Aan de HeerenHENDRIK HAAK H.Z.enMr. EVERHARD KRAEIVANGER.

Aan de HeerenHENDRIK HAAK H.Z.enMr. EVERHARD KRAEIVANGER.

Ik offer u, ô waarde vrinden,Den vroomen Ridder Don Quichot,Die zich iets groots dorst onderwinden:Maar voor zyn daden wierd bespot,Van volk dat hy niet wys kon maaken,Dat Amadis en PalmerynEn honderd Romanike snaakenGeen leugens, maar vol waarheids zyn.Ik voer hem hier ten schouwtooneele:Opdat hy met zyn zotternyVoor and’ren (zyns gelyken) speele,Dat alle waan maar zotheid zy;Hoe al des waerelds schoone dingenMaar bij verbeeldingen bestaan,En even als ’t geluid na ’t zingenIn wind en lucht terstond vergaan.Wie kan den luister bet vergrootenVan myn geringe Poëzy;Als gy, die t’zaam als kunstgenootenDus lang de Wiskunst aan het YGeoeffend hebt en ingezogen;Daar een van u my dikmaal hielDoor schoone maatzang opgetogen,Die al wie kunst bemint beviel:Dies hoop ik zal ’t u niet mishaagen,Dat ik, ô Minnaars van de kunst,Dit blyspel aan u op durf draagenTot dankbaarheid, voor al uw gunst.

Ik offer u, ô waarde vrinden,Den vroomen Ridder Don Quichot,Die zich iets groots dorst onderwinden:Maar voor zyn daden wierd bespot,Van volk dat hy niet wys kon maaken,Dat Amadis en PalmerynEn honderd Romanike snaakenGeen leugens, maar vol waarheids zyn.Ik voer hem hier ten schouwtooneele:Opdat hy met zyn zotternyVoor and’ren (zyns gelyken) speele,Dat alle waan maar zotheid zy;Hoe al des waerelds schoone dingenMaar bij verbeeldingen bestaan,En even als ’t geluid na ’t zingenIn wind en lucht terstond vergaan.Wie kan den luister bet vergrootenVan myn geringe Poëzy;Als gy, die t’zaam als kunstgenootenDus lang de Wiskunst aan het YGeoeffend hebt en ingezogen;Daar een van u my dikmaal hielDoor schoone maatzang opgetogen,Die al wie kunst bemint beviel:Dies hoop ik zal ’t u niet mishaagen,Dat ik, ô Minnaars van de kunst,Dit blyspel aan u op durf draagenTot dankbaarheid, voor al uw gunst.

Ik offer u, ô waarde vrinden,Den vroomen Ridder Don Quichot,Die zich iets groots dorst onderwinden:Maar voor zyn daden wierd bespot,Van volk dat hy niet wys kon maaken,Dat Amadis en PalmerynEn honderd Romanike snaakenGeen leugens, maar vol waarheids zyn.Ik voer hem hier ten schouwtooneele:Opdat hy met zyn zotternyVoor and’ren (zyns gelyken) speele,Dat alle waan maar zotheid zy;Hoe al des waerelds schoone dingenMaar bij verbeeldingen bestaan,En even als ’t geluid na ’t zingenIn wind en lucht terstond vergaan.Wie kan den luister bet vergrootenVan myn geringe Poëzy;Als gy, die t’zaam als kunstgenootenDus lang de Wiskunst aan het YGeoeffend hebt en ingezogen;Daar een van u my dikmaal hielDoor schoone maatzang opgetogen,Die al wie kunst bemint beviel:Dies hoop ik zal ’t u niet mishaagen,Dat ik, ô Minnaars van de kunst,Dit blyspel aan u op durf draagenTot dankbaarheid, voor al uw gunst.

Ik offer u, ô waarde vrinden,

Den vroomen Ridder Don Quichot,

Die zich iets groots dorst onderwinden:

Maar voor zyn daden wierd bespot,

Van volk dat hy niet wys kon maaken,

Dat Amadis en Palmeryn

En honderd Romanike snaaken

Geen leugens, maar vol waarheids zyn.

Ik voer hem hier ten schouwtooneele:

Opdat hy met zyn zotterny

Voor and’ren (zyns gelyken) speele,

Dat alle waan maar zotheid zy;

Hoe al des waerelds schoone dingen

Maar bij verbeeldingen bestaan,

En even als ’t geluid na ’t zingen

In wind en lucht terstond vergaan.

Wie kan den luister bet vergrooten

Van myn geringe Poëzy;

Als gy, die t’zaam als kunstgenooten

Dus lang de Wiskunst aan het Y

Geoeffend hebt en ingezogen;

Daar een van u my dikmaal hiel

Door schoone maatzang opgetogen,

Die al wie kunst bemint beviel:

Dies hoop ik zal ’t u niet mishaagen,

Dat ik, ô Minnaars van de kunst,

Dit blyspel aan u op durf draagen

Tot dankbaarheid, voor al uw gunst.

UEd. Dienstbereide Dienaer en Vriend

P. LANGENDYK.


Back to IndexNext