OPDRACHTaan den HeereMr. EVERHARD KRAAIVANGER.
Uw geest, mijn Heer, die steeds vol yvers haakt,Naar weetenschap, die elk doorluchtig maakt,Vermeit zig in de schriften der Latynen;Die sterren, die aan Pindus hemel schynen,En schitt’ren al de mind’re lichten blind;Of zo hy lust in Duitschen maatzang vind,Vermaakt hy zig alleen in zuiv’re toonen,En nette taal van Febus grootste zoonen;Of paart vol krachts, en zuiverheids, en zwier,Met hun gezang de klanken van zyn’ lier;Zou myn Thalye uw keurig oor verveelen,Wanneer zy treedt op Neêrlands schouwtooneelen,En redentwist of zon of waereld draaijt?O Neen; uw Geest, die nutte vruchten maaijt,Van ’t geen uw jeugd zaaijde in een vruchtbaare aarde,Eert boven al de Wiskunst nâ haar waarde.Hy zal best zien wat aan dit Werkje ontbreekt;Waar deez’ te veel, of die te weinig spreekt,’t Gemeen zal zig slechts met de schors vermaakenDe kenner ziet op ’t nut, en ’t pit der zaaken.Hij merk’ dan aan, dat kunst noch kunstenaarGeroskamd wordt; maar ’t ydele gebaar,En waanwysheid van winderige zotten,Die ’t Schouwtooneel met reden mag bespotten.Behaagt myn Nimf uw schrand’ren geest alleen,Als ge afgesloofd in ’t Nederlandsche Atheên,Door ’t yveren in Rechtsgeleerde boeken,Genootzaakt zyt uitspanningen te zoeken;Dan acht zy reeds met vreugd haar wensch voldaan;Dan wrijv’ men haar geen’ reukeloosheid aan;Dan lacht ze als haar de haat en nyd begrimmen,En poogt allengs ten Zangberge op te klimmen;Op dat ze uw’ geest leer’ roemen nâ waardy,Door klanken van een eed’ler Poëzy,Wen Themis u, als een van haare zoonen,’t Vernuftig hoofd met lauweren zal kroonen.Uw geest strekk’ dan der Maatschappy ten nut,Uw maagschap, en Vrouwmoeder steets ten stutDie u vast wenkt na huis, met harte en oogen,Verlangende, van eed’le zucht bewogen,(Vast schrikkende voor stormen, wind en zee)Dat ze u eerlang omhelze op Javaas ree.De hemel geeve u beide dat genoegen;Waar by myn hart zyn’ wenschen steets zal voegen.
Uw geest, mijn Heer, die steeds vol yvers haakt,Naar weetenschap, die elk doorluchtig maakt,Vermeit zig in de schriften der Latynen;Die sterren, die aan Pindus hemel schynen,En schitt’ren al de mind’re lichten blind;Of zo hy lust in Duitschen maatzang vind,Vermaakt hy zig alleen in zuiv’re toonen,En nette taal van Febus grootste zoonen;Of paart vol krachts, en zuiverheids, en zwier,Met hun gezang de klanken van zyn’ lier;Zou myn Thalye uw keurig oor verveelen,Wanneer zy treedt op Neêrlands schouwtooneelen,En redentwist of zon of waereld draaijt?O Neen; uw Geest, die nutte vruchten maaijt,Van ’t geen uw jeugd zaaijde in een vruchtbaare aarde,Eert boven al de Wiskunst nâ haar waarde.Hy zal best zien wat aan dit Werkje ontbreekt;Waar deez’ te veel, of die te weinig spreekt,’t Gemeen zal zig slechts met de schors vermaakenDe kenner ziet op ’t nut, en ’t pit der zaaken.Hij merk’ dan aan, dat kunst noch kunstenaarGeroskamd wordt; maar ’t ydele gebaar,En waanwysheid van winderige zotten,Die ’t Schouwtooneel met reden mag bespotten.Behaagt myn Nimf uw schrand’ren geest alleen,Als ge afgesloofd in ’t Nederlandsche Atheên,Door ’t yveren in Rechtsgeleerde boeken,Genootzaakt zyt uitspanningen te zoeken;Dan acht zy reeds met vreugd haar wensch voldaan;Dan wrijv’ men haar geen’ reukeloosheid aan;Dan lacht ze als haar de haat en nyd begrimmen,En poogt allengs ten Zangberge op te klimmen;Op dat ze uw’ geest leer’ roemen nâ waardy,Door klanken van een eed’ler Poëzy,Wen Themis u, als een van haare zoonen,’t Vernuftig hoofd met lauweren zal kroonen.Uw geest strekk’ dan der Maatschappy ten nut,Uw maagschap, en Vrouwmoeder steets ten stutDie u vast wenkt na huis, met harte en oogen,Verlangende, van eed’le zucht bewogen,(Vast schrikkende voor stormen, wind en zee)Dat ze u eerlang omhelze op Javaas ree.De hemel geeve u beide dat genoegen;Waar by myn hart zyn’ wenschen steets zal voegen.
Uw geest, mijn Heer, die steeds vol yvers haakt,Naar weetenschap, die elk doorluchtig maakt,Vermeit zig in de schriften der Latynen;Die sterren, die aan Pindus hemel schynen,En schitt’ren al de mind’re lichten blind;Of zo hy lust in Duitschen maatzang vind,Vermaakt hy zig alleen in zuiv’re toonen,En nette taal van Febus grootste zoonen;Of paart vol krachts, en zuiverheids, en zwier,Met hun gezang de klanken van zyn’ lier;Zou myn Thalye uw keurig oor verveelen,Wanneer zy treedt op Neêrlands schouwtooneelen,En redentwist of zon of waereld draaijt?O Neen; uw Geest, die nutte vruchten maaijt,Van ’t geen uw jeugd zaaijde in een vruchtbaare aarde,Eert boven al de Wiskunst nâ haar waarde.Hy zal best zien wat aan dit Werkje ontbreekt;Waar deez’ te veel, of die te weinig spreekt,’t Gemeen zal zig slechts met de schors vermaakenDe kenner ziet op ’t nut, en ’t pit der zaaken.Hij merk’ dan aan, dat kunst noch kunstenaarGeroskamd wordt; maar ’t ydele gebaar,En waanwysheid van winderige zotten,Die ’t Schouwtooneel met reden mag bespotten.Behaagt myn Nimf uw schrand’ren geest alleen,Als ge afgesloofd in ’t Nederlandsche Atheên,Door ’t yveren in Rechtsgeleerde boeken,Genootzaakt zyt uitspanningen te zoeken;Dan acht zy reeds met vreugd haar wensch voldaan;Dan wrijv’ men haar geen’ reukeloosheid aan;Dan lacht ze als haar de haat en nyd begrimmen,En poogt allengs ten Zangberge op te klimmen;Op dat ze uw’ geest leer’ roemen nâ waardy,Door klanken van een eed’ler Poëzy,Wen Themis u, als een van haare zoonen,’t Vernuftig hoofd met lauweren zal kroonen.Uw geest strekk’ dan der Maatschappy ten nut,Uw maagschap, en Vrouwmoeder steets ten stutDie u vast wenkt na huis, met harte en oogen,Verlangende, van eed’le zucht bewogen,(Vast schrikkende voor stormen, wind en zee)Dat ze u eerlang omhelze op Javaas ree.De hemel geeve u beide dat genoegen;Waar by myn hart zyn’ wenschen steets zal voegen.
Uw geest, mijn Heer, die steeds vol yvers haakt,
Naar weetenschap, die elk doorluchtig maakt,
Vermeit zig in de schriften der Latynen;
Die sterren, die aan Pindus hemel schynen,
En schitt’ren al de mind’re lichten blind;
Of zo hy lust in Duitschen maatzang vind,
Vermaakt hy zig alleen in zuiv’re toonen,
En nette taal van Febus grootste zoonen;
Of paart vol krachts, en zuiverheids, en zwier,
Met hun gezang de klanken van zyn’ lier;
Zou myn Thalye uw keurig oor verveelen,
Wanneer zy treedt op Neêrlands schouwtooneelen,
En redentwist of zon of waereld draaijt?
O Neen; uw Geest, die nutte vruchten maaijt,
Van ’t geen uw jeugd zaaijde in een vruchtbaare aarde,
Eert boven al de Wiskunst nâ haar waarde.
Hy zal best zien wat aan dit Werkje ontbreekt;
Waar deez’ te veel, of die te weinig spreekt,
’t Gemeen zal zig slechts met de schors vermaaken
De kenner ziet op ’t nut, en ’t pit der zaaken.
Hij merk’ dan aan, dat kunst noch kunstenaar
Geroskamd wordt; maar ’t ydele gebaar,
En waanwysheid van winderige zotten,
Die ’t Schouwtooneel met reden mag bespotten.
Behaagt myn Nimf uw schrand’ren geest alleen,
Als ge afgesloofd in ’t Nederlandsche Atheên,
Door ’t yveren in Rechtsgeleerde boeken,
Genootzaakt zyt uitspanningen te zoeken;
Dan acht zy reeds met vreugd haar wensch voldaan;
Dan wrijv’ men haar geen’ reukeloosheid aan;
Dan lacht ze als haar de haat en nyd begrimmen,
En poogt allengs ten Zangberge op te klimmen;
Op dat ze uw’ geest leer’ roemen nâ waardy,
Door klanken van een eed’ler Poëzy,
Wen Themis u, als een van haare zoonen,
’t Vernuftig hoofd met lauweren zal kroonen.
Uw geest strekk’ dan der Maatschappy ten nut,
Uw maagschap, en Vrouwmoeder steets ten stut
Die u vast wenkt na huis, met harte en oogen,
Verlangende, van eed’le zucht bewogen,
(Vast schrikkende voor stormen, wind en zee)
Dat ze u eerlang omhelze op Javaas ree.
De hemel geeve u beide dat genoegen;
Waar by myn hart zyn’ wenschen steets zal voegen.
Terwyl ik de eer hebbe, myn Heer,
My te noemen
UE. Ds. Dienaar en Vrind
Pr. LANGENDYK.