Chapter 12

DR. STOCKMANN. Wel…?

ASLAKSEN. … en daar ik bovendien agent ben van het Matigheidsgenootschap … ja, dokter weet immers wel dat ik werk voor de matigheidszaak?

DR. STOCKMANN. Jawel; jawel.

ASLAKSEN. Nu, … dan begrijpt u wel dat ik met een heelen boel menschen in aanraking kom. En daar ik bekend sta als een ordelijk en goedgezind burger, zooals dokter zelf zegt, heb ik een zekeren invloed in de stad,… een kleine overmacht … al zeg ik het zelf.

DR. STOCKMANN. Dat is mij wel bekend, mijnheer Aslaksen.

ASLAKSEN. Ja, ziet u … daarom zou het voor mij een kleinigheid zijn om een adres op te stellen, als het noodig mocht zijn.

DR. STOCKMANN. Een adres, zegt u?

ASLAKSEN. Ja, een soort van dankadres van de stadsburgers, omdat u die voor allen zoo gewichtige zaak aan het licht heeft gebracht. Het spreekt van zelf dat dat met de noodige bezadigdheid zou moeten opgesteld worden, zoo, dat de autoriteiten en zij die de macht in handen hebben er geen aanstoot aan kunnen nemen. En als wij daar maar op passen, dan kan toch niemand het ons kwalijk nemen, dunkt mij.

HOVSTAD. Nu, zelfs al beviel het hun nu niet zoo heel erg….

ASLAKSEN. Neen, neen, neen, niet de overheid krenken, mijnheer Hovstad. Geen oppositie tegen menschen die ons zoo dicht op de hielen zitten. Daar heb ik genoeg van gezien in mijn leven; en daar komt ook nooit iets goeds van. Maar de verstandige en vrijmoedige uitingen van een staatsburger daar kan niemand iets tegen hebben.

DR. STOCKMANN (schudt hem de hand). Ik kan u niet zeggen, waarde heer Aslaksen, hoe hartelijk het mij verheugt zooveel instemming bij mijne medeburgers te vinden. Ik ben zoo blij … zoo blij!… Hoor eens … wil u niet een glaasje sherry … wat?

ASLAKSEN. Neen, dank u wel; ik gebruik nooit iets van dien aard.

DR. STOCKMANN. Nou, een glas bier dan … wat zegt u daarvan?

ASLAKSEN. Dank u, ook niet; ik gebruik nooit iets zoo vroeg op den dag. Maar nu zal ik de stad ingaan om eens te praten met eenige huiseigenaren en de stemming voor te bereiden.

DR. STOCKMANN. Het is allervriendelijkst van u, mijnheer Aslaksen; maar het wil er bij mij nog maar niet in, dat al die maatregelen noodig zouden zijn; mij dunkt die zaak moet geheel van zelf kunnen gaan.

ASLAKSEN. De autoriteiten werken een beetje zwaarwichtig, dokter. Nu, lieve Hemel, ik zeg dat niet om hun een lak op te leggen….

HOVSTAD. Morgen zullen wij ze een beetje opzweepen in ons blad,Aslaksen.

ASLAKSEN. Maar toch vooral niet te hardhandig, mijnheer Hovstad. Ga zachtjes te werk en met beleid, anders krijgt u ze niet van de plaats. U kan gerust aannemen wat ik u zeg; ik heb ondervinding opgedaan in de school des levens…. Nu, dan neem ik dus afscheid. U weet nu dat wij kleine burgers in elk geval achter u staan als een muur. U heeft de compacte meerderheid op uw hand, dokter.

DR. STOCKMANN. Mijn hartelijken dank (reikt hem de hand). Adieu, adieu!

ASLAKSEN. Gaat u mee naar de drukkerij, mijnheer Hovstad?

HOVSTAD. Ik kom aanstonds, ik heb nog iets af te doen.

ASLAKSEN. Best, best.

(Hij groet en gaat heen; Dr. Stockmann gaat met hem mee naar de voorkamer).

HOVSTAD (terwijl de dokter weer binnen komt). Wel, wat zegt u er van, dokter? Vindt u niet dat het tijd wordt hier eens wat versche lucht binnen te laten en al die slapheid en halfheid en lafheid eens door elkander te schudden?

DR. STOCKMANN. Doelt u daarmee op Aslaksen?

HOVSTAD. Ja. Hij is een van die lui die in het moeras wortelen … al is hij overigens nog zoo'n brave man. En zoo zijn de meesten hier bij ons; zij zwaaien en zwenken naar beide kanten; door al hun overwegingen en bedenkingen durven zij nooit een heelen stap te doen.

DR. STOCKMANN. Maar Aslaksen schijnt mij toch een heel welgezind man te zijn.

HOVSTAD. Er is iets dat ik nog hooger stel; en dat is een onafhankelijk en zelfbewust man te zijn.

DR. STOCKMANN. Dat moet ik u volkomen toegeven.

HOVSTAD. Daarom wil ik nu de gelegenheid aangrijpen en beproeven, of ik de wel gezinden er niet toe zou kunnen krijgen zich eens ferm aan te pakken. Die autoriteiten-vereering moet hier in de stad uitgeroeid worden. Over dezen onverantwoordelijken misgreep met de waterleiding moeten alle stemgerechtigde burgers ingelicht worden.

DR. STOCKMANN. Goed; wanneer u meent dat het voor het algemeen welzijn is, dan moet dat gebeuren; maar niet vóór ik met mijn broer gesproken heb.

HOVSTAD. Ik schrijf in elk geval al vast een hoofdartikel. En als dan de burgemeester niet voor de zaak te vinden is….

DR. STOCKMANN. O, maar hoe kan u zoo iets denken?

HOVSTAD. Dat zou nog zoo onmogelijk niet zijn. En dan …?

DR. STOCKMANN. Ja, dan beloof ik u…; hoor eens,… dan kan u mijn rapport afdrukken … en in zijn geheel opnemen.

HOVSTAD. Mag ik dat? Is dat een gegeven woord?

DR. STOCKMANN (reikt hem het manuscript over). Hier is het; neem het mee; het kan in elk geval geen kwaad dat u het eens doorleest; en dan geeft u het mij later terug.

HOVSTAD. Best; heel goed; dat zal ik doen. En nu adieu, dokter.

DR. STOCKMANN. Adieu, adieu. Maar u zal zien, mijnheer Hovstad, die zaak gaat glad,… van een leien dakje!

HOVSTAD. Hm;… wij zullen zien.

(Hij groet en gaat weg door de voorkamer).

DR. STOCKMANN (gaat naar de eetkamer en kijkt naar binnen). Katrine!Zoo, ben jij thuis gekomen, Petra?

PETRA (komt binnen). Ja, ik kom net van school.

MEVR. STOCKMANN (komt ook). Is hij er nog niet geweest?

DR. STOCKMANN. Peter? Neen. Maar ik heb een heel gesprek gehad metHovstad. Hij is heelemaal vervuld van de ontdekking die ik gedaan heb.Ja, zie je, die reikt eigenlijk heel wat verder dan ik zelf eerst dacht.En daarom heeft hij mij zijn blad ter beschikking gesteld als het noodigmocht zijn.

MEVR. STOCKMANN. Maar denk je dat het noodig zijn zal?

DR. STOCKMANN. Volstrekt niet. Maar het is in elk geval een trotsch gevoel de onafhankelijke vrijzinnige pers op zijn hand te hebben. Ja, en verbeeld je, ook van den president van den Bond van Huiseigenaren heb ik een bezoek gehad.

MEVR. STOCKMANN. Zoo? En wat wou die?

DR. STOCKMANN. Mij ook steunen. Ze willen mij allemaal steunen in geval het spaak loopen mocht. Katrine,… weet je wat ik achter mij heb staan?

MEVR. STOCKMANN. Achter je? Neen, wat dan?

DR. STOCKMANN. De compacte meerderheid.

MEVR. STOCKMANN. Zoo zoo. Is dat goed voor je, Thomas?

DR. STOCKMANN. Nou, dat zou ik denken, dat het goed was! (wrijft zich de handen en loopt op en neer). Lieve God, wat is het toch heerlijk om zoo broederlijk vereend met je medeburgers te staan!

PETRA. En zooveel goeds en nuttigs te doen, vader!

DR. STOCKMANN. Ja, en dan nog wel voor je eigen geboorteplaats!

MEVR. STOCKMANN. Daar werd gebeld.

DR. STOCKMANN. Daar zal hij zijn…. (Er wordt geklopt). Binnen!

BURGEM. STOCKMANN (komt uit de voorkamer). Goeden morgen.

DR. STOCKMANN. Welkom, Peter!

MEVR. STOCKMANN. Goeden morgen. Hoe gaat het?

BURGEM. STOCKMANN. Dank je … zoo zoo (tegen den dokter). Ik ontving gisteren, na kantoortijd, een rapport van je over het water in het badhuis.

DR. STOCKMANN. Ja. Heb je dat gelezen?

BURGEM. STOCKMANN. Ja.

DR. STOCKMANN. En wat zeg je wel van de zaak?

BURGEM. STOCKMANN (met een zijdelingschenblik). Hm….

MEVR. STOCKMANN. Kom, Petra (zij en Petra gaan in de kamer links).

BURGEM. STOCKMANN (na een pauze). Was het noodzakelijk dat je al die onderzoekingen achter mijn rug om deed?

DR. STOCKMANN. Ja; zoolang ik nog geen volstrekte zekerheid had….

BURGEM. STOCKMANN. En die meen je dus nu te hebben?

DR. STOCKMANN. Daar heb je je nu wel zelf van kunnen overtuigen.

BURGEM. STOCKMANN. Is het je plan dit stuk over te leggen aan het bestuur der badinrichting als een soort van officieel document?

DR. STOCKMANN. Ja. Iets moet er aan de zaak gedaan worden; en wel terstond.

BURGEM. STOCKMANN. Je gebruikt, zooals gewoonlijk, krasse termen in je verslag. Je zegt o.a. dat dàt wat wij onzen badgasten aanbieden een permanente vergiftiging is.

DR. STOCKMANN. Kan men het dan anders noemen? Denk toch eens aan … vergiftigd water voor in- en uitwendig gebruik! En dat voor arme zieke menschen, die te goeder trouw hun toevlucht tot ons nemen, en hun goede geld uitgeven om hun gezondheid terug te krijgen!

BURGEM. STOCKMANN. En zoo kom je in je deductie tot het resultaat, dat wij een riool aanleggen moeten om de onreinheden uit het Molendal af te voeren, en dat de waterleiding verlegd moet worden.

DR. STOCKMANN. Ja, weet jij een andere oplossing? Ik niet.

BURGEM. STOCKMANN. Ik verzon van ochtend een boodschap bij den stadsingenieur. En toen bracht ik … zoo half en half in scherts … deze maatregelen ter sprake, als iets dat wij in de toekomst misschien eens in overweging zouden moeten nemen.

DR. STOCKMANN. In de toekomst eens misschien!

BURGEM. STOCKMANN. Hij glimlachte om mijn vermeende extravagance … natuurlijk. Heb je je de moeite gegeven eens te overdenken wat de voorgestelde veranderingen zouden kosten? Volgens de inlichtingen die ik ontving, zouden de uitgaven waarschijnlijk in de honderdduizenden loopen.

DR. STOCKMANN. Zou het zoo duur worden?

BURGEM. STOCKMANN. Ja. En dan komt nog het ergste. Dat werk zou minstens twee jaar tijd vorderen.

DR. STOCKMANN. Twee jaar, zeg je? Twee heele jaren?

BURGEM. STOCKMANN. Op zijn minst. En wat zullen we in dien tusschentijd met de badplaats doen? Moeten wij ze sluiten? Ja, daar zouden wij wel toe gedwongen worden, of denk je soms dat iemand nog hier bij ons komen zou, als het ruchtbaar werd dat het water schadelijk voor de gezondheid is?

DR. STOCKMANN. Ja maar, Peter, dat is toch zoo.

BURGEM. STOCKMANN. En dat alles nù … juist nu, nu de inrichting in opkomst is. De omliggende steden bezitten ook wel enkele voordeelen die ze als badplaatsen gezocht kunnen maken. Geloof je niet dat die onmiddellijk alles in het werk zullen stellen om den heelen stroom van vreemdelingen tot zich te trekken? Dat spreekt immers van zelf. En daar zaten wij dan; waarschijnlijk konden wij dan de heele kostbare inrichting wel opruimen; en dan had jij je geboorteplaats geruïneerd.

DR. STOCKMANN. Geruïneerd … ik…!

BURGEM. STOCKMANN. Het is enkel en alleen door het badhuis dat de stad een noemenswaardige toekomst voor zich heeft. Dat zie je toch zeker evengoed in als ik.

DR. STOCKMANN. Maar wat had je dan gedacht dat er gedaan moest worden?

BURGEM. STOCKMANN. Ik heb uit je rapport niet de overtuiging gekregen dat de toestand van het water zoo bedenkelijk is als jij dien voorstelt.

DR. STOCKMANN. Maar die is eerder nòg slechter! Of dat wordt hij althans in den zomer, als de warmte komt.

BURGEM. STOCKMANN. Zooals ik zei, ik geloof dat je erg overdrijft. Een knap dokter moet zijn maatregelen weten te nemen naar de omstandigheden;… hij moet schadelijke invloeden weten te voorkomen en ze te bestrijden wanneer zij zich zichtbaar doen gelden.

DR. STOCKMANN. En dus…? Wat verder…?

BURGEM. STOCKMANN. De bestaande watertoevoer van het badhuis is nu eenmaal een feit en daarmee moet natuurlijk rekening gehouden worden. Maar waarschijnlijk zal de directie te zijner tijd niet ongenegen zijn om in overweging te nemen, in hoeverre het met niet onoverkomelijke geldelijke offers mogelijk zou zijn, eenige verbeteringen te laten aanbrengen.

DR. STOCKMANN. En met zoo'n streek denk je mij te kunnen vangen?

BURGEM. STOCKMANN. Streek?

DR. STOCKMANN. Ja, dat zou een streek zijn,… een bedriegerij, een leugen, gewoon-weg een misdaad tegen het publiek, jegens de heele maatschappij!

BURGEM. STOCKMANN. Ik heb, zooals ik al opmerkte, niet de overtuiging gekregen dat er eenig onmiddellijk gevaar bestaat.

DR. STOCKMANN. Dat heb je wél! Dat kan niet anders. Mijn uiteenzetting is afdoende en juist, datweetik! En je begrijpt dat heel goed, Peter, maar je wilt het eenvoudig niet toegeven. Jij was het die het doordreef dat de gebouwen gezet werden en de waterleiding werd aangelegd op de plaats waar jij het aanwees; en de zaak is eenvoudigdit: dat je die vervloekte stommigheid niet bekennen wilt. Poeh!… denk je dat ik je niet doorzie?

BURGEM. STOCKMANN. En zelfs al was dat zoo? Indien ik misschien ietwat angstvallig vast houd aan mijn prestige, dan geschiedt dat ten bate van de stad. Zonder moreel overwicht kan ik de zaken niet zoo besturen en leiden als ik het dienstig acht ten beste van allen. Daarom … en ook om verschillende andere redenen … is er mij zeer veel aan gelegen dat je rapport niet aan de directie der badinrichting wordt ingeleverd. In het belang van het algemeen welzijn moet dat achtergehouden worden. Ik zal dan later de zaak in discussie brengen en wij zullen in alle stilte doen wat mogelijk is. Maar er mag niets … geen enkel woord … van deze fatale zaak openbaar gemaakt worden.

DR. STOCKMANN. Ja, dat zal je toch niet kunnen verhinderen, mijn waardePeter.

BURGEM. STOCKMANN. Het moet en zal verhinderd worden.

DR. STOCKMANN. Dat gaat niet, zeg ik je. Er zijn er al te veel die er van weten.

BURGEM. STOCKMANN. Er van weten? Wie? Toch niet die heeren van de"Volksbode"?

DR. STOCKMANN. O ja, die ook. De vrijzinnige onafhankelijke pers zal er wel voor zorgen dat jullie je plicht doet.

BURGEM. STOCKMANN (na een korte pauze). Je bent toch een ongelooflijk onbesuisd mensch, Thomas. Heb je dan niet bedacht wat voor gevolgen dat zou kunnen hebben voor jou zelf?

DR. STOCKMANN. Gevolgen? Gevolgen voor mij?

BURGEM. STOCKMANN. Voor jou en je gezin….

DR. STOCKMANN. Wat duivel beteekent dat?

BURGEM. STOCKMANN. Ik geloof dat ik altijd een bereidwillige en behulpzame broer voor je geweest ben.

DR. STOCKMANN. Ja, dat ben je; en daarvoor zeg ik je dank.

BURGEM. STOCKMANN. Niet noodig. Voor een deel ben ik er ook genoodzaakt toe geweest om mijn zelfs wil. Ik heb altijd gehoopt dat ik je eenigermate in toom zou kunnen houden, als ik je hielp je financieele positie wat te verbeteren.

DR. STOCKMANN. Wat? Deed je dat dus alleen voor je zelf…?

BURGEM. STOCKMANN. Gedeeltelijk, zeg ik. Het is pijnlijk voor een ambtenaar als zijn naaste betrekkingen zich telkens weer compromitteeren.

DR. STOCKMANN. En je vindt dus dat ik dat doe?

BURGEM. STOCKMANN. Ja, helaas, doe je dat, zonder dat je het weet. En dan je onzalige neiging om in 't openbaar over alle mogelijke en onmogelijke dingen te schrijven. Niet zoodra krijg je een inval,… of terstond moet je er een courantenartikel of een heele brochure over schrijven.

DR. STOCKMANN. Ja maar, is het dan niet de plicht van een staatsburger om het aan het publiek mee te deelen wanneer hij een nieuw idee heeft?

BURGEM. STOCKMANN. O, het publiek heeft heelemaal geen behoefte aan nieuwe idees. Het publiek vaart het beste bij de oude, goede, algemeen gangbare idees die het al bezit.

DR. STOCKMANN. En dat zeg je zoo maar ronduit!

BURGEM. STOCKMANN. Ja, één keer moet ik toch eens ronduit met je spreken. Tot nu toe heb ik getracht het te vermijden, omdat ik weet hoe prikkelbaar je bent; maar nu moet ik je de waarheid eens zeggen, Thomas. Je kunt je niet voorstellen hoeveel kwaad je jezelf doet met je overijling. Je beklaagt je over de autoriteiten, ja zelfs over de regeering,… valt die zelfs heftig aan … houdt vol dat je op zij gezet en vervolgd wordt. Maar kan je dan iets anders verwachten,… zoo'n lastig mensch als jij bent.

DR. STOCKMANN. Wat nou … ben ik lastig ook al?

BURGEM. STOCKMANN. Ja, Thomas, je bent een heel lastig mensch om mee samen te werken. Dat heb ik ondervonden. Je stapt over alle consideraties heen; je schijnt heelemaal te vergeten, dat ik het ben aan wien je je betrekking als baddokter te danken hebt….

DR. STOCKMANN. Dat kwam mij alléén toe! Mij en geen ander! Ik was de eerste die inzag dat de stad een bloeiende badplaats worden kon; en ik was de éénige die dat toen inzag. Ik stond alleen en streed voor dat denkbeeld vele jaren lang, en ik schreef … schreef….

BURGEM. STOCKMANN. Volkomen waar. Maar toen was het goede oogenblik nog niet gekomen. Nu, dat kon je daarginder in je uithoek niet beoordeelen. Maar toen dan eindelijk het geschikte moment gekomen was, toen nam ik … met de anderen … de zaak in handen….

DR. STOCKMANN. Ja, en toen verknoeiden jullie mijn heele prachtige plan.O ja, nu blijkt pas goed wat voor geslepen kerels jullie waart!

BURGEM. STOCKMANN. Naar mijn idee blijkt alleen dat jij weer behoefte hebt aan een veiligheidsklep voor je strijdlust. Je wilt je superieuren te lijf;… ouder gewoonte. Je kunt geen macht boven je dulden; je kijkt een ieder, die een hoogere betrekking heeft, met schele oogen aan; je beschouwt hem als je persoonlijken vijand,… en terstond is ieder wapen tegen hem je welkom. Maar nu heb ik je er op attent gemaakt, welke belangen er voor de stad op het spel staan, en dientengevolge ook voor mij. En daarom zeg ik, Thomas, dat ik onverbiddelijk ben in den eisch dien ik van plan ben je nu te stellen.

DR. STOCKMANN. En wat is dat dan voor een eisch?

BURGEM. STOCKMANN. Daar je je mond niet hebt kunnen houden over deze netelige zaak, tegen menschen die er niets mee te maken hebben, hoewel je het als een bestuursgeheim vóór je hadt moeten houden, kunnen wij de zaak natuurlijk niet meer smoren. Allerhande geruchten zullen in omloop komen en de slechtgezinden onder ons zullen die met allerlei toevoegsels aandikken. Daarom zal het noodig zijn dat jij deze geruchten openlijk tegenspreekt.

DR. STOCKMANN. Ik? Wat meen je? Ik begrijp je niet.

BURGEM. STOCKMANN. Men zou kunnen verwachten dat jij, bij een hernieuwd onderzoek, tot het resultaat komt, dat de zaak op verre na niet zoo gevaarlijk en bedenkelijk is, als je je in het eerste oogenblik verbeeldde.

DR. STOCKMANN. Aha … dàt verwacht je dus van me!

BURGEM. STOCKMANN. En verder verwacht men, dat je vertrouwt … en dat openlijk uitspreekt … dat het bestuur grondig en nauwgezet het noodige in het werk stellen zal om mogelijke misstanden te verhelpen.

DR. STOCKMANN. Maar dat zal je nooit in der eeuwigheid kunnen doen, zoo lang je je behelpt met knoei- en lapwerk. Dit zeg ik je, Peter, en dat is mijn eerlijke en vaste overtuiging…!

BURGEM. STOCKMANN. Als ondergeschikt ambtenaar is het je niet geoorloofd een aparte overtuiging te hebben.

DR. STOCKMANN (ontsteld). Niet geoorloofd om een…?

BURGEM. STOCKMANN. Als ondergeschikt ambtenaar, zeg ik. Als particulier,… ja, dat is heel wat anders. Maar als ondergeschikte, in dienst van de badinrichting is het je niet geoorloofd een overtuiging uit te spreken, die in strijd is met die van je superieuren.

DR. STOCKMANN. Dat gaat te ver! Ik als dokter, als wetenschappelijk man, zou niet het recht hebben om…!

BURGEM. STOCKMANN. De zaak waarvan hier sprake is, is niet enkel een wetenschappelijke; dat is een gecombineerde zaak; het is zoowel een technische als een oekonomische!

DR. STOCKMANN. Och wat duivel! Laat het voor mijn part zijn wat het wil! Ik wil vrijheid hebben om te spreken over alle mogelijke zaken in de wereld!

BURGEM. STOCKMANN. Alsjeblieft. Alleen maar niet over die betreffende de badinrichting…. Dat verbieden wij je.

DR. STOCKMANN (schreeuwt). Jullie verbiedt mij…. Jullie! Zulke…!

BURGEM. STOCKMANN. Ik verbied het je…; ik, je chef. En wanneer ik het je verbied dan heb jij te gehoorzamen.

DR. STOCKMANN (bedwingt zich). Peter,… waarachtig, als je mijn broer niet was….

PETRA (rukt de deur open). Vader, dat moet je niet verdragen!

MEVR. STOCKMANN (haar achterna). Petra! Petra!

BURGEM. STOCKMANN. Ah, men heeft staan luisteren.

MEVR. STOCKMANN. Je praatte zoo hard; wij konden niet helpen dat wij….

PETRA. Ja, ik hèb staan luisteren.

BURGEM. STOCKMANN. Nu, eigenlijk ben ik er blij om….

DR. STOCKMANN (komt dichter bij hem). Je zei iets van verbieden en gehoorzamen…?

BURGEM. STOCKMANN. Je hebt mij gedwongen op dien toon te spreken.

DR. STOCKMANN. En nu moet ik met een openlijke verklaring mijzelf een slag in mijn gezicht geven?

BURGEM. STOCKMANN. Wij houden het voor absoluut noodzakelijk dat je een verklaring publiceert zooals ik die verlangd heb.

DR. STOCKMANN. En als ik nu niet … gehoorzaam?

BURGEM. STOCKMANN. Dan geven wij zelf een verklaring uit tot geruststelling van het publiek.

DR. STOCKMANN. Best; maar dan schrijf ik tegen jullie. Ik blijf bij mijn idee; ik zal bewijzen dat ik gelijk heb en jullie ongelijk hebt. En wat zal je dan doen?

BURGEM. STOCKMANN. Dan zal ik niet kunnen verhinderen dat je ontslagen wordt.

DR. STOCKMANN. Wat…!

PETRA. Vader … ontslagen!

MEVR. STOCKMANN. Ontslagen!

BURGEM. STOCKMANN. Ontslagen als baddokter. Ik zal mij genoodzaakt zien je voor te dragen voor onmiddellijk ontslag, en je te ontheffen van alle functies die met de badinrichting in verband staan.

DR. STOCKMANN. En dat zou jullie durven wagen!

BURGEM. STOCKMANN. Je bent het zelf die hier een gewaagd spel speelt.

PETRA. Oom, dat is een schandelijke manier van doen tegen een man als papa!

MEVR. STOCKMANN. Petra, wil je wel eens je mond houden!

BURGEM. STOCKMANN (kijkt Petra aan). Aha, men schijnt zich hier ook al te permitteeren zijn opinie ten beste te geven. Ja, natuurlijk (tegen mevr.) Schoonzuster, u is vermoedelijk de verstandigste hier in huis. Gebruik den invloed dien u op uw man heeft, doe hem inzien wat voor gevolgen dit hebben zal, zoowel voor zijn gezin….

DR. STOCKMANN. Mijn gezin gaat niemand anders aan dan mij.

BURGEM. STOCKMANN. … zoowel voor zijn gezin, zeg ik, als voor de stad waar hij woont.

DR. STOCKMANN.Ikben het die het ware welzijn van de stad wil. Ik wil de misslagen onthullen die vroeg of laat aan het licht moeten komen. En het zal nog wel eens blijken of ik mijn geboorteplaats lief heb.

BURGEM. STOCKMANN. Jij, die in blinden trots de stad haar voornaamste levensbron wilt afsnijden!

DR. STOCKMANN. Die bron is vergiftigd, mensch! Ben je dan krankzinnig? Wij leven hier van geschacher met smerigheid en vuilnis! Het heele opbloeiende leven van onze maatschappij put zijn voedsel uit een leugen!

BURGEM. STOCKMANN. Hersenschimmen … of misschien nog wel wat ergers. De man die zulke beleedigende insinuaties tegen zijn eigen stad durft uiten, moet wel een vijand van de maatschappij zijn.

DR. STOCKMANN (op hem toeloopend). En dat waag jij…!

MEVR. STOCKMANN (komt tusschenbeiden). Thomas!

PETRA (pakt haar vader bij den arm). Hou je kalm, vader!

BURGEM. STOCKMANN. Ik wil mij niet aan gewelddadigheden blootstellen. Je bent nu gewaarschuwd. Bedenk dus wat je jezelf en je gezin verplicht bent. Adieu. (gaat weg).

DR. STOCKMANN (loopt op en neer). En zoo'n behandeling moet ik mij laten welgevallen! In mijn eigen huis. Katrine! Wat zeg jij daarvan?

MEVR. STOCKMANN. Ja, 't is zonde en schande, Thomas….

PETRA. Ik wou dat ik oom maar eens te lijf mocht gaan…!

DR. STOCKMANN. 't Is mijn eigen schuld; ik had al lang eens op mijn poot moeten spelen,… mijn tanden laten zien … van mij afbijten! En mij een vijand van de maatschappij te noemen! Mij! Dat laat ik bij mijn ziel en zaligheid niet op me zitten!

MEVR. STOCKMANN. Maar, mijn lieve Thomas, je broer heeft nu eenmaal de macht in handen….

DR. STOCKMANN. Ja maar, ik heb het recht, zie je!

MEVR. STOCKMANN. Och ja, het recht, het recht; wat helpt het of je al het recht hebt als je geen macht bezit?

PETRA. Maar moeder … hoe kan je toch zulke dingen zeggen?

DR. STOCKMANN. Dus in eene vrije maatschappij zou het je niets helpen het recht op je hand te hebben! Je bent komiek Katrine! En bovendien,… heb ik dan niet de vrijzinnige onafhankelijke pers vóór mij … en de compacte meerderheid achter mij? Dat is toch wel macht genoeg zou ik denken!

MEVR. STOCKMANN. Maar lieve God, Thomas, je denkt er toch niet aan….

DR. STOCKMANN. Waar denk ik niet aan?

MEVR. STOCKMANN. … om je tegen je broer te verzetten, meen ik.

DR. STOCKMANN. Wat duivel wil je dan dat ik andere doen zal, als ik niet loslaten wil wat recht en waarheid is?

PETRA. Ja, dat zou ik ook wel eens willen weten!

MEVR. STOCKMANN. Maar het helpt je immers absoluut niemendal; als ze niet willen dan willen ze niet.

DR. STOCKMANN. Hoho, Katrine, laat mij maar tijd, dan zal je zien dat ik toch mijn wil doorzet.

MEVR. STOCKMANN. Ja, je zult misschien doordrijven dat je je ontslag krijgt,… dat zal je.

DR. STOCKMANN. Dan heb ik in elk geval mijn plicht tegenover het publiek, tegenover de maatschappij gedaan. Ik, dien hij een vijand van de maatschappij heeft genoemd!

MEVR. STOCKMANN. Maar jegens je gezin, Thomas? Jegens ons hier thuis? Vindt je dat je op die manier je plicht doet jegens hen voor wier onderhoud je zorgen moet?

PETRA. Och, denk toch niet altijd in de eerste plaats aan ons, moeder.

MEVR. STOCKMANN. Ja, jij hebt goed praten; jij kunt desnoods op eigen beenen staan…. Maar denk aan de jongens, Thomas; en denk ook een beetje aan jezelf en aan mij….

DR. STOCKMANN. Maar ik geloof dat je niet goed wijs bent, Katrine! Als ik zoo jammerlijk laf was om met dien Peter en zijn verdomden troep te capituleeren, zou ik dan wel ooit een gelukkig oogenblik in mijn leven meer kunnen hebben?

MEVR. STOCKMANN. Ja, dat weet ik niet; maar Onze Lieve Heer beware ons voor het geluk dat ons allen te wachten staat, als jij in je trots volhardt. Dan sta je weer zonder brood, zonder vast inkomen. Mij dunkt, daar hebben wij genoeg van gehad in vroeger dagen; denk er aan, Thomas; bedenk wat dat zeggen wil.

DR. STOCKMANN (in hevigen tweestrijd). En tot zoo iets kunnen die bureau-slaven een vrij en eerlijk man brengen! Is dat niet vreeselijk, Katrine?

MEVR. STOCKMANN. Ja, ze hebben schandelijk gehandeld tegenover je, dat staat vast. Maar lieve God, er is zoo veel dat onrechtvaardig is, waaronder een mensch zich maar buigen moet…. Daar zijn de jongens, Thomas! Kijk ze eens aan! Wat zal er van hen worden? O neen, neen, je kunt het nooit over je hart verkrijgen….

(Ejlif en Morten met hun schoolboeken zijn intusschen binnengekomen).

DR. STOCKMANN. De jongens!… (Staat op eens vast besloten stil). En al zou de heele wereld te gronde gaan, toch buig ik mijn nek niet onder het juk (gaat naar zijn kamer).

MEVR. STOCKMANN (hem achterna). Thomas,… wat ga je doen!

DR. STOCKMANN (bij de deur). Ik wil het recht behouden om mijn jongens in de oogen te zien, als zij eens tot vrije mannen zullen zijn opgegroeid (gaat binnen).

MEVR. STOCKMANN (barst in tranen uit). O, God helpe en trooste ons allen!

PETRA. Vader is ferm! Hij buigt niet!

(De jongens vragen verwonderd wat er is; Petra beduidt hen dat zij zwijgen moeten).

* * * * *

De redactie-kamer van de "Volksbode." Links achter de entree-deur; rechts in denzelfden wand een glazen deur, waardoor men in de drukkerij kijkt. In den wand rechts een deur. Midden in de kamer een groote tafel bedekt met papieren, couranten en boeken. Vooraan links een raam en daarbij een lessenaar met hooge kruk. Een paar fauteuils staan bij de tafel; eenige andere stoelen langs den muur. De kamer is somber en ongezellig, het meubilair oud, de fauteuils vuil en versleten. In de drukkerij ziet men een paar zetters aan het werk; verderop is een handpers in werking.

Redacteur Hovstad zit aan den lessenaar te schrijven. Even later komt Billing binnen van rechts met het manuscript van den dokter in zijn hand.

* * * * *

BILLING. Nou ik moet zeggen dat…!

HOVSTAD (schrijvend). Heb je het doorgelezen?

BILLING (legt het manuscript op den lessenaar). Ja, dat heb ik.

HOVSTAD. Flink scherp, hè?

BILLING. Scherp? Hij is goddome vernietigend. Ieder woord komt als een bijlslag neer, zoo geweldig….

HOVSTAD. Ja, maar de menschen vallen niet met den eersten slag.

BILLING. Dat is waar; maar dan gaan wij voort met er op te slaan,… slag op slag, dat het heele groote-heeren regiment onderste boven ligt. Toen ik dat daar in mijn kamer zat te lezen, was het of ik in de verte de revolutie zag aankomen.

HOVSTAD (keert zich om). Sst; zeg dat maar niet dat Aslaksen het hoort.

BILLING (spreekt zachter). Aslaksen is een haas, een laffe vent; er zit niets geen mannenmoed in hem. Maar dezen keer zal je toch je wil doorzetten, hè? Het artikel van den dokter plaats je toch wel?

HOVSTAD. Ja, als de burgemeester nu maar niet goedwillig met hem mee gaat, dan….

BILLING. Dat zou verduiveld vervelend zijn.

HOVSTAD. Nu, wij kunnen ons in elk geval de omstandigheden ten nutte maken, wat er ook gebeure. Gaat de burgemeester niet in op de voorstellen van den dokter, dan krijgt hij de heele kleine burgerij op zijn dak,… den heelen Bond van Huiseigenaren en al de anderen. En gaat hij er wèl op in, dan krijgt hij het aan den stok met een heelen troep van de groote aandeelhouders, die tot nu toe zijn beste steun waren.

BILLING. Jawel, zeker; want die zullen stellig wat moeten opdokken….

HOVSTAD. Ja, daarop kan je je wel laten hangen. En dan is die ring verbroken, zie je, en dan zullen wij dag aan dag het publiek er over inlichten, dat de burgemeester ongeschikt is in alle opzichten, en dat alle posten van vertrouwen in de stad, evenals het heele gemeentebestuur, moesten gegeven worden in handen van vrijzinnige mannen.

BILLING. Dat is, goddome, raak! Ik zie het, ik zie het al vóór me … wij staan als aan den vooravond van een revolutie!

(Er wordt geklopt).

HOVSTAD. Stil! (roept) Binnen!

(Dr. Stockmann komt door de deur links achter).

HOVSTAD (gaat naar hem toe). O, daar hebben wij den dokter. Wel?

DR. STOCKMANN. Druk maar raak, mijnheer Hovstad.

HOVSTAD. Dus het kwam er toe?

BILLING. Hoera!

DR. STOCKMANN. Druk maar raak, zeg ik. Ja, zeker kwam het er toe. Maar nu zullen ze dan ook hun zin hebben. Nu wordt het oorlog hier in de stad, mijnheer Billing!

BILLING. Oorlog op leven en dood, hoop ik! Het mes op de keel, dokter!

DR. STOCKMANN. Dat rapport is maar een begin. Ik loop al met mijn hoofd vol van vier, vijf ontwerpen voor nieuwe artikels. Waar zit Aslaksen?

BILLING (roept in de drukkerij). Aslaksen, kom eens even hier!

HOVSTAD. Vier, vijf nieuwe artikels, zei u? Over dezelfde zaak?

DR. STOCKMANN. Neen, geen idee, mijn waarde! Neen, over heel andere dingen. Maar het gaat allemaal van de waterleiding en het riool uit. Het een volgt uit het ander, begrijpt u. Het is net als wanneer je begint een oud gebouw af te breken … dat gaat precies eender.

BILLING. Dat is, goddome, waar; je schijnt er nooit mee klaar te komen vóór je den heelen boel naar beneden hebt gehaald.

ASLAKSEN (uit de drukkerij). Naar beneden gehaald! Dokter denkt er toch niet over het badhuis af te breken?

HOVSTAD. In de verste verte niet; wees maar niet bang.

DR. STOCKMANN. Neen, er is sprake van heel andere dingen. Wel, en wat zegt u van mijn verslag, mijnheer Hovstad?

HOVSTAD. Ik vind het een waar meesterstuk….

DR. STOCKMANN. Ja, niet waar? Nu dat doet mij plezier; dat doet mij plezier.

HOVSTAD. Zoo helder en duidelijk; men behoeft heelemaal geen man van het vak te zijn om het verband te begrijpen. Ik durf gerust zeggen dat u alle ontwikkelden op uw hand krijgen zal.

ASLAKSEN. En ook alle bezadigden?

BILLING. Bezadigden en niet bezadigden, ik denk wel nagenoeg de heele stad.

ASLAKSEN. Nu, dan kunnen wij dat verslag wel drukken.

DR. STOCKMANN. Ja, dat zou ik ook denken!

HOVSTAD. Morgen vroeg komt het in de courant.

DR. STOCKMANN. Bliksems ja, er moet geen enkele dag verloren gaan. Hoor eens, mijnheer Aslaksen. Ik wou u vragen of u persoonlijk voor het manuscript zorgen wil.

ASLAKSEN. Dat zal ik.

DR. STOCKMANN. Waak er over alsof het goud was. Geen enkele drukfout; ieder woord is van belang. Ik kom later nog wel even aan; misschien zou ik dan al een gedeelte proef kunnen zien…. Ik kan niet zeggen hoe ik er naar verlang het gedrukt te zien … de wereld in geslingerd….

BILLING. Geslingerd … ja, als een bliksemschicht!

DR. STOCKMANN. … aan het oordeel van alle verstandige medeburgers onderworpen. O, u kan u geen begrip maken van wat mij van daag is aangedaan. Men heeft mij met allerlei dingen gedreigd, men heeft mij willen ontnemen wat toch zonneklaar een mensch zijn goed recht is …

BILLING. Wat! Dat wat uw goed recht als mensch is!

DR. STOCKMANN. … men heeft mij willen vernederen, mij tot een schurk willen maken … geëischt dat ik persoonlijk voordeel boven mijn innigste, heiligste overtuiging stellen zou….

BILLING. Dat is, goddome, toch wat àl te bar.

HOVSTAD. Och ja, van dien kant kan men alles verwachten.

DR. STOCKMANN. Maar met mij zullen zij aan het kortste eind trekken; dat zullen zij zwart op wit van mij hebben. Nu wil ik, om zoo te zeggen, voortaan in de "Volksbode" voor anker gaan liggen, en hen bombardeeren met ontplofbare artikels….

ASLAKSEN. Ja maar, hoor eens….

BILLING. Hoera, er komt oorlog, er komt oorlog!

DR. STOCKMANN. … ik zal ze tegen den grond slaan, ik zal ze vermorzelen, hun vestingwerken voor de oogen van het heele rechtschapen publiek met den grond gelijk maken! Dat zal ik doen!

ASLAKSEN. Maar doe het toch gematigd, dokter; schiet met mate….

BILLING. Welneen, welneen! Het dynamiet niet sparen!

DR. STOCKMANN (gaat onverstoorbaar door). Want nu is het niet meer alleen de kwestie van de waterleiding en het riool, ziet u. Neen, nu is het onze heele samenleving hier die gereinigd, gedesinfecteerd worden moet.

BILLING. Daar klonk het bevrijdingswoord!

DR. STOCKMANN. Alle lapwerk-veteranen moeten er uit. En dat op alle mogelijk gebied! Er hebben zich oneindige verschieten voor mij geopend van daag. Heel duidelijk is mij dat alles nog niet; maar dat komt wel. Wij moeten jonge frissche banierdragers zoeken, beste vrienden; wij moeten nieuwe commandanten hebben op alle voorposten.

BILLING. Juist, juist!

DR. STOCKMANN. En als wij maar eensgezind zijn, dan gaat het zoo glad, zoo glad! De heele omwenteling zal van stapel loopen als een schip. Gelooft u ook niet?

HOVSTAD. Ik, voor mijn part, geloof dat wij nu uitzicht hebben het gemeentebestuur over te brengen in die handen, waar het van rechtswege behoort te zijn.

ASLAKSEN. En als wij maar gematigd te werk gaan, dan kan ik mij niet voorstellen dat het gevaarlijk zou kunnen zijn.

DR. STOCKMANN. Wat duivel kan het schelen of het gevaarlijk is of niet!Dat wat ik doe, doe ik in naam der waarheid en voor mijn eigen geweten.

HOVSTAD. U is een man die verdiend gesteund te worden, dokter.

ASLAKSEN. Ja, dat staat vast, de dokter is een oprecht vriend van de stad; een ware vriend van de samenleving, ja.

BILLING. Dokter Stockmann is, goddome, een vriend van het volk,Aslaksen!

ASLAKSEN. Ik denk dat de Bond van Huiseigenaren van die uitdrukking gauw gebruik zal maken.

DR. STOCKMANN (bewogen, drukt hem de hand). Dank, dank, mijn lieve trouwe vrienden;… het is zoo verkwikkend dat alles te hooren;… mijn broer noemde mij heel anders…. Nou, dat zal hij, bij mijn ziel, met woeker terug krijgen! Maar nu moet ik weg om naar een armen stakkerd te gaan kijken…. Straks kom ik terug, zooals gezegd. Zorg goed voor mijn manuscript, mijnheer Aslaksen;… en laat, bij al wat u lief is, alsjeblieft geen enkel uitroepingsteeken weg! Zet er liever nog een paar bij! Goed, best; tot straks dan; adieu!

(Wederzijdsche groeten terwijl zij hem tot aan de deur geleiden en hij weg gaat).

HOVSTAD. Hij kan onbetaalbaar nuttig voor ons worden.

ASLAKSEN. Ja, zoo lang hij zich alleen houdt aan die zaak van de badinrichting. Maar als hij verder gaat, is het niet raadzaam met hem gemeene zaak te maken.

HOVSTAD. Hm, dat komt er maar op aan….

BILLING. Je bent ook zoo vervloekt bang, Aslaksen.

ASLAKSEN. Bang? Ja, waar het de lokale autoriteiten betreft, ben ik bang, mijnheer Billing; dat is iets dat ik in de school der ervaring geleerd heb, moet ik u zeggen. Maar zet mij eens voor de hooge politiek, ja, zelfs voor de oppositie tegen de regeering, en zie dan eens of ik bang ben.

BILLING. Neen, dan zeker niet, neen; maar dat is juist het tegenstrijdige in je.

ASLAKSEN. Ik ben een man die er een geweten op na houdt, dat is de heele zaak. Valt iemand de Regeering aan, dan doet hij de maatschappij in elk geval geen kwaad; want die lui storen er zich niet aan, ziet u;… zij blijven toch waar ze zijn. Maar delokaleautoriteiten, die kunnen omvergeworpen worden, en dan komt misschien de onkunde aan het roer, tot onherstelbare schade van huiseigenaren en anderen.

HOVSTAD. Maar de opvoeding der burgers door zelfbestuur … gaat dat je niet ter harte?

ASLAKSEN. Als iemand iets bereikt heeft dat hij graag behouden wil, dan kan hij zich niet met alles bezig houden, mijnheer Hovstad.

HOVSTAD. Nou, dan hoop ik van mijn leven niets te bereiken.

BILLING. Mooi zoo!

ASLAKSEN (glimlacht). Hm. (wijst naar den lessenaar). Op die redacteurskruk dáár, heeft vóór u meneer Stensgaard gezeten, die regeeringscommissaris is geworden.

BILLING (spuwt). Bah! Zoo'n overlooper.

HOVSTAD. Ik ben geen weerhaan … en zal het nooit worden ook.

ASLAKSEN. Iemand die aan politiek doet, moet zich nooit tot iets verbinden, mijnheer Hovstad. En u, mijnheer Billing, moest ook maar liever een beetje bakzeil halen, dezer dagen, dunkt me; want u solliciteert immers naar de betrekking van secretaris bij het gemeentebestuur.

BILLING. Ik…!

HOVSTAD. Jij, Billing…!

BILLING. Nou ja … wat duivel, je begrijpt toch wel dat dat maar is om die hoogwijze heeren te ergeren.

ASLAKSEN. Ja, mij gaat het heelemaal niet aan. Maar als ik beschuldigd word van lafheid en tegenstrijdigheid in mijn houding, dan wil ik alleen dáár maar op komen, dat Aslaksens politiek verleden voor alle menschen open ligt. Ik ben heelemaal niet veranderd, alleen heb ik meer leeren maat houden, ziet u. Mijn hart is geheel bij het volk; maar ik ontken niet dat mijn verstand een beetje overhelt naar de autoriteiten,… naar de lokale dan altijd (hij gaat de drukkerij binnen).

BILLING. We moesten toch zien dat we van hem afkwamen, Hovstad.

HOVSTAD. Weet je iemand anders, die ons crediet geeft voor papier, zetwerk en drukloon?

BILLING. 't Is toch een vervloekt ding dat wij het noodige bedrijfskapitaal niet hebben.

HOVSTAD (gaat aan zijn lessenaar zitten). Ja, als we dàt maar hadden, dan….

BILLING. Als je er eens met den dokter over sprak?

HOVSTAD (bladert in zijn papieren). Wat zou dat helpen? Hij bezit immers niets.

BILLING. Neen; maar hij heeft een goede achter de hand, den ouden MortenKiil,… de "das" zooals ze hem noemen.

HOVSTAD (schrijvend). Weet je dat zoo zeker datdiewat heeft?

BILLING. Goddome, ja, hij wèl! En een deel daarvan moet toch wel aan Stockmanns familie komen. Hij zal toch wel wat meegeven … aan de kinderen althans.

HOVSTAD (keert zich half om). Reken je daarop?

BILLING. Of ik er op reken? Ik reken natuurlijk nergens op.

HOVSTAD. Daar doe je wel aan. En op die betrekking van secretaris zou ik ook maar heelemaal niet rekenen; want ik kan je verzekeren … die krijg je nooit.

BILLING. Denk je dat ik dat niet opperbest weet? Maar het is me àl zoo lief dat ik die niet krijg. Zoo op zij gezet te worden vuurt je strijdlust aan;… je krijgt, om zoo te zeggen, weer toevoer van nieuwe gal en daar kan je soms behoefte aan hebben in zoo'n kraaiennest als hier, waar zoo zelden eens iets gebeurt dat je een beetje opwindt.

HOVSTAD (schrijvend). O ja; o ja.

BILLING. Nou … je zult gauw genoeg wat van mij hooren!… Nu ga ik de oproeping aan den Bond van Huiseigenaren schrijven, (hij gaat in de kamer rechts).

HOVSTAD (zit aan den lessenaar, bijt op zijn pennenhouder en zegt langzaam). Hm,… jawel…. (er wordt geklopt). Binnen!

(Petra komt door de deur links achter).

HOVSTAD (staat op). Och, is u daar? Komt u hier?

PETRA. Ja, u moet mij excuseeren….

HOVSTAD (trekt een fauteuil bij). Wil u niet gaan zitten?

PETRA. Neen, dank u; ik ga dadelijk weer weg.

HOVSTAD. Is het misschien iets van uw vader, waar u….

PETRA. Neen het is iets van mijzelf. (haalt een boek uit haar zak).Hier is dat Engelsche verhaal.

HOVSTAD. Waarom brengt u dat terug?

PETRA. Omdat ik het niet vertalen wil.

HOVSTAD. Maar u beloofde het mij toch zoo vast….

PETRA. Ja, maar toen had ik het nog niet gelezen. En u heeft het zeker ook niet gelezen.

HOVSTAD. Neen; u weet dat ik geen Engelsch ken; maar….

PETRA. Nu juist; daarom moet ik u zeggen dat u iets anders zoeken moet (legt het boek op de tafel). Dit kan u volstrekt niet gebruiken in de "Volksbode".

HOVSTAD. Waarom niet?

PETRA. Omdat het geheel in strijd is met uw eigen beginselen.

HOVSTAD. Nu, wat dat betreft….

PETRA. U begrijpt mij nog niet goed. Dit is een verhaal waarin verteld wordt, dat een hooge bestiering waakt over de zoogenaamd brave menschen hier op aarde en alles ten slotte ten beste voor hen beschikt,… en dat de zoogenaamd slechten hun straf krijgen.

HOVSTAD. Maar dat is juist heel mooi. Dat is net iets wat het volk hebben wil.

PETRA. Wil u dan de man zijn die het volk zulke dingen voorzet? Zelf gelooft u daar immers geen woord van. U weet opperbest dat het in de werkelijkheid zoo niet toegaat.

HOVSTAD. Daarin heeft u volkomen gelijk, maar een redacteur kan niet altijd doen zooals hij 't liefst zou willen. Men moet dikwijls buigen voor de opinie der menschen in dingen van minder belang. De politiek is de hoofdzaak in het leven … of althans voor een dagblad. En als ik wil dat de menschen mij volgen zullen op den weg naar vrijmaking en vooruitgang, dan moet ik hen niet afschrikken. Als zij onder aan ons blad zulk een braaf verhaaltje lezen, dan gaan ze gewilliger mee met dàt wat bovenaan gedrukt staat;… dat geeft hun een rustig gevoel.

PETRA. Foei, zoo sluw gaat u dus te werk om u lezers te vangen; u is toch geen spin!

HOVSTAD (glimlacht). Dank voor uw goede opinie. Neen; dat is ook eigenlijk maar Billing's gedachtengang, niet de mijne.

PETRA. Billing's…!

HOVSTAD. Ja, zoo sprak hij er ten minste onlangs over. Het is ook Billing die er zoo op gesteld is dat verhaal te plaatsen; ik ken het boek niet.

PETRA. Maar hoe kan Billing met zijn radicale opvattingen…!

HOVSTAD. Och, Billing is veelzijdig. Nu solliciteert hij naar de betrekking van secretaris bij het gemeentebestuur ook al, hoor ik.

PETRA. Dat geloof ik niet, mijnheer Hovstad. Hoe zou hij zich in zoo iets kunnen voegen?

HOVSTAD. Ja, dat moet u hem zelf maar vragen!

PETRA. Nooit zou ik dat van Billing gedacht hebben.

HOVSTAD (kijkt haar strak aan). Niet? Komt u dat zoo heel onverwacht?

PETRA. Ja. Of misschien toch niet. Ik weet 't eigenlijk niet….

HOVSTAD. Wij dagbladschrijvers deugen niet veel, juffrouw Stockmann.

PETRA. Zegt u dat in ernst?

HOVSTAD. Soms denk ik het wel eens.

PETRA. Ja, onder den indruk van het gewone dagelijksche gekrakeel, dat kan ik wel begrijpen. Maar nu, nu u óp komt voor een groote zaak….

HOVSTAD. Die van uw vader, meent u?

PETRA. Ja juist. Nu, dunkt me, moet u zich voelen als een man die meer waard is dan anderen.

HOVSTAD. Ja, van daag voel ik zoo iets.

PETRA. Niet waar? Is het zoo niet? O, u heeft een mooie levenstaak gekozen. Miskende waarheden en nieuwe vrije levensopvattingen een weg te banen … ja zelfs alleen het zonder vrees optreden voor iemand die verongelijkt wordt….

HOVSTAD. Vooral als die verongelijkte … hm … ik weet niet goed, hoe ik….

PETRA. Als hij zoo rechtschapen en zoo door-en-door eerlijk is, meent u?

HOVSTAD (zachter). Vooral wanneer die uw vader is; wou ik zeggen.

PETRA (plotseling veranderd). Dáárom?

HOVSTAD. Ja, Petra,… juffrouw Petra.

PETRA. Komt dat dus voor u in de allereerste plaats? Niet de zaak zelf?Niet de waarheid; niet vaders hooge gloeiende ziel?

HOVSTAD. Jawel,… ja dat spreekt, dat ook.

PETRA. Neen; nu heeft u zich versproken, mijnheer Hovstad, en nu geloof ik u in geen enkel opzicht meer.

HOVSTAD. Kan u mij dat zoo kwalijk nemen, dat het voornamelijk om uwentwil is…?

PETRA. Wat ik u kwalijk neem, is dat u niet eerlijk tegenover vader is geweest. U heeft met hem gesproken alsof de waarheid en het heil der maatschappij u het allernaast aan het hart lagen. U heeft vader zoowel als mij voor den gek gehouden; u is niet de man voor wien u zich uitgaf. En dat vergeef ik u nooit!

HOVSTAD. Dat moest u liever niet zoo stellig zeggen, juffrouw Petra; en allerminst nu.

PETRA. Waarom niet nù?

HOVSTAD. Omdat uw vader mijn hulp niet missen kan.

PETRA (kijkt op hem neer). Dus van die kracht is u óók nog? Bah!

HOVSTAD. Neen, neen, dat meen ik niet! Het valt mij ook zoo onverwacht op het lijf. Dat moet u niet gelooven!

PETRA. Ik weet nu wat ik gelooven moet. Adieu.

ASLAKSEN (uit de drukkerij, haastig en geheimzinnig). Bliksems, meneerHovstad…. (ziet Petra). Au, verdomme….

PETRA. Daar ligt het boek. Geeft u 't maar aan iemand anders (gaat naar de uitgangsdeur).

HOVSTAD (loopt mee). Maar, juffrouw….

PETRA. Vaarwel (gaat weg).

ASLAKSEN. Meneer Hovstad, hoor eens!

HOVSTAD. Nou, nou, wat is er dan?

ASLAKSEN. De burgemeester is in de drukkerij.

HOVSTAD. De burgemeester, zeg je?

ASLAKSEN. Ja, hij wil u spreken; hij kwam achterin,… wou niet gezien worden, dat begrijpt u.

HOVSTAD. Wat kan dat zijn? Neen wacht, ik zal zelf…. (hij gaat naar de deur van de drukkerij, groet en verzoekt den burgemeester binnen te komen).

HOVSTAD. Hou de wacht, Aslaksen, dat niemand….

ASLAKSEN. Begrepen…. (gaat de drukkerij binnen)

BURGEM. STOCKMANN. Mijnheer Hovstad had wel niet verwacht mij hier te zien.

HOVSTAD. Neen, dat had ik stellig niet.

BURGEM. STOCKMANN (kijkt rond). U is hier waarlijk heel gezellig ingericht, heel aardig.

BURGEM. STOCKMANN. En nu kom ik zoo maar zonder complimenten en leg beslag op uw tijd.

HOVSTAD. Alsjeblieft, burgemeester, ik ben tot uw dienst. Maar mag ik u niet ontlasten van…? (legt uniformpet en stok op een stoel). En wil burgemeester niet gaan zitten?

BURGEM. STOCKMANN (gaat bij de tafel zitten). Dank u.

(Hovstad gaat ook aan de tafel zitten).

BURGEM. STOCKMANN. Ik heb van daag een waarlijk groot verdriet gehad, mijnheer Hovstad.

HOVSTAD. Zoo? Och ja, bij zooveel zaken als burgemeester aan zijn hoofd heeft….

BURGEM. STOCKMANN. Dat van van daag heeft de baddokter mij aangedaan.

HOVSTAD. De dokter? Zoo?

BURGEM. STOCKMANN. Hij heeft een soort van verslag geschreven voor het bestuur van de badinrichting, over een aantal vermeende gebreken….

HOVSTAD. Och kom?

BURGEM. STOCKMANN. Ja, heeft hij het u niet verteld? Ik dacht dat hij zei….

HOVSTAD. O ja, dat 's waar, hij liet er een paar woorden over los….

ASLAKSEN (uit de drukkerij). Ik wou even het manuscript….

HOVSTAD (kriebelig). Hm; dat ligt immers daar op den lessenaar.

ASLAKSEN (vindt het). Mooi zoo.

BURGEM. STOCKMANN. Maar kijk eens, daar heeft u het juist….

ASLAKSEN. Ja, dat is het stuk van den dokter, burgemeester.

HOVSTAD. O, is het dát waar u van spreekt?

BURGEM. STOCKMANN. Precies. Wat denkt u er van?

HOVSTAD. Ja, ik ben geen man van het vak, en ik heb het maar vluchtig gelezen.

BURGEM. STOCKMANN. Maar u laat het toch drukken?

HOVSTAD. Een man van naam kan ik dat niet goed weigeren….

ASLAKSEN. Ik heb niets te zeggen in dagbladzaken, burgemeester.

BURGEM. STOCKMANN. Dat spreekt.

ASLAKSEN. Ik druk maar wat ik in mijn handen krijg.

BURGEM. STOCKMANN. Zoo behoort het ook.

ASLAKSEN. En daarom mag ik zeker wel…. (gaat naar de deur van de drukkerij).

BURGEM. STOCKMANN. Neen, blijf nog een oogenblik, mijnheer Aslaksen. Met uw goedvinden, mijnheer Hovstad….

HOVSTAD. Alsjeblieft, burgemeester….

BURGEM. STOCKMANN. U is een kalm en verstandig man, mijnheer Aslaksen.

ASLAKSEN. 't Doet mij plezier dat burgemeester er zoo over denkt.

BURGEM. STOCKMANN. En een man van invloed in wijden kring.

ASLAKSEN. Voornamelijk onder de kleine luiden … ja.

BURGEM. STOCKMANN. De kleine belastingplichtigen zijn het talrijkst, hier, even als overal.

ASLAKSEN. Dat zijn ze zeker.

BURGEM. STOCKMANN. En ik twijfel er niet aan of u kent den geest van de meesten van die lui. Is het zoo niet?

ASLAKSEN. Ja, burgemeester, ik geloof dat ik wel zeggen mag dat ik dien ken.

BURGEM. STOCKMANN. Nu als er dan zoo'n prijzenswaardige offervaardigheid heerscht onder de minder gegoede burgers, dan….

ASLAKSEN. Hoe dat?

HOVSTAD. Offervaardigheid?

BURGEM. STOCKMANN. Dat is een mooi blijk van gemeenschapszin; een heel mooi blijk. Ik had haast gezegd dat ik het niet verwacht had. Maar u kent den geest beter dan ik.

ASLAKSEN. Ja, maar, burgemeester….

BURGEM. STOCKMANN. En het zullen waarlijk geen geringe offers zijn die de stad zal moeten brengen.

HOVSTAD. De stad?

ASLAKSEN. Maar ik begrijp niet…. Het is toch de badinrichting…!

BURGEM. STOCKMANN. Volgens een voorloopige berekening zullen de veranderingen, die de baddokter wenschelijk acht, een paar honderdduizend kronen beloopen.

ASLAKSEN. Dat is een heeleboel geld, maar….

BURGEM. STOCKMANN. Natuurlijk zal het noodig zijn dat de gemeente een leening sluit.

HOVSTAD (staat op). Het is toch niet de bedoeling dat de stad…?

ASLAKSEN. Zou dat uit de gemeentekas moeten gaan! Uit de magere beurzen van de kleine burgers?

BURGEM. STOCKMANN. Ja, geëerde heer Aslaksen, waar zouden de middelen anders van daan moeten komen?

ASLAKSEN. Daar moeten de heeren voor zorgen wien de badinrichting aangaat.

BURGEM. STOCKMANN. De aandeelhouders zijn niet in staat nog verder te gaan dan ze al gegaan zijn.

ASLAKSEN. Is dat héél zeker, burgemeester?

BURGEM. STOCKMANN. Ik heb nauwkeurige inlichtingen ingewonnen. Wenscht men dus deze veelomvattende veranderingen, dan moet de stad ze zelf bekostigen.

ASLAKSEN. Maar bliksems nog toe … excuseer burgemeester … maar dan wordt het een heel ander geval, meneer Hovstad.

HOVSTAD. Ja, dat is zeker.

BURGEM. STOCKMANN. Het fataalste is, dat wij genoodzaakt zijn de badplaats te sluiten voor een paar jaar.

HOVSTAD. Sluiten? Heelemaal sluiten?

ASLAKSEN. Twee jaar lang!

BURGEM. STOCKMANN. Ja, zoo lang zal het werk duren op zijn minst.

ASLAKSEN. Neen maar, voor den donder, dat houden wij niet uit, burgemeester! Waar zullen wij huiseigenaren dan van leven in dien tijd?

BURGEM. STOCKMANN. Dat is, helaas, een moeilijk te beantwoorden vraag. Maar wat wil u dat wij dan doen zullen? Denkt u dat er een enkele badgast hier komen zou als men hem wijs maakt dat het water bedorven is, dat wij op een verpesten grond leven, dat de heele stad….

ASLAKSEN. En is dat dan allemaal maar verbeelding?

BURGEM. STOCKMANN. Ik heb mij met den besten wil, niet van het tegendeel kunnen overtuigen.

ASLAKSEN. Ja maar, dan is het toch onverantwoordelijk van dokterStockmann…. Ik vraag excuus burgemeester, maar….

BURGEM. STOCKMANN. Het is een treurige waarheid, die u daar uitspreekt, mijnheer Aslaksen. Mijn broer is, helaas, altijd een onnadenkend mensch geweest.

ASLAKSEN. En dan zou u hem in zoo iets willen steunen, meneer Hovstad?

HOVSTAD. Maar wie kon dan ook denken, dat…?

BURGEM. STOCKMANN. Ik heb een korte rectificatie van den toestand opgesteld, zóó als die van een kalm zakelijk standpunt moet beschouwd worden, en daarbij heb ik aangegeven op welke wijze de mogelijke ongemakken zouden te verhelpen zijn, met middelen die voor de kas der badinrichting bereikbaar zijn.

HOVSTAD. Heeft u dat opstel bij u, burgemeester?

BURGEM. STOCKMANN (zoekt in zijn zak). Ja; ik nam het mee voor het geval dat u….

ASLAKSEN (snel). Bliksems, daar is hij!

BURGEM. STOCKMANN. Wie? Mijn broer?

HOVSTAD. Waar … waar?

ASLAKSEN. Hij loopt door de drukkerij.

BURGEM. STOCKMANN. Dat is fataal. Ik zou hem niet gaarne hier ontmoeten, en ik heb nog verscheidene dingen met u te bespreken.

HOVSTAD. (wijst naar de deur rechts). Gaat u daar zoo lang binnen.

BURGEM. STOCKMANN. Maar…?

HOVSTAD. Daar vindt u mijnheer Billing.

ASLAKSEN. Weg, weg, burgemeester, daar komt hij!

BURGEM. STOCKMANN. Ja, jawel; maar zie hem gauw weer weg te krijgen.

(Hij gaat weg door de deur rechts, die Aslaksen voor hem opent en weer sluit).

HOVSTAD. Doe alsof je met iets bezig bent, Aslaksen. (hij gaat zitten schrijven. Aslaksen rommelt in een pak couranten op een stoel rechts).

DR. STOCKMANN (komt uit de drukkerij). Daar ben ik weer. (legt hoed en stok weg).

HOVSTAD (schrijvend). Nu al, dokter? Maak voort met dat waar we over spraken, Aslaksen. We hebben bitter weinig tijd van daag.

DR. STOCKMANN (tegen Aslaksen). Nog geen proef, hoor ik?

ASLAKSEN (zonder zich om te keeren). Neen, hoe kon dokter dat verwachten?

DR. STOCKMANN. Och neen; maar ik ben ongeduldig, dat kan u wel begrijpen. Ik heb rust noch duur voor ik het gedrukt zie.

HOVSTAD. Hm; dat zal nog wel een poosje duren. Geloof je ook niet,Aslaksen?

ASLAKSEN. Ja, daar ben ik ook bang voor.

DR. STOCKMANN. Goed, goed, beste vrienden; dan kom ik nog maar eens terug; ik kom met plezier tweemaal als het noodig is. Zoo'n gewichtige zaak … de welvaart van de heele stad … daarbij mag waarachtig niet geluierd worden. (wil weggaan, doch blijft staan en komt terug). Hoor eens, er is nog één ding waar ik u graag over spreken wou.

HOVSTAD. Pardon; maar zouden wij niet een anderen keer….

DR. STOCKMANN. Het is met twee woorden gezegd. 't Is alleen dit maar … als men nu morgen mijn rapport leest in uw blad, en aldus te weten komt dat ik hier den heelen winter in stilte gewerkt heb voor het welzijn van de stad….

HOVSTAD. Ja maar, dokter….

DR. STOCKMANN. Ik weet wat u zeggen wil. U meent dat het niets meer was dan mijn plicht … eenvoudig mijn plicht als burger. Ja, natuurlijk; dat weet ik net zoo goed als u. Maar mijn medeburgers, ziet u … och lieve Heer, die goede menschen houden toch zooveel van mij….


Back to IndexNext