DERDE BEDRIJF.

DERDE BEDRIJF.Drie jaar later. Een klein tuintje door steenen ommuurd bij de pastorie gelegen aan den voet van een hoogen bergrug. De fjord ligt nauw en ingesloten op den achtergrond. De huisdeur opent in den tuin. Namiddag.Brand staat op de trap voor het huis. Agnes zit op een lagere tree.Agnes.Mijn lieve man, alweder dwaaltJe oog zoo angstig naar de fjord …Brand.Ik wacht bericht.Agnes.Ik wacht bericht.Je bent onrustig!Brand.Van moeder wacht ik steeds bericht.Drie jaar heb ik nu al vertrouwendBericht gewacht, dat nooit nog kwam.En morgen zoo werd mij gezegd,Is mooglijk wel haar uur geslagen.Agnes(zacht en liefdevol).Je moest maar op geen boodschap wachten.Brand(hoofdschuddend).Berouwt zij hare zonden nietDan heb ik ook geen woord van troost.Agnes.Zij is je moeder.Brand.Zij is je moeder.En zou ik daaromIn haar afgoderij aankweeken?Agnes.Brand, je bent hard!Brand.Brand, je bent hard!Voor jou?Agnes.Brand, je bent hard! Voor jou?O, neen!Brand.’k Voorzei je een weg vol moeilijkheid.Agnes(glimlacht).Het sloeg niet in; je hieldt geen woord.Brand.Jawel, het is hier scherp en koud;Je wangen worden smal en bleek;Je bent te teer voor dit klimaat.Niets kan gedijen om ons huis,Dan ijs en sneeuwval, rots en gruis.Agnes.Zooveel te veil’ger ligt het hier.Zóó ver reikt al de gletscher nuDat hij in ’t voorjaar, voortgestuwdNaar ’t dal, over ons dak heenschrijdt,En ongedeerd ons huis blijft staan,Als in een welvend waterhol.Brand.En ’t zonlicht dat nooit reikt tot hier.Agnes.Dat danst daar toch zoo warm en blijEn tintlend op den bergrug ginds.Brand.Drie weken, ja … als ’t zomer is,…Maar zelfs zijn voet bereikt het nooit.Agnes(kijkt hem strak aan, staat op en zegt:)Er is iets dat je angstig maakt!Brand.Neen, jou!Agnes.Neen, jou!Neen jou!Brand.Neen, jou! Neen jou!Je hebt een angst,’n Geheimen angst.Agnes.’n Geheimen angst.En jij ook, Brand!Brand.Je duizelt, als voor ’n diep ravijn!Spreek toch! Wat is ’t?Agnes.Spreek toch! Wat is ’t?Ik beef somtijds …(houdt op).Brand.Je beeft! Voor wie dan wel?Agnes.Je beeft! Voor wie dan wel?Voor Alf.Brand.Voor Alf?Agnes.Voor Alf?Brand, jij ook!Brand.Voor Alf? Brand, jij ook!Somtijds, ja!Maar neen, dat doet God ons niet aan!God is toch goed! Mijn kleine ventGroeit sterk en flink er wel doorheen.Waar is hij nu?Agnes.Waar is hij nu?Hij slaapt.Brand(kijkt naar binnen).Waar is hij nu? Hij slaapt.Och, kijk,Hij droomt niet van ellende en smart;Zijn handje is mollig, dik en rond.Agnes.Maar bleek.Brand.Maar bleek.Ja, bleek; maar dat gaat over.Agnes.Wat ligt hij rustig nu te slapen.Brand.God zegen je! Slaap je gezond!(sluit de deur).Met jou en hem, kwam vrede en licht,Verlichtend al mijn daaglijksch werk.Wat moeilijk was, elk droevig uur,Werd met je beiden licht en blij.Bij jou ontviel mij nooit de moed,En kracht gaf mij zijn kinderspel.Als martlaar nam ’k mijn roeping op,Maar zie, hoe ’t al zich heeft gekeerd,Hoe nu ’t geluk schijnt op mijn pad …Agnes.Ja, Brand, jij bent ’t geluk ook waard,Je hebt gestreden en ontbeerd,Geduld, geleden, je afgetobd;’k Weet dat je, stil, vaak hebt geschreid …Brand.’t Is zoo … maar alles leek mij licht;Met jou trok hier de liefde binnen,Als warme voorjaars-zonneschijn.Die had ik nooit nog leeren kennen,Noch vader gaf mij die, noch moeder.Liefst doofden zij het enkle sprankjeDat nu en dan uit de asch opglom.Het was of al de schat van warmte,Die ’k stil verborgen in mij droeg,Was opgespaard tot glorieschijn,Om hem en jou, mijn lieve vrouw!Agnes.Niet om ons beide alleen … om allenDie nu tot de onzen hier behooren;Wie droevig is, in nood verkeert,Wie lijdt of schreit, ’t zij vrouw of kind,Een ieder wordt gelaafd, gesterkt,Door wat hun biedt je rijke ziel.Brand.Maar toch door jou en hem. Den geestVan goedheid, zachtheid, bracht je mij.Geen ziel kan allen liefde geven,Die niet één enkle liefhad eerst;’k Moest zóó lang smachten en ontberen,Dat heel mijn hart werd als een steen …Agnes.En nòg … je liefde is nog niet zacht;Je liefkoozing wordt vaak een slag.Brand.Voor jou ook, Agnes?Agnes.Voor jou ook, Agnes?Neen, mijn liefste;Licht was wat jij mij gaf te dragen;…Maar menigeen, verliet je al,Om ’t:nietsofalles, dat je eischt!Brand.Wat er zoo liefde wordt genoemd,Dat wil ik niet en ken ik niet.Gods liefde ken ik maar alleen,En die is zoomin week als zacht;Die is als doodsverschrikking hard,En als die liefkoost wordt ’t een slag.Welk antwoord gaf God in den hof,Toen hem zijn zoon in doodsangst bad:Neem weg dien drinkbeker, mijn God!Ontnam hij hem dien smartkelk toen?Neen, kind, hij heeft dien gansch geledigd.Agnes.Ach, met zulk een maat gemetenKan geen enkle ziel bestaan.Brand.Geen mensch weet wien verdoemnis treft.Toch staat in vlammend schrift geschreven:Wees trouw tot de allerlaatste proef,Geen halfheid wint de levenskroon!’t Is niet genoeg ’t angstzweet te voelen,De vuurproef zelf moet gij doorstaan.Dat gij ’t nietkuntwordt u vergeven,Maar nimmermeer dat gij nietwilt.Agnes.Ja, zeker, ja, zoo moet het wezen.O, hef mij op, dat ’k mét je opstijg;O, leid mij naar je hooge sferen;Sterk is mijn wensch, maar slap mijn moed.Vaak grijpt mij de angst, ik voel mij duiz’len,En moe en aardtraag sleept mijn voet.Brand.Kijk, Agnes, voor een ieder geldtDe eisch: geen halfheid laf en slap!Veroordeeld is àl wat je doetAls ’t half maar is, of voor den schijn.Tot wet moet deze leer je worden:Met woorden niet, maar met het leven.Agnes(valt hem om den hals).Waar jij gaat, volg ik op den voet!Voor twee is er geen rots te steil.(De dokter is den berg afgekomen en blijft voor de tuinomheining staan).De Dokter.Zoo duifjes, hier aan ’t trekkebekkenOp deze woeste, grauwe rotsen?Agnes.Mijn oude dokter, is u hier?O, kom toch binnen!(loopt naar beneden en opent het hek).De Dokter.O, kom toch binnen!Neen, dàt niet!Je weet wel, ’k ben nog altijd boos!Gaan wonen hier, op zulk een plek,Waar sneeuw en ijs en winterstormEen mensch door ziel en lichaam snijdt …Brand.Niet door de ziel.De Dokter.Niet door de ziel.Zoo, niet? Och kom!’t Is waar, het ziet er haast naar uit,’t Lijkt waarlijk of je snel verbondOp hechten, vasten grondslag rust;Hoewel, zooals het spreekwoord zegt,Wat snel gebouwd wordt, snel vergaat.Agnes.Een zonnekus, een klokkenklankKan wekken soms een zomerdag.De Dokter.Vaartwel. ’k Moet naar een zieke toe.Brand.Mijn moeder?De Dokter.Mijn moeder?Ja. Gaat u soms mee?Brand.Nu niet.De Dokter.Nu niet.Wasu er al?Brand.Nu niet.Wasu er al?Nog niet.De Dokter.U is wel hard. Door wind en sneeuwKwam ik over den berg gezwoegd,Ofschoon ik weet dat er van haarGeen hongerloontje overschiet.Brand.God zeegne uw kennis en uw vlijt.Maak, als u kan, haar ’t sterven licht.De Dokter.Gods zegen op mijn wil; ik kwamZoodra ’k in nood geroepen werd.Brand.Zij zond om u; maar niet om mij;…Ik wacht, en wacht in zieleangst.De Dokter.Wacht langer niet!Brand.Wacht langer niet!Vóór ze om mij zendtHeb ik daar ginder niets te doen.De Dokter(tegen Agnes).Jij arm klein vrouwtje, toevertrouwdAan zulker harde handen macht!Brand.Ik bèn niet hard.Agnes.Ik bèn niet hard.Hij gaf zijn bloedAls ’t voor haar ziel vergifnis bracht!Brand.’k Nam als haar zoon en erfgenaamVrijwillig al haar schulden op mij.De Dokter.Delg uw eigen schuld!Brand.Delg uw eigen schuld!Voor God kanWel één de schuld van velen delgen.De Dokter.Maar niet door één, die zelf een beedlaar,Tot over de ooren steekt in schulden.Brand.Of rijk, of beedlaar;… ’kwilgeheel,…En meer dan dàt behoeft er niet!De Dokter(kijkt hem strak aan).Ja, van uw wil hetquantum satisStaat mooi en duidlijk wel geboekt,…Maar, Brand, uwconto caritatisDat is een onbeschreven blad.(af).Brand(volgt hem een oogenblik met de oogen).Geen woord werd ooit zoo neergesleurdIn leugens, als men ’tliefdedoet;…Dat leggen zij met SatanslistAls sluier over slappen wil;Bedrieglijk dekken zij daarmeeHun wuft en ijdel levensspel;Is smal het pad en glad en steil,In liefde wordt u dat verkort;Gaat men den breeden zonde-wegBlijft hoop op liefde toch bestaan,…Men ziet zijn doel, maar mijdt den strijd …Door liefde wordt ’t toch nog bereikt;En dwaalt gij, beter wetend toch,…In liefde vindt ge een toevluchtsoord!Agnes.Ja, dat ’s verkeerd, en toch ik moetMij vaak afvragen:ishet zoo?Brand.Eén ding vergeet je; eerst de wilVoldoet den dorst der wet naar recht.Eerstwillenmoet je, niet alleenWat mooglijk is in ’t groot en ’t klein,Niet enkel waar er aan de daadVeel moeite vast is en bezwaar,…Neen, willen moet men sterk en blij,Door allen schrik en angsten heen.Niet dàt is martlaarschap, in pijnAan ’t kruishout stervend te vergaan,Maar ’twillenvan dien dood aan ’t kruis,Tewillenal dien angst en nood,Tewillenal die zielepijn,Dat eerst brengt je verlossing aan.Agnes(vlijt zich dicht tegen hem aan).Komt eens voor ons de zware proef,…O spreek dàn, jij, mijn sterke man!Brand.Na zulk een zege van den wilKomt dan der liefde heerlijkheid,Dan daalt zij neer als witte duifMet een olijftak, levensboô.Maar hier, bij ’t slappe, lakse volk,Is de allerbeste liefde haat!(verschrikt).Haat! Haat! Een wereldstrijd te willenLigt in dit ééne korte woordje!(gaat haastig het huis binnen).Agnes(kijkt door de open deur).Nu knielt hij bij zijn kleinen ventEn wiegelt ’t hoofd als schreide hij;Hij drukt zich tegen ’t bedje aanAls iemand die geen uitkomst weet …O, wat een schat van liefde woontEr in die sterke manneziel!Alf heeft hij lief, dat màg, want ’t kindIs nog door zonde niet besmet.(ontzet opspringend).Op springt hij … wringt de handen … O!Wat ziet hij? Hij is doodlijk bleek!Brand(buiten op de trap).Kwam niemand nog?Agnes.Kwam niemand nog?Neen, nog geen mensch.Brand(kijkt achterom in het huis).Zijn huid is gloeiend heet en droog;Zijn slapen kloppen, polsen jagen …!Niet bang zijn, kind!Agnes.Niet bang zijn, kind!O, die gedachten!Brand.Neen, vrees maar niets …(roept over den weg).Neen, vrees maar niets …(roept over den weg).Daar zie ik iemand!Een Man(door het tuinhek).Nu moet u komen!Brand.Nu moet u komen!Daadlijk, ja!Wat is je boodschap?De Man.Wat is je boodschap?’k Weet niet recht;Zij zat in bed op, boog vooroverEn zei: ga nu den priester halen;Mijn half bezit is voor de kerkBrand(terugwijkend).Dehelftmaar! Neen! Zeg neen!De Man(hoofdschuddend).Dehelftmaar! Neen! Zeg neen!Dan zou’k Mijn boodschap niet goed overbrengen.Brand.Dehelft! Dehelft! ’t Moestalleszijn!De Man.Dat kan wel zijn; maar luid en klaarZei zij dat woord. ’k Vergis mij niet.Brand(grijpt zijn arm).Durf je op den Oordeelsdag getuigenVoor God, dat zij die woorden zei?De Man.Ja.Brand(vast).Ja.Ga, en breng dit antwoord over,…Geen priester komt, geen sacrament.De Man(kijkt hem onzeker aan).U heeft mij vast niet goed begrepen,’t Is van uwmoederdat ik kom.Brand.Ik weet van geen tweeledig rechtVoor vreemden of voor eigen volk.De Man.Dat woord is hard.Brand.Dat woord is hard.Zij weet het wel,’t Wasallesofferen ofniets.De Man.O!Brand.O!Zeg dat ’t kleinste klompje goudToch evenzeer een afgod blijft.De Man.Zoo zacht als ’k eenigszins maar kanBreng ’k haar dit geeslend antwoord over.Haar blijft tot troost dit ééne dan:Dat God niet zóó hard is als u!(af).Brand.Ja, deze troost blies vaak genoegZijn pestlucht door de wereld heen.Met jammerklacht van ach en weeSnoert men den rechter dan den mond.Natuurlijk! Zoo behoort het ook!Men kent hem immers al zoo lang;…Men weet zoo goed hoe te allen tijdDen oude zich beknibb’len laat.(De man heeft buiten op den weg een anderen ontmoet; zij komen samen terug).Brand.Nieuw bericht?Eerste Man.Nieuw bericht?Ja.Brand.Nieuw bericht? Ja.Wat dan nu?De Tweede.’t Zou negen tienden dan nu zijn.Brand.Niet alles?De Tweede.Niet alles?Neen.Brand.Niet alles? Neen.Ik zei het al:Geen priester en geen sacrament.De Tweede.Zij heeft geleden en geboet …De Eerste.Kom mee, zij is uw moeder toch!Brand(knijpt de handen samen).Ik màg niet met twee maten meten …Eén maat voor eigen volk en vreemden.De Tweede.De zieke lijdt in angst en nood,Kom, zend haar een verzoenend woord.Brand(tegen den eerste).Ga, zeg de zieke wat ’k gebood:Voor haar wijd ik noch wijn, noch brood.(De mannen gaan heen).Agnes(vlijt zich tegen hem aan).Soms beef ik voor je levenslot:Je gloeit als ’t vlammend zwaard van God.Brand(met tranen in zijn stem).Staat heel de wereld dan ook nietVijandig tegenover mij,En wondt mijn ziel ten bloede toeMet al haar koppig, laks verzet?Agnes.Zwaar zijn de eischen die je stelt.Brand.Stel, als je durft, er zachtre voor.Agnes.Meet met dien maatstaf wien je wiltEn zie ofiemandkan voldoen.Brand.Neen, dáárin heb je, eilaas, gelijk.Zoo dwars, zoo dom, zoo leeg, zoo slecht,Is ’t heele menschdom tegenwoordig.Vermaakt iemand bij wilsbeschikkingDoch ongenoemd, zijn geld en goed,Men prijst hem daadlijk hemelhoog.Neem weg den naam van menig held,Laat hem alleen wat hij volbracht,Doe keizers, vorsten ’t zelfde aanEn zie wat er dan overblijft.Laat ’n dichter uit hun kooitje heimlijkZijn schoonheidsvogels laten glippen,Dat niemand denk’ dathijhun gafEen stem en gulden veerendos …Grijp groenen of wel dorren tak:Opoff’ring vindt men bij geen een.Door alles heen ’t aardslaafsche denken;…Elk klampt in wilden angst zich vastAan ’t zwakke rankje van zijn leven.Begeeft hem dit, waar de afgrond gaapt …Klauwt hij met nagels zich nog vast.Agnes.En zulk een diep gevallen volkRoep je nog toe; hetalofniets!Brand.Wie zege wil, moet daarvoor strijden;Wie ’t diepste viel, moet ’t hoogste stijgen …(zwijgt even; met veranderde stem).En toch, wanneer ik aan een zielDen eisch stel om zich op te heffen,Is ’t mij als of ik op de golvenIn stormweer ronddreef op een wrak.Stil schreiend beet ik heimlijk vaakMijn tong stuk, die kastijden moest,…En hief tot slaan ik soms den arm,Naar een omhelzing snakt mijn ziel!…Ga nu eens kijken naar den kleine;Zing zoete droomen in zijn slaap;Een kinderziel is klaar en reinAls ’t meer in zomerzonneschijn;Een moeder kan daarover strijkenAls ’n vogel, die in lichten vlucht,Zich spiegelt in zijn diepste diep.Agnes(bleek).Wat is er, Brand, dat je gedachtenWaarheen ze ook gaan, tot hem doet keeren?Brand.O, niets. Bewaak hem maar zorgvuldig.Agnes.Geef mij een antwoord.Brand.Geef mij een antwoord.Forsch?Agnes.Geef mij een antwoord. Forsch?Neen, zacht.Brand(omarmt haar).Wie zonder schuld is, die zal leven.Agnes(kijkt hem helder aan, en zegt:)Eén ding,… màg God niet van ons eischen!(gaat het huis in).Brand(kijkt stil voor zich uit).Maar àls hij ’t deed? Wat God soms eischtLeert “Abrams offer” van weleer.(schudt die gedachte van zich af).Neen, neen! mijn offer heb ’k gebracht,’k Deed afstand van mijn levensdroom,Om als de rommelende donderDe slapers hier op aard’ te wekken.Neen! Daarin lag geen offer meer:’t Viel weg toen over was de droom,’k Door Agnes werd gewekt—om mét mijTe werken samen in ’t verborgen.(kijkt uit over den weg).Wat draalt de zieke ginder langEer zij tot boete-doen besluit,Dat alle schuld te niet zou doen,Al ’t kwaad uitdelgen van haar ziel!Wacht!… Neen, het is de baljuw maar,Welwillend, luchtig, rond, gezond,De handen in zijn beide zakken,Als haakjes om een parenthees.De Baljuw(door het tuinhek).Goên dag! Wij zien elkaar niet vaak,En ’k kom misschien wel ongelegen …Brand(wijst op het huis).Ga binnen.De Baljuw.Ga binnen.Dank u; ’t gaat hier ook;En als mijn woord maar ingang vindt,Dan denk ik stellig dat het ookWel voor ons beiden goed zal zijn.Brand.Laat hooren dan.De Baljuw.Laat hooren dan.Uw moeder moet,Naar ik verneem, haast stervend zijn;…Dat doet mij leed.Brand.Dat doet mij leed.’k Betwijfel ’t niet.De Baljuw.Het doet mij zeer véél leed.Brand.Het doet mij zeer véél leed.Welnu!De Baljuw.Maar zij is oud; en, lieve Heer,Wij gaan toch allemaal dien weg,En daar ’k nu juist voorbij hier kwam,Dacht ik zoo: ’k kon wel even gaanOm ’n enkel woord met u te spreken.Om kort te gaan, ik heb vernomenDat u met haar, sinds u hier kwam,Geleefd heeft in oneenigheid …Brand.Oneenigheid?…De Baljuw.Oneenigheid?…Men zegt dat zijErg vasthoudt aan haar eigendom.Dat gaat, vindt u misschien, wat ver.Men wil toch elk zijn eigen voordeel.Zij is in ’t onverdeeld bezitVan heel uw vaderlijke erfdeel …Brand.In ’t onverdeeld bezit … ’t is waar,De Baljuw.Zoo komt het dan allicht tot twist.En daar ik wel vermoeden kanDat u haar einde naadren zietMet groote kalmte van gemoed,Wil ’k hopen dat u zonder wrokMij hooren wil, zij dan de tijd ookNiet erg geschikt.Brand.Niet erg geschikt.Nu, of wel later.Dat komt voor mij op ’t zelfde neer.De Baljuw.Nu, dan ter zake, zonder meer.Zoodra uw moeder dood zal zijn,En rustig slaapt onder den grond,…En ’t duurt niet lang meer … wordt u rijk …Brand.Rijk, denkt u?De Baljuw.Rijk, denkt u?Denk? Neen, ’k weet het zeker.In alle hoeken heeft zij grond,Zoo ver ’t gewapend oog kan kijken.Ik zeg u, rijk!Brand.Ik zeg u, rijk!Ook na de scheiding?De Baljuw(glimlacht).Wat zoudiehier? Er valt te scheidenWaar vele erfgenamen zijn:Maar hier wordt niemands deel bedreigd.Brand.En als nu toch eens iemand kwamEn van haar goed zijn erfdeel vroeg,En zei:mijkomt het rechtens toe?De Baljuw.Dat moest de duivel zelf dan zijn!Ja, kijk mij nu maar aan … geen menschHeeft ’n enkel woord hierin te spreken;Vertrouw mij maar; ’k ben op de hoogte.Zoo is ’t dus; u wordt welgesteld,Een rijk man zelfs; in dezen uithoekHoeft u dus waarlijk niet te blijven;Voor u staat open ’t heele land.Brand.Zoo. Is eigenlijk dier woorden zinIn ’t kort nietdit: trek elders heen?De Baljuw.Zoowat. Dat waar’ misschien het besteVoor iedereen. Als u aandachtigDe menschen gâ slaat, voor wie uDe tolk is van Gods heilig woord,Moet u toch zien, hoe u hier tusschenPast als een wolf in een troep ganzen.Begrijp mij goed! U heeft de gavenOm nut te stichten in het groot.Maar voor dit volk van bergbewoners,Als vastgegroeid tusschen hun rotsen,Sticht u, dunkt mij meer kwaad dan goed.Brand.Wat wortels voor een boom zijn, isVoor een man ’t geboortedorp;…Zoo hij dáár niet zijn werkkring vindt,Is wat hij uitvoert niet veel zaaks.De Baljuw.In de eerste plaats komt ’t er op aanMet ’s lands behoefte mee te gaan.Brand.Maar die vertoont zich van de hoogteNiet zoo, als in ’t benauwde dorp.De Baljuw.Dat is taal voor verlichte menschen,Niet voor de arme dalbewoners.Brand.Och wat, u met dat grensverschilVan bergen en het lage land!U wil de rechten van den rijke,Maar aan zijn plichten u onttrekken;En denkt, als u maar hardop roept:Wij zijn maar arm! dan is ’t genoeg.De Baljuw.Er is een tijd voor alle dingen,En elk geslacht heeft eigen plicht.Ons dorp droeg ook eens bij zijn scherfjeTot der geschiedenis groote kas.Dat was, natuurlijk, lang geleden;Maar zoo héél klein was ’t scherfje niet.Nu is het dorp maar onbeduidend,Toch leeft zijn roem in sagen voort;Zijn vroegre grootheidsdagen vallenIn koning Beles’ levenstijd;…Nog hoort men menigmalen noemenDe dappre broeders Wolf en Thor;Met vele wakkre mannen, dieNaar Bretlands kust heentogen omAl plundrend af te loopen ’t land.Het Zuiden kreet, verstijfd van schrik,God, help ons tegen hun geweld!En die geweldnaars waren tochOntwijfelbaar echt, lui van hier.En hoe zij zich dan konden wrekenMet moord en doodslag, brand en plundring!Ja, één is er, van wien de sageVertelt dat hij ten kruistocht wou;…Doch dat hij uittoog meldt men niet …Brand.Er stamt voorzeker van dien heldEen heele bende zoons?De Baljuw.Een heele bende zoons?Jawel;Maar hoe weet u …?Brand.Maar hoe weet u …?O, omdat mijDie heldentroep bekend voorkomt,Belofte-helden van het heden,Die ook zoo’n kruistocht ondernemen.De Baljuw.Ja, dat geslacht is uitgebreid.Maar bij vorst Beles waren wij!Eerst dus geraasd in ’t vreemde land;Toen brachten wij aan bloedverwantEn buur, met bijlslagen bezoek.Het veld vertrapt, de oogst verwoest,In brand gestoken kerk en huis,Zoo vlochten we ons een heldenkrans.Op al het toen vergoten bloedWerd later wel wat veel gesnoefd.Maar, na wat ik nu heb gezegdGeloof ik, met bescheidenheid,Op onze macht te mogen wijzenIn heldentijden, lang geledenEn zeggen dat ons dorp eertijdsZijn deel bijdroeg met vuur en zwaard,Tot der ontwikling worstelstrijd.Brand.Toch lijkt ’t mij dat u pleegt verraadAan ’t woord: dat adeldom verplicht,…Alsof met egge, hak en ploegU Beles’ erfgoed stil begraaft.De Baljuw.In geenen deele. Kijk maar eensBij een gemeentelijk diné,Waar ik, de koster en de rechterOp eereplaatsen mee aanzitten.Dan zal u zien, als komt de punch-bowl,Dat Beles nog niet is vergeten.Met klinken, heildronken, gezang,In toasten kort en toasten lang,Gedenkt men hem, laat men hem leven.Ik zelf heb vaak den drang gevoeldIn mij, om van gedachtenspinselVoor hem te weven ’n bloemrijk kleed,En dat heeft menigeen gesticht.Ik houd wel van wat poëzie.Dat doen wij trouwens allemaalHier in ons dorp;… doch steeds met mate …Hetlevenmag die nooit beheerschen,…Alleen zoo tusschen acht en tienUur ’s avonds, als men moe van ’t werk,En vrij weer van de daagsche taak,Naar wat verheffing wel verlangt.Wat u van ons verschillen doetIs dat u ploegen wil en maaienTerzelfder stond, en met geweld.U wil, zoo meen ik te begrijpen,Dat één zijn zal idee en leven,…U wil, met ’t zwoegend land-bebouwenDen strijd voor God vereenigd zien,Zóó innig één, als kool, salpeter,En zwavel zich tot kruit vereent.Brand.Zoo ongeveer.De Baljuw.Zoo ongeveer.Maar dat ’s onmooglijk.In wijder kringen gaat dat beter;…Ga daarheen met uw hooge eischenEn laat ons land en zee beploegen.Brand.Ploeg allereerst in zee maar onderUw pralen op den roem der vaad’ren;Een dwerg wordt er niet grooter doorOf hij al stamt van Goliath.De Baljuw.Er ligt kracht in herinneringen.Brand.Ja … als zij één met ’t leven worden,Maar u gebruikt hun graf alleenOm eigen traagheid te verstoppen.De Baljuw.Mijn eerste blijft mijn laatste woord;…U deed het best met heen te gaan.Hier zal uw arbeid niet gedijen;Uw levensleer wordt niet begrepen.Verheffing, die soms noodig zijn kan,Het beetje troost dat hij behoeft,Die dag aan dag in arbeid zwoegt,Zalikhun voortaan trouw bezorgen.Gedurende mijn heele loopbaanHier, deed ik steeds mijn plicht;Het volksaantal is ruim verdubbeld,Ja, het staat haast als drie tot een,…Terwijl ik meer dan één bedrijfAan deze fjord-streek heb verbonden.In strijd altijd met ’t ruw klimaat,Zijn we als met stoom vooruit gegaan:…Hier loopt een weg, daar ligt een brug..Brand.Maar tusschen g’loof en leven niet …De Baljuw.Die fjord en gletschersneeuw verbindt.Brand.Maar niet de daad met de idee.De Baljuw.Eerst zorgen voor een goed verkeer,Dat men elkaar bereiken kan,…Daarover waren allen ’t eensEer u, als leeraar, hierheen kwam.U heeft in ons vaal schemerlichtEen Noorderlichtschijn hel doen flikk’ren;Wie kan in ’t valsche licht nu zienWat er verkeerd is en wat goed,Wat straf is, en wat boete of smart?U heeft het àl dooreen gehaspeld;En ’t volk, dat één, moest overwinnen,Gesplitst in twee vijand’ge kampen.Brand.Toch blijf ik hier, uw wensch ten trots.Men kiest de plaats niet voor zijn werk.Hij, die zijn doel voor oogen heeftZag eens in vuur’ge letters staan,Het Godswoord:hieris uwe plaats!De Baljuw.Blijf dan, maar binnen eigen grenzen;Ik zie u graag de menschen zuivrenVan zonde en kwaad, als voorkomt hier;God weet dat ’t dikwijls noodig is!Maar maak van iedren arbeidsdagGeen Zondag,… en vertoon geen vlagAlsof God zelf was mee aan boordOp ieder jacht in onze fjord.Brand.Kon ’k mij uw raad ten nutte maken,Zou ik mijn ziel moeten verzaken.Maar ’t geldt hier juist zich zelf te wezen,Zijn eigen roeping te volbrengen,En dat zal ’k doen ten einde toe,Dat om mijn huis een lichtschijn straal!Dit volk, dat ingedommeld isDoor uw bestuur, wek ik weer op!Al lang is hem, door nood en dwang,Zijn laatste oerkracht afgekweld;Uit uwer kleinheid hongerkuurKomt elk te voorschijn mat en slap;Zijn beste bloed is afgetapt,Het merg geschraapt hem uit zijn moed;Aan flarden iedre ziel gescheurd,Die pal als brons had moeten staan;Maar nog kan wel een oproerskreetU in de ooren dondren: strijd!De Baljuw.Strijd?Brand.Strijd?Strijd!De Baljuw.Strijd? Strijd!Als u hen roept te wapenZal u als eerste offer vallen!Brand.Eens zal ’t wel blijken zonneklaarDat nederlaag hier zege was!De Baljuw.Bedenk je, Brand, je staat op ’t kruispunt:Zet alles niet op ééne kaart.Brand.Toch zal ik ’t doen!De Baljuw.Toch zal ik ’t doen!Wordt ’t spel verloren,Dan is uw leven ook verwoest.U heeft al wat u kan begeeren,Is de erve van een rijke moeder,U heeft een kind om voor te leven,Een lieve vrouw;… geluk en vreugdeWordt u met milde hand gereikt!Brand.En als ’k nu toch den rug toekeerAan wat u noemt geluk en vreugde?Als ik numoet?De Baljuw.Als ik numoet?’t Is al verlorenAls u, in dezen uithoek hier,Uw wereldstrijd beginnen wil.Trek zuidwaarts naar de rijke stranden,Waar ’n man geheel zich zelf kan wezen.Dáár kan uw licht u laten schijnenEn de gemeente laten bloeden;Onsoffer is geen bloed, maar zweet,In broodstrijd tusschen rots en ijs.Brand.Hier blijf ik toch. Hier is mijn thuis,En van mijn thuis uit voer ik strijd.De Baljuw.Denk wat op ’t spel staat als het misloopt;…En allermeest wat u laat varen!Brand.Mijzelf verlies ik, als ’k mocht wijken.De Baljuw.Brand, vruchtloos strijdt een eenzaam strijder.Brand.Mijn troep is sterk; ik heb debesten.De Baljuw(glimlacht).Wel mooglijk, ja … maar ik demeesten.(af).Brand(kijkt hem na).Daar gaat een volbloed volksman, heelRechtschapen denkend, heel welwillend,Op zijn wijs werkzaam, warm en billijk …En toch een geesel voor zijn land.Geen aardverschuiving, storm of vloed,Geen hongersnood, geen vorst of pest,Bewerkt er half het ongelukAls zoo een doet, jaar-in, jaar-uit.Die rampen deren maar hetleven;…Maar hij …! Hoeveel blijmoedig willen,Hoeveel gedachten dooft hij uit,Hoe menig krachtig lied versmoort erDoor zulk benauwd, kleinzielig doen!Hoe menig glimlach om de lippen,Hoe menig lichtstraal in een ziel,Hoeveel verheffings-vreugd en smart,Heeft hij verstard, gedoofd, gedood!(plotseling angstig).Waar blijft de bode!.., komt er niemand?Ja, de dokter!(snelt hem te gemoet).Ja, de dokter!Mijn moeder? Spreek!De Dokter.Nu staat zij eindlijk voor haar rechter.Brand.Dood!… Boetvaardig?De Dokter.Dood!… Boetvaardig?Dat g’loof ik niet;Zij hing aan ’t hare hier op aard’Totdat het uur van scheiden sloeg.Brand(kijkt stil bewogen voor zich uit).Is hier ’n verdoolde ziel verloren?De Dokter.Misschien is wel het oordeel zacht,Niet volgens recht, maar bij genade.Brand(zacht).Wat zei zij nog?De Dokter.Wat zei zij nog?Zij mompelde:God is zóó hard niet als mijn zoon!Brand(zinkt in droefheid neer op de bank).Met schuld belast, in stervensnood,Klampt aan die leugen elk zich vast!(verbergt zijn gezicht in de handen).De Dokter(komt naderbij, kijkt hem aan en schudt het hoofd).U wil een lang vervlogen tijdIn alles weer herleven doen.U g’looft nog dat ’t aloud verbondVan God en menschen nog bestaat;…Maar elk geslacht heeft eigen wijs;Het ònze vreest niet meer de hel,Verdoemenis en bakerpraat;…Het hoofdgebod is: wees humaan!Brand(kijkt op).Humaan! Ja, juist, dat slappe woordKlinkt door de heele wereld heen!Daarmee slaat iedre hals je doodAls hij niet durft, of kan of wil;Daarmee omhult zich iedre stumperAls hij nietallesdurft te wagen;Daardoor beschermd verbreekt menthansIedre gelofte alras betreurd;…Gij dwergenzielen maakt ten slotVan ieder mensch een humanist!Was jegens Christus God humaan?Had toenuwGod ook geregeerdWaar’ Jezus niet aan ’t kruis genageld.…En heel ’t verzoeningswerk werd danEen handig diplomatenstukje!(verbergt het hoofd en zit neer in stomme smart).De Dokter(zacht).Raas uit, raas uit, o ziel in opstand;…Het beste waar’ dat je kon schreien.Agnes(is op de trap verschenen, bleek en angstig, fluistert zij tegen den dokter).Och toe! Kom mee!De Dokter.Och toe! Kom mee!Je maakt mij angstig,Wat is er kind?Agnes.Wat is er kind?Een koude doodsangstSloeg mij zoo even om het hart …!De Dokter.Wat is er?Agnes(trekt hem mee).Wat is er?Kom!… het kind, o God!(zij gaan het huis in; Brand bemerkt het niet).Brand(stil in zich zelf).Dood, onverzoend. Dood, als zij leefde.Is dat geen vingerwijzing Gods?Van mij wil hij den tol nu heffen,Dien zij verzuimd heeft te betalen;…Nu driewerf wee mij, als ik wijk!(staat op).Onwankelbaar van nu af aan,Als uitverkoren strijder kampen,Dat geest verwinnen moog’ het vleesch.God gaf mijn tong de kracht van ’t woord,Ontstak zijn toorngloed in mijn ziel;…Nu sta ik in mijn volle macht,Nu durf, nu kan ik rotsen breken!De Dokter(gevolgd door Agnes, komt snel de trappen af en roept).Ruim op je boel en trek er uit!Brand.Al beefde de aard’ toch bleef ik hier!De Dokter.Dan is je kind ten dood gedoemd.Brand(ontzet).Alf! ’t Kind! Mijn Alf! Wat meent u toch?Welk spook bedreigt mijn kind!(wil het huis in).De Dokter.Welk spook bedreigt mijn kind!Neen, blijf!…Hier is geen licht, hier is geen zon,De lucht is scherp als Noordpoolwind,…Hier hangt een nevel klam en zwaar;…Eén winter nog op deze plekEn ’t teere leven is verwelkt.Vertrek, dan is uw kind gered;Maar doe het gauw, liefst morgen al.Brand.Van daag, van avond nog, terstond!O, hij wordt sterk weer en gezond;…Geen gletschersneeuw, geen scherpe wind,Zal meer zijn borstje kwellen hier.Kom, Agnes, neem hem zachtjes op!Dan vluchten wij in aller ijl!O, Agnes, ’t is de dood die spintZijn valen sluier om ons kind!Agnes.Wel vreesde en beefde ik voor gevaar,…Toch waande ik het niet zoo nabij.Brand(tegen den dokter).Vlucht kan hem redden? Dat bezweert u?De Dokter.Een leven dat door vaderliefdeWordt welbewaakt, loopt geen gevaar.Wijd u aan hem, en vrees maar niet,Dra wordt hij weer gezond en frisch.Brand.Dank! Dank!(tegen Agnes).Dank! Dank!Pak hem vooral goed in;De avondwind waait langs de fjord.(Agnes gaat het huis in).De Dokter(neemt Brand zwijgend op, die onbewegelijk door de deur naar binnen kijkt, gaat dan naar hem toe, legt de hand op zijn schouder, en zegt:)Voor ’t arme menschdom onbarmhartig,En voor zichzelf zoo heel teerhartig!Voor andren geldt nietveelofweinig,…Alleen hetallesdan, ofniets;Maar eigen moed is ras geweken,Zoodra het lot als offerlamZijn eigen schat heeft aangewezen.Brand.Wat wil u zeggen?De Dokter.Wat wil u zeggen?Harde woordenHeeft u uw moeder toegebulderd,Verdoemd, als alles zij niet gaf,Als naakt zij niet daalde af in ’t graf.En ’t zelfde woord klonk menigmaalWaar veel en diep geleden werd!Nú drijft uw eigen boot in stormOp noodlotsgolven rond in zee,Nu werpt van de omgeslagen kielU snel den schuldbrief over boord,…Weg, over boord, het zware boek,Waarmee u zelf de broeders sloeg;Nu is de zaak, in stijve briesTe zoeken heil voor eigen telg.Snel weg van hier, van storm en fjord,…Snel weg zelfs van uw moeders lijk,…Snel weg van zielezorg en werk;…Nu staakt de priester zijn bedrijf!…Brand(grijpt in vertwijfling naar zijn hoofd om zijn gedachten te verzamelen).Ben ik nù blind? Wàs ik het eerst?De Dokter.U doet als vader stellig goed.Denk niet dat ’k afkeur wat u doet;…Voor mij is u, gebroken nu,Veel grooter dan de sterke held …Vaarwel! Ik hield u vóór den spiegel;Kijk er eens in, en zucht: mijn God,Zoo ziet een Godsgetuige er uit!(af).Brand(staart een oogenblik voor zich uit, barst dan plotseling uit).Waar tastte ik mis? Nu, of te voren?!(Agnes komt de deur uit met een mantel om de schouders en het kind op haar arm; Brand ziet haar niet. Zij wil spreken maar blijft als verlamd van schrik staan, als zij de uitdrukking van zijn gezicht ziet. Op hetzelfde oogenblik komt er een man haastig door het tuinhek binnen. De zon gaat onder).De Man.Brand, hoor, u heeft een vijand hier!Brand(drukt de handen op zijn borst).Ja,hier!De Man.Ja,hier!Wees voor den Baljuw op uw hoede.Al vruchtbaar werd uw werken hier,Tot hij ’t vergiftigde met praatjes!Al dikwijls heeft hij uitgestrooidDat gauw uw huis wel leeg zou staan,…Zei dat u ons zou gaan verlaten,Zoodra uw rijke moeder stierf.Brand.En als ’t zoo was?De Man.En als ’t zoo was?Ik ken u immersEn weet waarom hij dat vertelt;U staat toch tegenover hem,Heeft voor zijn wil nog nooit gebogen …Dàt is de reden van zijn wrok …Brand(weifelend).Misschien dat hij de waarheid zei.De Man.Dan heeft dusuons steeds belogen?…Brand.Ik?De Man.Ik?Ja. Heeft u ons niet gezegdDat God zelf u verkoren hadOm hier te wonen onder ons;Dat u uw strijd hier voeren zou,Dat niemand mag zijn taak verzaken,Dat hij moet staan, maar nimmer wijken?Die taak is de uwe! Warm en lichtGloort al uw vuur in menig borst.Brand.Neen, ’t oor der menigte is doof;Haast ieders ziel is dof en loom!De Man.U weet wel beter;… ’t hemelsch lichtBreekt hier in meen’ge ziel al door.Brand.Maar in de meesten is ’t nog nacht.De Man.U is als ’t licht dat schijnt bij nacht.Doch laat het wezen zoo het wil;Het komt hier niet op tellen aan;Want hier sta ik, een eenig man,En zeg: ga heen dan als u kan!Mijn ziel is vol, al weet ik weinigVan alles wat staat in de boeken,U heeft uit ’t niet mij opgeheven,…Zie of u nu mij los mag laten!U kan het niet; ik houd u vast;’k Verloor mijn ziel, gaf ’k prijs mijn greep!…Vaarwel! ’k Verwacht getroost ’t bericht!Noch u, noch uw God laat mij los!(af).Agnes(schuchter).Je wang is wit, je mond is bleek,Alsof je pijn hadt in je ziel.Brand.Elk klinkend woord dat ’k eertijds sprakSlaat als een echo nu terug.Agnes(komt een stap nader).Ik ben bereid.Brand.Ik ben bereid.Bereid? Waartoe?Agnes(met kracht).Tot wat een moeder mag en wil!(Gerd loopt voorbij op den weg en blijft bij den tuinmuur staan).Gerd(klapt in de handen en roept wild en blij:)Hoorde je ’t al? Weg vloog de priester!…Uit de bergen, op de rotsenWemelt het van bergkabouters,Zwarte, woeste, groot en klein,…Hoeh, wat sloeg de bende d’r op …!Rukten de oogen mij haast uit,Half mijn ziel viel hun ten buit;…Och, ’k kan ’t met de helft wel stellen’k Heb van ’t wrak genoeg nog over!Brand.Kind, je raaskalt, zie je nietDat ik hier vlak vóór je sta?Gerd.Jij? Jawel, maar niet de priester!Van den Zwarten Top mijn havikVloog rechtuit, de helling langs,Boos en wild, met tuig en zadel,Sneed hij blazend d’ochtendwind;En een man zat op zijn rug …Dat was hij, dat was de priester!Nu staat leeg de kerk van ’t dorp,’t Slot dicht en de boom er voor.’t Is gedaan met ’t nare kerkje,En nu komt mijn kerk tot eere,Waar mijn priester preekt en zingt,Sterk en groot, in ’t witte miskleedDoor den wintervorst geweven;…Wil je ’m zien? Kom dan maar mee,Woorden spreekt mijn priester, dieKlinken heel de wereld door!Brand.Ong’lukskind, wou je mij lokkenMet verdwaasde afgoderijen?Gerd(komt het tuinhek in).Wat zijn dat, afgoderijen?’n Afgod? O, ik weet het al;Somtijds groot en somtijds klein;Altijd goud en mooi en kleurig.’n Afgod! Hoor eens, zie je háár daar?Kan je onder ’t kleed herkennenKinderhandjes, kinderbeenen?Zie je niet hoe mooi en kleurigAl die windsels iets omhullen?’t Lijkt een kind dat rustig slaapt,Angstig wijkt zij … dekt het toe!’n Afgod? Man, dàt is een afgod!Agnes(tegen Brand).Heb jij tranen en gebeden?Angst heeft ’t àl bij mij verjaagd!Brand.Agnes,… wee! Ik meen te voelenDat een hoogre macht haar zond!Gerd.Hoor nu, alle klokken luidenBoven op den wilden top!Kijk eens wat een troep daar heen trekt,Naar mijn kerk in ’t ijsgewelf!Zie je wel al die kabouters,Die de priester joeg in zee?Zie je wel die dwergen allen,Die tot nu begraven lagen?En den steen had hij verzegeld.Zee noch graf kan hen meer houden,Zie ze koud en kil krioelen;…Kindren, schijndood, zie ik schreien,Van zich wentlen rotssteenblokken.Vader! Moeder! schreeuwen zij!Mannen, vrouwen schieten toe.Kijk, de dorper loopt in ’t middenVan een heelen stoet van zonen;En zijn vrouw legt ’t doode kindjeAan haar borst om het te laven;…Nooit nog droeg zoo hoog zij ’t hoofdToen zij hield het kind ten doop.Priester weg … toen kwam er leven!Brand.Wijk van mij! Ik zie welhaastErger spoken …Gerd.Erger spoken …Hoor! Hij lacht,Hij, die aan den weg daar zit,Hij, die opstijgt naar den top,En hij schrijft er in zijn boekIedre ziel die opwaarts toog;…Ha, hij heeft ze bijna allen;’t Kerkje staat ginds immers leeg,’t Slot dicht en de boom er voor,…Op den havik vlood de priester!(springt over het tuinmuurtje en verdwijnt tusschen de rotsen).(een stilte).Agnes(komt nader en zegt gedempt:)Laat ons gaan; nu is het tijd.Brand(staart haar aan).Waarheen gaan wij?(wijst eerst op het tuinhek, dan op de huisdeur).Waarheen gaan wij?(wijst eerst op het tuinhek, dan op de huisdeur).Daar?… of daar?Agnes(wijkt verschrikt achteruit).Brand, je kind!…Brand(volgt haar).Brand, je kind!…Wat was ik eerderZeg mij, dienaar Gods of vader?Agnes(wijkt verder terug).Al stelde mij God zelf die vraag …Beslissen zal ik nimmermeer!Brand(volgt haar weer).Spreek als moeder: màg ik gaan?Jij hebt hier het laatste woord!Agnes.’k Ben je vrouw, mocht je bevelen,Zal ’k gehoorzaam zijn en buigen.Brand(wil haar arm grijpen).Neem dien kelk der keus van mij!Agnes(wijkt achter den boom).Dan zou ik geen moeder zijn!Brand.’n Oordeel ligt er in dat woord!Agnes(met kracht).Vraag je zelf af: hèb ik keus?Brand.Sterker nog het oordeel klinkt!Agnes.Voel je je als door God verkoren?Brand.Ja!(grijpt haar hand vast).Ja!En nu moet jij ook zeggen’t Woord van leven of van dood!Agnes.Ga den weg, dien God gebiedt!(Pauze).Brand.Laat ons gaan; nu is het tijd.Agnes(toonloos).Welken weg dan?Brand(zwijgt).Agnes(wijst naar het tuinhek en vraagt).Welken weg dan?Dien?Brand(wijst naar de huisdeur).Welken weg dan? Dien?Neen,… dien!Agnes(heft het kind in haar armen hoog omhoog).God! Dit offer dat gij eischtHef ik trotsch ten hemel op!Leid mij nu door ’s levens nacht!(gaat naar binnen).Brand(staart een poos voor zich uit, barst in tranen uit, slaat de handen boven zijn hoofd in elkaar, laat zich op de trap neervallen en roept uit:)Jezus! Jezus! Geef mij licht!EINDE VAN HET DERDE BEDRIJF.

DERDE BEDRIJF.Drie jaar later. Een klein tuintje door steenen ommuurd bij de pastorie gelegen aan den voet van een hoogen bergrug. De fjord ligt nauw en ingesloten op den achtergrond. De huisdeur opent in den tuin. Namiddag.Brand staat op de trap voor het huis. Agnes zit op een lagere tree.Agnes.Mijn lieve man, alweder dwaaltJe oog zoo angstig naar de fjord …Brand.Ik wacht bericht.Agnes.Ik wacht bericht.Je bent onrustig!Brand.Van moeder wacht ik steeds bericht.Drie jaar heb ik nu al vertrouwendBericht gewacht, dat nooit nog kwam.En morgen zoo werd mij gezegd,Is mooglijk wel haar uur geslagen.Agnes(zacht en liefdevol).Je moest maar op geen boodschap wachten.Brand(hoofdschuddend).Berouwt zij hare zonden nietDan heb ik ook geen woord van troost.Agnes.Zij is je moeder.Brand.Zij is je moeder.En zou ik daaromIn haar afgoderij aankweeken?Agnes.Brand, je bent hard!Brand.Brand, je bent hard!Voor jou?Agnes.Brand, je bent hard! Voor jou?O, neen!Brand.’k Voorzei je een weg vol moeilijkheid.Agnes(glimlacht).Het sloeg niet in; je hieldt geen woord.Brand.Jawel, het is hier scherp en koud;Je wangen worden smal en bleek;Je bent te teer voor dit klimaat.Niets kan gedijen om ons huis,Dan ijs en sneeuwval, rots en gruis.Agnes.Zooveel te veil’ger ligt het hier.Zóó ver reikt al de gletscher nuDat hij in ’t voorjaar, voortgestuwdNaar ’t dal, over ons dak heenschrijdt,En ongedeerd ons huis blijft staan,Als in een welvend waterhol.Brand.En ’t zonlicht dat nooit reikt tot hier.Agnes.Dat danst daar toch zoo warm en blijEn tintlend op den bergrug ginds.Brand.Drie weken, ja … als ’t zomer is,…Maar zelfs zijn voet bereikt het nooit.Agnes(kijkt hem strak aan, staat op en zegt:)Er is iets dat je angstig maakt!Brand.Neen, jou!Agnes.Neen, jou!Neen jou!Brand.Neen, jou! Neen jou!Je hebt een angst,’n Geheimen angst.Agnes.’n Geheimen angst.En jij ook, Brand!Brand.Je duizelt, als voor ’n diep ravijn!Spreek toch! Wat is ’t?Agnes.Spreek toch! Wat is ’t?Ik beef somtijds …(houdt op).Brand.Je beeft! Voor wie dan wel?Agnes.Je beeft! Voor wie dan wel?Voor Alf.Brand.Voor Alf?Agnes.Voor Alf?Brand, jij ook!Brand.Voor Alf? Brand, jij ook!Somtijds, ja!Maar neen, dat doet God ons niet aan!God is toch goed! Mijn kleine ventGroeit sterk en flink er wel doorheen.Waar is hij nu?Agnes.Waar is hij nu?Hij slaapt.Brand(kijkt naar binnen).Waar is hij nu? Hij slaapt.Och, kijk,Hij droomt niet van ellende en smart;Zijn handje is mollig, dik en rond.Agnes.Maar bleek.Brand.Maar bleek.Ja, bleek; maar dat gaat over.Agnes.Wat ligt hij rustig nu te slapen.Brand.God zegen je! Slaap je gezond!(sluit de deur).Met jou en hem, kwam vrede en licht,Verlichtend al mijn daaglijksch werk.Wat moeilijk was, elk droevig uur,Werd met je beiden licht en blij.Bij jou ontviel mij nooit de moed,En kracht gaf mij zijn kinderspel.Als martlaar nam ’k mijn roeping op,Maar zie, hoe ’t al zich heeft gekeerd,Hoe nu ’t geluk schijnt op mijn pad …Agnes.Ja, Brand, jij bent ’t geluk ook waard,Je hebt gestreden en ontbeerd,Geduld, geleden, je afgetobd;’k Weet dat je, stil, vaak hebt geschreid …Brand.’t Is zoo … maar alles leek mij licht;Met jou trok hier de liefde binnen,Als warme voorjaars-zonneschijn.Die had ik nooit nog leeren kennen,Noch vader gaf mij die, noch moeder.Liefst doofden zij het enkle sprankjeDat nu en dan uit de asch opglom.Het was of al de schat van warmte,Die ’k stil verborgen in mij droeg,Was opgespaard tot glorieschijn,Om hem en jou, mijn lieve vrouw!Agnes.Niet om ons beide alleen … om allenDie nu tot de onzen hier behooren;Wie droevig is, in nood verkeert,Wie lijdt of schreit, ’t zij vrouw of kind,Een ieder wordt gelaafd, gesterkt,Door wat hun biedt je rijke ziel.Brand.Maar toch door jou en hem. Den geestVan goedheid, zachtheid, bracht je mij.Geen ziel kan allen liefde geven,Die niet één enkle liefhad eerst;’k Moest zóó lang smachten en ontberen,Dat heel mijn hart werd als een steen …Agnes.En nòg … je liefde is nog niet zacht;Je liefkoozing wordt vaak een slag.Brand.Voor jou ook, Agnes?Agnes.Voor jou ook, Agnes?Neen, mijn liefste;Licht was wat jij mij gaf te dragen;…Maar menigeen, verliet je al,Om ’t:nietsofalles, dat je eischt!Brand.Wat er zoo liefde wordt genoemd,Dat wil ik niet en ken ik niet.Gods liefde ken ik maar alleen,En die is zoomin week als zacht;Die is als doodsverschrikking hard,En als die liefkoost wordt ’t een slag.Welk antwoord gaf God in den hof,Toen hem zijn zoon in doodsangst bad:Neem weg dien drinkbeker, mijn God!Ontnam hij hem dien smartkelk toen?Neen, kind, hij heeft dien gansch geledigd.Agnes.Ach, met zulk een maat gemetenKan geen enkle ziel bestaan.Brand.Geen mensch weet wien verdoemnis treft.Toch staat in vlammend schrift geschreven:Wees trouw tot de allerlaatste proef,Geen halfheid wint de levenskroon!’t Is niet genoeg ’t angstzweet te voelen,De vuurproef zelf moet gij doorstaan.Dat gij ’t nietkuntwordt u vergeven,Maar nimmermeer dat gij nietwilt.Agnes.Ja, zeker, ja, zoo moet het wezen.O, hef mij op, dat ’k mét je opstijg;O, leid mij naar je hooge sferen;Sterk is mijn wensch, maar slap mijn moed.Vaak grijpt mij de angst, ik voel mij duiz’len,En moe en aardtraag sleept mijn voet.Brand.Kijk, Agnes, voor een ieder geldtDe eisch: geen halfheid laf en slap!Veroordeeld is àl wat je doetAls ’t half maar is, of voor den schijn.Tot wet moet deze leer je worden:Met woorden niet, maar met het leven.Agnes(valt hem om den hals).Waar jij gaat, volg ik op den voet!Voor twee is er geen rots te steil.(De dokter is den berg afgekomen en blijft voor de tuinomheining staan).De Dokter.Zoo duifjes, hier aan ’t trekkebekkenOp deze woeste, grauwe rotsen?Agnes.Mijn oude dokter, is u hier?O, kom toch binnen!(loopt naar beneden en opent het hek).De Dokter.O, kom toch binnen!Neen, dàt niet!Je weet wel, ’k ben nog altijd boos!Gaan wonen hier, op zulk een plek,Waar sneeuw en ijs en winterstormEen mensch door ziel en lichaam snijdt …Brand.Niet door de ziel.De Dokter.Niet door de ziel.Zoo, niet? Och kom!’t Is waar, het ziet er haast naar uit,’t Lijkt waarlijk of je snel verbondOp hechten, vasten grondslag rust;Hoewel, zooals het spreekwoord zegt,Wat snel gebouwd wordt, snel vergaat.Agnes.Een zonnekus, een klokkenklankKan wekken soms een zomerdag.De Dokter.Vaartwel. ’k Moet naar een zieke toe.Brand.Mijn moeder?De Dokter.Mijn moeder?Ja. Gaat u soms mee?Brand.Nu niet.De Dokter.Nu niet.Wasu er al?Brand.Nu niet.Wasu er al?Nog niet.De Dokter.U is wel hard. Door wind en sneeuwKwam ik over den berg gezwoegd,Ofschoon ik weet dat er van haarGeen hongerloontje overschiet.Brand.God zeegne uw kennis en uw vlijt.Maak, als u kan, haar ’t sterven licht.De Dokter.Gods zegen op mijn wil; ik kwamZoodra ’k in nood geroepen werd.Brand.Zij zond om u; maar niet om mij;…Ik wacht, en wacht in zieleangst.De Dokter.Wacht langer niet!Brand.Wacht langer niet!Vóór ze om mij zendtHeb ik daar ginder niets te doen.De Dokter(tegen Agnes).Jij arm klein vrouwtje, toevertrouwdAan zulker harde handen macht!Brand.Ik bèn niet hard.Agnes.Ik bèn niet hard.Hij gaf zijn bloedAls ’t voor haar ziel vergifnis bracht!Brand.’k Nam als haar zoon en erfgenaamVrijwillig al haar schulden op mij.De Dokter.Delg uw eigen schuld!Brand.Delg uw eigen schuld!Voor God kanWel één de schuld van velen delgen.De Dokter.Maar niet door één, die zelf een beedlaar,Tot over de ooren steekt in schulden.Brand.Of rijk, of beedlaar;… ’kwilgeheel,…En meer dan dàt behoeft er niet!De Dokter(kijkt hem strak aan).Ja, van uw wil hetquantum satisStaat mooi en duidlijk wel geboekt,…Maar, Brand, uwconto caritatisDat is een onbeschreven blad.(af).Brand(volgt hem een oogenblik met de oogen).Geen woord werd ooit zoo neergesleurdIn leugens, als men ’tliefdedoet;…Dat leggen zij met SatanslistAls sluier over slappen wil;Bedrieglijk dekken zij daarmeeHun wuft en ijdel levensspel;Is smal het pad en glad en steil,In liefde wordt u dat verkort;Gaat men den breeden zonde-wegBlijft hoop op liefde toch bestaan,…Men ziet zijn doel, maar mijdt den strijd …Door liefde wordt ’t toch nog bereikt;En dwaalt gij, beter wetend toch,…In liefde vindt ge een toevluchtsoord!Agnes.Ja, dat ’s verkeerd, en toch ik moetMij vaak afvragen:ishet zoo?Brand.Eén ding vergeet je; eerst de wilVoldoet den dorst der wet naar recht.Eerstwillenmoet je, niet alleenWat mooglijk is in ’t groot en ’t klein,Niet enkel waar er aan de daadVeel moeite vast is en bezwaar,…Neen, willen moet men sterk en blij,Door allen schrik en angsten heen.Niet dàt is martlaarschap, in pijnAan ’t kruishout stervend te vergaan,Maar ’twillenvan dien dood aan ’t kruis,Tewillenal dien angst en nood,Tewillenal die zielepijn,Dat eerst brengt je verlossing aan.Agnes(vlijt zich dicht tegen hem aan).Komt eens voor ons de zware proef,…O spreek dàn, jij, mijn sterke man!Brand.Na zulk een zege van den wilKomt dan der liefde heerlijkheid,Dan daalt zij neer als witte duifMet een olijftak, levensboô.Maar hier, bij ’t slappe, lakse volk,Is de allerbeste liefde haat!(verschrikt).Haat! Haat! Een wereldstrijd te willenLigt in dit ééne korte woordje!(gaat haastig het huis binnen).Agnes(kijkt door de open deur).Nu knielt hij bij zijn kleinen ventEn wiegelt ’t hoofd als schreide hij;Hij drukt zich tegen ’t bedje aanAls iemand die geen uitkomst weet …O, wat een schat van liefde woontEr in die sterke manneziel!Alf heeft hij lief, dat màg, want ’t kindIs nog door zonde niet besmet.(ontzet opspringend).Op springt hij … wringt de handen … O!Wat ziet hij? Hij is doodlijk bleek!Brand(buiten op de trap).Kwam niemand nog?Agnes.Kwam niemand nog?Neen, nog geen mensch.Brand(kijkt achterom in het huis).Zijn huid is gloeiend heet en droog;Zijn slapen kloppen, polsen jagen …!Niet bang zijn, kind!Agnes.Niet bang zijn, kind!O, die gedachten!Brand.Neen, vrees maar niets …(roept over den weg).Neen, vrees maar niets …(roept over den weg).Daar zie ik iemand!Een Man(door het tuinhek).Nu moet u komen!Brand.Nu moet u komen!Daadlijk, ja!Wat is je boodschap?De Man.Wat is je boodschap?’k Weet niet recht;Zij zat in bed op, boog vooroverEn zei: ga nu den priester halen;Mijn half bezit is voor de kerkBrand(terugwijkend).Dehelftmaar! Neen! Zeg neen!De Man(hoofdschuddend).Dehelftmaar! Neen! Zeg neen!Dan zou’k Mijn boodschap niet goed overbrengen.Brand.Dehelft! Dehelft! ’t Moestalleszijn!De Man.Dat kan wel zijn; maar luid en klaarZei zij dat woord. ’k Vergis mij niet.Brand(grijpt zijn arm).Durf je op den Oordeelsdag getuigenVoor God, dat zij die woorden zei?De Man.Ja.Brand(vast).Ja.Ga, en breng dit antwoord over,…Geen priester komt, geen sacrament.De Man(kijkt hem onzeker aan).U heeft mij vast niet goed begrepen,’t Is van uwmoederdat ik kom.Brand.Ik weet van geen tweeledig rechtVoor vreemden of voor eigen volk.De Man.Dat woord is hard.Brand.Dat woord is hard.Zij weet het wel,’t Wasallesofferen ofniets.De Man.O!Brand.O!Zeg dat ’t kleinste klompje goudToch evenzeer een afgod blijft.De Man.Zoo zacht als ’k eenigszins maar kanBreng ’k haar dit geeslend antwoord over.Haar blijft tot troost dit ééne dan:Dat God niet zóó hard is als u!(af).Brand.Ja, deze troost blies vaak genoegZijn pestlucht door de wereld heen.Met jammerklacht van ach en weeSnoert men den rechter dan den mond.Natuurlijk! Zoo behoort het ook!Men kent hem immers al zoo lang;…Men weet zoo goed hoe te allen tijdDen oude zich beknibb’len laat.(De man heeft buiten op den weg een anderen ontmoet; zij komen samen terug).Brand.Nieuw bericht?Eerste Man.Nieuw bericht?Ja.Brand.Nieuw bericht? Ja.Wat dan nu?De Tweede.’t Zou negen tienden dan nu zijn.Brand.Niet alles?De Tweede.Niet alles?Neen.Brand.Niet alles? Neen.Ik zei het al:Geen priester en geen sacrament.De Tweede.Zij heeft geleden en geboet …De Eerste.Kom mee, zij is uw moeder toch!Brand(knijpt de handen samen).Ik màg niet met twee maten meten …Eén maat voor eigen volk en vreemden.De Tweede.De zieke lijdt in angst en nood,Kom, zend haar een verzoenend woord.Brand(tegen den eerste).Ga, zeg de zieke wat ’k gebood:Voor haar wijd ik noch wijn, noch brood.(De mannen gaan heen).Agnes(vlijt zich tegen hem aan).Soms beef ik voor je levenslot:Je gloeit als ’t vlammend zwaard van God.Brand(met tranen in zijn stem).Staat heel de wereld dan ook nietVijandig tegenover mij,En wondt mijn ziel ten bloede toeMet al haar koppig, laks verzet?Agnes.Zwaar zijn de eischen die je stelt.Brand.Stel, als je durft, er zachtre voor.Agnes.Meet met dien maatstaf wien je wiltEn zie ofiemandkan voldoen.Brand.Neen, dáárin heb je, eilaas, gelijk.Zoo dwars, zoo dom, zoo leeg, zoo slecht,Is ’t heele menschdom tegenwoordig.Vermaakt iemand bij wilsbeschikkingDoch ongenoemd, zijn geld en goed,Men prijst hem daadlijk hemelhoog.Neem weg den naam van menig held,Laat hem alleen wat hij volbracht,Doe keizers, vorsten ’t zelfde aanEn zie wat er dan overblijft.Laat ’n dichter uit hun kooitje heimlijkZijn schoonheidsvogels laten glippen,Dat niemand denk’ dathijhun gafEen stem en gulden veerendos …Grijp groenen of wel dorren tak:Opoff’ring vindt men bij geen een.Door alles heen ’t aardslaafsche denken;…Elk klampt in wilden angst zich vastAan ’t zwakke rankje van zijn leven.Begeeft hem dit, waar de afgrond gaapt …Klauwt hij met nagels zich nog vast.Agnes.En zulk een diep gevallen volkRoep je nog toe; hetalofniets!Brand.Wie zege wil, moet daarvoor strijden;Wie ’t diepste viel, moet ’t hoogste stijgen …(zwijgt even; met veranderde stem).En toch, wanneer ik aan een zielDen eisch stel om zich op te heffen,Is ’t mij als of ik op de golvenIn stormweer ronddreef op een wrak.Stil schreiend beet ik heimlijk vaakMijn tong stuk, die kastijden moest,…En hief tot slaan ik soms den arm,Naar een omhelzing snakt mijn ziel!…Ga nu eens kijken naar den kleine;Zing zoete droomen in zijn slaap;Een kinderziel is klaar en reinAls ’t meer in zomerzonneschijn;Een moeder kan daarover strijkenAls ’n vogel, die in lichten vlucht,Zich spiegelt in zijn diepste diep.Agnes(bleek).Wat is er, Brand, dat je gedachtenWaarheen ze ook gaan, tot hem doet keeren?Brand.O, niets. Bewaak hem maar zorgvuldig.Agnes.Geef mij een antwoord.Brand.Geef mij een antwoord.Forsch?Agnes.Geef mij een antwoord. Forsch?Neen, zacht.Brand(omarmt haar).Wie zonder schuld is, die zal leven.Agnes(kijkt hem helder aan, en zegt:)Eén ding,… màg God niet van ons eischen!(gaat het huis in).Brand(kijkt stil voor zich uit).Maar àls hij ’t deed? Wat God soms eischtLeert “Abrams offer” van weleer.(schudt die gedachte van zich af).Neen, neen! mijn offer heb ’k gebracht,’k Deed afstand van mijn levensdroom,Om als de rommelende donderDe slapers hier op aard’ te wekken.Neen! Daarin lag geen offer meer:’t Viel weg toen over was de droom,’k Door Agnes werd gewekt—om mét mijTe werken samen in ’t verborgen.(kijkt uit over den weg).Wat draalt de zieke ginder langEer zij tot boete-doen besluit,Dat alle schuld te niet zou doen,Al ’t kwaad uitdelgen van haar ziel!Wacht!… Neen, het is de baljuw maar,Welwillend, luchtig, rond, gezond,De handen in zijn beide zakken,Als haakjes om een parenthees.De Baljuw(door het tuinhek).Goên dag! Wij zien elkaar niet vaak,En ’k kom misschien wel ongelegen …Brand(wijst op het huis).Ga binnen.De Baljuw.Ga binnen.Dank u; ’t gaat hier ook;En als mijn woord maar ingang vindt,Dan denk ik stellig dat het ookWel voor ons beiden goed zal zijn.Brand.Laat hooren dan.De Baljuw.Laat hooren dan.Uw moeder moet,Naar ik verneem, haast stervend zijn;…Dat doet mij leed.Brand.Dat doet mij leed.’k Betwijfel ’t niet.De Baljuw.Het doet mij zeer véél leed.Brand.Het doet mij zeer véél leed.Welnu!De Baljuw.Maar zij is oud; en, lieve Heer,Wij gaan toch allemaal dien weg,En daar ’k nu juist voorbij hier kwam,Dacht ik zoo: ’k kon wel even gaanOm ’n enkel woord met u te spreken.Om kort te gaan, ik heb vernomenDat u met haar, sinds u hier kwam,Geleefd heeft in oneenigheid …Brand.Oneenigheid?…De Baljuw.Oneenigheid?…Men zegt dat zijErg vasthoudt aan haar eigendom.Dat gaat, vindt u misschien, wat ver.Men wil toch elk zijn eigen voordeel.Zij is in ’t onverdeeld bezitVan heel uw vaderlijke erfdeel …Brand.In ’t onverdeeld bezit … ’t is waar,De Baljuw.Zoo komt het dan allicht tot twist.En daar ik wel vermoeden kanDat u haar einde naadren zietMet groote kalmte van gemoed,Wil ’k hopen dat u zonder wrokMij hooren wil, zij dan de tijd ookNiet erg geschikt.Brand.Niet erg geschikt.Nu, of wel later.Dat komt voor mij op ’t zelfde neer.De Baljuw.Nu, dan ter zake, zonder meer.Zoodra uw moeder dood zal zijn,En rustig slaapt onder den grond,…En ’t duurt niet lang meer … wordt u rijk …Brand.Rijk, denkt u?De Baljuw.Rijk, denkt u?Denk? Neen, ’k weet het zeker.In alle hoeken heeft zij grond,Zoo ver ’t gewapend oog kan kijken.Ik zeg u, rijk!Brand.Ik zeg u, rijk!Ook na de scheiding?De Baljuw(glimlacht).Wat zoudiehier? Er valt te scheidenWaar vele erfgenamen zijn:Maar hier wordt niemands deel bedreigd.Brand.En als nu toch eens iemand kwamEn van haar goed zijn erfdeel vroeg,En zei:mijkomt het rechtens toe?De Baljuw.Dat moest de duivel zelf dan zijn!Ja, kijk mij nu maar aan … geen menschHeeft ’n enkel woord hierin te spreken;Vertrouw mij maar; ’k ben op de hoogte.Zoo is ’t dus; u wordt welgesteld,Een rijk man zelfs; in dezen uithoekHoeft u dus waarlijk niet te blijven;Voor u staat open ’t heele land.Brand.Zoo. Is eigenlijk dier woorden zinIn ’t kort nietdit: trek elders heen?De Baljuw.Zoowat. Dat waar’ misschien het besteVoor iedereen. Als u aandachtigDe menschen gâ slaat, voor wie uDe tolk is van Gods heilig woord,Moet u toch zien, hoe u hier tusschenPast als een wolf in een troep ganzen.Begrijp mij goed! U heeft de gavenOm nut te stichten in het groot.Maar voor dit volk van bergbewoners,Als vastgegroeid tusschen hun rotsen,Sticht u, dunkt mij meer kwaad dan goed.Brand.Wat wortels voor een boom zijn, isVoor een man ’t geboortedorp;…Zoo hij dáár niet zijn werkkring vindt,Is wat hij uitvoert niet veel zaaks.De Baljuw.In de eerste plaats komt ’t er op aanMet ’s lands behoefte mee te gaan.Brand.Maar die vertoont zich van de hoogteNiet zoo, als in ’t benauwde dorp.De Baljuw.Dat is taal voor verlichte menschen,Niet voor de arme dalbewoners.Brand.Och wat, u met dat grensverschilVan bergen en het lage land!U wil de rechten van den rijke,Maar aan zijn plichten u onttrekken;En denkt, als u maar hardop roept:Wij zijn maar arm! dan is ’t genoeg.De Baljuw.Er is een tijd voor alle dingen,En elk geslacht heeft eigen plicht.Ons dorp droeg ook eens bij zijn scherfjeTot der geschiedenis groote kas.Dat was, natuurlijk, lang geleden;Maar zoo héél klein was ’t scherfje niet.Nu is het dorp maar onbeduidend,Toch leeft zijn roem in sagen voort;Zijn vroegre grootheidsdagen vallenIn koning Beles’ levenstijd;…Nog hoort men menigmalen noemenDe dappre broeders Wolf en Thor;Met vele wakkre mannen, dieNaar Bretlands kust heentogen omAl plundrend af te loopen ’t land.Het Zuiden kreet, verstijfd van schrik,God, help ons tegen hun geweld!En die geweldnaars waren tochOntwijfelbaar echt, lui van hier.En hoe zij zich dan konden wrekenMet moord en doodslag, brand en plundring!Ja, één is er, van wien de sageVertelt dat hij ten kruistocht wou;…Doch dat hij uittoog meldt men niet …Brand.Er stamt voorzeker van dien heldEen heele bende zoons?De Baljuw.Een heele bende zoons?Jawel;Maar hoe weet u …?Brand.Maar hoe weet u …?O, omdat mijDie heldentroep bekend voorkomt,Belofte-helden van het heden,Die ook zoo’n kruistocht ondernemen.De Baljuw.Ja, dat geslacht is uitgebreid.Maar bij vorst Beles waren wij!Eerst dus geraasd in ’t vreemde land;Toen brachten wij aan bloedverwantEn buur, met bijlslagen bezoek.Het veld vertrapt, de oogst verwoest,In brand gestoken kerk en huis,Zoo vlochten we ons een heldenkrans.Op al het toen vergoten bloedWerd later wel wat veel gesnoefd.Maar, na wat ik nu heb gezegdGeloof ik, met bescheidenheid,Op onze macht te mogen wijzenIn heldentijden, lang geledenEn zeggen dat ons dorp eertijdsZijn deel bijdroeg met vuur en zwaard,Tot der ontwikling worstelstrijd.Brand.Toch lijkt ’t mij dat u pleegt verraadAan ’t woord: dat adeldom verplicht,…Alsof met egge, hak en ploegU Beles’ erfgoed stil begraaft.De Baljuw.In geenen deele. Kijk maar eensBij een gemeentelijk diné,Waar ik, de koster en de rechterOp eereplaatsen mee aanzitten.Dan zal u zien, als komt de punch-bowl,Dat Beles nog niet is vergeten.Met klinken, heildronken, gezang,In toasten kort en toasten lang,Gedenkt men hem, laat men hem leven.Ik zelf heb vaak den drang gevoeldIn mij, om van gedachtenspinselVoor hem te weven ’n bloemrijk kleed,En dat heeft menigeen gesticht.Ik houd wel van wat poëzie.Dat doen wij trouwens allemaalHier in ons dorp;… doch steeds met mate …Hetlevenmag die nooit beheerschen,…Alleen zoo tusschen acht en tienUur ’s avonds, als men moe van ’t werk,En vrij weer van de daagsche taak,Naar wat verheffing wel verlangt.Wat u van ons verschillen doetIs dat u ploegen wil en maaienTerzelfder stond, en met geweld.U wil, zoo meen ik te begrijpen,Dat één zijn zal idee en leven,…U wil, met ’t zwoegend land-bebouwenDen strijd voor God vereenigd zien,Zóó innig één, als kool, salpeter,En zwavel zich tot kruit vereent.Brand.Zoo ongeveer.De Baljuw.Zoo ongeveer.Maar dat ’s onmooglijk.In wijder kringen gaat dat beter;…Ga daarheen met uw hooge eischenEn laat ons land en zee beploegen.Brand.Ploeg allereerst in zee maar onderUw pralen op den roem der vaad’ren;Een dwerg wordt er niet grooter doorOf hij al stamt van Goliath.De Baljuw.Er ligt kracht in herinneringen.Brand.Ja … als zij één met ’t leven worden,Maar u gebruikt hun graf alleenOm eigen traagheid te verstoppen.De Baljuw.Mijn eerste blijft mijn laatste woord;…U deed het best met heen te gaan.Hier zal uw arbeid niet gedijen;Uw levensleer wordt niet begrepen.Verheffing, die soms noodig zijn kan,Het beetje troost dat hij behoeft,Die dag aan dag in arbeid zwoegt,Zalikhun voortaan trouw bezorgen.Gedurende mijn heele loopbaanHier, deed ik steeds mijn plicht;Het volksaantal is ruim verdubbeld,Ja, het staat haast als drie tot een,…Terwijl ik meer dan één bedrijfAan deze fjord-streek heb verbonden.In strijd altijd met ’t ruw klimaat,Zijn we als met stoom vooruit gegaan:…Hier loopt een weg, daar ligt een brug..Brand.Maar tusschen g’loof en leven niet …De Baljuw.Die fjord en gletschersneeuw verbindt.Brand.Maar niet de daad met de idee.De Baljuw.Eerst zorgen voor een goed verkeer,Dat men elkaar bereiken kan,…Daarover waren allen ’t eensEer u, als leeraar, hierheen kwam.U heeft in ons vaal schemerlichtEen Noorderlichtschijn hel doen flikk’ren;Wie kan in ’t valsche licht nu zienWat er verkeerd is en wat goed,Wat straf is, en wat boete of smart?U heeft het àl dooreen gehaspeld;En ’t volk, dat één, moest overwinnen,Gesplitst in twee vijand’ge kampen.Brand.Toch blijf ik hier, uw wensch ten trots.Men kiest de plaats niet voor zijn werk.Hij, die zijn doel voor oogen heeftZag eens in vuur’ge letters staan,Het Godswoord:hieris uwe plaats!De Baljuw.Blijf dan, maar binnen eigen grenzen;Ik zie u graag de menschen zuivrenVan zonde en kwaad, als voorkomt hier;God weet dat ’t dikwijls noodig is!Maar maak van iedren arbeidsdagGeen Zondag,… en vertoon geen vlagAlsof God zelf was mee aan boordOp ieder jacht in onze fjord.Brand.Kon ’k mij uw raad ten nutte maken,Zou ik mijn ziel moeten verzaken.Maar ’t geldt hier juist zich zelf te wezen,Zijn eigen roeping te volbrengen,En dat zal ’k doen ten einde toe,Dat om mijn huis een lichtschijn straal!Dit volk, dat ingedommeld isDoor uw bestuur, wek ik weer op!Al lang is hem, door nood en dwang,Zijn laatste oerkracht afgekweld;Uit uwer kleinheid hongerkuurKomt elk te voorschijn mat en slap;Zijn beste bloed is afgetapt,Het merg geschraapt hem uit zijn moed;Aan flarden iedre ziel gescheurd,Die pal als brons had moeten staan;Maar nog kan wel een oproerskreetU in de ooren dondren: strijd!De Baljuw.Strijd?Brand.Strijd?Strijd!De Baljuw.Strijd? Strijd!Als u hen roept te wapenZal u als eerste offer vallen!Brand.Eens zal ’t wel blijken zonneklaarDat nederlaag hier zege was!De Baljuw.Bedenk je, Brand, je staat op ’t kruispunt:Zet alles niet op ééne kaart.Brand.Toch zal ik ’t doen!De Baljuw.Toch zal ik ’t doen!Wordt ’t spel verloren,Dan is uw leven ook verwoest.U heeft al wat u kan begeeren,Is de erve van een rijke moeder,U heeft een kind om voor te leven,Een lieve vrouw;… geluk en vreugdeWordt u met milde hand gereikt!Brand.En als ’k nu toch den rug toekeerAan wat u noemt geluk en vreugde?Als ik numoet?De Baljuw.Als ik numoet?’t Is al verlorenAls u, in dezen uithoek hier,Uw wereldstrijd beginnen wil.Trek zuidwaarts naar de rijke stranden,Waar ’n man geheel zich zelf kan wezen.Dáár kan uw licht u laten schijnenEn de gemeente laten bloeden;Onsoffer is geen bloed, maar zweet,In broodstrijd tusschen rots en ijs.Brand.Hier blijf ik toch. Hier is mijn thuis,En van mijn thuis uit voer ik strijd.De Baljuw.Denk wat op ’t spel staat als het misloopt;…En allermeest wat u laat varen!Brand.Mijzelf verlies ik, als ’k mocht wijken.De Baljuw.Brand, vruchtloos strijdt een eenzaam strijder.Brand.Mijn troep is sterk; ik heb debesten.De Baljuw(glimlacht).Wel mooglijk, ja … maar ik demeesten.(af).Brand(kijkt hem na).Daar gaat een volbloed volksman, heelRechtschapen denkend, heel welwillend,Op zijn wijs werkzaam, warm en billijk …En toch een geesel voor zijn land.Geen aardverschuiving, storm of vloed,Geen hongersnood, geen vorst of pest,Bewerkt er half het ongelukAls zoo een doet, jaar-in, jaar-uit.Die rampen deren maar hetleven;…Maar hij …! Hoeveel blijmoedig willen,Hoeveel gedachten dooft hij uit,Hoe menig krachtig lied versmoort erDoor zulk benauwd, kleinzielig doen!Hoe menig glimlach om de lippen,Hoe menig lichtstraal in een ziel,Hoeveel verheffings-vreugd en smart,Heeft hij verstard, gedoofd, gedood!(plotseling angstig).Waar blijft de bode!.., komt er niemand?Ja, de dokter!(snelt hem te gemoet).Ja, de dokter!Mijn moeder? Spreek!De Dokter.Nu staat zij eindlijk voor haar rechter.Brand.Dood!… Boetvaardig?De Dokter.Dood!… Boetvaardig?Dat g’loof ik niet;Zij hing aan ’t hare hier op aard’Totdat het uur van scheiden sloeg.Brand(kijkt stil bewogen voor zich uit).Is hier ’n verdoolde ziel verloren?De Dokter.Misschien is wel het oordeel zacht,Niet volgens recht, maar bij genade.Brand(zacht).Wat zei zij nog?De Dokter.Wat zei zij nog?Zij mompelde:God is zóó hard niet als mijn zoon!Brand(zinkt in droefheid neer op de bank).Met schuld belast, in stervensnood,Klampt aan die leugen elk zich vast!(verbergt zijn gezicht in de handen).De Dokter(komt naderbij, kijkt hem aan en schudt het hoofd).U wil een lang vervlogen tijdIn alles weer herleven doen.U g’looft nog dat ’t aloud verbondVan God en menschen nog bestaat;…Maar elk geslacht heeft eigen wijs;Het ònze vreest niet meer de hel,Verdoemenis en bakerpraat;…Het hoofdgebod is: wees humaan!Brand(kijkt op).Humaan! Ja, juist, dat slappe woordKlinkt door de heele wereld heen!Daarmee slaat iedre hals je doodAls hij niet durft, of kan of wil;Daarmee omhult zich iedre stumperAls hij nietallesdurft te wagen;Daardoor beschermd verbreekt menthansIedre gelofte alras betreurd;…Gij dwergenzielen maakt ten slotVan ieder mensch een humanist!Was jegens Christus God humaan?Had toenuwGod ook geregeerdWaar’ Jezus niet aan ’t kruis genageld.…En heel ’t verzoeningswerk werd danEen handig diplomatenstukje!(verbergt het hoofd en zit neer in stomme smart).De Dokter(zacht).Raas uit, raas uit, o ziel in opstand;…Het beste waar’ dat je kon schreien.Agnes(is op de trap verschenen, bleek en angstig, fluistert zij tegen den dokter).Och toe! Kom mee!De Dokter.Och toe! Kom mee!Je maakt mij angstig,Wat is er kind?Agnes.Wat is er kind?Een koude doodsangstSloeg mij zoo even om het hart …!De Dokter.Wat is er?Agnes(trekt hem mee).Wat is er?Kom!… het kind, o God!(zij gaan het huis in; Brand bemerkt het niet).Brand(stil in zich zelf).Dood, onverzoend. Dood, als zij leefde.Is dat geen vingerwijzing Gods?Van mij wil hij den tol nu heffen,Dien zij verzuimd heeft te betalen;…Nu driewerf wee mij, als ik wijk!(staat op).Onwankelbaar van nu af aan,Als uitverkoren strijder kampen,Dat geest verwinnen moog’ het vleesch.God gaf mijn tong de kracht van ’t woord,Ontstak zijn toorngloed in mijn ziel;…Nu sta ik in mijn volle macht,Nu durf, nu kan ik rotsen breken!De Dokter(gevolgd door Agnes, komt snel de trappen af en roept).Ruim op je boel en trek er uit!Brand.Al beefde de aard’ toch bleef ik hier!De Dokter.Dan is je kind ten dood gedoemd.Brand(ontzet).Alf! ’t Kind! Mijn Alf! Wat meent u toch?Welk spook bedreigt mijn kind!(wil het huis in).De Dokter.Welk spook bedreigt mijn kind!Neen, blijf!…Hier is geen licht, hier is geen zon,De lucht is scherp als Noordpoolwind,…Hier hangt een nevel klam en zwaar;…Eén winter nog op deze plekEn ’t teere leven is verwelkt.Vertrek, dan is uw kind gered;Maar doe het gauw, liefst morgen al.Brand.Van daag, van avond nog, terstond!O, hij wordt sterk weer en gezond;…Geen gletschersneeuw, geen scherpe wind,Zal meer zijn borstje kwellen hier.Kom, Agnes, neem hem zachtjes op!Dan vluchten wij in aller ijl!O, Agnes, ’t is de dood die spintZijn valen sluier om ons kind!Agnes.Wel vreesde en beefde ik voor gevaar,…Toch waande ik het niet zoo nabij.Brand(tegen den dokter).Vlucht kan hem redden? Dat bezweert u?De Dokter.Een leven dat door vaderliefdeWordt welbewaakt, loopt geen gevaar.Wijd u aan hem, en vrees maar niet,Dra wordt hij weer gezond en frisch.Brand.Dank! Dank!(tegen Agnes).Dank! Dank!Pak hem vooral goed in;De avondwind waait langs de fjord.(Agnes gaat het huis in).De Dokter(neemt Brand zwijgend op, die onbewegelijk door de deur naar binnen kijkt, gaat dan naar hem toe, legt de hand op zijn schouder, en zegt:)Voor ’t arme menschdom onbarmhartig,En voor zichzelf zoo heel teerhartig!Voor andren geldt nietveelofweinig,…Alleen hetallesdan, ofniets;Maar eigen moed is ras geweken,Zoodra het lot als offerlamZijn eigen schat heeft aangewezen.Brand.Wat wil u zeggen?De Dokter.Wat wil u zeggen?Harde woordenHeeft u uw moeder toegebulderd,Verdoemd, als alles zij niet gaf,Als naakt zij niet daalde af in ’t graf.En ’t zelfde woord klonk menigmaalWaar veel en diep geleden werd!Nú drijft uw eigen boot in stormOp noodlotsgolven rond in zee,Nu werpt van de omgeslagen kielU snel den schuldbrief over boord,…Weg, over boord, het zware boek,Waarmee u zelf de broeders sloeg;Nu is de zaak, in stijve briesTe zoeken heil voor eigen telg.Snel weg van hier, van storm en fjord,…Snel weg zelfs van uw moeders lijk,…Snel weg van zielezorg en werk;…Nu staakt de priester zijn bedrijf!…Brand(grijpt in vertwijfling naar zijn hoofd om zijn gedachten te verzamelen).Ben ik nù blind? Wàs ik het eerst?De Dokter.U doet als vader stellig goed.Denk niet dat ’k afkeur wat u doet;…Voor mij is u, gebroken nu,Veel grooter dan de sterke held …Vaarwel! Ik hield u vóór den spiegel;Kijk er eens in, en zucht: mijn God,Zoo ziet een Godsgetuige er uit!(af).Brand(staart een oogenblik voor zich uit, barst dan plotseling uit).Waar tastte ik mis? Nu, of te voren?!(Agnes komt de deur uit met een mantel om de schouders en het kind op haar arm; Brand ziet haar niet. Zij wil spreken maar blijft als verlamd van schrik staan, als zij de uitdrukking van zijn gezicht ziet. Op hetzelfde oogenblik komt er een man haastig door het tuinhek binnen. De zon gaat onder).De Man.Brand, hoor, u heeft een vijand hier!Brand(drukt de handen op zijn borst).Ja,hier!De Man.Ja,hier!Wees voor den Baljuw op uw hoede.Al vruchtbaar werd uw werken hier,Tot hij ’t vergiftigde met praatjes!Al dikwijls heeft hij uitgestrooidDat gauw uw huis wel leeg zou staan,…Zei dat u ons zou gaan verlaten,Zoodra uw rijke moeder stierf.Brand.En als ’t zoo was?De Man.En als ’t zoo was?Ik ken u immersEn weet waarom hij dat vertelt;U staat toch tegenover hem,Heeft voor zijn wil nog nooit gebogen …Dàt is de reden van zijn wrok …Brand(weifelend).Misschien dat hij de waarheid zei.De Man.Dan heeft dusuons steeds belogen?…Brand.Ik?De Man.Ik?Ja. Heeft u ons niet gezegdDat God zelf u verkoren hadOm hier te wonen onder ons;Dat u uw strijd hier voeren zou,Dat niemand mag zijn taak verzaken,Dat hij moet staan, maar nimmer wijken?Die taak is de uwe! Warm en lichtGloort al uw vuur in menig borst.Brand.Neen, ’t oor der menigte is doof;Haast ieders ziel is dof en loom!De Man.U weet wel beter;… ’t hemelsch lichtBreekt hier in meen’ge ziel al door.Brand.Maar in de meesten is ’t nog nacht.De Man.U is als ’t licht dat schijnt bij nacht.Doch laat het wezen zoo het wil;Het komt hier niet op tellen aan;Want hier sta ik, een eenig man,En zeg: ga heen dan als u kan!Mijn ziel is vol, al weet ik weinigVan alles wat staat in de boeken,U heeft uit ’t niet mij opgeheven,…Zie of u nu mij los mag laten!U kan het niet; ik houd u vast;’k Verloor mijn ziel, gaf ’k prijs mijn greep!…Vaarwel! ’k Verwacht getroost ’t bericht!Noch u, noch uw God laat mij los!(af).Agnes(schuchter).Je wang is wit, je mond is bleek,Alsof je pijn hadt in je ziel.Brand.Elk klinkend woord dat ’k eertijds sprakSlaat als een echo nu terug.Agnes(komt een stap nader).Ik ben bereid.Brand.Ik ben bereid.Bereid? Waartoe?Agnes(met kracht).Tot wat een moeder mag en wil!(Gerd loopt voorbij op den weg en blijft bij den tuinmuur staan).Gerd(klapt in de handen en roept wild en blij:)Hoorde je ’t al? Weg vloog de priester!…Uit de bergen, op de rotsenWemelt het van bergkabouters,Zwarte, woeste, groot en klein,…Hoeh, wat sloeg de bende d’r op …!Rukten de oogen mij haast uit,Half mijn ziel viel hun ten buit;…Och, ’k kan ’t met de helft wel stellen’k Heb van ’t wrak genoeg nog over!Brand.Kind, je raaskalt, zie je nietDat ik hier vlak vóór je sta?Gerd.Jij? Jawel, maar niet de priester!Van den Zwarten Top mijn havikVloog rechtuit, de helling langs,Boos en wild, met tuig en zadel,Sneed hij blazend d’ochtendwind;En een man zat op zijn rug …Dat was hij, dat was de priester!Nu staat leeg de kerk van ’t dorp,’t Slot dicht en de boom er voor.’t Is gedaan met ’t nare kerkje,En nu komt mijn kerk tot eere,Waar mijn priester preekt en zingt,Sterk en groot, in ’t witte miskleedDoor den wintervorst geweven;…Wil je ’m zien? Kom dan maar mee,Woorden spreekt mijn priester, dieKlinken heel de wereld door!Brand.Ong’lukskind, wou je mij lokkenMet verdwaasde afgoderijen?Gerd(komt het tuinhek in).Wat zijn dat, afgoderijen?’n Afgod? O, ik weet het al;Somtijds groot en somtijds klein;Altijd goud en mooi en kleurig.’n Afgod! Hoor eens, zie je háár daar?Kan je onder ’t kleed herkennenKinderhandjes, kinderbeenen?Zie je niet hoe mooi en kleurigAl die windsels iets omhullen?’t Lijkt een kind dat rustig slaapt,Angstig wijkt zij … dekt het toe!’n Afgod? Man, dàt is een afgod!Agnes(tegen Brand).Heb jij tranen en gebeden?Angst heeft ’t àl bij mij verjaagd!Brand.Agnes,… wee! Ik meen te voelenDat een hoogre macht haar zond!Gerd.Hoor nu, alle klokken luidenBoven op den wilden top!Kijk eens wat een troep daar heen trekt,Naar mijn kerk in ’t ijsgewelf!Zie je wel al die kabouters,Die de priester joeg in zee?Zie je wel die dwergen allen,Die tot nu begraven lagen?En den steen had hij verzegeld.Zee noch graf kan hen meer houden,Zie ze koud en kil krioelen;…Kindren, schijndood, zie ik schreien,Van zich wentlen rotssteenblokken.Vader! Moeder! schreeuwen zij!Mannen, vrouwen schieten toe.Kijk, de dorper loopt in ’t middenVan een heelen stoet van zonen;En zijn vrouw legt ’t doode kindjeAan haar borst om het te laven;…Nooit nog droeg zoo hoog zij ’t hoofdToen zij hield het kind ten doop.Priester weg … toen kwam er leven!Brand.Wijk van mij! Ik zie welhaastErger spoken …Gerd.Erger spoken …Hoor! Hij lacht,Hij, die aan den weg daar zit,Hij, die opstijgt naar den top,En hij schrijft er in zijn boekIedre ziel die opwaarts toog;…Ha, hij heeft ze bijna allen;’t Kerkje staat ginds immers leeg,’t Slot dicht en de boom er voor,…Op den havik vlood de priester!(springt over het tuinmuurtje en verdwijnt tusschen de rotsen).(een stilte).Agnes(komt nader en zegt gedempt:)Laat ons gaan; nu is het tijd.Brand(staart haar aan).Waarheen gaan wij?(wijst eerst op het tuinhek, dan op de huisdeur).Waarheen gaan wij?(wijst eerst op het tuinhek, dan op de huisdeur).Daar?… of daar?Agnes(wijkt verschrikt achteruit).Brand, je kind!…Brand(volgt haar).Brand, je kind!…Wat was ik eerderZeg mij, dienaar Gods of vader?Agnes(wijkt verder terug).Al stelde mij God zelf die vraag …Beslissen zal ik nimmermeer!Brand(volgt haar weer).Spreek als moeder: màg ik gaan?Jij hebt hier het laatste woord!Agnes.’k Ben je vrouw, mocht je bevelen,Zal ’k gehoorzaam zijn en buigen.Brand(wil haar arm grijpen).Neem dien kelk der keus van mij!Agnes(wijkt achter den boom).Dan zou ik geen moeder zijn!Brand.’n Oordeel ligt er in dat woord!Agnes(met kracht).Vraag je zelf af: hèb ik keus?Brand.Sterker nog het oordeel klinkt!Agnes.Voel je je als door God verkoren?Brand.Ja!(grijpt haar hand vast).Ja!En nu moet jij ook zeggen’t Woord van leven of van dood!Agnes.Ga den weg, dien God gebiedt!(Pauze).Brand.Laat ons gaan; nu is het tijd.Agnes(toonloos).Welken weg dan?Brand(zwijgt).Agnes(wijst naar het tuinhek en vraagt).Welken weg dan?Dien?Brand(wijst naar de huisdeur).Welken weg dan? Dien?Neen,… dien!Agnes(heft het kind in haar armen hoog omhoog).God! Dit offer dat gij eischtHef ik trotsch ten hemel op!Leid mij nu door ’s levens nacht!(gaat naar binnen).Brand(staart een poos voor zich uit, barst in tranen uit, slaat de handen boven zijn hoofd in elkaar, laat zich op de trap neervallen en roept uit:)Jezus! Jezus! Geef mij licht!EINDE VAN HET DERDE BEDRIJF.

DERDE BEDRIJF.Drie jaar later. Een klein tuintje door steenen ommuurd bij de pastorie gelegen aan den voet van een hoogen bergrug. De fjord ligt nauw en ingesloten op den achtergrond. De huisdeur opent in den tuin. Namiddag.Brand staat op de trap voor het huis. Agnes zit op een lagere tree.Agnes.Mijn lieve man, alweder dwaaltJe oog zoo angstig naar de fjord …Brand.Ik wacht bericht.Agnes.Ik wacht bericht.Je bent onrustig!Brand.Van moeder wacht ik steeds bericht.Drie jaar heb ik nu al vertrouwendBericht gewacht, dat nooit nog kwam.En morgen zoo werd mij gezegd,Is mooglijk wel haar uur geslagen.Agnes(zacht en liefdevol).Je moest maar op geen boodschap wachten.Brand(hoofdschuddend).Berouwt zij hare zonden nietDan heb ik ook geen woord van troost.Agnes.Zij is je moeder.Brand.Zij is je moeder.En zou ik daaromIn haar afgoderij aankweeken?Agnes.Brand, je bent hard!Brand.Brand, je bent hard!Voor jou?Agnes.Brand, je bent hard! Voor jou?O, neen!Brand.’k Voorzei je een weg vol moeilijkheid.Agnes(glimlacht).Het sloeg niet in; je hieldt geen woord.Brand.Jawel, het is hier scherp en koud;Je wangen worden smal en bleek;Je bent te teer voor dit klimaat.Niets kan gedijen om ons huis,Dan ijs en sneeuwval, rots en gruis.Agnes.Zooveel te veil’ger ligt het hier.Zóó ver reikt al de gletscher nuDat hij in ’t voorjaar, voortgestuwdNaar ’t dal, over ons dak heenschrijdt,En ongedeerd ons huis blijft staan,Als in een welvend waterhol.Brand.En ’t zonlicht dat nooit reikt tot hier.Agnes.Dat danst daar toch zoo warm en blijEn tintlend op den bergrug ginds.Brand.Drie weken, ja … als ’t zomer is,…Maar zelfs zijn voet bereikt het nooit.Agnes(kijkt hem strak aan, staat op en zegt:)Er is iets dat je angstig maakt!Brand.Neen, jou!Agnes.Neen, jou!Neen jou!Brand.Neen, jou! Neen jou!Je hebt een angst,’n Geheimen angst.Agnes.’n Geheimen angst.En jij ook, Brand!Brand.Je duizelt, als voor ’n diep ravijn!Spreek toch! Wat is ’t?Agnes.Spreek toch! Wat is ’t?Ik beef somtijds …(houdt op).Brand.Je beeft! Voor wie dan wel?Agnes.Je beeft! Voor wie dan wel?Voor Alf.Brand.Voor Alf?Agnes.Voor Alf?Brand, jij ook!Brand.Voor Alf? Brand, jij ook!Somtijds, ja!Maar neen, dat doet God ons niet aan!God is toch goed! Mijn kleine ventGroeit sterk en flink er wel doorheen.Waar is hij nu?Agnes.Waar is hij nu?Hij slaapt.Brand(kijkt naar binnen).Waar is hij nu? Hij slaapt.Och, kijk,Hij droomt niet van ellende en smart;Zijn handje is mollig, dik en rond.Agnes.Maar bleek.Brand.Maar bleek.Ja, bleek; maar dat gaat over.Agnes.Wat ligt hij rustig nu te slapen.Brand.God zegen je! Slaap je gezond!(sluit de deur).Met jou en hem, kwam vrede en licht,Verlichtend al mijn daaglijksch werk.Wat moeilijk was, elk droevig uur,Werd met je beiden licht en blij.Bij jou ontviel mij nooit de moed,En kracht gaf mij zijn kinderspel.Als martlaar nam ’k mijn roeping op,Maar zie, hoe ’t al zich heeft gekeerd,Hoe nu ’t geluk schijnt op mijn pad …Agnes.Ja, Brand, jij bent ’t geluk ook waard,Je hebt gestreden en ontbeerd,Geduld, geleden, je afgetobd;’k Weet dat je, stil, vaak hebt geschreid …Brand.’t Is zoo … maar alles leek mij licht;Met jou trok hier de liefde binnen,Als warme voorjaars-zonneschijn.Die had ik nooit nog leeren kennen,Noch vader gaf mij die, noch moeder.Liefst doofden zij het enkle sprankjeDat nu en dan uit de asch opglom.Het was of al de schat van warmte,Die ’k stil verborgen in mij droeg,Was opgespaard tot glorieschijn,Om hem en jou, mijn lieve vrouw!Agnes.Niet om ons beide alleen … om allenDie nu tot de onzen hier behooren;Wie droevig is, in nood verkeert,Wie lijdt of schreit, ’t zij vrouw of kind,Een ieder wordt gelaafd, gesterkt,Door wat hun biedt je rijke ziel.Brand.Maar toch door jou en hem. Den geestVan goedheid, zachtheid, bracht je mij.Geen ziel kan allen liefde geven,Die niet één enkle liefhad eerst;’k Moest zóó lang smachten en ontberen,Dat heel mijn hart werd als een steen …Agnes.En nòg … je liefde is nog niet zacht;Je liefkoozing wordt vaak een slag.Brand.Voor jou ook, Agnes?Agnes.Voor jou ook, Agnes?Neen, mijn liefste;Licht was wat jij mij gaf te dragen;…Maar menigeen, verliet je al,Om ’t:nietsofalles, dat je eischt!Brand.Wat er zoo liefde wordt genoemd,Dat wil ik niet en ken ik niet.Gods liefde ken ik maar alleen,En die is zoomin week als zacht;Die is als doodsverschrikking hard,En als die liefkoost wordt ’t een slag.Welk antwoord gaf God in den hof,Toen hem zijn zoon in doodsangst bad:Neem weg dien drinkbeker, mijn God!Ontnam hij hem dien smartkelk toen?Neen, kind, hij heeft dien gansch geledigd.Agnes.Ach, met zulk een maat gemetenKan geen enkle ziel bestaan.Brand.Geen mensch weet wien verdoemnis treft.Toch staat in vlammend schrift geschreven:Wees trouw tot de allerlaatste proef,Geen halfheid wint de levenskroon!’t Is niet genoeg ’t angstzweet te voelen,De vuurproef zelf moet gij doorstaan.Dat gij ’t nietkuntwordt u vergeven,Maar nimmermeer dat gij nietwilt.Agnes.Ja, zeker, ja, zoo moet het wezen.O, hef mij op, dat ’k mét je opstijg;O, leid mij naar je hooge sferen;Sterk is mijn wensch, maar slap mijn moed.Vaak grijpt mij de angst, ik voel mij duiz’len,En moe en aardtraag sleept mijn voet.Brand.Kijk, Agnes, voor een ieder geldtDe eisch: geen halfheid laf en slap!Veroordeeld is àl wat je doetAls ’t half maar is, of voor den schijn.Tot wet moet deze leer je worden:Met woorden niet, maar met het leven.Agnes(valt hem om den hals).Waar jij gaat, volg ik op den voet!Voor twee is er geen rots te steil.(De dokter is den berg afgekomen en blijft voor de tuinomheining staan).De Dokter.Zoo duifjes, hier aan ’t trekkebekkenOp deze woeste, grauwe rotsen?Agnes.Mijn oude dokter, is u hier?O, kom toch binnen!(loopt naar beneden en opent het hek).De Dokter.O, kom toch binnen!Neen, dàt niet!Je weet wel, ’k ben nog altijd boos!Gaan wonen hier, op zulk een plek,Waar sneeuw en ijs en winterstormEen mensch door ziel en lichaam snijdt …Brand.Niet door de ziel.De Dokter.Niet door de ziel.Zoo, niet? Och kom!’t Is waar, het ziet er haast naar uit,’t Lijkt waarlijk of je snel verbondOp hechten, vasten grondslag rust;Hoewel, zooals het spreekwoord zegt,Wat snel gebouwd wordt, snel vergaat.Agnes.Een zonnekus, een klokkenklankKan wekken soms een zomerdag.De Dokter.Vaartwel. ’k Moet naar een zieke toe.Brand.Mijn moeder?De Dokter.Mijn moeder?Ja. Gaat u soms mee?Brand.Nu niet.De Dokter.Nu niet.Wasu er al?Brand.Nu niet.Wasu er al?Nog niet.De Dokter.U is wel hard. Door wind en sneeuwKwam ik over den berg gezwoegd,Ofschoon ik weet dat er van haarGeen hongerloontje overschiet.Brand.God zeegne uw kennis en uw vlijt.Maak, als u kan, haar ’t sterven licht.De Dokter.Gods zegen op mijn wil; ik kwamZoodra ’k in nood geroepen werd.Brand.Zij zond om u; maar niet om mij;…Ik wacht, en wacht in zieleangst.De Dokter.Wacht langer niet!Brand.Wacht langer niet!Vóór ze om mij zendtHeb ik daar ginder niets te doen.De Dokter(tegen Agnes).Jij arm klein vrouwtje, toevertrouwdAan zulker harde handen macht!Brand.Ik bèn niet hard.Agnes.Ik bèn niet hard.Hij gaf zijn bloedAls ’t voor haar ziel vergifnis bracht!Brand.’k Nam als haar zoon en erfgenaamVrijwillig al haar schulden op mij.De Dokter.Delg uw eigen schuld!Brand.Delg uw eigen schuld!Voor God kanWel één de schuld van velen delgen.De Dokter.Maar niet door één, die zelf een beedlaar,Tot over de ooren steekt in schulden.Brand.Of rijk, of beedlaar;… ’kwilgeheel,…En meer dan dàt behoeft er niet!De Dokter(kijkt hem strak aan).Ja, van uw wil hetquantum satisStaat mooi en duidlijk wel geboekt,…Maar, Brand, uwconto caritatisDat is een onbeschreven blad.(af).Brand(volgt hem een oogenblik met de oogen).Geen woord werd ooit zoo neergesleurdIn leugens, als men ’tliefdedoet;…Dat leggen zij met SatanslistAls sluier over slappen wil;Bedrieglijk dekken zij daarmeeHun wuft en ijdel levensspel;Is smal het pad en glad en steil,In liefde wordt u dat verkort;Gaat men den breeden zonde-wegBlijft hoop op liefde toch bestaan,…Men ziet zijn doel, maar mijdt den strijd …Door liefde wordt ’t toch nog bereikt;En dwaalt gij, beter wetend toch,…In liefde vindt ge een toevluchtsoord!Agnes.Ja, dat ’s verkeerd, en toch ik moetMij vaak afvragen:ishet zoo?Brand.Eén ding vergeet je; eerst de wilVoldoet den dorst der wet naar recht.Eerstwillenmoet je, niet alleenWat mooglijk is in ’t groot en ’t klein,Niet enkel waar er aan de daadVeel moeite vast is en bezwaar,…Neen, willen moet men sterk en blij,Door allen schrik en angsten heen.Niet dàt is martlaarschap, in pijnAan ’t kruishout stervend te vergaan,Maar ’twillenvan dien dood aan ’t kruis,Tewillenal dien angst en nood,Tewillenal die zielepijn,Dat eerst brengt je verlossing aan.Agnes(vlijt zich dicht tegen hem aan).Komt eens voor ons de zware proef,…O spreek dàn, jij, mijn sterke man!Brand.Na zulk een zege van den wilKomt dan der liefde heerlijkheid,Dan daalt zij neer als witte duifMet een olijftak, levensboô.Maar hier, bij ’t slappe, lakse volk,Is de allerbeste liefde haat!(verschrikt).Haat! Haat! Een wereldstrijd te willenLigt in dit ééne korte woordje!(gaat haastig het huis binnen).Agnes(kijkt door de open deur).Nu knielt hij bij zijn kleinen ventEn wiegelt ’t hoofd als schreide hij;Hij drukt zich tegen ’t bedje aanAls iemand die geen uitkomst weet …O, wat een schat van liefde woontEr in die sterke manneziel!Alf heeft hij lief, dat màg, want ’t kindIs nog door zonde niet besmet.(ontzet opspringend).Op springt hij … wringt de handen … O!Wat ziet hij? Hij is doodlijk bleek!Brand(buiten op de trap).Kwam niemand nog?Agnes.Kwam niemand nog?Neen, nog geen mensch.Brand(kijkt achterom in het huis).Zijn huid is gloeiend heet en droog;Zijn slapen kloppen, polsen jagen …!Niet bang zijn, kind!Agnes.Niet bang zijn, kind!O, die gedachten!Brand.Neen, vrees maar niets …(roept over den weg).Neen, vrees maar niets …(roept over den weg).Daar zie ik iemand!Een Man(door het tuinhek).Nu moet u komen!Brand.Nu moet u komen!Daadlijk, ja!Wat is je boodschap?De Man.Wat is je boodschap?’k Weet niet recht;Zij zat in bed op, boog vooroverEn zei: ga nu den priester halen;Mijn half bezit is voor de kerkBrand(terugwijkend).Dehelftmaar! Neen! Zeg neen!De Man(hoofdschuddend).Dehelftmaar! Neen! Zeg neen!Dan zou’k Mijn boodschap niet goed overbrengen.Brand.Dehelft! Dehelft! ’t Moestalleszijn!De Man.Dat kan wel zijn; maar luid en klaarZei zij dat woord. ’k Vergis mij niet.Brand(grijpt zijn arm).Durf je op den Oordeelsdag getuigenVoor God, dat zij die woorden zei?De Man.Ja.Brand(vast).Ja.Ga, en breng dit antwoord over,…Geen priester komt, geen sacrament.De Man(kijkt hem onzeker aan).U heeft mij vast niet goed begrepen,’t Is van uwmoederdat ik kom.Brand.Ik weet van geen tweeledig rechtVoor vreemden of voor eigen volk.De Man.Dat woord is hard.Brand.Dat woord is hard.Zij weet het wel,’t Wasallesofferen ofniets.De Man.O!Brand.O!Zeg dat ’t kleinste klompje goudToch evenzeer een afgod blijft.De Man.Zoo zacht als ’k eenigszins maar kanBreng ’k haar dit geeslend antwoord over.Haar blijft tot troost dit ééne dan:Dat God niet zóó hard is als u!(af).Brand.Ja, deze troost blies vaak genoegZijn pestlucht door de wereld heen.Met jammerklacht van ach en weeSnoert men den rechter dan den mond.Natuurlijk! Zoo behoort het ook!Men kent hem immers al zoo lang;…Men weet zoo goed hoe te allen tijdDen oude zich beknibb’len laat.(De man heeft buiten op den weg een anderen ontmoet; zij komen samen terug).Brand.Nieuw bericht?Eerste Man.Nieuw bericht?Ja.Brand.Nieuw bericht? Ja.Wat dan nu?De Tweede.’t Zou negen tienden dan nu zijn.Brand.Niet alles?De Tweede.Niet alles?Neen.Brand.Niet alles? Neen.Ik zei het al:Geen priester en geen sacrament.De Tweede.Zij heeft geleden en geboet …De Eerste.Kom mee, zij is uw moeder toch!Brand(knijpt de handen samen).Ik màg niet met twee maten meten …Eén maat voor eigen volk en vreemden.De Tweede.De zieke lijdt in angst en nood,Kom, zend haar een verzoenend woord.Brand(tegen den eerste).Ga, zeg de zieke wat ’k gebood:Voor haar wijd ik noch wijn, noch brood.(De mannen gaan heen).Agnes(vlijt zich tegen hem aan).Soms beef ik voor je levenslot:Je gloeit als ’t vlammend zwaard van God.Brand(met tranen in zijn stem).Staat heel de wereld dan ook nietVijandig tegenover mij,En wondt mijn ziel ten bloede toeMet al haar koppig, laks verzet?Agnes.Zwaar zijn de eischen die je stelt.Brand.Stel, als je durft, er zachtre voor.Agnes.Meet met dien maatstaf wien je wiltEn zie ofiemandkan voldoen.Brand.Neen, dáárin heb je, eilaas, gelijk.Zoo dwars, zoo dom, zoo leeg, zoo slecht,Is ’t heele menschdom tegenwoordig.Vermaakt iemand bij wilsbeschikkingDoch ongenoemd, zijn geld en goed,Men prijst hem daadlijk hemelhoog.Neem weg den naam van menig held,Laat hem alleen wat hij volbracht,Doe keizers, vorsten ’t zelfde aanEn zie wat er dan overblijft.Laat ’n dichter uit hun kooitje heimlijkZijn schoonheidsvogels laten glippen,Dat niemand denk’ dathijhun gafEen stem en gulden veerendos …Grijp groenen of wel dorren tak:Opoff’ring vindt men bij geen een.Door alles heen ’t aardslaafsche denken;…Elk klampt in wilden angst zich vastAan ’t zwakke rankje van zijn leven.Begeeft hem dit, waar de afgrond gaapt …Klauwt hij met nagels zich nog vast.Agnes.En zulk een diep gevallen volkRoep je nog toe; hetalofniets!Brand.Wie zege wil, moet daarvoor strijden;Wie ’t diepste viel, moet ’t hoogste stijgen …(zwijgt even; met veranderde stem).En toch, wanneer ik aan een zielDen eisch stel om zich op te heffen,Is ’t mij als of ik op de golvenIn stormweer ronddreef op een wrak.Stil schreiend beet ik heimlijk vaakMijn tong stuk, die kastijden moest,…En hief tot slaan ik soms den arm,Naar een omhelzing snakt mijn ziel!…Ga nu eens kijken naar den kleine;Zing zoete droomen in zijn slaap;Een kinderziel is klaar en reinAls ’t meer in zomerzonneschijn;Een moeder kan daarover strijkenAls ’n vogel, die in lichten vlucht,Zich spiegelt in zijn diepste diep.Agnes(bleek).Wat is er, Brand, dat je gedachtenWaarheen ze ook gaan, tot hem doet keeren?Brand.O, niets. Bewaak hem maar zorgvuldig.Agnes.Geef mij een antwoord.Brand.Geef mij een antwoord.Forsch?Agnes.Geef mij een antwoord. Forsch?Neen, zacht.Brand(omarmt haar).Wie zonder schuld is, die zal leven.Agnes(kijkt hem helder aan, en zegt:)Eén ding,… màg God niet van ons eischen!(gaat het huis in).Brand(kijkt stil voor zich uit).Maar àls hij ’t deed? Wat God soms eischtLeert “Abrams offer” van weleer.(schudt die gedachte van zich af).Neen, neen! mijn offer heb ’k gebracht,’k Deed afstand van mijn levensdroom,Om als de rommelende donderDe slapers hier op aard’ te wekken.Neen! Daarin lag geen offer meer:’t Viel weg toen over was de droom,’k Door Agnes werd gewekt—om mét mijTe werken samen in ’t verborgen.(kijkt uit over den weg).Wat draalt de zieke ginder langEer zij tot boete-doen besluit,Dat alle schuld te niet zou doen,Al ’t kwaad uitdelgen van haar ziel!Wacht!… Neen, het is de baljuw maar,Welwillend, luchtig, rond, gezond,De handen in zijn beide zakken,Als haakjes om een parenthees.De Baljuw(door het tuinhek).Goên dag! Wij zien elkaar niet vaak,En ’k kom misschien wel ongelegen …Brand(wijst op het huis).Ga binnen.De Baljuw.Ga binnen.Dank u; ’t gaat hier ook;En als mijn woord maar ingang vindt,Dan denk ik stellig dat het ookWel voor ons beiden goed zal zijn.Brand.Laat hooren dan.De Baljuw.Laat hooren dan.Uw moeder moet,Naar ik verneem, haast stervend zijn;…Dat doet mij leed.Brand.Dat doet mij leed.’k Betwijfel ’t niet.De Baljuw.Het doet mij zeer véél leed.Brand.Het doet mij zeer véél leed.Welnu!De Baljuw.Maar zij is oud; en, lieve Heer,Wij gaan toch allemaal dien weg,En daar ’k nu juist voorbij hier kwam,Dacht ik zoo: ’k kon wel even gaanOm ’n enkel woord met u te spreken.Om kort te gaan, ik heb vernomenDat u met haar, sinds u hier kwam,Geleefd heeft in oneenigheid …Brand.Oneenigheid?…De Baljuw.Oneenigheid?…Men zegt dat zijErg vasthoudt aan haar eigendom.Dat gaat, vindt u misschien, wat ver.Men wil toch elk zijn eigen voordeel.Zij is in ’t onverdeeld bezitVan heel uw vaderlijke erfdeel …Brand.In ’t onverdeeld bezit … ’t is waar,De Baljuw.Zoo komt het dan allicht tot twist.En daar ik wel vermoeden kanDat u haar einde naadren zietMet groote kalmte van gemoed,Wil ’k hopen dat u zonder wrokMij hooren wil, zij dan de tijd ookNiet erg geschikt.Brand.Niet erg geschikt.Nu, of wel later.Dat komt voor mij op ’t zelfde neer.De Baljuw.Nu, dan ter zake, zonder meer.Zoodra uw moeder dood zal zijn,En rustig slaapt onder den grond,…En ’t duurt niet lang meer … wordt u rijk …Brand.Rijk, denkt u?De Baljuw.Rijk, denkt u?Denk? Neen, ’k weet het zeker.In alle hoeken heeft zij grond,Zoo ver ’t gewapend oog kan kijken.Ik zeg u, rijk!Brand.Ik zeg u, rijk!Ook na de scheiding?De Baljuw(glimlacht).Wat zoudiehier? Er valt te scheidenWaar vele erfgenamen zijn:Maar hier wordt niemands deel bedreigd.Brand.En als nu toch eens iemand kwamEn van haar goed zijn erfdeel vroeg,En zei:mijkomt het rechtens toe?De Baljuw.Dat moest de duivel zelf dan zijn!Ja, kijk mij nu maar aan … geen menschHeeft ’n enkel woord hierin te spreken;Vertrouw mij maar; ’k ben op de hoogte.Zoo is ’t dus; u wordt welgesteld,Een rijk man zelfs; in dezen uithoekHoeft u dus waarlijk niet te blijven;Voor u staat open ’t heele land.Brand.Zoo. Is eigenlijk dier woorden zinIn ’t kort nietdit: trek elders heen?De Baljuw.Zoowat. Dat waar’ misschien het besteVoor iedereen. Als u aandachtigDe menschen gâ slaat, voor wie uDe tolk is van Gods heilig woord,Moet u toch zien, hoe u hier tusschenPast als een wolf in een troep ganzen.Begrijp mij goed! U heeft de gavenOm nut te stichten in het groot.Maar voor dit volk van bergbewoners,Als vastgegroeid tusschen hun rotsen,Sticht u, dunkt mij meer kwaad dan goed.Brand.Wat wortels voor een boom zijn, isVoor een man ’t geboortedorp;…Zoo hij dáár niet zijn werkkring vindt,Is wat hij uitvoert niet veel zaaks.De Baljuw.In de eerste plaats komt ’t er op aanMet ’s lands behoefte mee te gaan.Brand.Maar die vertoont zich van de hoogteNiet zoo, als in ’t benauwde dorp.De Baljuw.Dat is taal voor verlichte menschen,Niet voor de arme dalbewoners.Brand.Och wat, u met dat grensverschilVan bergen en het lage land!U wil de rechten van den rijke,Maar aan zijn plichten u onttrekken;En denkt, als u maar hardop roept:Wij zijn maar arm! dan is ’t genoeg.De Baljuw.Er is een tijd voor alle dingen,En elk geslacht heeft eigen plicht.Ons dorp droeg ook eens bij zijn scherfjeTot der geschiedenis groote kas.Dat was, natuurlijk, lang geleden;Maar zoo héél klein was ’t scherfje niet.Nu is het dorp maar onbeduidend,Toch leeft zijn roem in sagen voort;Zijn vroegre grootheidsdagen vallenIn koning Beles’ levenstijd;…Nog hoort men menigmalen noemenDe dappre broeders Wolf en Thor;Met vele wakkre mannen, dieNaar Bretlands kust heentogen omAl plundrend af te loopen ’t land.Het Zuiden kreet, verstijfd van schrik,God, help ons tegen hun geweld!En die geweldnaars waren tochOntwijfelbaar echt, lui van hier.En hoe zij zich dan konden wrekenMet moord en doodslag, brand en plundring!Ja, één is er, van wien de sageVertelt dat hij ten kruistocht wou;…Doch dat hij uittoog meldt men niet …Brand.Er stamt voorzeker van dien heldEen heele bende zoons?De Baljuw.Een heele bende zoons?Jawel;Maar hoe weet u …?Brand.Maar hoe weet u …?O, omdat mijDie heldentroep bekend voorkomt,Belofte-helden van het heden,Die ook zoo’n kruistocht ondernemen.De Baljuw.Ja, dat geslacht is uitgebreid.Maar bij vorst Beles waren wij!Eerst dus geraasd in ’t vreemde land;Toen brachten wij aan bloedverwantEn buur, met bijlslagen bezoek.Het veld vertrapt, de oogst verwoest,In brand gestoken kerk en huis,Zoo vlochten we ons een heldenkrans.Op al het toen vergoten bloedWerd later wel wat veel gesnoefd.Maar, na wat ik nu heb gezegdGeloof ik, met bescheidenheid,Op onze macht te mogen wijzenIn heldentijden, lang geledenEn zeggen dat ons dorp eertijdsZijn deel bijdroeg met vuur en zwaard,Tot der ontwikling worstelstrijd.Brand.Toch lijkt ’t mij dat u pleegt verraadAan ’t woord: dat adeldom verplicht,…Alsof met egge, hak en ploegU Beles’ erfgoed stil begraaft.De Baljuw.In geenen deele. Kijk maar eensBij een gemeentelijk diné,Waar ik, de koster en de rechterOp eereplaatsen mee aanzitten.Dan zal u zien, als komt de punch-bowl,Dat Beles nog niet is vergeten.Met klinken, heildronken, gezang,In toasten kort en toasten lang,Gedenkt men hem, laat men hem leven.Ik zelf heb vaak den drang gevoeldIn mij, om van gedachtenspinselVoor hem te weven ’n bloemrijk kleed,En dat heeft menigeen gesticht.Ik houd wel van wat poëzie.Dat doen wij trouwens allemaalHier in ons dorp;… doch steeds met mate …Hetlevenmag die nooit beheerschen,…Alleen zoo tusschen acht en tienUur ’s avonds, als men moe van ’t werk,En vrij weer van de daagsche taak,Naar wat verheffing wel verlangt.Wat u van ons verschillen doetIs dat u ploegen wil en maaienTerzelfder stond, en met geweld.U wil, zoo meen ik te begrijpen,Dat één zijn zal idee en leven,…U wil, met ’t zwoegend land-bebouwenDen strijd voor God vereenigd zien,Zóó innig één, als kool, salpeter,En zwavel zich tot kruit vereent.Brand.Zoo ongeveer.De Baljuw.Zoo ongeveer.Maar dat ’s onmooglijk.In wijder kringen gaat dat beter;…Ga daarheen met uw hooge eischenEn laat ons land en zee beploegen.Brand.Ploeg allereerst in zee maar onderUw pralen op den roem der vaad’ren;Een dwerg wordt er niet grooter doorOf hij al stamt van Goliath.De Baljuw.Er ligt kracht in herinneringen.Brand.Ja … als zij één met ’t leven worden,Maar u gebruikt hun graf alleenOm eigen traagheid te verstoppen.De Baljuw.Mijn eerste blijft mijn laatste woord;…U deed het best met heen te gaan.Hier zal uw arbeid niet gedijen;Uw levensleer wordt niet begrepen.Verheffing, die soms noodig zijn kan,Het beetje troost dat hij behoeft,Die dag aan dag in arbeid zwoegt,Zalikhun voortaan trouw bezorgen.Gedurende mijn heele loopbaanHier, deed ik steeds mijn plicht;Het volksaantal is ruim verdubbeld,Ja, het staat haast als drie tot een,…Terwijl ik meer dan één bedrijfAan deze fjord-streek heb verbonden.In strijd altijd met ’t ruw klimaat,Zijn we als met stoom vooruit gegaan:…Hier loopt een weg, daar ligt een brug..Brand.Maar tusschen g’loof en leven niet …De Baljuw.Die fjord en gletschersneeuw verbindt.Brand.Maar niet de daad met de idee.De Baljuw.Eerst zorgen voor een goed verkeer,Dat men elkaar bereiken kan,…Daarover waren allen ’t eensEer u, als leeraar, hierheen kwam.U heeft in ons vaal schemerlichtEen Noorderlichtschijn hel doen flikk’ren;Wie kan in ’t valsche licht nu zienWat er verkeerd is en wat goed,Wat straf is, en wat boete of smart?U heeft het àl dooreen gehaspeld;En ’t volk, dat één, moest overwinnen,Gesplitst in twee vijand’ge kampen.Brand.Toch blijf ik hier, uw wensch ten trots.Men kiest de plaats niet voor zijn werk.Hij, die zijn doel voor oogen heeftZag eens in vuur’ge letters staan,Het Godswoord:hieris uwe plaats!De Baljuw.Blijf dan, maar binnen eigen grenzen;Ik zie u graag de menschen zuivrenVan zonde en kwaad, als voorkomt hier;God weet dat ’t dikwijls noodig is!Maar maak van iedren arbeidsdagGeen Zondag,… en vertoon geen vlagAlsof God zelf was mee aan boordOp ieder jacht in onze fjord.Brand.Kon ’k mij uw raad ten nutte maken,Zou ik mijn ziel moeten verzaken.Maar ’t geldt hier juist zich zelf te wezen,Zijn eigen roeping te volbrengen,En dat zal ’k doen ten einde toe,Dat om mijn huis een lichtschijn straal!Dit volk, dat ingedommeld isDoor uw bestuur, wek ik weer op!Al lang is hem, door nood en dwang,Zijn laatste oerkracht afgekweld;Uit uwer kleinheid hongerkuurKomt elk te voorschijn mat en slap;Zijn beste bloed is afgetapt,Het merg geschraapt hem uit zijn moed;Aan flarden iedre ziel gescheurd,Die pal als brons had moeten staan;Maar nog kan wel een oproerskreetU in de ooren dondren: strijd!De Baljuw.Strijd?Brand.Strijd?Strijd!De Baljuw.Strijd? Strijd!Als u hen roept te wapenZal u als eerste offer vallen!Brand.Eens zal ’t wel blijken zonneklaarDat nederlaag hier zege was!De Baljuw.Bedenk je, Brand, je staat op ’t kruispunt:Zet alles niet op ééne kaart.Brand.Toch zal ik ’t doen!De Baljuw.Toch zal ik ’t doen!Wordt ’t spel verloren,Dan is uw leven ook verwoest.U heeft al wat u kan begeeren,Is de erve van een rijke moeder,U heeft een kind om voor te leven,Een lieve vrouw;… geluk en vreugdeWordt u met milde hand gereikt!Brand.En als ’k nu toch den rug toekeerAan wat u noemt geluk en vreugde?Als ik numoet?De Baljuw.Als ik numoet?’t Is al verlorenAls u, in dezen uithoek hier,Uw wereldstrijd beginnen wil.Trek zuidwaarts naar de rijke stranden,Waar ’n man geheel zich zelf kan wezen.Dáár kan uw licht u laten schijnenEn de gemeente laten bloeden;Onsoffer is geen bloed, maar zweet,In broodstrijd tusschen rots en ijs.Brand.Hier blijf ik toch. Hier is mijn thuis,En van mijn thuis uit voer ik strijd.De Baljuw.Denk wat op ’t spel staat als het misloopt;…En allermeest wat u laat varen!Brand.Mijzelf verlies ik, als ’k mocht wijken.De Baljuw.Brand, vruchtloos strijdt een eenzaam strijder.Brand.Mijn troep is sterk; ik heb debesten.De Baljuw(glimlacht).Wel mooglijk, ja … maar ik demeesten.(af).Brand(kijkt hem na).Daar gaat een volbloed volksman, heelRechtschapen denkend, heel welwillend,Op zijn wijs werkzaam, warm en billijk …En toch een geesel voor zijn land.Geen aardverschuiving, storm of vloed,Geen hongersnood, geen vorst of pest,Bewerkt er half het ongelukAls zoo een doet, jaar-in, jaar-uit.Die rampen deren maar hetleven;…Maar hij …! Hoeveel blijmoedig willen,Hoeveel gedachten dooft hij uit,Hoe menig krachtig lied versmoort erDoor zulk benauwd, kleinzielig doen!Hoe menig glimlach om de lippen,Hoe menig lichtstraal in een ziel,Hoeveel verheffings-vreugd en smart,Heeft hij verstard, gedoofd, gedood!(plotseling angstig).Waar blijft de bode!.., komt er niemand?Ja, de dokter!(snelt hem te gemoet).Ja, de dokter!Mijn moeder? Spreek!De Dokter.Nu staat zij eindlijk voor haar rechter.Brand.Dood!… Boetvaardig?De Dokter.Dood!… Boetvaardig?Dat g’loof ik niet;Zij hing aan ’t hare hier op aard’Totdat het uur van scheiden sloeg.Brand(kijkt stil bewogen voor zich uit).Is hier ’n verdoolde ziel verloren?De Dokter.Misschien is wel het oordeel zacht,Niet volgens recht, maar bij genade.Brand(zacht).Wat zei zij nog?De Dokter.Wat zei zij nog?Zij mompelde:God is zóó hard niet als mijn zoon!Brand(zinkt in droefheid neer op de bank).Met schuld belast, in stervensnood,Klampt aan die leugen elk zich vast!(verbergt zijn gezicht in de handen).De Dokter(komt naderbij, kijkt hem aan en schudt het hoofd).U wil een lang vervlogen tijdIn alles weer herleven doen.U g’looft nog dat ’t aloud verbondVan God en menschen nog bestaat;…Maar elk geslacht heeft eigen wijs;Het ònze vreest niet meer de hel,Verdoemenis en bakerpraat;…Het hoofdgebod is: wees humaan!Brand(kijkt op).Humaan! Ja, juist, dat slappe woordKlinkt door de heele wereld heen!Daarmee slaat iedre hals je doodAls hij niet durft, of kan of wil;Daarmee omhult zich iedre stumperAls hij nietallesdurft te wagen;Daardoor beschermd verbreekt menthansIedre gelofte alras betreurd;…Gij dwergenzielen maakt ten slotVan ieder mensch een humanist!Was jegens Christus God humaan?Had toenuwGod ook geregeerdWaar’ Jezus niet aan ’t kruis genageld.…En heel ’t verzoeningswerk werd danEen handig diplomatenstukje!(verbergt het hoofd en zit neer in stomme smart).De Dokter(zacht).Raas uit, raas uit, o ziel in opstand;…Het beste waar’ dat je kon schreien.Agnes(is op de trap verschenen, bleek en angstig, fluistert zij tegen den dokter).Och toe! Kom mee!De Dokter.Och toe! Kom mee!Je maakt mij angstig,Wat is er kind?Agnes.Wat is er kind?Een koude doodsangstSloeg mij zoo even om het hart …!De Dokter.Wat is er?Agnes(trekt hem mee).Wat is er?Kom!… het kind, o God!(zij gaan het huis in; Brand bemerkt het niet).Brand(stil in zich zelf).Dood, onverzoend. Dood, als zij leefde.Is dat geen vingerwijzing Gods?Van mij wil hij den tol nu heffen,Dien zij verzuimd heeft te betalen;…Nu driewerf wee mij, als ik wijk!(staat op).Onwankelbaar van nu af aan,Als uitverkoren strijder kampen,Dat geest verwinnen moog’ het vleesch.God gaf mijn tong de kracht van ’t woord,Ontstak zijn toorngloed in mijn ziel;…Nu sta ik in mijn volle macht,Nu durf, nu kan ik rotsen breken!De Dokter(gevolgd door Agnes, komt snel de trappen af en roept).Ruim op je boel en trek er uit!Brand.Al beefde de aard’ toch bleef ik hier!De Dokter.Dan is je kind ten dood gedoemd.Brand(ontzet).Alf! ’t Kind! Mijn Alf! Wat meent u toch?Welk spook bedreigt mijn kind!(wil het huis in).De Dokter.Welk spook bedreigt mijn kind!Neen, blijf!…Hier is geen licht, hier is geen zon,De lucht is scherp als Noordpoolwind,…Hier hangt een nevel klam en zwaar;…Eén winter nog op deze plekEn ’t teere leven is verwelkt.Vertrek, dan is uw kind gered;Maar doe het gauw, liefst morgen al.Brand.Van daag, van avond nog, terstond!O, hij wordt sterk weer en gezond;…Geen gletschersneeuw, geen scherpe wind,Zal meer zijn borstje kwellen hier.Kom, Agnes, neem hem zachtjes op!Dan vluchten wij in aller ijl!O, Agnes, ’t is de dood die spintZijn valen sluier om ons kind!Agnes.Wel vreesde en beefde ik voor gevaar,…Toch waande ik het niet zoo nabij.Brand(tegen den dokter).Vlucht kan hem redden? Dat bezweert u?De Dokter.Een leven dat door vaderliefdeWordt welbewaakt, loopt geen gevaar.Wijd u aan hem, en vrees maar niet,Dra wordt hij weer gezond en frisch.Brand.Dank! Dank!(tegen Agnes).Dank! Dank!Pak hem vooral goed in;De avondwind waait langs de fjord.(Agnes gaat het huis in).De Dokter(neemt Brand zwijgend op, die onbewegelijk door de deur naar binnen kijkt, gaat dan naar hem toe, legt de hand op zijn schouder, en zegt:)Voor ’t arme menschdom onbarmhartig,En voor zichzelf zoo heel teerhartig!Voor andren geldt nietveelofweinig,…Alleen hetallesdan, ofniets;Maar eigen moed is ras geweken,Zoodra het lot als offerlamZijn eigen schat heeft aangewezen.Brand.Wat wil u zeggen?De Dokter.Wat wil u zeggen?Harde woordenHeeft u uw moeder toegebulderd,Verdoemd, als alles zij niet gaf,Als naakt zij niet daalde af in ’t graf.En ’t zelfde woord klonk menigmaalWaar veel en diep geleden werd!Nú drijft uw eigen boot in stormOp noodlotsgolven rond in zee,Nu werpt van de omgeslagen kielU snel den schuldbrief over boord,…Weg, over boord, het zware boek,Waarmee u zelf de broeders sloeg;Nu is de zaak, in stijve briesTe zoeken heil voor eigen telg.Snel weg van hier, van storm en fjord,…Snel weg zelfs van uw moeders lijk,…Snel weg van zielezorg en werk;…Nu staakt de priester zijn bedrijf!…Brand(grijpt in vertwijfling naar zijn hoofd om zijn gedachten te verzamelen).Ben ik nù blind? Wàs ik het eerst?De Dokter.U doet als vader stellig goed.Denk niet dat ’k afkeur wat u doet;…Voor mij is u, gebroken nu,Veel grooter dan de sterke held …Vaarwel! Ik hield u vóór den spiegel;Kijk er eens in, en zucht: mijn God,Zoo ziet een Godsgetuige er uit!(af).Brand(staart een oogenblik voor zich uit, barst dan plotseling uit).Waar tastte ik mis? Nu, of te voren?!(Agnes komt de deur uit met een mantel om de schouders en het kind op haar arm; Brand ziet haar niet. Zij wil spreken maar blijft als verlamd van schrik staan, als zij de uitdrukking van zijn gezicht ziet. Op hetzelfde oogenblik komt er een man haastig door het tuinhek binnen. De zon gaat onder).De Man.Brand, hoor, u heeft een vijand hier!Brand(drukt de handen op zijn borst).Ja,hier!De Man.Ja,hier!Wees voor den Baljuw op uw hoede.Al vruchtbaar werd uw werken hier,Tot hij ’t vergiftigde met praatjes!Al dikwijls heeft hij uitgestrooidDat gauw uw huis wel leeg zou staan,…Zei dat u ons zou gaan verlaten,Zoodra uw rijke moeder stierf.Brand.En als ’t zoo was?De Man.En als ’t zoo was?Ik ken u immersEn weet waarom hij dat vertelt;U staat toch tegenover hem,Heeft voor zijn wil nog nooit gebogen …Dàt is de reden van zijn wrok …Brand(weifelend).Misschien dat hij de waarheid zei.De Man.Dan heeft dusuons steeds belogen?…Brand.Ik?De Man.Ik?Ja. Heeft u ons niet gezegdDat God zelf u verkoren hadOm hier te wonen onder ons;Dat u uw strijd hier voeren zou,Dat niemand mag zijn taak verzaken,Dat hij moet staan, maar nimmer wijken?Die taak is de uwe! Warm en lichtGloort al uw vuur in menig borst.Brand.Neen, ’t oor der menigte is doof;Haast ieders ziel is dof en loom!De Man.U weet wel beter;… ’t hemelsch lichtBreekt hier in meen’ge ziel al door.Brand.Maar in de meesten is ’t nog nacht.De Man.U is als ’t licht dat schijnt bij nacht.Doch laat het wezen zoo het wil;Het komt hier niet op tellen aan;Want hier sta ik, een eenig man,En zeg: ga heen dan als u kan!Mijn ziel is vol, al weet ik weinigVan alles wat staat in de boeken,U heeft uit ’t niet mij opgeheven,…Zie of u nu mij los mag laten!U kan het niet; ik houd u vast;’k Verloor mijn ziel, gaf ’k prijs mijn greep!…Vaarwel! ’k Verwacht getroost ’t bericht!Noch u, noch uw God laat mij los!(af).Agnes(schuchter).Je wang is wit, je mond is bleek,Alsof je pijn hadt in je ziel.Brand.Elk klinkend woord dat ’k eertijds sprakSlaat als een echo nu terug.Agnes(komt een stap nader).Ik ben bereid.Brand.Ik ben bereid.Bereid? Waartoe?Agnes(met kracht).Tot wat een moeder mag en wil!(Gerd loopt voorbij op den weg en blijft bij den tuinmuur staan).Gerd(klapt in de handen en roept wild en blij:)Hoorde je ’t al? Weg vloog de priester!…Uit de bergen, op de rotsenWemelt het van bergkabouters,Zwarte, woeste, groot en klein,…Hoeh, wat sloeg de bende d’r op …!Rukten de oogen mij haast uit,Half mijn ziel viel hun ten buit;…Och, ’k kan ’t met de helft wel stellen’k Heb van ’t wrak genoeg nog over!Brand.Kind, je raaskalt, zie je nietDat ik hier vlak vóór je sta?Gerd.Jij? Jawel, maar niet de priester!Van den Zwarten Top mijn havikVloog rechtuit, de helling langs,Boos en wild, met tuig en zadel,Sneed hij blazend d’ochtendwind;En een man zat op zijn rug …Dat was hij, dat was de priester!Nu staat leeg de kerk van ’t dorp,’t Slot dicht en de boom er voor.’t Is gedaan met ’t nare kerkje,En nu komt mijn kerk tot eere,Waar mijn priester preekt en zingt,Sterk en groot, in ’t witte miskleedDoor den wintervorst geweven;…Wil je ’m zien? Kom dan maar mee,Woorden spreekt mijn priester, dieKlinken heel de wereld door!Brand.Ong’lukskind, wou je mij lokkenMet verdwaasde afgoderijen?Gerd(komt het tuinhek in).Wat zijn dat, afgoderijen?’n Afgod? O, ik weet het al;Somtijds groot en somtijds klein;Altijd goud en mooi en kleurig.’n Afgod! Hoor eens, zie je háár daar?Kan je onder ’t kleed herkennenKinderhandjes, kinderbeenen?Zie je niet hoe mooi en kleurigAl die windsels iets omhullen?’t Lijkt een kind dat rustig slaapt,Angstig wijkt zij … dekt het toe!’n Afgod? Man, dàt is een afgod!Agnes(tegen Brand).Heb jij tranen en gebeden?Angst heeft ’t àl bij mij verjaagd!Brand.Agnes,… wee! Ik meen te voelenDat een hoogre macht haar zond!Gerd.Hoor nu, alle klokken luidenBoven op den wilden top!Kijk eens wat een troep daar heen trekt,Naar mijn kerk in ’t ijsgewelf!Zie je wel al die kabouters,Die de priester joeg in zee?Zie je wel die dwergen allen,Die tot nu begraven lagen?En den steen had hij verzegeld.Zee noch graf kan hen meer houden,Zie ze koud en kil krioelen;…Kindren, schijndood, zie ik schreien,Van zich wentlen rotssteenblokken.Vader! Moeder! schreeuwen zij!Mannen, vrouwen schieten toe.Kijk, de dorper loopt in ’t middenVan een heelen stoet van zonen;En zijn vrouw legt ’t doode kindjeAan haar borst om het te laven;…Nooit nog droeg zoo hoog zij ’t hoofdToen zij hield het kind ten doop.Priester weg … toen kwam er leven!Brand.Wijk van mij! Ik zie welhaastErger spoken …Gerd.Erger spoken …Hoor! Hij lacht,Hij, die aan den weg daar zit,Hij, die opstijgt naar den top,En hij schrijft er in zijn boekIedre ziel die opwaarts toog;…Ha, hij heeft ze bijna allen;’t Kerkje staat ginds immers leeg,’t Slot dicht en de boom er voor,…Op den havik vlood de priester!(springt over het tuinmuurtje en verdwijnt tusschen de rotsen).(een stilte).Agnes(komt nader en zegt gedempt:)Laat ons gaan; nu is het tijd.Brand(staart haar aan).Waarheen gaan wij?(wijst eerst op het tuinhek, dan op de huisdeur).Waarheen gaan wij?(wijst eerst op het tuinhek, dan op de huisdeur).Daar?… of daar?Agnes(wijkt verschrikt achteruit).Brand, je kind!…Brand(volgt haar).Brand, je kind!…Wat was ik eerderZeg mij, dienaar Gods of vader?Agnes(wijkt verder terug).Al stelde mij God zelf die vraag …Beslissen zal ik nimmermeer!Brand(volgt haar weer).Spreek als moeder: màg ik gaan?Jij hebt hier het laatste woord!Agnes.’k Ben je vrouw, mocht je bevelen,Zal ’k gehoorzaam zijn en buigen.Brand(wil haar arm grijpen).Neem dien kelk der keus van mij!Agnes(wijkt achter den boom).Dan zou ik geen moeder zijn!Brand.’n Oordeel ligt er in dat woord!Agnes(met kracht).Vraag je zelf af: hèb ik keus?Brand.Sterker nog het oordeel klinkt!Agnes.Voel je je als door God verkoren?Brand.Ja!(grijpt haar hand vast).Ja!En nu moet jij ook zeggen’t Woord van leven of van dood!Agnes.Ga den weg, dien God gebiedt!(Pauze).Brand.Laat ons gaan; nu is het tijd.Agnes(toonloos).Welken weg dan?Brand(zwijgt).Agnes(wijst naar het tuinhek en vraagt).Welken weg dan?Dien?Brand(wijst naar de huisdeur).Welken weg dan? Dien?Neen,… dien!Agnes(heft het kind in haar armen hoog omhoog).God! Dit offer dat gij eischtHef ik trotsch ten hemel op!Leid mij nu door ’s levens nacht!(gaat naar binnen).Brand(staart een poos voor zich uit, barst in tranen uit, slaat de handen boven zijn hoofd in elkaar, laat zich op de trap neervallen en roept uit:)Jezus! Jezus! Geef mij licht!EINDE VAN HET DERDE BEDRIJF.

DERDE BEDRIJF.Drie jaar later. Een klein tuintje door steenen ommuurd bij de pastorie gelegen aan den voet van een hoogen bergrug. De fjord ligt nauw en ingesloten op den achtergrond. De huisdeur opent in den tuin. Namiddag.Brand staat op de trap voor het huis. Agnes zit op een lagere tree.Agnes.Mijn lieve man, alweder dwaaltJe oog zoo angstig naar de fjord …Brand.Ik wacht bericht.Agnes.Ik wacht bericht.Je bent onrustig!Brand.Van moeder wacht ik steeds bericht.Drie jaar heb ik nu al vertrouwendBericht gewacht, dat nooit nog kwam.En morgen zoo werd mij gezegd,Is mooglijk wel haar uur geslagen.Agnes(zacht en liefdevol).Je moest maar op geen boodschap wachten.Brand(hoofdschuddend).Berouwt zij hare zonden nietDan heb ik ook geen woord van troost.Agnes.Zij is je moeder.Brand.Zij is je moeder.En zou ik daaromIn haar afgoderij aankweeken?Agnes.Brand, je bent hard!Brand.Brand, je bent hard!Voor jou?Agnes.Brand, je bent hard! Voor jou?O, neen!Brand.’k Voorzei je een weg vol moeilijkheid.Agnes(glimlacht).Het sloeg niet in; je hieldt geen woord.Brand.Jawel, het is hier scherp en koud;Je wangen worden smal en bleek;Je bent te teer voor dit klimaat.Niets kan gedijen om ons huis,Dan ijs en sneeuwval, rots en gruis.Agnes.Zooveel te veil’ger ligt het hier.Zóó ver reikt al de gletscher nuDat hij in ’t voorjaar, voortgestuwdNaar ’t dal, over ons dak heenschrijdt,En ongedeerd ons huis blijft staan,Als in een welvend waterhol.Brand.En ’t zonlicht dat nooit reikt tot hier.Agnes.Dat danst daar toch zoo warm en blijEn tintlend op den bergrug ginds.Brand.Drie weken, ja … als ’t zomer is,…Maar zelfs zijn voet bereikt het nooit.Agnes(kijkt hem strak aan, staat op en zegt:)Er is iets dat je angstig maakt!Brand.Neen, jou!Agnes.Neen, jou!Neen jou!Brand.Neen, jou! Neen jou!Je hebt een angst,’n Geheimen angst.Agnes.’n Geheimen angst.En jij ook, Brand!Brand.Je duizelt, als voor ’n diep ravijn!Spreek toch! Wat is ’t?Agnes.Spreek toch! Wat is ’t?Ik beef somtijds …(houdt op).Brand.Je beeft! Voor wie dan wel?Agnes.Je beeft! Voor wie dan wel?Voor Alf.Brand.Voor Alf?Agnes.Voor Alf?Brand, jij ook!Brand.Voor Alf? Brand, jij ook!Somtijds, ja!Maar neen, dat doet God ons niet aan!God is toch goed! Mijn kleine ventGroeit sterk en flink er wel doorheen.Waar is hij nu?Agnes.Waar is hij nu?Hij slaapt.Brand(kijkt naar binnen).Waar is hij nu? Hij slaapt.Och, kijk,Hij droomt niet van ellende en smart;Zijn handje is mollig, dik en rond.Agnes.Maar bleek.Brand.Maar bleek.Ja, bleek; maar dat gaat over.Agnes.Wat ligt hij rustig nu te slapen.Brand.God zegen je! Slaap je gezond!(sluit de deur).Met jou en hem, kwam vrede en licht,Verlichtend al mijn daaglijksch werk.Wat moeilijk was, elk droevig uur,Werd met je beiden licht en blij.Bij jou ontviel mij nooit de moed,En kracht gaf mij zijn kinderspel.Als martlaar nam ’k mijn roeping op,Maar zie, hoe ’t al zich heeft gekeerd,Hoe nu ’t geluk schijnt op mijn pad …Agnes.Ja, Brand, jij bent ’t geluk ook waard,Je hebt gestreden en ontbeerd,Geduld, geleden, je afgetobd;’k Weet dat je, stil, vaak hebt geschreid …Brand.’t Is zoo … maar alles leek mij licht;Met jou trok hier de liefde binnen,Als warme voorjaars-zonneschijn.Die had ik nooit nog leeren kennen,Noch vader gaf mij die, noch moeder.Liefst doofden zij het enkle sprankjeDat nu en dan uit de asch opglom.Het was of al de schat van warmte,Die ’k stil verborgen in mij droeg,Was opgespaard tot glorieschijn,Om hem en jou, mijn lieve vrouw!Agnes.Niet om ons beide alleen … om allenDie nu tot de onzen hier behooren;Wie droevig is, in nood verkeert,Wie lijdt of schreit, ’t zij vrouw of kind,Een ieder wordt gelaafd, gesterkt,Door wat hun biedt je rijke ziel.Brand.Maar toch door jou en hem. Den geestVan goedheid, zachtheid, bracht je mij.Geen ziel kan allen liefde geven,Die niet één enkle liefhad eerst;’k Moest zóó lang smachten en ontberen,Dat heel mijn hart werd als een steen …Agnes.En nòg … je liefde is nog niet zacht;Je liefkoozing wordt vaak een slag.Brand.Voor jou ook, Agnes?Agnes.Voor jou ook, Agnes?Neen, mijn liefste;Licht was wat jij mij gaf te dragen;…Maar menigeen, verliet je al,Om ’t:nietsofalles, dat je eischt!Brand.Wat er zoo liefde wordt genoemd,Dat wil ik niet en ken ik niet.Gods liefde ken ik maar alleen,En die is zoomin week als zacht;Die is als doodsverschrikking hard,En als die liefkoost wordt ’t een slag.Welk antwoord gaf God in den hof,Toen hem zijn zoon in doodsangst bad:Neem weg dien drinkbeker, mijn God!Ontnam hij hem dien smartkelk toen?Neen, kind, hij heeft dien gansch geledigd.Agnes.Ach, met zulk een maat gemetenKan geen enkle ziel bestaan.Brand.Geen mensch weet wien verdoemnis treft.Toch staat in vlammend schrift geschreven:Wees trouw tot de allerlaatste proef,Geen halfheid wint de levenskroon!’t Is niet genoeg ’t angstzweet te voelen,De vuurproef zelf moet gij doorstaan.Dat gij ’t nietkuntwordt u vergeven,Maar nimmermeer dat gij nietwilt.Agnes.Ja, zeker, ja, zoo moet het wezen.O, hef mij op, dat ’k mét je opstijg;O, leid mij naar je hooge sferen;Sterk is mijn wensch, maar slap mijn moed.Vaak grijpt mij de angst, ik voel mij duiz’len,En moe en aardtraag sleept mijn voet.Brand.Kijk, Agnes, voor een ieder geldtDe eisch: geen halfheid laf en slap!Veroordeeld is àl wat je doetAls ’t half maar is, of voor den schijn.Tot wet moet deze leer je worden:Met woorden niet, maar met het leven.Agnes(valt hem om den hals).Waar jij gaat, volg ik op den voet!Voor twee is er geen rots te steil.(De dokter is den berg afgekomen en blijft voor de tuinomheining staan).De Dokter.Zoo duifjes, hier aan ’t trekkebekkenOp deze woeste, grauwe rotsen?Agnes.Mijn oude dokter, is u hier?O, kom toch binnen!(loopt naar beneden en opent het hek).De Dokter.O, kom toch binnen!Neen, dàt niet!Je weet wel, ’k ben nog altijd boos!Gaan wonen hier, op zulk een plek,Waar sneeuw en ijs en winterstormEen mensch door ziel en lichaam snijdt …Brand.Niet door de ziel.De Dokter.Niet door de ziel.Zoo, niet? Och kom!’t Is waar, het ziet er haast naar uit,’t Lijkt waarlijk of je snel verbondOp hechten, vasten grondslag rust;Hoewel, zooals het spreekwoord zegt,Wat snel gebouwd wordt, snel vergaat.Agnes.Een zonnekus, een klokkenklankKan wekken soms een zomerdag.De Dokter.Vaartwel. ’k Moet naar een zieke toe.Brand.Mijn moeder?De Dokter.Mijn moeder?Ja. Gaat u soms mee?Brand.Nu niet.De Dokter.Nu niet.Wasu er al?Brand.Nu niet.Wasu er al?Nog niet.De Dokter.U is wel hard. Door wind en sneeuwKwam ik over den berg gezwoegd,Ofschoon ik weet dat er van haarGeen hongerloontje overschiet.Brand.God zeegne uw kennis en uw vlijt.Maak, als u kan, haar ’t sterven licht.De Dokter.Gods zegen op mijn wil; ik kwamZoodra ’k in nood geroepen werd.Brand.Zij zond om u; maar niet om mij;…Ik wacht, en wacht in zieleangst.De Dokter.Wacht langer niet!Brand.Wacht langer niet!Vóór ze om mij zendtHeb ik daar ginder niets te doen.De Dokter(tegen Agnes).Jij arm klein vrouwtje, toevertrouwdAan zulker harde handen macht!Brand.Ik bèn niet hard.Agnes.Ik bèn niet hard.Hij gaf zijn bloedAls ’t voor haar ziel vergifnis bracht!Brand.’k Nam als haar zoon en erfgenaamVrijwillig al haar schulden op mij.De Dokter.Delg uw eigen schuld!Brand.Delg uw eigen schuld!Voor God kanWel één de schuld van velen delgen.De Dokter.Maar niet door één, die zelf een beedlaar,Tot over de ooren steekt in schulden.Brand.Of rijk, of beedlaar;… ’kwilgeheel,…En meer dan dàt behoeft er niet!De Dokter(kijkt hem strak aan).Ja, van uw wil hetquantum satisStaat mooi en duidlijk wel geboekt,…Maar, Brand, uwconto caritatisDat is een onbeschreven blad.(af).Brand(volgt hem een oogenblik met de oogen).Geen woord werd ooit zoo neergesleurdIn leugens, als men ’tliefdedoet;…Dat leggen zij met SatanslistAls sluier over slappen wil;Bedrieglijk dekken zij daarmeeHun wuft en ijdel levensspel;Is smal het pad en glad en steil,In liefde wordt u dat verkort;Gaat men den breeden zonde-wegBlijft hoop op liefde toch bestaan,…Men ziet zijn doel, maar mijdt den strijd …Door liefde wordt ’t toch nog bereikt;En dwaalt gij, beter wetend toch,…In liefde vindt ge een toevluchtsoord!Agnes.Ja, dat ’s verkeerd, en toch ik moetMij vaak afvragen:ishet zoo?Brand.Eén ding vergeet je; eerst de wilVoldoet den dorst der wet naar recht.Eerstwillenmoet je, niet alleenWat mooglijk is in ’t groot en ’t klein,Niet enkel waar er aan de daadVeel moeite vast is en bezwaar,…Neen, willen moet men sterk en blij,Door allen schrik en angsten heen.Niet dàt is martlaarschap, in pijnAan ’t kruishout stervend te vergaan,Maar ’twillenvan dien dood aan ’t kruis,Tewillenal dien angst en nood,Tewillenal die zielepijn,Dat eerst brengt je verlossing aan.Agnes(vlijt zich dicht tegen hem aan).Komt eens voor ons de zware proef,…O spreek dàn, jij, mijn sterke man!Brand.Na zulk een zege van den wilKomt dan der liefde heerlijkheid,Dan daalt zij neer als witte duifMet een olijftak, levensboô.Maar hier, bij ’t slappe, lakse volk,Is de allerbeste liefde haat!(verschrikt).Haat! Haat! Een wereldstrijd te willenLigt in dit ééne korte woordje!(gaat haastig het huis binnen).Agnes(kijkt door de open deur).Nu knielt hij bij zijn kleinen ventEn wiegelt ’t hoofd als schreide hij;Hij drukt zich tegen ’t bedje aanAls iemand die geen uitkomst weet …O, wat een schat van liefde woontEr in die sterke manneziel!Alf heeft hij lief, dat màg, want ’t kindIs nog door zonde niet besmet.(ontzet opspringend).Op springt hij … wringt de handen … O!Wat ziet hij? Hij is doodlijk bleek!Brand(buiten op de trap).Kwam niemand nog?Agnes.Kwam niemand nog?Neen, nog geen mensch.Brand(kijkt achterom in het huis).Zijn huid is gloeiend heet en droog;Zijn slapen kloppen, polsen jagen …!Niet bang zijn, kind!Agnes.Niet bang zijn, kind!O, die gedachten!Brand.Neen, vrees maar niets …(roept over den weg).Neen, vrees maar niets …(roept over den weg).Daar zie ik iemand!Een Man(door het tuinhek).Nu moet u komen!Brand.Nu moet u komen!Daadlijk, ja!Wat is je boodschap?De Man.Wat is je boodschap?’k Weet niet recht;Zij zat in bed op, boog vooroverEn zei: ga nu den priester halen;Mijn half bezit is voor de kerkBrand(terugwijkend).Dehelftmaar! Neen! Zeg neen!De Man(hoofdschuddend).Dehelftmaar! Neen! Zeg neen!Dan zou’k Mijn boodschap niet goed overbrengen.Brand.Dehelft! Dehelft! ’t Moestalleszijn!De Man.Dat kan wel zijn; maar luid en klaarZei zij dat woord. ’k Vergis mij niet.Brand(grijpt zijn arm).Durf je op den Oordeelsdag getuigenVoor God, dat zij die woorden zei?De Man.Ja.Brand(vast).Ja.Ga, en breng dit antwoord over,…Geen priester komt, geen sacrament.De Man(kijkt hem onzeker aan).U heeft mij vast niet goed begrepen,’t Is van uwmoederdat ik kom.Brand.Ik weet van geen tweeledig rechtVoor vreemden of voor eigen volk.De Man.Dat woord is hard.Brand.Dat woord is hard.Zij weet het wel,’t Wasallesofferen ofniets.De Man.O!Brand.O!Zeg dat ’t kleinste klompje goudToch evenzeer een afgod blijft.De Man.Zoo zacht als ’k eenigszins maar kanBreng ’k haar dit geeslend antwoord over.Haar blijft tot troost dit ééne dan:Dat God niet zóó hard is als u!(af).Brand.Ja, deze troost blies vaak genoegZijn pestlucht door de wereld heen.Met jammerklacht van ach en weeSnoert men den rechter dan den mond.Natuurlijk! Zoo behoort het ook!Men kent hem immers al zoo lang;…Men weet zoo goed hoe te allen tijdDen oude zich beknibb’len laat.(De man heeft buiten op den weg een anderen ontmoet; zij komen samen terug).Brand.Nieuw bericht?Eerste Man.Nieuw bericht?Ja.Brand.Nieuw bericht? Ja.Wat dan nu?De Tweede.’t Zou negen tienden dan nu zijn.Brand.Niet alles?De Tweede.Niet alles?Neen.Brand.Niet alles? Neen.Ik zei het al:Geen priester en geen sacrament.De Tweede.Zij heeft geleden en geboet …De Eerste.Kom mee, zij is uw moeder toch!Brand(knijpt de handen samen).Ik màg niet met twee maten meten …Eén maat voor eigen volk en vreemden.De Tweede.De zieke lijdt in angst en nood,Kom, zend haar een verzoenend woord.Brand(tegen den eerste).Ga, zeg de zieke wat ’k gebood:Voor haar wijd ik noch wijn, noch brood.(De mannen gaan heen).Agnes(vlijt zich tegen hem aan).Soms beef ik voor je levenslot:Je gloeit als ’t vlammend zwaard van God.Brand(met tranen in zijn stem).Staat heel de wereld dan ook nietVijandig tegenover mij,En wondt mijn ziel ten bloede toeMet al haar koppig, laks verzet?Agnes.Zwaar zijn de eischen die je stelt.Brand.Stel, als je durft, er zachtre voor.Agnes.Meet met dien maatstaf wien je wiltEn zie ofiemandkan voldoen.Brand.Neen, dáárin heb je, eilaas, gelijk.Zoo dwars, zoo dom, zoo leeg, zoo slecht,Is ’t heele menschdom tegenwoordig.Vermaakt iemand bij wilsbeschikkingDoch ongenoemd, zijn geld en goed,Men prijst hem daadlijk hemelhoog.Neem weg den naam van menig held,Laat hem alleen wat hij volbracht,Doe keizers, vorsten ’t zelfde aanEn zie wat er dan overblijft.Laat ’n dichter uit hun kooitje heimlijkZijn schoonheidsvogels laten glippen,Dat niemand denk’ dathijhun gafEen stem en gulden veerendos …Grijp groenen of wel dorren tak:Opoff’ring vindt men bij geen een.Door alles heen ’t aardslaafsche denken;…Elk klampt in wilden angst zich vastAan ’t zwakke rankje van zijn leven.Begeeft hem dit, waar de afgrond gaapt …Klauwt hij met nagels zich nog vast.Agnes.En zulk een diep gevallen volkRoep je nog toe; hetalofniets!Brand.Wie zege wil, moet daarvoor strijden;Wie ’t diepste viel, moet ’t hoogste stijgen …(zwijgt even; met veranderde stem).En toch, wanneer ik aan een zielDen eisch stel om zich op te heffen,Is ’t mij als of ik op de golvenIn stormweer ronddreef op een wrak.Stil schreiend beet ik heimlijk vaakMijn tong stuk, die kastijden moest,…En hief tot slaan ik soms den arm,Naar een omhelzing snakt mijn ziel!…Ga nu eens kijken naar den kleine;Zing zoete droomen in zijn slaap;Een kinderziel is klaar en reinAls ’t meer in zomerzonneschijn;Een moeder kan daarover strijkenAls ’n vogel, die in lichten vlucht,Zich spiegelt in zijn diepste diep.Agnes(bleek).Wat is er, Brand, dat je gedachtenWaarheen ze ook gaan, tot hem doet keeren?Brand.O, niets. Bewaak hem maar zorgvuldig.Agnes.Geef mij een antwoord.Brand.Geef mij een antwoord.Forsch?Agnes.Geef mij een antwoord. Forsch?Neen, zacht.Brand(omarmt haar).Wie zonder schuld is, die zal leven.Agnes(kijkt hem helder aan, en zegt:)Eén ding,… màg God niet van ons eischen!(gaat het huis in).Brand(kijkt stil voor zich uit).Maar àls hij ’t deed? Wat God soms eischtLeert “Abrams offer” van weleer.(schudt die gedachte van zich af).Neen, neen! mijn offer heb ’k gebracht,’k Deed afstand van mijn levensdroom,Om als de rommelende donderDe slapers hier op aard’ te wekken.Neen! Daarin lag geen offer meer:’t Viel weg toen over was de droom,’k Door Agnes werd gewekt—om mét mijTe werken samen in ’t verborgen.(kijkt uit over den weg).Wat draalt de zieke ginder langEer zij tot boete-doen besluit,Dat alle schuld te niet zou doen,Al ’t kwaad uitdelgen van haar ziel!Wacht!… Neen, het is de baljuw maar,Welwillend, luchtig, rond, gezond,De handen in zijn beide zakken,Als haakjes om een parenthees.De Baljuw(door het tuinhek).Goên dag! Wij zien elkaar niet vaak,En ’k kom misschien wel ongelegen …Brand(wijst op het huis).Ga binnen.De Baljuw.Ga binnen.Dank u; ’t gaat hier ook;En als mijn woord maar ingang vindt,Dan denk ik stellig dat het ookWel voor ons beiden goed zal zijn.Brand.Laat hooren dan.De Baljuw.Laat hooren dan.Uw moeder moet,Naar ik verneem, haast stervend zijn;…Dat doet mij leed.Brand.Dat doet mij leed.’k Betwijfel ’t niet.De Baljuw.Het doet mij zeer véél leed.Brand.Het doet mij zeer véél leed.Welnu!De Baljuw.Maar zij is oud; en, lieve Heer,Wij gaan toch allemaal dien weg,En daar ’k nu juist voorbij hier kwam,Dacht ik zoo: ’k kon wel even gaanOm ’n enkel woord met u te spreken.Om kort te gaan, ik heb vernomenDat u met haar, sinds u hier kwam,Geleefd heeft in oneenigheid …Brand.Oneenigheid?…De Baljuw.Oneenigheid?…Men zegt dat zijErg vasthoudt aan haar eigendom.Dat gaat, vindt u misschien, wat ver.Men wil toch elk zijn eigen voordeel.Zij is in ’t onverdeeld bezitVan heel uw vaderlijke erfdeel …Brand.In ’t onverdeeld bezit … ’t is waar,De Baljuw.Zoo komt het dan allicht tot twist.En daar ik wel vermoeden kanDat u haar einde naadren zietMet groote kalmte van gemoed,Wil ’k hopen dat u zonder wrokMij hooren wil, zij dan de tijd ookNiet erg geschikt.Brand.Niet erg geschikt.Nu, of wel later.Dat komt voor mij op ’t zelfde neer.De Baljuw.Nu, dan ter zake, zonder meer.Zoodra uw moeder dood zal zijn,En rustig slaapt onder den grond,…En ’t duurt niet lang meer … wordt u rijk …Brand.Rijk, denkt u?De Baljuw.Rijk, denkt u?Denk? Neen, ’k weet het zeker.In alle hoeken heeft zij grond,Zoo ver ’t gewapend oog kan kijken.Ik zeg u, rijk!Brand.Ik zeg u, rijk!Ook na de scheiding?De Baljuw(glimlacht).Wat zoudiehier? Er valt te scheidenWaar vele erfgenamen zijn:Maar hier wordt niemands deel bedreigd.Brand.En als nu toch eens iemand kwamEn van haar goed zijn erfdeel vroeg,En zei:mijkomt het rechtens toe?De Baljuw.Dat moest de duivel zelf dan zijn!Ja, kijk mij nu maar aan … geen menschHeeft ’n enkel woord hierin te spreken;Vertrouw mij maar; ’k ben op de hoogte.Zoo is ’t dus; u wordt welgesteld,Een rijk man zelfs; in dezen uithoekHoeft u dus waarlijk niet te blijven;Voor u staat open ’t heele land.Brand.Zoo. Is eigenlijk dier woorden zinIn ’t kort nietdit: trek elders heen?De Baljuw.Zoowat. Dat waar’ misschien het besteVoor iedereen. Als u aandachtigDe menschen gâ slaat, voor wie uDe tolk is van Gods heilig woord,Moet u toch zien, hoe u hier tusschenPast als een wolf in een troep ganzen.Begrijp mij goed! U heeft de gavenOm nut te stichten in het groot.Maar voor dit volk van bergbewoners,Als vastgegroeid tusschen hun rotsen,Sticht u, dunkt mij meer kwaad dan goed.Brand.Wat wortels voor een boom zijn, isVoor een man ’t geboortedorp;…Zoo hij dáár niet zijn werkkring vindt,Is wat hij uitvoert niet veel zaaks.De Baljuw.In de eerste plaats komt ’t er op aanMet ’s lands behoefte mee te gaan.Brand.Maar die vertoont zich van de hoogteNiet zoo, als in ’t benauwde dorp.De Baljuw.Dat is taal voor verlichte menschen,Niet voor de arme dalbewoners.Brand.Och wat, u met dat grensverschilVan bergen en het lage land!U wil de rechten van den rijke,Maar aan zijn plichten u onttrekken;En denkt, als u maar hardop roept:Wij zijn maar arm! dan is ’t genoeg.De Baljuw.Er is een tijd voor alle dingen,En elk geslacht heeft eigen plicht.Ons dorp droeg ook eens bij zijn scherfjeTot der geschiedenis groote kas.Dat was, natuurlijk, lang geleden;Maar zoo héél klein was ’t scherfje niet.Nu is het dorp maar onbeduidend,Toch leeft zijn roem in sagen voort;Zijn vroegre grootheidsdagen vallenIn koning Beles’ levenstijd;…Nog hoort men menigmalen noemenDe dappre broeders Wolf en Thor;Met vele wakkre mannen, dieNaar Bretlands kust heentogen omAl plundrend af te loopen ’t land.Het Zuiden kreet, verstijfd van schrik,God, help ons tegen hun geweld!En die geweldnaars waren tochOntwijfelbaar echt, lui van hier.En hoe zij zich dan konden wrekenMet moord en doodslag, brand en plundring!Ja, één is er, van wien de sageVertelt dat hij ten kruistocht wou;…Doch dat hij uittoog meldt men niet …Brand.Er stamt voorzeker van dien heldEen heele bende zoons?De Baljuw.Een heele bende zoons?Jawel;Maar hoe weet u …?Brand.Maar hoe weet u …?O, omdat mijDie heldentroep bekend voorkomt,Belofte-helden van het heden,Die ook zoo’n kruistocht ondernemen.De Baljuw.Ja, dat geslacht is uitgebreid.Maar bij vorst Beles waren wij!Eerst dus geraasd in ’t vreemde land;Toen brachten wij aan bloedverwantEn buur, met bijlslagen bezoek.Het veld vertrapt, de oogst verwoest,In brand gestoken kerk en huis,Zoo vlochten we ons een heldenkrans.Op al het toen vergoten bloedWerd later wel wat veel gesnoefd.Maar, na wat ik nu heb gezegdGeloof ik, met bescheidenheid,Op onze macht te mogen wijzenIn heldentijden, lang geledenEn zeggen dat ons dorp eertijdsZijn deel bijdroeg met vuur en zwaard,Tot der ontwikling worstelstrijd.Brand.Toch lijkt ’t mij dat u pleegt verraadAan ’t woord: dat adeldom verplicht,…Alsof met egge, hak en ploegU Beles’ erfgoed stil begraaft.De Baljuw.In geenen deele. Kijk maar eensBij een gemeentelijk diné,Waar ik, de koster en de rechterOp eereplaatsen mee aanzitten.Dan zal u zien, als komt de punch-bowl,Dat Beles nog niet is vergeten.Met klinken, heildronken, gezang,In toasten kort en toasten lang,Gedenkt men hem, laat men hem leven.Ik zelf heb vaak den drang gevoeldIn mij, om van gedachtenspinselVoor hem te weven ’n bloemrijk kleed,En dat heeft menigeen gesticht.Ik houd wel van wat poëzie.Dat doen wij trouwens allemaalHier in ons dorp;… doch steeds met mate …Hetlevenmag die nooit beheerschen,…Alleen zoo tusschen acht en tienUur ’s avonds, als men moe van ’t werk,En vrij weer van de daagsche taak,Naar wat verheffing wel verlangt.Wat u van ons verschillen doetIs dat u ploegen wil en maaienTerzelfder stond, en met geweld.U wil, zoo meen ik te begrijpen,Dat één zijn zal idee en leven,…U wil, met ’t zwoegend land-bebouwenDen strijd voor God vereenigd zien,Zóó innig één, als kool, salpeter,En zwavel zich tot kruit vereent.Brand.Zoo ongeveer.De Baljuw.Zoo ongeveer.Maar dat ’s onmooglijk.In wijder kringen gaat dat beter;…Ga daarheen met uw hooge eischenEn laat ons land en zee beploegen.Brand.Ploeg allereerst in zee maar onderUw pralen op den roem der vaad’ren;Een dwerg wordt er niet grooter doorOf hij al stamt van Goliath.De Baljuw.Er ligt kracht in herinneringen.Brand.Ja … als zij één met ’t leven worden,Maar u gebruikt hun graf alleenOm eigen traagheid te verstoppen.De Baljuw.Mijn eerste blijft mijn laatste woord;…U deed het best met heen te gaan.Hier zal uw arbeid niet gedijen;Uw levensleer wordt niet begrepen.Verheffing, die soms noodig zijn kan,Het beetje troost dat hij behoeft,Die dag aan dag in arbeid zwoegt,Zalikhun voortaan trouw bezorgen.Gedurende mijn heele loopbaanHier, deed ik steeds mijn plicht;Het volksaantal is ruim verdubbeld,Ja, het staat haast als drie tot een,…Terwijl ik meer dan één bedrijfAan deze fjord-streek heb verbonden.In strijd altijd met ’t ruw klimaat,Zijn we als met stoom vooruit gegaan:…Hier loopt een weg, daar ligt een brug..Brand.Maar tusschen g’loof en leven niet …De Baljuw.Die fjord en gletschersneeuw verbindt.Brand.Maar niet de daad met de idee.De Baljuw.Eerst zorgen voor een goed verkeer,Dat men elkaar bereiken kan,…Daarover waren allen ’t eensEer u, als leeraar, hierheen kwam.U heeft in ons vaal schemerlichtEen Noorderlichtschijn hel doen flikk’ren;Wie kan in ’t valsche licht nu zienWat er verkeerd is en wat goed,Wat straf is, en wat boete of smart?U heeft het àl dooreen gehaspeld;En ’t volk, dat één, moest overwinnen,Gesplitst in twee vijand’ge kampen.Brand.Toch blijf ik hier, uw wensch ten trots.Men kiest de plaats niet voor zijn werk.Hij, die zijn doel voor oogen heeftZag eens in vuur’ge letters staan,Het Godswoord:hieris uwe plaats!De Baljuw.Blijf dan, maar binnen eigen grenzen;Ik zie u graag de menschen zuivrenVan zonde en kwaad, als voorkomt hier;God weet dat ’t dikwijls noodig is!Maar maak van iedren arbeidsdagGeen Zondag,… en vertoon geen vlagAlsof God zelf was mee aan boordOp ieder jacht in onze fjord.Brand.Kon ’k mij uw raad ten nutte maken,Zou ik mijn ziel moeten verzaken.Maar ’t geldt hier juist zich zelf te wezen,Zijn eigen roeping te volbrengen,En dat zal ’k doen ten einde toe,Dat om mijn huis een lichtschijn straal!Dit volk, dat ingedommeld isDoor uw bestuur, wek ik weer op!Al lang is hem, door nood en dwang,Zijn laatste oerkracht afgekweld;Uit uwer kleinheid hongerkuurKomt elk te voorschijn mat en slap;Zijn beste bloed is afgetapt,Het merg geschraapt hem uit zijn moed;Aan flarden iedre ziel gescheurd,Die pal als brons had moeten staan;Maar nog kan wel een oproerskreetU in de ooren dondren: strijd!De Baljuw.Strijd?Brand.Strijd?Strijd!De Baljuw.Strijd? Strijd!Als u hen roept te wapenZal u als eerste offer vallen!Brand.Eens zal ’t wel blijken zonneklaarDat nederlaag hier zege was!De Baljuw.Bedenk je, Brand, je staat op ’t kruispunt:Zet alles niet op ééne kaart.Brand.Toch zal ik ’t doen!De Baljuw.Toch zal ik ’t doen!Wordt ’t spel verloren,Dan is uw leven ook verwoest.U heeft al wat u kan begeeren,Is de erve van een rijke moeder,U heeft een kind om voor te leven,Een lieve vrouw;… geluk en vreugdeWordt u met milde hand gereikt!Brand.En als ’k nu toch den rug toekeerAan wat u noemt geluk en vreugde?Als ik numoet?De Baljuw.Als ik numoet?’t Is al verlorenAls u, in dezen uithoek hier,Uw wereldstrijd beginnen wil.Trek zuidwaarts naar de rijke stranden,Waar ’n man geheel zich zelf kan wezen.Dáár kan uw licht u laten schijnenEn de gemeente laten bloeden;Onsoffer is geen bloed, maar zweet,In broodstrijd tusschen rots en ijs.Brand.Hier blijf ik toch. Hier is mijn thuis,En van mijn thuis uit voer ik strijd.De Baljuw.Denk wat op ’t spel staat als het misloopt;…En allermeest wat u laat varen!Brand.Mijzelf verlies ik, als ’k mocht wijken.De Baljuw.Brand, vruchtloos strijdt een eenzaam strijder.Brand.Mijn troep is sterk; ik heb debesten.De Baljuw(glimlacht).Wel mooglijk, ja … maar ik demeesten.(af).Brand(kijkt hem na).Daar gaat een volbloed volksman, heelRechtschapen denkend, heel welwillend,Op zijn wijs werkzaam, warm en billijk …En toch een geesel voor zijn land.Geen aardverschuiving, storm of vloed,Geen hongersnood, geen vorst of pest,Bewerkt er half het ongelukAls zoo een doet, jaar-in, jaar-uit.Die rampen deren maar hetleven;…Maar hij …! Hoeveel blijmoedig willen,Hoeveel gedachten dooft hij uit,Hoe menig krachtig lied versmoort erDoor zulk benauwd, kleinzielig doen!Hoe menig glimlach om de lippen,Hoe menig lichtstraal in een ziel,Hoeveel verheffings-vreugd en smart,Heeft hij verstard, gedoofd, gedood!(plotseling angstig).Waar blijft de bode!.., komt er niemand?Ja, de dokter!(snelt hem te gemoet).Ja, de dokter!Mijn moeder? Spreek!De Dokter.Nu staat zij eindlijk voor haar rechter.Brand.Dood!… Boetvaardig?De Dokter.Dood!… Boetvaardig?Dat g’loof ik niet;Zij hing aan ’t hare hier op aard’Totdat het uur van scheiden sloeg.Brand(kijkt stil bewogen voor zich uit).Is hier ’n verdoolde ziel verloren?De Dokter.Misschien is wel het oordeel zacht,Niet volgens recht, maar bij genade.Brand(zacht).Wat zei zij nog?De Dokter.Wat zei zij nog?Zij mompelde:God is zóó hard niet als mijn zoon!Brand(zinkt in droefheid neer op de bank).Met schuld belast, in stervensnood,Klampt aan die leugen elk zich vast!(verbergt zijn gezicht in de handen).De Dokter(komt naderbij, kijkt hem aan en schudt het hoofd).U wil een lang vervlogen tijdIn alles weer herleven doen.U g’looft nog dat ’t aloud verbondVan God en menschen nog bestaat;…Maar elk geslacht heeft eigen wijs;Het ònze vreest niet meer de hel,Verdoemenis en bakerpraat;…Het hoofdgebod is: wees humaan!Brand(kijkt op).Humaan! Ja, juist, dat slappe woordKlinkt door de heele wereld heen!Daarmee slaat iedre hals je doodAls hij niet durft, of kan of wil;Daarmee omhult zich iedre stumperAls hij nietallesdurft te wagen;Daardoor beschermd verbreekt menthansIedre gelofte alras betreurd;…Gij dwergenzielen maakt ten slotVan ieder mensch een humanist!Was jegens Christus God humaan?Had toenuwGod ook geregeerdWaar’ Jezus niet aan ’t kruis genageld.…En heel ’t verzoeningswerk werd danEen handig diplomatenstukje!(verbergt het hoofd en zit neer in stomme smart).De Dokter(zacht).Raas uit, raas uit, o ziel in opstand;…Het beste waar’ dat je kon schreien.Agnes(is op de trap verschenen, bleek en angstig, fluistert zij tegen den dokter).Och toe! Kom mee!De Dokter.Och toe! Kom mee!Je maakt mij angstig,Wat is er kind?Agnes.Wat is er kind?Een koude doodsangstSloeg mij zoo even om het hart …!De Dokter.Wat is er?Agnes(trekt hem mee).Wat is er?Kom!… het kind, o God!(zij gaan het huis in; Brand bemerkt het niet).Brand(stil in zich zelf).Dood, onverzoend. Dood, als zij leefde.Is dat geen vingerwijzing Gods?Van mij wil hij den tol nu heffen,Dien zij verzuimd heeft te betalen;…Nu driewerf wee mij, als ik wijk!(staat op).Onwankelbaar van nu af aan,Als uitverkoren strijder kampen,Dat geest verwinnen moog’ het vleesch.God gaf mijn tong de kracht van ’t woord,Ontstak zijn toorngloed in mijn ziel;…Nu sta ik in mijn volle macht,Nu durf, nu kan ik rotsen breken!De Dokter(gevolgd door Agnes, komt snel de trappen af en roept).Ruim op je boel en trek er uit!Brand.Al beefde de aard’ toch bleef ik hier!De Dokter.Dan is je kind ten dood gedoemd.Brand(ontzet).Alf! ’t Kind! Mijn Alf! Wat meent u toch?Welk spook bedreigt mijn kind!(wil het huis in).De Dokter.Welk spook bedreigt mijn kind!Neen, blijf!…Hier is geen licht, hier is geen zon,De lucht is scherp als Noordpoolwind,…Hier hangt een nevel klam en zwaar;…Eén winter nog op deze plekEn ’t teere leven is verwelkt.Vertrek, dan is uw kind gered;Maar doe het gauw, liefst morgen al.Brand.Van daag, van avond nog, terstond!O, hij wordt sterk weer en gezond;…Geen gletschersneeuw, geen scherpe wind,Zal meer zijn borstje kwellen hier.Kom, Agnes, neem hem zachtjes op!Dan vluchten wij in aller ijl!O, Agnes, ’t is de dood die spintZijn valen sluier om ons kind!Agnes.Wel vreesde en beefde ik voor gevaar,…Toch waande ik het niet zoo nabij.Brand(tegen den dokter).Vlucht kan hem redden? Dat bezweert u?De Dokter.Een leven dat door vaderliefdeWordt welbewaakt, loopt geen gevaar.Wijd u aan hem, en vrees maar niet,Dra wordt hij weer gezond en frisch.Brand.Dank! Dank!(tegen Agnes).Dank! Dank!Pak hem vooral goed in;De avondwind waait langs de fjord.(Agnes gaat het huis in).De Dokter(neemt Brand zwijgend op, die onbewegelijk door de deur naar binnen kijkt, gaat dan naar hem toe, legt de hand op zijn schouder, en zegt:)Voor ’t arme menschdom onbarmhartig,En voor zichzelf zoo heel teerhartig!Voor andren geldt nietveelofweinig,…Alleen hetallesdan, ofniets;Maar eigen moed is ras geweken,Zoodra het lot als offerlamZijn eigen schat heeft aangewezen.Brand.Wat wil u zeggen?De Dokter.Wat wil u zeggen?Harde woordenHeeft u uw moeder toegebulderd,Verdoemd, als alles zij niet gaf,Als naakt zij niet daalde af in ’t graf.En ’t zelfde woord klonk menigmaalWaar veel en diep geleden werd!Nú drijft uw eigen boot in stormOp noodlotsgolven rond in zee,Nu werpt van de omgeslagen kielU snel den schuldbrief over boord,…Weg, over boord, het zware boek,Waarmee u zelf de broeders sloeg;Nu is de zaak, in stijve briesTe zoeken heil voor eigen telg.Snel weg van hier, van storm en fjord,…Snel weg zelfs van uw moeders lijk,…Snel weg van zielezorg en werk;…Nu staakt de priester zijn bedrijf!…Brand(grijpt in vertwijfling naar zijn hoofd om zijn gedachten te verzamelen).Ben ik nù blind? Wàs ik het eerst?De Dokter.U doet als vader stellig goed.Denk niet dat ’k afkeur wat u doet;…Voor mij is u, gebroken nu,Veel grooter dan de sterke held …Vaarwel! Ik hield u vóór den spiegel;Kijk er eens in, en zucht: mijn God,Zoo ziet een Godsgetuige er uit!(af).Brand(staart een oogenblik voor zich uit, barst dan plotseling uit).Waar tastte ik mis? Nu, of te voren?!(Agnes komt de deur uit met een mantel om de schouders en het kind op haar arm; Brand ziet haar niet. Zij wil spreken maar blijft als verlamd van schrik staan, als zij de uitdrukking van zijn gezicht ziet. Op hetzelfde oogenblik komt er een man haastig door het tuinhek binnen. De zon gaat onder).De Man.Brand, hoor, u heeft een vijand hier!Brand(drukt de handen op zijn borst).Ja,hier!De Man.Ja,hier!Wees voor den Baljuw op uw hoede.Al vruchtbaar werd uw werken hier,Tot hij ’t vergiftigde met praatjes!Al dikwijls heeft hij uitgestrooidDat gauw uw huis wel leeg zou staan,…Zei dat u ons zou gaan verlaten,Zoodra uw rijke moeder stierf.Brand.En als ’t zoo was?De Man.En als ’t zoo was?Ik ken u immersEn weet waarom hij dat vertelt;U staat toch tegenover hem,Heeft voor zijn wil nog nooit gebogen …Dàt is de reden van zijn wrok …Brand(weifelend).Misschien dat hij de waarheid zei.De Man.Dan heeft dusuons steeds belogen?…Brand.Ik?De Man.Ik?Ja. Heeft u ons niet gezegdDat God zelf u verkoren hadOm hier te wonen onder ons;Dat u uw strijd hier voeren zou,Dat niemand mag zijn taak verzaken,Dat hij moet staan, maar nimmer wijken?Die taak is de uwe! Warm en lichtGloort al uw vuur in menig borst.Brand.Neen, ’t oor der menigte is doof;Haast ieders ziel is dof en loom!De Man.U weet wel beter;… ’t hemelsch lichtBreekt hier in meen’ge ziel al door.Brand.Maar in de meesten is ’t nog nacht.De Man.U is als ’t licht dat schijnt bij nacht.Doch laat het wezen zoo het wil;Het komt hier niet op tellen aan;Want hier sta ik, een eenig man,En zeg: ga heen dan als u kan!Mijn ziel is vol, al weet ik weinigVan alles wat staat in de boeken,U heeft uit ’t niet mij opgeheven,…Zie of u nu mij los mag laten!U kan het niet; ik houd u vast;’k Verloor mijn ziel, gaf ’k prijs mijn greep!…Vaarwel! ’k Verwacht getroost ’t bericht!Noch u, noch uw God laat mij los!(af).Agnes(schuchter).Je wang is wit, je mond is bleek,Alsof je pijn hadt in je ziel.Brand.Elk klinkend woord dat ’k eertijds sprakSlaat als een echo nu terug.Agnes(komt een stap nader).Ik ben bereid.Brand.Ik ben bereid.Bereid? Waartoe?Agnes(met kracht).Tot wat een moeder mag en wil!(Gerd loopt voorbij op den weg en blijft bij den tuinmuur staan).Gerd(klapt in de handen en roept wild en blij:)Hoorde je ’t al? Weg vloog de priester!…Uit de bergen, op de rotsenWemelt het van bergkabouters,Zwarte, woeste, groot en klein,…Hoeh, wat sloeg de bende d’r op …!Rukten de oogen mij haast uit,Half mijn ziel viel hun ten buit;…Och, ’k kan ’t met de helft wel stellen’k Heb van ’t wrak genoeg nog over!Brand.Kind, je raaskalt, zie je nietDat ik hier vlak vóór je sta?Gerd.Jij? Jawel, maar niet de priester!Van den Zwarten Top mijn havikVloog rechtuit, de helling langs,Boos en wild, met tuig en zadel,Sneed hij blazend d’ochtendwind;En een man zat op zijn rug …Dat was hij, dat was de priester!Nu staat leeg de kerk van ’t dorp,’t Slot dicht en de boom er voor.’t Is gedaan met ’t nare kerkje,En nu komt mijn kerk tot eere,Waar mijn priester preekt en zingt,Sterk en groot, in ’t witte miskleedDoor den wintervorst geweven;…Wil je ’m zien? Kom dan maar mee,Woorden spreekt mijn priester, dieKlinken heel de wereld door!Brand.Ong’lukskind, wou je mij lokkenMet verdwaasde afgoderijen?Gerd(komt het tuinhek in).Wat zijn dat, afgoderijen?’n Afgod? O, ik weet het al;Somtijds groot en somtijds klein;Altijd goud en mooi en kleurig.’n Afgod! Hoor eens, zie je háár daar?Kan je onder ’t kleed herkennenKinderhandjes, kinderbeenen?Zie je niet hoe mooi en kleurigAl die windsels iets omhullen?’t Lijkt een kind dat rustig slaapt,Angstig wijkt zij … dekt het toe!’n Afgod? Man, dàt is een afgod!Agnes(tegen Brand).Heb jij tranen en gebeden?Angst heeft ’t àl bij mij verjaagd!Brand.Agnes,… wee! Ik meen te voelenDat een hoogre macht haar zond!Gerd.Hoor nu, alle klokken luidenBoven op den wilden top!Kijk eens wat een troep daar heen trekt,Naar mijn kerk in ’t ijsgewelf!Zie je wel al die kabouters,Die de priester joeg in zee?Zie je wel die dwergen allen,Die tot nu begraven lagen?En den steen had hij verzegeld.Zee noch graf kan hen meer houden,Zie ze koud en kil krioelen;…Kindren, schijndood, zie ik schreien,Van zich wentlen rotssteenblokken.Vader! Moeder! schreeuwen zij!Mannen, vrouwen schieten toe.Kijk, de dorper loopt in ’t middenVan een heelen stoet van zonen;En zijn vrouw legt ’t doode kindjeAan haar borst om het te laven;…Nooit nog droeg zoo hoog zij ’t hoofdToen zij hield het kind ten doop.Priester weg … toen kwam er leven!Brand.Wijk van mij! Ik zie welhaastErger spoken …Gerd.Erger spoken …Hoor! Hij lacht,Hij, die aan den weg daar zit,Hij, die opstijgt naar den top,En hij schrijft er in zijn boekIedre ziel die opwaarts toog;…Ha, hij heeft ze bijna allen;’t Kerkje staat ginds immers leeg,’t Slot dicht en de boom er voor,…Op den havik vlood de priester!(springt over het tuinmuurtje en verdwijnt tusschen de rotsen).(een stilte).Agnes(komt nader en zegt gedempt:)Laat ons gaan; nu is het tijd.Brand(staart haar aan).Waarheen gaan wij?(wijst eerst op het tuinhek, dan op de huisdeur).Waarheen gaan wij?(wijst eerst op het tuinhek, dan op de huisdeur).Daar?… of daar?Agnes(wijkt verschrikt achteruit).Brand, je kind!…Brand(volgt haar).Brand, je kind!…Wat was ik eerderZeg mij, dienaar Gods of vader?Agnes(wijkt verder terug).Al stelde mij God zelf die vraag …Beslissen zal ik nimmermeer!Brand(volgt haar weer).Spreek als moeder: màg ik gaan?Jij hebt hier het laatste woord!Agnes.’k Ben je vrouw, mocht je bevelen,Zal ’k gehoorzaam zijn en buigen.Brand(wil haar arm grijpen).Neem dien kelk der keus van mij!Agnes(wijkt achter den boom).Dan zou ik geen moeder zijn!Brand.’n Oordeel ligt er in dat woord!Agnes(met kracht).Vraag je zelf af: hèb ik keus?Brand.Sterker nog het oordeel klinkt!Agnes.Voel je je als door God verkoren?Brand.Ja!(grijpt haar hand vast).Ja!En nu moet jij ook zeggen’t Woord van leven of van dood!Agnes.Ga den weg, dien God gebiedt!(Pauze).Brand.Laat ons gaan; nu is het tijd.Agnes(toonloos).Welken weg dan?Brand(zwijgt).Agnes(wijst naar het tuinhek en vraagt).Welken weg dan?Dien?Brand(wijst naar de huisdeur).Welken weg dan? Dien?Neen,… dien!Agnes(heft het kind in haar armen hoog omhoog).God! Dit offer dat gij eischtHef ik trotsch ten hemel op!Leid mij nu door ’s levens nacht!(gaat naar binnen).Brand(staart een poos voor zich uit, barst in tranen uit, slaat de handen boven zijn hoofd in elkaar, laat zich op de trap neervallen en roept uit:)Jezus! Jezus! Geef mij licht!EINDE VAN HET DERDE BEDRIJF.

DERDE BEDRIJF.Drie jaar later. Een klein tuintje door steenen ommuurd bij de pastorie gelegen aan den voet van een hoogen bergrug. De fjord ligt nauw en ingesloten op den achtergrond. De huisdeur opent in den tuin. Namiddag.Brand staat op de trap voor het huis. Agnes zit op een lagere tree.Agnes.Mijn lieve man, alweder dwaaltJe oog zoo angstig naar de fjord …Brand.Ik wacht bericht.Agnes.Ik wacht bericht.Je bent onrustig!Brand.Van moeder wacht ik steeds bericht.Drie jaar heb ik nu al vertrouwendBericht gewacht, dat nooit nog kwam.En morgen zoo werd mij gezegd,Is mooglijk wel haar uur geslagen.Agnes(zacht en liefdevol).Je moest maar op geen boodschap wachten.Brand(hoofdschuddend).Berouwt zij hare zonden nietDan heb ik ook geen woord van troost.Agnes.Zij is je moeder.Brand.Zij is je moeder.En zou ik daaromIn haar afgoderij aankweeken?Agnes.Brand, je bent hard!Brand.Brand, je bent hard!Voor jou?Agnes.Brand, je bent hard! Voor jou?O, neen!Brand.’k Voorzei je een weg vol moeilijkheid.Agnes(glimlacht).Het sloeg niet in; je hieldt geen woord.Brand.Jawel, het is hier scherp en koud;Je wangen worden smal en bleek;Je bent te teer voor dit klimaat.Niets kan gedijen om ons huis,Dan ijs en sneeuwval, rots en gruis.Agnes.Zooveel te veil’ger ligt het hier.Zóó ver reikt al de gletscher nuDat hij in ’t voorjaar, voortgestuwdNaar ’t dal, over ons dak heenschrijdt,En ongedeerd ons huis blijft staan,Als in een welvend waterhol.Brand.En ’t zonlicht dat nooit reikt tot hier.Agnes.Dat danst daar toch zoo warm en blijEn tintlend op den bergrug ginds.Brand.Drie weken, ja … als ’t zomer is,…Maar zelfs zijn voet bereikt het nooit.Agnes(kijkt hem strak aan, staat op en zegt:)Er is iets dat je angstig maakt!Brand.Neen, jou!Agnes.Neen, jou!Neen jou!Brand.Neen, jou! Neen jou!Je hebt een angst,’n Geheimen angst.Agnes.’n Geheimen angst.En jij ook, Brand!Brand.Je duizelt, als voor ’n diep ravijn!Spreek toch! Wat is ’t?Agnes.Spreek toch! Wat is ’t?Ik beef somtijds …(houdt op).Brand.Je beeft! Voor wie dan wel?Agnes.Je beeft! Voor wie dan wel?Voor Alf.Brand.Voor Alf?Agnes.Voor Alf?Brand, jij ook!Brand.Voor Alf? Brand, jij ook!Somtijds, ja!Maar neen, dat doet God ons niet aan!God is toch goed! Mijn kleine ventGroeit sterk en flink er wel doorheen.Waar is hij nu?Agnes.Waar is hij nu?Hij slaapt.Brand(kijkt naar binnen).Waar is hij nu? Hij slaapt.Och, kijk,Hij droomt niet van ellende en smart;Zijn handje is mollig, dik en rond.Agnes.Maar bleek.Brand.Maar bleek.Ja, bleek; maar dat gaat over.Agnes.Wat ligt hij rustig nu te slapen.Brand.God zegen je! Slaap je gezond!(sluit de deur).Met jou en hem, kwam vrede en licht,Verlichtend al mijn daaglijksch werk.Wat moeilijk was, elk droevig uur,Werd met je beiden licht en blij.Bij jou ontviel mij nooit de moed,En kracht gaf mij zijn kinderspel.Als martlaar nam ’k mijn roeping op,Maar zie, hoe ’t al zich heeft gekeerd,Hoe nu ’t geluk schijnt op mijn pad …Agnes.Ja, Brand, jij bent ’t geluk ook waard,Je hebt gestreden en ontbeerd,Geduld, geleden, je afgetobd;’k Weet dat je, stil, vaak hebt geschreid …Brand.’t Is zoo … maar alles leek mij licht;Met jou trok hier de liefde binnen,Als warme voorjaars-zonneschijn.Die had ik nooit nog leeren kennen,Noch vader gaf mij die, noch moeder.Liefst doofden zij het enkle sprankjeDat nu en dan uit de asch opglom.Het was of al de schat van warmte,Die ’k stil verborgen in mij droeg,Was opgespaard tot glorieschijn,Om hem en jou, mijn lieve vrouw!Agnes.Niet om ons beide alleen … om allenDie nu tot de onzen hier behooren;Wie droevig is, in nood verkeert,Wie lijdt of schreit, ’t zij vrouw of kind,Een ieder wordt gelaafd, gesterkt,Door wat hun biedt je rijke ziel.Brand.Maar toch door jou en hem. Den geestVan goedheid, zachtheid, bracht je mij.Geen ziel kan allen liefde geven,Die niet één enkle liefhad eerst;’k Moest zóó lang smachten en ontberen,Dat heel mijn hart werd als een steen …Agnes.En nòg … je liefde is nog niet zacht;Je liefkoozing wordt vaak een slag.Brand.Voor jou ook, Agnes?Agnes.Voor jou ook, Agnes?Neen, mijn liefste;Licht was wat jij mij gaf te dragen;…Maar menigeen, verliet je al,Om ’t:nietsofalles, dat je eischt!Brand.Wat er zoo liefde wordt genoemd,Dat wil ik niet en ken ik niet.Gods liefde ken ik maar alleen,En die is zoomin week als zacht;Die is als doodsverschrikking hard,En als die liefkoost wordt ’t een slag.Welk antwoord gaf God in den hof,Toen hem zijn zoon in doodsangst bad:Neem weg dien drinkbeker, mijn God!Ontnam hij hem dien smartkelk toen?Neen, kind, hij heeft dien gansch geledigd.Agnes.Ach, met zulk een maat gemetenKan geen enkle ziel bestaan.Brand.Geen mensch weet wien verdoemnis treft.Toch staat in vlammend schrift geschreven:Wees trouw tot de allerlaatste proef,Geen halfheid wint de levenskroon!’t Is niet genoeg ’t angstzweet te voelen,De vuurproef zelf moet gij doorstaan.Dat gij ’t nietkuntwordt u vergeven,Maar nimmermeer dat gij nietwilt.Agnes.Ja, zeker, ja, zoo moet het wezen.O, hef mij op, dat ’k mét je opstijg;O, leid mij naar je hooge sferen;Sterk is mijn wensch, maar slap mijn moed.Vaak grijpt mij de angst, ik voel mij duiz’len,En moe en aardtraag sleept mijn voet.Brand.Kijk, Agnes, voor een ieder geldtDe eisch: geen halfheid laf en slap!Veroordeeld is àl wat je doetAls ’t half maar is, of voor den schijn.Tot wet moet deze leer je worden:Met woorden niet, maar met het leven.Agnes(valt hem om den hals).Waar jij gaat, volg ik op den voet!Voor twee is er geen rots te steil.(De dokter is den berg afgekomen en blijft voor de tuinomheining staan).De Dokter.Zoo duifjes, hier aan ’t trekkebekkenOp deze woeste, grauwe rotsen?Agnes.Mijn oude dokter, is u hier?O, kom toch binnen!(loopt naar beneden en opent het hek).De Dokter.O, kom toch binnen!Neen, dàt niet!Je weet wel, ’k ben nog altijd boos!Gaan wonen hier, op zulk een plek,Waar sneeuw en ijs en winterstormEen mensch door ziel en lichaam snijdt …Brand.Niet door de ziel.De Dokter.Niet door de ziel.Zoo, niet? Och kom!’t Is waar, het ziet er haast naar uit,’t Lijkt waarlijk of je snel verbondOp hechten, vasten grondslag rust;Hoewel, zooals het spreekwoord zegt,Wat snel gebouwd wordt, snel vergaat.Agnes.Een zonnekus, een klokkenklankKan wekken soms een zomerdag.De Dokter.Vaartwel. ’k Moet naar een zieke toe.Brand.Mijn moeder?De Dokter.Mijn moeder?Ja. Gaat u soms mee?Brand.Nu niet.De Dokter.Nu niet.Wasu er al?Brand.Nu niet.Wasu er al?Nog niet.De Dokter.U is wel hard. Door wind en sneeuwKwam ik over den berg gezwoegd,Ofschoon ik weet dat er van haarGeen hongerloontje overschiet.Brand.God zeegne uw kennis en uw vlijt.Maak, als u kan, haar ’t sterven licht.De Dokter.Gods zegen op mijn wil; ik kwamZoodra ’k in nood geroepen werd.Brand.Zij zond om u; maar niet om mij;…Ik wacht, en wacht in zieleangst.De Dokter.Wacht langer niet!Brand.Wacht langer niet!Vóór ze om mij zendtHeb ik daar ginder niets te doen.De Dokter(tegen Agnes).Jij arm klein vrouwtje, toevertrouwdAan zulker harde handen macht!Brand.Ik bèn niet hard.Agnes.Ik bèn niet hard.Hij gaf zijn bloedAls ’t voor haar ziel vergifnis bracht!Brand.’k Nam als haar zoon en erfgenaamVrijwillig al haar schulden op mij.De Dokter.Delg uw eigen schuld!Brand.Delg uw eigen schuld!Voor God kanWel één de schuld van velen delgen.De Dokter.Maar niet door één, die zelf een beedlaar,Tot over de ooren steekt in schulden.Brand.Of rijk, of beedlaar;… ’kwilgeheel,…En meer dan dàt behoeft er niet!De Dokter(kijkt hem strak aan).Ja, van uw wil hetquantum satisStaat mooi en duidlijk wel geboekt,…Maar, Brand, uwconto caritatisDat is een onbeschreven blad.(af).Brand(volgt hem een oogenblik met de oogen).Geen woord werd ooit zoo neergesleurdIn leugens, als men ’tliefdedoet;…Dat leggen zij met SatanslistAls sluier over slappen wil;Bedrieglijk dekken zij daarmeeHun wuft en ijdel levensspel;Is smal het pad en glad en steil,In liefde wordt u dat verkort;Gaat men den breeden zonde-wegBlijft hoop op liefde toch bestaan,…Men ziet zijn doel, maar mijdt den strijd …Door liefde wordt ’t toch nog bereikt;En dwaalt gij, beter wetend toch,…In liefde vindt ge een toevluchtsoord!Agnes.Ja, dat ’s verkeerd, en toch ik moetMij vaak afvragen:ishet zoo?Brand.Eén ding vergeet je; eerst de wilVoldoet den dorst der wet naar recht.Eerstwillenmoet je, niet alleenWat mooglijk is in ’t groot en ’t klein,Niet enkel waar er aan de daadVeel moeite vast is en bezwaar,…Neen, willen moet men sterk en blij,Door allen schrik en angsten heen.Niet dàt is martlaarschap, in pijnAan ’t kruishout stervend te vergaan,Maar ’twillenvan dien dood aan ’t kruis,Tewillenal dien angst en nood,Tewillenal die zielepijn,Dat eerst brengt je verlossing aan.Agnes(vlijt zich dicht tegen hem aan).Komt eens voor ons de zware proef,…O spreek dàn, jij, mijn sterke man!Brand.Na zulk een zege van den wilKomt dan der liefde heerlijkheid,Dan daalt zij neer als witte duifMet een olijftak, levensboô.Maar hier, bij ’t slappe, lakse volk,Is de allerbeste liefde haat!(verschrikt).Haat! Haat! Een wereldstrijd te willenLigt in dit ééne korte woordje!(gaat haastig het huis binnen).Agnes(kijkt door de open deur).Nu knielt hij bij zijn kleinen ventEn wiegelt ’t hoofd als schreide hij;Hij drukt zich tegen ’t bedje aanAls iemand die geen uitkomst weet …O, wat een schat van liefde woontEr in die sterke manneziel!Alf heeft hij lief, dat màg, want ’t kindIs nog door zonde niet besmet.(ontzet opspringend).Op springt hij … wringt de handen … O!Wat ziet hij? Hij is doodlijk bleek!Brand(buiten op de trap).Kwam niemand nog?Agnes.Kwam niemand nog?Neen, nog geen mensch.Brand(kijkt achterom in het huis).Zijn huid is gloeiend heet en droog;Zijn slapen kloppen, polsen jagen …!Niet bang zijn, kind!Agnes.Niet bang zijn, kind!O, die gedachten!Brand.Neen, vrees maar niets …(roept over den weg).Neen, vrees maar niets …(roept over den weg).Daar zie ik iemand!Een Man(door het tuinhek).Nu moet u komen!Brand.Nu moet u komen!Daadlijk, ja!Wat is je boodschap?De Man.Wat is je boodschap?’k Weet niet recht;Zij zat in bed op, boog vooroverEn zei: ga nu den priester halen;Mijn half bezit is voor de kerkBrand(terugwijkend).Dehelftmaar! Neen! Zeg neen!De Man(hoofdschuddend).Dehelftmaar! Neen! Zeg neen!Dan zou’k Mijn boodschap niet goed overbrengen.Brand.Dehelft! Dehelft! ’t Moestalleszijn!De Man.Dat kan wel zijn; maar luid en klaarZei zij dat woord. ’k Vergis mij niet.Brand(grijpt zijn arm).Durf je op den Oordeelsdag getuigenVoor God, dat zij die woorden zei?De Man.Ja.Brand(vast).Ja.Ga, en breng dit antwoord over,…Geen priester komt, geen sacrament.De Man(kijkt hem onzeker aan).U heeft mij vast niet goed begrepen,’t Is van uwmoederdat ik kom.Brand.Ik weet van geen tweeledig rechtVoor vreemden of voor eigen volk.De Man.Dat woord is hard.Brand.Dat woord is hard.Zij weet het wel,’t Wasallesofferen ofniets.De Man.O!Brand.O!Zeg dat ’t kleinste klompje goudToch evenzeer een afgod blijft.De Man.Zoo zacht als ’k eenigszins maar kanBreng ’k haar dit geeslend antwoord over.Haar blijft tot troost dit ééne dan:Dat God niet zóó hard is als u!(af).Brand.Ja, deze troost blies vaak genoegZijn pestlucht door de wereld heen.Met jammerklacht van ach en weeSnoert men den rechter dan den mond.Natuurlijk! Zoo behoort het ook!Men kent hem immers al zoo lang;…Men weet zoo goed hoe te allen tijdDen oude zich beknibb’len laat.(De man heeft buiten op den weg een anderen ontmoet; zij komen samen terug).Brand.Nieuw bericht?Eerste Man.Nieuw bericht?Ja.Brand.Nieuw bericht? Ja.Wat dan nu?De Tweede.’t Zou negen tienden dan nu zijn.Brand.Niet alles?De Tweede.Niet alles?Neen.Brand.Niet alles? Neen.Ik zei het al:Geen priester en geen sacrament.De Tweede.Zij heeft geleden en geboet …De Eerste.Kom mee, zij is uw moeder toch!Brand(knijpt de handen samen).Ik màg niet met twee maten meten …Eén maat voor eigen volk en vreemden.De Tweede.De zieke lijdt in angst en nood,Kom, zend haar een verzoenend woord.Brand(tegen den eerste).Ga, zeg de zieke wat ’k gebood:Voor haar wijd ik noch wijn, noch brood.(De mannen gaan heen).Agnes(vlijt zich tegen hem aan).Soms beef ik voor je levenslot:Je gloeit als ’t vlammend zwaard van God.Brand(met tranen in zijn stem).Staat heel de wereld dan ook nietVijandig tegenover mij,En wondt mijn ziel ten bloede toeMet al haar koppig, laks verzet?Agnes.Zwaar zijn de eischen die je stelt.Brand.Stel, als je durft, er zachtre voor.Agnes.Meet met dien maatstaf wien je wiltEn zie ofiemandkan voldoen.Brand.Neen, dáárin heb je, eilaas, gelijk.Zoo dwars, zoo dom, zoo leeg, zoo slecht,Is ’t heele menschdom tegenwoordig.Vermaakt iemand bij wilsbeschikkingDoch ongenoemd, zijn geld en goed,Men prijst hem daadlijk hemelhoog.Neem weg den naam van menig held,Laat hem alleen wat hij volbracht,Doe keizers, vorsten ’t zelfde aanEn zie wat er dan overblijft.Laat ’n dichter uit hun kooitje heimlijkZijn schoonheidsvogels laten glippen,Dat niemand denk’ dathijhun gafEen stem en gulden veerendos …Grijp groenen of wel dorren tak:Opoff’ring vindt men bij geen een.Door alles heen ’t aardslaafsche denken;…Elk klampt in wilden angst zich vastAan ’t zwakke rankje van zijn leven.Begeeft hem dit, waar de afgrond gaapt …Klauwt hij met nagels zich nog vast.Agnes.En zulk een diep gevallen volkRoep je nog toe; hetalofniets!Brand.Wie zege wil, moet daarvoor strijden;Wie ’t diepste viel, moet ’t hoogste stijgen …(zwijgt even; met veranderde stem).En toch, wanneer ik aan een zielDen eisch stel om zich op te heffen,Is ’t mij als of ik op de golvenIn stormweer ronddreef op een wrak.Stil schreiend beet ik heimlijk vaakMijn tong stuk, die kastijden moest,…En hief tot slaan ik soms den arm,Naar een omhelzing snakt mijn ziel!…Ga nu eens kijken naar den kleine;Zing zoete droomen in zijn slaap;Een kinderziel is klaar en reinAls ’t meer in zomerzonneschijn;Een moeder kan daarover strijkenAls ’n vogel, die in lichten vlucht,Zich spiegelt in zijn diepste diep.Agnes(bleek).Wat is er, Brand, dat je gedachtenWaarheen ze ook gaan, tot hem doet keeren?Brand.O, niets. Bewaak hem maar zorgvuldig.Agnes.Geef mij een antwoord.Brand.Geef mij een antwoord.Forsch?Agnes.Geef mij een antwoord. Forsch?Neen, zacht.Brand(omarmt haar).Wie zonder schuld is, die zal leven.Agnes(kijkt hem helder aan, en zegt:)Eén ding,… màg God niet van ons eischen!(gaat het huis in).Brand(kijkt stil voor zich uit).Maar àls hij ’t deed? Wat God soms eischtLeert “Abrams offer” van weleer.(schudt die gedachte van zich af).Neen, neen! mijn offer heb ’k gebracht,’k Deed afstand van mijn levensdroom,Om als de rommelende donderDe slapers hier op aard’ te wekken.Neen! Daarin lag geen offer meer:’t Viel weg toen over was de droom,’k Door Agnes werd gewekt—om mét mijTe werken samen in ’t verborgen.(kijkt uit over den weg).Wat draalt de zieke ginder langEer zij tot boete-doen besluit,Dat alle schuld te niet zou doen,Al ’t kwaad uitdelgen van haar ziel!Wacht!… Neen, het is de baljuw maar,Welwillend, luchtig, rond, gezond,De handen in zijn beide zakken,Als haakjes om een parenthees.De Baljuw(door het tuinhek).Goên dag! Wij zien elkaar niet vaak,En ’k kom misschien wel ongelegen …Brand(wijst op het huis).Ga binnen.De Baljuw.Ga binnen.Dank u; ’t gaat hier ook;En als mijn woord maar ingang vindt,Dan denk ik stellig dat het ookWel voor ons beiden goed zal zijn.Brand.Laat hooren dan.De Baljuw.Laat hooren dan.Uw moeder moet,Naar ik verneem, haast stervend zijn;…Dat doet mij leed.Brand.Dat doet mij leed.’k Betwijfel ’t niet.De Baljuw.Het doet mij zeer véél leed.Brand.Het doet mij zeer véél leed.Welnu!De Baljuw.Maar zij is oud; en, lieve Heer,Wij gaan toch allemaal dien weg,En daar ’k nu juist voorbij hier kwam,Dacht ik zoo: ’k kon wel even gaanOm ’n enkel woord met u te spreken.Om kort te gaan, ik heb vernomenDat u met haar, sinds u hier kwam,Geleefd heeft in oneenigheid …Brand.Oneenigheid?…De Baljuw.Oneenigheid?…Men zegt dat zijErg vasthoudt aan haar eigendom.Dat gaat, vindt u misschien, wat ver.Men wil toch elk zijn eigen voordeel.Zij is in ’t onverdeeld bezitVan heel uw vaderlijke erfdeel …Brand.In ’t onverdeeld bezit … ’t is waar,De Baljuw.Zoo komt het dan allicht tot twist.En daar ik wel vermoeden kanDat u haar einde naadren zietMet groote kalmte van gemoed,Wil ’k hopen dat u zonder wrokMij hooren wil, zij dan de tijd ookNiet erg geschikt.Brand.Niet erg geschikt.Nu, of wel later.Dat komt voor mij op ’t zelfde neer.De Baljuw.Nu, dan ter zake, zonder meer.Zoodra uw moeder dood zal zijn,En rustig slaapt onder den grond,…En ’t duurt niet lang meer … wordt u rijk …Brand.Rijk, denkt u?De Baljuw.Rijk, denkt u?Denk? Neen, ’k weet het zeker.In alle hoeken heeft zij grond,Zoo ver ’t gewapend oog kan kijken.Ik zeg u, rijk!Brand.Ik zeg u, rijk!Ook na de scheiding?De Baljuw(glimlacht).Wat zoudiehier? Er valt te scheidenWaar vele erfgenamen zijn:Maar hier wordt niemands deel bedreigd.Brand.En als nu toch eens iemand kwamEn van haar goed zijn erfdeel vroeg,En zei:mijkomt het rechtens toe?De Baljuw.Dat moest de duivel zelf dan zijn!Ja, kijk mij nu maar aan … geen menschHeeft ’n enkel woord hierin te spreken;Vertrouw mij maar; ’k ben op de hoogte.Zoo is ’t dus; u wordt welgesteld,Een rijk man zelfs; in dezen uithoekHoeft u dus waarlijk niet te blijven;Voor u staat open ’t heele land.Brand.Zoo. Is eigenlijk dier woorden zinIn ’t kort nietdit: trek elders heen?De Baljuw.Zoowat. Dat waar’ misschien het besteVoor iedereen. Als u aandachtigDe menschen gâ slaat, voor wie uDe tolk is van Gods heilig woord,Moet u toch zien, hoe u hier tusschenPast als een wolf in een troep ganzen.Begrijp mij goed! U heeft de gavenOm nut te stichten in het groot.Maar voor dit volk van bergbewoners,Als vastgegroeid tusschen hun rotsen,Sticht u, dunkt mij meer kwaad dan goed.Brand.Wat wortels voor een boom zijn, isVoor een man ’t geboortedorp;…Zoo hij dáár niet zijn werkkring vindt,Is wat hij uitvoert niet veel zaaks.De Baljuw.In de eerste plaats komt ’t er op aanMet ’s lands behoefte mee te gaan.Brand.Maar die vertoont zich van de hoogteNiet zoo, als in ’t benauwde dorp.De Baljuw.Dat is taal voor verlichte menschen,Niet voor de arme dalbewoners.Brand.Och wat, u met dat grensverschilVan bergen en het lage land!U wil de rechten van den rijke,Maar aan zijn plichten u onttrekken;En denkt, als u maar hardop roept:Wij zijn maar arm! dan is ’t genoeg.De Baljuw.Er is een tijd voor alle dingen,En elk geslacht heeft eigen plicht.Ons dorp droeg ook eens bij zijn scherfjeTot der geschiedenis groote kas.Dat was, natuurlijk, lang geleden;Maar zoo héél klein was ’t scherfje niet.Nu is het dorp maar onbeduidend,Toch leeft zijn roem in sagen voort;Zijn vroegre grootheidsdagen vallenIn koning Beles’ levenstijd;…Nog hoort men menigmalen noemenDe dappre broeders Wolf en Thor;Met vele wakkre mannen, dieNaar Bretlands kust heentogen omAl plundrend af te loopen ’t land.Het Zuiden kreet, verstijfd van schrik,God, help ons tegen hun geweld!En die geweldnaars waren tochOntwijfelbaar echt, lui van hier.En hoe zij zich dan konden wrekenMet moord en doodslag, brand en plundring!Ja, één is er, van wien de sageVertelt dat hij ten kruistocht wou;…Doch dat hij uittoog meldt men niet …Brand.Er stamt voorzeker van dien heldEen heele bende zoons?De Baljuw.Een heele bende zoons?Jawel;Maar hoe weet u …?Brand.Maar hoe weet u …?O, omdat mijDie heldentroep bekend voorkomt,Belofte-helden van het heden,Die ook zoo’n kruistocht ondernemen.De Baljuw.Ja, dat geslacht is uitgebreid.Maar bij vorst Beles waren wij!Eerst dus geraasd in ’t vreemde land;Toen brachten wij aan bloedverwantEn buur, met bijlslagen bezoek.Het veld vertrapt, de oogst verwoest,In brand gestoken kerk en huis,Zoo vlochten we ons een heldenkrans.Op al het toen vergoten bloedWerd later wel wat veel gesnoefd.Maar, na wat ik nu heb gezegdGeloof ik, met bescheidenheid,Op onze macht te mogen wijzenIn heldentijden, lang geledenEn zeggen dat ons dorp eertijdsZijn deel bijdroeg met vuur en zwaard,Tot der ontwikling worstelstrijd.Brand.Toch lijkt ’t mij dat u pleegt verraadAan ’t woord: dat adeldom verplicht,…Alsof met egge, hak en ploegU Beles’ erfgoed stil begraaft.De Baljuw.In geenen deele. Kijk maar eensBij een gemeentelijk diné,Waar ik, de koster en de rechterOp eereplaatsen mee aanzitten.Dan zal u zien, als komt de punch-bowl,Dat Beles nog niet is vergeten.Met klinken, heildronken, gezang,In toasten kort en toasten lang,Gedenkt men hem, laat men hem leven.Ik zelf heb vaak den drang gevoeldIn mij, om van gedachtenspinselVoor hem te weven ’n bloemrijk kleed,En dat heeft menigeen gesticht.Ik houd wel van wat poëzie.Dat doen wij trouwens allemaalHier in ons dorp;… doch steeds met mate …Hetlevenmag die nooit beheerschen,…Alleen zoo tusschen acht en tienUur ’s avonds, als men moe van ’t werk,En vrij weer van de daagsche taak,Naar wat verheffing wel verlangt.Wat u van ons verschillen doetIs dat u ploegen wil en maaienTerzelfder stond, en met geweld.U wil, zoo meen ik te begrijpen,Dat één zijn zal idee en leven,…U wil, met ’t zwoegend land-bebouwenDen strijd voor God vereenigd zien,Zóó innig één, als kool, salpeter,En zwavel zich tot kruit vereent.Brand.Zoo ongeveer.De Baljuw.Zoo ongeveer.Maar dat ’s onmooglijk.In wijder kringen gaat dat beter;…Ga daarheen met uw hooge eischenEn laat ons land en zee beploegen.Brand.Ploeg allereerst in zee maar onderUw pralen op den roem der vaad’ren;Een dwerg wordt er niet grooter doorOf hij al stamt van Goliath.De Baljuw.Er ligt kracht in herinneringen.Brand.Ja … als zij één met ’t leven worden,Maar u gebruikt hun graf alleenOm eigen traagheid te verstoppen.De Baljuw.Mijn eerste blijft mijn laatste woord;…U deed het best met heen te gaan.Hier zal uw arbeid niet gedijen;Uw levensleer wordt niet begrepen.Verheffing, die soms noodig zijn kan,Het beetje troost dat hij behoeft,Die dag aan dag in arbeid zwoegt,Zalikhun voortaan trouw bezorgen.Gedurende mijn heele loopbaanHier, deed ik steeds mijn plicht;Het volksaantal is ruim verdubbeld,Ja, het staat haast als drie tot een,…Terwijl ik meer dan één bedrijfAan deze fjord-streek heb verbonden.In strijd altijd met ’t ruw klimaat,Zijn we als met stoom vooruit gegaan:…Hier loopt een weg, daar ligt een brug..Brand.Maar tusschen g’loof en leven niet …De Baljuw.Die fjord en gletschersneeuw verbindt.Brand.Maar niet de daad met de idee.De Baljuw.Eerst zorgen voor een goed verkeer,Dat men elkaar bereiken kan,…Daarover waren allen ’t eensEer u, als leeraar, hierheen kwam.U heeft in ons vaal schemerlichtEen Noorderlichtschijn hel doen flikk’ren;Wie kan in ’t valsche licht nu zienWat er verkeerd is en wat goed,Wat straf is, en wat boete of smart?U heeft het àl dooreen gehaspeld;En ’t volk, dat één, moest overwinnen,Gesplitst in twee vijand’ge kampen.Brand.Toch blijf ik hier, uw wensch ten trots.Men kiest de plaats niet voor zijn werk.Hij, die zijn doel voor oogen heeftZag eens in vuur’ge letters staan,Het Godswoord:hieris uwe plaats!De Baljuw.Blijf dan, maar binnen eigen grenzen;Ik zie u graag de menschen zuivrenVan zonde en kwaad, als voorkomt hier;God weet dat ’t dikwijls noodig is!Maar maak van iedren arbeidsdagGeen Zondag,… en vertoon geen vlagAlsof God zelf was mee aan boordOp ieder jacht in onze fjord.Brand.Kon ’k mij uw raad ten nutte maken,Zou ik mijn ziel moeten verzaken.Maar ’t geldt hier juist zich zelf te wezen,Zijn eigen roeping te volbrengen,En dat zal ’k doen ten einde toe,Dat om mijn huis een lichtschijn straal!Dit volk, dat ingedommeld isDoor uw bestuur, wek ik weer op!Al lang is hem, door nood en dwang,Zijn laatste oerkracht afgekweld;Uit uwer kleinheid hongerkuurKomt elk te voorschijn mat en slap;Zijn beste bloed is afgetapt,Het merg geschraapt hem uit zijn moed;Aan flarden iedre ziel gescheurd,Die pal als brons had moeten staan;Maar nog kan wel een oproerskreetU in de ooren dondren: strijd!De Baljuw.Strijd?Brand.Strijd?Strijd!De Baljuw.Strijd? Strijd!Als u hen roept te wapenZal u als eerste offer vallen!Brand.Eens zal ’t wel blijken zonneklaarDat nederlaag hier zege was!De Baljuw.Bedenk je, Brand, je staat op ’t kruispunt:Zet alles niet op ééne kaart.Brand.Toch zal ik ’t doen!De Baljuw.Toch zal ik ’t doen!Wordt ’t spel verloren,Dan is uw leven ook verwoest.U heeft al wat u kan begeeren,Is de erve van een rijke moeder,U heeft een kind om voor te leven,Een lieve vrouw;… geluk en vreugdeWordt u met milde hand gereikt!Brand.En als ’k nu toch den rug toekeerAan wat u noemt geluk en vreugde?Als ik numoet?De Baljuw.Als ik numoet?’t Is al verlorenAls u, in dezen uithoek hier,Uw wereldstrijd beginnen wil.Trek zuidwaarts naar de rijke stranden,Waar ’n man geheel zich zelf kan wezen.Dáár kan uw licht u laten schijnenEn de gemeente laten bloeden;Onsoffer is geen bloed, maar zweet,In broodstrijd tusschen rots en ijs.Brand.Hier blijf ik toch. Hier is mijn thuis,En van mijn thuis uit voer ik strijd.De Baljuw.Denk wat op ’t spel staat als het misloopt;…En allermeest wat u laat varen!Brand.Mijzelf verlies ik, als ’k mocht wijken.De Baljuw.Brand, vruchtloos strijdt een eenzaam strijder.Brand.Mijn troep is sterk; ik heb debesten.De Baljuw(glimlacht).Wel mooglijk, ja … maar ik demeesten.(af).Brand(kijkt hem na).Daar gaat een volbloed volksman, heelRechtschapen denkend, heel welwillend,Op zijn wijs werkzaam, warm en billijk …En toch een geesel voor zijn land.Geen aardverschuiving, storm of vloed,Geen hongersnood, geen vorst of pest,Bewerkt er half het ongelukAls zoo een doet, jaar-in, jaar-uit.Die rampen deren maar hetleven;…Maar hij …! Hoeveel blijmoedig willen,Hoeveel gedachten dooft hij uit,Hoe menig krachtig lied versmoort erDoor zulk benauwd, kleinzielig doen!Hoe menig glimlach om de lippen,Hoe menig lichtstraal in een ziel,Hoeveel verheffings-vreugd en smart,Heeft hij verstard, gedoofd, gedood!(plotseling angstig).Waar blijft de bode!.., komt er niemand?Ja, de dokter!(snelt hem te gemoet).Ja, de dokter!Mijn moeder? Spreek!De Dokter.Nu staat zij eindlijk voor haar rechter.Brand.Dood!… Boetvaardig?De Dokter.Dood!… Boetvaardig?Dat g’loof ik niet;Zij hing aan ’t hare hier op aard’Totdat het uur van scheiden sloeg.Brand(kijkt stil bewogen voor zich uit).Is hier ’n verdoolde ziel verloren?De Dokter.Misschien is wel het oordeel zacht,Niet volgens recht, maar bij genade.Brand(zacht).Wat zei zij nog?De Dokter.Wat zei zij nog?Zij mompelde:God is zóó hard niet als mijn zoon!Brand(zinkt in droefheid neer op de bank).Met schuld belast, in stervensnood,Klampt aan die leugen elk zich vast!(verbergt zijn gezicht in de handen).De Dokter(komt naderbij, kijkt hem aan en schudt het hoofd).U wil een lang vervlogen tijdIn alles weer herleven doen.U g’looft nog dat ’t aloud verbondVan God en menschen nog bestaat;…Maar elk geslacht heeft eigen wijs;Het ònze vreest niet meer de hel,Verdoemenis en bakerpraat;…Het hoofdgebod is: wees humaan!Brand(kijkt op).Humaan! Ja, juist, dat slappe woordKlinkt door de heele wereld heen!Daarmee slaat iedre hals je doodAls hij niet durft, of kan of wil;Daarmee omhult zich iedre stumperAls hij nietallesdurft te wagen;Daardoor beschermd verbreekt menthansIedre gelofte alras betreurd;…Gij dwergenzielen maakt ten slotVan ieder mensch een humanist!Was jegens Christus God humaan?Had toenuwGod ook geregeerdWaar’ Jezus niet aan ’t kruis genageld.…En heel ’t verzoeningswerk werd danEen handig diplomatenstukje!(verbergt het hoofd en zit neer in stomme smart).De Dokter(zacht).Raas uit, raas uit, o ziel in opstand;…Het beste waar’ dat je kon schreien.Agnes(is op de trap verschenen, bleek en angstig, fluistert zij tegen den dokter).Och toe! Kom mee!De Dokter.Och toe! Kom mee!Je maakt mij angstig,Wat is er kind?Agnes.Wat is er kind?Een koude doodsangstSloeg mij zoo even om het hart …!De Dokter.Wat is er?Agnes(trekt hem mee).Wat is er?Kom!… het kind, o God!(zij gaan het huis in; Brand bemerkt het niet).Brand(stil in zich zelf).Dood, onverzoend. Dood, als zij leefde.Is dat geen vingerwijzing Gods?Van mij wil hij den tol nu heffen,Dien zij verzuimd heeft te betalen;…Nu driewerf wee mij, als ik wijk!(staat op).Onwankelbaar van nu af aan,Als uitverkoren strijder kampen,Dat geest verwinnen moog’ het vleesch.God gaf mijn tong de kracht van ’t woord,Ontstak zijn toorngloed in mijn ziel;…Nu sta ik in mijn volle macht,Nu durf, nu kan ik rotsen breken!De Dokter(gevolgd door Agnes, komt snel de trappen af en roept).Ruim op je boel en trek er uit!Brand.Al beefde de aard’ toch bleef ik hier!De Dokter.Dan is je kind ten dood gedoemd.Brand(ontzet).Alf! ’t Kind! Mijn Alf! Wat meent u toch?Welk spook bedreigt mijn kind!(wil het huis in).De Dokter.Welk spook bedreigt mijn kind!Neen, blijf!…Hier is geen licht, hier is geen zon,De lucht is scherp als Noordpoolwind,…Hier hangt een nevel klam en zwaar;…Eén winter nog op deze plekEn ’t teere leven is verwelkt.Vertrek, dan is uw kind gered;Maar doe het gauw, liefst morgen al.Brand.Van daag, van avond nog, terstond!O, hij wordt sterk weer en gezond;…Geen gletschersneeuw, geen scherpe wind,Zal meer zijn borstje kwellen hier.Kom, Agnes, neem hem zachtjes op!Dan vluchten wij in aller ijl!O, Agnes, ’t is de dood die spintZijn valen sluier om ons kind!Agnes.Wel vreesde en beefde ik voor gevaar,…Toch waande ik het niet zoo nabij.Brand(tegen den dokter).Vlucht kan hem redden? Dat bezweert u?De Dokter.Een leven dat door vaderliefdeWordt welbewaakt, loopt geen gevaar.Wijd u aan hem, en vrees maar niet,Dra wordt hij weer gezond en frisch.Brand.Dank! Dank!(tegen Agnes).Dank! Dank!Pak hem vooral goed in;De avondwind waait langs de fjord.(Agnes gaat het huis in).De Dokter(neemt Brand zwijgend op, die onbewegelijk door de deur naar binnen kijkt, gaat dan naar hem toe, legt de hand op zijn schouder, en zegt:)Voor ’t arme menschdom onbarmhartig,En voor zichzelf zoo heel teerhartig!Voor andren geldt nietveelofweinig,…Alleen hetallesdan, ofniets;Maar eigen moed is ras geweken,Zoodra het lot als offerlamZijn eigen schat heeft aangewezen.Brand.Wat wil u zeggen?De Dokter.Wat wil u zeggen?Harde woordenHeeft u uw moeder toegebulderd,Verdoemd, als alles zij niet gaf,Als naakt zij niet daalde af in ’t graf.En ’t zelfde woord klonk menigmaalWaar veel en diep geleden werd!Nú drijft uw eigen boot in stormOp noodlotsgolven rond in zee,Nu werpt van de omgeslagen kielU snel den schuldbrief over boord,…Weg, over boord, het zware boek,Waarmee u zelf de broeders sloeg;Nu is de zaak, in stijve briesTe zoeken heil voor eigen telg.Snel weg van hier, van storm en fjord,…Snel weg zelfs van uw moeders lijk,…Snel weg van zielezorg en werk;…Nu staakt de priester zijn bedrijf!…Brand(grijpt in vertwijfling naar zijn hoofd om zijn gedachten te verzamelen).Ben ik nù blind? Wàs ik het eerst?De Dokter.U doet als vader stellig goed.Denk niet dat ’k afkeur wat u doet;…Voor mij is u, gebroken nu,Veel grooter dan de sterke held …Vaarwel! Ik hield u vóór den spiegel;Kijk er eens in, en zucht: mijn God,Zoo ziet een Godsgetuige er uit!(af).Brand(staart een oogenblik voor zich uit, barst dan plotseling uit).Waar tastte ik mis? Nu, of te voren?!(Agnes komt de deur uit met een mantel om de schouders en het kind op haar arm; Brand ziet haar niet. Zij wil spreken maar blijft als verlamd van schrik staan, als zij de uitdrukking van zijn gezicht ziet. Op hetzelfde oogenblik komt er een man haastig door het tuinhek binnen. De zon gaat onder).De Man.Brand, hoor, u heeft een vijand hier!Brand(drukt de handen op zijn borst).Ja,hier!De Man.Ja,hier!Wees voor den Baljuw op uw hoede.Al vruchtbaar werd uw werken hier,Tot hij ’t vergiftigde met praatjes!Al dikwijls heeft hij uitgestrooidDat gauw uw huis wel leeg zou staan,…Zei dat u ons zou gaan verlaten,Zoodra uw rijke moeder stierf.Brand.En als ’t zoo was?De Man.En als ’t zoo was?Ik ken u immersEn weet waarom hij dat vertelt;U staat toch tegenover hem,Heeft voor zijn wil nog nooit gebogen …Dàt is de reden van zijn wrok …Brand(weifelend).Misschien dat hij de waarheid zei.De Man.Dan heeft dusuons steeds belogen?…Brand.Ik?De Man.Ik?Ja. Heeft u ons niet gezegdDat God zelf u verkoren hadOm hier te wonen onder ons;Dat u uw strijd hier voeren zou,Dat niemand mag zijn taak verzaken,Dat hij moet staan, maar nimmer wijken?Die taak is de uwe! Warm en lichtGloort al uw vuur in menig borst.Brand.Neen, ’t oor der menigte is doof;Haast ieders ziel is dof en loom!De Man.U weet wel beter;… ’t hemelsch lichtBreekt hier in meen’ge ziel al door.Brand.Maar in de meesten is ’t nog nacht.De Man.U is als ’t licht dat schijnt bij nacht.Doch laat het wezen zoo het wil;Het komt hier niet op tellen aan;Want hier sta ik, een eenig man,En zeg: ga heen dan als u kan!Mijn ziel is vol, al weet ik weinigVan alles wat staat in de boeken,U heeft uit ’t niet mij opgeheven,…Zie of u nu mij los mag laten!U kan het niet; ik houd u vast;’k Verloor mijn ziel, gaf ’k prijs mijn greep!…Vaarwel! ’k Verwacht getroost ’t bericht!Noch u, noch uw God laat mij los!(af).Agnes(schuchter).Je wang is wit, je mond is bleek,Alsof je pijn hadt in je ziel.Brand.Elk klinkend woord dat ’k eertijds sprakSlaat als een echo nu terug.Agnes(komt een stap nader).Ik ben bereid.Brand.Ik ben bereid.Bereid? Waartoe?Agnes(met kracht).Tot wat een moeder mag en wil!(Gerd loopt voorbij op den weg en blijft bij den tuinmuur staan).Gerd(klapt in de handen en roept wild en blij:)Hoorde je ’t al? Weg vloog de priester!…Uit de bergen, op de rotsenWemelt het van bergkabouters,Zwarte, woeste, groot en klein,…Hoeh, wat sloeg de bende d’r op …!Rukten de oogen mij haast uit,Half mijn ziel viel hun ten buit;…Och, ’k kan ’t met de helft wel stellen’k Heb van ’t wrak genoeg nog over!Brand.Kind, je raaskalt, zie je nietDat ik hier vlak vóór je sta?Gerd.Jij? Jawel, maar niet de priester!Van den Zwarten Top mijn havikVloog rechtuit, de helling langs,Boos en wild, met tuig en zadel,Sneed hij blazend d’ochtendwind;En een man zat op zijn rug …Dat was hij, dat was de priester!Nu staat leeg de kerk van ’t dorp,’t Slot dicht en de boom er voor.’t Is gedaan met ’t nare kerkje,En nu komt mijn kerk tot eere,Waar mijn priester preekt en zingt,Sterk en groot, in ’t witte miskleedDoor den wintervorst geweven;…Wil je ’m zien? Kom dan maar mee,Woorden spreekt mijn priester, dieKlinken heel de wereld door!Brand.Ong’lukskind, wou je mij lokkenMet verdwaasde afgoderijen?Gerd(komt het tuinhek in).Wat zijn dat, afgoderijen?’n Afgod? O, ik weet het al;Somtijds groot en somtijds klein;Altijd goud en mooi en kleurig.’n Afgod! Hoor eens, zie je háár daar?Kan je onder ’t kleed herkennenKinderhandjes, kinderbeenen?Zie je niet hoe mooi en kleurigAl die windsels iets omhullen?’t Lijkt een kind dat rustig slaapt,Angstig wijkt zij … dekt het toe!’n Afgod? Man, dàt is een afgod!Agnes(tegen Brand).Heb jij tranen en gebeden?Angst heeft ’t àl bij mij verjaagd!Brand.Agnes,… wee! Ik meen te voelenDat een hoogre macht haar zond!Gerd.Hoor nu, alle klokken luidenBoven op den wilden top!Kijk eens wat een troep daar heen trekt,Naar mijn kerk in ’t ijsgewelf!Zie je wel al die kabouters,Die de priester joeg in zee?Zie je wel die dwergen allen,Die tot nu begraven lagen?En den steen had hij verzegeld.Zee noch graf kan hen meer houden,Zie ze koud en kil krioelen;…Kindren, schijndood, zie ik schreien,Van zich wentlen rotssteenblokken.Vader! Moeder! schreeuwen zij!Mannen, vrouwen schieten toe.Kijk, de dorper loopt in ’t middenVan een heelen stoet van zonen;En zijn vrouw legt ’t doode kindjeAan haar borst om het te laven;…Nooit nog droeg zoo hoog zij ’t hoofdToen zij hield het kind ten doop.Priester weg … toen kwam er leven!Brand.Wijk van mij! Ik zie welhaastErger spoken …Gerd.Erger spoken …Hoor! Hij lacht,Hij, die aan den weg daar zit,Hij, die opstijgt naar den top,En hij schrijft er in zijn boekIedre ziel die opwaarts toog;…Ha, hij heeft ze bijna allen;’t Kerkje staat ginds immers leeg,’t Slot dicht en de boom er voor,…Op den havik vlood de priester!(springt over het tuinmuurtje en verdwijnt tusschen de rotsen).(een stilte).Agnes(komt nader en zegt gedempt:)Laat ons gaan; nu is het tijd.Brand(staart haar aan).Waarheen gaan wij?(wijst eerst op het tuinhek, dan op de huisdeur).Waarheen gaan wij?(wijst eerst op het tuinhek, dan op de huisdeur).Daar?… of daar?Agnes(wijkt verschrikt achteruit).Brand, je kind!…Brand(volgt haar).Brand, je kind!…Wat was ik eerderZeg mij, dienaar Gods of vader?Agnes(wijkt verder terug).Al stelde mij God zelf die vraag …Beslissen zal ik nimmermeer!Brand(volgt haar weer).Spreek als moeder: màg ik gaan?Jij hebt hier het laatste woord!Agnes.’k Ben je vrouw, mocht je bevelen,Zal ’k gehoorzaam zijn en buigen.Brand(wil haar arm grijpen).Neem dien kelk der keus van mij!Agnes(wijkt achter den boom).Dan zou ik geen moeder zijn!Brand.’n Oordeel ligt er in dat woord!Agnes(met kracht).Vraag je zelf af: hèb ik keus?Brand.Sterker nog het oordeel klinkt!Agnes.Voel je je als door God verkoren?Brand.Ja!(grijpt haar hand vast).Ja!En nu moet jij ook zeggen’t Woord van leven of van dood!Agnes.Ga den weg, dien God gebiedt!(Pauze).Brand.Laat ons gaan; nu is het tijd.Agnes(toonloos).Welken weg dan?Brand(zwijgt).Agnes(wijst naar het tuinhek en vraagt).Welken weg dan?Dien?Brand(wijst naar de huisdeur).Welken weg dan? Dien?Neen,… dien!Agnes(heft het kind in haar armen hoog omhoog).God! Dit offer dat gij eischtHef ik trotsch ten hemel op!Leid mij nu door ’s levens nacht!(gaat naar binnen).Brand(staart een poos voor zich uit, barst in tranen uit, slaat de handen boven zijn hoofd in elkaar, laat zich op de trap neervallen en roept uit:)Jezus! Jezus! Geef mij licht!EINDE VAN HET DERDE BEDRIJF.

Drie jaar later. Een klein tuintje door steenen ommuurd bij de pastorie gelegen aan den voet van een hoogen bergrug. De fjord ligt nauw en ingesloten op den achtergrond. De huisdeur opent in den tuin. Namiddag.

Brand staat op de trap voor het huis. Agnes zit op een lagere tree.

Agnes.Mijn lieve man, alweder dwaaltJe oog zoo angstig naar de fjord …

Agnes.

Mijn lieve man, alweder dwaalt

Je oog zoo angstig naar de fjord …

Brand.Ik wacht bericht.

Brand.

Ik wacht bericht.

Agnes.Ik wacht bericht.Je bent onrustig!

Agnes.

Ik wacht bericht.Je bent onrustig!

Brand.Van moeder wacht ik steeds bericht.Drie jaar heb ik nu al vertrouwendBericht gewacht, dat nooit nog kwam.En morgen zoo werd mij gezegd,Is mooglijk wel haar uur geslagen.

Brand.

Van moeder wacht ik steeds bericht.

Drie jaar heb ik nu al vertrouwend

Bericht gewacht, dat nooit nog kwam.

En morgen zoo werd mij gezegd,

Is mooglijk wel haar uur geslagen.

Agnes(zacht en liefdevol).Je moest maar op geen boodschap wachten.

Agnes(zacht en liefdevol).

Je moest maar op geen boodschap wachten.

Brand(hoofdschuddend).Berouwt zij hare zonden nietDan heb ik ook geen woord van troost.

Brand(hoofdschuddend).

Berouwt zij hare zonden niet

Dan heb ik ook geen woord van troost.

Agnes.Zij is je moeder.

Agnes.

Zij is je moeder.

Brand.Zij is je moeder.En zou ik daaromIn haar afgoderij aankweeken?

Brand.

Zij is je moeder.En zou ik daarom

In haar afgoderij aankweeken?

Agnes.Brand, je bent hard!

Agnes.

Brand, je bent hard!

Brand.Brand, je bent hard!Voor jou?

Brand.

Brand, je bent hard!Voor jou?

Agnes.Brand, je bent hard! Voor jou?O, neen!

Agnes.

Brand, je bent hard! Voor jou?O, neen!

Brand.’k Voorzei je een weg vol moeilijkheid.

Brand.

’k Voorzei je een weg vol moeilijkheid.

Agnes(glimlacht).Het sloeg niet in; je hieldt geen woord.

Agnes(glimlacht).

Het sloeg niet in; je hieldt geen woord.

Brand.Jawel, het is hier scherp en koud;Je wangen worden smal en bleek;Je bent te teer voor dit klimaat.Niets kan gedijen om ons huis,Dan ijs en sneeuwval, rots en gruis.

Brand.

Jawel, het is hier scherp en koud;

Je wangen worden smal en bleek;

Je bent te teer voor dit klimaat.

Niets kan gedijen om ons huis,

Dan ijs en sneeuwval, rots en gruis.

Agnes.Zooveel te veil’ger ligt het hier.Zóó ver reikt al de gletscher nuDat hij in ’t voorjaar, voortgestuwdNaar ’t dal, over ons dak heenschrijdt,En ongedeerd ons huis blijft staan,Als in een welvend waterhol.

Agnes.

Zooveel te veil’ger ligt het hier.

Zóó ver reikt al de gletscher nu

Dat hij in ’t voorjaar, voortgestuwd

Naar ’t dal, over ons dak heenschrijdt,

En ongedeerd ons huis blijft staan,

Als in een welvend waterhol.

Brand.En ’t zonlicht dat nooit reikt tot hier.

Brand.

En ’t zonlicht dat nooit reikt tot hier.

Agnes.Dat danst daar toch zoo warm en blijEn tintlend op den bergrug ginds.

Agnes.

Dat danst daar toch zoo warm en blij

En tintlend op den bergrug ginds.

Brand.Drie weken, ja … als ’t zomer is,…Maar zelfs zijn voet bereikt het nooit.

Brand.

Drie weken, ja … als ’t zomer is,…

Maar zelfs zijn voet bereikt het nooit.

Agnes(kijkt hem strak aan, staat op en zegt:)Er is iets dat je angstig maakt!

Agnes(kijkt hem strak aan, staat op en zegt:)

Er is iets dat je angstig maakt!

Brand.Neen, jou!

Brand.

Neen, jou!

Agnes.Neen, jou!Neen jou!

Agnes.

Neen, jou!Neen jou!

Brand.Neen, jou! Neen jou!Je hebt een angst,’n Geheimen angst.

Brand.

Neen, jou! Neen jou!Je hebt een angst,

’n Geheimen angst.

Agnes.’n Geheimen angst.En jij ook, Brand!

Agnes.

’n Geheimen angst.En jij ook, Brand!

Brand.Je duizelt, als voor ’n diep ravijn!Spreek toch! Wat is ’t?

Brand.

Je duizelt, als voor ’n diep ravijn!

Spreek toch! Wat is ’t?

Agnes.Spreek toch! Wat is ’t?Ik beef somtijds …(houdt op).

Agnes.

Spreek toch! Wat is ’t?Ik beef somtijds …(houdt op).

Brand.Je beeft! Voor wie dan wel?

Brand.

Je beeft! Voor wie dan wel?

Agnes.Je beeft! Voor wie dan wel?Voor Alf.

Agnes.

Je beeft! Voor wie dan wel?Voor Alf.

Brand.Voor Alf?

Brand.

Voor Alf?

Agnes.Voor Alf?Brand, jij ook!

Agnes.

Voor Alf?Brand, jij ook!

Brand.Voor Alf? Brand, jij ook!Somtijds, ja!Maar neen, dat doet God ons niet aan!God is toch goed! Mijn kleine ventGroeit sterk en flink er wel doorheen.Waar is hij nu?

Brand.

Voor Alf? Brand, jij ook!Somtijds, ja!

Maar neen, dat doet God ons niet aan!

God is toch goed! Mijn kleine vent

Groeit sterk en flink er wel doorheen.

Waar is hij nu?

Agnes.Waar is hij nu?Hij slaapt.

Agnes.

Waar is hij nu?Hij slaapt.

Brand(kijkt naar binnen).Waar is hij nu? Hij slaapt.Och, kijk,Hij droomt niet van ellende en smart;Zijn handje is mollig, dik en rond.

Brand(kijkt naar binnen).

Waar is hij nu? Hij slaapt.Och, kijk,

Hij droomt niet van ellende en smart;

Zijn handje is mollig, dik en rond.

Agnes.Maar bleek.

Agnes.

Maar bleek.

Brand.Maar bleek.Ja, bleek; maar dat gaat over.

Brand.

Maar bleek.Ja, bleek; maar dat gaat over.

Agnes.Wat ligt hij rustig nu te slapen.

Agnes.

Wat ligt hij rustig nu te slapen.

Brand.God zegen je! Slaap je gezond!(sluit de deur).Met jou en hem, kwam vrede en licht,Verlichtend al mijn daaglijksch werk.Wat moeilijk was, elk droevig uur,Werd met je beiden licht en blij.Bij jou ontviel mij nooit de moed,En kracht gaf mij zijn kinderspel.Als martlaar nam ’k mijn roeping op,Maar zie, hoe ’t al zich heeft gekeerd,Hoe nu ’t geluk schijnt op mijn pad …

Brand.

God zegen je! Slaap je gezond!

(sluit de deur).

Met jou en hem, kwam vrede en licht,

Verlichtend al mijn daaglijksch werk.

Wat moeilijk was, elk droevig uur,

Werd met je beiden licht en blij.

Bij jou ontviel mij nooit de moed,

En kracht gaf mij zijn kinderspel.

Als martlaar nam ’k mijn roeping op,

Maar zie, hoe ’t al zich heeft gekeerd,

Hoe nu ’t geluk schijnt op mijn pad …

Agnes.Ja, Brand, jij bent ’t geluk ook waard,Je hebt gestreden en ontbeerd,Geduld, geleden, je afgetobd;’k Weet dat je, stil, vaak hebt geschreid …

Agnes.

Ja, Brand, jij bent ’t geluk ook waard,

Je hebt gestreden en ontbeerd,

Geduld, geleden, je afgetobd;

’k Weet dat je, stil, vaak hebt geschreid …

Brand.’t Is zoo … maar alles leek mij licht;Met jou trok hier de liefde binnen,Als warme voorjaars-zonneschijn.Die had ik nooit nog leeren kennen,Noch vader gaf mij die, noch moeder.Liefst doofden zij het enkle sprankjeDat nu en dan uit de asch opglom.Het was of al de schat van warmte,Die ’k stil verborgen in mij droeg,Was opgespaard tot glorieschijn,Om hem en jou, mijn lieve vrouw!

Brand.

’t Is zoo … maar alles leek mij licht;

Met jou trok hier de liefde binnen,

Als warme voorjaars-zonneschijn.

Die had ik nooit nog leeren kennen,

Noch vader gaf mij die, noch moeder.

Liefst doofden zij het enkle sprankje

Dat nu en dan uit de asch opglom.

Het was of al de schat van warmte,

Die ’k stil verborgen in mij droeg,

Was opgespaard tot glorieschijn,

Om hem en jou, mijn lieve vrouw!

Agnes.Niet om ons beide alleen … om allenDie nu tot de onzen hier behooren;Wie droevig is, in nood verkeert,Wie lijdt of schreit, ’t zij vrouw of kind,Een ieder wordt gelaafd, gesterkt,Door wat hun biedt je rijke ziel.

Agnes.

Niet om ons beide alleen … om allen

Die nu tot de onzen hier behooren;

Wie droevig is, in nood verkeert,

Wie lijdt of schreit, ’t zij vrouw of kind,

Een ieder wordt gelaafd, gesterkt,

Door wat hun biedt je rijke ziel.

Brand.Maar toch door jou en hem. Den geestVan goedheid, zachtheid, bracht je mij.Geen ziel kan allen liefde geven,Die niet één enkle liefhad eerst;’k Moest zóó lang smachten en ontberen,Dat heel mijn hart werd als een steen …

Brand.

Maar toch door jou en hem. Den geest

Van goedheid, zachtheid, bracht je mij.

Geen ziel kan allen liefde geven,

Die niet één enkle liefhad eerst;

’k Moest zóó lang smachten en ontberen,

Dat heel mijn hart werd als een steen …

Agnes.En nòg … je liefde is nog niet zacht;Je liefkoozing wordt vaak een slag.

Agnes.

En nòg … je liefde is nog niet zacht;

Je liefkoozing wordt vaak een slag.

Brand.Voor jou ook, Agnes?

Brand.

Voor jou ook, Agnes?

Agnes.Voor jou ook, Agnes?Neen, mijn liefste;Licht was wat jij mij gaf te dragen;…Maar menigeen, verliet je al,Om ’t:nietsofalles, dat je eischt!

Agnes.

Voor jou ook, Agnes?Neen, mijn liefste;

Licht was wat jij mij gaf te dragen;…

Maar menigeen, verliet je al,

Om ’t:nietsofalles, dat je eischt!

Brand.Wat er zoo liefde wordt genoemd,Dat wil ik niet en ken ik niet.Gods liefde ken ik maar alleen,En die is zoomin week als zacht;Die is als doodsverschrikking hard,En als die liefkoost wordt ’t een slag.Welk antwoord gaf God in den hof,Toen hem zijn zoon in doodsangst bad:Neem weg dien drinkbeker, mijn God!Ontnam hij hem dien smartkelk toen?Neen, kind, hij heeft dien gansch geledigd.

Brand.

Wat er zoo liefde wordt genoemd,

Dat wil ik niet en ken ik niet.

Gods liefde ken ik maar alleen,

En die is zoomin week als zacht;

Die is als doodsverschrikking hard,

En als die liefkoost wordt ’t een slag.

Welk antwoord gaf God in den hof,

Toen hem zijn zoon in doodsangst bad:

Neem weg dien drinkbeker, mijn God!

Ontnam hij hem dien smartkelk toen?

Neen, kind, hij heeft dien gansch geledigd.

Agnes.Ach, met zulk een maat gemetenKan geen enkle ziel bestaan.

Agnes.

Ach, met zulk een maat gemeten

Kan geen enkle ziel bestaan.

Brand.Geen mensch weet wien verdoemnis treft.Toch staat in vlammend schrift geschreven:Wees trouw tot de allerlaatste proef,Geen halfheid wint de levenskroon!’t Is niet genoeg ’t angstzweet te voelen,De vuurproef zelf moet gij doorstaan.Dat gij ’t nietkuntwordt u vergeven,Maar nimmermeer dat gij nietwilt.

Brand.

Geen mensch weet wien verdoemnis treft.

Toch staat in vlammend schrift geschreven:

Wees trouw tot de allerlaatste proef,

Geen halfheid wint de levenskroon!

’t Is niet genoeg ’t angstzweet te voelen,

De vuurproef zelf moet gij doorstaan.

Dat gij ’t nietkuntwordt u vergeven,

Maar nimmermeer dat gij nietwilt.

Agnes.Ja, zeker, ja, zoo moet het wezen.O, hef mij op, dat ’k mét je opstijg;O, leid mij naar je hooge sferen;Sterk is mijn wensch, maar slap mijn moed.Vaak grijpt mij de angst, ik voel mij duiz’len,En moe en aardtraag sleept mijn voet.

Agnes.

Ja, zeker, ja, zoo moet het wezen.

O, hef mij op, dat ’k mét je opstijg;

O, leid mij naar je hooge sferen;

Sterk is mijn wensch, maar slap mijn moed.

Vaak grijpt mij de angst, ik voel mij duiz’len,

En moe en aardtraag sleept mijn voet.

Brand.Kijk, Agnes, voor een ieder geldtDe eisch: geen halfheid laf en slap!Veroordeeld is àl wat je doetAls ’t half maar is, of voor den schijn.Tot wet moet deze leer je worden:Met woorden niet, maar met het leven.

Brand.

Kijk, Agnes, voor een ieder geldt

De eisch: geen halfheid laf en slap!

Veroordeeld is àl wat je doet

Als ’t half maar is, of voor den schijn.

Tot wet moet deze leer je worden:

Met woorden niet, maar met het leven.

Agnes(valt hem om den hals).Waar jij gaat, volg ik op den voet!Voor twee is er geen rots te steil.

Agnes(valt hem om den hals).

Waar jij gaat, volg ik op den voet!

Voor twee is er geen rots te steil.

(De dokter is den berg afgekomen en blijft voor de tuinomheining staan).

De Dokter.Zoo duifjes, hier aan ’t trekkebekkenOp deze woeste, grauwe rotsen?

De Dokter.

Zoo duifjes, hier aan ’t trekkebekken

Op deze woeste, grauwe rotsen?

Agnes.Mijn oude dokter, is u hier?O, kom toch binnen!

Agnes.

Mijn oude dokter, is u hier?

O, kom toch binnen!

(loopt naar beneden en opent het hek).

De Dokter.O, kom toch binnen!Neen, dàt niet!Je weet wel, ’k ben nog altijd boos!Gaan wonen hier, op zulk een plek,Waar sneeuw en ijs en winterstormEen mensch door ziel en lichaam snijdt …

De Dokter.

O, kom toch binnen!Neen, dàt niet!

Je weet wel, ’k ben nog altijd boos!

Gaan wonen hier, op zulk een plek,

Waar sneeuw en ijs en winterstorm

Een mensch door ziel en lichaam snijdt …

Brand.Niet door de ziel.

Brand.

Niet door de ziel.

De Dokter.Niet door de ziel.Zoo, niet? Och kom!’t Is waar, het ziet er haast naar uit,’t Lijkt waarlijk of je snel verbondOp hechten, vasten grondslag rust;Hoewel, zooals het spreekwoord zegt,Wat snel gebouwd wordt, snel vergaat.

De Dokter.

Niet door de ziel.Zoo, niet? Och kom!

’t Is waar, het ziet er haast naar uit,

’t Lijkt waarlijk of je snel verbond

Op hechten, vasten grondslag rust;

Hoewel, zooals het spreekwoord zegt,

Wat snel gebouwd wordt, snel vergaat.

Agnes.Een zonnekus, een klokkenklankKan wekken soms een zomerdag.

Agnes.

Een zonnekus, een klokkenklank

Kan wekken soms een zomerdag.

De Dokter.Vaartwel. ’k Moet naar een zieke toe.

De Dokter.

Vaartwel. ’k Moet naar een zieke toe.

Brand.Mijn moeder?

Brand.

Mijn moeder?

De Dokter.Mijn moeder?Ja. Gaat u soms mee?

De Dokter.

Mijn moeder?Ja. Gaat u soms mee?

Brand.Nu niet.

Brand.

Nu niet.

De Dokter.Nu niet.Wasu er al?

De Dokter.

Nu niet.Wasu er al?

Brand.Nu niet.Wasu er al?Nog niet.

Brand.

Nu niet.Wasu er al?Nog niet.

De Dokter.U is wel hard. Door wind en sneeuwKwam ik over den berg gezwoegd,Ofschoon ik weet dat er van haarGeen hongerloontje overschiet.

De Dokter.

U is wel hard. Door wind en sneeuw

Kwam ik over den berg gezwoegd,

Ofschoon ik weet dat er van haar

Geen hongerloontje overschiet.

Brand.God zeegne uw kennis en uw vlijt.Maak, als u kan, haar ’t sterven licht.

Brand.

God zeegne uw kennis en uw vlijt.

Maak, als u kan, haar ’t sterven licht.

De Dokter.Gods zegen op mijn wil; ik kwamZoodra ’k in nood geroepen werd.

De Dokter.

Gods zegen op mijn wil; ik kwam

Zoodra ’k in nood geroepen werd.

Brand.Zij zond om u; maar niet om mij;…Ik wacht, en wacht in zieleangst.

Brand.

Zij zond om u; maar niet om mij;…

Ik wacht, en wacht in zieleangst.

De Dokter.Wacht langer niet!

De Dokter.

Wacht langer niet!

Brand.Wacht langer niet!Vóór ze om mij zendtHeb ik daar ginder niets te doen.

Brand.

Wacht langer niet!Vóór ze om mij zendt

Heb ik daar ginder niets te doen.

De Dokter(tegen Agnes).Jij arm klein vrouwtje, toevertrouwdAan zulker harde handen macht!

De Dokter(tegen Agnes).

Jij arm klein vrouwtje, toevertrouwd

Aan zulker harde handen macht!

Brand.Ik bèn niet hard.

Brand.

Ik bèn niet hard.

Agnes.Ik bèn niet hard.Hij gaf zijn bloedAls ’t voor haar ziel vergifnis bracht!

Agnes.

Ik bèn niet hard.Hij gaf zijn bloed

Als ’t voor haar ziel vergifnis bracht!

Brand.’k Nam als haar zoon en erfgenaamVrijwillig al haar schulden op mij.

Brand.

’k Nam als haar zoon en erfgenaam

Vrijwillig al haar schulden op mij.

De Dokter.Delg uw eigen schuld!

De Dokter.

Delg uw eigen schuld!

Brand.Delg uw eigen schuld!Voor God kanWel één de schuld van velen delgen.

Brand.

Delg uw eigen schuld!Voor God kan

Wel één de schuld van velen delgen.

De Dokter.Maar niet door één, die zelf een beedlaar,Tot over de ooren steekt in schulden.

De Dokter.

Maar niet door één, die zelf een beedlaar,

Tot over de ooren steekt in schulden.

Brand.Of rijk, of beedlaar;… ’kwilgeheel,…En meer dan dàt behoeft er niet!

Brand.

Of rijk, of beedlaar;… ’kwilgeheel,…

En meer dan dàt behoeft er niet!

De Dokter(kijkt hem strak aan).Ja, van uw wil hetquantum satisStaat mooi en duidlijk wel geboekt,…Maar, Brand, uwconto caritatisDat is een onbeschreven blad.(af).

De Dokter(kijkt hem strak aan).

Ja, van uw wil hetquantum satis

Staat mooi en duidlijk wel geboekt,…

Maar, Brand, uwconto caritatis

Dat is een onbeschreven blad.(af).

Brand(volgt hem een oogenblik met de oogen).Geen woord werd ooit zoo neergesleurdIn leugens, als men ’tliefdedoet;…Dat leggen zij met SatanslistAls sluier over slappen wil;Bedrieglijk dekken zij daarmeeHun wuft en ijdel levensspel;Is smal het pad en glad en steil,In liefde wordt u dat verkort;Gaat men den breeden zonde-wegBlijft hoop op liefde toch bestaan,…Men ziet zijn doel, maar mijdt den strijd …Door liefde wordt ’t toch nog bereikt;En dwaalt gij, beter wetend toch,…In liefde vindt ge een toevluchtsoord!

Brand(volgt hem een oogenblik met de oogen).

Geen woord werd ooit zoo neergesleurd

In leugens, als men ’tliefdedoet;…

Dat leggen zij met Satanslist

Als sluier over slappen wil;

Bedrieglijk dekken zij daarmee

Hun wuft en ijdel levensspel;

Is smal het pad en glad en steil,

In liefde wordt u dat verkort;

Gaat men den breeden zonde-weg

Blijft hoop op liefde toch bestaan,…

Men ziet zijn doel, maar mijdt den strijd …

Door liefde wordt ’t toch nog bereikt;

En dwaalt gij, beter wetend toch,…

In liefde vindt ge een toevluchtsoord!

Agnes.Ja, dat ’s verkeerd, en toch ik moetMij vaak afvragen:ishet zoo?

Agnes.

Ja, dat ’s verkeerd, en toch ik moet

Mij vaak afvragen:ishet zoo?

Brand.Eén ding vergeet je; eerst de wilVoldoet den dorst der wet naar recht.Eerstwillenmoet je, niet alleenWat mooglijk is in ’t groot en ’t klein,Niet enkel waar er aan de daadVeel moeite vast is en bezwaar,…Neen, willen moet men sterk en blij,Door allen schrik en angsten heen.Niet dàt is martlaarschap, in pijnAan ’t kruishout stervend te vergaan,Maar ’twillenvan dien dood aan ’t kruis,Tewillenal dien angst en nood,Tewillenal die zielepijn,Dat eerst brengt je verlossing aan.

Brand.

Eén ding vergeet je; eerst de wil

Voldoet den dorst der wet naar recht.

Eerstwillenmoet je, niet alleen

Wat mooglijk is in ’t groot en ’t klein,

Niet enkel waar er aan de daad

Veel moeite vast is en bezwaar,…

Neen, willen moet men sterk en blij,

Door allen schrik en angsten heen.

Niet dàt is martlaarschap, in pijn

Aan ’t kruishout stervend te vergaan,

Maar ’twillenvan dien dood aan ’t kruis,

Tewillenal dien angst en nood,

Tewillenal die zielepijn,

Dat eerst brengt je verlossing aan.

Agnes(vlijt zich dicht tegen hem aan).Komt eens voor ons de zware proef,…O spreek dàn, jij, mijn sterke man!

Agnes(vlijt zich dicht tegen hem aan).

Komt eens voor ons de zware proef,…

O spreek dàn, jij, mijn sterke man!

Brand.Na zulk een zege van den wilKomt dan der liefde heerlijkheid,Dan daalt zij neer als witte duifMet een olijftak, levensboô.Maar hier, bij ’t slappe, lakse volk,Is de allerbeste liefde haat!(verschrikt).Haat! Haat! Een wereldstrijd te willenLigt in dit ééne korte woordje!

Brand.

Na zulk een zege van den wil

Komt dan der liefde heerlijkheid,

Dan daalt zij neer als witte duif

Met een olijftak, levensboô.

Maar hier, bij ’t slappe, lakse volk,

Is de allerbeste liefde haat!(verschrikt).

Haat! Haat! Een wereldstrijd te willen

Ligt in dit ééne korte woordje!

(gaat haastig het huis binnen).

Agnes(kijkt door de open deur).Nu knielt hij bij zijn kleinen ventEn wiegelt ’t hoofd als schreide hij;Hij drukt zich tegen ’t bedje aanAls iemand die geen uitkomst weet …O, wat een schat van liefde woontEr in die sterke manneziel!Alf heeft hij lief, dat màg, want ’t kindIs nog door zonde niet besmet.(ontzet opspringend).Op springt hij … wringt de handen … O!Wat ziet hij? Hij is doodlijk bleek!

Agnes(kijkt door de open deur).

Nu knielt hij bij zijn kleinen vent

En wiegelt ’t hoofd als schreide hij;

Hij drukt zich tegen ’t bedje aan

Als iemand die geen uitkomst weet …

O, wat een schat van liefde woont

Er in die sterke manneziel!

Alf heeft hij lief, dat màg, want ’t kind

Is nog door zonde niet besmet.(ontzet opspringend).

Op springt hij … wringt de handen … O!

Wat ziet hij? Hij is doodlijk bleek!

Brand(buiten op de trap).Kwam niemand nog?

Brand(buiten op de trap).

Kwam niemand nog?

Agnes.Kwam niemand nog?Neen, nog geen mensch.

Agnes.

Kwam niemand nog?Neen, nog geen mensch.

Brand(kijkt achterom in het huis).Zijn huid is gloeiend heet en droog;Zijn slapen kloppen, polsen jagen …!Niet bang zijn, kind!

Brand(kijkt achterom in het huis).

Zijn huid is gloeiend heet en droog;

Zijn slapen kloppen, polsen jagen …!

Niet bang zijn, kind!

Agnes.Niet bang zijn, kind!O, die gedachten!

Agnes.

Niet bang zijn, kind!O, die gedachten!

Brand.Neen, vrees maar niets …(roept over den weg).Neen, vrees maar niets …(roept over den weg).Daar zie ik iemand!

Brand.

Neen, vrees maar niets …(roept over den weg).

Neen, vrees maar niets …(roept over den weg).Daar zie ik iemand!

Een Man(door het tuinhek).Nu moet u komen!

Een Man(door het tuinhek).

Nu moet u komen!

Brand.Nu moet u komen!Daadlijk, ja!Wat is je boodschap?

Brand.

Nu moet u komen!Daadlijk, ja!

Wat is je boodschap?

De Man.Wat is je boodschap?’k Weet niet recht;Zij zat in bed op, boog vooroverEn zei: ga nu den priester halen;Mijn half bezit is voor de kerk

De Man.

Wat is je boodschap?’k Weet niet recht;

Zij zat in bed op, boog voorover

En zei: ga nu den priester halen;

Mijn half bezit is voor de kerk

Brand(terugwijkend).Dehelftmaar! Neen! Zeg neen!

Brand(terugwijkend).

Dehelftmaar! Neen! Zeg neen!

De Man(hoofdschuddend).Dehelftmaar! Neen! Zeg neen!Dan zou’k Mijn boodschap niet goed overbrengen.

De Man(hoofdschuddend).

Dehelftmaar! Neen! Zeg neen!Dan zou

’k Mijn boodschap niet goed overbrengen.

Brand.Dehelft! Dehelft! ’t Moestalleszijn!

Brand.

Dehelft! Dehelft! ’t Moestalleszijn!

De Man.Dat kan wel zijn; maar luid en klaarZei zij dat woord. ’k Vergis mij niet.

De Man.

Dat kan wel zijn; maar luid en klaar

Zei zij dat woord. ’k Vergis mij niet.

Brand(grijpt zijn arm).Durf je op den Oordeelsdag getuigenVoor God, dat zij die woorden zei?

Brand(grijpt zijn arm).

Durf je op den Oordeelsdag getuigen

Voor God, dat zij die woorden zei?

De Man.Ja.

De Man.

Ja.

Brand(vast).Ja.Ga, en breng dit antwoord over,…Geen priester komt, geen sacrament.

Brand(vast).

Ja.Ga, en breng dit antwoord over,…

Geen priester komt, geen sacrament.

De Man(kijkt hem onzeker aan).U heeft mij vast niet goed begrepen,’t Is van uwmoederdat ik kom.

De Man(kijkt hem onzeker aan).

U heeft mij vast niet goed begrepen,

’t Is van uwmoederdat ik kom.

Brand.Ik weet van geen tweeledig rechtVoor vreemden of voor eigen volk.

Brand.

Ik weet van geen tweeledig recht

Voor vreemden of voor eigen volk.

De Man.Dat woord is hard.

De Man.

Dat woord is hard.

Brand.Dat woord is hard.Zij weet het wel,’t Wasallesofferen ofniets.

Brand.

Dat woord is hard.Zij weet het wel,

’t Wasallesofferen ofniets.

De Man.O!

De Man.

O!

Brand.O!Zeg dat ’t kleinste klompje goudToch evenzeer een afgod blijft.

Brand.

O!Zeg dat ’t kleinste klompje goud

Toch evenzeer een afgod blijft.

De Man.Zoo zacht als ’k eenigszins maar kanBreng ’k haar dit geeslend antwoord over.Haar blijft tot troost dit ééne dan:Dat God niet zóó hard is als u!(af).

De Man.

Zoo zacht als ’k eenigszins maar kan

Breng ’k haar dit geeslend antwoord over.

Haar blijft tot troost dit ééne dan:

Dat God niet zóó hard is als u!(af).

Brand.Ja, deze troost blies vaak genoegZijn pestlucht door de wereld heen.Met jammerklacht van ach en weeSnoert men den rechter dan den mond.Natuurlijk! Zoo behoort het ook!Men kent hem immers al zoo lang;…Men weet zoo goed hoe te allen tijdDen oude zich beknibb’len laat.

Brand.

Ja, deze troost blies vaak genoeg

Zijn pestlucht door de wereld heen.

Met jammerklacht van ach en wee

Snoert men den rechter dan den mond.

Natuurlijk! Zoo behoort het ook!

Men kent hem immers al zoo lang;…

Men weet zoo goed hoe te allen tijd

Den oude zich beknibb’len laat.

(De man heeft buiten op den weg een anderen ontmoet; zij komen samen terug).

Brand.Nieuw bericht?

Brand.

Nieuw bericht?

Eerste Man.Nieuw bericht?Ja.

Eerste Man.

Nieuw bericht?Ja.

Brand.Nieuw bericht? Ja.Wat dan nu?

Brand.

Nieuw bericht? Ja.Wat dan nu?

De Tweede.’t Zou negen tienden dan nu zijn.

De Tweede.

’t Zou negen tienden dan nu zijn.

Brand.Niet alles?

Brand.

Niet alles?

De Tweede.Niet alles?Neen.

De Tweede.

Niet alles?Neen.

Brand.Niet alles? Neen.Ik zei het al:Geen priester en geen sacrament.

Brand.

Niet alles? Neen.Ik zei het al:

Geen priester en geen sacrament.

De Tweede.Zij heeft geleden en geboet …

De Tweede.

Zij heeft geleden en geboet …

De Eerste.Kom mee, zij is uw moeder toch!

De Eerste.

Kom mee, zij is uw moeder toch!

Brand(knijpt de handen samen).Ik màg niet met twee maten meten …Eén maat voor eigen volk en vreemden.

Brand(knijpt de handen samen).

Ik màg niet met twee maten meten …

Eén maat voor eigen volk en vreemden.

De Tweede.De zieke lijdt in angst en nood,Kom, zend haar een verzoenend woord.

De Tweede.

De zieke lijdt in angst en nood,

Kom, zend haar een verzoenend woord.

Brand(tegen den eerste).Ga, zeg de zieke wat ’k gebood:Voor haar wijd ik noch wijn, noch brood.

Brand(tegen den eerste).

Ga, zeg de zieke wat ’k gebood:

Voor haar wijd ik noch wijn, noch brood.

(De mannen gaan heen).

Agnes(vlijt zich tegen hem aan).Soms beef ik voor je levenslot:Je gloeit als ’t vlammend zwaard van God.

Agnes(vlijt zich tegen hem aan).

Soms beef ik voor je levenslot:

Je gloeit als ’t vlammend zwaard van God.

Brand(met tranen in zijn stem).Staat heel de wereld dan ook nietVijandig tegenover mij,En wondt mijn ziel ten bloede toeMet al haar koppig, laks verzet?

Brand(met tranen in zijn stem).

Staat heel de wereld dan ook niet

Vijandig tegenover mij,

En wondt mijn ziel ten bloede toe

Met al haar koppig, laks verzet?

Agnes.Zwaar zijn de eischen die je stelt.

Agnes.

Zwaar zijn de eischen die je stelt.

Brand.Stel, als je durft, er zachtre voor.

Brand.

Stel, als je durft, er zachtre voor.

Agnes.Meet met dien maatstaf wien je wiltEn zie ofiemandkan voldoen.

Agnes.

Meet met dien maatstaf wien je wilt

En zie ofiemandkan voldoen.

Brand.Neen, dáárin heb je, eilaas, gelijk.Zoo dwars, zoo dom, zoo leeg, zoo slecht,Is ’t heele menschdom tegenwoordig.Vermaakt iemand bij wilsbeschikkingDoch ongenoemd, zijn geld en goed,Men prijst hem daadlijk hemelhoog.Neem weg den naam van menig held,Laat hem alleen wat hij volbracht,Doe keizers, vorsten ’t zelfde aanEn zie wat er dan overblijft.Laat ’n dichter uit hun kooitje heimlijkZijn schoonheidsvogels laten glippen,Dat niemand denk’ dathijhun gafEen stem en gulden veerendos …Grijp groenen of wel dorren tak:Opoff’ring vindt men bij geen een.Door alles heen ’t aardslaafsche denken;…Elk klampt in wilden angst zich vastAan ’t zwakke rankje van zijn leven.Begeeft hem dit, waar de afgrond gaapt …Klauwt hij met nagels zich nog vast.

Brand.

Neen, dáárin heb je, eilaas, gelijk.

Zoo dwars, zoo dom, zoo leeg, zoo slecht,

Is ’t heele menschdom tegenwoordig.

Vermaakt iemand bij wilsbeschikking

Doch ongenoemd, zijn geld en goed,

Men prijst hem daadlijk hemelhoog.

Neem weg den naam van menig held,

Laat hem alleen wat hij volbracht,

Doe keizers, vorsten ’t zelfde aan

En zie wat er dan overblijft.

Laat ’n dichter uit hun kooitje heimlijk

Zijn schoonheidsvogels laten glippen,

Dat niemand denk’ dathijhun gaf

Een stem en gulden veerendos …

Grijp groenen of wel dorren tak:

Opoff’ring vindt men bij geen een.

Door alles heen ’t aardslaafsche denken;…

Elk klampt in wilden angst zich vast

Aan ’t zwakke rankje van zijn leven.

Begeeft hem dit, waar de afgrond gaapt …

Klauwt hij met nagels zich nog vast.

Agnes.En zulk een diep gevallen volkRoep je nog toe; hetalofniets!

Agnes.

En zulk een diep gevallen volk

Roep je nog toe; hetalofniets!

Brand.Wie zege wil, moet daarvoor strijden;Wie ’t diepste viel, moet ’t hoogste stijgen …(zwijgt even; met veranderde stem).En toch, wanneer ik aan een zielDen eisch stel om zich op te heffen,Is ’t mij als of ik op de golvenIn stormweer ronddreef op een wrak.Stil schreiend beet ik heimlijk vaakMijn tong stuk, die kastijden moest,…En hief tot slaan ik soms den arm,Naar een omhelzing snakt mijn ziel!…Ga nu eens kijken naar den kleine;Zing zoete droomen in zijn slaap;Een kinderziel is klaar en reinAls ’t meer in zomerzonneschijn;Een moeder kan daarover strijkenAls ’n vogel, die in lichten vlucht,Zich spiegelt in zijn diepste diep.

Brand.

Wie zege wil, moet daarvoor strijden;

Wie ’t diepste viel, moet ’t hoogste stijgen …

(zwijgt even; met veranderde stem).

En toch, wanneer ik aan een ziel

Den eisch stel om zich op te heffen,

Is ’t mij als of ik op de golven

In stormweer ronddreef op een wrak.

Stil schreiend beet ik heimlijk vaak

Mijn tong stuk, die kastijden moest,…

En hief tot slaan ik soms den arm,

Naar een omhelzing snakt mijn ziel!…

Ga nu eens kijken naar den kleine;

Zing zoete droomen in zijn slaap;

Een kinderziel is klaar en rein

Als ’t meer in zomerzonneschijn;

Een moeder kan daarover strijken

Als ’n vogel, die in lichten vlucht,

Zich spiegelt in zijn diepste diep.

Agnes(bleek).Wat is er, Brand, dat je gedachtenWaarheen ze ook gaan, tot hem doet keeren?

Agnes(bleek).

Wat is er, Brand, dat je gedachten

Waarheen ze ook gaan, tot hem doet keeren?

Brand.O, niets. Bewaak hem maar zorgvuldig.

Brand.

O, niets. Bewaak hem maar zorgvuldig.

Agnes.Geef mij een antwoord.

Agnes.

Geef mij een antwoord.

Brand.Geef mij een antwoord.Forsch?

Brand.

Geef mij een antwoord.Forsch?

Agnes.Geef mij een antwoord. Forsch?Neen, zacht.

Agnes.

Geef mij een antwoord. Forsch?Neen, zacht.

Brand(omarmt haar).Wie zonder schuld is, die zal leven.

Brand(omarmt haar).

Wie zonder schuld is, die zal leven.

Agnes(kijkt hem helder aan, en zegt:)Eén ding,… màg God niet van ons eischen!

Agnes(kijkt hem helder aan, en zegt:)

Eén ding,… màg God niet van ons eischen!

(gaat het huis in).

Brand(kijkt stil voor zich uit).Maar àls hij ’t deed? Wat God soms eischtLeert “Abrams offer” van weleer.(schudt die gedachte van zich af).Neen, neen! mijn offer heb ’k gebracht,’k Deed afstand van mijn levensdroom,Om als de rommelende donderDe slapers hier op aard’ te wekken.Neen! Daarin lag geen offer meer:’t Viel weg toen over was de droom,’k Door Agnes werd gewekt—om mét mijTe werken samen in ’t verborgen.(kijkt uit over den weg).Wat draalt de zieke ginder langEer zij tot boete-doen besluit,Dat alle schuld te niet zou doen,Al ’t kwaad uitdelgen van haar ziel!Wacht!… Neen, het is de baljuw maar,Welwillend, luchtig, rond, gezond,De handen in zijn beide zakken,Als haakjes om een parenthees.

Brand(kijkt stil voor zich uit).

Maar àls hij ’t deed? Wat God soms eischt

Leert “Abrams offer” van weleer.

(schudt die gedachte van zich af).

Neen, neen! mijn offer heb ’k gebracht,

’k Deed afstand van mijn levensdroom,

Om als de rommelende donder

De slapers hier op aard’ te wekken.

Neen! Daarin lag geen offer meer:

’t Viel weg toen over was de droom,

’k Door Agnes werd gewekt—om mét mij

Te werken samen in ’t verborgen.

(kijkt uit over den weg).

Wat draalt de zieke ginder lang

Eer zij tot boete-doen besluit,

Dat alle schuld te niet zou doen,

Al ’t kwaad uitdelgen van haar ziel!

Wacht!… Neen, het is de baljuw maar,

Welwillend, luchtig, rond, gezond,

De handen in zijn beide zakken,

Als haakjes om een parenthees.

De Baljuw(door het tuinhek).Goên dag! Wij zien elkaar niet vaak,En ’k kom misschien wel ongelegen …

De Baljuw(door het tuinhek).

Goên dag! Wij zien elkaar niet vaak,

En ’k kom misschien wel ongelegen …

Brand(wijst op het huis).Ga binnen.

Brand(wijst op het huis).

Ga binnen.

De Baljuw.Ga binnen.Dank u; ’t gaat hier ook;En als mijn woord maar ingang vindt,Dan denk ik stellig dat het ookWel voor ons beiden goed zal zijn.

De Baljuw.

Ga binnen.Dank u; ’t gaat hier ook;

En als mijn woord maar ingang vindt,

Dan denk ik stellig dat het ook

Wel voor ons beiden goed zal zijn.

Brand.Laat hooren dan.

Brand.

Laat hooren dan.

De Baljuw.Laat hooren dan.Uw moeder moet,Naar ik verneem, haast stervend zijn;…Dat doet mij leed.

De Baljuw.

Laat hooren dan.Uw moeder moet,

Naar ik verneem, haast stervend zijn;…

Dat doet mij leed.

Brand.Dat doet mij leed.’k Betwijfel ’t niet.

Brand.

Dat doet mij leed.’k Betwijfel ’t niet.

De Baljuw.Het doet mij zeer véél leed.

De Baljuw.

Het doet mij zeer véél leed.

Brand.Het doet mij zeer véél leed.Welnu!

Brand.

Het doet mij zeer véél leed.Welnu!

De Baljuw.Maar zij is oud; en, lieve Heer,Wij gaan toch allemaal dien weg,En daar ’k nu juist voorbij hier kwam,Dacht ik zoo: ’k kon wel even gaanOm ’n enkel woord met u te spreken.Om kort te gaan, ik heb vernomenDat u met haar, sinds u hier kwam,Geleefd heeft in oneenigheid …

De Baljuw.

Maar zij is oud; en, lieve Heer,

Wij gaan toch allemaal dien weg,

En daar ’k nu juist voorbij hier kwam,

Dacht ik zoo: ’k kon wel even gaan

Om ’n enkel woord met u te spreken.

Om kort te gaan, ik heb vernomen

Dat u met haar, sinds u hier kwam,

Geleefd heeft in oneenigheid …

Brand.Oneenigheid?…

Brand.

Oneenigheid?…

De Baljuw.Oneenigheid?…Men zegt dat zijErg vasthoudt aan haar eigendom.Dat gaat, vindt u misschien, wat ver.Men wil toch elk zijn eigen voordeel.Zij is in ’t onverdeeld bezitVan heel uw vaderlijke erfdeel …

De Baljuw.

Oneenigheid?…Men zegt dat zij

Erg vasthoudt aan haar eigendom.

Dat gaat, vindt u misschien, wat ver.

Men wil toch elk zijn eigen voordeel.

Zij is in ’t onverdeeld bezit

Van heel uw vaderlijke erfdeel …

Brand.In ’t onverdeeld bezit … ’t is waar,

Brand.

In ’t onverdeeld bezit … ’t is waar,

De Baljuw.Zoo komt het dan allicht tot twist.En daar ik wel vermoeden kanDat u haar einde naadren zietMet groote kalmte van gemoed,Wil ’k hopen dat u zonder wrokMij hooren wil, zij dan de tijd ookNiet erg geschikt.

De Baljuw.

Zoo komt het dan allicht tot twist.

En daar ik wel vermoeden kan

Dat u haar einde naadren ziet

Met groote kalmte van gemoed,

Wil ’k hopen dat u zonder wrok

Mij hooren wil, zij dan de tijd ook

Niet erg geschikt.

Brand.Niet erg geschikt.Nu, of wel later.Dat komt voor mij op ’t zelfde neer.

Brand.

Niet erg geschikt.Nu, of wel later.

Dat komt voor mij op ’t zelfde neer.

De Baljuw.Nu, dan ter zake, zonder meer.Zoodra uw moeder dood zal zijn,En rustig slaapt onder den grond,…En ’t duurt niet lang meer … wordt u rijk …

De Baljuw.

Nu, dan ter zake, zonder meer.

Zoodra uw moeder dood zal zijn,

En rustig slaapt onder den grond,…

En ’t duurt niet lang meer … wordt u rijk …

Brand.Rijk, denkt u?

Brand.

Rijk, denkt u?

De Baljuw.Rijk, denkt u?Denk? Neen, ’k weet het zeker.In alle hoeken heeft zij grond,Zoo ver ’t gewapend oog kan kijken.Ik zeg u, rijk!

De Baljuw.

Rijk, denkt u?Denk? Neen, ’k weet het zeker.

In alle hoeken heeft zij grond,

Zoo ver ’t gewapend oog kan kijken.

Ik zeg u, rijk!

Brand.Ik zeg u, rijk!Ook na de scheiding?

Brand.

Ik zeg u, rijk!Ook na de scheiding?

De Baljuw(glimlacht).Wat zoudiehier? Er valt te scheidenWaar vele erfgenamen zijn:Maar hier wordt niemands deel bedreigd.

De Baljuw(glimlacht).

Wat zoudiehier? Er valt te scheiden

Waar vele erfgenamen zijn:

Maar hier wordt niemands deel bedreigd.

Brand.En als nu toch eens iemand kwamEn van haar goed zijn erfdeel vroeg,En zei:mijkomt het rechtens toe?

Brand.

En als nu toch eens iemand kwam

En van haar goed zijn erfdeel vroeg,

En zei:mijkomt het rechtens toe?

De Baljuw.Dat moest de duivel zelf dan zijn!Ja, kijk mij nu maar aan … geen menschHeeft ’n enkel woord hierin te spreken;Vertrouw mij maar; ’k ben op de hoogte.Zoo is ’t dus; u wordt welgesteld,Een rijk man zelfs; in dezen uithoekHoeft u dus waarlijk niet te blijven;Voor u staat open ’t heele land.

De Baljuw.

Dat moest de duivel zelf dan zijn!

Ja, kijk mij nu maar aan … geen mensch

Heeft ’n enkel woord hierin te spreken;

Vertrouw mij maar; ’k ben op de hoogte.

Zoo is ’t dus; u wordt welgesteld,

Een rijk man zelfs; in dezen uithoek

Hoeft u dus waarlijk niet te blijven;

Voor u staat open ’t heele land.

Brand.Zoo. Is eigenlijk dier woorden zinIn ’t kort nietdit: trek elders heen?

Brand.

Zoo. Is eigenlijk dier woorden zin

In ’t kort nietdit: trek elders heen?

De Baljuw.Zoowat. Dat waar’ misschien het besteVoor iedereen. Als u aandachtigDe menschen gâ slaat, voor wie uDe tolk is van Gods heilig woord,Moet u toch zien, hoe u hier tusschenPast als een wolf in een troep ganzen.Begrijp mij goed! U heeft de gavenOm nut te stichten in het groot.Maar voor dit volk van bergbewoners,Als vastgegroeid tusschen hun rotsen,Sticht u, dunkt mij meer kwaad dan goed.

De Baljuw.

Zoowat. Dat waar’ misschien het beste

Voor iedereen. Als u aandachtig

De menschen gâ slaat, voor wie u

De tolk is van Gods heilig woord,

Moet u toch zien, hoe u hier tusschen

Past als een wolf in een troep ganzen.

Begrijp mij goed! U heeft de gaven

Om nut te stichten in het groot.

Maar voor dit volk van bergbewoners,

Als vastgegroeid tusschen hun rotsen,

Sticht u, dunkt mij meer kwaad dan goed.

Brand.Wat wortels voor een boom zijn, isVoor een man ’t geboortedorp;…Zoo hij dáár niet zijn werkkring vindt,Is wat hij uitvoert niet veel zaaks.

Brand.

Wat wortels voor een boom zijn, is

Voor een man ’t geboortedorp;…

Zoo hij dáár niet zijn werkkring vindt,

Is wat hij uitvoert niet veel zaaks.

De Baljuw.In de eerste plaats komt ’t er op aanMet ’s lands behoefte mee te gaan.

De Baljuw.

In de eerste plaats komt ’t er op aan

Met ’s lands behoefte mee te gaan.

Brand.Maar die vertoont zich van de hoogteNiet zoo, als in ’t benauwde dorp.

Brand.

Maar die vertoont zich van de hoogte

Niet zoo, als in ’t benauwde dorp.

De Baljuw.Dat is taal voor verlichte menschen,Niet voor de arme dalbewoners.

De Baljuw.

Dat is taal voor verlichte menschen,

Niet voor de arme dalbewoners.

Brand.Och wat, u met dat grensverschilVan bergen en het lage land!U wil de rechten van den rijke,Maar aan zijn plichten u onttrekken;En denkt, als u maar hardop roept:Wij zijn maar arm! dan is ’t genoeg.

Brand.

Och wat, u met dat grensverschil

Van bergen en het lage land!

U wil de rechten van den rijke,

Maar aan zijn plichten u onttrekken;

En denkt, als u maar hardop roept:

Wij zijn maar arm! dan is ’t genoeg.

De Baljuw.Er is een tijd voor alle dingen,En elk geslacht heeft eigen plicht.Ons dorp droeg ook eens bij zijn scherfjeTot der geschiedenis groote kas.Dat was, natuurlijk, lang geleden;Maar zoo héél klein was ’t scherfje niet.Nu is het dorp maar onbeduidend,Toch leeft zijn roem in sagen voort;Zijn vroegre grootheidsdagen vallenIn koning Beles’ levenstijd;…Nog hoort men menigmalen noemenDe dappre broeders Wolf en Thor;Met vele wakkre mannen, dieNaar Bretlands kust heentogen omAl plundrend af te loopen ’t land.Het Zuiden kreet, verstijfd van schrik,God, help ons tegen hun geweld!En die geweldnaars waren tochOntwijfelbaar echt, lui van hier.En hoe zij zich dan konden wrekenMet moord en doodslag, brand en plundring!Ja, één is er, van wien de sageVertelt dat hij ten kruistocht wou;…Doch dat hij uittoog meldt men niet …

De Baljuw.

Er is een tijd voor alle dingen,

En elk geslacht heeft eigen plicht.

Ons dorp droeg ook eens bij zijn scherfje

Tot der geschiedenis groote kas.

Dat was, natuurlijk, lang geleden;

Maar zoo héél klein was ’t scherfje niet.

Nu is het dorp maar onbeduidend,

Toch leeft zijn roem in sagen voort;

Zijn vroegre grootheidsdagen vallen

In koning Beles’ levenstijd;…

Nog hoort men menigmalen noemen

De dappre broeders Wolf en Thor;

Met vele wakkre mannen, die

Naar Bretlands kust heentogen om

Al plundrend af te loopen ’t land.

Het Zuiden kreet, verstijfd van schrik,

God, help ons tegen hun geweld!

En die geweldnaars waren toch

Ontwijfelbaar echt, lui van hier.

En hoe zij zich dan konden wreken

Met moord en doodslag, brand en plundring!

Ja, één is er, van wien de sage

Vertelt dat hij ten kruistocht wou;…

Doch dat hij uittoog meldt men niet …

Brand.Er stamt voorzeker van dien heldEen heele bende zoons?

Brand.

Er stamt voorzeker van dien held

Een heele bende zoons?

De Baljuw.Een heele bende zoons?Jawel;Maar hoe weet u …?

De Baljuw.

Een heele bende zoons?Jawel;

Maar hoe weet u …?

Brand.Maar hoe weet u …?O, omdat mijDie heldentroep bekend voorkomt,Belofte-helden van het heden,Die ook zoo’n kruistocht ondernemen.

Brand.

Maar hoe weet u …?O, omdat mij

Die heldentroep bekend voorkomt,

Belofte-helden van het heden,

Die ook zoo’n kruistocht ondernemen.

De Baljuw.Ja, dat geslacht is uitgebreid.Maar bij vorst Beles waren wij!Eerst dus geraasd in ’t vreemde land;Toen brachten wij aan bloedverwantEn buur, met bijlslagen bezoek.Het veld vertrapt, de oogst verwoest,In brand gestoken kerk en huis,Zoo vlochten we ons een heldenkrans.Op al het toen vergoten bloedWerd later wel wat veel gesnoefd.Maar, na wat ik nu heb gezegdGeloof ik, met bescheidenheid,Op onze macht te mogen wijzenIn heldentijden, lang geledenEn zeggen dat ons dorp eertijdsZijn deel bijdroeg met vuur en zwaard,Tot der ontwikling worstelstrijd.

De Baljuw.

Ja, dat geslacht is uitgebreid.

Maar bij vorst Beles waren wij!

Eerst dus geraasd in ’t vreemde land;

Toen brachten wij aan bloedverwant

En buur, met bijlslagen bezoek.

Het veld vertrapt, de oogst verwoest,

In brand gestoken kerk en huis,

Zoo vlochten we ons een heldenkrans.

Op al het toen vergoten bloed

Werd later wel wat veel gesnoefd.

Maar, na wat ik nu heb gezegd

Geloof ik, met bescheidenheid,

Op onze macht te mogen wijzen

In heldentijden, lang geleden

En zeggen dat ons dorp eertijds

Zijn deel bijdroeg met vuur en zwaard,

Tot der ontwikling worstelstrijd.

Brand.Toch lijkt ’t mij dat u pleegt verraadAan ’t woord: dat adeldom verplicht,…Alsof met egge, hak en ploegU Beles’ erfgoed stil begraaft.

Brand.

Toch lijkt ’t mij dat u pleegt verraad

Aan ’t woord: dat adeldom verplicht,…

Alsof met egge, hak en ploeg

U Beles’ erfgoed stil begraaft.

De Baljuw.In geenen deele. Kijk maar eensBij een gemeentelijk diné,Waar ik, de koster en de rechterOp eereplaatsen mee aanzitten.Dan zal u zien, als komt de punch-bowl,Dat Beles nog niet is vergeten.Met klinken, heildronken, gezang,In toasten kort en toasten lang,Gedenkt men hem, laat men hem leven.Ik zelf heb vaak den drang gevoeldIn mij, om van gedachtenspinselVoor hem te weven ’n bloemrijk kleed,En dat heeft menigeen gesticht.Ik houd wel van wat poëzie.Dat doen wij trouwens allemaalHier in ons dorp;… doch steeds met mate …Hetlevenmag die nooit beheerschen,…Alleen zoo tusschen acht en tienUur ’s avonds, als men moe van ’t werk,En vrij weer van de daagsche taak,Naar wat verheffing wel verlangt.Wat u van ons verschillen doetIs dat u ploegen wil en maaienTerzelfder stond, en met geweld.U wil, zoo meen ik te begrijpen,Dat één zijn zal idee en leven,…U wil, met ’t zwoegend land-bebouwenDen strijd voor God vereenigd zien,Zóó innig één, als kool, salpeter,En zwavel zich tot kruit vereent.

De Baljuw.

In geenen deele. Kijk maar eens

Bij een gemeentelijk diné,

Waar ik, de koster en de rechter

Op eereplaatsen mee aanzitten.

Dan zal u zien, als komt de punch-bowl,

Dat Beles nog niet is vergeten.

Met klinken, heildronken, gezang,

In toasten kort en toasten lang,

Gedenkt men hem, laat men hem leven.

Ik zelf heb vaak den drang gevoeld

In mij, om van gedachtenspinsel

Voor hem te weven ’n bloemrijk kleed,

En dat heeft menigeen gesticht.

Ik houd wel van wat poëzie.

Dat doen wij trouwens allemaal

Hier in ons dorp;… doch steeds met mate …

Hetlevenmag die nooit beheerschen,…

Alleen zoo tusschen acht en tien

Uur ’s avonds, als men moe van ’t werk,

En vrij weer van de daagsche taak,

Naar wat verheffing wel verlangt.

Wat u van ons verschillen doet

Is dat u ploegen wil en maaien

Terzelfder stond, en met geweld.

U wil, zoo meen ik te begrijpen,

Dat één zijn zal idee en leven,…

U wil, met ’t zwoegend land-bebouwen

Den strijd voor God vereenigd zien,

Zóó innig één, als kool, salpeter,

En zwavel zich tot kruit vereent.

Brand.Zoo ongeveer.

Brand.

Zoo ongeveer.

De Baljuw.Zoo ongeveer.Maar dat ’s onmooglijk.In wijder kringen gaat dat beter;…Ga daarheen met uw hooge eischenEn laat ons land en zee beploegen.

De Baljuw.

Zoo ongeveer.Maar dat ’s onmooglijk.

In wijder kringen gaat dat beter;…

Ga daarheen met uw hooge eischen

En laat ons land en zee beploegen.

Brand.Ploeg allereerst in zee maar onderUw pralen op den roem der vaad’ren;Een dwerg wordt er niet grooter doorOf hij al stamt van Goliath.

Brand.

Ploeg allereerst in zee maar onder

Uw pralen op den roem der vaad’ren;

Een dwerg wordt er niet grooter door

Of hij al stamt van Goliath.

De Baljuw.Er ligt kracht in herinneringen.

De Baljuw.

Er ligt kracht in herinneringen.

Brand.Ja … als zij één met ’t leven worden,Maar u gebruikt hun graf alleenOm eigen traagheid te verstoppen.

Brand.

Ja … als zij één met ’t leven worden,

Maar u gebruikt hun graf alleen

Om eigen traagheid te verstoppen.

De Baljuw.Mijn eerste blijft mijn laatste woord;…U deed het best met heen te gaan.Hier zal uw arbeid niet gedijen;Uw levensleer wordt niet begrepen.Verheffing, die soms noodig zijn kan,Het beetje troost dat hij behoeft,Die dag aan dag in arbeid zwoegt,Zalikhun voortaan trouw bezorgen.Gedurende mijn heele loopbaanHier, deed ik steeds mijn plicht;Het volksaantal is ruim verdubbeld,Ja, het staat haast als drie tot een,…Terwijl ik meer dan één bedrijfAan deze fjord-streek heb verbonden.In strijd altijd met ’t ruw klimaat,Zijn we als met stoom vooruit gegaan:…Hier loopt een weg, daar ligt een brug..

De Baljuw.

Mijn eerste blijft mijn laatste woord;…

U deed het best met heen te gaan.

Hier zal uw arbeid niet gedijen;

Uw levensleer wordt niet begrepen.

Verheffing, die soms noodig zijn kan,

Het beetje troost dat hij behoeft,

Die dag aan dag in arbeid zwoegt,

Zalikhun voortaan trouw bezorgen.

Gedurende mijn heele loopbaan

Hier, deed ik steeds mijn plicht;

Het volksaantal is ruim verdubbeld,

Ja, het staat haast als drie tot een,…

Terwijl ik meer dan één bedrijf

Aan deze fjord-streek heb verbonden.

In strijd altijd met ’t ruw klimaat,

Zijn we als met stoom vooruit gegaan:…

Hier loopt een weg, daar ligt een brug..

Brand.Maar tusschen g’loof en leven niet …

Brand.

Maar tusschen g’loof en leven niet …

De Baljuw.Die fjord en gletschersneeuw verbindt.

De Baljuw.

Die fjord en gletschersneeuw verbindt.

Brand.Maar niet de daad met de idee.

Brand.

Maar niet de daad met de idee.

De Baljuw.Eerst zorgen voor een goed verkeer,Dat men elkaar bereiken kan,…Daarover waren allen ’t eensEer u, als leeraar, hierheen kwam.U heeft in ons vaal schemerlichtEen Noorderlichtschijn hel doen flikk’ren;Wie kan in ’t valsche licht nu zienWat er verkeerd is en wat goed,Wat straf is, en wat boete of smart?U heeft het àl dooreen gehaspeld;En ’t volk, dat één, moest overwinnen,Gesplitst in twee vijand’ge kampen.

De Baljuw.

Eerst zorgen voor een goed verkeer,

Dat men elkaar bereiken kan,…

Daarover waren allen ’t eens

Eer u, als leeraar, hierheen kwam.

U heeft in ons vaal schemerlicht

Een Noorderlichtschijn hel doen flikk’ren;

Wie kan in ’t valsche licht nu zien

Wat er verkeerd is en wat goed,

Wat straf is, en wat boete of smart?

U heeft het àl dooreen gehaspeld;

En ’t volk, dat één, moest overwinnen,

Gesplitst in twee vijand’ge kampen.

Brand.Toch blijf ik hier, uw wensch ten trots.Men kiest de plaats niet voor zijn werk.Hij, die zijn doel voor oogen heeftZag eens in vuur’ge letters staan,Het Godswoord:hieris uwe plaats!

Brand.

Toch blijf ik hier, uw wensch ten trots.

Men kiest de plaats niet voor zijn werk.

Hij, die zijn doel voor oogen heeft

Zag eens in vuur’ge letters staan,

Het Godswoord:hieris uwe plaats!

De Baljuw.Blijf dan, maar binnen eigen grenzen;Ik zie u graag de menschen zuivrenVan zonde en kwaad, als voorkomt hier;God weet dat ’t dikwijls noodig is!Maar maak van iedren arbeidsdagGeen Zondag,… en vertoon geen vlagAlsof God zelf was mee aan boordOp ieder jacht in onze fjord.

De Baljuw.

Blijf dan, maar binnen eigen grenzen;

Ik zie u graag de menschen zuivren

Van zonde en kwaad, als voorkomt hier;

God weet dat ’t dikwijls noodig is!

Maar maak van iedren arbeidsdag

Geen Zondag,… en vertoon geen vlag

Alsof God zelf was mee aan boord

Op ieder jacht in onze fjord.

Brand.Kon ’k mij uw raad ten nutte maken,Zou ik mijn ziel moeten verzaken.Maar ’t geldt hier juist zich zelf te wezen,Zijn eigen roeping te volbrengen,En dat zal ’k doen ten einde toe,Dat om mijn huis een lichtschijn straal!Dit volk, dat ingedommeld isDoor uw bestuur, wek ik weer op!Al lang is hem, door nood en dwang,Zijn laatste oerkracht afgekweld;Uit uwer kleinheid hongerkuurKomt elk te voorschijn mat en slap;Zijn beste bloed is afgetapt,Het merg geschraapt hem uit zijn moed;Aan flarden iedre ziel gescheurd,Die pal als brons had moeten staan;Maar nog kan wel een oproerskreetU in de ooren dondren: strijd!

Brand.

Kon ’k mij uw raad ten nutte maken,

Zou ik mijn ziel moeten verzaken.

Maar ’t geldt hier juist zich zelf te wezen,

Zijn eigen roeping te volbrengen,

En dat zal ’k doen ten einde toe,

Dat om mijn huis een lichtschijn straal!

Dit volk, dat ingedommeld is

Door uw bestuur, wek ik weer op!

Al lang is hem, door nood en dwang,

Zijn laatste oerkracht afgekweld;

Uit uwer kleinheid hongerkuur

Komt elk te voorschijn mat en slap;

Zijn beste bloed is afgetapt,

Het merg geschraapt hem uit zijn moed;

Aan flarden iedre ziel gescheurd,

Die pal als brons had moeten staan;

Maar nog kan wel een oproerskreet

U in de ooren dondren: strijd!

De Baljuw.Strijd?

De Baljuw.

Strijd?

Brand.Strijd?Strijd!

Brand.

Strijd?Strijd!

De Baljuw.Strijd? Strijd!Als u hen roept te wapenZal u als eerste offer vallen!

De Baljuw.

Strijd? Strijd!Als u hen roept te wapen

Zal u als eerste offer vallen!

Brand.Eens zal ’t wel blijken zonneklaarDat nederlaag hier zege was!

Brand.

Eens zal ’t wel blijken zonneklaar

Dat nederlaag hier zege was!

De Baljuw.Bedenk je, Brand, je staat op ’t kruispunt:Zet alles niet op ééne kaart.

De Baljuw.

Bedenk je, Brand, je staat op ’t kruispunt:

Zet alles niet op ééne kaart.

Brand.Toch zal ik ’t doen!

Brand.

Toch zal ik ’t doen!

De Baljuw.Toch zal ik ’t doen!Wordt ’t spel verloren,Dan is uw leven ook verwoest.U heeft al wat u kan begeeren,Is de erve van een rijke moeder,U heeft een kind om voor te leven,Een lieve vrouw;… geluk en vreugdeWordt u met milde hand gereikt!

De Baljuw.

Toch zal ik ’t doen!Wordt ’t spel verloren,

Dan is uw leven ook verwoest.

U heeft al wat u kan begeeren,

Is de erve van een rijke moeder,

U heeft een kind om voor te leven,

Een lieve vrouw;… geluk en vreugde

Wordt u met milde hand gereikt!

Brand.En als ’k nu toch den rug toekeerAan wat u noemt geluk en vreugde?Als ik numoet?

Brand.

En als ’k nu toch den rug toekeer

Aan wat u noemt geluk en vreugde?

Als ik numoet?

De Baljuw.Als ik numoet?’t Is al verlorenAls u, in dezen uithoek hier,Uw wereldstrijd beginnen wil.Trek zuidwaarts naar de rijke stranden,Waar ’n man geheel zich zelf kan wezen.Dáár kan uw licht u laten schijnenEn de gemeente laten bloeden;Onsoffer is geen bloed, maar zweet,In broodstrijd tusschen rots en ijs.

De Baljuw.

Als ik numoet?’t Is al verloren

Als u, in dezen uithoek hier,

Uw wereldstrijd beginnen wil.

Trek zuidwaarts naar de rijke stranden,

Waar ’n man geheel zich zelf kan wezen.

Dáár kan uw licht u laten schijnen

En de gemeente laten bloeden;

Onsoffer is geen bloed, maar zweet,

In broodstrijd tusschen rots en ijs.

Brand.Hier blijf ik toch. Hier is mijn thuis,En van mijn thuis uit voer ik strijd.

Brand.

Hier blijf ik toch. Hier is mijn thuis,

En van mijn thuis uit voer ik strijd.

De Baljuw.Denk wat op ’t spel staat als het misloopt;…En allermeest wat u laat varen!

De Baljuw.

Denk wat op ’t spel staat als het misloopt;…

En allermeest wat u laat varen!

Brand.Mijzelf verlies ik, als ’k mocht wijken.

Brand.

Mijzelf verlies ik, als ’k mocht wijken.

De Baljuw.Brand, vruchtloos strijdt een eenzaam strijder.

De Baljuw.

Brand, vruchtloos strijdt een eenzaam strijder.

Brand.Mijn troep is sterk; ik heb debesten.

Brand.

Mijn troep is sterk; ik heb debesten.

De Baljuw(glimlacht).Wel mooglijk, ja … maar ik demeesten.(af).

De Baljuw(glimlacht).

Wel mooglijk, ja … maar ik demeesten.(af).

Brand(kijkt hem na).Daar gaat een volbloed volksman, heelRechtschapen denkend, heel welwillend,Op zijn wijs werkzaam, warm en billijk …En toch een geesel voor zijn land.Geen aardverschuiving, storm of vloed,Geen hongersnood, geen vorst of pest,Bewerkt er half het ongelukAls zoo een doet, jaar-in, jaar-uit.Die rampen deren maar hetleven;…Maar hij …! Hoeveel blijmoedig willen,Hoeveel gedachten dooft hij uit,Hoe menig krachtig lied versmoort erDoor zulk benauwd, kleinzielig doen!Hoe menig glimlach om de lippen,Hoe menig lichtstraal in een ziel,Hoeveel verheffings-vreugd en smart,Heeft hij verstard, gedoofd, gedood!(plotseling angstig).Waar blijft de bode!.., komt er niemand?Ja, de dokter!(snelt hem te gemoet).Ja, de dokter!Mijn moeder? Spreek!

Brand(kijkt hem na).

Daar gaat een volbloed volksman, heel

Rechtschapen denkend, heel welwillend,

Op zijn wijs werkzaam, warm en billijk …

En toch een geesel voor zijn land.

Geen aardverschuiving, storm of vloed,

Geen hongersnood, geen vorst of pest,

Bewerkt er half het ongeluk

Als zoo een doet, jaar-in, jaar-uit.

Die rampen deren maar hetleven;…

Maar hij …! Hoeveel blijmoedig willen,

Hoeveel gedachten dooft hij uit,

Hoe menig krachtig lied versmoort er

Door zulk benauwd, kleinzielig doen!

Hoe menig glimlach om de lippen,

Hoe menig lichtstraal in een ziel,

Hoeveel verheffings-vreugd en smart,

Heeft hij verstard, gedoofd, gedood!

(plotseling angstig).

Waar blijft de bode!.., komt er niemand?

Ja, de dokter!(snelt hem te gemoet).

Ja, de dokter!Mijn moeder? Spreek!

De Dokter.Nu staat zij eindlijk voor haar rechter.

De Dokter.

Nu staat zij eindlijk voor haar rechter.

Brand.Dood!… Boetvaardig?

Brand.

Dood!… Boetvaardig?

De Dokter.Dood!… Boetvaardig?Dat g’loof ik niet;Zij hing aan ’t hare hier op aard’Totdat het uur van scheiden sloeg.

De Dokter.

Dood!… Boetvaardig?Dat g’loof ik niet;

Zij hing aan ’t hare hier op aard’

Totdat het uur van scheiden sloeg.

Brand(kijkt stil bewogen voor zich uit).Is hier ’n verdoolde ziel verloren?

Brand(kijkt stil bewogen voor zich uit).

Is hier ’n verdoolde ziel verloren?

De Dokter.Misschien is wel het oordeel zacht,Niet volgens recht, maar bij genade.

De Dokter.

Misschien is wel het oordeel zacht,

Niet volgens recht, maar bij genade.

Brand(zacht).Wat zei zij nog?

Brand(zacht).

Wat zei zij nog?

De Dokter.Wat zei zij nog?Zij mompelde:God is zóó hard niet als mijn zoon!

De Dokter.

Wat zei zij nog?Zij mompelde:

God is zóó hard niet als mijn zoon!

Brand(zinkt in droefheid neer op de bank).Met schuld belast, in stervensnood,Klampt aan die leugen elk zich vast!

Brand(zinkt in droefheid neer op de bank).

Met schuld belast, in stervensnood,

Klampt aan die leugen elk zich vast!

(verbergt zijn gezicht in de handen).

De Dokter(komt naderbij, kijkt hem aan en schudt het hoofd).U wil een lang vervlogen tijdIn alles weer herleven doen.U g’looft nog dat ’t aloud verbondVan God en menschen nog bestaat;…Maar elk geslacht heeft eigen wijs;Het ònze vreest niet meer de hel,Verdoemenis en bakerpraat;…Het hoofdgebod is: wees humaan!

De Dokter(komt naderbij, kijkt hem aan en schudt het hoofd).

U wil een lang vervlogen tijd

In alles weer herleven doen.

U g’looft nog dat ’t aloud verbond

Van God en menschen nog bestaat;…

Maar elk geslacht heeft eigen wijs;

Het ònze vreest niet meer de hel,

Verdoemenis en bakerpraat;…

Het hoofdgebod is: wees humaan!

Brand(kijkt op).Humaan! Ja, juist, dat slappe woordKlinkt door de heele wereld heen!Daarmee slaat iedre hals je doodAls hij niet durft, of kan of wil;Daarmee omhult zich iedre stumperAls hij nietallesdurft te wagen;Daardoor beschermd verbreekt menthansIedre gelofte alras betreurd;…Gij dwergenzielen maakt ten slotVan ieder mensch een humanist!Was jegens Christus God humaan?Had toenuwGod ook geregeerdWaar’ Jezus niet aan ’t kruis genageld.…En heel ’t verzoeningswerk werd danEen handig diplomatenstukje!

Brand(kijkt op).

Humaan! Ja, juist, dat slappe woord

Klinkt door de heele wereld heen!

Daarmee slaat iedre hals je dood

Als hij niet durft, of kan of wil;

Daarmee omhult zich iedre stumper

Als hij nietallesdurft te wagen;

Daardoor beschermd verbreekt menthans

Iedre gelofte alras betreurd;…

Gij dwergenzielen maakt ten slot

Van ieder mensch een humanist!

Was jegens Christus God humaan?

Had toenuwGod ook geregeerd

Waar’ Jezus niet aan ’t kruis genageld.…

En heel ’t verzoeningswerk werd dan

Een handig diplomatenstukje!

(verbergt het hoofd en zit neer in stomme smart).

De Dokter(zacht).Raas uit, raas uit, o ziel in opstand;…Het beste waar’ dat je kon schreien.

De Dokter(zacht).

Raas uit, raas uit, o ziel in opstand;…

Het beste waar’ dat je kon schreien.

Agnes(is op de trap verschenen, bleek en angstig, fluistert zij tegen den dokter).Och toe! Kom mee!

Agnes(is op de trap verschenen, bleek en angstig, fluistert zij tegen den dokter).

Och toe! Kom mee!

De Dokter.Och toe! Kom mee!Je maakt mij angstig,Wat is er kind?

De Dokter.

Och toe! Kom mee!Je maakt mij angstig,

Wat is er kind?

Agnes.Wat is er kind?Een koude doodsangstSloeg mij zoo even om het hart …!

Agnes.

Wat is er kind?Een koude doodsangst

Sloeg mij zoo even om het hart …!

De Dokter.Wat is er?

De Dokter.

Wat is er?

Agnes(trekt hem mee).Wat is er?Kom!… het kind, o God!

Agnes(trekt hem mee).

Wat is er?Kom!… het kind, o God!

(zij gaan het huis in; Brand bemerkt het niet).

Brand(stil in zich zelf).Dood, onverzoend. Dood, als zij leefde.Is dat geen vingerwijzing Gods?Van mij wil hij den tol nu heffen,Dien zij verzuimd heeft te betalen;…Nu driewerf wee mij, als ik wijk!(staat op).Onwankelbaar van nu af aan,Als uitverkoren strijder kampen,Dat geest verwinnen moog’ het vleesch.God gaf mijn tong de kracht van ’t woord,Ontstak zijn toorngloed in mijn ziel;…Nu sta ik in mijn volle macht,Nu durf, nu kan ik rotsen breken!

Brand(stil in zich zelf).

Dood, onverzoend. Dood, als zij leefde.

Is dat geen vingerwijzing Gods?

Van mij wil hij den tol nu heffen,

Dien zij verzuimd heeft te betalen;…

Nu driewerf wee mij, als ik wijk!(staat op).

Onwankelbaar van nu af aan,

Als uitverkoren strijder kampen,

Dat geest verwinnen moog’ het vleesch.

God gaf mijn tong de kracht van ’t woord,

Ontstak zijn toorngloed in mijn ziel;…

Nu sta ik in mijn volle macht,

Nu durf, nu kan ik rotsen breken!

De Dokter(gevolgd door Agnes, komt snel de trappen af en roept).Ruim op je boel en trek er uit!

De Dokter(gevolgd door Agnes, komt snel de trappen af en roept).

Ruim op je boel en trek er uit!

Brand.Al beefde de aard’ toch bleef ik hier!

Brand.

Al beefde de aard’ toch bleef ik hier!

De Dokter.Dan is je kind ten dood gedoemd.

De Dokter.

Dan is je kind ten dood gedoemd.

Brand(ontzet).Alf! ’t Kind! Mijn Alf! Wat meent u toch?Welk spook bedreigt mijn kind!(wil het huis in).

Brand(ontzet).

Alf! ’t Kind! Mijn Alf! Wat meent u toch?

Welk spook bedreigt mijn kind!(wil het huis in).

De Dokter.Welk spook bedreigt mijn kind!Neen, blijf!…Hier is geen licht, hier is geen zon,De lucht is scherp als Noordpoolwind,…Hier hangt een nevel klam en zwaar;…Eén winter nog op deze plekEn ’t teere leven is verwelkt.Vertrek, dan is uw kind gered;Maar doe het gauw, liefst morgen al.

De Dokter.

Welk spook bedreigt mijn kind!Neen, blijf!…

Hier is geen licht, hier is geen zon,

De lucht is scherp als Noordpoolwind,…

Hier hangt een nevel klam en zwaar;…

Eén winter nog op deze plek

En ’t teere leven is verwelkt.

Vertrek, dan is uw kind gered;

Maar doe het gauw, liefst morgen al.

Brand.Van daag, van avond nog, terstond!O, hij wordt sterk weer en gezond;…Geen gletschersneeuw, geen scherpe wind,Zal meer zijn borstje kwellen hier.Kom, Agnes, neem hem zachtjes op!Dan vluchten wij in aller ijl!O, Agnes, ’t is de dood die spintZijn valen sluier om ons kind!

Brand.

Van daag, van avond nog, terstond!

O, hij wordt sterk weer en gezond;…

Geen gletschersneeuw, geen scherpe wind,

Zal meer zijn borstje kwellen hier.

Kom, Agnes, neem hem zachtjes op!

Dan vluchten wij in aller ijl!

O, Agnes, ’t is de dood die spint

Zijn valen sluier om ons kind!

Agnes.Wel vreesde en beefde ik voor gevaar,…Toch waande ik het niet zoo nabij.

Agnes.

Wel vreesde en beefde ik voor gevaar,…

Toch waande ik het niet zoo nabij.

Brand(tegen den dokter).Vlucht kan hem redden? Dat bezweert u?

Brand(tegen den dokter).

Vlucht kan hem redden? Dat bezweert u?

De Dokter.Een leven dat door vaderliefdeWordt welbewaakt, loopt geen gevaar.Wijd u aan hem, en vrees maar niet,Dra wordt hij weer gezond en frisch.

De Dokter.

Een leven dat door vaderliefde

Wordt welbewaakt, loopt geen gevaar.

Wijd u aan hem, en vrees maar niet,

Dra wordt hij weer gezond en frisch.

Brand.Dank! Dank!(tegen Agnes).Dank! Dank!Pak hem vooral goed in;De avondwind waait langs de fjord.

Brand.

Dank! Dank!(tegen Agnes).

Dank! Dank!Pak hem vooral goed in;

De avondwind waait langs de fjord.

(Agnes gaat het huis in).

De Dokter(neemt Brand zwijgend op, die onbewegelijk door de deur naar binnen kijkt, gaat dan naar hem toe, legt de hand op zijn schouder, en zegt:)Voor ’t arme menschdom onbarmhartig,En voor zichzelf zoo heel teerhartig!Voor andren geldt nietveelofweinig,…Alleen hetallesdan, ofniets;Maar eigen moed is ras geweken,Zoodra het lot als offerlamZijn eigen schat heeft aangewezen.

De Dokter(neemt Brand zwijgend op, die onbewegelijk door de deur naar binnen kijkt, gaat dan naar hem toe, legt de hand op zijn schouder, en zegt:)

Voor ’t arme menschdom onbarmhartig,

En voor zichzelf zoo heel teerhartig!

Voor andren geldt nietveelofweinig,…

Alleen hetallesdan, ofniets;

Maar eigen moed is ras geweken,

Zoodra het lot als offerlam

Zijn eigen schat heeft aangewezen.

Brand.Wat wil u zeggen?

Brand.

Wat wil u zeggen?

De Dokter.Wat wil u zeggen?Harde woordenHeeft u uw moeder toegebulderd,Verdoemd, als alles zij niet gaf,Als naakt zij niet daalde af in ’t graf.En ’t zelfde woord klonk menigmaalWaar veel en diep geleden werd!Nú drijft uw eigen boot in stormOp noodlotsgolven rond in zee,Nu werpt van de omgeslagen kielU snel den schuldbrief over boord,…Weg, over boord, het zware boek,Waarmee u zelf de broeders sloeg;Nu is de zaak, in stijve briesTe zoeken heil voor eigen telg.Snel weg van hier, van storm en fjord,…Snel weg zelfs van uw moeders lijk,…Snel weg van zielezorg en werk;…Nu staakt de priester zijn bedrijf!…

De Dokter.

Wat wil u zeggen?Harde woorden

Heeft u uw moeder toegebulderd,

Verdoemd, als alles zij niet gaf,

Als naakt zij niet daalde af in ’t graf.

En ’t zelfde woord klonk menigmaal

Waar veel en diep geleden werd!

Nú drijft uw eigen boot in storm

Op noodlotsgolven rond in zee,

Nu werpt van de omgeslagen kiel

U snel den schuldbrief over boord,…

Weg, over boord, het zware boek,

Waarmee u zelf de broeders sloeg;

Nu is de zaak, in stijve bries

Te zoeken heil voor eigen telg.

Snel weg van hier, van storm en fjord,…

Snel weg zelfs van uw moeders lijk,…

Snel weg van zielezorg en werk;…

Nu staakt de priester zijn bedrijf!…

Brand(grijpt in vertwijfling naar zijn hoofd om zijn gedachten te verzamelen).Ben ik nù blind? Wàs ik het eerst?

Brand(grijpt in vertwijfling naar zijn hoofd om zijn gedachten te verzamelen).

Ben ik nù blind? Wàs ik het eerst?

De Dokter.U doet als vader stellig goed.Denk niet dat ’k afkeur wat u doet;…Voor mij is u, gebroken nu,Veel grooter dan de sterke held …Vaarwel! Ik hield u vóór den spiegel;Kijk er eens in, en zucht: mijn God,Zoo ziet een Godsgetuige er uit!(af).

De Dokter.

U doet als vader stellig goed.

Denk niet dat ’k afkeur wat u doet;…

Voor mij is u, gebroken nu,

Veel grooter dan de sterke held …

Vaarwel! Ik hield u vóór den spiegel;

Kijk er eens in, en zucht: mijn God,

Zoo ziet een Godsgetuige er uit!(af).

Brand(staart een oogenblik voor zich uit, barst dan plotseling uit).Waar tastte ik mis? Nu, of te voren?!

Brand(staart een oogenblik voor zich uit, barst dan plotseling uit).

Waar tastte ik mis? Nu, of te voren?!

(Agnes komt de deur uit met een mantel om de schouders en het kind op haar arm; Brand ziet haar niet. Zij wil spreken maar blijft als verlamd van schrik staan, als zij de uitdrukking van zijn gezicht ziet. Op hetzelfde oogenblik komt er een man haastig door het tuinhek binnen. De zon gaat onder).

De Man.Brand, hoor, u heeft een vijand hier!

De Man.

Brand, hoor, u heeft een vijand hier!

Brand(drukt de handen op zijn borst).Ja,hier!

Brand(drukt de handen op zijn borst).

Ja,hier!

De Man.Ja,hier!Wees voor den Baljuw op uw hoede.Al vruchtbaar werd uw werken hier,Tot hij ’t vergiftigde met praatjes!Al dikwijls heeft hij uitgestrooidDat gauw uw huis wel leeg zou staan,…Zei dat u ons zou gaan verlaten,Zoodra uw rijke moeder stierf.

De Man.

Ja,hier!Wees voor den Baljuw op uw hoede.

Al vruchtbaar werd uw werken hier,

Tot hij ’t vergiftigde met praatjes!

Al dikwijls heeft hij uitgestrooid

Dat gauw uw huis wel leeg zou staan,…

Zei dat u ons zou gaan verlaten,

Zoodra uw rijke moeder stierf.

Brand.En als ’t zoo was?

Brand.

En als ’t zoo was?

De Man.En als ’t zoo was?Ik ken u immersEn weet waarom hij dat vertelt;U staat toch tegenover hem,Heeft voor zijn wil nog nooit gebogen …Dàt is de reden van zijn wrok …

De Man.

En als ’t zoo was?Ik ken u immers

En weet waarom hij dat vertelt;

U staat toch tegenover hem,

Heeft voor zijn wil nog nooit gebogen …

Dàt is de reden van zijn wrok …

Brand(weifelend).Misschien dat hij de waarheid zei.

Brand(weifelend).

Misschien dat hij de waarheid zei.

De Man.Dan heeft dusuons steeds belogen?…

De Man.

Dan heeft dusuons steeds belogen?…

Brand.Ik?

Brand.

Ik?

De Man.Ik?Ja. Heeft u ons niet gezegdDat God zelf u verkoren hadOm hier te wonen onder ons;Dat u uw strijd hier voeren zou,Dat niemand mag zijn taak verzaken,Dat hij moet staan, maar nimmer wijken?Die taak is de uwe! Warm en lichtGloort al uw vuur in menig borst.

De Man.

Ik?Ja. Heeft u ons niet gezegd

Dat God zelf u verkoren had

Om hier te wonen onder ons;

Dat u uw strijd hier voeren zou,

Dat niemand mag zijn taak verzaken,

Dat hij moet staan, maar nimmer wijken?

Die taak is de uwe! Warm en licht

Gloort al uw vuur in menig borst.

Brand.Neen, ’t oor der menigte is doof;Haast ieders ziel is dof en loom!

Brand.

Neen, ’t oor der menigte is doof;

Haast ieders ziel is dof en loom!

De Man.U weet wel beter;… ’t hemelsch lichtBreekt hier in meen’ge ziel al door.

De Man.

U weet wel beter;… ’t hemelsch licht

Breekt hier in meen’ge ziel al door.

Brand.Maar in de meesten is ’t nog nacht.

Brand.

Maar in de meesten is ’t nog nacht.

De Man.U is als ’t licht dat schijnt bij nacht.Doch laat het wezen zoo het wil;Het komt hier niet op tellen aan;Want hier sta ik, een eenig man,En zeg: ga heen dan als u kan!Mijn ziel is vol, al weet ik weinigVan alles wat staat in de boeken,U heeft uit ’t niet mij opgeheven,…Zie of u nu mij los mag laten!U kan het niet; ik houd u vast;’k Verloor mijn ziel, gaf ’k prijs mijn greep!…Vaarwel! ’k Verwacht getroost ’t bericht!Noch u, noch uw God laat mij los!(af).

De Man.

U is als ’t licht dat schijnt bij nacht.

Doch laat het wezen zoo het wil;

Het komt hier niet op tellen aan;

Want hier sta ik, een eenig man,

En zeg: ga heen dan als u kan!

Mijn ziel is vol, al weet ik weinig

Van alles wat staat in de boeken,

U heeft uit ’t niet mij opgeheven,…

Zie of u nu mij los mag laten!

U kan het niet; ik houd u vast;

’k Verloor mijn ziel, gaf ’k prijs mijn greep!…

Vaarwel! ’k Verwacht getroost ’t bericht!

Noch u, noch uw God laat mij los!(af).

Agnes(schuchter).Je wang is wit, je mond is bleek,Alsof je pijn hadt in je ziel.

Agnes(schuchter).

Je wang is wit, je mond is bleek,

Alsof je pijn hadt in je ziel.

Brand.Elk klinkend woord dat ’k eertijds sprakSlaat als een echo nu terug.

Brand.

Elk klinkend woord dat ’k eertijds sprak

Slaat als een echo nu terug.

Agnes(komt een stap nader).Ik ben bereid.

Agnes(komt een stap nader).

Ik ben bereid.

Brand.Ik ben bereid.Bereid? Waartoe?

Brand.

Ik ben bereid.Bereid? Waartoe?

Agnes(met kracht).Tot wat een moeder mag en wil!

Agnes(met kracht).

Tot wat een moeder mag en wil!

(Gerd loopt voorbij op den weg en blijft bij den tuinmuur staan).

Gerd(klapt in de handen en roept wild en blij:)Hoorde je ’t al? Weg vloog de priester!…Uit de bergen, op de rotsenWemelt het van bergkabouters,Zwarte, woeste, groot en klein,…Hoeh, wat sloeg de bende d’r op …!Rukten de oogen mij haast uit,Half mijn ziel viel hun ten buit;…Och, ’k kan ’t met de helft wel stellen’k Heb van ’t wrak genoeg nog over!

Gerd(klapt in de handen en roept wild en blij:)

Hoorde je ’t al? Weg vloog de priester!…

Uit de bergen, op de rotsen

Wemelt het van bergkabouters,

Zwarte, woeste, groot en klein,…

Hoeh, wat sloeg de bende d’r op …!

Rukten de oogen mij haast uit,

Half mijn ziel viel hun ten buit;…

Och, ’k kan ’t met de helft wel stellen

’k Heb van ’t wrak genoeg nog over!

Brand.Kind, je raaskalt, zie je nietDat ik hier vlak vóór je sta?

Brand.

Kind, je raaskalt, zie je niet

Dat ik hier vlak vóór je sta?

Gerd.Jij? Jawel, maar niet de priester!Van den Zwarten Top mijn havikVloog rechtuit, de helling langs,Boos en wild, met tuig en zadel,Sneed hij blazend d’ochtendwind;En een man zat op zijn rug …Dat was hij, dat was de priester!Nu staat leeg de kerk van ’t dorp,’t Slot dicht en de boom er voor.’t Is gedaan met ’t nare kerkje,En nu komt mijn kerk tot eere,Waar mijn priester preekt en zingt,Sterk en groot, in ’t witte miskleedDoor den wintervorst geweven;…Wil je ’m zien? Kom dan maar mee,Woorden spreekt mijn priester, dieKlinken heel de wereld door!

Gerd.

Jij? Jawel, maar niet de priester!

Van den Zwarten Top mijn havik

Vloog rechtuit, de helling langs,

Boos en wild, met tuig en zadel,

Sneed hij blazend d’ochtendwind;

En een man zat op zijn rug …

Dat was hij, dat was de priester!

Nu staat leeg de kerk van ’t dorp,

’t Slot dicht en de boom er voor.

’t Is gedaan met ’t nare kerkje,

En nu komt mijn kerk tot eere,

Waar mijn priester preekt en zingt,

Sterk en groot, in ’t witte miskleed

Door den wintervorst geweven;…

Wil je ’m zien? Kom dan maar mee,

Woorden spreekt mijn priester, die

Klinken heel de wereld door!

Brand.Ong’lukskind, wou je mij lokkenMet verdwaasde afgoderijen?

Brand.

Ong’lukskind, wou je mij lokken

Met verdwaasde afgoderijen?

Gerd(komt het tuinhek in).Wat zijn dat, afgoderijen?’n Afgod? O, ik weet het al;Somtijds groot en somtijds klein;Altijd goud en mooi en kleurig.’n Afgod! Hoor eens, zie je háár daar?Kan je onder ’t kleed herkennenKinderhandjes, kinderbeenen?Zie je niet hoe mooi en kleurigAl die windsels iets omhullen?’t Lijkt een kind dat rustig slaapt,Angstig wijkt zij … dekt het toe!’n Afgod? Man, dàt is een afgod!

Gerd(komt het tuinhek in).

Wat zijn dat, afgoderijen?

’n Afgod? O, ik weet het al;

Somtijds groot en somtijds klein;

Altijd goud en mooi en kleurig.

’n Afgod! Hoor eens, zie je háár daar?

Kan je onder ’t kleed herkennen

Kinderhandjes, kinderbeenen?

Zie je niet hoe mooi en kleurig

Al die windsels iets omhullen?

’t Lijkt een kind dat rustig slaapt,

Angstig wijkt zij … dekt het toe!

’n Afgod? Man, dàt is een afgod!

Agnes(tegen Brand).Heb jij tranen en gebeden?Angst heeft ’t àl bij mij verjaagd!

Agnes(tegen Brand).

Heb jij tranen en gebeden?

Angst heeft ’t àl bij mij verjaagd!

Brand.Agnes,… wee! Ik meen te voelenDat een hoogre macht haar zond!

Brand.

Agnes,… wee! Ik meen te voelen

Dat een hoogre macht haar zond!

Gerd.Hoor nu, alle klokken luidenBoven op den wilden top!Kijk eens wat een troep daar heen trekt,Naar mijn kerk in ’t ijsgewelf!Zie je wel al die kabouters,Die de priester joeg in zee?Zie je wel die dwergen allen,Die tot nu begraven lagen?En den steen had hij verzegeld.Zee noch graf kan hen meer houden,Zie ze koud en kil krioelen;…Kindren, schijndood, zie ik schreien,Van zich wentlen rotssteenblokken.Vader! Moeder! schreeuwen zij!Mannen, vrouwen schieten toe.Kijk, de dorper loopt in ’t middenVan een heelen stoet van zonen;En zijn vrouw legt ’t doode kindjeAan haar borst om het te laven;…Nooit nog droeg zoo hoog zij ’t hoofdToen zij hield het kind ten doop.Priester weg … toen kwam er leven!

Gerd.

Hoor nu, alle klokken luiden

Boven op den wilden top!

Kijk eens wat een troep daar heen trekt,

Naar mijn kerk in ’t ijsgewelf!

Zie je wel al die kabouters,

Die de priester joeg in zee?

Zie je wel die dwergen allen,

Die tot nu begraven lagen?

En den steen had hij verzegeld.

Zee noch graf kan hen meer houden,

Zie ze koud en kil krioelen;…

Kindren, schijndood, zie ik schreien,

Van zich wentlen rotssteenblokken.

Vader! Moeder! schreeuwen zij!

Mannen, vrouwen schieten toe.

Kijk, de dorper loopt in ’t midden

Van een heelen stoet van zonen;

En zijn vrouw legt ’t doode kindje

Aan haar borst om het te laven;…

Nooit nog droeg zoo hoog zij ’t hoofd

Toen zij hield het kind ten doop.

Priester weg … toen kwam er leven!

Brand.Wijk van mij! Ik zie welhaastErger spoken …

Brand.

Wijk van mij! Ik zie welhaast

Erger spoken …

Gerd.Erger spoken …Hoor! Hij lacht,Hij, die aan den weg daar zit,Hij, die opstijgt naar den top,En hij schrijft er in zijn boekIedre ziel die opwaarts toog;…Ha, hij heeft ze bijna allen;’t Kerkje staat ginds immers leeg,’t Slot dicht en de boom er voor,…Op den havik vlood de priester!

Gerd.

Erger spoken …Hoor! Hij lacht,

Hij, die aan den weg daar zit,

Hij, die opstijgt naar den top,

En hij schrijft er in zijn boek

Iedre ziel die opwaarts toog;…

Ha, hij heeft ze bijna allen;

’t Kerkje staat ginds immers leeg,

’t Slot dicht en de boom er voor,…

Op den havik vlood de priester!

(springt over het tuinmuurtje en verdwijnt tusschen de rotsen).

(een stilte).

Agnes(komt nader en zegt gedempt:)Laat ons gaan; nu is het tijd.

Agnes(komt nader en zegt gedempt:)

Laat ons gaan; nu is het tijd.

Brand(staart haar aan).Waarheen gaan wij?(wijst eerst op het tuinhek, dan op de huisdeur).Waarheen gaan wij?(wijst eerst op het tuinhek, dan op de huisdeur).Daar?… of daar?

Brand(staart haar aan).

Waarheen gaan wij?(wijst eerst op het tuinhek, dan op de huisdeur).

Waarheen gaan wij?(wijst eerst op het tuinhek, dan op de huisdeur).Daar?… of daar?

Agnes(wijkt verschrikt achteruit).Brand, je kind!…

Agnes(wijkt verschrikt achteruit).

Brand, je kind!…

Brand(volgt haar).Brand, je kind!…Wat was ik eerderZeg mij, dienaar Gods of vader?

Brand(volgt haar).

Brand, je kind!…Wat was ik eerder

Zeg mij, dienaar Gods of vader?

Agnes(wijkt verder terug).Al stelde mij God zelf die vraag …Beslissen zal ik nimmermeer!

Agnes(wijkt verder terug).

Al stelde mij God zelf die vraag …

Beslissen zal ik nimmermeer!

Brand(volgt haar weer).Spreek als moeder: màg ik gaan?Jij hebt hier het laatste woord!

Brand(volgt haar weer).

Spreek als moeder: màg ik gaan?

Jij hebt hier het laatste woord!

Agnes.’k Ben je vrouw, mocht je bevelen,Zal ’k gehoorzaam zijn en buigen.

Agnes.

’k Ben je vrouw, mocht je bevelen,

Zal ’k gehoorzaam zijn en buigen.

Brand(wil haar arm grijpen).Neem dien kelk der keus van mij!

Brand(wil haar arm grijpen).

Neem dien kelk der keus van mij!

Agnes(wijkt achter den boom).Dan zou ik geen moeder zijn!

Agnes(wijkt achter den boom).

Dan zou ik geen moeder zijn!

Brand.’n Oordeel ligt er in dat woord!

Brand.

’n Oordeel ligt er in dat woord!

Agnes(met kracht).Vraag je zelf af: hèb ik keus?

Agnes(met kracht).

Vraag je zelf af: hèb ik keus?

Brand.Sterker nog het oordeel klinkt!

Brand.

Sterker nog het oordeel klinkt!

Agnes.Voel je je als door God verkoren?

Agnes.

Voel je je als door God verkoren?

Brand.Ja!(grijpt haar hand vast).Ja!En nu moet jij ook zeggen’t Woord van leven of van dood!

Brand.

Ja!(grijpt haar hand vast).

Ja!En nu moet jij ook zeggen

’t Woord van leven of van dood!

Agnes.Ga den weg, dien God gebiedt!

Agnes.

Ga den weg, dien God gebiedt!

(Pauze).

Brand.Laat ons gaan; nu is het tijd.

Brand.

Laat ons gaan; nu is het tijd.

Agnes(toonloos).Welken weg dan?

Agnes(toonloos).

Welken weg dan?

Brand(zwijgt).

Brand(zwijgt).

Agnes(wijst naar het tuinhek en vraagt).Welken weg dan?Dien?

Agnes(wijst naar het tuinhek en vraagt).

Welken weg dan?Dien?

Brand(wijst naar de huisdeur).Welken weg dan? Dien?Neen,… dien!

Brand(wijst naar de huisdeur).

Welken weg dan? Dien?Neen,… dien!

Agnes(heft het kind in haar armen hoog omhoog).God! Dit offer dat gij eischtHef ik trotsch ten hemel op!Leid mij nu door ’s levens nacht!(gaat naar binnen).

Agnes(heft het kind in haar armen hoog omhoog).

God! Dit offer dat gij eischt

Hef ik trotsch ten hemel op!

Leid mij nu door ’s levens nacht!(gaat naar binnen).

Brand(staart een poos voor zich uit, barst in tranen uit, slaat de handen boven zijn hoofd in elkaar, laat zich op de trap neervallen en roept uit:)Jezus! Jezus! Geef mij licht!

Brand(staart een poos voor zich uit, barst in tranen uit, slaat de handen boven zijn hoofd in elkaar, laat zich op de trap neervallen en roept uit:)

Jezus! Jezus! Geef mij licht!

EINDE VAN HET DERDE BEDRIJF.


Back to IndexNext