Chapter 14

HORSTER. Dat was in dit geval ook maar het beste voor u, dokter.

DR. STOCKMANN. Dat was het zeker. Maar ergerlijk is het toch. Want komt het eens tot een ernstige, voor het land gewichtige botsing, dan zal u zien dat de publieke opinie haar beenen op neemt en de compacte meerderheid er van door gaat, als een troep wilde zwijnen. Dát is juist zoo'n droevige gedachte, dat doet mij zoo innig verdriet…. Maar wat duivel, dat zijn toch eigenlijk maar dwaasheden zulke dingen. Hebben zij gezegd dat ik een volksvijand ben, laat mij dan ook maar een volksvijand zijn.

MEVR. STOCKMANN. Maar dat wordt je toch nooit, Thomas.

DR. STOCKMANN. Daar moet je geen eed op doen, Katrine. Een hatelijk woord kan werken als een speldenprik in de longen. En dat vervloekte woord … dat kan ik maar niet kwijt raken. Dat heeft zich daar vast gezet, vlak onder mijn hart, dat ligt daar en graaft zich in en zuigt als 't ware zure sappen op. En daar helpt geen magnesia tegen!

PETRA. Poeh, je moet er maar om lachen, vader.

HORSTER. De menschen zullen nog wel eens tot andere gedachten komen, dokter.

MEVR. STOCKMANN. Ja, Thomas, daar kan je zoo zeker van zijn als dat je hier staat.

DR. STOCKMANN. Ja, misschien, als het te laat is. Maar dat zou hun verdiende loon zijn! Dan kunnen ze hier in hun smeerboel zitten en het berouwen dat ze een patriot het land hebben uitgejaagd. Wanneer zeilt u uit, kapitein?

HORSTER. Hm,… daar kwam ik eigenlijk juist eens over spreken….

DR. STOCKMANN. Is er iets niet in orde met het schip?

HORSTER. Neen; maar het is zóó gelegen, dat ik niet mee ga.

PETRA. Ze hebben u toch niet uw congé gegeven?

HORSTER (glimlacht). Ja, dat is het juist.

PETRA. U ook al!

MEVR. STOCKMANN. Daar heb je het nu, Thomas.

DR. STOCKMANN. En dat ook al om de waarheid? O; als ik zoo iets had kunnen denken….

HORSTER. Daar moet u verder maar niet over denken; ik vind wel weer een betrekking bij een of andere reederij in een andere plaats.

DR. STOCKMANN. En dat die Vik … een groothandelaar, een vermogend man … absoluut Foei, foei!

HORSTER. Hij is anders heel goed; en hij zei zelf dat hij mij graag had gehouden, als hij maar durfde….

DR. STOCKMANN. Maar hij durfde niet? Neen dat spreekt!

HORSTER. Het was zoo gemakkelijk niet, zei hij, als je tot een partij behoorde….

DR. STOCKMANN. Dat was een waar woord van den eerwaardigen man! Een partij, dat is iets als een hakmachine, daarin worden alle hoofden tot brei gemalen; en daarom zijn het ook allemaal zwakhoofden, en paphoofden, de heele troep.

MEVR. STOCKMANN. Maar Thomas toch!

PETRA (tegen Horster). Misschien zou het zoo ver niet gekomen zijn als u ons niet naar huis had gebracht.

HORSTER. Ik heb er geen berouw van.

PETRA (reikt hem de hand). Dank u.

HORSTER (tegen den dokter). En nu wou ik u zeggen, dat als u volstrekt weggaan wil, dan weet ik wel een andere oplossing….

DR. STOCKMANN. Mooi zoo; als we maar weg komen….

MEVR. STOCKMANN. Stil; werd daar niet geklopt?

PETRA. Dat is zeker oom.

DR. STOCKMANN. Aha! (roept). Binnen!

MEVR. STOCKMANN. Lieve Thomas, toe beloof mij nu….

(Burgem. Stockmann komt uit de voorkamer).

BURGEM. STOCKMANN (in de deur). O, je bent bezig. Ja, dan zal ik liever….

DR. STOCKMANN. Neen, neen; kom maar binnen.

BURGEM. STOCKMANN. Maar ik wenschte je onder vier oogen te spreken.

MEVR. STOCKMANN. Wij zullen zoo lang in de huiskamer gaan.

HORSTER. En ik kom straks nog wel terug.

DR. STOCKMANN. Neen, ga u mee naar binnen, kapitein; ik moet er nog meer van weten….

HORSTER. Best; dan zal ik daar wachten.

(Hij gaat met mevr. en Petra de huiskamer in).

DR. STOCKMANN (zegt niets en kijkt ter sluiks naar de ramen).

DR. STOCKMANN. Je vindt het misschien wel een beetje luchtig hier van daag? Zet je pet maar op.

BURGEM. STOCKMANN. Dank je, als je het permitteert. (doet het) Ik geloof dat ik gisteren kou gevat heb, ik had het zoo koud….

DR. STOCKMANN. Zoo? Nou, mij leek het nog al warm.

BURGEM. STOCKMANN. Ik betreur het dat het niet in mijn macht stond deze nachtelijke excessen tegen te houden….

DR. STOCKMANN. Heb je mij anders niets te vertellen?

BURGEM. STOCKMANN (haalt een grooten brief voor den dag). Dit stuk heb ik je namens de directie te overhandigen.

DR. STOCKMANN. Ben ik ontslagen?

BURGEM. STOCKMANN. Ja, met ingang van van daag (legt den brief op de tafel). Het doet ons leed; maar … eerlijk gezegd … wij durfden niet anders om de publieke opinie.

DR. STOCKMANN (glimlacht). Durfden niet? Dat woord heb ik nòg eens gehoord van daag.

BURGEM. STOCKMANN. Ik moet je verzoeken je goed rekenschap van je positie te geven. Je moet voortaan op geenerlei praktijk hier in de stad meer rekenen.

DR. STOCKMANN. De duivel hale de heele praktijk! Maar hoe weet je dat zoo zeker?

BURGEM. STOCKMANN. De Bond van Huiseigenaren heeft een lijst rond laten gaan aan alle huizen. Alle welgezinde burgers worden opgevorderd jou niet als dokter te nemen. En ik durf er voor instaan dat geen enkel huisvader het waagt die lijst niet te onderteekenen; mendurftdat eenvoudig niet laten….

DR. STOCKMANN. Zeker, zeker; daaraan twijfel ik geen oogenblik. Maar wat verder?

BURGEM. STOCKMANN. Als ik je een raad geven mocht, dan zou het deze zijn, dat je voor eenigen tijd de stad verliet….

DR. STOCKMANN. Jawel, ik heb er juist ook over gedacht de stad uit te gaan.

BURGEM. STOCKMANN. Goed zoo. En als je dan zoo een half jaartje tijd hebt gehad om je te bezinnen, en je na rijp overleg er toe overgaan kon om met een paar woorden van spijt je dwaling te erkennen….

DR. STOCKMANN. Dan zou ik misschien mijn betrekking terug kunnen krijgen, bedoel je?

BURGEM. STOCKMANN. Misschien. Volstrekt niet zoo geheel onmogelijk.

DR. STOCKMANN. Maar de publieke opinie dan? Dat durf jullie immers niet om de publieke opinie?

BURGEM. STOCKMANN. De publieke opinie is een erg variabel iets. En, eerlijk gezegd, het zou ons bizonder veel waard zijn een dergelijke bekentenis van jouw hand te ontvangen.

DR. STOCKMANN. Ja, dat zou je zoo lijken, hè! Maar wat bliksem, je weet toch zeker nog wel, wat ik je onlangs gezegd heb over zulke streken.

BURGEM. STOCKMANN. Toen was je positie nog zooveel gunstiger, toen kon je veronderstellen dat je de heele stad achter je hadt om je te steunen….

DR. STOCKMANN. Ja, en nu hebben ze mij laten voelen dat ik de heele stad tegen mij heb…. (opbruisend). Maar tòch niet, al had ik den duivel en de heele hel tegen mij…! Nooit,… nooit, zeg ik je!

BURGEM. STOCKMANN. Een huisvader mag niet zoo handelen als jij doet. Dat mag je niet, Thomas.

DR. STOCKMANN. Mag ik niet! Er is maar één ding in de wereld dat een vrij man niet doen mag; en weet je wat dàt is?

BURGEM. STOCKMANN. Neen.

DR. STOCKMANN. Natuurlijk niet; maar dat zalikje dan zeggen. Een vrij man mag zich niet bevuilen als een schooier; hij mag zich niet zóó gedragen dat hij zichzelf in zijn gezicht zou moeten spuwen!

BURGEM. STOCKMANN. Dat klinkt zoo buitengewoon plausibel; en als er geen andere verklaring voor je halsstarrigheid voor de hand lag … maar die is er juist wel….

DR. STOCKMANN. Wat meen je daarmee?

BURGEM. STOCKMANN. Dat begrijp je heel best. Maar als je broer en als verstandig man, raad ik je niet al te vast te bouwen op verwachtingen en vooruitzichten, die misschien licht verkeerd konden uitkomen.

DR. STOCKMANN. Maar op wat ter wereld zinspeel je toch?

BURGEM. STOCKMANN. Zou je mij waarlijk willen wijsmaken dat je niets weet van de testamentaire beschikkingen, die de leerlooier Kiil gemaakt heeft?

DR. STOCKMANN. Ik weet dat het beetje dat hij heeft, aan een gesticht voor behoeftige oude handwerkslui komen zal. Maar wat gaat mij dat aan?

BURGEM. STOCKMANN. Vooreerst is hier niet sprake van een beetje. Kiil is een tamelijk vermogend man.

DR. STOCKMANN. Daar heb ik nooit eenig idee van gehad.

BURGEM. STOCKMANN. Hm,… waarlijk niet? Je hebt er dus ook geen idee van, dat een niet gering gedeelte van zijn vermogen aan je kinderen komen zal, met het vruchtgebruik voor jou en je vrouw je leven lang. Heeft hij je dat niet gezegd?

DR. STOCKMANN. Neen; bij mijn ziel, geen woord! Integendeel, hij was altijd en eeuwig aan 't razen er over dat hij zoo onmogelijk hoog was aangeslagen in de belasting. Maar weet je dat dan zoo zeker, Peter?

BURGEM. STOCKMANN. Ik heb het uit een alleszins betrouwbare bron.

DR. STOCKMANN. Maar, lieve God, dan zou Katrine bezorgd zijn … en de kinderen ook! Dat moet ik haar eens gauw vertellen … (roept) Katrine, Katrine!

BURGEM. STOCKMANN (houdt hem tegen). Stil; je moet er nog niets van zeggen!

MEVR. STOCKMANN (doet de deur open). Wat is er te doen?

DR. STOCKMANN. Och niemendal; ga maar weer naar binnen.

(Mevr. Stockmann doet de deur dicht).

DR. STOCKMANN (loopt heen en weer). Bezorgd! Denk eens aan,… allemaal! En voor hun leven! Dat is toch een heerlijk gevoel te weten dat je bezorgd bent!

BURGEM. STOCKMANN. Ja, maar dat ben je juist niet. De oude Kiil kan iederen dag en ieder uur zijn testament vernietigen als hij wil.

DR. STOCKMANN. Maar dat doet hij niet, mijn goede Peter. De oude das is veel te blij dat ik jou en je hoogwijze vrienden heb te pakken genomen.

BURGEM. STOCKMANN (verwonderd; ziet hem uitvorschend aan). Ah zoo, dat verklaart veel.

DR. STOCKMANN. Wat dan?

BURGEM. STOCKMANN. Die heele zaak was dus een gecombineerde manoeuvre. Die geweldige, onbesuisde aanvallen die jij … in naam der waarheid … gedaan hebt op de autoriteiten….

DR. STOCKMANN. Wat daarvan? wat daarvan?

BURGEM. STOCKMANN. Die waren dus niets anders dan een afgesproken vergoeding, voor het testament van dien ouden wraakzuchtigen Morten Kiil.

DR. STOCKMANN (bijna sprakeloos). Peter,… je bent toch de gemeenste ploert dien ik ooit in mijn leven ontmoet heb.

BURGEM. STOCKMANN. Tusschen ons is alles uit. Je ontslag is onherroepelijk;… want nu hebben wij een wapen tegen je (hij gaat weg).

DR. STOCKMANN. Bah! bah! bah! (roept). Katrine! De vloer moet gedweild worden waar de kerel gestaan heeft! Laat haar komen met een emmer … zij … zij … hoe duivel … die smeerpoets met haar altijd vuilen neus….

MEVR. STOCKMANN (in de deur van de huiskamer). Stil, stil toch,Thomas!

PETRA (ook in de deur). Vader, grootvader is hier en vraagt of hij je even alleen kan spreken.

DR. STOCKMANN. Ja zeker (bij de deur) Kom binnen, schoonpapa.

(Morten Kiil komt binnen. De dokter doet de deur achter hem dicht).

DR. STOCKMANN. Wel? Wat is er? ga zitten.

M. KIIL. Niet zitten (kijkt rond). 't Ziet er hier mooi uit bij je,Stockmann.

DR. STOCKMANN. Ja, vindt u niet?

M. KIIL. Echt netjes ziet het er uit; en frissche lucht heb je ook; van daag zal je wel genoeg van die zure stof hebben, waar je gisteren over bazelde. Ik kan mij begrijpen dat je van daag een erg goed geweten hebt.

DR. STOCKMANN. Jawel; dat heb ik ook.

M. KIIL. Kan ik begrijpen (slaat zich op de borst). Maar weet je watikhier heb?

DR. STOCKMANN. Ook een goed geweten, hoop ik.

M. KIIL. Poeh! Neen, dit is heel wat beters! (Hij haalt een dikke portefeuille voor den dag en laat een heeleboel papieren zien).

DR. STOCKMANN (kijkt hem verwonderd aan). Aandeelen in de badinrichting?

M. KIIL. Die waren niet moeilijk te krijgen van daag.

DR. STOCKMANN. En die heeft u opgekocht?

M. KIIL. Net zooveel als ik maar betalen kon.

DR. STOCKMANN. Maar mijn waarde schoonpapa,… zoo wanhopend als de toestand van de badinrichting op het oogenblik is…!

M. KIIL. Als jij je gedraagt als een verstandig mensch dan zal die badinrichting er wel weer boven op komen.

DR. STOCKMANN. Ja, u ziet het immers zelf, ik doe alles wat ik kan; maar … och, de menschen zijn hier allemaal gek!

M. KIIL. Je zei gisteren dat de ergste smeerboel van mijn looierij kwam. Maar als dat zoo is, dan zouden dus mijn grootvader en mijn vader vóór mij, en ik zelf vele jaren lang de stad verpest hebben als drie doodsengelen. Denk je dat ik die schande op mij laat zitten?

DR. STOCKMANN. Dat zal u, helaas, wel moeten.

M. KIIL. Neen dankje. Ik ben gesteld op mijn goeden naam. De menschen noemen mij "den das", heb ik hooren zeggen. En een das, dat is immers zoo'n soort van varken; maar daarin zullen zij nooit van hun leven gelijk krijgen. Ik wil leven en sterven als een zindelijk mensch.

DR. STOCKMANN. En hoe wil u dat dan aanleggen?

M. KIIL. Jij moet me schoon wasschen, Stockmann.

DR. STOCKMANN. Ik!

M. KIIL. Weet je van welk geld ik deze aandeelen gekocht heb? Neen, dat kan je niet weten; maar nu zal ik het je zeggen. Dat is het geld dat Katrine en Petra en de kleine jongens na mijn dood krijgen zullen. Want, zie je, ik heb toch wel een beetje opgelegd.

DR. STOCKMANN (opstuivend). En voor zoo iets gebruikt u het geld vanKatrine!

M. KIIL. Ja, het geld is nu allemaal in de badinrichting gestoken. En nu wil ik eens zien of je wezenlijk zoo razend … zoo stapelgek bent, Stockmann. Laat je nu toch nog dieren en allerlei smerigheid uit mijn looierij komen, dan is dat net goed of je breede reepen uit het vel van Katrine en Petra en de jongens sneed; maar dat doet toch geen fatsoenlijk huisvader,… als hij ten minste niet krankzinnig is.

DR. STOCKMANN (op en neer loopend). Ja, maar ik bèn krankzinnig! Ik bèn krankzinnig!

M. KIIL. Maar waar het vrouw en kinderen geldt, zal je zoo ongelooflijk gek toch wel niet zijn.

DR. STOCKMANN (blijft vóór hem staan). Waarom kon u mij dat niet zeggen vóór u dien rommel opkocht?

M. KIIL. Wat nu eenmaal gebeurd is, daaraan is niets te veranderen.

DR. STOCKMANN (loopt onrustig rond). Als ik maar niet zoo zeker was van mijn zaak…! Maar ik ben er zoo vast van overtuigd dat ik gelijk heb.

M. KIIL (weegt de portefeuille in de hand). Als je je dwaasheid volhoudt dan is dit alles niet veel waard (hij steekt de portefeuille in zijn zak).

DR. STOCKMANN. Maar, wat bliksem, de wetenschap moet toch ook wel voorbehoedmiddelen weten te vinden, dunkt mij; een of ander preservatief….

M. KIIL. Meen je iets om de dieren te dooden?

DR. STOCKMANN. Ja, of om ze onschadelijk te maken.

M. KIIL. Als je het eens met rattekruid probeerde?

DR. STOCKMANN. Och nonsens! nonsens!… Maar iedereen zegt dat 't maar een hersenschim is. Zou het dan geen hersenschim kunnen zijn? Laten ze hun zin dan hebben! Hebben de domme kleinzielige honden mij niet voor een volksvijand uitgemaakt;… en om mij de kleeren van het lijf te scheuren daartoe waren ze ook bereid!

M. KIIL. En dan al die ruiten die ze je stuk geslagen hebben!

DR. STOCKMANN. Ja, en dan dat gezanik van plichten jegens mijn gezin! Daarover moet ik met Katrine spreken; zij is veel beter thuis in zulke zaken dan ik.

M. KIIL. Dat is best; luister maar naar den raad van een verstandige vrouw.

DR. STOCKMANN (loopt op hem toe). Dat u toch ook zoo iets stoms kon doen! Katrine's geld op het spel te zetten; mij in zoo'n afschuwelijk pijnlijke positie te brengen! Als ik u aanzie is het of ik den duivel in eigen persoon voor mij heb…!

M. KIIL. Dan is 't maar beter dat ik wegga. Maar vóór twee uur wil ik je antwoord hebben.Jaofneen. Is hetneen, dan komen de aandeelen aan het gesticht,… en dat van daag nog.

DR. STOCKMANN. En wat krijgt Katrine dan?

M. KIIL. Geen cent!

(De deur van de voorkamer wordt geopend. Hovstad en Aslaksen ziet men daarbuiten staan.)

M. KIIL. Neen, kijk die twee daar eens!

DR. STOCKMANN (staart hen aan). Wat is dat? Waagt u het nog hier bij mij te komen?

HOVSTAD. Ja, wij zijn zoo vrij.

ASLAKSEN. Wij zouden u graag over iets willen spreken, ziet u.

M. KIIL (fluistert). Vóór twee uur … ja of neen!

ASLAKSEN (met een blik naar Hovstad). Aha!

(Morten Kiil gaat heen).

DR. STOCKMANN. Nu, wat had u mij te zeggen? Maakt het kort.

HOVSTAD. Ik begrijp heel goed dat u iets tegen ons heeft, van wege onze houding gisteren avond.

DR. STOCKMANN. Noemt u dat een houding? Ja, het was een prachtige houding! Ik noem datgeenhouding … oude-wijfachtig…. Bah, 't is schande!

HOVSTAD. Noem het zooals u wil; maar wijkondenniet anders.

DR. STOCKMANN. Udurfdezeker niet anders? Is het dat niet?

HOVSTAD. Ja, als u wil.

ASLAKSEN. Maar waarom liet u er vooruit niet een woordje over los?Alleen zoo maar een wenk tegen mijnheer Hovstad of mij.

DR. STOCKMANN. Een wenk? Waarover?

ASLAKSEN. Over dat wat er achter stak.

DR. STOCKMANN. Ik begrijp u heelemaal niet.

ASLAKSEN (knikt vertrouwelijk). Och ja, dokter, u begrijpt ons best.

HOVSTAD. Nu is toch langer niets verborgen te houden.

DR. STOCKMANN (kijkt van den een naar den ander). Ja maar, wat bliksem nog toe…!

ASLAKSEN. Mag ik vragen … gaat uw schoonvader de stad niet rond om alle aandeelen in de badinrichting op te koopen?

DR. STOCKMANN. Ja, van daag heeft hij aandeelen opgekocht, maar…?

ASLAKSEN. Het was verstandiger geweest als u dat door een ander had laten doen, iemand die u niet zoo na stond.

HOVSTAD. En dan had u ook niet onder uw eigen naam moeten optreden. Niemand hoefde toch te weten dat de aanval op de badinrichting van u uitging. U had mij om raad moeten vragen, dokter.

DR. STOCKMANN (kijkt vóór zich; er schijnt hem een licht op te gaan en hij zegt alsof hij uit de lucht komt vallen). Is zoo iets denkbaar! Is zoo iets mogelijk?

ASLAKSEN. Dat blijkt toch dat het mogelijk is. Maar ziet u, het had beter overlegd moeten worden.

HOVSTAD. En dan hadden er ook meer personen in betrokken moeten worden; want de verantwoordelijkheid wordt altijd geringer voor iemand wanneer er nog anderen bij zijn.

DR. STOCKMANN (kalm). Kort en goed, heeren … wat wil u eigenlijk?

ASLAKSEN. Dat kan mijnheer Hovstad beter….

HOVSTAD. Neen, zeg jij het maar, Aslaksen.

ASLAKSEN. Nu ja, het is dit: dat wij, nu wij weten hoe alles in elkaar zit, wel zouden meenen dat wij de "Volksbode" ter uwer beschikking durven stellen.

DR. STOCKMANN. Durft u dat nú? Maar de publieke opinie dan? Is u niet bang dat er een storm tegen ons zal opgaan?

HOVSTAD. Wij zouden vóór den wind wegzeilen.

ASLAKSEN. En dan moet de dokter zich handig in het laveeren betoonen.Zoodra uw aanval gewerkt heeft….

DR. STOCKMANN. Zoodra mijn schoonvader en ik de aandeelen in handen hebben tegen lagen prijs, bedoelt u…?

HOVSTAD. Het zijn toch wel hoofdzakelijk wetenschappelijke redenen, die u drijven om de leiding van de badinrichting in handen te krijgen.

DR. STOCKMANN. Natuurlijk; het waren wetenschappelijke redenen waarom ik den ouden das zocht te bewegen met mij mee te doen in dit geval. En dan repareeren wij de badinrichting een beetje, en graven den boel een beetje weg aan het strand, zonder dat het de gemeentekas een cent kost. Zou u niet denken dat dat ging? Hè?

HOVSTAD. Ik denk het wel … als u de "Volksbode" op uw hand heeft.

ASLAKSEN. In een vrije maatschappij is de pers een macht, dokter.

DR. STOCKMANN. Jawel; en ook de algemeene opinie is dat wel; en u, mijnheer Aslaksen, u neemt dan zeker den Bond van Huiseigenaren wel op uw geweten?

ASLAKSEN. Allebei, den Bond van Huiseigenaren en hetMatigheidsgenootschap. Daarop kan u gerust zijn.

DR. STOCKMANN. Maar heeren … ja ik schaam mij haast om er naar te vragen; maar, welke vergoeding…?

HOVSTAD. Het liefst zouden wij u geheel belangeloos helpen, dat begrijpt u wel. Maar de "Volksbode" staat zwak; het gaat niet best; en de uitgaaf van het blad te staken nu er zoo veel te doen is in de groote politiek, daartoe kan ik zoo heel moeilijk besluiten.

DR. STOCKMANN. Dat spreekt; een volksvriend als u zou dat al heel hard moeten vallen. (Opstuivend). Maar ik, ik ben een vijand van het volk! (loopt rond in de kamer). Waar is mijn stok? Wat bliksem, waar is dan toch mijn stok?

HOVSTAD. Wat beduidt dat?

ASLAKSEN. U wilt toch niet…?

DR. STOCKMANN (blijft staan). En als ik u nu eens geen cent gaf van al mijn aandeelen? Wij zijn zoo los niet met geld, wij rijke lui, dat moet u bedenken.

HOVSTAD. En u moet bedenken dat die zaak met de aandeelen op tweeërlei wijze voorgesteld kan worden.

DR. STOCKMANN. Ja, daar is u juist de man voor; als ik de "Volksbode" niet te hulp kom, dan krijgt u zeker een leelijken kijk op de zaak, dan maakt u jacht op mij … denk ik … zet mij na … tracht mij te wurgen, zooals de hond den haas de strot afbijt.

HOVSTAD. Dat is natuurwet; ieder dier zoekt het voedsel dat hem past.

ASLAKSEN. Een mensch moet zijn voedsel nemen waar hij het vindt, ziet u.

DR. STOCKMANN. Zie dan of je wat vinden kunt buiten in de goot! (loopt rond te zoeken in de kamer). Want nu zal het voor den donder dan blijken wie van ons drieën het sterkste dier is. (Grijpt zijn parapluie en zwaait er mee). Hei daar … past op je tellen!

HOVSTAD. U zal zich toch niet aan ons vergrijpen!

ASLAKSEN. Neem u in acht met die parapluie!

DR. STOCKMANN. Het raam uit, jij Hovstad!

HOVSTAD (naar de deur van de voorkamer). Maar is u nu heelemaal krankzinnig.

DR. STOCKMANN. Het raam uit, Aslaksen! Spring, zeg ik je! En een beetje gauw ook!

ASLAKSEN (loopt rond om de schrijftafel). Maat houden, dokter; ik ben geen sterk mensch; ik kan zoo weinig verdragen…. (schreeuwt) help! help!

(Mevr. Stockmann, Petra en kapitein Horster komen uit de huiskamer).

MEVR. STOCKMANN. Maar lieve Hemel, Thomas, wat is hier te doen?

DR. STOCKMANN (zwaait met de parapluie). Er uit, zeg ik! In de goot met jullie!

HOVSTAD. Aanval op een weerlooze! Ik neem u tot getuige, kapiteinHorster (hij ontkomt door de voorkamer).

ASLAKSEN (radeloos). Als ik maar op de hoogte was van de lokaliteit hier … (sluipt weg door de huiskamer).

MEVR. STOCKMANN (houdt den dokter vast). Maar beheersch je dan toch,Thomas!

DR. STOCKMANN (gooit de parapluie weg). Nou zijn ze me waarachtig toch nog ontloopen!

MEVR. STOCKMANN. Maar wat wilden ze dan toch?

DR. STOCKMANN. Dat zal ik je straks zeggen; nu moet ik aan andere dingen denken (gaat naar de tafel en schrijft op een visitekaartje). Kijk eens hier, Katrine, wat staat daar?

MEVR. STOCKMANN. Drie groote "neens"; wat beteekent dat?

DR. STOCKMANN. Dat zal ik je ook straks zeggen (reikt Petra het kaartje toe). Daar, Petra, laat de smeerpoets zoo gauw ze kan hiermee naar den das loopen. Gauw wat! (Petra gaat met het kaartje door de voorkamer).

DR. STOCKMANN. Als ik van daag niet alle mogelijke afgezanten uit de hel bij mij heb gehad, dan weet ik het niet. Maar nu zal ik mijn pen ook zóó scherpen tegen hen, dat ze wordt als een vlijm; in gif en gal zal ik ze doopen; ik zal hun mijn heelen inktpot naar den kop smijten!

MEVR. STOCKMANN. Ja maar, Thomas, we gaan immers weg?

(Petra komt terug).

DR. STOCKMANN. Wel?

PETRA. Al bezorgd.

DR. STOCKMANN. Best…. Weggaan, zeg je? Neen, om de bliksem niet! Wij blijven waar wij zijn Katrine!

PETRA. Blijven we hier?

MEVR. STOCKMANN. Hier in de stad?

DR. STOCKMANN. Ja, hier; juist hier; hier is het slagveld; hier wordt de slag geleverd; hier wil ik overwinnen! Als mijn broek nu maar weer gelapt is, dan ga ik uit om een huis te zoeken; we moeten toch een dak boven ons hoofd hebben van den winter.

HORSTER. Dat kan u bij mij krijgen.

DR. STOCKMANN. Kan dat?

HORSTER. Ja, dat kan best; ik heb ruimte genoeg, en ik ben haast nooit thuis.

MEVR. STOCKMANN. O, wat is dàt lief van u, kapitein!

PETRA. Dank u!

DR. STOCKMANN (schudt hem de hand). Dankje, dankje! Dus van die zorg zijn we bevrijd. En nu ga ik van daag al in vollen ernst aan het werk. Och, Katrine, er is hier zoo oneindig veel op te ruimen! Hoe heerlijk dat ik nu zoo heelemaal over mijn tijd beschikken kan. Ja, want dat 's waar ook, ik heb mijn ontslag van de baddirectie, moet je weten….

MEVR. STOCKMANN (zuchtend). Och ja, dat verwachtte ik wel.

DR. STOCKMANN. … en mijn praktijk willen ze mij ook afnemen. Maar laat ze maar begaan. De arme lui houd ik in elk geval, die niets kunnen betalen; en lieve God, die zijn het toch die mij het meest noodig hebben. Maar hooren wat ik te zeggen heb, zúllen ze, voor den donder; ik zal voor hen preeken bij tijd en ontijd, zooals ergens geschreven staat.

MEVR. STOCKMANN. Maar, Thomas-lief, je hebt nu gezien welk nut dat preeken heeft, dunkt mij.

DR. STOCKMANN. Je bent heusch komiek, Katrine. Moest ik mij misschien uit het veld laten slaan door de publieke opinie en de compacte meerderheid en dergelijk duivelstuig? Neen, dank je wel! En dat wat ik wil is immers zoo eenvoudig en helder en zoo klaar als de dag. Ik wil die straathonden alleen maar inpompen dat de liberalen de gemeenste vijanden zijn van de vrijheidsmannen … dat partijleuzen alle jonge levensvatbare waarheden den nek omdraaien, dat utiliteits-overwegingen alle moraal en rechtschapenheid onderste boven keeren, zoodat het leven hier ten slotte een gruwel wordt. Gelooft u niet, kapitein, dat ik dat de menschen nog wel begrijpelijk zal kunnen maken?

HORSTER. Misschien wel; ik heb er niet veel verstand van.

DR. STOCKMANN. Ja, ziet u,… let nu eens op! Het zijn de hoofden der partijen die uitgeroeid moeten worden. Want een partijhoofd is net als een wolf, ziet u,… als een hongerige izegrim … hij heeft ieder jaar zoo-en-zooveel stuks klein vee noodig om te kunnen bestaan. Kijk nu maar eens naar Hovstad en Aslaksen! Hoeveel klein vee maken alleen die twee al niet dood; of ze verminken het en bederven het zóó, dat ze nooit meer iets anders kunnen worden dan abonné's op de "Volksbode"! (gaat op den rand van de tafel zitten). Zeg, Katrine, kom eens hier,… kijk eens hoe mooi de zon hier in schijnt van daag. En die heerlijke lentelucht die naar binnen stroomt!

MEVR. STOCKMANN. Ja, als we maar van zonneschijn en lentelucht konden leven, Thomas!

DR. STOCKMANN. Nou, je moet maar zuinig zijn en sparen, dan gaat het wel. Dat is mijn minste zorg. Neen, wat erger is, dat is dat ik geen enkel man ken, vrij en voornaam genoeg, om den moed te hebben na mijn dood mijn werk voort te zetten.

PETRA. O vader, daar mag je niet aan denken! Je hebt nog tijd genoeg vóór je…. Kijk, daar zijn de jongens ook al.

(Ejlif en Morten komen uit de huiskamer).

MEVR. STOCKMANN. Heb je vrijaf gekregen van daag?

MORTEN. Neen; maar we hebben gevochten met de anderen in den vrijen tijd….

EJLIF. Dat is niet waar; het waren de anderen die met ons begonnen te vechten.

MORTEN. Ja, en toen zei mijnheer Rörlund dat wij beter deden eenige dagen thuis te blijven.

DR. STOCKMANN (knipt met de vingers en springt van de tafel af). Nu heb ik het! Nu heb ik het, bij mijn ziel! Jullie zult nooit weer een voet in de school zetten!

De jongens. Niet meer naar school?

MEVR. STOCKMANN. Neen maar, Thomas….

DR. STOCKMANN. Nooit meer, zeg ik je! Ik zelf zal jullie onderwijzen … dat is te zeggen jullie zult niet zoo maar gewone dingen leeren….

MORTEN. Hoera!

DR. STOCKMANN. … maar ik zal jullie tot vrije voorname mannen maken…. En jij, Petra, jij moet mij daarbij helpen.

PETRA. Ja vader, daarop kan je rekenen.

DR. STOCKMANN. En wij zullen school houden in de zaal, waar zij mij voor een volksvijand hebben uitgescholden. Maar er moeten er nog meer zijn. Ik moet ten minste twaalf jongens hebben om mee te beginnen.

MEVR. STOCKMANN. Die krijg je hier in de stad stellig niet bij elkaar.

DR. STOCKMANN. Dat zullen wij eens zien (tegen de jongens). Kennen jullie niet een paar straatjongens?… zoo'n paar echte schooiers?…

MORTEN. Jawel, vader, ik ken er een heeleboel.

DR. STOCKMANN. Mooi zoo; breng er mij dan maar een stuk of wat hier. Ik zal eens eenige proeven nemen op straathonden … soms zijn er merkwaardige koppen onder.

MORTEN. Maar wat moeten wij dan doen als wij eenmaal vrije en voorname mannen zijn geworden?

DR. STOCKMANN. Dan moeten jullie alle izegrims naar het verre Westen jagen, jongens!

(Ejlif kijkt een beetje bedenkelijk; Morten springt in de rondte en roept hoera).

MEVR. STOCKMANN. Och, als het de izegrims maar niet zijn die jou wegjagen, Thomas!

DR. STOCKMANN.Mij wegjagen! Nù, nu ik de sterkste man van de heele stad ben!

MEVR. STOCKMANN. De sterkste … nù?

DR. STOCKMANN. Ja, dat groote woord durf ik nu uit te spreken, dat ik nù een van de sterkste mannen van de wereld ben.

MORTEN. Neen toch?

DR. STOCKMANN (spreekt zachter). Stil; je moet er nog niet over spreken; maar ik heb een groote ontdekking gedaan.

MEVR. STOCKMANN. Alweer een?

DR. STOCKMANN. Zeker, zeker! (haalt hen dicht om zich heen en zegt vertrouwelijk). De zaak is, zie je, dat hij de sterkste man ter wereld is, die alleen staat.

MEVR. STOCKMANN (glimlacht en schudt 't hoofd). Och, Thomas-lief…!

PETRA (troostend, vat zijn hand). Vader!

* * * * *


Back to IndexNext