Het onzichtbare Koor(ruischt in den stormwind).Nooit, nooit wordt gij hem gelijk,…Want uit stof zijt gij geboren:Of zijn werk gij doet, of zwicht,Toch zijt gij voor goed verloren!Brand(herhaalt de woorden en zegt zacht:)Wee mij! ’k Moet het haast gelooven!Stond hij niet op ’t koor der kerk,Toornig mijn gebed afwijzend?Nam hij niet al wat ’k bezat,Sloot mij af den weg des lichts,Liet mij strijden tot het eind toeEn het onderspit mij delven!Het Koor(klinkt sterker boven hem).Nooit zult, worm, gij hem gelijken,…Tot den dood zijt gij gedoemd;Gij moogt volgen hem of wijken,Altijd blijft uw doen verdoemd!Brand(in zichzelf).Agnes, Alf, de lichte dagen,’n Leven in geluk en rust,Ruilde ik voor strijd en jammer,Wondde bloedig mij de borst,…Heb toch niet den draak verslagen!Het Koor(zacht en lokkend).Droomer, nooit wordt gij als hij,Have en goed hebt gij verloren;Offers maken hèm niet rijk;…Want als mensch zijt gij geboren!Brand(barst in zacht schreien uit).Alf en Agnes, komt weer bij mij:Eenzaam zit ’k hier op den top,Huivrend in den wind, met spokenWild en somber, om mij heen!…(Hij kijkt op; een lichtschemerende plek opent en verwijdt zich in den nevel; eene vrouwelijke gedaante staat voor hem in een licht gewaad en een mantel om de schouders. Het is Agnes).De Gedaante(glimlacht en breidt de armen naar hem uit).Brand, hier heb je mij terug!Brand(springt verward op).Agnes! Agnes! ben je ’t waarlijk!De Gedaante.Alles was een booze droom!Nù verdwijnen alle neev’len!Brand.Agnes! Agnes!(wil naar haar toe).De Gedaante(gilt).Agnes! Agnes!Niet hier over!Zie je niet die diepe kloof,Waardoor ’t woeste water stroomt?(zacht).Neen, je droomt niet, neen je slaapt niet,Ziet nu geen visioenen meer.Ziek ben je geweest, mijn liefste,Dronk des waanzins bittren drank,Droomde dat wij je verlieten …Brand.O, je leeft dus! God zij lof en …!De Gedaante(snel).Stil, spreek daarvan liever later!Volg mij, kom, de tijd is kort maar.Brand.O, maar Alf?De Gedaante.O, maar Alf?Is ook niet dood.Brand.Leeft hij?!De Gedaante.Leeft hij?!Ja, gezond en frisch!Al dat leed heb je gedroomd;Al je strijd … bedrog en waan.Alf zit op grootmoeders schoot;Zij is flink en hij wordt groot.Ook de kerk staat nog in ’t dorp;Bouw een grootre, als je ’t wilt;…En het volk slooft daar benedenAls in de oude, goede dagen.Brand.Goede?De Gedaante.Goede?Ja … toen vrede heerschte.Brand.Vrede!De Gedaante.Vrede!Haast je, Brand, kom meê!Brand.Ach, ik droom!De Gedaante.Ach, ik droom!Neen, nu niet meer.Maar aan rust heb je behoefte …Brand.Ik ben sterk.De Gedaante.Ik ben sterk.Och, nu nog niet;’t Droomgevaar ligt op de loer.Weer zal je als een schim verglijden,Weg van ’t kind en mijne zijde,Weer versombert dan je geest,Wil je ’t middel niet gebruiken.Brand.O, geef hier dan!De Gedaante.O, geef hier dan!Jij bezit het,Jij alleen, en niemand anders.Brand.Noem het dan!De Gedaante.Noem het dan!De oude dokterDie er las zoo menig boek,…Die zoo knap is door en door,Heeft de ziektekiem gevonden.Alle droeve droomgezichtenKomen uitdrie woordenvoort.Diedrie moet je dapper schrappen,Moet ze uit je geheugen wisschen,Ze niet meer als wet doen gelden.Diezijn schuld van de visioenen,Die als waanzin je overvielen;…Doe ze weg, zal rein je ziel zijnEn bevrijd van pijn en ziekte!Brand.Zeg ze!De Gedaante.Zeg ze!“Nietsofalles.”Brand(wijkt terug).Zeg ze! “Nietsofalles.”Dàt?Is het dat?De Gedaante.Is het dat?Zoo waar ik leef ja,En zoo waar jij eenmaal sterft.Brand.Wee ons beiden! ’t Dreigend zwaard hangtNog als vroeger boven ons!De Gedaante.Brand, wees goed … ik heb je lief;Klem mij in je sterke armen …Laat ons zon en zomer zoeken …Brand.Neen, mijn ziekte komt niet weer.De Gedaante.Ja, helaas, die komt terug.Brand(het hoofd schuddend).Neen, die ligt nu achter mij.Nu geen wilde droomen meer,…Nu komt ’t rijke, volle leven!De Gedaante.’t Leven?Brand.’t Leven?Volg mij, Agnes!De Gedaante.’t Leven? Volg mij, Agnes!Wacht!Brand, wat wil je?Brand.Brand, wat wil je?Wat ikmoet:Levenwat ’k tot nog toedroomde,…Doenin waarheid, wat maar waan was.De Gedaante.O, onmooglijk! Denk waarheenDat je voerde!Brand.Dat je voerde!Tòch nog eens!De Gedaante.Al die vreeslijke visioenenWil je uit vrijen wil doorleven?Brand.Vrij en wakker.De Gedaante.Vrij en wakker.’t Kind verliezen?Brand.’t Kind verliezen.De Gedaante.’t Kind verliezen.Brand!Brand.’t Kind verliezen. Brand!Ik moet!De Gedaante.Weer het bloed mij doen verstijven?Mij met offergeesels slaanTot ’k bezwijk?Brand.Tot ’k bezwijk?Ik moest het doen.De Gedaante.Alle licht in nacht uitdooven,’t Zonnig daglicht buiten sluiten,Nooit van ’s levens vruchten plukken,Nooit je ziel door zang verblijden?O, ’k herinner mij zoo veel!Brand.’k Moet! Verspil je smeeken niet.De Gedaante.En vergeet je dan je loon?Hoe je hoop je heeft bedrogen?Eenzaam bleef je … werd geslagen!Brand.Niet voormijheb ik geleden,Niet vooreigenzege streed ik.De Gedaante.Voor een volk dat leeft in ’t duister.Brand.Eén kan licht aan velen geven.De Gedaante.Aan veroordeelde geslachten!Brand.Veel kan soms de wil van één doen.De Gedaante.Denk hoe één met vlammenroedeDreef den mensch uit ’t Paradijs!En de poort heeft hij gesloten;…Dáár komt niemand over heen!Brand.Open bleef ’t pad vanverlangen!De Gedaante(verdwijnt in een donderslag; de mist vult de plaats waar zij stond, en een scherpe, snijdende kreet weerklinkt, als van iemand die wegvlucht:)Sterf! Wat doe je hier op aarde!Brand(staat een oogenblik als bedwelmd).Weg … verdwenen in de mist,…Vlood op groote zwarte wiekenAls een gier over de vlakte.’t Was het vragen van een pinkOm de heele hand te krijgen!…Ja, dat was de geest der halfheid!Gerd(komt op met een buks).Zag je nu den havik vluchten?Brand.Ja, nu heb ik hem gezien.Gerd.Zeg mij, gauw, waarheen hij vloog;’k Wil hem na, ik wil hem raken!Brand.Op hèm heeft geen wapen vat;Telkens meent men hem te rakenIn het hart, met ’t moordend lood,…Maar als men hem af wil maken,Zit hij spottend en brutaalAchter je, en vliegt weer weg.Gerd.’k Stal hier deze jagersbuks,Laadde haar met lood en zilver;G’loof maar dat ’k zoo gek niet benAls ze zeggen!Brand.Als ze zeggen!Tref je doel dan!(wil gaan).Gerd.Je loopt mank … hoe ’s dat gekomen?Wat gebeurde er?Brand.Wat gebeurde er?’t Volk verjoeg mij.Gerd(dichterbij).Roode bloeddroppels bedekkenOok je voorhoofd!Brand.Ook je voorhoofd!’t Volk wierp steenen.Gerd.Vroeger klonk je stem als zingen.…Knarsend nu, als krakend herfstloof.Brand.Allen … alles …Gerd.Allen … alles …Wat?Brand.Allen … alles … Wat?Ontviel mij.Gerd(kijkt hem met groote oogen aan).O, nu weet ik wie je bent!’k Dacht dat je de priester was;… Bah, die heele priesterrommel!…Maar jij bent de allergrootste!Brand.Bijna viel ’k dien waan ten offer.Gerd.Laat mij toch je handen zien!Brand.Waartoe dàt?Gerd.Waartoe dàt?De nagelmerken!’k Zie je bloed langs ’t voorhoofd drupp’len.Door der scherpe doornen tanden,Diep en woest in ’t vleesch gedrukt.Ja, aan ’t kruis heb je gehangen!Vader zei, toen ik nog klein was,Hoe dat eertijds was gebeurd,Ver van hier en met een ander;…Maar nu zie ’k, dat was een sprookje;…Ja, want jij bent de Verlosser!Brand.Wijk van mij!Gerd.Wijk van mij!O, moet ik danBiddend knielen aan je voeten?Brand.Weg!Gerd.Weg!Jij gàf immers je bloedTer verlossing van ons allen!Brand.O, ik weet geen reddingsplankVoor mijn eigen arme ziel!Gerd.Hier de buks! Schiet neer ’t gebroedsel!…Brand(schudt het hoofd).Neen, ik moet mijn lot volbrengen.Gerd.Zeg dat niet; jij bent de grootste!In je hand is ’t nagelmerk;…Uitverkoren, de Verlosser!Brand.De allerminste is ’t nog eer!Gerd(kijkt naar boven; de wolken scheuren).Weet je waar je staat?Brand(staart voor zich uit).Weet je waar je staat?Ik staAan de laagste sport der ladder,Ziel en lichaam zwaar gewond.Gerd(wilder).Antwoord! Weet je waar staat?Brand.Ja, nu valt de nevelsluier.Gerd.Ja, die valt: de Zwarte TopBoort zijn spits diep in den hemel!Brand.Zwarte Top? De ijskerk!Gerd.Zwarte Top? De ijskerk!Ja!Eindelijk ben je er toch gekomen!Brand.Duizend mijlen weg van hier!…O, hoe zielsverlangend smacht ikNaar de zon, naar licht en zachtheid,Naar een vromen, stillen vrede,Naar des levens zomerwarmte!(barst in tranen uit).Jezus, ’k riep zoo vaak uw naam,Nooit zijt gij tot mij gekomen;Zijt dicht langs mij heen gegleden,Als een half vergeten woord;Laat mij nu van ’t heilsgewaad,Nat van wijn der ware boete,Grijpen ’n enkel tipje maar!Gerd(bleek).Wat? Jij, Ziener, schreit, dat warmTranen langs je wangen stroomen,…Warm, dat droppels van hun lijkwâZachtjes glijden van de toppen,…Warm, dat van mijn ziel de ijskorstSmelt, en zich in tranen oplost,…Warm, dat ’t sneeuw-miskleed in flardenVan den ijskerk-priester afglijdt …(bevend).Waarom schreide je niet eerder!Brand(met helder oog, stralend en als verjongd).IJskoû gaat er van de wet uit …Zonder zomerzon van bovenBen ’k, tot heden, slechts geblevenDrager van Gods strenge wetten;…Nu, van dit uur, zal mijn levenWarm en rijk het zonlicht zoeken.De ijskorst smelt. Nu kan ik schreien,Kan ik knielen,… kan ik bidden.(Valt op de knieën).Gerd(kijkt schuin naar boven en zegt zacht en schuw).Kijk, daar zit hij weer, de booze!Zie je niet zijn schaduw vallen?Zie, hoe hij langs hooge toppenMet zijn breede wieken schuurt.Nù is ’t reddingsuur nabij …Als nu ’t zilver maar wil bijten!(Legt de buks tegen haar wang en schiet. Een dof gedreun, als van rollenden donder, weerklinkt van boven af langs de helling).Brand(komt overeind).Ha! Wat doe je?Gerd.Ha! Wat doe je?Goed geraakt!Kijk, hij wankelt,… hij gaat vallen;Hoor, hij schreeuwt, dat ’t gillend doorklinkt!Kijk eens, kijk, hoe al zijn veerenStuiven langs den berg als vlokken,Kijk, hoe groot en wit hij wordt!…Hei, nu rolt hij nog hierheen!Brand(zakt in elkaar).Ja, tot boete voor ’t geslachtZijn veroordeeld àlle telgen!Gerd.Tienmaal wijder werd ’t gewelfVan den hemel, toen hij viel!Kijk hem tuimlen! Kijk hem rollen!…O, nu ben ’k niet langer bang;Hij is wit nu, als een duif …!(gilt in angst).Huuh! wat een verwoed gebulder!(werpt zich neer in de sneeuw).Brand(kromt zich onder de neerstortende lawine, naar boven roepend:)Antwoord God, in ’t uur des doods:Heeft geen greintje waarde danVan den wil hetquantum satis…?(De lawine begraaft hem en vult het heele dal).Een Stem(klinkt door den rommelenden donder heen:)Hij isDeus caritatis!EINDE VAN HET VIJFDE EN LAATSTE BEDRIJF.
Het onzichtbare Koor(ruischt in den stormwind).Nooit, nooit wordt gij hem gelijk,…Want uit stof zijt gij geboren:Of zijn werk gij doet, of zwicht,Toch zijt gij voor goed verloren!Brand(herhaalt de woorden en zegt zacht:)Wee mij! ’k Moet het haast gelooven!Stond hij niet op ’t koor der kerk,Toornig mijn gebed afwijzend?Nam hij niet al wat ’k bezat,Sloot mij af den weg des lichts,Liet mij strijden tot het eind toeEn het onderspit mij delven!Het Koor(klinkt sterker boven hem).Nooit zult, worm, gij hem gelijken,…Tot den dood zijt gij gedoemd;Gij moogt volgen hem of wijken,Altijd blijft uw doen verdoemd!Brand(in zichzelf).Agnes, Alf, de lichte dagen,’n Leven in geluk en rust,Ruilde ik voor strijd en jammer,Wondde bloedig mij de borst,…Heb toch niet den draak verslagen!Het Koor(zacht en lokkend).Droomer, nooit wordt gij als hij,Have en goed hebt gij verloren;Offers maken hèm niet rijk;…Want als mensch zijt gij geboren!Brand(barst in zacht schreien uit).Alf en Agnes, komt weer bij mij:Eenzaam zit ’k hier op den top,Huivrend in den wind, met spokenWild en somber, om mij heen!…(Hij kijkt op; een lichtschemerende plek opent en verwijdt zich in den nevel; eene vrouwelijke gedaante staat voor hem in een licht gewaad en een mantel om de schouders. Het is Agnes).De Gedaante(glimlacht en breidt de armen naar hem uit).Brand, hier heb je mij terug!Brand(springt verward op).Agnes! Agnes! ben je ’t waarlijk!De Gedaante.Alles was een booze droom!Nù verdwijnen alle neev’len!Brand.Agnes! Agnes!(wil naar haar toe).De Gedaante(gilt).Agnes! Agnes!Niet hier over!Zie je niet die diepe kloof,Waardoor ’t woeste water stroomt?(zacht).Neen, je droomt niet, neen je slaapt niet,Ziet nu geen visioenen meer.Ziek ben je geweest, mijn liefste,Dronk des waanzins bittren drank,Droomde dat wij je verlieten …Brand.O, je leeft dus! God zij lof en …!De Gedaante(snel).Stil, spreek daarvan liever later!Volg mij, kom, de tijd is kort maar.Brand.O, maar Alf?De Gedaante.O, maar Alf?Is ook niet dood.Brand.Leeft hij?!De Gedaante.Leeft hij?!Ja, gezond en frisch!Al dat leed heb je gedroomd;Al je strijd … bedrog en waan.Alf zit op grootmoeders schoot;Zij is flink en hij wordt groot.Ook de kerk staat nog in ’t dorp;Bouw een grootre, als je ’t wilt;…En het volk slooft daar benedenAls in de oude, goede dagen.Brand.Goede?De Gedaante.Goede?Ja … toen vrede heerschte.Brand.Vrede!De Gedaante.Vrede!Haast je, Brand, kom meê!Brand.Ach, ik droom!De Gedaante.Ach, ik droom!Neen, nu niet meer.Maar aan rust heb je behoefte …Brand.Ik ben sterk.De Gedaante.Ik ben sterk.Och, nu nog niet;’t Droomgevaar ligt op de loer.Weer zal je als een schim verglijden,Weg van ’t kind en mijne zijde,Weer versombert dan je geest,Wil je ’t middel niet gebruiken.Brand.O, geef hier dan!De Gedaante.O, geef hier dan!Jij bezit het,Jij alleen, en niemand anders.Brand.Noem het dan!De Gedaante.Noem het dan!De oude dokterDie er las zoo menig boek,…Die zoo knap is door en door,Heeft de ziektekiem gevonden.Alle droeve droomgezichtenKomen uitdrie woordenvoort.Diedrie moet je dapper schrappen,Moet ze uit je geheugen wisschen,Ze niet meer als wet doen gelden.Diezijn schuld van de visioenen,Die als waanzin je overvielen;…Doe ze weg, zal rein je ziel zijnEn bevrijd van pijn en ziekte!Brand.Zeg ze!De Gedaante.Zeg ze!“Nietsofalles.”Brand(wijkt terug).Zeg ze! “Nietsofalles.”Dàt?Is het dat?De Gedaante.Is het dat?Zoo waar ik leef ja,En zoo waar jij eenmaal sterft.Brand.Wee ons beiden! ’t Dreigend zwaard hangtNog als vroeger boven ons!De Gedaante.Brand, wees goed … ik heb je lief;Klem mij in je sterke armen …Laat ons zon en zomer zoeken …Brand.Neen, mijn ziekte komt niet weer.De Gedaante.Ja, helaas, die komt terug.Brand(het hoofd schuddend).Neen, die ligt nu achter mij.Nu geen wilde droomen meer,…Nu komt ’t rijke, volle leven!De Gedaante.’t Leven?Brand.’t Leven?Volg mij, Agnes!De Gedaante.’t Leven? Volg mij, Agnes!Wacht!Brand, wat wil je?Brand.Brand, wat wil je?Wat ikmoet:Levenwat ’k tot nog toedroomde,…Doenin waarheid, wat maar waan was.De Gedaante.O, onmooglijk! Denk waarheenDat je voerde!Brand.Dat je voerde!Tòch nog eens!De Gedaante.Al die vreeslijke visioenenWil je uit vrijen wil doorleven?Brand.Vrij en wakker.De Gedaante.Vrij en wakker.’t Kind verliezen?Brand.’t Kind verliezen.De Gedaante.’t Kind verliezen.Brand!Brand.’t Kind verliezen. Brand!Ik moet!De Gedaante.Weer het bloed mij doen verstijven?Mij met offergeesels slaanTot ’k bezwijk?Brand.Tot ’k bezwijk?Ik moest het doen.De Gedaante.Alle licht in nacht uitdooven,’t Zonnig daglicht buiten sluiten,Nooit van ’s levens vruchten plukken,Nooit je ziel door zang verblijden?O, ’k herinner mij zoo veel!Brand.’k Moet! Verspil je smeeken niet.De Gedaante.En vergeet je dan je loon?Hoe je hoop je heeft bedrogen?Eenzaam bleef je … werd geslagen!Brand.Niet voormijheb ik geleden,Niet vooreigenzege streed ik.De Gedaante.Voor een volk dat leeft in ’t duister.Brand.Eén kan licht aan velen geven.De Gedaante.Aan veroordeelde geslachten!Brand.Veel kan soms de wil van één doen.De Gedaante.Denk hoe één met vlammenroedeDreef den mensch uit ’t Paradijs!En de poort heeft hij gesloten;…Dáár komt niemand over heen!Brand.Open bleef ’t pad vanverlangen!De Gedaante(verdwijnt in een donderslag; de mist vult de plaats waar zij stond, en een scherpe, snijdende kreet weerklinkt, als van iemand die wegvlucht:)Sterf! Wat doe je hier op aarde!Brand(staat een oogenblik als bedwelmd).Weg … verdwenen in de mist,…Vlood op groote zwarte wiekenAls een gier over de vlakte.’t Was het vragen van een pinkOm de heele hand te krijgen!…Ja, dat was de geest der halfheid!Gerd(komt op met een buks).Zag je nu den havik vluchten?Brand.Ja, nu heb ik hem gezien.Gerd.Zeg mij, gauw, waarheen hij vloog;’k Wil hem na, ik wil hem raken!Brand.Op hèm heeft geen wapen vat;Telkens meent men hem te rakenIn het hart, met ’t moordend lood,…Maar als men hem af wil maken,Zit hij spottend en brutaalAchter je, en vliegt weer weg.Gerd.’k Stal hier deze jagersbuks,Laadde haar met lood en zilver;G’loof maar dat ’k zoo gek niet benAls ze zeggen!Brand.Als ze zeggen!Tref je doel dan!(wil gaan).Gerd.Je loopt mank … hoe ’s dat gekomen?Wat gebeurde er?Brand.Wat gebeurde er?’t Volk verjoeg mij.Gerd(dichterbij).Roode bloeddroppels bedekkenOok je voorhoofd!Brand.Ook je voorhoofd!’t Volk wierp steenen.Gerd.Vroeger klonk je stem als zingen.…Knarsend nu, als krakend herfstloof.Brand.Allen … alles …Gerd.Allen … alles …Wat?Brand.Allen … alles … Wat?Ontviel mij.Gerd(kijkt hem met groote oogen aan).O, nu weet ik wie je bent!’k Dacht dat je de priester was;… Bah, die heele priesterrommel!…Maar jij bent de allergrootste!Brand.Bijna viel ’k dien waan ten offer.Gerd.Laat mij toch je handen zien!Brand.Waartoe dàt?Gerd.Waartoe dàt?De nagelmerken!’k Zie je bloed langs ’t voorhoofd drupp’len.Door der scherpe doornen tanden,Diep en woest in ’t vleesch gedrukt.Ja, aan ’t kruis heb je gehangen!Vader zei, toen ik nog klein was,Hoe dat eertijds was gebeurd,Ver van hier en met een ander;…Maar nu zie ’k, dat was een sprookje;…Ja, want jij bent de Verlosser!Brand.Wijk van mij!Gerd.Wijk van mij!O, moet ik danBiddend knielen aan je voeten?Brand.Weg!Gerd.Weg!Jij gàf immers je bloedTer verlossing van ons allen!Brand.O, ik weet geen reddingsplankVoor mijn eigen arme ziel!Gerd.Hier de buks! Schiet neer ’t gebroedsel!…Brand(schudt het hoofd).Neen, ik moet mijn lot volbrengen.Gerd.Zeg dat niet; jij bent de grootste!In je hand is ’t nagelmerk;…Uitverkoren, de Verlosser!Brand.De allerminste is ’t nog eer!Gerd(kijkt naar boven; de wolken scheuren).Weet je waar je staat?Brand(staart voor zich uit).Weet je waar je staat?Ik staAan de laagste sport der ladder,Ziel en lichaam zwaar gewond.Gerd(wilder).Antwoord! Weet je waar staat?Brand.Ja, nu valt de nevelsluier.Gerd.Ja, die valt: de Zwarte TopBoort zijn spits diep in den hemel!Brand.Zwarte Top? De ijskerk!Gerd.Zwarte Top? De ijskerk!Ja!Eindelijk ben je er toch gekomen!Brand.Duizend mijlen weg van hier!…O, hoe zielsverlangend smacht ikNaar de zon, naar licht en zachtheid,Naar een vromen, stillen vrede,Naar des levens zomerwarmte!(barst in tranen uit).Jezus, ’k riep zoo vaak uw naam,Nooit zijt gij tot mij gekomen;Zijt dicht langs mij heen gegleden,Als een half vergeten woord;Laat mij nu van ’t heilsgewaad,Nat van wijn der ware boete,Grijpen ’n enkel tipje maar!Gerd(bleek).Wat? Jij, Ziener, schreit, dat warmTranen langs je wangen stroomen,…Warm, dat droppels van hun lijkwâZachtjes glijden van de toppen,…Warm, dat van mijn ziel de ijskorstSmelt, en zich in tranen oplost,…Warm, dat ’t sneeuw-miskleed in flardenVan den ijskerk-priester afglijdt …(bevend).Waarom schreide je niet eerder!Brand(met helder oog, stralend en als verjongd).IJskoû gaat er van de wet uit …Zonder zomerzon van bovenBen ’k, tot heden, slechts geblevenDrager van Gods strenge wetten;…Nu, van dit uur, zal mijn levenWarm en rijk het zonlicht zoeken.De ijskorst smelt. Nu kan ik schreien,Kan ik knielen,… kan ik bidden.(Valt op de knieën).Gerd(kijkt schuin naar boven en zegt zacht en schuw).Kijk, daar zit hij weer, de booze!Zie je niet zijn schaduw vallen?Zie, hoe hij langs hooge toppenMet zijn breede wieken schuurt.Nù is ’t reddingsuur nabij …Als nu ’t zilver maar wil bijten!(Legt de buks tegen haar wang en schiet. Een dof gedreun, als van rollenden donder, weerklinkt van boven af langs de helling).Brand(komt overeind).Ha! Wat doe je?Gerd.Ha! Wat doe je?Goed geraakt!Kijk, hij wankelt,… hij gaat vallen;Hoor, hij schreeuwt, dat ’t gillend doorklinkt!Kijk eens, kijk, hoe al zijn veerenStuiven langs den berg als vlokken,Kijk, hoe groot en wit hij wordt!…Hei, nu rolt hij nog hierheen!Brand(zakt in elkaar).Ja, tot boete voor ’t geslachtZijn veroordeeld àlle telgen!Gerd.Tienmaal wijder werd ’t gewelfVan den hemel, toen hij viel!Kijk hem tuimlen! Kijk hem rollen!…O, nu ben ’k niet langer bang;Hij is wit nu, als een duif …!(gilt in angst).Huuh! wat een verwoed gebulder!(werpt zich neer in de sneeuw).Brand(kromt zich onder de neerstortende lawine, naar boven roepend:)Antwoord God, in ’t uur des doods:Heeft geen greintje waarde danVan den wil hetquantum satis…?(De lawine begraaft hem en vult het heele dal).Een Stem(klinkt door den rommelenden donder heen:)Hij isDeus caritatis!EINDE VAN HET VIJFDE EN LAATSTE BEDRIJF.
Het onzichtbare Koor(ruischt in den stormwind).Nooit, nooit wordt gij hem gelijk,…Want uit stof zijt gij geboren:Of zijn werk gij doet, of zwicht,Toch zijt gij voor goed verloren!Brand(herhaalt de woorden en zegt zacht:)Wee mij! ’k Moet het haast gelooven!Stond hij niet op ’t koor der kerk,Toornig mijn gebed afwijzend?Nam hij niet al wat ’k bezat,Sloot mij af den weg des lichts,Liet mij strijden tot het eind toeEn het onderspit mij delven!Het Koor(klinkt sterker boven hem).Nooit zult, worm, gij hem gelijken,…Tot den dood zijt gij gedoemd;Gij moogt volgen hem of wijken,Altijd blijft uw doen verdoemd!Brand(in zichzelf).Agnes, Alf, de lichte dagen,’n Leven in geluk en rust,Ruilde ik voor strijd en jammer,Wondde bloedig mij de borst,…Heb toch niet den draak verslagen!Het Koor(zacht en lokkend).Droomer, nooit wordt gij als hij,Have en goed hebt gij verloren;Offers maken hèm niet rijk;…Want als mensch zijt gij geboren!Brand(barst in zacht schreien uit).Alf en Agnes, komt weer bij mij:Eenzaam zit ’k hier op den top,Huivrend in den wind, met spokenWild en somber, om mij heen!…(Hij kijkt op; een lichtschemerende plek opent en verwijdt zich in den nevel; eene vrouwelijke gedaante staat voor hem in een licht gewaad en een mantel om de schouders. Het is Agnes).De Gedaante(glimlacht en breidt de armen naar hem uit).Brand, hier heb je mij terug!Brand(springt verward op).Agnes! Agnes! ben je ’t waarlijk!De Gedaante.Alles was een booze droom!Nù verdwijnen alle neev’len!Brand.Agnes! Agnes!(wil naar haar toe).De Gedaante(gilt).Agnes! Agnes!Niet hier over!Zie je niet die diepe kloof,Waardoor ’t woeste water stroomt?(zacht).Neen, je droomt niet, neen je slaapt niet,Ziet nu geen visioenen meer.Ziek ben je geweest, mijn liefste,Dronk des waanzins bittren drank,Droomde dat wij je verlieten …Brand.O, je leeft dus! God zij lof en …!De Gedaante(snel).Stil, spreek daarvan liever later!Volg mij, kom, de tijd is kort maar.Brand.O, maar Alf?De Gedaante.O, maar Alf?Is ook niet dood.Brand.Leeft hij?!De Gedaante.Leeft hij?!Ja, gezond en frisch!Al dat leed heb je gedroomd;Al je strijd … bedrog en waan.Alf zit op grootmoeders schoot;Zij is flink en hij wordt groot.Ook de kerk staat nog in ’t dorp;Bouw een grootre, als je ’t wilt;…En het volk slooft daar benedenAls in de oude, goede dagen.Brand.Goede?De Gedaante.Goede?Ja … toen vrede heerschte.Brand.Vrede!De Gedaante.Vrede!Haast je, Brand, kom meê!Brand.Ach, ik droom!De Gedaante.Ach, ik droom!Neen, nu niet meer.Maar aan rust heb je behoefte …Brand.Ik ben sterk.De Gedaante.Ik ben sterk.Och, nu nog niet;’t Droomgevaar ligt op de loer.Weer zal je als een schim verglijden,Weg van ’t kind en mijne zijde,Weer versombert dan je geest,Wil je ’t middel niet gebruiken.Brand.O, geef hier dan!De Gedaante.O, geef hier dan!Jij bezit het,Jij alleen, en niemand anders.Brand.Noem het dan!De Gedaante.Noem het dan!De oude dokterDie er las zoo menig boek,…Die zoo knap is door en door,Heeft de ziektekiem gevonden.Alle droeve droomgezichtenKomen uitdrie woordenvoort.Diedrie moet je dapper schrappen,Moet ze uit je geheugen wisschen,Ze niet meer als wet doen gelden.Diezijn schuld van de visioenen,Die als waanzin je overvielen;…Doe ze weg, zal rein je ziel zijnEn bevrijd van pijn en ziekte!Brand.Zeg ze!De Gedaante.Zeg ze!“Nietsofalles.”Brand(wijkt terug).Zeg ze! “Nietsofalles.”Dàt?Is het dat?De Gedaante.Is het dat?Zoo waar ik leef ja,En zoo waar jij eenmaal sterft.Brand.Wee ons beiden! ’t Dreigend zwaard hangtNog als vroeger boven ons!De Gedaante.Brand, wees goed … ik heb je lief;Klem mij in je sterke armen …Laat ons zon en zomer zoeken …Brand.Neen, mijn ziekte komt niet weer.De Gedaante.Ja, helaas, die komt terug.Brand(het hoofd schuddend).Neen, die ligt nu achter mij.Nu geen wilde droomen meer,…Nu komt ’t rijke, volle leven!De Gedaante.’t Leven?Brand.’t Leven?Volg mij, Agnes!De Gedaante.’t Leven? Volg mij, Agnes!Wacht!Brand, wat wil je?Brand.Brand, wat wil je?Wat ikmoet:Levenwat ’k tot nog toedroomde,…Doenin waarheid, wat maar waan was.De Gedaante.O, onmooglijk! Denk waarheenDat je voerde!Brand.Dat je voerde!Tòch nog eens!De Gedaante.Al die vreeslijke visioenenWil je uit vrijen wil doorleven?Brand.Vrij en wakker.De Gedaante.Vrij en wakker.’t Kind verliezen?Brand.’t Kind verliezen.De Gedaante.’t Kind verliezen.Brand!Brand.’t Kind verliezen. Brand!Ik moet!De Gedaante.Weer het bloed mij doen verstijven?Mij met offergeesels slaanTot ’k bezwijk?Brand.Tot ’k bezwijk?Ik moest het doen.De Gedaante.Alle licht in nacht uitdooven,’t Zonnig daglicht buiten sluiten,Nooit van ’s levens vruchten plukken,Nooit je ziel door zang verblijden?O, ’k herinner mij zoo veel!Brand.’k Moet! Verspil je smeeken niet.De Gedaante.En vergeet je dan je loon?Hoe je hoop je heeft bedrogen?Eenzaam bleef je … werd geslagen!Brand.Niet voormijheb ik geleden,Niet vooreigenzege streed ik.De Gedaante.Voor een volk dat leeft in ’t duister.Brand.Eén kan licht aan velen geven.De Gedaante.Aan veroordeelde geslachten!Brand.Veel kan soms de wil van één doen.De Gedaante.Denk hoe één met vlammenroedeDreef den mensch uit ’t Paradijs!En de poort heeft hij gesloten;…Dáár komt niemand over heen!Brand.Open bleef ’t pad vanverlangen!De Gedaante(verdwijnt in een donderslag; de mist vult de plaats waar zij stond, en een scherpe, snijdende kreet weerklinkt, als van iemand die wegvlucht:)Sterf! Wat doe je hier op aarde!Brand(staat een oogenblik als bedwelmd).Weg … verdwenen in de mist,…Vlood op groote zwarte wiekenAls een gier over de vlakte.’t Was het vragen van een pinkOm de heele hand te krijgen!…Ja, dat was de geest der halfheid!Gerd(komt op met een buks).Zag je nu den havik vluchten?Brand.Ja, nu heb ik hem gezien.Gerd.Zeg mij, gauw, waarheen hij vloog;’k Wil hem na, ik wil hem raken!Brand.Op hèm heeft geen wapen vat;Telkens meent men hem te rakenIn het hart, met ’t moordend lood,…Maar als men hem af wil maken,Zit hij spottend en brutaalAchter je, en vliegt weer weg.Gerd.’k Stal hier deze jagersbuks,Laadde haar met lood en zilver;G’loof maar dat ’k zoo gek niet benAls ze zeggen!Brand.Als ze zeggen!Tref je doel dan!(wil gaan).Gerd.Je loopt mank … hoe ’s dat gekomen?Wat gebeurde er?Brand.Wat gebeurde er?’t Volk verjoeg mij.Gerd(dichterbij).Roode bloeddroppels bedekkenOok je voorhoofd!Brand.Ook je voorhoofd!’t Volk wierp steenen.Gerd.Vroeger klonk je stem als zingen.…Knarsend nu, als krakend herfstloof.Brand.Allen … alles …Gerd.Allen … alles …Wat?Brand.Allen … alles … Wat?Ontviel mij.Gerd(kijkt hem met groote oogen aan).O, nu weet ik wie je bent!’k Dacht dat je de priester was;… Bah, die heele priesterrommel!…Maar jij bent de allergrootste!Brand.Bijna viel ’k dien waan ten offer.Gerd.Laat mij toch je handen zien!Brand.Waartoe dàt?Gerd.Waartoe dàt?De nagelmerken!’k Zie je bloed langs ’t voorhoofd drupp’len.Door der scherpe doornen tanden,Diep en woest in ’t vleesch gedrukt.Ja, aan ’t kruis heb je gehangen!Vader zei, toen ik nog klein was,Hoe dat eertijds was gebeurd,Ver van hier en met een ander;…Maar nu zie ’k, dat was een sprookje;…Ja, want jij bent de Verlosser!Brand.Wijk van mij!Gerd.Wijk van mij!O, moet ik danBiddend knielen aan je voeten?Brand.Weg!Gerd.Weg!Jij gàf immers je bloedTer verlossing van ons allen!Brand.O, ik weet geen reddingsplankVoor mijn eigen arme ziel!Gerd.Hier de buks! Schiet neer ’t gebroedsel!…Brand(schudt het hoofd).Neen, ik moet mijn lot volbrengen.Gerd.Zeg dat niet; jij bent de grootste!In je hand is ’t nagelmerk;…Uitverkoren, de Verlosser!Brand.De allerminste is ’t nog eer!Gerd(kijkt naar boven; de wolken scheuren).Weet je waar je staat?Brand(staart voor zich uit).Weet je waar je staat?Ik staAan de laagste sport der ladder,Ziel en lichaam zwaar gewond.Gerd(wilder).Antwoord! Weet je waar staat?Brand.Ja, nu valt de nevelsluier.Gerd.Ja, die valt: de Zwarte TopBoort zijn spits diep in den hemel!Brand.Zwarte Top? De ijskerk!Gerd.Zwarte Top? De ijskerk!Ja!Eindelijk ben je er toch gekomen!Brand.Duizend mijlen weg van hier!…O, hoe zielsverlangend smacht ikNaar de zon, naar licht en zachtheid,Naar een vromen, stillen vrede,Naar des levens zomerwarmte!(barst in tranen uit).Jezus, ’k riep zoo vaak uw naam,Nooit zijt gij tot mij gekomen;Zijt dicht langs mij heen gegleden,Als een half vergeten woord;Laat mij nu van ’t heilsgewaad,Nat van wijn der ware boete,Grijpen ’n enkel tipje maar!Gerd(bleek).Wat? Jij, Ziener, schreit, dat warmTranen langs je wangen stroomen,…Warm, dat droppels van hun lijkwâZachtjes glijden van de toppen,…Warm, dat van mijn ziel de ijskorstSmelt, en zich in tranen oplost,…Warm, dat ’t sneeuw-miskleed in flardenVan den ijskerk-priester afglijdt …(bevend).Waarom schreide je niet eerder!Brand(met helder oog, stralend en als verjongd).IJskoû gaat er van de wet uit …Zonder zomerzon van bovenBen ’k, tot heden, slechts geblevenDrager van Gods strenge wetten;…Nu, van dit uur, zal mijn levenWarm en rijk het zonlicht zoeken.De ijskorst smelt. Nu kan ik schreien,Kan ik knielen,… kan ik bidden.(Valt op de knieën).Gerd(kijkt schuin naar boven en zegt zacht en schuw).Kijk, daar zit hij weer, de booze!Zie je niet zijn schaduw vallen?Zie, hoe hij langs hooge toppenMet zijn breede wieken schuurt.Nù is ’t reddingsuur nabij …Als nu ’t zilver maar wil bijten!(Legt de buks tegen haar wang en schiet. Een dof gedreun, als van rollenden donder, weerklinkt van boven af langs de helling).Brand(komt overeind).Ha! Wat doe je?Gerd.Ha! Wat doe je?Goed geraakt!Kijk, hij wankelt,… hij gaat vallen;Hoor, hij schreeuwt, dat ’t gillend doorklinkt!Kijk eens, kijk, hoe al zijn veerenStuiven langs den berg als vlokken,Kijk, hoe groot en wit hij wordt!…Hei, nu rolt hij nog hierheen!Brand(zakt in elkaar).Ja, tot boete voor ’t geslachtZijn veroordeeld àlle telgen!Gerd.Tienmaal wijder werd ’t gewelfVan den hemel, toen hij viel!Kijk hem tuimlen! Kijk hem rollen!…O, nu ben ’k niet langer bang;Hij is wit nu, als een duif …!(gilt in angst).Huuh! wat een verwoed gebulder!(werpt zich neer in de sneeuw).Brand(kromt zich onder de neerstortende lawine, naar boven roepend:)Antwoord God, in ’t uur des doods:Heeft geen greintje waarde danVan den wil hetquantum satis…?(De lawine begraaft hem en vult het heele dal).Een Stem(klinkt door den rommelenden donder heen:)Hij isDeus caritatis!EINDE VAN HET VIJFDE EN LAATSTE BEDRIJF.
Het onzichtbare Koor(ruischt in den stormwind).Nooit, nooit wordt gij hem gelijk,…Want uit stof zijt gij geboren:Of zijn werk gij doet, of zwicht,Toch zijt gij voor goed verloren!Brand(herhaalt de woorden en zegt zacht:)Wee mij! ’k Moet het haast gelooven!Stond hij niet op ’t koor der kerk,Toornig mijn gebed afwijzend?Nam hij niet al wat ’k bezat,Sloot mij af den weg des lichts,Liet mij strijden tot het eind toeEn het onderspit mij delven!Het Koor(klinkt sterker boven hem).Nooit zult, worm, gij hem gelijken,…Tot den dood zijt gij gedoemd;Gij moogt volgen hem of wijken,Altijd blijft uw doen verdoemd!Brand(in zichzelf).Agnes, Alf, de lichte dagen,’n Leven in geluk en rust,Ruilde ik voor strijd en jammer,Wondde bloedig mij de borst,…Heb toch niet den draak verslagen!Het Koor(zacht en lokkend).Droomer, nooit wordt gij als hij,Have en goed hebt gij verloren;Offers maken hèm niet rijk;…Want als mensch zijt gij geboren!Brand(barst in zacht schreien uit).Alf en Agnes, komt weer bij mij:Eenzaam zit ’k hier op den top,Huivrend in den wind, met spokenWild en somber, om mij heen!…(Hij kijkt op; een lichtschemerende plek opent en verwijdt zich in den nevel; eene vrouwelijke gedaante staat voor hem in een licht gewaad en een mantel om de schouders. Het is Agnes).De Gedaante(glimlacht en breidt de armen naar hem uit).Brand, hier heb je mij terug!Brand(springt verward op).Agnes! Agnes! ben je ’t waarlijk!De Gedaante.Alles was een booze droom!Nù verdwijnen alle neev’len!Brand.Agnes! Agnes!(wil naar haar toe).De Gedaante(gilt).Agnes! Agnes!Niet hier over!Zie je niet die diepe kloof,Waardoor ’t woeste water stroomt?(zacht).Neen, je droomt niet, neen je slaapt niet,Ziet nu geen visioenen meer.Ziek ben je geweest, mijn liefste,Dronk des waanzins bittren drank,Droomde dat wij je verlieten …Brand.O, je leeft dus! God zij lof en …!De Gedaante(snel).Stil, spreek daarvan liever later!Volg mij, kom, de tijd is kort maar.Brand.O, maar Alf?De Gedaante.O, maar Alf?Is ook niet dood.Brand.Leeft hij?!De Gedaante.Leeft hij?!Ja, gezond en frisch!Al dat leed heb je gedroomd;Al je strijd … bedrog en waan.Alf zit op grootmoeders schoot;Zij is flink en hij wordt groot.Ook de kerk staat nog in ’t dorp;Bouw een grootre, als je ’t wilt;…En het volk slooft daar benedenAls in de oude, goede dagen.Brand.Goede?De Gedaante.Goede?Ja … toen vrede heerschte.Brand.Vrede!De Gedaante.Vrede!Haast je, Brand, kom meê!Brand.Ach, ik droom!De Gedaante.Ach, ik droom!Neen, nu niet meer.Maar aan rust heb je behoefte …Brand.Ik ben sterk.De Gedaante.Ik ben sterk.Och, nu nog niet;’t Droomgevaar ligt op de loer.Weer zal je als een schim verglijden,Weg van ’t kind en mijne zijde,Weer versombert dan je geest,Wil je ’t middel niet gebruiken.Brand.O, geef hier dan!De Gedaante.O, geef hier dan!Jij bezit het,Jij alleen, en niemand anders.Brand.Noem het dan!De Gedaante.Noem het dan!De oude dokterDie er las zoo menig boek,…Die zoo knap is door en door,Heeft de ziektekiem gevonden.Alle droeve droomgezichtenKomen uitdrie woordenvoort.Diedrie moet je dapper schrappen,Moet ze uit je geheugen wisschen,Ze niet meer als wet doen gelden.Diezijn schuld van de visioenen,Die als waanzin je overvielen;…Doe ze weg, zal rein je ziel zijnEn bevrijd van pijn en ziekte!Brand.Zeg ze!De Gedaante.Zeg ze!“Nietsofalles.”Brand(wijkt terug).Zeg ze! “Nietsofalles.”Dàt?Is het dat?De Gedaante.Is het dat?Zoo waar ik leef ja,En zoo waar jij eenmaal sterft.Brand.Wee ons beiden! ’t Dreigend zwaard hangtNog als vroeger boven ons!De Gedaante.Brand, wees goed … ik heb je lief;Klem mij in je sterke armen …Laat ons zon en zomer zoeken …Brand.Neen, mijn ziekte komt niet weer.De Gedaante.Ja, helaas, die komt terug.Brand(het hoofd schuddend).Neen, die ligt nu achter mij.Nu geen wilde droomen meer,…Nu komt ’t rijke, volle leven!De Gedaante.’t Leven?Brand.’t Leven?Volg mij, Agnes!De Gedaante.’t Leven? Volg mij, Agnes!Wacht!Brand, wat wil je?Brand.Brand, wat wil je?Wat ikmoet:Levenwat ’k tot nog toedroomde,…Doenin waarheid, wat maar waan was.De Gedaante.O, onmooglijk! Denk waarheenDat je voerde!Brand.Dat je voerde!Tòch nog eens!De Gedaante.Al die vreeslijke visioenenWil je uit vrijen wil doorleven?Brand.Vrij en wakker.De Gedaante.Vrij en wakker.’t Kind verliezen?Brand.’t Kind verliezen.De Gedaante.’t Kind verliezen.Brand!Brand.’t Kind verliezen. Brand!Ik moet!De Gedaante.Weer het bloed mij doen verstijven?Mij met offergeesels slaanTot ’k bezwijk?Brand.Tot ’k bezwijk?Ik moest het doen.De Gedaante.Alle licht in nacht uitdooven,’t Zonnig daglicht buiten sluiten,Nooit van ’s levens vruchten plukken,Nooit je ziel door zang verblijden?O, ’k herinner mij zoo veel!Brand.’k Moet! Verspil je smeeken niet.De Gedaante.En vergeet je dan je loon?Hoe je hoop je heeft bedrogen?Eenzaam bleef je … werd geslagen!Brand.Niet voormijheb ik geleden,Niet vooreigenzege streed ik.De Gedaante.Voor een volk dat leeft in ’t duister.Brand.Eén kan licht aan velen geven.De Gedaante.Aan veroordeelde geslachten!Brand.Veel kan soms de wil van één doen.De Gedaante.Denk hoe één met vlammenroedeDreef den mensch uit ’t Paradijs!En de poort heeft hij gesloten;…Dáár komt niemand over heen!Brand.Open bleef ’t pad vanverlangen!De Gedaante(verdwijnt in een donderslag; de mist vult de plaats waar zij stond, en een scherpe, snijdende kreet weerklinkt, als van iemand die wegvlucht:)Sterf! Wat doe je hier op aarde!Brand(staat een oogenblik als bedwelmd).Weg … verdwenen in de mist,…Vlood op groote zwarte wiekenAls een gier over de vlakte.’t Was het vragen van een pinkOm de heele hand te krijgen!…Ja, dat was de geest der halfheid!Gerd(komt op met een buks).Zag je nu den havik vluchten?Brand.Ja, nu heb ik hem gezien.Gerd.Zeg mij, gauw, waarheen hij vloog;’k Wil hem na, ik wil hem raken!Brand.Op hèm heeft geen wapen vat;Telkens meent men hem te rakenIn het hart, met ’t moordend lood,…Maar als men hem af wil maken,Zit hij spottend en brutaalAchter je, en vliegt weer weg.Gerd.’k Stal hier deze jagersbuks,Laadde haar met lood en zilver;G’loof maar dat ’k zoo gek niet benAls ze zeggen!Brand.Als ze zeggen!Tref je doel dan!(wil gaan).Gerd.Je loopt mank … hoe ’s dat gekomen?Wat gebeurde er?Brand.Wat gebeurde er?’t Volk verjoeg mij.Gerd(dichterbij).Roode bloeddroppels bedekkenOok je voorhoofd!Brand.Ook je voorhoofd!’t Volk wierp steenen.Gerd.Vroeger klonk je stem als zingen.…Knarsend nu, als krakend herfstloof.Brand.Allen … alles …Gerd.Allen … alles …Wat?Brand.Allen … alles … Wat?Ontviel mij.Gerd(kijkt hem met groote oogen aan).O, nu weet ik wie je bent!’k Dacht dat je de priester was;… Bah, die heele priesterrommel!…Maar jij bent de allergrootste!Brand.Bijna viel ’k dien waan ten offer.Gerd.Laat mij toch je handen zien!Brand.Waartoe dàt?Gerd.Waartoe dàt?De nagelmerken!’k Zie je bloed langs ’t voorhoofd drupp’len.Door der scherpe doornen tanden,Diep en woest in ’t vleesch gedrukt.Ja, aan ’t kruis heb je gehangen!Vader zei, toen ik nog klein was,Hoe dat eertijds was gebeurd,Ver van hier en met een ander;…Maar nu zie ’k, dat was een sprookje;…Ja, want jij bent de Verlosser!Brand.Wijk van mij!Gerd.Wijk van mij!O, moet ik danBiddend knielen aan je voeten?Brand.Weg!Gerd.Weg!Jij gàf immers je bloedTer verlossing van ons allen!Brand.O, ik weet geen reddingsplankVoor mijn eigen arme ziel!Gerd.Hier de buks! Schiet neer ’t gebroedsel!…Brand(schudt het hoofd).Neen, ik moet mijn lot volbrengen.Gerd.Zeg dat niet; jij bent de grootste!In je hand is ’t nagelmerk;…Uitverkoren, de Verlosser!Brand.De allerminste is ’t nog eer!Gerd(kijkt naar boven; de wolken scheuren).Weet je waar je staat?Brand(staart voor zich uit).Weet je waar je staat?Ik staAan de laagste sport der ladder,Ziel en lichaam zwaar gewond.Gerd(wilder).Antwoord! Weet je waar staat?Brand.Ja, nu valt de nevelsluier.Gerd.Ja, die valt: de Zwarte TopBoort zijn spits diep in den hemel!Brand.Zwarte Top? De ijskerk!Gerd.Zwarte Top? De ijskerk!Ja!Eindelijk ben je er toch gekomen!Brand.Duizend mijlen weg van hier!…O, hoe zielsverlangend smacht ikNaar de zon, naar licht en zachtheid,Naar een vromen, stillen vrede,Naar des levens zomerwarmte!(barst in tranen uit).Jezus, ’k riep zoo vaak uw naam,Nooit zijt gij tot mij gekomen;Zijt dicht langs mij heen gegleden,Als een half vergeten woord;Laat mij nu van ’t heilsgewaad,Nat van wijn der ware boete,Grijpen ’n enkel tipje maar!Gerd(bleek).Wat? Jij, Ziener, schreit, dat warmTranen langs je wangen stroomen,…Warm, dat droppels van hun lijkwâZachtjes glijden van de toppen,…Warm, dat van mijn ziel de ijskorstSmelt, en zich in tranen oplost,…Warm, dat ’t sneeuw-miskleed in flardenVan den ijskerk-priester afglijdt …(bevend).Waarom schreide je niet eerder!Brand(met helder oog, stralend en als verjongd).IJskoû gaat er van de wet uit …Zonder zomerzon van bovenBen ’k, tot heden, slechts geblevenDrager van Gods strenge wetten;…Nu, van dit uur, zal mijn levenWarm en rijk het zonlicht zoeken.De ijskorst smelt. Nu kan ik schreien,Kan ik knielen,… kan ik bidden.(Valt op de knieën).Gerd(kijkt schuin naar boven en zegt zacht en schuw).Kijk, daar zit hij weer, de booze!Zie je niet zijn schaduw vallen?Zie, hoe hij langs hooge toppenMet zijn breede wieken schuurt.Nù is ’t reddingsuur nabij …Als nu ’t zilver maar wil bijten!(Legt de buks tegen haar wang en schiet. Een dof gedreun, als van rollenden donder, weerklinkt van boven af langs de helling).Brand(komt overeind).Ha! Wat doe je?Gerd.Ha! Wat doe je?Goed geraakt!Kijk, hij wankelt,… hij gaat vallen;Hoor, hij schreeuwt, dat ’t gillend doorklinkt!Kijk eens, kijk, hoe al zijn veerenStuiven langs den berg als vlokken,Kijk, hoe groot en wit hij wordt!…Hei, nu rolt hij nog hierheen!Brand(zakt in elkaar).Ja, tot boete voor ’t geslachtZijn veroordeeld àlle telgen!Gerd.Tienmaal wijder werd ’t gewelfVan den hemel, toen hij viel!Kijk hem tuimlen! Kijk hem rollen!…O, nu ben ’k niet langer bang;Hij is wit nu, als een duif …!(gilt in angst).Huuh! wat een verwoed gebulder!(werpt zich neer in de sneeuw).Brand(kromt zich onder de neerstortende lawine, naar boven roepend:)Antwoord God, in ’t uur des doods:Heeft geen greintje waarde danVan den wil hetquantum satis…?(De lawine begraaft hem en vult het heele dal).Een Stem(klinkt door den rommelenden donder heen:)Hij isDeus caritatis!EINDE VAN HET VIJFDE EN LAATSTE BEDRIJF.
Het onzichtbare Koor(ruischt in den stormwind).Nooit, nooit wordt gij hem gelijk,…Want uit stof zijt gij geboren:Of zijn werk gij doet, of zwicht,Toch zijt gij voor goed verloren!Brand(herhaalt de woorden en zegt zacht:)Wee mij! ’k Moet het haast gelooven!Stond hij niet op ’t koor der kerk,Toornig mijn gebed afwijzend?Nam hij niet al wat ’k bezat,Sloot mij af den weg des lichts,Liet mij strijden tot het eind toeEn het onderspit mij delven!Het Koor(klinkt sterker boven hem).Nooit zult, worm, gij hem gelijken,…Tot den dood zijt gij gedoemd;Gij moogt volgen hem of wijken,Altijd blijft uw doen verdoemd!Brand(in zichzelf).Agnes, Alf, de lichte dagen,’n Leven in geluk en rust,Ruilde ik voor strijd en jammer,Wondde bloedig mij de borst,…Heb toch niet den draak verslagen!Het Koor(zacht en lokkend).Droomer, nooit wordt gij als hij,Have en goed hebt gij verloren;Offers maken hèm niet rijk;…Want als mensch zijt gij geboren!Brand(barst in zacht schreien uit).Alf en Agnes, komt weer bij mij:Eenzaam zit ’k hier op den top,Huivrend in den wind, met spokenWild en somber, om mij heen!…(Hij kijkt op; een lichtschemerende plek opent en verwijdt zich in den nevel; eene vrouwelijke gedaante staat voor hem in een licht gewaad en een mantel om de schouders. Het is Agnes).De Gedaante(glimlacht en breidt de armen naar hem uit).Brand, hier heb je mij terug!Brand(springt verward op).Agnes! Agnes! ben je ’t waarlijk!De Gedaante.Alles was een booze droom!Nù verdwijnen alle neev’len!Brand.Agnes! Agnes!(wil naar haar toe).De Gedaante(gilt).Agnes! Agnes!Niet hier over!Zie je niet die diepe kloof,Waardoor ’t woeste water stroomt?(zacht).Neen, je droomt niet, neen je slaapt niet,Ziet nu geen visioenen meer.Ziek ben je geweest, mijn liefste,Dronk des waanzins bittren drank,Droomde dat wij je verlieten …Brand.O, je leeft dus! God zij lof en …!De Gedaante(snel).Stil, spreek daarvan liever later!Volg mij, kom, de tijd is kort maar.Brand.O, maar Alf?De Gedaante.O, maar Alf?Is ook niet dood.Brand.Leeft hij?!De Gedaante.Leeft hij?!Ja, gezond en frisch!Al dat leed heb je gedroomd;Al je strijd … bedrog en waan.Alf zit op grootmoeders schoot;Zij is flink en hij wordt groot.Ook de kerk staat nog in ’t dorp;Bouw een grootre, als je ’t wilt;…En het volk slooft daar benedenAls in de oude, goede dagen.Brand.Goede?De Gedaante.Goede?Ja … toen vrede heerschte.Brand.Vrede!De Gedaante.Vrede!Haast je, Brand, kom meê!Brand.Ach, ik droom!De Gedaante.Ach, ik droom!Neen, nu niet meer.Maar aan rust heb je behoefte …Brand.Ik ben sterk.De Gedaante.Ik ben sterk.Och, nu nog niet;’t Droomgevaar ligt op de loer.Weer zal je als een schim verglijden,Weg van ’t kind en mijne zijde,Weer versombert dan je geest,Wil je ’t middel niet gebruiken.Brand.O, geef hier dan!De Gedaante.O, geef hier dan!Jij bezit het,Jij alleen, en niemand anders.Brand.Noem het dan!De Gedaante.Noem het dan!De oude dokterDie er las zoo menig boek,…Die zoo knap is door en door,Heeft de ziektekiem gevonden.Alle droeve droomgezichtenKomen uitdrie woordenvoort.Diedrie moet je dapper schrappen,Moet ze uit je geheugen wisschen,Ze niet meer als wet doen gelden.Diezijn schuld van de visioenen,Die als waanzin je overvielen;…Doe ze weg, zal rein je ziel zijnEn bevrijd van pijn en ziekte!Brand.Zeg ze!De Gedaante.Zeg ze!“Nietsofalles.”Brand(wijkt terug).Zeg ze! “Nietsofalles.”Dàt?Is het dat?De Gedaante.Is het dat?Zoo waar ik leef ja,En zoo waar jij eenmaal sterft.Brand.Wee ons beiden! ’t Dreigend zwaard hangtNog als vroeger boven ons!De Gedaante.Brand, wees goed … ik heb je lief;Klem mij in je sterke armen …Laat ons zon en zomer zoeken …Brand.Neen, mijn ziekte komt niet weer.De Gedaante.Ja, helaas, die komt terug.Brand(het hoofd schuddend).Neen, die ligt nu achter mij.Nu geen wilde droomen meer,…Nu komt ’t rijke, volle leven!De Gedaante.’t Leven?Brand.’t Leven?Volg mij, Agnes!De Gedaante.’t Leven? Volg mij, Agnes!Wacht!Brand, wat wil je?Brand.Brand, wat wil je?Wat ikmoet:Levenwat ’k tot nog toedroomde,…Doenin waarheid, wat maar waan was.De Gedaante.O, onmooglijk! Denk waarheenDat je voerde!Brand.Dat je voerde!Tòch nog eens!De Gedaante.Al die vreeslijke visioenenWil je uit vrijen wil doorleven?Brand.Vrij en wakker.De Gedaante.Vrij en wakker.’t Kind verliezen?Brand.’t Kind verliezen.De Gedaante.’t Kind verliezen.Brand!Brand.’t Kind verliezen. Brand!Ik moet!De Gedaante.Weer het bloed mij doen verstijven?Mij met offergeesels slaanTot ’k bezwijk?Brand.Tot ’k bezwijk?Ik moest het doen.De Gedaante.Alle licht in nacht uitdooven,’t Zonnig daglicht buiten sluiten,Nooit van ’s levens vruchten plukken,Nooit je ziel door zang verblijden?O, ’k herinner mij zoo veel!Brand.’k Moet! Verspil je smeeken niet.De Gedaante.En vergeet je dan je loon?Hoe je hoop je heeft bedrogen?Eenzaam bleef je … werd geslagen!Brand.Niet voormijheb ik geleden,Niet vooreigenzege streed ik.De Gedaante.Voor een volk dat leeft in ’t duister.Brand.Eén kan licht aan velen geven.De Gedaante.Aan veroordeelde geslachten!Brand.Veel kan soms de wil van één doen.De Gedaante.Denk hoe één met vlammenroedeDreef den mensch uit ’t Paradijs!En de poort heeft hij gesloten;…Dáár komt niemand over heen!Brand.Open bleef ’t pad vanverlangen!De Gedaante(verdwijnt in een donderslag; de mist vult de plaats waar zij stond, en een scherpe, snijdende kreet weerklinkt, als van iemand die wegvlucht:)Sterf! Wat doe je hier op aarde!Brand(staat een oogenblik als bedwelmd).Weg … verdwenen in de mist,…Vlood op groote zwarte wiekenAls een gier over de vlakte.’t Was het vragen van een pinkOm de heele hand te krijgen!…Ja, dat was de geest der halfheid!Gerd(komt op met een buks).Zag je nu den havik vluchten?Brand.Ja, nu heb ik hem gezien.Gerd.Zeg mij, gauw, waarheen hij vloog;’k Wil hem na, ik wil hem raken!Brand.Op hèm heeft geen wapen vat;Telkens meent men hem te rakenIn het hart, met ’t moordend lood,…Maar als men hem af wil maken,Zit hij spottend en brutaalAchter je, en vliegt weer weg.Gerd.’k Stal hier deze jagersbuks,Laadde haar met lood en zilver;G’loof maar dat ’k zoo gek niet benAls ze zeggen!Brand.Als ze zeggen!Tref je doel dan!(wil gaan).Gerd.Je loopt mank … hoe ’s dat gekomen?Wat gebeurde er?Brand.Wat gebeurde er?’t Volk verjoeg mij.Gerd(dichterbij).Roode bloeddroppels bedekkenOok je voorhoofd!Brand.Ook je voorhoofd!’t Volk wierp steenen.Gerd.Vroeger klonk je stem als zingen.…Knarsend nu, als krakend herfstloof.Brand.Allen … alles …Gerd.Allen … alles …Wat?Brand.Allen … alles … Wat?Ontviel mij.Gerd(kijkt hem met groote oogen aan).O, nu weet ik wie je bent!’k Dacht dat je de priester was;… Bah, die heele priesterrommel!…Maar jij bent de allergrootste!Brand.Bijna viel ’k dien waan ten offer.Gerd.Laat mij toch je handen zien!Brand.Waartoe dàt?Gerd.Waartoe dàt?De nagelmerken!’k Zie je bloed langs ’t voorhoofd drupp’len.Door der scherpe doornen tanden,Diep en woest in ’t vleesch gedrukt.Ja, aan ’t kruis heb je gehangen!Vader zei, toen ik nog klein was,Hoe dat eertijds was gebeurd,Ver van hier en met een ander;…Maar nu zie ’k, dat was een sprookje;…Ja, want jij bent de Verlosser!Brand.Wijk van mij!Gerd.Wijk van mij!O, moet ik danBiddend knielen aan je voeten?Brand.Weg!Gerd.Weg!Jij gàf immers je bloedTer verlossing van ons allen!Brand.O, ik weet geen reddingsplankVoor mijn eigen arme ziel!Gerd.Hier de buks! Schiet neer ’t gebroedsel!…Brand(schudt het hoofd).Neen, ik moet mijn lot volbrengen.Gerd.Zeg dat niet; jij bent de grootste!In je hand is ’t nagelmerk;…Uitverkoren, de Verlosser!Brand.De allerminste is ’t nog eer!Gerd(kijkt naar boven; de wolken scheuren).Weet je waar je staat?Brand(staart voor zich uit).Weet je waar je staat?Ik staAan de laagste sport der ladder,Ziel en lichaam zwaar gewond.Gerd(wilder).Antwoord! Weet je waar staat?Brand.Ja, nu valt de nevelsluier.Gerd.Ja, die valt: de Zwarte TopBoort zijn spits diep in den hemel!Brand.Zwarte Top? De ijskerk!Gerd.Zwarte Top? De ijskerk!Ja!Eindelijk ben je er toch gekomen!Brand.Duizend mijlen weg van hier!…O, hoe zielsverlangend smacht ikNaar de zon, naar licht en zachtheid,Naar een vromen, stillen vrede,Naar des levens zomerwarmte!(barst in tranen uit).Jezus, ’k riep zoo vaak uw naam,Nooit zijt gij tot mij gekomen;Zijt dicht langs mij heen gegleden,Als een half vergeten woord;Laat mij nu van ’t heilsgewaad,Nat van wijn der ware boete,Grijpen ’n enkel tipje maar!Gerd(bleek).Wat? Jij, Ziener, schreit, dat warmTranen langs je wangen stroomen,…Warm, dat droppels van hun lijkwâZachtjes glijden van de toppen,…Warm, dat van mijn ziel de ijskorstSmelt, en zich in tranen oplost,…Warm, dat ’t sneeuw-miskleed in flardenVan den ijskerk-priester afglijdt …(bevend).Waarom schreide je niet eerder!Brand(met helder oog, stralend en als verjongd).IJskoû gaat er van de wet uit …Zonder zomerzon van bovenBen ’k, tot heden, slechts geblevenDrager van Gods strenge wetten;…Nu, van dit uur, zal mijn levenWarm en rijk het zonlicht zoeken.De ijskorst smelt. Nu kan ik schreien,Kan ik knielen,… kan ik bidden.(Valt op de knieën).Gerd(kijkt schuin naar boven en zegt zacht en schuw).Kijk, daar zit hij weer, de booze!Zie je niet zijn schaduw vallen?Zie, hoe hij langs hooge toppenMet zijn breede wieken schuurt.Nù is ’t reddingsuur nabij …Als nu ’t zilver maar wil bijten!(Legt de buks tegen haar wang en schiet. Een dof gedreun, als van rollenden donder, weerklinkt van boven af langs de helling).Brand(komt overeind).Ha! Wat doe je?Gerd.Ha! Wat doe je?Goed geraakt!Kijk, hij wankelt,… hij gaat vallen;Hoor, hij schreeuwt, dat ’t gillend doorklinkt!Kijk eens, kijk, hoe al zijn veerenStuiven langs den berg als vlokken,Kijk, hoe groot en wit hij wordt!…Hei, nu rolt hij nog hierheen!Brand(zakt in elkaar).Ja, tot boete voor ’t geslachtZijn veroordeeld àlle telgen!Gerd.Tienmaal wijder werd ’t gewelfVan den hemel, toen hij viel!Kijk hem tuimlen! Kijk hem rollen!…O, nu ben ’k niet langer bang;Hij is wit nu, als een duif …!(gilt in angst).Huuh! wat een verwoed gebulder!(werpt zich neer in de sneeuw).Brand(kromt zich onder de neerstortende lawine, naar boven roepend:)Antwoord God, in ’t uur des doods:Heeft geen greintje waarde danVan den wil hetquantum satis…?(De lawine begraaft hem en vult het heele dal).Een Stem(klinkt door den rommelenden donder heen:)Hij isDeus caritatis!EINDE VAN HET VIJFDE EN LAATSTE BEDRIJF.
Het onzichtbare Koor(ruischt in den stormwind).Nooit, nooit wordt gij hem gelijk,…Want uit stof zijt gij geboren:Of zijn werk gij doet, of zwicht,Toch zijt gij voor goed verloren!
Het onzichtbare Koor(ruischt in den stormwind).
Nooit, nooit wordt gij hem gelijk,…
Want uit stof zijt gij geboren:
Of zijn werk gij doet, of zwicht,
Toch zijt gij voor goed verloren!
Brand(herhaalt de woorden en zegt zacht:)Wee mij! ’k Moet het haast gelooven!Stond hij niet op ’t koor der kerk,Toornig mijn gebed afwijzend?Nam hij niet al wat ’k bezat,Sloot mij af den weg des lichts,Liet mij strijden tot het eind toeEn het onderspit mij delven!
Brand(herhaalt de woorden en zegt zacht:)
Wee mij! ’k Moet het haast gelooven!
Stond hij niet op ’t koor der kerk,
Toornig mijn gebed afwijzend?
Nam hij niet al wat ’k bezat,
Sloot mij af den weg des lichts,
Liet mij strijden tot het eind toe
En het onderspit mij delven!
Het Koor(klinkt sterker boven hem).Nooit zult, worm, gij hem gelijken,…Tot den dood zijt gij gedoemd;Gij moogt volgen hem of wijken,Altijd blijft uw doen verdoemd!
Het Koor(klinkt sterker boven hem).
Nooit zult, worm, gij hem gelijken,…
Tot den dood zijt gij gedoemd;
Gij moogt volgen hem of wijken,
Altijd blijft uw doen verdoemd!
Brand(in zichzelf).Agnes, Alf, de lichte dagen,’n Leven in geluk en rust,Ruilde ik voor strijd en jammer,Wondde bloedig mij de borst,…Heb toch niet den draak verslagen!
Brand(in zichzelf).
Agnes, Alf, de lichte dagen,
’n Leven in geluk en rust,
Ruilde ik voor strijd en jammer,
Wondde bloedig mij de borst,…
Heb toch niet den draak verslagen!
Het Koor(zacht en lokkend).Droomer, nooit wordt gij als hij,Have en goed hebt gij verloren;Offers maken hèm niet rijk;…Want als mensch zijt gij geboren!
Het Koor(zacht en lokkend).
Droomer, nooit wordt gij als hij,
Have en goed hebt gij verloren;
Offers maken hèm niet rijk;…
Want als mensch zijt gij geboren!
Brand(barst in zacht schreien uit).Alf en Agnes, komt weer bij mij:Eenzaam zit ’k hier op den top,Huivrend in den wind, met spokenWild en somber, om mij heen!…
Brand(barst in zacht schreien uit).
Alf en Agnes, komt weer bij mij:
Eenzaam zit ’k hier op den top,
Huivrend in den wind, met spoken
Wild en somber, om mij heen!…
(Hij kijkt op; een lichtschemerende plek opent en verwijdt zich in den nevel; eene vrouwelijke gedaante staat voor hem in een licht gewaad en een mantel om de schouders. Het is Agnes).
De Gedaante(glimlacht en breidt de armen naar hem uit).Brand, hier heb je mij terug!
De Gedaante(glimlacht en breidt de armen naar hem uit).
Brand, hier heb je mij terug!
Brand(springt verward op).Agnes! Agnes! ben je ’t waarlijk!
Brand(springt verward op).
Agnes! Agnes! ben je ’t waarlijk!
De Gedaante.Alles was een booze droom!Nù verdwijnen alle neev’len!
De Gedaante.
Alles was een booze droom!
Nù verdwijnen alle neev’len!
Brand.Agnes! Agnes!(wil naar haar toe).
Brand.
Agnes! Agnes!(wil naar haar toe).
De Gedaante(gilt).Agnes! Agnes!Niet hier over!Zie je niet die diepe kloof,Waardoor ’t woeste water stroomt?(zacht).Neen, je droomt niet, neen je slaapt niet,Ziet nu geen visioenen meer.Ziek ben je geweest, mijn liefste,Dronk des waanzins bittren drank,Droomde dat wij je verlieten …
De Gedaante(gilt).
Agnes! Agnes!Niet hier over!
Zie je niet die diepe kloof,
Waardoor ’t woeste water stroomt?(zacht).
Neen, je droomt niet, neen je slaapt niet,
Ziet nu geen visioenen meer.
Ziek ben je geweest, mijn liefste,
Dronk des waanzins bittren drank,
Droomde dat wij je verlieten …
Brand.O, je leeft dus! God zij lof en …!
Brand.
O, je leeft dus! God zij lof en …!
De Gedaante(snel).Stil, spreek daarvan liever later!Volg mij, kom, de tijd is kort maar.
De Gedaante(snel).
Stil, spreek daarvan liever later!
Volg mij, kom, de tijd is kort maar.
Brand.O, maar Alf?
Brand.
O, maar Alf?
De Gedaante.O, maar Alf?Is ook niet dood.
De Gedaante.
O, maar Alf?Is ook niet dood.
Brand.Leeft hij?!
Brand.
Leeft hij?!
De Gedaante.Leeft hij?!Ja, gezond en frisch!Al dat leed heb je gedroomd;Al je strijd … bedrog en waan.Alf zit op grootmoeders schoot;Zij is flink en hij wordt groot.Ook de kerk staat nog in ’t dorp;Bouw een grootre, als je ’t wilt;…En het volk slooft daar benedenAls in de oude, goede dagen.
De Gedaante.
Leeft hij?!Ja, gezond en frisch!
Al dat leed heb je gedroomd;
Al je strijd … bedrog en waan.
Alf zit op grootmoeders schoot;
Zij is flink en hij wordt groot.
Ook de kerk staat nog in ’t dorp;
Bouw een grootre, als je ’t wilt;…
En het volk slooft daar beneden
Als in de oude, goede dagen.
Brand.Goede?
Brand.
Goede?
De Gedaante.Goede?Ja … toen vrede heerschte.
De Gedaante.
Goede?Ja … toen vrede heerschte.
Brand.Vrede!
Brand.
Vrede!
De Gedaante.Vrede!Haast je, Brand, kom meê!
De Gedaante.
Vrede!Haast je, Brand, kom meê!
Brand.Ach, ik droom!
Brand.
Ach, ik droom!
De Gedaante.Ach, ik droom!Neen, nu niet meer.Maar aan rust heb je behoefte …
De Gedaante.
Ach, ik droom!Neen, nu niet meer.
Maar aan rust heb je behoefte …
Brand.Ik ben sterk.
Brand.
Ik ben sterk.
De Gedaante.Ik ben sterk.Och, nu nog niet;’t Droomgevaar ligt op de loer.Weer zal je als een schim verglijden,Weg van ’t kind en mijne zijde,Weer versombert dan je geest,Wil je ’t middel niet gebruiken.
De Gedaante.
Ik ben sterk.Och, nu nog niet;
’t Droomgevaar ligt op de loer.
Weer zal je als een schim verglijden,
Weg van ’t kind en mijne zijde,
Weer versombert dan je geest,
Wil je ’t middel niet gebruiken.
Brand.O, geef hier dan!
Brand.
O, geef hier dan!
De Gedaante.O, geef hier dan!Jij bezit het,Jij alleen, en niemand anders.
De Gedaante.
O, geef hier dan!Jij bezit het,
Jij alleen, en niemand anders.
Brand.Noem het dan!
Brand.
Noem het dan!
De Gedaante.Noem het dan!De oude dokterDie er las zoo menig boek,…Die zoo knap is door en door,Heeft de ziektekiem gevonden.Alle droeve droomgezichtenKomen uitdrie woordenvoort.Diedrie moet je dapper schrappen,Moet ze uit je geheugen wisschen,Ze niet meer als wet doen gelden.Diezijn schuld van de visioenen,Die als waanzin je overvielen;…Doe ze weg, zal rein je ziel zijnEn bevrijd van pijn en ziekte!
De Gedaante.
Noem het dan!De oude dokter
Die er las zoo menig boek,…
Die zoo knap is door en door,
Heeft de ziektekiem gevonden.
Alle droeve droomgezichten
Komen uitdrie woordenvoort.
Diedrie moet je dapper schrappen,
Moet ze uit je geheugen wisschen,
Ze niet meer als wet doen gelden.
Diezijn schuld van de visioenen,
Die als waanzin je overvielen;…
Doe ze weg, zal rein je ziel zijn
En bevrijd van pijn en ziekte!
Brand.Zeg ze!
Brand.
Zeg ze!
De Gedaante.Zeg ze!“Nietsofalles.”
De Gedaante.
Zeg ze!“Nietsofalles.”
Brand(wijkt terug).Zeg ze! “Nietsofalles.”Dàt?Is het dat?
Brand(wijkt terug).
Zeg ze! “Nietsofalles.”Dàt?
Is het dat?
De Gedaante.Is het dat?Zoo waar ik leef ja,En zoo waar jij eenmaal sterft.
De Gedaante.
Is het dat?Zoo waar ik leef ja,
En zoo waar jij eenmaal sterft.
Brand.Wee ons beiden! ’t Dreigend zwaard hangtNog als vroeger boven ons!
Brand.
Wee ons beiden! ’t Dreigend zwaard hangt
Nog als vroeger boven ons!
De Gedaante.Brand, wees goed … ik heb je lief;Klem mij in je sterke armen …Laat ons zon en zomer zoeken …
De Gedaante.
Brand, wees goed … ik heb je lief;
Klem mij in je sterke armen …
Laat ons zon en zomer zoeken …
Brand.Neen, mijn ziekte komt niet weer.
Brand.
Neen, mijn ziekte komt niet weer.
De Gedaante.Ja, helaas, die komt terug.
De Gedaante.
Ja, helaas, die komt terug.
Brand(het hoofd schuddend).Neen, die ligt nu achter mij.Nu geen wilde droomen meer,…Nu komt ’t rijke, volle leven!
Brand(het hoofd schuddend).
Neen, die ligt nu achter mij.
Nu geen wilde droomen meer,…
Nu komt ’t rijke, volle leven!
De Gedaante.’t Leven?
De Gedaante.
’t Leven?
Brand.’t Leven?Volg mij, Agnes!
Brand.
’t Leven?Volg mij, Agnes!
De Gedaante.’t Leven? Volg mij, Agnes!Wacht!Brand, wat wil je?
De Gedaante.
’t Leven? Volg mij, Agnes!Wacht!
Brand, wat wil je?
Brand.Brand, wat wil je?Wat ikmoet:Levenwat ’k tot nog toedroomde,…Doenin waarheid, wat maar waan was.
Brand.
Brand, wat wil je?Wat ikmoet:
Levenwat ’k tot nog toedroomde,…
Doenin waarheid, wat maar waan was.
De Gedaante.O, onmooglijk! Denk waarheenDat je voerde!
De Gedaante.
O, onmooglijk! Denk waarheen
Dat je voerde!
Brand.Dat je voerde!Tòch nog eens!
Brand.
Dat je voerde!Tòch nog eens!
De Gedaante.Al die vreeslijke visioenenWil je uit vrijen wil doorleven?
De Gedaante.
Al die vreeslijke visioenen
Wil je uit vrijen wil doorleven?
Brand.Vrij en wakker.
Brand.
Vrij en wakker.
De Gedaante.Vrij en wakker.’t Kind verliezen?
De Gedaante.
Vrij en wakker.’t Kind verliezen?
Brand.’t Kind verliezen.
Brand.
’t Kind verliezen.
De Gedaante.’t Kind verliezen.Brand!
De Gedaante.
’t Kind verliezen.Brand!
Brand.’t Kind verliezen. Brand!Ik moet!
Brand.
’t Kind verliezen. Brand!Ik moet!
De Gedaante.Weer het bloed mij doen verstijven?Mij met offergeesels slaanTot ’k bezwijk?
De Gedaante.
Weer het bloed mij doen verstijven?
Mij met offergeesels slaan
Tot ’k bezwijk?
Brand.Tot ’k bezwijk?Ik moest het doen.
Brand.
Tot ’k bezwijk?Ik moest het doen.
De Gedaante.Alle licht in nacht uitdooven,’t Zonnig daglicht buiten sluiten,Nooit van ’s levens vruchten plukken,Nooit je ziel door zang verblijden?O, ’k herinner mij zoo veel!
De Gedaante.
Alle licht in nacht uitdooven,
’t Zonnig daglicht buiten sluiten,
Nooit van ’s levens vruchten plukken,
Nooit je ziel door zang verblijden?
O, ’k herinner mij zoo veel!
Brand.’k Moet! Verspil je smeeken niet.
Brand.
’k Moet! Verspil je smeeken niet.
De Gedaante.En vergeet je dan je loon?Hoe je hoop je heeft bedrogen?Eenzaam bleef je … werd geslagen!
De Gedaante.
En vergeet je dan je loon?
Hoe je hoop je heeft bedrogen?
Eenzaam bleef je … werd geslagen!
Brand.Niet voormijheb ik geleden,Niet vooreigenzege streed ik.
Brand.
Niet voormijheb ik geleden,
Niet vooreigenzege streed ik.
De Gedaante.Voor een volk dat leeft in ’t duister.
De Gedaante.
Voor een volk dat leeft in ’t duister.
Brand.Eén kan licht aan velen geven.
Brand.
Eén kan licht aan velen geven.
De Gedaante.Aan veroordeelde geslachten!
De Gedaante.
Aan veroordeelde geslachten!
Brand.Veel kan soms de wil van één doen.
Brand.
Veel kan soms de wil van één doen.
De Gedaante.Denk hoe één met vlammenroedeDreef den mensch uit ’t Paradijs!En de poort heeft hij gesloten;…Dáár komt niemand over heen!
De Gedaante.
Denk hoe één met vlammenroede
Dreef den mensch uit ’t Paradijs!
En de poort heeft hij gesloten;…
Dáár komt niemand over heen!
Brand.Open bleef ’t pad vanverlangen!
Brand.
Open bleef ’t pad vanverlangen!
De Gedaante(verdwijnt in een donderslag; de mist vult de plaats waar zij stond, en een scherpe, snijdende kreet weerklinkt, als van iemand die wegvlucht:)Sterf! Wat doe je hier op aarde!
De Gedaante(verdwijnt in een donderslag; de mist vult de plaats waar zij stond, en een scherpe, snijdende kreet weerklinkt, als van iemand die wegvlucht:)
Sterf! Wat doe je hier op aarde!
Brand(staat een oogenblik als bedwelmd).Weg … verdwenen in de mist,…Vlood op groote zwarte wiekenAls een gier over de vlakte.’t Was het vragen van een pinkOm de heele hand te krijgen!…Ja, dat was de geest der halfheid!
Brand(staat een oogenblik als bedwelmd).
Weg … verdwenen in de mist,…
Vlood op groote zwarte wieken
Als een gier over de vlakte.
’t Was het vragen van een pink
Om de heele hand te krijgen!…
Ja, dat was de geest der halfheid!
Gerd(komt op met een buks).Zag je nu den havik vluchten?
Gerd(komt op met een buks).
Zag je nu den havik vluchten?
Brand.Ja, nu heb ik hem gezien.
Brand.
Ja, nu heb ik hem gezien.
Gerd.Zeg mij, gauw, waarheen hij vloog;’k Wil hem na, ik wil hem raken!
Gerd.
Zeg mij, gauw, waarheen hij vloog;
’k Wil hem na, ik wil hem raken!
Brand.Op hèm heeft geen wapen vat;Telkens meent men hem te rakenIn het hart, met ’t moordend lood,…Maar als men hem af wil maken,Zit hij spottend en brutaalAchter je, en vliegt weer weg.
Brand.
Op hèm heeft geen wapen vat;
Telkens meent men hem te raken
In het hart, met ’t moordend lood,…
Maar als men hem af wil maken,
Zit hij spottend en brutaal
Achter je, en vliegt weer weg.
Gerd.’k Stal hier deze jagersbuks,Laadde haar met lood en zilver;G’loof maar dat ’k zoo gek niet benAls ze zeggen!
Gerd.
’k Stal hier deze jagersbuks,
Laadde haar met lood en zilver;
G’loof maar dat ’k zoo gek niet ben
Als ze zeggen!
Brand.Als ze zeggen!Tref je doel dan!(wil gaan).
Brand.
Als ze zeggen!Tref je doel dan!(wil gaan).
Gerd.Je loopt mank … hoe ’s dat gekomen?Wat gebeurde er?
Gerd.
Je loopt mank … hoe ’s dat gekomen?
Wat gebeurde er?
Brand.Wat gebeurde er?’t Volk verjoeg mij.
Brand.
Wat gebeurde er?’t Volk verjoeg mij.
Gerd(dichterbij).Roode bloeddroppels bedekkenOok je voorhoofd!
Gerd(dichterbij).
Roode bloeddroppels bedekken
Ook je voorhoofd!
Brand.Ook je voorhoofd!’t Volk wierp steenen.
Brand.
Ook je voorhoofd!’t Volk wierp steenen.
Gerd.Vroeger klonk je stem als zingen.…Knarsend nu, als krakend herfstloof.
Gerd.
Vroeger klonk je stem als zingen.…
Knarsend nu, als krakend herfstloof.
Brand.Allen … alles …
Brand.
Allen … alles …
Gerd.Allen … alles …Wat?
Gerd.
Allen … alles …Wat?
Brand.Allen … alles … Wat?Ontviel mij.
Brand.
Allen … alles … Wat?Ontviel mij.
Gerd(kijkt hem met groote oogen aan).O, nu weet ik wie je bent!’k Dacht dat je de priester was;… Bah, die heele priesterrommel!…Maar jij bent de allergrootste!
Gerd(kijkt hem met groote oogen aan).
O, nu weet ik wie je bent!
’k Dacht dat je de priester was;
… Bah, die heele priesterrommel!…
Maar jij bent de allergrootste!
Brand.Bijna viel ’k dien waan ten offer.
Brand.
Bijna viel ’k dien waan ten offer.
Gerd.Laat mij toch je handen zien!
Gerd.
Laat mij toch je handen zien!
Brand.Waartoe dàt?
Brand.
Waartoe dàt?
Gerd.Waartoe dàt?De nagelmerken!’k Zie je bloed langs ’t voorhoofd drupp’len.Door der scherpe doornen tanden,Diep en woest in ’t vleesch gedrukt.Ja, aan ’t kruis heb je gehangen!Vader zei, toen ik nog klein was,Hoe dat eertijds was gebeurd,Ver van hier en met een ander;…Maar nu zie ’k, dat was een sprookje;…Ja, want jij bent de Verlosser!
Gerd.
Waartoe dàt?De nagelmerken!
’k Zie je bloed langs ’t voorhoofd drupp’len.
Door der scherpe doornen tanden,
Diep en woest in ’t vleesch gedrukt.
Ja, aan ’t kruis heb je gehangen!
Vader zei, toen ik nog klein was,
Hoe dat eertijds was gebeurd,
Ver van hier en met een ander;…
Maar nu zie ’k, dat was een sprookje;…
Ja, want jij bent de Verlosser!
Brand.Wijk van mij!
Brand.
Wijk van mij!
Gerd.Wijk van mij!O, moet ik danBiddend knielen aan je voeten?
Gerd.
Wijk van mij!O, moet ik dan
Biddend knielen aan je voeten?
Brand.Weg!
Brand.
Weg!
Gerd.Weg!Jij gàf immers je bloedTer verlossing van ons allen!
Gerd.
Weg!Jij gàf immers je bloed
Ter verlossing van ons allen!
Brand.O, ik weet geen reddingsplankVoor mijn eigen arme ziel!
Brand.
O, ik weet geen reddingsplank
Voor mijn eigen arme ziel!
Gerd.Hier de buks! Schiet neer ’t gebroedsel!…
Gerd.
Hier de buks! Schiet neer ’t gebroedsel!…
Brand(schudt het hoofd).Neen, ik moet mijn lot volbrengen.
Brand(schudt het hoofd).
Neen, ik moet mijn lot volbrengen.
Gerd.Zeg dat niet; jij bent de grootste!In je hand is ’t nagelmerk;…Uitverkoren, de Verlosser!
Gerd.
Zeg dat niet; jij bent de grootste!
In je hand is ’t nagelmerk;…
Uitverkoren, de Verlosser!
Brand.De allerminste is ’t nog eer!
Brand.
De allerminste is ’t nog eer!
Gerd(kijkt naar boven; de wolken scheuren).Weet je waar je staat?
Gerd(kijkt naar boven; de wolken scheuren).
Weet je waar je staat?
Brand(staart voor zich uit).Weet je waar je staat?Ik staAan de laagste sport der ladder,Ziel en lichaam zwaar gewond.
Brand(staart voor zich uit).
Weet je waar je staat?Ik sta
Aan de laagste sport der ladder,
Ziel en lichaam zwaar gewond.
Gerd(wilder).Antwoord! Weet je waar staat?
Gerd(wilder).
Antwoord! Weet je waar staat?
Brand.Ja, nu valt de nevelsluier.
Brand.
Ja, nu valt de nevelsluier.
Gerd.Ja, die valt: de Zwarte TopBoort zijn spits diep in den hemel!
Gerd.
Ja, die valt: de Zwarte Top
Boort zijn spits diep in den hemel!
Brand.Zwarte Top? De ijskerk!
Brand.
Zwarte Top? De ijskerk!
Gerd.Zwarte Top? De ijskerk!Ja!Eindelijk ben je er toch gekomen!
Gerd.
Zwarte Top? De ijskerk!Ja!
Eindelijk ben je er toch gekomen!
Brand.Duizend mijlen weg van hier!…O, hoe zielsverlangend smacht ikNaar de zon, naar licht en zachtheid,Naar een vromen, stillen vrede,Naar des levens zomerwarmte!(barst in tranen uit).Jezus, ’k riep zoo vaak uw naam,Nooit zijt gij tot mij gekomen;Zijt dicht langs mij heen gegleden,Als een half vergeten woord;Laat mij nu van ’t heilsgewaad,Nat van wijn der ware boete,Grijpen ’n enkel tipje maar!
Brand.
Duizend mijlen weg van hier!…
O, hoe zielsverlangend smacht ik
Naar de zon, naar licht en zachtheid,
Naar een vromen, stillen vrede,
Naar des levens zomerwarmte!(barst in tranen uit).
Jezus, ’k riep zoo vaak uw naam,
Nooit zijt gij tot mij gekomen;
Zijt dicht langs mij heen gegleden,
Als een half vergeten woord;
Laat mij nu van ’t heilsgewaad,
Nat van wijn der ware boete,
Grijpen ’n enkel tipje maar!
Gerd(bleek).Wat? Jij, Ziener, schreit, dat warmTranen langs je wangen stroomen,…Warm, dat droppels van hun lijkwâZachtjes glijden van de toppen,…Warm, dat van mijn ziel de ijskorstSmelt, en zich in tranen oplost,…Warm, dat ’t sneeuw-miskleed in flardenVan den ijskerk-priester afglijdt …(bevend).Waarom schreide je niet eerder!
Gerd(bleek).
Wat? Jij, Ziener, schreit, dat warm
Tranen langs je wangen stroomen,…
Warm, dat droppels van hun lijkwâ
Zachtjes glijden van de toppen,…
Warm, dat van mijn ziel de ijskorst
Smelt, en zich in tranen oplost,…
Warm, dat ’t sneeuw-miskleed in flarden
Van den ijskerk-priester afglijdt …(bevend).
Waarom schreide je niet eerder!
Brand(met helder oog, stralend en als verjongd).IJskoû gaat er van de wet uit …Zonder zomerzon van bovenBen ’k, tot heden, slechts geblevenDrager van Gods strenge wetten;…Nu, van dit uur, zal mijn levenWarm en rijk het zonlicht zoeken.De ijskorst smelt. Nu kan ik schreien,Kan ik knielen,… kan ik bidden.
Brand(met helder oog, stralend en als verjongd).
IJskoû gaat er van de wet uit …
Zonder zomerzon van boven
Ben ’k, tot heden, slechts gebleven
Drager van Gods strenge wetten;…
Nu, van dit uur, zal mijn leven
Warm en rijk het zonlicht zoeken.
De ijskorst smelt. Nu kan ik schreien,
Kan ik knielen,… kan ik bidden.
(Valt op de knieën).
Gerd(kijkt schuin naar boven en zegt zacht en schuw).Kijk, daar zit hij weer, de booze!Zie je niet zijn schaduw vallen?Zie, hoe hij langs hooge toppenMet zijn breede wieken schuurt.Nù is ’t reddingsuur nabij …Als nu ’t zilver maar wil bijten!
Gerd(kijkt schuin naar boven en zegt zacht en schuw).
Kijk, daar zit hij weer, de booze!
Zie je niet zijn schaduw vallen?
Zie, hoe hij langs hooge toppen
Met zijn breede wieken schuurt.
Nù is ’t reddingsuur nabij …
Als nu ’t zilver maar wil bijten!
(Legt de buks tegen haar wang en schiet. Een dof gedreun, als van rollenden donder, weerklinkt van boven af langs de helling).
Brand(komt overeind).Ha! Wat doe je?
Brand(komt overeind).
Ha! Wat doe je?
Gerd.Ha! Wat doe je?Goed geraakt!Kijk, hij wankelt,… hij gaat vallen;Hoor, hij schreeuwt, dat ’t gillend doorklinkt!Kijk eens, kijk, hoe al zijn veerenStuiven langs den berg als vlokken,Kijk, hoe groot en wit hij wordt!…Hei, nu rolt hij nog hierheen!
Gerd.
Ha! Wat doe je?Goed geraakt!
Kijk, hij wankelt,… hij gaat vallen;
Hoor, hij schreeuwt, dat ’t gillend doorklinkt!
Kijk eens, kijk, hoe al zijn veeren
Stuiven langs den berg als vlokken,
Kijk, hoe groot en wit hij wordt!…
Hei, nu rolt hij nog hierheen!
Brand(zakt in elkaar).Ja, tot boete voor ’t geslachtZijn veroordeeld àlle telgen!
Brand(zakt in elkaar).
Ja, tot boete voor ’t geslacht
Zijn veroordeeld àlle telgen!
Gerd.Tienmaal wijder werd ’t gewelfVan den hemel, toen hij viel!Kijk hem tuimlen! Kijk hem rollen!…O, nu ben ’k niet langer bang;Hij is wit nu, als een duif …!(gilt in angst).Huuh! wat een verwoed gebulder!
Gerd.
Tienmaal wijder werd ’t gewelf
Van den hemel, toen hij viel!
Kijk hem tuimlen! Kijk hem rollen!…
O, nu ben ’k niet langer bang;
Hij is wit nu, als een duif …!(gilt in angst).
Huuh! wat een verwoed gebulder!
(werpt zich neer in de sneeuw).
Brand(kromt zich onder de neerstortende lawine, naar boven roepend:)Antwoord God, in ’t uur des doods:Heeft geen greintje waarde danVan den wil hetquantum satis…?
Brand(kromt zich onder de neerstortende lawine, naar boven roepend:)
Antwoord God, in ’t uur des doods:
Heeft geen greintje waarde dan
Van den wil hetquantum satis…?
(De lawine begraaft hem en vult het heele dal).
Een Stem(klinkt door den rommelenden donder heen:)Hij isDeus caritatis!
Een Stem(klinkt door den rommelenden donder heen:)
Hij isDeus caritatis!
EINDE VAN HET VIJFDE EN LAATSTE BEDRIJF.