Chapter 11

Bazilius.Beminnelyke vrouw, helaas! wat blyft gy styfIn ’t opzet voor uwe eer. Bedenk, bedenk u nader;Is dan uw’ minnaar u niet meerder als uw’ vader,Zo gy hem waarlyk mint? ’t verbond van man, en vrouw,Eischt dat men de ouders moet...Qu.Ik voel mijn hart vol rouw,De schaamte heeft reeds myn genegenheid verwonnen.Neen, myn Bazilius, hier diende iets meer verzonnen;Het vluchten quetst myn eer, ik kies veel eer den dood.Baz.Die eer! die eer! stelt ons voor veel gevaaren bloot.Vaar wel dan, schoone! wyl gy de eer stelt boven ’t minnen.Quit.Ach! myn Bazilius, ach! wat wilt gy beginnen?Baz.Myn dagen korten met myn rampen en verdriet.Quit.Neen, neen, myn waarde vrind, indien gy my verliet,Moest ik van daag in dat gehaate huw’lyk treeden.’k Verlaat dan door den nood de kinderpligt, te vreeden.Om u te volgen, daar de hemel ons geleidt.Leontius stuit Bazilius en Quiteria, die weg willen gaan.Leont.Ontaarde dochter, die de schaamte en eerbaarheid,Uw vader, en geslacht al teffens wilt ontvluchten.Zyn dit uw’ deugden? zeg, zyn dit die schoone vruchten,Die ik verwagtte, van een dochter opgevoedDoor zulk een moeder, die zo deugdzaam van gemoed,Als wys en eerbaar was? ach! kan het moog’lyk weezen!Maar ’t is uw schuld niet, neen; ’k had van u niet te vreezen;Bazilius alleen is de oorzaak van dat stuk.Verleider van myn kind, ô oorzaak van myn’ druk;Zeg, zeg, wat porde u aan, die misdaad te beginnen?Baz.De zuiv’re minnedrift is meester van myn zinnen.Leont.Hoe, uwe min, myn heer? uw min komt veel te laat,Zy is eens anders bruid, ô nooit gehoorde daad!Dees linker wil een bruid van haren bruîgom rooven.Neen, kaalen edelman, vertrek! gy wordt verschoven.Baz.Hoe! sart gy my myn heer? neem ’t my niet qualyk af.Al loopt myn moed wat hoog: gy handelt my zo straf,Dat ik gedwongen ben uw valsheid aan te wyzen;Zo groot een valsheid, dat elkeen u zal mispryzen.’k Zeg, dat is myne bruid, die gy my nu ontrooft:Gy weet dat gy my zelfs uw dochter hebt beloofd.Ik heb gelegenheid door u alleen gekregenOm haar te dienen; en gy scheent my zo genegen,Dat gy geen ogenblik kond’ rusten zonder my;Nu neemt gy, ’t geen ge eerst gaaft; is dit geen schelmery?Leont.Gy waart uit reizen, ’k dagt, dat gy nooit weêr zoudt keeren.Baz.Die uitvlucht is te kaal, dat kon myn zaak niet deeren,Waart gy een man van woord; ’t was voor een korten tyd.Maar hier in toont gy klaar van welken aard gy zyt.Het was voor my in ’t eerst onmoog’lyk te bedenken,Waarom ge uw eenig kind, dat waardig pand zoud schenkenAan zulk een lompen bloed, Kamacho, die niets weet,Als van zyn boere werk, daar hy zyn tyd meê sleet.Maar, toen ik hoorde van zyn aangeërfde schatten,Kon ik de reden heel gemakkelyk bevatten;’t Is u om ’t geld te doen. Het goud heeft u verblind:Daarom verraadt gy my, u zelven, en uw kind.Waart gy haar vader niet, en grys, en oud van dagen,’k Zou met het punt van myn rapier u reden vraagenVan zulk een grooten hoon.Leont.Myn heer, het is my leet.’k Beken ik had heel graag myn kind aan u besteed:Maar ’k zag ’t wat dieper in; liet ik haar met u trouwen,Ik wist geen middel om u beiden te onderhouwen.Baz.Een man van dapperheid, geleerdheid, en vernuft,Vindt middelen genoeg, terwyl een bloodaard suft,En een onweetende geen raad vind voor zyn plaagen;Een moedelooze kan geen ongeluk verdraagen,Het geen een moedige braaf onder de oogen ziet.Leont.De moed ontbloot van geld, agt al de waereld niet.Baz.De moed en deugd zyn steeds geagt by alle wyzen.Leont.Het geld maakt gekken wys, die geld heeft hoort men pryzen.Baz.Een wys en dapper man zal leeven na zyn’ dood.Leont.Dat geeft zyn huisgezin wel eer, maar zelden brood.Baz.De wysheid stelt geen roem in geld, maar veel te weeten.Leont.De weetenschap is goed, indien me ’er van kan eeten.Baz.Ik vrees nooit voor gebrek, ik voeg my naar myn’ staat.Leont.Dat ’s voor u zelven goed: maar voor myn dochter quaad.Baz.Indien Kamacho eens zyn schatten moest verliezen,Wat wetenschap zou hy tot onderhoud verkiezenVoor haar en ’t huisgezin? hy moest weer aan den ploeg.Leont.’t Kan niet geschieden, hy heeft gelds en goeds genoeg.Baz.Het oorlog, het bedrog, en duizend ongelukkenZyn magtig hem zyn geld (hoe hoog gy ’t agt) te ontrukken.Leont.Pleit voor de wetenschap, die gy zo zeer bemint;Myn kint word u ontzeid, de rykdom overwint.Baz.Zo is hier dan voor my geen gunst van u te hoopen?Pastoor.Bazilius, de zaak is nu te veer verloopen.Baz.Wat bitter vonnis, hoor ik, laas! uit uwen mond?Pastoor.’t Is alles nu gereed gemaakt, tot ’t echtverbond:Maar stel uw hart gerust, en hoop op ’s hemels zegen,Gy zult gelukkig zyn, en kunt door and’re wegen,Als door dit huwelyk, eerlang tot eenen staatGeraaken, die deez trouw in glans te boven gaat.Baz.Leontius, gy zult uwe eeden dan verbreeken?Ach! waar is grooter smaad, en ontrouw ooit gebleeken!Vaar wel dan, waarde lief!Quit.Ach, myn Bazilius!Vaar wel voor eeuwig, met deeze allerlaatste kus.

Bazilius.Beminnelyke vrouw, helaas! wat blyft gy styfIn ’t opzet voor uwe eer. Bedenk, bedenk u nader;Is dan uw’ minnaar u niet meerder als uw’ vader,Zo gy hem waarlyk mint? ’t verbond van man, en vrouw,Eischt dat men de ouders moet...Qu.Ik voel mijn hart vol rouw,De schaamte heeft reeds myn genegenheid verwonnen.Neen, myn Bazilius, hier diende iets meer verzonnen;Het vluchten quetst myn eer, ik kies veel eer den dood.Baz.Die eer! die eer! stelt ons voor veel gevaaren bloot.Vaar wel dan, schoone! wyl gy de eer stelt boven ’t minnen.Quit.Ach! myn Bazilius, ach! wat wilt gy beginnen?Baz.Myn dagen korten met myn rampen en verdriet.Quit.Neen, neen, myn waarde vrind, indien gy my verliet,Moest ik van daag in dat gehaate huw’lyk treeden.’k Verlaat dan door den nood de kinderpligt, te vreeden.Om u te volgen, daar de hemel ons geleidt.Leontius stuit Bazilius en Quiteria, die weg willen gaan.Leont.Ontaarde dochter, die de schaamte en eerbaarheid,Uw vader, en geslacht al teffens wilt ontvluchten.Zyn dit uw’ deugden? zeg, zyn dit die schoone vruchten,Die ik verwagtte, van een dochter opgevoedDoor zulk een moeder, die zo deugdzaam van gemoed,Als wys en eerbaar was? ach! kan het moog’lyk weezen!Maar ’t is uw schuld niet, neen; ’k had van u niet te vreezen;Bazilius alleen is de oorzaak van dat stuk.Verleider van myn kind, ô oorzaak van myn’ druk;Zeg, zeg, wat porde u aan, die misdaad te beginnen?Baz.De zuiv’re minnedrift is meester van myn zinnen.Leont.Hoe, uwe min, myn heer? uw min komt veel te laat,Zy is eens anders bruid, ô nooit gehoorde daad!Dees linker wil een bruid van haren bruîgom rooven.Neen, kaalen edelman, vertrek! gy wordt verschoven.Baz.Hoe! sart gy my myn heer? neem ’t my niet qualyk af.Al loopt myn moed wat hoog: gy handelt my zo straf,Dat ik gedwongen ben uw valsheid aan te wyzen;Zo groot een valsheid, dat elkeen u zal mispryzen.’k Zeg, dat is myne bruid, die gy my nu ontrooft:Gy weet dat gy my zelfs uw dochter hebt beloofd.Ik heb gelegenheid door u alleen gekregenOm haar te dienen; en gy scheent my zo genegen,Dat gy geen ogenblik kond’ rusten zonder my;Nu neemt gy, ’t geen ge eerst gaaft; is dit geen schelmery?Leont.Gy waart uit reizen, ’k dagt, dat gy nooit weêr zoudt keeren.Baz.Die uitvlucht is te kaal, dat kon myn zaak niet deeren,Waart gy een man van woord; ’t was voor een korten tyd.Maar hier in toont gy klaar van welken aard gy zyt.Het was voor my in ’t eerst onmoog’lyk te bedenken,Waarom ge uw eenig kind, dat waardig pand zoud schenkenAan zulk een lompen bloed, Kamacho, die niets weet,Als van zyn boere werk, daar hy zyn tyd meê sleet.Maar, toen ik hoorde van zyn aangeërfde schatten,Kon ik de reden heel gemakkelyk bevatten;’t Is u om ’t geld te doen. Het goud heeft u verblind:Daarom verraadt gy my, u zelven, en uw kind.Waart gy haar vader niet, en grys, en oud van dagen,’k Zou met het punt van myn rapier u reden vraagenVan zulk een grooten hoon.Leont.Myn heer, het is my leet.’k Beken ik had heel graag myn kind aan u besteed:Maar ’k zag ’t wat dieper in; liet ik haar met u trouwen,Ik wist geen middel om u beiden te onderhouwen.Baz.Een man van dapperheid, geleerdheid, en vernuft,Vindt middelen genoeg, terwyl een bloodaard suft,En een onweetende geen raad vind voor zyn plaagen;Een moedelooze kan geen ongeluk verdraagen,Het geen een moedige braaf onder de oogen ziet.Leont.De moed ontbloot van geld, agt al de waereld niet.Baz.De moed en deugd zyn steeds geagt by alle wyzen.Leont.Het geld maakt gekken wys, die geld heeft hoort men pryzen.Baz.Een wys en dapper man zal leeven na zyn’ dood.Leont.Dat geeft zyn huisgezin wel eer, maar zelden brood.Baz.De wysheid stelt geen roem in geld, maar veel te weeten.Leont.De weetenschap is goed, indien me ’er van kan eeten.Baz.Ik vrees nooit voor gebrek, ik voeg my naar myn’ staat.Leont.Dat ’s voor u zelven goed: maar voor myn dochter quaad.Baz.Indien Kamacho eens zyn schatten moest verliezen,Wat wetenschap zou hy tot onderhoud verkiezenVoor haar en ’t huisgezin? hy moest weer aan den ploeg.Leont.’t Kan niet geschieden, hy heeft gelds en goeds genoeg.Baz.Het oorlog, het bedrog, en duizend ongelukkenZyn magtig hem zyn geld (hoe hoog gy ’t agt) te ontrukken.Leont.Pleit voor de wetenschap, die gy zo zeer bemint;Myn kint word u ontzeid, de rykdom overwint.Baz.Zo is hier dan voor my geen gunst van u te hoopen?Pastoor.Bazilius, de zaak is nu te veer verloopen.Baz.Wat bitter vonnis, hoor ik, laas! uit uwen mond?Pastoor.’t Is alles nu gereed gemaakt, tot ’t echtverbond:Maar stel uw hart gerust, en hoop op ’s hemels zegen,Gy zult gelukkig zyn, en kunt door and’re wegen,Als door dit huwelyk, eerlang tot eenen staatGeraaken, die deez trouw in glans te boven gaat.Baz.Leontius, gy zult uwe eeden dan verbreeken?Ach! waar is grooter smaad, en ontrouw ooit gebleeken!Vaar wel dan, waarde lief!Quit.Ach, myn Bazilius!Vaar wel voor eeuwig, met deeze allerlaatste kus.

Bazilius.Beminnelyke vrouw, helaas! wat blyft gy styfIn ’t opzet voor uwe eer. Bedenk, bedenk u nader;Is dan uw’ minnaar u niet meerder als uw’ vader,Zo gy hem waarlyk mint? ’t verbond van man, en vrouw,Eischt dat men de ouders moet...Qu.Ik voel mijn hart vol rouw,De schaamte heeft reeds myn genegenheid verwonnen.Neen, myn Bazilius, hier diende iets meer verzonnen;Het vluchten quetst myn eer, ik kies veel eer den dood.Baz.Die eer! die eer! stelt ons voor veel gevaaren bloot.Vaar wel dan, schoone! wyl gy de eer stelt boven ’t minnen.Quit.Ach! myn Bazilius, ach! wat wilt gy beginnen?Baz.Myn dagen korten met myn rampen en verdriet.Quit.Neen, neen, myn waarde vrind, indien gy my verliet,Moest ik van daag in dat gehaate huw’lyk treeden.’k Verlaat dan door den nood de kinderpligt, te vreeden.Om u te volgen, daar de hemel ons geleidt.Leontius stuit Bazilius en Quiteria, die weg willen gaan.Leont.Ontaarde dochter, die de schaamte en eerbaarheid,Uw vader, en geslacht al teffens wilt ontvluchten.Zyn dit uw’ deugden? zeg, zyn dit die schoone vruchten,Die ik verwagtte, van een dochter opgevoedDoor zulk een moeder, die zo deugdzaam van gemoed,Als wys en eerbaar was? ach! kan het moog’lyk weezen!Maar ’t is uw schuld niet, neen; ’k had van u niet te vreezen;Bazilius alleen is de oorzaak van dat stuk.Verleider van myn kind, ô oorzaak van myn’ druk;Zeg, zeg, wat porde u aan, die misdaad te beginnen?Baz.De zuiv’re minnedrift is meester van myn zinnen.Leont.Hoe, uwe min, myn heer? uw min komt veel te laat,Zy is eens anders bruid, ô nooit gehoorde daad!Dees linker wil een bruid van haren bruîgom rooven.Neen, kaalen edelman, vertrek! gy wordt verschoven.Baz.Hoe! sart gy my myn heer? neem ’t my niet qualyk af.Al loopt myn moed wat hoog: gy handelt my zo straf,Dat ik gedwongen ben uw valsheid aan te wyzen;Zo groot een valsheid, dat elkeen u zal mispryzen.’k Zeg, dat is myne bruid, die gy my nu ontrooft:Gy weet dat gy my zelfs uw dochter hebt beloofd.Ik heb gelegenheid door u alleen gekregenOm haar te dienen; en gy scheent my zo genegen,Dat gy geen ogenblik kond’ rusten zonder my;Nu neemt gy, ’t geen ge eerst gaaft; is dit geen schelmery?Leont.Gy waart uit reizen, ’k dagt, dat gy nooit weêr zoudt keeren.Baz.Die uitvlucht is te kaal, dat kon myn zaak niet deeren,Waart gy een man van woord; ’t was voor een korten tyd.Maar hier in toont gy klaar van welken aard gy zyt.Het was voor my in ’t eerst onmoog’lyk te bedenken,Waarom ge uw eenig kind, dat waardig pand zoud schenkenAan zulk een lompen bloed, Kamacho, die niets weet,Als van zyn boere werk, daar hy zyn tyd meê sleet.Maar, toen ik hoorde van zyn aangeërfde schatten,Kon ik de reden heel gemakkelyk bevatten;’t Is u om ’t geld te doen. Het goud heeft u verblind:Daarom verraadt gy my, u zelven, en uw kind.Waart gy haar vader niet, en grys, en oud van dagen,’k Zou met het punt van myn rapier u reden vraagenVan zulk een grooten hoon.Leont.Myn heer, het is my leet.’k Beken ik had heel graag myn kind aan u besteed:Maar ’k zag ’t wat dieper in; liet ik haar met u trouwen,Ik wist geen middel om u beiden te onderhouwen.Baz.Een man van dapperheid, geleerdheid, en vernuft,Vindt middelen genoeg, terwyl een bloodaard suft,En een onweetende geen raad vind voor zyn plaagen;Een moedelooze kan geen ongeluk verdraagen,Het geen een moedige braaf onder de oogen ziet.Leont.De moed ontbloot van geld, agt al de waereld niet.Baz.De moed en deugd zyn steeds geagt by alle wyzen.Leont.Het geld maakt gekken wys, die geld heeft hoort men pryzen.Baz.Een wys en dapper man zal leeven na zyn’ dood.Leont.Dat geeft zyn huisgezin wel eer, maar zelden brood.Baz.De wysheid stelt geen roem in geld, maar veel te weeten.Leont.De weetenschap is goed, indien me ’er van kan eeten.Baz.Ik vrees nooit voor gebrek, ik voeg my naar myn’ staat.Leont.Dat ’s voor u zelven goed: maar voor myn dochter quaad.Baz.Indien Kamacho eens zyn schatten moest verliezen,Wat wetenschap zou hy tot onderhoud verkiezenVoor haar en ’t huisgezin? hy moest weer aan den ploeg.Leont.’t Kan niet geschieden, hy heeft gelds en goeds genoeg.Baz.Het oorlog, het bedrog, en duizend ongelukkenZyn magtig hem zyn geld (hoe hoog gy ’t agt) te ontrukken.Leont.Pleit voor de wetenschap, die gy zo zeer bemint;Myn kint word u ontzeid, de rykdom overwint.Baz.Zo is hier dan voor my geen gunst van u te hoopen?Pastoor.Bazilius, de zaak is nu te veer verloopen.Baz.Wat bitter vonnis, hoor ik, laas! uit uwen mond?Pastoor.’t Is alles nu gereed gemaakt, tot ’t echtverbond:Maar stel uw hart gerust, en hoop op ’s hemels zegen,Gy zult gelukkig zyn, en kunt door and’re wegen,Als door dit huwelyk, eerlang tot eenen staatGeraaken, die deez trouw in glans te boven gaat.Baz.Leontius, gy zult uwe eeden dan verbreeken?Ach! waar is grooter smaad, en ontrouw ooit gebleeken!Vaar wel dan, waarde lief!Quit.Ach, myn Bazilius!Vaar wel voor eeuwig, met deeze allerlaatste kus.

Bazilius.Beminnelyke vrouw, helaas! wat blyft gy styf

In ’t opzet voor uwe eer. Bedenk, bedenk u nader;

Is dan uw’ minnaar u niet meerder als uw’ vader,

Zo gy hem waarlyk mint? ’t verbond van man, en vrouw,

Eischt dat men de ouders moet...Qu.Ik voel mijn hart vol rouw,

De schaamte heeft reeds myn genegenheid verwonnen.

Neen, myn Bazilius, hier diende iets meer verzonnen;

Het vluchten quetst myn eer, ik kies veel eer den dood.

Baz.Die eer! die eer! stelt ons voor veel gevaaren bloot.

Vaar wel dan, schoone! wyl gy de eer stelt boven ’t minnen.

Quit.Ach! myn Bazilius, ach! wat wilt gy beginnen?

Baz.Myn dagen korten met myn rampen en verdriet.

Quit.Neen, neen, myn waarde vrind, indien gy my verliet,

Moest ik van daag in dat gehaate huw’lyk treeden.

’k Verlaat dan door den nood de kinderpligt, te vreeden.

Om u te volgen, daar de hemel ons geleidt.

Leontius stuit Bazilius en Quiteria, die weg willen gaan.

Leont.Ontaarde dochter, die de schaamte en eerbaarheid,

Uw vader, en geslacht al teffens wilt ontvluchten.

Zyn dit uw’ deugden? zeg, zyn dit die schoone vruchten,

Die ik verwagtte, van een dochter opgevoed

Door zulk een moeder, die zo deugdzaam van gemoed,

Als wys en eerbaar was? ach! kan het moog’lyk weezen!

Maar ’t is uw schuld niet, neen; ’k had van u niet te vreezen;

Bazilius alleen is de oorzaak van dat stuk.

Verleider van myn kind, ô oorzaak van myn’ druk;

Zeg, zeg, wat porde u aan, die misdaad te beginnen?

Baz.De zuiv’re minnedrift is meester van myn zinnen.

Leont.Hoe, uwe min, myn heer? uw min komt veel te laat,

Zy is eens anders bruid, ô nooit gehoorde daad!

Dees linker wil een bruid van haren bruîgom rooven.

Neen, kaalen edelman, vertrek! gy wordt verschoven.

Baz.Hoe! sart gy my myn heer? neem ’t my niet qualyk af.

Al loopt myn moed wat hoog: gy handelt my zo straf,

Dat ik gedwongen ben uw valsheid aan te wyzen;

Zo groot een valsheid, dat elkeen u zal mispryzen.

’k Zeg, dat is myne bruid, die gy my nu ontrooft:

Gy weet dat gy my zelfs uw dochter hebt beloofd.

Ik heb gelegenheid door u alleen gekregen

Om haar te dienen; en gy scheent my zo genegen,

Dat gy geen ogenblik kond’ rusten zonder my;

Nu neemt gy, ’t geen ge eerst gaaft; is dit geen schelmery?

Leont.Gy waart uit reizen, ’k dagt, dat gy nooit weêr zoudt keeren.

Baz.Die uitvlucht is te kaal, dat kon myn zaak niet deeren,

Waart gy een man van woord; ’t was voor een korten tyd.

Maar hier in toont gy klaar van welken aard gy zyt.

Het was voor my in ’t eerst onmoog’lyk te bedenken,

Waarom ge uw eenig kind, dat waardig pand zoud schenken

Aan zulk een lompen bloed, Kamacho, die niets weet,

Als van zyn boere werk, daar hy zyn tyd meê sleet.

Maar, toen ik hoorde van zyn aangeërfde schatten,

Kon ik de reden heel gemakkelyk bevatten;

’t Is u om ’t geld te doen. Het goud heeft u verblind:

Daarom verraadt gy my, u zelven, en uw kind.

Waart gy haar vader niet, en grys, en oud van dagen,

’k Zou met het punt van myn rapier u reden vraagen

Van zulk een grooten hoon.Leont.Myn heer, het is my leet.

’k Beken ik had heel graag myn kind aan u besteed:

Maar ’k zag ’t wat dieper in; liet ik haar met u trouwen,

Ik wist geen middel om u beiden te onderhouwen.

Baz.Een man van dapperheid, geleerdheid, en vernuft,

Vindt middelen genoeg, terwyl een bloodaard suft,

En een onweetende geen raad vind voor zyn plaagen;

Een moedelooze kan geen ongeluk verdraagen,

Het geen een moedige braaf onder de oogen ziet.

Leont.De moed ontbloot van geld, agt al de waereld niet.

Baz.De moed en deugd zyn steeds geagt by alle wyzen.

Leont.Het geld maakt gekken wys, die geld heeft hoort men pryzen.

Baz.Een wys en dapper man zal leeven na zyn’ dood.

Leont.Dat geeft zyn huisgezin wel eer, maar zelden brood.

Baz.De wysheid stelt geen roem in geld, maar veel te weeten.

Leont.De weetenschap is goed, indien me ’er van kan eeten.

Baz.Ik vrees nooit voor gebrek, ik voeg my naar myn’ staat.

Leont.Dat ’s voor u zelven goed: maar voor myn dochter quaad.

Baz.Indien Kamacho eens zyn schatten moest verliezen,

Wat wetenschap zou hy tot onderhoud verkiezen

Voor haar en ’t huisgezin? hy moest weer aan den ploeg.

Leont.’t Kan niet geschieden, hy heeft gelds en goeds genoeg.

Baz.Het oorlog, het bedrog, en duizend ongelukken

Zyn magtig hem zyn geld (hoe hoog gy ’t agt) te ontrukken.

Leont.Pleit voor de wetenschap, die gy zo zeer bemint;

Myn kint word u ontzeid, de rykdom overwint.

Baz.Zo is hier dan voor my geen gunst van u te hoopen?

Pastoor.Bazilius, de zaak is nu te veer verloopen.

Baz.Wat bitter vonnis, hoor ik, laas! uit uwen mond?

Pastoor.’t Is alles nu gereed gemaakt, tot ’t echtverbond:

Maar stel uw hart gerust, en hoop op ’s hemels zegen,

Gy zult gelukkig zyn, en kunt door and’re wegen,

Als door dit huwelyk, eerlang tot eenen staat

Geraaken, die deez trouw in glans te boven gaat.

Baz.Leontius, gy zult uwe eeden dan verbreeken?

Ach! waar is grooter smaad, en ontrouw ooit gebleeken!

Vaar wel dan, waarde lief!Quit.Ach, myn Bazilius!

Vaar wel voor eeuwig, met deeze allerlaatste kus.

Leontius,Quiteria,Pastoor.

Leontius.O wrev’le dochter zocht gy ons aldus te ontkomen?En waant gy, zoo dit van Kamacho werd vernomen,Dat hy u evenwel zal minnen? denk dat niet.Pastoor.Myn heer, ik bid vergeef haar ’t geen hier is geschied.Leont.’k Staa in beraad of ik haar wil in ’t klooster zenden.Quit.’t Gevalt my; ’k zal aldaar ’t rampzalig leeven enden:Want nu Bazilius voor altoos van my scheidt,Bekoort my niemant meer. ’k Heb u vergeefs misleid,Vergeefs voor u geveinsd Kamacho te beminnen;’k Zeg nu, dat ik hem haat. Wel aan, wil maar beginnenMet uwe strafheid, volg uw al te wrev’len moed.Gedenk niet meer dat ik u kind ben of uw bloed.Het klooster kan my nu het allerbest behaagen,Alwaar ik tot myn dood vry zuchten mag, en klaagen.Leont.Hou op van schreyen: want ik meen het niet myn kind,Gy hebt een vader, die u op het teêrst bemint,Ik zie myn misslag wel.Quit.Ach! vader, wil dan maakenDat ik uit handen van Kamacho mag geraaken.Leont.Ik bid u veins myn kind; hy komt daar ginder aan.Quit.„o Hemel wil my van dien Bruidegom ontslaan!

Leontius.O wrev’le dochter zocht gy ons aldus te ontkomen?En waant gy, zoo dit van Kamacho werd vernomen,Dat hy u evenwel zal minnen? denk dat niet.Pastoor.Myn heer, ik bid vergeef haar ’t geen hier is geschied.Leont.’k Staa in beraad of ik haar wil in ’t klooster zenden.Quit.’t Gevalt my; ’k zal aldaar ’t rampzalig leeven enden:Want nu Bazilius voor altoos van my scheidt,Bekoort my niemant meer. ’k Heb u vergeefs misleid,Vergeefs voor u geveinsd Kamacho te beminnen;’k Zeg nu, dat ik hem haat. Wel aan, wil maar beginnenMet uwe strafheid, volg uw al te wrev’len moed.Gedenk niet meer dat ik u kind ben of uw bloed.Het klooster kan my nu het allerbest behaagen,Alwaar ik tot myn dood vry zuchten mag, en klaagen.Leont.Hou op van schreyen: want ik meen het niet myn kind,Gy hebt een vader, die u op het teêrst bemint,Ik zie myn misslag wel.Quit.Ach! vader, wil dan maakenDat ik uit handen van Kamacho mag geraaken.Leont.Ik bid u veins myn kind; hy komt daar ginder aan.Quit.„o Hemel wil my van dien Bruidegom ontslaan!

Leontius.O wrev’le dochter zocht gy ons aldus te ontkomen?En waant gy, zoo dit van Kamacho werd vernomen,Dat hy u evenwel zal minnen? denk dat niet.Pastoor.Myn heer, ik bid vergeef haar ’t geen hier is geschied.Leont.’k Staa in beraad of ik haar wil in ’t klooster zenden.Quit.’t Gevalt my; ’k zal aldaar ’t rampzalig leeven enden:Want nu Bazilius voor altoos van my scheidt,Bekoort my niemant meer. ’k Heb u vergeefs misleid,Vergeefs voor u geveinsd Kamacho te beminnen;’k Zeg nu, dat ik hem haat. Wel aan, wil maar beginnenMet uwe strafheid, volg uw al te wrev’len moed.Gedenk niet meer dat ik u kind ben of uw bloed.Het klooster kan my nu het allerbest behaagen,Alwaar ik tot myn dood vry zuchten mag, en klaagen.Leont.Hou op van schreyen: want ik meen het niet myn kind,Gy hebt een vader, die u op het teêrst bemint,Ik zie myn misslag wel.Quit.Ach! vader, wil dan maakenDat ik uit handen van Kamacho mag geraaken.Leont.Ik bid u veins myn kind; hy komt daar ginder aan.Quit.„o Hemel wil my van dien Bruidegom ontslaan!

Leontius.O wrev’le dochter zocht gy ons aldus te ontkomen?

En waant gy, zoo dit van Kamacho werd vernomen,

Dat hy u evenwel zal minnen? denk dat niet.

Pastoor.Myn heer, ik bid vergeef haar ’t geen hier is geschied.

Leont.’k Staa in beraad of ik haar wil in ’t klooster zenden.

Quit.’t Gevalt my; ’k zal aldaar ’t rampzalig leeven enden:

Want nu Bazilius voor altoos van my scheidt,

Bekoort my niemant meer. ’k Heb u vergeefs misleid,

Vergeefs voor u geveinsd Kamacho te beminnen;

’k Zeg nu, dat ik hem haat. Wel aan, wil maar beginnen

Met uwe strafheid, volg uw al te wrev’len moed.

Gedenk niet meer dat ik u kind ben of uw bloed.

Het klooster kan my nu het allerbest behaagen,

Alwaar ik tot myn dood vry zuchten mag, en klaagen.

Leont.Hou op van schreyen: want ik meen het niet myn kind,

Gy hebt een vader, die u op het teêrst bemint,

Ik zie myn misslag wel.Quit.Ach! vader, wil dan maaken

Dat ik uit handen van Kamacho mag geraaken.

Leont.Ik bid u veins myn kind; hy komt daar ginder aan.

Quit.„o Hemel wil my van dien Bruidegom ontslaan!

Kamacho,Leontius,Pastoor,Quiteria.

Kamacho.Wel suikerdoosje, wel myn slokkertje, gans wongden!Wat heb ik jou ’ezogt, eer ik jou heb ’evongden.Hoe binje zoo bedroefd, myn zoete lieve maeid?Ach, myn kokkinjebaerd! ik bidje, zeper, graeijtTog nou niet meer, maer laet ons liever iensjes dangsen.Gut schoonvaêr, dat je ’t wist, ik heb zo veel te schrangsen,Al hadje nou genooit ’et leger van DikdalfMit al zyn soljers, ’k wed ze vraeten ’t nog niet half,Dat ik ’eried heb.Leont.Ja, ik wil u wel gelooven.Kam.Gut schoonvaêr, hadje maer iens an de veest ’esnooven;’t Gebraed is ondieft murf, ’et smelt puur in je mongt.Kom gaenwe, proef iens van myn starken ouwe hongd.

Kamacho.Wel suikerdoosje, wel myn slokkertje, gans wongden!Wat heb ik jou ’ezogt, eer ik jou heb ’evongden.Hoe binje zoo bedroefd, myn zoete lieve maeid?Ach, myn kokkinjebaerd! ik bidje, zeper, graeijtTog nou niet meer, maer laet ons liever iensjes dangsen.Gut schoonvaêr, dat je ’t wist, ik heb zo veel te schrangsen,Al hadje nou genooit ’et leger van DikdalfMit al zyn soljers, ’k wed ze vraeten ’t nog niet half,Dat ik ’eried heb.Leont.Ja, ik wil u wel gelooven.Kam.Gut schoonvaêr, hadje maer iens an de veest ’esnooven;’t Gebraed is ondieft murf, ’et smelt puur in je mongt.Kom gaenwe, proef iens van myn starken ouwe hongd.

Kamacho.Wel suikerdoosje, wel myn slokkertje, gans wongden!Wat heb ik jou ’ezogt, eer ik jou heb ’evongden.Hoe binje zoo bedroefd, myn zoete lieve maeid?Ach, myn kokkinjebaerd! ik bidje, zeper, graeijtTog nou niet meer, maer laet ons liever iensjes dangsen.Gut schoonvaêr, dat je ’t wist, ik heb zo veel te schrangsen,Al hadje nou genooit ’et leger van DikdalfMit al zyn soljers, ’k wed ze vraeten ’t nog niet half,Dat ik ’eried heb.Leont.Ja, ik wil u wel gelooven.Kam.Gut schoonvaêr, hadje maer iens an de veest ’esnooven;’t Gebraed is ondieft murf, ’et smelt puur in je mongt.Kom gaenwe, proef iens van myn starken ouwe hongd.

Kamacho.Wel suikerdoosje, wel myn slokkertje, gans wongden!

Wat heb ik jou ’ezogt, eer ik jou heb ’evongden.

Hoe binje zoo bedroefd, myn zoete lieve maeid?

Ach, myn kokkinjebaerd! ik bidje, zeper, graeijt

Tog nou niet meer, maer laet ons liever iensjes dangsen.

Gut schoonvaêr, dat je ’t wist, ik heb zo veel te schrangsen,

Al hadje nou genooit ’et leger van Dikdalf

Mit al zyn soljers, ’k wed ze vraeten ’t nog niet half,

Dat ik ’eried heb.Leont.Ja, ik wil u wel gelooven.

Kam.Gut schoonvaêr, hadje maer iens an de veest ’esnooven;

’t Gebraed is ondieft murf, ’et smelt puur in je mongt.

Kom gaenwe, proef iens van myn starken ouwe hongd.

Einde van het tweede Bedryf.


Back to IndexNext