woorden zijn beleedigend, maar uw daden zijn balsem. Al de roerselen van mijn hart zijn eenstemmig in liefde voor uw persoon, en mijn ingewanden rommelen van verrukking over uw goedertierenheid!
—Maak dat gij weg komt, gij groote held, of ik zal uw beenen zóó smeren, dat gij er op springt!
Ik greep het handvat van mijn zweep, en terstond was de dappere verdwenen.
Het nauwkeurig herhaalde onderzoek naar den toestand van de hamels bewees dat ze gaar waren, en de verdeeling begon. Opdat er geen twist zou ontstaan, liet ik Halef voorsnijden, een kunst, waarin hij een meester was. Daarna werden de porties verloot. Wij kregen de staartstukken; maar ik ontzegde mij het genot dier lekkere stukken, omdat ze in mijn tegenwoordigheid het meest door de jeugd waren belikt geworden.
Trouwens, onze waard had goed voor ons gezorgd. Wij konden ons vergasten aan een overvloedig en smakelijk avondeten. Wat dat betreft, konden wij over hem tevreden zijn.
Na de bijna spoorlooze verdwijning der vier vette hamels, nam de krijgskapel plaats in een hoek van den binnenhof, en fungeerde als orkest voor zang en dans.
Wat wij nu te hooren kregen, gaat alle beschrijving te bovenIk moet mij bepalen tot de vermelding, dat er gedanst werd, bijna alleen door de mannen; later verschenen er ook eenige vrouwen. De dans bestond òf uit wilde onregelmatige sprongen òf in minder mooie verdraaiïngen van het lichaam. Eén enkel paar, man en vrouw, vertoonde een vrij goede pantomime, waarbij gitaar en viool alleen begeleidden.
Ter afwisseling van den dans, lieten zich de zangers hooren, meestal in koor. De solostukken ademden een weemoedigen geest, maar er zat ten minste melodie in, en bij de begeleiding ook sporen van harmonie. De koorzangen waren meest krijgsliederen. Deze werden eenstemmig gezongen of veel meer gebruld en door gegil onderbroken dat oorverscheurend was. De begeleiding was als de zang. Bazuingeschal, de trommel en fluit vervulden de hoofdrol.
Laat in den avond, omstreeks middernacht, zag ik een ruiter aankomen, die hier overnachten wilde. Hij was klein van gestalte en steeg van een oud mager en slecht verzorgd paard af, dat nu hard had moeten loopen.
Hij wisselde eenige woorden met onzen waard, en deze zeide mij, dat ik morgen al een zeer goeden gids zou kunnen krijgen.
Ik dacht terstond aan den man, van wien de beide Aladschy’s gesproken hadden, en die mij in hun handen leveren zou. Suef hadden zij hem genoemd, een echt Arabische naam.
Hij moest, in geval ook de aanslag op heden niet mocht gelukken, terstond met zijn verraderij beginnen. Welnu, de poging om mij door het raam dood te schieten, was mislukt; dus stond het vast, dat hij van daag met zijn verraderij beginnen zou.
Het was mogelijk, dat hij al van avond zou trachten, met ons in verbinding te komen, en in dat geval kon de reiziger de gevaarlijke persoon zijn. Ik moest voorzichtig te werk gaan en nauwkeurig onderzoeken.
—Hoe komt gij er toe, van een gids te spreken?—vroeg ik den waard. Wij hebben zoo iemand niet noodig.
—Misschien toch wel! Kent gij den weg?
—Wij hebben nooit een weg, dien wij in deze streken gingen, vooruit gekend, en zijn toch altijd terecht gekomen.
—Gij verlangt dus geen gids?
—Neen.
—Zoo als gij wilt. Ik meende u een dienst te bewijzen.
Hij wilde van ons weggaan. Dat zag er niet naar uit, alsof deaangekomen vreemdeling zich door hem bij ons wilde indringen. Daarom vroeg ik nader:
—Wie is hij dan, dien gij bedoelt?
—Een bij u passend gezelschap is hij eigenlijk niet. Het is een arme kleermaker, die niet eens een vaste woonplaats heeft.
—Hoe heet hij?
—Afrit is zijn naam.
—Afrit, dat woord beteekent: reus. Die naam past niet bij zijn gestalte, want hij is zoo klein, dat hij veel van een dwerg heeft.
—Dat hij nochtans Afrit heet, is zijn schuld niet, want dien naam heeft niet hij gekozen, maar is hem door zijn vader gegeven. Misschien was die ook zoo klein, en heeft zijn zoon Afrit gedoopt, in de hoop dat zijn zoon een reus zou worden.
—Is hij uit deze streek?
—Waar hij geboren is, dat weet niemand. Hij is overal als de reizende kleermaker bekend. Waar hij werk vindt, daar blijft hij tot het klaar is. Met den kost en een kleine vergoeding is hij tevreden.
—Is hij eerlijk?
—Volkomen vertrouwd. Hij is door zijn onbaatzuchtigheid zelfs spreekwoordelijk geworden. Zoo eerlijk als de reizende kleermaker, pleegt men te zeggen.
—Waar komt hij nu van daan?
—Van Sletowo, dat in het Noorden ligt.
—En waar wil hij heen?
—Naar Uskub en nog verder. Omdat gij ook derwaarts wilt gaan, meende ik hem u te mogen aanbevelen. Volgt gij den straatweg, dan maakt gij een omweg, en de kortste weg is heel moeielijk te vinden.
—Hebt gij met hem al over ons gesproken?
—Neen, Heer. Hij weet in ’t geheel niet, dat hier vreemdelingen zijn. Hij vroeg alleen, of hij hier tot morgen ochtend blijven kon. Ik wilde hem werk geven, maar hij kon het, om een ziekte-geval niet aannemen. Hij wordt daarvoor gewacht.
—Waar is hij op het oogenblik?
—Achter het huis, waar hij zijn paard laat weiden. Gij kunt het dat dier aanzien, hoe arm zijn baas is.
—Geef hem dan straks vergunning om bij ons binnen te komen. Hij mag onze gast zijn.
Al spoedig kwam dan ook de man zelf. Hij was zeer klein, zwak,en bepaald armoedig gekleed. Hij scheen zeer veel geleden te hebben, en nam uiterst bescheiden in een hoekje plaats. Behalve een mes, droeg hij geen wapens, en al spoedig haalde hij een stuk hard maïsbrood uit zijn zak, om daarmee zijn avondmaal te doen. Deze arme man was zeker geen makker van de bandieten. Ik noodigde hem uit, om bij ons plaats te nemen, en van het overschot van ons avondeten, dat nog op tafel stond, gebruik te maken.
—Heer, gij zijt wel vriendelijk,—zeide hij beleefd,—en ik heb werkelijk honger en dorst. Maar ik ben een arme kleermaker en het past mij niet bij Heeren, zooals gij zijt, aan te gaan zitten. Wanneer gij mij iets geven wilt, zal ik het dankbaar aannemen, maar vergun mij, het hier, waar ik zit, te mogen nuttigen.
—Zooals gij wilt. Halef, zet hem ons eten voor!
De Hadschi zette hem zooveel voor, dat meerdere personen er hun genoegen aan hadden kunnen eten. Ook gaf hij hem bier en Raki.
Toen de man verzadigd was, kwam hij naar mij toe, reikte mij de hand en dankte mij met de meest eerbiedige woorden. Hij zag er zoo verarmd en eerlijk uit, bovendien sprak er zooveel oprechtheid uit zijn oogen, dat ik zeer ingenomen met hem was.
—Hebt gij bloedverwanten?—vroeg ik hem.
—Geen enkele. Mijn vrouw en kinderen zijn, twee jaar geleden, aan de pokken gestorven. Nu ben ik alleen.
—Hoe heet gij?
—Men noemt mij: de reizende kleermaker, maar mijn eigen naam is Afrit.
—Kunt gij mij ook zeggen, waar gij eigenlijk thuis hoort?
—Waarom niet? Ik moet toch weten, waar ik geboren ben? Ik stam af uit het kleine berg-dorp Weicza in de Schar Dagh.
Ah, dat was de plaats, die door den stervenden gevangenbewaarder genoemd was, als in de buurt liggende van de gezochte Karanorman-Khan. De ontmoeting met dezen armen man kon van groot nut voor ons zijn.
—Zijt gij daar bekend?—vroeg ik.
—Zeer goed; ik kom er dikwijls.
—Wanneer gaat gij er weer heen?
—Ik ga er juist nu naar toe. Over Uskub en Kakandelen reis ik er heen.
—Om iemand een bezoek te brengen?
—Neen. Daar woont een wonderdokter die mij moet helpen, want ik heb iets, daar hij mij moet afhelpen.
—Wilt gij niet liever een wetenschappelijk man raadplegen?
—Dat heb ik gedaan, maar het heeft niet geholpen. Bij den wonderdokter heb ik al veel baat gevonden.
—Wat hebt gij dan?
—Men zegt dat ik aan steenen in de lever lijd.
Hij zag er ook heelemaal naar uit, alsof hij aan innerlijke pijnen leed. Ik had werkelijk medelijden met hem.
—Wanneer denkt gij verder te rijden?
—Morgen vroeg.
—Rijdt gij dan ineens door naar Uskub?
—Neen. Dat is te ver, om het in één dag te doen.
—Is er dan onderweg een goede herberg?
—Wel meer dan een.
—Zullen wij samen reizen?
—Ik met u reizen! Maar dat gaat toch niet! Met zulke Heeren als gij, kan ik toch niet spreken.
—Waarom niet? Gij doet het nu wel, en gij bevalt mij goed. Wanneer gij er niet op tegen hebt, dan reizen wij samen, gij kent den weg beter dan ik, en voor uw wegwijzing betaal ik u als mijn gids.
—Heer, spreek niet zoo tegen mij! Ik ben maar een arme kleermaker, voor wien het een bijzondere eer is met u mee te mogen rijden. Ook is het veiliger niet alleen op weg te zijn. Wanneer gij het dan wilt, zal ik mij bij u aansluiten.
Daarmee was de zaak afgedaan, en hij ging weer op zijn plaats zitten. Een poos later wenschte hij ons wel-te-rusten, en verwijderde zich om te gaan slapen. Osko, Omar en Halef, zij ook waren van oordeel, dat wij met een eerlijken man te doen hadden, wat de waard ons ook nogmaals verzekerde.
Langzamerhand liep de binnenplaats leeg en werd ook het voorvertrek ontruimd. Ook voor ons werd het tijd om te gaan slapen. De waard maakte voor mij de sofa in orde, maar de anderen moesten een plekje opzoeken bij de paarden, die ik allerminst hier zonder toezicht wilde laten.
Toen ik alleen was, sloot ik van binnen de deur af. De vensters waren ook sekuur gesloten, en daar ik mij op mijn scherp gehoor kon verlaten, sliep ik onbezorgd in.