VIERDE BEDRIJF.

VIERDE BEDRIJF.Kerstavond in de pastorie. De kamer is donker. Deur in den achtergrond. Aan den éénen kant een raam, aan den anderen een deur.Agnes, in het zwart gekleed, staat bij het raam en kijkt uit in de duisternis.Agnes.Nog altijd niet! Nog altijd niet!…O, hoe zwaar is het te wachten,…’t Om hem roepend zielsverlangenTe doen zwijgen, zonder antwoord!Zacht en dicht valt stil de sneeuw,Heeft als met een kleed van donsWit omhuld het oude kerkje …(luistert).Wacht! Daar hoor ik ’t grind toch knarsen!Vaste stappen; ’n mannestap;(snelt naar de deur en maakt die open).Brand, ben jij ’t? O, kom gauw hier!(Brand komt binnen, besneeuwd, in reisjas, die hij onder het volgende aflegt).Agnes(slaat de armen om hem heen).O wat lang ben je uitgebleven!Niet meer weg gaan! Niet meer weg gaan!Ben ’k alleen dan kan ’k de zwarteSombre spoken niet ontkomen!Wat een nachten, wat een dagenZijn die twee voor mij geweest!Brand.Kind, nu ben ik toch weer bij je!(steekt een enkel licht aan dat een zwak schijnsel in de kamer werpt).Je bent bleek.Agnes.Je bent bleek.En moe en dof.’k Heb verlangd en uitgekeken …En wat groen bijeen gebonden,…’n Beetje! wat ik zelf gekweekt heb,En bewaard nog, van den zomer,Om den kerstboom te versieren.’t Struikje was voor hem bestemd;En hij kreeg ’t dan ook … als krans!(barst in tranen uit).Kijk, nu ligt de sneeuw al hoog opHem … o God …Brand.Hem … o God …Op ’t kerkhof ginder.Agnes.O, dat woord!Brand.O, dat woord!Droog nu je tranen.Agnes.Ja, och ja … maar wees geduldig;Heel mijn ziel is nog als bloedendVan een pas geslagen wond,Al mijn kracht van wil verzwond;…O, het zal wel beter worden;Als deez’ dagen maar voorbij zijnZal je nooit meer klachten hooren.Brand.Moet je zóó Gods feestdag eeren?Agnes.Neen, och neen … maar wees geduldig!Denk toch hoe ’t verleden jaar was,En van ’t jaar al weg gedragen …Naar het …(huivert om het woord uit te spreken).Brand(vast).Naar het …(huivert om het woord uit te spreken).Naar het kerkhof ginder.Agnes(met een kreet).Noem het niet!Brand.Noem het niet!Uit volle borst juistMoetik ’t noemen als je ’t vreest!Noemenmoetik ’t, dat het klinkeAls een golfslag tegen ’t hout!Agnes.Zelf meer dan je wel wilt wetenLijdt je onder ’t wreede woord;Op je voorhoofd zie ’k de sporenVan het zweet dat het je kost.Brand.Deze druppels op mijn voorhoofdZijn maar schuim van ’t zilte water.Agnes.Is de druppel in je oog ook’n Sneeuwvlok, dalend van de hoogte?Neen, o neen, die is te warm;Je eigen boezem is de bron!Brand.Agnes, vrouw, kom laat ons beidenSterk zijn, strijden tegen ’t leed,Met vereende krachten trachtenTe overwinnen, langzaam aan.O, ik was een man ginds buiten!’t Water sloeg over de klippen,Angstig dook de zeemeeuw onder,Hagel teisterde mijn bootje,Joeg ons voort in ’t ziedend water,Mast en touwwerk kraakten fluitend,Fokzeil scheurde aan flarden, woeiVer in ’t schuim weg van de vaargeul,Iedre spijker kraste en knarste;…Telkens donderden lawinenVan de hoogte, aan beide kanten;Roerloos zat het achttal mannen,Riemen stil, als lijken vóór mij.O, toenvoeldeik mij weer groeien,Ikwas ’t die aan ’t roer bevel gaf,’k Voelde dat God zelf mij wijddeTot mijn werk, het duurgekochte.Agnes.Licht is ’t pal te staan in storm,Licht te strijden in gevaar;O, maar denk aan mij, die hier zitStil, met droef heids treurig kweelen,Die niet weet den tijd te doodenOf ik ’t nog zoo graag ook wil;Denk aan mij, van strijd verstoken,Door geen daden aangevuurd;Denk aan mij, wie maar een simple,Kleine taak is opgelegd;Denk aan mij: ’k kan niet vergeten,Zit alleen … mag niet herdenken!Brand.Een geringe taak maar, jij?Nooit was die zoo groot als nu.Hoor, ik zal je eens iets zeggenDat in smart mij overkwam.Dikwijls wordt mijn oog beneveld,Stil mijn denken, zacht mijn ziel.Dan is ’t of er schuilde vreugdeIn te kunnen schreien, schreien.Agnes,… kijk dan zie ik GodZoo nabij, als nooit te voren,…Zoo nabij, dat het mij schijntOf ik rechtstreeks hem kon naadren.En ik smacht om mij te werpenAan zijn boezem, als zijn kind;Om mij vast omkneld te voelenDoor zijn sterken vaderarm.Agnes.Brand,… o, zie hem altijd zoo,…Als de God je zoo nabij …Minder Heer, maar meer als Vader!Brand.’k Mag niet, Agnes; niet versperrenVoor zijn eigen werk den weg;Ik moet groot hem zien en sterk.Reuzengroot … dat eischt het heden,Juist omdat het zelf zoo klein is.O, maar jij kunt hem zoo zien,Als een vader zacht en teer,In zijn arm je hoofd neervlijen,Rusten, rusten, ben je moe,En verlicht weer van hem gaan,Met zijn glans nog in je oogen,…Breng tot mij zijn glorieschijnWaar ik lijdend, strijdend sta.Zie je, Agnes, zóo te deelenIs de kern van ’t ware huwlijk;De één moet strijden, zich verweren,De andre alle wonden heelen;Dàn eerst kan met volle recht’t Heeten dat de twee zijn één.Sedert jij het wereldsch levenOpgaf, om mijn vrouw te worden,Je eigen leven vrij te leven,Rust er op jou deze taak;Ik moet strijden, of ’k ook val;Op ten kamp, in zonnehitte,Staan op wacht in nacht en koude,…Jij moet reiken mij den vollenLiefdebeker, laafnis biedend,Hullen mij in teerheid zachtOnder ’t pantser, als een vacht;…O, je taak is géén geringe!Agnes.Al wat ik zoek te volbrengenIs te zwaar voor mijne krachten;Al mijn denken, al mijn zinnenTrekt zich samen om dat eéne.Alles is nog als een droom.Laat mij klagen, laat mij schreien.Help mij zoo om weer te vindenEn mij zelf, èn ook mijn plicht …Brand, van nacht toen ik alleen wasKwam hij in mijn kamer hier;Frisch en blozend was zijn wang;Luchtig in zijn dunne kleedjeKwam hij aangetrippeld daar,Naar mijn bed, waarop ik rustte;Strekte naar mij uit zijn armpjes;Riep zijn moeder met een lachje,…Maar alsof hij smeekte om warmte!Ja, ik zag het! ’k Rilde er van!Brand.Agnes!Agnes.Agnes!Ja,… het kind leed koû!Och, dat moet ook wel daar buiten,Op die koude planken liggend!Brand.’tLijkligt onder sneeuw begraven;’t Kind zelf steeg op naar den hemel.Agnes(wijkt terug).O, wat woel je in de wondeOnbarmhartig, onmeedoogend!Dat, wat ruw jij ’tlijknoemt, is nogAltijd voor mijn hart mijnkind.Ziel en lichaam vielen beiden,En ik kan niet, zooals jij,Van elkaar die beiden scheiden;Eén zijn deze twee te zamen;Alf, daar onder ’t sneeuwdek slapend,Is mijn Alf ook van daarboven!Brand.Meen’ge wond nog moet er bloedenEer je smart genezen zal.Agnes.Ja, maar heb dan ook geduld;…Leid mij zacht, maar wil niet drijven.Sta mij bij en steun mij, Brand!Zeg de dingen zacht, als ’t kan!Jij, die als Gods donder spreekt somsIn een hooge, plechtige ure,Als een ziel zelf aan moet dragenSteenen voor zijn levenskroon,…Heb jij ook geen zachte tonenOm het scherpe leed te dooven?Met een enkel woord dat opwekt,Een, dat wijst naar lichter dagen?God, dien jij mij leerde kennen,Is een koning in zijn burcht;Hoe zou ik hem durven naadrenMet mijn kleine moedersmart?Brand.Denk je makk’lijker te naadrenTot den God, dien je eertijds kende?Agnes.Nooit meer, nooit meer ga ’k terug!En toch is het vaak, alsof ikEen verlangen voel, daarheen,Waar het licht is, waar de zon schijnt,“Licht te heffen,zwaar te houden”,Klonk niet zoo de oude leuze?Al te groot zijn mij je rijken,Allesis mij hier te groot,Jij, je werk, je doel, je wezen,Al je willen, al je doen,’t Overhangend, rotsgevaarte,En het àl afsluitend water,Winterduister, strijd en droefheid,…’t Kerkje alleen is veel te klein.Brand(getroffen).’t Kerkje? Alweer die gedachte!Zweeft die thans hier in de lucht?Hoe te klein?Agnes(schudt droevig het hoofd).Hoe te klein?Hoe kan ik zoekenNaar een reden, met verstand.Komt niet stemming over iemandAls een geur’ge ademtocht?Waar van daan? En waarheen gaat ze?’t Is genoeg dat ’k haar gewaar word.En ik weet en voel het duidlijk …Veel te klein is hier ons kerkje.Brand.Droomen allen van hetzelfde?Al zoovelen die ’k ontmoetteWaren vol van die gedachte;Zelfs bij haar, die half waanzinnigRondloopt, stond die ook geschreven,“’t Is benauwd daar, want ’t is klein”Klonk het; ook zij kon geen redenVinden voor wat zij er voelde.Tal van vrouwen zeiden later:Veel te klein is onze dorpskerk!Deze klacht uit vrouwenmondenOp behoefte aan ruimte wijst …Agnes,… o, ik zie ’t zoo goed,Jij bent van God uitverkorenTot een engel op mijn pad;…Stil en zeker, in den blindeWeet je juist den weg te vinden,Waar ’k alléén het spoor verlies.Nooit kon dwaallichtschijn je lokken;D’eersten dag heb je al gewezenWaar mijn ware rijk moest liggen,…Hield terug mij, die wou stijgenHoog naar ’t blauwe luchtgewelf;Deed mij kijken in mij zelf,Diep, in ’t diepste van mijn wezen …Agnes, weer heb je gezegd’t Woord dat insloeg als een flits,…Mij geleid, waar ’k dwalend ging,Op mijn werk het licht doen vallen.Klein maar is des Heeren kerk hier;…Goed; dan maken wij die groot!Nooit zag ik zoo duidelijk nogWat mijn Schepper me in jou gaf.Daarom smeek ik, net als jij:Ga niet van mij weg, ik bid je!Agnes.’k Zal mijn droefheid van mij wegdoen,’k Zal mijn tranen drogen nu,’k Zal al mijn herinneringenSluiten als in ’t donker graf;En vergeten, als een zee,Zal er stroomen overheen;Ik zal ieder spoor uitwisschenVan mijn eens gedroomde wereld,Vrouw zijn voor jou, en niets meer.Brand.Opwaarts gaat de weg naar ’t hooge!Agnes.O, maar drijf mij niet met strengheid!Brand.Door mijn mond gebiedt een Hoog’re.Agnes.Een, van wien je zelf eens zei,Dat den goeden wil hij aanneemt,Ook waar soms de kracht ontbreekt.(wil gaan).Brand.Waarheen, Agnes?Agnes(glimlacht).Waarheen, Agnes?’t Huislijk werk mag’k Niet verzuimen, heden ’t minst.’t Vorig jaar, je weet nog wel,Zei je dat ik was verkwistend.’t Licht was op in alle luchters;Groen was ’t hier, en speelgoed hangend,Met nog meer moois, aan den kerstboom;Hier klonk blij gezang en lachen.Brand, ook nu zal ’k weer ontstekenAlle lichten voor den feestdag;Worden zal ’t zoo mooi als ’t kan,Voor het plechtig stille feest,Gluurt dan God de kamer in,Zal hij zien gestrafte kindren,Die deemoedig en gedwee,Volgzaam weten en begrijpenDat zij, moog’ hun vader toornen,Niet zijn feest verzuimen mogen.…Zie je nu nog iets van tranen?Brand(drukt haar aan zijn hart en laat haar dan weer los).Kind, steek licht aan; dat ’s jouw opdracht!Agnes(glimlacht droevig).Bouw jij dan een kerk, een groote;…Doe het gauw … nog vóór de lente!(Af.)Brand(kijkt haar na).Zoo gewillig in haar droefheid,Midden in het vuur der pijn;Zinkt haar kracht, ontvliedt de geest haar,Wilzij ’t offer brengen toch.Heer o sterk haar, geef haar kracht!En onthef mij van de opdrachtHaar door bittre wetsbetrachting,Als door hongrig woeste gieren’t Warme bloed doen uit te zuigen,Van ’t gemarteld moederhart.Ik ben krachtig, ik heb moed;Leg op mij den last voor beiden,…Wees voor haar alléén barmhartig!(Er wordt geklopt aan de gangdeur. De Baljuw komt binnen).De Baljuw.Hier ziet u een geslagen man.Brand.’n Geslagen man?De Baljuw.’n Geslagen man?Als zoo een kom ik.Uweet wel, toen ik van den zomerU drijven wilde uit het land,Voorspelde ik u niet juist het besteVan ’t nieuwe strijdplan tusschen ons …Brand.Nu ja?De Baljuw.Nu ja?Maar ondanks al mijn recht,Wil ik niet langer vijandschap.Brand.Waarom?De Baljuw.Waarom?Omdat u heeft demeesten.Brand.Heb ik?De Baljuw.Heb ik?Dat weet u toch wel zelf;Uzoekt het volk van heinde en ver;Hier is, althans de laatste maanden,Een geest gekomen over ’t dorp,Die, God weet ’t, niet de mijne is.En daaruit trek ik het besluitDat die van u is uitgegaan.Hier is mijn hand, wij sluiten vrede!Brand.Een strijd als de onze eindigt nietVóór één van ons verslagen is.De Baljuw.Wat wil u meer dan vrede nogEn minnelijke schikking, zeg?Ik sla geen verz’nen tegen prikkels;Ik ben maar een gewone man;Als op zijn borst de punt gericht isVan ’s vijands speer, geeft men het op;Daartegen baat geen stok alleen;Dan ruimt men beter gauw het veld,En staat als strijder men verlatenDan is ’t verstandigst maar te wijken.Brand.Twee dingen zijn hier wel te onthouden:Eerst dat u mij den sterkste noemt;Ik heb de meesten …De Baljuw.Ik heb de meesten …O, beslist!Brand.Ja, mooglijk nu nog; maar als ’t ooitTot ’n groot en ernstig offer komt …Wie heeft de macht in handen dan?De Baljuw.Een ernstig offer? Lieve God,Dat zal u hier wel nooit beleven!In ’t ergst geval komt ’t dáárop neerDat zij eens tasten in de zakken.De tijden zijn humaan en willenGeen offer meer van andre dingen.En ’t hinderlijkst in deze zaak isDat ’k zelf behoor tot ’t aantal, dat’t Humane op den voorgrond drong,En daardoor de offerzucht verzwakte,Zoodat men nu wel zeggen kanDat ik mij zelf ten offer bracht,…In elk geval dat ’k bond het rijsTot ’n roe, waarmee men mij nu slaan wil.Brand.Dat u gelijk heeft, kan gebeuren.Maar voor de rest begrijp ik nietDat u ’t nu al verloren geeft.Of roe of geen roe, dat beduidt niets.Een man is voor zijn taak gemaakt;Zijn doel moet hem het Paradijs zijn!En tusschen dàt en hem moog’ stroomenEen zee,… ligt Satans land nabij,Mag hij dan roepen: ’t gaat niet aan …De weg ter helle is veel korter?!De Baljuw.Hierop moet ’k zeggen ja, en neen;Een mensch moet ergens toch wel landen,…En ziet hij zijn vergeefsche pogen,Dan zoekt hij andre wegen op.’t Is eenmaal zoo, men wil vergoedingVoor klein werk of voor grooten arbeid;En wint men ’t niet met eerlijk strijden,Dan tracht men slinksch er toch te komen.Brand.Maar nimmermeer wordtzwarttochwit!De Baljuw.Maar, lieve vriend, wat helpt het uOm iets zoo wit als sneeuw te noemen,Als allen zwart als sneeuw nu roepen?Brand.U roept misschien wel mee?De Baljuw.U roept misschien wel mee?Och neen,…Ik zeg nietzwart, maar lievergrijs.Humaan is ’t wachtwoord; ’t volk wil niet meerHardhandig worden aangegrepen.Bedenk, wij zijn in een vrij land;Hier mag een ieders meening gelden.Hoe zou dan één man tegen allenDoen uitspraak over zwart of wit?…In ’t kort, omdát u heeft de meestenIs u de man die bovenaan staat.Ik sluit mij evenals de andren,Nu bij u aan, zoo goed als ’t gaat,En hoop dat niemand ’t euvel duideDat ik niet tot het uiterst streed.’t Volk oordeelt nu, ik zie het best,Mijn werk als onbeduidend, min;Zij achten één ding nu méér noodigDan jaar op jaar d’ oogst te vermeerdren!Niet meer gewillig draagt zijn deelEen ieder bij waar ’t wezen moet,…En als de wil niet mee in ’t spel isDan is een zaak van zelf verloren …Het valt wel hard, dat kan u denken,Het plan voor wegen en voor bruggen,Het dempen van moerassen, plassen,En nog veel meer, nu op te geven.Maar, lieve God, wat zal men zeggen,Wie niet kan winnen moet maar wijken,Geduldig wachten, wijslijk zwijgen,En alles van den tijd maar hopen.Nu,… ik verloor de gunst van ’t volkZooals ik die gewonnen had;Dus moet ik nu langs andre wegenHet mijne zien terug te krijgen.Brand.Maar was ’t dan om de gunst van ’t volkDat u die werken alle deed?De Baljuw.Neen, waarlijk niet, dat was het niet;Ik wou ten algemeene nutteVoor ’t dorp het beste, dat alleen.Maar niet ontken ik, dat in ’t spel wasOok hoop op weervergelding eens,Voor welvolbracht werk, met ter tijd.Zoo is het toch: een werkzaam mensch,Met gaven en gezond verstand,Wil vruchten van zijn werken zien,Niet steunend door het leven gaanTer wille van een hoog idee.Ik kan ook met den besten wil nietNalatig zijn voor eigen goed,En andren off’ren al mijn kracht.Ik zit tehuis op zware lasten;Ik heb een vrouw, verscheiden dochters,Die geldt mijn zorg het allermeest;…Beginslen lesschen niemands dorst,Beginslen stillen niemands honger,Waar men, als ik, het huis zoo vol heeft;En mocht mij iemand zijn verwondringDaarover uiten, zeg ik dit:Dat hij als huisvader niet deugt.Brand.En nu is dus uw plan?…De Baljuw.En nu is dus uw plan?…Te bouwen.Brand.Te bouwen, zegt u?De Baljuw.Te bouwen, zegt u?Juist, jawel,…Tot heil van ’t dorp en van mijzelf.Eerst wil ’k mijn reputatie weerOpbouwen, die ’k hier vroeger had;…Verkiezingstijd staat voor de deur;Dus neem ’k mijn toevlucht tot iets groots,Ga ’t plan daarvoor vast kenbaar maken,Dan word ik wel weer gauw het haantje,En valt de keus wel weer op mij.Nu heb ik zoo gedacht … men kanOnmooglijk tégen stroom op roeien.’t Volk wil, zooals ’t nu heet, verheffing;Dat is iets waar ik toch niet bij kan;Ik help het maar zoowat vooruit;Maar zoo iets moet vriendschaplijk gaan,En allen zijn nu tegen mij.Kijk, daarom ben ’k na rijp beradenTot ’t plan gekomen, om als ’t gaat,Den vloek der armoe te bestrijden.Brand.Uitroeien wil u die?De Baljuw.Uitroeien wil u die?O neen;…Die is toch een noodzaaklijk kwaadDer maatschappij, en onvermijdlijk;Doch wel te leiden, te beperkenMet handigheid, tot zeekre vormen,Zoo wij maar tijdig er op letten.Wij weten ’t, armoe is de mestDie ’t best doet tieren alle kwaad;En die bemesting wil ’k beperken.Brand.Enhoedenkt u?De Baljuw.Enhoedenkt u?Kan u ’t niet raden?Voldoende aan een diep gevoeldeBehoefte van de heele omgeving,Bouw ’k voor de armoe hier een pesthuis;Ja, ’n pesthuis, zeg ik, met bedoeling,Daar het besmetting weren moet.Aan dat gebouw, was mijn idee zoo,Moest een arresthuis zijn verbonden,Zoodat hier oorzaak en gevolgTe zamen worden opgesloten,Doch door een tusschenmuur gescheiden.En als ’k nu toch eens aan den gang ben,Dacht ik ook nog er bij te bouwenEen vleugel … onder ’t zelfde dak …Met ’n zaal voor feesten, ’n bijeenkomst,Voor ernst of kortswijl te gebruiken,Met een katheder en veel ruimte,…Een mooie, politieke feestzaal.Brand.Hard noodig is vooral het laatste;Maar ’k weet iets, daar ’s nog meer gebrek aan.De Baljuw.Dacht u soms aan ’n asyl voor gekken?Ja, zeker; dat ’s hard noodig ook.Dat was aanvankelijk mijn gedachte,Maar na wat overleg met andrenKwam ’k van dat denkbeeld weer terug;Want hoe aan middelen te komenVoor zoo’n geweldig groot gebouw?Want g’loof mij, zoo’n gesticht zou kostenEen buitensporig groote som,Als iedereen die ’t noodig heeftEen onderkomen daar moet vinden.Men moet vertrouwen op den tijd,Niet enkel bouwen voor zich zelf,…Met reuzenschreden ging ’t vooruitVerleden jaar, dit jaar zoo niet;…U ziet hoe alle volksbelangenVerbazend al zijn uitgegroeid;Met zevenmijlslaarze’, als behekst,Ontwiklen krachten zich en gaven,In alle mogelijke vakken.’t Zou dus een al te dure grap zijnOns nageslacht plaats te bezorgen,Voor zich, met kindren en met vrouwen.En daarom zeg ik: lieve God,Die tand, die trekken wij maar uit!Brand.En wordt eens iemand al te gekDan heeft u toch de groote zaal.De Baljuw(tevreden).Ja, die zal meestentijds toch leeg staan!Die inval, Brand, was waarlijk snedig!Als ’t bouwplan nu maar niet verong’lukt,Dan krijgen wij ’t gesticht nog gratis,Verzaamlen onder ’t zelfde dak,Beveiligd door dezelfde vlag,De wezenlijke elementen,Die voor ons dorp kenmerkend zijn;Daar hebben we onze armoedzaaiers,Met heel den schurkentroep er bij,Krankzinnigen, die los en vrijRondliepen zonder hulp of tucht,…En dan de vrucht van onze vrijheid,Verkiezingsstrijd met knappe reednaars,Een raadzaal waar wij overleggen,Wat dienen kan tot nut van ’t dorp,…Een feestzaal, waar met volle glazenWij blij herdenken ’t voorgeslacht.Als dus de zaak niet valt in duigen,Krijgt hier de zoon der bergen allesWat hij met billijkheid kan eischen,Om recht naar eigen zin te leven.Helaas, de streek hier is niet rijk;Maar staat eerst dat gemeenschapshuis,Dan, denk ik, kan men ’t noemen hierMet recht, een welbestuurd distrikt.Brand.Maar ’t geld …?De Baljuw.Maar ’t geld …?Ja juist, daar zit de knoop,In deze zaak als in de meeste;De lust is zwak om bij te dragen,En zoo u mij uw hulp onthoudtDan kan ik ook de vlag wel strijken.Maar steunt u met uw machtig woordMijn plan, dan zal het wel gelukken,…En komt het dan eenmaal tot standZal ik u waarlijk niet vergeten.Brand.Dus ’t is uw plan mij om te koopen?De Baljuw.Ik zou het liever anders noemen …Voor beiden zou het, naar ik meen,De tweedracht, die er als een kloofTot nu toe tusschen ons bestaan heeft,Tot beider voordeel kunnen dempen.Brand.Dan heeft u slecht uw tijd gekozen …De Baljuw.Ach ja, ik weet wel, ’t groote leed,Dat pas uw ouderhart gewond heeft;Uw kalmte echter deed mij ’t wagen;En de behoefte aan vasten steun …Brand.Zoowel in vreugde als in leed,Ben ik bereid, waar ’t noodig zijn mocht;Maar om een andre reden doetU dezen keer vergeefsche moeite.De Baljuw.Die reden is …?Brand.Die reden is …?Ik zelf wil bouwen.De Baljuw.Wat! Bouwen? Neemt u mij mijn plan?Brand.Niet heelemaal.(wijst naar buiten).Niet heelemaalKijk, ziet u ginds …?De Baljuw.Dáár?Brand.Dáár?… Ja.De Baljuw.Dáár? … Ja.Dat groote houten huis?Dat is immers uw koeienstal?Brand.Neen, dàt niet;… ’tkleinehouten huisje.De Baljuw.Wat! ’t Kerkje!Brand(knikt).Wat! ’t Kerkje!Dàt wil ik verbouwen.De Baljuw.Dat zal waarachtig niet gebeuren!Aan ’t kerkje zal mij niemand raken;…’t Is om den voet mij dwars te zetten;Mijn plan is klaar en daar is haast bij;Maar ’t uwe werpt mij uit het zadel;En beide te gelijk, dat gaat niet,…Geef toe dus …!Brand.Geef toe dus …!Dàt deed ik nog nimmer.De Baljuw.Numoetu ’t doen! Bouw mijn arresthuisMet ’t pesthuis en de groote feestzaal,In ’t kort, ’t gesticht … om zoo te zeggen,…Wie vraagt dan naar ’t vervallen kerkje?En waarom moet dat nu verbouwd?Het was toch vroeger groot genoeg.Brand.Wel mooglijk; maar nù is ’t te klein.De Baljuw.Maarikheb ’t toch nooit vol gezien!Brand.Een enkle ziel zelfs kan daarbinnenGeen ruimte voor verheffing vinden.De Baljuw(schudt verwonderd het hoofd).Waarmee die enkle ziel ’t bewijs geeftHoe noodig hier mijn gekkenhuis is.(op anderen toon).Laat ’t kerkje staan, laat mij u raden;Men kan het tot op zeekre hoogte,Een oud eerwaardig erfstuk noemen.Hetiseen erfstuk, onvervreemdbaar,…En ’t wordt niet om een nuk vernietigd!Al valt mijn bouwplan in het water,Zal ’k, als een Phoenix uit zijn assche,Herrijzen in de gunst van ’t volk hier!Ik kom òp als de ridder koen,Voor ’t monument hier op ons strand!Hier was eertijds een offerplaats,…Dat was in koning Beles dagen;En daar verrees de kerk toen laterUit vromer helden roof en buit.Eerwaardig in haar simple pracht,Hoogheilig in haar oude dracht,Stond trotsch zij tot in onze dagen …

VIERDE BEDRIJF.Kerstavond in de pastorie. De kamer is donker. Deur in den achtergrond. Aan den éénen kant een raam, aan den anderen een deur.Agnes, in het zwart gekleed, staat bij het raam en kijkt uit in de duisternis.Agnes.Nog altijd niet! Nog altijd niet!…O, hoe zwaar is het te wachten,…’t Om hem roepend zielsverlangenTe doen zwijgen, zonder antwoord!Zacht en dicht valt stil de sneeuw,Heeft als met een kleed van donsWit omhuld het oude kerkje …(luistert).Wacht! Daar hoor ik ’t grind toch knarsen!Vaste stappen; ’n mannestap;(snelt naar de deur en maakt die open).Brand, ben jij ’t? O, kom gauw hier!(Brand komt binnen, besneeuwd, in reisjas, die hij onder het volgende aflegt).Agnes(slaat de armen om hem heen).O wat lang ben je uitgebleven!Niet meer weg gaan! Niet meer weg gaan!Ben ’k alleen dan kan ’k de zwarteSombre spoken niet ontkomen!Wat een nachten, wat een dagenZijn die twee voor mij geweest!Brand.Kind, nu ben ik toch weer bij je!(steekt een enkel licht aan dat een zwak schijnsel in de kamer werpt).Je bent bleek.Agnes.Je bent bleek.En moe en dof.’k Heb verlangd en uitgekeken …En wat groen bijeen gebonden,…’n Beetje! wat ik zelf gekweekt heb,En bewaard nog, van den zomer,Om den kerstboom te versieren.’t Struikje was voor hem bestemd;En hij kreeg ’t dan ook … als krans!(barst in tranen uit).Kijk, nu ligt de sneeuw al hoog opHem … o God …Brand.Hem … o God …Op ’t kerkhof ginder.Agnes.O, dat woord!Brand.O, dat woord!Droog nu je tranen.Agnes.Ja, och ja … maar wees geduldig;Heel mijn ziel is nog als bloedendVan een pas geslagen wond,Al mijn kracht van wil verzwond;…O, het zal wel beter worden;Als deez’ dagen maar voorbij zijnZal je nooit meer klachten hooren.Brand.Moet je zóó Gods feestdag eeren?Agnes.Neen, och neen … maar wees geduldig!Denk toch hoe ’t verleden jaar was,En van ’t jaar al weg gedragen …Naar het …(huivert om het woord uit te spreken).Brand(vast).Naar het …(huivert om het woord uit te spreken).Naar het kerkhof ginder.Agnes(met een kreet).Noem het niet!Brand.Noem het niet!Uit volle borst juistMoetik ’t noemen als je ’t vreest!Noemenmoetik ’t, dat het klinkeAls een golfslag tegen ’t hout!Agnes.Zelf meer dan je wel wilt wetenLijdt je onder ’t wreede woord;Op je voorhoofd zie ’k de sporenVan het zweet dat het je kost.Brand.Deze druppels op mijn voorhoofdZijn maar schuim van ’t zilte water.Agnes.Is de druppel in je oog ook’n Sneeuwvlok, dalend van de hoogte?Neen, o neen, die is te warm;Je eigen boezem is de bron!Brand.Agnes, vrouw, kom laat ons beidenSterk zijn, strijden tegen ’t leed,Met vereende krachten trachtenTe overwinnen, langzaam aan.O, ik was een man ginds buiten!’t Water sloeg over de klippen,Angstig dook de zeemeeuw onder,Hagel teisterde mijn bootje,Joeg ons voort in ’t ziedend water,Mast en touwwerk kraakten fluitend,Fokzeil scheurde aan flarden, woeiVer in ’t schuim weg van de vaargeul,Iedre spijker kraste en knarste;…Telkens donderden lawinenVan de hoogte, aan beide kanten;Roerloos zat het achttal mannen,Riemen stil, als lijken vóór mij.O, toenvoeldeik mij weer groeien,Ikwas ’t die aan ’t roer bevel gaf,’k Voelde dat God zelf mij wijddeTot mijn werk, het duurgekochte.Agnes.Licht is ’t pal te staan in storm,Licht te strijden in gevaar;O, maar denk aan mij, die hier zitStil, met droef heids treurig kweelen,Die niet weet den tijd te doodenOf ik ’t nog zoo graag ook wil;Denk aan mij, van strijd verstoken,Door geen daden aangevuurd;Denk aan mij, wie maar een simple,Kleine taak is opgelegd;Denk aan mij: ’k kan niet vergeten,Zit alleen … mag niet herdenken!Brand.Een geringe taak maar, jij?Nooit was die zoo groot als nu.Hoor, ik zal je eens iets zeggenDat in smart mij overkwam.Dikwijls wordt mijn oog beneveld,Stil mijn denken, zacht mijn ziel.Dan is ’t of er schuilde vreugdeIn te kunnen schreien, schreien.Agnes,… kijk dan zie ik GodZoo nabij, als nooit te voren,…Zoo nabij, dat het mij schijntOf ik rechtstreeks hem kon naadren.En ik smacht om mij te werpenAan zijn boezem, als zijn kind;Om mij vast omkneld te voelenDoor zijn sterken vaderarm.Agnes.Brand,… o, zie hem altijd zoo,…Als de God je zoo nabij …Minder Heer, maar meer als Vader!Brand.’k Mag niet, Agnes; niet versperrenVoor zijn eigen werk den weg;Ik moet groot hem zien en sterk.Reuzengroot … dat eischt het heden,Juist omdat het zelf zoo klein is.O, maar jij kunt hem zoo zien,Als een vader zacht en teer,In zijn arm je hoofd neervlijen,Rusten, rusten, ben je moe,En verlicht weer van hem gaan,Met zijn glans nog in je oogen,…Breng tot mij zijn glorieschijnWaar ik lijdend, strijdend sta.Zie je, Agnes, zóo te deelenIs de kern van ’t ware huwlijk;De één moet strijden, zich verweren,De andre alle wonden heelen;Dàn eerst kan met volle recht’t Heeten dat de twee zijn één.Sedert jij het wereldsch levenOpgaf, om mijn vrouw te worden,Je eigen leven vrij te leven,Rust er op jou deze taak;Ik moet strijden, of ’k ook val;Op ten kamp, in zonnehitte,Staan op wacht in nacht en koude,…Jij moet reiken mij den vollenLiefdebeker, laafnis biedend,Hullen mij in teerheid zachtOnder ’t pantser, als een vacht;…O, je taak is géén geringe!Agnes.Al wat ik zoek te volbrengenIs te zwaar voor mijne krachten;Al mijn denken, al mijn zinnenTrekt zich samen om dat eéne.Alles is nog als een droom.Laat mij klagen, laat mij schreien.Help mij zoo om weer te vindenEn mij zelf, èn ook mijn plicht …Brand, van nacht toen ik alleen wasKwam hij in mijn kamer hier;Frisch en blozend was zijn wang;Luchtig in zijn dunne kleedjeKwam hij aangetrippeld daar,Naar mijn bed, waarop ik rustte;Strekte naar mij uit zijn armpjes;Riep zijn moeder met een lachje,…Maar alsof hij smeekte om warmte!Ja, ik zag het! ’k Rilde er van!Brand.Agnes!Agnes.Agnes!Ja,… het kind leed koû!Och, dat moet ook wel daar buiten,Op die koude planken liggend!Brand.’tLijkligt onder sneeuw begraven;’t Kind zelf steeg op naar den hemel.Agnes(wijkt terug).O, wat woel je in de wondeOnbarmhartig, onmeedoogend!Dat, wat ruw jij ’tlijknoemt, is nogAltijd voor mijn hart mijnkind.Ziel en lichaam vielen beiden,En ik kan niet, zooals jij,Van elkaar die beiden scheiden;Eén zijn deze twee te zamen;Alf, daar onder ’t sneeuwdek slapend,Is mijn Alf ook van daarboven!Brand.Meen’ge wond nog moet er bloedenEer je smart genezen zal.Agnes.Ja, maar heb dan ook geduld;…Leid mij zacht, maar wil niet drijven.Sta mij bij en steun mij, Brand!Zeg de dingen zacht, als ’t kan!Jij, die als Gods donder spreekt somsIn een hooge, plechtige ure,Als een ziel zelf aan moet dragenSteenen voor zijn levenskroon,…Heb jij ook geen zachte tonenOm het scherpe leed te dooven?Met een enkel woord dat opwekt,Een, dat wijst naar lichter dagen?God, dien jij mij leerde kennen,Is een koning in zijn burcht;Hoe zou ik hem durven naadrenMet mijn kleine moedersmart?Brand.Denk je makk’lijker te naadrenTot den God, dien je eertijds kende?Agnes.Nooit meer, nooit meer ga ’k terug!En toch is het vaak, alsof ikEen verlangen voel, daarheen,Waar het licht is, waar de zon schijnt,“Licht te heffen,zwaar te houden”,Klonk niet zoo de oude leuze?Al te groot zijn mij je rijken,Allesis mij hier te groot,Jij, je werk, je doel, je wezen,Al je willen, al je doen,’t Overhangend, rotsgevaarte,En het àl afsluitend water,Winterduister, strijd en droefheid,…’t Kerkje alleen is veel te klein.Brand(getroffen).’t Kerkje? Alweer die gedachte!Zweeft die thans hier in de lucht?Hoe te klein?Agnes(schudt droevig het hoofd).Hoe te klein?Hoe kan ik zoekenNaar een reden, met verstand.Komt niet stemming over iemandAls een geur’ge ademtocht?Waar van daan? En waarheen gaat ze?’t Is genoeg dat ’k haar gewaar word.En ik weet en voel het duidlijk …Veel te klein is hier ons kerkje.Brand.Droomen allen van hetzelfde?Al zoovelen die ’k ontmoetteWaren vol van die gedachte;Zelfs bij haar, die half waanzinnigRondloopt, stond die ook geschreven,“’t Is benauwd daar, want ’t is klein”Klonk het; ook zij kon geen redenVinden voor wat zij er voelde.Tal van vrouwen zeiden later:Veel te klein is onze dorpskerk!Deze klacht uit vrouwenmondenOp behoefte aan ruimte wijst …Agnes,… o, ik zie ’t zoo goed,Jij bent van God uitverkorenTot een engel op mijn pad;…Stil en zeker, in den blindeWeet je juist den weg te vinden,Waar ’k alléén het spoor verlies.Nooit kon dwaallichtschijn je lokken;D’eersten dag heb je al gewezenWaar mijn ware rijk moest liggen,…Hield terug mij, die wou stijgenHoog naar ’t blauwe luchtgewelf;Deed mij kijken in mij zelf,Diep, in ’t diepste van mijn wezen …Agnes, weer heb je gezegd’t Woord dat insloeg als een flits,…Mij geleid, waar ’k dwalend ging,Op mijn werk het licht doen vallen.Klein maar is des Heeren kerk hier;…Goed; dan maken wij die groot!Nooit zag ik zoo duidelijk nogWat mijn Schepper me in jou gaf.Daarom smeek ik, net als jij:Ga niet van mij weg, ik bid je!Agnes.’k Zal mijn droefheid van mij wegdoen,’k Zal mijn tranen drogen nu,’k Zal al mijn herinneringenSluiten als in ’t donker graf;En vergeten, als een zee,Zal er stroomen overheen;Ik zal ieder spoor uitwisschenVan mijn eens gedroomde wereld,Vrouw zijn voor jou, en niets meer.Brand.Opwaarts gaat de weg naar ’t hooge!Agnes.O, maar drijf mij niet met strengheid!Brand.Door mijn mond gebiedt een Hoog’re.Agnes.Een, van wien je zelf eens zei,Dat den goeden wil hij aanneemt,Ook waar soms de kracht ontbreekt.(wil gaan).Brand.Waarheen, Agnes?Agnes(glimlacht).Waarheen, Agnes?’t Huislijk werk mag’k Niet verzuimen, heden ’t minst.’t Vorig jaar, je weet nog wel,Zei je dat ik was verkwistend.’t Licht was op in alle luchters;Groen was ’t hier, en speelgoed hangend,Met nog meer moois, aan den kerstboom;Hier klonk blij gezang en lachen.Brand, ook nu zal ’k weer ontstekenAlle lichten voor den feestdag;Worden zal ’t zoo mooi als ’t kan,Voor het plechtig stille feest,Gluurt dan God de kamer in,Zal hij zien gestrafte kindren,Die deemoedig en gedwee,Volgzaam weten en begrijpenDat zij, moog’ hun vader toornen,Niet zijn feest verzuimen mogen.…Zie je nu nog iets van tranen?Brand(drukt haar aan zijn hart en laat haar dan weer los).Kind, steek licht aan; dat ’s jouw opdracht!Agnes(glimlacht droevig).Bouw jij dan een kerk, een groote;…Doe het gauw … nog vóór de lente!(Af.)Brand(kijkt haar na).Zoo gewillig in haar droefheid,Midden in het vuur der pijn;Zinkt haar kracht, ontvliedt de geest haar,Wilzij ’t offer brengen toch.Heer o sterk haar, geef haar kracht!En onthef mij van de opdrachtHaar door bittre wetsbetrachting,Als door hongrig woeste gieren’t Warme bloed doen uit te zuigen,Van ’t gemarteld moederhart.Ik ben krachtig, ik heb moed;Leg op mij den last voor beiden,…Wees voor haar alléén barmhartig!(Er wordt geklopt aan de gangdeur. De Baljuw komt binnen).De Baljuw.Hier ziet u een geslagen man.Brand.’n Geslagen man?De Baljuw.’n Geslagen man?Als zoo een kom ik.Uweet wel, toen ik van den zomerU drijven wilde uit het land,Voorspelde ik u niet juist het besteVan ’t nieuwe strijdplan tusschen ons …Brand.Nu ja?De Baljuw.Nu ja?Maar ondanks al mijn recht,Wil ik niet langer vijandschap.Brand.Waarom?De Baljuw.Waarom?Omdat u heeft demeesten.Brand.Heb ik?De Baljuw.Heb ik?Dat weet u toch wel zelf;Uzoekt het volk van heinde en ver;Hier is, althans de laatste maanden,Een geest gekomen over ’t dorp,Die, God weet ’t, niet de mijne is.En daaruit trek ik het besluitDat die van u is uitgegaan.Hier is mijn hand, wij sluiten vrede!Brand.Een strijd als de onze eindigt nietVóór één van ons verslagen is.De Baljuw.Wat wil u meer dan vrede nogEn minnelijke schikking, zeg?Ik sla geen verz’nen tegen prikkels;Ik ben maar een gewone man;Als op zijn borst de punt gericht isVan ’s vijands speer, geeft men het op;Daartegen baat geen stok alleen;Dan ruimt men beter gauw het veld,En staat als strijder men verlatenDan is ’t verstandigst maar te wijken.Brand.Twee dingen zijn hier wel te onthouden:Eerst dat u mij den sterkste noemt;Ik heb de meesten …De Baljuw.Ik heb de meesten …O, beslist!Brand.Ja, mooglijk nu nog; maar als ’t ooitTot ’n groot en ernstig offer komt …Wie heeft de macht in handen dan?De Baljuw.Een ernstig offer? Lieve God,Dat zal u hier wel nooit beleven!In ’t ergst geval komt ’t dáárop neerDat zij eens tasten in de zakken.De tijden zijn humaan en willenGeen offer meer van andre dingen.En ’t hinderlijkst in deze zaak isDat ’k zelf behoor tot ’t aantal, dat’t Humane op den voorgrond drong,En daardoor de offerzucht verzwakte,Zoodat men nu wel zeggen kanDat ik mij zelf ten offer bracht,…In elk geval dat ’k bond het rijsTot ’n roe, waarmee men mij nu slaan wil.Brand.Dat u gelijk heeft, kan gebeuren.Maar voor de rest begrijp ik nietDat u ’t nu al verloren geeft.Of roe of geen roe, dat beduidt niets.Een man is voor zijn taak gemaakt;Zijn doel moet hem het Paradijs zijn!En tusschen dàt en hem moog’ stroomenEen zee,… ligt Satans land nabij,Mag hij dan roepen: ’t gaat niet aan …De weg ter helle is veel korter?!De Baljuw.Hierop moet ’k zeggen ja, en neen;Een mensch moet ergens toch wel landen,…En ziet hij zijn vergeefsche pogen,Dan zoekt hij andre wegen op.’t Is eenmaal zoo, men wil vergoedingVoor klein werk of voor grooten arbeid;En wint men ’t niet met eerlijk strijden,Dan tracht men slinksch er toch te komen.Brand.Maar nimmermeer wordtzwarttochwit!De Baljuw.Maar, lieve vriend, wat helpt het uOm iets zoo wit als sneeuw te noemen,Als allen zwart als sneeuw nu roepen?Brand.U roept misschien wel mee?De Baljuw.U roept misschien wel mee?Och neen,…Ik zeg nietzwart, maar lievergrijs.Humaan is ’t wachtwoord; ’t volk wil niet meerHardhandig worden aangegrepen.Bedenk, wij zijn in een vrij land;Hier mag een ieders meening gelden.Hoe zou dan één man tegen allenDoen uitspraak over zwart of wit?…In ’t kort, omdát u heeft de meestenIs u de man die bovenaan staat.Ik sluit mij evenals de andren,Nu bij u aan, zoo goed als ’t gaat,En hoop dat niemand ’t euvel duideDat ik niet tot het uiterst streed.’t Volk oordeelt nu, ik zie het best,Mijn werk als onbeduidend, min;Zij achten één ding nu méér noodigDan jaar op jaar d’ oogst te vermeerdren!Niet meer gewillig draagt zijn deelEen ieder bij waar ’t wezen moet,…En als de wil niet mee in ’t spel isDan is een zaak van zelf verloren …Het valt wel hard, dat kan u denken,Het plan voor wegen en voor bruggen,Het dempen van moerassen, plassen,En nog veel meer, nu op te geven.Maar, lieve God, wat zal men zeggen,Wie niet kan winnen moet maar wijken,Geduldig wachten, wijslijk zwijgen,En alles van den tijd maar hopen.Nu,… ik verloor de gunst van ’t volkZooals ik die gewonnen had;Dus moet ik nu langs andre wegenHet mijne zien terug te krijgen.Brand.Maar was ’t dan om de gunst van ’t volkDat u die werken alle deed?De Baljuw.Neen, waarlijk niet, dat was het niet;Ik wou ten algemeene nutteVoor ’t dorp het beste, dat alleen.Maar niet ontken ik, dat in ’t spel wasOok hoop op weervergelding eens,Voor welvolbracht werk, met ter tijd.Zoo is het toch: een werkzaam mensch,Met gaven en gezond verstand,Wil vruchten van zijn werken zien,Niet steunend door het leven gaanTer wille van een hoog idee.Ik kan ook met den besten wil nietNalatig zijn voor eigen goed,En andren off’ren al mijn kracht.Ik zit tehuis op zware lasten;Ik heb een vrouw, verscheiden dochters,Die geldt mijn zorg het allermeest;…Beginslen lesschen niemands dorst,Beginslen stillen niemands honger,Waar men, als ik, het huis zoo vol heeft;En mocht mij iemand zijn verwondringDaarover uiten, zeg ik dit:Dat hij als huisvader niet deugt.Brand.En nu is dus uw plan?…De Baljuw.En nu is dus uw plan?…Te bouwen.Brand.Te bouwen, zegt u?De Baljuw.Te bouwen, zegt u?Juist, jawel,…Tot heil van ’t dorp en van mijzelf.Eerst wil ’k mijn reputatie weerOpbouwen, die ’k hier vroeger had;…Verkiezingstijd staat voor de deur;Dus neem ’k mijn toevlucht tot iets groots,Ga ’t plan daarvoor vast kenbaar maken,Dan word ik wel weer gauw het haantje,En valt de keus wel weer op mij.Nu heb ik zoo gedacht … men kanOnmooglijk tégen stroom op roeien.’t Volk wil, zooals ’t nu heet, verheffing;Dat is iets waar ik toch niet bij kan;Ik help het maar zoowat vooruit;Maar zoo iets moet vriendschaplijk gaan,En allen zijn nu tegen mij.Kijk, daarom ben ’k na rijp beradenTot ’t plan gekomen, om als ’t gaat,Den vloek der armoe te bestrijden.Brand.Uitroeien wil u die?De Baljuw.Uitroeien wil u die?O neen;…Die is toch een noodzaaklijk kwaadDer maatschappij, en onvermijdlijk;Doch wel te leiden, te beperkenMet handigheid, tot zeekre vormen,Zoo wij maar tijdig er op letten.Wij weten ’t, armoe is de mestDie ’t best doet tieren alle kwaad;En die bemesting wil ’k beperken.Brand.Enhoedenkt u?De Baljuw.Enhoedenkt u?Kan u ’t niet raden?Voldoende aan een diep gevoeldeBehoefte van de heele omgeving,Bouw ’k voor de armoe hier een pesthuis;Ja, ’n pesthuis, zeg ik, met bedoeling,Daar het besmetting weren moet.Aan dat gebouw, was mijn idee zoo,Moest een arresthuis zijn verbonden,Zoodat hier oorzaak en gevolgTe zamen worden opgesloten,Doch door een tusschenmuur gescheiden.En als ’k nu toch eens aan den gang ben,Dacht ik ook nog er bij te bouwenEen vleugel … onder ’t zelfde dak …Met ’n zaal voor feesten, ’n bijeenkomst,Voor ernst of kortswijl te gebruiken,Met een katheder en veel ruimte,…Een mooie, politieke feestzaal.Brand.Hard noodig is vooral het laatste;Maar ’k weet iets, daar ’s nog meer gebrek aan.De Baljuw.Dacht u soms aan ’n asyl voor gekken?Ja, zeker; dat ’s hard noodig ook.Dat was aanvankelijk mijn gedachte,Maar na wat overleg met andrenKwam ’k van dat denkbeeld weer terug;Want hoe aan middelen te komenVoor zoo’n geweldig groot gebouw?Want g’loof mij, zoo’n gesticht zou kostenEen buitensporig groote som,Als iedereen die ’t noodig heeftEen onderkomen daar moet vinden.Men moet vertrouwen op den tijd,Niet enkel bouwen voor zich zelf,…Met reuzenschreden ging ’t vooruitVerleden jaar, dit jaar zoo niet;…U ziet hoe alle volksbelangenVerbazend al zijn uitgegroeid;Met zevenmijlslaarze’, als behekst,Ontwiklen krachten zich en gaven,In alle mogelijke vakken.’t Zou dus een al te dure grap zijnOns nageslacht plaats te bezorgen,Voor zich, met kindren en met vrouwen.En daarom zeg ik: lieve God,Die tand, die trekken wij maar uit!Brand.En wordt eens iemand al te gekDan heeft u toch de groote zaal.De Baljuw(tevreden).Ja, die zal meestentijds toch leeg staan!Die inval, Brand, was waarlijk snedig!Als ’t bouwplan nu maar niet verong’lukt,Dan krijgen wij ’t gesticht nog gratis,Verzaamlen onder ’t zelfde dak,Beveiligd door dezelfde vlag,De wezenlijke elementen,Die voor ons dorp kenmerkend zijn;Daar hebben we onze armoedzaaiers,Met heel den schurkentroep er bij,Krankzinnigen, die los en vrijRondliepen zonder hulp of tucht,…En dan de vrucht van onze vrijheid,Verkiezingsstrijd met knappe reednaars,Een raadzaal waar wij overleggen,Wat dienen kan tot nut van ’t dorp,…Een feestzaal, waar met volle glazenWij blij herdenken ’t voorgeslacht.Als dus de zaak niet valt in duigen,Krijgt hier de zoon der bergen allesWat hij met billijkheid kan eischen,Om recht naar eigen zin te leven.Helaas, de streek hier is niet rijk;Maar staat eerst dat gemeenschapshuis,Dan, denk ik, kan men ’t noemen hierMet recht, een welbestuurd distrikt.Brand.Maar ’t geld …?De Baljuw.Maar ’t geld …?Ja juist, daar zit de knoop,In deze zaak als in de meeste;De lust is zwak om bij te dragen,En zoo u mij uw hulp onthoudtDan kan ik ook de vlag wel strijken.Maar steunt u met uw machtig woordMijn plan, dan zal het wel gelukken,…En komt het dan eenmaal tot standZal ik u waarlijk niet vergeten.Brand.Dus ’t is uw plan mij om te koopen?De Baljuw.Ik zou het liever anders noemen …Voor beiden zou het, naar ik meen,De tweedracht, die er als een kloofTot nu toe tusschen ons bestaan heeft,Tot beider voordeel kunnen dempen.Brand.Dan heeft u slecht uw tijd gekozen …De Baljuw.Ach ja, ik weet wel, ’t groote leed,Dat pas uw ouderhart gewond heeft;Uw kalmte echter deed mij ’t wagen;En de behoefte aan vasten steun …Brand.Zoowel in vreugde als in leed,Ben ik bereid, waar ’t noodig zijn mocht;Maar om een andre reden doetU dezen keer vergeefsche moeite.De Baljuw.Die reden is …?Brand.Die reden is …?Ik zelf wil bouwen.De Baljuw.Wat! Bouwen? Neemt u mij mijn plan?Brand.Niet heelemaal.(wijst naar buiten).Niet heelemaalKijk, ziet u ginds …?De Baljuw.Dáár?Brand.Dáár?… Ja.De Baljuw.Dáár? … Ja.Dat groote houten huis?Dat is immers uw koeienstal?Brand.Neen, dàt niet;… ’tkleinehouten huisje.De Baljuw.Wat! ’t Kerkje!Brand(knikt).Wat! ’t Kerkje!Dàt wil ik verbouwen.De Baljuw.Dat zal waarachtig niet gebeuren!Aan ’t kerkje zal mij niemand raken;…’t Is om den voet mij dwars te zetten;Mijn plan is klaar en daar is haast bij;Maar ’t uwe werpt mij uit het zadel;En beide te gelijk, dat gaat niet,…Geef toe dus …!Brand.Geef toe dus …!Dàt deed ik nog nimmer.De Baljuw.Numoetu ’t doen! Bouw mijn arresthuisMet ’t pesthuis en de groote feestzaal,In ’t kort, ’t gesticht … om zoo te zeggen,…Wie vraagt dan naar ’t vervallen kerkje?En waarom moet dat nu verbouwd?Het was toch vroeger groot genoeg.Brand.Wel mooglijk; maar nù is ’t te klein.De Baljuw.Maarikheb ’t toch nooit vol gezien!Brand.Een enkle ziel zelfs kan daarbinnenGeen ruimte voor verheffing vinden.De Baljuw(schudt verwonderd het hoofd).Waarmee die enkle ziel ’t bewijs geeftHoe noodig hier mijn gekkenhuis is.(op anderen toon).Laat ’t kerkje staan, laat mij u raden;Men kan het tot op zeekre hoogte,Een oud eerwaardig erfstuk noemen.Hetiseen erfstuk, onvervreemdbaar,…En ’t wordt niet om een nuk vernietigd!Al valt mijn bouwplan in het water,Zal ’k, als een Phoenix uit zijn assche,Herrijzen in de gunst van ’t volk hier!Ik kom òp als de ridder koen,Voor ’t monument hier op ons strand!Hier was eertijds een offerplaats,…Dat was in koning Beles dagen;En daar verrees de kerk toen laterUit vromer helden roof en buit.Eerwaardig in haar simple pracht,Hoogheilig in haar oude dracht,Stond trotsch zij tot in onze dagen …

VIERDE BEDRIJF.Kerstavond in de pastorie. De kamer is donker. Deur in den achtergrond. Aan den éénen kant een raam, aan den anderen een deur.Agnes, in het zwart gekleed, staat bij het raam en kijkt uit in de duisternis.Agnes.Nog altijd niet! Nog altijd niet!…O, hoe zwaar is het te wachten,…’t Om hem roepend zielsverlangenTe doen zwijgen, zonder antwoord!Zacht en dicht valt stil de sneeuw,Heeft als met een kleed van donsWit omhuld het oude kerkje …(luistert).Wacht! Daar hoor ik ’t grind toch knarsen!Vaste stappen; ’n mannestap;(snelt naar de deur en maakt die open).Brand, ben jij ’t? O, kom gauw hier!(Brand komt binnen, besneeuwd, in reisjas, die hij onder het volgende aflegt).Agnes(slaat de armen om hem heen).O wat lang ben je uitgebleven!Niet meer weg gaan! Niet meer weg gaan!Ben ’k alleen dan kan ’k de zwarteSombre spoken niet ontkomen!Wat een nachten, wat een dagenZijn die twee voor mij geweest!Brand.Kind, nu ben ik toch weer bij je!(steekt een enkel licht aan dat een zwak schijnsel in de kamer werpt).Je bent bleek.Agnes.Je bent bleek.En moe en dof.’k Heb verlangd en uitgekeken …En wat groen bijeen gebonden,…’n Beetje! wat ik zelf gekweekt heb,En bewaard nog, van den zomer,Om den kerstboom te versieren.’t Struikje was voor hem bestemd;En hij kreeg ’t dan ook … als krans!(barst in tranen uit).Kijk, nu ligt de sneeuw al hoog opHem … o God …Brand.Hem … o God …Op ’t kerkhof ginder.Agnes.O, dat woord!Brand.O, dat woord!Droog nu je tranen.Agnes.Ja, och ja … maar wees geduldig;Heel mijn ziel is nog als bloedendVan een pas geslagen wond,Al mijn kracht van wil verzwond;…O, het zal wel beter worden;Als deez’ dagen maar voorbij zijnZal je nooit meer klachten hooren.Brand.Moet je zóó Gods feestdag eeren?Agnes.Neen, och neen … maar wees geduldig!Denk toch hoe ’t verleden jaar was,En van ’t jaar al weg gedragen …Naar het …(huivert om het woord uit te spreken).Brand(vast).Naar het …(huivert om het woord uit te spreken).Naar het kerkhof ginder.Agnes(met een kreet).Noem het niet!Brand.Noem het niet!Uit volle borst juistMoetik ’t noemen als je ’t vreest!Noemenmoetik ’t, dat het klinkeAls een golfslag tegen ’t hout!Agnes.Zelf meer dan je wel wilt wetenLijdt je onder ’t wreede woord;Op je voorhoofd zie ’k de sporenVan het zweet dat het je kost.Brand.Deze druppels op mijn voorhoofdZijn maar schuim van ’t zilte water.Agnes.Is de druppel in je oog ook’n Sneeuwvlok, dalend van de hoogte?Neen, o neen, die is te warm;Je eigen boezem is de bron!Brand.Agnes, vrouw, kom laat ons beidenSterk zijn, strijden tegen ’t leed,Met vereende krachten trachtenTe overwinnen, langzaam aan.O, ik was een man ginds buiten!’t Water sloeg over de klippen,Angstig dook de zeemeeuw onder,Hagel teisterde mijn bootje,Joeg ons voort in ’t ziedend water,Mast en touwwerk kraakten fluitend,Fokzeil scheurde aan flarden, woeiVer in ’t schuim weg van de vaargeul,Iedre spijker kraste en knarste;…Telkens donderden lawinenVan de hoogte, aan beide kanten;Roerloos zat het achttal mannen,Riemen stil, als lijken vóór mij.O, toenvoeldeik mij weer groeien,Ikwas ’t die aan ’t roer bevel gaf,’k Voelde dat God zelf mij wijddeTot mijn werk, het duurgekochte.Agnes.Licht is ’t pal te staan in storm,Licht te strijden in gevaar;O, maar denk aan mij, die hier zitStil, met droef heids treurig kweelen,Die niet weet den tijd te doodenOf ik ’t nog zoo graag ook wil;Denk aan mij, van strijd verstoken,Door geen daden aangevuurd;Denk aan mij, wie maar een simple,Kleine taak is opgelegd;Denk aan mij: ’k kan niet vergeten,Zit alleen … mag niet herdenken!Brand.Een geringe taak maar, jij?Nooit was die zoo groot als nu.Hoor, ik zal je eens iets zeggenDat in smart mij overkwam.Dikwijls wordt mijn oog beneveld,Stil mijn denken, zacht mijn ziel.Dan is ’t of er schuilde vreugdeIn te kunnen schreien, schreien.Agnes,… kijk dan zie ik GodZoo nabij, als nooit te voren,…Zoo nabij, dat het mij schijntOf ik rechtstreeks hem kon naadren.En ik smacht om mij te werpenAan zijn boezem, als zijn kind;Om mij vast omkneld te voelenDoor zijn sterken vaderarm.Agnes.Brand,… o, zie hem altijd zoo,…Als de God je zoo nabij …Minder Heer, maar meer als Vader!Brand.’k Mag niet, Agnes; niet versperrenVoor zijn eigen werk den weg;Ik moet groot hem zien en sterk.Reuzengroot … dat eischt het heden,Juist omdat het zelf zoo klein is.O, maar jij kunt hem zoo zien,Als een vader zacht en teer,In zijn arm je hoofd neervlijen,Rusten, rusten, ben je moe,En verlicht weer van hem gaan,Met zijn glans nog in je oogen,…Breng tot mij zijn glorieschijnWaar ik lijdend, strijdend sta.Zie je, Agnes, zóo te deelenIs de kern van ’t ware huwlijk;De één moet strijden, zich verweren,De andre alle wonden heelen;Dàn eerst kan met volle recht’t Heeten dat de twee zijn één.Sedert jij het wereldsch levenOpgaf, om mijn vrouw te worden,Je eigen leven vrij te leven,Rust er op jou deze taak;Ik moet strijden, of ’k ook val;Op ten kamp, in zonnehitte,Staan op wacht in nacht en koude,…Jij moet reiken mij den vollenLiefdebeker, laafnis biedend,Hullen mij in teerheid zachtOnder ’t pantser, als een vacht;…O, je taak is géén geringe!Agnes.Al wat ik zoek te volbrengenIs te zwaar voor mijne krachten;Al mijn denken, al mijn zinnenTrekt zich samen om dat eéne.Alles is nog als een droom.Laat mij klagen, laat mij schreien.Help mij zoo om weer te vindenEn mij zelf, èn ook mijn plicht …Brand, van nacht toen ik alleen wasKwam hij in mijn kamer hier;Frisch en blozend was zijn wang;Luchtig in zijn dunne kleedjeKwam hij aangetrippeld daar,Naar mijn bed, waarop ik rustte;Strekte naar mij uit zijn armpjes;Riep zijn moeder met een lachje,…Maar alsof hij smeekte om warmte!Ja, ik zag het! ’k Rilde er van!Brand.Agnes!Agnes.Agnes!Ja,… het kind leed koû!Och, dat moet ook wel daar buiten,Op die koude planken liggend!Brand.’tLijkligt onder sneeuw begraven;’t Kind zelf steeg op naar den hemel.Agnes(wijkt terug).O, wat woel je in de wondeOnbarmhartig, onmeedoogend!Dat, wat ruw jij ’tlijknoemt, is nogAltijd voor mijn hart mijnkind.Ziel en lichaam vielen beiden,En ik kan niet, zooals jij,Van elkaar die beiden scheiden;Eén zijn deze twee te zamen;Alf, daar onder ’t sneeuwdek slapend,Is mijn Alf ook van daarboven!Brand.Meen’ge wond nog moet er bloedenEer je smart genezen zal.Agnes.Ja, maar heb dan ook geduld;…Leid mij zacht, maar wil niet drijven.Sta mij bij en steun mij, Brand!Zeg de dingen zacht, als ’t kan!Jij, die als Gods donder spreekt somsIn een hooge, plechtige ure,Als een ziel zelf aan moet dragenSteenen voor zijn levenskroon,…Heb jij ook geen zachte tonenOm het scherpe leed te dooven?Met een enkel woord dat opwekt,Een, dat wijst naar lichter dagen?God, dien jij mij leerde kennen,Is een koning in zijn burcht;Hoe zou ik hem durven naadrenMet mijn kleine moedersmart?Brand.Denk je makk’lijker te naadrenTot den God, dien je eertijds kende?Agnes.Nooit meer, nooit meer ga ’k terug!En toch is het vaak, alsof ikEen verlangen voel, daarheen,Waar het licht is, waar de zon schijnt,“Licht te heffen,zwaar te houden”,Klonk niet zoo de oude leuze?Al te groot zijn mij je rijken,Allesis mij hier te groot,Jij, je werk, je doel, je wezen,Al je willen, al je doen,’t Overhangend, rotsgevaarte,En het àl afsluitend water,Winterduister, strijd en droefheid,…’t Kerkje alleen is veel te klein.Brand(getroffen).’t Kerkje? Alweer die gedachte!Zweeft die thans hier in de lucht?Hoe te klein?Agnes(schudt droevig het hoofd).Hoe te klein?Hoe kan ik zoekenNaar een reden, met verstand.Komt niet stemming over iemandAls een geur’ge ademtocht?Waar van daan? En waarheen gaat ze?’t Is genoeg dat ’k haar gewaar word.En ik weet en voel het duidlijk …Veel te klein is hier ons kerkje.Brand.Droomen allen van hetzelfde?Al zoovelen die ’k ontmoetteWaren vol van die gedachte;Zelfs bij haar, die half waanzinnigRondloopt, stond die ook geschreven,“’t Is benauwd daar, want ’t is klein”Klonk het; ook zij kon geen redenVinden voor wat zij er voelde.Tal van vrouwen zeiden later:Veel te klein is onze dorpskerk!Deze klacht uit vrouwenmondenOp behoefte aan ruimte wijst …Agnes,… o, ik zie ’t zoo goed,Jij bent van God uitverkorenTot een engel op mijn pad;…Stil en zeker, in den blindeWeet je juist den weg te vinden,Waar ’k alléén het spoor verlies.Nooit kon dwaallichtschijn je lokken;D’eersten dag heb je al gewezenWaar mijn ware rijk moest liggen,…Hield terug mij, die wou stijgenHoog naar ’t blauwe luchtgewelf;Deed mij kijken in mij zelf,Diep, in ’t diepste van mijn wezen …Agnes, weer heb je gezegd’t Woord dat insloeg als een flits,…Mij geleid, waar ’k dwalend ging,Op mijn werk het licht doen vallen.Klein maar is des Heeren kerk hier;…Goed; dan maken wij die groot!Nooit zag ik zoo duidelijk nogWat mijn Schepper me in jou gaf.Daarom smeek ik, net als jij:Ga niet van mij weg, ik bid je!Agnes.’k Zal mijn droefheid van mij wegdoen,’k Zal mijn tranen drogen nu,’k Zal al mijn herinneringenSluiten als in ’t donker graf;En vergeten, als een zee,Zal er stroomen overheen;Ik zal ieder spoor uitwisschenVan mijn eens gedroomde wereld,Vrouw zijn voor jou, en niets meer.Brand.Opwaarts gaat de weg naar ’t hooge!Agnes.O, maar drijf mij niet met strengheid!Brand.Door mijn mond gebiedt een Hoog’re.Agnes.Een, van wien je zelf eens zei,Dat den goeden wil hij aanneemt,Ook waar soms de kracht ontbreekt.(wil gaan).Brand.Waarheen, Agnes?Agnes(glimlacht).Waarheen, Agnes?’t Huislijk werk mag’k Niet verzuimen, heden ’t minst.’t Vorig jaar, je weet nog wel,Zei je dat ik was verkwistend.’t Licht was op in alle luchters;Groen was ’t hier, en speelgoed hangend,Met nog meer moois, aan den kerstboom;Hier klonk blij gezang en lachen.Brand, ook nu zal ’k weer ontstekenAlle lichten voor den feestdag;Worden zal ’t zoo mooi als ’t kan,Voor het plechtig stille feest,Gluurt dan God de kamer in,Zal hij zien gestrafte kindren,Die deemoedig en gedwee,Volgzaam weten en begrijpenDat zij, moog’ hun vader toornen,Niet zijn feest verzuimen mogen.…Zie je nu nog iets van tranen?Brand(drukt haar aan zijn hart en laat haar dan weer los).Kind, steek licht aan; dat ’s jouw opdracht!Agnes(glimlacht droevig).Bouw jij dan een kerk, een groote;…Doe het gauw … nog vóór de lente!(Af.)Brand(kijkt haar na).Zoo gewillig in haar droefheid,Midden in het vuur der pijn;Zinkt haar kracht, ontvliedt de geest haar,Wilzij ’t offer brengen toch.Heer o sterk haar, geef haar kracht!En onthef mij van de opdrachtHaar door bittre wetsbetrachting,Als door hongrig woeste gieren’t Warme bloed doen uit te zuigen,Van ’t gemarteld moederhart.Ik ben krachtig, ik heb moed;Leg op mij den last voor beiden,…Wees voor haar alléén barmhartig!(Er wordt geklopt aan de gangdeur. De Baljuw komt binnen).De Baljuw.Hier ziet u een geslagen man.Brand.’n Geslagen man?De Baljuw.’n Geslagen man?Als zoo een kom ik.Uweet wel, toen ik van den zomerU drijven wilde uit het land,Voorspelde ik u niet juist het besteVan ’t nieuwe strijdplan tusschen ons …Brand.Nu ja?De Baljuw.Nu ja?Maar ondanks al mijn recht,Wil ik niet langer vijandschap.Brand.Waarom?De Baljuw.Waarom?Omdat u heeft demeesten.Brand.Heb ik?De Baljuw.Heb ik?Dat weet u toch wel zelf;Uzoekt het volk van heinde en ver;Hier is, althans de laatste maanden,Een geest gekomen over ’t dorp,Die, God weet ’t, niet de mijne is.En daaruit trek ik het besluitDat die van u is uitgegaan.Hier is mijn hand, wij sluiten vrede!Brand.Een strijd als de onze eindigt nietVóór één van ons verslagen is.De Baljuw.Wat wil u meer dan vrede nogEn minnelijke schikking, zeg?Ik sla geen verz’nen tegen prikkels;Ik ben maar een gewone man;Als op zijn borst de punt gericht isVan ’s vijands speer, geeft men het op;Daartegen baat geen stok alleen;Dan ruimt men beter gauw het veld,En staat als strijder men verlatenDan is ’t verstandigst maar te wijken.Brand.Twee dingen zijn hier wel te onthouden:Eerst dat u mij den sterkste noemt;Ik heb de meesten …De Baljuw.Ik heb de meesten …O, beslist!Brand.Ja, mooglijk nu nog; maar als ’t ooitTot ’n groot en ernstig offer komt …Wie heeft de macht in handen dan?De Baljuw.Een ernstig offer? Lieve God,Dat zal u hier wel nooit beleven!In ’t ergst geval komt ’t dáárop neerDat zij eens tasten in de zakken.De tijden zijn humaan en willenGeen offer meer van andre dingen.En ’t hinderlijkst in deze zaak isDat ’k zelf behoor tot ’t aantal, dat’t Humane op den voorgrond drong,En daardoor de offerzucht verzwakte,Zoodat men nu wel zeggen kanDat ik mij zelf ten offer bracht,…In elk geval dat ’k bond het rijsTot ’n roe, waarmee men mij nu slaan wil.Brand.Dat u gelijk heeft, kan gebeuren.Maar voor de rest begrijp ik nietDat u ’t nu al verloren geeft.Of roe of geen roe, dat beduidt niets.Een man is voor zijn taak gemaakt;Zijn doel moet hem het Paradijs zijn!En tusschen dàt en hem moog’ stroomenEen zee,… ligt Satans land nabij,Mag hij dan roepen: ’t gaat niet aan …De weg ter helle is veel korter?!De Baljuw.Hierop moet ’k zeggen ja, en neen;Een mensch moet ergens toch wel landen,…En ziet hij zijn vergeefsche pogen,Dan zoekt hij andre wegen op.’t Is eenmaal zoo, men wil vergoedingVoor klein werk of voor grooten arbeid;En wint men ’t niet met eerlijk strijden,Dan tracht men slinksch er toch te komen.Brand.Maar nimmermeer wordtzwarttochwit!De Baljuw.Maar, lieve vriend, wat helpt het uOm iets zoo wit als sneeuw te noemen,Als allen zwart als sneeuw nu roepen?Brand.U roept misschien wel mee?De Baljuw.U roept misschien wel mee?Och neen,…Ik zeg nietzwart, maar lievergrijs.Humaan is ’t wachtwoord; ’t volk wil niet meerHardhandig worden aangegrepen.Bedenk, wij zijn in een vrij land;Hier mag een ieders meening gelden.Hoe zou dan één man tegen allenDoen uitspraak over zwart of wit?…In ’t kort, omdát u heeft de meestenIs u de man die bovenaan staat.Ik sluit mij evenals de andren,Nu bij u aan, zoo goed als ’t gaat,En hoop dat niemand ’t euvel duideDat ik niet tot het uiterst streed.’t Volk oordeelt nu, ik zie het best,Mijn werk als onbeduidend, min;Zij achten één ding nu méér noodigDan jaar op jaar d’ oogst te vermeerdren!Niet meer gewillig draagt zijn deelEen ieder bij waar ’t wezen moet,…En als de wil niet mee in ’t spel isDan is een zaak van zelf verloren …Het valt wel hard, dat kan u denken,Het plan voor wegen en voor bruggen,Het dempen van moerassen, plassen,En nog veel meer, nu op te geven.Maar, lieve God, wat zal men zeggen,Wie niet kan winnen moet maar wijken,Geduldig wachten, wijslijk zwijgen,En alles van den tijd maar hopen.Nu,… ik verloor de gunst van ’t volkZooals ik die gewonnen had;Dus moet ik nu langs andre wegenHet mijne zien terug te krijgen.Brand.Maar was ’t dan om de gunst van ’t volkDat u die werken alle deed?De Baljuw.Neen, waarlijk niet, dat was het niet;Ik wou ten algemeene nutteVoor ’t dorp het beste, dat alleen.Maar niet ontken ik, dat in ’t spel wasOok hoop op weervergelding eens,Voor welvolbracht werk, met ter tijd.Zoo is het toch: een werkzaam mensch,Met gaven en gezond verstand,Wil vruchten van zijn werken zien,Niet steunend door het leven gaanTer wille van een hoog idee.Ik kan ook met den besten wil nietNalatig zijn voor eigen goed,En andren off’ren al mijn kracht.Ik zit tehuis op zware lasten;Ik heb een vrouw, verscheiden dochters,Die geldt mijn zorg het allermeest;…Beginslen lesschen niemands dorst,Beginslen stillen niemands honger,Waar men, als ik, het huis zoo vol heeft;En mocht mij iemand zijn verwondringDaarover uiten, zeg ik dit:Dat hij als huisvader niet deugt.Brand.En nu is dus uw plan?…De Baljuw.En nu is dus uw plan?…Te bouwen.Brand.Te bouwen, zegt u?De Baljuw.Te bouwen, zegt u?Juist, jawel,…Tot heil van ’t dorp en van mijzelf.Eerst wil ’k mijn reputatie weerOpbouwen, die ’k hier vroeger had;…Verkiezingstijd staat voor de deur;Dus neem ’k mijn toevlucht tot iets groots,Ga ’t plan daarvoor vast kenbaar maken,Dan word ik wel weer gauw het haantje,En valt de keus wel weer op mij.Nu heb ik zoo gedacht … men kanOnmooglijk tégen stroom op roeien.’t Volk wil, zooals ’t nu heet, verheffing;Dat is iets waar ik toch niet bij kan;Ik help het maar zoowat vooruit;Maar zoo iets moet vriendschaplijk gaan,En allen zijn nu tegen mij.Kijk, daarom ben ’k na rijp beradenTot ’t plan gekomen, om als ’t gaat,Den vloek der armoe te bestrijden.Brand.Uitroeien wil u die?De Baljuw.Uitroeien wil u die?O neen;…Die is toch een noodzaaklijk kwaadDer maatschappij, en onvermijdlijk;Doch wel te leiden, te beperkenMet handigheid, tot zeekre vormen,Zoo wij maar tijdig er op letten.Wij weten ’t, armoe is de mestDie ’t best doet tieren alle kwaad;En die bemesting wil ’k beperken.Brand.Enhoedenkt u?De Baljuw.Enhoedenkt u?Kan u ’t niet raden?Voldoende aan een diep gevoeldeBehoefte van de heele omgeving,Bouw ’k voor de armoe hier een pesthuis;Ja, ’n pesthuis, zeg ik, met bedoeling,Daar het besmetting weren moet.Aan dat gebouw, was mijn idee zoo,Moest een arresthuis zijn verbonden,Zoodat hier oorzaak en gevolgTe zamen worden opgesloten,Doch door een tusschenmuur gescheiden.En als ’k nu toch eens aan den gang ben,Dacht ik ook nog er bij te bouwenEen vleugel … onder ’t zelfde dak …Met ’n zaal voor feesten, ’n bijeenkomst,Voor ernst of kortswijl te gebruiken,Met een katheder en veel ruimte,…Een mooie, politieke feestzaal.Brand.Hard noodig is vooral het laatste;Maar ’k weet iets, daar ’s nog meer gebrek aan.De Baljuw.Dacht u soms aan ’n asyl voor gekken?Ja, zeker; dat ’s hard noodig ook.Dat was aanvankelijk mijn gedachte,Maar na wat overleg met andrenKwam ’k van dat denkbeeld weer terug;Want hoe aan middelen te komenVoor zoo’n geweldig groot gebouw?Want g’loof mij, zoo’n gesticht zou kostenEen buitensporig groote som,Als iedereen die ’t noodig heeftEen onderkomen daar moet vinden.Men moet vertrouwen op den tijd,Niet enkel bouwen voor zich zelf,…Met reuzenschreden ging ’t vooruitVerleden jaar, dit jaar zoo niet;…U ziet hoe alle volksbelangenVerbazend al zijn uitgegroeid;Met zevenmijlslaarze’, als behekst,Ontwiklen krachten zich en gaven,In alle mogelijke vakken.’t Zou dus een al te dure grap zijnOns nageslacht plaats te bezorgen,Voor zich, met kindren en met vrouwen.En daarom zeg ik: lieve God,Die tand, die trekken wij maar uit!Brand.En wordt eens iemand al te gekDan heeft u toch de groote zaal.De Baljuw(tevreden).Ja, die zal meestentijds toch leeg staan!Die inval, Brand, was waarlijk snedig!Als ’t bouwplan nu maar niet verong’lukt,Dan krijgen wij ’t gesticht nog gratis,Verzaamlen onder ’t zelfde dak,Beveiligd door dezelfde vlag,De wezenlijke elementen,Die voor ons dorp kenmerkend zijn;Daar hebben we onze armoedzaaiers,Met heel den schurkentroep er bij,Krankzinnigen, die los en vrijRondliepen zonder hulp of tucht,…En dan de vrucht van onze vrijheid,Verkiezingsstrijd met knappe reednaars,Een raadzaal waar wij overleggen,Wat dienen kan tot nut van ’t dorp,…Een feestzaal, waar met volle glazenWij blij herdenken ’t voorgeslacht.Als dus de zaak niet valt in duigen,Krijgt hier de zoon der bergen allesWat hij met billijkheid kan eischen,Om recht naar eigen zin te leven.Helaas, de streek hier is niet rijk;Maar staat eerst dat gemeenschapshuis,Dan, denk ik, kan men ’t noemen hierMet recht, een welbestuurd distrikt.Brand.Maar ’t geld …?De Baljuw.Maar ’t geld …?Ja juist, daar zit de knoop,In deze zaak als in de meeste;De lust is zwak om bij te dragen,En zoo u mij uw hulp onthoudtDan kan ik ook de vlag wel strijken.Maar steunt u met uw machtig woordMijn plan, dan zal het wel gelukken,…En komt het dan eenmaal tot standZal ik u waarlijk niet vergeten.Brand.Dus ’t is uw plan mij om te koopen?De Baljuw.Ik zou het liever anders noemen …Voor beiden zou het, naar ik meen,De tweedracht, die er als een kloofTot nu toe tusschen ons bestaan heeft,Tot beider voordeel kunnen dempen.Brand.Dan heeft u slecht uw tijd gekozen …De Baljuw.Ach ja, ik weet wel, ’t groote leed,Dat pas uw ouderhart gewond heeft;Uw kalmte echter deed mij ’t wagen;En de behoefte aan vasten steun …Brand.Zoowel in vreugde als in leed,Ben ik bereid, waar ’t noodig zijn mocht;Maar om een andre reden doetU dezen keer vergeefsche moeite.De Baljuw.Die reden is …?Brand.Die reden is …?Ik zelf wil bouwen.De Baljuw.Wat! Bouwen? Neemt u mij mijn plan?Brand.Niet heelemaal.(wijst naar buiten).Niet heelemaalKijk, ziet u ginds …?De Baljuw.Dáár?Brand.Dáár?… Ja.De Baljuw.Dáár? … Ja.Dat groote houten huis?Dat is immers uw koeienstal?Brand.Neen, dàt niet;… ’tkleinehouten huisje.De Baljuw.Wat! ’t Kerkje!Brand(knikt).Wat! ’t Kerkje!Dàt wil ik verbouwen.De Baljuw.Dat zal waarachtig niet gebeuren!Aan ’t kerkje zal mij niemand raken;…’t Is om den voet mij dwars te zetten;Mijn plan is klaar en daar is haast bij;Maar ’t uwe werpt mij uit het zadel;En beide te gelijk, dat gaat niet,…Geef toe dus …!Brand.Geef toe dus …!Dàt deed ik nog nimmer.De Baljuw.Numoetu ’t doen! Bouw mijn arresthuisMet ’t pesthuis en de groote feestzaal,In ’t kort, ’t gesticht … om zoo te zeggen,…Wie vraagt dan naar ’t vervallen kerkje?En waarom moet dat nu verbouwd?Het was toch vroeger groot genoeg.Brand.Wel mooglijk; maar nù is ’t te klein.De Baljuw.Maarikheb ’t toch nooit vol gezien!Brand.Een enkle ziel zelfs kan daarbinnenGeen ruimte voor verheffing vinden.De Baljuw(schudt verwonderd het hoofd).Waarmee die enkle ziel ’t bewijs geeftHoe noodig hier mijn gekkenhuis is.(op anderen toon).Laat ’t kerkje staan, laat mij u raden;Men kan het tot op zeekre hoogte,Een oud eerwaardig erfstuk noemen.Hetiseen erfstuk, onvervreemdbaar,…En ’t wordt niet om een nuk vernietigd!Al valt mijn bouwplan in het water,Zal ’k, als een Phoenix uit zijn assche,Herrijzen in de gunst van ’t volk hier!Ik kom òp als de ridder koen,Voor ’t monument hier op ons strand!Hier was eertijds een offerplaats,…Dat was in koning Beles dagen;En daar verrees de kerk toen laterUit vromer helden roof en buit.Eerwaardig in haar simple pracht,Hoogheilig in haar oude dracht,Stond trotsch zij tot in onze dagen …

VIERDE BEDRIJF.Kerstavond in de pastorie. De kamer is donker. Deur in den achtergrond. Aan den éénen kant een raam, aan den anderen een deur.Agnes, in het zwart gekleed, staat bij het raam en kijkt uit in de duisternis.Agnes.Nog altijd niet! Nog altijd niet!…O, hoe zwaar is het te wachten,…’t Om hem roepend zielsverlangenTe doen zwijgen, zonder antwoord!Zacht en dicht valt stil de sneeuw,Heeft als met een kleed van donsWit omhuld het oude kerkje …(luistert).Wacht! Daar hoor ik ’t grind toch knarsen!Vaste stappen; ’n mannestap;(snelt naar de deur en maakt die open).Brand, ben jij ’t? O, kom gauw hier!(Brand komt binnen, besneeuwd, in reisjas, die hij onder het volgende aflegt).Agnes(slaat de armen om hem heen).O wat lang ben je uitgebleven!Niet meer weg gaan! Niet meer weg gaan!Ben ’k alleen dan kan ’k de zwarteSombre spoken niet ontkomen!Wat een nachten, wat een dagenZijn die twee voor mij geweest!Brand.Kind, nu ben ik toch weer bij je!(steekt een enkel licht aan dat een zwak schijnsel in de kamer werpt).Je bent bleek.Agnes.Je bent bleek.En moe en dof.’k Heb verlangd en uitgekeken …En wat groen bijeen gebonden,…’n Beetje! wat ik zelf gekweekt heb,En bewaard nog, van den zomer,Om den kerstboom te versieren.’t Struikje was voor hem bestemd;En hij kreeg ’t dan ook … als krans!(barst in tranen uit).Kijk, nu ligt de sneeuw al hoog opHem … o God …Brand.Hem … o God …Op ’t kerkhof ginder.Agnes.O, dat woord!Brand.O, dat woord!Droog nu je tranen.Agnes.Ja, och ja … maar wees geduldig;Heel mijn ziel is nog als bloedendVan een pas geslagen wond,Al mijn kracht van wil verzwond;…O, het zal wel beter worden;Als deez’ dagen maar voorbij zijnZal je nooit meer klachten hooren.Brand.Moet je zóó Gods feestdag eeren?Agnes.Neen, och neen … maar wees geduldig!Denk toch hoe ’t verleden jaar was,En van ’t jaar al weg gedragen …Naar het …(huivert om het woord uit te spreken).Brand(vast).Naar het …(huivert om het woord uit te spreken).Naar het kerkhof ginder.Agnes(met een kreet).Noem het niet!Brand.Noem het niet!Uit volle borst juistMoetik ’t noemen als je ’t vreest!Noemenmoetik ’t, dat het klinkeAls een golfslag tegen ’t hout!Agnes.Zelf meer dan je wel wilt wetenLijdt je onder ’t wreede woord;Op je voorhoofd zie ’k de sporenVan het zweet dat het je kost.Brand.Deze druppels op mijn voorhoofdZijn maar schuim van ’t zilte water.Agnes.Is de druppel in je oog ook’n Sneeuwvlok, dalend van de hoogte?Neen, o neen, die is te warm;Je eigen boezem is de bron!Brand.Agnes, vrouw, kom laat ons beidenSterk zijn, strijden tegen ’t leed,Met vereende krachten trachtenTe overwinnen, langzaam aan.O, ik was een man ginds buiten!’t Water sloeg over de klippen,Angstig dook de zeemeeuw onder,Hagel teisterde mijn bootje,Joeg ons voort in ’t ziedend water,Mast en touwwerk kraakten fluitend,Fokzeil scheurde aan flarden, woeiVer in ’t schuim weg van de vaargeul,Iedre spijker kraste en knarste;…Telkens donderden lawinenVan de hoogte, aan beide kanten;Roerloos zat het achttal mannen,Riemen stil, als lijken vóór mij.O, toenvoeldeik mij weer groeien,Ikwas ’t die aan ’t roer bevel gaf,’k Voelde dat God zelf mij wijddeTot mijn werk, het duurgekochte.Agnes.Licht is ’t pal te staan in storm,Licht te strijden in gevaar;O, maar denk aan mij, die hier zitStil, met droef heids treurig kweelen,Die niet weet den tijd te doodenOf ik ’t nog zoo graag ook wil;Denk aan mij, van strijd verstoken,Door geen daden aangevuurd;Denk aan mij, wie maar een simple,Kleine taak is opgelegd;Denk aan mij: ’k kan niet vergeten,Zit alleen … mag niet herdenken!Brand.Een geringe taak maar, jij?Nooit was die zoo groot als nu.Hoor, ik zal je eens iets zeggenDat in smart mij overkwam.Dikwijls wordt mijn oog beneveld,Stil mijn denken, zacht mijn ziel.Dan is ’t of er schuilde vreugdeIn te kunnen schreien, schreien.Agnes,… kijk dan zie ik GodZoo nabij, als nooit te voren,…Zoo nabij, dat het mij schijntOf ik rechtstreeks hem kon naadren.En ik smacht om mij te werpenAan zijn boezem, als zijn kind;Om mij vast omkneld te voelenDoor zijn sterken vaderarm.Agnes.Brand,… o, zie hem altijd zoo,…Als de God je zoo nabij …Minder Heer, maar meer als Vader!Brand.’k Mag niet, Agnes; niet versperrenVoor zijn eigen werk den weg;Ik moet groot hem zien en sterk.Reuzengroot … dat eischt het heden,Juist omdat het zelf zoo klein is.O, maar jij kunt hem zoo zien,Als een vader zacht en teer,In zijn arm je hoofd neervlijen,Rusten, rusten, ben je moe,En verlicht weer van hem gaan,Met zijn glans nog in je oogen,…Breng tot mij zijn glorieschijnWaar ik lijdend, strijdend sta.Zie je, Agnes, zóo te deelenIs de kern van ’t ware huwlijk;De één moet strijden, zich verweren,De andre alle wonden heelen;Dàn eerst kan met volle recht’t Heeten dat de twee zijn één.Sedert jij het wereldsch levenOpgaf, om mijn vrouw te worden,Je eigen leven vrij te leven,Rust er op jou deze taak;Ik moet strijden, of ’k ook val;Op ten kamp, in zonnehitte,Staan op wacht in nacht en koude,…Jij moet reiken mij den vollenLiefdebeker, laafnis biedend,Hullen mij in teerheid zachtOnder ’t pantser, als een vacht;…O, je taak is géén geringe!Agnes.Al wat ik zoek te volbrengenIs te zwaar voor mijne krachten;Al mijn denken, al mijn zinnenTrekt zich samen om dat eéne.Alles is nog als een droom.Laat mij klagen, laat mij schreien.Help mij zoo om weer te vindenEn mij zelf, èn ook mijn plicht …Brand, van nacht toen ik alleen wasKwam hij in mijn kamer hier;Frisch en blozend was zijn wang;Luchtig in zijn dunne kleedjeKwam hij aangetrippeld daar,Naar mijn bed, waarop ik rustte;Strekte naar mij uit zijn armpjes;Riep zijn moeder met een lachje,…Maar alsof hij smeekte om warmte!Ja, ik zag het! ’k Rilde er van!Brand.Agnes!Agnes.Agnes!Ja,… het kind leed koû!Och, dat moet ook wel daar buiten,Op die koude planken liggend!Brand.’tLijkligt onder sneeuw begraven;’t Kind zelf steeg op naar den hemel.Agnes(wijkt terug).O, wat woel je in de wondeOnbarmhartig, onmeedoogend!Dat, wat ruw jij ’tlijknoemt, is nogAltijd voor mijn hart mijnkind.Ziel en lichaam vielen beiden,En ik kan niet, zooals jij,Van elkaar die beiden scheiden;Eén zijn deze twee te zamen;Alf, daar onder ’t sneeuwdek slapend,Is mijn Alf ook van daarboven!Brand.Meen’ge wond nog moet er bloedenEer je smart genezen zal.Agnes.Ja, maar heb dan ook geduld;…Leid mij zacht, maar wil niet drijven.Sta mij bij en steun mij, Brand!Zeg de dingen zacht, als ’t kan!Jij, die als Gods donder spreekt somsIn een hooge, plechtige ure,Als een ziel zelf aan moet dragenSteenen voor zijn levenskroon,…Heb jij ook geen zachte tonenOm het scherpe leed te dooven?Met een enkel woord dat opwekt,Een, dat wijst naar lichter dagen?God, dien jij mij leerde kennen,Is een koning in zijn burcht;Hoe zou ik hem durven naadrenMet mijn kleine moedersmart?Brand.Denk je makk’lijker te naadrenTot den God, dien je eertijds kende?Agnes.Nooit meer, nooit meer ga ’k terug!En toch is het vaak, alsof ikEen verlangen voel, daarheen,Waar het licht is, waar de zon schijnt,“Licht te heffen,zwaar te houden”,Klonk niet zoo de oude leuze?Al te groot zijn mij je rijken,Allesis mij hier te groot,Jij, je werk, je doel, je wezen,Al je willen, al je doen,’t Overhangend, rotsgevaarte,En het àl afsluitend water,Winterduister, strijd en droefheid,…’t Kerkje alleen is veel te klein.Brand(getroffen).’t Kerkje? Alweer die gedachte!Zweeft die thans hier in de lucht?Hoe te klein?Agnes(schudt droevig het hoofd).Hoe te klein?Hoe kan ik zoekenNaar een reden, met verstand.Komt niet stemming over iemandAls een geur’ge ademtocht?Waar van daan? En waarheen gaat ze?’t Is genoeg dat ’k haar gewaar word.En ik weet en voel het duidlijk …Veel te klein is hier ons kerkje.Brand.Droomen allen van hetzelfde?Al zoovelen die ’k ontmoetteWaren vol van die gedachte;Zelfs bij haar, die half waanzinnigRondloopt, stond die ook geschreven,“’t Is benauwd daar, want ’t is klein”Klonk het; ook zij kon geen redenVinden voor wat zij er voelde.Tal van vrouwen zeiden later:Veel te klein is onze dorpskerk!Deze klacht uit vrouwenmondenOp behoefte aan ruimte wijst …Agnes,… o, ik zie ’t zoo goed,Jij bent van God uitverkorenTot een engel op mijn pad;…Stil en zeker, in den blindeWeet je juist den weg te vinden,Waar ’k alléén het spoor verlies.Nooit kon dwaallichtschijn je lokken;D’eersten dag heb je al gewezenWaar mijn ware rijk moest liggen,…Hield terug mij, die wou stijgenHoog naar ’t blauwe luchtgewelf;Deed mij kijken in mij zelf,Diep, in ’t diepste van mijn wezen …Agnes, weer heb je gezegd’t Woord dat insloeg als een flits,…Mij geleid, waar ’k dwalend ging,Op mijn werk het licht doen vallen.Klein maar is des Heeren kerk hier;…Goed; dan maken wij die groot!Nooit zag ik zoo duidelijk nogWat mijn Schepper me in jou gaf.Daarom smeek ik, net als jij:Ga niet van mij weg, ik bid je!Agnes.’k Zal mijn droefheid van mij wegdoen,’k Zal mijn tranen drogen nu,’k Zal al mijn herinneringenSluiten als in ’t donker graf;En vergeten, als een zee,Zal er stroomen overheen;Ik zal ieder spoor uitwisschenVan mijn eens gedroomde wereld,Vrouw zijn voor jou, en niets meer.Brand.Opwaarts gaat de weg naar ’t hooge!Agnes.O, maar drijf mij niet met strengheid!Brand.Door mijn mond gebiedt een Hoog’re.Agnes.Een, van wien je zelf eens zei,Dat den goeden wil hij aanneemt,Ook waar soms de kracht ontbreekt.(wil gaan).Brand.Waarheen, Agnes?Agnes(glimlacht).Waarheen, Agnes?’t Huislijk werk mag’k Niet verzuimen, heden ’t minst.’t Vorig jaar, je weet nog wel,Zei je dat ik was verkwistend.’t Licht was op in alle luchters;Groen was ’t hier, en speelgoed hangend,Met nog meer moois, aan den kerstboom;Hier klonk blij gezang en lachen.Brand, ook nu zal ’k weer ontstekenAlle lichten voor den feestdag;Worden zal ’t zoo mooi als ’t kan,Voor het plechtig stille feest,Gluurt dan God de kamer in,Zal hij zien gestrafte kindren,Die deemoedig en gedwee,Volgzaam weten en begrijpenDat zij, moog’ hun vader toornen,Niet zijn feest verzuimen mogen.…Zie je nu nog iets van tranen?Brand(drukt haar aan zijn hart en laat haar dan weer los).Kind, steek licht aan; dat ’s jouw opdracht!Agnes(glimlacht droevig).Bouw jij dan een kerk, een groote;…Doe het gauw … nog vóór de lente!(Af.)Brand(kijkt haar na).Zoo gewillig in haar droefheid,Midden in het vuur der pijn;Zinkt haar kracht, ontvliedt de geest haar,Wilzij ’t offer brengen toch.Heer o sterk haar, geef haar kracht!En onthef mij van de opdrachtHaar door bittre wetsbetrachting,Als door hongrig woeste gieren’t Warme bloed doen uit te zuigen,Van ’t gemarteld moederhart.Ik ben krachtig, ik heb moed;Leg op mij den last voor beiden,…Wees voor haar alléén barmhartig!(Er wordt geklopt aan de gangdeur. De Baljuw komt binnen).De Baljuw.Hier ziet u een geslagen man.Brand.’n Geslagen man?De Baljuw.’n Geslagen man?Als zoo een kom ik.Uweet wel, toen ik van den zomerU drijven wilde uit het land,Voorspelde ik u niet juist het besteVan ’t nieuwe strijdplan tusschen ons …Brand.Nu ja?De Baljuw.Nu ja?Maar ondanks al mijn recht,Wil ik niet langer vijandschap.Brand.Waarom?De Baljuw.Waarom?Omdat u heeft demeesten.Brand.Heb ik?De Baljuw.Heb ik?Dat weet u toch wel zelf;Uzoekt het volk van heinde en ver;Hier is, althans de laatste maanden,Een geest gekomen over ’t dorp,Die, God weet ’t, niet de mijne is.En daaruit trek ik het besluitDat die van u is uitgegaan.Hier is mijn hand, wij sluiten vrede!Brand.Een strijd als de onze eindigt nietVóór één van ons verslagen is.De Baljuw.Wat wil u meer dan vrede nogEn minnelijke schikking, zeg?Ik sla geen verz’nen tegen prikkels;Ik ben maar een gewone man;Als op zijn borst de punt gericht isVan ’s vijands speer, geeft men het op;Daartegen baat geen stok alleen;Dan ruimt men beter gauw het veld,En staat als strijder men verlatenDan is ’t verstandigst maar te wijken.Brand.Twee dingen zijn hier wel te onthouden:Eerst dat u mij den sterkste noemt;Ik heb de meesten …De Baljuw.Ik heb de meesten …O, beslist!Brand.Ja, mooglijk nu nog; maar als ’t ooitTot ’n groot en ernstig offer komt …Wie heeft de macht in handen dan?De Baljuw.Een ernstig offer? Lieve God,Dat zal u hier wel nooit beleven!In ’t ergst geval komt ’t dáárop neerDat zij eens tasten in de zakken.De tijden zijn humaan en willenGeen offer meer van andre dingen.En ’t hinderlijkst in deze zaak isDat ’k zelf behoor tot ’t aantal, dat’t Humane op den voorgrond drong,En daardoor de offerzucht verzwakte,Zoodat men nu wel zeggen kanDat ik mij zelf ten offer bracht,…In elk geval dat ’k bond het rijsTot ’n roe, waarmee men mij nu slaan wil.Brand.Dat u gelijk heeft, kan gebeuren.Maar voor de rest begrijp ik nietDat u ’t nu al verloren geeft.Of roe of geen roe, dat beduidt niets.Een man is voor zijn taak gemaakt;Zijn doel moet hem het Paradijs zijn!En tusschen dàt en hem moog’ stroomenEen zee,… ligt Satans land nabij,Mag hij dan roepen: ’t gaat niet aan …De weg ter helle is veel korter?!De Baljuw.Hierop moet ’k zeggen ja, en neen;Een mensch moet ergens toch wel landen,…En ziet hij zijn vergeefsche pogen,Dan zoekt hij andre wegen op.’t Is eenmaal zoo, men wil vergoedingVoor klein werk of voor grooten arbeid;En wint men ’t niet met eerlijk strijden,Dan tracht men slinksch er toch te komen.Brand.Maar nimmermeer wordtzwarttochwit!De Baljuw.Maar, lieve vriend, wat helpt het uOm iets zoo wit als sneeuw te noemen,Als allen zwart als sneeuw nu roepen?Brand.U roept misschien wel mee?De Baljuw.U roept misschien wel mee?Och neen,…Ik zeg nietzwart, maar lievergrijs.Humaan is ’t wachtwoord; ’t volk wil niet meerHardhandig worden aangegrepen.Bedenk, wij zijn in een vrij land;Hier mag een ieders meening gelden.Hoe zou dan één man tegen allenDoen uitspraak over zwart of wit?…In ’t kort, omdát u heeft de meestenIs u de man die bovenaan staat.Ik sluit mij evenals de andren,Nu bij u aan, zoo goed als ’t gaat,En hoop dat niemand ’t euvel duideDat ik niet tot het uiterst streed.’t Volk oordeelt nu, ik zie het best,Mijn werk als onbeduidend, min;Zij achten één ding nu méér noodigDan jaar op jaar d’ oogst te vermeerdren!Niet meer gewillig draagt zijn deelEen ieder bij waar ’t wezen moet,…En als de wil niet mee in ’t spel isDan is een zaak van zelf verloren …Het valt wel hard, dat kan u denken,Het plan voor wegen en voor bruggen,Het dempen van moerassen, plassen,En nog veel meer, nu op te geven.Maar, lieve God, wat zal men zeggen,Wie niet kan winnen moet maar wijken,Geduldig wachten, wijslijk zwijgen,En alles van den tijd maar hopen.Nu,… ik verloor de gunst van ’t volkZooals ik die gewonnen had;Dus moet ik nu langs andre wegenHet mijne zien terug te krijgen.Brand.Maar was ’t dan om de gunst van ’t volkDat u die werken alle deed?De Baljuw.Neen, waarlijk niet, dat was het niet;Ik wou ten algemeene nutteVoor ’t dorp het beste, dat alleen.Maar niet ontken ik, dat in ’t spel wasOok hoop op weervergelding eens,Voor welvolbracht werk, met ter tijd.Zoo is het toch: een werkzaam mensch,Met gaven en gezond verstand,Wil vruchten van zijn werken zien,Niet steunend door het leven gaanTer wille van een hoog idee.Ik kan ook met den besten wil nietNalatig zijn voor eigen goed,En andren off’ren al mijn kracht.Ik zit tehuis op zware lasten;Ik heb een vrouw, verscheiden dochters,Die geldt mijn zorg het allermeest;…Beginslen lesschen niemands dorst,Beginslen stillen niemands honger,Waar men, als ik, het huis zoo vol heeft;En mocht mij iemand zijn verwondringDaarover uiten, zeg ik dit:Dat hij als huisvader niet deugt.Brand.En nu is dus uw plan?…De Baljuw.En nu is dus uw plan?…Te bouwen.Brand.Te bouwen, zegt u?De Baljuw.Te bouwen, zegt u?Juist, jawel,…Tot heil van ’t dorp en van mijzelf.Eerst wil ’k mijn reputatie weerOpbouwen, die ’k hier vroeger had;…Verkiezingstijd staat voor de deur;Dus neem ’k mijn toevlucht tot iets groots,Ga ’t plan daarvoor vast kenbaar maken,Dan word ik wel weer gauw het haantje,En valt de keus wel weer op mij.Nu heb ik zoo gedacht … men kanOnmooglijk tégen stroom op roeien.’t Volk wil, zooals ’t nu heet, verheffing;Dat is iets waar ik toch niet bij kan;Ik help het maar zoowat vooruit;Maar zoo iets moet vriendschaplijk gaan,En allen zijn nu tegen mij.Kijk, daarom ben ’k na rijp beradenTot ’t plan gekomen, om als ’t gaat,Den vloek der armoe te bestrijden.Brand.Uitroeien wil u die?De Baljuw.Uitroeien wil u die?O neen;…Die is toch een noodzaaklijk kwaadDer maatschappij, en onvermijdlijk;Doch wel te leiden, te beperkenMet handigheid, tot zeekre vormen,Zoo wij maar tijdig er op letten.Wij weten ’t, armoe is de mestDie ’t best doet tieren alle kwaad;En die bemesting wil ’k beperken.Brand.Enhoedenkt u?De Baljuw.Enhoedenkt u?Kan u ’t niet raden?Voldoende aan een diep gevoeldeBehoefte van de heele omgeving,Bouw ’k voor de armoe hier een pesthuis;Ja, ’n pesthuis, zeg ik, met bedoeling,Daar het besmetting weren moet.Aan dat gebouw, was mijn idee zoo,Moest een arresthuis zijn verbonden,Zoodat hier oorzaak en gevolgTe zamen worden opgesloten,Doch door een tusschenmuur gescheiden.En als ’k nu toch eens aan den gang ben,Dacht ik ook nog er bij te bouwenEen vleugel … onder ’t zelfde dak …Met ’n zaal voor feesten, ’n bijeenkomst,Voor ernst of kortswijl te gebruiken,Met een katheder en veel ruimte,…Een mooie, politieke feestzaal.Brand.Hard noodig is vooral het laatste;Maar ’k weet iets, daar ’s nog meer gebrek aan.De Baljuw.Dacht u soms aan ’n asyl voor gekken?Ja, zeker; dat ’s hard noodig ook.Dat was aanvankelijk mijn gedachte,Maar na wat overleg met andrenKwam ’k van dat denkbeeld weer terug;Want hoe aan middelen te komenVoor zoo’n geweldig groot gebouw?Want g’loof mij, zoo’n gesticht zou kostenEen buitensporig groote som,Als iedereen die ’t noodig heeftEen onderkomen daar moet vinden.Men moet vertrouwen op den tijd,Niet enkel bouwen voor zich zelf,…Met reuzenschreden ging ’t vooruitVerleden jaar, dit jaar zoo niet;…U ziet hoe alle volksbelangenVerbazend al zijn uitgegroeid;Met zevenmijlslaarze’, als behekst,Ontwiklen krachten zich en gaven,In alle mogelijke vakken.’t Zou dus een al te dure grap zijnOns nageslacht plaats te bezorgen,Voor zich, met kindren en met vrouwen.En daarom zeg ik: lieve God,Die tand, die trekken wij maar uit!Brand.En wordt eens iemand al te gekDan heeft u toch de groote zaal.De Baljuw(tevreden).Ja, die zal meestentijds toch leeg staan!Die inval, Brand, was waarlijk snedig!Als ’t bouwplan nu maar niet verong’lukt,Dan krijgen wij ’t gesticht nog gratis,Verzaamlen onder ’t zelfde dak,Beveiligd door dezelfde vlag,De wezenlijke elementen,Die voor ons dorp kenmerkend zijn;Daar hebben we onze armoedzaaiers,Met heel den schurkentroep er bij,Krankzinnigen, die los en vrijRondliepen zonder hulp of tucht,…En dan de vrucht van onze vrijheid,Verkiezingsstrijd met knappe reednaars,Een raadzaal waar wij overleggen,Wat dienen kan tot nut van ’t dorp,…Een feestzaal, waar met volle glazenWij blij herdenken ’t voorgeslacht.Als dus de zaak niet valt in duigen,Krijgt hier de zoon der bergen allesWat hij met billijkheid kan eischen,Om recht naar eigen zin te leven.Helaas, de streek hier is niet rijk;Maar staat eerst dat gemeenschapshuis,Dan, denk ik, kan men ’t noemen hierMet recht, een welbestuurd distrikt.Brand.Maar ’t geld …?De Baljuw.Maar ’t geld …?Ja juist, daar zit de knoop,In deze zaak als in de meeste;De lust is zwak om bij te dragen,En zoo u mij uw hulp onthoudtDan kan ik ook de vlag wel strijken.Maar steunt u met uw machtig woordMijn plan, dan zal het wel gelukken,…En komt het dan eenmaal tot standZal ik u waarlijk niet vergeten.Brand.Dus ’t is uw plan mij om te koopen?De Baljuw.Ik zou het liever anders noemen …Voor beiden zou het, naar ik meen,De tweedracht, die er als een kloofTot nu toe tusschen ons bestaan heeft,Tot beider voordeel kunnen dempen.Brand.Dan heeft u slecht uw tijd gekozen …De Baljuw.Ach ja, ik weet wel, ’t groote leed,Dat pas uw ouderhart gewond heeft;Uw kalmte echter deed mij ’t wagen;En de behoefte aan vasten steun …Brand.Zoowel in vreugde als in leed,Ben ik bereid, waar ’t noodig zijn mocht;Maar om een andre reden doetU dezen keer vergeefsche moeite.De Baljuw.Die reden is …?Brand.Die reden is …?Ik zelf wil bouwen.De Baljuw.Wat! Bouwen? Neemt u mij mijn plan?Brand.Niet heelemaal.(wijst naar buiten).Niet heelemaalKijk, ziet u ginds …?De Baljuw.Dáár?Brand.Dáár?… Ja.De Baljuw.Dáár? … Ja.Dat groote houten huis?Dat is immers uw koeienstal?Brand.Neen, dàt niet;… ’tkleinehouten huisje.De Baljuw.Wat! ’t Kerkje!Brand(knikt).Wat! ’t Kerkje!Dàt wil ik verbouwen.De Baljuw.Dat zal waarachtig niet gebeuren!Aan ’t kerkje zal mij niemand raken;…’t Is om den voet mij dwars te zetten;Mijn plan is klaar en daar is haast bij;Maar ’t uwe werpt mij uit het zadel;En beide te gelijk, dat gaat niet,…Geef toe dus …!Brand.Geef toe dus …!Dàt deed ik nog nimmer.De Baljuw.Numoetu ’t doen! Bouw mijn arresthuisMet ’t pesthuis en de groote feestzaal,In ’t kort, ’t gesticht … om zoo te zeggen,…Wie vraagt dan naar ’t vervallen kerkje?En waarom moet dat nu verbouwd?Het was toch vroeger groot genoeg.Brand.Wel mooglijk; maar nù is ’t te klein.De Baljuw.Maarikheb ’t toch nooit vol gezien!Brand.Een enkle ziel zelfs kan daarbinnenGeen ruimte voor verheffing vinden.De Baljuw(schudt verwonderd het hoofd).Waarmee die enkle ziel ’t bewijs geeftHoe noodig hier mijn gekkenhuis is.(op anderen toon).Laat ’t kerkje staan, laat mij u raden;Men kan het tot op zeekre hoogte,Een oud eerwaardig erfstuk noemen.Hetiseen erfstuk, onvervreemdbaar,…En ’t wordt niet om een nuk vernietigd!Al valt mijn bouwplan in het water,Zal ’k, als een Phoenix uit zijn assche,Herrijzen in de gunst van ’t volk hier!Ik kom òp als de ridder koen,Voor ’t monument hier op ons strand!Hier was eertijds een offerplaats,…Dat was in koning Beles dagen;En daar verrees de kerk toen laterUit vromer helden roof en buit.Eerwaardig in haar simple pracht,Hoogheilig in haar oude dracht,Stond trotsch zij tot in onze dagen …

VIERDE BEDRIJF.Kerstavond in de pastorie. De kamer is donker. Deur in den achtergrond. Aan den éénen kant een raam, aan den anderen een deur.Agnes, in het zwart gekleed, staat bij het raam en kijkt uit in de duisternis.Agnes.Nog altijd niet! Nog altijd niet!…O, hoe zwaar is het te wachten,…’t Om hem roepend zielsverlangenTe doen zwijgen, zonder antwoord!Zacht en dicht valt stil de sneeuw,Heeft als met een kleed van donsWit omhuld het oude kerkje …(luistert).Wacht! Daar hoor ik ’t grind toch knarsen!Vaste stappen; ’n mannestap;(snelt naar de deur en maakt die open).Brand, ben jij ’t? O, kom gauw hier!(Brand komt binnen, besneeuwd, in reisjas, die hij onder het volgende aflegt).Agnes(slaat de armen om hem heen).O wat lang ben je uitgebleven!Niet meer weg gaan! Niet meer weg gaan!Ben ’k alleen dan kan ’k de zwarteSombre spoken niet ontkomen!Wat een nachten, wat een dagenZijn die twee voor mij geweest!Brand.Kind, nu ben ik toch weer bij je!(steekt een enkel licht aan dat een zwak schijnsel in de kamer werpt).Je bent bleek.Agnes.Je bent bleek.En moe en dof.’k Heb verlangd en uitgekeken …En wat groen bijeen gebonden,…’n Beetje! wat ik zelf gekweekt heb,En bewaard nog, van den zomer,Om den kerstboom te versieren.’t Struikje was voor hem bestemd;En hij kreeg ’t dan ook … als krans!(barst in tranen uit).Kijk, nu ligt de sneeuw al hoog opHem … o God …Brand.Hem … o God …Op ’t kerkhof ginder.Agnes.O, dat woord!Brand.O, dat woord!Droog nu je tranen.Agnes.Ja, och ja … maar wees geduldig;Heel mijn ziel is nog als bloedendVan een pas geslagen wond,Al mijn kracht van wil verzwond;…O, het zal wel beter worden;Als deez’ dagen maar voorbij zijnZal je nooit meer klachten hooren.Brand.Moet je zóó Gods feestdag eeren?Agnes.Neen, och neen … maar wees geduldig!Denk toch hoe ’t verleden jaar was,En van ’t jaar al weg gedragen …Naar het …(huivert om het woord uit te spreken).Brand(vast).Naar het …(huivert om het woord uit te spreken).Naar het kerkhof ginder.Agnes(met een kreet).Noem het niet!Brand.Noem het niet!Uit volle borst juistMoetik ’t noemen als je ’t vreest!Noemenmoetik ’t, dat het klinkeAls een golfslag tegen ’t hout!Agnes.Zelf meer dan je wel wilt wetenLijdt je onder ’t wreede woord;Op je voorhoofd zie ’k de sporenVan het zweet dat het je kost.Brand.Deze druppels op mijn voorhoofdZijn maar schuim van ’t zilte water.Agnes.Is de druppel in je oog ook’n Sneeuwvlok, dalend van de hoogte?Neen, o neen, die is te warm;Je eigen boezem is de bron!Brand.Agnes, vrouw, kom laat ons beidenSterk zijn, strijden tegen ’t leed,Met vereende krachten trachtenTe overwinnen, langzaam aan.O, ik was een man ginds buiten!’t Water sloeg over de klippen,Angstig dook de zeemeeuw onder,Hagel teisterde mijn bootje,Joeg ons voort in ’t ziedend water,Mast en touwwerk kraakten fluitend,Fokzeil scheurde aan flarden, woeiVer in ’t schuim weg van de vaargeul,Iedre spijker kraste en knarste;…Telkens donderden lawinenVan de hoogte, aan beide kanten;Roerloos zat het achttal mannen,Riemen stil, als lijken vóór mij.O, toenvoeldeik mij weer groeien,Ikwas ’t die aan ’t roer bevel gaf,’k Voelde dat God zelf mij wijddeTot mijn werk, het duurgekochte.Agnes.Licht is ’t pal te staan in storm,Licht te strijden in gevaar;O, maar denk aan mij, die hier zitStil, met droef heids treurig kweelen,Die niet weet den tijd te doodenOf ik ’t nog zoo graag ook wil;Denk aan mij, van strijd verstoken,Door geen daden aangevuurd;Denk aan mij, wie maar een simple,Kleine taak is opgelegd;Denk aan mij: ’k kan niet vergeten,Zit alleen … mag niet herdenken!Brand.Een geringe taak maar, jij?Nooit was die zoo groot als nu.Hoor, ik zal je eens iets zeggenDat in smart mij overkwam.Dikwijls wordt mijn oog beneveld,Stil mijn denken, zacht mijn ziel.Dan is ’t of er schuilde vreugdeIn te kunnen schreien, schreien.Agnes,… kijk dan zie ik GodZoo nabij, als nooit te voren,…Zoo nabij, dat het mij schijntOf ik rechtstreeks hem kon naadren.En ik smacht om mij te werpenAan zijn boezem, als zijn kind;Om mij vast omkneld te voelenDoor zijn sterken vaderarm.Agnes.Brand,… o, zie hem altijd zoo,…Als de God je zoo nabij …Minder Heer, maar meer als Vader!Brand.’k Mag niet, Agnes; niet versperrenVoor zijn eigen werk den weg;Ik moet groot hem zien en sterk.Reuzengroot … dat eischt het heden,Juist omdat het zelf zoo klein is.O, maar jij kunt hem zoo zien,Als een vader zacht en teer,In zijn arm je hoofd neervlijen,Rusten, rusten, ben je moe,En verlicht weer van hem gaan,Met zijn glans nog in je oogen,…Breng tot mij zijn glorieschijnWaar ik lijdend, strijdend sta.Zie je, Agnes, zóo te deelenIs de kern van ’t ware huwlijk;De één moet strijden, zich verweren,De andre alle wonden heelen;Dàn eerst kan met volle recht’t Heeten dat de twee zijn één.Sedert jij het wereldsch levenOpgaf, om mijn vrouw te worden,Je eigen leven vrij te leven,Rust er op jou deze taak;Ik moet strijden, of ’k ook val;Op ten kamp, in zonnehitte,Staan op wacht in nacht en koude,…Jij moet reiken mij den vollenLiefdebeker, laafnis biedend,Hullen mij in teerheid zachtOnder ’t pantser, als een vacht;…O, je taak is géén geringe!Agnes.Al wat ik zoek te volbrengenIs te zwaar voor mijne krachten;Al mijn denken, al mijn zinnenTrekt zich samen om dat eéne.Alles is nog als een droom.Laat mij klagen, laat mij schreien.Help mij zoo om weer te vindenEn mij zelf, èn ook mijn plicht …Brand, van nacht toen ik alleen wasKwam hij in mijn kamer hier;Frisch en blozend was zijn wang;Luchtig in zijn dunne kleedjeKwam hij aangetrippeld daar,Naar mijn bed, waarop ik rustte;Strekte naar mij uit zijn armpjes;Riep zijn moeder met een lachje,…Maar alsof hij smeekte om warmte!Ja, ik zag het! ’k Rilde er van!Brand.Agnes!Agnes.Agnes!Ja,… het kind leed koû!Och, dat moet ook wel daar buiten,Op die koude planken liggend!Brand.’tLijkligt onder sneeuw begraven;’t Kind zelf steeg op naar den hemel.Agnes(wijkt terug).O, wat woel je in de wondeOnbarmhartig, onmeedoogend!Dat, wat ruw jij ’tlijknoemt, is nogAltijd voor mijn hart mijnkind.Ziel en lichaam vielen beiden,En ik kan niet, zooals jij,Van elkaar die beiden scheiden;Eén zijn deze twee te zamen;Alf, daar onder ’t sneeuwdek slapend,Is mijn Alf ook van daarboven!Brand.Meen’ge wond nog moet er bloedenEer je smart genezen zal.Agnes.Ja, maar heb dan ook geduld;…Leid mij zacht, maar wil niet drijven.Sta mij bij en steun mij, Brand!Zeg de dingen zacht, als ’t kan!Jij, die als Gods donder spreekt somsIn een hooge, plechtige ure,Als een ziel zelf aan moet dragenSteenen voor zijn levenskroon,…Heb jij ook geen zachte tonenOm het scherpe leed te dooven?Met een enkel woord dat opwekt,Een, dat wijst naar lichter dagen?God, dien jij mij leerde kennen,Is een koning in zijn burcht;Hoe zou ik hem durven naadrenMet mijn kleine moedersmart?Brand.Denk je makk’lijker te naadrenTot den God, dien je eertijds kende?Agnes.Nooit meer, nooit meer ga ’k terug!En toch is het vaak, alsof ikEen verlangen voel, daarheen,Waar het licht is, waar de zon schijnt,“Licht te heffen,zwaar te houden”,Klonk niet zoo de oude leuze?Al te groot zijn mij je rijken,Allesis mij hier te groot,Jij, je werk, je doel, je wezen,Al je willen, al je doen,’t Overhangend, rotsgevaarte,En het àl afsluitend water,Winterduister, strijd en droefheid,…’t Kerkje alleen is veel te klein.Brand(getroffen).’t Kerkje? Alweer die gedachte!Zweeft die thans hier in de lucht?Hoe te klein?Agnes(schudt droevig het hoofd).Hoe te klein?Hoe kan ik zoekenNaar een reden, met verstand.Komt niet stemming over iemandAls een geur’ge ademtocht?Waar van daan? En waarheen gaat ze?’t Is genoeg dat ’k haar gewaar word.En ik weet en voel het duidlijk …Veel te klein is hier ons kerkje.Brand.Droomen allen van hetzelfde?Al zoovelen die ’k ontmoetteWaren vol van die gedachte;Zelfs bij haar, die half waanzinnigRondloopt, stond die ook geschreven,“’t Is benauwd daar, want ’t is klein”Klonk het; ook zij kon geen redenVinden voor wat zij er voelde.Tal van vrouwen zeiden later:Veel te klein is onze dorpskerk!Deze klacht uit vrouwenmondenOp behoefte aan ruimte wijst …Agnes,… o, ik zie ’t zoo goed,Jij bent van God uitverkorenTot een engel op mijn pad;…Stil en zeker, in den blindeWeet je juist den weg te vinden,Waar ’k alléén het spoor verlies.Nooit kon dwaallichtschijn je lokken;D’eersten dag heb je al gewezenWaar mijn ware rijk moest liggen,…Hield terug mij, die wou stijgenHoog naar ’t blauwe luchtgewelf;Deed mij kijken in mij zelf,Diep, in ’t diepste van mijn wezen …Agnes, weer heb je gezegd’t Woord dat insloeg als een flits,…Mij geleid, waar ’k dwalend ging,Op mijn werk het licht doen vallen.Klein maar is des Heeren kerk hier;…Goed; dan maken wij die groot!Nooit zag ik zoo duidelijk nogWat mijn Schepper me in jou gaf.Daarom smeek ik, net als jij:Ga niet van mij weg, ik bid je!Agnes.’k Zal mijn droefheid van mij wegdoen,’k Zal mijn tranen drogen nu,’k Zal al mijn herinneringenSluiten als in ’t donker graf;En vergeten, als een zee,Zal er stroomen overheen;Ik zal ieder spoor uitwisschenVan mijn eens gedroomde wereld,Vrouw zijn voor jou, en niets meer.Brand.Opwaarts gaat de weg naar ’t hooge!Agnes.O, maar drijf mij niet met strengheid!Brand.Door mijn mond gebiedt een Hoog’re.Agnes.Een, van wien je zelf eens zei,Dat den goeden wil hij aanneemt,Ook waar soms de kracht ontbreekt.(wil gaan).Brand.Waarheen, Agnes?Agnes(glimlacht).Waarheen, Agnes?’t Huislijk werk mag’k Niet verzuimen, heden ’t minst.’t Vorig jaar, je weet nog wel,Zei je dat ik was verkwistend.’t Licht was op in alle luchters;Groen was ’t hier, en speelgoed hangend,Met nog meer moois, aan den kerstboom;Hier klonk blij gezang en lachen.Brand, ook nu zal ’k weer ontstekenAlle lichten voor den feestdag;Worden zal ’t zoo mooi als ’t kan,Voor het plechtig stille feest,Gluurt dan God de kamer in,Zal hij zien gestrafte kindren,Die deemoedig en gedwee,Volgzaam weten en begrijpenDat zij, moog’ hun vader toornen,Niet zijn feest verzuimen mogen.…Zie je nu nog iets van tranen?Brand(drukt haar aan zijn hart en laat haar dan weer los).Kind, steek licht aan; dat ’s jouw opdracht!Agnes(glimlacht droevig).Bouw jij dan een kerk, een groote;…Doe het gauw … nog vóór de lente!(Af.)Brand(kijkt haar na).Zoo gewillig in haar droefheid,Midden in het vuur der pijn;Zinkt haar kracht, ontvliedt de geest haar,Wilzij ’t offer brengen toch.Heer o sterk haar, geef haar kracht!En onthef mij van de opdrachtHaar door bittre wetsbetrachting,Als door hongrig woeste gieren’t Warme bloed doen uit te zuigen,Van ’t gemarteld moederhart.Ik ben krachtig, ik heb moed;Leg op mij den last voor beiden,…Wees voor haar alléén barmhartig!(Er wordt geklopt aan de gangdeur. De Baljuw komt binnen).De Baljuw.Hier ziet u een geslagen man.Brand.’n Geslagen man?De Baljuw.’n Geslagen man?Als zoo een kom ik.Uweet wel, toen ik van den zomerU drijven wilde uit het land,Voorspelde ik u niet juist het besteVan ’t nieuwe strijdplan tusschen ons …Brand.Nu ja?De Baljuw.Nu ja?Maar ondanks al mijn recht,Wil ik niet langer vijandschap.Brand.Waarom?De Baljuw.Waarom?Omdat u heeft demeesten.Brand.Heb ik?De Baljuw.Heb ik?Dat weet u toch wel zelf;Uzoekt het volk van heinde en ver;Hier is, althans de laatste maanden,Een geest gekomen over ’t dorp,Die, God weet ’t, niet de mijne is.En daaruit trek ik het besluitDat die van u is uitgegaan.Hier is mijn hand, wij sluiten vrede!Brand.Een strijd als de onze eindigt nietVóór één van ons verslagen is.De Baljuw.Wat wil u meer dan vrede nogEn minnelijke schikking, zeg?Ik sla geen verz’nen tegen prikkels;Ik ben maar een gewone man;Als op zijn borst de punt gericht isVan ’s vijands speer, geeft men het op;Daartegen baat geen stok alleen;Dan ruimt men beter gauw het veld,En staat als strijder men verlatenDan is ’t verstandigst maar te wijken.Brand.Twee dingen zijn hier wel te onthouden:Eerst dat u mij den sterkste noemt;Ik heb de meesten …De Baljuw.Ik heb de meesten …O, beslist!Brand.Ja, mooglijk nu nog; maar als ’t ooitTot ’n groot en ernstig offer komt …Wie heeft de macht in handen dan?De Baljuw.Een ernstig offer? Lieve God,Dat zal u hier wel nooit beleven!In ’t ergst geval komt ’t dáárop neerDat zij eens tasten in de zakken.De tijden zijn humaan en willenGeen offer meer van andre dingen.En ’t hinderlijkst in deze zaak isDat ’k zelf behoor tot ’t aantal, dat’t Humane op den voorgrond drong,En daardoor de offerzucht verzwakte,Zoodat men nu wel zeggen kanDat ik mij zelf ten offer bracht,…In elk geval dat ’k bond het rijsTot ’n roe, waarmee men mij nu slaan wil.Brand.Dat u gelijk heeft, kan gebeuren.Maar voor de rest begrijp ik nietDat u ’t nu al verloren geeft.Of roe of geen roe, dat beduidt niets.Een man is voor zijn taak gemaakt;Zijn doel moet hem het Paradijs zijn!En tusschen dàt en hem moog’ stroomenEen zee,… ligt Satans land nabij,Mag hij dan roepen: ’t gaat niet aan …De weg ter helle is veel korter?!De Baljuw.Hierop moet ’k zeggen ja, en neen;Een mensch moet ergens toch wel landen,…En ziet hij zijn vergeefsche pogen,Dan zoekt hij andre wegen op.’t Is eenmaal zoo, men wil vergoedingVoor klein werk of voor grooten arbeid;En wint men ’t niet met eerlijk strijden,Dan tracht men slinksch er toch te komen.Brand.Maar nimmermeer wordtzwarttochwit!De Baljuw.Maar, lieve vriend, wat helpt het uOm iets zoo wit als sneeuw te noemen,Als allen zwart als sneeuw nu roepen?Brand.U roept misschien wel mee?De Baljuw.U roept misschien wel mee?Och neen,…Ik zeg nietzwart, maar lievergrijs.Humaan is ’t wachtwoord; ’t volk wil niet meerHardhandig worden aangegrepen.Bedenk, wij zijn in een vrij land;Hier mag een ieders meening gelden.Hoe zou dan één man tegen allenDoen uitspraak over zwart of wit?…In ’t kort, omdát u heeft de meestenIs u de man die bovenaan staat.Ik sluit mij evenals de andren,Nu bij u aan, zoo goed als ’t gaat,En hoop dat niemand ’t euvel duideDat ik niet tot het uiterst streed.’t Volk oordeelt nu, ik zie het best,Mijn werk als onbeduidend, min;Zij achten één ding nu méér noodigDan jaar op jaar d’ oogst te vermeerdren!Niet meer gewillig draagt zijn deelEen ieder bij waar ’t wezen moet,…En als de wil niet mee in ’t spel isDan is een zaak van zelf verloren …Het valt wel hard, dat kan u denken,Het plan voor wegen en voor bruggen,Het dempen van moerassen, plassen,En nog veel meer, nu op te geven.Maar, lieve God, wat zal men zeggen,Wie niet kan winnen moet maar wijken,Geduldig wachten, wijslijk zwijgen,En alles van den tijd maar hopen.Nu,… ik verloor de gunst van ’t volkZooals ik die gewonnen had;Dus moet ik nu langs andre wegenHet mijne zien terug te krijgen.Brand.Maar was ’t dan om de gunst van ’t volkDat u die werken alle deed?De Baljuw.Neen, waarlijk niet, dat was het niet;Ik wou ten algemeene nutteVoor ’t dorp het beste, dat alleen.Maar niet ontken ik, dat in ’t spel wasOok hoop op weervergelding eens,Voor welvolbracht werk, met ter tijd.Zoo is het toch: een werkzaam mensch,Met gaven en gezond verstand,Wil vruchten van zijn werken zien,Niet steunend door het leven gaanTer wille van een hoog idee.Ik kan ook met den besten wil nietNalatig zijn voor eigen goed,En andren off’ren al mijn kracht.Ik zit tehuis op zware lasten;Ik heb een vrouw, verscheiden dochters,Die geldt mijn zorg het allermeest;…Beginslen lesschen niemands dorst,Beginslen stillen niemands honger,Waar men, als ik, het huis zoo vol heeft;En mocht mij iemand zijn verwondringDaarover uiten, zeg ik dit:Dat hij als huisvader niet deugt.Brand.En nu is dus uw plan?…De Baljuw.En nu is dus uw plan?…Te bouwen.Brand.Te bouwen, zegt u?De Baljuw.Te bouwen, zegt u?Juist, jawel,…Tot heil van ’t dorp en van mijzelf.Eerst wil ’k mijn reputatie weerOpbouwen, die ’k hier vroeger had;…Verkiezingstijd staat voor de deur;Dus neem ’k mijn toevlucht tot iets groots,Ga ’t plan daarvoor vast kenbaar maken,Dan word ik wel weer gauw het haantje,En valt de keus wel weer op mij.Nu heb ik zoo gedacht … men kanOnmooglijk tégen stroom op roeien.’t Volk wil, zooals ’t nu heet, verheffing;Dat is iets waar ik toch niet bij kan;Ik help het maar zoowat vooruit;Maar zoo iets moet vriendschaplijk gaan,En allen zijn nu tegen mij.Kijk, daarom ben ’k na rijp beradenTot ’t plan gekomen, om als ’t gaat,Den vloek der armoe te bestrijden.Brand.Uitroeien wil u die?De Baljuw.Uitroeien wil u die?O neen;…Die is toch een noodzaaklijk kwaadDer maatschappij, en onvermijdlijk;Doch wel te leiden, te beperkenMet handigheid, tot zeekre vormen,Zoo wij maar tijdig er op letten.Wij weten ’t, armoe is de mestDie ’t best doet tieren alle kwaad;En die bemesting wil ’k beperken.Brand.Enhoedenkt u?De Baljuw.Enhoedenkt u?Kan u ’t niet raden?Voldoende aan een diep gevoeldeBehoefte van de heele omgeving,Bouw ’k voor de armoe hier een pesthuis;Ja, ’n pesthuis, zeg ik, met bedoeling,Daar het besmetting weren moet.Aan dat gebouw, was mijn idee zoo,Moest een arresthuis zijn verbonden,Zoodat hier oorzaak en gevolgTe zamen worden opgesloten,Doch door een tusschenmuur gescheiden.En als ’k nu toch eens aan den gang ben,Dacht ik ook nog er bij te bouwenEen vleugel … onder ’t zelfde dak …Met ’n zaal voor feesten, ’n bijeenkomst,Voor ernst of kortswijl te gebruiken,Met een katheder en veel ruimte,…Een mooie, politieke feestzaal.Brand.Hard noodig is vooral het laatste;Maar ’k weet iets, daar ’s nog meer gebrek aan.De Baljuw.Dacht u soms aan ’n asyl voor gekken?Ja, zeker; dat ’s hard noodig ook.Dat was aanvankelijk mijn gedachte,Maar na wat overleg met andrenKwam ’k van dat denkbeeld weer terug;Want hoe aan middelen te komenVoor zoo’n geweldig groot gebouw?Want g’loof mij, zoo’n gesticht zou kostenEen buitensporig groote som,Als iedereen die ’t noodig heeftEen onderkomen daar moet vinden.Men moet vertrouwen op den tijd,Niet enkel bouwen voor zich zelf,…Met reuzenschreden ging ’t vooruitVerleden jaar, dit jaar zoo niet;…U ziet hoe alle volksbelangenVerbazend al zijn uitgegroeid;Met zevenmijlslaarze’, als behekst,Ontwiklen krachten zich en gaven,In alle mogelijke vakken.’t Zou dus een al te dure grap zijnOns nageslacht plaats te bezorgen,Voor zich, met kindren en met vrouwen.En daarom zeg ik: lieve God,Die tand, die trekken wij maar uit!Brand.En wordt eens iemand al te gekDan heeft u toch de groote zaal.De Baljuw(tevreden).Ja, die zal meestentijds toch leeg staan!Die inval, Brand, was waarlijk snedig!Als ’t bouwplan nu maar niet verong’lukt,Dan krijgen wij ’t gesticht nog gratis,Verzaamlen onder ’t zelfde dak,Beveiligd door dezelfde vlag,De wezenlijke elementen,Die voor ons dorp kenmerkend zijn;Daar hebben we onze armoedzaaiers,Met heel den schurkentroep er bij,Krankzinnigen, die los en vrijRondliepen zonder hulp of tucht,…En dan de vrucht van onze vrijheid,Verkiezingsstrijd met knappe reednaars,Een raadzaal waar wij overleggen,Wat dienen kan tot nut van ’t dorp,…Een feestzaal, waar met volle glazenWij blij herdenken ’t voorgeslacht.Als dus de zaak niet valt in duigen,Krijgt hier de zoon der bergen allesWat hij met billijkheid kan eischen,Om recht naar eigen zin te leven.Helaas, de streek hier is niet rijk;Maar staat eerst dat gemeenschapshuis,Dan, denk ik, kan men ’t noemen hierMet recht, een welbestuurd distrikt.Brand.Maar ’t geld …?De Baljuw.Maar ’t geld …?Ja juist, daar zit de knoop,In deze zaak als in de meeste;De lust is zwak om bij te dragen,En zoo u mij uw hulp onthoudtDan kan ik ook de vlag wel strijken.Maar steunt u met uw machtig woordMijn plan, dan zal het wel gelukken,…En komt het dan eenmaal tot standZal ik u waarlijk niet vergeten.Brand.Dus ’t is uw plan mij om te koopen?De Baljuw.Ik zou het liever anders noemen …Voor beiden zou het, naar ik meen,De tweedracht, die er als een kloofTot nu toe tusschen ons bestaan heeft,Tot beider voordeel kunnen dempen.Brand.Dan heeft u slecht uw tijd gekozen …De Baljuw.Ach ja, ik weet wel, ’t groote leed,Dat pas uw ouderhart gewond heeft;Uw kalmte echter deed mij ’t wagen;En de behoefte aan vasten steun …Brand.Zoowel in vreugde als in leed,Ben ik bereid, waar ’t noodig zijn mocht;Maar om een andre reden doetU dezen keer vergeefsche moeite.De Baljuw.Die reden is …?Brand.Die reden is …?Ik zelf wil bouwen.De Baljuw.Wat! Bouwen? Neemt u mij mijn plan?Brand.Niet heelemaal.(wijst naar buiten).Niet heelemaalKijk, ziet u ginds …?De Baljuw.Dáár?Brand.Dáár?… Ja.De Baljuw.Dáár? … Ja.Dat groote houten huis?Dat is immers uw koeienstal?Brand.Neen, dàt niet;… ’tkleinehouten huisje.De Baljuw.Wat! ’t Kerkje!Brand(knikt).Wat! ’t Kerkje!Dàt wil ik verbouwen.De Baljuw.Dat zal waarachtig niet gebeuren!Aan ’t kerkje zal mij niemand raken;…’t Is om den voet mij dwars te zetten;Mijn plan is klaar en daar is haast bij;Maar ’t uwe werpt mij uit het zadel;En beide te gelijk, dat gaat niet,…Geef toe dus …!Brand.Geef toe dus …!Dàt deed ik nog nimmer.De Baljuw.Numoetu ’t doen! Bouw mijn arresthuisMet ’t pesthuis en de groote feestzaal,In ’t kort, ’t gesticht … om zoo te zeggen,…Wie vraagt dan naar ’t vervallen kerkje?En waarom moet dat nu verbouwd?Het was toch vroeger groot genoeg.Brand.Wel mooglijk; maar nù is ’t te klein.De Baljuw.Maarikheb ’t toch nooit vol gezien!Brand.Een enkle ziel zelfs kan daarbinnenGeen ruimte voor verheffing vinden.De Baljuw(schudt verwonderd het hoofd).Waarmee die enkle ziel ’t bewijs geeftHoe noodig hier mijn gekkenhuis is.(op anderen toon).Laat ’t kerkje staan, laat mij u raden;Men kan het tot op zeekre hoogte,Een oud eerwaardig erfstuk noemen.Hetiseen erfstuk, onvervreemdbaar,…En ’t wordt niet om een nuk vernietigd!Al valt mijn bouwplan in het water,Zal ’k, als een Phoenix uit zijn assche,Herrijzen in de gunst van ’t volk hier!Ik kom òp als de ridder koen,Voor ’t monument hier op ons strand!Hier was eertijds een offerplaats,…Dat was in koning Beles dagen;En daar verrees de kerk toen laterUit vromer helden roof en buit.Eerwaardig in haar simple pracht,Hoogheilig in haar oude dracht,Stond trotsch zij tot in onze dagen …

Kerstavond in de pastorie. De kamer is donker. Deur in den achtergrond. Aan den éénen kant een raam, aan den anderen een deur.

Agnes, in het zwart gekleed, staat bij het raam en kijkt uit in de duisternis.

Agnes.Nog altijd niet! Nog altijd niet!…O, hoe zwaar is het te wachten,…’t Om hem roepend zielsverlangenTe doen zwijgen, zonder antwoord!Zacht en dicht valt stil de sneeuw,Heeft als met een kleed van donsWit omhuld het oude kerkje …(luistert).Wacht! Daar hoor ik ’t grind toch knarsen!Vaste stappen; ’n mannestap;(snelt naar de deur en maakt die open).Brand, ben jij ’t? O, kom gauw hier!

Agnes.

Nog altijd niet! Nog altijd niet!…

O, hoe zwaar is het te wachten,…

’t Om hem roepend zielsverlangen

Te doen zwijgen, zonder antwoord!

Zacht en dicht valt stil de sneeuw,

Heeft als met een kleed van dons

Wit omhuld het oude kerkje …(luistert).

Wacht! Daar hoor ik ’t grind toch knarsen!

Vaste stappen; ’n mannestap;

(snelt naar de deur en maakt die open).

Brand, ben jij ’t? O, kom gauw hier!

(Brand komt binnen, besneeuwd, in reisjas, die hij onder het volgende aflegt).

Agnes(slaat de armen om hem heen).O wat lang ben je uitgebleven!Niet meer weg gaan! Niet meer weg gaan!Ben ’k alleen dan kan ’k de zwarteSombre spoken niet ontkomen!Wat een nachten, wat een dagenZijn die twee voor mij geweest!

Agnes(slaat de armen om hem heen).

O wat lang ben je uitgebleven!

Niet meer weg gaan! Niet meer weg gaan!

Ben ’k alleen dan kan ’k de zwarte

Sombre spoken niet ontkomen!

Wat een nachten, wat een dagen

Zijn die twee voor mij geweest!

Brand.Kind, nu ben ik toch weer bij je!(steekt een enkel licht aan dat een zwak schijnsel in de kamer werpt).Je bent bleek.

Brand.

Kind, nu ben ik toch weer bij je!(steekt een enkel licht aan dat een zwak schijnsel in de kamer werpt).

Je bent bleek.

Agnes.Je bent bleek.En moe en dof.’k Heb verlangd en uitgekeken …En wat groen bijeen gebonden,…’n Beetje! wat ik zelf gekweekt heb,En bewaard nog, van den zomer,Om den kerstboom te versieren.’t Struikje was voor hem bestemd;En hij kreeg ’t dan ook … als krans!(barst in tranen uit).Kijk, nu ligt de sneeuw al hoog opHem … o God …

Agnes.

Je bent bleek.En moe en dof.

’k Heb verlangd en uitgekeken …

En wat groen bijeen gebonden,…

’n Beetje! wat ik zelf gekweekt heb,

En bewaard nog, van den zomer,

Om den kerstboom te versieren.

’t Struikje was voor hem bestemd;

En hij kreeg ’t dan ook … als krans!(barst in tranen uit).

Kijk, nu ligt de sneeuw al hoog op

Hem … o God …

Brand.Hem … o God …Op ’t kerkhof ginder.

Brand.

Hem … o God …Op ’t kerkhof ginder.

Agnes.O, dat woord!

Agnes.

O, dat woord!

Brand.O, dat woord!Droog nu je tranen.

Brand.

O, dat woord!Droog nu je tranen.

Agnes.Ja, och ja … maar wees geduldig;Heel mijn ziel is nog als bloedendVan een pas geslagen wond,Al mijn kracht van wil verzwond;…O, het zal wel beter worden;Als deez’ dagen maar voorbij zijnZal je nooit meer klachten hooren.

Agnes.

Ja, och ja … maar wees geduldig;

Heel mijn ziel is nog als bloedend

Van een pas geslagen wond,

Al mijn kracht van wil verzwond;…

O, het zal wel beter worden;

Als deez’ dagen maar voorbij zijn

Zal je nooit meer klachten hooren.

Brand.Moet je zóó Gods feestdag eeren?

Brand.

Moet je zóó Gods feestdag eeren?

Agnes.Neen, och neen … maar wees geduldig!Denk toch hoe ’t verleden jaar was,En van ’t jaar al weg gedragen …Naar het …(huivert om het woord uit te spreken).

Agnes.

Neen, och neen … maar wees geduldig!

Denk toch hoe ’t verleden jaar was,

En van ’t jaar al weg gedragen …

Naar het …(huivert om het woord uit te spreken).

Brand(vast).Naar het …(huivert om het woord uit te spreken).Naar het kerkhof ginder.

Brand(vast).

Naar het …(huivert om het woord uit te spreken).Naar het kerkhof ginder.

Agnes(met een kreet).Noem het niet!

Agnes(met een kreet).

Noem het niet!

Brand.Noem het niet!Uit volle borst juistMoetik ’t noemen als je ’t vreest!Noemenmoetik ’t, dat het klinkeAls een golfslag tegen ’t hout!

Brand.

Noem het niet!Uit volle borst juist

Moetik ’t noemen als je ’t vreest!

Noemenmoetik ’t, dat het klinke

Als een golfslag tegen ’t hout!

Agnes.Zelf meer dan je wel wilt wetenLijdt je onder ’t wreede woord;Op je voorhoofd zie ’k de sporenVan het zweet dat het je kost.

Agnes.

Zelf meer dan je wel wilt weten

Lijdt je onder ’t wreede woord;

Op je voorhoofd zie ’k de sporen

Van het zweet dat het je kost.

Brand.Deze druppels op mijn voorhoofdZijn maar schuim van ’t zilte water.

Brand.

Deze druppels op mijn voorhoofd

Zijn maar schuim van ’t zilte water.

Agnes.Is de druppel in je oog ook’n Sneeuwvlok, dalend van de hoogte?Neen, o neen, die is te warm;Je eigen boezem is de bron!

Agnes.

Is de druppel in je oog ook

’n Sneeuwvlok, dalend van de hoogte?

Neen, o neen, die is te warm;

Je eigen boezem is de bron!

Brand.Agnes, vrouw, kom laat ons beidenSterk zijn, strijden tegen ’t leed,Met vereende krachten trachtenTe overwinnen, langzaam aan.O, ik was een man ginds buiten!’t Water sloeg over de klippen,Angstig dook de zeemeeuw onder,Hagel teisterde mijn bootje,Joeg ons voort in ’t ziedend water,Mast en touwwerk kraakten fluitend,Fokzeil scheurde aan flarden, woeiVer in ’t schuim weg van de vaargeul,Iedre spijker kraste en knarste;…Telkens donderden lawinenVan de hoogte, aan beide kanten;Roerloos zat het achttal mannen,Riemen stil, als lijken vóór mij.O, toenvoeldeik mij weer groeien,Ikwas ’t die aan ’t roer bevel gaf,’k Voelde dat God zelf mij wijddeTot mijn werk, het duurgekochte.

Brand.

Agnes, vrouw, kom laat ons beiden

Sterk zijn, strijden tegen ’t leed,

Met vereende krachten trachten

Te overwinnen, langzaam aan.

O, ik was een man ginds buiten!

’t Water sloeg over de klippen,

Angstig dook de zeemeeuw onder,

Hagel teisterde mijn bootje,

Joeg ons voort in ’t ziedend water,

Mast en touwwerk kraakten fluitend,

Fokzeil scheurde aan flarden, woei

Ver in ’t schuim weg van de vaargeul,

Iedre spijker kraste en knarste;…

Telkens donderden lawinen

Van de hoogte, aan beide kanten;

Roerloos zat het achttal mannen,

Riemen stil, als lijken vóór mij.

O, toenvoeldeik mij weer groeien,

Ikwas ’t die aan ’t roer bevel gaf,

’k Voelde dat God zelf mij wijdde

Tot mijn werk, het duurgekochte.

Agnes.Licht is ’t pal te staan in storm,Licht te strijden in gevaar;O, maar denk aan mij, die hier zitStil, met droef heids treurig kweelen,Die niet weet den tijd te doodenOf ik ’t nog zoo graag ook wil;Denk aan mij, van strijd verstoken,Door geen daden aangevuurd;Denk aan mij, wie maar een simple,Kleine taak is opgelegd;Denk aan mij: ’k kan niet vergeten,Zit alleen … mag niet herdenken!

Agnes.

Licht is ’t pal te staan in storm,

Licht te strijden in gevaar;

O, maar denk aan mij, die hier zit

Stil, met droef heids treurig kweelen,

Die niet weet den tijd te dooden

Of ik ’t nog zoo graag ook wil;

Denk aan mij, van strijd verstoken,

Door geen daden aangevuurd;

Denk aan mij, wie maar een simple,

Kleine taak is opgelegd;

Denk aan mij: ’k kan niet vergeten,

Zit alleen … mag niet herdenken!

Brand.Een geringe taak maar, jij?Nooit was die zoo groot als nu.Hoor, ik zal je eens iets zeggenDat in smart mij overkwam.Dikwijls wordt mijn oog beneveld,Stil mijn denken, zacht mijn ziel.Dan is ’t of er schuilde vreugdeIn te kunnen schreien, schreien.Agnes,… kijk dan zie ik GodZoo nabij, als nooit te voren,…Zoo nabij, dat het mij schijntOf ik rechtstreeks hem kon naadren.En ik smacht om mij te werpenAan zijn boezem, als zijn kind;Om mij vast omkneld te voelenDoor zijn sterken vaderarm.

Brand.

Een geringe taak maar, jij?

Nooit was die zoo groot als nu.

Hoor, ik zal je eens iets zeggen

Dat in smart mij overkwam.

Dikwijls wordt mijn oog beneveld,

Stil mijn denken, zacht mijn ziel.

Dan is ’t of er schuilde vreugde

In te kunnen schreien, schreien.

Agnes,… kijk dan zie ik God

Zoo nabij, als nooit te voren,…

Zoo nabij, dat het mij schijnt

Of ik rechtstreeks hem kon naadren.

En ik smacht om mij te werpen

Aan zijn boezem, als zijn kind;

Om mij vast omkneld te voelen

Door zijn sterken vaderarm.

Agnes.Brand,… o, zie hem altijd zoo,…Als de God je zoo nabij …Minder Heer, maar meer als Vader!

Agnes.

Brand,… o, zie hem altijd zoo,…

Als de God je zoo nabij …

Minder Heer, maar meer als Vader!

Brand.’k Mag niet, Agnes; niet versperrenVoor zijn eigen werk den weg;Ik moet groot hem zien en sterk.Reuzengroot … dat eischt het heden,Juist omdat het zelf zoo klein is.O, maar jij kunt hem zoo zien,Als een vader zacht en teer,In zijn arm je hoofd neervlijen,Rusten, rusten, ben je moe,En verlicht weer van hem gaan,Met zijn glans nog in je oogen,…Breng tot mij zijn glorieschijnWaar ik lijdend, strijdend sta.Zie je, Agnes, zóo te deelenIs de kern van ’t ware huwlijk;De één moet strijden, zich verweren,De andre alle wonden heelen;Dàn eerst kan met volle recht’t Heeten dat de twee zijn één.Sedert jij het wereldsch levenOpgaf, om mijn vrouw te worden,Je eigen leven vrij te leven,Rust er op jou deze taak;Ik moet strijden, of ’k ook val;Op ten kamp, in zonnehitte,Staan op wacht in nacht en koude,…Jij moet reiken mij den vollenLiefdebeker, laafnis biedend,Hullen mij in teerheid zachtOnder ’t pantser, als een vacht;…O, je taak is géén geringe!

Brand.

’k Mag niet, Agnes; niet versperren

Voor zijn eigen werk den weg;

Ik moet groot hem zien en sterk.

Reuzengroot … dat eischt het heden,

Juist omdat het zelf zoo klein is.

O, maar jij kunt hem zoo zien,

Als een vader zacht en teer,

In zijn arm je hoofd neervlijen,

Rusten, rusten, ben je moe,

En verlicht weer van hem gaan,

Met zijn glans nog in je oogen,…

Breng tot mij zijn glorieschijn

Waar ik lijdend, strijdend sta.

Zie je, Agnes, zóo te deelen

Is de kern van ’t ware huwlijk;

De één moet strijden, zich verweren,

De andre alle wonden heelen;

Dàn eerst kan met volle recht

’t Heeten dat de twee zijn één.

Sedert jij het wereldsch leven

Opgaf, om mijn vrouw te worden,

Je eigen leven vrij te leven,

Rust er op jou deze taak;

Ik moet strijden, of ’k ook val;

Op ten kamp, in zonnehitte,

Staan op wacht in nacht en koude,…

Jij moet reiken mij den vollen

Liefdebeker, laafnis biedend,

Hullen mij in teerheid zacht

Onder ’t pantser, als een vacht;…

O, je taak is géén geringe!

Agnes.Al wat ik zoek te volbrengenIs te zwaar voor mijne krachten;Al mijn denken, al mijn zinnenTrekt zich samen om dat eéne.Alles is nog als een droom.Laat mij klagen, laat mij schreien.Help mij zoo om weer te vindenEn mij zelf, èn ook mijn plicht …Brand, van nacht toen ik alleen wasKwam hij in mijn kamer hier;Frisch en blozend was zijn wang;Luchtig in zijn dunne kleedjeKwam hij aangetrippeld daar,Naar mijn bed, waarop ik rustte;Strekte naar mij uit zijn armpjes;Riep zijn moeder met een lachje,…Maar alsof hij smeekte om warmte!Ja, ik zag het! ’k Rilde er van!

Agnes.

Al wat ik zoek te volbrengen

Is te zwaar voor mijne krachten;

Al mijn denken, al mijn zinnen

Trekt zich samen om dat eéne.

Alles is nog als een droom.

Laat mij klagen, laat mij schreien.

Help mij zoo om weer te vinden

En mij zelf, èn ook mijn plicht …

Brand, van nacht toen ik alleen was

Kwam hij in mijn kamer hier;

Frisch en blozend was zijn wang;

Luchtig in zijn dunne kleedje

Kwam hij aangetrippeld daar,

Naar mijn bed, waarop ik rustte;

Strekte naar mij uit zijn armpjes;

Riep zijn moeder met een lachje,…

Maar alsof hij smeekte om warmte!

Ja, ik zag het! ’k Rilde er van!

Brand.Agnes!

Brand.

Agnes!

Agnes.Agnes!Ja,… het kind leed koû!Och, dat moet ook wel daar buiten,Op die koude planken liggend!

Agnes.

Agnes!Ja,… het kind leed koû!

Och, dat moet ook wel daar buiten,

Op die koude planken liggend!

Brand.’tLijkligt onder sneeuw begraven;’t Kind zelf steeg op naar den hemel.

Brand.

’tLijkligt onder sneeuw begraven;

’t Kind zelf steeg op naar den hemel.

Agnes(wijkt terug).O, wat woel je in de wondeOnbarmhartig, onmeedoogend!Dat, wat ruw jij ’tlijknoemt, is nogAltijd voor mijn hart mijnkind.Ziel en lichaam vielen beiden,En ik kan niet, zooals jij,Van elkaar die beiden scheiden;Eén zijn deze twee te zamen;Alf, daar onder ’t sneeuwdek slapend,Is mijn Alf ook van daarboven!

Agnes(wijkt terug).

O, wat woel je in de wonde

Onbarmhartig, onmeedoogend!

Dat, wat ruw jij ’tlijknoemt, is nog

Altijd voor mijn hart mijnkind.

Ziel en lichaam vielen beiden,

En ik kan niet, zooals jij,

Van elkaar die beiden scheiden;

Eén zijn deze twee te zamen;

Alf, daar onder ’t sneeuwdek slapend,

Is mijn Alf ook van daarboven!

Brand.Meen’ge wond nog moet er bloedenEer je smart genezen zal.

Brand.

Meen’ge wond nog moet er bloeden

Eer je smart genezen zal.

Agnes.Ja, maar heb dan ook geduld;…Leid mij zacht, maar wil niet drijven.Sta mij bij en steun mij, Brand!Zeg de dingen zacht, als ’t kan!Jij, die als Gods donder spreekt somsIn een hooge, plechtige ure,Als een ziel zelf aan moet dragenSteenen voor zijn levenskroon,…Heb jij ook geen zachte tonenOm het scherpe leed te dooven?Met een enkel woord dat opwekt,Een, dat wijst naar lichter dagen?God, dien jij mij leerde kennen,Is een koning in zijn burcht;Hoe zou ik hem durven naadrenMet mijn kleine moedersmart?

Agnes.

Ja, maar heb dan ook geduld;…

Leid mij zacht, maar wil niet drijven.

Sta mij bij en steun mij, Brand!

Zeg de dingen zacht, als ’t kan!

Jij, die als Gods donder spreekt soms

In een hooge, plechtige ure,

Als een ziel zelf aan moet dragen

Steenen voor zijn levenskroon,…

Heb jij ook geen zachte tonen

Om het scherpe leed te dooven?

Met een enkel woord dat opwekt,

Een, dat wijst naar lichter dagen?

God, dien jij mij leerde kennen,

Is een koning in zijn burcht;

Hoe zou ik hem durven naadren

Met mijn kleine moedersmart?

Brand.Denk je makk’lijker te naadrenTot den God, dien je eertijds kende?

Brand.

Denk je makk’lijker te naadren

Tot den God, dien je eertijds kende?

Agnes.Nooit meer, nooit meer ga ’k terug!En toch is het vaak, alsof ikEen verlangen voel, daarheen,Waar het licht is, waar de zon schijnt,“Licht te heffen,zwaar te houden”,Klonk niet zoo de oude leuze?Al te groot zijn mij je rijken,Allesis mij hier te groot,Jij, je werk, je doel, je wezen,Al je willen, al je doen,’t Overhangend, rotsgevaarte,En het àl afsluitend water,Winterduister, strijd en droefheid,…’t Kerkje alleen is veel te klein.

Agnes.

Nooit meer, nooit meer ga ’k terug!

En toch is het vaak, alsof ik

Een verlangen voel, daarheen,

Waar het licht is, waar de zon schijnt,

“Licht te heffen,zwaar te houden”,

Klonk niet zoo de oude leuze?

Al te groot zijn mij je rijken,

Allesis mij hier te groot,

Jij, je werk, je doel, je wezen,

Al je willen, al je doen,

’t Overhangend, rotsgevaarte,

En het àl afsluitend water,

Winterduister, strijd en droefheid,…

’t Kerkje alleen is veel te klein.

Brand(getroffen).’t Kerkje? Alweer die gedachte!Zweeft die thans hier in de lucht?Hoe te klein?

Brand(getroffen).

’t Kerkje? Alweer die gedachte!

Zweeft die thans hier in de lucht?

Hoe te klein?

Agnes(schudt droevig het hoofd).Hoe te klein?Hoe kan ik zoekenNaar een reden, met verstand.Komt niet stemming over iemandAls een geur’ge ademtocht?Waar van daan? En waarheen gaat ze?’t Is genoeg dat ’k haar gewaar word.En ik weet en voel het duidlijk …Veel te klein is hier ons kerkje.

Agnes(schudt droevig het hoofd).

Hoe te klein?Hoe kan ik zoeken

Naar een reden, met verstand.

Komt niet stemming over iemand

Als een geur’ge ademtocht?

Waar van daan? En waarheen gaat ze?

’t Is genoeg dat ’k haar gewaar word.

En ik weet en voel het duidlijk …

Veel te klein is hier ons kerkje.

Brand.Droomen allen van hetzelfde?Al zoovelen die ’k ontmoetteWaren vol van die gedachte;Zelfs bij haar, die half waanzinnigRondloopt, stond die ook geschreven,“’t Is benauwd daar, want ’t is klein”Klonk het; ook zij kon geen redenVinden voor wat zij er voelde.Tal van vrouwen zeiden later:Veel te klein is onze dorpskerk!Deze klacht uit vrouwenmondenOp behoefte aan ruimte wijst …Agnes,… o, ik zie ’t zoo goed,Jij bent van God uitverkorenTot een engel op mijn pad;…Stil en zeker, in den blindeWeet je juist den weg te vinden,Waar ’k alléén het spoor verlies.Nooit kon dwaallichtschijn je lokken;D’eersten dag heb je al gewezenWaar mijn ware rijk moest liggen,…Hield terug mij, die wou stijgenHoog naar ’t blauwe luchtgewelf;Deed mij kijken in mij zelf,Diep, in ’t diepste van mijn wezen …Agnes, weer heb je gezegd’t Woord dat insloeg als een flits,…Mij geleid, waar ’k dwalend ging,Op mijn werk het licht doen vallen.Klein maar is des Heeren kerk hier;…Goed; dan maken wij die groot!Nooit zag ik zoo duidelijk nogWat mijn Schepper me in jou gaf.Daarom smeek ik, net als jij:Ga niet van mij weg, ik bid je!

Brand.

Droomen allen van hetzelfde?

Al zoovelen die ’k ontmoette

Waren vol van die gedachte;

Zelfs bij haar, die half waanzinnig

Rondloopt, stond die ook geschreven,

“’t Is benauwd daar, want ’t is klein”

Klonk het; ook zij kon geen reden

Vinden voor wat zij er voelde.

Tal van vrouwen zeiden later:

Veel te klein is onze dorpskerk!

Deze klacht uit vrouwenmonden

Op behoefte aan ruimte wijst …

Agnes,… o, ik zie ’t zoo goed,

Jij bent van God uitverkoren

Tot een engel op mijn pad;…

Stil en zeker, in den blinde

Weet je juist den weg te vinden,

Waar ’k alléén het spoor verlies.

Nooit kon dwaallichtschijn je lokken;

D’eersten dag heb je al gewezen

Waar mijn ware rijk moest liggen,…

Hield terug mij, die wou stijgen

Hoog naar ’t blauwe luchtgewelf;

Deed mij kijken in mij zelf,

Diep, in ’t diepste van mijn wezen …

Agnes, weer heb je gezegd

’t Woord dat insloeg als een flits,…

Mij geleid, waar ’k dwalend ging,

Op mijn werk het licht doen vallen.

Klein maar is des Heeren kerk hier;…

Goed; dan maken wij die groot!

Nooit zag ik zoo duidelijk nog

Wat mijn Schepper me in jou gaf.

Daarom smeek ik, net als jij:

Ga niet van mij weg, ik bid je!

Agnes.’k Zal mijn droefheid van mij wegdoen,’k Zal mijn tranen drogen nu,’k Zal al mijn herinneringenSluiten als in ’t donker graf;En vergeten, als een zee,Zal er stroomen overheen;Ik zal ieder spoor uitwisschenVan mijn eens gedroomde wereld,Vrouw zijn voor jou, en niets meer.

Agnes.

’k Zal mijn droefheid van mij wegdoen,

’k Zal mijn tranen drogen nu,

’k Zal al mijn herinneringen

Sluiten als in ’t donker graf;

En vergeten, als een zee,

Zal er stroomen overheen;

Ik zal ieder spoor uitwisschen

Van mijn eens gedroomde wereld,

Vrouw zijn voor jou, en niets meer.

Brand.Opwaarts gaat de weg naar ’t hooge!

Brand.

Opwaarts gaat de weg naar ’t hooge!

Agnes.O, maar drijf mij niet met strengheid!

Agnes.

O, maar drijf mij niet met strengheid!

Brand.Door mijn mond gebiedt een Hoog’re.

Brand.

Door mijn mond gebiedt een Hoog’re.

Agnes.Een, van wien je zelf eens zei,Dat den goeden wil hij aanneemt,Ook waar soms de kracht ontbreekt.(wil gaan).

Agnes.

Een, van wien je zelf eens zei,

Dat den goeden wil hij aanneemt,

Ook waar soms de kracht ontbreekt.(wil gaan).

Brand.Waarheen, Agnes?

Brand.

Waarheen, Agnes?

Agnes(glimlacht).Waarheen, Agnes?’t Huislijk werk mag’k Niet verzuimen, heden ’t minst.’t Vorig jaar, je weet nog wel,Zei je dat ik was verkwistend.’t Licht was op in alle luchters;Groen was ’t hier, en speelgoed hangend,Met nog meer moois, aan den kerstboom;Hier klonk blij gezang en lachen.Brand, ook nu zal ’k weer ontstekenAlle lichten voor den feestdag;Worden zal ’t zoo mooi als ’t kan,Voor het plechtig stille feest,Gluurt dan God de kamer in,Zal hij zien gestrafte kindren,Die deemoedig en gedwee,Volgzaam weten en begrijpenDat zij, moog’ hun vader toornen,Niet zijn feest verzuimen mogen.…Zie je nu nog iets van tranen?

Agnes(glimlacht).

Waarheen, Agnes?’t Huislijk werk mag

’k Niet verzuimen, heden ’t minst.

’t Vorig jaar, je weet nog wel,

Zei je dat ik was verkwistend.

’t Licht was op in alle luchters;

Groen was ’t hier, en speelgoed hangend,

Met nog meer moois, aan den kerstboom;

Hier klonk blij gezang en lachen.

Brand, ook nu zal ’k weer ontsteken

Alle lichten voor den feestdag;

Worden zal ’t zoo mooi als ’t kan,

Voor het plechtig stille feest,

Gluurt dan God de kamer in,

Zal hij zien gestrafte kindren,

Die deemoedig en gedwee,

Volgzaam weten en begrijpen

Dat zij, moog’ hun vader toornen,

Niet zijn feest verzuimen mogen.…

Zie je nu nog iets van tranen?

Brand(drukt haar aan zijn hart en laat haar dan weer los).Kind, steek licht aan; dat ’s jouw opdracht!

Brand(drukt haar aan zijn hart en laat haar dan weer los).

Kind, steek licht aan; dat ’s jouw opdracht!

Agnes(glimlacht droevig).Bouw jij dan een kerk, een groote;…Doe het gauw … nog vóór de lente!(Af.)

Agnes(glimlacht droevig).

Bouw jij dan een kerk, een groote;…

Doe het gauw … nog vóór de lente!(Af.)

Brand(kijkt haar na).Zoo gewillig in haar droefheid,Midden in het vuur der pijn;Zinkt haar kracht, ontvliedt de geest haar,Wilzij ’t offer brengen toch.Heer o sterk haar, geef haar kracht!En onthef mij van de opdrachtHaar door bittre wetsbetrachting,Als door hongrig woeste gieren’t Warme bloed doen uit te zuigen,Van ’t gemarteld moederhart.Ik ben krachtig, ik heb moed;Leg op mij den last voor beiden,…Wees voor haar alléén barmhartig!

Brand(kijkt haar na).

Zoo gewillig in haar droefheid,

Midden in het vuur der pijn;

Zinkt haar kracht, ontvliedt de geest haar,

Wilzij ’t offer brengen toch.

Heer o sterk haar, geef haar kracht!

En onthef mij van de opdracht

Haar door bittre wetsbetrachting,

Als door hongrig woeste gieren

’t Warme bloed doen uit te zuigen,

Van ’t gemarteld moederhart.

Ik ben krachtig, ik heb moed;

Leg op mij den last voor beiden,…

Wees voor haar alléén barmhartig!

(Er wordt geklopt aan de gangdeur. De Baljuw komt binnen).

De Baljuw.Hier ziet u een geslagen man.

De Baljuw.

Hier ziet u een geslagen man.

Brand.’n Geslagen man?

Brand.

’n Geslagen man?

De Baljuw.’n Geslagen man?Als zoo een kom ik.Uweet wel, toen ik van den zomerU drijven wilde uit het land,Voorspelde ik u niet juist het besteVan ’t nieuwe strijdplan tusschen ons …

De Baljuw.

’n Geslagen man?Als zoo een kom ik.

Uweet wel, toen ik van den zomer

U drijven wilde uit het land,

Voorspelde ik u niet juist het beste

Van ’t nieuwe strijdplan tusschen ons …

Brand.Nu ja?

Brand.

Nu ja?

De Baljuw.Nu ja?Maar ondanks al mijn recht,Wil ik niet langer vijandschap.

De Baljuw.

Nu ja?Maar ondanks al mijn recht,

Wil ik niet langer vijandschap.

Brand.Waarom?

Brand.

Waarom?

De Baljuw.Waarom?Omdat u heeft demeesten.

De Baljuw.

Waarom?Omdat u heeft demeesten.

Brand.Heb ik?

Brand.

Heb ik?

De Baljuw.Heb ik?Dat weet u toch wel zelf;Uzoekt het volk van heinde en ver;Hier is, althans de laatste maanden,Een geest gekomen over ’t dorp,Die, God weet ’t, niet de mijne is.En daaruit trek ik het besluitDat die van u is uitgegaan.Hier is mijn hand, wij sluiten vrede!

De Baljuw.

Heb ik?Dat weet u toch wel zelf;

Uzoekt het volk van heinde en ver;

Hier is, althans de laatste maanden,

Een geest gekomen over ’t dorp,

Die, God weet ’t, niet de mijne is.

En daaruit trek ik het besluit

Dat die van u is uitgegaan.

Hier is mijn hand, wij sluiten vrede!

Brand.Een strijd als de onze eindigt nietVóór één van ons verslagen is.

Brand.

Een strijd als de onze eindigt niet

Vóór één van ons verslagen is.

De Baljuw.Wat wil u meer dan vrede nogEn minnelijke schikking, zeg?Ik sla geen verz’nen tegen prikkels;Ik ben maar een gewone man;Als op zijn borst de punt gericht isVan ’s vijands speer, geeft men het op;Daartegen baat geen stok alleen;Dan ruimt men beter gauw het veld,En staat als strijder men verlatenDan is ’t verstandigst maar te wijken.

De Baljuw.

Wat wil u meer dan vrede nog

En minnelijke schikking, zeg?

Ik sla geen verz’nen tegen prikkels;

Ik ben maar een gewone man;

Als op zijn borst de punt gericht is

Van ’s vijands speer, geeft men het op;

Daartegen baat geen stok alleen;

Dan ruimt men beter gauw het veld,

En staat als strijder men verlaten

Dan is ’t verstandigst maar te wijken.

Brand.Twee dingen zijn hier wel te onthouden:Eerst dat u mij den sterkste noemt;Ik heb de meesten …

Brand.

Twee dingen zijn hier wel te onthouden:

Eerst dat u mij den sterkste noemt;

Ik heb de meesten …

De Baljuw.Ik heb de meesten …O, beslist!

De Baljuw.

Ik heb de meesten …O, beslist!

Brand.Ja, mooglijk nu nog; maar als ’t ooitTot ’n groot en ernstig offer komt …Wie heeft de macht in handen dan?

Brand.

Ja, mooglijk nu nog; maar als ’t ooit

Tot ’n groot en ernstig offer komt …

Wie heeft de macht in handen dan?

De Baljuw.Een ernstig offer? Lieve God,Dat zal u hier wel nooit beleven!In ’t ergst geval komt ’t dáárop neerDat zij eens tasten in de zakken.De tijden zijn humaan en willenGeen offer meer van andre dingen.En ’t hinderlijkst in deze zaak isDat ’k zelf behoor tot ’t aantal, dat’t Humane op den voorgrond drong,En daardoor de offerzucht verzwakte,Zoodat men nu wel zeggen kanDat ik mij zelf ten offer bracht,…In elk geval dat ’k bond het rijsTot ’n roe, waarmee men mij nu slaan wil.

De Baljuw.

Een ernstig offer? Lieve God,

Dat zal u hier wel nooit beleven!

In ’t ergst geval komt ’t dáárop neer

Dat zij eens tasten in de zakken.

De tijden zijn humaan en willen

Geen offer meer van andre dingen.

En ’t hinderlijkst in deze zaak is

Dat ’k zelf behoor tot ’t aantal, dat

’t Humane op den voorgrond drong,

En daardoor de offerzucht verzwakte,

Zoodat men nu wel zeggen kan

Dat ik mij zelf ten offer bracht,…

In elk geval dat ’k bond het rijs

Tot ’n roe, waarmee men mij nu slaan wil.

Brand.Dat u gelijk heeft, kan gebeuren.Maar voor de rest begrijp ik nietDat u ’t nu al verloren geeft.Of roe of geen roe, dat beduidt niets.Een man is voor zijn taak gemaakt;Zijn doel moet hem het Paradijs zijn!En tusschen dàt en hem moog’ stroomenEen zee,… ligt Satans land nabij,Mag hij dan roepen: ’t gaat niet aan …De weg ter helle is veel korter?!

Brand.

Dat u gelijk heeft, kan gebeuren.

Maar voor de rest begrijp ik niet

Dat u ’t nu al verloren geeft.

Of roe of geen roe, dat beduidt niets.

Een man is voor zijn taak gemaakt;

Zijn doel moet hem het Paradijs zijn!

En tusschen dàt en hem moog’ stroomen

Een zee,… ligt Satans land nabij,

Mag hij dan roepen: ’t gaat niet aan …

De weg ter helle is veel korter?!

De Baljuw.Hierop moet ’k zeggen ja, en neen;Een mensch moet ergens toch wel landen,…En ziet hij zijn vergeefsche pogen,Dan zoekt hij andre wegen op.’t Is eenmaal zoo, men wil vergoedingVoor klein werk of voor grooten arbeid;En wint men ’t niet met eerlijk strijden,Dan tracht men slinksch er toch te komen.

De Baljuw.

Hierop moet ’k zeggen ja, en neen;

Een mensch moet ergens toch wel landen,…

En ziet hij zijn vergeefsche pogen,

Dan zoekt hij andre wegen op.

’t Is eenmaal zoo, men wil vergoeding

Voor klein werk of voor grooten arbeid;

En wint men ’t niet met eerlijk strijden,

Dan tracht men slinksch er toch te komen.

Brand.Maar nimmermeer wordtzwarttochwit!

Brand.

Maar nimmermeer wordtzwarttochwit!

De Baljuw.Maar, lieve vriend, wat helpt het uOm iets zoo wit als sneeuw te noemen,Als allen zwart als sneeuw nu roepen?

De Baljuw.

Maar, lieve vriend, wat helpt het u

Om iets zoo wit als sneeuw te noemen,

Als allen zwart als sneeuw nu roepen?

Brand.U roept misschien wel mee?

Brand.

U roept misschien wel mee?

De Baljuw.U roept misschien wel mee?Och neen,…Ik zeg nietzwart, maar lievergrijs.Humaan is ’t wachtwoord; ’t volk wil niet meerHardhandig worden aangegrepen.Bedenk, wij zijn in een vrij land;Hier mag een ieders meening gelden.Hoe zou dan één man tegen allenDoen uitspraak over zwart of wit?…In ’t kort, omdát u heeft de meestenIs u de man die bovenaan staat.Ik sluit mij evenals de andren,Nu bij u aan, zoo goed als ’t gaat,En hoop dat niemand ’t euvel duideDat ik niet tot het uiterst streed.’t Volk oordeelt nu, ik zie het best,Mijn werk als onbeduidend, min;Zij achten één ding nu méér noodigDan jaar op jaar d’ oogst te vermeerdren!Niet meer gewillig draagt zijn deelEen ieder bij waar ’t wezen moet,…En als de wil niet mee in ’t spel isDan is een zaak van zelf verloren …Het valt wel hard, dat kan u denken,Het plan voor wegen en voor bruggen,Het dempen van moerassen, plassen,En nog veel meer, nu op te geven.Maar, lieve God, wat zal men zeggen,Wie niet kan winnen moet maar wijken,Geduldig wachten, wijslijk zwijgen,En alles van den tijd maar hopen.Nu,… ik verloor de gunst van ’t volkZooals ik die gewonnen had;Dus moet ik nu langs andre wegenHet mijne zien terug te krijgen.

De Baljuw.

U roept misschien wel mee?Och neen,…

Ik zeg nietzwart, maar lievergrijs.

Humaan is ’t wachtwoord; ’t volk wil niet meer

Hardhandig worden aangegrepen.

Bedenk, wij zijn in een vrij land;

Hier mag een ieders meening gelden.

Hoe zou dan één man tegen allen

Doen uitspraak over zwart of wit?…

In ’t kort, omdát u heeft de meesten

Is u de man die bovenaan staat.

Ik sluit mij evenals de andren,

Nu bij u aan, zoo goed als ’t gaat,

En hoop dat niemand ’t euvel duide

Dat ik niet tot het uiterst streed.

’t Volk oordeelt nu, ik zie het best,

Mijn werk als onbeduidend, min;

Zij achten één ding nu méér noodig

Dan jaar op jaar d’ oogst te vermeerdren!

Niet meer gewillig draagt zijn deel

Een ieder bij waar ’t wezen moet,…

En als de wil niet mee in ’t spel is

Dan is een zaak van zelf verloren …

Het valt wel hard, dat kan u denken,

Het plan voor wegen en voor bruggen,

Het dempen van moerassen, plassen,

En nog veel meer, nu op te geven.

Maar, lieve God, wat zal men zeggen,

Wie niet kan winnen moet maar wijken,

Geduldig wachten, wijslijk zwijgen,

En alles van den tijd maar hopen.

Nu,… ik verloor de gunst van ’t volk

Zooals ik die gewonnen had;

Dus moet ik nu langs andre wegen

Het mijne zien terug te krijgen.

Brand.Maar was ’t dan om de gunst van ’t volkDat u die werken alle deed?

Brand.

Maar was ’t dan om de gunst van ’t volk

Dat u die werken alle deed?

De Baljuw.Neen, waarlijk niet, dat was het niet;Ik wou ten algemeene nutteVoor ’t dorp het beste, dat alleen.Maar niet ontken ik, dat in ’t spel wasOok hoop op weervergelding eens,Voor welvolbracht werk, met ter tijd.Zoo is het toch: een werkzaam mensch,Met gaven en gezond verstand,Wil vruchten van zijn werken zien,Niet steunend door het leven gaanTer wille van een hoog idee.Ik kan ook met den besten wil nietNalatig zijn voor eigen goed,En andren off’ren al mijn kracht.Ik zit tehuis op zware lasten;Ik heb een vrouw, verscheiden dochters,Die geldt mijn zorg het allermeest;…Beginslen lesschen niemands dorst,Beginslen stillen niemands honger,Waar men, als ik, het huis zoo vol heeft;En mocht mij iemand zijn verwondringDaarover uiten, zeg ik dit:Dat hij als huisvader niet deugt.

De Baljuw.

Neen, waarlijk niet, dat was het niet;

Ik wou ten algemeene nutte

Voor ’t dorp het beste, dat alleen.

Maar niet ontken ik, dat in ’t spel was

Ook hoop op weervergelding eens,

Voor welvolbracht werk, met ter tijd.

Zoo is het toch: een werkzaam mensch,

Met gaven en gezond verstand,

Wil vruchten van zijn werken zien,

Niet steunend door het leven gaan

Ter wille van een hoog idee.

Ik kan ook met den besten wil niet

Nalatig zijn voor eigen goed,

En andren off’ren al mijn kracht.

Ik zit tehuis op zware lasten;

Ik heb een vrouw, verscheiden dochters,

Die geldt mijn zorg het allermeest;…

Beginslen lesschen niemands dorst,

Beginslen stillen niemands honger,

Waar men, als ik, het huis zoo vol heeft;

En mocht mij iemand zijn verwondring

Daarover uiten, zeg ik dit:

Dat hij als huisvader niet deugt.

Brand.En nu is dus uw plan?…

Brand.

En nu is dus uw plan?…

De Baljuw.En nu is dus uw plan?…Te bouwen.

De Baljuw.

En nu is dus uw plan?…Te bouwen.

Brand.Te bouwen, zegt u?

Brand.

Te bouwen, zegt u?

De Baljuw.Te bouwen, zegt u?Juist, jawel,…Tot heil van ’t dorp en van mijzelf.Eerst wil ’k mijn reputatie weerOpbouwen, die ’k hier vroeger had;…Verkiezingstijd staat voor de deur;Dus neem ’k mijn toevlucht tot iets groots,Ga ’t plan daarvoor vast kenbaar maken,Dan word ik wel weer gauw het haantje,En valt de keus wel weer op mij.Nu heb ik zoo gedacht … men kanOnmooglijk tégen stroom op roeien.’t Volk wil, zooals ’t nu heet, verheffing;Dat is iets waar ik toch niet bij kan;Ik help het maar zoowat vooruit;Maar zoo iets moet vriendschaplijk gaan,En allen zijn nu tegen mij.Kijk, daarom ben ’k na rijp beradenTot ’t plan gekomen, om als ’t gaat,Den vloek der armoe te bestrijden.

De Baljuw.

Te bouwen, zegt u?Juist, jawel,…

Tot heil van ’t dorp en van mijzelf.

Eerst wil ’k mijn reputatie weer

Opbouwen, die ’k hier vroeger had;…

Verkiezingstijd staat voor de deur;

Dus neem ’k mijn toevlucht tot iets groots,

Ga ’t plan daarvoor vast kenbaar maken,

Dan word ik wel weer gauw het haantje,

En valt de keus wel weer op mij.

Nu heb ik zoo gedacht … men kan

Onmooglijk tégen stroom op roeien.

’t Volk wil, zooals ’t nu heet, verheffing;

Dat is iets waar ik toch niet bij kan;

Ik help het maar zoowat vooruit;

Maar zoo iets moet vriendschaplijk gaan,

En allen zijn nu tegen mij.

Kijk, daarom ben ’k na rijp beraden

Tot ’t plan gekomen, om als ’t gaat,

Den vloek der armoe te bestrijden.

Brand.Uitroeien wil u die?

Brand.

Uitroeien wil u die?

De Baljuw.Uitroeien wil u die?O neen;…Die is toch een noodzaaklijk kwaadDer maatschappij, en onvermijdlijk;Doch wel te leiden, te beperkenMet handigheid, tot zeekre vormen,Zoo wij maar tijdig er op letten.Wij weten ’t, armoe is de mestDie ’t best doet tieren alle kwaad;En die bemesting wil ’k beperken.

De Baljuw.

Uitroeien wil u die?O neen;…

Die is toch een noodzaaklijk kwaad

Der maatschappij, en onvermijdlijk;

Doch wel te leiden, te beperken

Met handigheid, tot zeekre vormen,

Zoo wij maar tijdig er op letten.

Wij weten ’t, armoe is de mest

Die ’t best doet tieren alle kwaad;

En die bemesting wil ’k beperken.

Brand.Enhoedenkt u?

Brand.

Enhoedenkt u?

De Baljuw.Enhoedenkt u?Kan u ’t niet raden?Voldoende aan een diep gevoeldeBehoefte van de heele omgeving,Bouw ’k voor de armoe hier een pesthuis;Ja, ’n pesthuis, zeg ik, met bedoeling,Daar het besmetting weren moet.Aan dat gebouw, was mijn idee zoo,Moest een arresthuis zijn verbonden,Zoodat hier oorzaak en gevolgTe zamen worden opgesloten,Doch door een tusschenmuur gescheiden.En als ’k nu toch eens aan den gang ben,Dacht ik ook nog er bij te bouwenEen vleugel … onder ’t zelfde dak …Met ’n zaal voor feesten, ’n bijeenkomst,Voor ernst of kortswijl te gebruiken,Met een katheder en veel ruimte,…Een mooie, politieke feestzaal.

De Baljuw.

Enhoedenkt u?Kan u ’t niet raden?

Voldoende aan een diep gevoelde

Behoefte van de heele omgeving,

Bouw ’k voor de armoe hier een pesthuis;

Ja, ’n pesthuis, zeg ik, met bedoeling,

Daar het besmetting weren moet.

Aan dat gebouw, was mijn idee zoo,

Moest een arresthuis zijn verbonden,

Zoodat hier oorzaak en gevolg

Te zamen worden opgesloten,

Doch door een tusschenmuur gescheiden.

En als ’k nu toch eens aan den gang ben,

Dacht ik ook nog er bij te bouwen

Een vleugel … onder ’t zelfde dak …

Met ’n zaal voor feesten, ’n bijeenkomst,

Voor ernst of kortswijl te gebruiken,

Met een katheder en veel ruimte,…

Een mooie, politieke feestzaal.

Brand.Hard noodig is vooral het laatste;Maar ’k weet iets, daar ’s nog meer gebrek aan.

Brand.

Hard noodig is vooral het laatste;

Maar ’k weet iets, daar ’s nog meer gebrek aan.

De Baljuw.Dacht u soms aan ’n asyl voor gekken?Ja, zeker; dat ’s hard noodig ook.Dat was aanvankelijk mijn gedachte,Maar na wat overleg met andrenKwam ’k van dat denkbeeld weer terug;Want hoe aan middelen te komenVoor zoo’n geweldig groot gebouw?Want g’loof mij, zoo’n gesticht zou kostenEen buitensporig groote som,Als iedereen die ’t noodig heeftEen onderkomen daar moet vinden.Men moet vertrouwen op den tijd,Niet enkel bouwen voor zich zelf,…Met reuzenschreden ging ’t vooruitVerleden jaar, dit jaar zoo niet;…U ziet hoe alle volksbelangenVerbazend al zijn uitgegroeid;Met zevenmijlslaarze’, als behekst,Ontwiklen krachten zich en gaven,In alle mogelijke vakken.’t Zou dus een al te dure grap zijnOns nageslacht plaats te bezorgen,Voor zich, met kindren en met vrouwen.En daarom zeg ik: lieve God,Die tand, die trekken wij maar uit!

De Baljuw.

Dacht u soms aan ’n asyl voor gekken?

Ja, zeker; dat ’s hard noodig ook.

Dat was aanvankelijk mijn gedachte,

Maar na wat overleg met andren

Kwam ’k van dat denkbeeld weer terug;

Want hoe aan middelen te komen

Voor zoo’n geweldig groot gebouw?

Want g’loof mij, zoo’n gesticht zou kosten

Een buitensporig groote som,

Als iedereen die ’t noodig heeft

Een onderkomen daar moet vinden.

Men moet vertrouwen op den tijd,

Niet enkel bouwen voor zich zelf,…

Met reuzenschreden ging ’t vooruit

Verleden jaar, dit jaar zoo niet;…

U ziet hoe alle volksbelangen

Verbazend al zijn uitgegroeid;

Met zevenmijlslaarze’, als behekst,

Ontwiklen krachten zich en gaven,

In alle mogelijke vakken.

’t Zou dus een al te dure grap zijn

Ons nageslacht plaats te bezorgen,

Voor zich, met kindren en met vrouwen.

En daarom zeg ik: lieve God,

Die tand, die trekken wij maar uit!

Brand.En wordt eens iemand al te gekDan heeft u toch de groote zaal.

Brand.

En wordt eens iemand al te gek

Dan heeft u toch de groote zaal.

De Baljuw(tevreden).Ja, die zal meestentijds toch leeg staan!Die inval, Brand, was waarlijk snedig!Als ’t bouwplan nu maar niet verong’lukt,Dan krijgen wij ’t gesticht nog gratis,Verzaamlen onder ’t zelfde dak,Beveiligd door dezelfde vlag,De wezenlijke elementen,Die voor ons dorp kenmerkend zijn;Daar hebben we onze armoedzaaiers,Met heel den schurkentroep er bij,Krankzinnigen, die los en vrijRondliepen zonder hulp of tucht,…En dan de vrucht van onze vrijheid,Verkiezingsstrijd met knappe reednaars,Een raadzaal waar wij overleggen,Wat dienen kan tot nut van ’t dorp,…Een feestzaal, waar met volle glazenWij blij herdenken ’t voorgeslacht.Als dus de zaak niet valt in duigen,Krijgt hier de zoon der bergen allesWat hij met billijkheid kan eischen,Om recht naar eigen zin te leven.Helaas, de streek hier is niet rijk;Maar staat eerst dat gemeenschapshuis,Dan, denk ik, kan men ’t noemen hierMet recht, een welbestuurd distrikt.

De Baljuw(tevreden).

Ja, die zal meestentijds toch leeg staan!

Die inval, Brand, was waarlijk snedig!

Als ’t bouwplan nu maar niet verong’lukt,

Dan krijgen wij ’t gesticht nog gratis,

Verzaamlen onder ’t zelfde dak,

Beveiligd door dezelfde vlag,

De wezenlijke elementen,

Die voor ons dorp kenmerkend zijn;

Daar hebben we onze armoedzaaiers,

Met heel den schurkentroep er bij,

Krankzinnigen, die los en vrij

Rondliepen zonder hulp of tucht,…

En dan de vrucht van onze vrijheid,

Verkiezingsstrijd met knappe reednaars,

Een raadzaal waar wij overleggen,

Wat dienen kan tot nut van ’t dorp,…

Een feestzaal, waar met volle glazen

Wij blij herdenken ’t voorgeslacht.

Als dus de zaak niet valt in duigen,

Krijgt hier de zoon der bergen alles

Wat hij met billijkheid kan eischen,

Om recht naar eigen zin te leven.

Helaas, de streek hier is niet rijk;

Maar staat eerst dat gemeenschapshuis,

Dan, denk ik, kan men ’t noemen hier

Met recht, een welbestuurd distrikt.

Brand.Maar ’t geld …?

Brand.

Maar ’t geld …?

De Baljuw.Maar ’t geld …?Ja juist, daar zit de knoop,In deze zaak als in de meeste;De lust is zwak om bij te dragen,En zoo u mij uw hulp onthoudtDan kan ik ook de vlag wel strijken.Maar steunt u met uw machtig woordMijn plan, dan zal het wel gelukken,…En komt het dan eenmaal tot standZal ik u waarlijk niet vergeten.

De Baljuw.

Maar ’t geld …?Ja juist, daar zit de knoop,

In deze zaak als in de meeste;

De lust is zwak om bij te dragen,

En zoo u mij uw hulp onthoudt

Dan kan ik ook de vlag wel strijken.

Maar steunt u met uw machtig woord

Mijn plan, dan zal het wel gelukken,…

En komt het dan eenmaal tot stand

Zal ik u waarlijk niet vergeten.

Brand.Dus ’t is uw plan mij om te koopen?

Brand.

Dus ’t is uw plan mij om te koopen?

De Baljuw.Ik zou het liever anders noemen …Voor beiden zou het, naar ik meen,De tweedracht, die er als een kloofTot nu toe tusschen ons bestaan heeft,Tot beider voordeel kunnen dempen.

De Baljuw.

Ik zou het liever anders noemen …

Voor beiden zou het, naar ik meen,

De tweedracht, die er als een kloof

Tot nu toe tusschen ons bestaan heeft,

Tot beider voordeel kunnen dempen.

Brand.Dan heeft u slecht uw tijd gekozen …

Brand.

Dan heeft u slecht uw tijd gekozen …

De Baljuw.Ach ja, ik weet wel, ’t groote leed,Dat pas uw ouderhart gewond heeft;Uw kalmte echter deed mij ’t wagen;En de behoefte aan vasten steun …

De Baljuw.

Ach ja, ik weet wel, ’t groote leed,

Dat pas uw ouderhart gewond heeft;

Uw kalmte echter deed mij ’t wagen;

En de behoefte aan vasten steun …

Brand.Zoowel in vreugde als in leed,Ben ik bereid, waar ’t noodig zijn mocht;Maar om een andre reden doetU dezen keer vergeefsche moeite.

Brand.

Zoowel in vreugde als in leed,

Ben ik bereid, waar ’t noodig zijn mocht;

Maar om een andre reden doet

U dezen keer vergeefsche moeite.

De Baljuw.Die reden is …?

De Baljuw.

Die reden is …?

Brand.Die reden is …?Ik zelf wil bouwen.

Brand.

Die reden is …?Ik zelf wil bouwen.

De Baljuw.Wat! Bouwen? Neemt u mij mijn plan?

De Baljuw.

Wat! Bouwen? Neemt u mij mijn plan?

Brand.Niet heelemaal.(wijst naar buiten).Niet heelemaalKijk, ziet u ginds …?

Brand.

Niet heelemaal.(wijst naar buiten).

Niet heelemaalKijk, ziet u ginds …?

De Baljuw.Dáár?

De Baljuw.

Dáár?

Brand.Dáár?… Ja.

Brand.

Dáár?… Ja.

De Baljuw.Dáár? … Ja.Dat groote houten huis?Dat is immers uw koeienstal?

De Baljuw.

Dáár? … Ja.Dat groote houten huis?

Dat is immers uw koeienstal?

Brand.Neen, dàt niet;… ’tkleinehouten huisje.

Brand.

Neen, dàt niet;… ’tkleinehouten huisje.

De Baljuw.Wat! ’t Kerkje!

De Baljuw.

Wat! ’t Kerkje!

Brand(knikt).Wat! ’t Kerkje!Dàt wil ik verbouwen.

Brand(knikt).

Wat! ’t Kerkje!Dàt wil ik verbouwen.

De Baljuw.Dat zal waarachtig niet gebeuren!Aan ’t kerkje zal mij niemand raken;…’t Is om den voet mij dwars te zetten;Mijn plan is klaar en daar is haast bij;Maar ’t uwe werpt mij uit het zadel;En beide te gelijk, dat gaat niet,…Geef toe dus …!

De Baljuw.

Dat zal waarachtig niet gebeuren!

Aan ’t kerkje zal mij niemand raken;…

’t Is om den voet mij dwars te zetten;

Mijn plan is klaar en daar is haast bij;

Maar ’t uwe werpt mij uit het zadel;

En beide te gelijk, dat gaat niet,…

Geef toe dus …!

Brand.Geef toe dus …!Dàt deed ik nog nimmer.

Brand.

Geef toe dus …!Dàt deed ik nog nimmer.

De Baljuw.Numoetu ’t doen! Bouw mijn arresthuisMet ’t pesthuis en de groote feestzaal,In ’t kort, ’t gesticht … om zoo te zeggen,…Wie vraagt dan naar ’t vervallen kerkje?En waarom moet dat nu verbouwd?Het was toch vroeger groot genoeg.

De Baljuw.

Numoetu ’t doen! Bouw mijn arresthuis

Met ’t pesthuis en de groote feestzaal,

In ’t kort, ’t gesticht … om zoo te zeggen,…

Wie vraagt dan naar ’t vervallen kerkje?

En waarom moet dat nu verbouwd?

Het was toch vroeger groot genoeg.

Brand.Wel mooglijk; maar nù is ’t te klein.

Brand.

Wel mooglijk; maar nù is ’t te klein.

De Baljuw.Maarikheb ’t toch nooit vol gezien!

De Baljuw.

Maarikheb ’t toch nooit vol gezien!

Brand.Een enkle ziel zelfs kan daarbinnenGeen ruimte voor verheffing vinden.

Brand.

Een enkle ziel zelfs kan daarbinnen

Geen ruimte voor verheffing vinden.

De Baljuw(schudt verwonderd het hoofd).Waarmee die enkle ziel ’t bewijs geeftHoe noodig hier mijn gekkenhuis is.(op anderen toon).Laat ’t kerkje staan, laat mij u raden;Men kan het tot op zeekre hoogte,Een oud eerwaardig erfstuk noemen.Hetiseen erfstuk, onvervreemdbaar,…En ’t wordt niet om een nuk vernietigd!Al valt mijn bouwplan in het water,Zal ’k, als een Phoenix uit zijn assche,Herrijzen in de gunst van ’t volk hier!Ik kom òp als de ridder koen,Voor ’t monument hier op ons strand!Hier was eertijds een offerplaats,…Dat was in koning Beles dagen;En daar verrees de kerk toen laterUit vromer helden roof en buit.Eerwaardig in haar simple pracht,Hoogheilig in haar oude dracht,Stond trotsch zij tot in onze dagen …

De Baljuw(schudt verwonderd het hoofd).

Waarmee die enkle ziel ’t bewijs geeft

Hoe noodig hier mijn gekkenhuis is.

(op anderen toon).

Laat ’t kerkje staan, laat mij u raden;

Men kan het tot op zeekre hoogte,

Een oud eerwaardig erfstuk noemen.

Hetiseen erfstuk, onvervreemdbaar,…

En ’t wordt niet om een nuk vernietigd!

Al valt mijn bouwplan in het water,

Zal ’k, als een Phoenix uit zijn assche,

Herrijzen in de gunst van ’t volk hier!

Ik kom òp als de ridder koen,

Voor ’t monument hier op ons strand!

Hier was eertijds een offerplaats,…

Dat was in koning Beles dagen;

En daar verrees de kerk toen later

Uit vromer helden roof en buit.

Eerwaardig in haar simple pracht,

Hoogheilig in haar oude dracht,

Stond trotsch zij tot in onze dagen …


Back to IndexNext