Chapter 17

Mijn makkers pompten, met alle kracht, water naar boven. (Bladz. 325).Mijn makkers pompten, met alle kracht, water naar boven. (Bladz. 325).Boven bleef echter alles stil. Dat het pompen aldaar water deed stroomen, was zeker. Waarschijnlijk begrepen de schurken niet, waar het van daan kwam, maar zij pasten wel op, hun tegenwoordigheid niet te verraden. Maar zij deden wat ze konden, om het luik op het terras open te krijgen. Habulam toch had gezegd, dat hij ten overvloede een boor zou medenemen. De mogelijkheid bleef, dat het hun gelukte de kram los te boren. In dat geval kwamen zij naar beneden, en ik maakte mij gereed, hen met mijn revolver te ontvangen. Maar hoe scherp ik ook luisterde, ik hoorde op de trap geenerlei geluid. Halef had het luik goed dicht getimmerd!Er verliep heel wat tijd, wel een vol uur. Toen kwam mijn viertal bij mij terug.—We zijn klaar, Sihdi!—berichtte hij. Wij hebben metinspanningvan alle krachten gepompt. Maar nu zijn wij door en door nat. Mogen wij het licht aansteken?—Ja; het is beter, licht op te hebben.Hij stak de lamp aan en deed er olie in. Toen gingen zij naar boven, in het vertrek beneden dat, waar onze vijanden in het water stonden. Daar openden zij een luik, en toen hoorde ik Halef’s stem:—Allam, sallam wer, tschelebilerim.Allah zij met u, mijne Heeren! Wildet gij bij deze stikkende hitte, daar boven wat frissche lucht happen? Hoe bevalt u het heerlijk vergezicht? Onze Effendi laat u vragen, of hij soms zijnDuurbuun(verrekijker) zal zenden, opdat gij den regen te beter zoudt kunnen zien?Ik luisterde, maar hoorde geen antwoord. De bespotten schenen zich stil te houden.—Waarom neemt gij, bij nachttijd, daar boven een bad?—vroeg Halef verder.—Is dat hier in deze streek zoo het gebruik? Het zou mij zeer spijten, wanneer het water daarvoor niet warm genoeg was. Maar men mag menschen die zich baden, niet beluisteren; daarom zullen wij zoo beleefd zijn ons te verwijderen. Ik wil hopen, dat gij tegen den morgen gereed zult zijn, dan zal ik, uw onderdanige dienaar, mij veroorloven naar den toestand uwer gezondheid te komen vragen.Hij kwam met de anderen beneden en lachte zeggende:—Sihdi, ze zijn prachtig in de val geloopen, en niet een durft een woord te zeggen. Ik meende, dat ik ze hoorde klappertanden. Nu zouden wij gerust kunnen gaan slapen, want niemand zou ons kunnen storen.—Ja, gaat rustig slapen,—zeide Janik,—want gij moet moede zijn van het rijden. Ik heb nog de minste behoefte aan slaap. Ik zal waken en u roepen als het noodig mocht zijn. Maar wij hebben niets te vreezen. Die mannen kunnen niet naar beneden komen. Hoogstens zou het kunnen gebeuren dat het water naar beneden kwam siepelen. Maar ook dat zou geen gevaar opleveren.Hij had gelijk. En daar wij ons op hem konden verlaten, legden wij ons, om te gaan slapen.1Deze belangrijke ontvoering vindt men uitvoerig beschreven in Karl May’s Reisavonturen; Kara Ben Nemsi, bladz. 63—124.

Mijn makkers pompten, met alle kracht, water naar boven. (Bladz. 325).Mijn makkers pompten, met alle kracht, water naar boven. (Bladz. 325).Boven bleef echter alles stil. Dat het pompen aldaar water deed stroomen, was zeker. Waarschijnlijk begrepen de schurken niet, waar het van daan kwam, maar zij pasten wel op, hun tegenwoordigheid niet te verraden. Maar zij deden wat ze konden, om het luik op het terras open te krijgen. Habulam toch had gezegd, dat hij ten overvloede een boor zou medenemen. De mogelijkheid bleef, dat het hun gelukte de kram los te boren. In dat geval kwamen zij naar beneden, en ik maakte mij gereed, hen met mijn revolver te ontvangen. Maar hoe scherp ik ook luisterde, ik hoorde op de trap geenerlei geluid. Halef had het luik goed dicht getimmerd!Er verliep heel wat tijd, wel een vol uur. Toen kwam mijn viertal bij mij terug.—We zijn klaar, Sihdi!—berichtte hij. Wij hebben metinspanningvan alle krachten gepompt. Maar nu zijn wij door en door nat. Mogen wij het licht aansteken?—Ja; het is beter, licht op te hebben.Hij stak de lamp aan en deed er olie in. Toen gingen zij naar boven, in het vertrek beneden dat, waar onze vijanden in het water stonden. Daar openden zij een luik, en toen hoorde ik Halef’s stem:—Allam, sallam wer, tschelebilerim.Allah zij met u, mijne Heeren! Wildet gij bij deze stikkende hitte, daar boven wat frissche lucht happen? Hoe bevalt u het heerlijk vergezicht? Onze Effendi laat u vragen, of hij soms zijnDuurbuun(verrekijker) zal zenden, opdat gij den regen te beter zoudt kunnen zien?Ik luisterde, maar hoorde geen antwoord. De bespotten schenen zich stil te houden.—Waarom neemt gij, bij nachttijd, daar boven een bad?—vroeg Halef verder.—Is dat hier in deze streek zoo het gebruik? Het zou mij zeer spijten, wanneer het water daarvoor niet warm genoeg was. Maar men mag menschen die zich baden, niet beluisteren; daarom zullen wij zoo beleefd zijn ons te verwijderen. Ik wil hopen, dat gij tegen den morgen gereed zult zijn, dan zal ik, uw onderdanige dienaar, mij veroorloven naar den toestand uwer gezondheid te komen vragen.Hij kwam met de anderen beneden en lachte zeggende:—Sihdi, ze zijn prachtig in de val geloopen, en niet een durft een woord te zeggen. Ik meende, dat ik ze hoorde klappertanden. Nu zouden wij gerust kunnen gaan slapen, want niemand zou ons kunnen storen.—Ja, gaat rustig slapen,—zeide Janik,—want gij moet moede zijn van het rijden. Ik heb nog de minste behoefte aan slaap. Ik zal waken en u roepen als het noodig mocht zijn. Maar wij hebben niets te vreezen. Die mannen kunnen niet naar beneden komen. Hoogstens zou het kunnen gebeuren dat het water naar beneden kwam siepelen. Maar ook dat zou geen gevaar opleveren.Hij had gelijk. En daar wij ons op hem konden verlaten, legden wij ons, om te gaan slapen.1Deze belangrijke ontvoering vindt men uitvoerig beschreven in Karl May’s Reisavonturen; Kara Ben Nemsi, bladz. 63—124.

Mijn makkers pompten, met alle kracht, water naar boven. (Bladz. 325).Mijn makkers pompten, met alle kracht, water naar boven. (Bladz. 325).

Mijn makkers pompten, met alle kracht, water naar boven. (Bladz. 325).

Boven bleef echter alles stil. Dat het pompen aldaar water deed stroomen, was zeker. Waarschijnlijk begrepen de schurken niet, waar het van daan kwam, maar zij pasten wel op, hun tegenwoordigheid niet te verraden. Maar zij deden wat ze konden, om het luik op het terras open te krijgen. Habulam toch had gezegd, dat hij ten overvloede een boor zou medenemen. De mogelijkheid bleef, dat het hun gelukte de kram los te boren. In dat geval kwamen zij naar beneden, en ik maakte mij gereed, hen met mijn revolver te ontvangen. Maar hoe scherp ik ook luisterde, ik hoorde op de trap geenerlei geluid. Halef had het luik goed dicht getimmerd!

Er verliep heel wat tijd, wel een vol uur. Toen kwam mijn viertal bij mij terug.

—We zijn klaar, Sihdi!—berichtte hij. Wij hebben metinspanningvan alle krachten gepompt. Maar nu zijn wij door en door nat. Mogen wij het licht aansteken?

—Ja; het is beter, licht op te hebben.

Hij stak de lamp aan en deed er olie in. Toen gingen zij naar boven, in het vertrek beneden dat, waar onze vijanden in het water stonden. Daar openden zij een luik, en toen hoorde ik Halef’s stem:

—Allam, sallam wer, tschelebilerim.Allah zij met u, mijne Heeren! Wildet gij bij deze stikkende hitte, daar boven wat frissche lucht happen? Hoe bevalt u het heerlijk vergezicht? Onze Effendi laat u vragen, of hij soms zijnDuurbuun(verrekijker) zal zenden, opdat gij den regen te beter zoudt kunnen zien?

Ik luisterde, maar hoorde geen antwoord. De bespotten schenen zich stil te houden.

—Waarom neemt gij, bij nachttijd, daar boven een bad?—vroeg Halef verder.—Is dat hier in deze streek zoo het gebruik? Het zou mij zeer spijten, wanneer het water daarvoor niet warm genoeg was. Maar men mag menschen die zich baden, niet beluisteren; daarom zullen wij zoo beleefd zijn ons te verwijderen. Ik wil hopen, dat gij tegen den morgen gereed zult zijn, dan zal ik, uw onderdanige dienaar, mij veroorloven naar den toestand uwer gezondheid te komen vragen.

Hij kwam met de anderen beneden en lachte zeggende:

—Sihdi, ze zijn prachtig in de val geloopen, en niet een durft een woord te zeggen. Ik meende, dat ik ze hoorde klappertanden. Nu zouden wij gerust kunnen gaan slapen, want niemand zou ons kunnen storen.

—Ja, gaat rustig slapen,—zeide Janik,—want gij moet moede zijn van het rijden. Ik heb nog de minste behoefte aan slaap. Ik zal waken en u roepen als het noodig mocht zijn. Maar wij hebben niets te vreezen. Die mannen kunnen niet naar beneden komen. Hoogstens zou het kunnen gebeuren dat het water naar beneden kwam siepelen. Maar ook dat zou geen gevaar opleveren.

Hij had gelijk. En daar wij ons op hem konden verlaten, legden wij ons, om te gaan slapen.

1Deze belangrijke ontvoering vindt men uitvoerig beschreven in Karl May’s Reisavonturen; Kara Ben Nemsi, bladz. 63—124.

1Deze belangrijke ontvoering vindt men uitvoerig beschreven in Karl May’s Reisavonturen; Kara Ben Nemsi, bladz. 63—124.


Back to IndexNext