DERDE BEDRIJF.Diep in het pijnbosch. Grauw herfstweer. Sneeuwval. Peer Gynt staat in zijn hemdsmouwen hout te kloven.Peer Gynt(hakt een groote den met kromme takken om).Ja, ja, je bent taai, jij ouwe vriend;Maar dat helpt je niets, je moet er toch aan.(hakt weer).Ik zie wel, je draagt een pantserhemd;…Maar dat sla ’k wel kapot, al was ’t ook nog zoo sterk …Ja, ja, je schudt je knoestigen arm;’t Is begrijplijk genoeg, je bent kwaad, hebt ’t land;Maar hoe ’t ook zij, je moet bukken voor mij …!(breekt plotseling af).Zinsbedrog! ’t Is maar een oude boom.Zinsbedrog! ’t Is geen pantserhemd;Het is maar een pijnboom met ruigen bast …Het is inspannend werk, dat boomen hakken,Maar waanzin te hakken en daarbij nog te droomen.Dat moet uit zijn nu,… in den mist te starenEn zich klaar wakker te laten wegdrijven …Verbannen ben je! Een ’t bosch in gejaagde.(hakt een tijdlang hard door).Verbannen. Je hebt geen moeder meerOm je eten te brengen, je tafel te dekken;Wil je eten, kerel, help dan je zelf maar,Haal je wat rauws uit bosch of beek.Zoek je wat rijshout en steek het in brand,Pruts wat en kook wat en maak maar wat klaar.Wil je warme kleeren, vang dan een rendier;Wil je een huis bouwen, houw dan blokken steen;Wil je ’t opbouwen, moet je balken zagenEn zelf ze op je rug naar de plaats toe dragen.…(zijn bijl zinkt neer, hij staart voor zich uit).Mooi zal het worden. ’n Toren met vaanZal er op het dak staan en uitsteken hoog;En op den gevel, van hout gesneden,Een zeemeermin, met ’n vischstaart in plaats van beenen.Koper moet er zijn aan het slot en het vaantje.Glas moet ik ook zien te krijgen nog;Vreemden zullen dan vragen, verbaasd,Wat daar zoo schittert verweg in de bergen.(lacht grimmig).O helsche leugens! Daar zijn ze weer.Je bent ’n banneling, kerel!(hakt weer met woede).Je bent ’n banneling, kerel!Een dak van schorsBeschut ook voldoend tegen wind en vorst.(kijkt op naar den boom).Nu staat hij te wank’len. Kom, nog maar één houw!Dan valt hij, zoo lang als hij is, van zelf al;Het trilt al in ’t jonge hout, ruischend en klagend!(wil beginnen den stam van zijn takken te ontdoen; op-eens luistert hij en blijft stilstaan met opgeheven bijl).Daar komt iemand achter mij!… Doe je het zóó,Jij Haegstad-boer;… dat is een valsche streek.(schuilt weg achter den boom en gluurt).Een kerel! Maar één. Hij lijkt wel bang.Schuw kijkt hij in ’t rond. Wat verbergt hijOnder zijn buis? Een sikkel! Hij staat stil en gluurt,Legt zijn vuist op zijn stok neer … en nu? Wat is dat?Waarom staat hij nu stil en grijpt zijn sikkel?O jé! Daar hieuw hij zijn vinger af!Zijn heelen vinger! Hij bloedt als een varken!Daar gaat hij er van door met zijn vuist in een doek.(staat op).Die lijkt wel bezeten! Een onmisbare vinger!Er af! En zonder dat iemand hem dwingt …Wacht! Nu begrijp ik ’t …! Dat is het eenigeMiddel om van den dienst vrij te komen.Dat is ’t. Zij wilden hem in d’oorlog sturen,En de kerel natuurlijk, wou niet graag weg …Maar afhakken …? Hem verliezen voor goed …?’t Te bedenken, te wenschen, tewillenzelfs;En ’t tedoen! Neen, dat begrijp ik toch niet!(Schudt even het hoofd, dan gaat hij weer aan het werk).Een kamer in Aase’s huis. Alles is in wanorde; kisten staan open; daagsche kleeren liggen uitgespreid in het rond; een kat in het bed.Aaseen debuurvrouwdruk bezig met bij elkaar te pakken en op te ruimen.Aase(loopt naar den éénen kant).Kari, hoor eens!Kari.Kari, hoor eens!Wat is ’t?Aase(aan den anderen kant).Kari, hoor eens! Wat is ’t?Hoor eens …!Waar ligt …? Waar kan ’k vinden …? Zeg eens, waar is …?Waar zoek ik toch naar? Ik ben als versuft!Waar is de sleutel van de kist?Kari.Waar is de sleutel van de kist?Die steekt er op.Aase.Wat rammelt zoo buiten?Kari.Wat rammelt zoo buiten?De laatste vracht.Wordt naar Haegstad gebracht.Aase(schreiend).Wordt naar Haegstad gebracht.O, ik zou blij zijnAls ’k zèlf in de zwarte kist werd uitgedragen!Och, hoevéél moet een mensch toch lijden en uitstaan!God zij mij genadig! ’t Heele huis is leeg!Wat de Haegstad-boer liet staan, nam de deurwaarder mee.Zelfs de kleeren aan ’t lijf bleven niet gespaard.’t Is schande een mensch zoo te behand’len!(gaat op den rand van het bed zitten).Nu is alles, huis, hof en land verloren;Hard was de oude, maar harder het gerecht;Er was geen hulp meer en ook geen genade;Peer was er niet, en niemand kon mij bijstaan.Kari.Hier in huis mag je nu toch blijven tot je dood.Aase.Ja, de kat en ik, wij krijgen genadebrood!Kari.Ja, moeder, ’t was Peer die je duur kwam te staan!Aase.Peer? Zeg, ben je nu heelemaal mal!Ingrid kwam immers heelhuids weer thuis.Zij hadden zich bij den duivel moeten houden;…Hij is de schuldige, hij, en niemand anders;De booze dreef mijn armen jongen er toe!Kari.Zou je niet liever eens om den priester sturen?’t Gaat hem slechter dan je misschien wel denkt.Aase.Om den priester? Och ja, dat was zoo kwaad niet.(richt zich op).Maar neen! dat kan ik niet!Ikben z’n moeder toch;Ikzal helpen; dat ’s niet meer dan mijn moederplicht;Doen zooveel ik kan, als geen ander iets doet.Dat buis hier, mag hij hebben. Dat zal ik lappen.’k Wou dat ik hun ook dat vel durfde afsnappen!Waar zijn de kousen?Kari.Waar zijn de kousen?Dáár, bij den anderen rommel.Aase(rommelt er in).Wat vind ik daar? Och neen maar, een oudenGietlepel, Kari! Daarmee heeft hij gespeeldKnoopen-gieten, smelten en stemplen.Eens, toen hier feest was, kwam de jongen thuisEn vroeg zijn vader om een klomp tin;Geen tin, zei Jon, maar koning Christiaans munt,Zilver; men moet zien dat je een zoon bent van Jon GyntGod vergeve het Jon; maar dronken was hij,En dan lette hij op geen goud of geen tin.Hier zijn de kousen. O, wat een gaten!Dat geeft stopwerk, Kari!Kari.Dat geeft stopwerk, Kari!Dat ’s noodig, dunkt mij.Aase.Als dat gedaan is, ga ’k maar naar bed;Ik voel mij zoo zwak en ziek en benauwd …Twee wollen hemden; die hebben zij vergeten!Kari.Ja, dat hebben zij nèt.Aase.Ja, dat hebben zij nèt.Dat treft juist goed.Het eene kan je op zijde leggen.Of wacht, wij moesten ze maar beide houden;Dat wat hij aan heeft is al zoo dun.Kari.Maar, moeder Aase, dat mag toch niet!Aase.Nou ja, maar je weet, de priester verkondigtVergeving voor dit en meer andere zonden.Buiten een nieuwgebouwde hut in het bosch. Een rendiergewei boven de deur. De sneeuw ligt hoog. Het schemert al. Peer Gynt staat voor de deur en spijkert een groot houten slot vast.Peer Gynt(lacht nu en dan hardop).Een slot moet er zijn; een slot dat houdt buitenAl de kabouters, mannen en vrouwen.Een slot moet er zijn, om de hut af te sluitenVoor al die kwaadaardige, looze dwergen …Zij komen met ’t donker; zij kloppen en tikken:Maak open, Peer Gynt, wij zijn vlug als gedachten!Wij schudden het bed, wij blazen het vuur aan,Stijgen op door den schoorsteen als vurige draken.Hihi! Peer, denk je met spijkers en plankenDen toegang voor ’t nijdige dwergvolk te stuiten?(Solvejg komt op sneeuwschoenen over de heide; zij heeft een doek over het hoofd en een bundel in de hand).Solvejg.God zegen je arbeid. Je moet mij niet verstooten.Ik kom omdat je riep, dus moet je mij nemen.Peer Gynt.Solvejg! ’t Is toch niet …! Jawel, ’t is waar!…En je bent niet meer bang om dicht bij mij te komen!Solvejg.Je zondt mij een boodschap door kleine Helga;Vele bracht nog later heimlijk de wind mij.’n Boodschap was al wat je moeder vertelde,’n Boodschap mijn droom als ’k te slapen mij legde.Nachten zoo droef, en zoo leeg al de dagen,Zeiden het mij, dat ik nu moest komen.Als uitgebluscht was het leven daarginder;Ik kon niet van harte meer lachen of schreien.Ik wist niet heel zeker wat in jou omging;Ik wist alleen maar, dat het mij naar je toe drong.Peer Gynt.Maar je vader?Solvejg.Maar je vader?Op Gods wijde wereldHeb ’k niemand, die vader of moeder mij is.Ik ben los nu van allen.Peer Gynt.Ik ben los nu van allen.Solvejg, jij lieve,Om de mijne te zijn?Solvejg.Om de mijne te zijn?Ja, alleen de jouwe;Jij moet alles mij zijn; mijn thuis en familie.(schreiend).’t Ergst was het mijn zusje achter te laten;…Maar erger toch nog van vader te gaan;Maar ’t allerergst te scheiden van moeders borst;…Neen, God vergeef mij, ’t ergst nog van allesWas de smart van ’t heengaan van allen … allen!Peer Gynt.En ken je mijn vonnis in ’t voorjaar geveld?Dat scheidt mij voor goed van huis en hof.Solvejg.Denk je soms dat ik voor wereldsche haveVoor altijd van die mij lief waren scheidde?Peer Gynt.En weet je ook, dat ik, eens buiten het bosch,Mag opgepakt worden als iemand mij ziet?Solvejg.Op sneeuwschoenen liep ik, en vroeg naar den weg;Zij vorschten waar ’k heen moest; ik antwoordde: naar huis.Peer Gynt.Weg dan met al die spijkers en planken.Geen grendels nu meer tegen nijdige dwergen.Durf jij voortaan bij den jager te blijven,Dan zal mijn hut ook gewijd zijn, dat weet ik.Solvejg! ’k Moet je aanzien! Niet al te dicht bij!Aanzien alleen maar! Wat ben je toch stralend blank!Je óplichten even! Wat ben je toch licht en teer!Als ik je dragen moet, Solvejg, word ik nooit moe!’k Zal je niet vuil maken. Met gestrekte armenHou ik je voor mij uit, jij lieve, barmhartige!Wie had ooit gedacht dat ik je zou dragen …!O maar, naar je verlangd heb ik nachten en dagen.Hier, zie je, heb ik getimmerd en gebouwd;Maar dat moet nu weer weg; ’t is hier arm en kaal …Solvejg.Of arm of rijk,… het is hier naar mijn zin.Je ademt zoo vrij in den bergkoelen wind …Beneden was ’t bedompt; daar had ik het benauwd;Dát was het óok wel wat uit ’t dorp mij heeft gejaagd.Maar hier, waar je hoort der dennen geruisch.…Hier is rust en gezang!… hier voel ik mij thuis.Peer Gynt.En weet je ’t ook goed? Je heele leven lang?Solvejg.De weg, dien ik ging, voert nooit meer terug.Peer Gynt.Ik heb je dus! Kom! Laat ’k je zien in mijn huisje!Ga binnen! ’k Zal even wat brandhout gaan halen;Warm en gezellig en licht zal het worden,Zacht zal je zitten en geen koû zal je lijden!(doet de deur open; Solvejg gaat binnen. Hij staat een oogenblik stil; dan lacht hij luid van blijdschap en maakt een luchtsprong).Peer Gynt.Mijn koningskind! Nu is ’t gevonden en gewonnen!Neen, nu wordt de slotbouw van nieuw af weer begonnen!(hij grijpt de bijl en wil teruggaan; op hetzelfde oogenblik komt een oudachtige vrouw in een gescheurden groenen rok uit het kreupelhout. Een leelijke jongen met een bierflesch in de hand hinkt haar achterna, zich aan haar rok vasthoudend).De Vrouw.Goên avond, Peer Luchthart!Peer Gynt.Goên avond, Peer Luchthart!Hè? Wie ’s dat?De Vrouw.Oude vrienden, Peer Gynt! Mijn woning staat dicht bij.Wij zijn buren.Peer Gynt.Wij zijn buren.Zoo? Dat is meer dan ik weet.De Vrouw.Al naar je hut oprees, ontstond ook de mijne.Peer Gynt(wil weg).Ik heb haast …De Vrouw.Ik heb haast …Ja, dat heb je altijd, man;Maar ik loop je achterna en je raakt mij zoo niet kwijt.Peer Gynt.Je vergist je!De Vrouw.Je vergist je!Dat heb ik ééns gedaan;Dat deed ik dien keer toen met beloften jij kwam.Peer Gynt.Beloften …? Wat duivel is dat voor praat?De Vrouw.Vergeet je den avond bij vader thuis?Vergeet je …?Peer Gynt.Vergeet je …?’k Vergat wat ik nooit geweten heb.Waar zagen we elkaar dan den laatsten keer?De Vrouw.Waar wij elkaar zagen den eersten keer.(tegen den jongen).Laat vader eens drinken; ’k geloof dat hij dorst heeft.Peer Gynt.Vader? Je bent dronken! Noem je hem …?De Vrouw.Je moest toch het dier aan zijn huid herkennen!…Heb je geen oogen? Je kunt ’t toch wel zienZijn poot is even lam als jouw heele aard is.Peer Gynt.Wou je mij wijs maken …?De Vrouw.Wou je mij wijs maken …?Wou je uitvluchten zoeken?Peer Gynt.Die langbeenige jongen …!De Vrouw.Die langbeenige jongen …!Hij is hard gegroeid.Peer Gynt.Durf jij mij opdringen, leelijke heks …De Vrouw.Hoor eens, Peer Gynt, je bent grof als een os …!(huilend).Kan ik het helpen dat ’k niet meer zoo mooi ben,Als toen je mij lokte over glooiende heuvels?De duivel, toen ’k baarde in den herfst, trok kromMijn rug, en daar wordt je niet beter van.Maar als je mij mooi weer als vroeger wilt zien,Wijs dan maar die meid, die daar ginds zit, de deur.Jaag haar uit je oogen en zinnen maar weg;…Doe dat, lieve vriend, dan verander ’k van tronie!Peer Gynt.Wijk van mij, booze heks!De Vrouw.Wijk van mij, booze heks!Maar ik ga niet, hoor!Peer Gynt.Ik sla je de hersens in …!De Vrouw.Ik sla je de hersens in …!Ja, zie eens of je durft!Hoho, Peer Gynt, geen slag die mij deert!…Ik kom hier toch iedren dag weer terug.Ik kijk door de deur, en begluur je te zamen.Zit met de deern je dan in ’t schemeruur,…Wordt je teeder … Peer Gynt … wil je een deuntje vrijen,…Kom ik bij je zitten en eisch ook mijn deel.Zij en ik, wij hebben je dan beurt om beurt.Vaarwel, jongenlief; hoû jij nu morgen maar bruiloft, hoor!Peer Gynt.Jij helsche nachtmerrie!De Vrouw.Jij helsche nachtmerrie!Maar dat ’s waar ook!Den jongen, jouw mankepoot, dien voedt jij op!Duivelskind, wil jij naar je vader toe?De Jongen(spuwt naar hem).Duivelskind, wil jij naar je vader toe?Daar!’k Zal je hakken met een bijl, hoor; wacht maar, mettertijd!De Vrouw(kust den jongen).Och, wat een hoofd op dat lichaam toch zit!Jij maakt je vader nog eenmaal beschaamd!Peer Gynt(stampvoetend).O, was je zoo ver …!De Vrouw.O, was je zoo ver …!Als wij dichtbij zijn nu?Peer Gynt(balt de vuisten).En dat alles …!De Vrouw.En dat alles …!Voor zinnenbegeerte alleen!’t Is zonde van je, Peer!Peer Gynt.’t Is zonde van je, Peer!’t Meest voor een andre!…Solvejg! mijn parel, zoo zuiver, zoo rein!De Vrouw.Ja, ja, zei de duivel, de onschuld moet lijden,Toen z’n vader zat was en z’n moeder ’m sloeg!(Zij gaat het kreupelhout weer in met den jongen die hem de bierflesch achterna gooit).Peer Gynt(na lang zwijgen).Er omheen, zei Böjg. Ja, nu moet ik ’t doen …Daar viel mijn koninklijk slot in duigen!’t Trok een muur op om haar … en ’k was zoo nabij;Op-eens was hier ’t mooi weg; verlept was mijn blijdschap …Geef het op, kerel! Erisgeen wegDwars door dat alles van jou naar haar toe.Dwars er doorheen? Die moet toch zijn te vinden.Er staat iets van berouw, als ik mij goed herinner.Maar wat? Wat staat er? Ik heb ’t boek niet meer,Heb ’t meeste vergeten, en hier is ook niemandIn ’t wilde bosch, die mij terecht kan helpen …Berouw? Daar konden wel jaren mee heengaanEer ik er doorheen was. Zoo’n leven zou triest zijn.Kapot slaan wat glanzend en licht en mooi is,En dan van de scherven weer maken wat nieuws.Dat gaat met ’n viool maar gaat niet met een klok.Je moet niet vertrappen wat nog groeien moet.Maar dat was toch ’n leugen van die heksentronie!Nu is al dat afschuwlijke weer uit mijn oogen …Ja; wel uit mijn oogen, maar niet uit mijn hoofd.Nasluipen zal dat mij toch overal.Ingrid! En die drie daar boven op den berg!Moeten die ook meedoen? Met gieren en mal doenEischen alszijte worden omarmd,Voorzichtig en teer te worden gedragen?Buiten om, Peer; al was je arm zoo langAls de slankste den of een pijnboomstam,…’k Geloof dat ik haar toch nog te dicht bij mij hieldOm haar smetloos en ongedeerd neer te zetten …Ik moet daar omheen komen, hoe ’t dan ook ga,Dat ’t mij geen gewin wordt en ook geen verlies.Je moet zoo iets afschudden tot je ’t vergeet …(doet eenige stappen naar de hut toe, maar blijft weer staan).Binnen gaan na dit alles? Zoo vuil en gemeen?Binnen gaan met al die spoken achter me aan?(werpt de bijl weg).’t Is de avond vóór ’t feest. Haar nu aan te vattenZoo, als ik nù ben, zou heiligschennis zijn.Solvejg(in de deur).Kom je haast?Peer Gynt(halfluid).Kom je haast?Buiten om!Solvejg.Kom je haast? Buiten om!Wat?Peer Gynt.Kom je haast? Buiten om! Wat?Wacht nog even.’t Is hier donker, en ’k heb nog iets zwaars te halen.Solvejg.Wacht; ’k zal je helpen; dan dragen wij ’t samen.Peer Gynt.Neen, blijf liever daar! Ik zal ’t alleen wel dragen.Solvejg.Maar blijf niet te lang, zeg!Peer Gynt.Maar blijf niet te lang, zeg!Geduld maar, meisje!Of lang of kort,… blijf maar wachten.Solvejg(knikt hem toe).Of lang of kort,… blijf maar wachten.’k Zal wachten!(Peer Gynt gaat het bosch in. Solvejg blijft in de halfopen deur staan).Aase’s kamer. Avond. Een rijshoutvuur brandt in den haard en verlicht de kamer. De kat op een stoel aan den voet van het bed. Aase ligt te bed en tast onrustig met de handen over de dekens.Aase.Och, lieve Heer, zou hij niet komen?Het duurt al zoo schrikkelijk lang.’k Kan niet meer om hem zendenEn zeggen moet ik hem zooveel.Ik heb niet veel tijd te verliezen!Zoo plotseling! Wie had dat gedacht!O, als ik toch maar kon wetenOf ’k niet te streng voor hem was!Peer Gynt(komt binnen).Goeien avond!Aase.Goeien avond!God zal je zeegnen!Daar is hij! Mijn jongen! Mijn Peer!Maar hoe durf je hier je te wagen?Hier loopt je leven gevaar!Peer Gynt.Och, wat kan het leven mij schelen.Ik moest nu eens naar je toe.Aase.Wat zal Kari staan te kijken!Nu ga ik in vrede heen!Peer Gynt.Ga heen? Wat zijn dat voor praatjes?Waar denk je dan heen te gaan?Aase.Och Peer, het loopt op zijn einde;Het duurt met mij niet meer lang!Peer Gynt(wringt de handen en loopt op en neer).En ik die het leed dacht te ontloopen,En meendehiervrij te zijn …!Heb je ’t koud aan handen en voeten?Aase.Ja, Peer, ’t is nu gauw voorbij …Als je ziet dat mijn oogen breken,O, druk ze dan zachtjes dicht.En dan moet voor een kist je zorgen;Maar, jongen, laat mooi die zijn.Och, neen, ’t is waar …Peer Gynt.Och, neen, ’t is waar …Wees maar stil, hoor!Daarvoor is ’t nog tijds genoeg.Aase.Ja, ja.(kijkt onrustig rond in de kamer).Ja, ja.Hier zie je het beetjeDat overbleef. Zoo zijn de luî.Peer Gynt(balt de handen).Nu alweer!(hard).Nu alweer!Ik weet dat ’t mijn schuld is.Wat helpt ’t of ik het weer hoor?Aase.Jij! Neen, dat vervloekte drinken,Daar komt al het onheil van daan!Mijn jongen, jij was immers dronken:Dan weet iemand niet wat hij doet;En dan hadt je op dat rendier gereden;Dat je dol was is duidlijk genoeg!Peer Gynt.Praat daar nu maar niet meer over.Laat rusten die heele zaak.Wat droef is zullen wij sparenTot later … een andren dag.(gaat op den rand van het bed zitten).Nu, moedertje, gaan wij babb’len,Over koetjes en kalfjes maar,En ’t nare en bitt’re vergeten,En alles wat pijn doet en kwelt …Och kijk eens, daar zit de oude kat nog;Dus die hield het ook zoo lang uit?Aase.Die doet ’s nachts ook al zoo aaklig;Je weet wel wat dat beduidt!Peer Gynt.Wat is er voor nieuws in ’t dorp, zeg?Aase(glimlachend).Ze zeggen dat ergens hier isEen meisje, dat naar de bergen …Peer Gynt(snel).Mads-Moën, slaat die er zich door?Aase.Ze zeggen, zij heeft geen oorenVoor beî haar ouders verdriet.Jij moest er toch eens naar hoorenJij, Peer, weet misschien wel raad …Peer Gynt.En hoe staat het met smid Aslak?Aase.Och zwijg van dien vuilen smid.Liever wil ik den naam je zeggenVan ’t meisje, je weet wel … van haar …Peer Gynt.Neen, nu gaan wij samen praten,…Over koetjes en kalfjes alleen,En al ’t nare en bitt’re vergetenEn alles wat pijn doet en kwelt.Heb je dorst? Zal ik halen wat drinken?Lig je goed, zeg? Het bed is maar kort.Laat eens zien;… ja dat is zoo waar nogHet bed, waar ’k als jongen in sliep?Weet je ’t nog, hoe dikwijls je ’s avondsDaar zat aan het voeteneind,Mij toedekte warm en lekker,En allerlei liedjes zong?Aase.Jawel! En dan speelden wij “sleden”,Als vader aan ’t boemelen was.’t Dek was de vacht van de sledeDe grond een bevroren fjord.Peer Gynt.Ja, maar het allermooiste,Zeg, moeder weet je ’t nog?…Dat waren de wilde paarden …Aase.Ja, denk je dat ik ’t niet meer weet …?Wij leenden de kat van Kari;Die zat op een houten kruk …Peer Gynt.Naar ’t slot van de maan in ’t westen,Naar ’t oosterslot van de zon,Naar ’t Soria-Moria slot danGing ’t hoepla-hei! over den vloer.Een stok, in de kast gevondenGebruikten wij voor een zweep.Aase.Vooróp op den bok zat ik dan …Peer Gynt.En dan liet je de teugels los!Je keek om, zoodra als wij reden,En vroeg mij: heb je ’t niet koud?God zegen je, oude stumperd,…Je was toch een goede ziel …!Hoe kreun je zoo?Aase.Hoe kreun je zoo?’k Heb zoo’n pijn inMijn rug, van die harde plank.Peer Gynt.Strek je uit; ik zal je steunen.Zie zoo; lig je nu niet zacht?Aase(onrustig).Neen, Peer, ik wil weggaan!Peer Gynt.Neen, Peer, ik wil weggaan!Weggaan?Aase.Ja, weggaan; ’k verlang er zoo naar.Peer Gynt.Kom praatjes! Blijf onder de dekens.Laat mij zitten aan ’t voeteneind.Zie zoo; nu korten wij d’ avondMet sprookjes en allerlei spel.Aase.Haal liever den bijbel uit ’t kastje:Ik ben zoo onrustig te moê.Peer Gynt.In ’t slot van Soria-MoriaGeven koning en prins een groot feest.Rust maar uit in de warme sledeIk rijd door het veld je er heen …Aase.Maar, Peer-lief, ben ik genoodigd?Peer Gynt.Ja, dat zijn wij allebei.(gooit een touw om den stoel waarop de kat ligt, neemt een stok in de hand en gaat op het voeteneinde van het bed zitten).Hop! Rijd wat aan, jij Zwartje!Zeg, moeder, heb je ’t niet koud?Ja, ja; want je voelt het snijdenAls Grane aan ’t draven gaat!Aase.Lieve Peer, wat hoor ik toch luiden …?Peer Gynt.De bellen van ’t blanke tuig!Aase.Huuh! Wat klinkt dat hol, mijn beste!Peer Gynt.Wij rijden ook over een fjord.Aase.Ik ben bang! Wat is toch dat bruisenEn steunen, zoo wonderlijk wild?Peer Gynt.’t Zijn de kruinen, moeder, die ruischenVan ’t pijnbosch. Zit nu maar stil.Aase.Wat schittert en blinkt er daar ginder?Waar komt toch dat schijnsel van daan?Peer Gynt.Van ’t slot. Alle ruiten glinstren.Hoor je wel hoe zij dansen?Aase.Hoor je wel hoe zij dansen?Ja.Peer Gynt.Sint Petrus staat buiten de deur alEn noodigt tot binnengaan.Aase.Groet hij ons?Peer Gynt.Groet hij ons?Hij staat te buigen,Inschenkend den lekkersten wijn.Aase.O, wijn! Heeft hij soms ook koekjes?Peer Gynt.Ja, òf hij! Een heelen berg.De vrouw van den proost komt ook aanMet koffie en suikerwerk.Aase.En spreken wij daar dan elkander?Peer Gynt.Zoo vaak en zoo lang als je wilt.Aase.O Peer, wat al heerlijkheden,Waar je mij, arme ziel, heen brengt!Peer Gynt(klapt met de zweep).Hop! Rep, je dan toch, mijn Zwartje!Aase.Zeg, Peer-lief, je rijdt toch wel goed?Peer Gynt(klapt weer).Hier kan je niet dwalen.Aase.Hier kan je niet dwalen.Dat slingren.Dat maakt mij zoo raar en moe.Peer Gynt.Daar zie ik het slot al verrijzen;Nog even, dan zij wij er al.Aase.Ik zal stil maar mijn oogen toe doen,Vertrouwen op jou, mijn Peer!Peer Gynt.Vooruit dan, Grane, mijn draver!In ’t slot is er groot gedrang;Zij stuwen en dringen de poort in.Dáár komt Peer Gynt met oud’ Aase!Wat zegt u dáárvan Heer Petrus?Mag moeder niet binnengaan?’k Geloof dat u lang kan zoekenEer u vindt een zoo eerlijke ziel;Van mij wil ik maar niet spreken;Ik kan òmkeeren als het moet.Wil u inschenken, neem ik ’t in dank aanZoo niet, ga ik óók tevree weg.’k Heb verzonnen evenveel leugensAls de duivel die preêken ging,En moeder voor ’n kip uitgescholdenOmdat zij kakelde soms.Maar haar moet u achten en eerenEn maken dat goed zij het heeft;Er komt hier stellig geen beetreVan waar ook, in dezen tijd …Aha! daar is God de Vader!Sint Petrus, nu krijg je er langs!(met diep stemgeluid).“Hou op toch met dat gezeur daar;Moeder Aase heeft vrij entree!”(lacht luid en keert zich naar zijn moeder om).Alsof ik dat niet had geweten!Nu komt er wat anders weer!(angstig).Waarom kijk je of je oogen gaan breken?Zeg, moeder! Wat scheelt er nu aan …?(gaat naar het hoofdeinde).Je moet niet zoo liggen te staren …!Spreek, moeder, ik ben het, Peer!(betast voorzichtig haar voorhoofd en handen; dan gooit hij het touw van den stoel af en zegt gedempt):Zoo, ja!… Je kunt uitrusten, Grane;Want nu is de reis volbracht.(drukt haar de oogen dicht en buigt zich over haar heen).Heb dank voor je heele leven,Voor klappen en teedere zorg …Maar nu moet jij mij ook bedanken …(drukt zijn wang tegen haar mond).Zoo; dat was jouw dank voor den rit.(De buurvrouw komt binnen).Kari.Wat? Peer! Nou, dan zijn we ook overHaar bitterste leed al heen!Lieve Heer, wat slaapt zij vast nu!…Of is zij al …?Peer Gynt.Of is zij al …?Stil; ze is dood.(Kari schreit bij het lijk. Peer Gynt loopt lang rond door de kamer; eindelijk blijft hij bij het bed staan).Laat haar met alle eer begraven.Ik moet zien hoe ’k hier van daan kom.Kari.Moet je ver weg gaan?Peer Gynt.Moet je ver weg gaan?Naar zee toe.Kari.Zoo ver!Peer Gynt.Zoo ver!En nog verder weg.(af).EINDE VAN HET DERDE BEDRIJF.
DERDE BEDRIJF.Diep in het pijnbosch. Grauw herfstweer. Sneeuwval. Peer Gynt staat in zijn hemdsmouwen hout te kloven.Peer Gynt(hakt een groote den met kromme takken om).Ja, ja, je bent taai, jij ouwe vriend;Maar dat helpt je niets, je moet er toch aan.(hakt weer).Ik zie wel, je draagt een pantserhemd;…Maar dat sla ’k wel kapot, al was ’t ook nog zoo sterk …Ja, ja, je schudt je knoestigen arm;’t Is begrijplijk genoeg, je bent kwaad, hebt ’t land;Maar hoe ’t ook zij, je moet bukken voor mij …!(breekt plotseling af).Zinsbedrog! ’t Is maar een oude boom.Zinsbedrog! ’t Is geen pantserhemd;Het is maar een pijnboom met ruigen bast …Het is inspannend werk, dat boomen hakken,Maar waanzin te hakken en daarbij nog te droomen.Dat moet uit zijn nu,… in den mist te starenEn zich klaar wakker te laten wegdrijven …Verbannen ben je! Een ’t bosch in gejaagde.(hakt een tijdlang hard door).Verbannen. Je hebt geen moeder meerOm je eten te brengen, je tafel te dekken;Wil je eten, kerel, help dan je zelf maar,Haal je wat rauws uit bosch of beek.Zoek je wat rijshout en steek het in brand,Pruts wat en kook wat en maak maar wat klaar.Wil je warme kleeren, vang dan een rendier;Wil je een huis bouwen, houw dan blokken steen;Wil je ’t opbouwen, moet je balken zagenEn zelf ze op je rug naar de plaats toe dragen.…(zijn bijl zinkt neer, hij staart voor zich uit).Mooi zal het worden. ’n Toren met vaanZal er op het dak staan en uitsteken hoog;En op den gevel, van hout gesneden,Een zeemeermin, met ’n vischstaart in plaats van beenen.Koper moet er zijn aan het slot en het vaantje.Glas moet ik ook zien te krijgen nog;Vreemden zullen dan vragen, verbaasd,Wat daar zoo schittert verweg in de bergen.(lacht grimmig).O helsche leugens! Daar zijn ze weer.Je bent ’n banneling, kerel!(hakt weer met woede).Je bent ’n banneling, kerel!Een dak van schorsBeschut ook voldoend tegen wind en vorst.(kijkt op naar den boom).Nu staat hij te wank’len. Kom, nog maar één houw!Dan valt hij, zoo lang als hij is, van zelf al;Het trilt al in ’t jonge hout, ruischend en klagend!(wil beginnen den stam van zijn takken te ontdoen; op-eens luistert hij en blijft stilstaan met opgeheven bijl).Daar komt iemand achter mij!… Doe je het zóó,Jij Haegstad-boer;… dat is een valsche streek.(schuilt weg achter den boom en gluurt).Een kerel! Maar één. Hij lijkt wel bang.Schuw kijkt hij in ’t rond. Wat verbergt hijOnder zijn buis? Een sikkel! Hij staat stil en gluurt,Legt zijn vuist op zijn stok neer … en nu? Wat is dat?Waarom staat hij nu stil en grijpt zijn sikkel?O jé! Daar hieuw hij zijn vinger af!Zijn heelen vinger! Hij bloedt als een varken!Daar gaat hij er van door met zijn vuist in een doek.(staat op).Die lijkt wel bezeten! Een onmisbare vinger!Er af! En zonder dat iemand hem dwingt …Wacht! Nu begrijp ik ’t …! Dat is het eenigeMiddel om van den dienst vrij te komen.Dat is ’t. Zij wilden hem in d’oorlog sturen,En de kerel natuurlijk, wou niet graag weg …Maar afhakken …? Hem verliezen voor goed …?’t Te bedenken, te wenschen, tewillenzelfs;En ’t tedoen! Neen, dat begrijp ik toch niet!(Schudt even het hoofd, dan gaat hij weer aan het werk).Een kamer in Aase’s huis. Alles is in wanorde; kisten staan open; daagsche kleeren liggen uitgespreid in het rond; een kat in het bed.Aaseen debuurvrouwdruk bezig met bij elkaar te pakken en op te ruimen.Aase(loopt naar den éénen kant).Kari, hoor eens!Kari.Kari, hoor eens!Wat is ’t?Aase(aan den anderen kant).Kari, hoor eens! Wat is ’t?Hoor eens …!Waar ligt …? Waar kan ’k vinden …? Zeg eens, waar is …?Waar zoek ik toch naar? Ik ben als versuft!Waar is de sleutel van de kist?Kari.Waar is de sleutel van de kist?Die steekt er op.Aase.Wat rammelt zoo buiten?Kari.Wat rammelt zoo buiten?De laatste vracht.Wordt naar Haegstad gebracht.Aase(schreiend).Wordt naar Haegstad gebracht.O, ik zou blij zijnAls ’k zèlf in de zwarte kist werd uitgedragen!Och, hoevéél moet een mensch toch lijden en uitstaan!God zij mij genadig! ’t Heele huis is leeg!Wat de Haegstad-boer liet staan, nam de deurwaarder mee.Zelfs de kleeren aan ’t lijf bleven niet gespaard.’t Is schande een mensch zoo te behand’len!(gaat op den rand van het bed zitten).Nu is alles, huis, hof en land verloren;Hard was de oude, maar harder het gerecht;Er was geen hulp meer en ook geen genade;Peer was er niet, en niemand kon mij bijstaan.Kari.Hier in huis mag je nu toch blijven tot je dood.Aase.Ja, de kat en ik, wij krijgen genadebrood!Kari.Ja, moeder, ’t was Peer die je duur kwam te staan!Aase.Peer? Zeg, ben je nu heelemaal mal!Ingrid kwam immers heelhuids weer thuis.Zij hadden zich bij den duivel moeten houden;…Hij is de schuldige, hij, en niemand anders;De booze dreef mijn armen jongen er toe!Kari.Zou je niet liever eens om den priester sturen?’t Gaat hem slechter dan je misschien wel denkt.Aase.Om den priester? Och ja, dat was zoo kwaad niet.(richt zich op).Maar neen! dat kan ik niet!Ikben z’n moeder toch;Ikzal helpen; dat ’s niet meer dan mijn moederplicht;Doen zooveel ik kan, als geen ander iets doet.Dat buis hier, mag hij hebben. Dat zal ik lappen.’k Wou dat ik hun ook dat vel durfde afsnappen!Waar zijn de kousen?Kari.Waar zijn de kousen?Dáár, bij den anderen rommel.Aase(rommelt er in).Wat vind ik daar? Och neen maar, een oudenGietlepel, Kari! Daarmee heeft hij gespeeldKnoopen-gieten, smelten en stemplen.Eens, toen hier feest was, kwam de jongen thuisEn vroeg zijn vader om een klomp tin;Geen tin, zei Jon, maar koning Christiaans munt,Zilver; men moet zien dat je een zoon bent van Jon GyntGod vergeve het Jon; maar dronken was hij,En dan lette hij op geen goud of geen tin.Hier zijn de kousen. O, wat een gaten!Dat geeft stopwerk, Kari!Kari.Dat geeft stopwerk, Kari!Dat ’s noodig, dunkt mij.Aase.Als dat gedaan is, ga ’k maar naar bed;Ik voel mij zoo zwak en ziek en benauwd …Twee wollen hemden; die hebben zij vergeten!Kari.Ja, dat hebben zij nèt.Aase.Ja, dat hebben zij nèt.Dat treft juist goed.Het eene kan je op zijde leggen.Of wacht, wij moesten ze maar beide houden;Dat wat hij aan heeft is al zoo dun.Kari.Maar, moeder Aase, dat mag toch niet!Aase.Nou ja, maar je weet, de priester verkondigtVergeving voor dit en meer andere zonden.Buiten een nieuwgebouwde hut in het bosch. Een rendiergewei boven de deur. De sneeuw ligt hoog. Het schemert al. Peer Gynt staat voor de deur en spijkert een groot houten slot vast.Peer Gynt(lacht nu en dan hardop).Een slot moet er zijn; een slot dat houdt buitenAl de kabouters, mannen en vrouwen.Een slot moet er zijn, om de hut af te sluitenVoor al die kwaadaardige, looze dwergen …Zij komen met ’t donker; zij kloppen en tikken:Maak open, Peer Gynt, wij zijn vlug als gedachten!Wij schudden het bed, wij blazen het vuur aan,Stijgen op door den schoorsteen als vurige draken.Hihi! Peer, denk je met spijkers en plankenDen toegang voor ’t nijdige dwergvolk te stuiten?(Solvejg komt op sneeuwschoenen over de heide; zij heeft een doek over het hoofd en een bundel in de hand).Solvejg.God zegen je arbeid. Je moet mij niet verstooten.Ik kom omdat je riep, dus moet je mij nemen.Peer Gynt.Solvejg! ’t Is toch niet …! Jawel, ’t is waar!…En je bent niet meer bang om dicht bij mij te komen!Solvejg.Je zondt mij een boodschap door kleine Helga;Vele bracht nog later heimlijk de wind mij.’n Boodschap was al wat je moeder vertelde,’n Boodschap mijn droom als ’k te slapen mij legde.Nachten zoo droef, en zoo leeg al de dagen,Zeiden het mij, dat ik nu moest komen.Als uitgebluscht was het leven daarginder;Ik kon niet van harte meer lachen of schreien.Ik wist niet heel zeker wat in jou omging;Ik wist alleen maar, dat het mij naar je toe drong.Peer Gynt.Maar je vader?Solvejg.Maar je vader?Op Gods wijde wereldHeb ’k niemand, die vader of moeder mij is.Ik ben los nu van allen.Peer Gynt.Ik ben los nu van allen.Solvejg, jij lieve,Om de mijne te zijn?Solvejg.Om de mijne te zijn?Ja, alleen de jouwe;Jij moet alles mij zijn; mijn thuis en familie.(schreiend).’t Ergst was het mijn zusje achter te laten;…Maar erger toch nog van vader te gaan;Maar ’t allerergst te scheiden van moeders borst;…Neen, God vergeef mij, ’t ergst nog van allesWas de smart van ’t heengaan van allen … allen!Peer Gynt.En ken je mijn vonnis in ’t voorjaar geveld?Dat scheidt mij voor goed van huis en hof.Solvejg.Denk je soms dat ik voor wereldsche haveVoor altijd van die mij lief waren scheidde?Peer Gynt.En weet je ook, dat ik, eens buiten het bosch,Mag opgepakt worden als iemand mij ziet?Solvejg.Op sneeuwschoenen liep ik, en vroeg naar den weg;Zij vorschten waar ’k heen moest; ik antwoordde: naar huis.Peer Gynt.Weg dan met al die spijkers en planken.Geen grendels nu meer tegen nijdige dwergen.Durf jij voortaan bij den jager te blijven,Dan zal mijn hut ook gewijd zijn, dat weet ik.Solvejg! ’k Moet je aanzien! Niet al te dicht bij!Aanzien alleen maar! Wat ben je toch stralend blank!Je óplichten even! Wat ben je toch licht en teer!Als ik je dragen moet, Solvejg, word ik nooit moe!’k Zal je niet vuil maken. Met gestrekte armenHou ik je voor mij uit, jij lieve, barmhartige!Wie had ooit gedacht dat ik je zou dragen …!O maar, naar je verlangd heb ik nachten en dagen.Hier, zie je, heb ik getimmerd en gebouwd;Maar dat moet nu weer weg; ’t is hier arm en kaal …Solvejg.Of arm of rijk,… het is hier naar mijn zin.Je ademt zoo vrij in den bergkoelen wind …Beneden was ’t bedompt; daar had ik het benauwd;Dát was het óok wel wat uit ’t dorp mij heeft gejaagd.Maar hier, waar je hoort der dennen geruisch.…Hier is rust en gezang!… hier voel ik mij thuis.Peer Gynt.En weet je ’t ook goed? Je heele leven lang?Solvejg.De weg, dien ik ging, voert nooit meer terug.Peer Gynt.Ik heb je dus! Kom! Laat ’k je zien in mijn huisje!Ga binnen! ’k Zal even wat brandhout gaan halen;Warm en gezellig en licht zal het worden,Zacht zal je zitten en geen koû zal je lijden!(doet de deur open; Solvejg gaat binnen. Hij staat een oogenblik stil; dan lacht hij luid van blijdschap en maakt een luchtsprong).Peer Gynt.Mijn koningskind! Nu is ’t gevonden en gewonnen!Neen, nu wordt de slotbouw van nieuw af weer begonnen!(hij grijpt de bijl en wil teruggaan; op hetzelfde oogenblik komt een oudachtige vrouw in een gescheurden groenen rok uit het kreupelhout. Een leelijke jongen met een bierflesch in de hand hinkt haar achterna, zich aan haar rok vasthoudend).De Vrouw.Goên avond, Peer Luchthart!Peer Gynt.Goên avond, Peer Luchthart!Hè? Wie ’s dat?De Vrouw.Oude vrienden, Peer Gynt! Mijn woning staat dicht bij.Wij zijn buren.Peer Gynt.Wij zijn buren.Zoo? Dat is meer dan ik weet.De Vrouw.Al naar je hut oprees, ontstond ook de mijne.Peer Gynt(wil weg).Ik heb haast …De Vrouw.Ik heb haast …Ja, dat heb je altijd, man;Maar ik loop je achterna en je raakt mij zoo niet kwijt.Peer Gynt.Je vergist je!De Vrouw.Je vergist je!Dat heb ik ééns gedaan;Dat deed ik dien keer toen met beloften jij kwam.Peer Gynt.Beloften …? Wat duivel is dat voor praat?De Vrouw.Vergeet je den avond bij vader thuis?Vergeet je …?Peer Gynt.Vergeet je …?’k Vergat wat ik nooit geweten heb.Waar zagen we elkaar dan den laatsten keer?De Vrouw.Waar wij elkaar zagen den eersten keer.(tegen den jongen).Laat vader eens drinken; ’k geloof dat hij dorst heeft.Peer Gynt.Vader? Je bent dronken! Noem je hem …?De Vrouw.Je moest toch het dier aan zijn huid herkennen!…Heb je geen oogen? Je kunt ’t toch wel zienZijn poot is even lam als jouw heele aard is.Peer Gynt.Wou je mij wijs maken …?De Vrouw.Wou je mij wijs maken …?Wou je uitvluchten zoeken?Peer Gynt.Die langbeenige jongen …!De Vrouw.Die langbeenige jongen …!Hij is hard gegroeid.Peer Gynt.Durf jij mij opdringen, leelijke heks …De Vrouw.Hoor eens, Peer Gynt, je bent grof als een os …!(huilend).Kan ik het helpen dat ’k niet meer zoo mooi ben,Als toen je mij lokte over glooiende heuvels?De duivel, toen ’k baarde in den herfst, trok kromMijn rug, en daar wordt je niet beter van.Maar als je mij mooi weer als vroeger wilt zien,Wijs dan maar die meid, die daar ginds zit, de deur.Jaag haar uit je oogen en zinnen maar weg;…Doe dat, lieve vriend, dan verander ’k van tronie!Peer Gynt.Wijk van mij, booze heks!De Vrouw.Wijk van mij, booze heks!Maar ik ga niet, hoor!Peer Gynt.Ik sla je de hersens in …!De Vrouw.Ik sla je de hersens in …!Ja, zie eens of je durft!Hoho, Peer Gynt, geen slag die mij deert!…Ik kom hier toch iedren dag weer terug.Ik kijk door de deur, en begluur je te zamen.Zit met de deern je dan in ’t schemeruur,…Wordt je teeder … Peer Gynt … wil je een deuntje vrijen,…Kom ik bij je zitten en eisch ook mijn deel.Zij en ik, wij hebben je dan beurt om beurt.Vaarwel, jongenlief; hoû jij nu morgen maar bruiloft, hoor!Peer Gynt.Jij helsche nachtmerrie!De Vrouw.Jij helsche nachtmerrie!Maar dat ’s waar ook!Den jongen, jouw mankepoot, dien voedt jij op!Duivelskind, wil jij naar je vader toe?De Jongen(spuwt naar hem).Duivelskind, wil jij naar je vader toe?Daar!’k Zal je hakken met een bijl, hoor; wacht maar, mettertijd!De Vrouw(kust den jongen).Och, wat een hoofd op dat lichaam toch zit!Jij maakt je vader nog eenmaal beschaamd!Peer Gynt(stampvoetend).O, was je zoo ver …!De Vrouw.O, was je zoo ver …!Als wij dichtbij zijn nu?Peer Gynt(balt de vuisten).En dat alles …!De Vrouw.En dat alles …!Voor zinnenbegeerte alleen!’t Is zonde van je, Peer!Peer Gynt.’t Is zonde van je, Peer!’t Meest voor een andre!…Solvejg! mijn parel, zoo zuiver, zoo rein!De Vrouw.Ja, ja, zei de duivel, de onschuld moet lijden,Toen z’n vader zat was en z’n moeder ’m sloeg!(Zij gaat het kreupelhout weer in met den jongen die hem de bierflesch achterna gooit).Peer Gynt(na lang zwijgen).Er omheen, zei Böjg. Ja, nu moet ik ’t doen …Daar viel mijn koninklijk slot in duigen!’t Trok een muur op om haar … en ’k was zoo nabij;Op-eens was hier ’t mooi weg; verlept was mijn blijdschap …Geef het op, kerel! Erisgeen wegDwars door dat alles van jou naar haar toe.Dwars er doorheen? Die moet toch zijn te vinden.Er staat iets van berouw, als ik mij goed herinner.Maar wat? Wat staat er? Ik heb ’t boek niet meer,Heb ’t meeste vergeten, en hier is ook niemandIn ’t wilde bosch, die mij terecht kan helpen …Berouw? Daar konden wel jaren mee heengaanEer ik er doorheen was. Zoo’n leven zou triest zijn.Kapot slaan wat glanzend en licht en mooi is,En dan van de scherven weer maken wat nieuws.Dat gaat met ’n viool maar gaat niet met een klok.Je moet niet vertrappen wat nog groeien moet.Maar dat was toch ’n leugen van die heksentronie!Nu is al dat afschuwlijke weer uit mijn oogen …Ja; wel uit mijn oogen, maar niet uit mijn hoofd.Nasluipen zal dat mij toch overal.Ingrid! En die drie daar boven op den berg!Moeten die ook meedoen? Met gieren en mal doenEischen alszijte worden omarmd,Voorzichtig en teer te worden gedragen?Buiten om, Peer; al was je arm zoo langAls de slankste den of een pijnboomstam,…’k Geloof dat ik haar toch nog te dicht bij mij hieldOm haar smetloos en ongedeerd neer te zetten …Ik moet daar omheen komen, hoe ’t dan ook ga,Dat ’t mij geen gewin wordt en ook geen verlies.Je moet zoo iets afschudden tot je ’t vergeet …(doet eenige stappen naar de hut toe, maar blijft weer staan).Binnen gaan na dit alles? Zoo vuil en gemeen?Binnen gaan met al die spoken achter me aan?(werpt de bijl weg).’t Is de avond vóór ’t feest. Haar nu aan te vattenZoo, als ik nù ben, zou heiligschennis zijn.Solvejg(in de deur).Kom je haast?Peer Gynt(halfluid).Kom je haast?Buiten om!Solvejg.Kom je haast? Buiten om!Wat?Peer Gynt.Kom je haast? Buiten om! Wat?Wacht nog even.’t Is hier donker, en ’k heb nog iets zwaars te halen.Solvejg.Wacht; ’k zal je helpen; dan dragen wij ’t samen.Peer Gynt.Neen, blijf liever daar! Ik zal ’t alleen wel dragen.Solvejg.Maar blijf niet te lang, zeg!Peer Gynt.Maar blijf niet te lang, zeg!Geduld maar, meisje!Of lang of kort,… blijf maar wachten.Solvejg(knikt hem toe).Of lang of kort,… blijf maar wachten.’k Zal wachten!(Peer Gynt gaat het bosch in. Solvejg blijft in de halfopen deur staan).Aase’s kamer. Avond. Een rijshoutvuur brandt in den haard en verlicht de kamer. De kat op een stoel aan den voet van het bed. Aase ligt te bed en tast onrustig met de handen over de dekens.Aase.Och, lieve Heer, zou hij niet komen?Het duurt al zoo schrikkelijk lang.’k Kan niet meer om hem zendenEn zeggen moet ik hem zooveel.Ik heb niet veel tijd te verliezen!Zoo plotseling! Wie had dat gedacht!O, als ik toch maar kon wetenOf ’k niet te streng voor hem was!Peer Gynt(komt binnen).Goeien avond!Aase.Goeien avond!God zal je zeegnen!Daar is hij! Mijn jongen! Mijn Peer!Maar hoe durf je hier je te wagen?Hier loopt je leven gevaar!Peer Gynt.Och, wat kan het leven mij schelen.Ik moest nu eens naar je toe.Aase.Wat zal Kari staan te kijken!Nu ga ik in vrede heen!Peer Gynt.Ga heen? Wat zijn dat voor praatjes?Waar denk je dan heen te gaan?Aase.Och Peer, het loopt op zijn einde;Het duurt met mij niet meer lang!Peer Gynt(wringt de handen en loopt op en neer).En ik die het leed dacht te ontloopen,En meendehiervrij te zijn …!Heb je ’t koud aan handen en voeten?Aase.Ja, Peer, ’t is nu gauw voorbij …Als je ziet dat mijn oogen breken,O, druk ze dan zachtjes dicht.En dan moet voor een kist je zorgen;Maar, jongen, laat mooi die zijn.Och, neen, ’t is waar …Peer Gynt.Och, neen, ’t is waar …Wees maar stil, hoor!Daarvoor is ’t nog tijds genoeg.Aase.Ja, ja.(kijkt onrustig rond in de kamer).Ja, ja.Hier zie je het beetjeDat overbleef. Zoo zijn de luî.Peer Gynt(balt de handen).Nu alweer!(hard).Nu alweer!Ik weet dat ’t mijn schuld is.Wat helpt ’t of ik het weer hoor?Aase.Jij! Neen, dat vervloekte drinken,Daar komt al het onheil van daan!Mijn jongen, jij was immers dronken:Dan weet iemand niet wat hij doet;En dan hadt je op dat rendier gereden;Dat je dol was is duidlijk genoeg!Peer Gynt.Praat daar nu maar niet meer over.Laat rusten die heele zaak.Wat droef is zullen wij sparenTot later … een andren dag.(gaat op den rand van het bed zitten).Nu, moedertje, gaan wij babb’len,Over koetjes en kalfjes maar,En ’t nare en bitt’re vergeten,En alles wat pijn doet en kwelt …Och kijk eens, daar zit de oude kat nog;Dus die hield het ook zoo lang uit?Aase.Die doet ’s nachts ook al zoo aaklig;Je weet wel wat dat beduidt!Peer Gynt.Wat is er voor nieuws in ’t dorp, zeg?Aase(glimlachend).Ze zeggen dat ergens hier isEen meisje, dat naar de bergen …Peer Gynt(snel).Mads-Moën, slaat die er zich door?Aase.Ze zeggen, zij heeft geen oorenVoor beî haar ouders verdriet.Jij moest er toch eens naar hoorenJij, Peer, weet misschien wel raad …Peer Gynt.En hoe staat het met smid Aslak?Aase.Och zwijg van dien vuilen smid.Liever wil ik den naam je zeggenVan ’t meisje, je weet wel … van haar …Peer Gynt.Neen, nu gaan wij samen praten,…Over koetjes en kalfjes alleen,En al ’t nare en bitt’re vergetenEn alles wat pijn doet en kwelt.Heb je dorst? Zal ik halen wat drinken?Lig je goed, zeg? Het bed is maar kort.Laat eens zien;… ja dat is zoo waar nogHet bed, waar ’k als jongen in sliep?Weet je ’t nog, hoe dikwijls je ’s avondsDaar zat aan het voeteneind,Mij toedekte warm en lekker,En allerlei liedjes zong?Aase.Jawel! En dan speelden wij “sleden”,Als vader aan ’t boemelen was.’t Dek was de vacht van de sledeDe grond een bevroren fjord.Peer Gynt.Ja, maar het allermooiste,Zeg, moeder weet je ’t nog?…Dat waren de wilde paarden …Aase.Ja, denk je dat ik ’t niet meer weet …?Wij leenden de kat van Kari;Die zat op een houten kruk …Peer Gynt.Naar ’t slot van de maan in ’t westen,Naar ’t oosterslot van de zon,Naar ’t Soria-Moria slot danGing ’t hoepla-hei! over den vloer.Een stok, in de kast gevondenGebruikten wij voor een zweep.Aase.Vooróp op den bok zat ik dan …Peer Gynt.En dan liet je de teugels los!Je keek om, zoodra als wij reden,En vroeg mij: heb je ’t niet koud?God zegen je, oude stumperd,…Je was toch een goede ziel …!Hoe kreun je zoo?Aase.Hoe kreun je zoo?’k Heb zoo’n pijn inMijn rug, van die harde plank.Peer Gynt.Strek je uit; ik zal je steunen.Zie zoo; lig je nu niet zacht?Aase(onrustig).Neen, Peer, ik wil weggaan!Peer Gynt.Neen, Peer, ik wil weggaan!Weggaan?Aase.Ja, weggaan; ’k verlang er zoo naar.Peer Gynt.Kom praatjes! Blijf onder de dekens.Laat mij zitten aan ’t voeteneind.Zie zoo; nu korten wij d’ avondMet sprookjes en allerlei spel.Aase.Haal liever den bijbel uit ’t kastje:Ik ben zoo onrustig te moê.Peer Gynt.In ’t slot van Soria-MoriaGeven koning en prins een groot feest.Rust maar uit in de warme sledeIk rijd door het veld je er heen …Aase.Maar, Peer-lief, ben ik genoodigd?Peer Gynt.Ja, dat zijn wij allebei.(gooit een touw om den stoel waarop de kat ligt, neemt een stok in de hand en gaat op het voeteneinde van het bed zitten).Hop! Rijd wat aan, jij Zwartje!Zeg, moeder, heb je ’t niet koud?Ja, ja; want je voelt het snijdenAls Grane aan ’t draven gaat!Aase.Lieve Peer, wat hoor ik toch luiden …?Peer Gynt.De bellen van ’t blanke tuig!Aase.Huuh! Wat klinkt dat hol, mijn beste!Peer Gynt.Wij rijden ook over een fjord.Aase.Ik ben bang! Wat is toch dat bruisenEn steunen, zoo wonderlijk wild?Peer Gynt.’t Zijn de kruinen, moeder, die ruischenVan ’t pijnbosch. Zit nu maar stil.Aase.Wat schittert en blinkt er daar ginder?Waar komt toch dat schijnsel van daan?Peer Gynt.Van ’t slot. Alle ruiten glinstren.Hoor je wel hoe zij dansen?Aase.Hoor je wel hoe zij dansen?Ja.Peer Gynt.Sint Petrus staat buiten de deur alEn noodigt tot binnengaan.Aase.Groet hij ons?Peer Gynt.Groet hij ons?Hij staat te buigen,Inschenkend den lekkersten wijn.Aase.O, wijn! Heeft hij soms ook koekjes?Peer Gynt.Ja, òf hij! Een heelen berg.De vrouw van den proost komt ook aanMet koffie en suikerwerk.Aase.En spreken wij daar dan elkander?Peer Gynt.Zoo vaak en zoo lang als je wilt.Aase.O Peer, wat al heerlijkheden,Waar je mij, arme ziel, heen brengt!Peer Gynt(klapt met de zweep).Hop! Rep, je dan toch, mijn Zwartje!Aase.Zeg, Peer-lief, je rijdt toch wel goed?Peer Gynt(klapt weer).Hier kan je niet dwalen.Aase.Hier kan je niet dwalen.Dat slingren.Dat maakt mij zoo raar en moe.Peer Gynt.Daar zie ik het slot al verrijzen;Nog even, dan zij wij er al.Aase.Ik zal stil maar mijn oogen toe doen,Vertrouwen op jou, mijn Peer!Peer Gynt.Vooruit dan, Grane, mijn draver!In ’t slot is er groot gedrang;Zij stuwen en dringen de poort in.Dáár komt Peer Gynt met oud’ Aase!Wat zegt u dáárvan Heer Petrus?Mag moeder niet binnengaan?’k Geloof dat u lang kan zoekenEer u vindt een zoo eerlijke ziel;Van mij wil ik maar niet spreken;Ik kan òmkeeren als het moet.Wil u inschenken, neem ik ’t in dank aanZoo niet, ga ik óók tevree weg.’k Heb verzonnen evenveel leugensAls de duivel die preêken ging,En moeder voor ’n kip uitgescholdenOmdat zij kakelde soms.Maar haar moet u achten en eerenEn maken dat goed zij het heeft;Er komt hier stellig geen beetreVan waar ook, in dezen tijd …Aha! daar is God de Vader!Sint Petrus, nu krijg je er langs!(met diep stemgeluid).“Hou op toch met dat gezeur daar;Moeder Aase heeft vrij entree!”(lacht luid en keert zich naar zijn moeder om).Alsof ik dat niet had geweten!Nu komt er wat anders weer!(angstig).Waarom kijk je of je oogen gaan breken?Zeg, moeder! Wat scheelt er nu aan …?(gaat naar het hoofdeinde).Je moet niet zoo liggen te staren …!Spreek, moeder, ik ben het, Peer!(betast voorzichtig haar voorhoofd en handen; dan gooit hij het touw van den stoel af en zegt gedempt):Zoo, ja!… Je kunt uitrusten, Grane;Want nu is de reis volbracht.(drukt haar de oogen dicht en buigt zich over haar heen).Heb dank voor je heele leven,Voor klappen en teedere zorg …Maar nu moet jij mij ook bedanken …(drukt zijn wang tegen haar mond).Zoo; dat was jouw dank voor den rit.(De buurvrouw komt binnen).Kari.Wat? Peer! Nou, dan zijn we ook overHaar bitterste leed al heen!Lieve Heer, wat slaapt zij vast nu!…Of is zij al …?Peer Gynt.Of is zij al …?Stil; ze is dood.(Kari schreit bij het lijk. Peer Gynt loopt lang rond door de kamer; eindelijk blijft hij bij het bed staan).Laat haar met alle eer begraven.Ik moet zien hoe ’k hier van daan kom.Kari.Moet je ver weg gaan?Peer Gynt.Moet je ver weg gaan?Naar zee toe.Kari.Zoo ver!Peer Gynt.Zoo ver!En nog verder weg.(af).EINDE VAN HET DERDE BEDRIJF.
DERDE BEDRIJF.Diep in het pijnbosch. Grauw herfstweer. Sneeuwval. Peer Gynt staat in zijn hemdsmouwen hout te kloven.Peer Gynt(hakt een groote den met kromme takken om).Ja, ja, je bent taai, jij ouwe vriend;Maar dat helpt je niets, je moet er toch aan.(hakt weer).Ik zie wel, je draagt een pantserhemd;…Maar dat sla ’k wel kapot, al was ’t ook nog zoo sterk …Ja, ja, je schudt je knoestigen arm;’t Is begrijplijk genoeg, je bent kwaad, hebt ’t land;Maar hoe ’t ook zij, je moet bukken voor mij …!(breekt plotseling af).Zinsbedrog! ’t Is maar een oude boom.Zinsbedrog! ’t Is geen pantserhemd;Het is maar een pijnboom met ruigen bast …Het is inspannend werk, dat boomen hakken,Maar waanzin te hakken en daarbij nog te droomen.Dat moet uit zijn nu,… in den mist te starenEn zich klaar wakker te laten wegdrijven …Verbannen ben je! Een ’t bosch in gejaagde.(hakt een tijdlang hard door).Verbannen. Je hebt geen moeder meerOm je eten te brengen, je tafel te dekken;Wil je eten, kerel, help dan je zelf maar,Haal je wat rauws uit bosch of beek.Zoek je wat rijshout en steek het in brand,Pruts wat en kook wat en maak maar wat klaar.Wil je warme kleeren, vang dan een rendier;Wil je een huis bouwen, houw dan blokken steen;Wil je ’t opbouwen, moet je balken zagenEn zelf ze op je rug naar de plaats toe dragen.…(zijn bijl zinkt neer, hij staart voor zich uit).Mooi zal het worden. ’n Toren met vaanZal er op het dak staan en uitsteken hoog;En op den gevel, van hout gesneden,Een zeemeermin, met ’n vischstaart in plaats van beenen.Koper moet er zijn aan het slot en het vaantje.Glas moet ik ook zien te krijgen nog;Vreemden zullen dan vragen, verbaasd,Wat daar zoo schittert verweg in de bergen.(lacht grimmig).O helsche leugens! Daar zijn ze weer.Je bent ’n banneling, kerel!(hakt weer met woede).Je bent ’n banneling, kerel!Een dak van schorsBeschut ook voldoend tegen wind en vorst.(kijkt op naar den boom).Nu staat hij te wank’len. Kom, nog maar één houw!Dan valt hij, zoo lang als hij is, van zelf al;Het trilt al in ’t jonge hout, ruischend en klagend!(wil beginnen den stam van zijn takken te ontdoen; op-eens luistert hij en blijft stilstaan met opgeheven bijl).Daar komt iemand achter mij!… Doe je het zóó,Jij Haegstad-boer;… dat is een valsche streek.(schuilt weg achter den boom en gluurt).Een kerel! Maar één. Hij lijkt wel bang.Schuw kijkt hij in ’t rond. Wat verbergt hijOnder zijn buis? Een sikkel! Hij staat stil en gluurt,Legt zijn vuist op zijn stok neer … en nu? Wat is dat?Waarom staat hij nu stil en grijpt zijn sikkel?O jé! Daar hieuw hij zijn vinger af!Zijn heelen vinger! Hij bloedt als een varken!Daar gaat hij er van door met zijn vuist in een doek.(staat op).Die lijkt wel bezeten! Een onmisbare vinger!Er af! En zonder dat iemand hem dwingt …Wacht! Nu begrijp ik ’t …! Dat is het eenigeMiddel om van den dienst vrij te komen.Dat is ’t. Zij wilden hem in d’oorlog sturen,En de kerel natuurlijk, wou niet graag weg …Maar afhakken …? Hem verliezen voor goed …?’t Te bedenken, te wenschen, tewillenzelfs;En ’t tedoen! Neen, dat begrijp ik toch niet!(Schudt even het hoofd, dan gaat hij weer aan het werk).Een kamer in Aase’s huis. Alles is in wanorde; kisten staan open; daagsche kleeren liggen uitgespreid in het rond; een kat in het bed.Aaseen debuurvrouwdruk bezig met bij elkaar te pakken en op te ruimen.Aase(loopt naar den éénen kant).Kari, hoor eens!Kari.Kari, hoor eens!Wat is ’t?Aase(aan den anderen kant).Kari, hoor eens! Wat is ’t?Hoor eens …!Waar ligt …? Waar kan ’k vinden …? Zeg eens, waar is …?Waar zoek ik toch naar? Ik ben als versuft!Waar is de sleutel van de kist?Kari.Waar is de sleutel van de kist?Die steekt er op.Aase.Wat rammelt zoo buiten?Kari.Wat rammelt zoo buiten?De laatste vracht.Wordt naar Haegstad gebracht.Aase(schreiend).Wordt naar Haegstad gebracht.O, ik zou blij zijnAls ’k zèlf in de zwarte kist werd uitgedragen!Och, hoevéél moet een mensch toch lijden en uitstaan!God zij mij genadig! ’t Heele huis is leeg!Wat de Haegstad-boer liet staan, nam de deurwaarder mee.Zelfs de kleeren aan ’t lijf bleven niet gespaard.’t Is schande een mensch zoo te behand’len!(gaat op den rand van het bed zitten).Nu is alles, huis, hof en land verloren;Hard was de oude, maar harder het gerecht;Er was geen hulp meer en ook geen genade;Peer was er niet, en niemand kon mij bijstaan.Kari.Hier in huis mag je nu toch blijven tot je dood.Aase.Ja, de kat en ik, wij krijgen genadebrood!Kari.Ja, moeder, ’t was Peer die je duur kwam te staan!Aase.Peer? Zeg, ben je nu heelemaal mal!Ingrid kwam immers heelhuids weer thuis.Zij hadden zich bij den duivel moeten houden;…Hij is de schuldige, hij, en niemand anders;De booze dreef mijn armen jongen er toe!Kari.Zou je niet liever eens om den priester sturen?’t Gaat hem slechter dan je misschien wel denkt.Aase.Om den priester? Och ja, dat was zoo kwaad niet.(richt zich op).Maar neen! dat kan ik niet!Ikben z’n moeder toch;Ikzal helpen; dat ’s niet meer dan mijn moederplicht;Doen zooveel ik kan, als geen ander iets doet.Dat buis hier, mag hij hebben. Dat zal ik lappen.’k Wou dat ik hun ook dat vel durfde afsnappen!Waar zijn de kousen?Kari.Waar zijn de kousen?Dáár, bij den anderen rommel.Aase(rommelt er in).Wat vind ik daar? Och neen maar, een oudenGietlepel, Kari! Daarmee heeft hij gespeeldKnoopen-gieten, smelten en stemplen.Eens, toen hier feest was, kwam de jongen thuisEn vroeg zijn vader om een klomp tin;Geen tin, zei Jon, maar koning Christiaans munt,Zilver; men moet zien dat je een zoon bent van Jon GyntGod vergeve het Jon; maar dronken was hij,En dan lette hij op geen goud of geen tin.Hier zijn de kousen. O, wat een gaten!Dat geeft stopwerk, Kari!Kari.Dat geeft stopwerk, Kari!Dat ’s noodig, dunkt mij.Aase.Als dat gedaan is, ga ’k maar naar bed;Ik voel mij zoo zwak en ziek en benauwd …Twee wollen hemden; die hebben zij vergeten!Kari.Ja, dat hebben zij nèt.Aase.Ja, dat hebben zij nèt.Dat treft juist goed.Het eene kan je op zijde leggen.Of wacht, wij moesten ze maar beide houden;Dat wat hij aan heeft is al zoo dun.Kari.Maar, moeder Aase, dat mag toch niet!Aase.Nou ja, maar je weet, de priester verkondigtVergeving voor dit en meer andere zonden.Buiten een nieuwgebouwde hut in het bosch. Een rendiergewei boven de deur. De sneeuw ligt hoog. Het schemert al. Peer Gynt staat voor de deur en spijkert een groot houten slot vast.Peer Gynt(lacht nu en dan hardop).Een slot moet er zijn; een slot dat houdt buitenAl de kabouters, mannen en vrouwen.Een slot moet er zijn, om de hut af te sluitenVoor al die kwaadaardige, looze dwergen …Zij komen met ’t donker; zij kloppen en tikken:Maak open, Peer Gynt, wij zijn vlug als gedachten!Wij schudden het bed, wij blazen het vuur aan,Stijgen op door den schoorsteen als vurige draken.Hihi! Peer, denk je met spijkers en plankenDen toegang voor ’t nijdige dwergvolk te stuiten?(Solvejg komt op sneeuwschoenen over de heide; zij heeft een doek over het hoofd en een bundel in de hand).Solvejg.God zegen je arbeid. Je moet mij niet verstooten.Ik kom omdat je riep, dus moet je mij nemen.Peer Gynt.Solvejg! ’t Is toch niet …! Jawel, ’t is waar!…En je bent niet meer bang om dicht bij mij te komen!Solvejg.Je zondt mij een boodschap door kleine Helga;Vele bracht nog later heimlijk de wind mij.’n Boodschap was al wat je moeder vertelde,’n Boodschap mijn droom als ’k te slapen mij legde.Nachten zoo droef, en zoo leeg al de dagen,Zeiden het mij, dat ik nu moest komen.Als uitgebluscht was het leven daarginder;Ik kon niet van harte meer lachen of schreien.Ik wist niet heel zeker wat in jou omging;Ik wist alleen maar, dat het mij naar je toe drong.Peer Gynt.Maar je vader?Solvejg.Maar je vader?Op Gods wijde wereldHeb ’k niemand, die vader of moeder mij is.Ik ben los nu van allen.Peer Gynt.Ik ben los nu van allen.Solvejg, jij lieve,Om de mijne te zijn?Solvejg.Om de mijne te zijn?Ja, alleen de jouwe;Jij moet alles mij zijn; mijn thuis en familie.(schreiend).’t Ergst was het mijn zusje achter te laten;…Maar erger toch nog van vader te gaan;Maar ’t allerergst te scheiden van moeders borst;…Neen, God vergeef mij, ’t ergst nog van allesWas de smart van ’t heengaan van allen … allen!Peer Gynt.En ken je mijn vonnis in ’t voorjaar geveld?Dat scheidt mij voor goed van huis en hof.Solvejg.Denk je soms dat ik voor wereldsche haveVoor altijd van die mij lief waren scheidde?Peer Gynt.En weet je ook, dat ik, eens buiten het bosch,Mag opgepakt worden als iemand mij ziet?Solvejg.Op sneeuwschoenen liep ik, en vroeg naar den weg;Zij vorschten waar ’k heen moest; ik antwoordde: naar huis.Peer Gynt.Weg dan met al die spijkers en planken.Geen grendels nu meer tegen nijdige dwergen.Durf jij voortaan bij den jager te blijven,Dan zal mijn hut ook gewijd zijn, dat weet ik.Solvejg! ’k Moet je aanzien! Niet al te dicht bij!Aanzien alleen maar! Wat ben je toch stralend blank!Je óplichten even! Wat ben je toch licht en teer!Als ik je dragen moet, Solvejg, word ik nooit moe!’k Zal je niet vuil maken. Met gestrekte armenHou ik je voor mij uit, jij lieve, barmhartige!Wie had ooit gedacht dat ik je zou dragen …!O maar, naar je verlangd heb ik nachten en dagen.Hier, zie je, heb ik getimmerd en gebouwd;Maar dat moet nu weer weg; ’t is hier arm en kaal …Solvejg.Of arm of rijk,… het is hier naar mijn zin.Je ademt zoo vrij in den bergkoelen wind …Beneden was ’t bedompt; daar had ik het benauwd;Dát was het óok wel wat uit ’t dorp mij heeft gejaagd.Maar hier, waar je hoort der dennen geruisch.…Hier is rust en gezang!… hier voel ik mij thuis.Peer Gynt.En weet je ’t ook goed? Je heele leven lang?Solvejg.De weg, dien ik ging, voert nooit meer terug.Peer Gynt.Ik heb je dus! Kom! Laat ’k je zien in mijn huisje!Ga binnen! ’k Zal even wat brandhout gaan halen;Warm en gezellig en licht zal het worden,Zacht zal je zitten en geen koû zal je lijden!(doet de deur open; Solvejg gaat binnen. Hij staat een oogenblik stil; dan lacht hij luid van blijdschap en maakt een luchtsprong).Peer Gynt.Mijn koningskind! Nu is ’t gevonden en gewonnen!Neen, nu wordt de slotbouw van nieuw af weer begonnen!(hij grijpt de bijl en wil teruggaan; op hetzelfde oogenblik komt een oudachtige vrouw in een gescheurden groenen rok uit het kreupelhout. Een leelijke jongen met een bierflesch in de hand hinkt haar achterna, zich aan haar rok vasthoudend).De Vrouw.Goên avond, Peer Luchthart!Peer Gynt.Goên avond, Peer Luchthart!Hè? Wie ’s dat?De Vrouw.Oude vrienden, Peer Gynt! Mijn woning staat dicht bij.Wij zijn buren.Peer Gynt.Wij zijn buren.Zoo? Dat is meer dan ik weet.De Vrouw.Al naar je hut oprees, ontstond ook de mijne.Peer Gynt(wil weg).Ik heb haast …De Vrouw.Ik heb haast …Ja, dat heb je altijd, man;Maar ik loop je achterna en je raakt mij zoo niet kwijt.Peer Gynt.Je vergist je!De Vrouw.Je vergist je!Dat heb ik ééns gedaan;Dat deed ik dien keer toen met beloften jij kwam.Peer Gynt.Beloften …? Wat duivel is dat voor praat?De Vrouw.Vergeet je den avond bij vader thuis?Vergeet je …?Peer Gynt.Vergeet je …?’k Vergat wat ik nooit geweten heb.Waar zagen we elkaar dan den laatsten keer?De Vrouw.Waar wij elkaar zagen den eersten keer.(tegen den jongen).Laat vader eens drinken; ’k geloof dat hij dorst heeft.Peer Gynt.Vader? Je bent dronken! Noem je hem …?De Vrouw.Je moest toch het dier aan zijn huid herkennen!…Heb je geen oogen? Je kunt ’t toch wel zienZijn poot is even lam als jouw heele aard is.Peer Gynt.Wou je mij wijs maken …?De Vrouw.Wou je mij wijs maken …?Wou je uitvluchten zoeken?Peer Gynt.Die langbeenige jongen …!De Vrouw.Die langbeenige jongen …!Hij is hard gegroeid.Peer Gynt.Durf jij mij opdringen, leelijke heks …De Vrouw.Hoor eens, Peer Gynt, je bent grof als een os …!(huilend).Kan ik het helpen dat ’k niet meer zoo mooi ben,Als toen je mij lokte over glooiende heuvels?De duivel, toen ’k baarde in den herfst, trok kromMijn rug, en daar wordt je niet beter van.Maar als je mij mooi weer als vroeger wilt zien,Wijs dan maar die meid, die daar ginds zit, de deur.Jaag haar uit je oogen en zinnen maar weg;…Doe dat, lieve vriend, dan verander ’k van tronie!Peer Gynt.Wijk van mij, booze heks!De Vrouw.Wijk van mij, booze heks!Maar ik ga niet, hoor!Peer Gynt.Ik sla je de hersens in …!De Vrouw.Ik sla je de hersens in …!Ja, zie eens of je durft!Hoho, Peer Gynt, geen slag die mij deert!…Ik kom hier toch iedren dag weer terug.Ik kijk door de deur, en begluur je te zamen.Zit met de deern je dan in ’t schemeruur,…Wordt je teeder … Peer Gynt … wil je een deuntje vrijen,…Kom ik bij je zitten en eisch ook mijn deel.Zij en ik, wij hebben je dan beurt om beurt.Vaarwel, jongenlief; hoû jij nu morgen maar bruiloft, hoor!Peer Gynt.Jij helsche nachtmerrie!De Vrouw.Jij helsche nachtmerrie!Maar dat ’s waar ook!Den jongen, jouw mankepoot, dien voedt jij op!Duivelskind, wil jij naar je vader toe?De Jongen(spuwt naar hem).Duivelskind, wil jij naar je vader toe?Daar!’k Zal je hakken met een bijl, hoor; wacht maar, mettertijd!De Vrouw(kust den jongen).Och, wat een hoofd op dat lichaam toch zit!Jij maakt je vader nog eenmaal beschaamd!Peer Gynt(stampvoetend).O, was je zoo ver …!De Vrouw.O, was je zoo ver …!Als wij dichtbij zijn nu?Peer Gynt(balt de vuisten).En dat alles …!De Vrouw.En dat alles …!Voor zinnenbegeerte alleen!’t Is zonde van je, Peer!Peer Gynt.’t Is zonde van je, Peer!’t Meest voor een andre!…Solvejg! mijn parel, zoo zuiver, zoo rein!De Vrouw.Ja, ja, zei de duivel, de onschuld moet lijden,Toen z’n vader zat was en z’n moeder ’m sloeg!(Zij gaat het kreupelhout weer in met den jongen die hem de bierflesch achterna gooit).Peer Gynt(na lang zwijgen).Er omheen, zei Böjg. Ja, nu moet ik ’t doen …Daar viel mijn koninklijk slot in duigen!’t Trok een muur op om haar … en ’k was zoo nabij;Op-eens was hier ’t mooi weg; verlept was mijn blijdschap …Geef het op, kerel! Erisgeen wegDwars door dat alles van jou naar haar toe.Dwars er doorheen? Die moet toch zijn te vinden.Er staat iets van berouw, als ik mij goed herinner.Maar wat? Wat staat er? Ik heb ’t boek niet meer,Heb ’t meeste vergeten, en hier is ook niemandIn ’t wilde bosch, die mij terecht kan helpen …Berouw? Daar konden wel jaren mee heengaanEer ik er doorheen was. Zoo’n leven zou triest zijn.Kapot slaan wat glanzend en licht en mooi is,En dan van de scherven weer maken wat nieuws.Dat gaat met ’n viool maar gaat niet met een klok.Je moet niet vertrappen wat nog groeien moet.Maar dat was toch ’n leugen van die heksentronie!Nu is al dat afschuwlijke weer uit mijn oogen …Ja; wel uit mijn oogen, maar niet uit mijn hoofd.Nasluipen zal dat mij toch overal.Ingrid! En die drie daar boven op den berg!Moeten die ook meedoen? Met gieren en mal doenEischen alszijte worden omarmd,Voorzichtig en teer te worden gedragen?Buiten om, Peer; al was je arm zoo langAls de slankste den of een pijnboomstam,…’k Geloof dat ik haar toch nog te dicht bij mij hieldOm haar smetloos en ongedeerd neer te zetten …Ik moet daar omheen komen, hoe ’t dan ook ga,Dat ’t mij geen gewin wordt en ook geen verlies.Je moet zoo iets afschudden tot je ’t vergeet …(doet eenige stappen naar de hut toe, maar blijft weer staan).Binnen gaan na dit alles? Zoo vuil en gemeen?Binnen gaan met al die spoken achter me aan?(werpt de bijl weg).’t Is de avond vóór ’t feest. Haar nu aan te vattenZoo, als ik nù ben, zou heiligschennis zijn.Solvejg(in de deur).Kom je haast?Peer Gynt(halfluid).Kom je haast?Buiten om!Solvejg.Kom je haast? Buiten om!Wat?Peer Gynt.Kom je haast? Buiten om! Wat?Wacht nog even.’t Is hier donker, en ’k heb nog iets zwaars te halen.Solvejg.Wacht; ’k zal je helpen; dan dragen wij ’t samen.Peer Gynt.Neen, blijf liever daar! Ik zal ’t alleen wel dragen.Solvejg.Maar blijf niet te lang, zeg!Peer Gynt.Maar blijf niet te lang, zeg!Geduld maar, meisje!Of lang of kort,… blijf maar wachten.Solvejg(knikt hem toe).Of lang of kort,… blijf maar wachten.’k Zal wachten!(Peer Gynt gaat het bosch in. Solvejg blijft in de halfopen deur staan).Aase’s kamer. Avond. Een rijshoutvuur brandt in den haard en verlicht de kamer. De kat op een stoel aan den voet van het bed. Aase ligt te bed en tast onrustig met de handen over de dekens.Aase.Och, lieve Heer, zou hij niet komen?Het duurt al zoo schrikkelijk lang.’k Kan niet meer om hem zendenEn zeggen moet ik hem zooveel.Ik heb niet veel tijd te verliezen!Zoo plotseling! Wie had dat gedacht!O, als ik toch maar kon wetenOf ’k niet te streng voor hem was!Peer Gynt(komt binnen).Goeien avond!Aase.Goeien avond!God zal je zeegnen!Daar is hij! Mijn jongen! Mijn Peer!Maar hoe durf je hier je te wagen?Hier loopt je leven gevaar!Peer Gynt.Och, wat kan het leven mij schelen.Ik moest nu eens naar je toe.Aase.Wat zal Kari staan te kijken!Nu ga ik in vrede heen!Peer Gynt.Ga heen? Wat zijn dat voor praatjes?Waar denk je dan heen te gaan?Aase.Och Peer, het loopt op zijn einde;Het duurt met mij niet meer lang!Peer Gynt(wringt de handen en loopt op en neer).En ik die het leed dacht te ontloopen,En meendehiervrij te zijn …!Heb je ’t koud aan handen en voeten?Aase.Ja, Peer, ’t is nu gauw voorbij …Als je ziet dat mijn oogen breken,O, druk ze dan zachtjes dicht.En dan moet voor een kist je zorgen;Maar, jongen, laat mooi die zijn.Och, neen, ’t is waar …Peer Gynt.Och, neen, ’t is waar …Wees maar stil, hoor!Daarvoor is ’t nog tijds genoeg.Aase.Ja, ja.(kijkt onrustig rond in de kamer).Ja, ja.Hier zie je het beetjeDat overbleef. Zoo zijn de luî.Peer Gynt(balt de handen).Nu alweer!(hard).Nu alweer!Ik weet dat ’t mijn schuld is.Wat helpt ’t of ik het weer hoor?Aase.Jij! Neen, dat vervloekte drinken,Daar komt al het onheil van daan!Mijn jongen, jij was immers dronken:Dan weet iemand niet wat hij doet;En dan hadt je op dat rendier gereden;Dat je dol was is duidlijk genoeg!Peer Gynt.Praat daar nu maar niet meer over.Laat rusten die heele zaak.Wat droef is zullen wij sparenTot later … een andren dag.(gaat op den rand van het bed zitten).Nu, moedertje, gaan wij babb’len,Over koetjes en kalfjes maar,En ’t nare en bitt’re vergeten,En alles wat pijn doet en kwelt …Och kijk eens, daar zit de oude kat nog;Dus die hield het ook zoo lang uit?Aase.Die doet ’s nachts ook al zoo aaklig;Je weet wel wat dat beduidt!Peer Gynt.Wat is er voor nieuws in ’t dorp, zeg?Aase(glimlachend).Ze zeggen dat ergens hier isEen meisje, dat naar de bergen …Peer Gynt(snel).Mads-Moën, slaat die er zich door?Aase.Ze zeggen, zij heeft geen oorenVoor beî haar ouders verdriet.Jij moest er toch eens naar hoorenJij, Peer, weet misschien wel raad …Peer Gynt.En hoe staat het met smid Aslak?Aase.Och zwijg van dien vuilen smid.Liever wil ik den naam je zeggenVan ’t meisje, je weet wel … van haar …Peer Gynt.Neen, nu gaan wij samen praten,…Over koetjes en kalfjes alleen,En al ’t nare en bitt’re vergetenEn alles wat pijn doet en kwelt.Heb je dorst? Zal ik halen wat drinken?Lig je goed, zeg? Het bed is maar kort.Laat eens zien;… ja dat is zoo waar nogHet bed, waar ’k als jongen in sliep?Weet je ’t nog, hoe dikwijls je ’s avondsDaar zat aan het voeteneind,Mij toedekte warm en lekker,En allerlei liedjes zong?Aase.Jawel! En dan speelden wij “sleden”,Als vader aan ’t boemelen was.’t Dek was de vacht van de sledeDe grond een bevroren fjord.Peer Gynt.Ja, maar het allermooiste,Zeg, moeder weet je ’t nog?…Dat waren de wilde paarden …Aase.Ja, denk je dat ik ’t niet meer weet …?Wij leenden de kat van Kari;Die zat op een houten kruk …Peer Gynt.Naar ’t slot van de maan in ’t westen,Naar ’t oosterslot van de zon,Naar ’t Soria-Moria slot danGing ’t hoepla-hei! over den vloer.Een stok, in de kast gevondenGebruikten wij voor een zweep.Aase.Vooróp op den bok zat ik dan …Peer Gynt.En dan liet je de teugels los!Je keek om, zoodra als wij reden,En vroeg mij: heb je ’t niet koud?God zegen je, oude stumperd,…Je was toch een goede ziel …!Hoe kreun je zoo?Aase.Hoe kreun je zoo?’k Heb zoo’n pijn inMijn rug, van die harde plank.Peer Gynt.Strek je uit; ik zal je steunen.Zie zoo; lig je nu niet zacht?Aase(onrustig).Neen, Peer, ik wil weggaan!Peer Gynt.Neen, Peer, ik wil weggaan!Weggaan?Aase.Ja, weggaan; ’k verlang er zoo naar.Peer Gynt.Kom praatjes! Blijf onder de dekens.Laat mij zitten aan ’t voeteneind.Zie zoo; nu korten wij d’ avondMet sprookjes en allerlei spel.Aase.Haal liever den bijbel uit ’t kastje:Ik ben zoo onrustig te moê.Peer Gynt.In ’t slot van Soria-MoriaGeven koning en prins een groot feest.Rust maar uit in de warme sledeIk rijd door het veld je er heen …Aase.Maar, Peer-lief, ben ik genoodigd?Peer Gynt.Ja, dat zijn wij allebei.(gooit een touw om den stoel waarop de kat ligt, neemt een stok in de hand en gaat op het voeteneinde van het bed zitten).Hop! Rijd wat aan, jij Zwartje!Zeg, moeder, heb je ’t niet koud?Ja, ja; want je voelt het snijdenAls Grane aan ’t draven gaat!Aase.Lieve Peer, wat hoor ik toch luiden …?Peer Gynt.De bellen van ’t blanke tuig!Aase.Huuh! Wat klinkt dat hol, mijn beste!Peer Gynt.Wij rijden ook over een fjord.Aase.Ik ben bang! Wat is toch dat bruisenEn steunen, zoo wonderlijk wild?Peer Gynt.’t Zijn de kruinen, moeder, die ruischenVan ’t pijnbosch. Zit nu maar stil.Aase.Wat schittert en blinkt er daar ginder?Waar komt toch dat schijnsel van daan?Peer Gynt.Van ’t slot. Alle ruiten glinstren.Hoor je wel hoe zij dansen?Aase.Hoor je wel hoe zij dansen?Ja.Peer Gynt.Sint Petrus staat buiten de deur alEn noodigt tot binnengaan.Aase.Groet hij ons?Peer Gynt.Groet hij ons?Hij staat te buigen,Inschenkend den lekkersten wijn.Aase.O, wijn! Heeft hij soms ook koekjes?Peer Gynt.Ja, òf hij! Een heelen berg.De vrouw van den proost komt ook aanMet koffie en suikerwerk.Aase.En spreken wij daar dan elkander?Peer Gynt.Zoo vaak en zoo lang als je wilt.Aase.O Peer, wat al heerlijkheden,Waar je mij, arme ziel, heen brengt!Peer Gynt(klapt met de zweep).Hop! Rep, je dan toch, mijn Zwartje!Aase.Zeg, Peer-lief, je rijdt toch wel goed?Peer Gynt(klapt weer).Hier kan je niet dwalen.Aase.Hier kan je niet dwalen.Dat slingren.Dat maakt mij zoo raar en moe.Peer Gynt.Daar zie ik het slot al verrijzen;Nog even, dan zij wij er al.Aase.Ik zal stil maar mijn oogen toe doen,Vertrouwen op jou, mijn Peer!Peer Gynt.Vooruit dan, Grane, mijn draver!In ’t slot is er groot gedrang;Zij stuwen en dringen de poort in.Dáár komt Peer Gynt met oud’ Aase!Wat zegt u dáárvan Heer Petrus?Mag moeder niet binnengaan?’k Geloof dat u lang kan zoekenEer u vindt een zoo eerlijke ziel;Van mij wil ik maar niet spreken;Ik kan òmkeeren als het moet.Wil u inschenken, neem ik ’t in dank aanZoo niet, ga ik óók tevree weg.’k Heb verzonnen evenveel leugensAls de duivel die preêken ging,En moeder voor ’n kip uitgescholdenOmdat zij kakelde soms.Maar haar moet u achten en eerenEn maken dat goed zij het heeft;Er komt hier stellig geen beetreVan waar ook, in dezen tijd …Aha! daar is God de Vader!Sint Petrus, nu krijg je er langs!(met diep stemgeluid).“Hou op toch met dat gezeur daar;Moeder Aase heeft vrij entree!”(lacht luid en keert zich naar zijn moeder om).Alsof ik dat niet had geweten!Nu komt er wat anders weer!(angstig).Waarom kijk je of je oogen gaan breken?Zeg, moeder! Wat scheelt er nu aan …?(gaat naar het hoofdeinde).Je moet niet zoo liggen te staren …!Spreek, moeder, ik ben het, Peer!(betast voorzichtig haar voorhoofd en handen; dan gooit hij het touw van den stoel af en zegt gedempt):Zoo, ja!… Je kunt uitrusten, Grane;Want nu is de reis volbracht.(drukt haar de oogen dicht en buigt zich over haar heen).Heb dank voor je heele leven,Voor klappen en teedere zorg …Maar nu moet jij mij ook bedanken …(drukt zijn wang tegen haar mond).Zoo; dat was jouw dank voor den rit.(De buurvrouw komt binnen).Kari.Wat? Peer! Nou, dan zijn we ook overHaar bitterste leed al heen!Lieve Heer, wat slaapt zij vast nu!…Of is zij al …?Peer Gynt.Of is zij al …?Stil; ze is dood.(Kari schreit bij het lijk. Peer Gynt loopt lang rond door de kamer; eindelijk blijft hij bij het bed staan).Laat haar met alle eer begraven.Ik moet zien hoe ’k hier van daan kom.Kari.Moet je ver weg gaan?Peer Gynt.Moet je ver weg gaan?Naar zee toe.Kari.Zoo ver!Peer Gynt.Zoo ver!En nog verder weg.(af).EINDE VAN HET DERDE BEDRIJF.
DERDE BEDRIJF.Diep in het pijnbosch. Grauw herfstweer. Sneeuwval. Peer Gynt staat in zijn hemdsmouwen hout te kloven.Peer Gynt(hakt een groote den met kromme takken om).Ja, ja, je bent taai, jij ouwe vriend;Maar dat helpt je niets, je moet er toch aan.(hakt weer).Ik zie wel, je draagt een pantserhemd;…Maar dat sla ’k wel kapot, al was ’t ook nog zoo sterk …Ja, ja, je schudt je knoestigen arm;’t Is begrijplijk genoeg, je bent kwaad, hebt ’t land;Maar hoe ’t ook zij, je moet bukken voor mij …!(breekt plotseling af).Zinsbedrog! ’t Is maar een oude boom.Zinsbedrog! ’t Is geen pantserhemd;Het is maar een pijnboom met ruigen bast …Het is inspannend werk, dat boomen hakken,Maar waanzin te hakken en daarbij nog te droomen.Dat moet uit zijn nu,… in den mist te starenEn zich klaar wakker te laten wegdrijven …Verbannen ben je! Een ’t bosch in gejaagde.(hakt een tijdlang hard door).Verbannen. Je hebt geen moeder meerOm je eten te brengen, je tafel te dekken;Wil je eten, kerel, help dan je zelf maar,Haal je wat rauws uit bosch of beek.Zoek je wat rijshout en steek het in brand,Pruts wat en kook wat en maak maar wat klaar.Wil je warme kleeren, vang dan een rendier;Wil je een huis bouwen, houw dan blokken steen;Wil je ’t opbouwen, moet je balken zagenEn zelf ze op je rug naar de plaats toe dragen.…(zijn bijl zinkt neer, hij staart voor zich uit).Mooi zal het worden. ’n Toren met vaanZal er op het dak staan en uitsteken hoog;En op den gevel, van hout gesneden,Een zeemeermin, met ’n vischstaart in plaats van beenen.Koper moet er zijn aan het slot en het vaantje.Glas moet ik ook zien te krijgen nog;Vreemden zullen dan vragen, verbaasd,Wat daar zoo schittert verweg in de bergen.(lacht grimmig).O helsche leugens! Daar zijn ze weer.Je bent ’n banneling, kerel!(hakt weer met woede).Je bent ’n banneling, kerel!Een dak van schorsBeschut ook voldoend tegen wind en vorst.(kijkt op naar den boom).Nu staat hij te wank’len. Kom, nog maar één houw!Dan valt hij, zoo lang als hij is, van zelf al;Het trilt al in ’t jonge hout, ruischend en klagend!(wil beginnen den stam van zijn takken te ontdoen; op-eens luistert hij en blijft stilstaan met opgeheven bijl).Daar komt iemand achter mij!… Doe je het zóó,Jij Haegstad-boer;… dat is een valsche streek.(schuilt weg achter den boom en gluurt).Een kerel! Maar één. Hij lijkt wel bang.Schuw kijkt hij in ’t rond. Wat verbergt hijOnder zijn buis? Een sikkel! Hij staat stil en gluurt,Legt zijn vuist op zijn stok neer … en nu? Wat is dat?Waarom staat hij nu stil en grijpt zijn sikkel?O jé! Daar hieuw hij zijn vinger af!Zijn heelen vinger! Hij bloedt als een varken!Daar gaat hij er van door met zijn vuist in een doek.(staat op).Die lijkt wel bezeten! Een onmisbare vinger!Er af! En zonder dat iemand hem dwingt …Wacht! Nu begrijp ik ’t …! Dat is het eenigeMiddel om van den dienst vrij te komen.Dat is ’t. Zij wilden hem in d’oorlog sturen,En de kerel natuurlijk, wou niet graag weg …Maar afhakken …? Hem verliezen voor goed …?’t Te bedenken, te wenschen, tewillenzelfs;En ’t tedoen! Neen, dat begrijp ik toch niet!(Schudt even het hoofd, dan gaat hij weer aan het werk).Een kamer in Aase’s huis. Alles is in wanorde; kisten staan open; daagsche kleeren liggen uitgespreid in het rond; een kat in het bed.Aaseen debuurvrouwdruk bezig met bij elkaar te pakken en op te ruimen.Aase(loopt naar den éénen kant).Kari, hoor eens!Kari.Kari, hoor eens!Wat is ’t?Aase(aan den anderen kant).Kari, hoor eens! Wat is ’t?Hoor eens …!Waar ligt …? Waar kan ’k vinden …? Zeg eens, waar is …?Waar zoek ik toch naar? Ik ben als versuft!Waar is de sleutel van de kist?Kari.Waar is de sleutel van de kist?Die steekt er op.Aase.Wat rammelt zoo buiten?Kari.Wat rammelt zoo buiten?De laatste vracht.Wordt naar Haegstad gebracht.Aase(schreiend).Wordt naar Haegstad gebracht.O, ik zou blij zijnAls ’k zèlf in de zwarte kist werd uitgedragen!Och, hoevéél moet een mensch toch lijden en uitstaan!God zij mij genadig! ’t Heele huis is leeg!Wat de Haegstad-boer liet staan, nam de deurwaarder mee.Zelfs de kleeren aan ’t lijf bleven niet gespaard.’t Is schande een mensch zoo te behand’len!(gaat op den rand van het bed zitten).Nu is alles, huis, hof en land verloren;Hard was de oude, maar harder het gerecht;Er was geen hulp meer en ook geen genade;Peer was er niet, en niemand kon mij bijstaan.Kari.Hier in huis mag je nu toch blijven tot je dood.Aase.Ja, de kat en ik, wij krijgen genadebrood!Kari.Ja, moeder, ’t was Peer die je duur kwam te staan!Aase.Peer? Zeg, ben je nu heelemaal mal!Ingrid kwam immers heelhuids weer thuis.Zij hadden zich bij den duivel moeten houden;…Hij is de schuldige, hij, en niemand anders;De booze dreef mijn armen jongen er toe!Kari.Zou je niet liever eens om den priester sturen?’t Gaat hem slechter dan je misschien wel denkt.Aase.Om den priester? Och ja, dat was zoo kwaad niet.(richt zich op).Maar neen! dat kan ik niet!Ikben z’n moeder toch;Ikzal helpen; dat ’s niet meer dan mijn moederplicht;Doen zooveel ik kan, als geen ander iets doet.Dat buis hier, mag hij hebben. Dat zal ik lappen.’k Wou dat ik hun ook dat vel durfde afsnappen!Waar zijn de kousen?Kari.Waar zijn de kousen?Dáár, bij den anderen rommel.Aase(rommelt er in).Wat vind ik daar? Och neen maar, een oudenGietlepel, Kari! Daarmee heeft hij gespeeldKnoopen-gieten, smelten en stemplen.Eens, toen hier feest was, kwam de jongen thuisEn vroeg zijn vader om een klomp tin;Geen tin, zei Jon, maar koning Christiaans munt,Zilver; men moet zien dat je een zoon bent van Jon GyntGod vergeve het Jon; maar dronken was hij,En dan lette hij op geen goud of geen tin.Hier zijn de kousen. O, wat een gaten!Dat geeft stopwerk, Kari!Kari.Dat geeft stopwerk, Kari!Dat ’s noodig, dunkt mij.Aase.Als dat gedaan is, ga ’k maar naar bed;Ik voel mij zoo zwak en ziek en benauwd …Twee wollen hemden; die hebben zij vergeten!Kari.Ja, dat hebben zij nèt.Aase.Ja, dat hebben zij nèt.Dat treft juist goed.Het eene kan je op zijde leggen.Of wacht, wij moesten ze maar beide houden;Dat wat hij aan heeft is al zoo dun.Kari.Maar, moeder Aase, dat mag toch niet!Aase.Nou ja, maar je weet, de priester verkondigtVergeving voor dit en meer andere zonden.Buiten een nieuwgebouwde hut in het bosch. Een rendiergewei boven de deur. De sneeuw ligt hoog. Het schemert al. Peer Gynt staat voor de deur en spijkert een groot houten slot vast.Peer Gynt(lacht nu en dan hardop).Een slot moet er zijn; een slot dat houdt buitenAl de kabouters, mannen en vrouwen.Een slot moet er zijn, om de hut af te sluitenVoor al die kwaadaardige, looze dwergen …Zij komen met ’t donker; zij kloppen en tikken:Maak open, Peer Gynt, wij zijn vlug als gedachten!Wij schudden het bed, wij blazen het vuur aan,Stijgen op door den schoorsteen als vurige draken.Hihi! Peer, denk je met spijkers en plankenDen toegang voor ’t nijdige dwergvolk te stuiten?(Solvejg komt op sneeuwschoenen over de heide; zij heeft een doek over het hoofd en een bundel in de hand).Solvejg.God zegen je arbeid. Je moet mij niet verstooten.Ik kom omdat je riep, dus moet je mij nemen.Peer Gynt.Solvejg! ’t Is toch niet …! Jawel, ’t is waar!…En je bent niet meer bang om dicht bij mij te komen!Solvejg.Je zondt mij een boodschap door kleine Helga;Vele bracht nog later heimlijk de wind mij.’n Boodschap was al wat je moeder vertelde,’n Boodschap mijn droom als ’k te slapen mij legde.Nachten zoo droef, en zoo leeg al de dagen,Zeiden het mij, dat ik nu moest komen.Als uitgebluscht was het leven daarginder;Ik kon niet van harte meer lachen of schreien.Ik wist niet heel zeker wat in jou omging;Ik wist alleen maar, dat het mij naar je toe drong.Peer Gynt.Maar je vader?Solvejg.Maar je vader?Op Gods wijde wereldHeb ’k niemand, die vader of moeder mij is.Ik ben los nu van allen.Peer Gynt.Ik ben los nu van allen.Solvejg, jij lieve,Om de mijne te zijn?Solvejg.Om de mijne te zijn?Ja, alleen de jouwe;Jij moet alles mij zijn; mijn thuis en familie.(schreiend).’t Ergst was het mijn zusje achter te laten;…Maar erger toch nog van vader te gaan;Maar ’t allerergst te scheiden van moeders borst;…Neen, God vergeef mij, ’t ergst nog van allesWas de smart van ’t heengaan van allen … allen!Peer Gynt.En ken je mijn vonnis in ’t voorjaar geveld?Dat scheidt mij voor goed van huis en hof.Solvejg.Denk je soms dat ik voor wereldsche haveVoor altijd van die mij lief waren scheidde?Peer Gynt.En weet je ook, dat ik, eens buiten het bosch,Mag opgepakt worden als iemand mij ziet?Solvejg.Op sneeuwschoenen liep ik, en vroeg naar den weg;Zij vorschten waar ’k heen moest; ik antwoordde: naar huis.Peer Gynt.Weg dan met al die spijkers en planken.Geen grendels nu meer tegen nijdige dwergen.Durf jij voortaan bij den jager te blijven,Dan zal mijn hut ook gewijd zijn, dat weet ik.Solvejg! ’k Moet je aanzien! Niet al te dicht bij!Aanzien alleen maar! Wat ben je toch stralend blank!Je óplichten even! Wat ben je toch licht en teer!Als ik je dragen moet, Solvejg, word ik nooit moe!’k Zal je niet vuil maken. Met gestrekte armenHou ik je voor mij uit, jij lieve, barmhartige!Wie had ooit gedacht dat ik je zou dragen …!O maar, naar je verlangd heb ik nachten en dagen.Hier, zie je, heb ik getimmerd en gebouwd;Maar dat moet nu weer weg; ’t is hier arm en kaal …Solvejg.Of arm of rijk,… het is hier naar mijn zin.Je ademt zoo vrij in den bergkoelen wind …Beneden was ’t bedompt; daar had ik het benauwd;Dát was het óok wel wat uit ’t dorp mij heeft gejaagd.Maar hier, waar je hoort der dennen geruisch.…Hier is rust en gezang!… hier voel ik mij thuis.Peer Gynt.En weet je ’t ook goed? Je heele leven lang?Solvejg.De weg, dien ik ging, voert nooit meer terug.Peer Gynt.Ik heb je dus! Kom! Laat ’k je zien in mijn huisje!Ga binnen! ’k Zal even wat brandhout gaan halen;Warm en gezellig en licht zal het worden,Zacht zal je zitten en geen koû zal je lijden!(doet de deur open; Solvejg gaat binnen. Hij staat een oogenblik stil; dan lacht hij luid van blijdschap en maakt een luchtsprong).Peer Gynt.Mijn koningskind! Nu is ’t gevonden en gewonnen!Neen, nu wordt de slotbouw van nieuw af weer begonnen!(hij grijpt de bijl en wil teruggaan; op hetzelfde oogenblik komt een oudachtige vrouw in een gescheurden groenen rok uit het kreupelhout. Een leelijke jongen met een bierflesch in de hand hinkt haar achterna, zich aan haar rok vasthoudend).De Vrouw.Goên avond, Peer Luchthart!Peer Gynt.Goên avond, Peer Luchthart!Hè? Wie ’s dat?De Vrouw.Oude vrienden, Peer Gynt! Mijn woning staat dicht bij.Wij zijn buren.Peer Gynt.Wij zijn buren.Zoo? Dat is meer dan ik weet.De Vrouw.Al naar je hut oprees, ontstond ook de mijne.Peer Gynt(wil weg).Ik heb haast …De Vrouw.Ik heb haast …Ja, dat heb je altijd, man;Maar ik loop je achterna en je raakt mij zoo niet kwijt.Peer Gynt.Je vergist je!De Vrouw.Je vergist je!Dat heb ik ééns gedaan;Dat deed ik dien keer toen met beloften jij kwam.Peer Gynt.Beloften …? Wat duivel is dat voor praat?De Vrouw.Vergeet je den avond bij vader thuis?Vergeet je …?Peer Gynt.Vergeet je …?’k Vergat wat ik nooit geweten heb.Waar zagen we elkaar dan den laatsten keer?De Vrouw.Waar wij elkaar zagen den eersten keer.(tegen den jongen).Laat vader eens drinken; ’k geloof dat hij dorst heeft.Peer Gynt.Vader? Je bent dronken! Noem je hem …?De Vrouw.Je moest toch het dier aan zijn huid herkennen!…Heb je geen oogen? Je kunt ’t toch wel zienZijn poot is even lam als jouw heele aard is.Peer Gynt.Wou je mij wijs maken …?De Vrouw.Wou je mij wijs maken …?Wou je uitvluchten zoeken?Peer Gynt.Die langbeenige jongen …!De Vrouw.Die langbeenige jongen …!Hij is hard gegroeid.Peer Gynt.Durf jij mij opdringen, leelijke heks …De Vrouw.Hoor eens, Peer Gynt, je bent grof als een os …!(huilend).Kan ik het helpen dat ’k niet meer zoo mooi ben,Als toen je mij lokte over glooiende heuvels?De duivel, toen ’k baarde in den herfst, trok kromMijn rug, en daar wordt je niet beter van.Maar als je mij mooi weer als vroeger wilt zien,Wijs dan maar die meid, die daar ginds zit, de deur.Jaag haar uit je oogen en zinnen maar weg;…Doe dat, lieve vriend, dan verander ’k van tronie!Peer Gynt.Wijk van mij, booze heks!De Vrouw.Wijk van mij, booze heks!Maar ik ga niet, hoor!Peer Gynt.Ik sla je de hersens in …!De Vrouw.Ik sla je de hersens in …!Ja, zie eens of je durft!Hoho, Peer Gynt, geen slag die mij deert!…Ik kom hier toch iedren dag weer terug.Ik kijk door de deur, en begluur je te zamen.Zit met de deern je dan in ’t schemeruur,…Wordt je teeder … Peer Gynt … wil je een deuntje vrijen,…Kom ik bij je zitten en eisch ook mijn deel.Zij en ik, wij hebben je dan beurt om beurt.Vaarwel, jongenlief; hoû jij nu morgen maar bruiloft, hoor!Peer Gynt.Jij helsche nachtmerrie!De Vrouw.Jij helsche nachtmerrie!Maar dat ’s waar ook!Den jongen, jouw mankepoot, dien voedt jij op!Duivelskind, wil jij naar je vader toe?De Jongen(spuwt naar hem).Duivelskind, wil jij naar je vader toe?Daar!’k Zal je hakken met een bijl, hoor; wacht maar, mettertijd!De Vrouw(kust den jongen).Och, wat een hoofd op dat lichaam toch zit!Jij maakt je vader nog eenmaal beschaamd!Peer Gynt(stampvoetend).O, was je zoo ver …!De Vrouw.O, was je zoo ver …!Als wij dichtbij zijn nu?Peer Gynt(balt de vuisten).En dat alles …!De Vrouw.En dat alles …!Voor zinnenbegeerte alleen!’t Is zonde van je, Peer!Peer Gynt.’t Is zonde van je, Peer!’t Meest voor een andre!…Solvejg! mijn parel, zoo zuiver, zoo rein!De Vrouw.Ja, ja, zei de duivel, de onschuld moet lijden,Toen z’n vader zat was en z’n moeder ’m sloeg!(Zij gaat het kreupelhout weer in met den jongen die hem de bierflesch achterna gooit).Peer Gynt(na lang zwijgen).Er omheen, zei Böjg. Ja, nu moet ik ’t doen …Daar viel mijn koninklijk slot in duigen!’t Trok een muur op om haar … en ’k was zoo nabij;Op-eens was hier ’t mooi weg; verlept was mijn blijdschap …Geef het op, kerel! Erisgeen wegDwars door dat alles van jou naar haar toe.Dwars er doorheen? Die moet toch zijn te vinden.Er staat iets van berouw, als ik mij goed herinner.Maar wat? Wat staat er? Ik heb ’t boek niet meer,Heb ’t meeste vergeten, en hier is ook niemandIn ’t wilde bosch, die mij terecht kan helpen …Berouw? Daar konden wel jaren mee heengaanEer ik er doorheen was. Zoo’n leven zou triest zijn.Kapot slaan wat glanzend en licht en mooi is,En dan van de scherven weer maken wat nieuws.Dat gaat met ’n viool maar gaat niet met een klok.Je moet niet vertrappen wat nog groeien moet.Maar dat was toch ’n leugen van die heksentronie!Nu is al dat afschuwlijke weer uit mijn oogen …Ja; wel uit mijn oogen, maar niet uit mijn hoofd.Nasluipen zal dat mij toch overal.Ingrid! En die drie daar boven op den berg!Moeten die ook meedoen? Met gieren en mal doenEischen alszijte worden omarmd,Voorzichtig en teer te worden gedragen?Buiten om, Peer; al was je arm zoo langAls de slankste den of een pijnboomstam,…’k Geloof dat ik haar toch nog te dicht bij mij hieldOm haar smetloos en ongedeerd neer te zetten …Ik moet daar omheen komen, hoe ’t dan ook ga,Dat ’t mij geen gewin wordt en ook geen verlies.Je moet zoo iets afschudden tot je ’t vergeet …(doet eenige stappen naar de hut toe, maar blijft weer staan).Binnen gaan na dit alles? Zoo vuil en gemeen?Binnen gaan met al die spoken achter me aan?(werpt de bijl weg).’t Is de avond vóór ’t feest. Haar nu aan te vattenZoo, als ik nù ben, zou heiligschennis zijn.Solvejg(in de deur).Kom je haast?Peer Gynt(halfluid).Kom je haast?Buiten om!Solvejg.Kom je haast? Buiten om!Wat?Peer Gynt.Kom je haast? Buiten om! Wat?Wacht nog even.’t Is hier donker, en ’k heb nog iets zwaars te halen.Solvejg.Wacht; ’k zal je helpen; dan dragen wij ’t samen.Peer Gynt.Neen, blijf liever daar! Ik zal ’t alleen wel dragen.Solvejg.Maar blijf niet te lang, zeg!Peer Gynt.Maar blijf niet te lang, zeg!Geduld maar, meisje!Of lang of kort,… blijf maar wachten.Solvejg(knikt hem toe).Of lang of kort,… blijf maar wachten.’k Zal wachten!(Peer Gynt gaat het bosch in. Solvejg blijft in de halfopen deur staan).Aase’s kamer. Avond. Een rijshoutvuur brandt in den haard en verlicht de kamer. De kat op een stoel aan den voet van het bed. Aase ligt te bed en tast onrustig met de handen over de dekens.Aase.Och, lieve Heer, zou hij niet komen?Het duurt al zoo schrikkelijk lang.’k Kan niet meer om hem zendenEn zeggen moet ik hem zooveel.Ik heb niet veel tijd te verliezen!Zoo plotseling! Wie had dat gedacht!O, als ik toch maar kon wetenOf ’k niet te streng voor hem was!Peer Gynt(komt binnen).Goeien avond!Aase.Goeien avond!God zal je zeegnen!Daar is hij! Mijn jongen! Mijn Peer!Maar hoe durf je hier je te wagen?Hier loopt je leven gevaar!Peer Gynt.Och, wat kan het leven mij schelen.Ik moest nu eens naar je toe.Aase.Wat zal Kari staan te kijken!Nu ga ik in vrede heen!Peer Gynt.Ga heen? Wat zijn dat voor praatjes?Waar denk je dan heen te gaan?Aase.Och Peer, het loopt op zijn einde;Het duurt met mij niet meer lang!Peer Gynt(wringt de handen en loopt op en neer).En ik die het leed dacht te ontloopen,En meendehiervrij te zijn …!Heb je ’t koud aan handen en voeten?Aase.Ja, Peer, ’t is nu gauw voorbij …Als je ziet dat mijn oogen breken,O, druk ze dan zachtjes dicht.En dan moet voor een kist je zorgen;Maar, jongen, laat mooi die zijn.Och, neen, ’t is waar …Peer Gynt.Och, neen, ’t is waar …Wees maar stil, hoor!Daarvoor is ’t nog tijds genoeg.Aase.Ja, ja.(kijkt onrustig rond in de kamer).Ja, ja.Hier zie je het beetjeDat overbleef. Zoo zijn de luî.Peer Gynt(balt de handen).Nu alweer!(hard).Nu alweer!Ik weet dat ’t mijn schuld is.Wat helpt ’t of ik het weer hoor?Aase.Jij! Neen, dat vervloekte drinken,Daar komt al het onheil van daan!Mijn jongen, jij was immers dronken:Dan weet iemand niet wat hij doet;En dan hadt je op dat rendier gereden;Dat je dol was is duidlijk genoeg!Peer Gynt.Praat daar nu maar niet meer over.Laat rusten die heele zaak.Wat droef is zullen wij sparenTot later … een andren dag.(gaat op den rand van het bed zitten).Nu, moedertje, gaan wij babb’len,Over koetjes en kalfjes maar,En ’t nare en bitt’re vergeten,En alles wat pijn doet en kwelt …Och kijk eens, daar zit de oude kat nog;Dus die hield het ook zoo lang uit?Aase.Die doet ’s nachts ook al zoo aaklig;Je weet wel wat dat beduidt!Peer Gynt.Wat is er voor nieuws in ’t dorp, zeg?Aase(glimlachend).Ze zeggen dat ergens hier isEen meisje, dat naar de bergen …Peer Gynt(snel).Mads-Moën, slaat die er zich door?Aase.Ze zeggen, zij heeft geen oorenVoor beî haar ouders verdriet.Jij moest er toch eens naar hoorenJij, Peer, weet misschien wel raad …Peer Gynt.En hoe staat het met smid Aslak?Aase.Och zwijg van dien vuilen smid.Liever wil ik den naam je zeggenVan ’t meisje, je weet wel … van haar …Peer Gynt.Neen, nu gaan wij samen praten,…Over koetjes en kalfjes alleen,En al ’t nare en bitt’re vergetenEn alles wat pijn doet en kwelt.Heb je dorst? Zal ik halen wat drinken?Lig je goed, zeg? Het bed is maar kort.Laat eens zien;… ja dat is zoo waar nogHet bed, waar ’k als jongen in sliep?Weet je ’t nog, hoe dikwijls je ’s avondsDaar zat aan het voeteneind,Mij toedekte warm en lekker,En allerlei liedjes zong?Aase.Jawel! En dan speelden wij “sleden”,Als vader aan ’t boemelen was.’t Dek was de vacht van de sledeDe grond een bevroren fjord.Peer Gynt.Ja, maar het allermooiste,Zeg, moeder weet je ’t nog?…Dat waren de wilde paarden …Aase.Ja, denk je dat ik ’t niet meer weet …?Wij leenden de kat van Kari;Die zat op een houten kruk …Peer Gynt.Naar ’t slot van de maan in ’t westen,Naar ’t oosterslot van de zon,Naar ’t Soria-Moria slot danGing ’t hoepla-hei! over den vloer.Een stok, in de kast gevondenGebruikten wij voor een zweep.Aase.Vooróp op den bok zat ik dan …Peer Gynt.En dan liet je de teugels los!Je keek om, zoodra als wij reden,En vroeg mij: heb je ’t niet koud?God zegen je, oude stumperd,…Je was toch een goede ziel …!Hoe kreun je zoo?Aase.Hoe kreun je zoo?’k Heb zoo’n pijn inMijn rug, van die harde plank.Peer Gynt.Strek je uit; ik zal je steunen.Zie zoo; lig je nu niet zacht?Aase(onrustig).Neen, Peer, ik wil weggaan!Peer Gynt.Neen, Peer, ik wil weggaan!Weggaan?Aase.Ja, weggaan; ’k verlang er zoo naar.Peer Gynt.Kom praatjes! Blijf onder de dekens.Laat mij zitten aan ’t voeteneind.Zie zoo; nu korten wij d’ avondMet sprookjes en allerlei spel.Aase.Haal liever den bijbel uit ’t kastje:Ik ben zoo onrustig te moê.Peer Gynt.In ’t slot van Soria-MoriaGeven koning en prins een groot feest.Rust maar uit in de warme sledeIk rijd door het veld je er heen …Aase.Maar, Peer-lief, ben ik genoodigd?Peer Gynt.Ja, dat zijn wij allebei.(gooit een touw om den stoel waarop de kat ligt, neemt een stok in de hand en gaat op het voeteneinde van het bed zitten).Hop! Rijd wat aan, jij Zwartje!Zeg, moeder, heb je ’t niet koud?Ja, ja; want je voelt het snijdenAls Grane aan ’t draven gaat!Aase.Lieve Peer, wat hoor ik toch luiden …?Peer Gynt.De bellen van ’t blanke tuig!Aase.Huuh! Wat klinkt dat hol, mijn beste!Peer Gynt.Wij rijden ook over een fjord.Aase.Ik ben bang! Wat is toch dat bruisenEn steunen, zoo wonderlijk wild?Peer Gynt.’t Zijn de kruinen, moeder, die ruischenVan ’t pijnbosch. Zit nu maar stil.Aase.Wat schittert en blinkt er daar ginder?Waar komt toch dat schijnsel van daan?Peer Gynt.Van ’t slot. Alle ruiten glinstren.Hoor je wel hoe zij dansen?Aase.Hoor je wel hoe zij dansen?Ja.Peer Gynt.Sint Petrus staat buiten de deur alEn noodigt tot binnengaan.Aase.Groet hij ons?Peer Gynt.Groet hij ons?Hij staat te buigen,Inschenkend den lekkersten wijn.Aase.O, wijn! Heeft hij soms ook koekjes?Peer Gynt.Ja, òf hij! Een heelen berg.De vrouw van den proost komt ook aanMet koffie en suikerwerk.Aase.En spreken wij daar dan elkander?Peer Gynt.Zoo vaak en zoo lang als je wilt.Aase.O Peer, wat al heerlijkheden,Waar je mij, arme ziel, heen brengt!Peer Gynt(klapt met de zweep).Hop! Rep, je dan toch, mijn Zwartje!Aase.Zeg, Peer-lief, je rijdt toch wel goed?Peer Gynt(klapt weer).Hier kan je niet dwalen.Aase.Hier kan je niet dwalen.Dat slingren.Dat maakt mij zoo raar en moe.Peer Gynt.Daar zie ik het slot al verrijzen;Nog even, dan zij wij er al.Aase.Ik zal stil maar mijn oogen toe doen,Vertrouwen op jou, mijn Peer!Peer Gynt.Vooruit dan, Grane, mijn draver!In ’t slot is er groot gedrang;Zij stuwen en dringen de poort in.Dáár komt Peer Gynt met oud’ Aase!Wat zegt u dáárvan Heer Petrus?Mag moeder niet binnengaan?’k Geloof dat u lang kan zoekenEer u vindt een zoo eerlijke ziel;Van mij wil ik maar niet spreken;Ik kan òmkeeren als het moet.Wil u inschenken, neem ik ’t in dank aanZoo niet, ga ik óók tevree weg.’k Heb verzonnen evenveel leugensAls de duivel die preêken ging,En moeder voor ’n kip uitgescholdenOmdat zij kakelde soms.Maar haar moet u achten en eerenEn maken dat goed zij het heeft;Er komt hier stellig geen beetreVan waar ook, in dezen tijd …Aha! daar is God de Vader!Sint Petrus, nu krijg je er langs!(met diep stemgeluid).“Hou op toch met dat gezeur daar;Moeder Aase heeft vrij entree!”(lacht luid en keert zich naar zijn moeder om).Alsof ik dat niet had geweten!Nu komt er wat anders weer!(angstig).Waarom kijk je of je oogen gaan breken?Zeg, moeder! Wat scheelt er nu aan …?(gaat naar het hoofdeinde).Je moet niet zoo liggen te staren …!Spreek, moeder, ik ben het, Peer!(betast voorzichtig haar voorhoofd en handen; dan gooit hij het touw van den stoel af en zegt gedempt):Zoo, ja!… Je kunt uitrusten, Grane;Want nu is de reis volbracht.(drukt haar de oogen dicht en buigt zich over haar heen).Heb dank voor je heele leven,Voor klappen en teedere zorg …Maar nu moet jij mij ook bedanken …(drukt zijn wang tegen haar mond).Zoo; dat was jouw dank voor den rit.(De buurvrouw komt binnen).Kari.Wat? Peer! Nou, dan zijn we ook overHaar bitterste leed al heen!Lieve Heer, wat slaapt zij vast nu!…Of is zij al …?Peer Gynt.Of is zij al …?Stil; ze is dood.(Kari schreit bij het lijk. Peer Gynt loopt lang rond door de kamer; eindelijk blijft hij bij het bed staan).Laat haar met alle eer begraven.Ik moet zien hoe ’k hier van daan kom.Kari.Moet je ver weg gaan?Peer Gynt.Moet je ver weg gaan?Naar zee toe.Kari.Zoo ver!Peer Gynt.Zoo ver!En nog verder weg.(af).EINDE VAN HET DERDE BEDRIJF.
DERDE BEDRIJF.Diep in het pijnbosch. Grauw herfstweer. Sneeuwval. Peer Gynt staat in zijn hemdsmouwen hout te kloven.Peer Gynt(hakt een groote den met kromme takken om).Ja, ja, je bent taai, jij ouwe vriend;Maar dat helpt je niets, je moet er toch aan.(hakt weer).Ik zie wel, je draagt een pantserhemd;…Maar dat sla ’k wel kapot, al was ’t ook nog zoo sterk …Ja, ja, je schudt je knoestigen arm;’t Is begrijplijk genoeg, je bent kwaad, hebt ’t land;Maar hoe ’t ook zij, je moet bukken voor mij …!(breekt plotseling af).Zinsbedrog! ’t Is maar een oude boom.Zinsbedrog! ’t Is geen pantserhemd;Het is maar een pijnboom met ruigen bast …Het is inspannend werk, dat boomen hakken,Maar waanzin te hakken en daarbij nog te droomen.Dat moet uit zijn nu,… in den mist te starenEn zich klaar wakker te laten wegdrijven …Verbannen ben je! Een ’t bosch in gejaagde.(hakt een tijdlang hard door).Verbannen. Je hebt geen moeder meerOm je eten te brengen, je tafel te dekken;Wil je eten, kerel, help dan je zelf maar,Haal je wat rauws uit bosch of beek.Zoek je wat rijshout en steek het in brand,Pruts wat en kook wat en maak maar wat klaar.Wil je warme kleeren, vang dan een rendier;Wil je een huis bouwen, houw dan blokken steen;Wil je ’t opbouwen, moet je balken zagenEn zelf ze op je rug naar de plaats toe dragen.…(zijn bijl zinkt neer, hij staart voor zich uit).Mooi zal het worden. ’n Toren met vaanZal er op het dak staan en uitsteken hoog;En op den gevel, van hout gesneden,Een zeemeermin, met ’n vischstaart in plaats van beenen.Koper moet er zijn aan het slot en het vaantje.Glas moet ik ook zien te krijgen nog;Vreemden zullen dan vragen, verbaasd,Wat daar zoo schittert verweg in de bergen.(lacht grimmig).O helsche leugens! Daar zijn ze weer.Je bent ’n banneling, kerel!(hakt weer met woede).Je bent ’n banneling, kerel!Een dak van schorsBeschut ook voldoend tegen wind en vorst.(kijkt op naar den boom).Nu staat hij te wank’len. Kom, nog maar één houw!Dan valt hij, zoo lang als hij is, van zelf al;Het trilt al in ’t jonge hout, ruischend en klagend!(wil beginnen den stam van zijn takken te ontdoen; op-eens luistert hij en blijft stilstaan met opgeheven bijl).Daar komt iemand achter mij!… Doe je het zóó,Jij Haegstad-boer;… dat is een valsche streek.(schuilt weg achter den boom en gluurt).Een kerel! Maar één. Hij lijkt wel bang.Schuw kijkt hij in ’t rond. Wat verbergt hijOnder zijn buis? Een sikkel! Hij staat stil en gluurt,Legt zijn vuist op zijn stok neer … en nu? Wat is dat?Waarom staat hij nu stil en grijpt zijn sikkel?O jé! Daar hieuw hij zijn vinger af!Zijn heelen vinger! Hij bloedt als een varken!Daar gaat hij er van door met zijn vuist in een doek.(staat op).Die lijkt wel bezeten! Een onmisbare vinger!Er af! En zonder dat iemand hem dwingt …Wacht! Nu begrijp ik ’t …! Dat is het eenigeMiddel om van den dienst vrij te komen.Dat is ’t. Zij wilden hem in d’oorlog sturen,En de kerel natuurlijk, wou niet graag weg …Maar afhakken …? Hem verliezen voor goed …?’t Te bedenken, te wenschen, tewillenzelfs;En ’t tedoen! Neen, dat begrijp ik toch niet!(Schudt even het hoofd, dan gaat hij weer aan het werk).Een kamer in Aase’s huis. Alles is in wanorde; kisten staan open; daagsche kleeren liggen uitgespreid in het rond; een kat in het bed.Aaseen debuurvrouwdruk bezig met bij elkaar te pakken en op te ruimen.Aase(loopt naar den éénen kant).Kari, hoor eens!Kari.Kari, hoor eens!Wat is ’t?Aase(aan den anderen kant).Kari, hoor eens! Wat is ’t?Hoor eens …!Waar ligt …? Waar kan ’k vinden …? Zeg eens, waar is …?Waar zoek ik toch naar? Ik ben als versuft!Waar is de sleutel van de kist?Kari.Waar is de sleutel van de kist?Die steekt er op.Aase.Wat rammelt zoo buiten?Kari.Wat rammelt zoo buiten?De laatste vracht.Wordt naar Haegstad gebracht.Aase(schreiend).Wordt naar Haegstad gebracht.O, ik zou blij zijnAls ’k zèlf in de zwarte kist werd uitgedragen!Och, hoevéél moet een mensch toch lijden en uitstaan!God zij mij genadig! ’t Heele huis is leeg!Wat de Haegstad-boer liet staan, nam de deurwaarder mee.Zelfs de kleeren aan ’t lijf bleven niet gespaard.’t Is schande een mensch zoo te behand’len!(gaat op den rand van het bed zitten).Nu is alles, huis, hof en land verloren;Hard was de oude, maar harder het gerecht;Er was geen hulp meer en ook geen genade;Peer was er niet, en niemand kon mij bijstaan.Kari.Hier in huis mag je nu toch blijven tot je dood.Aase.Ja, de kat en ik, wij krijgen genadebrood!Kari.Ja, moeder, ’t was Peer die je duur kwam te staan!Aase.Peer? Zeg, ben je nu heelemaal mal!Ingrid kwam immers heelhuids weer thuis.Zij hadden zich bij den duivel moeten houden;…Hij is de schuldige, hij, en niemand anders;De booze dreef mijn armen jongen er toe!Kari.Zou je niet liever eens om den priester sturen?’t Gaat hem slechter dan je misschien wel denkt.Aase.Om den priester? Och ja, dat was zoo kwaad niet.(richt zich op).Maar neen! dat kan ik niet!Ikben z’n moeder toch;Ikzal helpen; dat ’s niet meer dan mijn moederplicht;Doen zooveel ik kan, als geen ander iets doet.Dat buis hier, mag hij hebben. Dat zal ik lappen.’k Wou dat ik hun ook dat vel durfde afsnappen!Waar zijn de kousen?Kari.Waar zijn de kousen?Dáár, bij den anderen rommel.Aase(rommelt er in).Wat vind ik daar? Och neen maar, een oudenGietlepel, Kari! Daarmee heeft hij gespeeldKnoopen-gieten, smelten en stemplen.Eens, toen hier feest was, kwam de jongen thuisEn vroeg zijn vader om een klomp tin;Geen tin, zei Jon, maar koning Christiaans munt,Zilver; men moet zien dat je een zoon bent van Jon GyntGod vergeve het Jon; maar dronken was hij,En dan lette hij op geen goud of geen tin.Hier zijn de kousen. O, wat een gaten!Dat geeft stopwerk, Kari!Kari.Dat geeft stopwerk, Kari!Dat ’s noodig, dunkt mij.Aase.Als dat gedaan is, ga ’k maar naar bed;Ik voel mij zoo zwak en ziek en benauwd …Twee wollen hemden; die hebben zij vergeten!Kari.Ja, dat hebben zij nèt.Aase.Ja, dat hebben zij nèt.Dat treft juist goed.Het eene kan je op zijde leggen.Of wacht, wij moesten ze maar beide houden;Dat wat hij aan heeft is al zoo dun.Kari.Maar, moeder Aase, dat mag toch niet!Aase.Nou ja, maar je weet, de priester verkondigtVergeving voor dit en meer andere zonden.Buiten een nieuwgebouwde hut in het bosch. Een rendiergewei boven de deur. De sneeuw ligt hoog. Het schemert al. Peer Gynt staat voor de deur en spijkert een groot houten slot vast.Peer Gynt(lacht nu en dan hardop).Een slot moet er zijn; een slot dat houdt buitenAl de kabouters, mannen en vrouwen.Een slot moet er zijn, om de hut af te sluitenVoor al die kwaadaardige, looze dwergen …Zij komen met ’t donker; zij kloppen en tikken:Maak open, Peer Gynt, wij zijn vlug als gedachten!Wij schudden het bed, wij blazen het vuur aan,Stijgen op door den schoorsteen als vurige draken.Hihi! Peer, denk je met spijkers en plankenDen toegang voor ’t nijdige dwergvolk te stuiten?(Solvejg komt op sneeuwschoenen over de heide; zij heeft een doek over het hoofd en een bundel in de hand).Solvejg.God zegen je arbeid. Je moet mij niet verstooten.Ik kom omdat je riep, dus moet je mij nemen.Peer Gynt.Solvejg! ’t Is toch niet …! Jawel, ’t is waar!…En je bent niet meer bang om dicht bij mij te komen!Solvejg.Je zondt mij een boodschap door kleine Helga;Vele bracht nog later heimlijk de wind mij.’n Boodschap was al wat je moeder vertelde,’n Boodschap mijn droom als ’k te slapen mij legde.Nachten zoo droef, en zoo leeg al de dagen,Zeiden het mij, dat ik nu moest komen.Als uitgebluscht was het leven daarginder;Ik kon niet van harte meer lachen of schreien.Ik wist niet heel zeker wat in jou omging;Ik wist alleen maar, dat het mij naar je toe drong.Peer Gynt.Maar je vader?Solvejg.Maar je vader?Op Gods wijde wereldHeb ’k niemand, die vader of moeder mij is.Ik ben los nu van allen.Peer Gynt.Ik ben los nu van allen.Solvejg, jij lieve,Om de mijne te zijn?Solvejg.Om de mijne te zijn?Ja, alleen de jouwe;Jij moet alles mij zijn; mijn thuis en familie.(schreiend).’t Ergst was het mijn zusje achter te laten;…Maar erger toch nog van vader te gaan;Maar ’t allerergst te scheiden van moeders borst;…Neen, God vergeef mij, ’t ergst nog van allesWas de smart van ’t heengaan van allen … allen!Peer Gynt.En ken je mijn vonnis in ’t voorjaar geveld?Dat scheidt mij voor goed van huis en hof.Solvejg.Denk je soms dat ik voor wereldsche haveVoor altijd van die mij lief waren scheidde?Peer Gynt.En weet je ook, dat ik, eens buiten het bosch,Mag opgepakt worden als iemand mij ziet?Solvejg.Op sneeuwschoenen liep ik, en vroeg naar den weg;Zij vorschten waar ’k heen moest; ik antwoordde: naar huis.Peer Gynt.Weg dan met al die spijkers en planken.Geen grendels nu meer tegen nijdige dwergen.Durf jij voortaan bij den jager te blijven,Dan zal mijn hut ook gewijd zijn, dat weet ik.Solvejg! ’k Moet je aanzien! Niet al te dicht bij!Aanzien alleen maar! Wat ben je toch stralend blank!Je óplichten even! Wat ben je toch licht en teer!Als ik je dragen moet, Solvejg, word ik nooit moe!’k Zal je niet vuil maken. Met gestrekte armenHou ik je voor mij uit, jij lieve, barmhartige!Wie had ooit gedacht dat ik je zou dragen …!O maar, naar je verlangd heb ik nachten en dagen.Hier, zie je, heb ik getimmerd en gebouwd;Maar dat moet nu weer weg; ’t is hier arm en kaal …Solvejg.Of arm of rijk,… het is hier naar mijn zin.Je ademt zoo vrij in den bergkoelen wind …Beneden was ’t bedompt; daar had ik het benauwd;Dát was het óok wel wat uit ’t dorp mij heeft gejaagd.Maar hier, waar je hoort der dennen geruisch.…Hier is rust en gezang!… hier voel ik mij thuis.Peer Gynt.En weet je ’t ook goed? Je heele leven lang?Solvejg.De weg, dien ik ging, voert nooit meer terug.Peer Gynt.Ik heb je dus! Kom! Laat ’k je zien in mijn huisje!Ga binnen! ’k Zal even wat brandhout gaan halen;Warm en gezellig en licht zal het worden,Zacht zal je zitten en geen koû zal je lijden!(doet de deur open; Solvejg gaat binnen. Hij staat een oogenblik stil; dan lacht hij luid van blijdschap en maakt een luchtsprong).Peer Gynt.Mijn koningskind! Nu is ’t gevonden en gewonnen!Neen, nu wordt de slotbouw van nieuw af weer begonnen!(hij grijpt de bijl en wil teruggaan; op hetzelfde oogenblik komt een oudachtige vrouw in een gescheurden groenen rok uit het kreupelhout. Een leelijke jongen met een bierflesch in de hand hinkt haar achterna, zich aan haar rok vasthoudend).De Vrouw.Goên avond, Peer Luchthart!Peer Gynt.Goên avond, Peer Luchthart!Hè? Wie ’s dat?De Vrouw.Oude vrienden, Peer Gynt! Mijn woning staat dicht bij.Wij zijn buren.Peer Gynt.Wij zijn buren.Zoo? Dat is meer dan ik weet.De Vrouw.Al naar je hut oprees, ontstond ook de mijne.Peer Gynt(wil weg).Ik heb haast …De Vrouw.Ik heb haast …Ja, dat heb je altijd, man;Maar ik loop je achterna en je raakt mij zoo niet kwijt.Peer Gynt.Je vergist je!De Vrouw.Je vergist je!Dat heb ik ééns gedaan;Dat deed ik dien keer toen met beloften jij kwam.Peer Gynt.Beloften …? Wat duivel is dat voor praat?De Vrouw.Vergeet je den avond bij vader thuis?Vergeet je …?Peer Gynt.Vergeet je …?’k Vergat wat ik nooit geweten heb.Waar zagen we elkaar dan den laatsten keer?De Vrouw.Waar wij elkaar zagen den eersten keer.(tegen den jongen).Laat vader eens drinken; ’k geloof dat hij dorst heeft.Peer Gynt.Vader? Je bent dronken! Noem je hem …?De Vrouw.Je moest toch het dier aan zijn huid herkennen!…Heb je geen oogen? Je kunt ’t toch wel zienZijn poot is even lam als jouw heele aard is.Peer Gynt.Wou je mij wijs maken …?De Vrouw.Wou je mij wijs maken …?Wou je uitvluchten zoeken?Peer Gynt.Die langbeenige jongen …!De Vrouw.Die langbeenige jongen …!Hij is hard gegroeid.Peer Gynt.Durf jij mij opdringen, leelijke heks …De Vrouw.Hoor eens, Peer Gynt, je bent grof als een os …!(huilend).Kan ik het helpen dat ’k niet meer zoo mooi ben,Als toen je mij lokte over glooiende heuvels?De duivel, toen ’k baarde in den herfst, trok kromMijn rug, en daar wordt je niet beter van.Maar als je mij mooi weer als vroeger wilt zien,Wijs dan maar die meid, die daar ginds zit, de deur.Jaag haar uit je oogen en zinnen maar weg;…Doe dat, lieve vriend, dan verander ’k van tronie!Peer Gynt.Wijk van mij, booze heks!De Vrouw.Wijk van mij, booze heks!Maar ik ga niet, hoor!Peer Gynt.Ik sla je de hersens in …!De Vrouw.Ik sla je de hersens in …!Ja, zie eens of je durft!Hoho, Peer Gynt, geen slag die mij deert!…Ik kom hier toch iedren dag weer terug.Ik kijk door de deur, en begluur je te zamen.Zit met de deern je dan in ’t schemeruur,…Wordt je teeder … Peer Gynt … wil je een deuntje vrijen,…Kom ik bij je zitten en eisch ook mijn deel.Zij en ik, wij hebben je dan beurt om beurt.Vaarwel, jongenlief; hoû jij nu morgen maar bruiloft, hoor!Peer Gynt.Jij helsche nachtmerrie!De Vrouw.Jij helsche nachtmerrie!Maar dat ’s waar ook!Den jongen, jouw mankepoot, dien voedt jij op!Duivelskind, wil jij naar je vader toe?De Jongen(spuwt naar hem).Duivelskind, wil jij naar je vader toe?Daar!’k Zal je hakken met een bijl, hoor; wacht maar, mettertijd!De Vrouw(kust den jongen).Och, wat een hoofd op dat lichaam toch zit!Jij maakt je vader nog eenmaal beschaamd!Peer Gynt(stampvoetend).O, was je zoo ver …!De Vrouw.O, was je zoo ver …!Als wij dichtbij zijn nu?Peer Gynt(balt de vuisten).En dat alles …!De Vrouw.En dat alles …!Voor zinnenbegeerte alleen!’t Is zonde van je, Peer!Peer Gynt.’t Is zonde van je, Peer!’t Meest voor een andre!…Solvejg! mijn parel, zoo zuiver, zoo rein!De Vrouw.Ja, ja, zei de duivel, de onschuld moet lijden,Toen z’n vader zat was en z’n moeder ’m sloeg!(Zij gaat het kreupelhout weer in met den jongen die hem de bierflesch achterna gooit).Peer Gynt(na lang zwijgen).Er omheen, zei Böjg. Ja, nu moet ik ’t doen …Daar viel mijn koninklijk slot in duigen!’t Trok een muur op om haar … en ’k was zoo nabij;Op-eens was hier ’t mooi weg; verlept was mijn blijdschap …Geef het op, kerel! Erisgeen wegDwars door dat alles van jou naar haar toe.Dwars er doorheen? Die moet toch zijn te vinden.Er staat iets van berouw, als ik mij goed herinner.Maar wat? Wat staat er? Ik heb ’t boek niet meer,Heb ’t meeste vergeten, en hier is ook niemandIn ’t wilde bosch, die mij terecht kan helpen …Berouw? Daar konden wel jaren mee heengaanEer ik er doorheen was. Zoo’n leven zou triest zijn.Kapot slaan wat glanzend en licht en mooi is,En dan van de scherven weer maken wat nieuws.Dat gaat met ’n viool maar gaat niet met een klok.Je moet niet vertrappen wat nog groeien moet.Maar dat was toch ’n leugen van die heksentronie!Nu is al dat afschuwlijke weer uit mijn oogen …Ja; wel uit mijn oogen, maar niet uit mijn hoofd.Nasluipen zal dat mij toch overal.Ingrid! En die drie daar boven op den berg!Moeten die ook meedoen? Met gieren en mal doenEischen alszijte worden omarmd,Voorzichtig en teer te worden gedragen?Buiten om, Peer; al was je arm zoo langAls de slankste den of een pijnboomstam,…’k Geloof dat ik haar toch nog te dicht bij mij hieldOm haar smetloos en ongedeerd neer te zetten …Ik moet daar omheen komen, hoe ’t dan ook ga,Dat ’t mij geen gewin wordt en ook geen verlies.Je moet zoo iets afschudden tot je ’t vergeet …(doet eenige stappen naar de hut toe, maar blijft weer staan).Binnen gaan na dit alles? Zoo vuil en gemeen?Binnen gaan met al die spoken achter me aan?(werpt de bijl weg).’t Is de avond vóór ’t feest. Haar nu aan te vattenZoo, als ik nù ben, zou heiligschennis zijn.Solvejg(in de deur).Kom je haast?Peer Gynt(halfluid).Kom je haast?Buiten om!Solvejg.Kom je haast? Buiten om!Wat?Peer Gynt.Kom je haast? Buiten om! Wat?Wacht nog even.’t Is hier donker, en ’k heb nog iets zwaars te halen.Solvejg.Wacht; ’k zal je helpen; dan dragen wij ’t samen.Peer Gynt.Neen, blijf liever daar! Ik zal ’t alleen wel dragen.Solvejg.Maar blijf niet te lang, zeg!Peer Gynt.Maar blijf niet te lang, zeg!Geduld maar, meisje!Of lang of kort,… blijf maar wachten.Solvejg(knikt hem toe).Of lang of kort,… blijf maar wachten.’k Zal wachten!(Peer Gynt gaat het bosch in. Solvejg blijft in de halfopen deur staan).Aase’s kamer. Avond. Een rijshoutvuur brandt in den haard en verlicht de kamer. De kat op een stoel aan den voet van het bed. Aase ligt te bed en tast onrustig met de handen over de dekens.Aase.Och, lieve Heer, zou hij niet komen?Het duurt al zoo schrikkelijk lang.’k Kan niet meer om hem zendenEn zeggen moet ik hem zooveel.Ik heb niet veel tijd te verliezen!Zoo plotseling! Wie had dat gedacht!O, als ik toch maar kon wetenOf ’k niet te streng voor hem was!Peer Gynt(komt binnen).Goeien avond!Aase.Goeien avond!God zal je zeegnen!Daar is hij! Mijn jongen! Mijn Peer!Maar hoe durf je hier je te wagen?Hier loopt je leven gevaar!Peer Gynt.Och, wat kan het leven mij schelen.Ik moest nu eens naar je toe.Aase.Wat zal Kari staan te kijken!Nu ga ik in vrede heen!Peer Gynt.Ga heen? Wat zijn dat voor praatjes?Waar denk je dan heen te gaan?Aase.Och Peer, het loopt op zijn einde;Het duurt met mij niet meer lang!Peer Gynt(wringt de handen en loopt op en neer).En ik die het leed dacht te ontloopen,En meendehiervrij te zijn …!Heb je ’t koud aan handen en voeten?Aase.Ja, Peer, ’t is nu gauw voorbij …Als je ziet dat mijn oogen breken,O, druk ze dan zachtjes dicht.En dan moet voor een kist je zorgen;Maar, jongen, laat mooi die zijn.Och, neen, ’t is waar …Peer Gynt.Och, neen, ’t is waar …Wees maar stil, hoor!Daarvoor is ’t nog tijds genoeg.Aase.Ja, ja.(kijkt onrustig rond in de kamer).Ja, ja.Hier zie je het beetjeDat overbleef. Zoo zijn de luî.Peer Gynt(balt de handen).Nu alweer!(hard).Nu alweer!Ik weet dat ’t mijn schuld is.Wat helpt ’t of ik het weer hoor?Aase.Jij! Neen, dat vervloekte drinken,Daar komt al het onheil van daan!Mijn jongen, jij was immers dronken:Dan weet iemand niet wat hij doet;En dan hadt je op dat rendier gereden;Dat je dol was is duidlijk genoeg!Peer Gynt.Praat daar nu maar niet meer over.Laat rusten die heele zaak.Wat droef is zullen wij sparenTot later … een andren dag.(gaat op den rand van het bed zitten).Nu, moedertje, gaan wij babb’len,Over koetjes en kalfjes maar,En ’t nare en bitt’re vergeten,En alles wat pijn doet en kwelt …Och kijk eens, daar zit de oude kat nog;Dus die hield het ook zoo lang uit?Aase.Die doet ’s nachts ook al zoo aaklig;Je weet wel wat dat beduidt!Peer Gynt.Wat is er voor nieuws in ’t dorp, zeg?Aase(glimlachend).Ze zeggen dat ergens hier isEen meisje, dat naar de bergen …Peer Gynt(snel).Mads-Moën, slaat die er zich door?Aase.Ze zeggen, zij heeft geen oorenVoor beî haar ouders verdriet.Jij moest er toch eens naar hoorenJij, Peer, weet misschien wel raad …Peer Gynt.En hoe staat het met smid Aslak?Aase.Och zwijg van dien vuilen smid.Liever wil ik den naam je zeggenVan ’t meisje, je weet wel … van haar …Peer Gynt.Neen, nu gaan wij samen praten,…Over koetjes en kalfjes alleen,En al ’t nare en bitt’re vergetenEn alles wat pijn doet en kwelt.Heb je dorst? Zal ik halen wat drinken?Lig je goed, zeg? Het bed is maar kort.Laat eens zien;… ja dat is zoo waar nogHet bed, waar ’k als jongen in sliep?Weet je ’t nog, hoe dikwijls je ’s avondsDaar zat aan het voeteneind,Mij toedekte warm en lekker,En allerlei liedjes zong?Aase.Jawel! En dan speelden wij “sleden”,Als vader aan ’t boemelen was.’t Dek was de vacht van de sledeDe grond een bevroren fjord.Peer Gynt.Ja, maar het allermooiste,Zeg, moeder weet je ’t nog?…Dat waren de wilde paarden …Aase.Ja, denk je dat ik ’t niet meer weet …?Wij leenden de kat van Kari;Die zat op een houten kruk …Peer Gynt.Naar ’t slot van de maan in ’t westen,Naar ’t oosterslot van de zon,Naar ’t Soria-Moria slot danGing ’t hoepla-hei! over den vloer.Een stok, in de kast gevondenGebruikten wij voor een zweep.Aase.Vooróp op den bok zat ik dan …Peer Gynt.En dan liet je de teugels los!Je keek om, zoodra als wij reden,En vroeg mij: heb je ’t niet koud?God zegen je, oude stumperd,…Je was toch een goede ziel …!Hoe kreun je zoo?Aase.Hoe kreun je zoo?’k Heb zoo’n pijn inMijn rug, van die harde plank.Peer Gynt.Strek je uit; ik zal je steunen.Zie zoo; lig je nu niet zacht?Aase(onrustig).Neen, Peer, ik wil weggaan!Peer Gynt.Neen, Peer, ik wil weggaan!Weggaan?Aase.Ja, weggaan; ’k verlang er zoo naar.Peer Gynt.Kom praatjes! Blijf onder de dekens.Laat mij zitten aan ’t voeteneind.Zie zoo; nu korten wij d’ avondMet sprookjes en allerlei spel.Aase.Haal liever den bijbel uit ’t kastje:Ik ben zoo onrustig te moê.Peer Gynt.In ’t slot van Soria-MoriaGeven koning en prins een groot feest.Rust maar uit in de warme sledeIk rijd door het veld je er heen …Aase.Maar, Peer-lief, ben ik genoodigd?Peer Gynt.Ja, dat zijn wij allebei.(gooit een touw om den stoel waarop de kat ligt, neemt een stok in de hand en gaat op het voeteneinde van het bed zitten).Hop! Rijd wat aan, jij Zwartje!Zeg, moeder, heb je ’t niet koud?Ja, ja; want je voelt het snijdenAls Grane aan ’t draven gaat!Aase.Lieve Peer, wat hoor ik toch luiden …?Peer Gynt.De bellen van ’t blanke tuig!Aase.Huuh! Wat klinkt dat hol, mijn beste!Peer Gynt.Wij rijden ook over een fjord.Aase.Ik ben bang! Wat is toch dat bruisenEn steunen, zoo wonderlijk wild?Peer Gynt.’t Zijn de kruinen, moeder, die ruischenVan ’t pijnbosch. Zit nu maar stil.Aase.Wat schittert en blinkt er daar ginder?Waar komt toch dat schijnsel van daan?Peer Gynt.Van ’t slot. Alle ruiten glinstren.Hoor je wel hoe zij dansen?Aase.Hoor je wel hoe zij dansen?Ja.Peer Gynt.Sint Petrus staat buiten de deur alEn noodigt tot binnengaan.Aase.Groet hij ons?Peer Gynt.Groet hij ons?Hij staat te buigen,Inschenkend den lekkersten wijn.Aase.O, wijn! Heeft hij soms ook koekjes?Peer Gynt.Ja, òf hij! Een heelen berg.De vrouw van den proost komt ook aanMet koffie en suikerwerk.Aase.En spreken wij daar dan elkander?Peer Gynt.Zoo vaak en zoo lang als je wilt.Aase.O Peer, wat al heerlijkheden,Waar je mij, arme ziel, heen brengt!Peer Gynt(klapt met de zweep).Hop! Rep, je dan toch, mijn Zwartje!Aase.Zeg, Peer-lief, je rijdt toch wel goed?Peer Gynt(klapt weer).Hier kan je niet dwalen.Aase.Hier kan je niet dwalen.Dat slingren.Dat maakt mij zoo raar en moe.Peer Gynt.Daar zie ik het slot al verrijzen;Nog even, dan zij wij er al.Aase.Ik zal stil maar mijn oogen toe doen,Vertrouwen op jou, mijn Peer!Peer Gynt.Vooruit dan, Grane, mijn draver!In ’t slot is er groot gedrang;Zij stuwen en dringen de poort in.Dáár komt Peer Gynt met oud’ Aase!Wat zegt u dáárvan Heer Petrus?Mag moeder niet binnengaan?’k Geloof dat u lang kan zoekenEer u vindt een zoo eerlijke ziel;Van mij wil ik maar niet spreken;Ik kan òmkeeren als het moet.Wil u inschenken, neem ik ’t in dank aanZoo niet, ga ik óók tevree weg.’k Heb verzonnen evenveel leugensAls de duivel die preêken ging,En moeder voor ’n kip uitgescholdenOmdat zij kakelde soms.Maar haar moet u achten en eerenEn maken dat goed zij het heeft;Er komt hier stellig geen beetreVan waar ook, in dezen tijd …Aha! daar is God de Vader!Sint Petrus, nu krijg je er langs!(met diep stemgeluid).“Hou op toch met dat gezeur daar;Moeder Aase heeft vrij entree!”(lacht luid en keert zich naar zijn moeder om).Alsof ik dat niet had geweten!Nu komt er wat anders weer!(angstig).Waarom kijk je of je oogen gaan breken?Zeg, moeder! Wat scheelt er nu aan …?(gaat naar het hoofdeinde).Je moet niet zoo liggen te staren …!Spreek, moeder, ik ben het, Peer!(betast voorzichtig haar voorhoofd en handen; dan gooit hij het touw van den stoel af en zegt gedempt):Zoo, ja!… Je kunt uitrusten, Grane;Want nu is de reis volbracht.(drukt haar de oogen dicht en buigt zich over haar heen).Heb dank voor je heele leven,Voor klappen en teedere zorg …Maar nu moet jij mij ook bedanken …(drukt zijn wang tegen haar mond).Zoo; dat was jouw dank voor den rit.(De buurvrouw komt binnen).Kari.Wat? Peer! Nou, dan zijn we ook overHaar bitterste leed al heen!Lieve Heer, wat slaapt zij vast nu!…Of is zij al …?Peer Gynt.Of is zij al …?Stil; ze is dood.(Kari schreit bij het lijk. Peer Gynt loopt lang rond door de kamer; eindelijk blijft hij bij het bed staan).Laat haar met alle eer begraven.Ik moet zien hoe ’k hier van daan kom.Kari.Moet je ver weg gaan?Peer Gynt.Moet je ver weg gaan?Naar zee toe.Kari.Zoo ver!Peer Gynt.Zoo ver!En nog verder weg.(af).EINDE VAN HET DERDE BEDRIJF.
Diep in het pijnbosch. Grauw herfstweer. Sneeuwval. Peer Gynt staat in zijn hemdsmouwen hout te kloven.
Peer Gynt(hakt een groote den met kromme takken om).Ja, ja, je bent taai, jij ouwe vriend;Maar dat helpt je niets, je moet er toch aan.(hakt weer).Ik zie wel, je draagt een pantserhemd;…Maar dat sla ’k wel kapot, al was ’t ook nog zoo sterk …Ja, ja, je schudt je knoestigen arm;’t Is begrijplijk genoeg, je bent kwaad, hebt ’t land;Maar hoe ’t ook zij, je moet bukken voor mij …!(breekt plotseling af).Zinsbedrog! ’t Is maar een oude boom.Zinsbedrog! ’t Is geen pantserhemd;Het is maar een pijnboom met ruigen bast …Het is inspannend werk, dat boomen hakken,Maar waanzin te hakken en daarbij nog te droomen.Dat moet uit zijn nu,… in den mist te starenEn zich klaar wakker te laten wegdrijven …Verbannen ben je! Een ’t bosch in gejaagde.(hakt een tijdlang hard door).Verbannen. Je hebt geen moeder meerOm je eten te brengen, je tafel te dekken;Wil je eten, kerel, help dan je zelf maar,Haal je wat rauws uit bosch of beek.Zoek je wat rijshout en steek het in brand,Pruts wat en kook wat en maak maar wat klaar.Wil je warme kleeren, vang dan een rendier;Wil je een huis bouwen, houw dan blokken steen;Wil je ’t opbouwen, moet je balken zagenEn zelf ze op je rug naar de plaats toe dragen.…(zijn bijl zinkt neer, hij staart voor zich uit).Mooi zal het worden. ’n Toren met vaanZal er op het dak staan en uitsteken hoog;En op den gevel, van hout gesneden,Een zeemeermin, met ’n vischstaart in plaats van beenen.Koper moet er zijn aan het slot en het vaantje.Glas moet ik ook zien te krijgen nog;Vreemden zullen dan vragen, verbaasd,Wat daar zoo schittert verweg in de bergen.(lacht grimmig).O helsche leugens! Daar zijn ze weer.Je bent ’n banneling, kerel!(hakt weer met woede).Je bent ’n banneling, kerel!Een dak van schorsBeschut ook voldoend tegen wind en vorst.(kijkt op naar den boom).Nu staat hij te wank’len. Kom, nog maar één houw!Dan valt hij, zoo lang als hij is, van zelf al;Het trilt al in ’t jonge hout, ruischend en klagend!(wil beginnen den stam van zijn takken te ontdoen; op-eens luistert hij en blijft stilstaan met opgeheven bijl).Daar komt iemand achter mij!… Doe je het zóó,Jij Haegstad-boer;… dat is een valsche streek.(schuilt weg achter den boom en gluurt).Een kerel! Maar één. Hij lijkt wel bang.Schuw kijkt hij in ’t rond. Wat verbergt hijOnder zijn buis? Een sikkel! Hij staat stil en gluurt,Legt zijn vuist op zijn stok neer … en nu? Wat is dat?Waarom staat hij nu stil en grijpt zijn sikkel?O jé! Daar hieuw hij zijn vinger af!Zijn heelen vinger! Hij bloedt als een varken!Daar gaat hij er van door met zijn vuist in een doek.(staat op).Die lijkt wel bezeten! Een onmisbare vinger!Er af! En zonder dat iemand hem dwingt …Wacht! Nu begrijp ik ’t …! Dat is het eenigeMiddel om van den dienst vrij te komen.Dat is ’t. Zij wilden hem in d’oorlog sturen,En de kerel natuurlijk, wou niet graag weg …Maar afhakken …? Hem verliezen voor goed …?’t Te bedenken, te wenschen, tewillenzelfs;En ’t tedoen! Neen, dat begrijp ik toch niet!
Peer Gynt(hakt een groote den met kromme takken om).
Ja, ja, je bent taai, jij ouwe vriend;
Maar dat helpt je niets, je moet er toch aan.
(hakt weer).
Ik zie wel, je draagt een pantserhemd;…
Maar dat sla ’k wel kapot, al was ’t ook nog zoo sterk …
Ja, ja, je schudt je knoestigen arm;
’t Is begrijplijk genoeg, je bent kwaad, hebt ’t land;
Maar hoe ’t ook zij, je moet bukken voor mij …!
(breekt plotseling af).
Zinsbedrog! ’t Is maar een oude boom.
Zinsbedrog! ’t Is geen pantserhemd;
Het is maar een pijnboom met ruigen bast …
Het is inspannend werk, dat boomen hakken,
Maar waanzin te hakken en daarbij nog te droomen.
Dat moet uit zijn nu,… in den mist te staren
En zich klaar wakker te laten wegdrijven …
Verbannen ben je! Een ’t bosch in gejaagde.
(hakt een tijdlang hard door).
Verbannen. Je hebt geen moeder meer
Om je eten te brengen, je tafel te dekken;
Wil je eten, kerel, help dan je zelf maar,
Haal je wat rauws uit bosch of beek.
Zoek je wat rijshout en steek het in brand,
Pruts wat en kook wat en maak maar wat klaar.
Wil je warme kleeren, vang dan een rendier;
Wil je een huis bouwen, houw dan blokken steen;
Wil je ’t opbouwen, moet je balken zagen
En zelf ze op je rug naar de plaats toe dragen.…
(zijn bijl zinkt neer, hij staart voor zich uit).
Mooi zal het worden. ’n Toren met vaan
Zal er op het dak staan en uitsteken hoog;
En op den gevel, van hout gesneden,
Een zeemeermin, met ’n vischstaart in plaats van beenen.
Koper moet er zijn aan het slot en het vaantje.
Glas moet ik ook zien te krijgen nog;
Vreemden zullen dan vragen, verbaasd,
Wat daar zoo schittert verweg in de bergen.
(lacht grimmig).
O helsche leugens! Daar zijn ze weer.
Je bent ’n banneling, kerel!
(hakt weer met woede).
Je bent ’n banneling, kerel!Een dak van schors
Beschut ook voldoend tegen wind en vorst.
(kijkt op naar den boom).
Nu staat hij te wank’len. Kom, nog maar één houw!
Dan valt hij, zoo lang als hij is, van zelf al;
Het trilt al in ’t jonge hout, ruischend en klagend!
(wil beginnen den stam van zijn takken te ontdoen; op-eens luistert hij en blijft stilstaan met opgeheven bijl).
Daar komt iemand achter mij!… Doe je het zóó,
Jij Haegstad-boer;… dat is een valsche streek.
(schuilt weg achter den boom en gluurt).
Een kerel! Maar één. Hij lijkt wel bang.
Schuw kijkt hij in ’t rond. Wat verbergt hij
Onder zijn buis? Een sikkel! Hij staat stil en gluurt,
Legt zijn vuist op zijn stok neer … en nu? Wat is dat?
Waarom staat hij nu stil en grijpt zijn sikkel?
O jé! Daar hieuw hij zijn vinger af!
Zijn heelen vinger! Hij bloedt als een varken!
Daar gaat hij er van door met zijn vuist in een doek.
(staat op).
Die lijkt wel bezeten! Een onmisbare vinger!
Er af! En zonder dat iemand hem dwingt …
Wacht! Nu begrijp ik ’t …! Dat is het eenige
Middel om van den dienst vrij te komen.
Dat is ’t. Zij wilden hem in d’oorlog sturen,
En de kerel natuurlijk, wou niet graag weg …
Maar afhakken …? Hem verliezen voor goed …?
’t Te bedenken, te wenschen, tewillenzelfs;
En ’t tedoen! Neen, dat begrijp ik toch niet!
(Schudt even het hoofd, dan gaat hij weer aan het werk).
Een kamer in Aase’s huis. Alles is in wanorde; kisten staan open; daagsche kleeren liggen uitgespreid in het rond; een kat in het bed.Aaseen debuurvrouwdruk bezig met bij elkaar te pakken en op te ruimen.
Aase(loopt naar den éénen kant).Kari, hoor eens!
Aase(loopt naar den éénen kant).
Kari, hoor eens!
Kari.Kari, hoor eens!Wat is ’t?
Kari.
Kari, hoor eens!Wat is ’t?
Aase(aan den anderen kant).Kari, hoor eens! Wat is ’t?Hoor eens …!Waar ligt …? Waar kan ’k vinden …? Zeg eens, waar is …?Waar zoek ik toch naar? Ik ben als versuft!Waar is de sleutel van de kist?
Aase(aan den anderen kant).
Kari, hoor eens! Wat is ’t?Hoor eens …!
Waar ligt …? Waar kan ’k vinden …? Zeg eens, waar is …?
Waar zoek ik toch naar? Ik ben als versuft!
Waar is de sleutel van de kist?
Kari.Waar is de sleutel van de kist?Die steekt er op.
Kari.
Waar is de sleutel van de kist?Die steekt er op.
Aase.Wat rammelt zoo buiten?
Aase.
Wat rammelt zoo buiten?
Kari.Wat rammelt zoo buiten?De laatste vracht.Wordt naar Haegstad gebracht.
Kari.
Wat rammelt zoo buiten?De laatste vracht.
Wordt naar Haegstad gebracht.
Aase(schreiend).Wordt naar Haegstad gebracht.O, ik zou blij zijnAls ’k zèlf in de zwarte kist werd uitgedragen!Och, hoevéél moet een mensch toch lijden en uitstaan!God zij mij genadig! ’t Heele huis is leeg!Wat de Haegstad-boer liet staan, nam de deurwaarder mee.Zelfs de kleeren aan ’t lijf bleven niet gespaard.’t Is schande een mensch zoo te behand’len!(gaat op den rand van het bed zitten).Nu is alles, huis, hof en land verloren;Hard was de oude, maar harder het gerecht;Er was geen hulp meer en ook geen genade;Peer was er niet, en niemand kon mij bijstaan.
Aase(schreiend).
Wordt naar Haegstad gebracht.O, ik zou blij zijn
Als ’k zèlf in de zwarte kist werd uitgedragen!
Och, hoevéél moet een mensch toch lijden en uitstaan!
God zij mij genadig! ’t Heele huis is leeg!
Wat de Haegstad-boer liet staan, nam de deurwaarder mee.
Zelfs de kleeren aan ’t lijf bleven niet gespaard.
’t Is schande een mensch zoo te behand’len!
(gaat op den rand van het bed zitten).
Nu is alles, huis, hof en land verloren;
Hard was de oude, maar harder het gerecht;
Er was geen hulp meer en ook geen genade;
Peer was er niet, en niemand kon mij bijstaan.
Kari.Hier in huis mag je nu toch blijven tot je dood.
Kari.
Hier in huis mag je nu toch blijven tot je dood.
Aase.Ja, de kat en ik, wij krijgen genadebrood!
Aase.
Ja, de kat en ik, wij krijgen genadebrood!
Kari.Ja, moeder, ’t was Peer die je duur kwam te staan!
Kari.
Ja, moeder, ’t was Peer die je duur kwam te staan!
Aase.Peer? Zeg, ben je nu heelemaal mal!Ingrid kwam immers heelhuids weer thuis.Zij hadden zich bij den duivel moeten houden;…Hij is de schuldige, hij, en niemand anders;De booze dreef mijn armen jongen er toe!
Aase.
Peer? Zeg, ben je nu heelemaal mal!
Ingrid kwam immers heelhuids weer thuis.
Zij hadden zich bij den duivel moeten houden;…
Hij is de schuldige, hij, en niemand anders;
De booze dreef mijn armen jongen er toe!
Kari.Zou je niet liever eens om den priester sturen?’t Gaat hem slechter dan je misschien wel denkt.
Kari.
Zou je niet liever eens om den priester sturen?
’t Gaat hem slechter dan je misschien wel denkt.
Aase.Om den priester? Och ja, dat was zoo kwaad niet.(richt zich op).Maar neen! dat kan ik niet!Ikben z’n moeder toch;Ikzal helpen; dat ’s niet meer dan mijn moederplicht;Doen zooveel ik kan, als geen ander iets doet.Dat buis hier, mag hij hebben. Dat zal ik lappen.’k Wou dat ik hun ook dat vel durfde afsnappen!Waar zijn de kousen?
Aase.
Om den priester? Och ja, dat was zoo kwaad niet.
(richt zich op).
Maar neen! dat kan ik niet!Ikben z’n moeder toch;
Ikzal helpen; dat ’s niet meer dan mijn moederplicht;
Doen zooveel ik kan, als geen ander iets doet.
Dat buis hier, mag hij hebben. Dat zal ik lappen.
’k Wou dat ik hun ook dat vel durfde afsnappen!
Waar zijn de kousen?
Kari.Waar zijn de kousen?Dáár, bij den anderen rommel.
Kari.
Waar zijn de kousen?Dáár, bij den anderen rommel.
Aase(rommelt er in).Wat vind ik daar? Och neen maar, een oudenGietlepel, Kari! Daarmee heeft hij gespeeldKnoopen-gieten, smelten en stemplen.Eens, toen hier feest was, kwam de jongen thuisEn vroeg zijn vader om een klomp tin;Geen tin, zei Jon, maar koning Christiaans munt,Zilver; men moet zien dat je een zoon bent van Jon GyntGod vergeve het Jon; maar dronken was hij,En dan lette hij op geen goud of geen tin.Hier zijn de kousen. O, wat een gaten!Dat geeft stopwerk, Kari!
Aase(rommelt er in).
Wat vind ik daar? Och neen maar, een ouden
Gietlepel, Kari! Daarmee heeft hij gespeeld
Knoopen-gieten, smelten en stemplen.
Eens, toen hier feest was, kwam de jongen thuis
En vroeg zijn vader om een klomp tin;
Geen tin, zei Jon, maar koning Christiaans munt,
Zilver; men moet zien dat je een zoon bent van Jon Gynt
God vergeve het Jon; maar dronken was hij,
En dan lette hij op geen goud of geen tin.
Hier zijn de kousen. O, wat een gaten!
Dat geeft stopwerk, Kari!
Kari.Dat geeft stopwerk, Kari!Dat ’s noodig, dunkt mij.
Kari.
Dat geeft stopwerk, Kari!Dat ’s noodig, dunkt mij.
Aase.Als dat gedaan is, ga ’k maar naar bed;Ik voel mij zoo zwak en ziek en benauwd …Twee wollen hemden; die hebben zij vergeten!
Aase.
Als dat gedaan is, ga ’k maar naar bed;
Ik voel mij zoo zwak en ziek en benauwd …
Twee wollen hemden; die hebben zij vergeten!
Kari.Ja, dat hebben zij nèt.
Kari.
Ja, dat hebben zij nèt.
Aase.Ja, dat hebben zij nèt.Dat treft juist goed.Het eene kan je op zijde leggen.Of wacht, wij moesten ze maar beide houden;Dat wat hij aan heeft is al zoo dun.
Aase.
Ja, dat hebben zij nèt.Dat treft juist goed.
Het eene kan je op zijde leggen.
Of wacht, wij moesten ze maar beide houden;
Dat wat hij aan heeft is al zoo dun.
Kari.Maar, moeder Aase, dat mag toch niet!
Kari.
Maar, moeder Aase, dat mag toch niet!
Aase.Nou ja, maar je weet, de priester verkondigtVergeving voor dit en meer andere zonden.
Aase.
Nou ja, maar je weet, de priester verkondigt
Vergeving voor dit en meer andere zonden.
Buiten een nieuwgebouwde hut in het bosch. Een rendiergewei boven de deur. De sneeuw ligt hoog. Het schemert al. Peer Gynt staat voor de deur en spijkert een groot houten slot vast.
Peer Gynt(lacht nu en dan hardop).Een slot moet er zijn; een slot dat houdt buitenAl de kabouters, mannen en vrouwen.Een slot moet er zijn, om de hut af te sluitenVoor al die kwaadaardige, looze dwergen …Zij komen met ’t donker; zij kloppen en tikken:Maak open, Peer Gynt, wij zijn vlug als gedachten!Wij schudden het bed, wij blazen het vuur aan,Stijgen op door den schoorsteen als vurige draken.Hihi! Peer, denk je met spijkers en plankenDen toegang voor ’t nijdige dwergvolk te stuiten?
Peer Gynt(lacht nu en dan hardop).
Een slot moet er zijn; een slot dat houdt buiten
Al de kabouters, mannen en vrouwen.
Een slot moet er zijn, om de hut af te sluiten
Voor al die kwaadaardige, looze dwergen …
Zij komen met ’t donker; zij kloppen en tikken:
Maak open, Peer Gynt, wij zijn vlug als gedachten!
Wij schudden het bed, wij blazen het vuur aan,
Stijgen op door den schoorsteen als vurige draken.
Hihi! Peer, denk je met spijkers en planken
Den toegang voor ’t nijdige dwergvolk te stuiten?
(Solvejg komt op sneeuwschoenen over de heide; zij heeft een doek over het hoofd en een bundel in de hand).
Solvejg.God zegen je arbeid. Je moet mij niet verstooten.Ik kom omdat je riep, dus moet je mij nemen.
Solvejg.
God zegen je arbeid. Je moet mij niet verstooten.
Ik kom omdat je riep, dus moet je mij nemen.
Peer Gynt.Solvejg! ’t Is toch niet …! Jawel, ’t is waar!…En je bent niet meer bang om dicht bij mij te komen!
Peer Gynt.
Solvejg! ’t Is toch niet …! Jawel, ’t is waar!…
En je bent niet meer bang om dicht bij mij te komen!
Solvejg.Je zondt mij een boodschap door kleine Helga;Vele bracht nog later heimlijk de wind mij.’n Boodschap was al wat je moeder vertelde,’n Boodschap mijn droom als ’k te slapen mij legde.Nachten zoo droef, en zoo leeg al de dagen,Zeiden het mij, dat ik nu moest komen.Als uitgebluscht was het leven daarginder;Ik kon niet van harte meer lachen of schreien.Ik wist niet heel zeker wat in jou omging;Ik wist alleen maar, dat het mij naar je toe drong.
Solvejg.
Je zondt mij een boodschap door kleine Helga;
Vele bracht nog later heimlijk de wind mij.
’n Boodschap was al wat je moeder vertelde,
’n Boodschap mijn droom als ’k te slapen mij legde.
Nachten zoo droef, en zoo leeg al de dagen,
Zeiden het mij, dat ik nu moest komen.
Als uitgebluscht was het leven daarginder;
Ik kon niet van harte meer lachen of schreien.
Ik wist niet heel zeker wat in jou omging;
Ik wist alleen maar, dat het mij naar je toe drong.
Peer Gynt.Maar je vader?
Peer Gynt.
Maar je vader?
Solvejg.Maar je vader?Op Gods wijde wereldHeb ’k niemand, die vader of moeder mij is.Ik ben los nu van allen.
Solvejg.
Maar je vader?Op Gods wijde wereld
Heb ’k niemand, die vader of moeder mij is.
Ik ben los nu van allen.
Peer Gynt.Ik ben los nu van allen.Solvejg, jij lieve,Om de mijne te zijn?
Peer Gynt.
Ik ben los nu van allen.Solvejg, jij lieve,
Om de mijne te zijn?
Solvejg.Om de mijne te zijn?Ja, alleen de jouwe;Jij moet alles mij zijn; mijn thuis en familie.(schreiend).’t Ergst was het mijn zusje achter te laten;…Maar erger toch nog van vader te gaan;Maar ’t allerergst te scheiden van moeders borst;…Neen, God vergeef mij, ’t ergst nog van allesWas de smart van ’t heengaan van allen … allen!
Solvejg.
Om de mijne te zijn?Ja, alleen de jouwe;
Jij moet alles mij zijn; mijn thuis en familie.
(schreiend).
’t Ergst was het mijn zusje achter te laten;…
Maar erger toch nog van vader te gaan;
Maar ’t allerergst te scheiden van moeders borst;…
Neen, God vergeef mij, ’t ergst nog van alles
Was de smart van ’t heengaan van allen … allen!
Peer Gynt.En ken je mijn vonnis in ’t voorjaar geveld?Dat scheidt mij voor goed van huis en hof.
Peer Gynt.
En ken je mijn vonnis in ’t voorjaar geveld?
Dat scheidt mij voor goed van huis en hof.
Solvejg.Denk je soms dat ik voor wereldsche haveVoor altijd van die mij lief waren scheidde?
Solvejg.
Denk je soms dat ik voor wereldsche have
Voor altijd van die mij lief waren scheidde?
Peer Gynt.En weet je ook, dat ik, eens buiten het bosch,Mag opgepakt worden als iemand mij ziet?
Peer Gynt.
En weet je ook, dat ik, eens buiten het bosch,
Mag opgepakt worden als iemand mij ziet?
Solvejg.Op sneeuwschoenen liep ik, en vroeg naar den weg;Zij vorschten waar ’k heen moest; ik antwoordde: naar huis.
Solvejg.
Op sneeuwschoenen liep ik, en vroeg naar den weg;
Zij vorschten waar ’k heen moest; ik antwoordde: naar huis.
Peer Gynt.Weg dan met al die spijkers en planken.Geen grendels nu meer tegen nijdige dwergen.Durf jij voortaan bij den jager te blijven,Dan zal mijn hut ook gewijd zijn, dat weet ik.Solvejg! ’k Moet je aanzien! Niet al te dicht bij!Aanzien alleen maar! Wat ben je toch stralend blank!Je óplichten even! Wat ben je toch licht en teer!Als ik je dragen moet, Solvejg, word ik nooit moe!’k Zal je niet vuil maken. Met gestrekte armenHou ik je voor mij uit, jij lieve, barmhartige!Wie had ooit gedacht dat ik je zou dragen …!O maar, naar je verlangd heb ik nachten en dagen.Hier, zie je, heb ik getimmerd en gebouwd;Maar dat moet nu weer weg; ’t is hier arm en kaal …
Peer Gynt.
Weg dan met al die spijkers en planken.
Geen grendels nu meer tegen nijdige dwergen.
Durf jij voortaan bij den jager te blijven,
Dan zal mijn hut ook gewijd zijn, dat weet ik.
Solvejg! ’k Moet je aanzien! Niet al te dicht bij!
Aanzien alleen maar! Wat ben je toch stralend blank!
Je óplichten even! Wat ben je toch licht en teer!
Als ik je dragen moet, Solvejg, word ik nooit moe!
’k Zal je niet vuil maken. Met gestrekte armen
Hou ik je voor mij uit, jij lieve, barmhartige!
Wie had ooit gedacht dat ik je zou dragen …!
O maar, naar je verlangd heb ik nachten en dagen.
Hier, zie je, heb ik getimmerd en gebouwd;
Maar dat moet nu weer weg; ’t is hier arm en kaal …
Solvejg.Of arm of rijk,… het is hier naar mijn zin.Je ademt zoo vrij in den bergkoelen wind …Beneden was ’t bedompt; daar had ik het benauwd;Dát was het óok wel wat uit ’t dorp mij heeft gejaagd.Maar hier, waar je hoort der dennen geruisch.…Hier is rust en gezang!… hier voel ik mij thuis.
Solvejg.
Of arm of rijk,… het is hier naar mijn zin.
Je ademt zoo vrij in den bergkoelen wind …
Beneden was ’t bedompt; daar had ik het benauwd;
Dát was het óok wel wat uit ’t dorp mij heeft gejaagd.
Maar hier, waar je hoort der dennen geruisch.…
Hier is rust en gezang!… hier voel ik mij thuis.
Peer Gynt.En weet je ’t ook goed? Je heele leven lang?
Peer Gynt.
En weet je ’t ook goed? Je heele leven lang?
Solvejg.De weg, dien ik ging, voert nooit meer terug.
Solvejg.
De weg, dien ik ging, voert nooit meer terug.
Peer Gynt.Ik heb je dus! Kom! Laat ’k je zien in mijn huisje!Ga binnen! ’k Zal even wat brandhout gaan halen;Warm en gezellig en licht zal het worden,Zacht zal je zitten en geen koû zal je lijden!
Peer Gynt.
Ik heb je dus! Kom! Laat ’k je zien in mijn huisje!
Ga binnen! ’k Zal even wat brandhout gaan halen;
Warm en gezellig en licht zal het worden,
Zacht zal je zitten en geen koû zal je lijden!
(doet de deur open; Solvejg gaat binnen. Hij staat een oogenblik stil; dan lacht hij luid van blijdschap en maakt een luchtsprong).
Peer Gynt.Mijn koningskind! Nu is ’t gevonden en gewonnen!Neen, nu wordt de slotbouw van nieuw af weer begonnen!
Peer Gynt.
Mijn koningskind! Nu is ’t gevonden en gewonnen!
Neen, nu wordt de slotbouw van nieuw af weer begonnen!
(hij grijpt de bijl en wil teruggaan; op hetzelfde oogenblik komt een oudachtige vrouw in een gescheurden groenen rok uit het kreupelhout. Een leelijke jongen met een bierflesch in de hand hinkt haar achterna, zich aan haar rok vasthoudend).
De Vrouw.Goên avond, Peer Luchthart!
De Vrouw.
Goên avond, Peer Luchthart!
Peer Gynt.Goên avond, Peer Luchthart!Hè? Wie ’s dat?
Peer Gynt.
Goên avond, Peer Luchthart!Hè? Wie ’s dat?
De Vrouw.Oude vrienden, Peer Gynt! Mijn woning staat dicht bij.Wij zijn buren.
De Vrouw.
Oude vrienden, Peer Gynt! Mijn woning staat dicht bij.
Wij zijn buren.
Peer Gynt.Wij zijn buren.Zoo? Dat is meer dan ik weet.
Peer Gynt.
Wij zijn buren.Zoo? Dat is meer dan ik weet.
De Vrouw.Al naar je hut oprees, ontstond ook de mijne.
De Vrouw.
Al naar je hut oprees, ontstond ook de mijne.
Peer Gynt(wil weg).Ik heb haast …
Peer Gynt(wil weg).
Ik heb haast …
De Vrouw.Ik heb haast …Ja, dat heb je altijd, man;Maar ik loop je achterna en je raakt mij zoo niet kwijt.
De Vrouw.
Ik heb haast …Ja, dat heb je altijd, man;
Maar ik loop je achterna en je raakt mij zoo niet kwijt.
Peer Gynt.Je vergist je!
Peer Gynt.
Je vergist je!
De Vrouw.Je vergist je!Dat heb ik ééns gedaan;Dat deed ik dien keer toen met beloften jij kwam.
De Vrouw.
Je vergist je!Dat heb ik ééns gedaan;
Dat deed ik dien keer toen met beloften jij kwam.
Peer Gynt.Beloften …? Wat duivel is dat voor praat?
Peer Gynt.
Beloften …? Wat duivel is dat voor praat?
De Vrouw.Vergeet je den avond bij vader thuis?Vergeet je …?
De Vrouw.
Vergeet je den avond bij vader thuis?
Vergeet je …?
Peer Gynt.Vergeet je …?’k Vergat wat ik nooit geweten heb.Waar zagen we elkaar dan den laatsten keer?
Peer Gynt.
Vergeet je …?’k Vergat wat ik nooit geweten heb.
Waar zagen we elkaar dan den laatsten keer?
De Vrouw.Waar wij elkaar zagen den eersten keer.(tegen den jongen).Laat vader eens drinken; ’k geloof dat hij dorst heeft.
De Vrouw.
Waar wij elkaar zagen den eersten keer.
(tegen den jongen).
Laat vader eens drinken; ’k geloof dat hij dorst heeft.
Peer Gynt.Vader? Je bent dronken! Noem je hem …?
Peer Gynt.
Vader? Je bent dronken! Noem je hem …?
De Vrouw.Je moest toch het dier aan zijn huid herkennen!…Heb je geen oogen? Je kunt ’t toch wel zienZijn poot is even lam als jouw heele aard is.
De Vrouw.
Je moest toch het dier aan zijn huid herkennen!…
Heb je geen oogen? Je kunt ’t toch wel zien
Zijn poot is even lam als jouw heele aard is.
Peer Gynt.Wou je mij wijs maken …?
Peer Gynt.
Wou je mij wijs maken …?
De Vrouw.Wou je mij wijs maken …?Wou je uitvluchten zoeken?
De Vrouw.
Wou je mij wijs maken …?Wou je uitvluchten zoeken?
Peer Gynt.Die langbeenige jongen …!
Peer Gynt.
Die langbeenige jongen …!
De Vrouw.Die langbeenige jongen …!Hij is hard gegroeid.
De Vrouw.
Die langbeenige jongen …!Hij is hard gegroeid.
Peer Gynt.Durf jij mij opdringen, leelijke heks …
Peer Gynt.
Durf jij mij opdringen, leelijke heks …
De Vrouw.Hoor eens, Peer Gynt, je bent grof als een os …!(huilend).Kan ik het helpen dat ’k niet meer zoo mooi ben,Als toen je mij lokte over glooiende heuvels?De duivel, toen ’k baarde in den herfst, trok kromMijn rug, en daar wordt je niet beter van.Maar als je mij mooi weer als vroeger wilt zien,Wijs dan maar die meid, die daar ginds zit, de deur.Jaag haar uit je oogen en zinnen maar weg;…Doe dat, lieve vriend, dan verander ’k van tronie!
De Vrouw.
Hoor eens, Peer Gynt, je bent grof als een os …!
(huilend).
Kan ik het helpen dat ’k niet meer zoo mooi ben,
Als toen je mij lokte over glooiende heuvels?
De duivel, toen ’k baarde in den herfst, trok krom
Mijn rug, en daar wordt je niet beter van.
Maar als je mij mooi weer als vroeger wilt zien,
Wijs dan maar die meid, die daar ginds zit, de deur.
Jaag haar uit je oogen en zinnen maar weg;…
Doe dat, lieve vriend, dan verander ’k van tronie!
Peer Gynt.Wijk van mij, booze heks!
Peer Gynt.
Wijk van mij, booze heks!
De Vrouw.Wijk van mij, booze heks!Maar ik ga niet, hoor!
De Vrouw.
Wijk van mij, booze heks!Maar ik ga niet, hoor!
Peer Gynt.Ik sla je de hersens in …!
Peer Gynt.
Ik sla je de hersens in …!
De Vrouw.Ik sla je de hersens in …!Ja, zie eens of je durft!Hoho, Peer Gynt, geen slag die mij deert!…Ik kom hier toch iedren dag weer terug.Ik kijk door de deur, en begluur je te zamen.Zit met de deern je dan in ’t schemeruur,…Wordt je teeder … Peer Gynt … wil je een deuntje vrijen,…Kom ik bij je zitten en eisch ook mijn deel.Zij en ik, wij hebben je dan beurt om beurt.Vaarwel, jongenlief; hoû jij nu morgen maar bruiloft, hoor!
De Vrouw.
Ik sla je de hersens in …!Ja, zie eens of je durft!
Hoho, Peer Gynt, geen slag die mij deert!…
Ik kom hier toch iedren dag weer terug.
Ik kijk door de deur, en begluur je te zamen.
Zit met de deern je dan in ’t schemeruur,…
Wordt je teeder … Peer Gynt … wil je een deuntje vrijen,…
Kom ik bij je zitten en eisch ook mijn deel.
Zij en ik, wij hebben je dan beurt om beurt.
Vaarwel, jongenlief; hoû jij nu morgen maar bruiloft, hoor!
Peer Gynt.Jij helsche nachtmerrie!
Peer Gynt.
Jij helsche nachtmerrie!
De Vrouw.Jij helsche nachtmerrie!Maar dat ’s waar ook!Den jongen, jouw mankepoot, dien voedt jij op!Duivelskind, wil jij naar je vader toe?
De Vrouw.
Jij helsche nachtmerrie!Maar dat ’s waar ook!
Den jongen, jouw mankepoot, dien voedt jij op!
Duivelskind, wil jij naar je vader toe?
De Jongen(spuwt naar hem).Duivelskind, wil jij naar je vader toe?Daar!’k Zal je hakken met een bijl, hoor; wacht maar, mettertijd!
De Jongen(spuwt naar hem).
Duivelskind, wil jij naar je vader toe?Daar!
’k Zal je hakken met een bijl, hoor; wacht maar, mettertijd!
De Vrouw(kust den jongen).Och, wat een hoofd op dat lichaam toch zit!Jij maakt je vader nog eenmaal beschaamd!
De Vrouw(kust den jongen).
Och, wat een hoofd op dat lichaam toch zit!
Jij maakt je vader nog eenmaal beschaamd!
Peer Gynt(stampvoetend).O, was je zoo ver …!
Peer Gynt(stampvoetend).
O, was je zoo ver …!
De Vrouw.O, was je zoo ver …!Als wij dichtbij zijn nu?
De Vrouw.
O, was je zoo ver …!Als wij dichtbij zijn nu?
Peer Gynt(balt de vuisten).En dat alles …!
Peer Gynt(balt de vuisten).
En dat alles …!
De Vrouw.En dat alles …!Voor zinnenbegeerte alleen!’t Is zonde van je, Peer!
De Vrouw.
En dat alles …!Voor zinnenbegeerte alleen!
’t Is zonde van je, Peer!
Peer Gynt.’t Is zonde van je, Peer!’t Meest voor een andre!…Solvejg! mijn parel, zoo zuiver, zoo rein!
Peer Gynt.
’t Is zonde van je, Peer!’t Meest voor een andre!…
Solvejg! mijn parel, zoo zuiver, zoo rein!
De Vrouw.Ja, ja, zei de duivel, de onschuld moet lijden,Toen z’n vader zat was en z’n moeder ’m sloeg!
De Vrouw.
Ja, ja, zei de duivel, de onschuld moet lijden,
Toen z’n vader zat was en z’n moeder ’m sloeg!
(Zij gaat het kreupelhout weer in met den jongen die hem de bierflesch achterna gooit).
Peer Gynt(na lang zwijgen).Er omheen, zei Böjg. Ja, nu moet ik ’t doen …Daar viel mijn koninklijk slot in duigen!’t Trok een muur op om haar … en ’k was zoo nabij;Op-eens was hier ’t mooi weg; verlept was mijn blijdschap …Geef het op, kerel! Erisgeen wegDwars door dat alles van jou naar haar toe.Dwars er doorheen? Die moet toch zijn te vinden.Er staat iets van berouw, als ik mij goed herinner.Maar wat? Wat staat er? Ik heb ’t boek niet meer,Heb ’t meeste vergeten, en hier is ook niemandIn ’t wilde bosch, die mij terecht kan helpen …Berouw? Daar konden wel jaren mee heengaanEer ik er doorheen was. Zoo’n leven zou triest zijn.Kapot slaan wat glanzend en licht en mooi is,En dan van de scherven weer maken wat nieuws.Dat gaat met ’n viool maar gaat niet met een klok.Je moet niet vertrappen wat nog groeien moet.Maar dat was toch ’n leugen van die heksentronie!Nu is al dat afschuwlijke weer uit mijn oogen …Ja; wel uit mijn oogen, maar niet uit mijn hoofd.Nasluipen zal dat mij toch overal.Ingrid! En die drie daar boven op den berg!Moeten die ook meedoen? Met gieren en mal doenEischen alszijte worden omarmd,Voorzichtig en teer te worden gedragen?Buiten om, Peer; al was je arm zoo langAls de slankste den of een pijnboomstam,…’k Geloof dat ik haar toch nog te dicht bij mij hieldOm haar smetloos en ongedeerd neer te zetten …Ik moet daar omheen komen, hoe ’t dan ook ga,Dat ’t mij geen gewin wordt en ook geen verlies.Je moet zoo iets afschudden tot je ’t vergeet …(doet eenige stappen naar de hut toe, maar blijft weer staan).Binnen gaan na dit alles? Zoo vuil en gemeen?Binnen gaan met al die spoken achter me aan?(werpt de bijl weg).’t Is de avond vóór ’t feest. Haar nu aan te vattenZoo, als ik nù ben, zou heiligschennis zijn.
Peer Gynt(na lang zwijgen).
Er omheen, zei Böjg. Ja, nu moet ik ’t doen …
Daar viel mijn koninklijk slot in duigen!
’t Trok een muur op om haar … en ’k was zoo nabij;
Op-eens was hier ’t mooi weg; verlept was mijn blijdschap …
Geef het op, kerel! Erisgeen weg
Dwars door dat alles van jou naar haar toe.
Dwars er doorheen? Die moet toch zijn te vinden.
Er staat iets van berouw, als ik mij goed herinner.
Maar wat? Wat staat er? Ik heb ’t boek niet meer,
Heb ’t meeste vergeten, en hier is ook niemand
In ’t wilde bosch, die mij terecht kan helpen …
Berouw? Daar konden wel jaren mee heengaan
Eer ik er doorheen was. Zoo’n leven zou triest zijn.
Kapot slaan wat glanzend en licht en mooi is,
En dan van de scherven weer maken wat nieuws.
Dat gaat met ’n viool maar gaat niet met een klok.
Je moet niet vertrappen wat nog groeien moet.
Maar dat was toch ’n leugen van die heksentronie!
Nu is al dat afschuwlijke weer uit mijn oogen …
Ja; wel uit mijn oogen, maar niet uit mijn hoofd.
Nasluipen zal dat mij toch overal.
Ingrid! En die drie daar boven op den berg!
Moeten die ook meedoen? Met gieren en mal doen
Eischen alszijte worden omarmd,
Voorzichtig en teer te worden gedragen?
Buiten om, Peer; al was je arm zoo lang
Als de slankste den of een pijnboomstam,…
’k Geloof dat ik haar toch nog te dicht bij mij hield
Om haar smetloos en ongedeerd neer te zetten …
Ik moet daar omheen komen, hoe ’t dan ook ga,
Dat ’t mij geen gewin wordt en ook geen verlies.
Je moet zoo iets afschudden tot je ’t vergeet …
(doet eenige stappen naar de hut toe, maar blijft weer staan).
Binnen gaan na dit alles? Zoo vuil en gemeen?
Binnen gaan met al die spoken achter me aan?
(werpt de bijl weg).
’t Is de avond vóór ’t feest. Haar nu aan te vatten
Zoo, als ik nù ben, zou heiligschennis zijn.
Solvejg(in de deur).Kom je haast?
Solvejg(in de deur).
Kom je haast?
Peer Gynt(halfluid).Kom je haast?Buiten om!
Peer Gynt(halfluid).
Kom je haast?Buiten om!
Solvejg.Kom je haast? Buiten om!Wat?
Solvejg.
Kom je haast? Buiten om!Wat?
Peer Gynt.Kom je haast? Buiten om! Wat?Wacht nog even.’t Is hier donker, en ’k heb nog iets zwaars te halen.
Peer Gynt.
Kom je haast? Buiten om! Wat?Wacht nog even.
’t Is hier donker, en ’k heb nog iets zwaars te halen.
Solvejg.Wacht; ’k zal je helpen; dan dragen wij ’t samen.
Solvejg.
Wacht; ’k zal je helpen; dan dragen wij ’t samen.
Peer Gynt.Neen, blijf liever daar! Ik zal ’t alleen wel dragen.
Peer Gynt.
Neen, blijf liever daar! Ik zal ’t alleen wel dragen.
Solvejg.Maar blijf niet te lang, zeg!
Solvejg.
Maar blijf niet te lang, zeg!
Peer Gynt.Maar blijf niet te lang, zeg!Geduld maar, meisje!Of lang of kort,… blijf maar wachten.
Peer Gynt.
Maar blijf niet te lang, zeg!Geduld maar, meisje!
Of lang of kort,… blijf maar wachten.
Solvejg(knikt hem toe).Of lang of kort,… blijf maar wachten.’k Zal wachten!
Solvejg(knikt hem toe).
Of lang of kort,… blijf maar wachten.’k Zal wachten!
(Peer Gynt gaat het bosch in. Solvejg blijft in de halfopen deur staan).
Aase’s kamer. Avond. Een rijshoutvuur brandt in den haard en verlicht de kamer. De kat op een stoel aan den voet van het bed. Aase ligt te bed en tast onrustig met de handen over de dekens.
Aase.Och, lieve Heer, zou hij niet komen?Het duurt al zoo schrikkelijk lang.’k Kan niet meer om hem zendenEn zeggen moet ik hem zooveel.Ik heb niet veel tijd te verliezen!Zoo plotseling! Wie had dat gedacht!O, als ik toch maar kon wetenOf ’k niet te streng voor hem was!
Aase.
Och, lieve Heer, zou hij niet komen?
Het duurt al zoo schrikkelijk lang.
’k Kan niet meer om hem zenden
En zeggen moet ik hem zooveel.
Ik heb niet veel tijd te verliezen!
Zoo plotseling! Wie had dat gedacht!
O, als ik toch maar kon weten
Of ’k niet te streng voor hem was!
Peer Gynt(komt binnen).Goeien avond!
Peer Gynt(komt binnen).
Goeien avond!
Aase.Goeien avond!God zal je zeegnen!Daar is hij! Mijn jongen! Mijn Peer!Maar hoe durf je hier je te wagen?Hier loopt je leven gevaar!
Aase.
Goeien avond!God zal je zeegnen!
Daar is hij! Mijn jongen! Mijn Peer!
Maar hoe durf je hier je te wagen?
Hier loopt je leven gevaar!
Peer Gynt.Och, wat kan het leven mij schelen.Ik moest nu eens naar je toe.
Peer Gynt.
Och, wat kan het leven mij schelen.
Ik moest nu eens naar je toe.
Aase.Wat zal Kari staan te kijken!Nu ga ik in vrede heen!
Aase.
Wat zal Kari staan te kijken!
Nu ga ik in vrede heen!
Peer Gynt.Ga heen? Wat zijn dat voor praatjes?Waar denk je dan heen te gaan?
Peer Gynt.
Ga heen? Wat zijn dat voor praatjes?
Waar denk je dan heen te gaan?
Aase.Och Peer, het loopt op zijn einde;Het duurt met mij niet meer lang!
Aase.
Och Peer, het loopt op zijn einde;
Het duurt met mij niet meer lang!
Peer Gynt(wringt de handen en loopt op en neer).En ik die het leed dacht te ontloopen,En meendehiervrij te zijn …!Heb je ’t koud aan handen en voeten?
Peer Gynt(wringt de handen en loopt op en neer).
En ik die het leed dacht te ontloopen,
En meendehiervrij te zijn …!
Heb je ’t koud aan handen en voeten?
Aase.Ja, Peer, ’t is nu gauw voorbij …Als je ziet dat mijn oogen breken,O, druk ze dan zachtjes dicht.En dan moet voor een kist je zorgen;Maar, jongen, laat mooi die zijn.Och, neen, ’t is waar …
Aase.
Ja, Peer, ’t is nu gauw voorbij …
Als je ziet dat mijn oogen breken,
O, druk ze dan zachtjes dicht.
En dan moet voor een kist je zorgen;
Maar, jongen, laat mooi die zijn.
Och, neen, ’t is waar …
Peer Gynt.Och, neen, ’t is waar …Wees maar stil, hoor!Daarvoor is ’t nog tijds genoeg.
Peer Gynt.
Och, neen, ’t is waar …Wees maar stil, hoor!
Daarvoor is ’t nog tijds genoeg.
Aase.Ja, ja.(kijkt onrustig rond in de kamer).Ja, ja.Hier zie je het beetjeDat overbleef. Zoo zijn de luî.
Aase.
Ja, ja.(kijkt onrustig rond in de kamer).
Ja, ja.Hier zie je het beetje
Dat overbleef. Zoo zijn de luî.
Peer Gynt(balt de handen).Nu alweer!(hard).Nu alweer!Ik weet dat ’t mijn schuld is.Wat helpt ’t of ik het weer hoor?
Peer Gynt(balt de handen).
Nu alweer!(hard).
Nu alweer!Ik weet dat ’t mijn schuld is.
Wat helpt ’t of ik het weer hoor?
Aase.Jij! Neen, dat vervloekte drinken,Daar komt al het onheil van daan!Mijn jongen, jij was immers dronken:Dan weet iemand niet wat hij doet;En dan hadt je op dat rendier gereden;Dat je dol was is duidlijk genoeg!
Aase.
Jij! Neen, dat vervloekte drinken,
Daar komt al het onheil van daan!
Mijn jongen, jij was immers dronken:
Dan weet iemand niet wat hij doet;
En dan hadt je op dat rendier gereden;
Dat je dol was is duidlijk genoeg!
Peer Gynt.Praat daar nu maar niet meer over.Laat rusten die heele zaak.Wat droef is zullen wij sparenTot later … een andren dag.(gaat op den rand van het bed zitten).Nu, moedertje, gaan wij babb’len,Over koetjes en kalfjes maar,En ’t nare en bitt’re vergeten,En alles wat pijn doet en kwelt …Och kijk eens, daar zit de oude kat nog;Dus die hield het ook zoo lang uit?
Peer Gynt.
Praat daar nu maar niet meer over.
Laat rusten die heele zaak.
Wat droef is zullen wij sparen
Tot later … een andren dag.
(gaat op den rand van het bed zitten).
Nu, moedertje, gaan wij babb’len,
Over koetjes en kalfjes maar,
En ’t nare en bitt’re vergeten,
En alles wat pijn doet en kwelt …
Och kijk eens, daar zit de oude kat nog;
Dus die hield het ook zoo lang uit?
Aase.Die doet ’s nachts ook al zoo aaklig;Je weet wel wat dat beduidt!
Aase.
Die doet ’s nachts ook al zoo aaklig;
Je weet wel wat dat beduidt!
Peer Gynt.Wat is er voor nieuws in ’t dorp, zeg?
Peer Gynt.
Wat is er voor nieuws in ’t dorp, zeg?
Aase(glimlachend).Ze zeggen dat ergens hier isEen meisje, dat naar de bergen …
Aase(glimlachend).
Ze zeggen dat ergens hier is
Een meisje, dat naar de bergen …
Peer Gynt(snel).Mads-Moën, slaat die er zich door?
Peer Gynt(snel).
Mads-Moën, slaat die er zich door?
Aase.Ze zeggen, zij heeft geen oorenVoor beî haar ouders verdriet.Jij moest er toch eens naar hoorenJij, Peer, weet misschien wel raad …
Aase.
Ze zeggen, zij heeft geen ooren
Voor beî haar ouders verdriet.
Jij moest er toch eens naar hooren
Jij, Peer, weet misschien wel raad …
Peer Gynt.En hoe staat het met smid Aslak?
Peer Gynt.
En hoe staat het met smid Aslak?
Aase.Och zwijg van dien vuilen smid.Liever wil ik den naam je zeggenVan ’t meisje, je weet wel … van haar …
Aase.
Och zwijg van dien vuilen smid.
Liever wil ik den naam je zeggen
Van ’t meisje, je weet wel … van haar …
Peer Gynt.Neen, nu gaan wij samen praten,…Over koetjes en kalfjes alleen,En al ’t nare en bitt’re vergetenEn alles wat pijn doet en kwelt.Heb je dorst? Zal ik halen wat drinken?Lig je goed, zeg? Het bed is maar kort.Laat eens zien;… ja dat is zoo waar nogHet bed, waar ’k als jongen in sliep?Weet je ’t nog, hoe dikwijls je ’s avondsDaar zat aan het voeteneind,Mij toedekte warm en lekker,En allerlei liedjes zong?
Peer Gynt.
Neen, nu gaan wij samen praten,…
Over koetjes en kalfjes alleen,
En al ’t nare en bitt’re vergeten
En alles wat pijn doet en kwelt.
Heb je dorst? Zal ik halen wat drinken?
Lig je goed, zeg? Het bed is maar kort.
Laat eens zien;… ja dat is zoo waar nog
Het bed, waar ’k als jongen in sliep?
Weet je ’t nog, hoe dikwijls je ’s avonds
Daar zat aan het voeteneind,
Mij toedekte warm en lekker,
En allerlei liedjes zong?
Aase.Jawel! En dan speelden wij “sleden”,Als vader aan ’t boemelen was.’t Dek was de vacht van de sledeDe grond een bevroren fjord.
Aase.
Jawel! En dan speelden wij “sleden”,
Als vader aan ’t boemelen was.
’t Dek was de vacht van de slede
De grond een bevroren fjord.
Peer Gynt.Ja, maar het allermooiste,Zeg, moeder weet je ’t nog?…Dat waren de wilde paarden …
Peer Gynt.
Ja, maar het allermooiste,
Zeg, moeder weet je ’t nog?…
Dat waren de wilde paarden …
Aase.Ja, denk je dat ik ’t niet meer weet …?Wij leenden de kat van Kari;Die zat op een houten kruk …
Aase.
Ja, denk je dat ik ’t niet meer weet …?
Wij leenden de kat van Kari;
Die zat op een houten kruk …
Peer Gynt.Naar ’t slot van de maan in ’t westen,Naar ’t oosterslot van de zon,Naar ’t Soria-Moria slot danGing ’t hoepla-hei! over den vloer.Een stok, in de kast gevondenGebruikten wij voor een zweep.
Peer Gynt.
Naar ’t slot van de maan in ’t westen,
Naar ’t oosterslot van de zon,
Naar ’t Soria-Moria slot dan
Ging ’t hoepla-hei! over den vloer.
Een stok, in de kast gevonden
Gebruikten wij voor een zweep.
Aase.Vooróp op den bok zat ik dan …
Aase.
Vooróp op den bok zat ik dan …
Peer Gynt.En dan liet je de teugels los!Je keek om, zoodra als wij reden,En vroeg mij: heb je ’t niet koud?God zegen je, oude stumperd,…Je was toch een goede ziel …!Hoe kreun je zoo?
Peer Gynt.
En dan liet je de teugels los!
Je keek om, zoodra als wij reden,
En vroeg mij: heb je ’t niet koud?
God zegen je, oude stumperd,…
Je was toch een goede ziel …!
Hoe kreun je zoo?
Aase.Hoe kreun je zoo?’k Heb zoo’n pijn inMijn rug, van die harde plank.
Aase.
Hoe kreun je zoo?’k Heb zoo’n pijn in
Mijn rug, van die harde plank.
Peer Gynt.Strek je uit; ik zal je steunen.Zie zoo; lig je nu niet zacht?
Peer Gynt.
Strek je uit; ik zal je steunen.
Zie zoo; lig je nu niet zacht?
Aase(onrustig).Neen, Peer, ik wil weggaan!
Aase(onrustig).
Neen, Peer, ik wil weggaan!
Peer Gynt.Neen, Peer, ik wil weggaan!Weggaan?
Peer Gynt.
Neen, Peer, ik wil weggaan!Weggaan?
Aase.Ja, weggaan; ’k verlang er zoo naar.
Aase.
Ja, weggaan; ’k verlang er zoo naar.
Peer Gynt.Kom praatjes! Blijf onder de dekens.Laat mij zitten aan ’t voeteneind.Zie zoo; nu korten wij d’ avondMet sprookjes en allerlei spel.
Peer Gynt.
Kom praatjes! Blijf onder de dekens.
Laat mij zitten aan ’t voeteneind.
Zie zoo; nu korten wij d’ avond
Met sprookjes en allerlei spel.
Aase.Haal liever den bijbel uit ’t kastje:Ik ben zoo onrustig te moê.
Aase.
Haal liever den bijbel uit ’t kastje:
Ik ben zoo onrustig te moê.
Peer Gynt.In ’t slot van Soria-MoriaGeven koning en prins een groot feest.Rust maar uit in de warme sledeIk rijd door het veld je er heen …
Peer Gynt.
In ’t slot van Soria-Moria
Geven koning en prins een groot feest.
Rust maar uit in de warme slede
Ik rijd door het veld je er heen …
Aase.Maar, Peer-lief, ben ik genoodigd?
Aase.
Maar, Peer-lief, ben ik genoodigd?
Peer Gynt.Ja, dat zijn wij allebei.(gooit een touw om den stoel waarop de kat ligt, neemt een stok in de hand en gaat op het voeteneinde van het bed zitten).Hop! Rijd wat aan, jij Zwartje!Zeg, moeder, heb je ’t niet koud?Ja, ja; want je voelt het snijdenAls Grane aan ’t draven gaat!
Peer Gynt.
Ja, dat zijn wij allebei.
(gooit een touw om den stoel waarop de kat ligt, neemt een stok in de hand en gaat op het voeteneinde van het bed zitten).
Hop! Rijd wat aan, jij Zwartje!
Zeg, moeder, heb je ’t niet koud?
Ja, ja; want je voelt het snijden
Als Grane aan ’t draven gaat!
Aase.Lieve Peer, wat hoor ik toch luiden …?
Aase.
Lieve Peer, wat hoor ik toch luiden …?
Peer Gynt.De bellen van ’t blanke tuig!
Peer Gynt.
De bellen van ’t blanke tuig!
Aase.Huuh! Wat klinkt dat hol, mijn beste!
Aase.
Huuh! Wat klinkt dat hol, mijn beste!
Peer Gynt.Wij rijden ook over een fjord.
Peer Gynt.
Wij rijden ook over een fjord.
Aase.Ik ben bang! Wat is toch dat bruisenEn steunen, zoo wonderlijk wild?
Aase.
Ik ben bang! Wat is toch dat bruisen
En steunen, zoo wonderlijk wild?
Peer Gynt.’t Zijn de kruinen, moeder, die ruischenVan ’t pijnbosch. Zit nu maar stil.
Peer Gynt.
’t Zijn de kruinen, moeder, die ruischen
Van ’t pijnbosch. Zit nu maar stil.
Aase.Wat schittert en blinkt er daar ginder?Waar komt toch dat schijnsel van daan?
Aase.
Wat schittert en blinkt er daar ginder?
Waar komt toch dat schijnsel van daan?
Peer Gynt.Van ’t slot. Alle ruiten glinstren.Hoor je wel hoe zij dansen?
Peer Gynt.
Van ’t slot. Alle ruiten glinstren.
Hoor je wel hoe zij dansen?
Aase.Hoor je wel hoe zij dansen?Ja.
Aase.
Hoor je wel hoe zij dansen?Ja.
Peer Gynt.Sint Petrus staat buiten de deur alEn noodigt tot binnengaan.
Peer Gynt.
Sint Petrus staat buiten de deur al
En noodigt tot binnengaan.
Aase.Groet hij ons?
Aase.
Groet hij ons?
Peer Gynt.Groet hij ons?Hij staat te buigen,Inschenkend den lekkersten wijn.
Peer Gynt.
Groet hij ons?Hij staat te buigen,
Inschenkend den lekkersten wijn.
Aase.O, wijn! Heeft hij soms ook koekjes?
Aase.
O, wijn! Heeft hij soms ook koekjes?
Peer Gynt.Ja, òf hij! Een heelen berg.De vrouw van den proost komt ook aanMet koffie en suikerwerk.
Peer Gynt.
Ja, òf hij! Een heelen berg.
De vrouw van den proost komt ook aan
Met koffie en suikerwerk.
Aase.En spreken wij daar dan elkander?
Aase.
En spreken wij daar dan elkander?
Peer Gynt.Zoo vaak en zoo lang als je wilt.
Peer Gynt.
Zoo vaak en zoo lang als je wilt.
Aase.O Peer, wat al heerlijkheden,Waar je mij, arme ziel, heen brengt!
Aase.
O Peer, wat al heerlijkheden,
Waar je mij, arme ziel, heen brengt!
Peer Gynt(klapt met de zweep).Hop! Rep, je dan toch, mijn Zwartje!
Peer Gynt(klapt met de zweep).
Hop! Rep, je dan toch, mijn Zwartje!
Aase.Zeg, Peer-lief, je rijdt toch wel goed?
Aase.
Zeg, Peer-lief, je rijdt toch wel goed?
Peer Gynt(klapt weer).Hier kan je niet dwalen.
Peer Gynt(klapt weer).
Hier kan je niet dwalen.
Aase.Hier kan je niet dwalen.Dat slingren.Dat maakt mij zoo raar en moe.
Aase.
Hier kan je niet dwalen.Dat slingren.
Dat maakt mij zoo raar en moe.
Peer Gynt.Daar zie ik het slot al verrijzen;Nog even, dan zij wij er al.
Peer Gynt.
Daar zie ik het slot al verrijzen;
Nog even, dan zij wij er al.
Aase.Ik zal stil maar mijn oogen toe doen,Vertrouwen op jou, mijn Peer!
Aase.
Ik zal stil maar mijn oogen toe doen,
Vertrouwen op jou, mijn Peer!
Peer Gynt.Vooruit dan, Grane, mijn draver!In ’t slot is er groot gedrang;Zij stuwen en dringen de poort in.Dáár komt Peer Gynt met oud’ Aase!Wat zegt u dáárvan Heer Petrus?Mag moeder niet binnengaan?’k Geloof dat u lang kan zoekenEer u vindt een zoo eerlijke ziel;Van mij wil ik maar niet spreken;Ik kan òmkeeren als het moet.Wil u inschenken, neem ik ’t in dank aanZoo niet, ga ik óók tevree weg.’k Heb verzonnen evenveel leugensAls de duivel die preêken ging,En moeder voor ’n kip uitgescholdenOmdat zij kakelde soms.Maar haar moet u achten en eerenEn maken dat goed zij het heeft;Er komt hier stellig geen beetreVan waar ook, in dezen tijd …Aha! daar is God de Vader!Sint Petrus, nu krijg je er langs!(met diep stemgeluid).“Hou op toch met dat gezeur daar;Moeder Aase heeft vrij entree!”(lacht luid en keert zich naar zijn moeder om).Alsof ik dat niet had geweten!Nu komt er wat anders weer!(angstig).Waarom kijk je of je oogen gaan breken?Zeg, moeder! Wat scheelt er nu aan …?(gaat naar het hoofdeinde).Je moet niet zoo liggen te staren …!Spreek, moeder, ik ben het, Peer!(betast voorzichtig haar voorhoofd en handen; dan gooit hij het touw van den stoel af en zegt gedempt):Zoo, ja!… Je kunt uitrusten, Grane;Want nu is de reis volbracht.(drukt haar de oogen dicht en buigt zich over haar heen).Heb dank voor je heele leven,Voor klappen en teedere zorg …Maar nu moet jij mij ook bedanken …(drukt zijn wang tegen haar mond).Zoo; dat was jouw dank voor den rit.
Peer Gynt.
Vooruit dan, Grane, mijn draver!
In ’t slot is er groot gedrang;
Zij stuwen en dringen de poort in.
Dáár komt Peer Gynt met oud’ Aase!
Wat zegt u dáárvan Heer Petrus?
Mag moeder niet binnengaan?
’k Geloof dat u lang kan zoeken
Eer u vindt een zoo eerlijke ziel;
Van mij wil ik maar niet spreken;
Ik kan òmkeeren als het moet.
Wil u inschenken, neem ik ’t in dank aan
Zoo niet, ga ik óók tevree weg.
’k Heb verzonnen evenveel leugens
Als de duivel die preêken ging,
En moeder voor ’n kip uitgescholden
Omdat zij kakelde soms.
Maar haar moet u achten en eeren
En maken dat goed zij het heeft;
Er komt hier stellig geen beetre
Van waar ook, in dezen tijd …
Aha! daar is God de Vader!
Sint Petrus, nu krijg je er langs!
(met diep stemgeluid).
“Hou op toch met dat gezeur daar;
Moeder Aase heeft vrij entree!”
(lacht luid en keert zich naar zijn moeder om).
Alsof ik dat niet had geweten!
Nu komt er wat anders weer!
(angstig).
Waarom kijk je of je oogen gaan breken?
Zeg, moeder! Wat scheelt er nu aan …?
(gaat naar het hoofdeinde).
Je moet niet zoo liggen te staren …!
Spreek, moeder, ik ben het, Peer!
(betast voorzichtig haar voorhoofd en handen; dan gooit hij het touw van den stoel af en zegt gedempt):
Zoo, ja!… Je kunt uitrusten, Grane;
Want nu is de reis volbracht.
(drukt haar de oogen dicht en buigt zich over haar heen).
Heb dank voor je heele leven,
Voor klappen en teedere zorg …
Maar nu moet jij mij ook bedanken …
(drukt zijn wang tegen haar mond).
Zoo; dat was jouw dank voor den rit.
(De buurvrouw komt binnen).
Kari.Wat? Peer! Nou, dan zijn we ook overHaar bitterste leed al heen!Lieve Heer, wat slaapt zij vast nu!…Of is zij al …?
Kari.
Wat? Peer! Nou, dan zijn we ook over
Haar bitterste leed al heen!
Lieve Heer, wat slaapt zij vast nu!…
Of is zij al …?
Peer Gynt.Of is zij al …?Stil; ze is dood.(Kari schreit bij het lijk. Peer Gynt loopt lang rond door de kamer; eindelijk blijft hij bij het bed staan).Laat haar met alle eer begraven.Ik moet zien hoe ’k hier van daan kom.
Peer Gynt.
Of is zij al …?Stil; ze is dood.
(Kari schreit bij het lijk. Peer Gynt loopt lang rond door de kamer; eindelijk blijft hij bij het bed staan).
Laat haar met alle eer begraven.
Ik moet zien hoe ’k hier van daan kom.
Kari.Moet je ver weg gaan?
Kari.
Moet je ver weg gaan?
Peer Gynt.Moet je ver weg gaan?Naar zee toe.
Peer Gynt.
Moet je ver weg gaan?Naar zee toe.
Kari.Zoo ver!
Kari.
Zoo ver!
Peer Gynt.Zoo ver!En nog verder weg.
Peer Gynt.
Zoo ver!En nog verder weg.
(af).
EINDE VAN HET DERDE BEDRIJF.