Eerste hoofdstuk.

Eerste hoofdstuk.Ontmaskerd.De Turksche rechtpleging, heeft, zooals bekend is, haar eigenaardigheden, men zou zelfs kunnen zeggen haar schaduwzijden, die te meer uitkomen naarmate de streek waarvan sprake is, meer afgelegen is.Onder de heerschende omstandigheden is het dus niet te verwonderen dat daar, waar de verschillende bandelooze stammen der Arnauten, die voortdurend met elkaar in oorlog leven, gevestigd zijn, van “recht” eigenlijk geen sprake wezen kan.Bij Ostromdscha begint het gebied der Skipetaren, die maar één wet kennen, nl. dat de zwakkere voor den sterkere moet wijken. Toen dan ook ons optreden tegenover den Mubarek,1ons met het “gerecht” in aanraking bracht, begrepen wij, dat, wilden wij niet aan het kortste eind trekken, ook wij die wet moesten toepassen. Wij hadden dit reeds in den namiddag gedaan, en wel met goed gevolg, en waren van plan, op de zitting waar wij thans werden gewacht, eveneens op krachtige wijze op te treden.Toen wij ons naar het “gerechtsgebouw” begaven, begon de avond reeds te vallen. Wij zagen onderweg verscheidene menschen die op de binnenplaats geen plekje meer hadden kunnen vinden en zich nu langs den weg hadden opgesteld, om ons ten minste te zien voorbijkomen.Nadat wij op de binnenplaats waren aangekomen, werd de poort achter ons gesloten, wat voor ons geen goed teeken was. De Mubarekhad al zijn invloed doen gelden, en naar het scheen met goed gevolg.Wij baanden ons een weg door de menschen, tot aan de plek waar het verhoor zou plaats vinden. Behalve een stoel stond er een lange bank en waren alle benoodigdheden voor de bastonnade voorhanden.Men had olie in de bakken gedaan en het werk aangestoken, wat over den geheelen omtrekeenfantastisch licht verspreidde.De heeren van het gerecht waren in het huis. Men verwittigde hen van onze komst. De Khawassen stelden zich rondom ons op, zoodat de weg naar de poort voor ons was afgesneden. Daar deze gesloten was, scheen ons het optreden van de politiemannen dubbel bedenkelijk.Doodsche stilte heerschte rondom. Nu verschenen de vijf heeren en de Khawassen presenteerden de blanke sabel.—O, Allah!—zeide Halef spottend. Wat zal ons gebeuren, Sihdi! Ik sidder van angst.—Ik ook!—Zal ik die domme menschen, die zich verbeelden dat zij ons met hun sabels vrees kunnen aanjagen, eens kennis laten maken met mijn zweep?—Geen dwaasheden! Gij hebt vandaag reeds eenmaal ondoordacht gehandeld en zijt daardoor grootendeels schuld dat wij ons hier bevinden.De vijf rechters hadden plaats genomen.De Kodscha Bascha op den stoel, de anderen op de bank. Een vrouw drong door de menigte heen en nam plaats achter den plaatsvervanger. Ik herkende dadelijk Nohuda, die haar schoonheid door ’t gebruik van oker trachtte te verbergen. De plaatsvervanger scheen dus wel haar gelukkige echtgenoot te zijn. Hij had een onbeduidend gelaat.Naast den Kodscha Bascha zat de Mubarek. Hij had een papier op de knieën, terwijl tusschen hem en zijn buurman een klein potje stond. Daar er een veerenpen in stak, vermoedde ik dat het inkt bevatte.De Kodscha Bascha schudde het hoofd en schraapte zich de keel. Dat was het teeken dat de zitting een aanvang nemen zou. Met kraaiende stem, die tot op grooten afstand verstaanbaar was, begon hij:—In den naam van den Profeet, en in naam van den Padischa,wien Allah een lang leven schenke, wij hebben deze Kasa bijeengeroepen om te oordeelen over twee misdaden, die heden in onze stad en in de nabijheid daarvan, hebben plaats gevonden. Selim kom naar voren. Gij zijt de aanklager. Vertel nu, wat er met u is gebeurd.De Khawas trad nader en begon zijn verhaal. Wat wij te hooren kregen was inderdaadbelachelijk. Hij was ingespannen bezig met ambtelijk werk, toen hij door ons, met moorddadige bedoelingen, werd overvallen. Alleen door zijn tegenwoordigheid van geest en zijn dapper verweer, was hij er in geslaagd zijn leven te redden.Toen hij uitgesproken had, vroeg de Kodscha:—En wie heeft u geslagen?—Deze!—antwoordde hij op Halef wijzende.—Wij weten nu, wie het is en wat hij heeft misdreven, en zullen dus beraadslagen wat ons in deze te doen staat.Hij fluisterde een poos met zijn mederechters en zeide toen met luider stemme:—De Kasa heeft besloten, dat den misdadiger op iedere voetzool veertig zweepslagen zullen worden toegediend, waarna hij veertig dagen zal worden gevangen gezet. Aldus geschiede in naam van den Padischa, wien Allah zegene!Halef greep naar zijn zweep, en ik had groote moeite om niet in lachen uit te barsten.—En nu is het tweede vergrijp aan de orde!—verkondigde de ambtenaar.—Manuwadschi kom naar voren en spreek!De man deed wat hem gezegd werd. Hij scheen angstiger te zijn dan ik. Maar toen hij zijn verhaal wilde beginnen, wendde ik mij op zeer beleefden toon tot den Kodscha Bascha, met de woorden:—Zoudt gij zoo beleefd willen zijn om op te staan! Hij rees, niets vermoedende, van zijn zitplaats op, waarna ik hem op zij schoof en zelf zitten ging.—Ik dank u!—zeide ik.—Het past den mindere den meerdere eer te bewijzen. Gij hebt u zeer goed gedragen.Het is dood jammer, dat het niet mogelijk is een juiste beschrijving te geven van zijn gezicht. Hij begon vervaarlijk te knikkebollen, wilde spreken, maar kon van louter schrik geen woord over de lippen krijgen. Om nu ten minste toch uitdrukking te geven aan zijn ontsteltenis, al was het dan ook alleen door gebaren, strekte hij zijn armen uit en sloeg de handen boven zijn knikkend hoofd ineen.Niemand sprak een woord. Geen Khawas verroerde zich. Men wachtte blijkbaar op een uitbarsting van woede van den gebieder. Deze kwam eindelijk weer eenigermate tot zichzelf, deed allerlei uitroepen en schreeuwde mij ten slotte toe:—Wat verzint gij? Hoe kunt gij zoo ontzettend onbeschaamd zijn, en——Hadschi Halef Omar! viel ik hem op luiden toon in de rede. Neem uw zweep en den eerste den beste die het waagt mij nog één onvertogen, onbeleefd woord toe te voegen, geeft gij een pak slaag dat de stukken er af vliegen, onverschillig wie het zijn moge!De kleine Hadschi stond dadelijk klaar met zijn zweep.—Emir, ik gehoorzaam!—zeide hij op vasten toon. Gij hebt mij maar een wenk te geven.Het was jammer dat de verlichting veel te wenschen overliet, anders had men heel wat verbaasde gezichten kunnen zien. De Kodscha Bascha was blijkbaar met zijn houding verlegen. Toen fluisterde de Mubarek hem een paar woorden in het oor, waarna hij de Khawassen beval:—Neemt hem gevangen en sluit hem in den kelder!Hij wees daarbij naar mij.De politiedienaren traden nader, met de blanke sabel in de hand.—Terug!—riep ik hun toe.—Wie ’t waagt mij aan te raken, schiet ik neer.Ik hield hun de beide revolvers voor, en in het volgende oogenblik zag ik geen Khawas meer. Zij waren onder de menigte verdwenen.—Wat is de aanleiding tot uw toorn?—vroeg ik den Kodscha. Waarom staat gij? Laat den Mubarek opstaan en zet gij u op zijn plaats.Nu ging er een luid gemompel door de menigte. Dat ik den Kodscha durfde beleedigen, was nog denkbaar, maar dat ik nu ook den Heilige aanviel, dat werd hun toch wat te erg. Men begon te morren.Dat gaf den Kodscha moed. Hij riep mij toornig toe:—Mensch, gij moogt zijn wie gij wilt, maar voor zooveel onbeschaamdheid zal ik u ten strengste straffen. De Mubarek is een Heilige, een uitverkorene van Allah, een wonderdoener. Wanneer hij wil, kan hij het vuur uit den Hemel op uw hoofd doen nederdalen!—Zwijg, Kodscha Bascha! En als gij spreken wilt, spreek danverstandig. De Mubarek is geen Heilige en evenmin een wonderdoener. Hij is een misdadiger, een woekeraar, een booswicht!Kreten van afkeuring gingen nu uit de menigte op, maar boven alles uit, klonk de stem van den Mubarek. Hij was opgestaan en strekte de hand naar mij uit.—Hij is een Giaur, een ongeloovige hond. Ik vervloek hem. Moge de hel zich voor hem openen en hem verslinden. De booze geesten zullen...Verder kwam hij niet, want mijn kleine Hadschi had hem zulk een zweepslag toegediend, dat de oude zondaar in zijn woorden bleef steken en een geweldigen luchtsprong maakte.Dat was een waagstuk, zooals dan trouwens ook al heel spoedig bleek. Na een oogenblik van volkomen stilte, vernam men aan alle kanten dreigende kreten uit de menigte. Er ontstond gedrang. Ik ging vlug naast den Mubarek staan.—Rahat-Süküt! Weest rustig en stil! Ik zal u bewijzen dat ik gelijk heb. Halef, breng het licht eens naderbij.—En nu, menschen, ziet, wie de Mubarek is en hoe hij u bedriegt. Ziet gij deze krukken? Ik pakte den schurk met de rechterhand in den nek, en kneep zijn mageren hals haast fijn. Met de linkerhand rukte ik zijn kaftan open. Juist, aan iedren kant hing een kruk. Beide waren van scharnieren voorzien en konden dubbel geslagen worden.Bij die gelegenheid zag ik dat de binnenkant van zijn kaftan anders was gekleurd dan de buitenkant. Er waren verscheidene zakken in het kleedingstuk. Ik tastte in den eerste den beste en haalde een harig voorwerp te voorschijn. Het was een pruik, juist het vale verwarde haar, dat ik bij den bedelaar had opgemerkt.De kerel was zoo verschrikt, dat hij vergat eenigen tegenstand te bieden. Nu echter schreeuwde hij om hulp en sloeg de armen om zich heen.—Osko, Omar! houdt hem vast. En stevig! Of het hem pijn doet, hindert niets!De beide aangesprokenen grepen hem, zoodat ik nu mijn handen vrij had. Daar Halef een der olievaten weer in de nabijheid had gezet, werd de groep helder verlicht en konden de aanwezigen duidelijk alles zien. Zij bleven rustig.—Deze man,—ging ik voort,—dien gij allen voor een heilige houdt, is een bondgenoot van den duivel, of misschien wel de duivelzelf. Zijn woning is een verblijfplaats van dieven en moordenaars, zooals ik u later zal bewijzen. In allerlei vermommingen trekt hij het land door, om gelegenheden tot misdaden op te zoeken. Hij en de bedelaar Sakat, zijn een en dezelfde persoon. Hier onder de oksels bindt hij de krukken. En daar zij onder het loopen tegen elkander slaan, hebt gij dat gehouden voor het rammelen van zijn knokken. Hier is de pruik, die hij als kreupele draagt!Ik leegde zijn zakken een voor één, bekeek de voorwerpen en verklaarde hun doel en gebruik.—Hier is een busje met meel, dat dienen moet om hem een andere gelaatskleur te geven. Daar is de lap waarmee hij het weer gauw kan afvegen. Hier is een fleschje water, wat zeker dienen moest om zich behoorlijk te kunnen afwasschen op plaatsen waar geen water bij de hand was. En wat ziet gij hier? Ja, wat zou dat wel wezen? Twee gummi balletjes, die hij gebruikte om zich wangen te maken als hij den bedelaar wilde voorstellen. Zijn gelaat was dan voller. Ziet gij de verschillende kleuren van den kaftan. Als bedelaar keerde hij den donkeren kant naar buiten en bond zich dien om het middel vast. Dan zag het kleed er oud en afgedragen uit. Hebt gij ooit den bedelaar en den Mubarek tegelijk gezien? Zeker niet, want dat was ook niet mogelijk, daar het een en dezelfde persoon was. En heeft de Mubarek zich niet het eerst vertoond, toen ook de bedelaar in den omtrek kwam?Deze laatste argumenten schenen wel het meest overtuigend te zijn, want van alle kanten hoorde men goedkeurende en toestemmende uitroepen.Nu nam ik een klein pakje uit een der zakken. Ik wikkelde de lompen, waarin het gewikkeld was, los en haalde een armband van oude Venetiaansche goudstukken te voorschijn. Bij eenige munten was de stempel nog zeer duidelijk zichtbaar. Bij het licht der vlammen zag ik, op een der keerzijden, duidelijk het beeld van den heiligen Markus, die den Doge het kruisvaandel overreikt, en aan de andere zijde het beeld van een anderen mij onbekenden heilige, omgeven door sterren en de woorden:Sit tibi, Christe, datus, quem tu regis, iste ducatus.—Hier is een Bilezik van twaalf gouden munten, in een lap gewikkeld,—ging ik voort,—wie weet waar hij die gestolen heeft! Wanneer gij navraagt, zal de eigenares vermoedelijk wel te vinden zijn.—On iki zikkeler, twaalf muntstukken!—riep een vrouwenstem achter mij.—Laat eens zien! De vorige week is mij zulk een armband ontstolen.Het was Nohuda, de Erwt; zij kwam nu naderbij, nam mij den armband uit de hand, bekeek dien en riep uit:—Allah! het is de mijne. Het is een erfstuk van een mijner vrouwelijke voorouders. Bekijk hem en overtuig u dat hij inderdaad mij toebehoort.Zij reikte hem haar man.—Bij Allah, het is de uwe!—erkende hij.—Bedenk u dus eens, Nohuda, of de Mubarek omstreeks dien tijd bij u is geweest,—zeide ik.—De Mubarek niet, maar de kreupele. Hij werd binnengeroepen om wat eten in ontvangst te nemen. Ik had mijn sierraden op de tafel liggen en bergde die in een kastje weg. Dat heeft hij gezien. En toen ik een paar dagen later er naar keek, was de armband verdwenen.—Nu, nu kent gij den dief!—Ja hij is het! Hij had hem! Het is bewezen. O schavuit, die gij zijt! Ik zal u de oogen uitkrabben. Ik zal————Zwijg nu!—viel ik haar in de rede, bevreesd dat als de stroom harer welbespraaktheid eenmaal was losgebroken, die niet zoo spoedig weer tot staan zou zijn gebracht.—Neem den armband terug en laat den dief straffen. Gij ziet nu eens, welk een mensch gij allen hebt vereerd. En die roover is nog wel tot Basch Kiatib benoemd en heeft over anderen recht gesproken. Mij heeft hij reeds naar de hel gevloekt, en het heeft niet veel gescheeld of hij had de hier verzamelde menigte tegen mij in het harnas gejaagd. Ik eisch dat hij op een veilige plaats wordt opgesloten, vanwaar ontkomen niet mogelijk is, en dat de Makredsch van Saloniki onmiddellijk met het gebeurde in kennis wordt gesteld.Men was het niet alleen volkomen met mij eens, maar riep van alle kanten:—Laat hem eerst afranselen! Geef hem een bastonnade! Slaat hem de voetzolen stuk!—Sapijtijn iz ona bojunu!—Draait hem den hals om!—krijschte Nohuda, die woedend was over den gepleegden diefstal.De Mubarek had tot nu toe gezwegen. Maar nu schreeuwde hij:—Gelooft hem niet! Hij is een Giaur. Hij is de dief en heeft mij denarmbandeerst zooeven in mijn zak gestopt. Hij—Aï, Aï!—Hij viel zichzelf met dien uitroep van pijn in de rede, omdat Halefs zweep onzacht op zijn rug neerkwam.—Wacht schurk! riep de Hadschi.—Ik zal op uw rug schrijven dat wij eerst heden hier in de buurt zijn gekomen. Hoe kan de Emir dan den armband hebben gestolen? En buitendien, zulk een beroemde Effendi is geen dief. Daar hebt gij uw loon!Hij diende hem nog een paar zweepslagen toe, waardoor de oude schavuit brulde van pijn.—Aferim! Aferim! Bravo! Bravo! riepen de lieden die een oogenblik van te voren ons gevaarlijk dreigden te worden. De Kodscha Bascha wist niet wat hij doen of zeggen moest. Hij liet mij mijn gang gaan, maar had toch gauw van de gelegenheid gebruik gemaakt om weder op zijn stoel te gaan zitten. Zoo was dan toch tenminste zijn eer gered. Zijn medeaanzittenden zwegen. Zij schenen het ietwat benauwd te hebben. De Khawassen bemerkende dat mijn papieren begonnen te stijgen, en aannemende dat ik daardoor goed gehumeurd en niet meer gevaarlijk voor hen wezen zou, kwamen, de een vóór, de ander na, weer naderbij.—Bindt den kerel!—riep ik hun toe. Boeit hem!Zij gehoorzaamden onmiddellijk, en geen der aanwezige rechterlijke ambtenaren verzette zich tegen mijn eigenmachtig optreden.De Mubarek bemerkte zeer goed, dat het voor hem het verstandigste was zich in zijn lot te schikken. Hij liet zich binden zonder den minsten tegenstand te bieden en ging toen weer op zijn plaats zitten, waar hij ineen zonk. De anderen stonden onmiddellijk op. Zij wilden de bank niet met een misdadiger deelen.—En nu zullen wij op de rechtspraak terug komen!—zei ik tegen den Kodscha Bascha.—Kent gij de wetten van uw land?—Natuurlijk moet ik die kennen!—antwoordde hij—ik heb immers aan de hoogeschool gestudeerd.—Dat geloof ik niet!—Waarom niet?—vroeg hij beleedigd.—Ik ken het geheele geestelijk recht dat op den Koran berust, op de Sunna en de uitspraken van de eerste vier Khalifen.—Kent gij dan ook hetMülteka el buher, wat uw burgerlijk en strafrechterlijk wetboek is?—Ook dat ken ik. Scheik Ibrahim Halebi heeft het vervaardigd.—Wanneer gij die bepalingen inderdaad kent, waarom handelt gij dan niet dienovereenkomstig.—Ik heb mij steeds en ook heden stipt daaraan gehouden.—Dat is niet waar. Er staat geschreven, dat de rechter ook zelfs den grootsten misdadiger, alvorens hem te veroordeelen, gelegenheid geven moet tot verdediging. Gij hebt nu mijn vriend en metgezel veroordeeld, zonder hem ook maar een enkel oogenblik aan het woord te laten. Uw vonnis is dus niet rechtmatig. Ook moeten bij de behandeling alle aangeklaagden en alle getuigen tegenwoordig zijn, en dat was hier niet het geval.—Ze zijn er immers allen!—Neen. Ibarek de herbergier ontbreekt. Waar is hij?De rechter schudde verlegen met het hoofd, stond op en antwoordde:—Ik zal hem laten halen!Hij wilde weggaan, maar ik vermoedde wat met Ibarek was gebeurd, en hield den Kodscha Bascha tegen, terwijl ik de Khawassen gelastte:—Ga Ibarek halen, maar gij brengt hem hier, precies in denzelfden toestand waarin gij hem vindt!Twee hunner gingen heen en keerden weldra met den waard terug. Men had hem de handen op den rug gebonden.—Wat is dat? Wat heeft de man gedaan dat men hem heeft gebonden?—vroeg ik.—Wie heeft daartoe het bevel gegeven?—De Bascha schudde vervaarlijk met het hoofd en zeide:—De Mubarek wilde het zóó!—Dus moet de Kodscha Bascha doen, wat de Basch Kiatib beveelt? En gij zegt nog wel, dat gij de wetten hebt bestudeerd! Dan is het inderdaad geen wonder, dat in uw gebied een spitsboef voor een Heilige wordt gehouden.—Ik was in mijn recht!—verdedigde hij flauwtjes.—Dat kunt gij mij niet bewijzen!—O zeker! Ik heb u niet laten gevangen nemen, omdat gij vreemdeling zijt. De herbergier echter is een inwoner des lands en staat onder mijn macht!—En gij meent dat gij die macht moogt misbruiken! Daar staan nog eenige honderden uwer ondergeschikten. Meent gij, dat gij maar met hen doen kunt wat u goeddunkt! Misschien hebt gij dat totnu toe wel gedaan, maar zij zullen, wat heden is voorgevallen, wel ter harte nemen en voortaan gerechtigheid verlangen. Ibarek is bestolen geworden. Hij kwam tot u om hulp en inplaats daarvan hebt gij hem laten boeien en opsluiten. Hoe zult gij die onrechtvaardigheid verantwoorden? Ik verlang dat gij hem onmiddellijk losbindt!—Dat moeten de Khawassen doen!—Neen, gij zelf zult het doen, tot boete voor uw groote onrechtvaardigheid.Dat was hem toch te veel. Toornig sprong hij op.—Wie zijt gij eigenlijk, dat gij hier een toon aanslaat als waart gij de Makredsch ofBilad i Kamse Mollatariin persoon.—Hier zijn mijn papieren!Ik gaf hem mijn drie passen. Toen hij het Teskereh, het Buyuruldi en zelfs den Ferman zag, kneep hij verschrikt zijn kleine waterige oogen dicht en zijn hoofd knikte heen en weer als het Metronoom van den beroemden Regensburger Johann Nepomuk Mälyz.—Heer, gij staat onder bescherming van den Grooten Heer! riep hij uit.—Zorg dan, dat ik een deel dier bescherming over u kan uitstrekken.—Ik zal doen wat gij verlangt.Hij trad op Ibarek toe en maakte hem de banden los.—Zijt gij nu tevreden? vroeg hij.—Ten deele. Er wordt nog meer van u verlangd. Uw Khawas Selim heeft een valsche getuigenis afgelegd. De zaak heeft zich heel anders toegedragen, dan hij heeft verteld. De Mubarek zal hem wel hebben voorgezegd, wat hij zeggen moest om ons het meeste kwaad te doen.—Dat geloof ik niet!—Maar ik geloof het wel, want hij heeft ook den overman verleid om omtrent mij een onware getuigenis af te leggen.—Is dat waar?Deze vraag was gericht tot den overman, die nu van meening was, dat de Mubarek hem geen kwaad meer kon doen en dus vrijuit vertelde, dat deze hem de les had voorgezegd.—Gij ziet,—aldus wendde ik mij tot den Bascha,—dat ik dezen man geenszins naar het leven heb gestaan. Ik bemerkte dat hij de compagnon van dien oude was, en nam hem met mij mede omdaarvan wat naders te weten te komen. Dat is alles, en indien gij mij daarvoor wilt straffen, ben ik bereid mij te verdedigen!—Heer, er kan geen sprake zijn van u te bestraffen, want gij hebt geen kwaad gedaan!—Dan kan ook mijn metgezel niet worden gestraft wegens zijn optreden tegenover den Khawas, want niet hij, maar heel iemand anders is daar de schuld van!—En wie is die andere?—Gij zelf!—Ik?—Hoezoo?—Toen Ibarek bestolen was geworden, kwam hij tot u om ’t aan te geven. En wat hebt gij gedaan om uw plicht te vervullen?—Alles wat ik kon!—Zoo! En dat was?—Ik heb Selim opgedragen om na te denken over hetgeen in deze kon worden gedaan!—En de andere Khawassen hadt gij daarmede niet belast!—Neen, dat was niet noodig, die hadden toch niets gevonden!—Dan moeten uw politiedienaren wel zeer groote domkoppen zijn, als gij reeds vooruit weet dat zij geen succes zullen hebben. De misdaad heeft hier plaats gehad. En waarom dan de zaak juist opgedragen aan Selim, die eerst sedert kort hier is gevestigd?—Omdat hij de knapste is!—Ik vermoed, dat gij daarvoor een heel andere reden hadt.—Heer, welke reden zou ik daarvoor hebben?—Een goed ambtenaar spant alle krachten in om de bedrijvers van dergelijke misdaden te vinden. Maar gij hebt gezwegen en den eene wien gij er mede in kennis steldet, een geheele week tijd gegeven om over de zaak na te denken. Het had er alles van, alsof gij de dieven gelegenheid wildet geven om weg te komen.—Effendi, wat denkt gij wel van mij!—Mijn oordeel over u is het gevolg van uw manier van handelen. Niets lag meer voor de hand, dan dat gij hier in Ostromdscha naar de misdadigers liet zoeken.—Zij zijn immers naar Doiran gereden!—Om dát te gelooven, moet men al heel onnoozel zijn. Geen dief zal ooit zeggen, waar hij van plan is heen te gaan. Dat moestgij als oud jurist toch weten. En wat nu, als ik tot de ontdekking kom dat gij een vriend van die misdadigers zijt?Hij begon van louter schrik weer met het hoofd te knikken.—Ik weet niet wat ik daarop moet antwoorden, riep hij uit.—Zeg maar liever niets, want mijn meening blijft toch dezelfde. Wanneer gij u in deze zaak hadt gedragen, zooals uw plicht u dat gebood, waren de dieven al lang ontdekt!—Gelooft gij dan dat zij vrijwillig bij mij zouden zijn gekomen om zich aan te geven?—Neen, maar ik geloof dat zij hier in Ostromdscha zijn!—Onmogelijk; in geen enkelen Konak zijn die reizigers afgestegen.—Dat zullen zij wel laten. Zoo dicht bij de plaats van de misdaad zullen zij zich niet openlijk vertoonen. Zij hebben zich verborgen.—En moet ik dan weten bij wien?—Waarom niet? Ik ben een vreemde en weet het toch!—Wat? Weet gij het?—Ja, en heel nauwkeurig zelfs!—Dan moet gij alwetend zijn!—Neen, maar ik heb geleerd na te denken. Zulke schurken verbergen zich natuurlijk alleen bij iemand, die even slecht is als zij. Wie is nu het slechtste schepsel in Ostromdscha?—Meent gij den Mubarek?—Geraden!—En bij hem zouden zij zijn?—Precies!—Gij vergist u.—Ik vergis me zoo weinig, dat ik bereid ben met u een weddenschap aan te gaan. Wanneer gij de dieven gevangen wilt nemen hebt gij maar naar boven op den berg te gaan.Hij keek den Mubarek aan, en deze beantwoordde dien blik. Het scheen mij alsof die twee het met elkander eens waren.—Die tocht zou tevergeefs zijn, Heer!—zeide hij.—Ik ben van het tegendeel overtuigd, en ik zeg u dat wij niet alleen de dieven maar ook de gestolen voorwerpen zouden vinden. En daarom gelast ik u mij met de Khawassen te volgen!—Gij schertst toch zeker!—Neen, het is mij volle ernst!—In deze duisternis?—Zijt gij bang?—Neen, maar zulke menschen zijn gevaarlijk. Indien zij inderdaad daarboven zijn, zullen zij zich verdedigen. Wacht liever tot morgen als de dag is aangebroken.—Vóór dien tijd zouden zij kunnen ontsnappen. Het heeft er trouwens wel iets van of hier menschen zijn, die de dieven zouden waarschuwen.—Dat zal niemand doen. Ik zelf zou er voor zorgen, dat niemand naar de ruïne kon gaan.—Zorg liever dat wij spoedig kunnen opbreken, en gelast dat er lantaarns worden mede genomen!—Maar, Heer, laat dat voornemen toch varen!—Neen, wanneer gij uw plicht niet wilt doen, kunt gij thuis blijven. Ik zal wel menschen vinden, die het ambt van Kodscha Bascha meer waard zijn dan gij!Dát hielp. Hij schudde nog wel hoogst bedenkelijk met het hoofd, maar zeide toch:—Gij moet mijn bedoeling niet miskennen. Ik ben slechts op uw eigen welzijn bedacht, en verlang niet dat gij u in gevaar begeeft!—Bekommer u daar maar niet over. Ik zal wel voor mijzelf zorgen.—Gaat de Mubarek meê?—Ja, hij moet ons den weg wijzen!—Dan zal ik voor verlichting en voor wapens zorgen!—zeide hij, en ging in huis om, zooals ik vermoedde, een en ander in orde te maken.1Zie “de Schuilhoeken van den Balkan”.Tweede hoofdstuk.Een nachtelijke tocht.De Kodscha Bascha keerde weldra terug met eenige oude lantarens, fakkels en een aantal spanen, waarna wij ons op weg begaven waarbij velen der omstanders zich bij ons aansloten.Een nachtelijke tocht naar de ruïne om dieven op te vangen, dát was nog nooit alhier vertoond en was een heel vermaak voor de bevolking; daarom gingen ook nagenoeg alle bewoners van de plaats met ons mede.Voorop gingen eenige Khawassen, dan volgde de Bascha met de overige rechters, daar achter de Mubarek tusschen Osko en Omar, wie ik zijn bewaking had opgedragen; vervolgens kwam ik met Halef en de beide zwagers, de herbergiers, terwijl daar achter alle bewoners van Ostromdscha, mannen en vrouwen, oud en jong volgden.Luid pratende, werd de tocht begonnen, maar hoe dichter wij bij de ruïne kwamen, hoe stiller de menschen werden. Zij begonnen in te zien, dat men voorzichtig zijn moet om dieven te vangen.Eindelijk bij den rand van het bosch, bleven velen achter. Dat waren de vreesachtigen. Zij bezwoeren bij hoog en laag, dat zij hier alleen post vatten, opdat de dieven langs dezen weg niet zouden kunnen ontkomen.Toen wij eindelijk op de open plek waren aangekomen, heerschte daar een stilte als van het graf. De helden kregen het benauwd. De spitsboeven konden ieder oogenblik te voorschijn komen, of zich achter een boom hebben verborgen. Men ging zoo zachtjes voorwaarts, om hen niet op te jagen, en om geen kans te loopendat deze of gene met hen handgemeen werd, want er waren vrouwen ook bij.De Mubarek stond met Osko en Omar voor de deur van de ruïne. Hij verlangde dat wij hem zouden binnen laten. Daar hij zich met chemie bezighield en allerlei zoogenaamde tooverkunsten kende, vertrouwde ik hem niet best. Hij kon wel het een of ander hebben in orde gemaakt, voor het geval van een plotselinge gevangenneming.—Wat moet gij daar binnen doen?—vroeg ik. Hij antwoordde niet. De goede man scheen niets meer van mij te willen weten.—Wanneer gij geen antwoord geeft, kunt gij ook niet verwachten, dat aan uw verzoek wordt voldaan.Nu antwoordde hij.—Ik heb daar dieren, die gevoederd moeten worden.—Dat zal ik zelf morgen wel doen. Uw tehuis is voortaan de gevangenis, maar toch zal ik doen wat gij verlangt, indien gij mij naar waarheid antwoordt op eenige vragen die ik u zal stellen.—Vraag maar op!—Hebt gij bezoek?—Neen.—Er woont dus niemand in uw hut dan gij alleen, en gij weet ook niet of het mogelijk is dat een ander zich in de hut ophoudt.—Er is niemand, anders moest ik het weten.—Kent gij ook twee personen, met name Manach el Barscha en Barud el Amasat?—Ik ken noch den een noch den ander.—En toch beweren zij, u zeer goed te kennen.—Dat is niet waar.—Zij zeggen ook, dat gij hen heden met mijn komst in kennis hebt gesteld.—Dat is niet waar!—En dat gij er voor zorgen zoudt, dat ik in de gevangenis werd gezet, waarna gij zoudt komen en mij vermoorden!Hij antwoordde niet dadelijk. ’t Kwam hem ongehoord voor, dat ik alles weten zou.Eindelijk antwoordde hij.—Heer, ik begrijp niet waarover gij spreekt en ken geen der mannen wier namen gij hebt genoemd!—Gij zijt zóó onwetend dat ik inderdaad medelijden met u heb,en uit medelijden zal ik u nu eens laten zien, welke gevaarlijke menschen hier in de nabijheid zijn!Met deze woorden pakte ik hem bij den arm en nam hem mede. Halef ging met een fakkel vooruit, de heeren van het gerecht, Osko en Omar, benevens de beide herbergiers volgden, terwijl de anderen achter moesten blijven, omdat het binnenste gedeelte der ruïne geen ruimte bood voor zoovele personen.—Toen Halef de klimop op zijde schoof, hoorde ik dat de oude een vloek uitstiet.—Wat? Paarden? vroeg de Kodscha Bascha, toen wij in de afdeeling kwamen die voor stal werd gebruikt.—Waar paarden zijn, moeten ook menschen wezen, wie zij toebehooren!—merkte Halef op. Laten wij eens verder kijken!De drie schelmen die Halef en ik, bij ons vorig bezoek aan de hut, hadden geboeid,1lagen nog juist zooals wij hen hadden verlaten.Niemand sprak een woord. Met Halef’s hulp maakte ik hun touwen en banden los, althans voor zoover dit noodig was om hun gelegenheid te geven om op te staan en hun voeten te gebruiken.—Manach el Barscha, kent gij dezen man?—vroeg ik, naar den Mubarek wijzende.—Allah vervloeke u!—antwoordde hij.—Barud el Amasat, kent gij hem?—Stort van de brug des Doods in de eeuwige verdoemenis!—riep hij.Nu wendde ik mij tot den opzichter der gevangenis.—Uw eenige misdaad is, dat gij den gevangene hebt bevrijd. Deze beiden zullen streng worden gestraft, doch uw straf zal lichter uitvallen, wanneer gij toont geen halsstarrig zondaar te zijn. Zeg de waarheid! Kent gij dezen man?—Ja,—antwoordde hij, na zich een oogenblik te hebben bedacht.—Wie is hij?—De oude Mubarek!—Kent gij ook zijn werkelijken naam?—Neen!—Hij en uw beide kameraden kennen elkander ook?—Ja, Manach el Barscha is zeer dikwijls bij hem geweest.—En ik zou te Menlik vermoord worden?—Ja!——En vandaag werd dat plan wederom opgevat. Men wilde mij nu in de gevangenis dooden.—Zoo is het!—En nu nog iets. Terwijl gij met Ibarek en zijn vrienden kaart speeldet, hebben de beide anderen hem bestolen.—Dat heb niet ik, maar dat hebben zij gedaan!—Nu, het is wel. Ge zijt er dan toch bij betrokken, en hebt met uw kunstgrepen den diefstal mogelijk gemaakt. Ik heb genoeg gehoord!—En mij tot den Kodscha Bascha wendende ging ik voort:—Nu, heb ik gelijk gehad? Zijn de dieven niet in de ruïne!—Gij had hen reeds gevonden, toen gij mij over hen spraakt.—Juist, maar dat ik hen zoo te juister tijd en zoo gauw gevonden heb, is een bewijs te meer hoe gemakkelijk het voor u zou zijn geweest om uw plicht te doen. Deze drie personen moeten onmiddellijk naar de gevangenis worden overgebracht, en morgen brengt gij rapport uit bij den Makredsch, waar ik mijn schrijven zal bijvoegen. Hij zal dan beslissen wat gebeuren moet. Hier Ibarek, ik geloof dat daar op den grond alle voorwerpen liggen die men u heeft ontstolen.Ibarek was verbazend in zijn schik, zijn bezittingen terug te zien, en wilde alles weder bij zich steken, waartegen de Kodscha Bascha zich echter verzette, bewerende een en ander als bewijsstukken bij de behandeling der zaak te moeten overleggen.Ik begreep zijn bedoeling, en twijfelde er aan of Ibarek dan ooit iets van het zijne zou terug zien. Ik antwoordde daarom, dat dit niet noodig was en ik een lijst zou opstellen, vermeldende alle aanwezige voorwerpen naar hun waarde geschat, die volkomen denzelfden dienst zou kunnen doen, en in weerwil van het tegenstribbelen van den Kodscha werd alles door mijn kleinen Hadschi in minder dan geen tijd bij elkaar gepakt en in diens zakken gestoken.—Dieven!—mompelde de Mubarek.Halef’s zweep gaf hem op die opmerking een duidelijk en goed voelbaar antwoord. De gevangenen werden nu uit de ruïne, naar de open plek gebracht, waar het nieuwsgierige publiek zich om hen verdrong, en weldra zette de stoet zich in beweging. De Khawassen namen de vier gevangenen in hun midden, en de heeren van het gerecht volgden.Op een wenk van Halef bleef ik met hem achter.Toen de anderen verdwenen waren, maakten wij de deur der hut open en staken, met behulp van vuursteen, een stuk papier aan waarmede wij een fakkel ontbrandden. Het eerste vertrek dat wij binnen traden, was nagenoeg geheel leeg, maar toen wij het tweede wilden binnen gaan, zag ik verscheidene draden die boven, onder en midden langs den ingang liepen. Ik raakte een daarvan voorzichtig met het handvat van mijn zweep aan en dadelijk daarop weerklonk een schot, wat ons deed besluiten heen te gaan en onze onderzoekingstocht uit te stellen tot den volgenden morgen. Juist toen wij den terugweg wilden aanvaarden, kwam een vrouwelijke gedaante op ons toeloopen. Ik kon haar gelaat niet onderscheiden. Zij greep echter mijn hand en drukte, vóór ik het kon verhinderen, er haar lippen op.—Ik zag bij het schijnsel van de fakkel, dat gij het waart, Effendi en ik kom u nogmaals mijn dank betuigen.Het was Nebatja, de kruidenzoekster.—Wat doet gij hierboven? vroeg ik haar.—Waart gij reeds hier toen wij de gevangenen kwamen halen?—Neen! Het is voor mij geen vreugde des harten zulke ongelukkige menschen te zien. Maar ik was op de binnenplaats van den Kodscha Bascha, toen gij veroordeeld worden zoudt. Heer, gij zijt dapper geweest, maar gij hebt u een bitteren vijand gemaakt!—Wie dan? De Mubarek?—Neen, dien meen ik niet, ofschoon ook hij u haat! Ik meen den Kodscha Bascha.—Ja, ik wil wel gelooven, dat hij niet bijzonder op mij zal gesteld zijn, maar als vijand behoef ik hem niet te vreezen.—Maar toch vraag ik u, wees voorzichtig!—Is hij zoo slecht?—Ja, hij is overheidspersoon, maar beschermt in ’t geheim alle dieven, schelmen en moordenaars van de bende van den Shoet.—Hoe weet gij dat?—Omdat hij dikwijls des nachts hierboven bij den Mubarek kwam.—Zijt gij dan dikwijls hier geweest?—O ja! Ofschoon de Mubarek het mij verboden had. Er zijn echter planten die men alleen des nachts kan zoeken. Dit werd mij in den laatsten tijd dikwijls zeer moeilijk gemaakt. Maar heden hebtgij mijn vijand ontmaskerd en hem onschadelijk gemaakt. Hij is nu gevangen en daarom ben ik dadelijk hierheen gegaan om na middernacht een koning te zoeken.—Een koning? Is dat ook een plant?—Ja, kent gij die niet.—Neen! Hoe is de naam van die plant?—Het is de Hadsch Marrjam. Hoe jammer, dat gij die niet kent.—Ja,dieken ik wel, maar ik wist niet dat die een koning had.—Slechts weinige menschen weten dat, en dan is nog maar zelden iemand zoo gelukkig om een koning te vinden. Het is vandaag de eerste zondag na Nieuwe Maan en dan heeft men het meeste kans een koning te vinden. Wanneer gij tijd hebt, kunt gij hem zien schitteren.—Ik zou gaarne met u meegaan, want ik stel levendig belang in zulke natuurgeheimen, maar ik moet, helaas, naar de stad terug.—Dan zal ik u hem morgen avond brengen,danis de glans nog niet gedoofd.—Ik weet niet of ik dan nog in Ostromdscha wezen zal.—Heer, wilt gij reeds zoo spoedig weer vertrekken.—Ja, ik kwam niet hier met het voornemen hier lang te vertoeven. Ik heb maar weinig tijd te missen. Maar vertel mij eens, welke kracht schrijft gij aan den distelkoning toe?—De gewone Hadsch Marrjam geneest, als thee gedronken, de longtering, wanneer deze tenminste niet te zeer verouderd is. De distel bevat eene stof die de kleine ziektekiemen, die zich in de longen bevinden, doodt. Van den koning vertelt men echter, dat hij longlijders nog van den rand van het graf redt.—Hebt gij het wel eens beproefd?—Neen, maar ik geloof dat de Schepper alles kan wat hij wil en ook het kleinste plantje de grootste geneeskracht geven kan.—Kom dan morgen bij mij en laat mij den koning zien, wanneer ik er nog ben. Weet gij waar ik woon?—Ja, dat heb ik gehoord. Rust wel, Effendi!—Veel succes met den koning, Nebatja!—En zij ging heen.Weinig vermoedde ik, dat ik den distelkoning weldra mijn leven zou hebben te danken, en ’t zou mijn geluk zijn dat de kruidenzoekster dien avond naar de ruïne was gegaan om hem te zoeken.1Zie “de Schuilhoeken van den Balkan”.Derde hoofdstuk.Ontvlucht!Toen wij weder in het plaatsje kwamen, gingen wij dadelijk naar den Kodscha Bascha, waar ik mijn verklaring opstelde. Zijn kleine oogen fonkelden, toen wij den inhoud van de drie geldzakken uittelden.Hij vroeg nogmaals of ik de overzending niet aan hem wilde overlaten, maar ik bleef er op staan, daar zelf voor te zorgen. Weldra zou het blijken dat ik daar goed aan had gedaan. Om mij te ergeren bleef hij er echter op aandringen, dat zij dan tenminste met zijn zegel zouden worden voorzien, waartegen ik mij natuurlijk geen oogenblik verzette.Daarna begaf ik mij naar de gevangenen. Zij waren in een kelder opgesloten en geboeid. Ik vroeg hem, of dat geen onnoodig kwellen was: hij was echter van meening dat men tegen zulke perceelen niet streng genoeg kon optreden, hij was zelfs van plan om gedurende den nacht een zijner ondergeschikten bij de deur op wacht te zetten.Ik voelde mij dus, wat de gevangenen betrof, volkomen gerustgesteld, en dacht inderdaad niet, dat men hen alleen geboeid had, omdat men verwachtte dat ik naar hen zou komen kijken.Van hier begaf ik mij naar den Konak waar wij ons eindelijk aan den avondmaaltijd zetten. Wij zaten weer in hetzelfde vertrek als dien middag, bijeen. Het ging er recht opgewekt toe, want de gebeurtenissen van dien dag gaven stof te over tot een levendige gedachtenwisseling, en zoo werd het lang na middernacht, vóór wij ons ter ruste begaven.Mij werd de mooiste kamer aangewezen, die ik langs een trap bereikte. Daar er twee bedden stonden, nam ik den kleinen Hadschi bij mij. Ik wist dat zulk een bewijs van vriendschap hem zeer aangenaam was.Mijn horloge wees even over tweeën toen wij ons gereed maakten ons van onze kleederen te ontdoen. Daar werd aan de gegrendelde voordeur geklopt. Ik deed het blind open en keek naar buiten. Er stond iemand voor de deur, maar ik kon niet onderscheiden wie het was.—Kim dir?—wie is daar? vroeg ik.—O, dat is uw stem!—klonk een vrouwenstem.—Niet waar, gij zijt de vreemde Effendi?—Ja, en gij zijt de plantenzoekster!—Ja, Heer, kom naar beneden; ik heb u wat te zeggen!—Is het noodzakelijk?—Zeker!—En kan ik daarna weer gaan slapen?—Nu, dat zal wel niet zoo heel gauw zijn!—Wacht, ik kom!Eenige oogenblikken later was ik beneden bij haar.—Effendi, er is iets heel ergs gebeurd. De gevangenen zijn ontvlucht.—Wat zegt ge! Is het werkelijk waar?—Ja, zij zijn gevlucht.—Hoe weet gij dat?—Ik heb het gezien, en zelfs gehoord wat zij spraken.—Hoezoo?—Daar boven op den berg, bij de hut van den Mubarek.—Sihdi;—zeide Halef.—Wij moeten weg, onmiddellijk weg, den berg op; neerschieten moeten wij hen, anders wagen wij ons leven!—Wacht, eerst moeten wij alles weten. Nebatja, vertel ons eens hoeveel er waren.—De drie vreemdelingen, de Mubarek en de Kodscha Bascha.—Wat nu! Was de Kodscha Bascha er ook bij?—Ja, hij heeft hen zelf losgelaten en daarvoor van den Mubarek vijfduizend piasters gekregen.—Weet gij dat zeker?—Ik heb het duidelijk gehoord.—Vertel ons dan alles. Maar kort, want wij hebben geen tijd te verliezen.—Ik had dan den distelkoning gehaald en wilde naar de open plek op den berg terugkeeren. Toen zag ik vier mannen komen uit de richting van de stad. Ik wilde mij niet laten zien en kroop weg in den hoek, die gevormd wordt door de hut en den muur die er tegen aan staat. De vier mannen wilden de hut binnen gaan waarvan de deur echter gesloten was. Drie hunner kende ik niet, de vierde echter was de Mubarek. Zij spraken er over dat de rechter hen nu vrij had gelaten, en weldra zou komen om daarvoor vijfduizend piasters in ontvangst te nemen. Wanneer zij hem betaald hadden, wilden zij weg, maar zij moesten zich toch op u wreken. Die een zeide, dat gij in ieder geval naarRadowitschen Istib zoudt gaan. En onderweg zouden de Aladschy’s u dan aanvallen.—Wie zijn de Aladschy’s?—Dat weet ik niet. Toen kwam de Kodscha Bascha, en daar niemand een sleutel had, trapten zij de deur in. Er werd licht gemaakt en juist daar, waar ik stond, een raam geopend. Daaruit kwamen vogels, vleermuizen en andere dieren, wie de Mubarek de vrijheid gaf. Toen werd ik bang en vluchtte zoo gauw mijn voeten mij dragen konden, naar de stad, naar u toe. En dat is het wat ik u had te zeggen.—Ik dank u Nebatja! Morgen zult gij uw belooning ontvangen. Ga nu naar huis. Ik heb geen tijd meer te missen!Nu ging ik weer naar binnen. Ik behoefde niemand te wekken, want het feit dat ik was opgeklopt geworden, was een zeker teeken geweest, dat er iets bijzonders aan de hand was en men was dus reeds opgestaan. Twee minuten later waren wij allen gewapend en onderweg. Halef, Osko, Omar en ik. De beide herbergiers hadden de stad willen alarmeeren, maar ik had hun dat verboden, want de vluchtelingen zouden het leven hooren en daardoor gewaarschuwd zijn geworden. Ik droeg den beiden zwagers op, nog eenige wakkere mannen bijeen te roepen en met hen den straatweg naarRadowitschte bezetten. Zóó moesten de vluchtelingen ons in ieder geval in de handen vallen, wanneer het ons tenminste niet eerder gelukte hen onschadelijk te maken.Wij vieren gingen den berg op, zoo gauw wij konden, maar toen wij bij het bosch kwamen, waren wij wel genoodzaakt, om, wilden wij niet vallen, onzen gang te matigen.Plotseling was het mij alsof dichtbij iemand een korte hooge “I” uitstiet, als door plotselingen schrik bevangen. Toen was het alsof ik iemand hoorde vallen.—Halt!—fluisterde ik de anderen toe. Er is daar iemand vóór ons. Blijft staan en houdt u kalm en rustig.Na eenige oogenblikken naderde iemand langzaam. Het waren onregelmatige stappen en het scheen wel alsof de eene voet langzamer en ook zachter dan de andere werd neergezet. Hij hinkte. Misschien had hij zich bij een val gekwetst.Nu was hij vlak bij mij. Het was geen heldere nacht, en tusschen de plaats waar ik stond en de boomen, was het pikdonker. Daarom onderscheidde ik meer door mijn instinct dan door mijn oogen geleid, een lange magere gestalte, die veel op die van den Kodscha Bascha geleek.Ik pakte hem bij de borst.—Dur we sus,—Sta stil en zwijg!—gebood ik hem op gedempten toon.—Ia Allah!—riep hij verschrikt.—Wees stil, of ik sla u dood!—Wie zijt gij?—vroeg hij.—Kent gij mij niet?—Ah! gij zijt de vreemdeling! Wat wilt gij hier?Misschien hoorde hij het aan mijn stem. Misschien ook was mijn gestalte beter te herkennen dan de zijne. Hij wist tenminste wien hij voor zich had.—En gij! Wie zijt gij!—vroeg ik. Misschien de Kodscha Bascha, die de gevangenen heeft losgelaten.—Ej Müdschizat!O wonder!—schreeuwde hij.—Hij weet het!Hij maakte een zijsprong om zich los te rukken. Ik hield hem stevig vast, daar ik wel had vermoed, dat hij zou trachten te vluchten, maar zijn oude kaftan was niet zoo stevig als mijn greep. Eén ruk zijnerzijds en ik hield een stuk van het vod in mijn hand, en de man verdween tusschen de boomen, waar het natuurlijk vruchteloos zou zijn geweest om hem te vervolgen.Buitendien schreeuwde hij zoo hard hij kon:—Hajde, sa-usch kulibeden choriadscha tschapuk—Weg, weg uit de hut, zoo gauw ge kunt!—O Sihdi! wat zijt gij dom geweest!—riep Halef uit. Gij hadtden kerel beet en laat hem weer ontkomen. Dat had ik eens moeten doen!—Stil!—viel ik hem in de rede. Wij hebben nu geen tijd tot verwijten. Wij moeten, zoo gauw wij kunnen, naar de hut, want zijn geschreeuw bewijst dat zij dáár zijn.Toen klonk van boven de vraag:—Nitschün, ne deji, Waarom, om welke reden?—Jabandschylar, edschnebiler! Katschyn, koschyn, sytschryn,—De vreemdelingen, de vreemdelingen. Vlucht, loopt, springt!—luidde het antwoord.Wij haastten ons nu natuurlijk zooveel mogelijk; maar de hobbelige weg bemoeilijkte ons natuurlijk zeer. Wij waren pas enkele passen vooruit gekomen, toen wij een knal hoorden en een vuurstraal naar boven zagen schieten, het volgende oogenblik was alles weer donker.—Sihdi, bir top fisckenkler ile.—Heer, dat was een kanon met raketten!—merkte Halef op, die achter mij aan klauterde. O, Allah, het brandt!—Wij zagen nu door de boomen heen, een vuurgloed, en toen wij op de open plek waren aangekomen, stond de hut aan alle kanten in lichte laaie. Een stem klonk ons tegemoet:—Daar komen zij! Ziet gij hen? Geeft vuur!Wij werden door den gloed der vlammen helder verlicht en boden dus een zeker mikpunt.—Terug!—riep ik en nam tegelijkertijd een sprong, waarmede ik achter een naastbijstaanden boom terecht kwam.De andere volgden onmiddellijk mijn voorbeeld en juist nog te rechter tijd, want even daarna knalden drie schoten, die gelukkig geen van alle raak waren.In den sprong had ik mijn geweer nog juist kunnen opvatten. De vonk van de schoten had mij de plek verraden, waar de schurken zich bevonden. Een oogenblik later haalde ik over en moest er een getroffen hebben, want een stem riep:—Ej Selaket, bre ha! Jaralanmyschim!—O ongeluk! Help! help! ik ben getroffen!—En nu vooruit!—riep de kleine dappere Hadschi Halef Omar en sprong van achter zijn boom te voorschijn.—Halt!—waarschuwde ik, terwijl ik hem bij den arm pakte. Het is mogelijk dat zij twee loopen op hun geweren hebben!—Al hebben zij er honderd! Ik sla hen neer, die schurken en schavuiten!Hij rukte zich los, keerde zijn geweer om, en sprong over de hel verlichte open ruimte. Nu bleef ons niets anders over dan hem te volgen. Het was zeer gevaarlijk, doch gelukkig had men daarboven geen enkel tweeloopsgeweer, terwijl ook de tijd, om opnieuw te laden had ontbroken. Wij kwamen heelhuids tot aan de rots, vanwaar men op ons had geschoten, doch dit was ook het eenige voordeel wat die onvoorzichtige bestorming ons opleverde. Er was niemand meer.—Sihdi! waar zouden zij gebleven zijn?—vroeg Halef. Hebt gij er een vermoeden van?—Neen,waarzij zijn, dat weet ik niet, maar welwatzij zijn!—Nu wat dan?—Slimmer dan wij, en in alle gevallen slimmer dan gij.—Begint gij mij weer te beknorren.—Gij verdient niet beter. Wij hadden hen zeker gepakt, als gij niet in eens vooruitgesprongen waart.—Hoe dan?—Wij hadden dan, beschut door de boomen, ongemerkt voorbij de open plek kunnen komen en zóó tot in hun onmiddellijke nabijheid!—Dan waren zij toch al weg geweest.—Dat is nog de vraag. Zij hebben natuurlijk een openlijken aanval vermeden, maar het was ons misschien wel gelukt hen te vangen, wanneer wij hen voorzichtig omsingeld hadden, vooral wanneer een uwer hier was achtergebleven en een loos schot had gelost. Dan hadden zij gemeend dat wij allen nog hier waren!—En gelooft gij, dat wij hen nu niet meer kunnen inhalen.—Zij zijn in ieder geval nog in de nabijheid; maar ga in zulk een duisternis nu maar eens zoeken! Het schijnsel van het vuur verlicht alleen deze open plek. En zelfs al wisten wij precies waar zij zaten, zouden wij hen nog met rust moeten laten, want zij zouden ons hooren komen, en wat dan het gevolg zou zijn, laat zich gemakkelijk raden.—Ja zij zouden ons met kogels ontvangen en ik heb wel eens hooren vertellen dat de meeste menschen daar niet tegen bestand zijn. Maar wat zullen wij nu doen?—Luisteren!Deze korte gedachtenwisseling was natuurlijk op gedempten toon gevoerd. Het was waarschijnlijk dat de vier mannen niet ver weg waren en wij mochten hen, door luid spreken, niet in onze nabijheid lokken.Buitendien hadden wij ons zóó opgesteld, dat wij geheel in de schaduw stonden.Wij luisterden een oogenblik, maar het geknetter van de brandende hut hinderde ons. Toen mijn oor er echter aan gewend was, hoorde ik duidelijk het ritselen van takken. Ook Osko had het vernomen en vroeg:—Hoort gij wel, Effendi, hoe zij zich daarginds een weg banen?—Naar het geluid te oordeelen, zijn zij hier hoogstens een honderd pas vandaan, en daar wij wel kunnen aannemen dat onder de boomen geen struikgewas is, kan de cirkel die de boomen rondom den bergtop beschrijven, niet zoo groot zijn. Dat hebben zij wel geweten en zijn daarom dien kant uit gevlucht!—Hoe kunnen zij dat weten? Gij zijt hier toch zelf vreemd.—Manach el Barscha is reeds vaak hier geweest en bovendien de oude Mubarek is immers bij hen!Ik ging nu naar de hut en rukte een der dakstangen, die brandend naar beneden hing, geheel los. Daar het hout zeer harsachtig was, brandde die als een fakkel. Hiermede volgde ik de richting, die de vluchtelingen schenen te hebben ingeslagen.Mijn drie metgezellen sloten zich bij mij aan, terwijl zij hun geweren gereed hielden om te schieten.Het knetteren van het vuur had mij toch op een dwaalspoor gebracht. De breedte van den boschrand was hier niet zoo groot als ik gedacht had. Al zeer spoedig hadden wij den uitersten rand bereikt en zagen nu duidelijk de plaats waar de vluchtelingen zich een weg hadden gebaand. Wij volgden niet, en stonden een oogenblik later weder op de vlakte, toen mijn fakkel uitdoofde. Toen hoorden wij onder ons een paard hinneken, en dadelijk daarop weerklonk paardengetrappel door de nachtelijke stilte.—Odschurola, chowardalar!Vaarwelschurken! riep men ons met luider stem toe.—Kyzartfiz jarijn dejil o bir gun dschehennemde!—Overmorgen braadt gij in de hel!Dat was duidelijk genoeg. En wanneer ik nog niet geweten haddat men voornemens was ons op te wachten, dan had ik het nu gemakkelijk kunnen raden. Zoo heel slim was dat volkje dus nog niet.—Nu zijn zij weg! Wat nu te doen?—Op het oogenblik niets. Wij zijn nu weer juist evenver als voor onze aankomst hier in Ostromdscha. Onze vijanden zijn ons voor. Zij zijn vrij en zelfs nog één man sterker. Nu kan de jacht weer op nieuw beginnen, en wie weet of wij ooit weer zulk een goede gelegenheid zullen hebben om hen te vangen als hier!—Zeg dat wel, Sihdi. Die Kodscha Bascha moest gehangen worden.—Hij heeft hen niet alleen vrij gelaten, maar hun ook hun paarden teruggegeven.—Gelooft gij dat?—Natuurlijk. Gij hebt immers gehoord, dat zij paarden hadden. Die hebben voor hen gereed gestaan.—Dat zal hij natuurlijk ontkennen.—Zijn leugens helpen hem niets. Ik heb een stuk uit zijn kaftan gescheurd, dat ik in mijn zak gestoken heb.—Maar hoe wilt gij het met hem aanleggen! Hebt gij eenige macht over hem?—Helaas, neen!—Dan zal ik de zaak terhand nemen.—Wat wilt gij doen!—Dat komt vanzelf!—Geen nieuwe dwaasheid, Halef!—Wees maar niet bang, Sihdi. Ik zal niet overijld handelen maar de zaak met de grootste kalmte en het meeste overleg behandelen. Moeten wij niet eerst weer naar de hut terug gaan?—Ja. Misschien valt er nog iets te redden.Wij vonden, in weerwil van de duisternis gemakkelijk den weg terug, dien wij nu kenden. De woning van den Mubarek scheen veel brandbare stoffen te hebben bevat, want nog altijd sloegen de vlammen hoog op. De brand, die van verre zichtbaar was had inmiddels vele menschen naar boven gelokt.Juist toen wij van onder de boomen te voorschijn traden, kwam de Kodscha Bascha aanloopen, die, toen hij ons gewaar werd, met de armen in de lucht zwaaiende op ons wees en riep:—Grijpt hen! Vat hen! Pakt hen! Zij zijn de brandstichters!Ik was over zooveel brutaliteit meer verbaasd dan vertoornd. Die man bezat een groote dosis onbeschaamdheid. De aanwezigen, die allen wisten hoe ik hem dien dag reeds had behandeld, haastten zich natuurlijk niet om zijn bevel ten uitvoer te brengen.Nu gebeurde er echter iets, waarop hij zeer zeker niet had gerekend.De kleine Halef trad namelijk op hem toe en vroeg:—Ne mi iz sewgülüm—Wat zijn wij, lieveling?—Harakadschilarfiz!Brandstichters, zijt gij!—antwoordde hij.—Gij vergist u, Kodscha Bascha. Wij zijn heel wat anders. Leerlooiers zijn wij, en om u dat eens duidelijk te maken, zullen wij uw vel eens in behandeling nemen. Niet uw geheele huid, want daarvoor hebben wij geen tijd, maar alleen het deel dat wel goed stevig wezen mag, daar gij er op zitten moet! Osko en Omar helpt eens een handje!Dat lieten die beiden zich geen tweemaal zeggen, en tot groote voldoening van de meesten der aanwezigen, kreeg de schurk een pak zooals nog nimmer aan eenig overheidspersoon was uitgedeeld.Toen Halef eindelijk zijn zweep weer in den gordel stak, gaf hij den afgestrafte den volgenden goeden raad:—En nu geef ik u in overweging, in de eerste dagen niet op iets hards te gaan zitten, want dat zou u wel eens minder goed kunnen bekomen en afbreuk doen aan de schoonheid van uw aangezicht en de harmonie uwer gelaatstrekken. Gij moet onze edele daad geheel laten uitwerken, en tot in lengte van dagen zult gij de vreemdelingen zegenen wier komst voor u zoo heilzaam is geweest. Wij hopen dat gij ieder jaar dezen dag feestelijk zult herdenken en ons in vriendelijk aandenken houden. Sta nu op en betuig mij, met een kus uw hartelijken dank, zooals het betaamt!Een luid gelach volgde op deze, op plechtigen toon uitgesproken rede.De Kodscha Bascha, wien Omar en Osko nu losgelaten hadden stond langzaam op, en legde zijn beide handen op de door Halef reeds nader beschreven plaats. Toen de kleine man in zijn nabijheid kwam, riep hij hem woedend toe:—Schurk! Hondsvot! Wat hebt gij gedaan! Het lichaam van een overheidspersoon ontheiligd. Ik zal u en uw genooten in de boeien laten sluiten!—Houd u bedaard! viel Halef hem in de rede. Indien gij het een ontheiliging noemt, dat gij maar twintig zweepslagen hebt ontvangen, dan zijn wij gaarne bereid die fout onmiddellijk te herstellen. Leg hem maar weer in positie!—Neen! neen!—schreeuwde de oude schavuit angstig. Ik ga al! Ik ga al!Hij wilde zich haastig verwijderen, doch ik greep hem bij den arm en ondervroeg hem op barschen toon, wat hij met de gevangenen had uitgevoerd. Hardnekkig bleef hij ontkennen, dat hij hun de vrijheid gegeven en daarvoor van den Mubarek een ruime belooning ontvangen zou hebben. Toen ik hem dit laatste voor de voeten wierp sloeg hij de handen in elkaar en riep uit:—Wat zegt gij! Waarvan durft gij mij beschuldigen! Wie zijt gij, dat gij het durft wagen een Kodscha Bascha voor een misdadiger uit te maken! Geld zou ik hebben ontvangen! De gevangenen vrij hebben gelaten? Ik zal u gevangen laten nemen en de wet in al haar strengheid op u toepassen——neen, neen, ga heen, laat mij voorbij!De laatste woorden golden Halef, die hem bij den arm greep, de zweep ophief en dreigend uitriep:—Moet ik ook nog andere plaatsen raken? Weet gij nu nog niet dat dit geen manier is om ons te behandelen. Wanneer gij het waagt nog één onaangenaam woord te zeggen, zult ge andermaal kennis maken met mijn zweep.Ik wendde mij nu tot de omstanders en deelde hun mede wat ik van Nebatja had vernomen; echter zonder haar naam te noemen. Ik voegde er bij, dat wij toen den Kodscha Bascha hadden ontmoet, die de misdadigers had gewaarschuwd.Toen trad een hunner naar voren, in wien ik onmiddellijk een der bijzittende rechters herkende.—Effendi, wat gij ons hier mededeelt, doet me verbaasd staan. Wij hebben u veel te danken, want gij hebt een der grootste misdadigers ontmaskerd, dien wij ooit hebben ontmoet. Indien hij en zijn spitsbroeders werkelijk zijn ontvlucht, moet degeen die hen daarbij behulpzaam geweest is, ten strengste worden gestraft. Ik heb u heden gezien en gehoord, en geloof niet dat gij iets zult zeggen zonder zeker te zijn van uw zaak. Gij moet dus wel geldige redenen hebben om den Kodscha Bascha hier aan te klagen, en daar ik nu in rang op hem volg, ben ik verplicht in zijn plaats op te treden,wanneer het blijkt dat hij niet waardig is zijn ambt te bekleeden. Gij hebt u dus, van nu af aan, tot mij te wenden.De man was in elk geval eerlijk, al scheen het mij ook toe dat hij niet zeer beslist zou durven optreden.Zonder mij lang te bedenken antwoordde ik hem:—Het verheugt mij in u een man te leeren kennen, wien het wel en wee der burgers ter harte gaat, en ik hoop dat gij onpartijdig en zonder vrees zult kunnen en durven optreden.—Dat zal ik doen, maar dan moet gij mij van de waarheid uwer beweringen overtuigen.—Natuurlijk!—Gij zult mij dus dienen te zeggen, hoe gij weet, dat Kodscha Bascha hier boven is geweest en van den Mubarek geld ontvangen heeft.—Neen, dat zeg ik niet!—Waarom niet!—Omdat ik de persoon, die mij een en ander heeft medegedeeld, niet in moeilijkheden brengen wil.—Dat zal niet gebeuren!—Veroorloof mij, daaraan te twijfelen. Gij zijt een braaf man wat echter niet van alle beambten kan worden gezegd. Ik ken u voldoende om te weten dat, wanneer ik weg ben, de Kodscha Bascha weer zal doen en laten wat hem goeddunkt, en de persoon van wien ik alles vernomen heb, zou het dan hard hebben te verantwoorden. Het is dus beter dat ik geen namen noem.—Maar hoe kunt gij dan de bewijzen leveren?—O, dat gaat wel. Het geld dat de Kodscha Bascha ontvangen heeft moet òf in zijn zakken òf in zijn huis zijn, en dat hij hier boven was en zich van mij heeft losgerukt, is eveneens zeer gemakkelijk te bewijzen want ik hield een stuk van zijn kaftan in de hand.—Dat is niet waar,—riep de beklaagde. Kijk maar of hier een stuk uit is!Hij wees met zijn beide handen naar de plaats, waar ik hem had vastgegrepen. De kaftan was ongeschonden.—Gij moet u vergist hebben!—zeide de plaatsvervangende rechter.—En gij schertst!—hernam ik lachend.—Hoezoo? vroeg hij verbaasd.—Wanneer ik u aanzie, lijkt gij mij verstandig en slim genoeg, om te hebben opgemerkt dat de Kodscha Bascha, zich reeds heeft verraden.—Verraden?—Ja, hebt gij niet gezien, waar hij heen wees, toen hij onze aandacht op zijn kaftan vestigde?—Ja zeker!—Nu, waarheen dan?—Boven aan de borst, links.—Heb ik u echter verteld, waar ik het stuk heb uitgescheurd?—Neen, Effendi.—Nu, precies op dezelfde plaats die hij heeft aangewezen. Hoe weet hij dat?De man keek mij verbaasd aan, en vroeg:—Effendi, zijt gij misschien een hoofd van de politie?—Waarom vraagt gij dat?—Omdat alleen zulk een hooggeplaatst beambte zulke scherpzinnige gedachten hebben kan.—Gij vergist u. Ik woon niet in het land van den Padischah, maar inNemtsche memlekedi, waar de burgers zoo volkomen volgens de wet handelen, dat ieder kind de onvoorzichtigheid van den Kodscha Bascha zou hebben opgemerkt en begrepen.—Dan heeft Allah uw land met meer verstand gezegend dan het onze.—Maar gij ziet toch wel in, dat ik gelijk heb?—Ja, ja, wanneer hij naar die plek wijst, moet hij weten dat de kaftan daar is gescheurd. Wat hebt gij daartegen in te brengen Kodscha Bascha?—Ik zeg niets!—antwoordde de aangesprokene. Ik ben te trotsch om langer met een Nemtsche te verkeeren.—Uw houding is echter geenszins waardig. Waarom houdt ge uw handen zoo voortdurend achter u? vroeg ik lachend.—Zwijg!—riep hij toornig uit. Gij zult nog wel worden gestraft voor uw onbeschaamdheid. Ziet gij dan niet, dat mijn kaftan in het geheel niet gescheurd is.—Zeker zie ik dat, maar ik zie ook dat dit een andere kaftan is. Degeen die gij van morgen aanhadt, was ouder dan deze!—Ik bezit er slechts één.—Dat zullen wij zien!—Ja, de Kodscha Bascha bezit slechts dezen éénen kaftan!—bevestigde de knecht.—Gij hebt slechts te spreken als u iets wordt gevraagd,—voegde ik hem toe, en mij daarna tot den plaatsvervangenden rechter wendende vroeg ik dezen:—Weet gij ook hoeveel kaftans de Kodscha Bascha heeft?—Neen, Effendi! Wat raken mij de kleederen van een ander!—Maar gij weet mij wel te vertellen, waar hij de paarden der misdadigers heeft gelaten!—Ja, in zijn stal.—Heeft hijzelf ook paarden?—Ja!—Hoeveel?—Vier!—Welke kleur hebben die?—Die zijn zwart. Hij heeft een voorliefde voor donkere beesten, niet waar Bascha?—Wat kunnen mij de paarden van die menschen schelen?—antwoordde de gevraagde. En aangezien met hem niets was aan te vangen, de verbrande hut van den Mubarek geen verdere bewijsstukken kon opleveren en wij hier niets meer vonden wat ons op den weg kon helpen de vluchtelingen te vinden, of de schuld van den Kodscha Bascha te bewijzen, stelde ik voor naar het gerechtsgebouw te gaan, om ons te overtuigen dat de gevangenen werkelijk waren ontvlucht.Juist toen wij op het punt stonden aan dit voornemen gevolg te geven, zag ik den Hadschi haastig op zijde springen en even daarop klonk het dreigend uit zijn mond:—Halt! Gij blijft hier, of ik steek u mijn mes tusschen de ribben!—Laat me los!—riep een andere stem. Ik heb niets met u te maken!—Maar ik des te meer met u. Gij zijt gevangen!—Oho!—Ja, en als ge niet heel gauw goedschiks medegaat, dan heb ik hier een zweep waarmede dan de knecht ook eens kennis kan maken, nadat ik er zijn meester mede heb geliefkoosd!De knecht had zich willen haasten om voor ons de woning van den Kodscha Bascha te bereiken en zijn familie te waarschuwen. Hij werd nu met zijn meester in het midden genomen.

Eerste hoofdstuk.Ontmaskerd.De Turksche rechtpleging, heeft, zooals bekend is, haar eigenaardigheden, men zou zelfs kunnen zeggen haar schaduwzijden, die te meer uitkomen naarmate de streek waarvan sprake is, meer afgelegen is.Onder de heerschende omstandigheden is het dus niet te verwonderen dat daar, waar de verschillende bandelooze stammen der Arnauten, die voortdurend met elkaar in oorlog leven, gevestigd zijn, van “recht” eigenlijk geen sprake wezen kan.Bij Ostromdscha begint het gebied der Skipetaren, die maar één wet kennen, nl. dat de zwakkere voor den sterkere moet wijken. Toen dan ook ons optreden tegenover den Mubarek,1ons met het “gerecht” in aanraking bracht, begrepen wij, dat, wilden wij niet aan het kortste eind trekken, ook wij die wet moesten toepassen. Wij hadden dit reeds in den namiddag gedaan, en wel met goed gevolg, en waren van plan, op de zitting waar wij thans werden gewacht, eveneens op krachtige wijze op te treden.Toen wij ons naar het “gerechtsgebouw” begaven, begon de avond reeds te vallen. Wij zagen onderweg verscheidene menschen die op de binnenplaats geen plekje meer hadden kunnen vinden en zich nu langs den weg hadden opgesteld, om ons ten minste te zien voorbijkomen.Nadat wij op de binnenplaats waren aangekomen, werd de poort achter ons gesloten, wat voor ons geen goed teeken was. De Mubarekhad al zijn invloed doen gelden, en naar het scheen met goed gevolg.Wij baanden ons een weg door de menschen, tot aan de plek waar het verhoor zou plaats vinden. Behalve een stoel stond er een lange bank en waren alle benoodigdheden voor de bastonnade voorhanden.Men had olie in de bakken gedaan en het werk aangestoken, wat over den geheelen omtrekeenfantastisch licht verspreidde.De heeren van het gerecht waren in het huis. Men verwittigde hen van onze komst. De Khawassen stelden zich rondom ons op, zoodat de weg naar de poort voor ons was afgesneden. Daar deze gesloten was, scheen ons het optreden van de politiemannen dubbel bedenkelijk.Doodsche stilte heerschte rondom. Nu verschenen de vijf heeren en de Khawassen presenteerden de blanke sabel.—O, Allah!—zeide Halef spottend. Wat zal ons gebeuren, Sihdi! Ik sidder van angst.—Ik ook!—Zal ik die domme menschen, die zich verbeelden dat zij ons met hun sabels vrees kunnen aanjagen, eens kennis laten maken met mijn zweep?—Geen dwaasheden! Gij hebt vandaag reeds eenmaal ondoordacht gehandeld en zijt daardoor grootendeels schuld dat wij ons hier bevinden.De vijf rechters hadden plaats genomen.De Kodscha Bascha op den stoel, de anderen op de bank. Een vrouw drong door de menigte heen en nam plaats achter den plaatsvervanger. Ik herkende dadelijk Nohuda, die haar schoonheid door ’t gebruik van oker trachtte te verbergen. De plaatsvervanger scheen dus wel haar gelukkige echtgenoot te zijn. Hij had een onbeduidend gelaat.Naast den Kodscha Bascha zat de Mubarek. Hij had een papier op de knieën, terwijl tusschen hem en zijn buurman een klein potje stond. Daar er een veerenpen in stak, vermoedde ik dat het inkt bevatte.De Kodscha Bascha schudde het hoofd en schraapte zich de keel. Dat was het teeken dat de zitting een aanvang nemen zou. Met kraaiende stem, die tot op grooten afstand verstaanbaar was, begon hij:—In den naam van den Profeet, en in naam van den Padischa,wien Allah een lang leven schenke, wij hebben deze Kasa bijeengeroepen om te oordeelen over twee misdaden, die heden in onze stad en in de nabijheid daarvan, hebben plaats gevonden. Selim kom naar voren. Gij zijt de aanklager. Vertel nu, wat er met u is gebeurd.De Khawas trad nader en begon zijn verhaal. Wat wij te hooren kregen was inderdaadbelachelijk. Hij was ingespannen bezig met ambtelijk werk, toen hij door ons, met moorddadige bedoelingen, werd overvallen. Alleen door zijn tegenwoordigheid van geest en zijn dapper verweer, was hij er in geslaagd zijn leven te redden.Toen hij uitgesproken had, vroeg de Kodscha:—En wie heeft u geslagen?—Deze!—antwoordde hij op Halef wijzende.—Wij weten nu, wie het is en wat hij heeft misdreven, en zullen dus beraadslagen wat ons in deze te doen staat.Hij fluisterde een poos met zijn mederechters en zeide toen met luider stemme:—De Kasa heeft besloten, dat den misdadiger op iedere voetzool veertig zweepslagen zullen worden toegediend, waarna hij veertig dagen zal worden gevangen gezet. Aldus geschiede in naam van den Padischa, wien Allah zegene!Halef greep naar zijn zweep, en ik had groote moeite om niet in lachen uit te barsten.—En nu is het tweede vergrijp aan de orde!—verkondigde de ambtenaar.—Manuwadschi kom naar voren en spreek!De man deed wat hem gezegd werd. Hij scheen angstiger te zijn dan ik. Maar toen hij zijn verhaal wilde beginnen, wendde ik mij op zeer beleefden toon tot den Kodscha Bascha, met de woorden:—Zoudt gij zoo beleefd willen zijn om op te staan! Hij rees, niets vermoedende, van zijn zitplaats op, waarna ik hem op zij schoof en zelf zitten ging.—Ik dank u!—zeide ik.—Het past den mindere den meerdere eer te bewijzen. Gij hebt u zeer goed gedragen.Het is dood jammer, dat het niet mogelijk is een juiste beschrijving te geven van zijn gezicht. Hij begon vervaarlijk te knikkebollen, wilde spreken, maar kon van louter schrik geen woord over de lippen krijgen. Om nu ten minste toch uitdrukking te geven aan zijn ontsteltenis, al was het dan ook alleen door gebaren, strekte hij zijn armen uit en sloeg de handen boven zijn knikkend hoofd ineen.Niemand sprak een woord. Geen Khawas verroerde zich. Men wachtte blijkbaar op een uitbarsting van woede van den gebieder. Deze kwam eindelijk weer eenigermate tot zichzelf, deed allerlei uitroepen en schreeuwde mij ten slotte toe:—Wat verzint gij? Hoe kunt gij zoo ontzettend onbeschaamd zijn, en——Hadschi Halef Omar! viel ik hem op luiden toon in de rede. Neem uw zweep en den eerste den beste die het waagt mij nog één onvertogen, onbeleefd woord toe te voegen, geeft gij een pak slaag dat de stukken er af vliegen, onverschillig wie het zijn moge!De kleine Hadschi stond dadelijk klaar met zijn zweep.—Emir, ik gehoorzaam!—zeide hij op vasten toon. Gij hebt mij maar een wenk te geven.Het was jammer dat de verlichting veel te wenschen overliet, anders had men heel wat verbaasde gezichten kunnen zien. De Kodscha Bascha was blijkbaar met zijn houding verlegen. Toen fluisterde de Mubarek hem een paar woorden in het oor, waarna hij de Khawassen beval:—Neemt hem gevangen en sluit hem in den kelder!Hij wees daarbij naar mij.De politiedienaren traden nader, met de blanke sabel in de hand.—Terug!—riep ik hun toe.—Wie ’t waagt mij aan te raken, schiet ik neer.Ik hield hun de beide revolvers voor, en in het volgende oogenblik zag ik geen Khawas meer. Zij waren onder de menigte verdwenen.—Wat is de aanleiding tot uw toorn?—vroeg ik den Kodscha. Waarom staat gij? Laat den Mubarek opstaan en zet gij u op zijn plaats.Nu ging er een luid gemompel door de menigte. Dat ik den Kodscha durfde beleedigen, was nog denkbaar, maar dat ik nu ook den Heilige aanviel, dat werd hun toch wat te erg. Men begon te morren.Dat gaf den Kodscha moed. Hij riep mij toornig toe:—Mensch, gij moogt zijn wie gij wilt, maar voor zooveel onbeschaamdheid zal ik u ten strengste straffen. De Mubarek is een Heilige, een uitverkorene van Allah, een wonderdoener. Wanneer hij wil, kan hij het vuur uit den Hemel op uw hoofd doen nederdalen!—Zwijg, Kodscha Bascha! En als gij spreken wilt, spreek danverstandig. De Mubarek is geen Heilige en evenmin een wonderdoener. Hij is een misdadiger, een woekeraar, een booswicht!Kreten van afkeuring gingen nu uit de menigte op, maar boven alles uit, klonk de stem van den Mubarek. Hij was opgestaan en strekte de hand naar mij uit.—Hij is een Giaur, een ongeloovige hond. Ik vervloek hem. Moge de hel zich voor hem openen en hem verslinden. De booze geesten zullen...Verder kwam hij niet, want mijn kleine Hadschi had hem zulk een zweepslag toegediend, dat de oude zondaar in zijn woorden bleef steken en een geweldigen luchtsprong maakte.Dat was een waagstuk, zooals dan trouwens ook al heel spoedig bleek. Na een oogenblik van volkomen stilte, vernam men aan alle kanten dreigende kreten uit de menigte. Er ontstond gedrang. Ik ging vlug naast den Mubarek staan.—Rahat-Süküt! Weest rustig en stil! Ik zal u bewijzen dat ik gelijk heb. Halef, breng het licht eens naderbij.—En nu, menschen, ziet, wie de Mubarek is en hoe hij u bedriegt. Ziet gij deze krukken? Ik pakte den schurk met de rechterhand in den nek, en kneep zijn mageren hals haast fijn. Met de linkerhand rukte ik zijn kaftan open. Juist, aan iedren kant hing een kruk. Beide waren van scharnieren voorzien en konden dubbel geslagen worden.Bij die gelegenheid zag ik dat de binnenkant van zijn kaftan anders was gekleurd dan de buitenkant. Er waren verscheidene zakken in het kleedingstuk. Ik tastte in den eerste den beste en haalde een harig voorwerp te voorschijn. Het was een pruik, juist het vale verwarde haar, dat ik bij den bedelaar had opgemerkt.De kerel was zoo verschrikt, dat hij vergat eenigen tegenstand te bieden. Nu echter schreeuwde hij om hulp en sloeg de armen om zich heen.—Osko, Omar! houdt hem vast. En stevig! Of het hem pijn doet, hindert niets!De beide aangesprokenen grepen hem, zoodat ik nu mijn handen vrij had. Daar Halef een der olievaten weer in de nabijheid had gezet, werd de groep helder verlicht en konden de aanwezigen duidelijk alles zien. Zij bleven rustig.—Deze man,—ging ik voort,—dien gij allen voor een heilige houdt, is een bondgenoot van den duivel, of misschien wel de duivelzelf. Zijn woning is een verblijfplaats van dieven en moordenaars, zooals ik u later zal bewijzen. In allerlei vermommingen trekt hij het land door, om gelegenheden tot misdaden op te zoeken. Hij en de bedelaar Sakat, zijn een en dezelfde persoon. Hier onder de oksels bindt hij de krukken. En daar zij onder het loopen tegen elkander slaan, hebt gij dat gehouden voor het rammelen van zijn knokken. Hier is de pruik, die hij als kreupele draagt!Ik leegde zijn zakken een voor één, bekeek de voorwerpen en verklaarde hun doel en gebruik.—Hier is een busje met meel, dat dienen moet om hem een andere gelaatskleur te geven. Daar is de lap waarmee hij het weer gauw kan afvegen. Hier is een fleschje water, wat zeker dienen moest om zich behoorlijk te kunnen afwasschen op plaatsen waar geen water bij de hand was. En wat ziet gij hier? Ja, wat zou dat wel wezen? Twee gummi balletjes, die hij gebruikte om zich wangen te maken als hij den bedelaar wilde voorstellen. Zijn gelaat was dan voller. Ziet gij de verschillende kleuren van den kaftan. Als bedelaar keerde hij den donkeren kant naar buiten en bond zich dien om het middel vast. Dan zag het kleed er oud en afgedragen uit. Hebt gij ooit den bedelaar en den Mubarek tegelijk gezien? Zeker niet, want dat was ook niet mogelijk, daar het een en dezelfde persoon was. En heeft de Mubarek zich niet het eerst vertoond, toen ook de bedelaar in den omtrek kwam?Deze laatste argumenten schenen wel het meest overtuigend te zijn, want van alle kanten hoorde men goedkeurende en toestemmende uitroepen.Nu nam ik een klein pakje uit een der zakken. Ik wikkelde de lompen, waarin het gewikkeld was, los en haalde een armband van oude Venetiaansche goudstukken te voorschijn. Bij eenige munten was de stempel nog zeer duidelijk zichtbaar. Bij het licht der vlammen zag ik, op een der keerzijden, duidelijk het beeld van den heiligen Markus, die den Doge het kruisvaandel overreikt, en aan de andere zijde het beeld van een anderen mij onbekenden heilige, omgeven door sterren en de woorden:Sit tibi, Christe, datus, quem tu regis, iste ducatus.—Hier is een Bilezik van twaalf gouden munten, in een lap gewikkeld,—ging ik voort,—wie weet waar hij die gestolen heeft! Wanneer gij navraagt, zal de eigenares vermoedelijk wel te vinden zijn.—On iki zikkeler, twaalf muntstukken!—riep een vrouwenstem achter mij.—Laat eens zien! De vorige week is mij zulk een armband ontstolen.Het was Nohuda, de Erwt; zij kwam nu naderbij, nam mij den armband uit de hand, bekeek dien en riep uit:—Allah! het is de mijne. Het is een erfstuk van een mijner vrouwelijke voorouders. Bekijk hem en overtuig u dat hij inderdaad mij toebehoort.Zij reikte hem haar man.—Bij Allah, het is de uwe!—erkende hij.—Bedenk u dus eens, Nohuda, of de Mubarek omstreeks dien tijd bij u is geweest,—zeide ik.—De Mubarek niet, maar de kreupele. Hij werd binnengeroepen om wat eten in ontvangst te nemen. Ik had mijn sierraden op de tafel liggen en bergde die in een kastje weg. Dat heeft hij gezien. En toen ik een paar dagen later er naar keek, was de armband verdwenen.—Nu, nu kent gij den dief!—Ja hij is het! Hij had hem! Het is bewezen. O schavuit, die gij zijt! Ik zal u de oogen uitkrabben. Ik zal————Zwijg nu!—viel ik haar in de rede, bevreesd dat als de stroom harer welbespraaktheid eenmaal was losgebroken, die niet zoo spoedig weer tot staan zou zijn gebracht.—Neem den armband terug en laat den dief straffen. Gij ziet nu eens, welk een mensch gij allen hebt vereerd. En die roover is nog wel tot Basch Kiatib benoemd en heeft over anderen recht gesproken. Mij heeft hij reeds naar de hel gevloekt, en het heeft niet veel gescheeld of hij had de hier verzamelde menigte tegen mij in het harnas gejaagd. Ik eisch dat hij op een veilige plaats wordt opgesloten, vanwaar ontkomen niet mogelijk is, en dat de Makredsch van Saloniki onmiddellijk met het gebeurde in kennis wordt gesteld.Men was het niet alleen volkomen met mij eens, maar riep van alle kanten:—Laat hem eerst afranselen! Geef hem een bastonnade! Slaat hem de voetzolen stuk!—Sapijtijn iz ona bojunu!—Draait hem den hals om!—krijschte Nohuda, die woedend was over den gepleegden diefstal.De Mubarek had tot nu toe gezwegen. Maar nu schreeuwde hij:—Gelooft hem niet! Hij is een Giaur. Hij is de dief en heeft mij denarmbandeerst zooeven in mijn zak gestopt. Hij—Aï, Aï!—Hij viel zichzelf met dien uitroep van pijn in de rede, omdat Halefs zweep onzacht op zijn rug neerkwam.—Wacht schurk! riep de Hadschi.—Ik zal op uw rug schrijven dat wij eerst heden hier in de buurt zijn gekomen. Hoe kan de Emir dan den armband hebben gestolen? En buitendien, zulk een beroemde Effendi is geen dief. Daar hebt gij uw loon!Hij diende hem nog een paar zweepslagen toe, waardoor de oude schavuit brulde van pijn.—Aferim! Aferim! Bravo! Bravo! riepen de lieden die een oogenblik van te voren ons gevaarlijk dreigden te worden. De Kodscha Bascha wist niet wat hij doen of zeggen moest. Hij liet mij mijn gang gaan, maar had toch gauw van de gelegenheid gebruik gemaakt om weder op zijn stoel te gaan zitten. Zoo was dan toch tenminste zijn eer gered. Zijn medeaanzittenden zwegen. Zij schenen het ietwat benauwd te hebben. De Khawassen bemerkende dat mijn papieren begonnen te stijgen, en aannemende dat ik daardoor goed gehumeurd en niet meer gevaarlijk voor hen wezen zou, kwamen, de een vóór, de ander na, weer naderbij.—Bindt den kerel!—riep ik hun toe. Boeit hem!Zij gehoorzaamden onmiddellijk, en geen der aanwezige rechterlijke ambtenaren verzette zich tegen mijn eigenmachtig optreden.De Mubarek bemerkte zeer goed, dat het voor hem het verstandigste was zich in zijn lot te schikken. Hij liet zich binden zonder den minsten tegenstand te bieden en ging toen weer op zijn plaats zitten, waar hij ineen zonk. De anderen stonden onmiddellijk op. Zij wilden de bank niet met een misdadiger deelen.—En nu zullen wij op de rechtspraak terug komen!—zei ik tegen den Kodscha Bascha.—Kent gij de wetten van uw land?—Natuurlijk moet ik die kennen!—antwoordde hij—ik heb immers aan de hoogeschool gestudeerd.—Dat geloof ik niet!—Waarom niet?—vroeg hij beleedigd.—Ik ken het geheele geestelijk recht dat op den Koran berust, op de Sunna en de uitspraken van de eerste vier Khalifen.—Kent gij dan ook hetMülteka el buher, wat uw burgerlijk en strafrechterlijk wetboek is?—Ook dat ken ik. Scheik Ibrahim Halebi heeft het vervaardigd.—Wanneer gij die bepalingen inderdaad kent, waarom handelt gij dan niet dienovereenkomstig.—Ik heb mij steeds en ook heden stipt daaraan gehouden.—Dat is niet waar. Er staat geschreven, dat de rechter ook zelfs den grootsten misdadiger, alvorens hem te veroordeelen, gelegenheid geven moet tot verdediging. Gij hebt nu mijn vriend en metgezel veroordeeld, zonder hem ook maar een enkel oogenblik aan het woord te laten. Uw vonnis is dus niet rechtmatig. Ook moeten bij de behandeling alle aangeklaagden en alle getuigen tegenwoordig zijn, en dat was hier niet het geval.—Ze zijn er immers allen!—Neen. Ibarek de herbergier ontbreekt. Waar is hij?De rechter schudde verlegen met het hoofd, stond op en antwoordde:—Ik zal hem laten halen!Hij wilde weggaan, maar ik vermoedde wat met Ibarek was gebeurd, en hield den Kodscha Bascha tegen, terwijl ik de Khawassen gelastte:—Ga Ibarek halen, maar gij brengt hem hier, precies in denzelfden toestand waarin gij hem vindt!Twee hunner gingen heen en keerden weldra met den waard terug. Men had hem de handen op den rug gebonden.—Wat is dat? Wat heeft de man gedaan dat men hem heeft gebonden?—vroeg ik.—Wie heeft daartoe het bevel gegeven?—De Bascha schudde vervaarlijk met het hoofd en zeide:—De Mubarek wilde het zóó!—Dus moet de Kodscha Bascha doen, wat de Basch Kiatib beveelt? En gij zegt nog wel, dat gij de wetten hebt bestudeerd! Dan is het inderdaad geen wonder, dat in uw gebied een spitsboef voor een Heilige wordt gehouden.—Ik was in mijn recht!—verdedigde hij flauwtjes.—Dat kunt gij mij niet bewijzen!—O zeker! Ik heb u niet laten gevangen nemen, omdat gij vreemdeling zijt. De herbergier echter is een inwoner des lands en staat onder mijn macht!—En gij meent dat gij die macht moogt misbruiken! Daar staan nog eenige honderden uwer ondergeschikten. Meent gij, dat gij maar met hen doen kunt wat u goeddunkt! Misschien hebt gij dat totnu toe wel gedaan, maar zij zullen, wat heden is voorgevallen, wel ter harte nemen en voortaan gerechtigheid verlangen. Ibarek is bestolen geworden. Hij kwam tot u om hulp en inplaats daarvan hebt gij hem laten boeien en opsluiten. Hoe zult gij die onrechtvaardigheid verantwoorden? Ik verlang dat gij hem onmiddellijk losbindt!—Dat moeten de Khawassen doen!—Neen, gij zelf zult het doen, tot boete voor uw groote onrechtvaardigheid.Dat was hem toch te veel. Toornig sprong hij op.—Wie zijt gij eigenlijk, dat gij hier een toon aanslaat als waart gij de Makredsch ofBilad i Kamse Mollatariin persoon.—Hier zijn mijn papieren!Ik gaf hem mijn drie passen. Toen hij het Teskereh, het Buyuruldi en zelfs den Ferman zag, kneep hij verschrikt zijn kleine waterige oogen dicht en zijn hoofd knikte heen en weer als het Metronoom van den beroemden Regensburger Johann Nepomuk Mälyz.—Heer, gij staat onder bescherming van den Grooten Heer! riep hij uit.—Zorg dan, dat ik een deel dier bescherming over u kan uitstrekken.—Ik zal doen wat gij verlangt.Hij trad op Ibarek toe en maakte hem de banden los.—Zijt gij nu tevreden? vroeg hij.—Ten deele. Er wordt nog meer van u verlangd. Uw Khawas Selim heeft een valsche getuigenis afgelegd. De zaak heeft zich heel anders toegedragen, dan hij heeft verteld. De Mubarek zal hem wel hebben voorgezegd, wat hij zeggen moest om ons het meeste kwaad te doen.—Dat geloof ik niet!—Maar ik geloof het wel, want hij heeft ook den overman verleid om omtrent mij een onware getuigenis af te leggen.—Is dat waar?Deze vraag was gericht tot den overman, die nu van meening was, dat de Mubarek hem geen kwaad meer kon doen en dus vrijuit vertelde, dat deze hem de les had voorgezegd.—Gij ziet,—aldus wendde ik mij tot den Bascha,—dat ik dezen man geenszins naar het leven heb gestaan. Ik bemerkte dat hij de compagnon van dien oude was, en nam hem met mij mede omdaarvan wat naders te weten te komen. Dat is alles, en indien gij mij daarvoor wilt straffen, ben ik bereid mij te verdedigen!—Heer, er kan geen sprake zijn van u te bestraffen, want gij hebt geen kwaad gedaan!—Dan kan ook mijn metgezel niet worden gestraft wegens zijn optreden tegenover den Khawas, want niet hij, maar heel iemand anders is daar de schuld van!—En wie is die andere?—Gij zelf!—Ik?—Hoezoo?—Toen Ibarek bestolen was geworden, kwam hij tot u om ’t aan te geven. En wat hebt gij gedaan om uw plicht te vervullen?—Alles wat ik kon!—Zoo! En dat was?—Ik heb Selim opgedragen om na te denken over hetgeen in deze kon worden gedaan!—En de andere Khawassen hadt gij daarmede niet belast!—Neen, dat was niet noodig, die hadden toch niets gevonden!—Dan moeten uw politiedienaren wel zeer groote domkoppen zijn, als gij reeds vooruit weet dat zij geen succes zullen hebben. De misdaad heeft hier plaats gehad. En waarom dan de zaak juist opgedragen aan Selim, die eerst sedert kort hier is gevestigd?—Omdat hij de knapste is!—Ik vermoed, dat gij daarvoor een heel andere reden hadt.—Heer, welke reden zou ik daarvoor hebben?—Een goed ambtenaar spant alle krachten in om de bedrijvers van dergelijke misdaden te vinden. Maar gij hebt gezwegen en den eene wien gij er mede in kennis steldet, een geheele week tijd gegeven om over de zaak na te denken. Het had er alles van, alsof gij de dieven gelegenheid wildet geven om weg te komen.—Effendi, wat denkt gij wel van mij!—Mijn oordeel over u is het gevolg van uw manier van handelen. Niets lag meer voor de hand, dan dat gij hier in Ostromdscha naar de misdadigers liet zoeken.—Zij zijn immers naar Doiran gereden!—Om dát te gelooven, moet men al heel onnoozel zijn. Geen dief zal ooit zeggen, waar hij van plan is heen te gaan. Dat moestgij als oud jurist toch weten. En wat nu, als ik tot de ontdekking kom dat gij een vriend van die misdadigers zijt?Hij begon van louter schrik weer met het hoofd te knikken.—Ik weet niet wat ik daarop moet antwoorden, riep hij uit.—Zeg maar liever niets, want mijn meening blijft toch dezelfde. Wanneer gij u in deze zaak hadt gedragen, zooals uw plicht u dat gebood, waren de dieven al lang ontdekt!—Gelooft gij dan dat zij vrijwillig bij mij zouden zijn gekomen om zich aan te geven?—Neen, maar ik geloof dat zij hier in Ostromdscha zijn!—Onmogelijk; in geen enkelen Konak zijn die reizigers afgestegen.—Dat zullen zij wel laten. Zoo dicht bij de plaats van de misdaad zullen zij zich niet openlijk vertoonen. Zij hebben zich verborgen.—En moet ik dan weten bij wien?—Waarom niet? Ik ben een vreemde en weet het toch!—Wat? Weet gij het?—Ja, en heel nauwkeurig zelfs!—Dan moet gij alwetend zijn!—Neen, maar ik heb geleerd na te denken. Zulke schurken verbergen zich natuurlijk alleen bij iemand, die even slecht is als zij. Wie is nu het slechtste schepsel in Ostromdscha?—Meent gij den Mubarek?—Geraden!—En bij hem zouden zij zijn?—Precies!—Gij vergist u.—Ik vergis me zoo weinig, dat ik bereid ben met u een weddenschap aan te gaan. Wanneer gij de dieven gevangen wilt nemen hebt gij maar naar boven op den berg te gaan.Hij keek den Mubarek aan, en deze beantwoordde dien blik. Het scheen mij alsof die twee het met elkander eens waren.—Die tocht zou tevergeefs zijn, Heer!—zeide hij.—Ik ben van het tegendeel overtuigd, en ik zeg u dat wij niet alleen de dieven maar ook de gestolen voorwerpen zouden vinden. En daarom gelast ik u mij met de Khawassen te volgen!—Gij schertst toch zeker!—Neen, het is mij volle ernst!—In deze duisternis?—Zijt gij bang?—Neen, maar zulke menschen zijn gevaarlijk. Indien zij inderdaad daarboven zijn, zullen zij zich verdedigen. Wacht liever tot morgen als de dag is aangebroken.—Vóór dien tijd zouden zij kunnen ontsnappen. Het heeft er trouwens wel iets van of hier menschen zijn, die de dieven zouden waarschuwen.—Dat zal niemand doen. Ik zelf zou er voor zorgen, dat niemand naar de ruïne kon gaan.—Zorg liever dat wij spoedig kunnen opbreken, en gelast dat er lantaarns worden mede genomen!—Maar, Heer, laat dat voornemen toch varen!—Neen, wanneer gij uw plicht niet wilt doen, kunt gij thuis blijven. Ik zal wel menschen vinden, die het ambt van Kodscha Bascha meer waard zijn dan gij!Dát hielp. Hij schudde nog wel hoogst bedenkelijk met het hoofd, maar zeide toch:—Gij moet mijn bedoeling niet miskennen. Ik ben slechts op uw eigen welzijn bedacht, en verlang niet dat gij u in gevaar begeeft!—Bekommer u daar maar niet over. Ik zal wel voor mijzelf zorgen.—Gaat de Mubarek meê?—Ja, hij moet ons den weg wijzen!—Dan zal ik voor verlichting en voor wapens zorgen!—zeide hij, en ging in huis om, zooals ik vermoedde, een en ander in orde te maken.1Zie “de Schuilhoeken van den Balkan”.

De Turksche rechtpleging, heeft, zooals bekend is, haar eigenaardigheden, men zou zelfs kunnen zeggen haar schaduwzijden, die te meer uitkomen naarmate de streek waarvan sprake is, meer afgelegen is.

Onder de heerschende omstandigheden is het dus niet te verwonderen dat daar, waar de verschillende bandelooze stammen der Arnauten, die voortdurend met elkaar in oorlog leven, gevestigd zijn, van “recht” eigenlijk geen sprake wezen kan.

Bij Ostromdscha begint het gebied der Skipetaren, die maar één wet kennen, nl. dat de zwakkere voor den sterkere moet wijken. Toen dan ook ons optreden tegenover den Mubarek,1ons met het “gerecht” in aanraking bracht, begrepen wij, dat, wilden wij niet aan het kortste eind trekken, ook wij die wet moesten toepassen. Wij hadden dit reeds in den namiddag gedaan, en wel met goed gevolg, en waren van plan, op de zitting waar wij thans werden gewacht, eveneens op krachtige wijze op te treden.

Toen wij ons naar het “gerechtsgebouw” begaven, begon de avond reeds te vallen. Wij zagen onderweg verscheidene menschen die op de binnenplaats geen plekje meer hadden kunnen vinden en zich nu langs den weg hadden opgesteld, om ons ten minste te zien voorbijkomen.

Nadat wij op de binnenplaats waren aangekomen, werd de poort achter ons gesloten, wat voor ons geen goed teeken was. De Mubarekhad al zijn invloed doen gelden, en naar het scheen met goed gevolg.

Wij baanden ons een weg door de menschen, tot aan de plek waar het verhoor zou plaats vinden. Behalve een stoel stond er een lange bank en waren alle benoodigdheden voor de bastonnade voorhanden.

Men had olie in de bakken gedaan en het werk aangestoken, wat over den geheelen omtrekeenfantastisch licht verspreidde.

De heeren van het gerecht waren in het huis. Men verwittigde hen van onze komst. De Khawassen stelden zich rondom ons op, zoodat de weg naar de poort voor ons was afgesneden. Daar deze gesloten was, scheen ons het optreden van de politiemannen dubbel bedenkelijk.

Doodsche stilte heerschte rondom. Nu verschenen de vijf heeren en de Khawassen presenteerden de blanke sabel.

—O, Allah!—zeide Halef spottend. Wat zal ons gebeuren, Sihdi! Ik sidder van angst.

—Ik ook!

—Zal ik die domme menschen, die zich verbeelden dat zij ons met hun sabels vrees kunnen aanjagen, eens kennis laten maken met mijn zweep?

—Geen dwaasheden! Gij hebt vandaag reeds eenmaal ondoordacht gehandeld en zijt daardoor grootendeels schuld dat wij ons hier bevinden.

De vijf rechters hadden plaats genomen.

De Kodscha Bascha op den stoel, de anderen op de bank. Een vrouw drong door de menigte heen en nam plaats achter den plaatsvervanger. Ik herkende dadelijk Nohuda, die haar schoonheid door ’t gebruik van oker trachtte te verbergen. De plaatsvervanger scheen dus wel haar gelukkige echtgenoot te zijn. Hij had een onbeduidend gelaat.

Naast den Kodscha Bascha zat de Mubarek. Hij had een papier op de knieën, terwijl tusschen hem en zijn buurman een klein potje stond. Daar er een veerenpen in stak, vermoedde ik dat het inkt bevatte.

De Kodscha Bascha schudde het hoofd en schraapte zich de keel. Dat was het teeken dat de zitting een aanvang nemen zou. Met kraaiende stem, die tot op grooten afstand verstaanbaar was, begon hij:

—In den naam van den Profeet, en in naam van den Padischa,wien Allah een lang leven schenke, wij hebben deze Kasa bijeengeroepen om te oordeelen over twee misdaden, die heden in onze stad en in de nabijheid daarvan, hebben plaats gevonden. Selim kom naar voren. Gij zijt de aanklager. Vertel nu, wat er met u is gebeurd.

De Khawas trad nader en begon zijn verhaal. Wat wij te hooren kregen was inderdaadbelachelijk. Hij was ingespannen bezig met ambtelijk werk, toen hij door ons, met moorddadige bedoelingen, werd overvallen. Alleen door zijn tegenwoordigheid van geest en zijn dapper verweer, was hij er in geslaagd zijn leven te redden.

Toen hij uitgesproken had, vroeg de Kodscha:

—En wie heeft u geslagen?

—Deze!—antwoordde hij op Halef wijzende.

—Wij weten nu, wie het is en wat hij heeft misdreven, en zullen dus beraadslagen wat ons in deze te doen staat.

Hij fluisterde een poos met zijn mederechters en zeide toen met luider stemme:

—De Kasa heeft besloten, dat den misdadiger op iedere voetzool veertig zweepslagen zullen worden toegediend, waarna hij veertig dagen zal worden gevangen gezet. Aldus geschiede in naam van den Padischa, wien Allah zegene!

Halef greep naar zijn zweep, en ik had groote moeite om niet in lachen uit te barsten.

—En nu is het tweede vergrijp aan de orde!—verkondigde de ambtenaar.—Manuwadschi kom naar voren en spreek!

De man deed wat hem gezegd werd. Hij scheen angstiger te zijn dan ik. Maar toen hij zijn verhaal wilde beginnen, wendde ik mij op zeer beleefden toon tot den Kodscha Bascha, met de woorden:

—Zoudt gij zoo beleefd willen zijn om op te staan! Hij rees, niets vermoedende, van zijn zitplaats op, waarna ik hem op zij schoof en zelf zitten ging.

—Ik dank u!—zeide ik.—Het past den mindere den meerdere eer te bewijzen. Gij hebt u zeer goed gedragen.

Het is dood jammer, dat het niet mogelijk is een juiste beschrijving te geven van zijn gezicht. Hij begon vervaarlijk te knikkebollen, wilde spreken, maar kon van louter schrik geen woord over de lippen krijgen. Om nu ten minste toch uitdrukking te geven aan zijn ontsteltenis, al was het dan ook alleen door gebaren, strekte hij zijn armen uit en sloeg de handen boven zijn knikkend hoofd ineen.

Niemand sprak een woord. Geen Khawas verroerde zich. Men wachtte blijkbaar op een uitbarsting van woede van den gebieder. Deze kwam eindelijk weer eenigermate tot zichzelf, deed allerlei uitroepen en schreeuwde mij ten slotte toe:

—Wat verzint gij? Hoe kunt gij zoo ontzettend onbeschaamd zijn, en—

—Hadschi Halef Omar! viel ik hem op luiden toon in de rede. Neem uw zweep en den eerste den beste die het waagt mij nog één onvertogen, onbeleefd woord toe te voegen, geeft gij een pak slaag dat de stukken er af vliegen, onverschillig wie het zijn moge!

De kleine Hadschi stond dadelijk klaar met zijn zweep.

—Emir, ik gehoorzaam!—zeide hij op vasten toon. Gij hebt mij maar een wenk te geven.

Het was jammer dat de verlichting veel te wenschen overliet, anders had men heel wat verbaasde gezichten kunnen zien. De Kodscha Bascha was blijkbaar met zijn houding verlegen. Toen fluisterde de Mubarek hem een paar woorden in het oor, waarna hij de Khawassen beval:

—Neemt hem gevangen en sluit hem in den kelder!

Hij wees daarbij naar mij.

De politiedienaren traden nader, met de blanke sabel in de hand.

—Terug!—riep ik hun toe.—Wie ’t waagt mij aan te raken, schiet ik neer.

Ik hield hun de beide revolvers voor, en in het volgende oogenblik zag ik geen Khawas meer. Zij waren onder de menigte verdwenen.

—Wat is de aanleiding tot uw toorn?—vroeg ik den Kodscha. Waarom staat gij? Laat den Mubarek opstaan en zet gij u op zijn plaats.

Nu ging er een luid gemompel door de menigte. Dat ik den Kodscha durfde beleedigen, was nog denkbaar, maar dat ik nu ook den Heilige aanviel, dat werd hun toch wat te erg. Men begon te morren.

Dat gaf den Kodscha moed. Hij riep mij toornig toe:

—Mensch, gij moogt zijn wie gij wilt, maar voor zooveel onbeschaamdheid zal ik u ten strengste straffen. De Mubarek is een Heilige, een uitverkorene van Allah, een wonderdoener. Wanneer hij wil, kan hij het vuur uit den Hemel op uw hoofd doen nederdalen!

—Zwijg, Kodscha Bascha! En als gij spreken wilt, spreek danverstandig. De Mubarek is geen Heilige en evenmin een wonderdoener. Hij is een misdadiger, een woekeraar, een booswicht!

Kreten van afkeuring gingen nu uit de menigte op, maar boven alles uit, klonk de stem van den Mubarek. Hij was opgestaan en strekte de hand naar mij uit.

—Hij is een Giaur, een ongeloovige hond. Ik vervloek hem. Moge de hel zich voor hem openen en hem verslinden. De booze geesten zullen...

Verder kwam hij niet, want mijn kleine Hadschi had hem zulk een zweepslag toegediend, dat de oude zondaar in zijn woorden bleef steken en een geweldigen luchtsprong maakte.

Dat was een waagstuk, zooals dan trouwens ook al heel spoedig bleek. Na een oogenblik van volkomen stilte, vernam men aan alle kanten dreigende kreten uit de menigte. Er ontstond gedrang. Ik ging vlug naast den Mubarek staan.

—Rahat-Süküt! Weest rustig en stil! Ik zal u bewijzen dat ik gelijk heb. Halef, breng het licht eens naderbij.—En nu, menschen, ziet, wie de Mubarek is en hoe hij u bedriegt. Ziet gij deze krukken? Ik pakte den schurk met de rechterhand in den nek, en kneep zijn mageren hals haast fijn. Met de linkerhand rukte ik zijn kaftan open. Juist, aan iedren kant hing een kruk. Beide waren van scharnieren voorzien en konden dubbel geslagen worden.

Bij die gelegenheid zag ik dat de binnenkant van zijn kaftan anders was gekleurd dan de buitenkant. Er waren verscheidene zakken in het kleedingstuk. Ik tastte in den eerste den beste en haalde een harig voorwerp te voorschijn. Het was een pruik, juist het vale verwarde haar, dat ik bij den bedelaar had opgemerkt.

De kerel was zoo verschrikt, dat hij vergat eenigen tegenstand te bieden. Nu echter schreeuwde hij om hulp en sloeg de armen om zich heen.

—Osko, Omar! houdt hem vast. En stevig! Of het hem pijn doet, hindert niets!

De beide aangesprokenen grepen hem, zoodat ik nu mijn handen vrij had. Daar Halef een der olievaten weer in de nabijheid had gezet, werd de groep helder verlicht en konden de aanwezigen duidelijk alles zien. Zij bleven rustig.

—Deze man,—ging ik voort,—dien gij allen voor een heilige houdt, is een bondgenoot van den duivel, of misschien wel de duivelzelf. Zijn woning is een verblijfplaats van dieven en moordenaars, zooals ik u later zal bewijzen. In allerlei vermommingen trekt hij het land door, om gelegenheden tot misdaden op te zoeken. Hij en de bedelaar Sakat, zijn een en dezelfde persoon. Hier onder de oksels bindt hij de krukken. En daar zij onder het loopen tegen elkander slaan, hebt gij dat gehouden voor het rammelen van zijn knokken. Hier is de pruik, die hij als kreupele draagt!

Ik leegde zijn zakken een voor één, bekeek de voorwerpen en verklaarde hun doel en gebruik.

—Hier is een busje met meel, dat dienen moet om hem een andere gelaatskleur te geven. Daar is de lap waarmee hij het weer gauw kan afvegen. Hier is een fleschje water, wat zeker dienen moest om zich behoorlijk te kunnen afwasschen op plaatsen waar geen water bij de hand was. En wat ziet gij hier? Ja, wat zou dat wel wezen? Twee gummi balletjes, die hij gebruikte om zich wangen te maken als hij den bedelaar wilde voorstellen. Zijn gelaat was dan voller. Ziet gij de verschillende kleuren van den kaftan. Als bedelaar keerde hij den donkeren kant naar buiten en bond zich dien om het middel vast. Dan zag het kleed er oud en afgedragen uit. Hebt gij ooit den bedelaar en den Mubarek tegelijk gezien? Zeker niet, want dat was ook niet mogelijk, daar het een en dezelfde persoon was. En heeft de Mubarek zich niet het eerst vertoond, toen ook de bedelaar in den omtrek kwam?

Deze laatste argumenten schenen wel het meest overtuigend te zijn, want van alle kanten hoorde men goedkeurende en toestemmende uitroepen.

Nu nam ik een klein pakje uit een der zakken. Ik wikkelde de lompen, waarin het gewikkeld was, los en haalde een armband van oude Venetiaansche goudstukken te voorschijn. Bij eenige munten was de stempel nog zeer duidelijk zichtbaar. Bij het licht der vlammen zag ik, op een der keerzijden, duidelijk het beeld van den heiligen Markus, die den Doge het kruisvaandel overreikt, en aan de andere zijde het beeld van een anderen mij onbekenden heilige, omgeven door sterren en de woorden:Sit tibi, Christe, datus, quem tu regis, iste ducatus.

—Hier is een Bilezik van twaalf gouden munten, in een lap gewikkeld,—ging ik voort,—wie weet waar hij die gestolen heeft! Wanneer gij navraagt, zal de eigenares vermoedelijk wel te vinden zijn.

—On iki zikkeler, twaalf muntstukken!—riep een vrouwenstem achter mij.—Laat eens zien! De vorige week is mij zulk een armband ontstolen.

Het was Nohuda, de Erwt; zij kwam nu naderbij, nam mij den armband uit de hand, bekeek dien en riep uit:

—Allah! het is de mijne. Het is een erfstuk van een mijner vrouwelijke voorouders. Bekijk hem en overtuig u dat hij inderdaad mij toebehoort.

Zij reikte hem haar man.

—Bij Allah, het is de uwe!—erkende hij.

—Bedenk u dus eens, Nohuda, of de Mubarek omstreeks dien tijd bij u is geweest,—zeide ik.

—De Mubarek niet, maar de kreupele. Hij werd binnengeroepen om wat eten in ontvangst te nemen. Ik had mijn sierraden op de tafel liggen en bergde die in een kastje weg. Dat heeft hij gezien. En toen ik een paar dagen later er naar keek, was de armband verdwenen.

—Nu, nu kent gij den dief!

—Ja hij is het! Hij had hem! Het is bewezen. O schavuit, die gij zijt! Ik zal u de oogen uitkrabben. Ik zal———

—Zwijg nu!—viel ik haar in de rede, bevreesd dat als de stroom harer welbespraaktheid eenmaal was losgebroken, die niet zoo spoedig weer tot staan zou zijn gebracht.

—Neem den armband terug en laat den dief straffen. Gij ziet nu eens, welk een mensch gij allen hebt vereerd. En die roover is nog wel tot Basch Kiatib benoemd en heeft over anderen recht gesproken. Mij heeft hij reeds naar de hel gevloekt, en het heeft niet veel gescheeld of hij had de hier verzamelde menigte tegen mij in het harnas gejaagd. Ik eisch dat hij op een veilige plaats wordt opgesloten, vanwaar ontkomen niet mogelijk is, en dat de Makredsch van Saloniki onmiddellijk met het gebeurde in kennis wordt gesteld.

Men was het niet alleen volkomen met mij eens, maar riep van alle kanten:

—Laat hem eerst afranselen! Geef hem een bastonnade! Slaat hem de voetzolen stuk!

—Sapijtijn iz ona bojunu!—Draait hem den hals om!—krijschte Nohuda, die woedend was over den gepleegden diefstal.

De Mubarek had tot nu toe gezwegen. Maar nu schreeuwde hij:

—Gelooft hem niet! Hij is een Giaur. Hij is de dief en heeft mij denarmbandeerst zooeven in mijn zak gestopt. Hij—Aï, Aï!—

Hij viel zichzelf met dien uitroep van pijn in de rede, omdat Halefs zweep onzacht op zijn rug neerkwam.

—Wacht schurk! riep de Hadschi.—Ik zal op uw rug schrijven dat wij eerst heden hier in de buurt zijn gekomen. Hoe kan de Emir dan den armband hebben gestolen? En buitendien, zulk een beroemde Effendi is geen dief. Daar hebt gij uw loon!

Hij diende hem nog een paar zweepslagen toe, waardoor de oude schavuit brulde van pijn.

—Aferim! Aferim! Bravo! Bravo! riepen de lieden die een oogenblik van te voren ons gevaarlijk dreigden te worden. De Kodscha Bascha wist niet wat hij doen of zeggen moest. Hij liet mij mijn gang gaan, maar had toch gauw van de gelegenheid gebruik gemaakt om weder op zijn stoel te gaan zitten. Zoo was dan toch tenminste zijn eer gered. Zijn medeaanzittenden zwegen. Zij schenen het ietwat benauwd te hebben. De Khawassen bemerkende dat mijn papieren begonnen te stijgen, en aannemende dat ik daardoor goed gehumeurd en niet meer gevaarlijk voor hen wezen zou, kwamen, de een vóór, de ander na, weer naderbij.

—Bindt den kerel!—riep ik hun toe. Boeit hem!

Zij gehoorzaamden onmiddellijk, en geen der aanwezige rechterlijke ambtenaren verzette zich tegen mijn eigenmachtig optreden.

De Mubarek bemerkte zeer goed, dat het voor hem het verstandigste was zich in zijn lot te schikken. Hij liet zich binden zonder den minsten tegenstand te bieden en ging toen weer op zijn plaats zitten, waar hij ineen zonk. De anderen stonden onmiddellijk op. Zij wilden de bank niet met een misdadiger deelen.—En nu zullen wij op de rechtspraak terug komen!—zei ik tegen den Kodscha Bascha.

—Kent gij de wetten van uw land?

—Natuurlijk moet ik die kennen!—antwoordde hij—ik heb immers aan de hoogeschool gestudeerd.

—Dat geloof ik niet!

—Waarom niet?—vroeg hij beleedigd.—Ik ken het geheele geestelijk recht dat op den Koran berust, op de Sunna en de uitspraken van de eerste vier Khalifen.

—Kent gij dan ook hetMülteka el buher, wat uw burgerlijk en strafrechterlijk wetboek is?

—Ook dat ken ik. Scheik Ibrahim Halebi heeft het vervaardigd.

—Wanneer gij die bepalingen inderdaad kent, waarom handelt gij dan niet dienovereenkomstig.

—Ik heb mij steeds en ook heden stipt daaraan gehouden.

—Dat is niet waar. Er staat geschreven, dat de rechter ook zelfs den grootsten misdadiger, alvorens hem te veroordeelen, gelegenheid geven moet tot verdediging. Gij hebt nu mijn vriend en metgezel veroordeeld, zonder hem ook maar een enkel oogenblik aan het woord te laten. Uw vonnis is dus niet rechtmatig. Ook moeten bij de behandeling alle aangeklaagden en alle getuigen tegenwoordig zijn, en dat was hier niet het geval.

—Ze zijn er immers allen!

—Neen. Ibarek de herbergier ontbreekt. Waar is hij?

De rechter schudde verlegen met het hoofd, stond op en antwoordde:—Ik zal hem laten halen!

Hij wilde weggaan, maar ik vermoedde wat met Ibarek was gebeurd, en hield den Kodscha Bascha tegen, terwijl ik de Khawassen gelastte:

—Ga Ibarek halen, maar gij brengt hem hier, precies in denzelfden toestand waarin gij hem vindt!

Twee hunner gingen heen en keerden weldra met den waard terug. Men had hem de handen op den rug gebonden.

—Wat is dat? Wat heeft de man gedaan dat men hem heeft gebonden?—vroeg ik.—Wie heeft daartoe het bevel gegeven?

—De Bascha schudde vervaarlijk met het hoofd en zeide:

—De Mubarek wilde het zóó!

—Dus moet de Kodscha Bascha doen, wat de Basch Kiatib beveelt? En gij zegt nog wel, dat gij de wetten hebt bestudeerd! Dan is het inderdaad geen wonder, dat in uw gebied een spitsboef voor een Heilige wordt gehouden.

—Ik was in mijn recht!—verdedigde hij flauwtjes.

—Dat kunt gij mij niet bewijzen!

—O zeker! Ik heb u niet laten gevangen nemen, omdat gij vreemdeling zijt. De herbergier echter is een inwoner des lands en staat onder mijn macht!

—En gij meent dat gij die macht moogt misbruiken! Daar staan nog eenige honderden uwer ondergeschikten. Meent gij, dat gij maar met hen doen kunt wat u goeddunkt! Misschien hebt gij dat totnu toe wel gedaan, maar zij zullen, wat heden is voorgevallen, wel ter harte nemen en voortaan gerechtigheid verlangen. Ibarek is bestolen geworden. Hij kwam tot u om hulp en inplaats daarvan hebt gij hem laten boeien en opsluiten. Hoe zult gij die onrechtvaardigheid verantwoorden? Ik verlang dat gij hem onmiddellijk losbindt!

—Dat moeten de Khawassen doen!

—Neen, gij zelf zult het doen, tot boete voor uw groote onrechtvaardigheid.

Dat was hem toch te veel. Toornig sprong hij op.

—Wie zijt gij eigenlijk, dat gij hier een toon aanslaat als waart gij de Makredsch ofBilad i Kamse Mollatariin persoon.

—Hier zijn mijn papieren!

Ik gaf hem mijn drie passen. Toen hij het Teskereh, het Buyuruldi en zelfs den Ferman zag, kneep hij verschrikt zijn kleine waterige oogen dicht en zijn hoofd knikte heen en weer als het Metronoom van den beroemden Regensburger Johann Nepomuk Mälyz.

—Heer, gij staat onder bescherming van den Grooten Heer! riep hij uit.

—Zorg dan, dat ik een deel dier bescherming over u kan uitstrekken.

—Ik zal doen wat gij verlangt.

Hij trad op Ibarek toe en maakte hem de banden los.

—Zijt gij nu tevreden? vroeg hij.

—Ten deele. Er wordt nog meer van u verlangd. Uw Khawas Selim heeft een valsche getuigenis afgelegd. De zaak heeft zich heel anders toegedragen, dan hij heeft verteld. De Mubarek zal hem wel hebben voorgezegd, wat hij zeggen moest om ons het meeste kwaad te doen.

—Dat geloof ik niet!

—Maar ik geloof het wel, want hij heeft ook den overman verleid om omtrent mij een onware getuigenis af te leggen.

—Is dat waar?

Deze vraag was gericht tot den overman, die nu van meening was, dat de Mubarek hem geen kwaad meer kon doen en dus vrijuit vertelde, dat deze hem de les had voorgezegd.

—Gij ziet,—aldus wendde ik mij tot den Bascha,—dat ik dezen man geenszins naar het leven heb gestaan. Ik bemerkte dat hij de compagnon van dien oude was, en nam hem met mij mede omdaarvan wat naders te weten te komen. Dat is alles, en indien gij mij daarvoor wilt straffen, ben ik bereid mij te verdedigen!

—Heer, er kan geen sprake zijn van u te bestraffen, want gij hebt geen kwaad gedaan!

—Dan kan ook mijn metgezel niet worden gestraft wegens zijn optreden tegenover den Khawas, want niet hij, maar heel iemand anders is daar de schuld van!

—En wie is die andere?

—Gij zelf!

—Ik?—Hoezoo?

—Toen Ibarek bestolen was geworden, kwam hij tot u om ’t aan te geven. En wat hebt gij gedaan om uw plicht te vervullen?

—Alles wat ik kon!

—Zoo! En dat was?

—Ik heb Selim opgedragen om na te denken over hetgeen in deze kon worden gedaan!

—En de andere Khawassen hadt gij daarmede niet belast!

—Neen, dat was niet noodig, die hadden toch niets gevonden!

—Dan moeten uw politiedienaren wel zeer groote domkoppen zijn, als gij reeds vooruit weet dat zij geen succes zullen hebben. De misdaad heeft hier plaats gehad. En waarom dan de zaak juist opgedragen aan Selim, die eerst sedert kort hier is gevestigd?

—Omdat hij de knapste is!

—Ik vermoed, dat gij daarvoor een heel andere reden hadt.

—Heer, welke reden zou ik daarvoor hebben?

—Een goed ambtenaar spant alle krachten in om de bedrijvers van dergelijke misdaden te vinden. Maar gij hebt gezwegen en den eene wien gij er mede in kennis steldet, een geheele week tijd gegeven om over de zaak na te denken. Het had er alles van, alsof gij de dieven gelegenheid wildet geven om weg te komen.

—Effendi, wat denkt gij wel van mij!

—Mijn oordeel over u is het gevolg van uw manier van handelen. Niets lag meer voor de hand, dan dat gij hier in Ostromdscha naar de misdadigers liet zoeken.

—Zij zijn immers naar Doiran gereden!

—Om dát te gelooven, moet men al heel onnoozel zijn. Geen dief zal ooit zeggen, waar hij van plan is heen te gaan. Dat moestgij als oud jurist toch weten. En wat nu, als ik tot de ontdekking kom dat gij een vriend van die misdadigers zijt?

Hij begon van louter schrik weer met het hoofd te knikken.

—Ik weet niet wat ik daarop moet antwoorden, riep hij uit.

—Zeg maar liever niets, want mijn meening blijft toch dezelfde. Wanneer gij u in deze zaak hadt gedragen, zooals uw plicht u dat gebood, waren de dieven al lang ontdekt!

—Gelooft gij dan dat zij vrijwillig bij mij zouden zijn gekomen om zich aan te geven?

—Neen, maar ik geloof dat zij hier in Ostromdscha zijn!

—Onmogelijk; in geen enkelen Konak zijn die reizigers afgestegen.

—Dat zullen zij wel laten. Zoo dicht bij de plaats van de misdaad zullen zij zich niet openlijk vertoonen. Zij hebben zich verborgen.

—En moet ik dan weten bij wien?

—Waarom niet? Ik ben een vreemde en weet het toch!

—Wat? Weet gij het?

—Ja, en heel nauwkeurig zelfs!

—Dan moet gij alwetend zijn!

—Neen, maar ik heb geleerd na te denken. Zulke schurken verbergen zich natuurlijk alleen bij iemand, die even slecht is als zij. Wie is nu het slechtste schepsel in Ostromdscha?

—Meent gij den Mubarek?

—Geraden!

—En bij hem zouden zij zijn?

—Precies!

—Gij vergist u.

—Ik vergis me zoo weinig, dat ik bereid ben met u een weddenschap aan te gaan. Wanneer gij de dieven gevangen wilt nemen hebt gij maar naar boven op den berg te gaan.

Hij keek den Mubarek aan, en deze beantwoordde dien blik. Het scheen mij alsof die twee het met elkander eens waren.

—Die tocht zou tevergeefs zijn, Heer!—zeide hij.

—Ik ben van het tegendeel overtuigd, en ik zeg u dat wij niet alleen de dieven maar ook de gestolen voorwerpen zouden vinden. En daarom gelast ik u mij met de Khawassen te volgen!

—Gij schertst toch zeker!

—Neen, het is mij volle ernst!

—In deze duisternis?

—Zijt gij bang?

—Neen, maar zulke menschen zijn gevaarlijk. Indien zij inderdaad daarboven zijn, zullen zij zich verdedigen. Wacht liever tot morgen als de dag is aangebroken.

—Vóór dien tijd zouden zij kunnen ontsnappen. Het heeft er trouwens wel iets van of hier menschen zijn, die de dieven zouden waarschuwen.

—Dat zal niemand doen. Ik zelf zou er voor zorgen, dat niemand naar de ruïne kon gaan.

—Zorg liever dat wij spoedig kunnen opbreken, en gelast dat er lantaarns worden mede genomen!

—Maar, Heer, laat dat voornemen toch varen!

—Neen, wanneer gij uw plicht niet wilt doen, kunt gij thuis blijven. Ik zal wel menschen vinden, die het ambt van Kodscha Bascha meer waard zijn dan gij!

Dát hielp. Hij schudde nog wel hoogst bedenkelijk met het hoofd, maar zeide toch:

—Gij moet mijn bedoeling niet miskennen. Ik ben slechts op uw eigen welzijn bedacht, en verlang niet dat gij u in gevaar begeeft!

—Bekommer u daar maar niet over. Ik zal wel voor mijzelf zorgen.

—Gaat de Mubarek meê?

—Ja, hij moet ons den weg wijzen!

—Dan zal ik voor verlichting en voor wapens zorgen!—zeide hij, en ging in huis om, zooals ik vermoedde, een en ander in orde te maken.

1Zie “de Schuilhoeken van den Balkan”.

1Zie “de Schuilhoeken van den Balkan”.

Tweede hoofdstuk.Een nachtelijke tocht.De Kodscha Bascha keerde weldra terug met eenige oude lantarens, fakkels en een aantal spanen, waarna wij ons op weg begaven waarbij velen der omstanders zich bij ons aansloten.Een nachtelijke tocht naar de ruïne om dieven op te vangen, dát was nog nooit alhier vertoond en was een heel vermaak voor de bevolking; daarom gingen ook nagenoeg alle bewoners van de plaats met ons mede.Voorop gingen eenige Khawassen, dan volgde de Bascha met de overige rechters, daar achter de Mubarek tusschen Osko en Omar, wie ik zijn bewaking had opgedragen; vervolgens kwam ik met Halef en de beide zwagers, de herbergiers, terwijl daar achter alle bewoners van Ostromdscha, mannen en vrouwen, oud en jong volgden.Luid pratende, werd de tocht begonnen, maar hoe dichter wij bij de ruïne kwamen, hoe stiller de menschen werden. Zij begonnen in te zien, dat men voorzichtig zijn moet om dieven te vangen.Eindelijk bij den rand van het bosch, bleven velen achter. Dat waren de vreesachtigen. Zij bezwoeren bij hoog en laag, dat zij hier alleen post vatten, opdat de dieven langs dezen weg niet zouden kunnen ontkomen.Toen wij eindelijk op de open plek waren aangekomen, heerschte daar een stilte als van het graf. De helden kregen het benauwd. De spitsboeven konden ieder oogenblik te voorschijn komen, of zich achter een boom hebben verborgen. Men ging zoo zachtjes voorwaarts, om hen niet op te jagen, en om geen kans te loopendat deze of gene met hen handgemeen werd, want er waren vrouwen ook bij.De Mubarek stond met Osko en Omar voor de deur van de ruïne. Hij verlangde dat wij hem zouden binnen laten. Daar hij zich met chemie bezighield en allerlei zoogenaamde tooverkunsten kende, vertrouwde ik hem niet best. Hij kon wel het een of ander hebben in orde gemaakt, voor het geval van een plotselinge gevangenneming.—Wat moet gij daar binnen doen?—vroeg ik. Hij antwoordde niet. De goede man scheen niets meer van mij te willen weten.—Wanneer gij geen antwoord geeft, kunt gij ook niet verwachten, dat aan uw verzoek wordt voldaan.Nu antwoordde hij.—Ik heb daar dieren, die gevoederd moeten worden.—Dat zal ik zelf morgen wel doen. Uw tehuis is voortaan de gevangenis, maar toch zal ik doen wat gij verlangt, indien gij mij naar waarheid antwoordt op eenige vragen die ik u zal stellen.—Vraag maar op!—Hebt gij bezoek?—Neen.—Er woont dus niemand in uw hut dan gij alleen, en gij weet ook niet of het mogelijk is dat een ander zich in de hut ophoudt.—Er is niemand, anders moest ik het weten.—Kent gij ook twee personen, met name Manach el Barscha en Barud el Amasat?—Ik ken noch den een noch den ander.—En toch beweren zij, u zeer goed te kennen.—Dat is niet waar.—Zij zeggen ook, dat gij hen heden met mijn komst in kennis hebt gesteld.—Dat is niet waar!—En dat gij er voor zorgen zoudt, dat ik in de gevangenis werd gezet, waarna gij zoudt komen en mij vermoorden!Hij antwoordde niet dadelijk. ’t Kwam hem ongehoord voor, dat ik alles weten zou.Eindelijk antwoordde hij.—Heer, ik begrijp niet waarover gij spreekt en ken geen der mannen wier namen gij hebt genoemd!—Gij zijt zóó onwetend dat ik inderdaad medelijden met u heb,en uit medelijden zal ik u nu eens laten zien, welke gevaarlijke menschen hier in de nabijheid zijn!Met deze woorden pakte ik hem bij den arm en nam hem mede. Halef ging met een fakkel vooruit, de heeren van het gerecht, Osko en Omar, benevens de beide herbergiers volgden, terwijl de anderen achter moesten blijven, omdat het binnenste gedeelte der ruïne geen ruimte bood voor zoovele personen.—Toen Halef de klimop op zijde schoof, hoorde ik dat de oude een vloek uitstiet.—Wat? Paarden? vroeg de Kodscha Bascha, toen wij in de afdeeling kwamen die voor stal werd gebruikt.—Waar paarden zijn, moeten ook menschen wezen, wie zij toebehooren!—merkte Halef op. Laten wij eens verder kijken!De drie schelmen die Halef en ik, bij ons vorig bezoek aan de hut, hadden geboeid,1lagen nog juist zooals wij hen hadden verlaten.Niemand sprak een woord. Met Halef’s hulp maakte ik hun touwen en banden los, althans voor zoover dit noodig was om hun gelegenheid te geven om op te staan en hun voeten te gebruiken.—Manach el Barscha, kent gij dezen man?—vroeg ik, naar den Mubarek wijzende.—Allah vervloeke u!—antwoordde hij.—Barud el Amasat, kent gij hem?—Stort van de brug des Doods in de eeuwige verdoemenis!—riep hij.Nu wendde ik mij tot den opzichter der gevangenis.—Uw eenige misdaad is, dat gij den gevangene hebt bevrijd. Deze beiden zullen streng worden gestraft, doch uw straf zal lichter uitvallen, wanneer gij toont geen halsstarrig zondaar te zijn. Zeg de waarheid! Kent gij dezen man?—Ja,—antwoordde hij, na zich een oogenblik te hebben bedacht.—Wie is hij?—De oude Mubarek!—Kent gij ook zijn werkelijken naam?—Neen!—Hij en uw beide kameraden kennen elkander ook?—Ja, Manach el Barscha is zeer dikwijls bij hem geweest.—En ik zou te Menlik vermoord worden?—Ja!——En vandaag werd dat plan wederom opgevat. Men wilde mij nu in de gevangenis dooden.—Zoo is het!—En nu nog iets. Terwijl gij met Ibarek en zijn vrienden kaart speeldet, hebben de beide anderen hem bestolen.—Dat heb niet ik, maar dat hebben zij gedaan!—Nu, het is wel. Ge zijt er dan toch bij betrokken, en hebt met uw kunstgrepen den diefstal mogelijk gemaakt. Ik heb genoeg gehoord!—En mij tot den Kodscha Bascha wendende ging ik voort:—Nu, heb ik gelijk gehad? Zijn de dieven niet in de ruïne!—Gij had hen reeds gevonden, toen gij mij over hen spraakt.—Juist, maar dat ik hen zoo te juister tijd en zoo gauw gevonden heb, is een bewijs te meer hoe gemakkelijk het voor u zou zijn geweest om uw plicht te doen. Deze drie personen moeten onmiddellijk naar de gevangenis worden overgebracht, en morgen brengt gij rapport uit bij den Makredsch, waar ik mijn schrijven zal bijvoegen. Hij zal dan beslissen wat gebeuren moet. Hier Ibarek, ik geloof dat daar op den grond alle voorwerpen liggen die men u heeft ontstolen.Ibarek was verbazend in zijn schik, zijn bezittingen terug te zien, en wilde alles weder bij zich steken, waartegen de Kodscha Bascha zich echter verzette, bewerende een en ander als bewijsstukken bij de behandeling der zaak te moeten overleggen.Ik begreep zijn bedoeling, en twijfelde er aan of Ibarek dan ooit iets van het zijne zou terug zien. Ik antwoordde daarom, dat dit niet noodig was en ik een lijst zou opstellen, vermeldende alle aanwezige voorwerpen naar hun waarde geschat, die volkomen denzelfden dienst zou kunnen doen, en in weerwil van het tegenstribbelen van den Kodscha werd alles door mijn kleinen Hadschi in minder dan geen tijd bij elkaar gepakt en in diens zakken gestoken.—Dieven!—mompelde de Mubarek.Halef’s zweep gaf hem op die opmerking een duidelijk en goed voelbaar antwoord. De gevangenen werden nu uit de ruïne, naar de open plek gebracht, waar het nieuwsgierige publiek zich om hen verdrong, en weldra zette de stoet zich in beweging. De Khawassen namen de vier gevangenen in hun midden, en de heeren van het gerecht volgden.Op een wenk van Halef bleef ik met hem achter.Toen de anderen verdwenen waren, maakten wij de deur der hut open en staken, met behulp van vuursteen, een stuk papier aan waarmede wij een fakkel ontbrandden. Het eerste vertrek dat wij binnen traden, was nagenoeg geheel leeg, maar toen wij het tweede wilden binnen gaan, zag ik verscheidene draden die boven, onder en midden langs den ingang liepen. Ik raakte een daarvan voorzichtig met het handvat van mijn zweep aan en dadelijk daarop weerklonk een schot, wat ons deed besluiten heen te gaan en onze onderzoekingstocht uit te stellen tot den volgenden morgen. Juist toen wij den terugweg wilden aanvaarden, kwam een vrouwelijke gedaante op ons toeloopen. Ik kon haar gelaat niet onderscheiden. Zij greep echter mijn hand en drukte, vóór ik het kon verhinderen, er haar lippen op.—Ik zag bij het schijnsel van de fakkel, dat gij het waart, Effendi en ik kom u nogmaals mijn dank betuigen.Het was Nebatja, de kruidenzoekster.—Wat doet gij hierboven? vroeg ik haar.—Waart gij reeds hier toen wij de gevangenen kwamen halen?—Neen! Het is voor mij geen vreugde des harten zulke ongelukkige menschen te zien. Maar ik was op de binnenplaats van den Kodscha Bascha, toen gij veroordeeld worden zoudt. Heer, gij zijt dapper geweest, maar gij hebt u een bitteren vijand gemaakt!—Wie dan? De Mubarek?—Neen, dien meen ik niet, ofschoon ook hij u haat! Ik meen den Kodscha Bascha.—Ja, ik wil wel gelooven, dat hij niet bijzonder op mij zal gesteld zijn, maar als vijand behoef ik hem niet te vreezen.—Maar toch vraag ik u, wees voorzichtig!—Is hij zoo slecht?—Ja, hij is overheidspersoon, maar beschermt in ’t geheim alle dieven, schelmen en moordenaars van de bende van den Shoet.—Hoe weet gij dat?—Omdat hij dikwijls des nachts hierboven bij den Mubarek kwam.—Zijt gij dan dikwijls hier geweest?—O ja! Ofschoon de Mubarek het mij verboden had. Er zijn echter planten die men alleen des nachts kan zoeken. Dit werd mij in den laatsten tijd dikwijls zeer moeilijk gemaakt. Maar heden hebtgij mijn vijand ontmaskerd en hem onschadelijk gemaakt. Hij is nu gevangen en daarom ben ik dadelijk hierheen gegaan om na middernacht een koning te zoeken.—Een koning? Is dat ook een plant?—Ja, kent gij die niet.—Neen! Hoe is de naam van die plant?—Het is de Hadsch Marrjam. Hoe jammer, dat gij die niet kent.—Ja,dieken ik wel, maar ik wist niet dat die een koning had.—Slechts weinige menschen weten dat, en dan is nog maar zelden iemand zoo gelukkig om een koning te vinden. Het is vandaag de eerste zondag na Nieuwe Maan en dan heeft men het meeste kans een koning te vinden. Wanneer gij tijd hebt, kunt gij hem zien schitteren.—Ik zou gaarne met u meegaan, want ik stel levendig belang in zulke natuurgeheimen, maar ik moet, helaas, naar de stad terug.—Dan zal ik u hem morgen avond brengen,danis de glans nog niet gedoofd.—Ik weet niet of ik dan nog in Ostromdscha wezen zal.—Heer, wilt gij reeds zoo spoedig weer vertrekken.—Ja, ik kwam niet hier met het voornemen hier lang te vertoeven. Ik heb maar weinig tijd te missen. Maar vertel mij eens, welke kracht schrijft gij aan den distelkoning toe?—De gewone Hadsch Marrjam geneest, als thee gedronken, de longtering, wanneer deze tenminste niet te zeer verouderd is. De distel bevat eene stof die de kleine ziektekiemen, die zich in de longen bevinden, doodt. Van den koning vertelt men echter, dat hij longlijders nog van den rand van het graf redt.—Hebt gij het wel eens beproefd?—Neen, maar ik geloof dat de Schepper alles kan wat hij wil en ook het kleinste plantje de grootste geneeskracht geven kan.—Kom dan morgen bij mij en laat mij den koning zien, wanneer ik er nog ben. Weet gij waar ik woon?—Ja, dat heb ik gehoord. Rust wel, Effendi!—Veel succes met den koning, Nebatja!—En zij ging heen.Weinig vermoedde ik, dat ik den distelkoning weldra mijn leven zou hebben te danken, en ’t zou mijn geluk zijn dat de kruidenzoekster dien avond naar de ruïne was gegaan om hem te zoeken.1Zie “de Schuilhoeken van den Balkan”.

De Kodscha Bascha keerde weldra terug met eenige oude lantarens, fakkels en een aantal spanen, waarna wij ons op weg begaven waarbij velen der omstanders zich bij ons aansloten.

Een nachtelijke tocht naar de ruïne om dieven op te vangen, dát was nog nooit alhier vertoond en was een heel vermaak voor de bevolking; daarom gingen ook nagenoeg alle bewoners van de plaats met ons mede.

Voorop gingen eenige Khawassen, dan volgde de Bascha met de overige rechters, daar achter de Mubarek tusschen Osko en Omar, wie ik zijn bewaking had opgedragen; vervolgens kwam ik met Halef en de beide zwagers, de herbergiers, terwijl daar achter alle bewoners van Ostromdscha, mannen en vrouwen, oud en jong volgden.

Luid pratende, werd de tocht begonnen, maar hoe dichter wij bij de ruïne kwamen, hoe stiller de menschen werden. Zij begonnen in te zien, dat men voorzichtig zijn moet om dieven te vangen.

Eindelijk bij den rand van het bosch, bleven velen achter. Dat waren de vreesachtigen. Zij bezwoeren bij hoog en laag, dat zij hier alleen post vatten, opdat de dieven langs dezen weg niet zouden kunnen ontkomen.

Toen wij eindelijk op de open plek waren aangekomen, heerschte daar een stilte als van het graf. De helden kregen het benauwd. De spitsboeven konden ieder oogenblik te voorschijn komen, of zich achter een boom hebben verborgen. Men ging zoo zachtjes voorwaarts, om hen niet op te jagen, en om geen kans te loopendat deze of gene met hen handgemeen werd, want er waren vrouwen ook bij.

De Mubarek stond met Osko en Omar voor de deur van de ruïne. Hij verlangde dat wij hem zouden binnen laten. Daar hij zich met chemie bezighield en allerlei zoogenaamde tooverkunsten kende, vertrouwde ik hem niet best. Hij kon wel het een of ander hebben in orde gemaakt, voor het geval van een plotselinge gevangenneming.

—Wat moet gij daar binnen doen?—vroeg ik. Hij antwoordde niet. De goede man scheen niets meer van mij te willen weten.

—Wanneer gij geen antwoord geeft, kunt gij ook niet verwachten, dat aan uw verzoek wordt voldaan.

Nu antwoordde hij.

—Ik heb daar dieren, die gevoederd moeten worden.

—Dat zal ik zelf morgen wel doen. Uw tehuis is voortaan de gevangenis, maar toch zal ik doen wat gij verlangt, indien gij mij naar waarheid antwoordt op eenige vragen die ik u zal stellen.

—Vraag maar op!

—Hebt gij bezoek?

—Neen.

—Er woont dus niemand in uw hut dan gij alleen, en gij weet ook niet of het mogelijk is dat een ander zich in de hut ophoudt.

—Er is niemand, anders moest ik het weten.

—Kent gij ook twee personen, met name Manach el Barscha en Barud el Amasat?

—Ik ken noch den een noch den ander.

—En toch beweren zij, u zeer goed te kennen.

—Dat is niet waar.

—Zij zeggen ook, dat gij hen heden met mijn komst in kennis hebt gesteld.

—Dat is niet waar!

—En dat gij er voor zorgen zoudt, dat ik in de gevangenis werd gezet, waarna gij zoudt komen en mij vermoorden!

Hij antwoordde niet dadelijk. ’t Kwam hem ongehoord voor, dat ik alles weten zou.

Eindelijk antwoordde hij.

—Heer, ik begrijp niet waarover gij spreekt en ken geen der mannen wier namen gij hebt genoemd!

—Gij zijt zóó onwetend dat ik inderdaad medelijden met u heb,en uit medelijden zal ik u nu eens laten zien, welke gevaarlijke menschen hier in de nabijheid zijn!

Met deze woorden pakte ik hem bij den arm en nam hem mede. Halef ging met een fakkel vooruit, de heeren van het gerecht, Osko en Omar, benevens de beide herbergiers volgden, terwijl de anderen achter moesten blijven, omdat het binnenste gedeelte der ruïne geen ruimte bood voor zoovele personen.—Toen Halef de klimop op zijde schoof, hoorde ik dat de oude een vloek uitstiet.

—Wat? Paarden? vroeg de Kodscha Bascha, toen wij in de afdeeling kwamen die voor stal werd gebruikt.

—Waar paarden zijn, moeten ook menschen wezen, wie zij toebehooren!—merkte Halef op. Laten wij eens verder kijken!

De drie schelmen die Halef en ik, bij ons vorig bezoek aan de hut, hadden geboeid,1lagen nog juist zooals wij hen hadden verlaten.

Niemand sprak een woord. Met Halef’s hulp maakte ik hun touwen en banden los, althans voor zoover dit noodig was om hun gelegenheid te geven om op te staan en hun voeten te gebruiken.

—Manach el Barscha, kent gij dezen man?—vroeg ik, naar den Mubarek wijzende.

—Allah vervloeke u!—antwoordde hij.

—Barud el Amasat, kent gij hem?

—Stort van de brug des Doods in de eeuwige verdoemenis!—riep hij.

Nu wendde ik mij tot den opzichter der gevangenis.

—Uw eenige misdaad is, dat gij den gevangene hebt bevrijd. Deze beiden zullen streng worden gestraft, doch uw straf zal lichter uitvallen, wanneer gij toont geen halsstarrig zondaar te zijn. Zeg de waarheid! Kent gij dezen man?

—Ja,—antwoordde hij, na zich een oogenblik te hebben bedacht.

—Wie is hij?

—De oude Mubarek!

—Kent gij ook zijn werkelijken naam?

—Neen!

—Hij en uw beide kameraden kennen elkander ook?

—Ja, Manach el Barscha is zeer dikwijls bij hem geweest.

—En ik zou te Menlik vermoord worden?

—Ja!—

—En vandaag werd dat plan wederom opgevat. Men wilde mij nu in de gevangenis dooden.

—Zoo is het!

—En nu nog iets. Terwijl gij met Ibarek en zijn vrienden kaart speeldet, hebben de beide anderen hem bestolen.

—Dat heb niet ik, maar dat hebben zij gedaan!

—Nu, het is wel. Ge zijt er dan toch bij betrokken, en hebt met uw kunstgrepen den diefstal mogelijk gemaakt. Ik heb genoeg gehoord!—En mij tot den Kodscha Bascha wendende ging ik voort:

—Nu, heb ik gelijk gehad? Zijn de dieven niet in de ruïne!

—Gij had hen reeds gevonden, toen gij mij over hen spraakt.

—Juist, maar dat ik hen zoo te juister tijd en zoo gauw gevonden heb, is een bewijs te meer hoe gemakkelijk het voor u zou zijn geweest om uw plicht te doen. Deze drie personen moeten onmiddellijk naar de gevangenis worden overgebracht, en morgen brengt gij rapport uit bij den Makredsch, waar ik mijn schrijven zal bijvoegen. Hij zal dan beslissen wat gebeuren moet. Hier Ibarek, ik geloof dat daar op den grond alle voorwerpen liggen die men u heeft ontstolen.

Ibarek was verbazend in zijn schik, zijn bezittingen terug te zien, en wilde alles weder bij zich steken, waartegen de Kodscha Bascha zich echter verzette, bewerende een en ander als bewijsstukken bij de behandeling der zaak te moeten overleggen.

Ik begreep zijn bedoeling, en twijfelde er aan of Ibarek dan ooit iets van het zijne zou terug zien. Ik antwoordde daarom, dat dit niet noodig was en ik een lijst zou opstellen, vermeldende alle aanwezige voorwerpen naar hun waarde geschat, die volkomen denzelfden dienst zou kunnen doen, en in weerwil van het tegenstribbelen van den Kodscha werd alles door mijn kleinen Hadschi in minder dan geen tijd bij elkaar gepakt en in diens zakken gestoken.

—Dieven!—mompelde de Mubarek.

Halef’s zweep gaf hem op die opmerking een duidelijk en goed voelbaar antwoord. De gevangenen werden nu uit de ruïne, naar de open plek gebracht, waar het nieuwsgierige publiek zich om hen verdrong, en weldra zette de stoet zich in beweging. De Khawassen namen de vier gevangenen in hun midden, en de heeren van het gerecht volgden.

Op een wenk van Halef bleef ik met hem achter.

Toen de anderen verdwenen waren, maakten wij de deur der hut open en staken, met behulp van vuursteen, een stuk papier aan waarmede wij een fakkel ontbrandden. Het eerste vertrek dat wij binnen traden, was nagenoeg geheel leeg, maar toen wij het tweede wilden binnen gaan, zag ik verscheidene draden die boven, onder en midden langs den ingang liepen. Ik raakte een daarvan voorzichtig met het handvat van mijn zweep aan en dadelijk daarop weerklonk een schot, wat ons deed besluiten heen te gaan en onze onderzoekingstocht uit te stellen tot den volgenden morgen. Juist toen wij den terugweg wilden aanvaarden, kwam een vrouwelijke gedaante op ons toeloopen. Ik kon haar gelaat niet onderscheiden. Zij greep echter mijn hand en drukte, vóór ik het kon verhinderen, er haar lippen op.

—Ik zag bij het schijnsel van de fakkel, dat gij het waart, Effendi en ik kom u nogmaals mijn dank betuigen.

Het was Nebatja, de kruidenzoekster.

—Wat doet gij hierboven? vroeg ik haar.—Waart gij reeds hier toen wij de gevangenen kwamen halen?

—Neen! Het is voor mij geen vreugde des harten zulke ongelukkige menschen te zien. Maar ik was op de binnenplaats van den Kodscha Bascha, toen gij veroordeeld worden zoudt. Heer, gij zijt dapper geweest, maar gij hebt u een bitteren vijand gemaakt!

—Wie dan? De Mubarek?

—Neen, dien meen ik niet, ofschoon ook hij u haat! Ik meen den Kodscha Bascha.

—Ja, ik wil wel gelooven, dat hij niet bijzonder op mij zal gesteld zijn, maar als vijand behoef ik hem niet te vreezen.

—Maar toch vraag ik u, wees voorzichtig!

—Is hij zoo slecht?

—Ja, hij is overheidspersoon, maar beschermt in ’t geheim alle dieven, schelmen en moordenaars van de bende van den Shoet.

—Hoe weet gij dat?

—Omdat hij dikwijls des nachts hierboven bij den Mubarek kwam.

—Zijt gij dan dikwijls hier geweest?

—O ja! Ofschoon de Mubarek het mij verboden had. Er zijn echter planten die men alleen des nachts kan zoeken. Dit werd mij in den laatsten tijd dikwijls zeer moeilijk gemaakt. Maar heden hebtgij mijn vijand ontmaskerd en hem onschadelijk gemaakt. Hij is nu gevangen en daarom ben ik dadelijk hierheen gegaan om na middernacht een koning te zoeken.

—Een koning? Is dat ook een plant?

—Ja, kent gij die niet.

—Neen! Hoe is de naam van die plant?

—Het is de Hadsch Marrjam. Hoe jammer, dat gij die niet kent.

—Ja,dieken ik wel, maar ik wist niet dat die een koning had.

—Slechts weinige menschen weten dat, en dan is nog maar zelden iemand zoo gelukkig om een koning te vinden. Het is vandaag de eerste zondag na Nieuwe Maan en dan heeft men het meeste kans een koning te vinden. Wanneer gij tijd hebt, kunt gij hem zien schitteren.

—Ik zou gaarne met u meegaan, want ik stel levendig belang in zulke natuurgeheimen, maar ik moet, helaas, naar de stad terug.

—Dan zal ik u hem morgen avond brengen,danis de glans nog niet gedoofd.

—Ik weet niet of ik dan nog in Ostromdscha wezen zal.

—Heer, wilt gij reeds zoo spoedig weer vertrekken.

—Ja, ik kwam niet hier met het voornemen hier lang te vertoeven. Ik heb maar weinig tijd te missen. Maar vertel mij eens, welke kracht schrijft gij aan den distelkoning toe?

—De gewone Hadsch Marrjam geneest, als thee gedronken, de longtering, wanneer deze tenminste niet te zeer verouderd is. De distel bevat eene stof die de kleine ziektekiemen, die zich in de longen bevinden, doodt. Van den koning vertelt men echter, dat hij longlijders nog van den rand van het graf redt.

—Hebt gij het wel eens beproefd?

—Neen, maar ik geloof dat de Schepper alles kan wat hij wil en ook het kleinste plantje de grootste geneeskracht geven kan.

—Kom dan morgen bij mij en laat mij den koning zien, wanneer ik er nog ben. Weet gij waar ik woon?

—Ja, dat heb ik gehoord. Rust wel, Effendi!

—Veel succes met den koning, Nebatja!—En zij ging heen.

Weinig vermoedde ik, dat ik den distelkoning weldra mijn leven zou hebben te danken, en ’t zou mijn geluk zijn dat de kruidenzoekster dien avond naar de ruïne was gegaan om hem te zoeken.

1Zie “de Schuilhoeken van den Balkan”.

1Zie “de Schuilhoeken van den Balkan”.

Derde hoofdstuk.Ontvlucht!Toen wij weder in het plaatsje kwamen, gingen wij dadelijk naar den Kodscha Bascha, waar ik mijn verklaring opstelde. Zijn kleine oogen fonkelden, toen wij den inhoud van de drie geldzakken uittelden.Hij vroeg nogmaals of ik de overzending niet aan hem wilde overlaten, maar ik bleef er op staan, daar zelf voor te zorgen. Weldra zou het blijken dat ik daar goed aan had gedaan. Om mij te ergeren bleef hij er echter op aandringen, dat zij dan tenminste met zijn zegel zouden worden voorzien, waartegen ik mij natuurlijk geen oogenblik verzette.Daarna begaf ik mij naar de gevangenen. Zij waren in een kelder opgesloten en geboeid. Ik vroeg hem, of dat geen onnoodig kwellen was: hij was echter van meening dat men tegen zulke perceelen niet streng genoeg kon optreden, hij was zelfs van plan om gedurende den nacht een zijner ondergeschikten bij de deur op wacht te zetten.Ik voelde mij dus, wat de gevangenen betrof, volkomen gerustgesteld, en dacht inderdaad niet, dat men hen alleen geboeid had, omdat men verwachtte dat ik naar hen zou komen kijken.Van hier begaf ik mij naar den Konak waar wij ons eindelijk aan den avondmaaltijd zetten. Wij zaten weer in hetzelfde vertrek als dien middag, bijeen. Het ging er recht opgewekt toe, want de gebeurtenissen van dien dag gaven stof te over tot een levendige gedachtenwisseling, en zoo werd het lang na middernacht, vóór wij ons ter ruste begaven.Mij werd de mooiste kamer aangewezen, die ik langs een trap bereikte. Daar er twee bedden stonden, nam ik den kleinen Hadschi bij mij. Ik wist dat zulk een bewijs van vriendschap hem zeer aangenaam was.Mijn horloge wees even over tweeën toen wij ons gereed maakten ons van onze kleederen te ontdoen. Daar werd aan de gegrendelde voordeur geklopt. Ik deed het blind open en keek naar buiten. Er stond iemand voor de deur, maar ik kon niet onderscheiden wie het was.—Kim dir?—wie is daar? vroeg ik.—O, dat is uw stem!—klonk een vrouwenstem.—Niet waar, gij zijt de vreemde Effendi?—Ja, en gij zijt de plantenzoekster!—Ja, Heer, kom naar beneden; ik heb u wat te zeggen!—Is het noodzakelijk?—Zeker!—En kan ik daarna weer gaan slapen?—Nu, dat zal wel niet zoo heel gauw zijn!—Wacht, ik kom!Eenige oogenblikken later was ik beneden bij haar.—Effendi, er is iets heel ergs gebeurd. De gevangenen zijn ontvlucht.—Wat zegt ge! Is het werkelijk waar?—Ja, zij zijn gevlucht.—Hoe weet gij dat?—Ik heb het gezien, en zelfs gehoord wat zij spraken.—Hoezoo?—Daar boven op den berg, bij de hut van den Mubarek.—Sihdi;—zeide Halef.—Wij moeten weg, onmiddellijk weg, den berg op; neerschieten moeten wij hen, anders wagen wij ons leven!—Wacht, eerst moeten wij alles weten. Nebatja, vertel ons eens hoeveel er waren.—De drie vreemdelingen, de Mubarek en de Kodscha Bascha.—Wat nu! Was de Kodscha Bascha er ook bij?—Ja, hij heeft hen zelf losgelaten en daarvoor van den Mubarek vijfduizend piasters gekregen.—Weet gij dat zeker?—Ik heb het duidelijk gehoord.—Vertel ons dan alles. Maar kort, want wij hebben geen tijd te verliezen.—Ik had dan den distelkoning gehaald en wilde naar de open plek op den berg terugkeeren. Toen zag ik vier mannen komen uit de richting van de stad. Ik wilde mij niet laten zien en kroop weg in den hoek, die gevormd wordt door de hut en den muur die er tegen aan staat. De vier mannen wilden de hut binnen gaan waarvan de deur echter gesloten was. Drie hunner kende ik niet, de vierde echter was de Mubarek. Zij spraken er over dat de rechter hen nu vrij had gelaten, en weldra zou komen om daarvoor vijfduizend piasters in ontvangst te nemen. Wanneer zij hem betaald hadden, wilden zij weg, maar zij moesten zich toch op u wreken. Die een zeide, dat gij in ieder geval naarRadowitschen Istib zoudt gaan. En onderweg zouden de Aladschy’s u dan aanvallen.—Wie zijn de Aladschy’s?—Dat weet ik niet. Toen kwam de Kodscha Bascha, en daar niemand een sleutel had, trapten zij de deur in. Er werd licht gemaakt en juist daar, waar ik stond, een raam geopend. Daaruit kwamen vogels, vleermuizen en andere dieren, wie de Mubarek de vrijheid gaf. Toen werd ik bang en vluchtte zoo gauw mijn voeten mij dragen konden, naar de stad, naar u toe. En dat is het wat ik u had te zeggen.—Ik dank u Nebatja! Morgen zult gij uw belooning ontvangen. Ga nu naar huis. Ik heb geen tijd meer te missen!Nu ging ik weer naar binnen. Ik behoefde niemand te wekken, want het feit dat ik was opgeklopt geworden, was een zeker teeken geweest, dat er iets bijzonders aan de hand was en men was dus reeds opgestaan. Twee minuten later waren wij allen gewapend en onderweg. Halef, Osko, Omar en ik. De beide herbergiers hadden de stad willen alarmeeren, maar ik had hun dat verboden, want de vluchtelingen zouden het leven hooren en daardoor gewaarschuwd zijn geworden. Ik droeg den beiden zwagers op, nog eenige wakkere mannen bijeen te roepen en met hen den straatweg naarRadowitschte bezetten. Zóó moesten de vluchtelingen ons in ieder geval in de handen vallen, wanneer het ons tenminste niet eerder gelukte hen onschadelijk te maken.Wij vieren gingen den berg op, zoo gauw wij konden, maar toen wij bij het bosch kwamen, waren wij wel genoodzaakt, om, wilden wij niet vallen, onzen gang te matigen.Plotseling was het mij alsof dichtbij iemand een korte hooge “I” uitstiet, als door plotselingen schrik bevangen. Toen was het alsof ik iemand hoorde vallen.—Halt!—fluisterde ik de anderen toe. Er is daar iemand vóór ons. Blijft staan en houdt u kalm en rustig.Na eenige oogenblikken naderde iemand langzaam. Het waren onregelmatige stappen en het scheen wel alsof de eene voet langzamer en ook zachter dan de andere werd neergezet. Hij hinkte. Misschien had hij zich bij een val gekwetst.Nu was hij vlak bij mij. Het was geen heldere nacht, en tusschen de plaats waar ik stond en de boomen, was het pikdonker. Daarom onderscheidde ik meer door mijn instinct dan door mijn oogen geleid, een lange magere gestalte, die veel op die van den Kodscha Bascha geleek.Ik pakte hem bij de borst.—Dur we sus,—Sta stil en zwijg!—gebood ik hem op gedempten toon.—Ia Allah!—riep hij verschrikt.—Wees stil, of ik sla u dood!—Wie zijt gij?—vroeg hij.—Kent gij mij niet?—Ah! gij zijt de vreemdeling! Wat wilt gij hier?Misschien hoorde hij het aan mijn stem. Misschien ook was mijn gestalte beter te herkennen dan de zijne. Hij wist tenminste wien hij voor zich had.—En gij! Wie zijt gij!—vroeg ik. Misschien de Kodscha Bascha, die de gevangenen heeft losgelaten.—Ej Müdschizat!O wonder!—schreeuwde hij.—Hij weet het!Hij maakte een zijsprong om zich los te rukken. Ik hield hem stevig vast, daar ik wel had vermoed, dat hij zou trachten te vluchten, maar zijn oude kaftan was niet zoo stevig als mijn greep. Eén ruk zijnerzijds en ik hield een stuk van het vod in mijn hand, en de man verdween tusschen de boomen, waar het natuurlijk vruchteloos zou zijn geweest om hem te vervolgen.Buitendien schreeuwde hij zoo hard hij kon:—Hajde, sa-usch kulibeden choriadscha tschapuk—Weg, weg uit de hut, zoo gauw ge kunt!—O Sihdi! wat zijt gij dom geweest!—riep Halef uit. Gij hadtden kerel beet en laat hem weer ontkomen. Dat had ik eens moeten doen!—Stil!—viel ik hem in de rede. Wij hebben nu geen tijd tot verwijten. Wij moeten, zoo gauw wij kunnen, naar de hut, want zijn geschreeuw bewijst dat zij dáár zijn.Toen klonk van boven de vraag:—Nitschün, ne deji, Waarom, om welke reden?—Jabandschylar, edschnebiler! Katschyn, koschyn, sytschryn,—De vreemdelingen, de vreemdelingen. Vlucht, loopt, springt!—luidde het antwoord.Wij haastten ons nu natuurlijk zooveel mogelijk; maar de hobbelige weg bemoeilijkte ons natuurlijk zeer. Wij waren pas enkele passen vooruit gekomen, toen wij een knal hoorden en een vuurstraal naar boven zagen schieten, het volgende oogenblik was alles weer donker.—Sihdi, bir top fisckenkler ile.—Heer, dat was een kanon met raketten!—merkte Halef op, die achter mij aan klauterde. O, Allah, het brandt!—Wij zagen nu door de boomen heen, een vuurgloed, en toen wij op de open plek waren aangekomen, stond de hut aan alle kanten in lichte laaie. Een stem klonk ons tegemoet:—Daar komen zij! Ziet gij hen? Geeft vuur!Wij werden door den gloed der vlammen helder verlicht en boden dus een zeker mikpunt.—Terug!—riep ik en nam tegelijkertijd een sprong, waarmede ik achter een naastbijstaanden boom terecht kwam.De andere volgden onmiddellijk mijn voorbeeld en juist nog te rechter tijd, want even daarna knalden drie schoten, die gelukkig geen van alle raak waren.In den sprong had ik mijn geweer nog juist kunnen opvatten. De vonk van de schoten had mij de plek verraden, waar de schurken zich bevonden. Een oogenblik later haalde ik over en moest er een getroffen hebben, want een stem riep:—Ej Selaket, bre ha! Jaralanmyschim!—O ongeluk! Help! help! ik ben getroffen!—En nu vooruit!—riep de kleine dappere Hadschi Halef Omar en sprong van achter zijn boom te voorschijn.—Halt!—waarschuwde ik, terwijl ik hem bij den arm pakte. Het is mogelijk dat zij twee loopen op hun geweren hebben!—Al hebben zij er honderd! Ik sla hen neer, die schurken en schavuiten!Hij rukte zich los, keerde zijn geweer om, en sprong over de hel verlichte open ruimte. Nu bleef ons niets anders over dan hem te volgen. Het was zeer gevaarlijk, doch gelukkig had men daarboven geen enkel tweeloopsgeweer, terwijl ook de tijd, om opnieuw te laden had ontbroken. Wij kwamen heelhuids tot aan de rots, vanwaar men op ons had geschoten, doch dit was ook het eenige voordeel wat die onvoorzichtige bestorming ons opleverde. Er was niemand meer.—Sihdi! waar zouden zij gebleven zijn?—vroeg Halef. Hebt gij er een vermoeden van?—Neen,waarzij zijn, dat weet ik niet, maar welwatzij zijn!—Nu wat dan?—Slimmer dan wij, en in alle gevallen slimmer dan gij.—Begint gij mij weer te beknorren.—Gij verdient niet beter. Wij hadden hen zeker gepakt, als gij niet in eens vooruitgesprongen waart.—Hoe dan?—Wij hadden dan, beschut door de boomen, ongemerkt voorbij de open plek kunnen komen en zóó tot in hun onmiddellijke nabijheid!—Dan waren zij toch al weg geweest.—Dat is nog de vraag. Zij hebben natuurlijk een openlijken aanval vermeden, maar het was ons misschien wel gelukt hen te vangen, wanneer wij hen voorzichtig omsingeld hadden, vooral wanneer een uwer hier was achtergebleven en een loos schot had gelost. Dan hadden zij gemeend dat wij allen nog hier waren!—En gelooft gij, dat wij hen nu niet meer kunnen inhalen.—Zij zijn in ieder geval nog in de nabijheid; maar ga in zulk een duisternis nu maar eens zoeken! Het schijnsel van het vuur verlicht alleen deze open plek. En zelfs al wisten wij precies waar zij zaten, zouden wij hen nog met rust moeten laten, want zij zouden ons hooren komen, en wat dan het gevolg zou zijn, laat zich gemakkelijk raden.—Ja zij zouden ons met kogels ontvangen en ik heb wel eens hooren vertellen dat de meeste menschen daar niet tegen bestand zijn. Maar wat zullen wij nu doen?—Luisteren!Deze korte gedachtenwisseling was natuurlijk op gedempten toon gevoerd. Het was waarschijnlijk dat de vier mannen niet ver weg waren en wij mochten hen, door luid spreken, niet in onze nabijheid lokken.Buitendien hadden wij ons zóó opgesteld, dat wij geheel in de schaduw stonden.Wij luisterden een oogenblik, maar het geknetter van de brandende hut hinderde ons. Toen mijn oor er echter aan gewend was, hoorde ik duidelijk het ritselen van takken. Ook Osko had het vernomen en vroeg:—Hoort gij wel, Effendi, hoe zij zich daarginds een weg banen?—Naar het geluid te oordeelen, zijn zij hier hoogstens een honderd pas vandaan, en daar wij wel kunnen aannemen dat onder de boomen geen struikgewas is, kan de cirkel die de boomen rondom den bergtop beschrijven, niet zoo groot zijn. Dat hebben zij wel geweten en zijn daarom dien kant uit gevlucht!—Hoe kunnen zij dat weten? Gij zijt hier toch zelf vreemd.—Manach el Barscha is reeds vaak hier geweest en bovendien de oude Mubarek is immers bij hen!Ik ging nu naar de hut en rukte een der dakstangen, die brandend naar beneden hing, geheel los. Daar het hout zeer harsachtig was, brandde die als een fakkel. Hiermede volgde ik de richting, die de vluchtelingen schenen te hebben ingeslagen.Mijn drie metgezellen sloten zich bij mij aan, terwijl zij hun geweren gereed hielden om te schieten.Het knetteren van het vuur had mij toch op een dwaalspoor gebracht. De breedte van den boschrand was hier niet zoo groot als ik gedacht had. Al zeer spoedig hadden wij den uitersten rand bereikt en zagen nu duidelijk de plaats waar de vluchtelingen zich een weg hadden gebaand. Wij volgden niet, en stonden een oogenblik later weder op de vlakte, toen mijn fakkel uitdoofde. Toen hoorden wij onder ons een paard hinneken, en dadelijk daarop weerklonk paardengetrappel door de nachtelijke stilte.—Odschurola, chowardalar!Vaarwelschurken! riep men ons met luider stem toe.—Kyzartfiz jarijn dejil o bir gun dschehennemde!—Overmorgen braadt gij in de hel!Dat was duidelijk genoeg. En wanneer ik nog niet geweten haddat men voornemens was ons op te wachten, dan had ik het nu gemakkelijk kunnen raden. Zoo heel slim was dat volkje dus nog niet.—Nu zijn zij weg! Wat nu te doen?—Op het oogenblik niets. Wij zijn nu weer juist evenver als voor onze aankomst hier in Ostromdscha. Onze vijanden zijn ons voor. Zij zijn vrij en zelfs nog één man sterker. Nu kan de jacht weer op nieuw beginnen, en wie weet of wij ooit weer zulk een goede gelegenheid zullen hebben om hen te vangen als hier!—Zeg dat wel, Sihdi. Die Kodscha Bascha moest gehangen worden.—Hij heeft hen niet alleen vrij gelaten, maar hun ook hun paarden teruggegeven.—Gelooft gij dat?—Natuurlijk. Gij hebt immers gehoord, dat zij paarden hadden. Die hebben voor hen gereed gestaan.—Dat zal hij natuurlijk ontkennen.—Zijn leugens helpen hem niets. Ik heb een stuk uit zijn kaftan gescheurd, dat ik in mijn zak gestoken heb.—Maar hoe wilt gij het met hem aanleggen! Hebt gij eenige macht over hem?—Helaas, neen!—Dan zal ik de zaak terhand nemen.—Wat wilt gij doen!—Dat komt vanzelf!—Geen nieuwe dwaasheid, Halef!—Wees maar niet bang, Sihdi. Ik zal niet overijld handelen maar de zaak met de grootste kalmte en het meeste overleg behandelen. Moeten wij niet eerst weer naar de hut terug gaan?—Ja. Misschien valt er nog iets te redden.Wij vonden, in weerwil van de duisternis gemakkelijk den weg terug, dien wij nu kenden. De woning van den Mubarek scheen veel brandbare stoffen te hebben bevat, want nog altijd sloegen de vlammen hoog op. De brand, die van verre zichtbaar was had inmiddels vele menschen naar boven gelokt.Juist toen wij van onder de boomen te voorschijn traden, kwam de Kodscha Bascha aanloopen, die, toen hij ons gewaar werd, met de armen in de lucht zwaaiende op ons wees en riep:—Grijpt hen! Vat hen! Pakt hen! Zij zijn de brandstichters!Ik was over zooveel brutaliteit meer verbaasd dan vertoornd. Die man bezat een groote dosis onbeschaamdheid. De aanwezigen, die allen wisten hoe ik hem dien dag reeds had behandeld, haastten zich natuurlijk niet om zijn bevel ten uitvoer te brengen.Nu gebeurde er echter iets, waarop hij zeer zeker niet had gerekend.De kleine Halef trad namelijk op hem toe en vroeg:—Ne mi iz sewgülüm—Wat zijn wij, lieveling?—Harakadschilarfiz!Brandstichters, zijt gij!—antwoordde hij.—Gij vergist u, Kodscha Bascha. Wij zijn heel wat anders. Leerlooiers zijn wij, en om u dat eens duidelijk te maken, zullen wij uw vel eens in behandeling nemen. Niet uw geheele huid, want daarvoor hebben wij geen tijd, maar alleen het deel dat wel goed stevig wezen mag, daar gij er op zitten moet! Osko en Omar helpt eens een handje!Dat lieten die beiden zich geen tweemaal zeggen, en tot groote voldoening van de meesten der aanwezigen, kreeg de schurk een pak zooals nog nimmer aan eenig overheidspersoon was uitgedeeld.Toen Halef eindelijk zijn zweep weer in den gordel stak, gaf hij den afgestrafte den volgenden goeden raad:—En nu geef ik u in overweging, in de eerste dagen niet op iets hards te gaan zitten, want dat zou u wel eens minder goed kunnen bekomen en afbreuk doen aan de schoonheid van uw aangezicht en de harmonie uwer gelaatstrekken. Gij moet onze edele daad geheel laten uitwerken, en tot in lengte van dagen zult gij de vreemdelingen zegenen wier komst voor u zoo heilzaam is geweest. Wij hopen dat gij ieder jaar dezen dag feestelijk zult herdenken en ons in vriendelijk aandenken houden. Sta nu op en betuig mij, met een kus uw hartelijken dank, zooals het betaamt!Een luid gelach volgde op deze, op plechtigen toon uitgesproken rede.De Kodscha Bascha, wien Omar en Osko nu losgelaten hadden stond langzaam op, en legde zijn beide handen op de door Halef reeds nader beschreven plaats. Toen de kleine man in zijn nabijheid kwam, riep hij hem woedend toe:—Schurk! Hondsvot! Wat hebt gij gedaan! Het lichaam van een overheidspersoon ontheiligd. Ik zal u en uw genooten in de boeien laten sluiten!—Houd u bedaard! viel Halef hem in de rede. Indien gij het een ontheiliging noemt, dat gij maar twintig zweepslagen hebt ontvangen, dan zijn wij gaarne bereid die fout onmiddellijk te herstellen. Leg hem maar weer in positie!—Neen! neen!—schreeuwde de oude schavuit angstig. Ik ga al! Ik ga al!Hij wilde zich haastig verwijderen, doch ik greep hem bij den arm en ondervroeg hem op barschen toon, wat hij met de gevangenen had uitgevoerd. Hardnekkig bleef hij ontkennen, dat hij hun de vrijheid gegeven en daarvoor van den Mubarek een ruime belooning ontvangen zou hebben. Toen ik hem dit laatste voor de voeten wierp sloeg hij de handen in elkaar en riep uit:—Wat zegt gij! Waarvan durft gij mij beschuldigen! Wie zijt gij, dat gij het durft wagen een Kodscha Bascha voor een misdadiger uit te maken! Geld zou ik hebben ontvangen! De gevangenen vrij hebben gelaten? Ik zal u gevangen laten nemen en de wet in al haar strengheid op u toepassen——neen, neen, ga heen, laat mij voorbij!De laatste woorden golden Halef, die hem bij den arm greep, de zweep ophief en dreigend uitriep:—Moet ik ook nog andere plaatsen raken? Weet gij nu nog niet dat dit geen manier is om ons te behandelen. Wanneer gij het waagt nog één onaangenaam woord te zeggen, zult ge andermaal kennis maken met mijn zweep.Ik wendde mij nu tot de omstanders en deelde hun mede wat ik van Nebatja had vernomen; echter zonder haar naam te noemen. Ik voegde er bij, dat wij toen den Kodscha Bascha hadden ontmoet, die de misdadigers had gewaarschuwd.Toen trad een hunner naar voren, in wien ik onmiddellijk een der bijzittende rechters herkende.—Effendi, wat gij ons hier mededeelt, doet me verbaasd staan. Wij hebben u veel te danken, want gij hebt een der grootste misdadigers ontmaskerd, dien wij ooit hebben ontmoet. Indien hij en zijn spitsbroeders werkelijk zijn ontvlucht, moet degeen die hen daarbij behulpzaam geweest is, ten strengste worden gestraft. Ik heb u heden gezien en gehoord, en geloof niet dat gij iets zult zeggen zonder zeker te zijn van uw zaak. Gij moet dus wel geldige redenen hebben om den Kodscha Bascha hier aan te klagen, en daar ik nu in rang op hem volg, ben ik verplicht in zijn plaats op te treden,wanneer het blijkt dat hij niet waardig is zijn ambt te bekleeden. Gij hebt u dus, van nu af aan, tot mij te wenden.De man was in elk geval eerlijk, al scheen het mij ook toe dat hij niet zeer beslist zou durven optreden.Zonder mij lang te bedenken antwoordde ik hem:—Het verheugt mij in u een man te leeren kennen, wien het wel en wee der burgers ter harte gaat, en ik hoop dat gij onpartijdig en zonder vrees zult kunnen en durven optreden.—Dat zal ik doen, maar dan moet gij mij van de waarheid uwer beweringen overtuigen.—Natuurlijk!—Gij zult mij dus dienen te zeggen, hoe gij weet, dat Kodscha Bascha hier boven is geweest en van den Mubarek geld ontvangen heeft.—Neen, dat zeg ik niet!—Waarom niet!—Omdat ik de persoon, die mij een en ander heeft medegedeeld, niet in moeilijkheden brengen wil.—Dat zal niet gebeuren!—Veroorloof mij, daaraan te twijfelen. Gij zijt een braaf man wat echter niet van alle beambten kan worden gezegd. Ik ken u voldoende om te weten dat, wanneer ik weg ben, de Kodscha Bascha weer zal doen en laten wat hem goeddunkt, en de persoon van wien ik alles vernomen heb, zou het dan hard hebben te verantwoorden. Het is dus beter dat ik geen namen noem.—Maar hoe kunt gij dan de bewijzen leveren?—O, dat gaat wel. Het geld dat de Kodscha Bascha ontvangen heeft moet òf in zijn zakken òf in zijn huis zijn, en dat hij hier boven was en zich van mij heeft losgerukt, is eveneens zeer gemakkelijk te bewijzen want ik hield een stuk van zijn kaftan in de hand.—Dat is niet waar,—riep de beklaagde. Kijk maar of hier een stuk uit is!Hij wees met zijn beide handen naar de plaats, waar ik hem had vastgegrepen. De kaftan was ongeschonden.—Gij moet u vergist hebben!—zeide de plaatsvervangende rechter.—En gij schertst!—hernam ik lachend.—Hoezoo? vroeg hij verbaasd.—Wanneer ik u aanzie, lijkt gij mij verstandig en slim genoeg, om te hebben opgemerkt dat de Kodscha Bascha, zich reeds heeft verraden.—Verraden?—Ja, hebt gij niet gezien, waar hij heen wees, toen hij onze aandacht op zijn kaftan vestigde?—Ja zeker!—Nu, waarheen dan?—Boven aan de borst, links.—Heb ik u echter verteld, waar ik het stuk heb uitgescheurd?—Neen, Effendi.—Nu, precies op dezelfde plaats die hij heeft aangewezen. Hoe weet hij dat?De man keek mij verbaasd aan, en vroeg:—Effendi, zijt gij misschien een hoofd van de politie?—Waarom vraagt gij dat?—Omdat alleen zulk een hooggeplaatst beambte zulke scherpzinnige gedachten hebben kan.—Gij vergist u. Ik woon niet in het land van den Padischah, maar inNemtsche memlekedi, waar de burgers zoo volkomen volgens de wet handelen, dat ieder kind de onvoorzichtigheid van den Kodscha Bascha zou hebben opgemerkt en begrepen.—Dan heeft Allah uw land met meer verstand gezegend dan het onze.—Maar gij ziet toch wel in, dat ik gelijk heb?—Ja, ja, wanneer hij naar die plek wijst, moet hij weten dat de kaftan daar is gescheurd. Wat hebt gij daartegen in te brengen Kodscha Bascha?—Ik zeg niets!—antwoordde de aangesprokene. Ik ben te trotsch om langer met een Nemtsche te verkeeren.—Uw houding is echter geenszins waardig. Waarom houdt ge uw handen zoo voortdurend achter u? vroeg ik lachend.—Zwijg!—riep hij toornig uit. Gij zult nog wel worden gestraft voor uw onbeschaamdheid. Ziet gij dan niet, dat mijn kaftan in het geheel niet gescheurd is.—Zeker zie ik dat, maar ik zie ook dat dit een andere kaftan is. Degeen die gij van morgen aanhadt, was ouder dan deze!—Ik bezit er slechts één.—Dat zullen wij zien!—Ja, de Kodscha Bascha bezit slechts dezen éénen kaftan!—bevestigde de knecht.—Gij hebt slechts te spreken als u iets wordt gevraagd,—voegde ik hem toe, en mij daarna tot den plaatsvervangenden rechter wendende vroeg ik dezen:—Weet gij ook hoeveel kaftans de Kodscha Bascha heeft?—Neen, Effendi! Wat raken mij de kleederen van een ander!—Maar gij weet mij wel te vertellen, waar hij de paarden der misdadigers heeft gelaten!—Ja, in zijn stal.—Heeft hijzelf ook paarden?—Ja!—Hoeveel?—Vier!—Welke kleur hebben die?—Die zijn zwart. Hij heeft een voorliefde voor donkere beesten, niet waar Bascha?—Wat kunnen mij de paarden van die menschen schelen?—antwoordde de gevraagde. En aangezien met hem niets was aan te vangen, de verbrande hut van den Mubarek geen verdere bewijsstukken kon opleveren en wij hier niets meer vonden wat ons op den weg kon helpen de vluchtelingen te vinden, of de schuld van den Kodscha Bascha te bewijzen, stelde ik voor naar het gerechtsgebouw te gaan, om ons te overtuigen dat de gevangenen werkelijk waren ontvlucht.Juist toen wij op het punt stonden aan dit voornemen gevolg te geven, zag ik den Hadschi haastig op zijde springen en even daarop klonk het dreigend uit zijn mond:—Halt! Gij blijft hier, of ik steek u mijn mes tusschen de ribben!—Laat me los!—riep een andere stem. Ik heb niets met u te maken!—Maar ik des te meer met u. Gij zijt gevangen!—Oho!—Ja, en als ge niet heel gauw goedschiks medegaat, dan heb ik hier een zweep waarmede dan de knecht ook eens kennis kan maken, nadat ik er zijn meester mede heb geliefkoosd!De knecht had zich willen haasten om voor ons de woning van den Kodscha Bascha te bereiken en zijn familie te waarschuwen. Hij werd nu met zijn meester in het midden genomen.

Toen wij weder in het plaatsje kwamen, gingen wij dadelijk naar den Kodscha Bascha, waar ik mijn verklaring opstelde. Zijn kleine oogen fonkelden, toen wij den inhoud van de drie geldzakken uittelden.

Hij vroeg nogmaals of ik de overzending niet aan hem wilde overlaten, maar ik bleef er op staan, daar zelf voor te zorgen. Weldra zou het blijken dat ik daar goed aan had gedaan. Om mij te ergeren bleef hij er echter op aandringen, dat zij dan tenminste met zijn zegel zouden worden voorzien, waartegen ik mij natuurlijk geen oogenblik verzette.

Daarna begaf ik mij naar de gevangenen. Zij waren in een kelder opgesloten en geboeid. Ik vroeg hem, of dat geen onnoodig kwellen was: hij was echter van meening dat men tegen zulke perceelen niet streng genoeg kon optreden, hij was zelfs van plan om gedurende den nacht een zijner ondergeschikten bij de deur op wacht te zetten.

Ik voelde mij dus, wat de gevangenen betrof, volkomen gerustgesteld, en dacht inderdaad niet, dat men hen alleen geboeid had, omdat men verwachtte dat ik naar hen zou komen kijken.

Van hier begaf ik mij naar den Konak waar wij ons eindelijk aan den avondmaaltijd zetten. Wij zaten weer in hetzelfde vertrek als dien middag, bijeen. Het ging er recht opgewekt toe, want de gebeurtenissen van dien dag gaven stof te over tot een levendige gedachtenwisseling, en zoo werd het lang na middernacht, vóór wij ons ter ruste begaven.

Mij werd de mooiste kamer aangewezen, die ik langs een trap bereikte. Daar er twee bedden stonden, nam ik den kleinen Hadschi bij mij. Ik wist dat zulk een bewijs van vriendschap hem zeer aangenaam was.

Mijn horloge wees even over tweeën toen wij ons gereed maakten ons van onze kleederen te ontdoen. Daar werd aan de gegrendelde voordeur geklopt. Ik deed het blind open en keek naar buiten. Er stond iemand voor de deur, maar ik kon niet onderscheiden wie het was.

—Kim dir?—wie is daar? vroeg ik.

—O, dat is uw stem!—klonk een vrouwenstem.—Niet waar, gij zijt de vreemde Effendi?

—Ja, en gij zijt de plantenzoekster!

—Ja, Heer, kom naar beneden; ik heb u wat te zeggen!

—Is het noodzakelijk?

—Zeker!

—En kan ik daarna weer gaan slapen?

—Nu, dat zal wel niet zoo heel gauw zijn!

—Wacht, ik kom!

Eenige oogenblikken later was ik beneden bij haar.

—Effendi, er is iets heel ergs gebeurd. De gevangenen zijn ontvlucht.

—Wat zegt ge! Is het werkelijk waar?

—Ja, zij zijn gevlucht.

—Hoe weet gij dat?

—Ik heb het gezien, en zelfs gehoord wat zij spraken.

—Hoezoo?

—Daar boven op den berg, bij de hut van den Mubarek.

—Sihdi;—zeide Halef.—Wij moeten weg, onmiddellijk weg, den berg op; neerschieten moeten wij hen, anders wagen wij ons leven!

—Wacht, eerst moeten wij alles weten. Nebatja, vertel ons eens hoeveel er waren.

—De drie vreemdelingen, de Mubarek en de Kodscha Bascha.

—Wat nu! Was de Kodscha Bascha er ook bij?

—Ja, hij heeft hen zelf losgelaten en daarvoor van den Mubarek vijfduizend piasters gekregen.

—Weet gij dat zeker?

—Ik heb het duidelijk gehoord.

—Vertel ons dan alles. Maar kort, want wij hebben geen tijd te verliezen.

—Ik had dan den distelkoning gehaald en wilde naar de open plek op den berg terugkeeren. Toen zag ik vier mannen komen uit de richting van de stad. Ik wilde mij niet laten zien en kroop weg in den hoek, die gevormd wordt door de hut en den muur die er tegen aan staat. De vier mannen wilden de hut binnen gaan waarvan de deur echter gesloten was. Drie hunner kende ik niet, de vierde echter was de Mubarek. Zij spraken er over dat de rechter hen nu vrij had gelaten, en weldra zou komen om daarvoor vijfduizend piasters in ontvangst te nemen. Wanneer zij hem betaald hadden, wilden zij weg, maar zij moesten zich toch op u wreken. Die een zeide, dat gij in ieder geval naarRadowitschen Istib zoudt gaan. En onderweg zouden de Aladschy’s u dan aanvallen.

—Wie zijn de Aladschy’s?

—Dat weet ik niet. Toen kwam de Kodscha Bascha, en daar niemand een sleutel had, trapten zij de deur in. Er werd licht gemaakt en juist daar, waar ik stond, een raam geopend. Daaruit kwamen vogels, vleermuizen en andere dieren, wie de Mubarek de vrijheid gaf. Toen werd ik bang en vluchtte zoo gauw mijn voeten mij dragen konden, naar de stad, naar u toe. En dat is het wat ik u had te zeggen.

—Ik dank u Nebatja! Morgen zult gij uw belooning ontvangen. Ga nu naar huis. Ik heb geen tijd meer te missen!

Nu ging ik weer naar binnen. Ik behoefde niemand te wekken, want het feit dat ik was opgeklopt geworden, was een zeker teeken geweest, dat er iets bijzonders aan de hand was en men was dus reeds opgestaan. Twee minuten later waren wij allen gewapend en onderweg. Halef, Osko, Omar en ik. De beide herbergiers hadden de stad willen alarmeeren, maar ik had hun dat verboden, want de vluchtelingen zouden het leven hooren en daardoor gewaarschuwd zijn geworden. Ik droeg den beiden zwagers op, nog eenige wakkere mannen bijeen te roepen en met hen den straatweg naarRadowitschte bezetten. Zóó moesten de vluchtelingen ons in ieder geval in de handen vallen, wanneer het ons tenminste niet eerder gelukte hen onschadelijk te maken.

Wij vieren gingen den berg op, zoo gauw wij konden, maar toen wij bij het bosch kwamen, waren wij wel genoodzaakt, om, wilden wij niet vallen, onzen gang te matigen.

Plotseling was het mij alsof dichtbij iemand een korte hooge “I” uitstiet, als door plotselingen schrik bevangen. Toen was het alsof ik iemand hoorde vallen.

—Halt!—fluisterde ik de anderen toe. Er is daar iemand vóór ons. Blijft staan en houdt u kalm en rustig.

Na eenige oogenblikken naderde iemand langzaam. Het waren onregelmatige stappen en het scheen wel alsof de eene voet langzamer en ook zachter dan de andere werd neergezet. Hij hinkte. Misschien had hij zich bij een val gekwetst.

Nu was hij vlak bij mij. Het was geen heldere nacht, en tusschen de plaats waar ik stond en de boomen, was het pikdonker. Daarom onderscheidde ik meer door mijn instinct dan door mijn oogen geleid, een lange magere gestalte, die veel op die van den Kodscha Bascha geleek.

Ik pakte hem bij de borst.

—Dur we sus,—Sta stil en zwijg!—gebood ik hem op gedempten toon.

—Ia Allah!—riep hij verschrikt.

—Wees stil, of ik sla u dood!

—Wie zijt gij?—vroeg hij.

—Kent gij mij niet?

—Ah! gij zijt de vreemdeling! Wat wilt gij hier?

Misschien hoorde hij het aan mijn stem. Misschien ook was mijn gestalte beter te herkennen dan de zijne. Hij wist tenminste wien hij voor zich had.

—En gij! Wie zijt gij!—vroeg ik. Misschien de Kodscha Bascha, die de gevangenen heeft losgelaten.

—Ej Müdschizat!O wonder!—schreeuwde hij.—Hij weet het!

Hij maakte een zijsprong om zich los te rukken. Ik hield hem stevig vast, daar ik wel had vermoed, dat hij zou trachten te vluchten, maar zijn oude kaftan was niet zoo stevig als mijn greep. Eén ruk zijnerzijds en ik hield een stuk van het vod in mijn hand, en de man verdween tusschen de boomen, waar het natuurlijk vruchteloos zou zijn geweest om hem te vervolgen.

Buitendien schreeuwde hij zoo hard hij kon:

—Hajde, sa-usch kulibeden choriadscha tschapuk—Weg, weg uit de hut, zoo gauw ge kunt!

—O Sihdi! wat zijt gij dom geweest!—riep Halef uit. Gij hadtden kerel beet en laat hem weer ontkomen. Dat had ik eens moeten doen!

—Stil!—viel ik hem in de rede. Wij hebben nu geen tijd tot verwijten. Wij moeten, zoo gauw wij kunnen, naar de hut, want zijn geschreeuw bewijst dat zij dáár zijn.

Toen klonk van boven de vraag:

—Nitschün, ne deji, Waarom, om welke reden?

—Jabandschylar, edschnebiler! Katschyn, koschyn, sytschryn,—De vreemdelingen, de vreemdelingen. Vlucht, loopt, springt!—luidde het antwoord.

Wij haastten ons nu natuurlijk zooveel mogelijk; maar de hobbelige weg bemoeilijkte ons natuurlijk zeer. Wij waren pas enkele passen vooruit gekomen, toen wij een knal hoorden en een vuurstraal naar boven zagen schieten, het volgende oogenblik was alles weer donker.

—Sihdi, bir top fisckenkler ile.—Heer, dat was een kanon met raketten!—merkte Halef op, die achter mij aan klauterde. O, Allah, het brandt!

—Wij zagen nu door de boomen heen, een vuurgloed, en toen wij op de open plek waren aangekomen, stond de hut aan alle kanten in lichte laaie. Een stem klonk ons tegemoet:

—Daar komen zij! Ziet gij hen? Geeft vuur!

Wij werden door den gloed der vlammen helder verlicht en boden dus een zeker mikpunt.

—Terug!—riep ik en nam tegelijkertijd een sprong, waarmede ik achter een naastbijstaanden boom terecht kwam.

De andere volgden onmiddellijk mijn voorbeeld en juist nog te rechter tijd, want even daarna knalden drie schoten, die gelukkig geen van alle raak waren.

In den sprong had ik mijn geweer nog juist kunnen opvatten. De vonk van de schoten had mij de plek verraden, waar de schurken zich bevonden. Een oogenblik later haalde ik over en moest er een getroffen hebben, want een stem riep:

—Ej Selaket, bre ha! Jaralanmyschim!—O ongeluk! Help! help! ik ben getroffen!

—En nu vooruit!—riep de kleine dappere Hadschi Halef Omar en sprong van achter zijn boom te voorschijn.

—Halt!—waarschuwde ik, terwijl ik hem bij den arm pakte. Het is mogelijk dat zij twee loopen op hun geweren hebben!

—Al hebben zij er honderd! Ik sla hen neer, die schurken en schavuiten!

Hij rukte zich los, keerde zijn geweer om, en sprong over de hel verlichte open ruimte. Nu bleef ons niets anders over dan hem te volgen. Het was zeer gevaarlijk, doch gelukkig had men daarboven geen enkel tweeloopsgeweer, terwijl ook de tijd, om opnieuw te laden had ontbroken. Wij kwamen heelhuids tot aan de rots, vanwaar men op ons had geschoten, doch dit was ook het eenige voordeel wat die onvoorzichtige bestorming ons opleverde. Er was niemand meer.

—Sihdi! waar zouden zij gebleven zijn?—vroeg Halef. Hebt gij er een vermoeden van?

—Neen,waarzij zijn, dat weet ik niet, maar welwatzij zijn!

—Nu wat dan?

—Slimmer dan wij, en in alle gevallen slimmer dan gij.

—Begint gij mij weer te beknorren.

—Gij verdient niet beter. Wij hadden hen zeker gepakt, als gij niet in eens vooruitgesprongen waart.

—Hoe dan?

—Wij hadden dan, beschut door de boomen, ongemerkt voorbij de open plek kunnen komen en zóó tot in hun onmiddellijke nabijheid!

—Dan waren zij toch al weg geweest.

—Dat is nog de vraag. Zij hebben natuurlijk een openlijken aanval vermeden, maar het was ons misschien wel gelukt hen te vangen, wanneer wij hen voorzichtig omsingeld hadden, vooral wanneer een uwer hier was achtergebleven en een loos schot had gelost. Dan hadden zij gemeend dat wij allen nog hier waren!

—En gelooft gij, dat wij hen nu niet meer kunnen inhalen.

—Zij zijn in ieder geval nog in de nabijheid; maar ga in zulk een duisternis nu maar eens zoeken! Het schijnsel van het vuur verlicht alleen deze open plek. En zelfs al wisten wij precies waar zij zaten, zouden wij hen nog met rust moeten laten, want zij zouden ons hooren komen, en wat dan het gevolg zou zijn, laat zich gemakkelijk raden.

—Ja zij zouden ons met kogels ontvangen en ik heb wel eens hooren vertellen dat de meeste menschen daar niet tegen bestand zijn. Maar wat zullen wij nu doen?

—Luisteren!

Deze korte gedachtenwisseling was natuurlijk op gedempten toon gevoerd. Het was waarschijnlijk dat de vier mannen niet ver weg waren en wij mochten hen, door luid spreken, niet in onze nabijheid lokken.

Buitendien hadden wij ons zóó opgesteld, dat wij geheel in de schaduw stonden.

Wij luisterden een oogenblik, maar het geknetter van de brandende hut hinderde ons. Toen mijn oor er echter aan gewend was, hoorde ik duidelijk het ritselen van takken. Ook Osko had het vernomen en vroeg:

—Hoort gij wel, Effendi, hoe zij zich daarginds een weg banen?

—Naar het geluid te oordeelen, zijn zij hier hoogstens een honderd pas vandaan, en daar wij wel kunnen aannemen dat onder de boomen geen struikgewas is, kan de cirkel die de boomen rondom den bergtop beschrijven, niet zoo groot zijn. Dat hebben zij wel geweten en zijn daarom dien kant uit gevlucht!

—Hoe kunnen zij dat weten? Gij zijt hier toch zelf vreemd.

—Manach el Barscha is reeds vaak hier geweest en bovendien de oude Mubarek is immers bij hen!

Ik ging nu naar de hut en rukte een der dakstangen, die brandend naar beneden hing, geheel los. Daar het hout zeer harsachtig was, brandde die als een fakkel. Hiermede volgde ik de richting, die de vluchtelingen schenen te hebben ingeslagen.

Mijn drie metgezellen sloten zich bij mij aan, terwijl zij hun geweren gereed hielden om te schieten.

Het knetteren van het vuur had mij toch op een dwaalspoor gebracht. De breedte van den boschrand was hier niet zoo groot als ik gedacht had. Al zeer spoedig hadden wij den uitersten rand bereikt en zagen nu duidelijk de plaats waar de vluchtelingen zich een weg hadden gebaand. Wij volgden niet, en stonden een oogenblik later weder op de vlakte, toen mijn fakkel uitdoofde. Toen hoorden wij onder ons een paard hinneken, en dadelijk daarop weerklonk paardengetrappel door de nachtelijke stilte.

—Odschurola, chowardalar!Vaarwelschurken! riep men ons met luider stem toe.—Kyzartfiz jarijn dejil o bir gun dschehennemde!—Overmorgen braadt gij in de hel!

Dat was duidelijk genoeg. En wanneer ik nog niet geweten haddat men voornemens was ons op te wachten, dan had ik het nu gemakkelijk kunnen raden. Zoo heel slim was dat volkje dus nog niet.

—Nu zijn zij weg! Wat nu te doen?

—Op het oogenblik niets. Wij zijn nu weer juist evenver als voor onze aankomst hier in Ostromdscha. Onze vijanden zijn ons voor. Zij zijn vrij en zelfs nog één man sterker. Nu kan de jacht weer op nieuw beginnen, en wie weet of wij ooit weer zulk een goede gelegenheid zullen hebben om hen te vangen als hier!

—Zeg dat wel, Sihdi. Die Kodscha Bascha moest gehangen worden.

—Hij heeft hen niet alleen vrij gelaten, maar hun ook hun paarden teruggegeven.

—Gelooft gij dat?

—Natuurlijk. Gij hebt immers gehoord, dat zij paarden hadden. Die hebben voor hen gereed gestaan.

—Dat zal hij natuurlijk ontkennen.

—Zijn leugens helpen hem niets. Ik heb een stuk uit zijn kaftan gescheurd, dat ik in mijn zak gestoken heb.

—Maar hoe wilt gij het met hem aanleggen! Hebt gij eenige macht over hem?

—Helaas, neen!

—Dan zal ik de zaak terhand nemen.

—Wat wilt gij doen!

—Dat komt vanzelf!

—Geen nieuwe dwaasheid, Halef!

—Wees maar niet bang, Sihdi. Ik zal niet overijld handelen maar de zaak met de grootste kalmte en het meeste overleg behandelen. Moeten wij niet eerst weer naar de hut terug gaan?

—Ja. Misschien valt er nog iets te redden.

Wij vonden, in weerwil van de duisternis gemakkelijk den weg terug, dien wij nu kenden. De woning van den Mubarek scheen veel brandbare stoffen te hebben bevat, want nog altijd sloegen de vlammen hoog op. De brand, die van verre zichtbaar was had inmiddels vele menschen naar boven gelokt.

Juist toen wij van onder de boomen te voorschijn traden, kwam de Kodscha Bascha aanloopen, die, toen hij ons gewaar werd, met de armen in de lucht zwaaiende op ons wees en riep:

—Grijpt hen! Vat hen! Pakt hen! Zij zijn de brandstichters!

Ik was over zooveel brutaliteit meer verbaasd dan vertoornd. Die man bezat een groote dosis onbeschaamdheid. De aanwezigen, die allen wisten hoe ik hem dien dag reeds had behandeld, haastten zich natuurlijk niet om zijn bevel ten uitvoer te brengen.

Nu gebeurde er echter iets, waarop hij zeer zeker niet had gerekend.

De kleine Halef trad namelijk op hem toe en vroeg:

—Ne mi iz sewgülüm—Wat zijn wij, lieveling?

—Harakadschilarfiz!Brandstichters, zijt gij!—antwoordde hij.

—Gij vergist u, Kodscha Bascha. Wij zijn heel wat anders. Leerlooiers zijn wij, en om u dat eens duidelijk te maken, zullen wij uw vel eens in behandeling nemen. Niet uw geheele huid, want daarvoor hebben wij geen tijd, maar alleen het deel dat wel goed stevig wezen mag, daar gij er op zitten moet! Osko en Omar helpt eens een handje!

Dat lieten die beiden zich geen tweemaal zeggen, en tot groote voldoening van de meesten der aanwezigen, kreeg de schurk een pak zooals nog nimmer aan eenig overheidspersoon was uitgedeeld.

Toen Halef eindelijk zijn zweep weer in den gordel stak, gaf hij den afgestrafte den volgenden goeden raad:

—En nu geef ik u in overweging, in de eerste dagen niet op iets hards te gaan zitten, want dat zou u wel eens minder goed kunnen bekomen en afbreuk doen aan de schoonheid van uw aangezicht en de harmonie uwer gelaatstrekken. Gij moet onze edele daad geheel laten uitwerken, en tot in lengte van dagen zult gij de vreemdelingen zegenen wier komst voor u zoo heilzaam is geweest. Wij hopen dat gij ieder jaar dezen dag feestelijk zult herdenken en ons in vriendelijk aandenken houden. Sta nu op en betuig mij, met een kus uw hartelijken dank, zooals het betaamt!

Een luid gelach volgde op deze, op plechtigen toon uitgesproken rede.

De Kodscha Bascha, wien Omar en Osko nu losgelaten hadden stond langzaam op, en legde zijn beide handen op de door Halef reeds nader beschreven plaats. Toen de kleine man in zijn nabijheid kwam, riep hij hem woedend toe:

—Schurk! Hondsvot! Wat hebt gij gedaan! Het lichaam van een overheidspersoon ontheiligd. Ik zal u en uw genooten in de boeien laten sluiten!

—Houd u bedaard! viel Halef hem in de rede. Indien gij het een ontheiliging noemt, dat gij maar twintig zweepslagen hebt ontvangen, dan zijn wij gaarne bereid die fout onmiddellijk te herstellen. Leg hem maar weer in positie!

—Neen! neen!—schreeuwde de oude schavuit angstig. Ik ga al! Ik ga al!

Hij wilde zich haastig verwijderen, doch ik greep hem bij den arm en ondervroeg hem op barschen toon, wat hij met de gevangenen had uitgevoerd. Hardnekkig bleef hij ontkennen, dat hij hun de vrijheid gegeven en daarvoor van den Mubarek een ruime belooning ontvangen zou hebben. Toen ik hem dit laatste voor de voeten wierp sloeg hij de handen in elkaar en riep uit:

—Wat zegt gij! Waarvan durft gij mij beschuldigen! Wie zijt gij, dat gij het durft wagen een Kodscha Bascha voor een misdadiger uit te maken! Geld zou ik hebben ontvangen! De gevangenen vrij hebben gelaten? Ik zal u gevangen laten nemen en de wet in al haar strengheid op u toepassen——neen, neen, ga heen, laat mij voorbij!

De laatste woorden golden Halef, die hem bij den arm greep, de zweep ophief en dreigend uitriep:

—Moet ik ook nog andere plaatsen raken? Weet gij nu nog niet dat dit geen manier is om ons te behandelen. Wanneer gij het waagt nog één onaangenaam woord te zeggen, zult ge andermaal kennis maken met mijn zweep.

Ik wendde mij nu tot de omstanders en deelde hun mede wat ik van Nebatja had vernomen; echter zonder haar naam te noemen. Ik voegde er bij, dat wij toen den Kodscha Bascha hadden ontmoet, die de misdadigers had gewaarschuwd.

Toen trad een hunner naar voren, in wien ik onmiddellijk een der bijzittende rechters herkende.

—Effendi, wat gij ons hier mededeelt, doet me verbaasd staan. Wij hebben u veel te danken, want gij hebt een der grootste misdadigers ontmaskerd, dien wij ooit hebben ontmoet. Indien hij en zijn spitsbroeders werkelijk zijn ontvlucht, moet degeen die hen daarbij behulpzaam geweest is, ten strengste worden gestraft. Ik heb u heden gezien en gehoord, en geloof niet dat gij iets zult zeggen zonder zeker te zijn van uw zaak. Gij moet dus wel geldige redenen hebben om den Kodscha Bascha hier aan te klagen, en daar ik nu in rang op hem volg, ben ik verplicht in zijn plaats op te treden,wanneer het blijkt dat hij niet waardig is zijn ambt te bekleeden. Gij hebt u dus, van nu af aan, tot mij te wenden.

De man was in elk geval eerlijk, al scheen het mij ook toe dat hij niet zeer beslist zou durven optreden.

Zonder mij lang te bedenken antwoordde ik hem:

—Het verheugt mij in u een man te leeren kennen, wien het wel en wee der burgers ter harte gaat, en ik hoop dat gij onpartijdig en zonder vrees zult kunnen en durven optreden.

—Dat zal ik doen, maar dan moet gij mij van de waarheid uwer beweringen overtuigen.

—Natuurlijk!

—Gij zult mij dus dienen te zeggen, hoe gij weet, dat Kodscha Bascha hier boven is geweest en van den Mubarek geld ontvangen heeft.

—Neen, dat zeg ik niet!

—Waarom niet!

—Omdat ik de persoon, die mij een en ander heeft medegedeeld, niet in moeilijkheden brengen wil.

—Dat zal niet gebeuren!

—Veroorloof mij, daaraan te twijfelen. Gij zijt een braaf man wat echter niet van alle beambten kan worden gezegd. Ik ken u voldoende om te weten dat, wanneer ik weg ben, de Kodscha Bascha weer zal doen en laten wat hem goeddunkt, en de persoon van wien ik alles vernomen heb, zou het dan hard hebben te verantwoorden. Het is dus beter dat ik geen namen noem.

—Maar hoe kunt gij dan de bewijzen leveren?

—O, dat gaat wel. Het geld dat de Kodscha Bascha ontvangen heeft moet òf in zijn zakken òf in zijn huis zijn, en dat hij hier boven was en zich van mij heeft losgerukt, is eveneens zeer gemakkelijk te bewijzen want ik hield een stuk van zijn kaftan in de hand.

—Dat is niet waar,—riep de beklaagde. Kijk maar of hier een stuk uit is!

Hij wees met zijn beide handen naar de plaats, waar ik hem had vastgegrepen. De kaftan was ongeschonden.

—Gij moet u vergist hebben!—zeide de plaatsvervangende rechter.

—En gij schertst!—hernam ik lachend.

—Hoezoo? vroeg hij verbaasd.

—Wanneer ik u aanzie, lijkt gij mij verstandig en slim genoeg, om te hebben opgemerkt dat de Kodscha Bascha, zich reeds heeft verraden.

—Verraden?

—Ja, hebt gij niet gezien, waar hij heen wees, toen hij onze aandacht op zijn kaftan vestigde?

—Ja zeker!

—Nu, waarheen dan?

—Boven aan de borst, links.

—Heb ik u echter verteld, waar ik het stuk heb uitgescheurd?

—Neen, Effendi.

—Nu, precies op dezelfde plaats die hij heeft aangewezen. Hoe weet hij dat?

De man keek mij verbaasd aan, en vroeg:

—Effendi, zijt gij misschien een hoofd van de politie?

—Waarom vraagt gij dat?

—Omdat alleen zulk een hooggeplaatst beambte zulke scherpzinnige gedachten hebben kan.

—Gij vergist u. Ik woon niet in het land van den Padischah, maar inNemtsche memlekedi, waar de burgers zoo volkomen volgens de wet handelen, dat ieder kind de onvoorzichtigheid van den Kodscha Bascha zou hebben opgemerkt en begrepen.

—Dan heeft Allah uw land met meer verstand gezegend dan het onze.

—Maar gij ziet toch wel in, dat ik gelijk heb?

—Ja, ja, wanneer hij naar die plek wijst, moet hij weten dat de kaftan daar is gescheurd. Wat hebt gij daartegen in te brengen Kodscha Bascha?

—Ik zeg niets!—antwoordde de aangesprokene. Ik ben te trotsch om langer met een Nemtsche te verkeeren.

—Uw houding is echter geenszins waardig. Waarom houdt ge uw handen zoo voortdurend achter u? vroeg ik lachend.

—Zwijg!—riep hij toornig uit. Gij zult nog wel worden gestraft voor uw onbeschaamdheid. Ziet gij dan niet, dat mijn kaftan in het geheel niet gescheurd is.

—Zeker zie ik dat, maar ik zie ook dat dit een andere kaftan is. Degeen die gij van morgen aanhadt, was ouder dan deze!

—Ik bezit er slechts één.

—Dat zullen wij zien!

—Ja, de Kodscha Bascha bezit slechts dezen éénen kaftan!—bevestigde de knecht.

—Gij hebt slechts te spreken als u iets wordt gevraagd,—voegde ik hem toe, en mij daarna tot den plaatsvervangenden rechter wendende vroeg ik dezen:

—Weet gij ook hoeveel kaftans de Kodscha Bascha heeft?

—Neen, Effendi! Wat raken mij de kleederen van een ander!

—Maar gij weet mij wel te vertellen, waar hij de paarden der misdadigers heeft gelaten!

—Ja, in zijn stal.

—Heeft hijzelf ook paarden?

—Ja!

—Hoeveel?

—Vier!

—Welke kleur hebben die?

—Die zijn zwart. Hij heeft een voorliefde voor donkere beesten, niet waar Bascha?

—Wat kunnen mij de paarden van die menschen schelen?—antwoordde de gevraagde. En aangezien met hem niets was aan te vangen, de verbrande hut van den Mubarek geen verdere bewijsstukken kon opleveren en wij hier niets meer vonden wat ons op den weg kon helpen de vluchtelingen te vinden, of de schuld van den Kodscha Bascha te bewijzen, stelde ik voor naar het gerechtsgebouw te gaan, om ons te overtuigen dat de gevangenen werkelijk waren ontvlucht.

Juist toen wij op het punt stonden aan dit voornemen gevolg te geven, zag ik den Hadschi haastig op zijde springen en even daarop klonk het dreigend uit zijn mond:

—Halt! Gij blijft hier, of ik steek u mijn mes tusschen de ribben!

—Laat me los!—riep een andere stem. Ik heb niets met u te maken!

—Maar ik des te meer met u. Gij zijt gevangen!

—Oho!

—Ja, en als ge niet heel gauw goedschiks medegaat, dan heb ik hier een zweep waarmede dan de knecht ook eens kennis kan maken, nadat ik er zijn meester mede heb geliefkoosd!

De knecht had zich willen haasten om voor ons de woning van den Kodscha Bascha te bereiken en zijn familie te waarschuwen. Hij werd nu met zijn meester in het midden genomen.


Back to IndexNext