Chapter 7

Daar heb je het bedeksel van je ongelukkig verstand weer terug. (Bladz. 125).Daar heb je het bedeksel van je ongelukkig verstand weer terug. (Bladz. 125).En hij wierp hem het met gips gevulde hoofddeksel in het aangezicht, dat rood was van toorn. De gips vloog uit de Fez, en in het volgend oogenblik zag de dokter er uit, als een uit peperkoek gekneed kerstmannetje. De gips was ook op zijn oogen terecht gekomen. Hij veegde en veegde, stampte met de voeten, verloor zijn pantoffels en schreeuwde of hij vermoord werd, trok, toen hij eindelijk weer kon zien, de riemen van zijn mand en wilde Omar daarmede naar het hoofd gooien. Deze was daarop echter voorbereid en ving de mand op. Daarbij ging het dekselopenen de geheele inhoud: tangen, scharen, pincetten, zwachtels, doozen en allerlei voorwerpen, rolden op den grond, natuurlijk ook het voornaamste instrument dat een oostersch geneesheer gebruikt, de klisteerspuit niet te vergeten.De vlugge Arabier bukte handig en begon den dokter met al deze voorwerpen te bombardeeren. Deze wist in zijn woede niet anders te doen dan de wet der wedervergelding in praktijk te brengen. Hij nam eenige dezer voorwerpen, die tegen zijn lichaam terecht waren gekomen, weer op en wierp ze met geweld naar Omar terug, onder het uiten van allerlei vloeken en scheldwoorden, waarin hij het bijzonder ver scheen te hebben gebracht, maar die nagenoeg niet zijn weer te geven.Gips droogt, zooals bekend is, zeer snel. Reeds na verloop van een paar minuten was het een steenharde massa. Hier ging dit natuurlijk nog eens zoo gauw, daar al het vocht in zijn kleeren trok. Toen zijn bovenkleeren geheel wit waren geworden, staakte Omar het bombardement.—Zie zoo! nu hebt ge genoeg gehad. Raap nu jerommeltjemaar netjes bij elkaar. De kuur is geëindigd. Sta maar op!De dikke wilde van den stoel opstaan, maar zijn kleederen die geheel stijf geworden waren, belemmerden hem daarbij. Dat was ook de reden waarom ik niet tusschenbeiden was gekomen. De mogelijkheid om van gips een verband te maken, was hem nu proefondervindelijk bewezen.—Ik kan niet opstaan! Ik kan niet opstaan!—riep hij uit, zijn tien vingers, wijd uitgespreidende.—Mijn kaftan is van glas! Mijn kaftan breekt!Halef nam de fez bij de sigarenlintjes beet, en hield hem die voor.—Kijk eens hoe mooi je hoofddeksel is geworden! Wat zegt ge daar nu van!De Fez was bikkelhard geworden; ’t was grappig om te zien!—Mijn muts! mijn muts!—schreeuwde de dikke. Ik heb die van jongs af gedragen en nu wordt hij door zoo’n ongeluk van een mensch ontheiligd! Geef hier!Hij wilde er naar grijpen, maar toen hij zijn arm ophief brak de gips.—Hebt gij ’t gezien? Hebt gij ’t gehoord. Mijn lichaam brokkelt af. Ik voel dat ik ook innerlijk in stukken breek. Gij hebt mij tot een voorwerp van afschuw en spot gemaakt. Ik ben een verloren man en gij kunt me wel dadelijk laten brengen naar het kerkhof waar de cypressen over mij zullen treuren! O Allah, Allah, Allah!Zijn toorn was in weemoed overgegaan. Het verlies zijner sierlijkheid en lenigheid van gestalte ging hem zeer ter harte. Reeds stonden allen op ’t punt zijn weemoedige ontboezeming met een hartelijk gelach te beantwoorden, toen ik met een handbeweging stilte gebood en hem antwoordde:—Jammer en treur niet, Hekim. Uw verdriet zal zich omzetten in vreugde, wanneer gij beseft welk een gewichtige ontdekking gij hebt gedaan en welke nuttige ondervinding gij hebt opgedaan!—Ja, ik heb wel ondervinding opgedaan, maar voor mij van weinig gewicht. Ik heb geleerd, dat men zich niet moet afgeven met menschen zonder eenige beschaving!—Meent gij dan misschien, Hekim, dat men die bij u vinden kan?—Ja, want ik ben de man die kranken geneest en vermoeiden weer doet opstaan. Dat is de ware beschaving.—Gij zijt de man die van een patiënt durft zeggen, dat zijn tong niet zoo groot en niet zoo belangrijk is als een rundertong. Wanneer gij u verbeeldt, dat dit van beschaving getuigt, dan hebtgij ’t nog niet ver gebracht. Hoe ge overigens uit mijn tong wilt zien, hoe ’t met de verstuiking van mijn voet is gesteld, is en blijft me een raadsel.—Dat zal u in uw leven wel meer zijn voorgekomen, dat gij iets niet kondet begrijpen. Dat kan men wel aan u zien. Gij begrijpt natuurlijk ook niet, dat gij mij in een toestand hebt gebracht die mijn eer en goeden naam benadeelt.—Neen, dat begrijp ik zeer zeker niet!—Dan gaat uw wijsheid niet heel ver!—En toch trekt gij den neus voor mij op en kijkt me aan met een gezicht, en spreekt woorden, alsof gij de meest geleerde professor ter wereld zijt.—Tegenover u ben ik ook professor geweest, want ik heb u practisch onderricht in de verbandleer gegeven.—Daar heb ik geen woord van gehoord!—Ik sprak ook van practisch onderricht, en daar behoeft niet bij gesproken te worden. Wat gij nu hebt geleerd, kan u maken tot den meest beroemden van alle doktoren, die wonen in de landen die onder het beheer van den Padischa staan!—Wilt gij mij nu nog bespotten ook? Wanneer gij inderdaad zoo knap zijt als gij beweert, geef mij dan liever goeden raad hoe ik weer uit die huid van gips moet komen!—Daarover zullen wij het later wel hebben. Gij hebt mij uitgelachen en beweerd dat uit gips geen verband te maken was, en toch is dit het allerbeste wat er bestaat. Gij liet mij niet aan het woord komen, en daarom hebt gij nu uit ervaring moeten leeren. Pak uw kaftan beet. Die was eerst zacht, en is nu zoo hard als een steen, zoo hard als een verband moet wezen om aan een lichaamsdeel stevigheid te geven. Merkt gij nog niets?Hij trok de wenkbrauwen samen en keek mij nadenkend aan.Ik ging voort:—Wanneer gij een gebroken been tusschen planken bindt, dan zullen deze voor dat lichaamsdeel zeer lastig zijn, omdat zij niet den vorm van het been aannemen, zich niet daar naar voegen. Zulk een verband deugt niet.—Maar er bestaat geen ander verband. De grootste en voornaamste doctoren in het land hebben zich er tevergeefs het hoofd over gebroken, om een verband uit te denken dat stevig is en zichvoegt naar den vorm van het lichaam. Ik zelf heb een boek waarvan de titel is:Schifa kernik kyryklarin. (Over de genezing van beenbreuken). Daarin staat te lezen dat men breuken met planken kan behandelen.—En wie heeft dat boek geschreven?—De beroemde dokter Kari, Asfar Zulaphar!—Nu, die heeft ongeveer twee honderd jaar geleden geleefd. ’t Is best mogelijk dat men toen niet beter wist, maar nu zou men je uitlachen.—Ja, maar ik lach er niet om!—Daarom passen zijn redeneeringen en beschouwingen alleen voor dien tijd en niet voor den tegenwoordigen. Er zijn nog meer andere verbanden. Hebt gij de fez wel eens goed bekeken, die gij op uw hoofd hebt gehad?—Hoe zou ik die niet hebben bekeken! Die kleine padde heeft hem mij bitterlijk onder den neus geduwd.—Vertel me dan eens, welken vorm hij heeft aangenomen?—Dien van mijn hoofd!—En wel volkomen; juist zoo gaat het met ieder ander lichaamsdeel. Wanneer ik een arm, heb gebroken, laat ik dien eerst in ’t lid zetten, en wikkel hem dan in dunne zwachtels. Deze bevochtig ik dan met gips, dat ik in water heb opgelost, en zwachtel verder, telkens de verbandstof in het gips doopende wanneer dit droog en hard is geworden. Zoo krijg ik een stevig verband dat volkomen op den arm past!—Ah—Oh—Aah!—riep hij uit en keek daarbij eerst mij en daarna Halef aan, terwijl hij dezen toeriep:—Geef mij eens gauw mijn muts aan!De Hadschi deed wat hij hem vroeg, en hield die voor hem, terwijl hij ze naar alle kanten ronddraaide.—Nog beter is het,—ging ik voort,—wanneer men de stof eerst in het vochtige gips drenkt, en daarna om het lichaamsdeel windt. En opdat het, droog geworden, het zieke lid geen pijn zou veroorzaken, legt men daar eerst een laag watten op. Dan rust het lichaamsdeel in een zacht maar stevig en nauwsluitend verband.Hij keek me weer aan en riep toen plotseling uit:—Allah! Allah! Nazich idschad bulma, azametti keschf!Allah! Allah! Welk een heerlijke ontdekking, welk een prachtige uitvinding! Ik haast me, ik wil het opschrijven!Zonder zich te bekommeren om de stijfheid van zijn kaftan sprong hij op en ging haastig naar de deur.—Wacht eventjes! Neem meteen uw mand met instrumenten mee!—riep Halef. En zet eerst je muts weer op.De dokter bleef stilstaan. ’t Was kluchtig om hem te zien. De gips brak aan alle kanten en brokkelde af. De kaftan bleef in de vouwen en plooien en ook in den stand, waarin hij gebogen was bij het zitten van den geneesheer. Het onderste achterdeel stak vooruit en hinderde hem in het loopen. Toen keerde de kleine dikke man den Hadschi zijn rug toe, stak zijn armen achteruit en zeide:—Trek aan de mouwen! ik moet er uit!Halef pakte hem beet en hield hem vast. De Aesculaap trok en trok, en wrong zich eindelijk met zooveel geweld uit zijn gips-omhulsel los, dat hij tegen de deur aan vloog; en daar hij die reeds had opengedaan, zoodat zij alleen maar aan stond, kwam hij op de binnenplaats te recht.—Tekrar gelirim, tekrar gelirim, schimdi tekrar gelirim!Ik kom terug, ik kom terug, ik kom dadelijk terug!—riep hij terwijl hij haastig opstond en wegliep.Hij was van het verband in vuur geraakt en moest naar huis, om op te schrijven wat ik hem had gezegd. Dat hij zijn pantoffels, zijn kaftan, de fez en de mand met instrumenten had achtergelaten en nu blootshoofds over straat liep, daarvan scheen hij zich niet veel aan te trekken. Hij was met hart en ziel bij zijn beroep, maar had jammer genoeg, niet meer geleerd dan wat anderen hem konden leeren die zelf niets wisten.Nu moest het vertrek worden schoongemaakt. De stijve kaftan werd over een paar stoelen gehangen en de instrumenten bij elkaar gezocht. Toen werd mijn kamer voor mij gereed gemaakt. Osko had mij reeds lang weer water gebracht, en ik bemerkte tot mijn groote vreugde dat de zwelling minderde. Pijn had ik in ’t geheel niet meer. Later liet ik mij naar mijn kamer dragen en neerleggen op het bed dat inmiddels voor mij in gereedheid was gebracht. Ik maakte telkens frissche omslagen en was voornemens tegen den avond een verband te leggen. Daarvoor moesten watten, gaas en een nieuwe voorraad gips worden gehaald.Toen ik ongeveer drie uur had gelegen, hoorde ik de stem van den dokter aan de deur.—Waar is de Effendi?—Daar in die kleine kamer!—was Halefs antwoord.—Dien me aan.Halef deed de deur open en de dokter stapte naar binnen. Maar hoe!Hij was gekleed als een bruidegom! Een blauw-zijden kaftan hing neer tot op zijn voeten, die hij in fijne safraan lederen pantoffels had gestoken, en op het hoofd droeg hij een blauw en wit gestreepten tulband waaraan een granaten agraffe glinsterde. Hij zag er inderdaad feestelijk uit en had iets plechtigs over zich. Bij de deur bleef hij staan, kruiste de armen over de borst, maakte een diepe buiging en zeide:—Effendim, japarim ziaret schúkúrüm ittibarún, mijn geëerde Effendi, ik kom u mijn dank betuigen en de verzekering geven van mijn hoogachting!Girisch bana ruchsat wer!Veroorloof mij binnen te komen.Ik boog plechtig het hoofd en antwoordde:—Jaklaschdyr, chosch sen.—Treed nader, gij zijt welkom!Hij deed drie stappen, kuchte en begon:—Effendim, uw hoofd is de bakermat van het verstand der menschen en uw hersenen bevatten de kennis en wetenschap van alle volkeren. Uw geest is scherp als de scherpte van een scheermes, uw oordeel is puntig als de naald waarmede men booze zweren open maakt. Daarom is het uw kismet geweest, de groote vraag tot oplossing te brengen, hoe men breuken, verstuiking, verrekkingen en kneuzingen behandelen moet. Uw genie heeft alle sferen der wetenschap doorloopen, heeft gevorscht op elk gebied, totdat gij terecht zijt gekomen bij de zwavelzure kalk, die de onwetende Barbaren met den naam gips bestempelen. Daar hebt gij water bij gedaan en het daarna omgeroerd, waardoor men het op linnen kan uitstrijken, waarmede men dan de gewrichten, botten en pijpen omwikkelt, om dezen de stevigheid te geven die zij noodig hebben. Daardoor zult gij in den loop der tijden millioenen armen en beenen voor verkromming en vergroeiïng bewaren, en de professoren der toekomst zullen inzamelingen houden om voor u een monument op te richten, waarop uw hoofd in steen zal zijn uitgehouwen op uw gestalte. Op den steen zal uw naam in gouden letters worden gegraveerd. Tot zoolang zal ik hem in mijn notitieboekje opschrijven, en ik verzoek u mij dien naam te noemen.Hij had deze woorden op plechtigen toon gesproken, alsof hij sprak uit naam eener deputatie, die echter alleen uit zijn persoon bestond.—Ik dank u!—antwoordde ik,—de waarheid echter gebiedt mij te bekennen, dat ik het niet geweest ben, die deze groote uitvinding heb gedaan. In mijn vaderland is zij overbekend, zoowel bij doktoren als bij leeken.Wanneer gij echter den naam van den uitvinder wilt weten, zal ik u dien noemen. De geleerde man, aan wien zoovele menschen hun rechte ledematen te danken hebben, heet Mathijsen en was een beroemd heelkundige in het land dat Holland wordt genoemd. Ik heb uw dank niet verdiend, maar het verheugt mij zeer, dat de uitvinding uw goedkeuring wegdraagt, en ik hoop dat gij die veelvuldig in praktijk zult brengen!—Dat ik vast besloten ben, die geneeswijze toe te passen, zal ik u bewijzen. Maar den dank moogt gij niet afwijzen. Al zijt gij dan ook de uitvinder niet, gij hebt die weldaad dan toch hier ingevoerd. Ik zal den dag van heden niet vergeten, en heb tot mijn groote vreugde gezien dat mijn kaftan nog in wezen is. Die zal nu mijn uithangbord wezen. Ik zal die voor de deur van mijn huis ophangen, zoodat een ieder die het een of ander lichaamsdeel heeft gebroken, zien kan, dat ik hem in zwavelzure kalk wikkel. Ik heb reeds geprobeerd hoe die moet worden gemaakt, en verzoek u vriendelijk mijn werk in oogenschouw te nemen, en mij uw oordeel te zeggen. Wilt gij dat?—Zeer gaarne!—antwoordde ik.Hij ging naar het venster en klapte in de handen. De deur die naar de groote kamer leidde, werd opengedaan en ik hoorde zware voetstappen.—Hierheen!—beval hij.Dadelijk daarop verschenen twee mannen die een groote tobbe droegen, die tot aan den rand met vloeibare gips was gevuld. De een droeg buitendien een voorraad watten, voldoende om tien personen in te wikkelen, terwijl de andere een pak katoen in de hand hield. Zij zetten hun last neer en gingen heen.Toen er daardoor wat plaats was gekomen, kwamen twee mannen binnen die een baar droegen. Daarop lag een man met grooten baard, die tot aan den hals was toegedekt. Zij zetten de baar neer en gingen toen weder de kamer uit.—Hier zult gij nu het eerste verband zien, dat door mij werd aangelegd!—begon de dokter. Ik heb me de noodige grondstoffen aangeschaft en dezen arbeider laten komen om mij als model te dienen. Hij krijgt iederen dag tien piasters en den kost. Veroorloof mij dat ik het laken wegneem en u den patiënt toon.Hij nam het laken weg, en toen ik het model zag, moest ik mij geweld aandoen, om niet in lachen uit te barsten. De dikke had allerlei breuken en kneuzingen bedacht en den armen man dienovereenkomstig met gips verbonden. Maar hoe!De schouders, de boven- en onderarmen, zelfs de heupen waren in gips-zwachtels gewikkeld, die alle wel een handbreed dik waren. Ook de borstkas was van zulk een pantser voorzien, zoodat een kogel er zeker niet zou zijn doorgedrongen.De man leek inderdaad een werkelijke patiënt, die den dood nabij was. Hij kon zich niet bewegen, ja zelfs nauwelijks ademhalen. En dat alles voor een gulden twintig per dag. Per dag! Dat was het vermakelijkste van de geschiedenis. Hij moest dus dagenlang in die verbanden liggen en waarvoor?—Hoe lang wilt gij die proef dan laten duren?—vroeg ik.—Zoolang als hij het kan uithouden. Ik wil de uitwerking bestudeeren die de zwavelzure kalk op de verschillende lichaamsdeelen heeft.—Op een gezonde? De eenige uitwerking die ’t op hem zal hebben, is dat hij het niet meer kan uithouden. Wat is er met zijn borst gebeurd?—Hij heeft vijf ribben gebroken, twee rechts en drie links.—En met de schouders?—De beide sleutelbeenderen zijn gebroken.—En hoe staat het met de heupgewrichten?—Die zijn beide uit de kom geschoten. Maar nu heeft hij nog iets: de onderkaak is ontwricht en nu heeft hij de klem gekregen. Hoe men dát nu met gips moet verbinden, is mij niet recht duidelijk en ik zou gaarne hebben dat gij mij dit eens vóórdeelt!—Maar Hekim, dat wordt immers nooit verbonden.—Niet?... en waarom niet?—Wanneer men de onderkaak weer op zijn plaats brengt, wijkt de klem van zelf en is daar geen gipsverband meer bij noodig.—Goed, dan zullen we aannemen dat zijn mond weer geheel in orde is.—Maar wees nu zoo goed en maak ook zijn ribben vrij. De man snakt naar lucht!—Zooals ge wilt. Ik zal gereedschap gaan vragen bij den waard.Ik was zeer benieuwd wat hij zou meebrengen. Bij zijn binnentreden was ik juist bezig een verschen omslag om mijn voet te doen en ik keek eerst op, toen ik hamerslagen hoorde.—Om Godswil! Wat doet ge daar? Wat hebt ge daar in uw handen?Ik kon dat namelijk niet zien, omdat hij met den rug naar mij toestond.—Tshekidsch ile kalemkiarlyk!hamer en beitel!—antwoordde hij doodbedaard.—Dan zult ge hem de ribben inderdaad nog stuk slaan of hem den beitel in de borst stooten.—Ja, maar hoe moet men dan doen?—Met een schaar, een mes, of een daartoe geschikte zaag, al naar de plaats, waar het verband is aangebracht, en de dikte er van.—Een beenderenzaag is in mijn mand, ik zal die gaan halen.—Breng dan meteen mijn kleinen reisgenoot mede, die kan u helpen, want ik ben er niet toe in staat!Toen Halef binnenkwam, gaf ik hem eenige wenken en hij begon het gipsverband los te maken, hoezeer de dokter daar ook tegen protesteerde. Het was zwaar werk en het duurde geruimen tijd voor en aleer het model van al zijn verbanden was bevrijd. Er moest licht bij worden aangestoken, want de avond was inmiddels gevallen.De arme kerel, bij wien, behalve de leelijke beenbreuken en kneuzingen, de dokter ook nog mondklem had willen constateeren, had geen enkel woord gesproken. Maar toen hij van het laatste verband was bevrijd, zeide hij tot mij:—Ik dank u, Heer!Met één sprong was hij buiten.—Halt!—riep de dikke hem na. Ik heb je nog noodig, want nu beginnen wij weer van voren af aan!Maar al zijn roepen was tevergeefs.—Daar loopt hij me weg! Wat moet ik nu beginnen met al mijn mooie gips, watten en zwachtels?—Laat hem loopen!—antwoordde ik. Wat hadt gij dan gedacht?Met dien voorraad gips kunt gij wel twee huizen bedekken. Ik kan er wel wat van gebruiken, want ik geloof dat het nu tijd wordt om mij te verbinden!—Uitstekend, Effendi! Uitstekend! Ik zal dadelijk beginnen!—Langzaam, langzaam! En doe nu precies wat ik u zal zeggen.De man was geheel in vuur en deed mij onder het aanleggen van het verband, allerlei verhalen van kunststukken, die hij reeds had verricht. Toen wij gereed waren, zeide hij:—Ja, dat is heel wat anders. Ik zal meteen mijn proef-patiënt weer laten komen, en hem morgen weer hier heen laten brengen!—En wanneer wilt ge hem dan verbinden?—Van avond nog!—Allah! dan moet hij dus tot morgen zóó blijven liggen! Gij zult hem nog vermoorden. Wanneer ge u op hem wilt oefenen, moogt gij niet al zijn ledematen tegelijkertijd verbinden, maar slechts een tegelijk, en ook moet ge ieder verband dadelijk weer afnemen wanneer het stijf geworden is. Dan moet ge ook onthouden, dat men in de verbanden openingen kan snijden om zich van den toestand van bijzondere plekken op de hoogte te stellen. Gij hebt niemand die u daarin kan onderrichten en ook geen boek om in te studeeren. Gij moet dus zelf nadenken en proeven nemen!—Effendi! Blijf toch hier en onderricht mij. Alle Hekims uit den omtrek zullen gaarne uw lessen volgen!—Ja, en dan moesten wij als modellen dienen!—voegde Halef er aan toe. Dat ontbreekt er nog aan! Gij hebt nu van middag genoeg geleerd, en moet nu maar zien, u zelf verder te helpen!—Wanneer gij er geen tijd voor hebt, moet ik van zelf wel van dat onderwijs afzien. Het is waar, ik heb van middag veel geleerd en weet eigenlijk niet hoe ik u mijn dankbaarheid zal toonen. Geld zoudt gij toch niet aannemen. En daarom zal ik een aandenken geven, Effendi, dat u inderdaad genoegen zal doen!—En dat is?—Verscheidene flesschen met spiritus en verschillende soorten lint- en dauwwormen, waaraan ik zeer veel aardigheid heb. Maar ik gun ze u van harte!—Ik moet u daarvoor danken, want die flesschen zouden mij op reis veel te lastig zijn.—Dat spijt me, maar ik wil u toch toonen dat ik niet ondankbaarben. Ik zal u het liefste geven, wat ik bezit: een skelet. Ik heb de beenderen zelf afgeschrapt, gekookt, gespoeld en gebleekt.—Ook daarvoor moet ik u danken.—Wilt gij mij beleedigen?—Volstrekt niet, maar ge begrijpt toch wel dat ik op mijn paard geen skelet kan meenemen.—Dat is waar! Maar veroorloof me dan tenminste dat ik u hartelijk de hand druk.De Hekim was, als de meeste dikke menschen, in den grond een zeer goedig manneke. Hij was zeer leergierig en dankbaar, en was sedert den namiddag zeer veel veranderd. Hij was overgelukkig toen ik hem uitnoodigde deel te nemen aan ons avondmaal, en toen hij daarna afscheid van ons nam, scheidden wij als goede oude vrienden.Zijn dragers hadden zoo lang moeten wachten, en sleepten nu hun lasten weer mee. In plaats van het model lag nu de mand met instrumenten en de stijve kaftan, die als uithangbord dienst moest doen, op de baar.Het overige gedeelte van den avond brachten wij door, met te overleggen wat wij den volgenden dag zouden beginnen. Ik was vast besloten om, in weerwil van mijn voet, de reis voort te zetten want wij mochten den vier mannen die wij vervolgden, niet zulk een belangrijken voorsprong geven dat wij hun spoor konden verliezen.Op het briefje, dat Hamb el Amasat had geschreven en dat mij te Edreneh in handen gekomen was, stond te lezen:—In pripeh beste la karanorman chan ali sa panajir menelikde—zeer spoedig bericht in Karanorman-khan, maar na de jaarmarkt te Menelik.2Menelik lag nu achter ons en wij waren den broeder van Hamb el Amasat tot hiertoe gevolgd, zonder ook maar een flauw vermoeden te hebben waar dit Karanorman eigenlijk lag. In ieder geval was deze plaats het doel van zijn tocht en zouden wij hoogst waarschijnlijk beiden daar aantreffen. Zij hadden iets zeer slechts in den zin, wat wij wilden voorkomen. Daarom hadden wij dezen tocht ondernomen en wanneer wij hun een grooteren voorsprong gaven, was het zeer waarschijnlijk dat wij ons doel niet zouden bereiken. Daarom moesten wij beslist den volgenden dag verder gaan.Halef beschouwde mij als patiënt en verlangde dat ik me zou ontzien. Osko en Omar waren het echter volkomen met mij eens.De laatste liet zelfs de spreuk der wrake der woestijn hooren:—Ed dem b’ed dem! Bloed voor Bloed! Ik heb gezworen den dood mijns vaders te wreken, en ik moet mijn woord houden. Wanneer gij morgen niet meegaat, dan vertrek ik alleen. Ik heb geen rust voor ik den moordenaar mijn mes in het hart heb gestooten!Dat klonk woest en onmenschelijk. Als Christen hing ik aan de leer “Hebt uwe vijanden lief!” maar toen ik mij het oogenblik herinnerde dat zijn vader, onze gids, zoo jammerlijk was omgekomen, gevoelde ik toch dat die dood moest worden gewroken. Of dit nu juist moest geschieden op de wijze die Omar voorstelde, daarover was ik het op dat oogenblik nog niet met mijzelf eens. In ieder geval was ik vast besloten, geen doodgewonen barbaarschen moord te dulden.Wanneer ik niet gewekt geworden was, had ik zeer zeker een gat in den dag geslapen. De mandenmaker stond buiten en wenschte mij te spreken. Ik ontving hem, vrijwel ontstemd door de stoornis, maar toen ik achter hem zijn zwager, den waard zag binnenkomen, begreep ik dat er gewichtige redenen voor moesten bestaan om mij uit den slaap te halen en zette ik een vriendschappelijker gezicht.—Heer,—zeide de waard. Ik dacht niet dat ik u zoo spoedig zou weerzien. Neem mij niet kwalijk, dat wij u in uw rust komen storen, maar er staat veel op het spel. Het geldt uw leven!—Alweer! Maar we willen hopen dat het niet zoo ernstig is als gij u voorstelt.—Het zou zeer ernstig zijn, wanneer ik u niet had kunnen waarschuwen. De beide Aladschy’s zijn hier bij mijn broeder geweest!—Ah! wanneer?—Bij het aanbreken van den dag!—antwoordde de mandenmaker tot wien ik deze laatste vraag had gericht. Wij waren al vroeg wakker, want de vreugde over uw geschenken hield ons uit den slaap. Zelfs de kinderen waren reeds opgestaan. Ik was naar de rivier gegaan, om naar de netten te zien, die ik gisteren avond nog had uitgezet. Toen ik terugkwam, hielden juist twee ruiters voor de deur stil, waar zij met de kinderen spraken. Vader lag nog te bed. Toen zij mij zagen aankomen, vroegen zij of hier gisterenniet vier ruiters waren voorbij gekomen, waarvan een, een Scherif-tulband droeg, en een gekleurden bril op had. Een der paarden was een zwarte Arabische hengst.—En wat hebt gij geantwoord?—vroeg ik in spanning.—Wel, ik dacht dadelijk dat dit wel de Aladschy’s zouden zijn waarover gij ons hadt gesproken, en verzweeg de waarheid.—Hm! dat zal je wel slecht zijn bekomen.—Begrijpt gij dat al?—Uw kinderen hadden het zeker reeds verraden!—Zoo is het. Zij sloegen mij met hun zweepen en dreigden mij te dooden, als ik hun niet de waarheid zeide.—Het is heel goed, dat gij hun de waarheid hebt verteld.—Weet ge dan, dat ik dat heb gedaan?—Ik merk het aan uw schuwen blik. Gij vreest dat ge iets verkeerds hebt gedaan en hebt daardoor geen rustig geweten.—Effendi, gij hebt het bij het rechte eind. Ik had me wel uit de voeten kunnen maken, maar dan hadden zij dat zeer zeker op mijn vader en de kinderen gewroken. En daar deze laatsten toch al hadden gebabbeld, zei ik dat gij inderdaad voorbij waart gereden.—Maar toch verder niets?—Ik wilde dat alleen zeggen, maar zij hadden de kinderen reeds volkomen uitgehoord en van hen vernomen dat gij uw laarzen geledigd en aan vader geld gegeven had en dat ik u vandaag naar Taschköj zou brengen, waar ik ook reeds met de booze mannen was geweest.—Dan hebt gij ’t wel moeten bekennen!—Ja, ik kon niet anders, en ik hoop dat u er niet boos om zult wezen.—Ik kan er u niet om beknorren. Ik had voorzichtiger moeten zijn en er niet over spreken in tegenwoordigheid der kinderen. Hadden de roovers geweren?—Ja, en zij zagen er uit alsof zij ’t hard hadden te verantwoorden gehad. De een had een pleister op de bovenlip, en zijn neus had de kleur van een blauwe pruim.—Dat is Bybar geweest, dien ik met een houw de bovenlip had opgescheurd. Maar hij droeg toch een baard?—Dan heeft hij dien afgeknipt om een pleister op de scheur te kunnen leggen; mijn broer zal dat wel weten. Hij sprak in het geheelniet. Zijn broer deed het woord. Deze zat zoo slecht in den zadel alsof hij zijn ribben had gebroken.—Ik smakte hem tegen een boom en daarvan zal hij de gevolgen nog voelen. Wat deden zij toen?—Zij gaven mij nog een paar stompen, en reden toen in de richting van Radowitsch weg.—Dat geloof ik niet. Ik denk dat zij naar het bosch zijn gereden, waar gij ons doorheen moet brengen. Zij zullen ons dáár willen overvallen. Zij kennen ongetwijfeld den omtrek!—Gij hebt goed geraden, Effendi. Ik dacht hetzelfde en ben hen daarom achterna geslopen. Al heel gauw sloegen zij rechts af, de bergen in.—En nu hebben zij zich daar verborgen en wachten ons op. Voor alles moet ik weten, hoeveel en wat gij hun hebt verteld. Gij hebt dus bekend dat ik te Radowitsch ben. Gij hebt misschien ook wel gesproken over mijn gewonden voet die me waarschijnlijk zal noodzaken te Radowitsch te blijven?—Neen, geen woord!—Dan verwachten zij ons heden. Hebben zij niet gevraagd, wanneer wij voornemens waren te vertrekken?—Ja, en ik zeide dat ik dat nog moest vernemen. Toen zwoeren zij, mij te vermoorden en mijn hut af te branden, wanneer ik hen zou verraden. Daarbij vertelden zij mij dat zij de Aladschy’s waren, van wie ik zeker wel zou hebben gehoord en die hun bedreiging altijd uitvoerden.—En toch komt gij het mij vertellen!—Dat is mijn plicht en ook de dankbaarheid gebiedt het mij. Misschien kunt gij het wel zoo inrichten, dat ik toch heb gezwegen!—Dat gaat misschien gemakkelijk genoeg. Natuurlijk ben ik u dankbaar voor uw waarschuwing, zonder welke ’t mij slecht had kunnen vergaan.—Ja, Heer, gij zoudt verloren zijn geweest!—viel zijn broer hem in de rede. Ik heb het met mijn eigen ooren gehoord.—Ze zijn dus weer naar u toegekomen?—Natuurlijk. Maar ik was er geenszins mede in mijn schik, want ik had genoeg aan hun eerste bezoek.—Dat was gisteren namiddag! Of hebt gij hen reeds vroeger gezien?—Gehoord had ik wel van hen, maar ik had ze nog nooit gezien. Zij kwamen ’s morgens bij mij en vroegen Raki, en gingen aan de tafel voor het huis zitten, nadat zij de paarden naar achteren hadden gebracht.—En vermoeddet gij wie zij waren?—Ja hun paarden en hun reuzen-gestalten pasten volkomen bij de beschrijving die men van hen had gegeven. Ik was zeer op hen gebeten, omdat ik hen hield voor de dieven van mijn paard en mijn pakzadel.—Gij weet dus reeds dat beide verdwenen waren?—Natuurlijk, dat zag ik zoodra ik was opgestaan.—En was het dan niet mogelijk dat uw paard was weggeloopen?—O, dat was nog nooit gebeurd en dan had het zadel er toch moeten wezen.—Dat is volkomen waar, het zadel loopt niet met het paard weg.—Ik vertelde hun van den diefstal, en zij schenen te merken dat ik er hen van verdacht, want ze werden boos tegen mij en dwongen mij eindelijk in de kamer te blijven.—En liet gij u dat maar welgevallen?—Wat kon ik er tegen doen?—De hulp van uw buren inroepen.—Ik kon toch niet weg om die te halen, en zelfs indien dit mogelijk was geweest, had ik het toch niet gedaan. Wanneer de Aladschy’s bij iemand komen, doet men maar het beste hun te gehoorzamen, want wanneer men ook al eenig oogenblikkelijk voordeel op hen behaalde, zouden zij dit later toch wreken. Ik bleef dus rustig in de kamer. Ik mocht niet eens de kinderen halen, wat gij later toch hebt gedaan, Effendi!—Kwam er in dien tijd niemand bij u binnen?—Gij dacht dat de komst van een gast hen misschien zou hebben verjaagd!—Zijn zij dan bij uw komst vertrokken?—Neen, daar hebt gij gelijk in!—Er ging niemand voorbij, er kwam slechts een persoon en dat was———De Bakadschi Toma van Ostromdscha!—viel ik hem in de rede. Die wist dat de Aladschy’s op hem wachtten. Buitendienwaren zij den vorigen nacht in de nabijheid geweest en wisten ook dat gij twee paarden bezat. Zij zijn de eigenlijke oorzaak van den diefstal!—Dat heb ik nu van mijn broeder gehoord.—En bleef die Toma maar kort bij u?—O neen, hij steeg van zijn muildier, ging bij hen zitten en vertoefde wel een uur bij hen.—En kondet gij niet hooren wat zij zeiden?—Van de kamer uit niet, ik hield hen echter voor de dieven van mijn paarden, en daar ik vermoedde dat zij erger in den zin hadden omdat ik de kamer niet mocht verlaten, nam ik mij voor te luisteren. Gij zult wel hebben gezien dat in mijn kamer een ladder staat, waarmede men op den zolder kan komen waar het stroo ligt. Ik klom naar boven en vandaar uit kon ik zachtjes door het luik op het uitstek komen. Ik hoorde ieder woord en vernam wat in Ostromdscha was geschied. De bode vertelde dat uitvoerig, en zeide dat gij tegen den middag zoudt opbreken en dus ongeveer twee uur later langs mijn huis zoudt komen. Verder hoorde ik, dat hij reeds den vorigen avond met hen had gesproken.—Aha!—riep ik uit—nu begrijp ik hoe het mogelijk was, dat de Mubarek de Aladschy’s zoo gauw vinden en tegen mij opzetten kon.—Het schijnt dat hij hen reeds vóór uw aankomst had besteld om den een of anderen gemeenen streek uit te voeren. Gij hebt hem daarin gestoord, en daarom heeft hij van bun aanwezigheid gebruik willen maken om zich op u te wreken.—Wat hoordet gij nog meer?—Dat de Mubarek met nog drie anderen was ontkomen, en dat gij sterven moest. Hij duidde zelfs de plaats aan, waar gij zoudt worden overvallen, namelijk niet ver van de scherpe bocht die de weg in het bosch maakt.—Daar heeft in elk geval de strijd tusschen hen en mij plaats gehad!—En gij hebt hen overwonnen, zooals mijn broer mij heeft verteld. Effendi, Allah is met u geweest, anders hadt gij het onderspit moeten delven.—Zeer zeker! Maar ga voort.—De bode zeide hun, dat zij niet op hun geweren en pistolen moesten rekenen, want dat gij kogelvrij waart. Toen lachten zij hem in zijn gezicht uit. Toen hij hun echter precies vertelde water gebeurd was, werden zij bedaarder en geloofden eindelijk dat gij inderdaad kogelvrij zijt!—Nu, en wat denkt gij daarvan? vroeg ik.—Effendi, er bestaat tweeërlei tooverij. Bij de een is de hulp van Allah noodig, en bij de andere de hulp van den duivel. Gij hebt ook tooveren geleerd, maar Allah helpt u.Ik antwoordde hem:—Meent gij inderdaad dat de Almachtige door enkele woorden, teekenen of ceremonieën van een zijner zwakke schepsels, gedwongen zou kunnen worden, hem ter wille te zijn?—Hm! Neen, want dan was die mensch nog machtiger dan Allah zelf. Maar gij doet mij schrikken! Toovert gij dan met behulp van den duivel?—O neen, wij tooveren in het geheel niet, en kunnen niet meer dan andere menschen.—Maar gij zijt toch kogelvrij!—Wij zouden wat blij zijn, als dat inderdaad het geval was. Maar jammer genoeg, zou een kogel in onze huid, een even groot gat maken, als in die van ieder mensch.—Dat kan ik niet gelooven. Gij hebt immers de kogels met de hand opgevangen.—Dat leek maar zoo. Ik heb mezelf reeds verweten dat ik de menschen in hun bijgeloof heb versterkt, maar misschien kan ik dat door u weer goed maken. Wanneer gij weer te Ostromdscha komt, zult gij daar wel over ons hooren spreken. Vertel de menschen hoe het gegaan is. Ik had gehoord, dat wij zouden worden overvallen, of van uit een hinderlaag doodgeschoten, en toen kwam ik op het denkbeeld, om de menschen in den waan te brengen dat wij kogelvrij waren, omdat men dan hoogst waarschijnlijk niet op ons schieten zou. Ik zal u vertellen hoe ik dat heb aangelegd.En nu legde ik hem alles uit. Zijn gezicht werd al langer. Toen bekwam hij langzamerhand van zijn verbazing, hoorde mij ten einde toe aan, en zeide lachend:—Het verheugt mij buitengewoon, Heer, dat gij mij die geschiedenis hebt verteld. Ik zal te Ostromdscha een groote rol spelen, wanneer ik de menschen uitlach en hun vertel, hoe de zaak in elkaar zit. Ik wilde dat ik het hun kon laten zien.—Dat kunt gij. Ik heb nog meer kogels, en wanneer gij mijbelooft voorzichtig te zijn en ze niet met andere te verwisselen, dan wil ik u die geven.—Ja, geef ze mij. Ik ben o zoo blij dat gij dit wilt doen. Maar weet gij, dat ik nu nog meer eerbied voor u heb dan te voren.—Waarom?—Omdat het nog veel meer zegt, zich door wijsheid en slimheid ergens doorheen te slaan dan door tooverij. En nu geloof ik ook dat de goochelkunst uit niets anders dan zulke kunstgrepen bestaat. Gij hebt echter uw doel bereikt, want de Aladschy’s besloten in ’t geheel niet op u te schieten, maar u met bijlen en messen af te maken. De bode beschreef u zoo nauwkeurig, dat geen vergissing haast mogelijk was en ging toen heen. Geen kwartier later kwaamt gij.—En wien meendet gij te zien?—Een Scheriff. Ik kon niet vermoeden dat gij de vreemde Effendi waart, die zou worden vermoord.—En hebt gij ook ons gesprek beluisterd?—Neen, want uw persoon leek mij niet van voldoende gewicht. Toen kwaamt gij binnen en waart vriendelijk tegen mij en de kinderen. Gij genaast zelfs mijn dochtertje van haar tandpijn. Ik wist wel is waar niet, wat zij met u voorhadden, maar gij waart vriendelijk tegen ons geweest en daarom waarschuwde ik u.—Met gevaar voor u zelf.—Dat was zoo groot niet. Ik waagde er alleen een paar zweepslagen aan. Toen zij met u waren weggereden, maakte ik mij ongerust over u, want zij hadden elkander zulke vreemde blikken toegeworpen. Daarom wenkte ik u nog eens, toen gij op de brug omkeekt.—Ik begreep dat gij mij tot voorzichtigheid wildet aanmanen. En wat deedt gij daarna?—Ik ging naar mijn buren, vertelde hun wat er was voorgevallen en riep hen op, om met mij het bosch in te gaan en u uit de handen der roovers te bevrijden en ook de vier vreemdelingen te redden, die zouden worden overvallen.—Maar daarvoor waren ze niet te vinden!—vervolgde ik zijn verhaal. Ze waren natuurlijk bang voor de wraak der Aladschy’s en verscholen zich veilig achter hun vier muren. Dat kan ik me voorstellen. De vrees is de grootste vijandin dergenen die vreesachtigzijn. Ergens anders waren de Aladschy’s nooit zoo ver gekomen; men zou hen heel gauw onschadelijk hebben gemaakt.—Meent gij, in uw vaderland?—Ja zeker!—Is daar dan iedereen een held?—Neen, maar daar is het onmogelijk dat een Skipetaar de menschen zooveel vrees aanjaagt. Wij hebben geen strengere maar wel veel zachtere wetten dan gij, maar ze worden gehandhaafd. Daarom vreest ook niemand de wraak van een mensch, want de politie is sterk genoeg om de zwakkeren en goeden en eerlijken te beschermen. Maar wie beschermt u?—Niemand, Heer. De vrees alleen. Wie het bijvoorbeeld zou wagen om zich tegen de Aladschy’s te verzetten en hun bevelen niet uit voeren, zou alles van hun toorn hebben te vreezen, en er is geen overheid die hem daarvoor kan vrijwaren. Daarom moet het u niet verwonderen, dat mijn buren niets met de zaak te doen wilden hebben.—Maar gij zijt ook niet groot in getal!—Ook dat, en buitendien is men vrij algemeen de meening toegedaan dat twee van die Aladschy’s allicht tien man kunnen staan!—Hm! Dan kan ik er wel twintig voor mijn rekening nemen, want ik ben hun de baas af!—Maar alleen met Allah’s hulp, Effendi. Die roovers zijn verschrikkelijk. Toch nam ik mij voor, de vreemdelingen te waarschuwen. Daarom zette ik mij op de bank voor mijn huis neer en wachtte hen op.—Hebt ge ze gezien?—Neen, mijn kinderen waren aan het kibbelen geraakt, zij huilden en ik ging naar binnen om den strijd te beslechten. En in dien tijd moeten de vreemdelingen voorbij gekomen zijn. Ik ben er slecht afgekomen, maar wat mij uit hun gesprek bleek, deed me veel genoegen. Ik hoorde namelijk dat de bewuste Scheriff hen had overwonnen!—En gij vermoeddet dus niet dat de Scheriff de aanvoerder was dergenen die zij wilden opwachten?—Die gedachte is niet in mij opgekomen. Maar later, toen zij wat kalmer waren geworden en bij de Raki zaten, haalde de een een briefje voor den dag, dat zij lazen. Ik hoorde dat gij dat aaneen boom hadt gestoken. Zij konden er echter niet uit wijs worden en wisten alleen dat er drie ruiters voorbij waren gekomen, die zich precies aan dit briefje hadden gehouden.—En hielden zij die voor de verwachten?—Neen, want de hoofdpersoon ontbrak immers. Zij meenden dat gij nog voorbij moest komen. Ofschoon de bode hun had meegedeeld, dat gij gewaarschuwd waart geworden, wilden zij het toch met u opnemen. Zij waren zoo ontzettend woedend, dat zij al hun kalmte verloren hadden en ook niet meer nadachten. Hun geweren waren gebroken. Zij hadden de stukken bij zich. Ik heb die alle op mijn rug gevoeld. De kinderen begonnen daarover te huilen en kregen ook schoppen en slagen. De een kon niet rechtop staan, dien hadt gij tegen een boomstam gegooid. Hij kleedde zich uit en ik moest hem zeker wel een paar uur den rug wrijven met raki en boter. De andere bloedde voortdurend. Gij hadt hem van onderenop een por gegeven en daarbij zijn bovenlip verwond, naar hij zeide met de duimen van uw vuist. Zijn neus was bont en blauw en dik en gezwollen. Hij wreef dien met raki. Later toen de twee anderen kwamen, knipte een hunner hem den baard af en ging in het naburige bosch hars halen, en maakte daarvan, met boter, een pleister die op de lip werd gelegd.—De twee anderen kwamen? Wie waren dat?—O, dat waren eerst een paar echte galgentronies. Die moest gij eens gezien hebben. Zij hadden den vorigen nacht bij Ibarek in Dabila geslapen, en——O, die ken ik. Het waren broeders. Hebt gij dat niet gemerkt?—Ja, ik hoorde al heel gauw dat zij, evenals de Aladschy’s, broeders waren. Zij kenden dezen en ook u!—En wisten zij dat zij de Aladschy’s zouden aantreffen?—Neen, de twee paren broeders waren zeer verwonderd over deze toevallige ontmoeting, maar hun vreugde was toch nog grooter dan hun verbazing, toen zij hoorden dat hetzelfde doel hen had hiergebracht, nl. wraak te nemen op u!—Dat geloof ik, dan zullen ze elkaar heel wat te vertellen hebben gehad!—Veel, zeer veel, van Edreneh en Menelik, waar gij zoo vlug waart ontkomen, ofschoon gij reeds dáár onschadelijk hadt moeten worden gemaakt. Gij waart hen daarom dubbel gevaarlijk omdatgij van uit het duivenslag3het geheele gesprek hadt afgeluisterd. Want toen wist gij dat degenen, die u vervolgden, in de ruïne van Ostromdscha waren te vinden. En nog gevaarlijker was het, dat de broeder van den waard Ismilan u voor de rechtmatige bezitters der Koptscha gehouden en daarom gezegd had dat gij naar Sbiganzy gaan moest.—Ja, dat is zeker heel dom van hem geweest. Maar het zal ons nu wel zeer moeilijk vallen, zoo al niet onmogelijk zijn, om van dit voordeel gebruik te maken.—Dat is waar. Toen de Aladschy’s hoorden dat gij van de Derekulibe bij Sbiganzy afwist, waren zij buiten zichzelf en zeiden dat dit, ’t kostte wat ’t wilde, moest worden voorkomen, en besloten zij u hier op de openbaren weg aan te vallen!—Ze waren dus nog steeds van meening, dat wij nog niet voorbij gekomen waren.—Ja, ze waren zoo gaan zitten, dat er niemand voorbij kon komen, zonder door hen te worden gezien. De beide anderen zouden hen daarbij behulpzaam zijn. Ze waren nu vier tegen vier, en de beide Aladschy’s verklaarden nu, zoo moedig te zijn, dat zij ’t tegen een geheel leger durfden opnemen. Dat duurde echter slechts zoo lang tot Toma, de bode, uit Radowitsch terug kwam.—Die heeft hen dus van de staar gelicht!—Zij riepen hem binnen. Toen hij hen zag, schreeuwde hij moord en brand over het uitzicht van den een. Zij zeiden hem, dat de vier personen nog niet waren voorbij gekomen; maar hij antwoordde, dat hij u reeds te Radowitsch had gezien en de noodige zweepslagen had ontvangen. Groot was nu hun verbazing. Zij begrepen hem en hij begreep hen niet. Eindelijk vroeg hij, of zij dan geen Scheriff hadden gezien, die eveneens paard reed. Dat waart gij geweest, want ge hadt u verkleed.—Jammer dat ik daar niet bij geweest ben. Ik had die gezichten wel eens willen zien!—Ja Effendi, het was grappig, maar toch ook verschrikkelijk. Zulk vloeken en razen had ik nog van mijn leven niet gehoord. Alles wat niet spijkervast was in de kamer, werd stuk geslagen. Ze gingen te keer als van den duivel bezetenen; zooiets was hunnog nooit overkomen. Zij hadden den Scheriff een poets willen bakken en nu waren zij door hem bij den neus genomen. Zij konden bijna niet tot bedaren komen en leken wel woedende stieren, voor wie niets helpt dan de vlucht.—Dat geloof ik graag. En wat deed de bode?—Hij was doodsbenauwd. Hij zelf had u verteld dat gij vermoord waart geworden, en zich daardoor verraden. Buitendien wist gij toch reeds dat hij met de Aladschy’s heulde, en vreesde nu dat gij naar Ostromdscha zoudt terugkeeren en hem bij het gerecht aanklagen.—Wat dat betreft, kan hij gerust zijn. Ik zal hem aan zijn eigen kwaad geweten overlaten.—O, dat kwelt hem niet erg. Het veroorzaakt hem in ieder geval minder pijn dan de zweepslagen die hij heeft ontvangen.—Vertelde hij dat?—Ja, en hij was woedend over den kleinen Hadschi. Het ergerde hem bijzonder dat hij voor zich de dertig slagen had moeten kiezen, want ze waren even goed aangekomen als anders honderd. Zijn kleeren kleefden op zijn gewonden rug, en hij smeekte de Aladschy’s u toch te dooden, eendeels uit wraak en anderdeels opdat gij hem niet zoudt kunnen aanklagen.—En beloofden zij hem dat?—Zij zwoeren ’t hem, en wilden dadelijk weg gaan naar Radowitsch, maar hij zeide hun, dat gij voornemens waart daar te overnachten zoodat zij den tijd hadden tot den volgenden morgen. Zij konden dus slapen en uitrusten, om ’s morgens weer frisch te zijn. Daarbij maakte hij hen opmerkzaam, dat zij bij mijn broer misschien wel meer te weten zouden kunnen komen, want hij had toevallig te Radowitsch gehoord dat hij de vier vreemdelingen naar deLocanda babi hamajunihad gebracht.—Aan dit voorstel gaven zij natuurlijk gevolg?—Ja. Ik vond dat vrij onaangenaam, want ik vond het vooruitzicht alles behalve plezierig, dat zij bij mij zouden overnachten en ik zoolang een gevangene zou zijn in mijn eigen huis. Zij vertrouwden mij niet en ik mocht niet eens aan de deur komen. De Aladschy’s hadden den laatsten nacht niet geslapen en zouden nu uitrusten, terwijl de beide anderen om beurten de wacht zouden houden!—En Toma de bode?—Hij reed naar huis, maar is voornemens reeds morgen vroegweer naar Radowitsch te gaan, om te hooren of zij u hebben ingehaald en vermoord!—En waar en bij wien, wil hij dat te weten komen?—Dat weet ik niet. Zij noemden den naam, terwijl zij de hoofden bij elkaar staken, zoo zachtjes dat ik dien niet kon verstaan. Toen de bode weg was kochten de Aladschy’s den anderen hun geweren en munitie af. Gij hadt de hunne gebroken en ook hun kruit meegenomen. Maar hoe woedend ze ook op u waren, moesten ze er toch om lachen, dat gij hen hun geld had laten behouden.—Ik ben te eerlijk geweest, maar als ze weer in mijn handen vallen, dan zal ik mij niet voor de tweede maal laten uitlachen. Maar wat wilden de beide anderen doen. Die zijn vandaag toch niet mee gereden?—Die gaan naar Menelik terug en hebben hun opdracht aan de Aladschy’s overgedragen. Zij moeten namelijk aan een zekeren Barud el—el—el, och hoe heet hij nu ook weer!—Barud el Amasat!—Ja, ja, zoo is ’t! Dezen moeten ze dan mededeelen dat zijn zoon gestorven is: verder dat gij de Koptscha bij u hebt, en eindelijk dat het zeer wel mogelijk is, dat gij bij een vleeschhouwer in Sbiganzy inlichtingen omtrent de Derekulibe gaat inwinnen.—Nu, misschien lukt het ons den bode voor te zijn.—Effendi! Wees voorzichtig. Zij rijden ook naar Sbiganzy en kennen den mooisten weg daarheen over Taschköj zeer goed. Wanneer gij hen voor wilt komen, moet gij ook dezen weg inslaan en in het bosch om hen heen rijden. Gij weet echter niet waar zij zijn. Integendeel, zij zullen op u loeren en u overvallen.—Daar zijn wij op voorbereid. Wanneer men het gevaar kent is het niet half zoo groot. Wanneer ik mijn voet niet had verwond, zou ik ook dien weg inslaan. Ik zou hun spoor volgen en steeds nauwkeurig weten waar ik aan toe was. Maar daarom is het noodig dat ik af en toe afstijg en dat kan ik nu niet. Om diezelfde reden mag ik het ook niet op een strijd laten aankomen. In het bosch vecht men niet te paard, en te voet zou ik een allertreurigst figuur maken. Wij moeten dus een anderen weg kiezen.—Die echter ook veel langer is.—Dat doet er niet toe.—Gij zult hen niet vooruit komen, Effendi!—Misschien toch wel. Wij zullen van hier naar Karbinzy rijden en van daar misschien direct, misschien ook over Warzy, naar Sbiganzy, al naar omstandigheden.—Dat is echter een moeilijke weg, Heer!—Eigenlijk niet. Wanneer wij van hier naar Istib en vandaar over Karaorman naar Warzy rijden, hebben wij steeds een straatweg; maar daar moeten wij een hoek maken, die tijd kost. Liever rijd ik dadelijk naar Karbinzy, ofschoon dat een moeielijke rit zal wezen, want ik geloof niet dat dit een gebaande weg is.—Neen, alleen zoo af en toe,—bevestigde de mandenmaker,—maar als ik u tot gids mag strekken, beloof ik u, u den weg zoo gemakkelijk mogelijk te maken.—Kent gij den omtrek hier?—Zeer nauwkeurig. Ik zal u nu toch tot gids dienen, en dan is het mij volkomen hetzelfde of wij naar Taschköj of naar Karbinzy gaan. De afstand is vrijwel dezelfde. Ik kan het wel zoo inrichten dat wij den ongebaanden weg kunnen mijden en meest over open vlakten gaan. ’t Zal echter wel voortdurend bergop, bergaf gaan.—Nu, dat is wel te doen!—Wanneer wenscht gij te vertrekken, Effendi? Kan ik eerst nog weer naar huis gaan?—Ja maar binnen een half uur moet gij weer hier zijn. Kunt gij misschien niet een paard leenen?—O, de waard hier zal daartoe wel dadelijk bereid zijn!—Nu, spreek dan maar met hem af. Ik betaal het.—Gij kunt ook het mijne krijgen dat buiten staat,—zeide zijn broeder.—Neen, dat hebt gij zelf noodig, want ’t is een heel eind van hier naar uw huis.—Ja, en ik weet ook niet of dat wel vlug zou gaan, want ’t is een oud beest. Maar die schoften hebben mij mijn goed paard afgenomen. Ik zal dat wel nooit meer zien, en ik heb ook geen geld genoeg om een ander te koopen, ofschoon ik het hard noodig heb.—Hoeveel was het waard? vroeg ik hem.—Onder broeders, honderdvijftig piasters.—Dan zal ik het van u koopen!—Van mij koopen?—vroeg hij verwonderd. Effendi is dat u ernst?—Waarom dan niet?—Omdat ik het paard niet heb!—Dat doet er niet toe! Ik zal het zelf wel halen!—Waar dan?—Bij de dieven. Wanneer ik hen achterhaal, zal ik hun meteen uw paard afnemen.—Maar als dat u nu eens niet gelukt!—Dat is mijn zaak. Kort en goed, ik koop het van je, wanneer gij tenminste bereid zijt den koop te sluiten.—Met groot genoegen, want ik zal het dier toch nooit terug krijgen. Maar Effendi, neem mij niet kwalijk, gij betaalt toch zeker eerst, als gij het paard in uw bezit hebt.—O neen! Wie weet hoe lang ik die schurken nog moet nazitten en waar ik hen dan zal vinden. Hoe moest ik u dan het geld doen toekomen? Ik zal u die tweehonderd piasters dadelijk geven.—Honderd vijftig heb ik gezegd.—Neen, tweehonderd!—Dan hebt gij mij verkeerd verstaan!—Dat is mijn schuld! Ik heb gemeend twee honderd piasters en heb verklaard dat ik het daarvoor kocht. Wilt ge?—En voor uw kinderen geef ik dan nog een fooi van vijftig piasters. Hier hebt gij dus twee honderd vijftig piasters.Dat was dus nauwelijks dertig gulden voor het beste paard van dien man. Maar in gindsche streken betaalt men vooreengewoon slag paarden heel andere prijzen als bij ons. Buiten heeft zelfs iedere arme man een paard, want goedkoope, soms zelfs kostelooze weiden vindt men overal. Dat de mandenmaker geen paard had, was wel een bewijs dat hij zeer, zeer arm was.In weerwil van de kleine som, bereidde ik daarmede den man groote vreugde. Het verlies dat de brave man geleden had, was daarmede ruimschoots vergoed en mij maakte het niet armer, want ik betaalde met het geld dergenen die het paard hadden gestolen. Nu speet het mij, dat ik ook het geld der beide Aladschy’s niet bij mij had gestoken. Ik had daarmede brave en eerlijke menschen kunnen weldoen.Wij ontbeten, en maakten ons toen gereed om te vertrekken. Daarbij bracht mijn voet mij in groote verlegenheid. Wat zou ik aantrekken?Juist toen ik hierover nadacht kwam de dokter binnen.—Effendi!—zei hij,—ik kom u mijn morgenbezoek brengen en u vragen hoe gij hebt gerust!Hij was geheel gekleed, zooals den vorigen avond, en had een pakje in de hand.—Ik dank u!—antwoordde ik. Ik heb heerlijk gerust en ik hoop dat dit ook met u het geval zal zijn geweest.—Allah heeft dezen uw wensch niet vervuld, want ik heb den geheelen nacht geen oogenblik geslapen. Ik had het hoofd zóó vol van zwavelzure kalk, dat het mij onmogelijk was een oog dicht te doen en toen ik eindelijk in slaap viel, droomde ik dat de zee van kalk en water was en de hemel van katoen, en onophoudelijk in de zee werd gedoopt en dan om mij heen geslagen. Dit vreeselijke verband begon mij eindelijk zoo te drukken, dat ik geen adem meer kon halen. Ik gilde van angst en.... toen werd ik wakker. Maar ik had mij zoo verzet tegen het verband leggen, dat ik uit mijn bed tot midden op den vloer was gerold!—Dan kunt ge u nu zoo ’n klein beetje voorstellen hoe het uw “model”, gisteren te moede moest zijn geweest.—Heel aangenaam zal hij het wel niet hebben gevonden, maar toch ligt hij alweer een uur bij mij. Hij heeft den linkerenkel en twee vingers van de rechterhand gebroken. Hij is prachtig verbonden en rookt tabak en drinkt daarbij limonade en eet sinaasappels.—En is hij geheel vrijwillig gekomen?—Neen, ik heb hem zelf moeten halen!—En hoe staat het met uw gipskaftan?—Die hangt reeds, aan een ijzeren stang, voor mijn deur, en een massa menschen staan er naar te kijken! Ik heb er een jongen bijgezet, die aan het publiek moet uitleggen, wat die kaftan beduidt en dan mag iedereen vrij binnen komen om het vinger- en enkelverband van mijn model te bekijken. Het zal niet lang meer duren of ik ben een beroemd man, en dat heb ik aan u te danken. Hoe gaat het met uw voet?—Zeer goed.—Dan beveel ik u, als lijfarts, de grootste, meest volkomen rust voor dit lichaamsdeel aan. Men is buiten bezig paarden te zadelen! Gij zijt toch niet voornemens te vertrekken?—Dat ben ik van plan.—Hm! dat is onvoorzichtig!—Ik weet dat ik het kan wagen.—Ja, gij waart reeds gisteren avond van plan, om heden uw reis voort te zetten. Maar wat zult gij gedurende de reis om uw voet doen?—Daar heb ik ook al over gedacht.—En ik heb er den geheelen nacht over gedacht, en toen is mij iets goeds ingevallen. Ik heb op het land een rijken patiënt, die door jicht wordt geplaagd. Zijn voeten zijn gezwollen, en het steekt en trekt hem in al zijn teenen. Ik heb hem, hier in de stad, een paar mooie zachte jichtlaarzen laten maken, die ik aan hem wilde sturen. Ik kan gemakkelijk voor hem een paar andere bestellen. Gij hebt de lintwormen en het skelet niet van mij willen aannemen, en ik hoop dat gij mij nu niet met beschaamde kaken zult laten staan, maar mij zult veroorloven, u deze laarzen als bewijs van mijn hoogachting en dankbaarheid aan te bieden.Hij maakte nu het pak open, en haalde de laarzen tevoorschijn, zij waren uit stevige stof gemaakt, met flinke zolen en rondom met leer bezet.—Doe mij het genoegen, Effendi, en pas de linkerlaars eens aan!—vroeg hij.Ik voldeed gaarne aan zijn verzoek. De laarzen pasten en ik zeide hem, dat ik het geschenk gaarne zou aanvaarden. Hij was daarover zeer verheugd, en bedankte mij recht hartelijk. Toen ik hem duidelijk wilde maken dat ik hem, niet hij mij dank verschuldigd was, liep hij de deur uit, en wenschte mij, vóór hij die sloot, een recht gelukkige reis.Toen de mandenmaker weer terug kwam, zouden we opbreken, en ik vroeg den waard naar het bedrag onzer rekening.—Gij zijt mij niets meer schuldig, Effendi!—antwoordde hij.—Maar wij moeten u toch betalen!—Er is reeds betaald.—Door wien?—Door den Hekim. Gij hebt hem iets geleerd, waarmede hij zeer veel geld zal verdienen. Hij laat u nogmaals alleronderdanigst groeten en wenscht u gelukkige aankomst in uw vaderland!—Sihdi!—fluisterde Halef mij toe—verzet u er niet tegen, maar neem het aan. Die Hekim is een verstandiger en netter menschdan ik dacht. Hij weet de gastvrijheid op prijs te stellen, en in het boek des levens, zal hem daarvoor een zachten dood worden toegedacht.Met groote moeite kwam ik op de binnenplaats en werd daar te paard geholpen. Eenmaal in den zadel gezeten, ging alles goed. Wij reden weg, andermaal, zonder betaald te hebben.In een nauwe straat, waar wij doorreden, zag ik een menigte menschen staan. Uit het huis, waarvoor zij stilstonden, hing een wit voorwerp. Toen wij dichterbij kwamen, herkende ik den kaftan, en daarboven de fez met de sigarenlintjes. De Hekim had het dus niet alleen voor de grap gezegd. Daar hing de kaftan inderdaad, een prachtig voorbeeld van Turksche reclame.Mij kwam een en ander volstrekt niet belachelijk voor, en ook de menschen die zich er omheen verdrongen, keken hoogst ernstig. Ik hield stil en stuurde den mandenmaker naar binnen om te vragen of de heer des huizes thuis was. Hij kwam met een ontkennend antwoord terug. De vrouw van den dokter konden wij toch onmogelijk een afscheidsbezoek brengen.Toen wij de nauwe straten met de talrijke kleine winkeltjes achter ons hadden, sloegen wij de straat in, die naar Skopia voert. De afstand daarheen is nagenoeg even groot als van Ostromdscha naar Radowitsch. Wij volgden die straat echter maar voor een klein gedeelte. Zoolang wij op den straatweg waren, ging het in galop. Toen sloeg onze gids rechts af, tusschen twee met boomen begroeide hoogten die een dal vormden, waardoor een beekje stroomde.Dit dal liep al heel gauwtamelijk steil naar boven, en toen zagen wij al heel gauw een kalen bergrug waar geen boom te bekennen was en die zich naar het noorden uitstrekte. Dien reden wij in draf langs.Wat zal ik van die streek zeggen? Men herinnert zich natuurlijk die plekjes het best, waar men iets heeft ondervonden of beleefd, en dat was hier niet het geval. De mandenmaker voerde ons door onbegroeide streken, die niet de minste landelijke bekoorlijkheid hadden.In Karbinzy, een dorp op den linkeroever der Bregalnitza, hielden wij halt, en namen afscheid van hem. Hij kreeg eenextra belooning, waarmede hij zeer in zijn schik was. Daarna reden wij de rivier over, om te Warzy te komen, dat op den rechteroever ligt. Door dit dorp loopt een reeds oudtijds bekende en druk gebruikterijweg, die de zuidelijk van Istib gelegen hoofdplaatsen, met Karatowa Kostendil, Dubnitza, Radomir en eindelijk met Sophia verbindt. Wij trokken nog over de kleine Sletowska, en bevonden ons toen in het dorp Sbiganzy, voor het oogenblik het doel van onzen rit.Ongeveer ’s morgens om negen uur, naar onzen tijd gerekend, hadden wij Radowitsch verlaten en te drie uur kwamen wij aan. Wanneer wij met gewone snelheid hadden gereden, zouden wij het dorp niet voor den nacht hebben bereikt.

Daar heb je het bedeksel van je ongelukkig verstand weer terug. (Bladz. 125).Daar heb je het bedeksel van je ongelukkig verstand weer terug. (Bladz. 125).En hij wierp hem het met gips gevulde hoofddeksel in het aangezicht, dat rood was van toorn. De gips vloog uit de Fez, en in het volgend oogenblik zag de dokter er uit, als een uit peperkoek gekneed kerstmannetje. De gips was ook op zijn oogen terecht gekomen. Hij veegde en veegde, stampte met de voeten, verloor zijn pantoffels en schreeuwde of hij vermoord werd, trok, toen hij eindelijk weer kon zien, de riemen van zijn mand en wilde Omar daarmede naar het hoofd gooien. Deze was daarop echter voorbereid en ving de mand op. Daarbij ging het dekselopenen de geheele inhoud: tangen, scharen, pincetten, zwachtels, doozen en allerlei voorwerpen, rolden op den grond, natuurlijk ook het voornaamste instrument dat een oostersch geneesheer gebruikt, de klisteerspuit niet te vergeten.De vlugge Arabier bukte handig en begon den dokter met al deze voorwerpen te bombardeeren. Deze wist in zijn woede niet anders te doen dan de wet der wedervergelding in praktijk te brengen. Hij nam eenige dezer voorwerpen, die tegen zijn lichaam terecht waren gekomen, weer op en wierp ze met geweld naar Omar terug, onder het uiten van allerlei vloeken en scheldwoorden, waarin hij het bijzonder ver scheen te hebben gebracht, maar die nagenoeg niet zijn weer te geven.Gips droogt, zooals bekend is, zeer snel. Reeds na verloop van een paar minuten was het een steenharde massa. Hier ging dit natuurlijk nog eens zoo gauw, daar al het vocht in zijn kleeren trok. Toen zijn bovenkleeren geheel wit waren geworden, staakte Omar het bombardement.—Zie zoo! nu hebt ge genoeg gehad. Raap nu jerommeltjemaar netjes bij elkaar. De kuur is geëindigd. Sta maar op!De dikke wilde van den stoel opstaan, maar zijn kleederen die geheel stijf geworden waren, belemmerden hem daarbij. Dat was ook de reden waarom ik niet tusschenbeiden was gekomen. De mogelijkheid om van gips een verband te maken, was hem nu proefondervindelijk bewezen.—Ik kan niet opstaan! Ik kan niet opstaan!—riep hij uit, zijn tien vingers, wijd uitgespreidende.—Mijn kaftan is van glas! Mijn kaftan breekt!Halef nam de fez bij de sigarenlintjes beet, en hield hem die voor.—Kijk eens hoe mooi je hoofddeksel is geworden! Wat zegt ge daar nu van!De Fez was bikkelhard geworden; ’t was grappig om te zien!—Mijn muts! mijn muts!—schreeuwde de dikke. Ik heb die van jongs af gedragen en nu wordt hij door zoo’n ongeluk van een mensch ontheiligd! Geef hier!Hij wilde er naar grijpen, maar toen hij zijn arm ophief brak de gips.—Hebt gij ’t gezien? Hebt gij ’t gehoord. Mijn lichaam brokkelt af. Ik voel dat ik ook innerlijk in stukken breek. Gij hebt mij tot een voorwerp van afschuw en spot gemaakt. Ik ben een verloren man en gij kunt me wel dadelijk laten brengen naar het kerkhof waar de cypressen over mij zullen treuren! O Allah, Allah, Allah!Zijn toorn was in weemoed overgegaan. Het verlies zijner sierlijkheid en lenigheid van gestalte ging hem zeer ter harte. Reeds stonden allen op ’t punt zijn weemoedige ontboezeming met een hartelijk gelach te beantwoorden, toen ik met een handbeweging stilte gebood en hem antwoordde:—Jammer en treur niet, Hekim. Uw verdriet zal zich omzetten in vreugde, wanneer gij beseft welk een gewichtige ontdekking gij hebt gedaan en welke nuttige ondervinding gij hebt opgedaan!—Ja, ik heb wel ondervinding opgedaan, maar voor mij van weinig gewicht. Ik heb geleerd, dat men zich niet moet afgeven met menschen zonder eenige beschaving!—Meent gij dan misschien, Hekim, dat men die bij u vinden kan?—Ja, want ik ben de man die kranken geneest en vermoeiden weer doet opstaan. Dat is de ware beschaving.—Gij zijt de man die van een patiënt durft zeggen, dat zijn tong niet zoo groot en niet zoo belangrijk is als een rundertong. Wanneer gij u verbeeldt, dat dit van beschaving getuigt, dan hebtgij ’t nog niet ver gebracht. Hoe ge overigens uit mijn tong wilt zien, hoe ’t met de verstuiking van mijn voet is gesteld, is en blijft me een raadsel.—Dat zal u in uw leven wel meer zijn voorgekomen, dat gij iets niet kondet begrijpen. Dat kan men wel aan u zien. Gij begrijpt natuurlijk ook niet, dat gij mij in een toestand hebt gebracht die mijn eer en goeden naam benadeelt.—Neen, dat begrijp ik zeer zeker niet!—Dan gaat uw wijsheid niet heel ver!—En toch trekt gij den neus voor mij op en kijkt me aan met een gezicht, en spreekt woorden, alsof gij de meest geleerde professor ter wereld zijt.—Tegenover u ben ik ook professor geweest, want ik heb u practisch onderricht in de verbandleer gegeven.—Daar heb ik geen woord van gehoord!—Ik sprak ook van practisch onderricht, en daar behoeft niet bij gesproken te worden. Wat gij nu hebt geleerd, kan u maken tot den meest beroemden van alle doktoren, die wonen in de landen die onder het beheer van den Padischa staan!—Wilt gij mij nu nog bespotten ook? Wanneer gij inderdaad zoo knap zijt als gij beweert, geef mij dan liever goeden raad hoe ik weer uit die huid van gips moet komen!—Daarover zullen wij het later wel hebben. Gij hebt mij uitgelachen en beweerd dat uit gips geen verband te maken was, en toch is dit het allerbeste wat er bestaat. Gij liet mij niet aan het woord komen, en daarom hebt gij nu uit ervaring moeten leeren. Pak uw kaftan beet. Die was eerst zacht, en is nu zoo hard als een steen, zoo hard als een verband moet wezen om aan een lichaamsdeel stevigheid te geven. Merkt gij nog niets?Hij trok de wenkbrauwen samen en keek mij nadenkend aan.Ik ging voort:—Wanneer gij een gebroken been tusschen planken bindt, dan zullen deze voor dat lichaamsdeel zeer lastig zijn, omdat zij niet den vorm van het been aannemen, zich niet daar naar voegen. Zulk een verband deugt niet.—Maar er bestaat geen ander verband. De grootste en voornaamste doctoren in het land hebben zich er tevergeefs het hoofd over gebroken, om een verband uit te denken dat stevig is en zichvoegt naar den vorm van het lichaam. Ik zelf heb een boek waarvan de titel is:Schifa kernik kyryklarin. (Over de genezing van beenbreuken). Daarin staat te lezen dat men breuken met planken kan behandelen.—En wie heeft dat boek geschreven?—De beroemde dokter Kari, Asfar Zulaphar!—Nu, die heeft ongeveer twee honderd jaar geleden geleefd. ’t Is best mogelijk dat men toen niet beter wist, maar nu zou men je uitlachen.—Ja, maar ik lach er niet om!—Daarom passen zijn redeneeringen en beschouwingen alleen voor dien tijd en niet voor den tegenwoordigen. Er zijn nog meer andere verbanden. Hebt gij de fez wel eens goed bekeken, die gij op uw hoofd hebt gehad?—Hoe zou ik die niet hebben bekeken! Die kleine padde heeft hem mij bitterlijk onder den neus geduwd.—Vertel me dan eens, welken vorm hij heeft aangenomen?—Dien van mijn hoofd!—En wel volkomen; juist zoo gaat het met ieder ander lichaamsdeel. Wanneer ik een arm, heb gebroken, laat ik dien eerst in ’t lid zetten, en wikkel hem dan in dunne zwachtels. Deze bevochtig ik dan met gips, dat ik in water heb opgelost, en zwachtel verder, telkens de verbandstof in het gips doopende wanneer dit droog en hard is geworden. Zoo krijg ik een stevig verband dat volkomen op den arm past!—Ah—Oh—Aah!—riep hij uit en keek daarbij eerst mij en daarna Halef aan, terwijl hij dezen toeriep:—Geef mij eens gauw mijn muts aan!De Hadschi deed wat hij hem vroeg, en hield die voor hem, terwijl hij ze naar alle kanten ronddraaide.—Nog beter is het,—ging ik voort,—wanneer men de stof eerst in het vochtige gips drenkt, en daarna om het lichaamsdeel windt. En opdat het, droog geworden, het zieke lid geen pijn zou veroorzaken, legt men daar eerst een laag watten op. Dan rust het lichaamsdeel in een zacht maar stevig en nauwsluitend verband.Hij keek me weer aan en riep toen plotseling uit:—Allah! Allah! Nazich idschad bulma, azametti keschf!Allah! Allah! Welk een heerlijke ontdekking, welk een prachtige uitvinding! Ik haast me, ik wil het opschrijven!Zonder zich te bekommeren om de stijfheid van zijn kaftan sprong hij op en ging haastig naar de deur.—Wacht eventjes! Neem meteen uw mand met instrumenten mee!—riep Halef. En zet eerst je muts weer op.De dokter bleef stilstaan. ’t Was kluchtig om hem te zien. De gips brak aan alle kanten en brokkelde af. De kaftan bleef in de vouwen en plooien en ook in den stand, waarin hij gebogen was bij het zitten van den geneesheer. Het onderste achterdeel stak vooruit en hinderde hem in het loopen. Toen keerde de kleine dikke man den Hadschi zijn rug toe, stak zijn armen achteruit en zeide:—Trek aan de mouwen! ik moet er uit!Halef pakte hem beet en hield hem vast. De Aesculaap trok en trok, en wrong zich eindelijk met zooveel geweld uit zijn gips-omhulsel los, dat hij tegen de deur aan vloog; en daar hij die reeds had opengedaan, zoodat zij alleen maar aan stond, kwam hij op de binnenplaats te recht.—Tekrar gelirim, tekrar gelirim, schimdi tekrar gelirim!Ik kom terug, ik kom terug, ik kom dadelijk terug!—riep hij terwijl hij haastig opstond en wegliep.Hij was van het verband in vuur geraakt en moest naar huis, om op te schrijven wat ik hem had gezegd. Dat hij zijn pantoffels, zijn kaftan, de fez en de mand met instrumenten had achtergelaten en nu blootshoofds over straat liep, daarvan scheen hij zich niet veel aan te trekken. Hij was met hart en ziel bij zijn beroep, maar had jammer genoeg, niet meer geleerd dan wat anderen hem konden leeren die zelf niets wisten.Nu moest het vertrek worden schoongemaakt. De stijve kaftan werd over een paar stoelen gehangen en de instrumenten bij elkaar gezocht. Toen werd mijn kamer voor mij gereed gemaakt. Osko had mij reeds lang weer water gebracht, en ik bemerkte tot mijn groote vreugde dat de zwelling minderde. Pijn had ik in ’t geheel niet meer. Later liet ik mij naar mijn kamer dragen en neerleggen op het bed dat inmiddels voor mij in gereedheid was gebracht. Ik maakte telkens frissche omslagen en was voornemens tegen den avond een verband te leggen. Daarvoor moesten watten, gaas en een nieuwe voorraad gips worden gehaald.Toen ik ongeveer drie uur had gelegen, hoorde ik de stem van den dokter aan de deur.—Waar is de Effendi?—Daar in die kleine kamer!—was Halefs antwoord.—Dien me aan.Halef deed de deur open en de dokter stapte naar binnen. Maar hoe!Hij was gekleed als een bruidegom! Een blauw-zijden kaftan hing neer tot op zijn voeten, die hij in fijne safraan lederen pantoffels had gestoken, en op het hoofd droeg hij een blauw en wit gestreepten tulband waaraan een granaten agraffe glinsterde. Hij zag er inderdaad feestelijk uit en had iets plechtigs over zich. Bij de deur bleef hij staan, kruiste de armen over de borst, maakte een diepe buiging en zeide:—Effendim, japarim ziaret schúkúrüm ittibarún, mijn geëerde Effendi, ik kom u mijn dank betuigen en de verzekering geven van mijn hoogachting!Girisch bana ruchsat wer!Veroorloof mij binnen te komen.Ik boog plechtig het hoofd en antwoordde:—Jaklaschdyr, chosch sen.—Treed nader, gij zijt welkom!Hij deed drie stappen, kuchte en begon:—Effendim, uw hoofd is de bakermat van het verstand der menschen en uw hersenen bevatten de kennis en wetenschap van alle volkeren. Uw geest is scherp als de scherpte van een scheermes, uw oordeel is puntig als de naald waarmede men booze zweren open maakt. Daarom is het uw kismet geweest, de groote vraag tot oplossing te brengen, hoe men breuken, verstuiking, verrekkingen en kneuzingen behandelen moet. Uw genie heeft alle sferen der wetenschap doorloopen, heeft gevorscht op elk gebied, totdat gij terecht zijt gekomen bij de zwavelzure kalk, die de onwetende Barbaren met den naam gips bestempelen. Daar hebt gij water bij gedaan en het daarna omgeroerd, waardoor men het op linnen kan uitstrijken, waarmede men dan de gewrichten, botten en pijpen omwikkelt, om dezen de stevigheid te geven die zij noodig hebben. Daardoor zult gij in den loop der tijden millioenen armen en beenen voor verkromming en vergroeiïng bewaren, en de professoren der toekomst zullen inzamelingen houden om voor u een monument op te richten, waarop uw hoofd in steen zal zijn uitgehouwen op uw gestalte. Op den steen zal uw naam in gouden letters worden gegraveerd. Tot zoolang zal ik hem in mijn notitieboekje opschrijven, en ik verzoek u mij dien naam te noemen.Hij had deze woorden op plechtigen toon gesproken, alsof hij sprak uit naam eener deputatie, die echter alleen uit zijn persoon bestond.—Ik dank u!—antwoordde ik,—de waarheid echter gebiedt mij te bekennen, dat ik het niet geweest ben, die deze groote uitvinding heb gedaan. In mijn vaderland is zij overbekend, zoowel bij doktoren als bij leeken.Wanneer gij echter den naam van den uitvinder wilt weten, zal ik u dien noemen. De geleerde man, aan wien zoovele menschen hun rechte ledematen te danken hebben, heet Mathijsen en was een beroemd heelkundige in het land dat Holland wordt genoemd. Ik heb uw dank niet verdiend, maar het verheugt mij zeer, dat de uitvinding uw goedkeuring wegdraagt, en ik hoop dat gij die veelvuldig in praktijk zult brengen!—Dat ik vast besloten ben, die geneeswijze toe te passen, zal ik u bewijzen. Maar den dank moogt gij niet afwijzen. Al zijt gij dan ook de uitvinder niet, gij hebt die weldaad dan toch hier ingevoerd. Ik zal den dag van heden niet vergeten, en heb tot mijn groote vreugde gezien dat mijn kaftan nog in wezen is. Die zal nu mijn uithangbord wezen. Ik zal die voor de deur van mijn huis ophangen, zoodat een ieder die het een of ander lichaamsdeel heeft gebroken, zien kan, dat ik hem in zwavelzure kalk wikkel. Ik heb reeds geprobeerd hoe die moet worden gemaakt, en verzoek u vriendelijk mijn werk in oogenschouw te nemen, en mij uw oordeel te zeggen. Wilt gij dat?—Zeer gaarne!—antwoordde ik.Hij ging naar het venster en klapte in de handen. De deur die naar de groote kamer leidde, werd opengedaan en ik hoorde zware voetstappen.—Hierheen!—beval hij.Dadelijk daarop verschenen twee mannen die een groote tobbe droegen, die tot aan den rand met vloeibare gips was gevuld. De een droeg buitendien een voorraad watten, voldoende om tien personen in te wikkelen, terwijl de andere een pak katoen in de hand hield. Zij zetten hun last neer en gingen heen.Toen er daardoor wat plaats was gekomen, kwamen twee mannen binnen die een baar droegen. Daarop lag een man met grooten baard, die tot aan den hals was toegedekt. Zij zetten de baar neer en gingen toen weder de kamer uit.—Hier zult gij nu het eerste verband zien, dat door mij werd aangelegd!—begon de dokter. Ik heb me de noodige grondstoffen aangeschaft en dezen arbeider laten komen om mij als model te dienen. Hij krijgt iederen dag tien piasters en den kost. Veroorloof mij dat ik het laken wegneem en u den patiënt toon.Hij nam het laken weg, en toen ik het model zag, moest ik mij geweld aandoen, om niet in lachen uit te barsten. De dikke had allerlei breuken en kneuzingen bedacht en den armen man dienovereenkomstig met gips verbonden. Maar hoe!De schouders, de boven- en onderarmen, zelfs de heupen waren in gips-zwachtels gewikkeld, die alle wel een handbreed dik waren. Ook de borstkas was van zulk een pantser voorzien, zoodat een kogel er zeker niet zou zijn doorgedrongen.De man leek inderdaad een werkelijke patiënt, die den dood nabij was. Hij kon zich niet bewegen, ja zelfs nauwelijks ademhalen. En dat alles voor een gulden twintig per dag. Per dag! Dat was het vermakelijkste van de geschiedenis. Hij moest dus dagenlang in die verbanden liggen en waarvoor?—Hoe lang wilt gij die proef dan laten duren?—vroeg ik.—Zoolang als hij het kan uithouden. Ik wil de uitwerking bestudeeren die de zwavelzure kalk op de verschillende lichaamsdeelen heeft.—Op een gezonde? De eenige uitwerking die ’t op hem zal hebben, is dat hij het niet meer kan uithouden. Wat is er met zijn borst gebeurd?—Hij heeft vijf ribben gebroken, twee rechts en drie links.—En met de schouders?—De beide sleutelbeenderen zijn gebroken.—En hoe staat het met de heupgewrichten?—Die zijn beide uit de kom geschoten. Maar nu heeft hij nog iets: de onderkaak is ontwricht en nu heeft hij de klem gekregen. Hoe men dát nu met gips moet verbinden, is mij niet recht duidelijk en ik zou gaarne hebben dat gij mij dit eens vóórdeelt!—Maar Hekim, dat wordt immers nooit verbonden.—Niet?... en waarom niet?—Wanneer men de onderkaak weer op zijn plaats brengt, wijkt de klem van zelf en is daar geen gipsverband meer bij noodig.—Goed, dan zullen we aannemen dat zijn mond weer geheel in orde is.—Maar wees nu zoo goed en maak ook zijn ribben vrij. De man snakt naar lucht!—Zooals ge wilt. Ik zal gereedschap gaan vragen bij den waard.Ik was zeer benieuwd wat hij zou meebrengen. Bij zijn binnentreden was ik juist bezig een verschen omslag om mijn voet te doen en ik keek eerst op, toen ik hamerslagen hoorde.—Om Godswil! Wat doet ge daar? Wat hebt ge daar in uw handen?Ik kon dat namelijk niet zien, omdat hij met den rug naar mij toestond.—Tshekidsch ile kalemkiarlyk!hamer en beitel!—antwoordde hij doodbedaard.—Dan zult ge hem de ribben inderdaad nog stuk slaan of hem den beitel in de borst stooten.—Ja, maar hoe moet men dan doen?—Met een schaar, een mes, of een daartoe geschikte zaag, al naar de plaats, waar het verband is aangebracht, en de dikte er van.—Een beenderenzaag is in mijn mand, ik zal die gaan halen.—Breng dan meteen mijn kleinen reisgenoot mede, die kan u helpen, want ik ben er niet toe in staat!Toen Halef binnenkwam, gaf ik hem eenige wenken en hij begon het gipsverband los te maken, hoezeer de dokter daar ook tegen protesteerde. Het was zwaar werk en het duurde geruimen tijd voor en aleer het model van al zijn verbanden was bevrijd. Er moest licht bij worden aangestoken, want de avond was inmiddels gevallen.De arme kerel, bij wien, behalve de leelijke beenbreuken en kneuzingen, de dokter ook nog mondklem had willen constateeren, had geen enkel woord gesproken. Maar toen hij van het laatste verband was bevrijd, zeide hij tot mij:—Ik dank u, Heer!Met één sprong was hij buiten.—Halt!—riep de dikke hem na. Ik heb je nog noodig, want nu beginnen wij weer van voren af aan!Maar al zijn roepen was tevergeefs.—Daar loopt hij me weg! Wat moet ik nu beginnen met al mijn mooie gips, watten en zwachtels?—Laat hem loopen!—antwoordde ik. Wat hadt gij dan gedacht?Met dien voorraad gips kunt gij wel twee huizen bedekken. Ik kan er wel wat van gebruiken, want ik geloof dat het nu tijd wordt om mij te verbinden!—Uitstekend, Effendi! Uitstekend! Ik zal dadelijk beginnen!—Langzaam, langzaam! En doe nu precies wat ik u zal zeggen.De man was geheel in vuur en deed mij onder het aanleggen van het verband, allerlei verhalen van kunststukken, die hij reeds had verricht. Toen wij gereed waren, zeide hij:—Ja, dat is heel wat anders. Ik zal meteen mijn proef-patiënt weer laten komen, en hem morgen weer hier heen laten brengen!—En wanneer wilt ge hem dan verbinden?—Van avond nog!—Allah! dan moet hij dus tot morgen zóó blijven liggen! Gij zult hem nog vermoorden. Wanneer ge u op hem wilt oefenen, moogt gij niet al zijn ledematen tegelijkertijd verbinden, maar slechts een tegelijk, en ook moet ge ieder verband dadelijk weer afnemen wanneer het stijf geworden is. Dan moet ge ook onthouden, dat men in de verbanden openingen kan snijden om zich van den toestand van bijzondere plekken op de hoogte te stellen. Gij hebt niemand die u daarin kan onderrichten en ook geen boek om in te studeeren. Gij moet dus zelf nadenken en proeven nemen!—Effendi! Blijf toch hier en onderricht mij. Alle Hekims uit den omtrek zullen gaarne uw lessen volgen!—Ja, en dan moesten wij als modellen dienen!—voegde Halef er aan toe. Dat ontbreekt er nog aan! Gij hebt nu van middag genoeg geleerd, en moet nu maar zien, u zelf verder te helpen!—Wanneer gij er geen tijd voor hebt, moet ik van zelf wel van dat onderwijs afzien. Het is waar, ik heb van middag veel geleerd en weet eigenlijk niet hoe ik u mijn dankbaarheid zal toonen. Geld zoudt gij toch niet aannemen. En daarom zal ik een aandenken geven, Effendi, dat u inderdaad genoegen zal doen!—En dat is?—Verscheidene flesschen met spiritus en verschillende soorten lint- en dauwwormen, waaraan ik zeer veel aardigheid heb. Maar ik gun ze u van harte!—Ik moet u daarvoor danken, want die flesschen zouden mij op reis veel te lastig zijn.—Dat spijt me, maar ik wil u toch toonen dat ik niet ondankbaarben. Ik zal u het liefste geven, wat ik bezit: een skelet. Ik heb de beenderen zelf afgeschrapt, gekookt, gespoeld en gebleekt.—Ook daarvoor moet ik u danken.—Wilt gij mij beleedigen?—Volstrekt niet, maar ge begrijpt toch wel dat ik op mijn paard geen skelet kan meenemen.—Dat is waar! Maar veroorloof me dan tenminste dat ik u hartelijk de hand druk.De Hekim was, als de meeste dikke menschen, in den grond een zeer goedig manneke. Hij was zeer leergierig en dankbaar, en was sedert den namiddag zeer veel veranderd. Hij was overgelukkig toen ik hem uitnoodigde deel te nemen aan ons avondmaal, en toen hij daarna afscheid van ons nam, scheidden wij als goede oude vrienden.Zijn dragers hadden zoo lang moeten wachten, en sleepten nu hun lasten weer mee. In plaats van het model lag nu de mand met instrumenten en de stijve kaftan, die als uithangbord dienst moest doen, op de baar.Het overige gedeelte van den avond brachten wij door, met te overleggen wat wij den volgenden dag zouden beginnen. Ik was vast besloten om, in weerwil van mijn voet, de reis voort te zetten want wij mochten den vier mannen die wij vervolgden, niet zulk een belangrijken voorsprong geven dat wij hun spoor konden verliezen.Op het briefje, dat Hamb el Amasat had geschreven en dat mij te Edreneh in handen gekomen was, stond te lezen:—In pripeh beste la karanorman chan ali sa panajir menelikde—zeer spoedig bericht in Karanorman-khan, maar na de jaarmarkt te Menelik.2Menelik lag nu achter ons en wij waren den broeder van Hamb el Amasat tot hiertoe gevolgd, zonder ook maar een flauw vermoeden te hebben waar dit Karanorman eigenlijk lag. In ieder geval was deze plaats het doel van zijn tocht en zouden wij hoogst waarschijnlijk beiden daar aantreffen. Zij hadden iets zeer slechts in den zin, wat wij wilden voorkomen. Daarom hadden wij dezen tocht ondernomen en wanneer wij hun een grooteren voorsprong gaven, was het zeer waarschijnlijk dat wij ons doel niet zouden bereiken. Daarom moesten wij beslist den volgenden dag verder gaan.Halef beschouwde mij als patiënt en verlangde dat ik me zou ontzien. Osko en Omar waren het echter volkomen met mij eens.De laatste liet zelfs de spreuk der wrake der woestijn hooren:—Ed dem b’ed dem! Bloed voor Bloed! Ik heb gezworen den dood mijns vaders te wreken, en ik moet mijn woord houden. Wanneer gij morgen niet meegaat, dan vertrek ik alleen. Ik heb geen rust voor ik den moordenaar mijn mes in het hart heb gestooten!Dat klonk woest en onmenschelijk. Als Christen hing ik aan de leer “Hebt uwe vijanden lief!” maar toen ik mij het oogenblik herinnerde dat zijn vader, onze gids, zoo jammerlijk was omgekomen, gevoelde ik toch dat die dood moest worden gewroken. Of dit nu juist moest geschieden op de wijze die Omar voorstelde, daarover was ik het op dat oogenblik nog niet met mijzelf eens. In ieder geval was ik vast besloten, geen doodgewonen barbaarschen moord te dulden.Wanneer ik niet gewekt geworden was, had ik zeer zeker een gat in den dag geslapen. De mandenmaker stond buiten en wenschte mij te spreken. Ik ontving hem, vrijwel ontstemd door de stoornis, maar toen ik achter hem zijn zwager, den waard zag binnenkomen, begreep ik dat er gewichtige redenen voor moesten bestaan om mij uit den slaap te halen en zette ik een vriendschappelijker gezicht.—Heer,—zeide de waard. Ik dacht niet dat ik u zoo spoedig zou weerzien. Neem mij niet kwalijk, dat wij u in uw rust komen storen, maar er staat veel op het spel. Het geldt uw leven!—Alweer! Maar we willen hopen dat het niet zoo ernstig is als gij u voorstelt.—Het zou zeer ernstig zijn, wanneer ik u niet had kunnen waarschuwen. De beide Aladschy’s zijn hier bij mijn broeder geweest!—Ah! wanneer?—Bij het aanbreken van den dag!—antwoordde de mandenmaker tot wien ik deze laatste vraag had gericht. Wij waren al vroeg wakker, want de vreugde over uw geschenken hield ons uit den slaap. Zelfs de kinderen waren reeds opgestaan. Ik was naar de rivier gegaan, om naar de netten te zien, die ik gisteren avond nog had uitgezet. Toen ik terugkwam, hielden juist twee ruiters voor de deur stil, waar zij met de kinderen spraken. Vader lag nog te bed. Toen zij mij zagen aankomen, vroegen zij of hier gisterenniet vier ruiters waren voorbij gekomen, waarvan een, een Scherif-tulband droeg, en een gekleurden bril op had. Een der paarden was een zwarte Arabische hengst.—En wat hebt gij geantwoord?—vroeg ik in spanning.—Wel, ik dacht dadelijk dat dit wel de Aladschy’s zouden zijn waarover gij ons hadt gesproken, en verzweeg de waarheid.—Hm! dat zal je wel slecht zijn bekomen.—Begrijpt gij dat al?—Uw kinderen hadden het zeker reeds verraden!—Zoo is het. Zij sloegen mij met hun zweepen en dreigden mij te dooden, als ik hun niet de waarheid zeide.—Het is heel goed, dat gij hun de waarheid hebt verteld.—Weet ge dan, dat ik dat heb gedaan?—Ik merk het aan uw schuwen blik. Gij vreest dat ge iets verkeerds hebt gedaan en hebt daardoor geen rustig geweten.—Effendi, gij hebt het bij het rechte eind. Ik had me wel uit de voeten kunnen maken, maar dan hadden zij dat zeer zeker op mijn vader en de kinderen gewroken. En daar deze laatsten toch al hadden gebabbeld, zei ik dat gij inderdaad voorbij waart gereden.—Maar toch verder niets?—Ik wilde dat alleen zeggen, maar zij hadden de kinderen reeds volkomen uitgehoord en van hen vernomen dat gij uw laarzen geledigd en aan vader geld gegeven had en dat ik u vandaag naar Taschköj zou brengen, waar ik ook reeds met de booze mannen was geweest.—Dan hebt gij ’t wel moeten bekennen!—Ja, ik kon niet anders, en ik hoop dat u er niet boos om zult wezen.—Ik kan er u niet om beknorren. Ik had voorzichtiger moeten zijn en er niet over spreken in tegenwoordigheid der kinderen. Hadden de roovers geweren?—Ja, en zij zagen er uit alsof zij ’t hard hadden te verantwoorden gehad. De een had een pleister op de bovenlip, en zijn neus had de kleur van een blauwe pruim.—Dat is Bybar geweest, dien ik met een houw de bovenlip had opgescheurd. Maar hij droeg toch een baard?—Dan heeft hij dien afgeknipt om een pleister op de scheur te kunnen leggen; mijn broer zal dat wel weten. Hij sprak in het geheelniet. Zijn broer deed het woord. Deze zat zoo slecht in den zadel alsof hij zijn ribben had gebroken.—Ik smakte hem tegen een boom en daarvan zal hij de gevolgen nog voelen. Wat deden zij toen?—Zij gaven mij nog een paar stompen, en reden toen in de richting van Radowitsch weg.—Dat geloof ik niet. Ik denk dat zij naar het bosch zijn gereden, waar gij ons doorheen moet brengen. Zij zullen ons dáár willen overvallen. Zij kennen ongetwijfeld den omtrek!—Gij hebt goed geraden, Effendi. Ik dacht hetzelfde en ben hen daarom achterna geslopen. Al heel gauw sloegen zij rechts af, de bergen in.—En nu hebben zij zich daar verborgen en wachten ons op. Voor alles moet ik weten, hoeveel en wat gij hun hebt verteld. Gij hebt dus bekend dat ik te Radowitsch ben. Gij hebt misschien ook wel gesproken over mijn gewonden voet die me waarschijnlijk zal noodzaken te Radowitsch te blijven?—Neen, geen woord!—Dan verwachten zij ons heden. Hebben zij niet gevraagd, wanneer wij voornemens waren te vertrekken?—Ja, en ik zeide dat ik dat nog moest vernemen. Toen zwoeren zij, mij te vermoorden en mijn hut af te branden, wanneer ik hen zou verraden. Daarbij vertelden zij mij dat zij de Aladschy’s waren, van wie ik zeker wel zou hebben gehoord en die hun bedreiging altijd uitvoerden.—En toch komt gij het mij vertellen!—Dat is mijn plicht en ook de dankbaarheid gebiedt het mij. Misschien kunt gij het wel zoo inrichten, dat ik toch heb gezwegen!—Dat gaat misschien gemakkelijk genoeg. Natuurlijk ben ik u dankbaar voor uw waarschuwing, zonder welke ’t mij slecht had kunnen vergaan.—Ja, Heer, gij zoudt verloren zijn geweest!—viel zijn broer hem in de rede. Ik heb het met mijn eigen ooren gehoord.—Ze zijn dus weer naar u toegekomen?—Natuurlijk. Maar ik was er geenszins mede in mijn schik, want ik had genoeg aan hun eerste bezoek.—Dat was gisteren namiddag! Of hebt gij hen reeds vroeger gezien?—Gehoord had ik wel van hen, maar ik had ze nog nooit gezien. Zij kwamen ’s morgens bij mij en vroegen Raki, en gingen aan de tafel voor het huis zitten, nadat zij de paarden naar achteren hadden gebracht.—En vermoeddet gij wie zij waren?—Ja hun paarden en hun reuzen-gestalten pasten volkomen bij de beschrijving die men van hen had gegeven. Ik was zeer op hen gebeten, omdat ik hen hield voor de dieven van mijn paard en mijn pakzadel.—Gij weet dus reeds dat beide verdwenen waren?—Natuurlijk, dat zag ik zoodra ik was opgestaan.—En was het dan niet mogelijk dat uw paard was weggeloopen?—O, dat was nog nooit gebeurd en dan had het zadel er toch moeten wezen.—Dat is volkomen waar, het zadel loopt niet met het paard weg.—Ik vertelde hun van den diefstal, en zij schenen te merken dat ik er hen van verdacht, want ze werden boos tegen mij en dwongen mij eindelijk in de kamer te blijven.—En liet gij u dat maar welgevallen?—Wat kon ik er tegen doen?—De hulp van uw buren inroepen.—Ik kon toch niet weg om die te halen, en zelfs indien dit mogelijk was geweest, had ik het toch niet gedaan. Wanneer de Aladschy’s bij iemand komen, doet men maar het beste hun te gehoorzamen, want wanneer men ook al eenig oogenblikkelijk voordeel op hen behaalde, zouden zij dit later toch wreken. Ik bleef dus rustig in de kamer. Ik mocht niet eens de kinderen halen, wat gij later toch hebt gedaan, Effendi!—Kwam er in dien tijd niemand bij u binnen?—Gij dacht dat de komst van een gast hen misschien zou hebben verjaagd!—Zijn zij dan bij uw komst vertrokken?—Neen, daar hebt gij gelijk in!—Er ging niemand voorbij, er kwam slechts een persoon en dat was———De Bakadschi Toma van Ostromdscha!—viel ik hem in de rede. Die wist dat de Aladschy’s op hem wachtten. Buitendienwaren zij den vorigen nacht in de nabijheid geweest en wisten ook dat gij twee paarden bezat. Zij zijn de eigenlijke oorzaak van den diefstal!—Dat heb ik nu van mijn broeder gehoord.—En bleef die Toma maar kort bij u?—O neen, hij steeg van zijn muildier, ging bij hen zitten en vertoefde wel een uur bij hen.—En kondet gij niet hooren wat zij zeiden?—Van de kamer uit niet, ik hield hen echter voor de dieven van mijn paarden, en daar ik vermoedde dat zij erger in den zin hadden omdat ik de kamer niet mocht verlaten, nam ik mij voor te luisteren. Gij zult wel hebben gezien dat in mijn kamer een ladder staat, waarmede men op den zolder kan komen waar het stroo ligt. Ik klom naar boven en vandaar uit kon ik zachtjes door het luik op het uitstek komen. Ik hoorde ieder woord en vernam wat in Ostromdscha was geschied. De bode vertelde dat uitvoerig, en zeide dat gij tegen den middag zoudt opbreken en dus ongeveer twee uur later langs mijn huis zoudt komen. Verder hoorde ik, dat hij reeds den vorigen avond met hen had gesproken.—Aha!—riep ik uit—nu begrijp ik hoe het mogelijk was, dat de Mubarek de Aladschy’s zoo gauw vinden en tegen mij opzetten kon.—Het schijnt dat hij hen reeds vóór uw aankomst had besteld om den een of anderen gemeenen streek uit te voeren. Gij hebt hem daarin gestoord, en daarom heeft hij van bun aanwezigheid gebruik willen maken om zich op u te wreken.—Wat hoordet gij nog meer?—Dat de Mubarek met nog drie anderen was ontkomen, en dat gij sterven moest. Hij duidde zelfs de plaats aan, waar gij zoudt worden overvallen, namelijk niet ver van de scherpe bocht die de weg in het bosch maakt.—Daar heeft in elk geval de strijd tusschen hen en mij plaats gehad!—En gij hebt hen overwonnen, zooals mijn broer mij heeft verteld. Effendi, Allah is met u geweest, anders hadt gij het onderspit moeten delven.—Zeer zeker! Maar ga voort.—De bode zeide hun, dat zij niet op hun geweren en pistolen moesten rekenen, want dat gij kogelvrij waart. Toen lachten zij hem in zijn gezicht uit. Toen hij hun echter precies vertelde water gebeurd was, werden zij bedaarder en geloofden eindelijk dat gij inderdaad kogelvrij zijt!—Nu, en wat denkt gij daarvan? vroeg ik.—Effendi, er bestaat tweeërlei tooverij. Bij de een is de hulp van Allah noodig, en bij de andere de hulp van den duivel. Gij hebt ook tooveren geleerd, maar Allah helpt u.Ik antwoordde hem:—Meent gij inderdaad dat de Almachtige door enkele woorden, teekenen of ceremonieën van een zijner zwakke schepsels, gedwongen zou kunnen worden, hem ter wille te zijn?—Hm! Neen, want dan was die mensch nog machtiger dan Allah zelf. Maar gij doet mij schrikken! Toovert gij dan met behulp van den duivel?—O neen, wij tooveren in het geheel niet, en kunnen niet meer dan andere menschen.—Maar gij zijt toch kogelvrij!—Wij zouden wat blij zijn, als dat inderdaad het geval was. Maar jammer genoeg, zou een kogel in onze huid, een even groot gat maken, als in die van ieder mensch.—Dat kan ik niet gelooven. Gij hebt immers de kogels met de hand opgevangen.—Dat leek maar zoo. Ik heb mezelf reeds verweten dat ik de menschen in hun bijgeloof heb versterkt, maar misschien kan ik dat door u weer goed maken. Wanneer gij weer te Ostromdscha komt, zult gij daar wel over ons hooren spreken. Vertel de menschen hoe het gegaan is. Ik had gehoord, dat wij zouden worden overvallen, of van uit een hinderlaag doodgeschoten, en toen kwam ik op het denkbeeld, om de menschen in den waan te brengen dat wij kogelvrij waren, omdat men dan hoogst waarschijnlijk niet op ons schieten zou. Ik zal u vertellen hoe ik dat heb aangelegd.En nu legde ik hem alles uit. Zijn gezicht werd al langer. Toen bekwam hij langzamerhand van zijn verbazing, hoorde mij ten einde toe aan, en zeide lachend:—Het verheugt mij buitengewoon, Heer, dat gij mij die geschiedenis hebt verteld. Ik zal te Ostromdscha een groote rol spelen, wanneer ik de menschen uitlach en hun vertel, hoe de zaak in elkaar zit. Ik wilde dat ik het hun kon laten zien.—Dat kunt gij. Ik heb nog meer kogels, en wanneer gij mijbelooft voorzichtig te zijn en ze niet met andere te verwisselen, dan wil ik u die geven.—Ja, geef ze mij. Ik ben o zoo blij dat gij dit wilt doen. Maar weet gij, dat ik nu nog meer eerbied voor u heb dan te voren.—Waarom?—Omdat het nog veel meer zegt, zich door wijsheid en slimheid ergens doorheen te slaan dan door tooverij. En nu geloof ik ook dat de goochelkunst uit niets anders dan zulke kunstgrepen bestaat. Gij hebt echter uw doel bereikt, want de Aladschy’s besloten in ’t geheel niet op u te schieten, maar u met bijlen en messen af te maken. De bode beschreef u zoo nauwkeurig, dat geen vergissing haast mogelijk was en ging toen heen. Geen kwartier later kwaamt gij.—En wien meendet gij te zien?—Een Scheriff. Ik kon niet vermoeden dat gij de vreemde Effendi waart, die zou worden vermoord.—En hebt gij ook ons gesprek beluisterd?—Neen, want uw persoon leek mij niet van voldoende gewicht. Toen kwaamt gij binnen en waart vriendelijk tegen mij en de kinderen. Gij genaast zelfs mijn dochtertje van haar tandpijn. Ik wist wel is waar niet, wat zij met u voorhadden, maar gij waart vriendelijk tegen ons geweest en daarom waarschuwde ik u.—Met gevaar voor u zelf.—Dat was zoo groot niet. Ik waagde er alleen een paar zweepslagen aan. Toen zij met u waren weggereden, maakte ik mij ongerust over u, want zij hadden elkander zulke vreemde blikken toegeworpen. Daarom wenkte ik u nog eens, toen gij op de brug omkeekt.—Ik begreep dat gij mij tot voorzichtigheid wildet aanmanen. En wat deedt gij daarna?—Ik ging naar mijn buren, vertelde hun wat er was voorgevallen en riep hen op, om met mij het bosch in te gaan en u uit de handen der roovers te bevrijden en ook de vier vreemdelingen te redden, die zouden worden overvallen.—Maar daarvoor waren ze niet te vinden!—vervolgde ik zijn verhaal. Ze waren natuurlijk bang voor de wraak der Aladschy’s en verscholen zich veilig achter hun vier muren. Dat kan ik me voorstellen. De vrees is de grootste vijandin dergenen die vreesachtigzijn. Ergens anders waren de Aladschy’s nooit zoo ver gekomen; men zou hen heel gauw onschadelijk hebben gemaakt.—Meent gij, in uw vaderland?—Ja zeker!—Is daar dan iedereen een held?—Neen, maar daar is het onmogelijk dat een Skipetaar de menschen zooveel vrees aanjaagt. Wij hebben geen strengere maar wel veel zachtere wetten dan gij, maar ze worden gehandhaafd. Daarom vreest ook niemand de wraak van een mensch, want de politie is sterk genoeg om de zwakkeren en goeden en eerlijken te beschermen. Maar wie beschermt u?—Niemand, Heer. De vrees alleen. Wie het bijvoorbeeld zou wagen om zich tegen de Aladschy’s te verzetten en hun bevelen niet uit voeren, zou alles van hun toorn hebben te vreezen, en er is geen overheid die hem daarvoor kan vrijwaren. Daarom moet het u niet verwonderen, dat mijn buren niets met de zaak te doen wilden hebben.—Maar gij zijt ook niet groot in getal!—Ook dat, en buitendien is men vrij algemeen de meening toegedaan dat twee van die Aladschy’s allicht tien man kunnen staan!—Hm! Dan kan ik er wel twintig voor mijn rekening nemen, want ik ben hun de baas af!—Maar alleen met Allah’s hulp, Effendi. Die roovers zijn verschrikkelijk. Toch nam ik mij voor, de vreemdelingen te waarschuwen. Daarom zette ik mij op de bank voor mijn huis neer en wachtte hen op.—Hebt ge ze gezien?—Neen, mijn kinderen waren aan het kibbelen geraakt, zij huilden en ik ging naar binnen om den strijd te beslechten. En in dien tijd moeten de vreemdelingen voorbij gekomen zijn. Ik ben er slecht afgekomen, maar wat mij uit hun gesprek bleek, deed me veel genoegen. Ik hoorde namelijk dat de bewuste Scheriff hen had overwonnen!—En gij vermoeddet dus niet dat de Scheriff de aanvoerder was dergenen die zij wilden opwachten?—Die gedachte is niet in mij opgekomen. Maar later, toen zij wat kalmer waren geworden en bij de Raki zaten, haalde de een een briefje voor den dag, dat zij lazen. Ik hoorde dat gij dat aaneen boom hadt gestoken. Zij konden er echter niet uit wijs worden en wisten alleen dat er drie ruiters voorbij waren gekomen, die zich precies aan dit briefje hadden gehouden.—En hielden zij die voor de verwachten?—Neen, want de hoofdpersoon ontbrak immers. Zij meenden dat gij nog voorbij moest komen. Ofschoon de bode hun had meegedeeld, dat gij gewaarschuwd waart geworden, wilden zij het toch met u opnemen. Zij waren zoo ontzettend woedend, dat zij al hun kalmte verloren hadden en ook niet meer nadachten. Hun geweren waren gebroken. Zij hadden de stukken bij zich. Ik heb die alle op mijn rug gevoeld. De kinderen begonnen daarover te huilen en kregen ook schoppen en slagen. De een kon niet rechtop staan, dien hadt gij tegen een boomstam gegooid. Hij kleedde zich uit en ik moest hem zeker wel een paar uur den rug wrijven met raki en boter. De andere bloedde voortdurend. Gij hadt hem van onderenop een por gegeven en daarbij zijn bovenlip verwond, naar hij zeide met de duimen van uw vuist. Zijn neus was bont en blauw en dik en gezwollen. Hij wreef dien met raki. Later toen de twee anderen kwamen, knipte een hunner hem den baard af en ging in het naburige bosch hars halen, en maakte daarvan, met boter, een pleister die op de lip werd gelegd.—De twee anderen kwamen? Wie waren dat?—O, dat waren eerst een paar echte galgentronies. Die moest gij eens gezien hebben. Zij hadden den vorigen nacht bij Ibarek in Dabila geslapen, en——O, die ken ik. Het waren broeders. Hebt gij dat niet gemerkt?—Ja, ik hoorde al heel gauw dat zij, evenals de Aladschy’s, broeders waren. Zij kenden dezen en ook u!—En wisten zij dat zij de Aladschy’s zouden aantreffen?—Neen, de twee paren broeders waren zeer verwonderd over deze toevallige ontmoeting, maar hun vreugde was toch nog grooter dan hun verbazing, toen zij hoorden dat hetzelfde doel hen had hiergebracht, nl. wraak te nemen op u!—Dat geloof ik, dan zullen ze elkaar heel wat te vertellen hebben gehad!—Veel, zeer veel, van Edreneh en Menelik, waar gij zoo vlug waart ontkomen, ofschoon gij reeds dáár onschadelijk hadt moeten worden gemaakt. Gij waart hen daarom dubbel gevaarlijk omdatgij van uit het duivenslag3het geheele gesprek hadt afgeluisterd. Want toen wist gij dat degenen, die u vervolgden, in de ruïne van Ostromdscha waren te vinden. En nog gevaarlijker was het, dat de broeder van den waard Ismilan u voor de rechtmatige bezitters der Koptscha gehouden en daarom gezegd had dat gij naar Sbiganzy gaan moest.—Ja, dat is zeker heel dom van hem geweest. Maar het zal ons nu wel zeer moeilijk vallen, zoo al niet onmogelijk zijn, om van dit voordeel gebruik te maken.—Dat is waar. Toen de Aladschy’s hoorden dat gij van de Derekulibe bij Sbiganzy afwist, waren zij buiten zichzelf en zeiden dat dit, ’t kostte wat ’t wilde, moest worden voorkomen, en besloten zij u hier op de openbaren weg aan te vallen!—Ze waren dus nog steeds van meening, dat wij nog niet voorbij gekomen waren.—Ja, ze waren zoo gaan zitten, dat er niemand voorbij kon komen, zonder door hen te worden gezien. De beide anderen zouden hen daarbij behulpzaam zijn. Ze waren nu vier tegen vier, en de beide Aladschy’s verklaarden nu, zoo moedig te zijn, dat zij ’t tegen een geheel leger durfden opnemen. Dat duurde echter slechts zoo lang tot Toma, de bode, uit Radowitsch terug kwam.—Die heeft hen dus van de staar gelicht!—Zij riepen hem binnen. Toen hij hen zag, schreeuwde hij moord en brand over het uitzicht van den een. Zij zeiden hem, dat de vier personen nog niet waren voorbij gekomen; maar hij antwoordde, dat hij u reeds te Radowitsch had gezien en de noodige zweepslagen had ontvangen. Groot was nu hun verbazing. Zij begrepen hem en hij begreep hen niet. Eindelijk vroeg hij, of zij dan geen Scheriff hadden gezien, die eveneens paard reed. Dat waart gij geweest, want ge hadt u verkleed.—Jammer dat ik daar niet bij geweest ben. Ik had die gezichten wel eens willen zien!—Ja Effendi, het was grappig, maar toch ook verschrikkelijk. Zulk vloeken en razen had ik nog van mijn leven niet gehoord. Alles wat niet spijkervast was in de kamer, werd stuk geslagen. Ze gingen te keer als van den duivel bezetenen; zooiets was hunnog nooit overkomen. Zij hadden den Scheriff een poets willen bakken en nu waren zij door hem bij den neus genomen. Zij konden bijna niet tot bedaren komen en leken wel woedende stieren, voor wie niets helpt dan de vlucht.—Dat geloof ik graag. En wat deed de bode?—Hij was doodsbenauwd. Hij zelf had u verteld dat gij vermoord waart geworden, en zich daardoor verraden. Buitendien wist gij toch reeds dat hij met de Aladschy’s heulde, en vreesde nu dat gij naar Ostromdscha zoudt terugkeeren en hem bij het gerecht aanklagen.—Wat dat betreft, kan hij gerust zijn. Ik zal hem aan zijn eigen kwaad geweten overlaten.—O, dat kwelt hem niet erg. Het veroorzaakt hem in ieder geval minder pijn dan de zweepslagen die hij heeft ontvangen.—Vertelde hij dat?—Ja, en hij was woedend over den kleinen Hadschi. Het ergerde hem bijzonder dat hij voor zich de dertig slagen had moeten kiezen, want ze waren even goed aangekomen als anders honderd. Zijn kleeren kleefden op zijn gewonden rug, en hij smeekte de Aladschy’s u toch te dooden, eendeels uit wraak en anderdeels opdat gij hem niet zoudt kunnen aanklagen.—En beloofden zij hem dat?—Zij zwoeren ’t hem, en wilden dadelijk weg gaan naar Radowitsch, maar hij zeide hun, dat gij voornemens waart daar te overnachten zoodat zij den tijd hadden tot den volgenden morgen. Zij konden dus slapen en uitrusten, om ’s morgens weer frisch te zijn. Daarbij maakte hij hen opmerkzaam, dat zij bij mijn broer misschien wel meer te weten zouden kunnen komen, want hij had toevallig te Radowitsch gehoord dat hij de vier vreemdelingen naar deLocanda babi hamajunihad gebracht.—Aan dit voorstel gaven zij natuurlijk gevolg?—Ja. Ik vond dat vrij onaangenaam, want ik vond het vooruitzicht alles behalve plezierig, dat zij bij mij zouden overnachten en ik zoolang een gevangene zou zijn in mijn eigen huis. Zij vertrouwden mij niet en ik mocht niet eens aan de deur komen. De Aladschy’s hadden den laatsten nacht niet geslapen en zouden nu uitrusten, terwijl de beide anderen om beurten de wacht zouden houden!—En Toma de bode?—Hij reed naar huis, maar is voornemens reeds morgen vroegweer naar Radowitsch te gaan, om te hooren of zij u hebben ingehaald en vermoord!—En waar en bij wien, wil hij dat te weten komen?—Dat weet ik niet. Zij noemden den naam, terwijl zij de hoofden bij elkaar staken, zoo zachtjes dat ik dien niet kon verstaan. Toen de bode weg was kochten de Aladschy’s den anderen hun geweren en munitie af. Gij hadt de hunne gebroken en ook hun kruit meegenomen. Maar hoe woedend ze ook op u waren, moesten ze er toch om lachen, dat gij hen hun geld had laten behouden.—Ik ben te eerlijk geweest, maar als ze weer in mijn handen vallen, dan zal ik mij niet voor de tweede maal laten uitlachen. Maar wat wilden de beide anderen doen. Die zijn vandaag toch niet mee gereden?—Die gaan naar Menelik terug en hebben hun opdracht aan de Aladschy’s overgedragen. Zij moeten namelijk aan een zekeren Barud el—el—el, och hoe heet hij nu ook weer!—Barud el Amasat!—Ja, ja, zoo is ’t! Dezen moeten ze dan mededeelen dat zijn zoon gestorven is: verder dat gij de Koptscha bij u hebt, en eindelijk dat het zeer wel mogelijk is, dat gij bij een vleeschhouwer in Sbiganzy inlichtingen omtrent de Derekulibe gaat inwinnen.—Nu, misschien lukt het ons den bode voor te zijn.—Effendi! Wees voorzichtig. Zij rijden ook naar Sbiganzy en kennen den mooisten weg daarheen over Taschköj zeer goed. Wanneer gij hen voor wilt komen, moet gij ook dezen weg inslaan en in het bosch om hen heen rijden. Gij weet echter niet waar zij zijn. Integendeel, zij zullen op u loeren en u overvallen.—Daar zijn wij op voorbereid. Wanneer men het gevaar kent is het niet half zoo groot. Wanneer ik mijn voet niet had verwond, zou ik ook dien weg inslaan. Ik zou hun spoor volgen en steeds nauwkeurig weten waar ik aan toe was. Maar daarom is het noodig dat ik af en toe afstijg en dat kan ik nu niet. Om diezelfde reden mag ik het ook niet op een strijd laten aankomen. In het bosch vecht men niet te paard, en te voet zou ik een allertreurigst figuur maken. Wij moeten dus een anderen weg kiezen.—Die echter ook veel langer is.—Dat doet er niet toe.—Gij zult hen niet vooruit komen, Effendi!—Misschien toch wel. Wij zullen van hier naar Karbinzy rijden en van daar misschien direct, misschien ook over Warzy, naar Sbiganzy, al naar omstandigheden.—Dat is echter een moeilijke weg, Heer!—Eigenlijk niet. Wanneer wij van hier naar Istib en vandaar over Karaorman naar Warzy rijden, hebben wij steeds een straatweg; maar daar moeten wij een hoek maken, die tijd kost. Liever rijd ik dadelijk naar Karbinzy, ofschoon dat een moeielijke rit zal wezen, want ik geloof niet dat dit een gebaande weg is.—Neen, alleen zoo af en toe,—bevestigde de mandenmaker,—maar als ik u tot gids mag strekken, beloof ik u, u den weg zoo gemakkelijk mogelijk te maken.—Kent gij den omtrek hier?—Zeer nauwkeurig. Ik zal u nu toch tot gids dienen, en dan is het mij volkomen hetzelfde of wij naar Taschköj of naar Karbinzy gaan. De afstand is vrijwel dezelfde. Ik kan het wel zoo inrichten dat wij den ongebaanden weg kunnen mijden en meest over open vlakten gaan. ’t Zal echter wel voortdurend bergop, bergaf gaan.—Nu, dat is wel te doen!—Wanneer wenscht gij te vertrekken, Effendi? Kan ik eerst nog weer naar huis gaan?—Ja maar binnen een half uur moet gij weer hier zijn. Kunt gij misschien niet een paard leenen?—O, de waard hier zal daartoe wel dadelijk bereid zijn!—Nu, spreek dan maar met hem af. Ik betaal het.—Gij kunt ook het mijne krijgen dat buiten staat,—zeide zijn broeder.—Neen, dat hebt gij zelf noodig, want ’t is een heel eind van hier naar uw huis.—Ja, en ik weet ook niet of dat wel vlug zou gaan, want ’t is een oud beest. Maar die schoften hebben mij mijn goed paard afgenomen. Ik zal dat wel nooit meer zien, en ik heb ook geen geld genoeg om een ander te koopen, ofschoon ik het hard noodig heb.—Hoeveel was het waard? vroeg ik hem.—Onder broeders, honderdvijftig piasters.—Dan zal ik het van u koopen!—Van mij koopen?—vroeg hij verwonderd. Effendi is dat u ernst?—Waarom dan niet?—Omdat ik het paard niet heb!—Dat doet er niet toe! Ik zal het zelf wel halen!—Waar dan?—Bij de dieven. Wanneer ik hen achterhaal, zal ik hun meteen uw paard afnemen.—Maar als dat u nu eens niet gelukt!—Dat is mijn zaak. Kort en goed, ik koop het van je, wanneer gij tenminste bereid zijt den koop te sluiten.—Met groot genoegen, want ik zal het dier toch nooit terug krijgen. Maar Effendi, neem mij niet kwalijk, gij betaalt toch zeker eerst, als gij het paard in uw bezit hebt.—O neen! Wie weet hoe lang ik die schurken nog moet nazitten en waar ik hen dan zal vinden. Hoe moest ik u dan het geld doen toekomen? Ik zal u die tweehonderd piasters dadelijk geven.—Honderd vijftig heb ik gezegd.—Neen, tweehonderd!—Dan hebt gij mij verkeerd verstaan!—Dat is mijn schuld! Ik heb gemeend twee honderd piasters en heb verklaard dat ik het daarvoor kocht. Wilt ge?—En voor uw kinderen geef ik dan nog een fooi van vijftig piasters. Hier hebt gij dus twee honderd vijftig piasters.Dat was dus nauwelijks dertig gulden voor het beste paard van dien man. Maar in gindsche streken betaalt men vooreengewoon slag paarden heel andere prijzen als bij ons. Buiten heeft zelfs iedere arme man een paard, want goedkoope, soms zelfs kostelooze weiden vindt men overal. Dat de mandenmaker geen paard had, was wel een bewijs dat hij zeer, zeer arm was.In weerwil van de kleine som, bereidde ik daarmede den man groote vreugde. Het verlies dat de brave man geleden had, was daarmede ruimschoots vergoed en mij maakte het niet armer, want ik betaalde met het geld dergenen die het paard hadden gestolen. Nu speet het mij, dat ik ook het geld der beide Aladschy’s niet bij mij had gestoken. Ik had daarmede brave en eerlijke menschen kunnen weldoen.Wij ontbeten, en maakten ons toen gereed om te vertrekken. Daarbij bracht mijn voet mij in groote verlegenheid. Wat zou ik aantrekken?Juist toen ik hierover nadacht kwam de dokter binnen.—Effendi!—zei hij,—ik kom u mijn morgenbezoek brengen en u vragen hoe gij hebt gerust!Hij was geheel gekleed, zooals den vorigen avond, en had een pakje in de hand.—Ik dank u!—antwoordde ik. Ik heb heerlijk gerust en ik hoop dat dit ook met u het geval zal zijn geweest.—Allah heeft dezen uw wensch niet vervuld, want ik heb den geheelen nacht geen oogenblik geslapen. Ik had het hoofd zóó vol van zwavelzure kalk, dat het mij onmogelijk was een oog dicht te doen en toen ik eindelijk in slaap viel, droomde ik dat de zee van kalk en water was en de hemel van katoen, en onophoudelijk in de zee werd gedoopt en dan om mij heen geslagen. Dit vreeselijke verband begon mij eindelijk zoo te drukken, dat ik geen adem meer kon halen. Ik gilde van angst en.... toen werd ik wakker. Maar ik had mij zoo verzet tegen het verband leggen, dat ik uit mijn bed tot midden op den vloer was gerold!—Dan kunt ge u nu zoo ’n klein beetje voorstellen hoe het uw “model”, gisteren te moede moest zijn geweest.—Heel aangenaam zal hij het wel niet hebben gevonden, maar toch ligt hij alweer een uur bij mij. Hij heeft den linkerenkel en twee vingers van de rechterhand gebroken. Hij is prachtig verbonden en rookt tabak en drinkt daarbij limonade en eet sinaasappels.—En is hij geheel vrijwillig gekomen?—Neen, ik heb hem zelf moeten halen!—En hoe staat het met uw gipskaftan?—Die hangt reeds, aan een ijzeren stang, voor mijn deur, en een massa menschen staan er naar te kijken! Ik heb er een jongen bijgezet, die aan het publiek moet uitleggen, wat die kaftan beduidt en dan mag iedereen vrij binnen komen om het vinger- en enkelverband van mijn model te bekijken. Het zal niet lang meer duren of ik ben een beroemd man, en dat heb ik aan u te danken. Hoe gaat het met uw voet?—Zeer goed.—Dan beveel ik u, als lijfarts, de grootste, meest volkomen rust voor dit lichaamsdeel aan. Men is buiten bezig paarden te zadelen! Gij zijt toch niet voornemens te vertrekken?—Dat ben ik van plan.—Hm! dat is onvoorzichtig!—Ik weet dat ik het kan wagen.—Ja, gij waart reeds gisteren avond van plan, om heden uw reis voort te zetten. Maar wat zult gij gedurende de reis om uw voet doen?—Daar heb ik ook al over gedacht.—En ik heb er den geheelen nacht over gedacht, en toen is mij iets goeds ingevallen. Ik heb op het land een rijken patiënt, die door jicht wordt geplaagd. Zijn voeten zijn gezwollen, en het steekt en trekt hem in al zijn teenen. Ik heb hem, hier in de stad, een paar mooie zachte jichtlaarzen laten maken, die ik aan hem wilde sturen. Ik kan gemakkelijk voor hem een paar andere bestellen. Gij hebt de lintwormen en het skelet niet van mij willen aannemen, en ik hoop dat gij mij nu niet met beschaamde kaken zult laten staan, maar mij zult veroorloven, u deze laarzen als bewijs van mijn hoogachting en dankbaarheid aan te bieden.Hij maakte nu het pak open, en haalde de laarzen tevoorschijn, zij waren uit stevige stof gemaakt, met flinke zolen en rondom met leer bezet.—Doe mij het genoegen, Effendi, en pas de linkerlaars eens aan!—vroeg hij.Ik voldeed gaarne aan zijn verzoek. De laarzen pasten en ik zeide hem, dat ik het geschenk gaarne zou aanvaarden. Hij was daarover zeer verheugd, en bedankte mij recht hartelijk. Toen ik hem duidelijk wilde maken dat ik hem, niet hij mij dank verschuldigd was, liep hij de deur uit, en wenschte mij, vóór hij die sloot, een recht gelukkige reis.Toen de mandenmaker weer terug kwam, zouden we opbreken, en ik vroeg den waard naar het bedrag onzer rekening.—Gij zijt mij niets meer schuldig, Effendi!—antwoordde hij.—Maar wij moeten u toch betalen!—Er is reeds betaald.—Door wien?—Door den Hekim. Gij hebt hem iets geleerd, waarmede hij zeer veel geld zal verdienen. Hij laat u nogmaals alleronderdanigst groeten en wenscht u gelukkige aankomst in uw vaderland!—Sihdi!—fluisterde Halef mij toe—verzet u er niet tegen, maar neem het aan. Die Hekim is een verstandiger en netter menschdan ik dacht. Hij weet de gastvrijheid op prijs te stellen, en in het boek des levens, zal hem daarvoor een zachten dood worden toegedacht.Met groote moeite kwam ik op de binnenplaats en werd daar te paard geholpen. Eenmaal in den zadel gezeten, ging alles goed. Wij reden weg, andermaal, zonder betaald te hebben.In een nauwe straat, waar wij doorreden, zag ik een menigte menschen staan. Uit het huis, waarvoor zij stilstonden, hing een wit voorwerp. Toen wij dichterbij kwamen, herkende ik den kaftan, en daarboven de fez met de sigarenlintjes. De Hekim had het dus niet alleen voor de grap gezegd. Daar hing de kaftan inderdaad, een prachtig voorbeeld van Turksche reclame.Mij kwam een en ander volstrekt niet belachelijk voor, en ook de menschen die zich er omheen verdrongen, keken hoogst ernstig. Ik hield stil en stuurde den mandenmaker naar binnen om te vragen of de heer des huizes thuis was. Hij kwam met een ontkennend antwoord terug. De vrouw van den dokter konden wij toch onmogelijk een afscheidsbezoek brengen.Toen wij de nauwe straten met de talrijke kleine winkeltjes achter ons hadden, sloegen wij de straat in, die naar Skopia voert. De afstand daarheen is nagenoeg even groot als van Ostromdscha naar Radowitsch. Wij volgden die straat echter maar voor een klein gedeelte. Zoolang wij op den straatweg waren, ging het in galop. Toen sloeg onze gids rechts af, tusschen twee met boomen begroeide hoogten die een dal vormden, waardoor een beekje stroomde.Dit dal liep al heel gauwtamelijk steil naar boven, en toen zagen wij al heel gauw een kalen bergrug waar geen boom te bekennen was en die zich naar het noorden uitstrekte. Dien reden wij in draf langs.Wat zal ik van die streek zeggen? Men herinnert zich natuurlijk die plekjes het best, waar men iets heeft ondervonden of beleefd, en dat was hier niet het geval. De mandenmaker voerde ons door onbegroeide streken, die niet de minste landelijke bekoorlijkheid hadden.In Karbinzy, een dorp op den linkeroever der Bregalnitza, hielden wij halt, en namen afscheid van hem. Hij kreeg eenextra belooning, waarmede hij zeer in zijn schik was. Daarna reden wij de rivier over, om te Warzy te komen, dat op den rechteroever ligt. Door dit dorp loopt een reeds oudtijds bekende en druk gebruikterijweg, die de zuidelijk van Istib gelegen hoofdplaatsen, met Karatowa Kostendil, Dubnitza, Radomir en eindelijk met Sophia verbindt. Wij trokken nog over de kleine Sletowska, en bevonden ons toen in het dorp Sbiganzy, voor het oogenblik het doel van onzen rit.Ongeveer ’s morgens om negen uur, naar onzen tijd gerekend, hadden wij Radowitsch verlaten en te drie uur kwamen wij aan. Wanneer wij met gewone snelheid hadden gereden, zouden wij het dorp niet voor den nacht hebben bereikt.

Daar heb je het bedeksel van je ongelukkig verstand weer terug. (Bladz. 125).Daar heb je het bedeksel van je ongelukkig verstand weer terug. (Bladz. 125).

Daar heb je het bedeksel van je ongelukkig verstand weer terug. (Bladz. 125).

En hij wierp hem het met gips gevulde hoofddeksel in het aangezicht, dat rood was van toorn. De gips vloog uit de Fez, en in het volgend oogenblik zag de dokter er uit, als een uit peperkoek gekneed kerstmannetje. De gips was ook op zijn oogen terecht gekomen. Hij veegde en veegde, stampte met de voeten, verloor zijn pantoffels en schreeuwde of hij vermoord werd, trok, toen hij eindelijk weer kon zien, de riemen van zijn mand en wilde Omar daarmede naar het hoofd gooien. Deze was daarop echter voorbereid en ving de mand op. Daarbij ging het dekselopenen de geheele inhoud: tangen, scharen, pincetten, zwachtels, doozen en allerlei voorwerpen, rolden op den grond, natuurlijk ook het voornaamste instrument dat een oostersch geneesheer gebruikt, de klisteerspuit niet te vergeten.

De vlugge Arabier bukte handig en begon den dokter met al deze voorwerpen te bombardeeren. Deze wist in zijn woede niet anders te doen dan de wet der wedervergelding in praktijk te brengen. Hij nam eenige dezer voorwerpen, die tegen zijn lichaam terecht waren gekomen, weer op en wierp ze met geweld naar Omar terug, onder het uiten van allerlei vloeken en scheldwoorden, waarin hij het bijzonder ver scheen te hebben gebracht, maar die nagenoeg niet zijn weer te geven.

Gips droogt, zooals bekend is, zeer snel. Reeds na verloop van een paar minuten was het een steenharde massa. Hier ging dit natuurlijk nog eens zoo gauw, daar al het vocht in zijn kleeren trok. Toen zijn bovenkleeren geheel wit waren geworden, staakte Omar het bombardement.

—Zie zoo! nu hebt ge genoeg gehad. Raap nu jerommeltjemaar netjes bij elkaar. De kuur is geëindigd. Sta maar op!

De dikke wilde van den stoel opstaan, maar zijn kleederen die geheel stijf geworden waren, belemmerden hem daarbij. Dat was ook de reden waarom ik niet tusschenbeiden was gekomen. De mogelijkheid om van gips een verband te maken, was hem nu proefondervindelijk bewezen.

—Ik kan niet opstaan! Ik kan niet opstaan!—riep hij uit, zijn tien vingers, wijd uitgespreidende.—Mijn kaftan is van glas! Mijn kaftan breekt!

Halef nam de fez bij de sigarenlintjes beet, en hield hem die voor.

—Kijk eens hoe mooi je hoofddeksel is geworden! Wat zegt ge daar nu van!

De Fez was bikkelhard geworden; ’t was grappig om te zien!

—Mijn muts! mijn muts!—schreeuwde de dikke. Ik heb die van jongs af gedragen en nu wordt hij door zoo’n ongeluk van een mensch ontheiligd! Geef hier!

Hij wilde er naar grijpen, maar toen hij zijn arm ophief brak de gips.

—Hebt gij ’t gezien? Hebt gij ’t gehoord. Mijn lichaam brokkelt af. Ik voel dat ik ook innerlijk in stukken breek. Gij hebt mij tot een voorwerp van afschuw en spot gemaakt. Ik ben een verloren man en gij kunt me wel dadelijk laten brengen naar het kerkhof waar de cypressen over mij zullen treuren! O Allah, Allah, Allah!

Zijn toorn was in weemoed overgegaan. Het verlies zijner sierlijkheid en lenigheid van gestalte ging hem zeer ter harte. Reeds stonden allen op ’t punt zijn weemoedige ontboezeming met een hartelijk gelach te beantwoorden, toen ik met een handbeweging stilte gebood en hem antwoordde:

—Jammer en treur niet, Hekim. Uw verdriet zal zich omzetten in vreugde, wanneer gij beseft welk een gewichtige ontdekking gij hebt gedaan en welke nuttige ondervinding gij hebt opgedaan!

—Ja, ik heb wel ondervinding opgedaan, maar voor mij van weinig gewicht. Ik heb geleerd, dat men zich niet moet afgeven met menschen zonder eenige beschaving!

—Meent gij dan misschien, Hekim, dat men die bij u vinden kan?

—Ja, want ik ben de man die kranken geneest en vermoeiden weer doet opstaan. Dat is de ware beschaving.

—Gij zijt de man die van een patiënt durft zeggen, dat zijn tong niet zoo groot en niet zoo belangrijk is als een rundertong. Wanneer gij u verbeeldt, dat dit van beschaving getuigt, dan hebtgij ’t nog niet ver gebracht. Hoe ge overigens uit mijn tong wilt zien, hoe ’t met de verstuiking van mijn voet is gesteld, is en blijft me een raadsel.

—Dat zal u in uw leven wel meer zijn voorgekomen, dat gij iets niet kondet begrijpen. Dat kan men wel aan u zien. Gij begrijpt natuurlijk ook niet, dat gij mij in een toestand hebt gebracht die mijn eer en goeden naam benadeelt.

—Neen, dat begrijp ik zeer zeker niet!

—Dan gaat uw wijsheid niet heel ver!

—En toch trekt gij den neus voor mij op en kijkt me aan met een gezicht, en spreekt woorden, alsof gij de meest geleerde professor ter wereld zijt.

—Tegenover u ben ik ook professor geweest, want ik heb u practisch onderricht in de verbandleer gegeven.

—Daar heb ik geen woord van gehoord!

—Ik sprak ook van practisch onderricht, en daar behoeft niet bij gesproken te worden. Wat gij nu hebt geleerd, kan u maken tot den meest beroemden van alle doktoren, die wonen in de landen die onder het beheer van den Padischa staan!

—Wilt gij mij nu nog bespotten ook? Wanneer gij inderdaad zoo knap zijt als gij beweert, geef mij dan liever goeden raad hoe ik weer uit die huid van gips moet komen!

—Daarover zullen wij het later wel hebben. Gij hebt mij uitgelachen en beweerd dat uit gips geen verband te maken was, en toch is dit het allerbeste wat er bestaat. Gij liet mij niet aan het woord komen, en daarom hebt gij nu uit ervaring moeten leeren. Pak uw kaftan beet. Die was eerst zacht, en is nu zoo hard als een steen, zoo hard als een verband moet wezen om aan een lichaamsdeel stevigheid te geven. Merkt gij nog niets?

Hij trok de wenkbrauwen samen en keek mij nadenkend aan.

Ik ging voort:

—Wanneer gij een gebroken been tusschen planken bindt, dan zullen deze voor dat lichaamsdeel zeer lastig zijn, omdat zij niet den vorm van het been aannemen, zich niet daar naar voegen. Zulk een verband deugt niet.

—Maar er bestaat geen ander verband. De grootste en voornaamste doctoren in het land hebben zich er tevergeefs het hoofd over gebroken, om een verband uit te denken dat stevig is en zichvoegt naar den vorm van het lichaam. Ik zelf heb een boek waarvan de titel is:Schifa kernik kyryklarin. (Over de genezing van beenbreuken). Daarin staat te lezen dat men breuken met planken kan behandelen.

—En wie heeft dat boek geschreven?

—De beroemde dokter Kari, Asfar Zulaphar!

—Nu, die heeft ongeveer twee honderd jaar geleden geleefd. ’t Is best mogelijk dat men toen niet beter wist, maar nu zou men je uitlachen.

—Ja, maar ik lach er niet om!

—Daarom passen zijn redeneeringen en beschouwingen alleen voor dien tijd en niet voor den tegenwoordigen. Er zijn nog meer andere verbanden. Hebt gij de fez wel eens goed bekeken, die gij op uw hoofd hebt gehad?

—Hoe zou ik die niet hebben bekeken! Die kleine padde heeft hem mij bitterlijk onder den neus geduwd.

—Vertel me dan eens, welken vorm hij heeft aangenomen?

—Dien van mijn hoofd!

—En wel volkomen; juist zoo gaat het met ieder ander lichaamsdeel. Wanneer ik een arm, heb gebroken, laat ik dien eerst in ’t lid zetten, en wikkel hem dan in dunne zwachtels. Deze bevochtig ik dan met gips, dat ik in water heb opgelost, en zwachtel verder, telkens de verbandstof in het gips doopende wanneer dit droog en hard is geworden. Zoo krijg ik een stevig verband dat volkomen op den arm past!

—Ah—Oh—Aah!—riep hij uit en keek daarbij eerst mij en daarna Halef aan, terwijl hij dezen toeriep:—Geef mij eens gauw mijn muts aan!

De Hadschi deed wat hij hem vroeg, en hield die voor hem, terwijl hij ze naar alle kanten ronddraaide.

—Nog beter is het,—ging ik voort,—wanneer men de stof eerst in het vochtige gips drenkt, en daarna om het lichaamsdeel windt. En opdat het, droog geworden, het zieke lid geen pijn zou veroorzaken, legt men daar eerst een laag watten op. Dan rust het lichaamsdeel in een zacht maar stevig en nauwsluitend verband.

Hij keek me weer aan en riep toen plotseling uit:

—Allah! Allah! Nazich idschad bulma, azametti keschf!Allah! Allah! Welk een heerlijke ontdekking, welk een prachtige uitvinding! Ik haast me, ik wil het opschrijven!

Zonder zich te bekommeren om de stijfheid van zijn kaftan sprong hij op en ging haastig naar de deur.

—Wacht eventjes! Neem meteen uw mand met instrumenten mee!—riep Halef. En zet eerst je muts weer op.

De dokter bleef stilstaan. ’t Was kluchtig om hem te zien. De gips brak aan alle kanten en brokkelde af. De kaftan bleef in de vouwen en plooien en ook in den stand, waarin hij gebogen was bij het zitten van den geneesheer. Het onderste achterdeel stak vooruit en hinderde hem in het loopen. Toen keerde de kleine dikke man den Hadschi zijn rug toe, stak zijn armen achteruit en zeide:

—Trek aan de mouwen! ik moet er uit!

Halef pakte hem beet en hield hem vast. De Aesculaap trok en trok, en wrong zich eindelijk met zooveel geweld uit zijn gips-omhulsel los, dat hij tegen de deur aan vloog; en daar hij die reeds had opengedaan, zoodat zij alleen maar aan stond, kwam hij op de binnenplaats te recht.

—Tekrar gelirim, tekrar gelirim, schimdi tekrar gelirim!Ik kom terug, ik kom terug, ik kom dadelijk terug!—riep hij terwijl hij haastig opstond en wegliep.

Hij was van het verband in vuur geraakt en moest naar huis, om op te schrijven wat ik hem had gezegd. Dat hij zijn pantoffels, zijn kaftan, de fez en de mand met instrumenten had achtergelaten en nu blootshoofds over straat liep, daarvan scheen hij zich niet veel aan te trekken. Hij was met hart en ziel bij zijn beroep, maar had jammer genoeg, niet meer geleerd dan wat anderen hem konden leeren die zelf niets wisten.

Nu moest het vertrek worden schoongemaakt. De stijve kaftan werd over een paar stoelen gehangen en de instrumenten bij elkaar gezocht. Toen werd mijn kamer voor mij gereed gemaakt. Osko had mij reeds lang weer water gebracht, en ik bemerkte tot mijn groote vreugde dat de zwelling minderde. Pijn had ik in ’t geheel niet meer. Later liet ik mij naar mijn kamer dragen en neerleggen op het bed dat inmiddels voor mij in gereedheid was gebracht. Ik maakte telkens frissche omslagen en was voornemens tegen den avond een verband te leggen. Daarvoor moesten watten, gaas en een nieuwe voorraad gips worden gehaald.

Toen ik ongeveer drie uur had gelegen, hoorde ik de stem van den dokter aan de deur.

—Waar is de Effendi?

—Daar in die kleine kamer!—was Halefs antwoord.

—Dien me aan.

Halef deed de deur open en de dokter stapte naar binnen. Maar hoe!

Hij was gekleed als een bruidegom! Een blauw-zijden kaftan hing neer tot op zijn voeten, die hij in fijne safraan lederen pantoffels had gestoken, en op het hoofd droeg hij een blauw en wit gestreepten tulband waaraan een granaten agraffe glinsterde. Hij zag er inderdaad feestelijk uit en had iets plechtigs over zich. Bij de deur bleef hij staan, kruiste de armen over de borst, maakte een diepe buiging en zeide:

—Effendim, japarim ziaret schúkúrüm ittibarún, mijn geëerde Effendi, ik kom u mijn dank betuigen en de verzekering geven van mijn hoogachting!Girisch bana ruchsat wer!Veroorloof mij binnen te komen.

Ik boog plechtig het hoofd en antwoordde:

—Jaklaschdyr, chosch sen.—Treed nader, gij zijt welkom!

Hij deed drie stappen, kuchte en begon:

—Effendim, uw hoofd is de bakermat van het verstand der menschen en uw hersenen bevatten de kennis en wetenschap van alle volkeren. Uw geest is scherp als de scherpte van een scheermes, uw oordeel is puntig als de naald waarmede men booze zweren open maakt. Daarom is het uw kismet geweest, de groote vraag tot oplossing te brengen, hoe men breuken, verstuiking, verrekkingen en kneuzingen behandelen moet. Uw genie heeft alle sferen der wetenschap doorloopen, heeft gevorscht op elk gebied, totdat gij terecht zijt gekomen bij de zwavelzure kalk, die de onwetende Barbaren met den naam gips bestempelen. Daar hebt gij water bij gedaan en het daarna omgeroerd, waardoor men het op linnen kan uitstrijken, waarmede men dan de gewrichten, botten en pijpen omwikkelt, om dezen de stevigheid te geven die zij noodig hebben. Daardoor zult gij in den loop der tijden millioenen armen en beenen voor verkromming en vergroeiïng bewaren, en de professoren der toekomst zullen inzamelingen houden om voor u een monument op te richten, waarop uw hoofd in steen zal zijn uitgehouwen op uw gestalte. Op den steen zal uw naam in gouden letters worden gegraveerd. Tot zoolang zal ik hem in mijn notitieboekje opschrijven, en ik verzoek u mij dien naam te noemen.

Hij had deze woorden op plechtigen toon gesproken, alsof hij sprak uit naam eener deputatie, die echter alleen uit zijn persoon bestond.

—Ik dank u!—antwoordde ik,—de waarheid echter gebiedt mij te bekennen, dat ik het niet geweest ben, die deze groote uitvinding heb gedaan. In mijn vaderland is zij overbekend, zoowel bij doktoren als bij leeken.

Wanneer gij echter den naam van den uitvinder wilt weten, zal ik u dien noemen. De geleerde man, aan wien zoovele menschen hun rechte ledematen te danken hebben, heet Mathijsen en was een beroemd heelkundige in het land dat Holland wordt genoemd. Ik heb uw dank niet verdiend, maar het verheugt mij zeer, dat de uitvinding uw goedkeuring wegdraagt, en ik hoop dat gij die veelvuldig in praktijk zult brengen!

—Dat ik vast besloten ben, die geneeswijze toe te passen, zal ik u bewijzen. Maar den dank moogt gij niet afwijzen. Al zijt gij dan ook de uitvinder niet, gij hebt die weldaad dan toch hier ingevoerd. Ik zal den dag van heden niet vergeten, en heb tot mijn groote vreugde gezien dat mijn kaftan nog in wezen is. Die zal nu mijn uithangbord wezen. Ik zal die voor de deur van mijn huis ophangen, zoodat een ieder die het een of ander lichaamsdeel heeft gebroken, zien kan, dat ik hem in zwavelzure kalk wikkel. Ik heb reeds geprobeerd hoe die moet worden gemaakt, en verzoek u vriendelijk mijn werk in oogenschouw te nemen, en mij uw oordeel te zeggen. Wilt gij dat?

—Zeer gaarne!—antwoordde ik.

Hij ging naar het venster en klapte in de handen. De deur die naar de groote kamer leidde, werd opengedaan en ik hoorde zware voetstappen.

—Hierheen!—beval hij.

Dadelijk daarop verschenen twee mannen die een groote tobbe droegen, die tot aan den rand met vloeibare gips was gevuld. De een droeg buitendien een voorraad watten, voldoende om tien personen in te wikkelen, terwijl de andere een pak katoen in de hand hield. Zij zetten hun last neer en gingen heen.

Toen er daardoor wat plaats was gekomen, kwamen twee mannen binnen die een baar droegen. Daarop lag een man met grooten baard, die tot aan den hals was toegedekt. Zij zetten de baar neer en gingen toen weder de kamer uit.

—Hier zult gij nu het eerste verband zien, dat door mij werd aangelegd!—begon de dokter. Ik heb me de noodige grondstoffen aangeschaft en dezen arbeider laten komen om mij als model te dienen. Hij krijgt iederen dag tien piasters en den kost. Veroorloof mij dat ik het laken wegneem en u den patiënt toon.

Hij nam het laken weg, en toen ik het model zag, moest ik mij geweld aandoen, om niet in lachen uit te barsten. De dikke had allerlei breuken en kneuzingen bedacht en den armen man dienovereenkomstig met gips verbonden. Maar hoe!

De schouders, de boven- en onderarmen, zelfs de heupen waren in gips-zwachtels gewikkeld, die alle wel een handbreed dik waren. Ook de borstkas was van zulk een pantser voorzien, zoodat een kogel er zeker niet zou zijn doorgedrongen.

De man leek inderdaad een werkelijke patiënt, die den dood nabij was. Hij kon zich niet bewegen, ja zelfs nauwelijks ademhalen. En dat alles voor een gulden twintig per dag. Per dag! Dat was het vermakelijkste van de geschiedenis. Hij moest dus dagenlang in die verbanden liggen en waarvoor?

—Hoe lang wilt gij die proef dan laten duren?—vroeg ik.

—Zoolang als hij het kan uithouden. Ik wil de uitwerking bestudeeren die de zwavelzure kalk op de verschillende lichaamsdeelen heeft.

—Op een gezonde? De eenige uitwerking die ’t op hem zal hebben, is dat hij het niet meer kan uithouden. Wat is er met zijn borst gebeurd?

—Hij heeft vijf ribben gebroken, twee rechts en drie links.

—En met de schouders?

—De beide sleutelbeenderen zijn gebroken.

—En hoe staat het met de heupgewrichten?

—Die zijn beide uit de kom geschoten. Maar nu heeft hij nog iets: de onderkaak is ontwricht en nu heeft hij de klem gekregen. Hoe men dát nu met gips moet verbinden, is mij niet recht duidelijk en ik zou gaarne hebben dat gij mij dit eens vóórdeelt!

—Maar Hekim, dat wordt immers nooit verbonden.

—Niet?... en waarom niet?

—Wanneer men de onderkaak weer op zijn plaats brengt, wijkt de klem van zelf en is daar geen gipsverband meer bij noodig.

—Goed, dan zullen we aannemen dat zijn mond weer geheel in orde is.

—Maar wees nu zoo goed en maak ook zijn ribben vrij. De man snakt naar lucht!

—Zooals ge wilt. Ik zal gereedschap gaan vragen bij den waard.

Ik was zeer benieuwd wat hij zou meebrengen. Bij zijn binnentreden was ik juist bezig een verschen omslag om mijn voet te doen en ik keek eerst op, toen ik hamerslagen hoorde.

—Om Godswil! Wat doet ge daar? Wat hebt ge daar in uw handen?

Ik kon dat namelijk niet zien, omdat hij met den rug naar mij toestond.

—Tshekidsch ile kalemkiarlyk!hamer en beitel!—antwoordde hij doodbedaard.

—Dan zult ge hem de ribben inderdaad nog stuk slaan of hem den beitel in de borst stooten.

—Ja, maar hoe moet men dan doen?

—Met een schaar, een mes, of een daartoe geschikte zaag, al naar de plaats, waar het verband is aangebracht, en de dikte er van.

—Een beenderenzaag is in mijn mand, ik zal die gaan halen.

—Breng dan meteen mijn kleinen reisgenoot mede, die kan u helpen, want ik ben er niet toe in staat!

Toen Halef binnenkwam, gaf ik hem eenige wenken en hij begon het gipsverband los te maken, hoezeer de dokter daar ook tegen protesteerde. Het was zwaar werk en het duurde geruimen tijd voor en aleer het model van al zijn verbanden was bevrijd. Er moest licht bij worden aangestoken, want de avond was inmiddels gevallen.

De arme kerel, bij wien, behalve de leelijke beenbreuken en kneuzingen, de dokter ook nog mondklem had willen constateeren, had geen enkel woord gesproken. Maar toen hij van het laatste verband was bevrijd, zeide hij tot mij:

—Ik dank u, Heer!

Met één sprong was hij buiten.

—Halt!—riep de dikke hem na. Ik heb je nog noodig, want nu beginnen wij weer van voren af aan!

Maar al zijn roepen was tevergeefs.

—Daar loopt hij me weg! Wat moet ik nu beginnen met al mijn mooie gips, watten en zwachtels?

—Laat hem loopen!—antwoordde ik. Wat hadt gij dan gedacht?Met dien voorraad gips kunt gij wel twee huizen bedekken. Ik kan er wel wat van gebruiken, want ik geloof dat het nu tijd wordt om mij te verbinden!

—Uitstekend, Effendi! Uitstekend! Ik zal dadelijk beginnen!

—Langzaam, langzaam! En doe nu precies wat ik u zal zeggen.

De man was geheel in vuur en deed mij onder het aanleggen van het verband, allerlei verhalen van kunststukken, die hij reeds had verricht. Toen wij gereed waren, zeide hij:

—Ja, dat is heel wat anders. Ik zal meteen mijn proef-patiënt weer laten komen, en hem morgen weer hier heen laten brengen!

—En wanneer wilt ge hem dan verbinden?

—Van avond nog!

—Allah! dan moet hij dus tot morgen zóó blijven liggen! Gij zult hem nog vermoorden. Wanneer ge u op hem wilt oefenen, moogt gij niet al zijn ledematen tegelijkertijd verbinden, maar slechts een tegelijk, en ook moet ge ieder verband dadelijk weer afnemen wanneer het stijf geworden is. Dan moet ge ook onthouden, dat men in de verbanden openingen kan snijden om zich van den toestand van bijzondere plekken op de hoogte te stellen. Gij hebt niemand die u daarin kan onderrichten en ook geen boek om in te studeeren. Gij moet dus zelf nadenken en proeven nemen!

—Effendi! Blijf toch hier en onderricht mij. Alle Hekims uit den omtrek zullen gaarne uw lessen volgen!

—Ja, en dan moesten wij als modellen dienen!—voegde Halef er aan toe. Dat ontbreekt er nog aan! Gij hebt nu van middag genoeg geleerd, en moet nu maar zien, u zelf verder te helpen!

—Wanneer gij er geen tijd voor hebt, moet ik van zelf wel van dat onderwijs afzien. Het is waar, ik heb van middag veel geleerd en weet eigenlijk niet hoe ik u mijn dankbaarheid zal toonen. Geld zoudt gij toch niet aannemen. En daarom zal ik een aandenken geven, Effendi, dat u inderdaad genoegen zal doen!

—En dat is?

—Verscheidene flesschen met spiritus en verschillende soorten lint- en dauwwormen, waaraan ik zeer veel aardigheid heb. Maar ik gun ze u van harte!

—Ik moet u daarvoor danken, want die flesschen zouden mij op reis veel te lastig zijn.

—Dat spijt me, maar ik wil u toch toonen dat ik niet ondankbaarben. Ik zal u het liefste geven, wat ik bezit: een skelet. Ik heb de beenderen zelf afgeschrapt, gekookt, gespoeld en gebleekt.

—Ook daarvoor moet ik u danken.

—Wilt gij mij beleedigen?

—Volstrekt niet, maar ge begrijpt toch wel dat ik op mijn paard geen skelet kan meenemen.

—Dat is waar! Maar veroorloof me dan tenminste dat ik u hartelijk de hand druk.

De Hekim was, als de meeste dikke menschen, in den grond een zeer goedig manneke. Hij was zeer leergierig en dankbaar, en was sedert den namiddag zeer veel veranderd. Hij was overgelukkig toen ik hem uitnoodigde deel te nemen aan ons avondmaal, en toen hij daarna afscheid van ons nam, scheidden wij als goede oude vrienden.

Zijn dragers hadden zoo lang moeten wachten, en sleepten nu hun lasten weer mee. In plaats van het model lag nu de mand met instrumenten en de stijve kaftan, die als uithangbord dienst moest doen, op de baar.

Het overige gedeelte van den avond brachten wij door, met te overleggen wat wij den volgenden dag zouden beginnen. Ik was vast besloten om, in weerwil van mijn voet, de reis voort te zetten want wij mochten den vier mannen die wij vervolgden, niet zulk een belangrijken voorsprong geven dat wij hun spoor konden verliezen.

Op het briefje, dat Hamb el Amasat had geschreven en dat mij te Edreneh in handen gekomen was, stond te lezen:

—In pripeh beste la karanorman chan ali sa panajir menelikde—zeer spoedig bericht in Karanorman-khan, maar na de jaarmarkt te Menelik.2

Menelik lag nu achter ons en wij waren den broeder van Hamb el Amasat tot hiertoe gevolgd, zonder ook maar een flauw vermoeden te hebben waar dit Karanorman eigenlijk lag. In ieder geval was deze plaats het doel van zijn tocht en zouden wij hoogst waarschijnlijk beiden daar aantreffen. Zij hadden iets zeer slechts in den zin, wat wij wilden voorkomen. Daarom hadden wij dezen tocht ondernomen en wanneer wij hun een grooteren voorsprong gaven, was het zeer waarschijnlijk dat wij ons doel niet zouden bereiken. Daarom moesten wij beslist den volgenden dag verder gaan.

Halef beschouwde mij als patiënt en verlangde dat ik me zou ontzien. Osko en Omar waren het echter volkomen met mij eens.De laatste liet zelfs de spreuk der wrake der woestijn hooren:

—Ed dem b’ed dem! Bloed voor Bloed! Ik heb gezworen den dood mijns vaders te wreken, en ik moet mijn woord houden. Wanneer gij morgen niet meegaat, dan vertrek ik alleen. Ik heb geen rust voor ik den moordenaar mijn mes in het hart heb gestooten!

Dat klonk woest en onmenschelijk. Als Christen hing ik aan de leer “Hebt uwe vijanden lief!” maar toen ik mij het oogenblik herinnerde dat zijn vader, onze gids, zoo jammerlijk was omgekomen, gevoelde ik toch dat die dood moest worden gewroken. Of dit nu juist moest geschieden op de wijze die Omar voorstelde, daarover was ik het op dat oogenblik nog niet met mijzelf eens. In ieder geval was ik vast besloten, geen doodgewonen barbaarschen moord te dulden.

Wanneer ik niet gewekt geworden was, had ik zeer zeker een gat in den dag geslapen. De mandenmaker stond buiten en wenschte mij te spreken. Ik ontving hem, vrijwel ontstemd door de stoornis, maar toen ik achter hem zijn zwager, den waard zag binnenkomen, begreep ik dat er gewichtige redenen voor moesten bestaan om mij uit den slaap te halen en zette ik een vriendschappelijker gezicht.

—Heer,—zeide de waard. Ik dacht niet dat ik u zoo spoedig zou weerzien. Neem mij niet kwalijk, dat wij u in uw rust komen storen, maar er staat veel op het spel. Het geldt uw leven!

—Alweer! Maar we willen hopen dat het niet zoo ernstig is als gij u voorstelt.

—Het zou zeer ernstig zijn, wanneer ik u niet had kunnen waarschuwen. De beide Aladschy’s zijn hier bij mijn broeder geweest!

—Ah! wanneer?

—Bij het aanbreken van den dag!—antwoordde de mandenmaker tot wien ik deze laatste vraag had gericht. Wij waren al vroeg wakker, want de vreugde over uw geschenken hield ons uit den slaap. Zelfs de kinderen waren reeds opgestaan. Ik was naar de rivier gegaan, om naar de netten te zien, die ik gisteren avond nog had uitgezet. Toen ik terugkwam, hielden juist twee ruiters voor de deur stil, waar zij met de kinderen spraken. Vader lag nog te bed. Toen zij mij zagen aankomen, vroegen zij of hier gisterenniet vier ruiters waren voorbij gekomen, waarvan een, een Scherif-tulband droeg, en een gekleurden bril op had. Een der paarden was een zwarte Arabische hengst.

—En wat hebt gij geantwoord?—vroeg ik in spanning.

—Wel, ik dacht dadelijk dat dit wel de Aladschy’s zouden zijn waarover gij ons hadt gesproken, en verzweeg de waarheid.

—Hm! dat zal je wel slecht zijn bekomen.

—Begrijpt gij dat al?

—Uw kinderen hadden het zeker reeds verraden!

—Zoo is het. Zij sloegen mij met hun zweepen en dreigden mij te dooden, als ik hun niet de waarheid zeide.

—Het is heel goed, dat gij hun de waarheid hebt verteld.

—Weet ge dan, dat ik dat heb gedaan?

—Ik merk het aan uw schuwen blik. Gij vreest dat ge iets verkeerds hebt gedaan en hebt daardoor geen rustig geweten.

—Effendi, gij hebt het bij het rechte eind. Ik had me wel uit de voeten kunnen maken, maar dan hadden zij dat zeer zeker op mijn vader en de kinderen gewroken. En daar deze laatsten toch al hadden gebabbeld, zei ik dat gij inderdaad voorbij waart gereden.

—Maar toch verder niets?

—Ik wilde dat alleen zeggen, maar zij hadden de kinderen reeds volkomen uitgehoord en van hen vernomen dat gij uw laarzen geledigd en aan vader geld gegeven had en dat ik u vandaag naar Taschköj zou brengen, waar ik ook reeds met de booze mannen was geweest.

—Dan hebt gij ’t wel moeten bekennen!

—Ja, ik kon niet anders, en ik hoop dat u er niet boos om zult wezen.

—Ik kan er u niet om beknorren. Ik had voorzichtiger moeten zijn en er niet over spreken in tegenwoordigheid der kinderen. Hadden de roovers geweren?

—Ja, en zij zagen er uit alsof zij ’t hard hadden te verantwoorden gehad. De een had een pleister op de bovenlip, en zijn neus had de kleur van een blauwe pruim.

—Dat is Bybar geweest, dien ik met een houw de bovenlip had opgescheurd. Maar hij droeg toch een baard?

—Dan heeft hij dien afgeknipt om een pleister op de scheur te kunnen leggen; mijn broer zal dat wel weten. Hij sprak in het geheelniet. Zijn broer deed het woord. Deze zat zoo slecht in den zadel alsof hij zijn ribben had gebroken.

—Ik smakte hem tegen een boom en daarvan zal hij de gevolgen nog voelen. Wat deden zij toen?

—Zij gaven mij nog een paar stompen, en reden toen in de richting van Radowitsch weg.

—Dat geloof ik niet. Ik denk dat zij naar het bosch zijn gereden, waar gij ons doorheen moet brengen. Zij zullen ons dáár willen overvallen. Zij kennen ongetwijfeld den omtrek!

—Gij hebt goed geraden, Effendi. Ik dacht hetzelfde en ben hen daarom achterna geslopen. Al heel gauw sloegen zij rechts af, de bergen in.

—En nu hebben zij zich daar verborgen en wachten ons op. Voor alles moet ik weten, hoeveel en wat gij hun hebt verteld. Gij hebt dus bekend dat ik te Radowitsch ben. Gij hebt misschien ook wel gesproken over mijn gewonden voet die me waarschijnlijk zal noodzaken te Radowitsch te blijven?

—Neen, geen woord!

—Dan verwachten zij ons heden. Hebben zij niet gevraagd, wanneer wij voornemens waren te vertrekken?

—Ja, en ik zeide dat ik dat nog moest vernemen. Toen zwoeren zij, mij te vermoorden en mijn hut af te branden, wanneer ik hen zou verraden. Daarbij vertelden zij mij dat zij de Aladschy’s waren, van wie ik zeker wel zou hebben gehoord en die hun bedreiging altijd uitvoerden.

—En toch komt gij het mij vertellen!

—Dat is mijn plicht en ook de dankbaarheid gebiedt het mij. Misschien kunt gij het wel zoo inrichten, dat ik toch heb gezwegen!

—Dat gaat misschien gemakkelijk genoeg. Natuurlijk ben ik u dankbaar voor uw waarschuwing, zonder welke ’t mij slecht had kunnen vergaan.

—Ja, Heer, gij zoudt verloren zijn geweest!—viel zijn broer hem in de rede. Ik heb het met mijn eigen ooren gehoord.

—Ze zijn dus weer naar u toegekomen?

—Natuurlijk. Maar ik was er geenszins mede in mijn schik, want ik had genoeg aan hun eerste bezoek.

—Dat was gisteren namiddag! Of hebt gij hen reeds vroeger gezien?

—Gehoord had ik wel van hen, maar ik had ze nog nooit gezien. Zij kwamen ’s morgens bij mij en vroegen Raki, en gingen aan de tafel voor het huis zitten, nadat zij de paarden naar achteren hadden gebracht.

—En vermoeddet gij wie zij waren?

—Ja hun paarden en hun reuzen-gestalten pasten volkomen bij de beschrijving die men van hen had gegeven. Ik was zeer op hen gebeten, omdat ik hen hield voor de dieven van mijn paard en mijn pakzadel.

—Gij weet dus reeds dat beide verdwenen waren?

—Natuurlijk, dat zag ik zoodra ik was opgestaan.

—En was het dan niet mogelijk dat uw paard was weggeloopen?

—O, dat was nog nooit gebeurd en dan had het zadel er toch moeten wezen.

—Dat is volkomen waar, het zadel loopt niet met het paard weg.

—Ik vertelde hun van den diefstal, en zij schenen te merken dat ik er hen van verdacht, want ze werden boos tegen mij en dwongen mij eindelijk in de kamer te blijven.

—En liet gij u dat maar welgevallen?

—Wat kon ik er tegen doen?

—De hulp van uw buren inroepen.

—Ik kon toch niet weg om die te halen, en zelfs indien dit mogelijk was geweest, had ik het toch niet gedaan. Wanneer de Aladschy’s bij iemand komen, doet men maar het beste hun te gehoorzamen, want wanneer men ook al eenig oogenblikkelijk voordeel op hen behaalde, zouden zij dit later toch wreken. Ik bleef dus rustig in de kamer. Ik mocht niet eens de kinderen halen, wat gij later toch hebt gedaan, Effendi!

—Kwam er in dien tijd niemand bij u binnen?

—Gij dacht dat de komst van een gast hen misschien zou hebben verjaagd!

—Zijn zij dan bij uw komst vertrokken?

—Neen, daar hebt gij gelijk in!

—Er ging niemand voorbij, er kwam slechts een persoon en dat was——

—De Bakadschi Toma van Ostromdscha!—viel ik hem in de rede. Die wist dat de Aladschy’s op hem wachtten. Buitendienwaren zij den vorigen nacht in de nabijheid geweest en wisten ook dat gij twee paarden bezat. Zij zijn de eigenlijke oorzaak van den diefstal!

—Dat heb ik nu van mijn broeder gehoord.

—En bleef die Toma maar kort bij u?

—O neen, hij steeg van zijn muildier, ging bij hen zitten en vertoefde wel een uur bij hen.

—En kondet gij niet hooren wat zij zeiden?

—Van de kamer uit niet, ik hield hen echter voor de dieven van mijn paarden, en daar ik vermoedde dat zij erger in den zin hadden omdat ik de kamer niet mocht verlaten, nam ik mij voor te luisteren. Gij zult wel hebben gezien dat in mijn kamer een ladder staat, waarmede men op den zolder kan komen waar het stroo ligt. Ik klom naar boven en vandaar uit kon ik zachtjes door het luik op het uitstek komen. Ik hoorde ieder woord en vernam wat in Ostromdscha was geschied. De bode vertelde dat uitvoerig, en zeide dat gij tegen den middag zoudt opbreken en dus ongeveer twee uur later langs mijn huis zoudt komen. Verder hoorde ik, dat hij reeds den vorigen avond met hen had gesproken.

—Aha!—riep ik uit—nu begrijp ik hoe het mogelijk was, dat de Mubarek de Aladschy’s zoo gauw vinden en tegen mij opzetten kon.

—Het schijnt dat hij hen reeds vóór uw aankomst had besteld om den een of anderen gemeenen streek uit te voeren. Gij hebt hem daarin gestoord, en daarom heeft hij van bun aanwezigheid gebruik willen maken om zich op u te wreken.

—Wat hoordet gij nog meer?

—Dat de Mubarek met nog drie anderen was ontkomen, en dat gij sterven moest. Hij duidde zelfs de plaats aan, waar gij zoudt worden overvallen, namelijk niet ver van de scherpe bocht die de weg in het bosch maakt.

—Daar heeft in elk geval de strijd tusschen hen en mij plaats gehad!

—En gij hebt hen overwonnen, zooals mijn broer mij heeft verteld. Effendi, Allah is met u geweest, anders hadt gij het onderspit moeten delven.

—Zeer zeker! Maar ga voort.

—De bode zeide hun, dat zij niet op hun geweren en pistolen moesten rekenen, want dat gij kogelvrij waart. Toen lachten zij hem in zijn gezicht uit. Toen hij hun echter precies vertelde water gebeurd was, werden zij bedaarder en geloofden eindelijk dat gij inderdaad kogelvrij zijt!

—Nu, en wat denkt gij daarvan? vroeg ik.

—Effendi, er bestaat tweeërlei tooverij. Bij de een is de hulp van Allah noodig, en bij de andere de hulp van den duivel. Gij hebt ook tooveren geleerd, maar Allah helpt u.

Ik antwoordde hem:

—Meent gij inderdaad dat de Almachtige door enkele woorden, teekenen of ceremonieën van een zijner zwakke schepsels, gedwongen zou kunnen worden, hem ter wille te zijn?

—Hm! Neen, want dan was die mensch nog machtiger dan Allah zelf. Maar gij doet mij schrikken! Toovert gij dan met behulp van den duivel?

—O neen, wij tooveren in het geheel niet, en kunnen niet meer dan andere menschen.

—Maar gij zijt toch kogelvrij!

—Wij zouden wat blij zijn, als dat inderdaad het geval was. Maar jammer genoeg, zou een kogel in onze huid, een even groot gat maken, als in die van ieder mensch.

—Dat kan ik niet gelooven. Gij hebt immers de kogels met de hand opgevangen.

—Dat leek maar zoo. Ik heb mezelf reeds verweten dat ik de menschen in hun bijgeloof heb versterkt, maar misschien kan ik dat door u weer goed maken. Wanneer gij weer te Ostromdscha komt, zult gij daar wel over ons hooren spreken. Vertel de menschen hoe het gegaan is. Ik had gehoord, dat wij zouden worden overvallen, of van uit een hinderlaag doodgeschoten, en toen kwam ik op het denkbeeld, om de menschen in den waan te brengen dat wij kogelvrij waren, omdat men dan hoogst waarschijnlijk niet op ons schieten zou. Ik zal u vertellen hoe ik dat heb aangelegd.

En nu legde ik hem alles uit. Zijn gezicht werd al langer. Toen bekwam hij langzamerhand van zijn verbazing, hoorde mij ten einde toe aan, en zeide lachend:

—Het verheugt mij buitengewoon, Heer, dat gij mij die geschiedenis hebt verteld. Ik zal te Ostromdscha een groote rol spelen, wanneer ik de menschen uitlach en hun vertel, hoe de zaak in elkaar zit. Ik wilde dat ik het hun kon laten zien.

—Dat kunt gij. Ik heb nog meer kogels, en wanneer gij mijbelooft voorzichtig te zijn en ze niet met andere te verwisselen, dan wil ik u die geven.

—Ja, geef ze mij. Ik ben o zoo blij dat gij dit wilt doen. Maar weet gij, dat ik nu nog meer eerbied voor u heb dan te voren.

—Waarom?

—Omdat het nog veel meer zegt, zich door wijsheid en slimheid ergens doorheen te slaan dan door tooverij. En nu geloof ik ook dat de goochelkunst uit niets anders dan zulke kunstgrepen bestaat. Gij hebt echter uw doel bereikt, want de Aladschy’s besloten in ’t geheel niet op u te schieten, maar u met bijlen en messen af te maken. De bode beschreef u zoo nauwkeurig, dat geen vergissing haast mogelijk was en ging toen heen. Geen kwartier later kwaamt gij.

—En wien meendet gij te zien?

—Een Scheriff. Ik kon niet vermoeden dat gij de vreemde Effendi waart, die zou worden vermoord.

—En hebt gij ook ons gesprek beluisterd?

—Neen, want uw persoon leek mij niet van voldoende gewicht. Toen kwaamt gij binnen en waart vriendelijk tegen mij en de kinderen. Gij genaast zelfs mijn dochtertje van haar tandpijn. Ik wist wel is waar niet, wat zij met u voorhadden, maar gij waart vriendelijk tegen ons geweest en daarom waarschuwde ik u.

—Met gevaar voor u zelf.

—Dat was zoo groot niet. Ik waagde er alleen een paar zweepslagen aan. Toen zij met u waren weggereden, maakte ik mij ongerust over u, want zij hadden elkander zulke vreemde blikken toegeworpen. Daarom wenkte ik u nog eens, toen gij op de brug omkeekt.

—Ik begreep dat gij mij tot voorzichtigheid wildet aanmanen. En wat deedt gij daarna?

—Ik ging naar mijn buren, vertelde hun wat er was voorgevallen en riep hen op, om met mij het bosch in te gaan en u uit de handen der roovers te bevrijden en ook de vier vreemdelingen te redden, die zouden worden overvallen.

—Maar daarvoor waren ze niet te vinden!—vervolgde ik zijn verhaal. Ze waren natuurlijk bang voor de wraak der Aladschy’s en verscholen zich veilig achter hun vier muren. Dat kan ik me voorstellen. De vrees is de grootste vijandin dergenen die vreesachtigzijn. Ergens anders waren de Aladschy’s nooit zoo ver gekomen; men zou hen heel gauw onschadelijk hebben gemaakt.

—Meent gij, in uw vaderland?

—Ja zeker!

—Is daar dan iedereen een held?

—Neen, maar daar is het onmogelijk dat een Skipetaar de menschen zooveel vrees aanjaagt. Wij hebben geen strengere maar wel veel zachtere wetten dan gij, maar ze worden gehandhaafd. Daarom vreest ook niemand de wraak van een mensch, want de politie is sterk genoeg om de zwakkeren en goeden en eerlijken te beschermen. Maar wie beschermt u?

—Niemand, Heer. De vrees alleen. Wie het bijvoorbeeld zou wagen om zich tegen de Aladschy’s te verzetten en hun bevelen niet uit voeren, zou alles van hun toorn hebben te vreezen, en er is geen overheid die hem daarvoor kan vrijwaren. Daarom moet het u niet verwonderen, dat mijn buren niets met de zaak te doen wilden hebben.

—Maar gij zijt ook niet groot in getal!

—Ook dat, en buitendien is men vrij algemeen de meening toegedaan dat twee van die Aladschy’s allicht tien man kunnen staan!

—Hm! Dan kan ik er wel twintig voor mijn rekening nemen, want ik ben hun de baas af!

—Maar alleen met Allah’s hulp, Effendi. Die roovers zijn verschrikkelijk. Toch nam ik mij voor, de vreemdelingen te waarschuwen. Daarom zette ik mij op de bank voor mijn huis neer en wachtte hen op.

—Hebt ge ze gezien?

—Neen, mijn kinderen waren aan het kibbelen geraakt, zij huilden en ik ging naar binnen om den strijd te beslechten. En in dien tijd moeten de vreemdelingen voorbij gekomen zijn. Ik ben er slecht afgekomen, maar wat mij uit hun gesprek bleek, deed me veel genoegen. Ik hoorde namelijk dat de bewuste Scheriff hen had overwonnen!

—En gij vermoeddet dus niet dat de Scheriff de aanvoerder was dergenen die zij wilden opwachten?

—Die gedachte is niet in mij opgekomen. Maar later, toen zij wat kalmer waren geworden en bij de Raki zaten, haalde de een een briefje voor den dag, dat zij lazen. Ik hoorde dat gij dat aaneen boom hadt gestoken. Zij konden er echter niet uit wijs worden en wisten alleen dat er drie ruiters voorbij waren gekomen, die zich precies aan dit briefje hadden gehouden.

—En hielden zij die voor de verwachten?

—Neen, want de hoofdpersoon ontbrak immers. Zij meenden dat gij nog voorbij moest komen. Ofschoon de bode hun had meegedeeld, dat gij gewaarschuwd waart geworden, wilden zij het toch met u opnemen. Zij waren zoo ontzettend woedend, dat zij al hun kalmte verloren hadden en ook niet meer nadachten. Hun geweren waren gebroken. Zij hadden de stukken bij zich. Ik heb die alle op mijn rug gevoeld. De kinderen begonnen daarover te huilen en kregen ook schoppen en slagen. De een kon niet rechtop staan, dien hadt gij tegen een boomstam gegooid. Hij kleedde zich uit en ik moest hem zeker wel een paar uur den rug wrijven met raki en boter. De andere bloedde voortdurend. Gij hadt hem van onderenop een por gegeven en daarbij zijn bovenlip verwond, naar hij zeide met de duimen van uw vuist. Zijn neus was bont en blauw en dik en gezwollen. Hij wreef dien met raki. Later toen de twee anderen kwamen, knipte een hunner hem den baard af en ging in het naburige bosch hars halen, en maakte daarvan, met boter, een pleister die op de lip werd gelegd.

—De twee anderen kwamen? Wie waren dat?

—O, dat waren eerst een paar echte galgentronies. Die moest gij eens gezien hebben. Zij hadden den vorigen nacht bij Ibarek in Dabila geslapen, en—

—O, die ken ik. Het waren broeders. Hebt gij dat niet gemerkt?

—Ja, ik hoorde al heel gauw dat zij, evenals de Aladschy’s, broeders waren. Zij kenden dezen en ook u!

—En wisten zij dat zij de Aladschy’s zouden aantreffen?

—Neen, de twee paren broeders waren zeer verwonderd over deze toevallige ontmoeting, maar hun vreugde was toch nog grooter dan hun verbazing, toen zij hoorden dat hetzelfde doel hen had hiergebracht, nl. wraak te nemen op u!

—Dat geloof ik, dan zullen ze elkaar heel wat te vertellen hebben gehad!

—Veel, zeer veel, van Edreneh en Menelik, waar gij zoo vlug waart ontkomen, ofschoon gij reeds dáár onschadelijk hadt moeten worden gemaakt. Gij waart hen daarom dubbel gevaarlijk omdatgij van uit het duivenslag3het geheele gesprek hadt afgeluisterd. Want toen wist gij dat degenen, die u vervolgden, in de ruïne van Ostromdscha waren te vinden. En nog gevaarlijker was het, dat de broeder van den waard Ismilan u voor de rechtmatige bezitters der Koptscha gehouden en daarom gezegd had dat gij naar Sbiganzy gaan moest.

—Ja, dat is zeker heel dom van hem geweest. Maar het zal ons nu wel zeer moeilijk vallen, zoo al niet onmogelijk zijn, om van dit voordeel gebruik te maken.

—Dat is waar. Toen de Aladschy’s hoorden dat gij van de Derekulibe bij Sbiganzy afwist, waren zij buiten zichzelf en zeiden dat dit, ’t kostte wat ’t wilde, moest worden voorkomen, en besloten zij u hier op de openbaren weg aan te vallen!

—Ze waren dus nog steeds van meening, dat wij nog niet voorbij gekomen waren.

—Ja, ze waren zoo gaan zitten, dat er niemand voorbij kon komen, zonder door hen te worden gezien. De beide anderen zouden hen daarbij behulpzaam zijn. Ze waren nu vier tegen vier, en de beide Aladschy’s verklaarden nu, zoo moedig te zijn, dat zij ’t tegen een geheel leger durfden opnemen. Dat duurde echter slechts zoo lang tot Toma, de bode, uit Radowitsch terug kwam.

—Die heeft hen dus van de staar gelicht!

—Zij riepen hem binnen. Toen hij hen zag, schreeuwde hij moord en brand over het uitzicht van den een. Zij zeiden hem, dat de vier personen nog niet waren voorbij gekomen; maar hij antwoordde, dat hij u reeds te Radowitsch had gezien en de noodige zweepslagen had ontvangen. Groot was nu hun verbazing. Zij begrepen hem en hij begreep hen niet. Eindelijk vroeg hij, of zij dan geen Scheriff hadden gezien, die eveneens paard reed. Dat waart gij geweest, want ge hadt u verkleed.

—Jammer dat ik daar niet bij geweest ben. Ik had die gezichten wel eens willen zien!

—Ja Effendi, het was grappig, maar toch ook verschrikkelijk. Zulk vloeken en razen had ik nog van mijn leven niet gehoord. Alles wat niet spijkervast was in de kamer, werd stuk geslagen. Ze gingen te keer als van den duivel bezetenen; zooiets was hunnog nooit overkomen. Zij hadden den Scheriff een poets willen bakken en nu waren zij door hem bij den neus genomen. Zij konden bijna niet tot bedaren komen en leken wel woedende stieren, voor wie niets helpt dan de vlucht.

—Dat geloof ik graag. En wat deed de bode?

—Hij was doodsbenauwd. Hij zelf had u verteld dat gij vermoord waart geworden, en zich daardoor verraden. Buitendien wist gij toch reeds dat hij met de Aladschy’s heulde, en vreesde nu dat gij naar Ostromdscha zoudt terugkeeren en hem bij het gerecht aanklagen.

—Wat dat betreft, kan hij gerust zijn. Ik zal hem aan zijn eigen kwaad geweten overlaten.

—O, dat kwelt hem niet erg. Het veroorzaakt hem in ieder geval minder pijn dan de zweepslagen die hij heeft ontvangen.

—Vertelde hij dat?

—Ja, en hij was woedend over den kleinen Hadschi. Het ergerde hem bijzonder dat hij voor zich de dertig slagen had moeten kiezen, want ze waren even goed aangekomen als anders honderd. Zijn kleeren kleefden op zijn gewonden rug, en hij smeekte de Aladschy’s u toch te dooden, eendeels uit wraak en anderdeels opdat gij hem niet zoudt kunnen aanklagen.

—En beloofden zij hem dat?

—Zij zwoeren ’t hem, en wilden dadelijk weg gaan naar Radowitsch, maar hij zeide hun, dat gij voornemens waart daar te overnachten zoodat zij den tijd hadden tot den volgenden morgen. Zij konden dus slapen en uitrusten, om ’s morgens weer frisch te zijn. Daarbij maakte hij hen opmerkzaam, dat zij bij mijn broer misschien wel meer te weten zouden kunnen komen, want hij had toevallig te Radowitsch gehoord dat hij de vier vreemdelingen naar deLocanda babi hamajunihad gebracht.

—Aan dit voorstel gaven zij natuurlijk gevolg?

—Ja. Ik vond dat vrij onaangenaam, want ik vond het vooruitzicht alles behalve plezierig, dat zij bij mij zouden overnachten en ik zoolang een gevangene zou zijn in mijn eigen huis. Zij vertrouwden mij niet en ik mocht niet eens aan de deur komen. De Aladschy’s hadden den laatsten nacht niet geslapen en zouden nu uitrusten, terwijl de beide anderen om beurten de wacht zouden houden!

—En Toma de bode?

—Hij reed naar huis, maar is voornemens reeds morgen vroegweer naar Radowitsch te gaan, om te hooren of zij u hebben ingehaald en vermoord!

—En waar en bij wien, wil hij dat te weten komen?

—Dat weet ik niet. Zij noemden den naam, terwijl zij de hoofden bij elkaar staken, zoo zachtjes dat ik dien niet kon verstaan. Toen de bode weg was kochten de Aladschy’s den anderen hun geweren en munitie af. Gij hadt de hunne gebroken en ook hun kruit meegenomen. Maar hoe woedend ze ook op u waren, moesten ze er toch om lachen, dat gij hen hun geld had laten behouden.

—Ik ben te eerlijk geweest, maar als ze weer in mijn handen vallen, dan zal ik mij niet voor de tweede maal laten uitlachen. Maar wat wilden de beide anderen doen. Die zijn vandaag toch niet mee gereden?

—Die gaan naar Menelik terug en hebben hun opdracht aan de Aladschy’s overgedragen. Zij moeten namelijk aan een zekeren Barud el—el—el, och hoe heet hij nu ook weer!

—Barud el Amasat!

—Ja, ja, zoo is ’t! Dezen moeten ze dan mededeelen dat zijn zoon gestorven is: verder dat gij de Koptscha bij u hebt, en eindelijk dat het zeer wel mogelijk is, dat gij bij een vleeschhouwer in Sbiganzy inlichtingen omtrent de Derekulibe gaat inwinnen.

—Nu, misschien lukt het ons den bode voor te zijn.

—Effendi! Wees voorzichtig. Zij rijden ook naar Sbiganzy en kennen den mooisten weg daarheen over Taschköj zeer goed. Wanneer gij hen voor wilt komen, moet gij ook dezen weg inslaan en in het bosch om hen heen rijden. Gij weet echter niet waar zij zijn. Integendeel, zij zullen op u loeren en u overvallen.

—Daar zijn wij op voorbereid. Wanneer men het gevaar kent is het niet half zoo groot. Wanneer ik mijn voet niet had verwond, zou ik ook dien weg inslaan. Ik zou hun spoor volgen en steeds nauwkeurig weten waar ik aan toe was. Maar daarom is het noodig dat ik af en toe afstijg en dat kan ik nu niet. Om diezelfde reden mag ik het ook niet op een strijd laten aankomen. In het bosch vecht men niet te paard, en te voet zou ik een allertreurigst figuur maken. Wij moeten dus een anderen weg kiezen.

—Die echter ook veel langer is.

—Dat doet er niet toe.

—Gij zult hen niet vooruit komen, Effendi!

—Misschien toch wel. Wij zullen van hier naar Karbinzy rijden en van daar misschien direct, misschien ook over Warzy, naar Sbiganzy, al naar omstandigheden.

—Dat is echter een moeilijke weg, Heer!

—Eigenlijk niet. Wanneer wij van hier naar Istib en vandaar over Karaorman naar Warzy rijden, hebben wij steeds een straatweg; maar daar moeten wij een hoek maken, die tijd kost. Liever rijd ik dadelijk naar Karbinzy, ofschoon dat een moeielijke rit zal wezen, want ik geloof niet dat dit een gebaande weg is.

—Neen, alleen zoo af en toe,—bevestigde de mandenmaker,—maar als ik u tot gids mag strekken, beloof ik u, u den weg zoo gemakkelijk mogelijk te maken.

—Kent gij den omtrek hier?

—Zeer nauwkeurig. Ik zal u nu toch tot gids dienen, en dan is het mij volkomen hetzelfde of wij naar Taschköj of naar Karbinzy gaan. De afstand is vrijwel dezelfde. Ik kan het wel zoo inrichten dat wij den ongebaanden weg kunnen mijden en meest over open vlakten gaan. ’t Zal echter wel voortdurend bergop, bergaf gaan.

—Nu, dat is wel te doen!

—Wanneer wenscht gij te vertrekken, Effendi? Kan ik eerst nog weer naar huis gaan?

—Ja maar binnen een half uur moet gij weer hier zijn. Kunt gij misschien niet een paard leenen?

—O, de waard hier zal daartoe wel dadelijk bereid zijn!

—Nu, spreek dan maar met hem af. Ik betaal het.

—Gij kunt ook het mijne krijgen dat buiten staat,—zeide zijn broeder.

—Neen, dat hebt gij zelf noodig, want ’t is een heel eind van hier naar uw huis.

—Ja, en ik weet ook niet of dat wel vlug zou gaan, want ’t is een oud beest. Maar die schoften hebben mij mijn goed paard afgenomen. Ik zal dat wel nooit meer zien, en ik heb ook geen geld genoeg om een ander te koopen, ofschoon ik het hard noodig heb.

—Hoeveel was het waard? vroeg ik hem.

—Onder broeders, honderdvijftig piasters.

—Dan zal ik het van u koopen!

—Van mij koopen?—vroeg hij verwonderd. Effendi is dat u ernst?

—Waarom dan niet?

—Omdat ik het paard niet heb!

—Dat doet er niet toe! Ik zal het zelf wel halen!

—Waar dan?

—Bij de dieven. Wanneer ik hen achterhaal, zal ik hun meteen uw paard afnemen.

—Maar als dat u nu eens niet gelukt!

—Dat is mijn zaak. Kort en goed, ik koop het van je, wanneer gij tenminste bereid zijt den koop te sluiten.

—Met groot genoegen, want ik zal het dier toch nooit terug krijgen. Maar Effendi, neem mij niet kwalijk, gij betaalt toch zeker eerst, als gij het paard in uw bezit hebt.

—O neen! Wie weet hoe lang ik die schurken nog moet nazitten en waar ik hen dan zal vinden. Hoe moest ik u dan het geld doen toekomen? Ik zal u die tweehonderd piasters dadelijk geven.

—Honderd vijftig heb ik gezegd.

—Neen, tweehonderd!

—Dan hebt gij mij verkeerd verstaan!

—Dat is mijn schuld! Ik heb gemeend twee honderd piasters en heb verklaard dat ik het daarvoor kocht. Wilt ge?

—En voor uw kinderen geef ik dan nog een fooi van vijftig piasters. Hier hebt gij dus twee honderd vijftig piasters.

Dat was dus nauwelijks dertig gulden voor het beste paard van dien man. Maar in gindsche streken betaalt men vooreengewoon slag paarden heel andere prijzen als bij ons. Buiten heeft zelfs iedere arme man een paard, want goedkoope, soms zelfs kostelooze weiden vindt men overal. Dat de mandenmaker geen paard had, was wel een bewijs dat hij zeer, zeer arm was.

In weerwil van de kleine som, bereidde ik daarmede den man groote vreugde. Het verlies dat de brave man geleden had, was daarmede ruimschoots vergoed en mij maakte het niet armer, want ik betaalde met het geld dergenen die het paard hadden gestolen. Nu speet het mij, dat ik ook het geld der beide Aladschy’s niet bij mij had gestoken. Ik had daarmede brave en eerlijke menschen kunnen weldoen.

Wij ontbeten, en maakten ons toen gereed om te vertrekken. Daarbij bracht mijn voet mij in groote verlegenheid. Wat zou ik aantrekken?

Juist toen ik hierover nadacht kwam de dokter binnen.

—Effendi!—zei hij,—ik kom u mijn morgenbezoek brengen en u vragen hoe gij hebt gerust!

Hij was geheel gekleed, zooals den vorigen avond, en had een pakje in de hand.

—Ik dank u!—antwoordde ik. Ik heb heerlijk gerust en ik hoop dat dit ook met u het geval zal zijn geweest.

—Allah heeft dezen uw wensch niet vervuld, want ik heb den geheelen nacht geen oogenblik geslapen. Ik had het hoofd zóó vol van zwavelzure kalk, dat het mij onmogelijk was een oog dicht te doen en toen ik eindelijk in slaap viel, droomde ik dat de zee van kalk en water was en de hemel van katoen, en onophoudelijk in de zee werd gedoopt en dan om mij heen geslagen. Dit vreeselijke verband begon mij eindelijk zoo te drukken, dat ik geen adem meer kon halen. Ik gilde van angst en.... toen werd ik wakker. Maar ik had mij zoo verzet tegen het verband leggen, dat ik uit mijn bed tot midden op den vloer was gerold!

—Dan kunt ge u nu zoo ’n klein beetje voorstellen hoe het uw “model”, gisteren te moede moest zijn geweest.

—Heel aangenaam zal hij het wel niet hebben gevonden, maar toch ligt hij alweer een uur bij mij. Hij heeft den linkerenkel en twee vingers van de rechterhand gebroken. Hij is prachtig verbonden en rookt tabak en drinkt daarbij limonade en eet sinaasappels.

—En is hij geheel vrijwillig gekomen?

—Neen, ik heb hem zelf moeten halen!

—En hoe staat het met uw gipskaftan?

—Die hangt reeds, aan een ijzeren stang, voor mijn deur, en een massa menschen staan er naar te kijken! Ik heb er een jongen bijgezet, die aan het publiek moet uitleggen, wat die kaftan beduidt en dan mag iedereen vrij binnen komen om het vinger- en enkelverband van mijn model te bekijken. Het zal niet lang meer duren of ik ben een beroemd man, en dat heb ik aan u te danken. Hoe gaat het met uw voet?

—Zeer goed.

—Dan beveel ik u, als lijfarts, de grootste, meest volkomen rust voor dit lichaamsdeel aan. Men is buiten bezig paarden te zadelen! Gij zijt toch niet voornemens te vertrekken?

—Dat ben ik van plan.

—Hm! dat is onvoorzichtig!

—Ik weet dat ik het kan wagen.

—Ja, gij waart reeds gisteren avond van plan, om heden uw reis voort te zetten. Maar wat zult gij gedurende de reis om uw voet doen?

—Daar heb ik ook al over gedacht.

—En ik heb er den geheelen nacht over gedacht, en toen is mij iets goeds ingevallen. Ik heb op het land een rijken patiënt, die door jicht wordt geplaagd. Zijn voeten zijn gezwollen, en het steekt en trekt hem in al zijn teenen. Ik heb hem, hier in de stad, een paar mooie zachte jichtlaarzen laten maken, die ik aan hem wilde sturen. Ik kan gemakkelijk voor hem een paar andere bestellen. Gij hebt de lintwormen en het skelet niet van mij willen aannemen, en ik hoop dat gij mij nu niet met beschaamde kaken zult laten staan, maar mij zult veroorloven, u deze laarzen als bewijs van mijn hoogachting en dankbaarheid aan te bieden.

Hij maakte nu het pak open, en haalde de laarzen tevoorschijn, zij waren uit stevige stof gemaakt, met flinke zolen en rondom met leer bezet.

—Doe mij het genoegen, Effendi, en pas de linkerlaars eens aan!—vroeg hij.

Ik voldeed gaarne aan zijn verzoek. De laarzen pasten en ik zeide hem, dat ik het geschenk gaarne zou aanvaarden. Hij was daarover zeer verheugd, en bedankte mij recht hartelijk. Toen ik hem duidelijk wilde maken dat ik hem, niet hij mij dank verschuldigd was, liep hij de deur uit, en wenschte mij, vóór hij die sloot, een recht gelukkige reis.

Toen de mandenmaker weer terug kwam, zouden we opbreken, en ik vroeg den waard naar het bedrag onzer rekening.

—Gij zijt mij niets meer schuldig, Effendi!—antwoordde hij.

—Maar wij moeten u toch betalen!

—Er is reeds betaald.

—Door wien?

—Door den Hekim. Gij hebt hem iets geleerd, waarmede hij zeer veel geld zal verdienen. Hij laat u nogmaals alleronderdanigst groeten en wenscht u gelukkige aankomst in uw vaderland!

—Sihdi!—fluisterde Halef mij toe—verzet u er niet tegen, maar neem het aan. Die Hekim is een verstandiger en netter menschdan ik dacht. Hij weet de gastvrijheid op prijs te stellen, en in het boek des levens, zal hem daarvoor een zachten dood worden toegedacht.

Met groote moeite kwam ik op de binnenplaats en werd daar te paard geholpen. Eenmaal in den zadel gezeten, ging alles goed. Wij reden weg, andermaal, zonder betaald te hebben.

In een nauwe straat, waar wij doorreden, zag ik een menigte menschen staan. Uit het huis, waarvoor zij stilstonden, hing een wit voorwerp. Toen wij dichterbij kwamen, herkende ik den kaftan, en daarboven de fez met de sigarenlintjes. De Hekim had het dus niet alleen voor de grap gezegd. Daar hing de kaftan inderdaad, een prachtig voorbeeld van Turksche reclame.

Mij kwam een en ander volstrekt niet belachelijk voor, en ook de menschen die zich er omheen verdrongen, keken hoogst ernstig. Ik hield stil en stuurde den mandenmaker naar binnen om te vragen of de heer des huizes thuis was. Hij kwam met een ontkennend antwoord terug. De vrouw van den dokter konden wij toch onmogelijk een afscheidsbezoek brengen.

Toen wij de nauwe straten met de talrijke kleine winkeltjes achter ons hadden, sloegen wij de straat in, die naar Skopia voert. De afstand daarheen is nagenoeg even groot als van Ostromdscha naar Radowitsch. Wij volgden die straat echter maar voor een klein gedeelte. Zoolang wij op den straatweg waren, ging het in galop. Toen sloeg onze gids rechts af, tusschen twee met boomen begroeide hoogten die een dal vormden, waardoor een beekje stroomde.

Dit dal liep al heel gauwtamelijk steil naar boven, en toen zagen wij al heel gauw een kalen bergrug waar geen boom te bekennen was en die zich naar het noorden uitstrekte. Dien reden wij in draf langs.

Wat zal ik van die streek zeggen? Men herinnert zich natuurlijk die plekjes het best, waar men iets heeft ondervonden of beleefd, en dat was hier niet het geval. De mandenmaker voerde ons door onbegroeide streken, die niet de minste landelijke bekoorlijkheid hadden.

In Karbinzy, een dorp op den linkeroever der Bregalnitza, hielden wij halt, en namen afscheid van hem. Hij kreeg eenextra belooning, waarmede hij zeer in zijn schik was. Daarna reden wij de rivier over, om te Warzy te komen, dat op den rechteroever ligt. Door dit dorp loopt een reeds oudtijds bekende en druk gebruikterijweg, die de zuidelijk van Istib gelegen hoofdplaatsen, met Karatowa Kostendil, Dubnitza, Radomir en eindelijk met Sophia verbindt. Wij trokken nog over de kleine Sletowska, en bevonden ons toen in het dorp Sbiganzy, voor het oogenblik het doel van onzen rit.

Ongeveer ’s morgens om negen uur, naar onzen tijd gerekend, hadden wij Radowitsch verlaten en te drie uur kwamen wij aan. Wanneer wij met gewone snelheid hadden gereden, zouden wij het dorp niet voor den nacht hebben bereikt.


Back to IndexNext