Elfde hoofdstuk.In den toren der oude moeder.Wij reden door de poortdeur binnen. Naar de beschrijving, ons door den kleermaker gegeven en door den indruk dien het gebouw, van uit de verte, op mij gemaakt had, dacht ik zoo iets als een slot of kasteel te zullen zien. Maar hoe viel dat tegen!Het was wel een lang en hoog gebouw, maar mocht veeleer een bouwval heeten. De ramen keken ons vensterloos aan en het dak was op tallooze plaatsen zonder bedekking. Het pleister van de muren was verdwenen en langs het front van het gebouw lag het poeder waarin de verweerde tegelsteenen waren overgegaan.Wij reden tot voor de hooge dubbele deur, waar ons een kerel ontving wiens lange en smalle galgetronie alles behalve vertrouwen inboezemde.—Dit is Humun, de lijfknecht van den Heer,—zeide de kleermaker.Aha, daar hadden wij al terstond den man, voor wien wij op onze hoede moesten zijn! Hij maakte voor mij een diepe buiging en wees op twee pootige knapen, die achter hem stonden, zeggende:—Effendi, mijn Heer betreurt het zeer dat gij niet kunt loopen. Daarom gaf hij bevel dat deze mannen u naar hem toe zouden dragen. Zij zijn zoo sterk, dat gij u gerust op hen kunt verlaten.Ik steeg van mijn paard. De beide dragers strengelden twee armen en vouwden de vrij zijnde handen zóó, dat die een zitting vormden, terwijl de armen voor leuning konden dienen. Op dien levenden draagstoel gezeten, werd ik, door het voorportaal en twee vertrekken, naar de ontvangkamer gebracht. Mijn makkers volgden mij.De ontvangkamer was redelijk gestoffeerd. Langs de wanden stonden divans. Op een geringe verhooging, tegenover den ingang, zat de zoogenaamde slotvoogd. Naast hem was een dergelijke verhoogde zitplaats, die blijkbaar voor mij bestemd was, en tegenover ons lagen eenige matrassen voor mijn metgezellen.De dragers bleven met mij in de deuropening staan. Onze gastheer boog, zonder op te staan en zeide:—Zijt mij welkom, groote Effendi! Allah zegene uw ingang in mijn huis en doe u vele dagen bij mij blijven! Houd het mij ten goede dat ik u niet staande begroet, maar blijf zitten, maar Nikris (podagra) belet mij u de verschuldigde beleefdheid te bewijzen. Laat u naast mij nederzetten. Uw volgelingen zullen, hier voor ons, uitrusten van hun vermoeienis.Men zette mij naast hem neer en de drie namen tegenover ons plaats.Ik sprak eenige beleefde woorden van dank en verontschuldiging die hij afbrak met de verzekering, dat niet ik hem, maar hij mij dank verschuldigd was.De dragers hadden zich verwijderd, en de lijfknecht bracht pijpen en koffie.In het Oosten is men gewoon den rijkdom van een man te beoordeelen naar zijnrookgerei. Naar dien maatstaf was Murad Habulam een zeer rijk man.De pijp die men mij gaf, en ook die waaruit hij rookte, hadden een roer van echt rozenhout, dat met gouddraad omwonden en met edelgesteente versierd was. De mondstukken verdienden in een museum ten toon gesteld te worden. Het barnsteen was half doorzichtig, wolkrijk, een soort dat in het Oosten veel hooger geschat wordt dan het doorschijnende.De kleine kopjes, waarin de koffie gediend werd en die men, ‘fingans’ noemt, stonden op schotels van filigraan, en toen ik de koffie proefde, moest ik bekennen nog maar eenmaal en wel in Caïro, zoo iets lekkers te hebben gedronken. Ze werd naar Oostersch gebruik, natuurlijk met het fijngestooten bezinksel genoten. Een kopje hield ongeveer vier vingerhoeden in. Ook de tabak was van de fijnste soort. Jammer, dat de pijpekoppen zoo klein waren. Als men ongeveer vijftien trekjes had gedaan, moesten zij opnieuw gestopt worden, waar Humun, ’s meesters lieveling, voor zorgde.Daar de beleefdheid meebracht, dat men zijn gasten niet zoo terstond naar hun omstandigheden vraagt, werden slechts algemeene opmerkingen ten beste gegeven.Toen dit een poos geduurd had, schoof de heer des huizes wat dichter naar mij toe en vroeg:—Hebt gij een goede reis gehad, Effendi?—Allah heeft mij veilig geleid,—antwoordde ik.—Afrit, de kleermaker, zeide mij, dat gij van Sbiganzy waart gekomen.—Ik was sedert gisteren daar.—En voor dien?—InRadowitschen Ostromdscha.—Zoo zijt gij altijd door op reis geweest?—Ja, want wij komen van Edreneh en Stambul.—Van Stambul! Allah heeft het dan wel goed met u voorgehad, dat hij u in de stad van den Padischah heeft laten geboren worden!—Ik ben daar niet geboren. Ik kwam van Damascus over Falesthin (Palestina) daarheen.—Dus zijt ge een Damaski?—Ook dat niet. Ik ben een Frank, een Germani, en ik reisde van uit mijn vaderland naar de groote Sahar (Sahara) om van daar naar Gypt (Egypte) en Belad el arab (Arabië) te gaan.—Allah is groot! Hebt gij zoover moeten reizen? En hebt gij goede zaken gemaakt?—Ik reis niet voor zaken. Ik wil de landen bezoeken en de volken, die er wonen, hun taal en hun zeden leeren kennen. Daarvoor heb ik mijn vaderland voor zoo langen tijd verlaten.Hij zag mij ongeloovig aan.—Daarvoor? Allah! Wat geeft het u of gij al bergen en dalen ziet, de menschen en beesten, woestijnen en wouden? Wat hebt gij er aan, of gij al ziet, hoe men zich kleedt, en hoort, hoe men spreekt?Dat was weer de oude domheid, waarop ik al zoo dikwijls was gestuit. Die menschen kunnen en willen maar niet begrijpen dat men alleen uit belangstelling volken en landen bezoekt. Een handelsreis, een bedevaart naar Mekka, verder gaat hun begrip niet.—Houdt gij van Dschografia (geografie)?—vroeg ik hem.—Veel. Ik lees zulke boeken heel graag.—Wie hebben die boeken geschreven?—Geleerde menschen, die zulke landen bezochten.—En die menschen zijt gij toch zeker wel dankbaar, dat zij die boeken, waaruit gij zooveel leert en die u zoo aangenaam bezig houden, schreven?—Natuurlijk!—Welnu, ook in mijn vaderland zijn menschen, die zulke boeken verlangen. Vele, vele duizenden zijn er, die ze lezen. Er moeten dus ook mannen zijn, die ze schrijven, waarvoor zij eerst verre landen moeten bezoeken. Een zoodanige ben ik.—Gij zijt dus een Ehli Dschografie. Maar ik vraag u nògmaals: wat hebt gij er aan? Gij verlaat uw huis en harem; gij offert alle genoegens van het leven op, om in den vreemde allerlei moeite, honger en dorst te lijden en misschien wel in groot gevaar te komen.—Ja, dat is zeker het geval.—En dan sluit gij u op, om uw oogen met schrijven te bederven, opdat de nieuwsgierige menschen zouden kunnen lezen, wat gij al zoo ondervonden en gezien hebt. Wat hebt gij er toch aan?—Is dan het reizen op zich zelf geen genot?—Neen, het heeft groote moeite.—Gij zoudt dus ook geen hoogen berg beklimmen om de zon te zien ondergaan?—Néén. Daar ben ik te verstandig voor. Waarom zou ik mijn gemakkelijken divan vaarwel zeggen, waarop ik kan rooken en koffie drinken? Waarom zou ik klimmen en dalen, als het mij niet anders geeft dan moe-worden? Dat is toch nergens toe nut. De zon gaat op en onder, ook al ga ik niet boven op een berg zitten. Allah heeft alles heel wijs ingericht, en ik kan door mijn klauteren niet het minste aan zijn raadsbesluiten veranderen of verbeteren.Inderdaad zoo denkt de Moslem. Allah il Allah! Zijn kismet beheerscht alles en allen, en die voorstelling is de oorzaak van hun grenzenloos flegma.—Zoo zoudt gij, alleen om kennis te verkrijgen, niet naar verre landen willen reizen?—vroeg ik.—Neen, beslist neen!—Maar een voordeel heb ik er van. Het voorziet in mijn levensonderhoud.—Hoezoo? Kunt gij bergen eten en rivieren uitdrinken, die gij vindt?—Neen, maar als ik een boek geschreven heb, waarin ik van mijn reizen vertel, dan krijg ik daar geld voor, en dat is mijn inkomen.Nu had ik toch eindelijk iets gezegd dat hij nog zoo dwaas niet vond.—O, zeide hij,—nu begin ik te begrijpen. Gij zijt geen Geograaf, maar een Kitabschi (een boekhandelaar).—Neen, maar de Kitabschi betaalt mij voor wat ik schrijf, daarna drukt hij het af en maakt er een boek van, dat hij aan de lezers verkoopt. Zoo maken wij allebei zaken.Hij bracht zijn vinger aan zijn neus, dacht een oogenblik na en zei toen:—Nu weet ik het. Gij zijt het die de koffie uit Arabië haalt, en de Katabschi is de man die ze verkoopt aan de menschen.—Ja, dat is nagenoeg zoo.—Schrijft gij alles op, wat gij ziet?—Niet alles, maar alleen wat belangrijk is.—Maar wat is belangrijk?—Wat mijn denken en mijn gevoel meer dan gewoon bezig houdt.—Bij voorbeeld, als gij een bizonder goed mensch ontmoet?—Ja, die komt in mijn boek.—Of een ergen deugniet?—Ook dien beschrijf ik, opdat de lezers hem zouden kennen en verafschuwen.Hij trok een bedenkelijk gezicht. De zaak begon hem gevaarlijk te worden.—Hm!—bromde hij. Dus goeden en slechten worden door u in het land bekend?—Zeker.—Noemt gij ook hun naam in uw boek?—Stellig.—Wie en wat zij zijn en de plaats en het huis, waar zij wonen?—Heel nauwkeurig zelfs.—Wat zij gedaan hebben en wat gij met hen hebt gesproken en over hen hebt hooren zeggen?—Dat allemaal.—Allah, Allah! Gij zijt dan een groote verrader! Men moet bang voor u zijn.—Goede menschen hebben van mij niets te vreezen. Integendeel, men zal ze overal prijzen, want mijn boeken worden in alle talen overgebracht. De slechten krijgen echter hun loon, als zij overal bekend en aan de verachting prijs gegeven worden.—Zult gij ook over Sbiganzy schrijven?—Zeer veel zelfs, want ik heb daar zeer veel ondervonden.—Misschien schrijft gij dan ook wel over Kilissely?—Ongetwijfeld, want Kilissely is te mooi, dan dat ik het zou vergeten.—Wat zult gij er van zeggen?—Dat weet ik nog niet. Ik moet eerst afwachten, wat ik hier zie, hoor, beleef en ondervind. Maar dat gijprachtigepijpen hebt en de lekkerste koffie, die ik ooit heb gedronken, dat zal ik van u roemen en prijzen.Hij keek zwijgend voor zich, en gedurende eenige oogenblikken sprak geen onzer. Ik had hem, vanaf het oogenblik, dat ik binnen gekomen was, goed opgenomen. De man kwam mij zoo bekend voor. Waar had ik dat gezicht meer gezien?Hij maakte op mij niet den indruk van een rijk man te zijn. Zijn tulband-doek was oud en vuil en zijn kaftan eveneens. Van zijn beenen zag ik slechts dat zij dik omzwachteld waren, van wege het podagra. Desniettegenstaande waren zijn voeten niet omwonden maar bloot, en staken in oude dunne afgesleten pantoffels.Hij was evenwel zeer lang en mager. Zijn gelaat getuigde in diepe groeven, niet van ouderdom, maar van uitspatting. Zijn scherpe trekken, de kleine, iemand doorborende, cynische oogen, die sterk ontwikkelde kin, die breede, aan de hoeken neergetrokken mond, dat alles bijeengenomen maakte geen aangenamen indruk. Hij was integendeel het type van een gierigaard, wiens gedachten altijd loeren op het bijeenschrapen van geld, zonder er zich over te bekommeren hoe het verkregen werd.—Ik hoop—zeide hij eindelijk,—dat het u bij mij zal bevallen en gij veel goeds van mij schrijven zult.—Dat zal ik zeker. Gij hebt mij zoo vriendelijk en gastvrij ontvangen, dat ik alle reden heb om u dankbaar te zijn.—Ik zou u nog heel anders ontvangen hebben en u ook beter hebben laten verzorgen, maar mijn vrouw is van huis, en ik kan mij niet bewegen. Ik heb aan beide beenen veel te lijden van de Nikris. Die heb ik in den oorlog opgedaan.—Gij waart dus militair? Officier?—Ik had een veel hoogeren en beteren rang. Ik wasAsker zagredschiji(leverancier van het leger), en heb voor de kleeding en voeding van des Sultans helden gezorgd.Aha, hij was dus de aannemer van het leger geweest! Onwillekeurig dacht ik aan de arme, half naakte en uitgehongerde soldaten, wier lijden deze leveranciers zoo rijk had gemaakt.—Dan hadt gij een zeer gewichtig ambt en genoot gij wel het vertrouwen van den Grooten Heer!—Ja, dat is zoo!—zei hij trotsch. De leverancier is eigenlijk de man die de veldslagen wint; hij leidt de strijders tot de overwinning. Zonder hem is er geen moed, geen dapperheid, maar slechts honger, ellende en ziekte. Het vaderland heeft veel, zeer veel aan mij te danken.—Zal ik dat ook in mijn boek vermelden?—Ja, ik bid u, doe dat. Hebt gij over ons land en over de onderdanen van onzen Sultan veel goeds te schrijven?—Zeer veel,—antwoordde ik kortaf, want ik bemerkte dat hij op het onderwerp wilde overgaan, dat voor hem het gewichtigste was.—Misschien ook wel veel wat niet te prijzen is?—Ook dat; er zijn overal goede en slechte menschen.—Hebt gij van dat laatste soort er veel bij ons aangetroffen?—Ja, vooral in den laatsten tijd en vooral in deze streken.Hij schoof heen en weer. Op dit thema had hij willen komen.—Dan zullen de lezers van het boek dat allemaal te weten komen.... Ik zou dat boek wel eens willen hebben.—Dat zoudt gij toch niet kunnen lezen, want het is niet in uw taal geschreven.—Maar dan kondt gij er mij toch wel een en ander uit vertellen.—Misschien later, als ik eerst wat geslapen heb.—Dan zal ik u wijzen, waar gij overnachten zult. Maar zoudt gij mij er niet eerst wat van willen vertellen?—Ik ben werkelijk zeer moe; maar om u te toonen dat ik voor mijn gastheer wil doen wat ik kan, zal ik door mijn metgezel Halef Omar een kort verhaal laten doen van wat wij in den laatsten tijd hebben doorgemaakt.Dat Halef vertellen mocht, was hem zeer naar den zin, maar het stak hem dat Murad Habulam, onze gastheer, hem van uit de hoogteaanzag en half gebiedend zeide:—Dat hij beginne, ik hoor.—Ik wist wat er komen zou.—Veroorloof mij u eerst te zeggen wie zoo goed zal zijn tot u te spreken, zoo begon hij. Ik ben Hadschi Halef Omar Ben Hadschi Abul Abbas Ibn Hadschi Dawuhd al Gossarah. Mijn beroemde stam rijdt de beste Hassi-Ferdschahn merries der woestijn, en de krijgers mijner Ferkah dooden den leeuw met hun lans. De overgrootvader van mijn overgrootvader reed met den Profeet in den slag en de stamvader van dezen held heeft met Abram, den vader van Isaac watermeloenen gegeten. Is uw stamboom even zuiver en oud?—De rij mijner voorvaderen is niet minder groot,—antwoordde Habulam wel eenigszins verlegen.—Dat is gelukkig voor u, want niet hij is een man van beteekenis, die fijne pijpen heeft en kopjes, maar die wijzen kan op een reeks van roemrijke voorouders. In het Paradijs wachten helden, wier geliefde nakomeling ik ben, op mijn komst. Niet een ieder vereer ik met mijn verhalen, maar omdat mijn vriend en Heer, de Hadschi Effendi Kara Ben Nemsi Emir het wenscht, daarom zal ik verhalen, maar verlang ook dat gij met opmerkzaamheid mij aanhooren zult.Dat alles kwam er zoo rustig uit, alsof hij er zelf bij was geweest toen de veronderstelde stamvader met Abram zijn watermeloenen at! Hij deed alsof hij onzen gastheer een groote genade bewees met hem wel zijn verhaal te willen doen.Nu gaf hij in goedgekozen woorden een kort verslag van hetgeen ons in de laatste dagen overkomen was. Geen jurist had het beter kunnen doen dan mijn Halef. Geen syllabe kwam hem over de lippen, die den ex-leverancier kon doen vermoeden dat wij wisten wat vleesch wij aan hem in de kuip hadden. Ik had inwendig plezier in den tact, waarmede hij zijn rol speelde, en knikte hem goedkeurend toe, nadat hij het verhaal had gedaan en mij vragend aankeek om te weten of ik over hem tevreden was.Murad Habulam deed, alsof hij een en al verwondering was. Hij legde zijn pijp weg, wat voor een Muzelman iets buitengewoons is, sloeg de handen in elkaar en riep:—O Allah, Allah, zend toch uw wrekers op aarde, opdat zij die boosdoeners, wier misdaden ten hemel schreien, door het vuur van uw toorn verdelgen! Moet ik gelooven, wat ik hoorde? Neen, ’t is niet te gelooven!Hij bleef als in verwondering verzonken, nam zijn rozenkrans en liet de paarlen door zijn magere vingers glijden, alsof hij bad. Eindelijk hief hij plotseling het hoofd op, zag mij onderzoekend aan en vroeg:—Effendi, bevestigt gij de woorden van dezen Hadschi?—Woord voor woord.—Men heeft u dus bijna elken dag trachten te dooden?—Zoo is het.—Gij zijt dus die moordenaars zoo gelukkig ontkomen? Gij moet wel bizondere lievelingen van Allah zijn!—Volgens die redeneering waren dan die moordenaars, lievelingen van Allah, indien hun plannen gelukt waren?—Neen, maar uw dood stond dan in het boek des levens geschreven, en wat daar staat, kan zelfs Allah niet veranderen. Dat is Kismet.—Welnu, dan wil ik hopen, dat het het Kismet zij van deze schurken, om nog hier op aarde hun welverdiende straf te moeten ontvangen.—Dat hebt gij in uw hand gehad, maar gij hebt hen gespaard.—Ik wilde hun rechter niet zijn.—Vertelt gij dat nu allemaal in uw boek? Van den Shoet, van de Aladschy’s, van Manach el Barscha, Barud el Amasat, en van den ouden Mubarek?—Ik noem ze allemaal.—Dat is voor hen een verschrikkelijke straf. En gelooft gij dat gij hen nog weer ontmoeten zult?—Zeer zeker, want zij vervolgen mij. Hier in uw huis ben ik mooi veilig en dat dank ik u en den goeden Afrit, mijn gids. Maar morgen, als wij verder trekken, dan zullen die boosdoeners ons weer overvallen.—Gij zult mijn huis toch de schande niet aandoen van er maar een enkelen nacht te blijven.—Ik zal er over denken. Overigens is het naar uw overtuiging, van eeuwigheid af in het boek des levens geschreven, hoelang ik in uw huis vertoeven zal. Niet een van ons kan daar verandering in brengen. Ja, zelfs Allah kan dat niet.—Dat is zoo. Maar ik hoop dat het licht uwer oogen mij nog langen tijd zal bestralen. Ik voel mij zeer eenzaam en verlaten hierin mijn huis, en gij zult mij opvroolijken en mij het lijden mijner voeten doen vergeten, indien gij heel lang bij mij blijft.—Ook mij zou het aangenaam zijn, wanneer ik nog lang van uw gezelschap zou kunnen genieten. Gij moet vele en groote reizen ondernomen hebben?—Wie heeft dat gezegd?—De kleermaker.Ik zag aan zijn gezicht, dat de kleermaker mij dat voorgelogen had. Toch antwoordde hij:—Ja, toen ik nog goed ter been was, heb ik de steden en dorpen van vele landen bereisd.—En straks hebt gij gezegd, dat gij zelfs geen berg zoudt willen bestijgen om de zon te zien opgaan!—Nu niet, om mijn beenen,—zeide hij om zich te verdedigen.—Waarom, als gij podagra hebt, laat gij uw voeten bloot ofschoon gij uw beenen omwikkelt?Ik zag hem, bij die vraag, scherp aan. Hij werd verlegen. Zou hij om de een of andere reden podagra voorwenden en niet hebben?—Omdat ik de ziekte in mijn beenen heb en niet in de voeten, beweerde hij.—Gij hebt dus geen pijn in uw grooten teen?—Neen.—En die is ook niet gezwollen?—Die is gezond.—Hoe staat het ’s avonds met de koorts?—Ik heb nog nooit koorts gehad.De man verried zich, want als die kenteekenen zich bij hem niet voordeden, had hij ook het podagra niet. Hij wist in geen enkel opzicht, welke verschijnselen met podagra gepaard gingen. Ik wist nu, wat ik aan hem had. Om het gesprek ook nog op de bibliotheek te brengen, die mijn gastheer, volgens Afrit had, vroeg ik hem:—In uw lijden en in uw eenzaamheid zult gij wel veel afleiding en verpoozing vinden bij de vele boeken, die in uw bezit zijn.—Boeken?—vroeg hij verwonderd.—Ja, gij zijt een zeer geleerd man en gij bezit een menigte handschriften, waarom gij te benijden zijt.—Wie zegt dat?—Ook de kleermaker.Blijkbaar had onze gids ook dit verzonnen om mij daarmee te zekerder in de val te lokken. Habulam begreep dit, en zeide daarom:—Heer, mijnbibliotheekis bij lange na niet van zooveelbeteekenisals gij wel denkt. Voor mij is die voldoende, maar voor een man als gij is ze onbeduidend.—Toch hoop ik die bij gelegenheid te mogen zien.—Met alle genoegen, maar nu niet. Gij zijt vermoeid, ik zal u uw vertrekken laten wijzen.—Waar zijn die?—Niet hier in huis, want daar zoudt gij te veel rumoer hooren, om rustig te kunnen slapen. Ik heb daarom voor u deKulle jaschly Anajain orde laten brengen; daar zijt gij vrij en met elkaar.—Zoo als gij het schikt, is het mij goed. Maar waarom heet dat gebouw de toren van de oude moeder?—Dat weet ik zelf niet. Men zegt, een oude vrouw is na haar dood, meermalen weergekomen en stond dan ’s avonds in lijkwa op de zoldering, om van daaraf haar kinderen te zegenen. Gelooft gij aan spoken?—Neen.—Dan zult gij voor de oude vrouw ook wel niet bang zijn?—Geen oogenblik! Maar komt zij tegenwoordig nog wel eens te voorschijn?—De menschen zeggen van ja en gaan daarom ’s nachts nooit naar den toren.Waarom zeide hij mij dat? Als het in den toren niet pluis was, moest dat voor mij een reden zijn om in den toren niet te willen overnachten. Misschien ook wilde iemand ons verraderlijk, als spook gekleed, besluipen, en van zijn misdaad de oude vrouw de schuld geven,—een zeer kinderachtige gedachte, die alleen in het hoofd van zulke domme menschen kon opkomen.—Wij zullen heel graag eens een spook zien, om het te vragen, hoe het er in het doodenrijk uitziet,—verzekerde ik hem.—Zoudt gij daar den moed toe hebben?—Zeker.—Maar gij zoudt van een slechte reis kunnen komen. Hij, die met een geest spreekt, kan er het leven bij inschieten.—Dat geloof ik niet. Allah zal geen verdoemde veroorloven, deellende der hel te verlaten, om op aarde voor pleizier wat te gaan wandelen. En goede geesten behoeft men niet te vreezen. De als spook verkleeden gaan wij eenvoudig te lijf. Wees nu zoo goed ons naar den toren te laten brengen.—Gij zult door een deel van den tuin moeten gaan, en ik denk dat gij dien met groot genoegen zult zien. Hij kost mij veel geld en is zoo prachtig als het park der gelukzaligen achter den ingang van het eerste Paradijs.—Dan spijt het mij dat ik van uw aanbod geen gebruik kan maken, want het is mij onmogelijk door de lanen te wandelen.—Dat behoeft u niet te beletten den tuin te zien. Gij behoeft niet te loopen, gij kunt rijden. Mijn vrouw is ook slecht ter been. Daarom heb ik voor haar een wandelstoel laten maken, waarop zij zich laat rijden. Zij is op het oogenblik niet thuis, en gij kunt dus gebruik maken van haar stoel.—Dat is voor mij een heerlijke uitkomst.—Ik zal den stoel terstond laten halen. Humun zal u rijden en u verder bedienen.Die knaap moest ons ook in het oog houden, zoodat wij niets zouden kunnen doen, zonder dat het opgemerkt werd. Daarom antwoordde ik:—Ik mag u van de hulp van uw lijfknecht niet berooven en ben gewoon mij door mijn metgezellen te laten ondersteunen.—Dat kan ik niet toelaten. Zij zijn even goed mijn gasten als gij, en het zou strijden met de wetten der gastvrijheid, indien ik hen eenig werk liet doen. Verzet u dus niet tegen wat ik voorstelde. Humun heeft in last om alles te doen wat gij hem opdraagt en altijd bij u te zijn.Altijd bij ons zijn! Dat wilde zeggen, wij waren onder zijn toezicht gesteld. Hoe zou ik van dien man af komen?Hij bracht den stoel, ik zette mij er in en nam afscheid van onzen gastheer. Humun reed mij naar buiten en mijn metgezellen volgden.Wij kwamen, door de breede gang van het hoofdgebouw, allereerst op een binnenplaats, die als algemeene mestvaalt scheen gebruikt te worden. Aan twee kanten stonden lage zadelvormige gebouwen die met stroo waren gevuld. De vierde zijde was bezet met stallingen, waartusschen een doorgang naar den tuin.Deze zoogenaamde tuin was inderdaad een grasveld, waarop eenmenigte schelven stonden. Daarop volgden dan eenige bedden met groenten, waartusschen enkele bloemen. En dat moest ’de lusthof der gelukzaligen’ verbeelden! Als de Profeet dien aangelegd had, ten genoegen van zijn geloovigen, dan moest hij van hun smaak eene armzalige voorstelling gehad hebben.Toen wij die bedden voorbij waren, stonden wij weer voor een grasveld, dat grooter was dan het vorige. Ook hier waren vele mijten van hooi en allerlei graansoorten. Eindelijk zagen wij den ’toren der oude moeder’.Het was een rond, zeer oud gebouw, vrij hoog opgetrokken, en vier ramen over elkaar. In de ramen waren, zooals gewoonlijk, geen vensters. De deur stond open.De benedenverdieping bestond uit eene enkele ruimte, waarin een vrij gebrekkige trap, die naar de bovenverdieping leidde. Ik zag dat er matten langs den muur waren gelegd, met matrassen er op, en eenige kussens. In het midden dier ruimte lag op een laag onderstel, een plank die voor tafel moest dienen. Meer ameublement was er niet.—Dit verblijf is ter uwer beschikking, Heer,—zeide Humun, nadat hij mij binnen gebracht had.—Zijn hier dikwijls gasten?—Neen. Deze kamer is de beste die wij hebben, en mijn gebieder wil u daarmee toonen, hoezeer hij uw komst op prijs stelt.—Zijn er nog vertrekken boven ons?—Nog twee verdiepingen, en daarop volgt het terras voor het vergezicht; maar zij zijn ongemeubeld, omdat er nooit iemand logeert.De muur van ons vertrek zag er uit, alsof kleine aardbevingen de steenen van tijd tot tijd in de voegen deden verschuiven.De muren waren niet gekalkt; ook was er geen schoorsteen. Het was een hok, meer niet.Onderweg was ik op een gedachte gekomen, hoe ik Humun weg kon krijgen. Wij waren een arbeider tegengekomen, die afzichtelijke leepoogen had. Daardoor had ik mij onwillekeurig herinnerd, dat bijna alle Oosterlingen aan den “boozen blik” gelooven. De Italianen noemen dat “Jettatura”.Wanneer iemand, die den “boozen blik” heeft, bij toeval een ander scherp fixeert, verdenkt men hem al gauw een Jettatore te zijn. Zoo iemand wordt dan door een ieder gemeden.Om kinderen tegen den boozen blik te beschermen, bindt men ze een rood lintje om den hals of hangt ze een rood kraaltje om, dat den vorm van een hand heeft.Volwassenen kennen maar één middel, om zoo’n boozen blik af te weren. Dat doen zij, door hun hand, met uitgespreide vingers, tegen het booze oog op te heffen. Die dat doet en dan terstond wegloopt, ontkomt aan de doodelijke gevolgen der Jettatura.—Dit vertrek is mij goed genoeg, alleen zou ik, voor van avond, een lamp willen hebben.—Ik zal die meebrengen, tegelijk met het avondeten. Verlangt u ook nog iets?—Ja, water. Meer hebben wij voor het oogenblik niet noodig.—Ik ga het terstond halen, en hoop dat gij met mijn prompte bediening tevreden zult zijn. Zulke Heeren als gij, moeten vlug geholpen worden. Ik heb gehoord wat gij mijn meester verteld hebt. Van mijn hoogachting en toewijding kunt gij verzekerd zijn. Ik heb inwendig gebeefd, toen ik hoorde in wat gevaren gij geweest zijt. Allah heeft u in zijn bizondere bescherming genomen, anders waart gij al lang verloren geweest.—Ja, Allah heeft er ons altijd uit geholpen. Hij heeft mij een bizondere kracht geschonken die mij altijd behoedt, zoodat geen vijand mij kan overwinnen.Zijn nieuwsgierigheid was terstond opgewekt.—Wat is dat, Heer?—vroeg hij gluiperig.—Iets in mijn oogen.—Iets in uw oogen! Hoezoo?—Kijk mij eens flink met opgeslagen oogen aan.Hij deed het.—Welnu, bemerkt gij nog niets?—Neen, Effendi.—Is er niets in mijn oogen dat u opvalt?—Volstrekt niets.—Dat is juist het bizondere, dat men niets aan mij zien kan, en toch behoef ik mijn vijanden maar aan te zien, dan zijn ze verloren.—Wat gebeurt ze dan, Heer?—Dan gelukt hun nooit meer iets, hun leven lang. Hij, dien ik aankijk, is aldoor en in alles ongelukkig, namelijk als ik wil.De blik van mijn oog volgt hem tot in den dood. Zijn leven behoort mij voortaan toe; ik behoef slechts aan hem te denken en hem iets kwaads toe te wenschen, dan overkomt het hem ook.—Heer, is dat waar?—vroeg hij haastig en verschrikt.—Hebt gij misschien denKem Bakyschin uw oogen?—Ja, ik heb den boozen blik, maar gebruik dien alleen tegen die mij kwaad willen doen.—Allah zij mij genadig! Ik wil niets meer met u te maken hebben. Allah, w’ Allah!Hij strekte alle tien zijn vingers tegen mij uit, maakte rechtsom keert, en liep in allerijl weg. Mijn vrienden barstten in een onbedaarlijk gelach los.—Dat hebt gij mooi gedaan, Sihdi,—viel Halef in. Die man laat zich niet weer zien, hij heeft een kwaad geweten. Wij krijgen nu gelukkig een ander om ons te bedienen.—Ja, en wel hoogstwaarschijnlijk hem, dien ik wensch, namelijk Janik, de aanstaande man van dat jonge Christen-meisje.—Waarom denkt gij dat?—Omdat Humun hem alles kwaads toewenscht om Anka. Hij zag hem liefst dood gaan, en zal het nu wel zóó inrichten, dat Habulam onze verzorging aan zijn gehaten medeminnaar opdraagt. Maar help mij nu eerst op mijn matras en ga dan op verkenning uit. Wij moeten weten, hoe het er in dezen toren uitziet.Toen ik het mij op mijn matras gemakkelijk gemaakt had, klommen de drie anderen naar boven, maar kwamen al spoedig terug. Halef berichtte:—Ik geloof niet, dat hier eenig kwaad tegen ons ondernomen kan worden. De beide vertrekken boven ons, zijn volkomen zoo als dit.—Zijn er blinden aan de ramen, zoo als hier?—Ja, en ze kunnen met sterke houten sluitboomen vast gemaakt worden.—Wij kunnen er dus voor zorgen, dat van nacht niemand ons besluipt, zonder leven te maken. En hoe is het heelemaal boven?—Daar is een rondom open ruimte, door een ballustrade omgeven en gedekt door een dak, dat op vier steenen pilaren rust.—Dat heb ik van buiten af ook gezien. In allen geval is daar de oude op gekomen om haar kinderen te zegenen.—Maar dat zal zij nu wel niet meer kunnen, want de vroegere opening is dichtgemetseld,—verzekerde Halef.—Dat dichtmetselen moet toch zijn reden hebben. Hoe komt men dan nu op dat terras om van het mooie vergezicht te genieten? Daar het rondom open is, kan het niet anders of er moet regen op vallen, waar blijft dat water? Loopt dat de trap af, in de vertrekken er onder en hier? Naar buiten kan het niet. De ballustrade belet dat. Er moet dus een afwatering zijn.—Ja, die is er. De trap-opening op het terras wordt gesloten met een deksel dat men er afnemen kan. De dekselrand en die van de trapopening zijn van gom-elastiek voorzien en sluiten waterdicht. De vloer van het terras glooit van uit het midden naar den muur, en daarin is een gaatje waardoor het water afloopen kan.—Hm! Die open terraskamer komt mij gevaarlijk voor. Men kan er van buiten af op en zoo bij ons komen.—Daarvoor is het terras te hoog.—Toch niet. Deze kamer is zoo laag, dat ik rechtop staande met mijn hoofd tegen de zoldering stoot. Wanneer de twee boven ons liggende vertrekken van dezelfde hoogte zijn, dan is de bedoelde vloer hoogstens zeven en een halven meter hoog. Reken ik nu nog een meter voor de balustrade, dan is de heele hoogte acht meter vijftig.—Men zou een Merdiwan (een ladder) daarvoor noodig hebben, maar die zullen ze hier wel bij de hand hebben.—Dat zou ik wel denken. Maar het trapluik kan toch wel goed gesloten worden?—Neen.—Het is dus zoo duidelijk als tweemaal twee vier, dat de weg naar hier voor onze vijanden, die natuurlijk een ladder hebben, open ligt. Of zijn de lagere zolderingen soms te sluiten?—Neen.—Ook dat niet! Wij kunnen dus op een mogelijk bezoek rekenen, dat wel eens slecht voor ons kon afloopen. Ik moet zelf den toestand opnemen. Osko, kunt gij mij op uw schouders naar boven dragen?—Ja, Heer, ga er gerust op zitten, ik zal bukken.Ik ging als te paard op zijn schouders zitten en hij droeg mij naar boven.Iedere verdieping in den toren was juist als ons vertrek. In de vloeren waren openingen, waardoor de trap liep. Deze openingen hadden geen sluiting, behalve die onder het dak, waarvoor het sterke zware deksel diende, dat men, door de gummi-banden, waterdicht afsluiten kon. De gording, onder het dak, was anderhalve meter hoog, zoodat tusschen de zuilen, waarop het dak rustte, een opening was, waardoor men prachtige vergezichten had over velden en rijen van vruchtboomen.Bovendien liep er, boven langs den toren, een balkon. Het was gevaarlijk zich daar buiten op te begeven, en dat zal wel de reden geweest zijn, waarom die toegang dichtgemetseld was.Hier school voor ons het gevaar. Met een ladder kon men naar boven komen en drie trappen afgaande, was men in ons vertrek. Wilden wij dat verhinderen, dan moesten wij die dak-afsluiting zoodanig van binnen verzekeren, dat zij van buiten niet kon geopend worden.Het vergezicht was echter in een droevig waas gehuld. Reeds gedurende het laatste uur van onzen rit hadden wij wolken zien drijven, die nu den ganschen horizon dekten en aldoor zich uitspreidden.Nauwlijks waren wij in de voor ons bestemde kamer terug, of er kwam een flinke sterkgebouwde jongeman bij ons, met twee vaten drink- en wasch-water. Met zijn open en vriendelijken blik keek hij ons onderzoekend aan.—Sallam!—klonk zijn heldere stem. Mijn Heer zendt mij om u water te brengen, Effendi! Het eten zal weldra klaar zijn.—Waarom komt Humun niet?—Zijn heer heeft hem noodig.—En hij heeft ons juist het tegendeel gezegd!—De beenen begonnen pijn te doen, toen had hij zijn knecht noodig.—Dus komt gij ons bedienen?—Ja Heer, tenzij u het anders wenscht.—Ik zie u liever hier dan Humun. Gij zijt Janik, de aanstaande man van Anka?—Ja Heer. Gij hebt haar veel gegeven. Zij heeft het geld nageteld, toen zij thuiskwam. Zij zendt het u terug, want gij moet u vergist hebben. Zóó veel hebt gij haar zeker niet willen geven.Hij reikte mij het geld toe.—Ik neem er niets van terug, want ik wist hoeveel ik haar gaf. Het is voor Anka.—Maar dat is toch te veel, Heer!—Neen. Misschien krijgt gij ook wel zooveel, als ik over u tevreden ben!—Ik verlang geen Bakschisch, Heer. Wel ben ik arm, maar ik zal u gaarne bedienen, ook zonder fooi. Anka heeft mij gezegd dat gij ook van ons geloof zijt en bovendien den Heiligen Vader in Rome gezien hebt. Daarom doe ik gaarne alles waarmee ik u van dienst kan zijn.—Gij zijt een brave jongen, en als ik u met iets kan helpen, doe ik dat gaarne. Is er soms iets, dat gij wenscht?—Het eenige, dat ik wensch, is zoo spoedig mogelijk Anka mijn vrouw te kunnen noemen.—Zorg dan dat gij zoo spoedig mogelijk de duizend piasters bijeen hebt.—Aha, Anka heeft gebabbeld! Maar wat dat betreft, ik heb mijn duizend piasters al haast bijeen. Anka is echter met de hare nog lang zoo ver niet.—Hoeveel ontbreken er nog aan uw spaarpot.—Nog twee honderd.—Hoe lang moet dat duren, voor gij die bijeen hebt?—Nu, daar zal ik nog wel twee jaren voor noodig hebben. Ik moet geduld hebben. Stelen mag ik niet, en Habulam geeft maar heel weinig loon.—Wat zoudt gij zeggen, als ik u die twee honderd piasters gaf?—Maar, Heer, dat kunt gij toch niet meenen!—Met iemand, die het zoo ernstig meent als gij, spreek ik ook in ernst. Ik wil u dat geld geven, en dan kunt gij uw Anka helpen sparen. Kom hier, daar is het.Het waren ongeveer vierentwintig gulden. Ik gaf ze hem gaarne, want hij was een eerlijke oprechte jongen, en ook was het niet mijn geld, dat ik gaf. Hij was ontzettend blij; alleen kon hij niet begrijpen, dat een vreemde hem, zonder dat hij er iets voor doen zou, zooveel geld gaf. De eigenlijke reden zei ik hem natuurlijk niet. Mijn doel had ik echter bereikt, want ik had in Janik iemand gewonnen, dien ik volkomen kon vertrouwen en ons met al wat hij kon, zou bijstaan.Hij gaf een ieder van ons de hand, met de verzekering, dat hij alles zou doen om onze tevredenheid te verdienen.Ik begon hem nu voorzichtig over zijn heer uit te hooren, en ik kwam het navolgende te weten:Habulam was de broeder van Manach el Barscha, den wegens verduistering voortvluchtigen ontvanger der belasting. Daarom was mij het gezicht van Habulam zoo bekend voorgekomen, want hij geleek sprekend op zijn broer. Manach kwam dikwijls bij zijn broer, en verschool zich, omdat hij hier te bekend was, alsdan in de groote koornschelf, die het dichtst bij onzen toren stond. Deze schuilplaats moest voor de knechten een geheim blijven, maar dezen kenden dat reeds lang. Natuurlijk zwegen zij er over. Ook had Habulam aan Janik gelast, om zooveel mogelijk bij ons te blijven en hem alles over te brengen wat wij onder elkaar mochten praten.—Als hij er naar vraagt,—zeide ik,—zeg hem dan dat gij ons niet verstaat, want dat wij in een vreemde taal spreken, die gij niet kent.—Dat zal wel het best zijn. Nu moet ik echter weg, want het eten zal klaar zijn.Toen Janik ging, liet hij, zooals ik hem gezegd had, de deur openstaan, opdat ik de gevaarlijke koornschelf op mijn gemak zou kunnen bezien. Deze was van een tamelijken omvang, en juist tegenover ons; ook merkte ik onderaan een plek op, die iets afweek van de omgeving. Daar was ongetwijfeld de ingang. Boven uit den top van het trechtervormige dak stak een stok, waarin zich een stroowisch bevond, die misschien wel dienen moest om geheime teekens te geven.Janik kwam al spoedig terug, met een groote mand. Hij zette het eten op tafel. Het bestond uit maïsbrood, koud vleesch en een warme verleidelijk riekende ommelet (Jumurta jemeki).—Heer,—zeide hij,—Anka heeft mij toegefluisterd, dat gij u voor deJumurta jemekiin acht moest nemen.—Heeft zij iets opgemerkt dat haar verdacht leek?—Onze Heer heeft zelf er alles voor klaargemaakt, maar Anka eerst weggestuurd. Ze heeft echter door een kiertje gekeken en gezien dat hij het peperhuis metSytschan zehiri(rottekruid) uit zijn zak haalde.—En was hij nu ook nog in de keuken?—Ja, hij vroeg mij, waarover gij gesproken hadt, en ik antwoorddezooals gij mij gezegd hadt. Toen gelastte hij mij, erg vriendelijk tegen u te zijn en zooveel mogelijk met u te praten, opdat gij mij zoudt moeten antwoorden en misschien lust zou krijgen een gesprek met mij aan te knoopen. Hij heeft mij vijf piasters (60 cts.) fooi beloofd, voor als ik alles goed deed.—Hebt ge soms lust om uw ziel voor vijf piasters aan den duivel te verkoopen?—Voor geen duizend! Maar Anka laat u zeggen, dat gij zonder zorg van het vleesch en het brood kunt eten.—Dan zullen wij haar raad opvolgen. DeJumurta jemekizal ik terstond de musschen eens laten proeven.Wat keurige kamer wij hadden, blijkt uit het feit dat ons vertrek tot toevluchtsoord en onderdak van eenige musschen diende. Er waren enkele steenen uit de muren gevallen en in de daardoor ontstaan zijnde gaten bevonden zich de nesten van die brutale proletariërs, die niet eens zooveel gevoel, voor wat gebruikelijk was, bezaten, dat ze behoorlijke nesten maakten.Die vroolijke musschen schenen voor ons in ’t geheel niet bang te zijn, want zij vlogen onophoudelijk in en uit, en zaten, van uit hun nest, zoo onbeschaamd mogelijk, te kijken.Ik gooide eenige stukken van de ommelet in een hoek, en de vogels vlogen er op af, om er duchtig om te kibbelen. Of ze het eten hadden zien binnendragen, weet ik niet, maar wel zag ik dat nagenoeg alle tafelschuimers present waren. Het was buiten al mooi donker geworden, en een gerommel van uit de verte verkondigde ons de nadering van onweer.—Breng ons een lamp,—zeide ik tot Janik,—en maak van die gelegenheid gebruik, om aan uw meester te zeggen, dat wij alle luiken dicht zullen maken!—Waarom?—Ja, dat zal hij wel vragen. Zeg hem, dat wij de spokende oude moeder het binnenkomen willen beletten.Toen hij zich verwijderd had, klommen mijn vrienden vlug naar boven om de luiken ter dege te sluiten. Nauwelijks was dit gedaan of Janik kwam terug met een steenen lamp, waarin zóó weinig olie was dat ze binnen het uur moest uitgaan.—Waarom brengt gij ons zoo weinig olie?—vroeg ik.—Mijn Heer zei, gij zoudt wel spoedig gaan slapen. Maar Ankais ook niet dom! Zij heeft mij tersluiks dit fleschje meegegeven.Hij haalde het fleschje uit zijn zak. Er was olie genoeg in, en hij gaf het mij.—Dat is niet enkel gierigheid,—zeide ik. Onze gastheer Wil ons in ’t donker laten zitten; dan is men hulpeloos.Een angstig gepiep en gesjilp deed mij naar de musschen kijken. Zij zaten met opgestoken veeren in hun nest, en het was duidelijk dat zij pijn hadden. Een vladderde uit zijn nest en viel op den grond, waar hij nog een paar malen met zijn vleugels sloeg en zich daarna niet meer bewoog. Hij was dood.—Zoo gauw!—zeide Halef. Die schoft moet een geduchte portie vergift in de ommelet gedaan hebben!—Er is ook heel wat voor noodig om vier sterke mannen metrottekruidte vergiftigen. Met ons zou het zeker niet zoo gauw gedaan geweest zijn, als met een musch. Dat mensch is niet alleen duivels slecht, maar ook verbazend dom. Hij moet gedacht hebben dat wij even gauw zouden bezwijken als die vogels, en dus geen tijd meer zouden hebben om ons te wreken.Er lagen nu reeds meer vogels dood op den grond. De arme diertjes gingen mij wel aan het hart, maar ik had ze moeten opofferen om zekerheid te krijgen.—Wat zult gij nu met de ommelet doen, Sihdi?—vroeg Halef. Zullen wij naar Habulam gaan en hem met zweepslagen dwingen zijn eigen ommelet op te eten?—Het eerste gedeelte van uw voorstel neem ik aan, maar het laatste niet. Wij gaan terstond naar hem toe en nemen de ommelet mee, netjes gegarneerd met de doode vogels.—Heer, doe dat niet,—bad Janik,—want dan loopt het slecht met mij af, omdat hij zal denken dat ik u gewaarschuwd heb.—Daarin zullen wij hem te vlug af zijn. Wij zullen doen, alsof gij van ons een stuk hadt gekregen en opgegeten, zoodat gij nu van de pijn ligt te krimpen. Kunt gij dat veinzen en u goed houden, als hij soms komt kijken?—Ik denk wel van ja.—Laat dan de rest maar aan mij over. Kunt ge mij ook zeggen, waar wij Habulam zullen vinden?—In zijn kabinet achter de ontvangkamer (Selamluk), waar gij met hem gezeten hebt. Gij ziet de deur terstond. Is hij niet daar,dan is hij in de keuken; want Anka vertelde mij, dat hij er bij wilde zijn als het avondeten voor u werd klaargemaakt (het Achscham).—En waar is de keuken?—Links van de plaatsdeur. Men heeft er u voorbij gereden. Pas echter op, dat hij u niet ziet aankomen, want dan schuilt hij weg.Hij ging, en ook wij maakten ons op, ik natuurlijk in mijn wandelwagen. Halef bedong voor zich de pret, de ommelet te dragen, en hij hield die toegedekt onder een slip van zijn kaftan. Maar wij gingen niet over de binnenplaats. Wij liepen er om heen, om niet te gauw opgemerkt te worden.Eerst zochten wij onzen gastheer in zijn particulier vertrek. Omdat de vloer met matten belegd was, kon men ons moeilijk hooren aankomen terwijl wij nog in de ontvangkamer waren. Osko deed de aangeduide deur open en trad naar binnen.—Wat wilt gij?—hoorde ik Habulam verschrikt vragen.Op hetzelfde oogenblik schoof Omar mij naar binnen. Toen Habulam mij zag, spreidde hij zijn tien vingers voor mij uit, en riep in doodelijken schrik:—Hasa, si amahu Allah,—God beware mij, God behoede mij! Ga weg, ga weg! Gij hebt den boozen blik!—Alleen voor mijn vijanden, maar niet voor u!—antwoordde ik.—Neen, ik durf mij niet door u laten aankijken!—Maak u niet bezorgd! Zoolang gij vriendelijk jegens mij gezind zijt, kunnen mijn oogen u geen kwaad doen.—Dat geloof ik niet! Er uit, er uit!Sidderend van angst had hij zich afgewend, om mij niet te moeten aankijken, en hield zijn handen naar de deur gestrekt.—Murad Habulam,—zeide ik op strengen toon,—wat bezielt u? Behandelt men zijn gast ooit op zulk een manier? Ik zeg u dat mijn blik u volstrekt geen kwaad zal doen, en ik ga niet weg, voor ik met u besproken heb, wat mij tot u doet komen. Keer u dus gerust naar mij toe en kijk mij aan.—Kunt gij mij bij Allah verzekeren, dat uw blik mij geen kwaad zal doen, ook al valt die op mij?—Ik geef u die verzekering.—Dan wil ik het wagen. Maar ik zeg u, dat mijn vinnigste vervloeking u zal treffen, als gij mij onheil aanbrengt.—Die vervloeking zal mij niet treffen, want mijn oog zal slechts in vriendschap op u gericht zijn en u dus niet schaden.Nu wendde hij zich naar mij toe. Maar de uitdrukking van zijn gelaat getuigde van zoo grooten angst, dat ik er mij ten zeerste in verheugde.—Wat wilt gij van mij?—vroeg hij.—Ik zou een kleine opheldering van u willen hebben, maar eerst u een vriendelijk verzoek willen doen. Het gebruik brengt mee, dat de gastheer het brood met zijn gasten deelt. Gij hebt dan niet kunnen doen, omdat het podagra u verhinderde, naar mij toe....Ik zweeg plotseling, alsof ik eerst nu op zijn beenen lette. Inderdaad had ik terstond bij mijn komst bemerkt, dat de dikke omslagen verdwenen waren.Hij stond recht overeind. De wijde broekspijpen hingen hem in breede plooien om de knieën, en de schrikbewegingen, die hij gemaakt had, waren zoo vlug en heftig geweest, dat er bij hem van eenige pijnlijke aandoening in de beenen geen sprake meer kon zijn. Daarom ging ik na een oogenblik van verbazing, aldus voort:—Wat zie ik! Heeft Allah een wonder gedaan? Is uw krankheid geweken?Hij was met zijn zoogenaamde wonderbare genezing, zóó verlegen, dat ik hem slechts eenige onverstaanbare woorden hoorde stamelen.—En nu hadt gij nog wel angst voor mogelijk kwaad, dat mijn oog u doen zou?—ging ik voort.—Mijn blik brengt, aan die mij goed gezind zijn, niets dan geluk. Ik ben daarvan zóó overtuigd, dat ik uw plotselinge genezing uitsluitend aan mijn oog en aan mijn vriendschap voor u toeschrijf. Wee echter dengene, die kwaad tegen mij in den zin heeft! Mijn blik is voor hem een onuitputtelijke bron van allerlei rampen! Al ben ik op honderden mijlen van hem verwijderd, dan is een enkele gedachte aan hem genoeg, om al het kwade, dat ik hem toewensen, over hem te doen komen.Daarmede had ik hem overvloedige stof voor een uitvlucht gegeven. Hij maakte daar terstond gebruik van, zeggende:—Ja, Effendi, alleen daar kan het door gekomen zijn. Sedert jaren lijd ik aan die Nikris. Nauwlijks waart gij weg of ik bemerkte een onbeschrijfelijk gevoel in mijn beenen. Ik beproefde te loopen, en zie, het gelukte! Nog nooit in mijn leven heb ik mijzoo gezond en sterk gevoeld, als nu. Dat kan alleen uw blik hebben gedaan.—Pas dan op, dat het ook zoo blijft! De verandering uwer gezindheid brengt ook verandering in uw welstand mee. Gij zoudt er dan slechter aan toe zijn dan ooit.—Effendi, waarom zou ik van gezindheid jegens u veranderen? Gij hebt mij niet alleen geen kwaad gedaan, maar genezing aangebracht. Gij zijt mijn vriend en ik de uwe.—Zoo is het en daarom heeft het mij zoo gespeten dat ik onzen maaltijd niet met u heb kunnen deelen. Gij zult echter van ons niet zeggen, dat wij de wetten der beleefdheid en der vriendschap niet kennen. Daarom komen wij om het lekkerste van onzen maaltijd hier te brengen, en u te verzoeken daarvan, in onze tegenwoordigheid te willen genieten. Wij willen toezien en ons van harte verblijden, als gij die heerlijke spijs ter onzer eere opeet. Hadschi Halef Omar, geef ze hier!Halef nam de slip van zijn kaftan, van de ommelet weg, ging naar Habulam toe en bood hem die aan, met de woorden: Heer, neem deze spijs der gastvrijheid, en schenk ons het genot u die te zien eten, en zelfs te mogen toezien, hoe die u smaakt!Er lagen zes doode musschen bovenop. Habulam keek verlegen van den een naar den ander en vroeg:
Elfde hoofdstuk.In den toren der oude moeder.Wij reden door de poortdeur binnen. Naar de beschrijving, ons door den kleermaker gegeven en door den indruk dien het gebouw, van uit de verte, op mij gemaakt had, dacht ik zoo iets als een slot of kasteel te zullen zien. Maar hoe viel dat tegen!Het was wel een lang en hoog gebouw, maar mocht veeleer een bouwval heeten. De ramen keken ons vensterloos aan en het dak was op tallooze plaatsen zonder bedekking. Het pleister van de muren was verdwenen en langs het front van het gebouw lag het poeder waarin de verweerde tegelsteenen waren overgegaan.Wij reden tot voor de hooge dubbele deur, waar ons een kerel ontving wiens lange en smalle galgetronie alles behalve vertrouwen inboezemde.—Dit is Humun, de lijfknecht van den Heer,—zeide de kleermaker.Aha, daar hadden wij al terstond den man, voor wien wij op onze hoede moesten zijn! Hij maakte voor mij een diepe buiging en wees op twee pootige knapen, die achter hem stonden, zeggende:—Effendi, mijn Heer betreurt het zeer dat gij niet kunt loopen. Daarom gaf hij bevel dat deze mannen u naar hem toe zouden dragen. Zij zijn zoo sterk, dat gij u gerust op hen kunt verlaten.Ik steeg van mijn paard. De beide dragers strengelden twee armen en vouwden de vrij zijnde handen zóó, dat die een zitting vormden, terwijl de armen voor leuning konden dienen. Op dien levenden draagstoel gezeten, werd ik, door het voorportaal en twee vertrekken, naar de ontvangkamer gebracht. Mijn makkers volgden mij.De ontvangkamer was redelijk gestoffeerd. Langs de wanden stonden divans. Op een geringe verhooging, tegenover den ingang, zat de zoogenaamde slotvoogd. Naast hem was een dergelijke verhoogde zitplaats, die blijkbaar voor mij bestemd was, en tegenover ons lagen eenige matrassen voor mijn metgezellen.De dragers bleven met mij in de deuropening staan. Onze gastheer boog, zonder op te staan en zeide:—Zijt mij welkom, groote Effendi! Allah zegene uw ingang in mijn huis en doe u vele dagen bij mij blijven! Houd het mij ten goede dat ik u niet staande begroet, maar blijf zitten, maar Nikris (podagra) belet mij u de verschuldigde beleefdheid te bewijzen. Laat u naast mij nederzetten. Uw volgelingen zullen, hier voor ons, uitrusten van hun vermoeienis.Men zette mij naast hem neer en de drie namen tegenover ons plaats.Ik sprak eenige beleefde woorden van dank en verontschuldiging die hij afbrak met de verzekering, dat niet ik hem, maar hij mij dank verschuldigd was.De dragers hadden zich verwijderd, en de lijfknecht bracht pijpen en koffie.In het Oosten is men gewoon den rijkdom van een man te beoordeelen naar zijnrookgerei. Naar dien maatstaf was Murad Habulam een zeer rijk man.De pijp die men mij gaf, en ook die waaruit hij rookte, hadden een roer van echt rozenhout, dat met gouddraad omwonden en met edelgesteente versierd was. De mondstukken verdienden in een museum ten toon gesteld te worden. Het barnsteen was half doorzichtig, wolkrijk, een soort dat in het Oosten veel hooger geschat wordt dan het doorschijnende.De kleine kopjes, waarin de koffie gediend werd en die men, ‘fingans’ noemt, stonden op schotels van filigraan, en toen ik de koffie proefde, moest ik bekennen nog maar eenmaal en wel in Caïro, zoo iets lekkers te hebben gedronken. Ze werd naar Oostersch gebruik, natuurlijk met het fijngestooten bezinksel genoten. Een kopje hield ongeveer vier vingerhoeden in. Ook de tabak was van de fijnste soort. Jammer, dat de pijpekoppen zoo klein waren. Als men ongeveer vijftien trekjes had gedaan, moesten zij opnieuw gestopt worden, waar Humun, ’s meesters lieveling, voor zorgde.Daar de beleefdheid meebracht, dat men zijn gasten niet zoo terstond naar hun omstandigheden vraagt, werden slechts algemeene opmerkingen ten beste gegeven.Toen dit een poos geduurd had, schoof de heer des huizes wat dichter naar mij toe en vroeg:—Hebt gij een goede reis gehad, Effendi?—Allah heeft mij veilig geleid,—antwoordde ik.—Afrit, de kleermaker, zeide mij, dat gij van Sbiganzy waart gekomen.—Ik was sedert gisteren daar.—En voor dien?—InRadowitschen Ostromdscha.—Zoo zijt gij altijd door op reis geweest?—Ja, want wij komen van Edreneh en Stambul.—Van Stambul! Allah heeft het dan wel goed met u voorgehad, dat hij u in de stad van den Padischah heeft laten geboren worden!—Ik ben daar niet geboren. Ik kwam van Damascus over Falesthin (Palestina) daarheen.—Dus zijt ge een Damaski?—Ook dat niet. Ik ben een Frank, een Germani, en ik reisde van uit mijn vaderland naar de groote Sahar (Sahara) om van daar naar Gypt (Egypte) en Belad el arab (Arabië) te gaan.—Allah is groot! Hebt gij zoover moeten reizen? En hebt gij goede zaken gemaakt?—Ik reis niet voor zaken. Ik wil de landen bezoeken en de volken, die er wonen, hun taal en hun zeden leeren kennen. Daarvoor heb ik mijn vaderland voor zoo langen tijd verlaten.Hij zag mij ongeloovig aan.—Daarvoor? Allah! Wat geeft het u of gij al bergen en dalen ziet, de menschen en beesten, woestijnen en wouden? Wat hebt gij er aan, of gij al ziet, hoe men zich kleedt, en hoort, hoe men spreekt?Dat was weer de oude domheid, waarop ik al zoo dikwijls was gestuit. Die menschen kunnen en willen maar niet begrijpen dat men alleen uit belangstelling volken en landen bezoekt. Een handelsreis, een bedevaart naar Mekka, verder gaat hun begrip niet.—Houdt gij van Dschografia (geografie)?—vroeg ik hem.—Veel. Ik lees zulke boeken heel graag.—Wie hebben die boeken geschreven?—Geleerde menschen, die zulke landen bezochten.—En die menschen zijt gij toch zeker wel dankbaar, dat zij die boeken, waaruit gij zooveel leert en die u zoo aangenaam bezig houden, schreven?—Natuurlijk!—Welnu, ook in mijn vaderland zijn menschen, die zulke boeken verlangen. Vele, vele duizenden zijn er, die ze lezen. Er moeten dus ook mannen zijn, die ze schrijven, waarvoor zij eerst verre landen moeten bezoeken. Een zoodanige ben ik.—Gij zijt dus een Ehli Dschografie. Maar ik vraag u nògmaals: wat hebt gij er aan? Gij verlaat uw huis en harem; gij offert alle genoegens van het leven op, om in den vreemde allerlei moeite, honger en dorst te lijden en misschien wel in groot gevaar te komen.—Ja, dat is zeker het geval.—En dan sluit gij u op, om uw oogen met schrijven te bederven, opdat de nieuwsgierige menschen zouden kunnen lezen, wat gij al zoo ondervonden en gezien hebt. Wat hebt gij er toch aan?—Is dan het reizen op zich zelf geen genot?—Neen, het heeft groote moeite.—Gij zoudt dus ook geen hoogen berg beklimmen om de zon te zien ondergaan?—Néén. Daar ben ik te verstandig voor. Waarom zou ik mijn gemakkelijken divan vaarwel zeggen, waarop ik kan rooken en koffie drinken? Waarom zou ik klimmen en dalen, als het mij niet anders geeft dan moe-worden? Dat is toch nergens toe nut. De zon gaat op en onder, ook al ga ik niet boven op een berg zitten. Allah heeft alles heel wijs ingericht, en ik kan door mijn klauteren niet het minste aan zijn raadsbesluiten veranderen of verbeteren.Inderdaad zoo denkt de Moslem. Allah il Allah! Zijn kismet beheerscht alles en allen, en die voorstelling is de oorzaak van hun grenzenloos flegma.—Zoo zoudt gij, alleen om kennis te verkrijgen, niet naar verre landen willen reizen?—vroeg ik.—Neen, beslist neen!—Maar een voordeel heb ik er van. Het voorziet in mijn levensonderhoud.—Hoezoo? Kunt gij bergen eten en rivieren uitdrinken, die gij vindt?—Neen, maar als ik een boek geschreven heb, waarin ik van mijn reizen vertel, dan krijg ik daar geld voor, en dat is mijn inkomen.Nu had ik toch eindelijk iets gezegd dat hij nog zoo dwaas niet vond.—O, zeide hij,—nu begin ik te begrijpen. Gij zijt geen Geograaf, maar een Kitabschi (een boekhandelaar).—Neen, maar de Kitabschi betaalt mij voor wat ik schrijf, daarna drukt hij het af en maakt er een boek van, dat hij aan de lezers verkoopt. Zoo maken wij allebei zaken.Hij bracht zijn vinger aan zijn neus, dacht een oogenblik na en zei toen:—Nu weet ik het. Gij zijt het die de koffie uit Arabië haalt, en de Katabschi is de man die ze verkoopt aan de menschen.—Ja, dat is nagenoeg zoo.—Schrijft gij alles op, wat gij ziet?—Niet alles, maar alleen wat belangrijk is.—Maar wat is belangrijk?—Wat mijn denken en mijn gevoel meer dan gewoon bezig houdt.—Bij voorbeeld, als gij een bizonder goed mensch ontmoet?—Ja, die komt in mijn boek.—Of een ergen deugniet?—Ook dien beschrijf ik, opdat de lezers hem zouden kennen en verafschuwen.Hij trok een bedenkelijk gezicht. De zaak begon hem gevaarlijk te worden.—Hm!—bromde hij. Dus goeden en slechten worden door u in het land bekend?—Zeker.—Noemt gij ook hun naam in uw boek?—Stellig.—Wie en wat zij zijn en de plaats en het huis, waar zij wonen?—Heel nauwkeurig zelfs.—Wat zij gedaan hebben en wat gij met hen hebt gesproken en over hen hebt hooren zeggen?—Dat allemaal.—Allah, Allah! Gij zijt dan een groote verrader! Men moet bang voor u zijn.—Goede menschen hebben van mij niets te vreezen. Integendeel, men zal ze overal prijzen, want mijn boeken worden in alle talen overgebracht. De slechten krijgen echter hun loon, als zij overal bekend en aan de verachting prijs gegeven worden.—Zult gij ook over Sbiganzy schrijven?—Zeer veel zelfs, want ik heb daar zeer veel ondervonden.—Misschien schrijft gij dan ook wel over Kilissely?—Ongetwijfeld, want Kilissely is te mooi, dan dat ik het zou vergeten.—Wat zult gij er van zeggen?—Dat weet ik nog niet. Ik moet eerst afwachten, wat ik hier zie, hoor, beleef en ondervind. Maar dat gijprachtigepijpen hebt en de lekkerste koffie, die ik ooit heb gedronken, dat zal ik van u roemen en prijzen.Hij keek zwijgend voor zich, en gedurende eenige oogenblikken sprak geen onzer. Ik had hem, vanaf het oogenblik, dat ik binnen gekomen was, goed opgenomen. De man kwam mij zoo bekend voor. Waar had ik dat gezicht meer gezien?Hij maakte op mij niet den indruk van een rijk man te zijn. Zijn tulband-doek was oud en vuil en zijn kaftan eveneens. Van zijn beenen zag ik slechts dat zij dik omzwachteld waren, van wege het podagra. Desniettegenstaande waren zijn voeten niet omwonden maar bloot, en staken in oude dunne afgesleten pantoffels.Hij was evenwel zeer lang en mager. Zijn gelaat getuigde in diepe groeven, niet van ouderdom, maar van uitspatting. Zijn scherpe trekken, de kleine, iemand doorborende, cynische oogen, die sterk ontwikkelde kin, die breede, aan de hoeken neergetrokken mond, dat alles bijeengenomen maakte geen aangenamen indruk. Hij was integendeel het type van een gierigaard, wiens gedachten altijd loeren op het bijeenschrapen van geld, zonder er zich over te bekommeren hoe het verkregen werd.—Ik hoop—zeide hij eindelijk,—dat het u bij mij zal bevallen en gij veel goeds van mij schrijven zult.—Dat zal ik zeker. Gij hebt mij zoo vriendelijk en gastvrij ontvangen, dat ik alle reden heb om u dankbaar te zijn.—Ik zou u nog heel anders ontvangen hebben en u ook beter hebben laten verzorgen, maar mijn vrouw is van huis, en ik kan mij niet bewegen. Ik heb aan beide beenen veel te lijden van de Nikris. Die heb ik in den oorlog opgedaan.—Gij waart dus militair? Officier?—Ik had een veel hoogeren en beteren rang. Ik wasAsker zagredschiji(leverancier van het leger), en heb voor de kleeding en voeding van des Sultans helden gezorgd.Aha, hij was dus de aannemer van het leger geweest! Onwillekeurig dacht ik aan de arme, half naakte en uitgehongerde soldaten, wier lijden deze leveranciers zoo rijk had gemaakt.—Dan hadt gij een zeer gewichtig ambt en genoot gij wel het vertrouwen van den Grooten Heer!—Ja, dat is zoo!—zei hij trotsch. De leverancier is eigenlijk de man die de veldslagen wint; hij leidt de strijders tot de overwinning. Zonder hem is er geen moed, geen dapperheid, maar slechts honger, ellende en ziekte. Het vaderland heeft veel, zeer veel aan mij te danken.—Zal ik dat ook in mijn boek vermelden?—Ja, ik bid u, doe dat. Hebt gij over ons land en over de onderdanen van onzen Sultan veel goeds te schrijven?—Zeer veel,—antwoordde ik kortaf, want ik bemerkte dat hij op het onderwerp wilde overgaan, dat voor hem het gewichtigste was.—Misschien ook wel veel wat niet te prijzen is?—Ook dat; er zijn overal goede en slechte menschen.—Hebt gij van dat laatste soort er veel bij ons aangetroffen?—Ja, vooral in den laatsten tijd en vooral in deze streken.Hij schoof heen en weer. Op dit thema had hij willen komen.—Dan zullen de lezers van het boek dat allemaal te weten komen.... Ik zou dat boek wel eens willen hebben.—Dat zoudt gij toch niet kunnen lezen, want het is niet in uw taal geschreven.—Maar dan kondt gij er mij toch wel een en ander uit vertellen.—Misschien later, als ik eerst wat geslapen heb.—Dan zal ik u wijzen, waar gij overnachten zult. Maar zoudt gij mij er niet eerst wat van willen vertellen?—Ik ben werkelijk zeer moe; maar om u te toonen dat ik voor mijn gastheer wil doen wat ik kan, zal ik door mijn metgezel Halef Omar een kort verhaal laten doen van wat wij in den laatsten tijd hebben doorgemaakt.Dat Halef vertellen mocht, was hem zeer naar den zin, maar het stak hem dat Murad Habulam, onze gastheer, hem van uit de hoogteaanzag en half gebiedend zeide:—Dat hij beginne, ik hoor.—Ik wist wat er komen zou.—Veroorloof mij u eerst te zeggen wie zoo goed zal zijn tot u te spreken, zoo begon hij. Ik ben Hadschi Halef Omar Ben Hadschi Abul Abbas Ibn Hadschi Dawuhd al Gossarah. Mijn beroemde stam rijdt de beste Hassi-Ferdschahn merries der woestijn, en de krijgers mijner Ferkah dooden den leeuw met hun lans. De overgrootvader van mijn overgrootvader reed met den Profeet in den slag en de stamvader van dezen held heeft met Abram, den vader van Isaac watermeloenen gegeten. Is uw stamboom even zuiver en oud?—De rij mijner voorvaderen is niet minder groot,—antwoordde Habulam wel eenigszins verlegen.—Dat is gelukkig voor u, want niet hij is een man van beteekenis, die fijne pijpen heeft en kopjes, maar die wijzen kan op een reeks van roemrijke voorouders. In het Paradijs wachten helden, wier geliefde nakomeling ik ben, op mijn komst. Niet een ieder vereer ik met mijn verhalen, maar omdat mijn vriend en Heer, de Hadschi Effendi Kara Ben Nemsi Emir het wenscht, daarom zal ik verhalen, maar verlang ook dat gij met opmerkzaamheid mij aanhooren zult.Dat alles kwam er zoo rustig uit, alsof hij er zelf bij was geweest toen de veronderstelde stamvader met Abram zijn watermeloenen at! Hij deed alsof hij onzen gastheer een groote genade bewees met hem wel zijn verhaal te willen doen.Nu gaf hij in goedgekozen woorden een kort verslag van hetgeen ons in de laatste dagen overkomen was. Geen jurist had het beter kunnen doen dan mijn Halef. Geen syllabe kwam hem over de lippen, die den ex-leverancier kon doen vermoeden dat wij wisten wat vleesch wij aan hem in de kuip hadden. Ik had inwendig plezier in den tact, waarmede hij zijn rol speelde, en knikte hem goedkeurend toe, nadat hij het verhaal had gedaan en mij vragend aankeek om te weten of ik over hem tevreden was.Murad Habulam deed, alsof hij een en al verwondering was. Hij legde zijn pijp weg, wat voor een Muzelman iets buitengewoons is, sloeg de handen in elkaar en riep:—O Allah, Allah, zend toch uw wrekers op aarde, opdat zij die boosdoeners, wier misdaden ten hemel schreien, door het vuur van uw toorn verdelgen! Moet ik gelooven, wat ik hoorde? Neen, ’t is niet te gelooven!Hij bleef als in verwondering verzonken, nam zijn rozenkrans en liet de paarlen door zijn magere vingers glijden, alsof hij bad. Eindelijk hief hij plotseling het hoofd op, zag mij onderzoekend aan en vroeg:—Effendi, bevestigt gij de woorden van dezen Hadschi?—Woord voor woord.—Men heeft u dus bijna elken dag trachten te dooden?—Zoo is het.—Gij zijt dus die moordenaars zoo gelukkig ontkomen? Gij moet wel bizondere lievelingen van Allah zijn!—Volgens die redeneering waren dan die moordenaars, lievelingen van Allah, indien hun plannen gelukt waren?—Neen, maar uw dood stond dan in het boek des levens geschreven, en wat daar staat, kan zelfs Allah niet veranderen. Dat is Kismet.—Welnu, dan wil ik hopen, dat het het Kismet zij van deze schurken, om nog hier op aarde hun welverdiende straf te moeten ontvangen.—Dat hebt gij in uw hand gehad, maar gij hebt hen gespaard.—Ik wilde hun rechter niet zijn.—Vertelt gij dat nu allemaal in uw boek? Van den Shoet, van de Aladschy’s, van Manach el Barscha, Barud el Amasat, en van den ouden Mubarek?—Ik noem ze allemaal.—Dat is voor hen een verschrikkelijke straf. En gelooft gij dat gij hen nog weer ontmoeten zult?—Zeer zeker, want zij vervolgen mij. Hier in uw huis ben ik mooi veilig en dat dank ik u en den goeden Afrit, mijn gids. Maar morgen, als wij verder trekken, dan zullen die boosdoeners ons weer overvallen.—Gij zult mijn huis toch de schande niet aandoen van er maar een enkelen nacht te blijven.—Ik zal er over denken. Overigens is het naar uw overtuiging, van eeuwigheid af in het boek des levens geschreven, hoelang ik in uw huis vertoeven zal. Niet een van ons kan daar verandering in brengen. Ja, zelfs Allah kan dat niet.—Dat is zoo. Maar ik hoop dat het licht uwer oogen mij nog langen tijd zal bestralen. Ik voel mij zeer eenzaam en verlaten hierin mijn huis, en gij zult mij opvroolijken en mij het lijden mijner voeten doen vergeten, indien gij heel lang bij mij blijft.—Ook mij zou het aangenaam zijn, wanneer ik nog lang van uw gezelschap zou kunnen genieten. Gij moet vele en groote reizen ondernomen hebben?—Wie heeft dat gezegd?—De kleermaker.Ik zag aan zijn gezicht, dat de kleermaker mij dat voorgelogen had. Toch antwoordde hij:—Ja, toen ik nog goed ter been was, heb ik de steden en dorpen van vele landen bereisd.—En straks hebt gij gezegd, dat gij zelfs geen berg zoudt willen bestijgen om de zon te zien opgaan!—Nu niet, om mijn beenen,—zeide hij om zich te verdedigen.—Waarom, als gij podagra hebt, laat gij uw voeten bloot ofschoon gij uw beenen omwikkelt?Ik zag hem, bij die vraag, scherp aan. Hij werd verlegen. Zou hij om de een of andere reden podagra voorwenden en niet hebben?—Omdat ik de ziekte in mijn beenen heb en niet in de voeten, beweerde hij.—Gij hebt dus geen pijn in uw grooten teen?—Neen.—En die is ook niet gezwollen?—Die is gezond.—Hoe staat het ’s avonds met de koorts?—Ik heb nog nooit koorts gehad.De man verried zich, want als die kenteekenen zich bij hem niet voordeden, had hij ook het podagra niet. Hij wist in geen enkel opzicht, welke verschijnselen met podagra gepaard gingen. Ik wist nu, wat ik aan hem had. Om het gesprek ook nog op de bibliotheek te brengen, die mijn gastheer, volgens Afrit had, vroeg ik hem:—In uw lijden en in uw eenzaamheid zult gij wel veel afleiding en verpoozing vinden bij de vele boeken, die in uw bezit zijn.—Boeken?—vroeg hij verwonderd.—Ja, gij zijt een zeer geleerd man en gij bezit een menigte handschriften, waarom gij te benijden zijt.—Wie zegt dat?—Ook de kleermaker.Blijkbaar had onze gids ook dit verzonnen om mij daarmee te zekerder in de val te lokken. Habulam begreep dit, en zeide daarom:—Heer, mijnbibliotheekis bij lange na niet van zooveelbeteekenisals gij wel denkt. Voor mij is die voldoende, maar voor een man als gij is ze onbeduidend.—Toch hoop ik die bij gelegenheid te mogen zien.—Met alle genoegen, maar nu niet. Gij zijt vermoeid, ik zal u uw vertrekken laten wijzen.—Waar zijn die?—Niet hier in huis, want daar zoudt gij te veel rumoer hooren, om rustig te kunnen slapen. Ik heb daarom voor u deKulle jaschly Anajain orde laten brengen; daar zijt gij vrij en met elkaar.—Zoo als gij het schikt, is het mij goed. Maar waarom heet dat gebouw de toren van de oude moeder?—Dat weet ik zelf niet. Men zegt, een oude vrouw is na haar dood, meermalen weergekomen en stond dan ’s avonds in lijkwa op de zoldering, om van daaraf haar kinderen te zegenen. Gelooft gij aan spoken?—Neen.—Dan zult gij voor de oude vrouw ook wel niet bang zijn?—Geen oogenblik! Maar komt zij tegenwoordig nog wel eens te voorschijn?—De menschen zeggen van ja en gaan daarom ’s nachts nooit naar den toren.Waarom zeide hij mij dat? Als het in den toren niet pluis was, moest dat voor mij een reden zijn om in den toren niet te willen overnachten. Misschien ook wilde iemand ons verraderlijk, als spook gekleed, besluipen, en van zijn misdaad de oude vrouw de schuld geven,—een zeer kinderachtige gedachte, die alleen in het hoofd van zulke domme menschen kon opkomen.—Wij zullen heel graag eens een spook zien, om het te vragen, hoe het er in het doodenrijk uitziet,—verzekerde ik hem.—Zoudt gij daar den moed toe hebben?—Zeker.—Maar gij zoudt van een slechte reis kunnen komen. Hij, die met een geest spreekt, kan er het leven bij inschieten.—Dat geloof ik niet. Allah zal geen verdoemde veroorloven, deellende der hel te verlaten, om op aarde voor pleizier wat te gaan wandelen. En goede geesten behoeft men niet te vreezen. De als spook verkleeden gaan wij eenvoudig te lijf. Wees nu zoo goed ons naar den toren te laten brengen.—Gij zult door een deel van den tuin moeten gaan, en ik denk dat gij dien met groot genoegen zult zien. Hij kost mij veel geld en is zoo prachtig als het park der gelukzaligen achter den ingang van het eerste Paradijs.—Dan spijt het mij dat ik van uw aanbod geen gebruik kan maken, want het is mij onmogelijk door de lanen te wandelen.—Dat behoeft u niet te beletten den tuin te zien. Gij behoeft niet te loopen, gij kunt rijden. Mijn vrouw is ook slecht ter been. Daarom heb ik voor haar een wandelstoel laten maken, waarop zij zich laat rijden. Zij is op het oogenblik niet thuis, en gij kunt dus gebruik maken van haar stoel.—Dat is voor mij een heerlijke uitkomst.—Ik zal den stoel terstond laten halen. Humun zal u rijden en u verder bedienen.Die knaap moest ons ook in het oog houden, zoodat wij niets zouden kunnen doen, zonder dat het opgemerkt werd. Daarom antwoordde ik:—Ik mag u van de hulp van uw lijfknecht niet berooven en ben gewoon mij door mijn metgezellen te laten ondersteunen.—Dat kan ik niet toelaten. Zij zijn even goed mijn gasten als gij, en het zou strijden met de wetten der gastvrijheid, indien ik hen eenig werk liet doen. Verzet u dus niet tegen wat ik voorstelde. Humun heeft in last om alles te doen wat gij hem opdraagt en altijd bij u te zijn.Altijd bij ons zijn! Dat wilde zeggen, wij waren onder zijn toezicht gesteld. Hoe zou ik van dien man af komen?Hij bracht den stoel, ik zette mij er in en nam afscheid van onzen gastheer. Humun reed mij naar buiten en mijn metgezellen volgden.Wij kwamen, door de breede gang van het hoofdgebouw, allereerst op een binnenplaats, die als algemeene mestvaalt scheen gebruikt te worden. Aan twee kanten stonden lage zadelvormige gebouwen die met stroo waren gevuld. De vierde zijde was bezet met stallingen, waartusschen een doorgang naar den tuin.Deze zoogenaamde tuin was inderdaad een grasveld, waarop eenmenigte schelven stonden. Daarop volgden dan eenige bedden met groenten, waartusschen enkele bloemen. En dat moest ’de lusthof der gelukzaligen’ verbeelden! Als de Profeet dien aangelegd had, ten genoegen van zijn geloovigen, dan moest hij van hun smaak eene armzalige voorstelling gehad hebben.Toen wij die bedden voorbij waren, stonden wij weer voor een grasveld, dat grooter was dan het vorige. Ook hier waren vele mijten van hooi en allerlei graansoorten. Eindelijk zagen wij den ’toren der oude moeder’.Het was een rond, zeer oud gebouw, vrij hoog opgetrokken, en vier ramen over elkaar. In de ramen waren, zooals gewoonlijk, geen vensters. De deur stond open.De benedenverdieping bestond uit eene enkele ruimte, waarin een vrij gebrekkige trap, die naar de bovenverdieping leidde. Ik zag dat er matten langs den muur waren gelegd, met matrassen er op, en eenige kussens. In het midden dier ruimte lag op een laag onderstel, een plank die voor tafel moest dienen. Meer ameublement was er niet.—Dit verblijf is ter uwer beschikking, Heer,—zeide Humun, nadat hij mij binnen gebracht had.—Zijn hier dikwijls gasten?—Neen. Deze kamer is de beste die wij hebben, en mijn gebieder wil u daarmee toonen, hoezeer hij uw komst op prijs stelt.—Zijn er nog vertrekken boven ons?—Nog twee verdiepingen, en daarop volgt het terras voor het vergezicht; maar zij zijn ongemeubeld, omdat er nooit iemand logeert.De muur van ons vertrek zag er uit, alsof kleine aardbevingen de steenen van tijd tot tijd in de voegen deden verschuiven.De muren waren niet gekalkt; ook was er geen schoorsteen. Het was een hok, meer niet.Onderweg was ik op een gedachte gekomen, hoe ik Humun weg kon krijgen. Wij waren een arbeider tegengekomen, die afzichtelijke leepoogen had. Daardoor had ik mij onwillekeurig herinnerd, dat bijna alle Oosterlingen aan den “boozen blik” gelooven. De Italianen noemen dat “Jettatura”.Wanneer iemand, die den “boozen blik” heeft, bij toeval een ander scherp fixeert, verdenkt men hem al gauw een Jettatore te zijn. Zoo iemand wordt dan door een ieder gemeden.Om kinderen tegen den boozen blik te beschermen, bindt men ze een rood lintje om den hals of hangt ze een rood kraaltje om, dat den vorm van een hand heeft.Volwassenen kennen maar één middel, om zoo’n boozen blik af te weren. Dat doen zij, door hun hand, met uitgespreide vingers, tegen het booze oog op te heffen. Die dat doet en dan terstond wegloopt, ontkomt aan de doodelijke gevolgen der Jettatura.—Dit vertrek is mij goed genoeg, alleen zou ik, voor van avond, een lamp willen hebben.—Ik zal die meebrengen, tegelijk met het avondeten. Verlangt u ook nog iets?—Ja, water. Meer hebben wij voor het oogenblik niet noodig.—Ik ga het terstond halen, en hoop dat gij met mijn prompte bediening tevreden zult zijn. Zulke Heeren als gij, moeten vlug geholpen worden. Ik heb gehoord wat gij mijn meester verteld hebt. Van mijn hoogachting en toewijding kunt gij verzekerd zijn. Ik heb inwendig gebeefd, toen ik hoorde in wat gevaren gij geweest zijt. Allah heeft u in zijn bizondere bescherming genomen, anders waart gij al lang verloren geweest.—Ja, Allah heeft er ons altijd uit geholpen. Hij heeft mij een bizondere kracht geschonken die mij altijd behoedt, zoodat geen vijand mij kan overwinnen.Zijn nieuwsgierigheid was terstond opgewekt.—Wat is dat, Heer?—vroeg hij gluiperig.—Iets in mijn oogen.—Iets in uw oogen! Hoezoo?—Kijk mij eens flink met opgeslagen oogen aan.Hij deed het.—Welnu, bemerkt gij nog niets?—Neen, Effendi.—Is er niets in mijn oogen dat u opvalt?—Volstrekt niets.—Dat is juist het bizondere, dat men niets aan mij zien kan, en toch behoef ik mijn vijanden maar aan te zien, dan zijn ze verloren.—Wat gebeurt ze dan, Heer?—Dan gelukt hun nooit meer iets, hun leven lang. Hij, dien ik aankijk, is aldoor en in alles ongelukkig, namelijk als ik wil.De blik van mijn oog volgt hem tot in den dood. Zijn leven behoort mij voortaan toe; ik behoef slechts aan hem te denken en hem iets kwaads toe te wenschen, dan overkomt het hem ook.—Heer, is dat waar?—vroeg hij haastig en verschrikt.—Hebt gij misschien denKem Bakyschin uw oogen?—Ja, ik heb den boozen blik, maar gebruik dien alleen tegen die mij kwaad willen doen.—Allah zij mij genadig! Ik wil niets meer met u te maken hebben. Allah, w’ Allah!Hij strekte alle tien zijn vingers tegen mij uit, maakte rechtsom keert, en liep in allerijl weg. Mijn vrienden barstten in een onbedaarlijk gelach los.—Dat hebt gij mooi gedaan, Sihdi,—viel Halef in. Die man laat zich niet weer zien, hij heeft een kwaad geweten. Wij krijgen nu gelukkig een ander om ons te bedienen.—Ja, en wel hoogstwaarschijnlijk hem, dien ik wensch, namelijk Janik, de aanstaande man van dat jonge Christen-meisje.—Waarom denkt gij dat?—Omdat Humun hem alles kwaads toewenscht om Anka. Hij zag hem liefst dood gaan, en zal het nu wel zóó inrichten, dat Habulam onze verzorging aan zijn gehaten medeminnaar opdraagt. Maar help mij nu eerst op mijn matras en ga dan op verkenning uit. Wij moeten weten, hoe het er in dezen toren uitziet.Toen ik het mij op mijn matras gemakkelijk gemaakt had, klommen de drie anderen naar boven, maar kwamen al spoedig terug. Halef berichtte:—Ik geloof niet, dat hier eenig kwaad tegen ons ondernomen kan worden. De beide vertrekken boven ons, zijn volkomen zoo als dit.—Zijn er blinden aan de ramen, zoo als hier?—Ja, en ze kunnen met sterke houten sluitboomen vast gemaakt worden.—Wij kunnen er dus voor zorgen, dat van nacht niemand ons besluipt, zonder leven te maken. En hoe is het heelemaal boven?—Daar is een rondom open ruimte, door een ballustrade omgeven en gedekt door een dak, dat op vier steenen pilaren rust.—Dat heb ik van buiten af ook gezien. In allen geval is daar de oude op gekomen om haar kinderen te zegenen.—Maar dat zal zij nu wel niet meer kunnen, want de vroegere opening is dichtgemetseld,—verzekerde Halef.—Dat dichtmetselen moet toch zijn reden hebben. Hoe komt men dan nu op dat terras om van het mooie vergezicht te genieten? Daar het rondom open is, kan het niet anders of er moet regen op vallen, waar blijft dat water? Loopt dat de trap af, in de vertrekken er onder en hier? Naar buiten kan het niet. De ballustrade belet dat. Er moet dus een afwatering zijn.—Ja, die is er. De trap-opening op het terras wordt gesloten met een deksel dat men er afnemen kan. De dekselrand en die van de trapopening zijn van gom-elastiek voorzien en sluiten waterdicht. De vloer van het terras glooit van uit het midden naar den muur, en daarin is een gaatje waardoor het water afloopen kan.—Hm! Die open terraskamer komt mij gevaarlijk voor. Men kan er van buiten af op en zoo bij ons komen.—Daarvoor is het terras te hoog.—Toch niet. Deze kamer is zoo laag, dat ik rechtop staande met mijn hoofd tegen de zoldering stoot. Wanneer de twee boven ons liggende vertrekken van dezelfde hoogte zijn, dan is de bedoelde vloer hoogstens zeven en een halven meter hoog. Reken ik nu nog een meter voor de balustrade, dan is de heele hoogte acht meter vijftig.—Men zou een Merdiwan (een ladder) daarvoor noodig hebben, maar die zullen ze hier wel bij de hand hebben.—Dat zou ik wel denken. Maar het trapluik kan toch wel goed gesloten worden?—Neen.—Het is dus zoo duidelijk als tweemaal twee vier, dat de weg naar hier voor onze vijanden, die natuurlijk een ladder hebben, open ligt. Of zijn de lagere zolderingen soms te sluiten?—Neen.—Ook dat niet! Wij kunnen dus op een mogelijk bezoek rekenen, dat wel eens slecht voor ons kon afloopen. Ik moet zelf den toestand opnemen. Osko, kunt gij mij op uw schouders naar boven dragen?—Ja, Heer, ga er gerust op zitten, ik zal bukken.Ik ging als te paard op zijn schouders zitten en hij droeg mij naar boven.Iedere verdieping in den toren was juist als ons vertrek. In de vloeren waren openingen, waardoor de trap liep. Deze openingen hadden geen sluiting, behalve die onder het dak, waarvoor het sterke zware deksel diende, dat men, door de gummi-banden, waterdicht afsluiten kon. De gording, onder het dak, was anderhalve meter hoog, zoodat tusschen de zuilen, waarop het dak rustte, een opening was, waardoor men prachtige vergezichten had over velden en rijen van vruchtboomen.Bovendien liep er, boven langs den toren, een balkon. Het was gevaarlijk zich daar buiten op te begeven, en dat zal wel de reden geweest zijn, waarom die toegang dichtgemetseld was.Hier school voor ons het gevaar. Met een ladder kon men naar boven komen en drie trappen afgaande, was men in ons vertrek. Wilden wij dat verhinderen, dan moesten wij die dak-afsluiting zoodanig van binnen verzekeren, dat zij van buiten niet kon geopend worden.Het vergezicht was echter in een droevig waas gehuld. Reeds gedurende het laatste uur van onzen rit hadden wij wolken zien drijven, die nu den ganschen horizon dekten en aldoor zich uitspreidden.Nauwlijks waren wij in de voor ons bestemde kamer terug, of er kwam een flinke sterkgebouwde jongeman bij ons, met twee vaten drink- en wasch-water. Met zijn open en vriendelijken blik keek hij ons onderzoekend aan.—Sallam!—klonk zijn heldere stem. Mijn Heer zendt mij om u water te brengen, Effendi! Het eten zal weldra klaar zijn.—Waarom komt Humun niet?—Zijn heer heeft hem noodig.—En hij heeft ons juist het tegendeel gezegd!—De beenen begonnen pijn te doen, toen had hij zijn knecht noodig.—Dus komt gij ons bedienen?—Ja Heer, tenzij u het anders wenscht.—Ik zie u liever hier dan Humun. Gij zijt Janik, de aanstaande man van Anka?—Ja Heer. Gij hebt haar veel gegeven. Zij heeft het geld nageteld, toen zij thuiskwam. Zij zendt het u terug, want gij moet u vergist hebben. Zóó veel hebt gij haar zeker niet willen geven.Hij reikte mij het geld toe.—Ik neem er niets van terug, want ik wist hoeveel ik haar gaf. Het is voor Anka.—Maar dat is toch te veel, Heer!—Neen. Misschien krijgt gij ook wel zooveel, als ik over u tevreden ben!—Ik verlang geen Bakschisch, Heer. Wel ben ik arm, maar ik zal u gaarne bedienen, ook zonder fooi. Anka heeft mij gezegd dat gij ook van ons geloof zijt en bovendien den Heiligen Vader in Rome gezien hebt. Daarom doe ik gaarne alles waarmee ik u van dienst kan zijn.—Gij zijt een brave jongen, en als ik u met iets kan helpen, doe ik dat gaarne. Is er soms iets, dat gij wenscht?—Het eenige, dat ik wensch, is zoo spoedig mogelijk Anka mijn vrouw te kunnen noemen.—Zorg dan dat gij zoo spoedig mogelijk de duizend piasters bijeen hebt.—Aha, Anka heeft gebabbeld! Maar wat dat betreft, ik heb mijn duizend piasters al haast bijeen. Anka is echter met de hare nog lang zoo ver niet.—Hoeveel ontbreken er nog aan uw spaarpot.—Nog twee honderd.—Hoe lang moet dat duren, voor gij die bijeen hebt?—Nu, daar zal ik nog wel twee jaren voor noodig hebben. Ik moet geduld hebben. Stelen mag ik niet, en Habulam geeft maar heel weinig loon.—Wat zoudt gij zeggen, als ik u die twee honderd piasters gaf?—Maar, Heer, dat kunt gij toch niet meenen!—Met iemand, die het zoo ernstig meent als gij, spreek ik ook in ernst. Ik wil u dat geld geven, en dan kunt gij uw Anka helpen sparen. Kom hier, daar is het.Het waren ongeveer vierentwintig gulden. Ik gaf ze hem gaarne, want hij was een eerlijke oprechte jongen, en ook was het niet mijn geld, dat ik gaf. Hij was ontzettend blij; alleen kon hij niet begrijpen, dat een vreemde hem, zonder dat hij er iets voor doen zou, zooveel geld gaf. De eigenlijke reden zei ik hem natuurlijk niet. Mijn doel had ik echter bereikt, want ik had in Janik iemand gewonnen, dien ik volkomen kon vertrouwen en ons met al wat hij kon, zou bijstaan.Hij gaf een ieder van ons de hand, met de verzekering, dat hij alles zou doen om onze tevredenheid te verdienen.Ik begon hem nu voorzichtig over zijn heer uit te hooren, en ik kwam het navolgende te weten:Habulam was de broeder van Manach el Barscha, den wegens verduistering voortvluchtigen ontvanger der belasting. Daarom was mij het gezicht van Habulam zoo bekend voorgekomen, want hij geleek sprekend op zijn broer. Manach kwam dikwijls bij zijn broer, en verschool zich, omdat hij hier te bekend was, alsdan in de groote koornschelf, die het dichtst bij onzen toren stond. Deze schuilplaats moest voor de knechten een geheim blijven, maar dezen kenden dat reeds lang. Natuurlijk zwegen zij er over. Ook had Habulam aan Janik gelast, om zooveel mogelijk bij ons te blijven en hem alles over te brengen wat wij onder elkaar mochten praten.—Als hij er naar vraagt,—zeide ik,—zeg hem dan dat gij ons niet verstaat, want dat wij in een vreemde taal spreken, die gij niet kent.—Dat zal wel het best zijn. Nu moet ik echter weg, want het eten zal klaar zijn.Toen Janik ging, liet hij, zooals ik hem gezegd had, de deur openstaan, opdat ik de gevaarlijke koornschelf op mijn gemak zou kunnen bezien. Deze was van een tamelijken omvang, en juist tegenover ons; ook merkte ik onderaan een plek op, die iets afweek van de omgeving. Daar was ongetwijfeld de ingang. Boven uit den top van het trechtervormige dak stak een stok, waarin zich een stroowisch bevond, die misschien wel dienen moest om geheime teekens te geven.Janik kwam al spoedig terug, met een groote mand. Hij zette het eten op tafel. Het bestond uit maïsbrood, koud vleesch en een warme verleidelijk riekende ommelet (Jumurta jemeki).—Heer,—zeide hij,—Anka heeft mij toegefluisterd, dat gij u voor deJumurta jemekiin acht moest nemen.—Heeft zij iets opgemerkt dat haar verdacht leek?—Onze Heer heeft zelf er alles voor klaargemaakt, maar Anka eerst weggestuurd. Ze heeft echter door een kiertje gekeken en gezien dat hij het peperhuis metSytschan zehiri(rottekruid) uit zijn zak haalde.—En was hij nu ook nog in de keuken?—Ja, hij vroeg mij, waarover gij gesproken hadt, en ik antwoorddezooals gij mij gezegd hadt. Toen gelastte hij mij, erg vriendelijk tegen u te zijn en zooveel mogelijk met u te praten, opdat gij mij zoudt moeten antwoorden en misschien lust zou krijgen een gesprek met mij aan te knoopen. Hij heeft mij vijf piasters (60 cts.) fooi beloofd, voor als ik alles goed deed.—Hebt ge soms lust om uw ziel voor vijf piasters aan den duivel te verkoopen?—Voor geen duizend! Maar Anka laat u zeggen, dat gij zonder zorg van het vleesch en het brood kunt eten.—Dan zullen wij haar raad opvolgen. DeJumurta jemekizal ik terstond de musschen eens laten proeven.Wat keurige kamer wij hadden, blijkt uit het feit dat ons vertrek tot toevluchtsoord en onderdak van eenige musschen diende. Er waren enkele steenen uit de muren gevallen en in de daardoor ontstaan zijnde gaten bevonden zich de nesten van die brutale proletariërs, die niet eens zooveel gevoel, voor wat gebruikelijk was, bezaten, dat ze behoorlijke nesten maakten.Die vroolijke musschen schenen voor ons in ’t geheel niet bang te zijn, want zij vlogen onophoudelijk in en uit, en zaten, van uit hun nest, zoo onbeschaamd mogelijk, te kijken.Ik gooide eenige stukken van de ommelet in een hoek, en de vogels vlogen er op af, om er duchtig om te kibbelen. Of ze het eten hadden zien binnendragen, weet ik niet, maar wel zag ik dat nagenoeg alle tafelschuimers present waren. Het was buiten al mooi donker geworden, en een gerommel van uit de verte verkondigde ons de nadering van onweer.—Breng ons een lamp,—zeide ik tot Janik,—en maak van die gelegenheid gebruik, om aan uw meester te zeggen, dat wij alle luiken dicht zullen maken!—Waarom?—Ja, dat zal hij wel vragen. Zeg hem, dat wij de spokende oude moeder het binnenkomen willen beletten.Toen hij zich verwijderd had, klommen mijn vrienden vlug naar boven om de luiken ter dege te sluiten. Nauwelijks was dit gedaan of Janik kwam terug met een steenen lamp, waarin zóó weinig olie was dat ze binnen het uur moest uitgaan.—Waarom brengt gij ons zoo weinig olie?—vroeg ik.—Mijn Heer zei, gij zoudt wel spoedig gaan slapen. Maar Ankais ook niet dom! Zij heeft mij tersluiks dit fleschje meegegeven.Hij haalde het fleschje uit zijn zak. Er was olie genoeg in, en hij gaf het mij.—Dat is niet enkel gierigheid,—zeide ik. Onze gastheer Wil ons in ’t donker laten zitten; dan is men hulpeloos.Een angstig gepiep en gesjilp deed mij naar de musschen kijken. Zij zaten met opgestoken veeren in hun nest, en het was duidelijk dat zij pijn hadden. Een vladderde uit zijn nest en viel op den grond, waar hij nog een paar malen met zijn vleugels sloeg en zich daarna niet meer bewoog. Hij was dood.—Zoo gauw!—zeide Halef. Die schoft moet een geduchte portie vergift in de ommelet gedaan hebben!—Er is ook heel wat voor noodig om vier sterke mannen metrottekruidte vergiftigen. Met ons zou het zeker niet zoo gauw gedaan geweest zijn, als met een musch. Dat mensch is niet alleen duivels slecht, maar ook verbazend dom. Hij moet gedacht hebben dat wij even gauw zouden bezwijken als die vogels, en dus geen tijd meer zouden hebben om ons te wreken.Er lagen nu reeds meer vogels dood op den grond. De arme diertjes gingen mij wel aan het hart, maar ik had ze moeten opofferen om zekerheid te krijgen.—Wat zult gij nu met de ommelet doen, Sihdi?—vroeg Halef. Zullen wij naar Habulam gaan en hem met zweepslagen dwingen zijn eigen ommelet op te eten?—Het eerste gedeelte van uw voorstel neem ik aan, maar het laatste niet. Wij gaan terstond naar hem toe en nemen de ommelet mee, netjes gegarneerd met de doode vogels.—Heer, doe dat niet,—bad Janik,—want dan loopt het slecht met mij af, omdat hij zal denken dat ik u gewaarschuwd heb.—Daarin zullen wij hem te vlug af zijn. Wij zullen doen, alsof gij van ons een stuk hadt gekregen en opgegeten, zoodat gij nu van de pijn ligt te krimpen. Kunt gij dat veinzen en u goed houden, als hij soms komt kijken?—Ik denk wel van ja.—Laat dan de rest maar aan mij over. Kunt ge mij ook zeggen, waar wij Habulam zullen vinden?—In zijn kabinet achter de ontvangkamer (Selamluk), waar gij met hem gezeten hebt. Gij ziet de deur terstond. Is hij niet daar,dan is hij in de keuken; want Anka vertelde mij, dat hij er bij wilde zijn als het avondeten voor u werd klaargemaakt (het Achscham).—En waar is de keuken?—Links van de plaatsdeur. Men heeft er u voorbij gereden. Pas echter op, dat hij u niet ziet aankomen, want dan schuilt hij weg.Hij ging, en ook wij maakten ons op, ik natuurlijk in mijn wandelwagen. Halef bedong voor zich de pret, de ommelet te dragen, en hij hield die toegedekt onder een slip van zijn kaftan. Maar wij gingen niet over de binnenplaats. Wij liepen er om heen, om niet te gauw opgemerkt te worden.Eerst zochten wij onzen gastheer in zijn particulier vertrek. Omdat de vloer met matten belegd was, kon men ons moeilijk hooren aankomen terwijl wij nog in de ontvangkamer waren. Osko deed de aangeduide deur open en trad naar binnen.—Wat wilt gij?—hoorde ik Habulam verschrikt vragen.Op hetzelfde oogenblik schoof Omar mij naar binnen. Toen Habulam mij zag, spreidde hij zijn tien vingers voor mij uit, en riep in doodelijken schrik:—Hasa, si amahu Allah,—God beware mij, God behoede mij! Ga weg, ga weg! Gij hebt den boozen blik!—Alleen voor mijn vijanden, maar niet voor u!—antwoordde ik.—Neen, ik durf mij niet door u laten aankijken!—Maak u niet bezorgd! Zoolang gij vriendelijk jegens mij gezind zijt, kunnen mijn oogen u geen kwaad doen.—Dat geloof ik niet! Er uit, er uit!Sidderend van angst had hij zich afgewend, om mij niet te moeten aankijken, en hield zijn handen naar de deur gestrekt.—Murad Habulam,—zeide ik op strengen toon,—wat bezielt u? Behandelt men zijn gast ooit op zulk een manier? Ik zeg u dat mijn blik u volstrekt geen kwaad zal doen, en ik ga niet weg, voor ik met u besproken heb, wat mij tot u doet komen. Keer u dus gerust naar mij toe en kijk mij aan.—Kunt gij mij bij Allah verzekeren, dat uw blik mij geen kwaad zal doen, ook al valt die op mij?—Ik geef u die verzekering.—Dan wil ik het wagen. Maar ik zeg u, dat mijn vinnigste vervloeking u zal treffen, als gij mij onheil aanbrengt.—Die vervloeking zal mij niet treffen, want mijn oog zal slechts in vriendschap op u gericht zijn en u dus niet schaden.Nu wendde hij zich naar mij toe. Maar de uitdrukking van zijn gelaat getuigde van zoo grooten angst, dat ik er mij ten zeerste in verheugde.—Wat wilt gij van mij?—vroeg hij.—Ik zou een kleine opheldering van u willen hebben, maar eerst u een vriendelijk verzoek willen doen. Het gebruik brengt mee, dat de gastheer het brood met zijn gasten deelt. Gij hebt dan niet kunnen doen, omdat het podagra u verhinderde, naar mij toe....Ik zweeg plotseling, alsof ik eerst nu op zijn beenen lette. Inderdaad had ik terstond bij mijn komst bemerkt, dat de dikke omslagen verdwenen waren.Hij stond recht overeind. De wijde broekspijpen hingen hem in breede plooien om de knieën, en de schrikbewegingen, die hij gemaakt had, waren zoo vlug en heftig geweest, dat er bij hem van eenige pijnlijke aandoening in de beenen geen sprake meer kon zijn. Daarom ging ik na een oogenblik van verbazing, aldus voort:—Wat zie ik! Heeft Allah een wonder gedaan? Is uw krankheid geweken?Hij was met zijn zoogenaamde wonderbare genezing, zóó verlegen, dat ik hem slechts eenige onverstaanbare woorden hoorde stamelen.—En nu hadt gij nog wel angst voor mogelijk kwaad, dat mijn oog u doen zou?—ging ik voort.—Mijn blik brengt, aan die mij goed gezind zijn, niets dan geluk. Ik ben daarvan zóó overtuigd, dat ik uw plotselinge genezing uitsluitend aan mijn oog en aan mijn vriendschap voor u toeschrijf. Wee echter dengene, die kwaad tegen mij in den zin heeft! Mijn blik is voor hem een onuitputtelijke bron van allerlei rampen! Al ben ik op honderden mijlen van hem verwijderd, dan is een enkele gedachte aan hem genoeg, om al het kwade, dat ik hem toewensen, over hem te doen komen.Daarmede had ik hem overvloedige stof voor een uitvlucht gegeven. Hij maakte daar terstond gebruik van, zeggende:—Ja, Effendi, alleen daar kan het door gekomen zijn. Sedert jaren lijd ik aan die Nikris. Nauwlijks waart gij weg of ik bemerkte een onbeschrijfelijk gevoel in mijn beenen. Ik beproefde te loopen, en zie, het gelukte! Nog nooit in mijn leven heb ik mijzoo gezond en sterk gevoeld, als nu. Dat kan alleen uw blik hebben gedaan.—Pas dan op, dat het ook zoo blijft! De verandering uwer gezindheid brengt ook verandering in uw welstand mee. Gij zoudt er dan slechter aan toe zijn dan ooit.—Effendi, waarom zou ik van gezindheid jegens u veranderen? Gij hebt mij niet alleen geen kwaad gedaan, maar genezing aangebracht. Gij zijt mijn vriend en ik de uwe.—Zoo is het en daarom heeft het mij zoo gespeten dat ik onzen maaltijd niet met u heb kunnen deelen. Gij zult echter van ons niet zeggen, dat wij de wetten der beleefdheid en der vriendschap niet kennen. Daarom komen wij om het lekkerste van onzen maaltijd hier te brengen, en u te verzoeken daarvan, in onze tegenwoordigheid te willen genieten. Wij willen toezien en ons van harte verblijden, als gij die heerlijke spijs ter onzer eere opeet. Hadschi Halef Omar, geef ze hier!Halef nam de slip van zijn kaftan, van de ommelet weg, ging naar Habulam toe en bood hem die aan, met de woorden: Heer, neem deze spijs der gastvrijheid, en schenk ons het genot u die te zien eten, en zelfs te mogen toezien, hoe die u smaakt!Er lagen zes doode musschen bovenop. Habulam keek verlegen van den een naar den ander en vroeg:
Wij reden door de poortdeur binnen. Naar de beschrijving, ons door den kleermaker gegeven en door den indruk dien het gebouw, van uit de verte, op mij gemaakt had, dacht ik zoo iets als een slot of kasteel te zullen zien. Maar hoe viel dat tegen!
Het was wel een lang en hoog gebouw, maar mocht veeleer een bouwval heeten. De ramen keken ons vensterloos aan en het dak was op tallooze plaatsen zonder bedekking. Het pleister van de muren was verdwenen en langs het front van het gebouw lag het poeder waarin de verweerde tegelsteenen waren overgegaan.
Wij reden tot voor de hooge dubbele deur, waar ons een kerel ontving wiens lange en smalle galgetronie alles behalve vertrouwen inboezemde.
—Dit is Humun, de lijfknecht van den Heer,—zeide de kleermaker.
Aha, daar hadden wij al terstond den man, voor wien wij op onze hoede moesten zijn! Hij maakte voor mij een diepe buiging en wees op twee pootige knapen, die achter hem stonden, zeggende:
—Effendi, mijn Heer betreurt het zeer dat gij niet kunt loopen. Daarom gaf hij bevel dat deze mannen u naar hem toe zouden dragen. Zij zijn zoo sterk, dat gij u gerust op hen kunt verlaten.
Ik steeg van mijn paard. De beide dragers strengelden twee armen en vouwden de vrij zijnde handen zóó, dat die een zitting vormden, terwijl de armen voor leuning konden dienen. Op dien levenden draagstoel gezeten, werd ik, door het voorportaal en twee vertrekken, naar de ontvangkamer gebracht. Mijn makkers volgden mij.
De ontvangkamer was redelijk gestoffeerd. Langs de wanden stonden divans. Op een geringe verhooging, tegenover den ingang, zat de zoogenaamde slotvoogd. Naast hem was een dergelijke verhoogde zitplaats, die blijkbaar voor mij bestemd was, en tegenover ons lagen eenige matrassen voor mijn metgezellen.
De dragers bleven met mij in de deuropening staan. Onze gastheer boog, zonder op te staan en zeide:
—Zijt mij welkom, groote Effendi! Allah zegene uw ingang in mijn huis en doe u vele dagen bij mij blijven! Houd het mij ten goede dat ik u niet staande begroet, maar blijf zitten, maar Nikris (podagra) belet mij u de verschuldigde beleefdheid te bewijzen. Laat u naast mij nederzetten. Uw volgelingen zullen, hier voor ons, uitrusten van hun vermoeienis.
Men zette mij naast hem neer en de drie namen tegenover ons plaats.
Ik sprak eenige beleefde woorden van dank en verontschuldiging die hij afbrak met de verzekering, dat niet ik hem, maar hij mij dank verschuldigd was.
De dragers hadden zich verwijderd, en de lijfknecht bracht pijpen en koffie.
In het Oosten is men gewoon den rijkdom van een man te beoordeelen naar zijnrookgerei. Naar dien maatstaf was Murad Habulam een zeer rijk man.
De pijp die men mij gaf, en ook die waaruit hij rookte, hadden een roer van echt rozenhout, dat met gouddraad omwonden en met edelgesteente versierd was. De mondstukken verdienden in een museum ten toon gesteld te worden. Het barnsteen was half doorzichtig, wolkrijk, een soort dat in het Oosten veel hooger geschat wordt dan het doorschijnende.
De kleine kopjes, waarin de koffie gediend werd en die men, ‘fingans’ noemt, stonden op schotels van filigraan, en toen ik de koffie proefde, moest ik bekennen nog maar eenmaal en wel in Caïro, zoo iets lekkers te hebben gedronken. Ze werd naar Oostersch gebruik, natuurlijk met het fijngestooten bezinksel genoten. Een kopje hield ongeveer vier vingerhoeden in. Ook de tabak was van de fijnste soort. Jammer, dat de pijpekoppen zoo klein waren. Als men ongeveer vijftien trekjes had gedaan, moesten zij opnieuw gestopt worden, waar Humun, ’s meesters lieveling, voor zorgde.
Daar de beleefdheid meebracht, dat men zijn gasten niet zoo terstond naar hun omstandigheden vraagt, werden slechts algemeene opmerkingen ten beste gegeven.
Toen dit een poos geduurd had, schoof de heer des huizes wat dichter naar mij toe en vroeg:
—Hebt gij een goede reis gehad, Effendi?
—Allah heeft mij veilig geleid,—antwoordde ik.
—Afrit, de kleermaker, zeide mij, dat gij van Sbiganzy waart gekomen.
—Ik was sedert gisteren daar.
—En voor dien?
—InRadowitschen Ostromdscha.
—Zoo zijt gij altijd door op reis geweest?
—Ja, want wij komen van Edreneh en Stambul.
—Van Stambul! Allah heeft het dan wel goed met u voorgehad, dat hij u in de stad van den Padischah heeft laten geboren worden!
—Ik ben daar niet geboren. Ik kwam van Damascus over Falesthin (Palestina) daarheen.
—Dus zijt ge een Damaski?
—Ook dat niet. Ik ben een Frank, een Germani, en ik reisde van uit mijn vaderland naar de groote Sahar (Sahara) om van daar naar Gypt (Egypte) en Belad el arab (Arabië) te gaan.
—Allah is groot! Hebt gij zoover moeten reizen? En hebt gij goede zaken gemaakt?
—Ik reis niet voor zaken. Ik wil de landen bezoeken en de volken, die er wonen, hun taal en hun zeden leeren kennen. Daarvoor heb ik mijn vaderland voor zoo langen tijd verlaten.
Hij zag mij ongeloovig aan.
—Daarvoor? Allah! Wat geeft het u of gij al bergen en dalen ziet, de menschen en beesten, woestijnen en wouden? Wat hebt gij er aan, of gij al ziet, hoe men zich kleedt, en hoort, hoe men spreekt?
Dat was weer de oude domheid, waarop ik al zoo dikwijls was gestuit. Die menschen kunnen en willen maar niet begrijpen dat men alleen uit belangstelling volken en landen bezoekt. Een handelsreis, een bedevaart naar Mekka, verder gaat hun begrip niet.
—Houdt gij van Dschografia (geografie)?—vroeg ik hem.
—Veel. Ik lees zulke boeken heel graag.
—Wie hebben die boeken geschreven?
—Geleerde menschen, die zulke landen bezochten.
—En die menschen zijt gij toch zeker wel dankbaar, dat zij die boeken, waaruit gij zooveel leert en die u zoo aangenaam bezig houden, schreven?
—Natuurlijk!
—Welnu, ook in mijn vaderland zijn menschen, die zulke boeken verlangen. Vele, vele duizenden zijn er, die ze lezen. Er moeten dus ook mannen zijn, die ze schrijven, waarvoor zij eerst verre landen moeten bezoeken. Een zoodanige ben ik.
—Gij zijt dus een Ehli Dschografie. Maar ik vraag u nògmaals: wat hebt gij er aan? Gij verlaat uw huis en harem; gij offert alle genoegens van het leven op, om in den vreemde allerlei moeite, honger en dorst te lijden en misschien wel in groot gevaar te komen.
—Ja, dat is zeker het geval.
—En dan sluit gij u op, om uw oogen met schrijven te bederven, opdat de nieuwsgierige menschen zouden kunnen lezen, wat gij al zoo ondervonden en gezien hebt. Wat hebt gij er toch aan?
—Is dan het reizen op zich zelf geen genot?
—Neen, het heeft groote moeite.
—Gij zoudt dus ook geen hoogen berg beklimmen om de zon te zien ondergaan?
—Néén. Daar ben ik te verstandig voor. Waarom zou ik mijn gemakkelijken divan vaarwel zeggen, waarop ik kan rooken en koffie drinken? Waarom zou ik klimmen en dalen, als het mij niet anders geeft dan moe-worden? Dat is toch nergens toe nut. De zon gaat op en onder, ook al ga ik niet boven op een berg zitten. Allah heeft alles heel wijs ingericht, en ik kan door mijn klauteren niet het minste aan zijn raadsbesluiten veranderen of verbeteren.
Inderdaad zoo denkt de Moslem. Allah il Allah! Zijn kismet beheerscht alles en allen, en die voorstelling is de oorzaak van hun grenzenloos flegma.
—Zoo zoudt gij, alleen om kennis te verkrijgen, niet naar verre landen willen reizen?—vroeg ik.
—Neen, beslist neen!
—Maar een voordeel heb ik er van. Het voorziet in mijn levensonderhoud.
—Hoezoo? Kunt gij bergen eten en rivieren uitdrinken, die gij vindt?
—Neen, maar als ik een boek geschreven heb, waarin ik van mijn reizen vertel, dan krijg ik daar geld voor, en dat is mijn inkomen.
Nu had ik toch eindelijk iets gezegd dat hij nog zoo dwaas niet vond.
—O, zeide hij,—nu begin ik te begrijpen. Gij zijt geen Geograaf, maar een Kitabschi (een boekhandelaar).
—Neen, maar de Kitabschi betaalt mij voor wat ik schrijf, daarna drukt hij het af en maakt er een boek van, dat hij aan de lezers verkoopt. Zoo maken wij allebei zaken.
Hij bracht zijn vinger aan zijn neus, dacht een oogenblik na en zei toen:
—Nu weet ik het. Gij zijt het die de koffie uit Arabië haalt, en de Katabschi is de man die ze verkoopt aan de menschen.
—Ja, dat is nagenoeg zoo.
—Schrijft gij alles op, wat gij ziet?
—Niet alles, maar alleen wat belangrijk is.
—Maar wat is belangrijk?
—Wat mijn denken en mijn gevoel meer dan gewoon bezig houdt.
—Bij voorbeeld, als gij een bizonder goed mensch ontmoet?
—Ja, die komt in mijn boek.
—Of een ergen deugniet?
—Ook dien beschrijf ik, opdat de lezers hem zouden kennen en verafschuwen.
Hij trok een bedenkelijk gezicht. De zaak begon hem gevaarlijk te worden.
—Hm!—bromde hij. Dus goeden en slechten worden door u in het land bekend?
—Zeker.
—Noemt gij ook hun naam in uw boek?
—Stellig.
—Wie en wat zij zijn en de plaats en het huis, waar zij wonen?
—Heel nauwkeurig zelfs.
—Wat zij gedaan hebben en wat gij met hen hebt gesproken en over hen hebt hooren zeggen?
—Dat allemaal.
—Allah, Allah! Gij zijt dan een groote verrader! Men moet bang voor u zijn.
—Goede menschen hebben van mij niets te vreezen. Integendeel, men zal ze overal prijzen, want mijn boeken worden in alle talen overgebracht. De slechten krijgen echter hun loon, als zij overal bekend en aan de verachting prijs gegeven worden.
—Zult gij ook over Sbiganzy schrijven?
—Zeer veel zelfs, want ik heb daar zeer veel ondervonden.
—Misschien schrijft gij dan ook wel over Kilissely?
—Ongetwijfeld, want Kilissely is te mooi, dan dat ik het zou vergeten.
—Wat zult gij er van zeggen?
—Dat weet ik nog niet. Ik moet eerst afwachten, wat ik hier zie, hoor, beleef en ondervind. Maar dat gijprachtigepijpen hebt en de lekkerste koffie, die ik ooit heb gedronken, dat zal ik van u roemen en prijzen.
Hij keek zwijgend voor zich, en gedurende eenige oogenblikken sprak geen onzer. Ik had hem, vanaf het oogenblik, dat ik binnen gekomen was, goed opgenomen. De man kwam mij zoo bekend voor. Waar had ik dat gezicht meer gezien?
Hij maakte op mij niet den indruk van een rijk man te zijn. Zijn tulband-doek was oud en vuil en zijn kaftan eveneens. Van zijn beenen zag ik slechts dat zij dik omzwachteld waren, van wege het podagra. Desniettegenstaande waren zijn voeten niet omwonden maar bloot, en staken in oude dunne afgesleten pantoffels.
Hij was evenwel zeer lang en mager. Zijn gelaat getuigde in diepe groeven, niet van ouderdom, maar van uitspatting. Zijn scherpe trekken, de kleine, iemand doorborende, cynische oogen, die sterk ontwikkelde kin, die breede, aan de hoeken neergetrokken mond, dat alles bijeengenomen maakte geen aangenamen indruk. Hij was integendeel het type van een gierigaard, wiens gedachten altijd loeren op het bijeenschrapen van geld, zonder er zich over te bekommeren hoe het verkregen werd.
—Ik hoop—zeide hij eindelijk,—dat het u bij mij zal bevallen en gij veel goeds van mij schrijven zult.
—Dat zal ik zeker. Gij hebt mij zoo vriendelijk en gastvrij ontvangen, dat ik alle reden heb om u dankbaar te zijn.
—Ik zou u nog heel anders ontvangen hebben en u ook beter hebben laten verzorgen, maar mijn vrouw is van huis, en ik kan mij niet bewegen. Ik heb aan beide beenen veel te lijden van de Nikris. Die heb ik in den oorlog opgedaan.
—Gij waart dus militair? Officier?
—Ik had een veel hoogeren en beteren rang. Ik wasAsker zagredschiji(leverancier van het leger), en heb voor de kleeding en voeding van des Sultans helden gezorgd.
Aha, hij was dus de aannemer van het leger geweest! Onwillekeurig dacht ik aan de arme, half naakte en uitgehongerde soldaten, wier lijden deze leveranciers zoo rijk had gemaakt.
—Dan hadt gij een zeer gewichtig ambt en genoot gij wel het vertrouwen van den Grooten Heer!
—Ja, dat is zoo!—zei hij trotsch. De leverancier is eigenlijk de man die de veldslagen wint; hij leidt de strijders tot de overwinning. Zonder hem is er geen moed, geen dapperheid, maar slechts honger, ellende en ziekte. Het vaderland heeft veel, zeer veel aan mij te danken.
—Zal ik dat ook in mijn boek vermelden?
—Ja, ik bid u, doe dat. Hebt gij over ons land en over de onderdanen van onzen Sultan veel goeds te schrijven?
—Zeer veel,—antwoordde ik kortaf, want ik bemerkte dat hij op het onderwerp wilde overgaan, dat voor hem het gewichtigste was.
—Misschien ook wel veel wat niet te prijzen is?
—Ook dat; er zijn overal goede en slechte menschen.
—Hebt gij van dat laatste soort er veel bij ons aangetroffen?
—Ja, vooral in den laatsten tijd en vooral in deze streken.
Hij schoof heen en weer. Op dit thema had hij willen komen.
—Dan zullen de lezers van het boek dat allemaal te weten komen.... Ik zou dat boek wel eens willen hebben.
—Dat zoudt gij toch niet kunnen lezen, want het is niet in uw taal geschreven.
—Maar dan kondt gij er mij toch wel een en ander uit vertellen.
—Misschien later, als ik eerst wat geslapen heb.
—Dan zal ik u wijzen, waar gij overnachten zult. Maar zoudt gij mij er niet eerst wat van willen vertellen?
—Ik ben werkelijk zeer moe; maar om u te toonen dat ik voor mijn gastheer wil doen wat ik kan, zal ik door mijn metgezel Halef Omar een kort verhaal laten doen van wat wij in den laatsten tijd hebben doorgemaakt.
Dat Halef vertellen mocht, was hem zeer naar den zin, maar het stak hem dat Murad Habulam, onze gastheer, hem van uit de hoogteaanzag en half gebiedend zeide:—Dat hij beginne, ik hoor.—Ik wist wat er komen zou.
—Veroorloof mij u eerst te zeggen wie zoo goed zal zijn tot u te spreken, zoo begon hij. Ik ben Hadschi Halef Omar Ben Hadschi Abul Abbas Ibn Hadschi Dawuhd al Gossarah. Mijn beroemde stam rijdt de beste Hassi-Ferdschahn merries der woestijn, en de krijgers mijner Ferkah dooden den leeuw met hun lans. De overgrootvader van mijn overgrootvader reed met den Profeet in den slag en de stamvader van dezen held heeft met Abram, den vader van Isaac watermeloenen gegeten. Is uw stamboom even zuiver en oud?
—De rij mijner voorvaderen is niet minder groot,—antwoordde Habulam wel eenigszins verlegen.
—Dat is gelukkig voor u, want niet hij is een man van beteekenis, die fijne pijpen heeft en kopjes, maar die wijzen kan op een reeks van roemrijke voorouders. In het Paradijs wachten helden, wier geliefde nakomeling ik ben, op mijn komst. Niet een ieder vereer ik met mijn verhalen, maar omdat mijn vriend en Heer, de Hadschi Effendi Kara Ben Nemsi Emir het wenscht, daarom zal ik verhalen, maar verlang ook dat gij met opmerkzaamheid mij aanhooren zult.
Dat alles kwam er zoo rustig uit, alsof hij er zelf bij was geweest toen de veronderstelde stamvader met Abram zijn watermeloenen at! Hij deed alsof hij onzen gastheer een groote genade bewees met hem wel zijn verhaal te willen doen.
Nu gaf hij in goedgekozen woorden een kort verslag van hetgeen ons in de laatste dagen overkomen was. Geen jurist had het beter kunnen doen dan mijn Halef. Geen syllabe kwam hem over de lippen, die den ex-leverancier kon doen vermoeden dat wij wisten wat vleesch wij aan hem in de kuip hadden. Ik had inwendig plezier in den tact, waarmede hij zijn rol speelde, en knikte hem goedkeurend toe, nadat hij het verhaal had gedaan en mij vragend aankeek om te weten of ik over hem tevreden was.
Murad Habulam deed, alsof hij een en al verwondering was. Hij legde zijn pijp weg, wat voor een Muzelman iets buitengewoons is, sloeg de handen in elkaar en riep:
—O Allah, Allah, zend toch uw wrekers op aarde, opdat zij die boosdoeners, wier misdaden ten hemel schreien, door het vuur van uw toorn verdelgen! Moet ik gelooven, wat ik hoorde? Neen, ’t is niet te gelooven!
Hij bleef als in verwondering verzonken, nam zijn rozenkrans en liet de paarlen door zijn magere vingers glijden, alsof hij bad. Eindelijk hief hij plotseling het hoofd op, zag mij onderzoekend aan en vroeg:
—Effendi, bevestigt gij de woorden van dezen Hadschi?
—Woord voor woord.
—Men heeft u dus bijna elken dag trachten te dooden?
—Zoo is het.
—Gij zijt dus die moordenaars zoo gelukkig ontkomen? Gij moet wel bizondere lievelingen van Allah zijn!
—Volgens die redeneering waren dan die moordenaars, lievelingen van Allah, indien hun plannen gelukt waren?
—Neen, maar uw dood stond dan in het boek des levens geschreven, en wat daar staat, kan zelfs Allah niet veranderen. Dat is Kismet.
—Welnu, dan wil ik hopen, dat het het Kismet zij van deze schurken, om nog hier op aarde hun welverdiende straf te moeten ontvangen.
—Dat hebt gij in uw hand gehad, maar gij hebt hen gespaard.
—Ik wilde hun rechter niet zijn.
—Vertelt gij dat nu allemaal in uw boek? Van den Shoet, van de Aladschy’s, van Manach el Barscha, Barud el Amasat, en van den ouden Mubarek?
—Ik noem ze allemaal.
—Dat is voor hen een verschrikkelijke straf. En gelooft gij dat gij hen nog weer ontmoeten zult?
—Zeer zeker, want zij vervolgen mij. Hier in uw huis ben ik mooi veilig en dat dank ik u en den goeden Afrit, mijn gids. Maar morgen, als wij verder trekken, dan zullen die boosdoeners ons weer overvallen.
—Gij zult mijn huis toch de schande niet aandoen van er maar een enkelen nacht te blijven.
—Ik zal er over denken. Overigens is het naar uw overtuiging, van eeuwigheid af in het boek des levens geschreven, hoelang ik in uw huis vertoeven zal. Niet een van ons kan daar verandering in brengen. Ja, zelfs Allah kan dat niet.
—Dat is zoo. Maar ik hoop dat het licht uwer oogen mij nog langen tijd zal bestralen. Ik voel mij zeer eenzaam en verlaten hierin mijn huis, en gij zult mij opvroolijken en mij het lijden mijner voeten doen vergeten, indien gij heel lang bij mij blijft.
—Ook mij zou het aangenaam zijn, wanneer ik nog lang van uw gezelschap zou kunnen genieten. Gij moet vele en groote reizen ondernomen hebben?
—Wie heeft dat gezegd?
—De kleermaker.
Ik zag aan zijn gezicht, dat de kleermaker mij dat voorgelogen had. Toch antwoordde hij:
—Ja, toen ik nog goed ter been was, heb ik de steden en dorpen van vele landen bereisd.
—En straks hebt gij gezegd, dat gij zelfs geen berg zoudt willen bestijgen om de zon te zien opgaan!
—Nu niet, om mijn beenen,—zeide hij om zich te verdedigen.
—Waarom, als gij podagra hebt, laat gij uw voeten bloot ofschoon gij uw beenen omwikkelt?
Ik zag hem, bij die vraag, scherp aan. Hij werd verlegen. Zou hij om de een of andere reden podagra voorwenden en niet hebben?
—Omdat ik de ziekte in mijn beenen heb en niet in de voeten, beweerde hij.
—Gij hebt dus geen pijn in uw grooten teen?
—Neen.
—En die is ook niet gezwollen?
—Die is gezond.
—Hoe staat het ’s avonds met de koorts?
—Ik heb nog nooit koorts gehad.
De man verried zich, want als die kenteekenen zich bij hem niet voordeden, had hij ook het podagra niet. Hij wist in geen enkel opzicht, welke verschijnselen met podagra gepaard gingen. Ik wist nu, wat ik aan hem had. Om het gesprek ook nog op de bibliotheek te brengen, die mijn gastheer, volgens Afrit had, vroeg ik hem:
—In uw lijden en in uw eenzaamheid zult gij wel veel afleiding en verpoozing vinden bij de vele boeken, die in uw bezit zijn.
—Boeken?—vroeg hij verwonderd.
—Ja, gij zijt een zeer geleerd man en gij bezit een menigte handschriften, waarom gij te benijden zijt.
—Wie zegt dat?
—Ook de kleermaker.
Blijkbaar had onze gids ook dit verzonnen om mij daarmee te zekerder in de val te lokken. Habulam begreep dit, en zeide daarom:
—Heer, mijnbibliotheekis bij lange na niet van zooveelbeteekenisals gij wel denkt. Voor mij is die voldoende, maar voor een man als gij is ze onbeduidend.
—Toch hoop ik die bij gelegenheid te mogen zien.
—Met alle genoegen, maar nu niet. Gij zijt vermoeid, ik zal u uw vertrekken laten wijzen.
—Waar zijn die?
—Niet hier in huis, want daar zoudt gij te veel rumoer hooren, om rustig te kunnen slapen. Ik heb daarom voor u deKulle jaschly Anajain orde laten brengen; daar zijt gij vrij en met elkaar.
—Zoo als gij het schikt, is het mij goed. Maar waarom heet dat gebouw de toren van de oude moeder?
—Dat weet ik zelf niet. Men zegt, een oude vrouw is na haar dood, meermalen weergekomen en stond dan ’s avonds in lijkwa op de zoldering, om van daaraf haar kinderen te zegenen. Gelooft gij aan spoken?
—Neen.
—Dan zult gij voor de oude vrouw ook wel niet bang zijn?
—Geen oogenblik! Maar komt zij tegenwoordig nog wel eens te voorschijn?
—De menschen zeggen van ja en gaan daarom ’s nachts nooit naar den toren.
Waarom zeide hij mij dat? Als het in den toren niet pluis was, moest dat voor mij een reden zijn om in den toren niet te willen overnachten. Misschien ook wilde iemand ons verraderlijk, als spook gekleed, besluipen, en van zijn misdaad de oude vrouw de schuld geven,—een zeer kinderachtige gedachte, die alleen in het hoofd van zulke domme menschen kon opkomen.
—Wij zullen heel graag eens een spook zien, om het te vragen, hoe het er in het doodenrijk uitziet,—verzekerde ik hem.
—Zoudt gij daar den moed toe hebben?
—Zeker.
—Maar gij zoudt van een slechte reis kunnen komen. Hij, die met een geest spreekt, kan er het leven bij inschieten.
—Dat geloof ik niet. Allah zal geen verdoemde veroorloven, deellende der hel te verlaten, om op aarde voor pleizier wat te gaan wandelen. En goede geesten behoeft men niet te vreezen. De als spook verkleeden gaan wij eenvoudig te lijf. Wees nu zoo goed ons naar den toren te laten brengen.
—Gij zult door een deel van den tuin moeten gaan, en ik denk dat gij dien met groot genoegen zult zien. Hij kost mij veel geld en is zoo prachtig als het park der gelukzaligen achter den ingang van het eerste Paradijs.
—Dan spijt het mij dat ik van uw aanbod geen gebruik kan maken, want het is mij onmogelijk door de lanen te wandelen.
—Dat behoeft u niet te beletten den tuin te zien. Gij behoeft niet te loopen, gij kunt rijden. Mijn vrouw is ook slecht ter been. Daarom heb ik voor haar een wandelstoel laten maken, waarop zij zich laat rijden. Zij is op het oogenblik niet thuis, en gij kunt dus gebruik maken van haar stoel.
—Dat is voor mij een heerlijke uitkomst.
—Ik zal den stoel terstond laten halen. Humun zal u rijden en u verder bedienen.
Die knaap moest ons ook in het oog houden, zoodat wij niets zouden kunnen doen, zonder dat het opgemerkt werd. Daarom antwoordde ik:
—Ik mag u van de hulp van uw lijfknecht niet berooven en ben gewoon mij door mijn metgezellen te laten ondersteunen.
—Dat kan ik niet toelaten. Zij zijn even goed mijn gasten als gij, en het zou strijden met de wetten der gastvrijheid, indien ik hen eenig werk liet doen. Verzet u dus niet tegen wat ik voorstelde. Humun heeft in last om alles te doen wat gij hem opdraagt en altijd bij u te zijn.
Altijd bij ons zijn! Dat wilde zeggen, wij waren onder zijn toezicht gesteld. Hoe zou ik van dien man af komen?
Hij bracht den stoel, ik zette mij er in en nam afscheid van onzen gastheer. Humun reed mij naar buiten en mijn metgezellen volgden.
Wij kwamen, door de breede gang van het hoofdgebouw, allereerst op een binnenplaats, die als algemeene mestvaalt scheen gebruikt te worden. Aan twee kanten stonden lage zadelvormige gebouwen die met stroo waren gevuld. De vierde zijde was bezet met stallingen, waartusschen een doorgang naar den tuin.
Deze zoogenaamde tuin was inderdaad een grasveld, waarop eenmenigte schelven stonden. Daarop volgden dan eenige bedden met groenten, waartusschen enkele bloemen. En dat moest ’de lusthof der gelukzaligen’ verbeelden! Als de Profeet dien aangelegd had, ten genoegen van zijn geloovigen, dan moest hij van hun smaak eene armzalige voorstelling gehad hebben.
Toen wij die bedden voorbij waren, stonden wij weer voor een grasveld, dat grooter was dan het vorige. Ook hier waren vele mijten van hooi en allerlei graansoorten. Eindelijk zagen wij den ’toren der oude moeder’.
Het was een rond, zeer oud gebouw, vrij hoog opgetrokken, en vier ramen over elkaar. In de ramen waren, zooals gewoonlijk, geen vensters. De deur stond open.
De benedenverdieping bestond uit eene enkele ruimte, waarin een vrij gebrekkige trap, die naar de bovenverdieping leidde. Ik zag dat er matten langs den muur waren gelegd, met matrassen er op, en eenige kussens. In het midden dier ruimte lag op een laag onderstel, een plank die voor tafel moest dienen. Meer ameublement was er niet.
—Dit verblijf is ter uwer beschikking, Heer,—zeide Humun, nadat hij mij binnen gebracht had.
—Zijn hier dikwijls gasten?
—Neen. Deze kamer is de beste die wij hebben, en mijn gebieder wil u daarmee toonen, hoezeer hij uw komst op prijs stelt.
—Zijn er nog vertrekken boven ons?
—Nog twee verdiepingen, en daarop volgt het terras voor het vergezicht; maar zij zijn ongemeubeld, omdat er nooit iemand logeert.
De muur van ons vertrek zag er uit, alsof kleine aardbevingen de steenen van tijd tot tijd in de voegen deden verschuiven.
De muren waren niet gekalkt; ook was er geen schoorsteen. Het was een hok, meer niet.
Onderweg was ik op een gedachte gekomen, hoe ik Humun weg kon krijgen. Wij waren een arbeider tegengekomen, die afzichtelijke leepoogen had. Daardoor had ik mij onwillekeurig herinnerd, dat bijna alle Oosterlingen aan den “boozen blik” gelooven. De Italianen noemen dat “Jettatura”.
Wanneer iemand, die den “boozen blik” heeft, bij toeval een ander scherp fixeert, verdenkt men hem al gauw een Jettatore te zijn. Zoo iemand wordt dan door een ieder gemeden.
Om kinderen tegen den boozen blik te beschermen, bindt men ze een rood lintje om den hals of hangt ze een rood kraaltje om, dat den vorm van een hand heeft.
Volwassenen kennen maar één middel, om zoo’n boozen blik af te weren. Dat doen zij, door hun hand, met uitgespreide vingers, tegen het booze oog op te heffen. Die dat doet en dan terstond wegloopt, ontkomt aan de doodelijke gevolgen der Jettatura.
—Dit vertrek is mij goed genoeg, alleen zou ik, voor van avond, een lamp willen hebben.
—Ik zal die meebrengen, tegelijk met het avondeten. Verlangt u ook nog iets?
—Ja, water. Meer hebben wij voor het oogenblik niet noodig.
—Ik ga het terstond halen, en hoop dat gij met mijn prompte bediening tevreden zult zijn. Zulke Heeren als gij, moeten vlug geholpen worden. Ik heb gehoord wat gij mijn meester verteld hebt. Van mijn hoogachting en toewijding kunt gij verzekerd zijn. Ik heb inwendig gebeefd, toen ik hoorde in wat gevaren gij geweest zijt. Allah heeft u in zijn bizondere bescherming genomen, anders waart gij al lang verloren geweest.
—Ja, Allah heeft er ons altijd uit geholpen. Hij heeft mij een bizondere kracht geschonken die mij altijd behoedt, zoodat geen vijand mij kan overwinnen.
Zijn nieuwsgierigheid was terstond opgewekt.
—Wat is dat, Heer?—vroeg hij gluiperig.
—Iets in mijn oogen.
—Iets in uw oogen! Hoezoo?
—Kijk mij eens flink met opgeslagen oogen aan.
Hij deed het.
—Welnu, bemerkt gij nog niets?
—Neen, Effendi.
—Is er niets in mijn oogen dat u opvalt?
—Volstrekt niets.
—Dat is juist het bizondere, dat men niets aan mij zien kan, en toch behoef ik mijn vijanden maar aan te zien, dan zijn ze verloren.
—Wat gebeurt ze dan, Heer?
—Dan gelukt hun nooit meer iets, hun leven lang. Hij, dien ik aankijk, is aldoor en in alles ongelukkig, namelijk als ik wil.De blik van mijn oog volgt hem tot in den dood. Zijn leven behoort mij voortaan toe; ik behoef slechts aan hem te denken en hem iets kwaads toe te wenschen, dan overkomt het hem ook.
—Heer, is dat waar?—vroeg hij haastig en verschrikt.—Hebt gij misschien denKem Bakyschin uw oogen?
—Ja, ik heb den boozen blik, maar gebruik dien alleen tegen die mij kwaad willen doen.
—Allah zij mij genadig! Ik wil niets meer met u te maken hebben. Allah, w’ Allah!
Hij strekte alle tien zijn vingers tegen mij uit, maakte rechtsom keert, en liep in allerijl weg. Mijn vrienden barstten in een onbedaarlijk gelach los.
—Dat hebt gij mooi gedaan, Sihdi,—viel Halef in. Die man laat zich niet weer zien, hij heeft een kwaad geweten. Wij krijgen nu gelukkig een ander om ons te bedienen.
—Ja, en wel hoogstwaarschijnlijk hem, dien ik wensch, namelijk Janik, de aanstaande man van dat jonge Christen-meisje.
—Waarom denkt gij dat?
—Omdat Humun hem alles kwaads toewenscht om Anka. Hij zag hem liefst dood gaan, en zal het nu wel zóó inrichten, dat Habulam onze verzorging aan zijn gehaten medeminnaar opdraagt. Maar help mij nu eerst op mijn matras en ga dan op verkenning uit. Wij moeten weten, hoe het er in dezen toren uitziet.
Toen ik het mij op mijn matras gemakkelijk gemaakt had, klommen de drie anderen naar boven, maar kwamen al spoedig terug. Halef berichtte:
—Ik geloof niet, dat hier eenig kwaad tegen ons ondernomen kan worden. De beide vertrekken boven ons, zijn volkomen zoo als dit.
—Zijn er blinden aan de ramen, zoo als hier?
—Ja, en ze kunnen met sterke houten sluitboomen vast gemaakt worden.
—Wij kunnen er dus voor zorgen, dat van nacht niemand ons besluipt, zonder leven te maken. En hoe is het heelemaal boven?
—Daar is een rondom open ruimte, door een ballustrade omgeven en gedekt door een dak, dat op vier steenen pilaren rust.
—Dat heb ik van buiten af ook gezien. In allen geval is daar de oude op gekomen om haar kinderen te zegenen.
—Maar dat zal zij nu wel niet meer kunnen, want de vroegere opening is dichtgemetseld,—verzekerde Halef.
—Dat dichtmetselen moet toch zijn reden hebben. Hoe komt men dan nu op dat terras om van het mooie vergezicht te genieten? Daar het rondom open is, kan het niet anders of er moet regen op vallen, waar blijft dat water? Loopt dat de trap af, in de vertrekken er onder en hier? Naar buiten kan het niet. De ballustrade belet dat. Er moet dus een afwatering zijn.
—Ja, die is er. De trap-opening op het terras wordt gesloten met een deksel dat men er afnemen kan. De dekselrand en die van de trapopening zijn van gom-elastiek voorzien en sluiten waterdicht. De vloer van het terras glooit van uit het midden naar den muur, en daarin is een gaatje waardoor het water afloopen kan.
—Hm! Die open terraskamer komt mij gevaarlijk voor. Men kan er van buiten af op en zoo bij ons komen.
—Daarvoor is het terras te hoog.
—Toch niet. Deze kamer is zoo laag, dat ik rechtop staande met mijn hoofd tegen de zoldering stoot. Wanneer de twee boven ons liggende vertrekken van dezelfde hoogte zijn, dan is de bedoelde vloer hoogstens zeven en een halven meter hoog. Reken ik nu nog een meter voor de balustrade, dan is de heele hoogte acht meter vijftig.
—Men zou een Merdiwan (een ladder) daarvoor noodig hebben, maar die zullen ze hier wel bij de hand hebben.
—Dat zou ik wel denken. Maar het trapluik kan toch wel goed gesloten worden?
—Neen.
—Het is dus zoo duidelijk als tweemaal twee vier, dat de weg naar hier voor onze vijanden, die natuurlijk een ladder hebben, open ligt. Of zijn de lagere zolderingen soms te sluiten?
—Neen.
—Ook dat niet! Wij kunnen dus op een mogelijk bezoek rekenen, dat wel eens slecht voor ons kon afloopen. Ik moet zelf den toestand opnemen. Osko, kunt gij mij op uw schouders naar boven dragen?
—Ja, Heer, ga er gerust op zitten, ik zal bukken.
Ik ging als te paard op zijn schouders zitten en hij droeg mij naar boven.
Iedere verdieping in den toren was juist als ons vertrek. In de vloeren waren openingen, waardoor de trap liep. Deze openingen hadden geen sluiting, behalve die onder het dak, waarvoor het sterke zware deksel diende, dat men, door de gummi-banden, waterdicht afsluiten kon. De gording, onder het dak, was anderhalve meter hoog, zoodat tusschen de zuilen, waarop het dak rustte, een opening was, waardoor men prachtige vergezichten had over velden en rijen van vruchtboomen.
Bovendien liep er, boven langs den toren, een balkon. Het was gevaarlijk zich daar buiten op te begeven, en dat zal wel de reden geweest zijn, waarom die toegang dichtgemetseld was.
Hier school voor ons het gevaar. Met een ladder kon men naar boven komen en drie trappen afgaande, was men in ons vertrek. Wilden wij dat verhinderen, dan moesten wij die dak-afsluiting zoodanig van binnen verzekeren, dat zij van buiten niet kon geopend worden.
Het vergezicht was echter in een droevig waas gehuld. Reeds gedurende het laatste uur van onzen rit hadden wij wolken zien drijven, die nu den ganschen horizon dekten en aldoor zich uitspreidden.
Nauwlijks waren wij in de voor ons bestemde kamer terug, of er kwam een flinke sterkgebouwde jongeman bij ons, met twee vaten drink- en wasch-water. Met zijn open en vriendelijken blik keek hij ons onderzoekend aan.
—Sallam!—klonk zijn heldere stem. Mijn Heer zendt mij om u water te brengen, Effendi! Het eten zal weldra klaar zijn.
—Waarom komt Humun niet?
—Zijn heer heeft hem noodig.
—En hij heeft ons juist het tegendeel gezegd!
—De beenen begonnen pijn te doen, toen had hij zijn knecht noodig.
—Dus komt gij ons bedienen?
—Ja Heer, tenzij u het anders wenscht.
—Ik zie u liever hier dan Humun. Gij zijt Janik, de aanstaande man van Anka?
—Ja Heer. Gij hebt haar veel gegeven. Zij heeft het geld nageteld, toen zij thuiskwam. Zij zendt het u terug, want gij moet u vergist hebben. Zóó veel hebt gij haar zeker niet willen geven.
Hij reikte mij het geld toe.
—Ik neem er niets van terug, want ik wist hoeveel ik haar gaf. Het is voor Anka.
—Maar dat is toch te veel, Heer!
—Neen. Misschien krijgt gij ook wel zooveel, als ik over u tevreden ben!
—Ik verlang geen Bakschisch, Heer. Wel ben ik arm, maar ik zal u gaarne bedienen, ook zonder fooi. Anka heeft mij gezegd dat gij ook van ons geloof zijt en bovendien den Heiligen Vader in Rome gezien hebt. Daarom doe ik gaarne alles waarmee ik u van dienst kan zijn.
—Gij zijt een brave jongen, en als ik u met iets kan helpen, doe ik dat gaarne. Is er soms iets, dat gij wenscht?
—Het eenige, dat ik wensch, is zoo spoedig mogelijk Anka mijn vrouw te kunnen noemen.
—Zorg dan dat gij zoo spoedig mogelijk de duizend piasters bijeen hebt.
—Aha, Anka heeft gebabbeld! Maar wat dat betreft, ik heb mijn duizend piasters al haast bijeen. Anka is echter met de hare nog lang zoo ver niet.
—Hoeveel ontbreken er nog aan uw spaarpot.
—Nog twee honderd.
—Hoe lang moet dat duren, voor gij die bijeen hebt?
—Nu, daar zal ik nog wel twee jaren voor noodig hebben. Ik moet geduld hebben. Stelen mag ik niet, en Habulam geeft maar heel weinig loon.
—Wat zoudt gij zeggen, als ik u die twee honderd piasters gaf?
—Maar, Heer, dat kunt gij toch niet meenen!
—Met iemand, die het zoo ernstig meent als gij, spreek ik ook in ernst. Ik wil u dat geld geven, en dan kunt gij uw Anka helpen sparen. Kom hier, daar is het.
Het waren ongeveer vierentwintig gulden. Ik gaf ze hem gaarne, want hij was een eerlijke oprechte jongen, en ook was het niet mijn geld, dat ik gaf. Hij was ontzettend blij; alleen kon hij niet begrijpen, dat een vreemde hem, zonder dat hij er iets voor doen zou, zooveel geld gaf. De eigenlijke reden zei ik hem natuurlijk niet. Mijn doel had ik echter bereikt, want ik had in Janik iemand gewonnen, dien ik volkomen kon vertrouwen en ons met al wat hij kon, zou bijstaan.
Hij gaf een ieder van ons de hand, met de verzekering, dat hij alles zou doen om onze tevredenheid te verdienen.
Ik begon hem nu voorzichtig over zijn heer uit te hooren, en ik kwam het navolgende te weten:
Habulam was de broeder van Manach el Barscha, den wegens verduistering voortvluchtigen ontvanger der belasting. Daarom was mij het gezicht van Habulam zoo bekend voorgekomen, want hij geleek sprekend op zijn broer. Manach kwam dikwijls bij zijn broer, en verschool zich, omdat hij hier te bekend was, alsdan in de groote koornschelf, die het dichtst bij onzen toren stond. Deze schuilplaats moest voor de knechten een geheim blijven, maar dezen kenden dat reeds lang. Natuurlijk zwegen zij er over. Ook had Habulam aan Janik gelast, om zooveel mogelijk bij ons te blijven en hem alles over te brengen wat wij onder elkaar mochten praten.
—Als hij er naar vraagt,—zeide ik,—zeg hem dan dat gij ons niet verstaat, want dat wij in een vreemde taal spreken, die gij niet kent.
—Dat zal wel het best zijn. Nu moet ik echter weg, want het eten zal klaar zijn.
Toen Janik ging, liet hij, zooals ik hem gezegd had, de deur openstaan, opdat ik de gevaarlijke koornschelf op mijn gemak zou kunnen bezien. Deze was van een tamelijken omvang, en juist tegenover ons; ook merkte ik onderaan een plek op, die iets afweek van de omgeving. Daar was ongetwijfeld de ingang. Boven uit den top van het trechtervormige dak stak een stok, waarin zich een stroowisch bevond, die misschien wel dienen moest om geheime teekens te geven.
Janik kwam al spoedig terug, met een groote mand. Hij zette het eten op tafel. Het bestond uit maïsbrood, koud vleesch en een warme verleidelijk riekende ommelet (Jumurta jemeki).
—Heer,—zeide hij,—Anka heeft mij toegefluisterd, dat gij u voor deJumurta jemekiin acht moest nemen.
—Heeft zij iets opgemerkt dat haar verdacht leek?
—Onze Heer heeft zelf er alles voor klaargemaakt, maar Anka eerst weggestuurd. Ze heeft echter door een kiertje gekeken en gezien dat hij het peperhuis metSytschan zehiri(rottekruid) uit zijn zak haalde.
—En was hij nu ook nog in de keuken?
—Ja, hij vroeg mij, waarover gij gesproken hadt, en ik antwoorddezooals gij mij gezegd hadt. Toen gelastte hij mij, erg vriendelijk tegen u te zijn en zooveel mogelijk met u te praten, opdat gij mij zoudt moeten antwoorden en misschien lust zou krijgen een gesprek met mij aan te knoopen. Hij heeft mij vijf piasters (60 cts.) fooi beloofd, voor als ik alles goed deed.
—Hebt ge soms lust om uw ziel voor vijf piasters aan den duivel te verkoopen?
—Voor geen duizend! Maar Anka laat u zeggen, dat gij zonder zorg van het vleesch en het brood kunt eten.
—Dan zullen wij haar raad opvolgen. DeJumurta jemekizal ik terstond de musschen eens laten proeven.
Wat keurige kamer wij hadden, blijkt uit het feit dat ons vertrek tot toevluchtsoord en onderdak van eenige musschen diende. Er waren enkele steenen uit de muren gevallen en in de daardoor ontstaan zijnde gaten bevonden zich de nesten van die brutale proletariërs, die niet eens zooveel gevoel, voor wat gebruikelijk was, bezaten, dat ze behoorlijke nesten maakten.
Die vroolijke musschen schenen voor ons in ’t geheel niet bang te zijn, want zij vlogen onophoudelijk in en uit, en zaten, van uit hun nest, zoo onbeschaamd mogelijk, te kijken.
Ik gooide eenige stukken van de ommelet in een hoek, en de vogels vlogen er op af, om er duchtig om te kibbelen. Of ze het eten hadden zien binnendragen, weet ik niet, maar wel zag ik dat nagenoeg alle tafelschuimers present waren. Het was buiten al mooi donker geworden, en een gerommel van uit de verte verkondigde ons de nadering van onweer.
—Breng ons een lamp,—zeide ik tot Janik,—en maak van die gelegenheid gebruik, om aan uw meester te zeggen, dat wij alle luiken dicht zullen maken!
—Waarom?
—Ja, dat zal hij wel vragen. Zeg hem, dat wij de spokende oude moeder het binnenkomen willen beletten.
Toen hij zich verwijderd had, klommen mijn vrienden vlug naar boven om de luiken ter dege te sluiten. Nauwelijks was dit gedaan of Janik kwam terug met een steenen lamp, waarin zóó weinig olie was dat ze binnen het uur moest uitgaan.
—Waarom brengt gij ons zoo weinig olie?—vroeg ik.
—Mijn Heer zei, gij zoudt wel spoedig gaan slapen. Maar Ankais ook niet dom! Zij heeft mij tersluiks dit fleschje meegegeven.
Hij haalde het fleschje uit zijn zak. Er was olie genoeg in, en hij gaf het mij.
—Dat is niet enkel gierigheid,—zeide ik. Onze gastheer Wil ons in ’t donker laten zitten; dan is men hulpeloos.
Een angstig gepiep en gesjilp deed mij naar de musschen kijken. Zij zaten met opgestoken veeren in hun nest, en het was duidelijk dat zij pijn hadden. Een vladderde uit zijn nest en viel op den grond, waar hij nog een paar malen met zijn vleugels sloeg en zich daarna niet meer bewoog. Hij was dood.
—Zoo gauw!—zeide Halef. Die schoft moet een geduchte portie vergift in de ommelet gedaan hebben!
—Er is ook heel wat voor noodig om vier sterke mannen metrottekruidte vergiftigen. Met ons zou het zeker niet zoo gauw gedaan geweest zijn, als met een musch. Dat mensch is niet alleen duivels slecht, maar ook verbazend dom. Hij moet gedacht hebben dat wij even gauw zouden bezwijken als die vogels, en dus geen tijd meer zouden hebben om ons te wreken.
Er lagen nu reeds meer vogels dood op den grond. De arme diertjes gingen mij wel aan het hart, maar ik had ze moeten opofferen om zekerheid te krijgen.
—Wat zult gij nu met de ommelet doen, Sihdi?—vroeg Halef. Zullen wij naar Habulam gaan en hem met zweepslagen dwingen zijn eigen ommelet op te eten?
—Het eerste gedeelte van uw voorstel neem ik aan, maar het laatste niet. Wij gaan terstond naar hem toe en nemen de ommelet mee, netjes gegarneerd met de doode vogels.
—Heer, doe dat niet,—bad Janik,—want dan loopt het slecht met mij af, omdat hij zal denken dat ik u gewaarschuwd heb.
—Daarin zullen wij hem te vlug af zijn. Wij zullen doen, alsof gij van ons een stuk hadt gekregen en opgegeten, zoodat gij nu van de pijn ligt te krimpen. Kunt gij dat veinzen en u goed houden, als hij soms komt kijken?
—Ik denk wel van ja.
—Laat dan de rest maar aan mij over. Kunt ge mij ook zeggen, waar wij Habulam zullen vinden?
—In zijn kabinet achter de ontvangkamer (Selamluk), waar gij met hem gezeten hebt. Gij ziet de deur terstond. Is hij niet daar,dan is hij in de keuken; want Anka vertelde mij, dat hij er bij wilde zijn als het avondeten voor u werd klaargemaakt (het Achscham).
—En waar is de keuken?
—Links van de plaatsdeur. Men heeft er u voorbij gereden. Pas echter op, dat hij u niet ziet aankomen, want dan schuilt hij weg.
Hij ging, en ook wij maakten ons op, ik natuurlijk in mijn wandelwagen. Halef bedong voor zich de pret, de ommelet te dragen, en hij hield die toegedekt onder een slip van zijn kaftan. Maar wij gingen niet over de binnenplaats. Wij liepen er om heen, om niet te gauw opgemerkt te worden.
Eerst zochten wij onzen gastheer in zijn particulier vertrek. Omdat de vloer met matten belegd was, kon men ons moeilijk hooren aankomen terwijl wij nog in de ontvangkamer waren. Osko deed de aangeduide deur open en trad naar binnen.
—Wat wilt gij?—hoorde ik Habulam verschrikt vragen.
Op hetzelfde oogenblik schoof Omar mij naar binnen. Toen Habulam mij zag, spreidde hij zijn tien vingers voor mij uit, en riep in doodelijken schrik:
—Hasa, si amahu Allah,—God beware mij, God behoede mij! Ga weg, ga weg! Gij hebt den boozen blik!
—Alleen voor mijn vijanden, maar niet voor u!—antwoordde ik.
—Neen, ik durf mij niet door u laten aankijken!
—Maak u niet bezorgd! Zoolang gij vriendelijk jegens mij gezind zijt, kunnen mijn oogen u geen kwaad doen.
—Dat geloof ik niet! Er uit, er uit!
Sidderend van angst had hij zich afgewend, om mij niet te moeten aankijken, en hield zijn handen naar de deur gestrekt.
—Murad Habulam,—zeide ik op strengen toon,—wat bezielt u? Behandelt men zijn gast ooit op zulk een manier? Ik zeg u dat mijn blik u volstrekt geen kwaad zal doen, en ik ga niet weg, voor ik met u besproken heb, wat mij tot u doet komen. Keer u dus gerust naar mij toe en kijk mij aan.
—Kunt gij mij bij Allah verzekeren, dat uw blik mij geen kwaad zal doen, ook al valt die op mij?
—Ik geef u die verzekering.
—Dan wil ik het wagen. Maar ik zeg u, dat mijn vinnigste vervloeking u zal treffen, als gij mij onheil aanbrengt.
—Die vervloeking zal mij niet treffen, want mijn oog zal slechts in vriendschap op u gericht zijn en u dus niet schaden.
Nu wendde hij zich naar mij toe. Maar de uitdrukking van zijn gelaat getuigde van zoo grooten angst, dat ik er mij ten zeerste in verheugde.
—Wat wilt gij van mij?—vroeg hij.
—Ik zou een kleine opheldering van u willen hebben, maar eerst u een vriendelijk verzoek willen doen. Het gebruik brengt mee, dat de gastheer het brood met zijn gasten deelt. Gij hebt dan niet kunnen doen, omdat het podagra u verhinderde, naar mij toe....
Ik zweeg plotseling, alsof ik eerst nu op zijn beenen lette. Inderdaad had ik terstond bij mijn komst bemerkt, dat de dikke omslagen verdwenen waren.
Hij stond recht overeind. De wijde broekspijpen hingen hem in breede plooien om de knieën, en de schrikbewegingen, die hij gemaakt had, waren zoo vlug en heftig geweest, dat er bij hem van eenige pijnlijke aandoening in de beenen geen sprake meer kon zijn. Daarom ging ik na een oogenblik van verbazing, aldus voort:
—Wat zie ik! Heeft Allah een wonder gedaan? Is uw krankheid geweken?
Hij was met zijn zoogenaamde wonderbare genezing, zóó verlegen, dat ik hem slechts eenige onverstaanbare woorden hoorde stamelen.
—En nu hadt gij nog wel angst voor mogelijk kwaad, dat mijn oog u doen zou?—ging ik voort.—Mijn blik brengt, aan die mij goed gezind zijn, niets dan geluk. Ik ben daarvan zóó overtuigd, dat ik uw plotselinge genezing uitsluitend aan mijn oog en aan mijn vriendschap voor u toeschrijf. Wee echter dengene, die kwaad tegen mij in den zin heeft! Mijn blik is voor hem een onuitputtelijke bron van allerlei rampen! Al ben ik op honderden mijlen van hem verwijderd, dan is een enkele gedachte aan hem genoeg, om al het kwade, dat ik hem toewensen, over hem te doen komen.
Daarmede had ik hem overvloedige stof voor een uitvlucht gegeven. Hij maakte daar terstond gebruik van, zeggende:
—Ja, Effendi, alleen daar kan het door gekomen zijn. Sedert jaren lijd ik aan die Nikris. Nauwlijks waart gij weg of ik bemerkte een onbeschrijfelijk gevoel in mijn beenen. Ik beproefde te loopen, en zie, het gelukte! Nog nooit in mijn leven heb ik mijzoo gezond en sterk gevoeld, als nu. Dat kan alleen uw blik hebben gedaan.
—Pas dan op, dat het ook zoo blijft! De verandering uwer gezindheid brengt ook verandering in uw welstand mee. Gij zoudt er dan slechter aan toe zijn dan ooit.
—Effendi, waarom zou ik van gezindheid jegens u veranderen? Gij hebt mij niet alleen geen kwaad gedaan, maar genezing aangebracht. Gij zijt mijn vriend en ik de uwe.
—Zoo is het en daarom heeft het mij zoo gespeten dat ik onzen maaltijd niet met u heb kunnen deelen. Gij zult echter van ons niet zeggen, dat wij de wetten der beleefdheid en der vriendschap niet kennen. Daarom komen wij om het lekkerste van onzen maaltijd hier te brengen, en u te verzoeken daarvan, in onze tegenwoordigheid te willen genieten. Wij willen toezien en ons van harte verblijden, als gij die heerlijke spijs ter onzer eere opeet. Hadschi Halef Omar, geef ze hier!
Halef nam de slip van zijn kaftan, van de ommelet weg, ging naar Habulam toe en bood hem die aan, met de woorden: Heer, neem deze spijs der gastvrijheid, en schenk ons het genot u die te zien eten, en zelfs te mogen toezien, hoe die u smaakt!
Er lagen zes doode musschen bovenop. Habulam keek verlegen van den een naar den ander en vroeg: