De twee wachten tot getuigen meegebracht, zouden het staven.
Ze hadden niets gezien, dan alleen een Joodschen legerhoofdman, die zich op hen gestort had, en die thans niet meer tot de levenden behoorde.
De toorn van Herodias barstte los in een stortvloed van platte en bloeddorstige verwenschingen. Ze scheurde zich de nagels aan de tralies der tribune, en de twee gebeeldhouwde leeuwen leken in haar schouders te bijten en te brullen als zij.
Antipas schreeuwde, de priesters, de soldaten, de Farizeërs, allen riepen ze om wraak en ook de anderen, verontwaardigd dat men hen op dat nieuwe tijdverdrijf liet wachten.
Mannaeï ging heen met bedekt gelaat.
Den gasten viel de tijd nog langer dan eerst. Ze verveelden zich.
Eensklaps klonken er voetstappen op in de gangen. Het weeë ongeduld werd onhoudbaar!
Het hoofd kwam.
Mannaeï hield het bij de haren aan zijn gestrekten arm, trotsch op het gejubel.
Hij legde het op een schotel en bood het Salome aan.
Snel klom ze de tribune op. Na een lange pooze werd het hoofd teruggebracht door de oude vrouw, die de Viervorst's morgens was gewaar geworden op het platform van een huis, en straks in Herodias' kamer.
Hij deinsde terug om het niet te zien. Vitellius wierp er een onverschilligen blik op.
Mannaeï daalde van de estrade af, en toonde het aan de Romeinsche hoofdlieden, die langs deze zijde aanzaten.
Ze bekeken het met onderzoekende blikken.
De scherpe snede van den bijl had het van boven naar beneden gekloofd, en de kaak gespleten. Een stuiptrekking trok de mondhoeken neer. Stollend bloed vlekte den baard. De gesloten oogleden waren bleek als schelpen; rondom straalden de luchters. Het hoofd kwam bij de tafel der priesters. Een Farizeër keerde het nieuwsgierig om en om, en Mannaeï zette het weer stevig recht en plaatste het vóór Aulus, die er door ontwaakte. Tusschen hun even open wimpers schenen de doode oogappels en de verwaterde oogappels elkaar iets te zeggen.
Toen bood Mannaeï het Antipas aan. Tranen stroomden den Viervorst over de wangen.
De toortsen smeulden uit. De gasten vertrokken, en niemand bleef er in de zaal dan Antipas, die met de handen tegen de slapen staag naar het afgehouwen hoofd zat te staren, terwijl Phanuel, halverwegen het groote middenschip, met uitgestrekte armen gebeden stond te prevelen.
In het uur van zonsopgang, kwamen de twee mannen, die laatst doorJaokanann uitgezonden waren, met het lang verhoopte antwoord.
Ze vertrouwden het Phanuel toe, die het in zielsvervoering aanhoorde.
Toen toonde hij hun het gruwelijk voorwerp op den schotel, tusschen de resten van het feestmaal.
Een der mannen zeide:
"Troost u! Hij is nedergedaald tot de dooden, om Christus te verkondigen!"
Thans begreep de Esseër de woorden: "Hij moet grooter, maar ik kleiner worden!"
En het hoofd van Jaokanann met zich nemend, gingen ze met hun drieën den kant van Galilea uit.
Daar het zeer zwaar was, droeg ieder het op zijn beurt.