DERDE BEDRYF.
Verbeeldt de Raadzaal van ’t Kapitool.
Metellus,Flaminius, en de Roomsche raaden.
Metellus.Waar mag Papirius, waar mag Albinus blyven?Fla.Ligt zyn zy afgesneên door ’t raazend heir der wyven.Ik hoor een groot geweld.Met.Daar komen zy al aan.
Metellus.Waar mag Papirius, waar mag Albinus blyven?Fla.Ligt zyn zy afgesneên door ’t raazend heir der wyven.Ik hoor een groot geweld.Met.Daar komen zy al aan.
Metellus.Waar mag Papirius, waar mag Albinus blyven?Fla.Ligt zyn zy afgesneên door ’t raazend heir der wyven.Ik hoor een groot geweld.Met.Daar komen zy al aan.
Metellus.Waar mag Papirius, waar mag Albinus blyven?
Fla.Ligt zyn zy afgesneên door ’t raazend heir der wyven.
Ik hoor een groot geweld.
Met.Daar komen zy al aan.
Metellus,Flaminius, de Roomsche raaden,Albinus,Papirius.
Metellus.Albinus, hoe is ’t u in ’t vrouwen heir gegaan?Al.Zy hebben tot haar hoofd een raazend wyf verkoren,Dat noch na reden, noch na reedlykheid wil hooren:Ze erkende naauwlyks my voor Romens afgezant,En dreigde ’t Kapitool te steeken in den brand,Ten zy op haaren eisch, in dit papier geschreven,Door de achtbre raaden voort voldoening werd gegeven.Hy geeft het schrift over.Fla.Hoe noemt men ’t raazend wyf?Al.Rebella is haar naam.Fla.Dat wyf was lang berucht. Ze is van een quaade faam.’k Meen dat zy is gestraft om haare goddeloosheid.Al.Tumulta is ’er by, berucht om haare boosheid.Fla.Maar waarom keerde gy niet aanstonds met bescheid?Al.’t Was my onmogelyk, wyl ik wierd weg geleidDoor andre wyven, en een tyd lang bleef gevangen.Zy dreigden zelfs om my te pynigen en hangen.Had Romens jonglingschap my niet gered in nood,Zy hadden my ligt in haar’ raazerny gedood.Ik heb Papirius te danken voor myn leeven.Pap.Ik heb in ’t veld van Mars my voort te paard begeevenMet al de jonglingschap, en reed van straat tot straat,Om Romens burgery, tot voorstand van den raad,In alle wyken in ’t geweer te doen vergaâren.Om ’t raazend wyven heir te brengen tot bedaaren.Dit had wat tyds van doen; zo dat men onverwacht’t Oproerig vrouwvolk zag, (wie had het ooit gedacht)Het Kapitolium by duizenden omringen.Met.Mijn zoon, had gy geen macht door ’t leger heen te dringen?Wy hebben alles uit de vensters aangezien.Pap.Myn vader, ach! dat kon onmogelyk geschiên.Met.Men zag de jonglingschap en burgery wel komen:Maar elk bleef staan. Wat deed de Roomsche helden schroomen?Zyn dan de wyven zo ontzachelyk, myn zoon?Waarom vielt gy niet aan? de kans stond immers schoon.Verstrooij dat raazend vee. Verjaag het uit onze oogen.Of zult ge, als ’t Kapitool is in den brand gevlogen,Gelyk ons word gedreigd, te laat uw kracht doen zien?Pap.Zy zullen dit niet doen, myn vader.Met.Ja misschien.Vertrouw u daar niet op.Pap.Ik zal u alles melden:Men trok kloekmoedig op, met onze vroome helden,En dacht het vrouwen heir, waar ’t mooglyk op te slaan:Maar ’k zag voor ’t leger zo veel eedle vrouwen staan,Met helmen op het hoofd, en uitgetogen’ zwaerden,Dat dit gezicht by ons, en elk, verwondring baarden.Eén trad ’er na my toe, en riep: houd stand! houd stand!„Zo ge uw geslagt bemint en ’t lieve vaderland!„Ik geef u vry gelei. Gy kunt ons heir beschouwen.„Ik staa hier aan het hoofd van honderd raadsheers vrouwen.„Recht hier geen bloedbad aan... Ik kende voort haar stem,En was verbaasd, verschrikt. Myn hart raakte in den klem.’k Gaf order dat ons volk niet verder zou genaaken.Om dat men mooglyk een bestand zou kunnen maaken.Met.’t Zyn wondren die gy meldt. Maar wie is die heldin,Wier stem u was bekend?Pap.Een vrouw die ik bemin...Met.Spreek, spreek, myn waarde zoon. Ik vind u langs hoe vroeder.Pap.Hoog achtbre vader! ’t is uw gemalin, myn moeder!Ze is my op ’t Kapitool gevolgd, en wil den raadBerichten waar de eisch der vrouwen in bestaat.Met.Heeft zy gevolg?Pap.Gewis, de hoofden van de wyven,Die van het Kapitool niet hebben willen blyven.Deeze eischen dat gy twee Dictators kiezen moet,En dreigen u den dood, indien gy zulks niet doet.Fla.Men kan haar hooren.Met.Laat haar al te samen binnen.
Metellus.Albinus, hoe is ’t u in ’t vrouwen heir gegaan?Al.Zy hebben tot haar hoofd een raazend wyf verkoren,Dat noch na reden, noch na reedlykheid wil hooren:Ze erkende naauwlyks my voor Romens afgezant,En dreigde ’t Kapitool te steeken in den brand,Ten zy op haaren eisch, in dit papier geschreven,Door de achtbre raaden voort voldoening werd gegeven.Hy geeft het schrift over.Fla.Hoe noemt men ’t raazend wyf?Al.Rebella is haar naam.Fla.Dat wyf was lang berucht. Ze is van een quaade faam.’k Meen dat zy is gestraft om haare goddeloosheid.Al.Tumulta is ’er by, berucht om haare boosheid.Fla.Maar waarom keerde gy niet aanstonds met bescheid?Al.’t Was my onmogelyk, wyl ik wierd weg geleidDoor andre wyven, en een tyd lang bleef gevangen.Zy dreigden zelfs om my te pynigen en hangen.Had Romens jonglingschap my niet gered in nood,Zy hadden my ligt in haar’ raazerny gedood.Ik heb Papirius te danken voor myn leeven.Pap.Ik heb in ’t veld van Mars my voort te paard begeevenMet al de jonglingschap, en reed van straat tot straat,Om Romens burgery, tot voorstand van den raad,In alle wyken in ’t geweer te doen vergaâren.Om ’t raazend wyven heir te brengen tot bedaaren.Dit had wat tyds van doen; zo dat men onverwacht’t Oproerig vrouwvolk zag, (wie had het ooit gedacht)Het Kapitolium by duizenden omringen.Met.Mijn zoon, had gy geen macht door ’t leger heen te dringen?Wy hebben alles uit de vensters aangezien.Pap.Myn vader, ach! dat kon onmogelyk geschiên.Met.Men zag de jonglingschap en burgery wel komen:Maar elk bleef staan. Wat deed de Roomsche helden schroomen?Zyn dan de wyven zo ontzachelyk, myn zoon?Waarom vielt gy niet aan? de kans stond immers schoon.Verstrooij dat raazend vee. Verjaag het uit onze oogen.Of zult ge, als ’t Kapitool is in den brand gevlogen,Gelyk ons word gedreigd, te laat uw kracht doen zien?Pap.Zy zullen dit niet doen, myn vader.Met.Ja misschien.Vertrouw u daar niet op.Pap.Ik zal u alles melden:Men trok kloekmoedig op, met onze vroome helden,En dacht het vrouwen heir, waar ’t mooglyk op te slaan:Maar ’k zag voor ’t leger zo veel eedle vrouwen staan,Met helmen op het hoofd, en uitgetogen’ zwaerden,Dat dit gezicht by ons, en elk, verwondring baarden.Eén trad ’er na my toe, en riep: houd stand! houd stand!„Zo ge uw geslagt bemint en ’t lieve vaderland!„Ik geef u vry gelei. Gy kunt ons heir beschouwen.„Ik staa hier aan het hoofd van honderd raadsheers vrouwen.„Recht hier geen bloedbad aan... Ik kende voort haar stem,En was verbaasd, verschrikt. Myn hart raakte in den klem.’k Gaf order dat ons volk niet verder zou genaaken.Om dat men mooglyk een bestand zou kunnen maaken.Met.’t Zyn wondren die gy meldt. Maar wie is die heldin,Wier stem u was bekend?Pap.Een vrouw die ik bemin...Met.Spreek, spreek, myn waarde zoon. Ik vind u langs hoe vroeder.Pap.Hoog achtbre vader! ’t is uw gemalin, myn moeder!Ze is my op ’t Kapitool gevolgd, en wil den raadBerichten waar de eisch der vrouwen in bestaat.Met.Heeft zy gevolg?Pap.Gewis, de hoofden van de wyven,Die van het Kapitool niet hebben willen blyven.Deeze eischen dat gy twee Dictators kiezen moet,En dreigen u den dood, indien gy zulks niet doet.Fla.Men kan haar hooren.Met.Laat haar al te samen binnen.
Metellus.Albinus, hoe is ’t u in ’t vrouwen heir gegaan?Al.Zy hebben tot haar hoofd een raazend wyf verkoren,Dat noch na reden, noch na reedlykheid wil hooren:Ze erkende naauwlyks my voor Romens afgezant,En dreigde ’t Kapitool te steeken in den brand,Ten zy op haaren eisch, in dit papier geschreven,Door de achtbre raaden voort voldoening werd gegeven.Hy geeft het schrift over.Fla.Hoe noemt men ’t raazend wyf?Al.Rebella is haar naam.Fla.Dat wyf was lang berucht. Ze is van een quaade faam.’k Meen dat zy is gestraft om haare goddeloosheid.Al.Tumulta is ’er by, berucht om haare boosheid.Fla.Maar waarom keerde gy niet aanstonds met bescheid?Al.’t Was my onmogelyk, wyl ik wierd weg geleidDoor andre wyven, en een tyd lang bleef gevangen.Zy dreigden zelfs om my te pynigen en hangen.Had Romens jonglingschap my niet gered in nood,Zy hadden my ligt in haar’ raazerny gedood.Ik heb Papirius te danken voor myn leeven.Pap.Ik heb in ’t veld van Mars my voort te paard begeevenMet al de jonglingschap, en reed van straat tot straat,Om Romens burgery, tot voorstand van den raad,In alle wyken in ’t geweer te doen vergaâren.Om ’t raazend wyven heir te brengen tot bedaaren.Dit had wat tyds van doen; zo dat men onverwacht’t Oproerig vrouwvolk zag, (wie had het ooit gedacht)Het Kapitolium by duizenden omringen.Met.Mijn zoon, had gy geen macht door ’t leger heen te dringen?Wy hebben alles uit de vensters aangezien.Pap.Myn vader, ach! dat kon onmogelyk geschiên.Met.Men zag de jonglingschap en burgery wel komen:Maar elk bleef staan. Wat deed de Roomsche helden schroomen?Zyn dan de wyven zo ontzachelyk, myn zoon?Waarom vielt gy niet aan? de kans stond immers schoon.Verstrooij dat raazend vee. Verjaag het uit onze oogen.Of zult ge, als ’t Kapitool is in den brand gevlogen,Gelyk ons word gedreigd, te laat uw kracht doen zien?Pap.Zy zullen dit niet doen, myn vader.Met.Ja misschien.Vertrouw u daar niet op.Pap.Ik zal u alles melden:Men trok kloekmoedig op, met onze vroome helden,En dacht het vrouwen heir, waar ’t mooglyk op te slaan:Maar ’k zag voor ’t leger zo veel eedle vrouwen staan,Met helmen op het hoofd, en uitgetogen’ zwaerden,Dat dit gezicht by ons, en elk, verwondring baarden.Eén trad ’er na my toe, en riep: houd stand! houd stand!„Zo ge uw geslagt bemint en ’t lieve vaderland!„Ik geef u vry gelei. Gy kunt ons heir beschouwen.„Ik staa hier aan het hoofd van honderd raadsheers vrouwen.„Recht hier geen bloedbad aan... Ik kende voort haar stem,En was verbaasd, verschrikt. Myn hart raakte in den klem.’k Gaf order dat ons volk niet verder zou genaaken.Om dat men mooglyk een bestand zou kunnen maaken.Met.’t Zyn wondren die gy meldt. Maar wie is die heldin,Wier stem u was bekend?Pap.Een vrouw die ik bemin...Met.Spreek, spreek, myn waarde zoon. Ik vind u langs hoe vroeder.Pap.Hoog achtbre vader! ’t is uw gemalin, myn moeder!Ze is my op ’t Kapitool gevolgd, en wil den raadBerichten waar de eisch der vrouwen in bestaat.Met.Heeft zy gevolg?Pap.Gewis, de hoofden van de wyven,Die van het Kapitool niet hebben willen blyven.Deeze eischen dat gy twee Dictators kiezen moet,En dreigen u den dood, indien gy zulks niet doet.Fla.Men kan haar hooren.Met.Laat haar al te samen binnen.
Metellus.Albinus, hoe is ’t u in ’t vrouwen heir gegaan?
Al.Zy hebben tot haar hoofd een raazend wyf verkoren,
Dat noch na reden, noch na reedlykheid wil hooren:
Ze erkende naauwlyks my voor Romens afgezant,
En dreigde ’t Kapitool te steeken in den brand,
Ten zy op haaren eisch, in dit papier geschreven,
Door de achtbre raaden voort voldoening werd gegeven.
Hy geeft het schrift over.
Fla.Hoe noemt men ’t raazend wyf?
Al.Rebella is haar naam.
Fla.Dat wyf was lang berucht. Ze is van een quaade faam.
’k Meen dat zy is gestraft om haare goddeloosheid.
Al.Tumulta is ’er by, berucht om haare boosheid.
Fla.Maar waarom keerde gy niet aanstonds met bescheid?
Al.’t Was my onmogelyk, wyl ik wierd weg geleid
Door andre wyven, en een tyd lang bleef gevangen.
Zy dreigden zelfs om my te pynigen en hangen.
Had Romens jonglingschap my niet gered in nood,
Zy hadden my ligt in haar’ raazerny gedood.
Ik heb Papirius te danken voor myn leeven.
Pap.Ik heb in ’t veld van Mars my voort te paard begeeven
Met al de jonglingschap, en reed van straat tot straat,
Om Romens burgery, tot voorstand van den raad,
In alle wyken in ’t geweer te doen vergaâren.
Om ’t raazend wyven heir te brengen tot bedaaren.
Dit had wat tyds van doen; zo dat men onverwacht
’t Oproerig vrouwvolk zag, (wie had het ooit gedacht)
Het Kapitolium by duizenden omringen.
Met.Mijn zoon, had gy geen macht door ’t leger heen te dringen?
Wy hebben alles uit de vensters aangezien.
Pap.Myn vader, ach! dat kon onmogelyk geschiên.
Met.Men zag de jonglingschap en burgery wel komen:
Maar elk bleef staan. Wat deed de Roomsche helden schroomen?
Zyn dan de wyven zo ontzachelyk, myn zoon?
Waarom vielt gy niet aan? de kans stond immers schoon.
Verstrooij dat raazend vee. Verjaag het uit onze oogen.
Of zult ge, als ’t Kapitool is in den brand gevlogen,
Gelyk ons word gedreigd, te laat uw kracht doen zien?
Pap.Zy zullen dit niet doen, myn vader.
Met.Ja misschien.
Vertrouw u daar niet op.
Pap.Ik zal u alles melden:
Men trok kloekmoedig op, met onze vroome helden,
En dacht het vrouwen heir, waar ’t mooglyk op te slaan:
Maar ’k zag voor ’t leger zo veel eedle vrouwen staan,
Met helmen op het hoofd, en uitgetogen’ zwaerden,
Dat dit gezicht by ons, en elk, verwondring baarden.
Eén trad ’er na my toe, en riep: houd stand! houd stand!
„Zo ge uw geslagt bemint en ’t lieve vaderland!
„Ik geef u vry gelei. Gy kunt ons heir beschouwen.
„Ik staa hier aan het hoofd van honderd raadsheers vrouwen.
„Recht hier geen bloedbad aan... Ik kende voort haar stem,
En was verbaasd, verschrikt. Myn hart raakte in den klem.
’k Gaf order dat ons volk niet verder zou genaaken.
Om dat men mooglyk een bestand zou kunnen maaken.
Met.’t Zyn wondren die gy meldt. Maar wie is die heldin,
Wier stem u was bekend?
Pap.Een vrouw die ik bemin...
Met.Spreek, spreek, myn waarde zoon. Ik vind u langs hoe vroeder.
Pap.Hoog achtbre vader! ’t is uw gemalin, myn moeder!
Ze is my op ’t Kapitool gevolgd, en wil den raad
Berichten waar de eisch der vrouwen in bestaat.
Met.Heeft zy gevolg?
Pap.Gewis, de hoofden van de wyven,
Die van het Kapitool niet hebben willen blyven.
Deeze eischen dat gy twee Dictators kiezen moet,
En dreigen u den dood, indien gy zulks niet doet.
Fla.Men kan haar hooren.
Met.Laat haar al te samen binnen.
Kalfurnia,Lavinia, twee Raadsheers Vrouwen,Rebella,Tumulta,Papirius,Albinus,Metellus,Flaminius, De Roomsche raaden.
Kalfurnia.Denkt niet, dat ik verschyn in raazerny der zinnen,Om dat ik my vertoon met deezen legerstaf.Ik staa van ’t hoog gezag in ’t vrouwenheir niet af,Voor dat ons de achtbre raad voldoening heeft gegeeven,Om ’t smeeden van een wet, daar Rome voor moet beeven.Geen eedle Romeinin, die deugd bemint en trouw,Was ooit zo dwaas, dat zy zich onderwerpen zou,Om ’t heilig echte bed, door goddelooze wetten,Gegrond op overspel, vernoegd te zien besmetten.Beneemt ge, ô goden, nu de wysheid van den Raad!Wat helpt de vryheid dan in onzen burgerstaat.ô Brutus! Brutus! uit wiens bloed ik ben gebooren!Wat baat uw heldenmoed? De vryheid gaat verloren.Gedoogt ge, ô goden! dat een eedle RomeininDoor snôo tyrannen word mishandeld als slavin?Ik zal dat raadsbesluit met alle macht weêrstreven,En Romens vrouwen weêr de aloude vryheid geeven,Of sterven met den roem van ’t geen ik heb bestaan.Fla.Gy doet u zelve en ons veel’ moeijlykheden aan.De wet, daar gy van spreekt, zou schandlyk zyn voor Romen.Zy is den achtbren raad nooit in den zin gekomen.Papirius heeft u, om uw nieuwsgierigheidIn raadsbesluiten, door een loozen vond misleid.Wy weeten alles. Laat dan uwe drift bedaaren.Met.Nu blykt het, dat gy geen geheimen kunt bewaaren.Door u is ’t oproer, dat we aanschouwen, eerst ontstaan.Kal.Papirius, myn zoon! ach! wat hebt gy gedaan?Fla.Hy heeft zyn plicht betracht. ’s Lands Raad zal hem beloonen.Pa.Ach! wil om Romens wil, myn moeder, my verschoonen!En breng my, ’k bid het u, in geen verzoeking meer.Kal.Neen edele Romein, myn zoon, betracht uw eer.Gy volgt het heldenspoor van uw doorluchte maagen.Met.Rebella, zeg ons nu, wat gy hebt voor te draagen.Reb.Heb jy de Artykels niet ontfangen in geschrift?Fla.Ze zyn ligt opgesteld in uwe dwaaze drift.Wel aan, wy zullen die eens leezen en beschouwen.Eerste Artykel.Wy willen dat een man geen tweede vrouw zal trouwen.Fla.Die eisch is billyk, en gegrond op Numaas wet.Tweede Artykel.Wy willen, dat de helft des raads werd’ afgezet.Derde Artykel.Om nooit de vryheid der Romeinen te verliezen,Zult gy op deezen dag twee erf Dictators kiezen,Die ’t geld ontfangen, en de boeken van den raadNaauwkeurig nazien, om te weeten hoe ’t er gaat.Vierde Artykel.’t Gemeene volk zal vry van alle schatting leeven:Maar al wie ryk is, of een raadsheer, ryklyk geeven.Vyfde Artykel.De Magazynen moet men open laaten staan,Om volk, dat armoe lyd, te spyzen met het graan.Zesde Artykel.Zes raadsheers vrouwen, en ook zes gemeene wyven,Die zullen, als de raad vergaêrd is, daar in blyven,Om op te passen, hoe de wagen werd bestierd;Op dat hy recht zou gaan, en ’t volk niet werd gepierd.Met.De meeste artykels zyn al wonderlyke wetten.Noem ons de heeren eens, die gy wilt af doen zetten.Reb.Dat is Spektators werk, die ’t onderzoeken moet,Die zal wel weeten, hoe men zulke dingen doet.Ook zellen ’er wel zyn, die ’t hun inblaazen zullen,Om zelf de plaatsen van die heeren te vervullen.Fla.In Romens achtbren raad ken ik geen enkel heer,Die af te zetten is: elk is een man van eer.Zevende Artykel.Men zet een priester, als de raad vergaert, in ’t midden,Om Jupiter en al de goden eerst te biddenOm ’t volk te zegenen; een man van goed beleid;Een van ’t gemeen bemind, om zyne heiligheidDie wys en deftig is, bequaam om raad te geeven,Op dat hier door de rust in Romen mag herleeven.Achtste Artykel.Ten laatsten eischen wy, in plaats van uwe wet,Ten nadeel van ’t geslacht der vrouwen ingezet,Dat gy een andre maakt, om eeuwig te onderhouwen,Dat vrouwen, dien het lust twee mannen mogen trouwen.Reb.Dit alles willen wy, dat gy volbrengen zult!Met.Zeer wel, Rebella. Maar geef antwoord met geduld.Al die artykels hebt gy zelf niet kunnen droomen?Reb.Wel neen, ik heb den raad van Inktpot ingenomen.Met.Wie is die Inktpot?Reb.Een notaris vol verstand,Hy is een patriot, een vriend van ’t vaderland,Een vroom en deugdsaam man, voorstander van de wyven.Hy schreef het voor me, om dat ik leezen kan noch schryven.Fla.Mevrouwen, ’k denk niet dat uw eisch zo ver zal gaan,Om deeze artykels, die zo dwaas zyn, voor te staan?La.Wy hebben in den raad der vrouwen nooit gezeten.Kal.En van de artykels, die wy hooren, niets geweeten.La.Wy hebben maar alleen, door ’t valsch gerucht misleid,Voor ’t vrouwlyk Roomsche recht met wapenen gepleit.’t Is ons genoeg dat wy ons huisgezin regeeren.Kal.’t Bestier van ’t vaderland voegt vrouwen niet, maar heeren.Fla.’k Vrees dat de priesterschap hier onder heeft geroeijd;Wyl die uit heerschzucht zich veeltyds met oproer moeijt.Met.Hooge achtbre vaders, die voor Romens vryheid waaken,In wat verwarring zou het vaderland niet raaken,Indien ’t gemeene volk ons wetten stellen zou?Dan waar het haast gedaan met Romens deugd en trouw.Hoe waaren wy bewaard met zulken staats regeering?Verwacht gy, vrouwtjes, om uw voorzorg, geen vereering?Reb.Ja, ja, we zien het wel, dat jy ons maar veracht.Myn heeren, denkt ’er op, dat ik jou antwoord wacht.Weet, zo de Raad ons met de artykels denkt te sullen,Dat wy het Kapitool verdisteleeren zullen!Het kost my maar één wenk, die ik door ’t venster doe.Flaminiusroept.Lyfwachten, komt hier in! men sluit de vensters toe.Wat komt die bode doen?
Kalfurnia.Denkt niet, dat ik verschyn in raazerny der zinnen,Om dat ik my vertoon met deezen legerstaf.Ik staa van ’t hoog gezag in ’t vrouwenheir niet af,Voor dat ons de achtbre raad voldoening heeft gegeeven,Om ’t smeeden van een wet, daar Rome voor moet beeven.Geen eedle Romeinin, die deugd bemint en trouw,Was ooit zo dwaas, dat zy zich onderwerpen zou,Om ’t heilig echte bed, door goddelooze wetten,Gegrond op overspel, vernoegd te zien besmetten.Beneemt ge, ô goden, nu de wysheid van den Raad!Wat helpt de vryheid dan in onzen burgerstaat.ô Brutus! Brutus! uit wiens bloed ik ben gebooren!Wat baat uw heldenmoed? De vryheid gaat verloren.Gedoogt ge, ô goden! dat een eedle RomeininDoor snôo tyrannen word mishandeld als slavin?Ik zal dat raadsbesluit met alle macht weêrstreven,En Romens vrouwen weêr de aloude vryheid geeven,Of sterven met den roem van ’t geen ik heb bestaan.Fla.Gy doet u zelve en ons veel’ moeijlykheden aan.De wet, daar gy van spreekt, zou schandlyk zyn voor Romen.Zy is den achtbren raad nooit in den zin gekomen.Papirius heeft u, om uw nieuwsgierigheidIn raadsbesluiten, door een loozen vond misleid.Wy weeten alles. Laat dan uwe drift bedaaren.Met.Nu blykt het, dat gy geen geheimen kunt bewaaren.Door u is ’t oproer, dat we aanschouwen, eerst ontstaan.Kal.Papirius, myn zoon! ach! wat hebt gy gedaan?Fla.Hy heeft zyn plicht betracht. ’s Lands Raad zal hem beloonen.Pa.Ach! wil om Romens wil, myn moeder, my verschoonen!En breng my, ’k bid het u, in geen verzoeking meer.Kal.Neen edele Romein, myn zoon, betracht uw eer.Gy volgt het heldenspoor van uw doorluchte maagen.Met.Rebella, zeg ons nu, wat gy hebt voor te draagen.Reb.Heb jy de Artykels niet ontfangen in geschrift?Fla.Ze zyn ligt opgesteld in uwe dwaaze drift.Wel aan, wy zullen die eens leezen en beschouwen.Eerste Artykel.Wy willen dat een man geen tweede vrouw zal trouwen.Fla.Die eisch is billyk, en gegrond op Numaas wet.Tweede Artykel.Wy willen, dat de helft des raads werd’ afgezet.Derde Artykel.Om nooit de vryheid der Romeinen te verliezen,Zult gy op deezen dag twee erf Dictators kiezen,Die ’t geld ontfangen, en de boeken van den raadNaauwkeurig nazien, om te weeten hoe ’t er gaat.Vierde Artykel.’t Gemeene volk zal vry van alle schatting leeven:Maar al wie ryk is, of een raadsheer, ryklyk geeven.Vyfde Artykel.De Magazynen moet men open laaten staan,Om volk, dat armoe lyd, te spyzen met het graan.Zesde Artykel.Zes raadsheers vrouwen, en ook zes gemeene wyven,Die zullen, als de raad vergaêrd is, daar in blyven,Om op te passen, hoe de wagen werd bestierd;Op dat hy recht zou gaan, en ’t volk niet werd gepierd.Met.De meeste artykels zyn al wonderlyke wetten.Noem ons de heeren eens, die gy wilt af doen zetten.Reb.Dat is Spektators werk, die ’t onderzoeken moet,Die zal wel weeten, hoe men zulke dingen doet.Ook zellen ’er wel zyn, die ’t hun inblaazen zullen,Om zelf de plaatsen van die heeren te vervullen.Fla.In Romens achtbren raad ken ik geen enkel heer,Die af te zetten is: elk is een man van eer.Zevende Artykel.Men zet een priester, als de raad vergaert, in ’t midden,Om Jupiter en al de goden eerst te biddenOm ’t volk te zegenen; een man van goed beleid;Een van ’t gemeen bemind, om zyne heiligheidDie wys en deftig is, bequaam om raad te geeven,Op dat hier door de rust in Romen mag herleeven.Achtste Artykel.Ten laatsten eischen wy, in plaats van uwe wet,Ten nadeel van ’t geslacht der vrouwen ingezet,Dat gy een andre maakt, om eeuwig te onderhouwen,Dat vrouwen, dien het lust twee mannen mogen trouwen.Reb.Dit alles willen wy, dat gy volbrengen zult!Met.Zeer wel, Rebella. Maar geef antwoord met geduld.Al die artykels hebt gy zelf niet kunnen droomen?Reb.Wel neen, ik heb den raad van Inktpot ingenomen.Met.Wie is die Inktpot?Reb.Een notaris vol verstand,Hy is een patriot, een vriend van ’t vaderland,Een vroom en deugdsaam man, voorstander van de wyven.Hy schreef het voor me, om dat ik leezen kan noch schryven.Fla.Mevrouwen, ’k denk niet dat uw eisch zo ver zal gaan,Om deeze artykels, die zo dwaas zyn, voor te staan?La.Wy hebben in den raad der vrouwen nooit gezeten.Kal.En van de artykels, die wy hooren, niets geweeten.La.Wy hebben maar alleen, door ’t valsch gerucht misleid,Voor ’t vrouwlyk Roomsche recht met wapenen gepleit.’t Is ons genoeg dat wy ons huisgezin regeeren.Kal.’t Bestier van ’t vaderland voegt vrouwen niet, maar heeren.Fla.’k Vrees dat de priesterschap hier onder heeft geroeijd;Wyl die uit heerschzucht zich veeltyds met oproer moeijt.Met.Hooge achtbre vaders, die voor Romens vryheid waaken,In wat verwarring zou het vaderland niet raaken,Indien ’t gemeene volk ons wetten stellen zou?Dan waar het haast gedaan met Romens deugd en trouw.Hoe waaren wy bewaard met zulken staats regeering?Verwacht gy, vrouwtjes, om uw voorzorg, geen vereering?Reb.Ja, ja, we zien het wel, dat jy ons maar veracht.Myn heeren, denkt ’er op, dat ik jou antwoord wacht.Weet, zo de Raad ons met de artykels denkt te sullen,Dat wy het Kapitool verdisteleeren zullen!Het kost my maar één wenk, die ik door ’t venster doe.Flaminiusroept.Lyfwachten, komt hier in! men sluit de vensters toe.Wat komt die bode doen?
Kalfurnia.Denkt niet, dat ik verschyn in raazerny der zinnen,Om dat ik my vertoon met deezen legerstaf.Ik staa van ’t hoog gezag in ’t vrouwenheir niet af,Voor dat ons de achtbre raad voldoening heeft gegeeven,Om ’t smeeden van een wet, daar Rome voor moet beeven.Geen eedle Romeinin, die deugd bemint en trouw,Was ooit zo dwaas, dat zy zich onderwerpen zou,Om ’t heilig echte bed, door goddelooze wetten,Gegrond op overspel, vernoegd te zien besmetten.Beneemt ge, ô goden, nu de wysheid van den Raad!Wat helpt de vryheid dan in onzen burgerstaat.ô Brutus! Brutus! uit wiens bloed ik ben gebooren!Wat baat uw heldenmoed? De vryheid gaat verloren.Gedoogt ge, ô goden! dat een eedle RomeininDoor snôo tyrannen word mishandeld als slavin?Ik zal dat raadsbesluit met alle macht weêrstreven,En Romens vrouwen weêr de aloude vryheid geeven,Of sterven met den roem van ’t geen ik heb bestaan.Fla.Gy doet u zelve en ons veel’ moeijlykheden aan.De wet, daar gy van spreekt, zou schandlyk zyn voor Romen.Zy is den achtbren raad nooit in den zin gekomen.Papirius heeft u, om uw nieuwsgierigheidIn raadsbesluiten, door een loozen vond misleid.Wy weeten alles. Laat dan uwe drift bedaaren.Met.Nu blykt het, dat gy geen geheimen kunt bewaaren.Door u is ’t oproer, dat we aanschouwen, eerst ontstaan.Kal.Papirius, myn zoon! ach! wat hebt gy gedaan?Fla.Hy heeft zyn plicht betracht. ’s Lands Raad zal hem beloonen.Pa.Ach! wil om Romens wil, myn moeder, my verschoonen!En breng my, ’k bid het u, in geen verzoeking meer.Kal.Neen edele Romein, myn zoon, betracht uw eer.Gy volgt het heldenspoor van uw doorluchte maagen.Met.Rebella, zeg ons nu, wat gy hebt voor te draagen.Reb.Heb jy de Artykels niet ontfangen in geschrift?Fla.Ze zyn ligt opgesteld in uwe dwaaze drift.Wel aan, wy zullen die eens leezen en beschouwen.Eerste Artykel.Wy willen dat een man geen tweede vrouw zal trouwen.Fla.Die eisch is billyk, en gegrond op Numaas wet.Tweede Artykel.Wy willen, dat de helft des raads werd’ afgezet.Derde Artykel.Om nooit de vryheid der Romeinen te verliezen,Zult gy op deezen dag twee erf Dictators kiezen,Die ’t geld ontfangen, en de boeken van den raadNaauwkeurig nazien, om te weeten hoe ’t er gaat.Vierde Artykel.’t Gemeene volk zal vry van alle schatting leeven:Maar al wie ryk is, of een raadsheer, ryklyk geeven.Vyfde Artykel.De Magazynen moet men open laaten staan,Om volk, dat armoe lyd, te spyzen met het graan.Zesde Artykel.Zes raadsheers vrouwen, en ook zes gemeene wyven,Die zullen, als de raad vergaêrd is, daar in blyven,Om op te passen, hoe de wagen werd bestierd;Op dat hy recht zou gaan, en ’t volk niet werd gepierd.Met.De meeste artykels zyn al wonderlyke wetten.Noem ons de heeren eens, die gy wilt af doen zetten.Reb.Dat is Spektators werk, die ’t onderzoeken moet,Die zal wel weeten, hoe men zulke dingen doet.Ook zellen ’er wel zyn, die ’t hun inblaazen zullen,Om zelf de plaatsen van die heeren te vervullen.Fla.In Romens achtbren raad ken ik geen enkel heer,Die af te zetten is: elk is een man van eer.Zevende Artykel.Men zet een priester, als de raad vergaert, in ’t midden,Om Jupiter en al de goden eerst te biddenOm ’t volk te zegenen; een man van goed beleid;Een van ’t gemeen bemind, om zyne heiligheidDie wys en deftig is, bequaam om raad te geeven,Op dat hier door de rust in Romen mag herleeven.Achtste Artykel.Ten laatsten eischen wy, in plaats van uwe wet,Ten nadeel van ’t geslacht der vrouwen ingezet,Dat gy een andre maakt, om eeuwig te onderhouwen,Dat vrouwen, dien het lust twee mannen mogen trouwen.Reb.Dit alles willen wy, dat gy volbrengen zult!Met.Zeer wel, Rebella. Maar geef antwoord met geduld.Al die artykels hebt gy zelf niet kunnen droomen?Reb.Wel neen, ik heb den raad van Inktpot ingenomen.Met.Wie is die Inktpot?Reb.Een notaris vol verstand,Hy is een patriot, een vriend van ’t vaderland,Een vroom en deugdsaam man, voorstander van de wyven.Hy schreef het voor me, om dat ik leezen kan noch schryven.Fla.Mevrouwen, ’k denk niet dat uw eisch zo ver zal gaan,Om deeze artykels, die zo dwaas zyn, voor te staan?La.Wy hebben in den raad der vrouwen nooit gezeten.Kal.En van de artykels, die wy hooren, niets geweeten.La.Wy hebben maar alleen, door ’t valsch gerucht misleid,Voor ’t vrouwlyk Roomsche recht met wapenen gepleit.’t Is ons genoeg dat wy ons huisgezin regeeren.Kal.’t Bestier van ’t vaderland voegt vrouwen niet, maar heeren.Fla.’k Vrees dat de priesterschap hier onder heeft geroeijd;Wyl die uit heerschzucht zich veeltyds met oproer moeijt.Met.Hooge achtbre vaders, die voor Romens vryheid waaken,In wat verwarring zou het vaderland niet raaken,Indien ’t gemeene volk ons wetten stellen zou?Dan waar het haast gedaan met Romens deugd en trouw.Hoe waaren wy bewaard met zulken staats regeering?Verwacht gy, vrouwtjes, om uw voorzorg, geen vereering?Reb.Ja, ja, we zien het wel, dat jy ons maar veracht.Myn heeren, denkt ’er op, dat ik jou antwoord wacht.Weet, zo de Raad ons met de artykels denkt te sullen,Dat wy het Kapitool verdisteleeren zullen!Het kost my maar één wenk, die ik door ’t venster doe.Flaminiusroept.Lyfwachten, komt hier in! men sluit de vensters toe.Wat komt die bode doen?
Kalfurnia.Denkt niet, dat ik verschyn in raazerny der zinnen,
Om dat ik my vertoon met deezen legerstaf.
Ik staa van ’t hoog gezag in ’t vrouwenheir niet af,
Voor dat ons de achtbre raad voldoening heeft gegeeven,
Om ’t smeeden van een wet, daar Rome voor moet beeven.
Geen eedle Romeinin, die deugd bemint en trouw,
Was ooit zo dwaas, dat zy zich onderwerpen zou,
Om ’t heilig echte bed, door goddelooze wetten,
Gegrond op overspel, vernoegd te zien besmetten.
Beneemt ge, ô goden, nu de wysheid van den Raad!
Wat helpt de vryheid dan in onzen burgerstaat.
ô Brutus! Brutus! uit wiens bloed ik ben gebooren!
Wat baat uw heldenmoed? De vryheid gaat verloren.
Gedoogt ge, ô goden! dat een eedle Romeinin
Door snôo tyrannen word mishandeld als slavin?
Ik zal dat raadsbesluit met alle macht weêrstreven,
En Romens vrouwen weêr de aloude vryheid geeven,
Of sterven met den roem van ’t geen ik heb bestaan.
Fla.Gy doet u zelve en ons veel’ moeijlykheden aan.
De wet, daar gy van spreekt, zou schandlyk zyn voor Romen.
Zy is den achtbren raad nooit in den zin gekomen.
Papirius heeft u, om uw nieuwsgierigheid
In raadsbesluiten, door een loozen vond misleid.
Wy weeten alles. Laat dan uwe drift bedaaren.
Met.Nu blykt het, dat gy geen geheimen kunt bewaaren.
Door u is ’t oproer, dat we aanschouwen, eerst ontstaan.
Kal.Papirius, myn zoon! ach! wat hebt gy gedaan?
Fla.Hy heeft zyn plicht betracht. ’s Lands Raad zal hem beloonen.
Pa.Ach! wil om Romens wil, myn moeder, my verschoonen!
En breng my, ’k bid het u, in geen verzoeking meer.
Kal.Neen edele Romein, myn zoon, betracht uw eer.
Gy volgt het heldenspoor van uw doorluchte maagen.
Met.Rebella, zeg ons nu, wat gy hebt voor te draagen.
Reb.Heb jy de Artykels niet ontfangen in geschrift?
Fla.Ze zyn ligt opgesteld in uwe dwaaze drift.
Wel aan, wy zullen die eens leezen en beschouwen.
Eerste Artykel.
Wy willen dat een man geen tweede vrouw zal trouwen.
Fla.Die eisch is billyk, en gegrond op Numaas wet.
Tweede Artykel.
Wy willen, dat de helft des raads werd’ afgezet.
Derde Artykel.
Om nooit de vryheid der Romeinen te verliezen,
Zult gy op deezen dag twee erf Dictators kiezen,
Die ’t geld ontfangen, en de boeken van den raad
Naauwkeurig nazien, om te weeten hoe ’t er gaat.
Vierde Artykel.
’t Gemeene volk zal vry van alle schatting leeven:
Maar al wie ryk is, of een raadsheer, ryklyk geeven.
Vyfde Artykel.
De Magazynen moet men open laaten staan,
Om volk, dat armoe lyd, te spyzen met het graan.
Zesde Artykel.
Zes raadsheers vrouwen, en ook zes gemeene wyven,
Die zullen, als de raad vergaêrd is, daar in blyven,
Om op te passen, hoe de wagen werd bestierd;
Op dat hy recht zou gaan, en ’t volk niet werd gepierd.
Met.De meeste artykels zyn al wonderlyke wetten.
Noem ons de heeren eens, die gy wilt af doen zetten.
Reb.Dat is Spektators werk, die ’t onderzoeken moet,
Die zal wel weeten, hoe men zulke dingen doet.
Ook zellen ’er wel zyn, die ’t hun inblaazen zullen,
Om zelf de plaatsen van die heeren te vervullen.
Fla.In Romens achtbren raad ken ik geen enkel heer,
Die af te zetten is: elk is een man van eer.
Zevende Artykel.
Men zet een priester, als de raad vergaert, in ’t midden,
Om Jupiter en al de goden eerst te bidden
Om ’t volk te zegenen; een man van goed beleid;
Een van ’t gemeen bemind, om zyne heiligheid
Die wys en deftig is, bequaam om raad te geeven,
Op dat hier door de rust in Romen mag herleeven.
Achtste Artykel.
Ten laatsten eischen wy, in plaats van uwe wet,
Ten nadeel van ’t geslacht der vrouwen ingezet,
Dat gy een andre maakt, om eeuwig te onderhouwen,
Dat vrouwen, dien het lust twee mannen mogen trouwen.
Reb.Dit alles willen wy, dat gy volbrengen zult!
Met.Zeer wel, Rebella. Maar geef antwoord met geduld.
Al die artykels hebt gy zelf niet kunnen droomen?
Reb.Wel neen, ik heb den raad van Inktpot ingenomen.
Met.Wie is die Inktpot?
Reb.Een notaris vol verstand,
Hy is een patriot, een vriend van ’t vaderland,
Een vroom en deugdsaam man, voorstander van de wyven.
Hy schreef het voor me, om dat ik leezen kan noch schryven.
Fla.Mevrouwen, ’k denk niet dat uw eisch zo ver zal gaan,
Om deeze artykels, die zo dwaas zyn, voor te staan?
La.Wy hebben in den raad der vrouwen nooit gezeten.
Kal.En van de artykels, die wy hooren, niets geweeten.
La.Wy hebben maar alleen, door ’t valsch gerucht misleid,
Voor ’t vrouwlyk Roomsche recht met wapenen gepleit.
’t Is ons genoeg dat wy ons huisgezin regeeren.
Kal.’t Bestier van ’t vaderland voegt vrouwen niet, maar heeren.
Fla.’k Vrees dat de priesterschap hier onder heeft geroeijd;
Wyl die uit heerschzucht zich veeltyds met oproer moeijt.
Met.Hooge achtbre vaders, die voor Romens vryheid waaken,
In wat verwarring zou het vaderland niet raaken,
Indien ’t gemeene volk ons wetten stellen zou?
Dan waar het haast gedaan met Romens deugd en trouw.
Hoe waaren wy bewaard met zulken staats regeering?
Verwacht gy, vrouwtjes, om uw voorzorg, geen vereering?
Reb.Ja, ja, we zien het wel, dat jy ons maar veracht.
Myn heeren, denkt ’er op, dat ik jou antwoord wacht.
Weet, zo de Raad ons met de artykels denkt te sullen,
Dat wy het Kapitool verdisteleeren zullen!
Het kost my maar één wenk, die ik door ’t venster doe.
Flaminiusroept.
Lyfwachten, komt hier in! men sluit de vensters toe.
Wat komt die bode doen?
De Bode,de Lyfwachten,Metellus,Flaminius, de Raadsheeren,Kalfurnia,Lavinia, de Raadsheers Vrouwen,Rebella,Tumulta,Papirius,Albinus.
De Bode.Myn heeren, ’t heir der vrouwenVerloopt zoo sterk, dat wy er weinig meer aanschouwen.Zy hoorden een gerucht, dat Romens burgeryHaar allen dood zou slaan in haare raazerny.Zy hebben ’t Kapitool geheel en al verlaaten.Rebella,stampvoetende, zegt tegen Tumulta.ô Spyt! dat moet men zien. Men blyv’ hier dan niet praaten.Fla.Hoe! meent gy door te gaan? Neen, zacht wat, dat is mis.Lyfwachters, brengt haar na de stads gevangenis.Doch, laat de Pretor haar, om redens wil, bewaarenIn ’t spinhuis, voor den tyd van vyf en twintig jaaren.Notaris Inktpot werd’ ten eersten aangevat,En, om zyn snood geschrift gegeesseld, uit de stad,En, voor zyn leeven lang, uit ons gebied gebannen:Wyl hy met dit gespuis te samen heeft gespannen.RebellaenTumultaknielende.Genade heeren!Fla.Brengt dat vee uit ons gezicht!
De Bode.Myn heeren, ’t heir der vrouwenVerloopt zoo sterk, dat wy er weinig meer aanschouwen.Zy hoorden een gerucht, dat Romens burgeryHaar allen dood zou slaan in haare raazerny.Zy hebben ’t Kapitool geheel en al verlaaten.Rebella,stampvoetende, zegt tegen Tumulta.ô Spyt! dat moet men zien. Men blyv’ hier dan niet praaten.Fla.Hoe! meent gy door te gaan? Neen, zacht wat, dat is mis.Lyfwachters, brengt haar na de stads gevangenis.Doch, laat de Pretor haar, om redens wil, bewaarenIn ’t spinhuis, voor den tyd van vyf en twintig jaaren.Notaris Inktpot werd’ ten eersten aangevat,En, om zyn snood geschrift gegeesseld, uit de stad,En, voor zyn leeven lang, uit ons gebied gebannen:Wyl hy met dit gespuis te samen heeft gespannen.RebellaenTumultaknielende.Genade heeren!Fla.Brengt dat vee uit ons gezicht!
De Bode.Myn heeren, ’t heir der vrouwenVerloopt zoo sterk, dat wy er weinig meer aanschouwen.Zy hoorden een gerucht, dat Romens burgeryHaar allen dood zou slaan in haare raazerny.Zy hebben ’t Kapitool geheel en al verlaaten.Rebella,stampvoetende, zegt tegen Tumulta.ô Spyt! dat moet men zien. Men blyv’ hier dan niet praaten.Fla.Hoe! meent gy door te gaan? Neen, zacht wat, dat is mis.Lyfwachters, brengt haar na de stads gevangenis.Doch, laat de Pretor haar, om redens wil, bewaarenIn ’t spinhuis, voor den tyd van vyf en twintig jaaren.Notaris Inktpot werd’ ten eersten aangevat,En, om zyn snood geschrift gegeesseld, uit de stad,En, voor zyn leeven lang, uit ons gebied gebannen:Wyl hy met dit gespuis te samen heeft gespannen.RebellaenTumultaknielende.Genade heeren!Fla.Brengt dat vee uit ons gezicht!
De Bode.Myn heeren, ’t heir der vrouwen
Verloopt zoo sterk, dat wy er weinig meer aanschouwen.
Zy hoorden een gerucht, dat Romens burgery
Haar allen dood zou slaan in haare raazerny.
Zy hebben ’t Kapitool geheel en al verlaaten.
Rebella,stampvoetende, zegt tegen Tumulta.
ô Spyt! dat moet men zien. Men blyv’ hier dan niet praaten.
Fla.Hoe! meent gy door te gaan? Neen, zacht wat, dat is mis.
Lyfwachters, brengt haar na de stads gevangenis.
Doch, laat de Pretor haar, om redens wil, bewaaren
In ’t spinhuis, voor den tyd van vyf en twintig jaaren.
Notaris Inktpot werd’ ten eersten aangevat,
En, om zyn snood geschrift gegeesseld, uit de stad,
En, voor zyn leeven lang, uit ons gebied gebannen:
Wyl hy met dit gespuis te samen heeft gespannen.
RebellaenTumultaknielende.
Genade heeren!
Fla.Brengt dat vee uit ons gezicht!
Metellus,Flaminius, de Raadsheeren,Kalfurnia,Lavinia, de Raadsheers Vrouwen,Papirius,Albinus.
Flaminius.Papirius, ’s lands raad is aan uw deugd verplicht.Heeft uw verdichtsel stof tot dit geweld gegeeven,Dat hebt gy niet voorzien. Gy zyt ons trouw gebleven.Om uw stilzwygendheid zult ge in den Roomschen raadVoor altoos zitten. En, om redenen van staat,Zal buiten u alleen, in onzen raad van Romen,Ten zy met ons verlof, geen jongeling meer komen;Op dat ons staatsgeheim, door geen nieuwsgierigheidDer moeders, uitlekke en werd’ onder ’t volk verbreid.Pap.Ik voel myn boezem in een vuur van yver blaaken.Om zulk een groote gunst my zelven waard te maaken.’k Bedank den achtbren raad, die my in myne jeugdWil leiden op het spoor der Roomsche heldendeugd.
Flaminius.Papirius, ’s lands raad is aan uw deugd verplicht.Heeft uw verdichtsel stof tot dit geweld gegeeven,Dat hebt gy niet voorzien. Gy zyt ons trouw gebleven.Om uw stilzwygendheid zult ge in den Roomschen raadVoor altoos zitten. En, om redenen van staat,Zal buiten u alleen, in onzen raad van Romen,Ten zy met ons verlof, geen jongeling meer komen;Op dat ons staatsgeheim, door geen nieuwsgierigheidDer moeders, uitlekke en werd’ onder ’t volk verbreid.Pap.Ik voel myn boezem in een vuur van yver blaaken.Om zulk een groote gunst my zelven waard te maaken.’k Bedank den achtbren raad, die my in myne jeugdWil leiden op het spoor der Roomsche heldendeugd.
Flaminius.Papirius, ’s lands raad is aan uw deugd verplicht.Heeft uw verdichtsel stof tot dit geweld gegeeven,Dat hebt gy niet voorzien. Gy zyt ons trouw gebleven.Om uw stilzwygendheid zult ge in den Roomschen raadVoor altoos zitten. En, om redenen van staat,Zal buiten u alleen, in onzen raad van Romen,Ten zy met ons verlof, geen jongeling meer komen;Op dat ons staatsgeheim, door geen nieuwsgierigheidDer moeders, uitlekke en werd’ onder ’t volk verbreid.Pap.Ik voel myn boezem in een vuur van yver blaaken.Om zulk een groote gunst my zelven waard te maaken.’k Bedank den achtbren raad, die my in myne jeugdWil leiden op het spoor der Roomsche heldendeugd.
Flaminius.Papirius, ’s lands raad is aan uw deugd verplicht.
Heeft uw verdichtsel stof tot dit geweld gegeeven,
Dat hebt gy niet voorzien. Gy zyt ons trouw gebleven.
Om uw stilzwygendheid zult ge in den Roomschen raad
Voor altoos zitten. En, om redenen van staat,
Zal buiten u alleen, in onzen raad van Romen,
Ten zy met ons verlof, geen jongeling meer komen;
Op dat ons staatsgeheim, door geen nieuwsgierigheid
Der moeders, uitlekke en werd’ onder ’t volk verbreid.
Pap.Ik voel myn boezem in een vuur van yver blaaken.
Om zulk een groote gunst my zelven waard te maaken.
’k Bedank den achtbren raad, die my in myne jeugd
Wil leiden op het spoor der Roomsche heldendeugd.
Einde van het derde en laatste Bedryf.