—Wat kleur heeft de stof?—Donkerblauw, Heer!—En welke kleur heeft het garen, dat gij gebruikt hebt?—Dat is wit garen.—Maar dat kleurt niet! Hebt gij geen donkerkleurig of zwart garen?—Overvloedig!—Waarom hebt gij dat dan niet genomen?—Omdat het witte dubbel zoo sterk is als het zwarte; daarom dacht ik, het zal beter houden als gij weer eens met die broek moest zwemmen.—Gij zijt een zeer voorzichtig man, naar ik zie. Ik zal echter zoo vrij zijn om zwart garen te nemen. Vooruit nu, naar binnen!—Zal ik meehelpen, Sihdi?—vroeg Halef.—Ja, gij kunt de broek vasthouden terwijl ik de scheur naai.De woning was leeg, daar alle man thans aan den arbeid was. Ik ging met Halef en de broek op een tafel zitten. Wij kregennaalden en garen; in plaats van een schaar hadden wij ons mes, en dus konden wij aan den arbeid gaan. Als schooljongen had ik menigen knoop aangezet en soms ook wel een kleine scheur dichtgenaaid; ik kende zoo tamelijk het onderscheid tusschen voor- en andere steken; en daarom begon ik het groote werk met de noodige zelfbewustheid.Intusschen was de schrijnwerker-kleermaker druk bij de kachel bezig en gooide er hout op, alsof hij er een os op braden moest. De kachel gaf een warmte van zich, die mij aan de goede dagen van de Sahara herinnerde. Mijn kleeren waren droog en behoefden alleen nog maar gestreken te worden. De kunstenaar nam het vest ter hand, legde het op een plank en haalde met een tang het strijkijzer uit het vuur. Het was gloeiend heet en het houten handvat was verbrand. De man keek van het ijzer naar mij en van mij naar het ijzer en krabde zich bedenkelijk achter het oor.—Wat is er?—vroeg ik.—Mag ik eens iets vragen, Heer? Wat moet ik doen?—Strijken.—Maar hoe?—Als altijd; gij kunt het immers uitstekend.—Dat is een vervelende geschiedenis.—Hoezoo?—Wel, wanneer ik nu ga strijken, dan verbrand ik hetjelek(vest). Wacht ik tot het ijzer koud is, dan verbrand ik het niet maar het ijzer strijkt ook niet. Kunt gij mij misschien ook raad geven? Ik heb gehoord dat gij een Effendi zijt die groote reizen heeft gemaakt, misschien hebt gij wel eens gezien hoe een kleermaker dat doet.—Ge moet mij niet kwalijk nemen, maar ik verdenk uw grootvader sterk.—Och, doe dat niet, als ’t u blieft. Mijn grootvader—Allah zij met hem—was een vroom Moslem en een getrouw onderdaan van den Padischa.—Dat kan zijn, maar een kleermaker was hij niet.Nu hief de kunstenaar ook den anderen arm ten hemel, en krabde zich daarna met beide handen achter de ooren. Hij was blijkbaar ten einde raad, maar hij antwoordde niet.—Nu, heb ik gelijk of niet?—Effendi!—riep hij uit,—hoe weet gij dat?—Ik raad het, vertel mij dus wat hij eigenlijk was.—Nu, wanneer gij het dan bepaald wilt weten, hij was eigenlijk een Odundschu (houthakker) en maakte buitendien zoowat kleeren voor de andere houthakkers. De strijkijzers had hij echter ook van zijn grootvader geërfd, geloof ik.—Die misschien ook alweer geen kleermaker geweest was?—zei ik lachend. Zijt gij getrouwd?—Neen, maar ik hoop het toch spoedig te zijn.—Haast u dan, opdat gij spoedig kleinkinderen moogt hebben, die de strijkijzers kunnen erven, want men moet het voorbeeld van zijn voorvaderen zooveel mogelijk volgen, en ik hoop dat deze ijzers steeds in de familie zullen blijven.—Daar zal ik voor zorgen,—verzekerde hij ernstig. DezeMiras nasargiahi(erfstukken) zullen altijd in onze familie blijven. Maar nu moet gij mij toch zeggen wat ik doen moet.—Welnu, ik beveel u, deze erfstukken in ’t geheel niet meer aan te raken. Als ik mijn kleeren zelf moet maken, kan ik ze ook zelf wel uitstrijken.Hij trok zijn handen uit zijn haar, zuchtte diep, en was meteen paar groote stappen de deur uit. Halef zou hem liefst met zijn zweep achterna zijn gegaan om hem een kastijding toe te dienen, omdat hij zich voor eenUruwadschi terziji(marchand tailleur) had uitgegeven, terwijl hij niets van het vak verstond. Ik trachtte hem te troosten met den goeden raad, zich nooit door titels of mooie namen van anderen te laten overbluffen. Ik moet eerlijk bekennen dat het strijken mij ook alles behalve handig afging omdat, voor zoover ik weet, nog nooit een strijkijzer in mijn familie van den een op den ander overgegaan is. Toen ik evenwel het kunststuk had klaar gespeeld, bleef mij niets meer over, dan trotsch op mijn werk te zijn, iets waarin Halef mij met alle macht bijstond. Hij beweerde nog nooit zulke flinke sterke steken te hebben gezien en hij was verrukt over den onmisbaren glans, door bruine en zwarte strepen op het strijkgoed getooverd. Mannen van het vak hebben mij later echter verzekerd, dat ik op die vuile brandstrepen mij niet moest beroemen.Toen wij zoover waren, kwam de opzichter met zijn broeder, die nu ook gereed was om met ons mee te gaan. De kleermaker, gerustdat zijn hulp als zoodanig niet meer zou gevorderd worden, stak zijn hoofd door de deur en kwam, toen hij mij geheel gekleed zag staan, opgetogen en vroolijk op mij af.—Heer,—zeide hij,—alles is in orde, zooals ik zie. Mijn twee strijkijzers hebben hun werk mooi gedaan, ik wil dus hopen dat gij mij daarvoor met een milde Bakschisch zult verblijden.—Die zult gij hebben!—zeide Halef.Hij verdween achter het schut, waarachter ik mij verkleed had, en kwam terug met de jichtlaarzen. Ze hadden meer van zakken dan van laarzen. Halef hield ze den fooi-vrager voor en zeide op goedmoedigen toon:—Wij vereeren u dezeKablar fil ajaslari(foudralen voor olifantspooten) tot een eeuwige gedachtenis aan uw kleermakers-talent. Doe ze bij uw strijkijzers, tot een erfenis voor uw kinderen en kleinkinderen, opdat uw afstammelingen een blijvende herinnering mogen hebben aan het glorierijke feit, dat hun stamvader de groote kunst verstond, broekspijpen dicht te naaien. Allah schiep apen en ezels; u echter zond hij tot bekroning van deze schepping naar Rumelia!De kleermaker greep naar de laarzen en beschouwde ze met groote oogen. Zulk een Bakschisch had hij niet durven verwachten, en dat nog wel, met zóó’n mooie toespraak!—Welnu, hoe staat ge zoo in de laarzen te kijken? Meent gij soms dat uw kleermakers-verstand daarin verscholen zit?—vroeg Halef. Maak dat gij met ze wegkomt, en wees dankbaar voor onze grootmoedigheid, die u met zulk een geschenk begenadigt!Ik betuigde mijn instemming met den raad hem door Halef gegeven, onderwijl ik eenige piasters in de laarzen liet vallen. Daarmee had ik ’s mans tong weder losgemaakt. Hij kon weer spreken, bedankte voor het geschonkene en haastte zich met een en ander weg te komen.Nu volgde het afscheid. Ik bekortte het zooveel mogelijk, en wij reden weg, meest over ongebaande grasvlakten, westwaarts houdende.11Als vervolg op dit boek leze men “De Karanirwan-Khan in Albanië” door Dr. Karl May.
—Wat kleur heeft de stof?—Donkerblauw, Heer!—En welke kleur heeft het garen, dat gij gebruikt hebt?—Dat is wit garen.—Maar dat kleurt niet! Hebt gij geen donkerkleurig of zwart garen?—Overvloedig!—Waarom hebt gij dat dan niet genomen?—Omdat het witte dubbel zoo sterk is als het zwarte; daarom dacht ik, het zal beter houden als gij weer eens met die broek moest zwemmen.—Gij zijt een zeer voorzichtig man, naar ik zie. Ik zal echter zoo vrij zijn om zwart garen te nemen. Vooruit nu, naar binnen!—Zal ik meehelpen, Sihdi?—vroeg Halef.—Ja, gij kunt de broek vasthouden terwijl ik de scheur naai.De woning was leeg, daar alle man thans aan den arbeid was. Ik ging met Halef en de broek op een tafel zitten. Wij kregennaalden en garen; in plaats van een schaar hadden wij ons mes, en dus konden wij aan den arbeid gaan. Als schooljongen had ik menigen knoop aangezet en soms ook wel een kleine scheur dichtgenaaid; ik kende zoo tamelijk het onderscheid tusschen voor- en andere steken; en daarom begon ik het groote werk met de noodige zelfbewustheid.Intusschen was de schrijnwerker-kleermaker druk bij de kachel bezig en gooide er hout op, alsof hij er een os op braden moest. De kachel gaf een warmte van zich, die mij aan de goede dagen van de Sahara herinnerde. Mijn kleeren waren droog en behoefden alleen nog maar gestreken te worden. De kunstenaar nam het vest ter hand, legde het op een plank en haalde met een tang het strijkijzer uit het vuur. Het was gloeiend heet en het houten handvat was verbrand. De man keek van het ijzer naar mij en van mij naar het ijzer en krabde zich bedenkelijk achter het oor.—Wat is er?—vroeg ik.—Mag ik eens iets vragen, Heer? Wat moet ik doen?—Strijken.—Maar hoe?—Als altijd; gij kunt het immers uitstekend.—Dat is een vervelende geschiedenis.—Hoezoo?—Wel, wanneer ik nu ga strijken, dan verbrand ik hetjelek(vest). Wacht ik tot het ijzer koud is, dan verbrand ik het niet maar het ijzer strijkt ook niet. Kunt gij mij misschien ook raad geven? Ik heb gehoord dat gij een Effendi zijt die groote reizen heeft gemaakt, misschien hebt gij wel eens gezien hoe een kleermaker dat doet.—Ge moet mij niet kwalijk nemen, maar ik verdenk uw grootvader sterk.—Och, doe dat niet, als ’t u blieft. Mijn grootvader—Allah zij met hem—was een vroom Moslem en een getrouw onderdaan van den Padischa.—Dat kan zijn, maar een kleermaker was hij niet.Nu hief de kunstenaar ook den anderen arm ten hemel, en krabde zich daarna met beide handen achter de ooren. Hij was blijkbaar ten einde raad, maar hij antwoordde niet.—Nu, heb ik gelijk of niet?—Effendi!—riep hij uit,—hoe weet gij dat?—Ik raad het, vertel mij dus wat hij eigenlijk was.—Nu, wanneer gij het dan bepaald wilt weten, hij was eigenlijk een Odundschu (houthakker) en maakte buitendien zoowat kleeren voor de andere houthakkers. De strijkijzers had hij echter ook van zijn grootvader geërfd, geloof ik.—Die misschien ook alweer geen kleermaker geweest was?—zei ik lachend. Zijt gij getrouwd?—Neen, maar ik hoop het toch spoedig te zijn.—Haast u dan, opdat gij spoedig kleinkinderen moogt hebben, die de strijkijzers kunnen erven, want men moet het voorbeeld van zijn voorvaderen zooveel mogelijk volgen, en ik hoop dat deze ijzers steeds in de familie zullen blijven.—Daar zal ik voor zorgen,—verzekerde hij ernstig. DezeMiras nasargiahi(erfstukken) zullen altijd in onze familie blijven. Maar nu moet gij mij toch zeggen wat ik doen moet.—Welnu, ik beveel u, deze erfstukken in ’t geheel niet meer aan te raken. Als ik mijn kleeren zelf moet maken, kan ik ze ook zelf wel uitstrijken.Hij trok zijn handen uit zijn haar, zuchtte diep, en was meteen paar groote stappen de deur uit. Halef zou hem liefst met zijn zweep achterna zijn gegaan om hem een kastijding toe te dienen, omdat hij zich voor eenUruwadschi terziji(marchand tailleur) had uitgegeven, terwijl hij niets van het vak verstond. Ik trachtte hem te troosten met den goeden raad, zich nooit door titels of mooie namen van anderen te laten overbluffen. Ik moet eerlijk bekennen dat het strijken mij ook alles behalve handig afging omdat, voor zoover ik weet, nog nooit een strijkijzer in mijn familie van den een op den ander overgegaan is. Toen ik evenwel het kunststuk had klaar gespeeld, bleef mij niets meer over, dan trotsch op mijn werk te zijn, iets waarin Halef mij met alle macht bijstond. Hij beweerde nog nooit zulke flinke sterke steken te hebben gezien en hij was verrukt over den onmisbaren glans, door bruine en zwarte strepen op het strijkgoed getooverd. Mannen van het vak hebben mij later echter verzekerd, dat ik op die vuile brandstrepen mij niet moest beroemen.Toen wij zoover waren, kwam de opzichter met zijn broeder, die nu ook gereed was om met ons mee te gaan. De kleermaker, gerustdat zijn hulp als zoodanig niet meer zou gevorderd worden, stak zijn hoofd door de deur en kwam, toen hij mij geheel gekleed zag staan, opgetogen en vroolijk op mij af.—Heer,—zeide hij,—alles is in orde, zooals ik zie. Mijn twee strijkijzers hebben hun werk mooi gedaan, ik wil dus hopen dat gij mij daarvoor met een milde Bakschisch zult verblijden.—Die zult gij hebben!—zeide Halef.Hij verdween achter het schut, waarachter ik mij verkleed had, en kwam terug met de jichtlaarzen. Ze hadden meer van zakken dan van laarzen. Halef hield ze den fooi-vrager voor en zeide op goedmoedigen toon:—Wij vereeren u dezeKablar fil ajaslari(foudralen voor olifantspooten) tot een eeuwige gedachtenis aan uw kleermakers-talent. Doe ze bij uw strijkijzers, tot een erfenis voor uw kinderen en kleinkinderen, opdat uw afstammelingen een blijvende herinnering mogen hebben aan het glorierijke feit, dat hun stamvader de groote kunst verstond, broekspijpen dicht te naaien. Allah schiep apen en ezels; u echter zond hij tot bekroning van deze schepping naar Rumelia!De kleermaker greep naar de laarzen en beschouwde ze met groote oogen. Zulk een Bakschisch had hij niet durven verwachten, en dat nog wel, met zóó’n mooie toespraak!—Welnu, hoe staat ge zoo in de laarzen te kijken? Meent gij soms dat uw kleermakers-verstand daarin verscholen zit?—vroeg Halef. Maak dat gij met ze wegkomt, en wees dankbaar voor onze grootmoedigheid, die u met zulk een geschenk begenadigt!Ik betuigde mijn instemming met den raad hem door Halef gegeven, onderwijl ik eenige piasters in de laarzen liet vallen. Daarmee had ik ’s mans tong weder losgemaakt. Hij kon weer spreken, bedankte voor het geschonkene en haastte zich met een en ander weg te komen.Nu volgde het afscheid. Ik bekortte het zooveel mogelijk, en wij reden weg, meest over ongebaande grasvlakten, westwaarts houdende.11Als vervolg op dit boek leze men “De Karanirwan-Khan in Albanië” door Dr. Karl May.
—Wat kleur heeft de stof?
—Donkerblauw, Heer!
—En welke kleur heeft het garen, dat gij gebruikt hebt?
—Dat is wit garen.
—Maar dat kleurt niet! Hebt gij geen donkerkleurig of zwart garen?
—Overvloedig!
—Waarom hebt gij dat dan niet genomen?
—Omdat het witte dubbel zoo sterk is als het zwarte; daarom dacht ik, het zal beter houden als gij weer eens met die broek moest zwemmen.
—Gij zijt een zeer voorzichtig man, naar ik zie. Ik zal echter zoo vrij zijn om zwart garen te nemen. Vooruit nu, naar binnen!
—Zal ik meehelpen, Sihdi?—vroeg Halef.
—Ja, gij kunt de broek vasthouden terwijl ik de scheur naai.
De woning was leeg, daar alle man thans aan den arbeid was. Ik ging met Halef en de broek op een tafel zitten. Wij kregennaalden en garen; in plaats van een schaar hadden wij ons mes, en dus konden wij aan den arbeid gaan. Als schooljongen had ik menigen knoop aangezet en soms ook wel een kleine scheur dichtgenaaid; ik kende zoo tamelijk het onderscheid tusschen voor- en andere steken; en daarom begon ik het groote werk met de noodige zelfbewustheid.
Intusschen was de schrijnwerker-kleermaker druk bij de kachel bezig en gooide er hout op, alsof hij er een os op braden moest. De kachel gaf een warmte van zich, die mij aan de goede dagen van de Sahara herinnerde. Mijn kleeren waren droog en behoefden alleen nog maar gestreken te worden. De kunstenaar nam het vest ter hand, legde het op een plank en haalde met een tang het strijkijzer uit het vuur. Het was gloeiend heet en het houten handvat was verbrand. De man keek van het ijzer naar mij en van mij naar het ijzer en krabde zich bedenkelijk achter het oor.
—Wat is er?—vroeg ik.
—Mag ik eens iets vragen, Heer? Wat moet ik doen?
—Strijken.
—Maar hoe?
—Als altijd; gij kunt het immers uitstekend.
—Dat is een vervelende geschiedenis.
—Hoezoo?
—Wel, wanneer ik nu ga strijken, dan verbrand ik hetjelek(vest). Wacht ik tot het ijzer koud is, dan verbrand ik het niet maar het ijzer strijkt ook niet. Kunt gij mij misschien ook raad geven? Ik heb gehoord dat gij een Effendi zijt die groote reizen heeft gemaakt, misschien hebt gij wel eens gezien hoe een kleermaker dat doet.
—Ge moet mij niet kwalijk nemen, maar ik verdenk uw grootvader sterk.
—Och, doe dat niet, als ’t u blieft. Mijn grootvader—Allah zij met hem—was een vroom Moslem en een getrouw onderdaan van den Padischa.
—Dat kan zijn, maar een kleermaker was hij niet.
Nu hief de kunstenaar ook den anderen arm ten hemel, en krabde zich daarna met beide handen achter de ooren. Hij was blijkbaar ten einde raad, maar hij antwoordde niet.
—Nu, heb ik gelijk of niet?
—Effendi!—riep hij uit,—hoe weet gij dat?
—Ik raad het, vertel mij dus wat hij eigenlijk was.
—Nu, wanneer gij het dan bepaald wilt weten, hij was eigenlijk een Odundschu (houthakker) en maakte buitendien zoowat kleeren voor de andere houthakkers. De strijkijzers had hij echter ook van zijn grootvader geërfd, geloof ik.
—Die misschien ook alweer geen kleermaker geweest was?—zei ik lachend. Zijt gij getrouwd?
—Neen, maar ik hoop het toch spoedig te zijn.
—Haast u dan, opdat gij spoedig kleinkinderen moogt hebben, die de strijkijzers kunnen erven, want men moet het voorbeeld van zijn voorvaderen zooveel mogelijk volgen, en ik hoop dat deze ijzers steeds in de familie zullen blijven.
—Daar zal ik voor zorgen,—verzekerde hij ernstig. DezeMiras nasargiahi(erfstukken) zullen altijd in onze familie blijven. Maar nu moet gij mij toch zeggen wat ik doen moet.
—Welnu, ik beveel u, deze erfstukken in ’t geheel niet meer aan te raken. Als ik mijn kleeren zelf moet maken, kan ik ze ook zelf wel uitstrijken.
Hij trok zijn handen uit zijn haar, zuchtte diep, en was meteen paar groote stappen de deur uit. Halef zou hem liefst met zijn zweep achterna zijn gegaan om hem een kastijding toe te dienen, omdat hij zich voor eenUruwadschi terziji(marchand tailleur) had uitgegeven, terwijl hij niets van het vak verstond. Ik trachtte hem te troosten met den goeden raad, zich nooit door titels of mooie namen van anderen te laten overbluffen. Ik moet eerlijk bekennen dat het strijken mij ook alles behalve handig afging omdat, voor zoover ik weet, nog nooit een strijkijzer in mijn familie van den een op den ander overgegaan is. Toen ik evenwel het kunststuk had klaar gespeeld, bleef mij niets meer over, dan trotsch op mijn werk te zijn, iets waarin Halef mij met alle macht bijstond. Hij beweerde nog nooit zulke flinke sterke steken te hebben gezien en hij was verrukt over den onmisbaren glans, door bruine en zwarte strepen op het strijkgoed getooverd. Mannen van het vak hebben mij later echter verzekerd, dat ik op die vuile brandstrepen mij niet moest beroemen.
Toen wij zoover waren, kwam de opzichter met zijn broeder, die nu ook gereed was om met ons mee te gaan. De kleermaker, gerustdat zijn hulp als zoodanig niet meer zou gevorderd worden, stak zijn hoofd door de deur en kwam, toen hij mij geheel gekleed zag staan, opgetogen en vroolijk op mij af.
—Heer,—zeide hij,—alles is in orde, zooals ik zie. Mijn twee strijkijzers hebben hun werk mooi gedaan, ik wil dus hopen dat gij mij daarvoor met een milde Bakschisch zult verblijden.
—Die zult gij hebben!—zeide Halef.
Hij verdween achter het schut, waarachter ik mij verkleed had, en kwam terug met de jichtlaarzen. Ze hadden meer van zakken dan van laarzen. Halef hield ze den fooi-vrager voor en zeide op goedmoedigen toon:
—Wij vereeren u dezeKablar fil ajaslari(foudralen voor olifantspooten) tot een eeuwige gedachtenis aan uw kleermakers-talent. Doe ze bij uw strijkijzers, tot een erfenis voor uw kinderen en kleinkinderen, opdat uw afstammelingen een blijvende herinnering mogen hebben aan het glorierijke feit, dat hun stamvader de groote kunst verstond, broekspijpen dicht te naaien. Allah schiep apen en ezels; u echter zond hij tot bekroning van deze schepping naar Rumelia!
De kleermaker greep naar de laarzen en beschouwde ze met groote oogen. Zulk een Bakschisch had hij niet durven verwachten, en dat nog wel, met zóó’n mooie toespraak!
—Welnu, hoe staat ge zoo in de laarzen te kijken? Meent gij soms dat uw kleermakers-verstand daarin verscholen zit?—vroeg Halef. Maak dat gij met ze wegkomt, en wees dankbaar voor onze grootmoedigheid, die u met zulk een geschenk begenadigt!
Ik betuigde mijn instemming met den raad hem door Halef gegeven, onderwijl ik eenige piasters in de laarzen liet vallen. Daarmee had ik ’s mans tong weder losgemaakt. Hij kon weer spreken, bedankte voor het geschonkene en haastte zich met een en ander weg te komen.
Nu volgde het afscheid. Ik bekortte het zooveel mogelijk, en wij reden weg, meest over ongebaande grasvlakten, westwaarts houdende.1
1Als vervolg op dit boek leze men “De Karanirwan-Khan in Albanië” door Dr. Karl May.
1Als vervolg op dit boek leze men “De Karanirwan-Khan in Albanië” door Dr. Karl May.