Chapter 13

Bazilius.Wy komen hier niet om dit bruiloftsfeest te stooren;Neen, neen, gelukkig paar, die moeite waar verloren:Maar zie een’ minnaar die zyn lieve voorwerp derft,En voor uw voeten, door de min, van wanhoop sterft.Leontius, ’k zal u uw strafheid niet verwyten:Maar uw gemoed zal zelf van binnen voor my pleiten,En toonen tot uw’ schrik, om dat gy my verstootEen eeuwig naberouw, om de oorzaak van myn dood.Vaar wel Quiteria! myn schoone! myn beminde!Die ik van jongs af liefde, en hertelyk bezinde,Gy zult bedenken, na myn dood, wien gy verliest:Maar min hem echter dien gy nu tot man verkiest;Denk dat de mensche nooit het nootlot af kan keeren:Leef, leef vernoegd: dit is myn uiterste begeeren;Vaar wel Quiteria! ik sterf om u, vol moed,Een’ trouwe minnaar, ach! vaar wel; ’k smoor in myn bloed.Hy doorsteekt zich.Pastoor.ô Hemel! wat is dit! hy heeft zich zelfs doorsteeken.Quiteria,neemt Bazilius in den arm.Ach! myn Bazilius! wil nog voor ’t laatst eens spreeken.Baz.Quiteria, myn lief, Quiteria, zyt gy ’t?Vertroost gy my voor ’t laatst? wat is myn hart verblyd,Dat ik al stervende in uw’ arm...Past.Gy moet vertrekken:Of hem iets op het hart mogt zyn, me alleen te ontdekken.

Bazilius.Wy komen hier niet om dit bruiloftsfeest te stooren;Neen, neen, gelukkig paar, die moeite waar verloren:Maar zie een’ minnaar die zyn lieve voorwerp derft,En voor uw voeten, door de min, van wanhoop sterft.Leontius, ’k zal u uw strafheid niet verwyten:Maar uw gemoed zal zelf van binnen voor my pleiten,En toonen tot uw’ schrik, om dat gy my verstootEen eeuwig naberouw, om de oorzaak van myn dood.Vaar wel Quiteria! myn schoone! myn beminde!Die ik van jongs af liefde, en hertelyk bezinde,Gy zult bedenken, na myn dood, wien gy verliest:Maar min hem echter dien gy nu tot man verkiest;Denk dat de mensche nooit het nootlot af kan keeren:Leef, leef vernoegd: dit is myn uiterste begeeren;Vaar wel Quiteria! ik sterf om u, vol moed,Een’ trouwe minnaar, ach! vaar wel; ’k smoor in myn bloed.Hy doorsteekt zich.Pastoor.ô Hemel! wat is dit! hy heeft zich zelfs doorsteeken.Quiteria,neemt Bazilius in den arm.Ach! myn Bazilius! wil nog voor ’t laatst eens spreeken.Baz.Quiteria, myn lief, Quiteria, zyt gy ’t?Vertroost gy my voor ’t laatst? wat is myn hart verblyd,Dat ik al stervende in uw’ arm...Past.Gy moet vertrekken:Of hem iets op het hart mogt zyn, me alleen te ontdekken.

Bazilius.Wy komen hier niet om dit bruiloftsfeest te stooren;Neen, neen, gelukkig paar, die moeite waar verloren:Maar zie een’ minnaar die zyn lieve voorwerp derft,En voor uw voeten, door de min, van wanhoop sterft.Leontius, ’k zal u uw strafheid niet verwyten:Maar uw gemoed zal zelf van binnen voor my pleiten,En toonen tot uw’ schrik, om dat gy my verstootEen eeuwig naberouw, om de oorzaak van myn dood.Vaar wel Quiteria! myn schoone! myn beminde!Die ik van jongs af liefde, en hertelyk bezinde,Gy zult bedenken, na myn dood, wien gy verliest:Maar min hem echter dien gy nu tot man verkiest;Denk dat de mensche nooit het nootlot af kan keeren:Leef, leef vernoegd: dit is myn uiterste begeeren;Vaar wel Quiteria! ik sterf om u, vol moed,Een’ trouwe minnaar, ach! vaar wel; ’k smoor in myn bloed.Hy doorsteekt zich.Pastoor.ô Hemel! wat is dit! hy heeft zich zelfs doorsteeken.Quiteria,neemt Bazilius in den arm.Ach! myn Bazilius! wil nog voor ’t laatst eens spreeken.Baz.Quiteria, myn lief, Quiteria, zyt gy ’t?Vertroost gy my voor ’t laatst? wat is myn hart verblyd,Dat ik al stervende in uw’ arm...Past.Gy moet vertrekken:Of hem iets op het hart mogt zyn, me alleen te ontdekken.

Bazilius.Wy komen hier niet om dit bruiloftsfeest te stooren;

Neen, neen, gelukkig paar, die moeite waar verloren:

Maar zie een’ minnaar die zyn lieve voorwerp derft,

En voor uw voeten, door de min, van wanhoop sterft.

Leontius, ’k zal u uw strafheid niet verwyten:

Maar uw gemoed zal zelf van binnen voor my pleiten,

En toonen tot uw’ schrik, om dat gy my verstoot

Een eeuwig naberouw, om de oorzaak van myn dood.

Vaar wel Quiteria! myn schoone! myn beminde!

Die ik van jongs af liefde, en hertelyk bezinde,

Gy zult bedenken, na myn dood, wien gy verliest:

Maar min hem echter dien gy nu tot man verkiest;

Denk dat de mensche nooit het nootlot af kan keeren:

Leef, leef vernoegd: dit is myn uiterste begeeren;

Vaar wel Quiteria! ik sterf om u, vol moed,

Een’ trouwe minnaar, ach! vaar wel; ’k smoor in myn bloed.

Hy doorsteekt zich.

Pastoor.ô Hemel! wat is dit! hy heeft zich zelfs doorsteeken.

Quiteria,neemt Bazilius in den arm.

Ach! myn Bazilius! wil nog voor ’t laatst eens spreeken.

Baz.Quiteria, myn lief, Quiteria, zyt gy ’t?

Vertroost gy my voor ’t laatst? wat is myn hart verblyd,

Dat ik al stervende in uw’ arm...Past.Gy moet vertrekken:

Of hem iets op het hart mogt zyn, me alleen te ontdekken.

Pastoor,Bazilius.

Pastoor.Wel aan Bazilius; hier ’s niemant meer omtrent,Ondek nu alles.Baz.Neen, ik zwyg tot aan myn end.Pastoor.ô Gruuwel! gy berooft uw zelven van het leeven!Baz.Indien Quiteria haar hand aan my mag geevenVoor ’t laatst, als bruid van my, zo sterf ik wel gerust!Pastoor.Zyn dat gedachten op het uiterste? Bluscht, bluschtDie minnetochten.Baz.Neen.Pas.ô Hemel kan ’t geschieden!Baz.Voldoe myn bede; ik kan de dood tog niet ontvlieden.Pastoor.’k Zal dan het voorstel doen.De Pastoor haalt al het volk van ’t voorgaande Tooneel wederom.

Pastoor.Wel aan Bazilius; hier ’s niemant meer omtrent,Ondek nu alles.Baz.Neen, ik zwyg tot aan myn end.Pastoor.ô Gruuwel! gy berooft uw zelven van het leeven!Baz.Indien Quiteria haar hand aan my mag geevenVoor ’t laatst, als bruid van my, zo sterf ik wel gerust!Pastoor.Zyn dat gedachten op het uiterste? Bluscht, bluschtDie minnetochten.Baz.Neen.Pas.ô Hemel kan ’t geschieden!Baz.Voldoe myn bede; ik kan de dood tog niet ontvlieden.Pastoor.’k Zal dan het voorstel doen.De Pastoor haalt al het volk van ’t voorgaande Tooneel wederom.

Pastoor.Wel aan Bazilius; hier ’s niemant meer omtrent,Ondek nu alles.Baz.Neen, ik zwyg tot aan myn end.Pastoor.ô Gruuwel! gy berooft uw zelven van het leeven!Baz.Indien Quiteria haar hand aan my mag geevenVoor ’t laatst, als bruid van my, zo sterf ik wel gerust!Pastoor.Zyn dat gedachten op het uiterste? Bluscht, bluschtDie minnetochten.Baz.Neen.Pas.ô Hemel kan ’t geschieden!Baz.Voldoe myn bede; ik kan de dood tog niet ontvlieden.Pastoor.’k Zal dan het voorstel doen.De Pastoor haalt al het volk van ’t voorgaande Tooneel wederom.

Pastoor.Wel aan Bazilius; hier ’s niemant meer omtrent,

Ondek nu alles.Baz.Neen, ik zwyg tot aan myn end.

Pastoor.ô Gruuwel! gy berooft uw zelven van het leeven!

Baz.Indien Quiteria haar hand aan my mag geeven

Voor ’t laatst, als bruid van my, zo sterf ik wel gerust!

Pastoor.Zyn dat gedachten op het uiterste? Bluscht, bluscht

Die minnetochten.Baz.Neen.Pas.ô Hemel kan ’t geschieden!

Baz.Voldoe myn bede; ik kan de dood tog niet ontvlieden.

Pastoor.’k Zal dan het voorstel doen.

De Pastoor haalt al het volk van ’t voorgaande Tooneel wederom.

Pastoor.Zie hier een vreemd geval;Bazilius steld voor, dat ik verzoeken zal,Of hy Quiteria mag, voor zyn sterven, trouwen.Kam.De droelie, heer Pastoor, daar zou ik niet van houwen:Dat kan niet weezen.Past.’k Kan in ’t allerminst niet zien,Dat u dit trouwverbond kan hind’ren.Kam.Wel ik mienDat ik ’eplaegd word?Val.Heer Leontius, kan ’t weezen,Help ons den bruîgom voor die goedheid tog beleezen:Erberm u over dien rampzaal’gen Edelman,Die zonder deze gunst in rust niet sterven kan.Baz.Mag ik Quiteria al stervend’ niet erlangen?Leon.Nu bruîgom staa het toe; gy kunt haar wel ontvangenAls weduw na zyn dood; zy blyft tog die zy is;Erberm u nevens ons in deze droeffenis.Kam.Maer of hy heur al trouwd, dat ken hem tog niet baeten.Hy sterft tog strakjes.Quiteria,tegen Kamacho.’k Zweer, ik zal u eeuwig haaten.Eer ik u trouwen zal, ben ik veel eer gezindTe sterven, nevens hem die my zo teêr bemint;Ja ’k zal my zelfs veel eer op zyne grafsteê slachten.Kam.Myn zoete bruidje lief, dat binne quae gedachten.Bedenk je wel ter deeg.Baz.Ik sterf! helaas! ik sterf!Quiteria,tegen Kamacho.Ha snoô barbaar, nu ik geen troost van u verwerf,En mededoogenheid is uit uw hart gebannen,Voel ik de haat, en wraak, en wanhoop, t’zaam gespannenIn mynen boezem, om uw haatelyke minTe weeren.Kam.’k Bidje stel die dulheit uit je zin,En trouwt dan heen en weer.Pas.Zyt gy daar me te vreedenLeontius?Leont.’k Stae ’t toe.Pastoor,tegen Quiteria.Wilt dan nu herwaard treeden,En geef uw’ bruidegom de hand, dat ik u trouw.Quiterianeêrknielende geeft aan Bazilius de hand.Nu is het myne plicht, dat ik in ’t breede ontvouw,Hoe dat gy d’echtenstaat te saamen moet beleeven:Maar wyl gy aanstonds weêr elkander zult begeeven,Vereischt de korte tyd dat ik zulks overslaa.Bazilius begeert gy uw QuiteriaTot huisvrouw?Baz.Ja.Pas.Wilt gy Bazilius aanvaardenTot man, en hoofd?Quit.Ja.Pastoor.Zoo de hemel ’t leeven spaardeAan u, Bazilius, ik wenste u veel geluk:Maar nu uw trouwdag is vermengd met zulk een druk,Wensch ik u t’saam geduld, en nu gy sterft, genade;Toont nu een waar berouw: want ’t is nog niet te spaade.Baz.Zyn wy dan t’zaam getrouwd, door ’t echtverbond, myn heer?Pastoor.Nu zyt gy man, en vrouw.Bazilius,opstaande.’k Heb dan ’t geen ik begeer.Altemaal.Mirakel! wat is dit! mirakel! ha mirakel!Baz.Neen loosheid! loosheid!V.Hei! wat maakt dat volk gekakel.Weest stil.Bazilius,tegen Leontius.Myn heer, ’t is waar dat gy door deeze listVan my bedrogen zyt; maar wyl gy zelfs wel wist,Dat zy my minde, en ik haar trouwheid had gezworen,Was ’t uwe plicht geweest te hand’len naar behooren,Heb ik niet wel gedaen, gy zyt ’er de oorzaak van.Leont.’k Vergeef het u.Kam.Ik niet; hoe of dat weezen kan.Heb ik je met je pook niet in je lyf zien steeken?Baz.Ik was wel wyzer vrind.Kam.Dat binnen slimme streeken,’k Bin daer niet mê te vreên.Baz.Wy zyn nu al getrouwd,Wat wil je doen?Kam.Jou schelm, bedrieger, guit, rabouwt.Komt jongens trekt je mes, we zellender om plukken.De Boeren trekken hun messen en de Edellieden hun degens.Don Qu.Hak al de tovenaars aan honderd duizend stukken.SancheenVetlasoepe. Alarm! alarm! alarm! alarm! alarm! alarm!Pas.Hou op! hou op! hou op!San.Hou warm de baen! hou warm!Don Quichotop een stoel staande.Gy ridders, tovenaars en dappere oorlogsknechten!’k Verzoek dat ik alleen dit groot verschil mag slechten.Laat vry Kamacho, of zo als hy heeten mag,Zyn’ eisch betwisten met de lancie: want hy plagIn ’t open veld nooit voor een man te zwichten.Wel aan doorluchte held, gy zult my zeer verplichten;Zet tyd en perk, naar uw believen: door myn’ dood,Werd u de schoone maagd tot bruid en echtgenoot.Kam.Wel raekt ’et jou wat vent? heb jy ’er ’an te geeven?Is ’t jou bruid, keerel?D. Qu.Neen: maar ’k ben gezind te sneevenVoor zo’n geregte zaak; haal wapens, zyt ge een man.Kam.Je ’ebt goed te vechten, wangt je hebt een harnas ’an;Maar trek dat uit, en heb je lust te bakkelaayenMit vuisten? kom dan maer, en wie dan van ongs baayenIerst ongerleit die zel ’t verliezen; en de meidZo ik ierst ongerleg...Baz.Wat geeft gy schoon bescheid!Quiteria is myne, en gy kunt haar niet trouwen;’t Is of gy gek wordt.Don Quichottegen Kamacho.ô, Gy spot! maar ’t zal u rouwen.Ha schelmse ridder, zo gy maar gewapend waart;Ik zou my wreeken, en u helpen van der aard.Past.Myn goê Kamacho, wil u zelfs niet langer quellen,Met vechten is uw zaak onmog’lyk te herstellen.Zy zyn tog al getrouwd, en ’t is misschien zeer goed.Stel toch u hart gerust, dewyl ’t zo weezen moet.Bedenk eens wat een man al tochten voedt van binnen,Die met een vrouw leeft, die hem nimmer kan beminnen;Hy word van jaloezy geplaagd, tot aan zyn end.Kam.Je hebt al wat gelyk, ’t is waer Pastoor, ’k beken ’t:Maer ’t is een groote spyt, ’k bin laelik deur’ estreeken.Past.Zyt maar gerust, die trouw is nu niet weer te breeken.Baz.Kamacho, ik beken, ik heb u wat misdaan;Vergeet uw vyandschap, gy hebt daar toch niet aan.Ik zal de kosten van de bruiloft u betaalen.Kam.De hiele brulleft man, wel waer zou jy het haelen?Je bint een kaele bloed.Baz.De koning heeft aan myUit inzicht myns geslachts, bequaamheid, of waardy,Een zeer aanzienlyk ampt vereerd.Leont.Wel hoe, we weetenDaar nog niet van?Baz.’t Is waar, ik had het u vergeetenTe zeggen: want ik was van schrik zo zeer ontsteld,Wanneer my van het geen hier omging wierd gemeld,Dat ik om ampt, nog staat, noch om my zelv’ kon denken.Kam.De keuning jou een ampt met iens ’an ’t hof gaen schenken?San.Ja maetje, dat’s niet raers, ’k wor’ ook haest governeur.Kam.Je zelt je vingers daer niet vet ’an soppen, breur,’k Heb driemael ’an ’et hof ’eweest, en niet ’ekregen.San.Ze zyn ’an ’t hof ook niet om tovenaers verlegen.Pastoor.Kamacho, ’k bid vergeef Bazilius dat stuk.Kam.Wel nou ’k niet anders kan; ik wens je veel geluk.Jochem.Bloed! bloed! wat meen ik daar pasquillen van te maaken,En al de parsen van heel Spanje te doen kraaken;Ik zal je leeren voor myn vaerzen, my te slaan.Ik zal by al de acteurs van ’t hiele land omgaan,Ja plakken ’t in de stad op hoeken van de straaten,En kokerboomtjes.Kam.’k Wed jy zelt die pots wel laeten.Jochem.Jy my te slaan? jy vent! jy, jy, jou malle quast?Kam.Nou miester Jochem wees te vreên, ’k noô jou te gast.Joc.’k Zal met een steekdicht, jou zo’n klap om de ooren langen,Dat jy je zelven puur uit spyt zelt gaan verhangen.Pastoor.Het is een wys man, die geleden’ hoon vergeet.Jochem.Pasquillen maeken op zo’n stuk, laet geen Poëet.Baz.Nu meester Jochem, laet u tog van ons gezeggen.Leont.Nu laat de zaak.Joc.Wel nu terwyl gy ’t bij wil leggen,Ik ben te vreên; maar, krygt een ander eens de lucht,Zo word dees pots voorvast een blyspel of een klucht.Pastoor.De hemel wil dit Paar voor ongeval bewaren.Don Qu.Haar majesteiten steeds in goê gezondheid spaaren.Leont.Ik wensch u veel geluk, myn schoonzoon, met myn kind.Val.Het zelfde wensch ik u, mevrouw, en waarde vrind.San.Ik wensch jou huizen vol gebraed, en lekker eeten.Vetl.De gouverneurtje hou ’et altyd met de freeten.Baz.Ik dank u t’zamen voor u goê genegenheid;En nu het alles op dees plaats is toebereid,Nood ik het boere volk te zamen met de vrinden,’t Gezelschap blyve als ’t is, ’t zal vreugd genoeg hier vinden.Altemaal.Lang leef het lieve Paar!Baz.Dat men terstond beginn’Een nieuw balet, ter eer van haar die ik bemin.Hier wordt een balet gedanst.Baziliustegen Don Quichot.Heer ridder blyf by ons.Don Qu.Ik moet op ’t steekspel weezen.San.Was ik in zyn plaats, bloed! je zoudt me gaeuw beleezen.Baz.Zo ziet men dat ’t verstand het geld te boven gaat;En die de wysheid om ’t genot van ’t goud versmaad,Kan aan myn trouwgeval zich spiegelen en leeren,Hoe dat men schranderheid voor schatten moet waardeeren.

Pastoor.Zie hier een vreemd geval;Bazilius steld voor, dat ik verzoeken zal,Of hy Quiteria mag, voor zyn sterven, trouwen.Kam.De droelie, heer Pastoor, daar zou ik niet van houwen:Dat kan niet weezen.Past.’k Kan in ’t allerminst niet zien,Dat u dit trouwverbond kan hind’ren.Kam.Wel ik mienDat ik ’eplaegd word?Val.Heer Leontius, kan ’t weezen,Help ons den bruîgom voor die goedheid tog beleezen:Erberm u over dien rampzaal’gen Edelman,Die zonder deze gunst in rust niet sterven kan.Baz.Mag ik Quiteria al stervend’ niet erlangen?Leon.Nu bruîgom staa het toe; gy kunt haar wel ontvangenAls weduw na zyn dood; zy blyft tog die zy is;Erberm u nevens ons in deze droeffenis.Kam.Maer of hy heur al trouwd, dat ken hem tog niet baeten.Hy sterft tog strakjes.Quiteria,tegen Kamacho.’k Zweer, ik zal u eeuwig haaten.Eer ik u trouwen zal, ben ik veel eer gezindTe sterven, nevens hem die my zo teêr bemint;Ja ’k zal my zelfs veel eer op zyne grafsteê slachten.Kam.Myn zoete bruidje lief, dat binne quae gedachten.Bedenk je wel ter deeg.Baz.Ik sterf! helaas! ik sterf!Quiteria,tegen Kamacho.Ha snoô barbaar, nu ik geen troost van u verwerf,En mededoogenheid is uit uw hart gebannen,Voel ik de haat, en wraak, en wanhoop, t’zaam gespannenIn mynen boezem, om uw haatelyke minTe weeren.Kam.’k Bidje stel die dulheit uit je zin,En trouwt dan heen en weer.Pas.Zyt gy daar me te vreedenLeontius?Leont.’k Stae ’t toe.Pastoor,tegen Quiteria.Wilt dan nu herwaard treeden,En geef uw’ bruidegom de hand, dat ik u trouw.Quiterianeêrknielende geeft aan Bazilius de hand.Nu is het myne plicht, dat ik in ’t breede ontvouw,Hoe dat gy d’echtenstaat te saamen moet beleeven:Maar wyl gy aanstonds weêr elkander zult begeeven,Vereischt de korte tyd dat ik zulks overslaa.Bazilius begeert gy uw QuiteriaTot huisvrouw?Baz.Ja.Pas.Wilt gy Bazilius aanvaardenTot man, en hoofd?Quit.Ja.Pastoor.Zoo de hemel ’t leeven spaardeAan u, Bazilius, ik wenste u veel geluk:Maar nu uw trouwdag is vermengd met zulk een druk,Wensch ik u t’saam geduld, en nu gy sterft, genade;Toont nu een waar berouw: want ’t is nog niet te spaade.Baz.Zyn wy dan t’zaam getrouwd, door ’t echtverbond, myn heer?Pastoor.Nu zyt gy man, en vrouw.Bazilius,opstaande.’k Heb dan ’t geen ik begeer.Altemaal.Mirakel! wat is dit! mirakel! ha mirakel!Baz.Neen loosheid! loosheid!V.Hei! wat maakt dat volk gekakel.Weest stil.Bazilius,tegen Leontius.Myn heer, ’t is waar dat gy door deeze listVan my bedrogen zyt; maar wyl gy zelfs wel wist,Dat zy my minde, en ik haar trouwheid had gezworen,Was ’t uwe plicht geweest te hand’len naar behooren,Heb ik niet wel gedaen, gy zyt ’er de oorzaak van.Leont.’k Vergeef het u.Kam.Ik niet; hoe of dat weezen kan.Heb ik je met je pook niet in je lyf zien steeken?Baz.Ik was wel wyzer vrind.Kam.Dat binnen slimme streeken,’k Bin daer niet mê te vreên.Baz.Wy zyn nu al getrouwd,Wat wil je doen?Kam.Jou schelm, bedrieger, guit, rabouwt.Komt jongens trekt je mes, we zellender om plukken.De Boeren trekken hun messen en de Edellieden hun degens.Don Qu.Hak al de tovenaars aan honderd duizend stukken.SancheenVetlasoepe. Alarm! alarm! alarm! alarm! alarm! alarm!Pas.Hou op! hou op! hou op!San.Hou warm de baen! hou warm!Don Quichotop een stoel staande.Gy ridders, tovenaars en dappere oorlogsknechten!’k Verzoek dat ik alleen dit groot verschil mag slechten.Laat vry Kamacho, of zo als hy heeten mag,Zyn’ eisch betwisten met de lancie: want hy plagIn ’t open veld nooit voor een man te zwichten.Wel aan doorluchte held, gy zult my zeer verplichten;Zet tyd en perk, naar uw believen: door myn’ dood,Werd u de schoone maagd tot bruid en echtgenoot.Kam.Wel raekt ’et jou wat vent? heb jy ’er ’an te geeven?Is ’t jou bruid, keerel?D. Qu.Neen: maar ’k ben gezind te sneevenVoor zo’n geregte zaak; haal wapens, zyt ge een man.Kam.Je ’ebt goed te vechten, wangt je hebt een harnas ’an;Maar trek dat uit, en heb je lust te bakkelaayenMit vuisten? kom dan maer, en wie dan van ongs baayenIerst ongerleit die zel ’t verliezen; en de meidZo ik ierst ongerleg...Baz.Wat geeft gy schoon bescheid!Quiteria is myne, en gy kunt haar niet trouwen;’t Is of gy gek wordt.Don Quichottegen Kamacho.ô, Gy spot! maar ’t zal u rouwen.Ha schelmse ridder, zo gy maar gewapend waart;Ik zou my wreeken, en u helpen van der aard.Past.Myn goê Kamacho, wil u zelfs niet langer quellen,Met vechten is uw zaak onmog’lyk te herstellen.Zy zyn tog al getrouwd, en ’t is misschien zeer goed.Stel toch u hart gerust, dewyl ’t zo weezen moet.Bedenk eens wat een man al tochten voedt van binnen,Die met een vrouw leeft, die hem nimmer kan beminnen;Hy word van jaloezy geplaagd, tot aan zyn end.Kam.Je hebt al wat gelyk, ’t is waer Pastoor, ’k beken ’t:Maer ’t is een groote spyt, ’k bin laelik deur’ estreeken.Past.Zyt maar gerust, die trouw is nu niet weer te breeken.Baz.Kamacho, ik beken, ik heb u wat misdaan;Vergeet uw vyandschap, gy hebt daar toch niet aan.Ik zal de kosten van de bruiloft u betaalen.Kam.De hiele brulleft man, wel waer zou jy het haelen?Je bint een kaele bloed.Baz.De koning heeft aan myUit inzicht myns geslachts, bequaamheid, of waardy,Een zeer aanzienlyk ampt vereerd.Leont.Wel hoe, we weetenDaar nog niet van?Baz.’t Is waar, ik had het u vergeetenTe zeggen: want ik was van schrik zo zeer ontsteld,Wanneer my van het geen hier omging wierd gemeld,Dat ik om ampt, nog staat, noch om my zelv’ kon denken.Kam.De keuning jou een ampt met iens ’an ’t hof gaen schenken?San.Ja maetje, dat’s niet raers, ’k wor’ ook haest governeur.Kam.Je zelt je vingers daer niet vet ’an soppen, breur,’k Heb driemael ’an ’et hof ’eweest, en niet ’ekregen.San.Ze zyn ’an ’t hof ook niet om tovenaers verlegen.Pastoor.Kamacho, ’k bid vergeef Bazilius dat stuk.Kam.Wel nou ’k niet anders kan; ik wens je veel geluk.Jochem.Bloed! bloed! wat meen ik daar pasquillen van te maaken,En al de parsen van heel Spanje te doen kraaken;Ik zal je leeren voor myn vaerzen, my te slaan.Ik zal by al de acteurs van ’t hiele land omgaan,Ja plakken ’t in de stad op hoeken van de straaten,En kokerboomtjes.Kam.’k Wed jy zelt die pots wel laeten.Jochem.Jy my te slaan? jy vent! jy, jy, jou malle quast?Kam.Nou miester Jochem wees te vreên, ’k noô jou te gast.Joc.’k Zal met een steekdicht, jou zo’n klap om de ooren langen,Dat jy je zelven puur uit spyt zelt gaan verhangen.Pastoor.Het is een wys man, die geleden’ hoon vergeet.Jochem.Pasquillen maeken op zo’n stuk, laet geen Poëet.Baz.Nu meester Jochem, laet u tog van ons gezeggen.Leont.Nu laat de zaak.Joc.Wel nu terwyl gy ’t bij wil leggen,Ik ben te vreên; maar, krygt een ander eens de lucht,Zo word dees pots voorvast een blyspel of een klucht.Pastoor.De hemel wil dit Paar voor ongeval bewaren.Don Qu.Haar majesteiten steeds in goê gezondheid spaaren.Leont.Ik wensch u veel geluk, myn schoonzoon, met myn kind.Val.Het zelfde wensch ik u, mevrouw, en waarde vrind.San.Ik wensch jou huizen vol gebraed, en lekker eeten.Vetl.De gouverneurtje hou ’et altyd met de freeten.Baz.Ik dank u t’zamen voor u goê genegenheid;En nu het alles op dees plaats is toebereid,Nood ik het boere volk te zamen met de vrinden,’t Gezelschap blyve als ’t is, ’t zal vreugd genoeg hier vinden.Altemaal.Lang leef het lieve Paar!Baz.Dat men terstond beginn’Een nieuw balet, ter eer van haar die ik bemin.Hier wordt een balet gedanst.Baziliustegen Don Quichot.Heer ridder blyf by ons.Don Qu.Ik moet op ’t steekspel weezen.San.Was ik in zyn plaats, bloed! je zoudt me gaeuw beleezen.Baz.Zo ziet men dat ’t verstand het geld te boven gaat;En die de wysheid om ’t genot van ’t goud versmaad,Kan aan myn trouwgeval zich spiegelen en leeren,Hoe dat men schranderheid voor schatten moet waardeeren.

Pastoor.Zie hier een vreemd geval;Bazilius steld voor, dat ik verzoeken zal,Of hy Quiteria mag, voor zyn sterven, trouwen.Kam.De droelie, heer Pastoor, daar zou ik niet van houwen:Dat kan niet weezen.Past.’k Kan in ’t allerminst niet zien,Dat u dit trouwverbond kan hind’ren.Kam.Wel ik mienDat ik ’eplaegd word?Val.Heer Leontius, kan ’t weezen,Help ons den bruîgom voor die goedheid tog beleezen:Erberm u over dien rampzaal’gen Edelman,Die zonder deze gunst in rust niet sterven kan.Baz.Mag ik Quiteria al stervend’ niet erlangen?Leon.Nu bruîgom staa het toe; gy kunt haar wel ontvangenAls weduw na zyn dood; zy blyft tog die zy is;Erberm u nevens ons in deze droeffenis.Kam.Maer of hy heur al trouwd, dat ken hem tog niet baeten.Hy sterft tog strakjes.Quiteria,tegen Kamacho.’k Zweer, ik zal u eeuwig haaten.Eer ik u trouwen zal, ben ik veel eer gezindTe sterven, nevens hem die my zo teêr bemint;Ja ’k zal my zelfs veel eer op zyne grafsteê slachten.Kam.Myn zoete bruidje lief, dat binne quae gedachten.Bedenk je wel ter deeg.Baz.Ik sterf! helaas! ik sterf!Quiteria,tegen Kamacho.Ha snoô barbaar, nu ik geen troost van u verwerf,En mededoogenheid is uit uw hart gebannen,Voel ik de haat, en wraak, en wanhoop, t’zaam gespannenIn mynen boezem, om uw haatelyke minTe weeren.Kam.’k Bidje stel die dulheit uit je zin,En trouwt dan heen en weer.Pas.Zyt gy daar me te vreedenLeontius?Leont.’k Stae ’t toe.Pastoor,tegen Quiteria.Wilt dan nu herwaard treeden,En geef uw’ bruidegom de hand, dat ik u trouw.Quiterianeêrknielende geeft aan Bazilius de hand.Nu is het myne plicht, dat ik in ’t breede ontvouw,Hoe dat gy d’echtenstaat te saamen moet beleeven:Maar wyl gy aanstonds weêr elkander zult begeeven,Vereischt de korte tyd dat ik zulks overslaa.Bazilius begeert gy uw QuiteriaTot huisvrouw?Baz.Ja.Pas.Wilt gy Bazilius aanvaardenTot man, en hoofd?Quit.Ja.Pastoor.Zoo de hemel ’t leeven spaardeAan u, Bazilius, ik wenste u veel geluk:Maar nu uw trouwdag is vermengd met zulk een druk,Wensch ik u t’saam geduld, en nu gy sterft, genade;Toont nu een waar berouw: want ’t is nog niet te spaade.Baz.Zyn wy dan t’zaam getrouwd, door ’t echtverbond, myn heer?Pastoor.Nu zyt gy man, en vrouw.Bazilius,opstaande.’k Heb dan ’t geen ik begeer.Altemaal.Mirakel! wat is dit! mirakel! ha mirakel!Baz.Neen loosheid! loosheid!V.Hei! wat maakt dat volk gekakel.Weest stil.Bazilius,tegen Leontius.Myn heer, ’t is waar dat gy door deeze listVan my bedrogen zyt; maar wyl gy zelfs wel wist,Dat zy my minde, en ik haar trouwheid had gezworen,Was ’t uwe plicht geweest te hand’len naar behooren,Heb ik niet wel gedaen, gy zyt ’er de oorzaak van.Leont.’k Vergeef het u.Kam.Ik niet; hoe of dat weezen kan.Heb ik je met je pook niet in je lyf zien steeken?Baz.Ik was wel wyzer vrind.Kam.Dat binnen slimme streeken,’k Bin daer niet mê te vreên.Baz.Wy zyn nu al getrouwd,Wat wil je doen?Kam.Jou schelm, bedrieger, guit, rabouwt.Komt jongens trekt je mes, we zellender om plukken.De Boeren trekken hun messen en de Edellieden hun degens.Don Qu.Hak al de tovenaars aan honderd duizend stukken.SancheenVetlasoepe. Alarm! alarm! alarm! alarm! alarm! alarm!Pas.Hou op! hou op! hou op!San.Hou warm de baen! hou warm!Don Quichotop een stoel staande.Gy ridders, tovenaars en dappere oorlogsknechten!’k Verzoek dat ik alleen dit groot verschil mag slechten.Laat vry Kamacho, of zo als hy heeten mag,Zyn’ eisch betwisten met de lancie: want hy plagIn ’t open veld nooit voor een man te zwichten.Wel aan doorluchte held, gy zult my zeer verplichten;Zet tyd en perk, naar uw believen: door myn’ dood,Werd u de schoone maagd tot bruid en echtgenoot.Kam.Wel raekt ’et jou wat vent? heb jy ’er ’an te geeven?Is ’t jou bruid, keerel?D. Qu.Neen: maar ’k ben gezind te sneevenVoor zo’n geregte zaak; haal wapens, zyt ge een man.Kam.Je ’ebt goed te vechten, wangt je hebt een harnas ’an;Maar trek dat uit, en heb je lust te bakkelaayenMit vuisten? kom dan maer, en wie dan van ongs baayenIerst ongerleit die zel ’t verliezen; en de meidZo ik ierst ongerleg...Baz.Wat geeft gy schoon bescheid!Quiteria is myne, en gy kunt haar niet trouwen;’t Is of gy gek wordt.Don Quichottegen Kamacho.ô, Gy spot! maar ’t zal u rouwen.Ha schelmse ridder, zo gy maar gewapend waart;Ik zou my wreeken, en u helpen van der aard.Past.Myn goê Kamacho, wil u zelfs niet langer quellen,Met vechten is uw zaak onmog’lyk te herstellen.Zy zyn tog al getrouwd, en ’t is misschien zeer goed.Stel toch u hart gerust, dewyl ’t zo weezen moet.Bedenk eens wat een man al tochten voedt van binnen,Die met een vrouw leeft, die hem nimmer kan beminnen;Hy word van jaloezy geplaagd, tot aan zyn end.Kam.Je hebt al wat gelyk, ’t is waer Pastoor, ’k beken ’t:Maer ’t is een groote spyt, ’k bin laelik deur’ estreeken.Past.Zyt maar gerust, die trouw is nu niet weer te breeken.Baz.Kamacho, ik beken, ik heb u wat misdaan;Vergeet uw vyandschap, gy hebt daar toch niet aan.Ik zal de kosten van de bruiloft u betaalen.Kam.De hiele brulleft man, wel waer zou jy het haelen?Je bint een kaele bloed.Baz.De koning heeft aan myUit inzicht myns geslachts, bequaamheid, of waardy,Een zeer aanzienlyk ampt vereerd.Leont.Wel hoe, we weetenDaar nog niet van?Baz.’t Is waar, ik had het u vergeetenTe zeggen: want ik was van schrik zo zeer ontsteld,Wanneer my van het geen hier omging wierd gemeld,Dat ik om ampt, nog staat, noch om my zelv’ kon denken.Kam.De keuning jou een ampt met iens ’an ’t hof gaen schenken?San.Ja maetje, dat’s niet raers, ’k wor’ ook haest governeur.Kam.Je zelt je vingers daer niet vet ’an soppen, breur,’k Heb driemael ’an ’et hof ’eweest, en niet ’ekregen.San.Ze zyn ’an ’t hof ook niet om tovenaers verlegen.Pastoor.Kamacho, ’k bid vergeef Bazilius dat stuk.Kam.Wel nou ’k niet anders kan; ik wens je veel geluk.Jochem.Bloed! bloed! wat meen ik daar pasquillen van te maaken,En al de parsen van heel Spanje te doen kraaken;Ik zal je leeren voor myn vaerzen, my te slaan.Ik zal by al de acteurs van ’t hiele land omgaan,Ja plakken ’t in de stad op hoeken van de straaten,En kokerboomtjes.Kam.’k Wed jy zelt die pots wel laeten.Jochem.Jy my te slaan? jy vent! jy, jy, jou malle quast?Kam.Nou miester Jochem wees te vreên, ’k noô jou te gast.Joc.’k Zal met een steekdicht, jou zo’n klap om de ooren langen,Dat jy je zelven puur uit spyt zelt gaan verhangen.Pastoor.Het is een wys man, die geleden’ hoon vergeet.Jochem.Pasquillen maeken op zo’n stuk, laet geen Poëet.Baz.Nu meester Jochem, laet u tog van ons gezeggen.Leont.Nu laat de zaak.Joc.Wel nu terwyl gy ’t bij wil leggen,Ik ben te vreên; maar, krygt een ander eens de lucht,Zo word dees pots voorvast een blyspel of een klucht.Pastoor.De hemel wil dit Paar voor ongeval bewaren.Don Qu.Haar majesteiten steeds in goê gezondheid spaaren.Leont.Ik wensch u veel geluk, myn schoonzoon, met myn kind.Val.Het zelfde wensch ik u, mevrouw, en waarde vrind.San.Ik wensch jou huizen vol gebraed, en lekker eeten.Vetl.De gouverneurtje hou ’et altyd met de freeten.Baz.Ik dank u t’zamen voor u goê genegenheid;En nu het alles op dees plaats is toebereid,Nood ik het boere volk te zamen met de vrinden,’t Gezelschap blyve als ’t is, ’t zal vreugd genoeg hier vinden.Altemaal.Lang leef het lieve Paar!Baz.Dat men terstond beginn’Een nieuw balet, ter eer van haar die ik bemin.Hier wordt een balet gedanst.Baziliustegen Don Quichot.Heer ridder blyf by ons.Don Qu.Ik moet op ’t steekspel weezen.San.Was ik in zyn plaats, bloed! je zoudt me gaeuw beleezen.Baz.Zo ziet men dat ’t verstand het geld te boven gaat;En die de wysheid om ’t genot van ’t goud versmaad,Kan aan myn trouwgeval zich spiegelen en leeren,Hoe dat men schranderheid voor schatten moet waardeeren.

Pastoor.Zie hier een vreemd geval;

Bazilius steld voor, dat ik verzoeken zal,

Of hy Quiteria mag, voor zyn sterven, trouwen.

Kam.De droelie, heer Pastoor, daar zou ik niet van houwen:

Dat kan niet weezen.Past.’k Kan in ’t allerminst niet zien,

Dat u dit trouwverbond kan hind’ren.Kam.Wel ik mien

Dat ik ’eplaegd word?Val.Heer Leontius, kan ’t weezen,

Help ons den bruîgom voor die goedheid tog beleezen:

Erberm u over dien rampzaal’gen Edelman,

Die zonder deze gunst in rust niet sterven kan.

Baz.Mag ik Quiteria al stervend’ niet erlangen?

Leon.Nu bruîgom staa het toe; gy kunt haar wel ontvangen

Als weduw na zyn dood; zy blyft tog die zy is;

Erberm u nevens ons in deze droeffenis.

Kam.Maer of hy heur al trouwd, dat ken hem tog niet baeten.

Hy sterft tog strakjes.

Quiteria,tegen Kamacho.

’k Zweer, ik zal u eeuwig haaten.

Eer ik u trouwen zal, ben ik veel eer gezind

Te sterven, nevens hem die my zo teêr bemint;

Ja ’k zal my zelfs veel eer op zyne grafsteê slachten.

Kam.Myn zoete bruidje lief, dat binne quae gedachten.

Bedenk je wel ter deeg.Baz.Ik sterf! helaas! ik sterf!

Quiteria,tegen Kamacho.

Ha snoô barbaar, nu ik geen troost van u verwerf,

En mededoogenheid is uit uw hart gebannen,

Voel ik de haat, en wraak, en wanhoop, t’zaam gespannen

In mynen boezem, om uw haatelyke min

Te weeren.Kam.’k Bidje stel die dulheit uit je zin,

En trouwt dan heen en weer.Pas.Zyt gy daar me te vreeden

Leontius?Leont.’k Stae ’t toe.

Pastoor,tegen Quiteria.

Wilt dan nu herwaard treeden,

En geef uw’ bruidegom de hand, dat ik u trouw.

Quiterianeêrknielende geeft aan Bazilius de hand.

Nu is het myne plicht, dat ik in ’t breede ontvouw,

Hoe dat gy d’echtenstaat te saamen moet beleeven:

Maar wyl gy aanstonds weêr elkander zult begeeven,

Vereischt de korte tyd dat ik zulks overslaa.

Bazilius begeert gy uw Quiteria

Tot huisvrouw?Baz.Ja.Pas.Wilt gy Bazilius aanvaarden

Tot man, en hoofd?Quit.Ja.

Pastoor.Zoo de hemel ’t leeven spaarde

Aan u, Bazilius, ik wenste u veel geluk:

Maar nu uw trouwdag is vermengd met zulk een druk,

Wensch ik u t’saam geduld, en nu gy sterft, genade;

Toont nu een waar berouw: want ’t is nog niet te spaade.

Baz.Zyn wy dan t’zaam getrouwd, door ’t echtverbond, myn heer?

Pastoor.Nu zyt gy man, en vrouw.

Bazilius,opstaande.

’k Heb dan ’t geen ik begeer.

Altemaal.Mirakel! wat is dit! mirakel! ha mirakel!

Baz.Neen loosheid! loosheid!V.Hei! wat maakt dat volk gekakel.

Weest stil.

Bazilius,tegen Leontius.

Myn heer, ’t is waar dat gy door deeze list

Van my bedrogen zyt; maar wyl gy zelfs wel wist,

Dat zy my minde, en ik haar trouwheid had gezworen,

Was ’t uwe plicht geweest te hand’len naar behooren,

Heb ik niet wel gedaen, gy zyt ’er de oorzaak van.

Leont.’k Vergeef het u.Kam.Ik niet; hoe of dat weezen kan.

Heb ik je met je pook niet in je lyf zien steeken?

Baz.Ik was wel wyzer vrind.Kam.Dat binnen slimme streeken,

’k Bin daer niet mê te vreên.Baz.Wy zyn nu al getrouwd,

Wat wil je doen?Kam.Jou schelm, bedrieger, guit, rabouwt.

Komt jongens trekt je mes, we zellender om plukken.

De Boeren trekken hun messen en de Edellieden hun degens.

Don Qu.Hak al de tovenaars aan honderd duizend stukken.

SancheenVetlasoepe. Alarm! alarm! alarm! alarm! alarm! alarm!

Pas.Hou op! hou op! hou op!San.Hou warm de baen! hou warm!

Don Quichotop een stoel staande.

Gy ridders, tovenaars en dappere oorlogsknechten!

’k Verzoek dat ik alleen dit groot verschil mag slechten.

Laat vry Kamacho, of zo als hy heeten mag,

Zyn’ eisch betwisten met de lancie: want hy plag

In ’t open veld nooit voor een man te zwichten.

Wel aan doorluchte held, gy zult my zeer verplichten;

Zet tyd en perk, naar uw believen: door myn’ dood,

Werd u de schoone maagd tot bruid en echtgenoot.

Kam.Wel raekt ’et jou wat vent? heb jy ’er ’an te geeven?

Is ’t jou bruid, keerel?D. Qu.Neen: maar ’k ben gezind te sneeven

Voor zo’n geregte zaak; haal wapens, zyt ge een man.

Kam.Je ’ebt goed te vechten, wangt je hebt een harnas ’an;

Maar trek dat uit, en heb je lust te bakkelaayen

Mit vuisten? kom dan maer, en wie dan van ongs baayen

Ierst ongerleit die zel ’t verliezen; en de meid

Zo ik ierst ongerleg...Baz.Wat geeft gy schoon bescheid!

Quiteria is myne, en gy kunt haar niet trouwen;

’t Is of gy gek wordt.

Don Quichottegen Kamacho.

ô, Gy spot! maar ’t zal u rouwen.

Ha schelmse ridder, zo gy maar gewapend waart;

Ik zou my wreeken, en u helpen van der aard.

Past.Myn goê Kamacho, wil u zelfs niet langer quellen,

Met vechten is uw zaak onmog’lyk te herstellen.

Zy zyn tog al getrouwd, en ’t is misschien zeer goed.

Stel toch u hart gerust, dewyl ’t zo weezen moet.

Bedenk eens wat een man al tochten voedt van binnen,

Die met een vrouw leeft, die hem nimmer kan beminnen;

Hy word van jaloezy geplaagd, tot aan zyn end.

Kam.Je hebt al wat gelyk, ’t is waer Pastoor, ’k beken ’t:

Maer ’t is een groote spyt, ’k bin laelik deur’ estreeken.

Past.Zyt maar gerust, die trouw is nu niet weer te breeken.

Baz.Kamacho, ik beken, ik heb u wat misdaan;

Vergeet uw vyandschap, gy hebt daar toch niet aan.

Ik zal de kosten van de bruiloft u betaalen.

Kam.De hiele brulleft man, wel waer zou jy het haelen?

Je bint een kaele bloed.Baz.De koning heeft aan my

Uit inzicht myns geslachts, bequaamheid, of waardy,

Een zeer aanzienlyk ampt vereerd.Leont.Wel hoe, we weeten

Daar nog niet van?Baz.’t Is waar, ik had het u vergeeten

Te zeggen: want ik was van schrik zo zeer ontsteld,

Wanneer my van het geen hier omging wierd gemeld,

Dat ik om ampt, nog staat, noch om my zelv’ kon denken.

Kam.De keuning jou een ampt met iens ’an ’t hof gaen schenken?

San.Ja maetje, dat’s niet raers, ’k wor’ ook haest governeur.

Kam.Je zelt je vingers daer niet vet ’an soppen, breur,

’k Heb driemael ’an ’et hof ’eweest, en niet ’ekregen.

San.Ze zyn ’an ’t hof ook niet om tovenaers verlegen.

Pastoor.Kamacho, ’k bid vergeef Bazilius dat stuk.

Kam.Wel nou ’k niet anders kan; ik wens je veel geluk.

Jochem.Bloed! bloed! wat meen ik daar pasquillen van te maaken,

En al de parsen van heel Spanje te doen kraaken;

Ik zal je leeren voor myn vaerzen, my te slaan.

Ik zal by al de acteurs van ’t hiele land omgaan,

Ja plakken ’t in de stad op hoeken van de straaten,

En kokerboomtjes.Kam.’k Wed jy zelt die pots wel laeten.

Jochem.Jy my te slaan? jy vent! jy, jy, jou malle quast?

Kam.Nou miester Jochem wees te vreên, ’k noô jou te gast.

Joc.’k Zal met een steekdicht, jou zo’n klap om de ooren langen,

Dat jy je zelven puur uit spyt zelt gaan verhangen.

Pastoor.Het is een wys man, die geleden’ hoon vergeet.

Jochem.Pasquillen maeken op zo’n stuk, laet geen Poëet.

Baz.Nu meester Jochem, laet u tog van ons gezeggen.

Leont.Nu laat de zaak.Joc.Wel nu terwyl gy ’t bij wil leggen,

Ik ben te vreên; maar, krygt een ander eens de lucht,

Zo word dees pots voorvast een blyspel of een klucht.

Pastoor.De hemel wil dit Paar voor ongeval bewaren.

Don Qu.Haar majesteiten steeds in goê gezondheid spaaren.

Leont.Ik wensch u veel geluk, myn schoonzoon, met myn kind.

Val.Het zelfde wensch ik u, mevrouw, en waarde vrind.

San.Ik wensch jou huizen vol gebraed, en lekker eeten.

Vetl.De gouverneurtje hou ’et altyd met de freeten.

Baz.Ik dank u t’zamen voor u goê genegenheid;

En nu het alles op dees plaats is toebereid,

Nood ik het boere volk te zamen met de vrinden,

’t Gezelschap blyve als ’t is, ’t zal vreugd genoeg hier vinden.

Altemaal.Lang leef het lieve Paar!Baz.Dat men terstond beginn’

Een nieuw balet, ter eer van haar die ik bemin.

Hier wordt een balet gedanst.

Baziliustegen Don Quichot.

Heer ridder blyf by ons.Don Qu.Ik moet op ’t steekspel weezen.

San.Was ik in zyn plaats, bloed! je zoudt me gaeuw beleezen.

Baz.Zo ziet men dat ’t verstand het geld te boven gaat;

En die de wysheid om ’t genot van ’t goud versmaad,

Kan aan myn trouwgeval zich spiegelen en leeren,

Hoe dat men schranderheid voor schatten moet waardeeren.

Einde van ’t derde en laatste Bedryf.


Back to IndexNext