Chapter 9

DOM. MANDERS. Zou je nu misschien zoo vriendelijk willen zijn mevrouw te gaan roepen?

REGINE. Die zal nu wel dadelijk komen, dominee (zij gaat weg naar links).

DOM. MANDERS (loopt een paar maal de kamer op en neer; blijft een poosje op den achtergrond staan met de handen op den rug en kijkt uit in den tuin. Dan komt hij weer bij de tafel terug, neemt een boek op en kijkt naar den titel, schrikt en kijkt nog meer boeken in). Hm,… zoo … ja!

(Mevrouw Alving komt binnen door de deur links, gevolgd door Regine, die dadelijk weer weg gaat door de voorste deur rechts).

MEVR. ALVING (reikt hem de hand). Welkom dominee.

DOM. MANDERS. Goeden dag, mevrouw. Daar ben ik zooals ik u beloofde.

MEVR. ALVING. Altijd op klokslag.

DOM. MANDERS. Maar 't was moeilijk genoeg om weg te komen. Al die commissies en besturen waarin ik zit….

MEVR. ALVING. Des te vriendelijker van u dat u zoo vroeg komt. Nu kunnen wij onze zaken afdoen vóór wij aan tafel gaan. Maar waar is uw koffer?

DOM. MANDERS. (snel). Mijn goed staat in den winkel, beneden bij den steiger. Ik logeer daar van nacht.

MEVR. ALVING (onderdrukt een glimlach). Is u er waarlijk niet toe te bewegen bij mij te overnachten … ook dezen keer niet?

DOM. MANDERS. Neen, neen, mevrouw; overigens zeer veel dank. Ik blijf maar daar beneden, zooals gewoonlijk. Dat is zoo gemakkelijk, als ik weer aan boord moet.

MEVR. ALVING. Nu, u moet doen zooals u wil. Maar ik zou anders wel denken dat wij twee oude menschen….

DOM. MANDERS. Och heertje ja, u maakt maar gekheid. Nu ja, u is natuurlijk van daag uitermate blij. Eerst het inwijdingsfeest morgen, en dan heeft u ook Oswald weer thuis, hoor ik.

MEVR. ALVING. Ja, verbeeld u, wat een geluk voor mij! Het is nu al meer dan twee jaar geleden dat hij het laatst thuis was. En nu heeft hij beloofd den heelen winter bij mij te zullen blijven.

DOM. MANDERS. Och ja, waarlijk? Dat is aardig en hartelijk van hem. Want het moet wel heel wat aantrekkelijker zijn om in Rome of Parijs te wonen, denk ik zoo.

MEVR. ALVING. Ja, maar hier thuis heeft hij zijn moeder, ziet u. Och, mijn eigen lieve jongen,… hij heeft nog wel hart voor zijn moeder!

DOM. MANDERS. Dat zou toch ook al te treurig zijn als afwezigheid en zich bezig houden met kunst, zulke natuurlijke gevoelens zou doen uitslijten.

MEVR. ALVING. Ja, dat mag u wel zeggen. Maar bij hem is daar waarlijk geen nood voor. 't Zal mij heusch benieuwen of u hem zal herkennen. Hij komt straks beneden; hij ligt nu boven wat te rusten op de canapé…. Maar ga toch zitten, waarde dominee.

DOM. MANDERS. Dank u. 't Schikt u dus nu wel…?

MEVR. ALVING. Welzeker. (Zij gaat aan de tafel zitten).

DOM. MANDERS. Best; dan zal ik het u laten zien…. (gaat naar den stoel waar zijn reistaschje ligt, neemt er een pakje papieren uit, gaat aan de tafel tegenover haar zitten en zoekt een open plek voor zijn papieren). Hier hebben we nu vooreerst…. (afbrekend). Zeg u mij toch eens, Mevrouw, hoe komendieboeken hier?

MEVR. ALVING. Die boeken? Dat zijn boeken die ik lees.

DOM. MANDERS. Leest u dergelijke geschriften?

MEVR. ALVING. Ja zeker.

DOM. MANDERS. Voelt u dat u beter of gelukkiger wordt door die lektuur?

MEVR. ALVING. Ik vind dat het mij rust geeft.

DOM. MANDERS. Dat is opmerkelijk. Hoe dat zoo?

MEVR. ALVING. Ja, ik krijg er als 't ware de verklaring en de bevestiging door, van veel dat ik voor mijzelf heb uitgedacht. Want dat is het wonderlijke, dat er eigenlijk niets nieuws staat in die boeken. Er staat niets anders in dan dat, wat de meeste menschen denken en gelooven. Het is maar de zaak dat de meeste menschen er zich geen rekenschap van geven, of het niet willen weten.

DOM. MANDERS. Maar lieve Hemel! Gelooft u in vollen ernst dat de meeste menschen…?

MEVR. ALVING. Ja, dat geloof ik stellig.

DOM. MANDERS. Maar toch niet hier in ons land? Niet hier bij ons?

MEVR. ALVING. O ja, wel zeker, hier bij ons ook.

DOM. MANDERS. Neen, dan moet ik toch zeggen…!

MEVR. ALVING. Maar wat heeft u eigenlijktegendie boeken?

DOM. MANDERS. Er tegen? U gelooft toch niet dat ik mij bezig houd met het doorsnuffelen van dergelijke producten?

MEVR. ALVING. Dat wil zeggen dat u heelemaal niet kent wàt u veroordeelt.

DOM. MANDERS. Ik heb genoegoverdeze geschriften gelezen om ze af te keuren.

MEVR. ALVING. Ja, maar uw eigen oordeel….

DOM. MANDERS. Lieve mevrouw, er komt velerlei in het leven voor waarin men zich moet verlaten op anderen. Dat is nu eenmaal zoo in de wereld; en dat is ook goed. Wat zou er anders terechtkomen van de maatschappij?

MEVR. ALVING. Jawel, daarin kan u gelijk hebben.

DOM. MANDERS. Overigens ontken ik natuurlijk niet dat er veel aantrekkelijks in deze boeken zijn kan. En ik kan er u ook geen verwijt van maken dat u op de hoogte wenscht te blijven van de geestelijke stroomingen, die zooals men zegt, in de groote buitenwereld omgaan,… waar u uw zoon zoo langen tijd heeft laten rondtrekken. Maar….

MEVR. ALVING. Maar…?

DOM. MANDERS (zachter sprekend). Maar men spreekt er niet over, mevrouw. Men behoeft toch waarlijk niet Jan-en-alleman rekenschap te geven van wat men leest en wat men denkt binnen zijn eigen vier muren.

MEVR. ALVING. Neen, natuurlijk niet; dat zou ik ook denken.

DOM. MANDERS. Maar bedenk nu alleen maar eens wat u verplicht is tegenover dat gesticht, dat u besloot op te richten in een tijd, toen uwe zienswijze in geestelijke dingen nog zoo heel anders was dan nu;… zoover ik althans kan nagaan.

MEVR. ALVING. Ja, ja, dat geef ik volmaakt toe. Maar wij zouden over het gesticht….

DOM. MANDERS. Wij zouden over het gesticht spreken, ja. Dus … voorzichtig zijn, lieve mevrouw! En nu gaan wij over tot de zaken (opent de portefeuille en neemt er eenige papieren uit). Ziet u deze papieren?

MEVR. ALVING. De stukken?

DOM. MANDERS. Allemaal. En alles in orde. U kan gerust gelooven dat het moeite gekost heeft om ze op tijd in handen te krijgen. De ambtenaren zijn haast pijnlijk nauwgezet in het afdoen van zulke zaken. Maar hier hebben wij ze dan toch (bladert in de massa). Ziet u, hier is de in het grondboek ingeschreven akte van schenking, voor het deel van het goed Solvik, behoorend tot het landgoed Rozenheuvel, met de daarop zich bevindende nieuwopgetrokken gebouwen van woonhuizen, schoollokalen, onderwijzerswoning en kapel. En hier is het bewijs van het legaat en van de statuten der stichting. Hier, ziet u maar alsjeblieft…. (leest voor). De statuten van Het Tehuis voor Kinderen "Kapitein Alving's Stichting"….

MEVR. ALVING (kijkt op het papier). Dat is het dus.

DOM. MANDERS. Ik heb den titel kapitein gekozen en niet kamerheer.Kapitein staat eenvoudiger.

MEVR. ALVING. Ja, ja; net als u goed vindt.

DOM. MANDERS. En hier heeft u het spaarbankboekje van het te beleggen kapitaal, dat uitgezet is om de bedrijfskosten van het gesticht te bestrijden.

MEVR. ALVING. Dank u, maar wees zoo vriendelijk dat voor het gemak maar te bewaren.

DOM. MANDERS. Heel gaarne. Mij dunkt wij moesten het geld voorloopig op de spaarbank laten. De rentevoet is wel niet erg uitlokkend, vier procent met halfjarige opzegging. Als wij er later een solide hypotheek voor konden krijgen…. Het zou natuurlijk een eerste en in alle opzichten sekure moeten zijn … dan konden wij er nog eens verder over spreken.

MEVR. ALVING. Ja, ja, dominee; van al die dingen heeft u veel meer verstand dan ik.

DOM. MANDERS. Ik zal in elk geval wel eens goed uit mijn oogen kijken…. Maar dan is er nog iets wat ik al meermalen heb willen vragen.

MEVR. ALVING. En wat is dat dan?

DOM. MANDERS. Moeten de gebouwen geassureerd worden of niet?

MEVR. ALVING. Ja, natuurlijk moeten ze geassureerd worden.

DOM. MANDERS. Ja, wacht eens even, mevrouw. Laat ons die zaak nog eens nader beschouwen.

MEVR. ALVING. Bij mij is alles geassureerd, de gebouwen, de roerende goederen, de oogst en het vee.

DOM. MANDERS. Natuurlijk. Op uw eigen landgoed. Dat doe ik ook,… dat spreekt van zelf. Maar hier, ziet u, is het een heel andere zaak. Het gesticht zal toch als het ware gewijd worden tot een hoogere levensroeping.

MEVR. ALVING. Ja, maar omdat….

DOM. MANDERS. Wat mij persoonlijk betreft, zou ik er zeer zeker in de verte niets aanstootelijks in vinden om ons tegen alle mogelijkheden te verzekeren….

MEVR. ALVING. Neen, dat dunkt mij ook.

DOM. MANDERS. … Maar hoe staat het met den geest van de menschen hier in den omtrek. Dat weet u stellig beter dan ik.

MEVR. ALVING. Hm, de geest….

DOM. MANDERS. Zijn hier betrekkelijk nog al veel menschen, met wier opinie werkelijk rekening moet gehouden worden, die er aanstoot aan zouden kunnen nemen?

MEVR. ALVING. Wat verstaat u eigenlijk onder menschen met wier opinie rekening moet gehouden worden?

DOM. MANDERS. Wel, ik denk in de eerste plaats aan mannen die in zoover onafhankelijk en invloedrijk genoeg zijn, dat men moeilijk nalaten kan eenige rekening te houden met hunne opinie.

MEVR. ALVING. Van die zijn er hier verscheidene, aan wie het misschien wel aanstoot zou kunnen geven, indien….

DOM. MANDERS. Nu, ziet u nu wel! Bij ons in de stad zijn er heel wat van dat slag. Denk maar eens aan al de volgelingen van mijn ambtsbroeder! Men zou er waarlijk licht toe kunnen komen het op te vatten alsof noch u noch ik, het ware vertrouwen op een hoogere bestiering bezat.

MEVR. ALVING. Maar wat u betreft, waarde dominee, weet u althans voor u zelf dat….

DOM. MANDERS. Ja, ik weet; ik weet;… ik heb mijn overtuiging; dat is waar. Maar wij zouden toch niet kunnen verhinderen dat er een verkeerden en ongewenschten uitleg aan gegeven werd. En die zou dan weer allicht een belemmerenden invloed uitoefenen op de heele stichting.

MEVR. ALVING. Ja, als dat het gevolg zou zijn, dan….

DOM. MANDERS. Ik kan ook niet geheel uit het oog verliezen de moeilijke,… ja, ik mag wel zeggen pijnlijke verhouding, waarin ik misschien geraken zou. In de toonaangevende kringen van de stad, houdt men zich veel bezig met de gestichtskwestie. Het gesticht is immers voor een deel ook opgericht ten bate van de stad, en het is te hopen dat het in niet geringe mate onze gemeentelijke armenlasten zal verlichten. Maar daar ik nu uw raadsman ben geweest en het practische deel van de zaak beheerd heb, moet ik vreezen dat de benijders in de allereerste plaats zich op mij zullen werpen….

MEVR. ALVING. Neen, daaraan mag u zich niet blootstellen….

DOM. MANDERS. … Om nog niet eens te spreken van de aanvallen, die zeer stellig op mij gericht zullen worden in zekere bladen en tijdschriften, die….

MEVR. ALVING. Al genoeg dominee; deze laatste overweging is al ruim voldoende.

DOM. MANDERS. U wil dus dat het geassureerd worden zal?

MEVR. ALVING. Neen, wij zullen het dan maar laten.

DOM. MANDERS (leunt achterover in zijn stoel). Maar als er nu eens een ongeluk gebeurde? Men kan toch nooit weten…. Zou u dan de schade weer kunnen vergoeden?

MEVR. ALVING. Neen; dat zeg ik ronduit, dat zou ik zeer stellig niet doen.

DOM. MANDERS. Ja, maar … dan is het toch een bedenkelijke verantwoordelijkheid, die wij op ons nemen.

MEVR. ALVING. Maar vindt u dan dat wij anderskunnen?

DOM. MANDERS. Neen; dat is het juist; wekunneneigenlijk niet anders. Wij mogen ons toch niet blootstellen aan een verkeerd oordeel; en het is ons volstrekt niet geoorloofd ergernis te verwekken in de gemeente.

MEVR. ALVING. U, als dominee, in elk geval niet.

DOM. MANDERS. En ik vind dan toch werkelijk ook, dat wij er op moeten vertrouwen dat op zulk een stichting zegen zal rusten,… ja zelfs, dat die onder bizondere bescherming staat.

MEVR. ALVING. Laat ons dat hopen, dominee.

DOM. MANDERS. Zullen wij het er dus maar bij laten?

MEVR. ALVING. Ja, zeker.

DOM. MANDERS. Best. Zooals u wil (noteert). Dus … niet assureeren.

MEVR. ALVING. 't Is anders wonderlijk dat u daar juist van daag over komt spreken….

DOM. MANDERS. Ik heb er al dikwijls over gedacht het u te vragen….

MEVR. ALVING. … want gisteren hadden wij daarginder bijna brand gehad.

DOM. MANDERS. Wat zegt u!

MEVR. ALVING. Nu, het had overigens niets te beteekenen. Een hoop houtkrullen had vuur gevat in de timmermanswerkplaats.

DOM. MANDERS. Waar Engstrand werkt?

MEVR. ALVING. Ja. Hij moet dikwijls heel onvoorzichtig zijn met lucifers, zeggen ze.

DOM. MANDERS. Hij heeft zooveel aan zijn hoofd, die man … zoo velerlei verzoekingen. Goddank legt hij er zich nu op toe een onberispelijk leven te leiden, naar ik hoor.

MEVR. ALVING. Zoo? Wie zegt dat?

DOM. MANDERS. Dat heeft hij mij zelf verzekerd. En een knap werkman is hij toch ook.

MEVR. ALVING. O ja, zoo lang hij nuchter is….

DOM. MANDERS. Ja, die treurige zwakheid; maar hij is er dikwijls toe genoodzaakt voor dat akelige been, zegt hij. Den laatsten keer dat hij in de stad was, deed hij mij waarlijk aan. Hij kwam bij mij en bedankte mij zoo hartelijk omdat ik hem hier werk verschaft had, zoodat hij nu met Regine samen kon zijn.

MEVR. ALVING. Hij merkt anders niet veel van haar.

DOM. MANDERS. Jawel, hij spreekt haar iederen dag, dat vertelde hij mij zelf.

MEVR. ALVING. Nu ja … dat kan ook wel zijn.

DOM. MANDERS. Hij voelt zoo goed dat hij behoefte heeft aan iemand die hem terughouden kan als de verleiding nabij is. Dat is het beminnelijke in Jakob Engstrand, dat hij zoo volslagen hulpeloos bij iemand komt en zich aanklaagt en zijn eigen zwakheid bekent. Laatst was hij bij mij en sprak met mij…. Hoor eens, mevrouw, als het hem een hartsbehoef te zijn zou om Regine bij zich thuis te hebben….

MEVR. ALVING (staat snel op). Regine!

DOM. MANDERS. … dan moet u zich daar niet tegen verzetten.

MEVR. ALVING. Jawel, daar zal ik mij zeer zeker tegen verzetten. En bovendien,… Regine krijgt immers een betrekking in het gesticht.

DOM. MANDERS. Maar denk toch eens aan, hij is toch haar vader….

MEVR. ALVING. O, ik weet best wat voor soort van een vader hij voor haar geweest is. Neen, naar hem zal zij nooit teruggaan met mijn goedvinden.

DOM. MANDERS (staat op). Maar lieve mevrouw, wind u daarover toch niet zoo op. Het is bedroevend zoo als u Engstrand miskent. Het is of ik u een schrik op het lijf jaag….

MEVR. ALVING. Dat doet er niet toe. Ik heb Regine tot mij genomen, en bij mij zal zij blijven (luistert). Sst, dominee, spreek daar nu niet meer over. (Haar gezicht verheldert). Hoor! Daar komt Oswald de trap af. Nu houden wij ons verder alleen met hem bezig.

(Oswald Alving in een overjas, met zijn hoed in de hand en rookend uit een groote meerschuimen pijp, komt binnen door de deur links).

OSWALD (blijft in de deur staan). O pardon … ik dacht dat u in het kantoor zat (komt naderbij). Goeden dag, dominee.

DOM. MANDERS. Ah…! Dat is merkwaardig….

MEVR. ALVING. Wel, wat zegt u nu van hem, dominee?

DOM. MANDERS. Ik zeg … ik zeg…. Neen maar, is dat nu waarlijk…?

OSWALD. Jawel, het is heusch de verloren zoon, dominee.

DOM. MANDERS. Maar, mijn waarde jonge vriend….

OSWALD. Nou, dan de teruggekomen zoon.

MEVR. ALVING. Oswald denkt er aan dat u er toen zooveel tegen had dat hij schilder werd.

DOM. MANDERS. Voor menschelijke oogen kan menige stap in het leven bedenkelijk schijnen, die toch later…. (schudt hem de hand). Nu, welkom, welkom! Neen, mijn waarde Oswald…. Ja, mag ik je nog wel bij je voornaam noemen?

OSWALD. Hoe zou u mij dan anders noemen?

DOM. MANDERS. Heel goed. 't Was dit dat ik zeggen wilde, mijn waarde Oswald,… je moet niet denken dat ik onvoorwaardelijk den kunstenaarsstand veroordeel. Ik neem aan dat er velen zijn, die hun innerlijk wezen onbedorven bewaren kunnen ook in dien stand.

OSWALD. Dat zullen wij moeten hopen.

MEVR. ALVING (stralend van vreugde). Ik ken er een die zoowel zijn innerlijke als zijn uiterlijke wezen onbedorven bewaard heeft. Kijk hem maar eens aan, dominee.

OSWALD (loopt heen en weer). Ja, ja, moederlief, laat dat nu maar rusten.

DOM. MANDERS. Nu, met verlof … dat kan niet ontkend worden. En je bent al begonnen naam te maken ook. In de dagbladen is er dikwijls over je gesproken, en wel buitengewoon gunstig ook. Hoewel … ik moet zeggen … in den laatsten tijd heb ik er zooveel niet meer van gezien.

OSWALD (in de serre). In den laatsten tijd heb ik niet zoo veel meer geschilderd.

MEVR. ALVING. Een schilder moet tusschenbeiden ook eens wat rust nemen.

DOM. MANDERS. Dat kan ik begrijpen. En dan bereidt men zich voor en verzamelt kracht voor iets groots.

OSWALD. Ja.—Moeder, gaan wij nog niet haast eten?

MEVR. ALVING. Over een klein half uurtje. Eetlust heeft hij gelukkig.

DOM. MANDERS. En de tabak smaakt hem ook.

OSWALD. Ik vond papa's pijp boven op de kamer, en zoo….

DOM. MANDERS. Aha, dàt was het dus!

MEVR. ALVING. Wat?

DOM. MANDERS. Toen Oswald daar de deur in kwam met de pijp in den mond, was het of ik zijn vader in levenden lijve zag.

OSWALD. Och kom?

MEVR. ALVING. O, hoe kan u het zeggen! Oswald lijkt toch op mij.

DOM. MANDERS. Ja; maar er is een trek om de mondhoeken, iets om de lippen, dat zoo eigenaardig aan Alving herinnert … althans nu hij rookt.

MEVR. ALVING. Heelemaal niet. Oswald heeft eerder iets van een geestelijke om den mond, vind ik.

DOM. MANDERS. O ja, o ja, verscheidene van mijn ambtsbroeders hebben een dergelijken trek.

MEVR. ALVING. Maar leg je pijp liever weg, mijn jongen; ik heb hier niet graag tabaksrook.

OSWALD. Met genoegen. Ik wou die pijp alleen maar eens probeeren, omdat ik als kind er eens uit gerookt heb.

MEVR. ALVING. Jij?

OSWALD. Ja. Ik was toen nog heel klein. Maar ik herinner mij dat ik boven bij papa op de kamer kwam op een avond, en hij zoo vroolijk en jolig was.

MEVR. ALVING. Och kom, je herinnert je niets meer van die jaren.

OSWALD. Jawel, ik herinner mij duidelijk dat hij mij op zijn knieën zette en liet rooken uit zijn pijp. Rook, jongen, zei hij … flink rooken, jongen! En ik rookte wat ik kon, totdat ik voelde dat ik heelemaal bleek werd en het zweet in groote droppels op mijn voorhoofd stond. Toen lachte hij dat hij schaterde….

DOM. MANDERS. Dat was toch al heel vreemd.

MEVR. ALVING. Och dominee, dat heeft Oswald gedroomd!

OSWALD. Neen, moeder, ik heb het volstrekt niet gedroomd. Want … herinner je je dat dan niet meer … toen kwam jij binnen en droeg me naar de kinderkamer. Daar werd ik toen onpasselijk en zag ik dat je huilde…. Haalde papa dikwijls zulke grappen uit?

DOM. MANDERS. In zijn jeugd was hij een bizonder levenslustig mensch….

OSWALD. … en heeft toch nog zooveel gedaan in de wereld. Zooveel goeds en nuttigs tot stand gebracht; en was toch nog jong toen hij stierf.

DOM. MANDERS. Ja, je hebt in waarheid den naam van een werkzaam en bekwaam man geërfd, mijn waarde Oswald. Nu, dat zal, naar wij hopen, je een spoorslag zijn….

OSWALD. Dat behoorde het ten minste te zijn, ja.

DOM. MANDERS. Het is in elk geval mooi van je dat je thuis komt voor zijn eere-dag.

OSWALD. Minder kon ik al niet voor papa doen.

MEVR. ALVING. En dat ik hem zoo lang mag houden … dat is nu nog het allermooiste van hem.

DOM. MANDERS. Ja, je blijft den heelen winter hier, hoor ik.

OSWALD. Ik blijf thuis voor onbepaalden tijd, dominee…. O, het is toch zoo heerlijk om weer bij moeder thuis te zijn!

MEVR. ALVING (stralend). Ja, hè, mijn jongen?

DOM. MANDERS (kijkt hem deelnemend aan). Je bent al vroeg de wijde wereld ingegaan, mijn waarde Oswald.

OSWALD. Dat is zoo. Soms denk ik wel eens of het niet wat àl te vroeg was.

MEVR. ALVING. O, wel neen, volstrekt niet. Dat is juist goed voor een flinken jongen. En vooral voor een eenig kind. Die moet niet thuis aan moeders rokken blijven hangen om zich te laten bederven.

DOM. MANDERS. Dat is een bewering die wel voor tegenspraak vatbaar is, mevrouw. Het ouderlijk huis is en blijft toch de ware plaats voor een kind.

OSWALD. Daarin ben ik het geheel met den dominee eens.

DOM. MANDERS. Zie nu maar eens naar uw eigen zoon. Wij kunnen er gerust over spreken in zijn bijzijn. Wat zijn voor hem de gevolgen geweest? Hij is zes-zeven-en-twintig jaar oud geworden en heeft nooit gelegenheid gehad een geregeld tehuis te leeren kennen.

OSWALD. Pardon, dominee,… dat heeft u glad mis.

DOM. MANDERS. Zoo? Ik dacht toch dat je zoo goed als uitsluitend in kunstenaarskringen verkeerd had.

OSWALD. Dat heb ik ook.

DOM. MANDERS. En meest onder jongere artisten.

OSWALD. Jawel.

DOM. MANDERS. Maar ik dacht dat de meesten van die luitjes geen middelen hadden om een huishouden op te zetten en zich te vestigen.

OSWALD. Er zijn er velen onder hen die geen middelen genoeg hebben om te trouwen, dominee.

DOM. MANDERS. Nu ja, dat is net wat ik zeg.

OSWALD. Maar daarom kunnen zij toch wel een tehuis hebben. En dat hèbben dan ook sommigen; en dat is een heel geregeld en een heel gezellig tehuis.

MEVR. ALVING (volgt in spanning het gesprek … knikt, maar zegt niets).

DOM. MANDERS. Maar ik spreek niet van een jonggezellen-tehuis. Onder een tehuis versta ik een huisgezin, waar een man leeft met zijn vrouw en kinderen.

OSWALD. Jawel; of met zijn kinderen en de moeder van zijn kinderen.

DOM. MANDERS (schrikt … slaat de handen in elkaar). Genadige Hemel!

OSWALD. Wel?

DOM. MANDERS. Leven met … de moeder van zijn kinderen…!

OSWALD. Zou u dan liever willen dat hij de moeder van zijn kinderen verstiet?

DOM. MANDERS. Het is dus van onwettige verhoudingen dat je spreekt! Over een zoogenaamd leven in wilden echt!

OSWALD. Ik heb nooit iets bizonder wilds opgemerkt in het samenleven van die lui.

DOM. MANDERS. Maar hoe is het mogelijk dat een … een maar eenigszins welopgevoed man of een jonge vrouw, er zich in schikken kan op die manier te leven … zoo maar voor het oog van iedereen!

OSWALD. Maar wat moeten ze dàn doen? Een arm jong artiste,… een arm jong meisje…. Trouwen kost een boel geld. Wat moeten ze dan doen?

DOM. MANDERS. Wat ze moeten doen? Wel, mijnheer Alving, ik zal u zeggen wat zij moeten doen. Zij moesten van 't begin af aan elkaar vermeden hebben,… dàt moesten ze!

OSWALD. Met zulke praatjes komt u niet ver bij jonge, warmbloedige, verliefde menschen!

MEVR. ALVING. Neen, daar komt u niet ver mee!

DOM. MANDERS (voortgaand). En dat de overheid zoo iets duldt! Dat zoo iets openlijk geschieden mag! (Tot mevr. Alving gewend). Had ik dus geen reden om in mijn hart bekommerd te zijn over uw zoon? In kringen waar de onverhulde onzedelijkheid in zwang is en als het ware recht van bestaan gekregen heeft….

OSWALD. Ik zal u eens iets zeggen, dominee. Ik ben een vaste zondagsgast geweest in een paar dergelijke ongeregelde huisgezinnen….

DOM. MANDERS. En dat op zondag!

OSWALD. Ja, dat is de dag waarop men zich amuseert. Maar nooit heb ik een aanstootelijk woord gehoord, en nog minder ben ik getuige geweest van iets dat men onzedelijk zou kunnen noemen. Neen, weet u wanneer en waar ik onzedelijkheid heb aangetroffen in de artistenkringen?

DOM. MANDERS. Neen, Goddank!

OSWALD. Nu, dan zal ik mij permitteeren het u te vertellen. Ik heb die aangetroffen, wanneer een-of-ander van onze modelechtgenooten of huisvaders daarginder kwam, om eens een beetje op zijn eigen houtje rond te kijken … en dan artisten de eer aandeed hen op te zoeken in hun armzalige café's. Daar werden wij behoorlijk ingelicht. Die heeren wisten ons te vertellen van plaatsen en dingen waar wij nog nooit van gedroomd hadden.

DOM. MANDERS. Wat? Wil u beweren dat eerbare mannen uit ons land zouden…?

OSWALD. En als dergelijke eerbare mannen weer thuiskwamen … heeft u hen dan nooit hooren uitpakken over de hand-over-hand toenemende onzedelijkheid in het buitenland?

DOM. MANDERS. Jawel, natuurlijk….

MEVR. ALVING. Dat heb ik ook wel gehoord.

OSWALD. Nou, u kan hen gerust op hun woord gelooven. Daar zijn menschen onder die van die zaken op de hoogte zijn (grijpt naar zijn hoofd). O … dat het mooie, heerlijke vrijheidsleven daarginder … dat het zóó bezoedeld moet worden!

MEVR. ALVING. Je moet je niet zoo opwinden, Oswald; dat is niet goed voor je.

OSWALD. Neen, daarin heb je gelijk, moeder. Dat is niet gezond voor mij. Het is die vervloekte moeheid, zie je. Ik zal een klein eindje omloopen vóór wij aan tafel gaan. Neem mij niet kwalijk, dominee, u kan daar zoo niet in komen; maar het kwam zoo in mij op (hij gaat weg door de tweede deur rechts).

MEVR. ALVING. Mijn arme jongen …!

DOM. MANDERS. Ja, dat mag u wèl zeggen. Zóó ver is het dus al met hem gekomen!

MEVR. ALVING (kijkt hem aan en zwijgt).

DOM. MANDERS (loopt op en neer). Hij noemde zich de verloren zoon. Ja, helaas … helaas!

MEVR. ALVING (kijkt hem steeds aan).

DOM. MANDERS. En wat zegt u van dat alles?

MEVR. ALVING. Ik zeg dat Oswald gelijk had in ieder woord dat hij zei.

DOM. MANDERS (blijft staan). Gelijk? Gelijk? In zulke principes!

MEVR. ALVING. Hier in mijn eenzaamheid ben ik er toe gekomen er net eender over te denken, dominee. Maar ik heb nooit gewaagd het onderwerp aan te roeren. Nu, 't is goed; mijn jongen zal voor mij spreken.

DOM. MANDERS. U is een beklagenswaardige vrouw, mevrouw Alving. Maar nu wil ik eens een ernstig woord met u spreken. Nu is het niet meer uw zakenbeheerder en raadsman, die voor u staat. Het is de geestelijke, zooals hij voor u stond in het moeilijkste uur van uw leven.

MEVR. ALVING. En wat heeft de geestelijke mij te zeggen?

DOM. MANDERS. Eerst wil ik uw herinneringen wakker roepen, mevrouw. Het tijdstip is wèl gekozen. Morgen zal het tien jaar geleden zijn dat uw man gestorven is; morgen zal het gedenkteeken onthuld worden voor hem, die heengegaan is. Morgen zal ik spreken tot de heele verzamelde schare; maar heden wil ik spreken tot u alleen.

MEVR. ALVING. Goed, dominee; ga u gang!

DOM. MANDERS. Weet u nog, dat u, na ter nauwernood een jaar getrouwd te zijn geweest, aan den rand van den afgrond heeft gestaan? Dat u uw huis en haard verliet,… dat u wegliep van uw man;… ja mevrouw Alving wegliep, wegliep, en weigerde terug te keeren tot hem, hoezeer hij er ook om bad en smeekte?

MEVR. ALVING. Heeft u vergeten hoe grenzenloos ongelukkig ik mij gevoelde dat eerste jaar?

DOM. MANDERS. Dat is juist de echte geest van verzet die geluk eischt hier in het leven. Welk recht hebben wij menschen op geluk? Neen, wij moeten onzen plicht doen, mevrouw! En uw plicht was het te blijven bij den man, dien u eens gekozen had, en aan wien u verbonden was door heilige banden.

MEVR. ALVING. U weet best wat voor een leven Alving leidde in dien tijd; aan welke uitspattingen Bij zich schuldig maakte.

DOM. MANDERS. Ik weet heel goed welke geruchten er over hem rondgingen; en ik ben zeker de allerlaatste om zijn levenswandel in zijn jeugd goed te keuren, voor zoover die geruchten waarheid bevatten. Maar een vrouw is niet als rechter gesteld over haar man. Het was uw plicht geweest in nederigheid het kruis te dragen, dat een Hoogere Wil noodig voor u geacht had. Maar in plaats daarvan wierp u in arren moede uw kruis af, verliet den struikelende dien u had moeten steunen, zette uw goeden naam op het spel, en … had bijna den naam van anderen er ook bij verspeeld.

MEVR. ALVING. Van anderen? Van een ander, bedoelt u zeker.

DOM. MANDERS. Het was ongehoord roekeloos van u om een toevlucht te zoeken bijmij.

MEVR. ALVING. Bij onzen geestelijke? Bij onzen huisvriend?

DOM. MANDERS. Juist…. Ja, dank uw Heer en God, dat ik de noodige kracht bezat, dat ik u kon afbrengen van uw overspannen voornemens en dat het mij vergund werd u op den weg van den plicht en tot uw wettigen echtgenoot terug te voeren.

MEVR. ALVING. Ja, dominee, dàt was inderdaad uw werk.

DOM. MANDERS. Ik was maar een zwak werktuig in de hand van een Hoogere Macht. En hoe is het u niet tot een grooten zegen geworden voor al uw latere levensdagen, dat ik u weer deed buigen onder plicht en gehoorzaamheid? Is het niet gegaan zooals ik u voorzegd had? Keerde Alving niet terug van zijn afdwalingen, zooals het een man betaamt? Leefde hij sedert niet in liefde en onberispelijk met u alle volgende jaren? Werd hij niet een weldoener voor deze streek, en hief hij u niet zóó tot zich op, dat u naderhand zijn medewerkster werd in alles wat hij ondernam? En wel een bekwame medewerkster;… o, ik weet het, mevrouw;dienlof moet ik u geven. Maar nu kom ik tot den tweeden grooten misstap in uw leven.

MEVR. ALVING. Wat bedoelt u daarmee?

DOM. MANDERS. Evenals u eens de plichten der echtgenoote verzaakt heeft, zoo heeft u later die der moeder verzaakt.

MEVR. ALVING. Ah…!

DOM. MANDERS. U is uw levenlang beheerscht geworden door een onheilzwangeren geest van eigenzinnigheid. Al uw streven is daarheen gericht geweest u van dwang en wetten vrij te maken. Nooit heeft u eenigen knellenden band kunnen velen. Alles wat u in het leven bezwaarde, heeft u roekeloos en gewetenloos van u afgeworpen, als een last, waarover u zelf te beschikken had. Het behaagde u niet langer echtgenoote te zijn, en u verliet uw man. Het viel u lastig moeder te zijn, en u zond uw kind weg onder vreemden.

MEVR. ALVING. Ja, dat is waar; dat heb ik gedaan.

DOM. MANDERS. Maar daardoor is u ook een vreemde voor hem gebleven.

MEVR. ALVING. Neen, neen, dàt ben ik niet!

DOM. MANDERS. Dat is u wèl; datmoetu wel zijn. En hoe heeft u hem nu terug gekregen! Bedenk het wel; mevrouw, u heeft veel gezondigd tegen uw man; … dat erkent u door dat gedenkteeken daar beneden voor hem op te richten. Erken nu ook hoe u heeft gezondigd tegen uw zoon; het kan nog tijd zijn om hem van zijn dwaalweg terug te brengen. Keer zelf om; en richt op, wat er misschien nog in hem op te richten is. Want (met opgeheven wijsvinger) in waarheid, mevrouw Alving, u is een met schuld beladen moeder!… Ik heb het mijn plicht geacht u dat te zeggen.

(Zwijgen).

MEVR. ALVING (langzaam en met zelfbeheersching). Nu heeft u gesproken, dominee; en morgen zal u openlijk spreken om mijn man te gedenken. Ik zal morgen niet spreken. Maar nu wil ik eens even tot u spreken, zooals u tot mij gesproken heeft.

DOM. MANDERS. Natuurlijk; u wil verontschuldigingen aanvoeren voor uwe handelwijze….

MEVR. ALVING. Neen. Ik wil alleen maar vertellen.

DOM. MANDERS. Nu…?

MEVR. ALVING. Alles wat u zooeven hier zei, van mij en mijn man en ons samenleven, nadat u, zooals u het noemde, mij op den weg van den plicht had teruggevoerd … van dat alles weet u door eigen waarneming, volstrekt niets. Van dat oogenblik af zette u, onze dagelijksche huisvriend,… nooit meer een voet in ons huis.

DOM. MANDERS. U heeft immers, onmiddellijk daarop, met uw man de stad verlaten.

MEVR. ALVING. Ja, en hier buiten is u zoo lang mijn man leefde nooit bij ons gekomen. Het zijn zaken geweest die u dwongen mij op te zoeken, toen u in de kwestie van het gesticht is betrokken geworden.

DOM. MANDERS. Helene … als dat een verwijt moet zijn, dan verzoek ik u wel te overwegen….

MEVR. ALVING. … alles wat u aan uw positie verschuldigd was; jawel. En ook dat ik een van haar man weggeloopen vrouw was. Men kan nooit terughoudend genoeg zijn tegenover zulke roekelooze vrouwen.

DOM. MANDERS. Lieve … mevrouw dat is nu wel ontzettend overdreven….

MEVR. ALVING. Ja, ja, ja … dat kan wel zijn. Ik wou alleen maar zeggen dat toen u een oordeel uitsprak over mijn huwelijksleven, u eenvoudig steunde op de algemeen gangbare opvatting.

DOM. MANDERS. Nu ja; en wat zou dat?

MEVR. ALVING. Maar Manders, nu zal ik u de waarheid eens zeggen. Ik heb het mijzelf plechtig beloofd dat u het eenmaal weten zou. U alleen!

DOM. MANDERS. En wat is dan de waarheid?

MEVR. ALVING. De waarheid is, dat mijn man net zoo gedepraveerd stierf als hij altijd geleefd had.

DOM. MANDERS (grijpt naar een stoel). Wàt zegt u?

MEVR. ALVING. Na een negentienjarig huwelijk nog even gedepraveerd … in zijn zinnelijke lusten althans … als hij was vóór u ons trouwde.

DOM. MANDERS. En deze jeugd-afdwalingen,… deze ongeregeldheden,… uitspattingen, als u wil, noemt u gedepraveerdheid!

MEVR. ALVING. Onze huisdokter gebruikte die uitdrukking.

DOM. MANDERS. Nu begrijp ik u niet.

MEVR. ALVING. Dat hoeft ook niet.

DOM. MANDERS. 't Begint mij haast te duizelen. Uw heele huwelijk,… het heele veeljarige samenleven met uw man zou niets anders zijn dan een overdekte afgrond!

MEVR. ALVING. Absoluut niets anders. Nu weet u het.

DOM. MANDERS. Daar … daar kan ik nog niet bij. Ik kan het niet in me opnemen! Niet vasthouden! Maar hoe was het dan mogelijk dat…? Hoe heeft zoo iets verborgen kunnen blijven?

MEVR. ALVING. Dat is juist mijn voortdurende dagelijksche strijd geweest. Toen Oswald geboren was, meende ik dat het wat beter ging met Alving. Maar dat duurde niet lang. En nu moest ik dubbel strijden, strijden op leven en dood, dat maar niemand zou te weten komen, wat voor een mensch de vader van mijn kind was. En u weet wel hoe innemend Alving was. Niemand scheen ooit iets anders dan goeds van hem te kunnen gelooven. Hij was een van die menschen, wiens reputatie er niet onder lijdt, hoe hij ook leeft. Maar toen, Manders,… dat moet u óók weten … toen kwam het afschuwelijkste van alles.

DOM. MANDERS. Iets nog afschuwelijker dan dat!

MEVR. ALVING. Ik had alles verdragen, hoewel ik zeer goed wist wat er in het geheim buitenshuis gebeurde. Maar toen het schandaal binnen onze eigen vier muren begon….

DOM. MANDERS. Wat zegt u! Hier!

MEVR. ALVING. Ja, hier in ons eigen huis. Daar, (zij wijst naar de eerste deur rechts) in de eetkamer was het, dat ik het 't eerst merkte. Ik had iets te doen in die kamer en de deur stond áán. Toen hoorde ik ons kamermeisje de tuintrap opkomen met water voor de bloemen daarginds.

DOM. MANDERS. Ja, en…?

MEVR. ALVING. Even daarna hoorde ik dat Alving ook kwam. Ik hoorde dat hij zachtjes iets tegen haar zei. En toen hoorde ik (met een kort lachje). O, het klinkt mij nog altijd zoo schrijnend en toch zoo belachelijk ook;… toen hoorde ik mijn eigen dienstmeisje fluisteren: Laat me los, mijnheer! Laat mij met rust!

DOM. MANDERS. Wat een ongepaste lichtzinnigheid van hem! O, maar meer dan lichtzinnigheid was dat niet, mevrouw. Geloof wat ik u zeg.

MEVR. ALVING. Ik kwam gauw genoeg te weten wat ik er van gelooven moest. Mijn man kreeg gedaan wat hij wou van het meisje,… en die relatie had gevolgen dominee.

DOM. MANDERS (als versteend). En dat alles hier in huis! Hier in huis!

MEVR. ALVING. Ik had al veel uitgestaan in dit huis. Want om hem 's avonds thuis te houden … en 's nachts … moest ik meedoen met zijn geheime drinkpartijen boven op zijn kamer. Daar heb ik moeten zitten, alléén met hem, met hem moeten klinken en drinken, zijn vuile dronkemanspraat moeten aanhooren, en met hem moeten worstelen om hem eindelijk in bed te krijgen….

DOM. MANDERS (geschokt). Dat u dat alles heeft kunnen uithouden!

MEVR. ALVING. Ik had mijn kleinen jongen voor wien ik het uithield. Maar toen die laatste beleediging er bij kwam; toen mijn eigen dienstmeisje … toen beloofde ik mij zelf dat er een eind aan komen zou! En toen nam ik het gezag in handen in huis … geheel en al … over hem en over al het verdere. Want nu had ik een wapen tegen hem, ziet u; hij durfde niet meer kikken. Toen was het dat ik Oswald van huis wegzond. Hij werd haast zeven jaar en begon op te merken en te vragen, zooals kinderen dat doen. Dat kon ik niet meer dragen, Manders. 't Leek mij of het kind vergiftigd worden moest alleen maar door te ademen in dit bezoedelde huis. Daarom zond ik hem weg. En nu begrijpt u ook waarom hij nooit een voet in huis heeft gehad zoo lang zijn vader leefde. Niemand weet wat mij dat gekost heeft.

DOM. MANDERS. U heeft in waarheid het leven leeren kennen.

MEVR. ALVING. Ik zou het nooit hebben uitgehouden als ik mijn werk niet gehad had. Ja, want ik mag wel zeggen dat ik gewerkt heb! Al deze vermeerderingen van ons grondbezit, alle verbeteringen, al die practische inrichtingen, waarvoor Alving geprezen en geroemd werd,… denkt u dathijdaarvoor energie had?Hij, die den heelen dag op de canapé lag te lezen in een ouden staatsalmanak! Neen; nu zal ik u dàt ook vertellen;ikwas het die hem dien weg opdreef, wanneer hij nu en dan zijn heldere oogenblikken had;ikwas het die den heelen last moest voortslepen, wanneer hij weer begon met zijn uitspattingen of in elkaar zakte in jammer en ellende.

DOM. MANDERS. En voor dien man richt u een gedenkteeken op!

MEVR. ALVING. Daarin ziet u de macht van het kwade geweten….

DOM. MANDERS. Het kwade geweten? Hoe meent u dat?

MEVR. ALVING. Het stond mij altijd voor den geest dat het onmogelijk anders kon, of de waarheidmoesteens uitkomen en geloofd worden. Daarom moest het gesticht als het ware alle geruchten te niet doen en allen twijfel op zij zetten.

DOM. MANDERS. Daarin heeft u zeer zeker uw doel niet gemist, mevrouw.

MEVR. ALVING. En ik had nog een andere reden. Ik wou niet dat Oswald, mijn eigen jongen, iets hoegenaamd van zijn vader zou erven.

DOM. MANDERS. Het is dus Alving's vermogen, dat…?

MEVR. ALVING. Ja. De sommen die ik jaar op jaar aan het gesticht geschonken heb, overtreffen het fortuin, ik heb het nauwkeurig uitgerekend … dat in zijn tijd luitenant Alving tot een goede partij maakte.

DOM. MANDERS. Ik begrijp u….

MEVR. ALVING. Dat was de koopsom…. Ik wil niet dat dat geld in Oswald's handen zal overgaan. Mijn zoon moet alles van mij alleen hebben.

(Oswald komt door de tweede deur rechts; van hoed en overjas heeft hij zich ontdaan).

MEVR. ALVING (hem tegemoet gaand). Ben je daar al terug? mijn beste lieve jongen!

OSWALD. Ja, wat moet je buiten uitvoeren in dien eeuwigdurenden regen?Maar ik hoor dat wij aan tafel zullen gaan. Dat is uitstekend!

REGINE (met een pakje uit de eetkamer komend). Er is een pakje voor mevrouw gekomen (reikt het haar over).

MEVR. ALVING (met een blik op dominee Manders). De feestzangen voor morgen waarschijnlijk.

DOM. MANDERS. Hm….

REGINE. En er is opgedaan.

MEVR. ALVING. Goed; wij komen dadelijk; ik wil maar even…. (begint het pakje open te maken).

REGINE (tegen Oswald). Verlangt mijnheer witte of roode port?

OSWALD. Allebei, alsjeblieft.

REGINE. Bien…; heel goed mijnheer (zij gaat de eetkamer binnen).

OSWALD. Ik zal wel eens even helpen met het opentrekken van de flesschen (gaat de eetkamer in waarvan de deur weer halfopen glijdt achter hem).

MEVR. ALVING (die het pakje geopend heeft). Jawel, juist; hier hebben we de feestzangen, dominee.

DOM. MANDERS (met gevouwen handen). Hoe ik morgen met een opgewekt gemoed mijn toespraak zal kunnen houden, dat…!

MEVR. ALVING. Och, dat zal wel gaan.

DOM. MANDERS (zachtjes om niet in de eetkamer gehoord te worden). Ja, schandaal mogen wij toch niet verwekken.

MEVR. ALVING. Neen. Maar dàn is ook dit lange leelijke comediespel uit. Van overmorgen af, zal het voor mij zijn alsof de doode nooit in dit huis geleefd had. Hier zal niemand meer zijn dan mijn jongen en zijn moeder.

(Men hoort in de eetkamer leven van een stoel die omvalt; tegelijkertijd hoort men:)

REGINE's stem (duidelijk maar fluisterend). Maar Oswald! Ben je gek?Laat me los!

MEVR. ALVING (schrikt hevig). Ah…!

(Zij staart als verbijsterd naar de halfopen deur. Men hoort Oswald hoesten en neurieën daarbinnen. Een flesch wordt opengetrokken).

DOM. MANDERS (verontwaardigd). Maar watisdat toch? Wat gebeurt daar toch! mevrouw?

MEVR. ALVING (heesch). Spoken. Het paar uit de serre waart daar weer om.

DOM. MANDERS. Wat zegt u! Regine…? Iszij…?

MEVR. ALVING. Ja. Kom. Geen woord…!

(Zij grijpt den arm van dominee Manders en gaat wankelend de eetkamer binnen).

* * * * *

Zelfde kamer. Een mist van regen ligt nog altijd dicht over het heele landschap.

Dominee Manders en mevrouw Alving komen uit de eetkamer.

* * * * *

MEVR. ALVING (nog in de deur). Wel mag het u bekomen, dominee (spreekt in de eetkamer). Kom je niet bij ons, Oswald?

OSWALD (binnen). Dankje, neen; ik denk dat ik een eindje uitga.

MEVR. ALVING. Ja, dat is goed; 't is nu net een beetje droog (sluit de deur van de eetkamer en gaat naar de deur van de voorkamer. Roept:) Regine!

REGINE (buiten). Ja mevrouw?

MEVR. ALVING. Ga naar beneden in de strijkkamer aan de kransen meehelpen.

REGINE. Ja mevrouw.

MEVR. ALVING (vergewist zich dat Regine weggaat, daarna sluit zij de deur).

DOM. MANDERS. Hij kan daarginder toch niets hooren?

MEVR. ALVING. Niet als de deur dicht is. En hij gaat bovendien uit.

DOM. MANDERS. Ik ben er nog ontsteld van. Ik begrijp niet hoe ik nog een stuk van uw lekker diner door mijn keel heb kunnen krijgen.

MEVR. ALVING (haar onrust beheerschend loopt op en neer). Ik ook niet.Maar wat is er aan te doen?

DOM. MANDERS. Ja, wat is er aan te doen? Ik weet het waarlijk niet; ik ben zoo volstrekt onervaren in dergelijke gevallen.

MEVR. ALVING. Ik ben overtuigd dat er nog geen ongeluk gebeurd is.

DOM. MANDERS. Neen, dat verhoede de Hemel! Maar een ongepaste verhouding is het toch zeer zeker.

MEVR. ALVING. De heele geschiedenis is maar een losse inval van Oswald; daar kan u zeker van zijn.

DOM. MANDERS. Ja, ik ben, zooals gezegd, niet op de hoogte van dergelijke dingen; maar ik vind toch met uw verlof….

MEVR. ALVING. Zij moet natuurlijk het huis uit. En wel dadelijk. Dat is zoo klaar als de dag….

DOM. MANDERS. Ja, dat spreekt.

MEVR. ALVING. Maar waarheen? Wij kunnen het niet verantwoorden dat….

DOM. MANDERS. Waarheen? Natuurlijk naar huis, naar haar vader.

MEVR. ALVING. Naar wien, zei u?

DOM. MANDERS. Naar haar…. Maar neen, Engstrand, is niet haar…. Maar Heer in den Hemel, mevrouw, hoe is dat mogelijk? U moet u daarin toch vergissen.

MEVR. ALVING. Helaas, ik vergis mij in geen enkel opzicht, Johanne moest het mij wel bekennen,… en Alving kon het niet loochenen. Dus bleef er niets anders te doen over dan de zaak te smoren.

DOM. MANDERS. Ja, dat was het eenig mogelijke.

MEVR. ALVING. Het meisje moest terstond uit haar dienst en kreeg een tamelijk groote som geld om tot nader orde te zwijgen. Voor de rest zorgde zij zelf toen zij in de stad kwam. Zij knoopte de oude kennis met Engstrand weer aan, liet er wel iets van verluiden, denk ik, dat zij zooveel geld had, en maakte hem zoowat wijs van den een of anderen vreemdeling, die hier met een pleizierjacht gelegen had in den zomer. Zoo werden zij en Engstrand in der haast getrouwd. Ja, u heeft hen immers zelf ingezegend.

DOM. MANDERS. Maar hoe moet ik mij dan verklaren…? Ik herinner mij duidelijk dat Engstrand kwam om over de inzegening te spreken. Hij was zoo vol bitter berouw, en betreurde zoo oprecht de lichtzinnigheid waaraan hij en zijn verloofde zich hadden schuldig gemaakt.

MEVR. ALVING. Ja, hij moest toch de schuld op zich nemen.

DOM. MANDERS. Maar zulk een onoprechtheid van hem! En dat tegenovermij! Dat had ik met verlof niet van Jakob Engstrand gedacht. Nu, ik zal hem eens ernstig onderhanden nemen; daar kan hij op rekenen…. En dan die onzedelijkheid van zoo'n vereeniging! Om het geld!… Hoe groot was het bedrag waarover het meisje te beschikken had?

MEVR. ALVING. Drie honderd thaler.

DOM. MANDERS. Verbeeld u toch,… voor een armzalige driehonderd thaler zich te laten trouwen met een gevallen vrouw!

MEVR. ALVING. Wat zegt u dan wel van mij, die zich liet trouwen met een gevallen man?

DOM. MANDERS. Maar de Hemel beware ons! Wat zegt u nu? Een gevallen man!

MEVR. ALVING. Denkt u misschien dat Alving reiner was, toen ik met hem naar het altaar ging, dan Johanne was, toen Engstrand zich met haar liet trouwen?

DOM. MANDERS. Ja, maar dat is toch een hemelsbreed verschil….

MEVR. ALVING. Volstrekt niet. Er was wel een groot verschil in den prijs,… een armzalige driehonderd thaler en een heel fortuin.

DOM. MANDERS. Maar hoe kan u nu twee zoo ongelijke gevallen vergelijken.U was toch te rade gegaan met uw hart en met uw bloedverwanten.

MEVR. ALVING (ziet hem niet aan). Ik meende dat u begreep waarheen dat, wat u mijn hart noemt, toen verdwaald was.

DOM. MANDERS (koud). Indien ik zoo iets begrepen had, zou ik nooit een dagelijksche gast in het huis van uw man geworden zijn.

MEVR. ALVING. Nu, zooveel is althans zeker, dat ik met mijzelf in waarheid niet te rade ging.

DOM. MANDERS. Nu, maar dan toch met wie u het naast bestonden; zooals voorgeschreven is; met uw moeder en uw beide tantes.

MEVR. ALVING. Ja, dat is waar. Die drie maakten de rekening voor mij op! O het is ongelooflijk hoe precies zij uitmaakten dat het gewoon krankzinnigheid zou zijn om een dergelijk aanzoek af te wijzen. Als mijn moeder nu nog eens kon zien waar al die heerlijkheid heen geleid had!

DOM. MANDERS. Voor de uitkomst kan niemand aansprakelijk gesteld worden. Maar dat staat althans vast, dat uw huwelijk gesloten werd overeenkomstig met de wet en de openbare orde.

MEVR. ALVING (bij het raam). Ja, die wet en die orde! Ik denk dikwijls dat juistdiealle onheil in de wereld stichten.

DOM. MANDERS. Mevrouw Alving, nu bezondigt u zich.

MEVR. ALVING. Ja, dat kan wel zijn. Maar ik stoor mij niet langer aan al die banden en conventies. Ik kan 't niet meer! Ik moet mij vrij maken.

DOM. MANDERS. Wat bedoelt u daarmee?

MEVR. ALVING (trommelt op de ruiten). Ik moest nooit iets van Alvings leven verborgen gehouden hebben. Maar ik durfde toen niet anders,… zelfs niet om mijn zelfs wil. Zoo laf was ik.

DOM. MANDERS. Laf?

MEVR. ALVING. Als de menschen wat te weten waren gekomen, zouden zij gezegd hebben: arme man, het is natuurlijk dat hij uit den band springt, hij, die een vrouw heeft die van hem wegloopt.

DOM. MANDERS. Met eenig recht kon men zoo iets ook wel zeggen.

MEVR. ALVING (ziet hem strak aan). Als ik was wie ik zijn moest, dan riep ik Oswald bij mij en zei: hoor eens mijn jongen, je vader was een diepgevallen mensch….

DOM. MANDERS. Maar genadige Hemel!…

MEVR. ALVING. … en dan vertelde ik hem alles wat ik u verteld heb,… alles, haarfijn!

DOM. MANDERS. Ik ben haast verontwaardigd over u, mevrouw.

MEVR. ALVING. Ja, dat weet ik. Ik weet het immers wel! Ik kom zelf in opstand tegen die gedachte (gaat weg van het raam). Zoo laf ben ik.

DOM. MANDERS. En dat noemt u lafheid, als u eenvoudig uw verschuldigden plicht betracht? Heeft u vergeten dat een kind zijn vader en moeder moet achten en liefhebben?

MEVR. ALVING. Laat ons het niet zoo in het algemeen nemen. Laat ons de vraag stellen: moet Oswald den kamerheer Alving achten en liefhebben?

DOM. MANDERS. Is er dan geen stem in uw moederhart die u verbiedt de idealen van uw zoon omlaag te halen?

MEVR. ALVING. En de waarheid dan?

DOM. MANDERS. En de idealen dan?

MEVR. ALVING. Och … idealen, idealen! Als ik maar niet zoo laf was als ik ben!

DOM. MANDERS. Gooi de idealen niet weg, mevrouw,… want dat wreekt zich bitter. En dan vooral Oswald. Oswald heeft helaas toch al niet zoo heel veel idealen. Maar zooveel heb ik wel kunnen merken, dat zijn vader wel voor hem staat als zulk een ideaal.

MEVR. ALVING. Daarin heeft u gelijk.

DOM. MANDERS. En die voorstellingen heeft u zelf gewekt en gevoed bij hem door uw brieven.

MEVR. ALVING. Ja; ik ging gebukt onder plichten en conventies, daarom loog ik mijn jongen wat voor, jaar in jaar uit. O, hoe laf … hoe laf ben ik geweest!

DOM. MANDERS. U heeft een gelukkige illusie bij uw zoon doen ontstaan, mevrouw,… en daar mag u waarlijk niet geringschattend over denken.

MEVR. ALVING. Hm; wie weet of dat nu juist wel zoo goed was…. Maar van scharrelen met Regine wil ik in elk geval niets weten. Hij zal mij dat arme kind niet ongelukkig maken.

DOM. MANDERS. Neen, goede God, dat zou iets vreeselijks zijn.

MEVR. ALVING. Als ik wist dat hij het ernstig met haar meende en het tot zijn geluk zijn zou….

DOM. MANDERS. Wat? Wat dan?

MEVR. ALVING. Maar dat zou het niet zijn; want Regine is er helaas het meisje niet naar.

DOM. MANDERS. Wel, wàt toch? Wat bedoelt u?

MEVR. ALVING. Als ik niet zoo godsjammerlijk laf was als ik ben, dan zou ik tegen hem zeggen: trouw met haar, of ga met haar leven zooals je wilt; maar laat er geen geknoei zijn….

DOM. MANDERS. Maar genadige Hemel! Een wettig huwelijk dus! Zoo iets verschrikkelijks!—Zoo iets ongehoords…!

MEVR. ALVING. Zei u iets ongehoords? Met de hand op het hart, dominee Manders, gelooft u niet dat er rondom in het land verscheidene echtparen te vinden zouden zijn, die elkaar even na in het bloed bestaan?

DOM. MANDERS. Ik begrijp u heelemaal niet.

MEVR. ALVING. Och jawel, dat doet u wel.

DOM. MANDERS. Nu ja, u stelt u het mogelijke geval voor dat…. Ja, helaas, het huwelijksleven is zeker niet altijd zoo rein als het behoorde te wezen. Maar zoo iets als waarop u doelt, kan men toch nooit weten,… althans niet met zekerheid. Hier daarentegen … dat u, een moeder, zou kunnen toestaan dat uw zoon…!

MEVR. ALVING. Maar ik wil het immers niet. Ik zou het niet willen toestaan, om niets ter wereld; dat is juist wat ik zeg.

DOM. MANDERS. Neen, omdat u laf is, zooals u het uitdrukt. Maar als u dus niet laf was…. Och lieve Heer … zulk een stuitende verbintenis!

MEVR. ALVING. Nu ja, we stammen overigens allemaal van zulk soort verbintenissen af, zegt men. En wie is het die het in de wereld zoo heeft ingericht, dominee?

DOM. MANDERS. Op zulke vragen ga ik met u niet in, mevrouw. Daartoe bezit u in de verte niet den waren geest. Maar dat u durft zeggen dat het laf van u is…!

MEVR. ALVING. Nu zal ik u eens uitleggen hoe ik dat meen. Ik ben bang en schuw, omdat er in mij iets van dat spookachtige zit, dat ik nooit geheel kan afschudden.

DOM. MANDERS. Hoe noemde u dat?

MEVR. ALVING. Spookachtig. Toen ik Regine en Oswald daarbinnen hoorde, was het of ik spoken vóór mij zag. Maar ik geloof haast dat wij allemaal spoken zijn, dominee. Het is niet alleen dat, wat wij van vader en moeder geërfd hebben dat in ons spookt. Het zijn allerhande oude afgestorven opvattingen en allerlei oud dood geloof en zulke dingen meer. Het is niet levend in ons; maar het zit er toch en wij kunnen het niet kwijt raken. Als ik alleen maar een courant opneem en er in lees, is het net of ik spoken tusschen de regels zie sluipen. Er moeten overal spoken leven in het heele land. Zij moeten er in massa zijn, als het zand der zee, dunkt mij. En dan zijn wij zoo godsjammerlijk lichtschuw allemaal….

DOM. MANDERS. Aha, … daar hebben wij dus de uitwerking van uwe lektuur. Mooie vruchten inderdaad! O, die afschuwelijke, oproerige vrijdenkers-geschriften!

MEVR. ALVING. U vergist zich, dominee. U is zelf de man die mij aanzette tot nadenken; en daar ben ik u heel dankbaar voor.

DOM. MANDERS. Ik?

MEVR. ALVING. Ja, toen u mij dwong terug te keeren tot dat wat u mijn plicht noemde; toen u prees als waar en goed dat, waartegen heel mijn wezen in opstand kwam, als tegen iets afschuwelijks. Toen was het dat ik begon uw leeringen op de keper te beschouwen. Ik wilde alleen maar een enkelen knoop losmaken, maar toen ik dien éénen los had, viel alles uit elkaar. En toen zag ik dat het machinenaaisel was.

DOM. MANDERS (stil, geschokt). Zou dat zijn wat ik met den zwaarsten strijd mijns levens gewonnen had?

MEVR. ALVING. Noem het liever uw treurigste nederlaag.

DOM. MANDERS. Het was de grootste overwinning van mijn leven, Helene; de overwinning op mijn eigen ik.

MEVR. ALVING. Het was een misdaad jegens ons beiden.

DOM. MANDERS. Dat ik u gebood en zei: vrouw, ga terug naar uw wettigen echtgenoot, toen u als een verdoolde bij mij kwam en riep: hier ben ik; neem mij!… Was dat een misdaad?

MEVR. ALVING. Ja, ik beschouw het als zoodanig.

DOM. MANDERS. Wij begrijpen elkaar niet.

MEVR. ALVING. Nu althans niet meer.

DOM. MANDERS. Nooit,… nooit in mijn geheimste gedachten zelfs, heb ik u anders gezien dan als de vrouw van een ander.

MEVR. ALVING. Ja?… gelooft u?

DOM. MANDERS. Helene…!

MEVR. ALVING. Men vergeet zoo licht hoe men vroeger was.

DOM. MANDERS. Ik niet. Ik ben dezelfde die ik altijd geweest ben.

MEVR. ALVING (verandert van toon). Jawel, jawel … laat ons maar niet meer over dien ouden tijd praten. U zit nu tot over de ooren in commissies en besturen; en ik loop hier te vechten met spoken, in mij zoowel als buiten mij.

DOM. MANDERS. Van die buiten u rondwaren wil ik u afhelpen. Na alles wat ik van daag met ontzetting van u gehoord heb, kan ik het voor mijn geweten niet verantwoorden een jong alleenstaand meisje in uw huis te laten blijven.

MEVR. ALVING. Gelooft u ook niet dat het 't beste zou zijn als wij haar goed bezorgd konden krijgen? Ik bedoel … goed getrouwd.

DOM. MANDERS. Ongetwijfeld. Ik geloof dat dat in alle opzichten wenschelijk voor haar zijn zou. Regine is immers op een leeftijd dat … ja, ik heb daar zoo geen verstand van, maar….

MEVR. ALVING. Regine was al heel vroeg volwassen.

DOM. MANDERS. Ja, niet waar? Er ligt mij iets van bij dat zij lichaamlijk al opvallend sterk ontwikkeld was, toen ik haar voor haar belijdenis voorbereidde. Maar voorloopig moet zij in elk geval naar huis, onder de hoede van haar vader…. Och neen, Engstrand is niet…. Dat hij,…hijzóó de waarheid voor mij kon verbergen!

(Er wordt geklopt aan de deur van de voorkamer).

MEVR. ALVING. Wie kan dat zijn? Binnen!

ENGSTRAND (in zijn zondagspak … in de deur). Ik vraag wel excuus, maar….

DOM. MANDERS. Aha! Hm….

MEVR. ALVING. Ben jij het Engstrand?

ENGSTRAND. … er was geen een van de dienstmeisjes bij de hand, en toen was ik maar zoo vrij en brutaal om te kloppen.

MEVR. ALVING. Nou ja … kom maar binnen. Wou je mij spreken?

ENGSTRAND (komt binnen). Neen … dank u vriendelijk. Maar ik zou wel graag even den dominee willen spreken.

DOM. MANDERS (loopt op en neer). Hm; zoo? Wou je mij spreken?Inderdaad?

ENGSTRAND. Ja, ik zou zoo heel graag….

DOM. MANDERS (blijft vóór hem staan). Nu; mag ik eens vragen waarover dan?

ENGSTRAND. Jawel dominee; het was dit: er wordt daarginder nu afrekening gehouden. Wel bedankt, mevrouw!… En nu zijn wij met alles klaar; en nu dacht ik dat het zoo mooi en gepast zou zijn als wij, die zoo braaf samen gewerkt hebben al dien tijd,… nu dacht ik moesten wij dat besluiten met een kleine geestelijke bijeenkomst van avond.

DOM. MANDERS. Een bijeenkomst? Daarginder in het gesticht?

ENGSTRAND. Ja, vindt dominee dat misschien niet gepast, dan….

DOM. MANDERS. Ja zeker vind ik dat, maar … hm….

ENGSTRAND. Ik heb gewoonlijk 's avonds zoo'n kleine bijeenkomst gehouden….

MEVR. ALVING. Zoo?

ENGSTRAND. Ja, zoo nu en dan; om zoo te zeggen een kleinegodsdienstoefening. Maar ik ben maar een geringe burgerman en bezit er,God helpe mij, niet de ware gave voor, en daarom dacht ik, omdat domineeManders nu toch juist hier is.

DOM. MANDERS. Ja, zie je, Engstrand, ik moet je eerst eens een vraag doen. Ben je wel in de ware stemming voor zulk een bijeenkomst? Voel je je geweten wel vrij en zuiver?

ENGSTRAND. Och lieve God, het is toch niet de moeite waard om over mijn geweten te spreken, dominee.

DOM. MANDERS. Jawel, het is juist daarover dat ik je spreken wil. Wat heb je daarop te antwoorden?

ENGSTRAND. Ja, dat geweten … dat kan leelijk genoeg opspelen soms.

DOM. MANDERS. Zoo, dus dat erken je althans. Maar wil je mij dan eens zonder omwegen zeggen … hoe zit die zaak met Regine?


Back to IndexNext