Waard.Nou ken ’er niet een mensch meer in myn huis logeeren.Fi.Je hadt niet anders als die kist, niet waar sinjoor?Daar ik op slaapen kon.Waard.Nou zel jy met jou oor,Indien je slaapen wilt, gints leggen op de planken.Fi.Wel ik heb reeden om jou hartelyk te danken.Waard.Ik had jou evenwel een kermisbed gemaakt;Nu kan ik niet: myn goed is juist bezet geraakt.
Waard.Nou ken ’er niet een mensch meer in myn huis logeeren.Fi.Je hadt niet anders als die kist, niet waar sinjoor?Daar ik op slaapen kon.Waard.Nou zel jy met jou oor,Indien je slaapen wilt, gints leggen op de planken.Fi.Wel ik heb reeden om jou hartelyk te danken.Waard.Ik had jou evenwel een kermisbed gemaakt;Nu kan ik niet: myn goed is juist bezet geraakt.
Waard.Nou ken ’er niet een mensch meer in myn huis logeeren.Fi.Je hadt niet anders als die kist, niet waar sinjoor?Daar ik op slaapen kon.Waard.Nou zel jy met jou oor,Indien je slaapen wilt, gints leggen op de planken.Fi.Wel ik heb reeden om jou hartelyk te danken.Waard.Ik had jou evenwel een kermisbed gemaakt;Nu kan ik niet: myn goed is juist bezet geraakt.
Waard.Nou ken ’er niet een mensch meer in myn huis logeeren.
Fi.Je hadt niet anders als die kist, niet waar sinjoor?
Daar ik op slaapen kon.Waard.Nou zel jy met jou oor,
Indien je slaapen wilt, gints leggen op de planken.
Fi.Wel ik heb reeden om jou hartelyk te danken.
Waard.Ik had jou evenwel een kermisbed gemaakt;
Nu kan ik niet: myn goed is juist bezet geraakt.
Waard,Fop,Tys,Filipyn.
Fop.Hoe hospes, staa je daar? je moest wat helpen scheijen;Die maanbekykers zyn geen kleintje aan ’t bakkelijen.Waard.Wie wint?Fop.Ik weet het niet, ik moei’ er me niet mê.Waard.Jy laat maar vechten! wel je bent een drommels vee!
Fop.Hoe hospes, staa je daar? je moest wat helpen scheijen;Die maanbekykers zyn geen kleintje aan ’t bakkelijen.Waard.Wie wint?Fop.Ik weet het niet, ik moei’ er me niet mê.Waard.Jy laat maar vechten! wel je bent een drommels vee!
Fop.Hoe hospes, staa je daar? je moest wat helpen scheijen;Die maanbekykers zyn geen kleintje aan ’t bakkelijen.Waard.Wie wint?Fop.Ik weet het niet, ik moei’ er me niet mê.Waard.Jy laat maar vechten! wel je bent een drommels vee!
Fop.Hoe hospes, staa je daar? je moest wat helpen scheijen;
Die maanbekykers zyn geen kleintje aan ’t bakkelijen.
Waard.Wie wint?Fop.Ik weet het niet, ik moei’ er me niet mê.
Waard.Jy laat maar vechten! wel je bent een drommels vee!
Fop,Tys.
Fop.Nou Tysje hy is weg, pas nu den ham te villen.Tys.Ik zel ’er eerst ’t zwoort eens met ’er haast afschillen.Fop.Nou repje wat; het hoeft zoo net niet kameraad.Tys.Maar al te haastig, broer, is al zyn leeven quaad.’k Moet maaken dat hy in ’t oog lykt heel te weezen.Maar zo de vent het wist wy mochten zeker vreezen.Fop.Maak zo veel praats maar niet, en repje, malle gek.Tys.Nou blyft ’er niets als ’t been, en ’t zwoort; wy hebben ’t spek.Fop.De drommel ’k hoor daar volk! waar zullen we ’t nou laaten?Tys.Wel steek het in je zak.Fop.Neen, neen, wat meug je praaten,’t Is veel te groot. Ik brui ’t zo lang in deeze kist.Hoe zel hy vloeken als de vent den ham strak mist.
Fop.Nou Tysje hy is weg, pas nu den ham te villen.Tys.Ik zel ’er eerst ’t zwoort eens met ’er haast afschillen.Fop.Nou repje wat; het hoeft zoo net niet kameraad.Tys.Maar al te haastig, broer, is al zyn leeven quaad.’k Moet maaken dat hy in ’t oog lykt heel te weezen.Maar zo de vent het wist wy mochten zeker vreezen.Fop.Maak zo veel praats maar niet, en repje, malle gek.Tys.Nou blyft ’er niets als ’t been, en ’t zwoort; wy hebben ’t spek.Fop.De drommel ’k hoor daar volk! waar zullen we ’t nou laaten?Tys.Wel steek het in je zak.Fop.Neen, neen, wat meug je praaten,’t Is veel te groot. Ik brui ’t zo lang in deeze kist.Hoe zel hy vloeken als de vent den ham strak mist.
Fop.Nou Tysje hy is weg, pas nu den ham te villen.Tys.Ik zel ’er eerst ’t zwoort eens met ’er haast afschillen.Fop.Nou repje wat; het hoeft zoo net niet kameraad.Tys.Maar al te haastig, broer, is al zyn leeven quaad.’k Moet maaken dat hy in ’t oog lykt heel te weezen.Maar zo de vent het wist wy mochten zeker vreezen.Fop.Maak zo veel praats maar niet, en repje, malle gek.Tys.Nou blyft ’er niets als ’t been, en ’t zwoort; wy hebben ’t spek.Fop.De drommel ’k hoor daar volk! waar zullen we ’t nou laaten?Tys.Wel steek het in je zak.Fop.Neen, neen, wat meug je praaten,’t Is veel te groot. Ik brui ’t zo lang in deeze kist.Hoe zel hy vloeken als de vent den ham strak mist.
Fop.Nou Tysje hy is weg, pas nu den ham te villen.
Tys.Ik zel ’er eerst ’t zwoort eens met ’er haast afschillen.
Fop.Nou repje wat; het hoeft zoo net niet kameraad.
Tys.Maar al te haastig, broer, is al zyn leeven quaad.
’k Moet maaken dat hy in ’t oog lykt heel te weezen.
Maar zo de vent het wist wy mochten zeker vreezen.
Fop.Maak zo veel praats maar niet, en repje, malle gek.
Tys.Nou blyft ’er niets als ’t been, en ’t zwoort; wy hebben ’t spek.
Fop.De drommel ’k hoor daar volk! waar zullen we ’t nou laaten?
Tys.Wel steek het in je zak.Fop.Neen, neen, wat meug je praaten,
’t Is veel te groot. Ik brui ’t zo lang in deeze kist.
Hoe zel hy vloeken als de vent den ham strak mist.
Eelhart,Fop,Tys.
Eelhart.Waar is myn knecht.Tys.Die is geloopen om het vechtenVan dokter Urinaal en d’ ander te beslechten.Daar komt hy al weêrom, benevens onzen waard.Is nou de eklips al door het vechten opgeklaard?
Eelhart.Waar is myn knecht.Tys.Die is geloopen om het vechtenVan dokter Urinaal en d’ ander te beslechten.Daar komt hy al weêrom, benevens onzen waard.Is nou de eklips al door het vechten opgeklaard?
Eelhart.Waar is myn knecht.Tys.Die is geloopen om het vechtenVan dokter Urinaal en d’ ander te beslechten.Daar komt hy al weêrom, benevens onzen waard.Is nou de eklips al door het vechten opgeklaard?
Eelhart.Waar is myn knecht.Tys.Die is geloopen om het vechten
Van dokter Urinaal en d’ ander te beslechten.
Daar komt hy al weêrom, benevens onzen waard.
Is nou de eklips al door het vechten opgeklaard?
Waard,Filipyn,Fop,Tys,Eelhart.
Waard.Daar ’s niet gevochten, wat kom jy lui me al vertellen?Fop.Maar dan begonnen ze de pypen eerst te stellen.Waard.’t Is geen kanalje: maar ’t zyn eerelyke lui.Fi.Kom laat ons eeten: want wat raakt ons dat gebrui.Eelhart en Filipyn gaan aan de tafel zitten.
Waard.Daar ’s niet gevochten, wat kom jy lui me al vertellen?Fop.Maar dan begonnen ze de pypen eerst te stellen.Waard.’t Is geen kanalje: maar ’t zyn eerelyke lui.Fi.Kom laat ons eeten: want wat raakt ons dat gebrui.Eelhart en Filipyn gaan aan de tafel zitten.
Waard.Daar ’s niet gevochten, wat kom jy lui me al vertellen?Fop.Maar dan begonnen ze de pypen eerst te stellen.Waard.’t Is geen kanalje: maar ’t zyn eerelyke lui.Fi.Kom laat ons eeten: want wat raakt ons dat gebrui.Eelhart en Filipyn gaan aan de tafel zitten.
Waard.Daar ’s niet gevochten, wat kom jy lui me al vertellen?
Fop.Maar dan begonnen ze de pypen eerst te stellen.
Waard.’t Is geen kanalje: maar ’t zyn eerelyke lui.
Fi.Kom laat ons eeten: want wat raakt ons dat gebrui.
Eelhart en Filipyn gaan aan de tafel zitten.
Urinaal,Raasbollius,Anzelmus,Eelhart,Filipyn,Waard.
Urinaal.Zwyg van de eklipsen! want gy weet niets van die zaaken!Raas.Wel dokter ezelskop! ’k zal myn defenzie maaken.Uw zotheid zal ik elk doen weeten, in geschrift.Uri.Ja vloek en raas maar. ’k Heb uw stelling zoo geziftEn uitgepluist, dat gy zoudt als een dwaas staan kyken,Indien ik schryven wou: maar ’t zou me niet gelyken:Zoo ik ’t dispuut al won; ik won ’t maar van een zot!Raas.ô Starren! zon! en maan! hoe deerlyk is uw lot!Zo gy uw loop voortaan zult moeten reguleeren,Zo als die man ’t verstaat!Eel.Ik bid u, braave heeren,Dat gy bezadigd my den grond van uwe zaakEens voorlegt.Uri.Dat is ’t geen, myn heer, daar ik nâ haak.Eel.Nu, gaat dan zitten, valt malkaâr niet in de reden,En laat die dokter eerst zyn argument ontleeden.Eelhart en Filipyn beginnen te eeten.Uri.Myn stelling is aldus: de zon staat vast en stil;De waereld zeilt haar rond, en draaijt eens op haar spil,Of doet een ommekeer in vier en twintig uuren;Dat maakt den dag en nacht.Raas.Zwyg! ’t moet niet langer duuren!Hoe draaijt de waereld dan, en zeiltze te gelyk?Waar zeilt ze heen?Uri.Rondom de zon.Raas.Goed; toon dan blyk.Uri.Ze zeilt allengskens door de twaalef hemeltekenenNet in een jaar, als wy Astrologisten rekenen;In ’t punt van Ariës begint ze, omtrent de maart;Zo als ’t Kopernikus, die groote man, verklaart.Raas.Dan was Kopernikus de gekste gek der gekken.En om uw botheid aan deez’ wyzen heer te ontdekken,Zo zeg ik, dat de kloot der aarde vast moet staan:Dewyl ze een lichaam is.Uri.Wel botmuil, is de maanDan ook een lichaam, dat men in zyn kring ziet loopen?Raas.Ja, maar geen aarde, vriend, hoor, ’k zal ’t u eens ontknoopen:Zy is een lichaam, doof en licht, gelyk een veer:Dies doet ze makk’lyk in een maand haar ommekeer;Daar ’t aardryk door zyn zwaarte in ’t middelpunt moet blyven,Terwijl de zon en maan in hunne kringen drijven.Gooij eens een steen om hoog, die valt weer naar om laagOp de aarde, ’t middelpunt. Nu, gekskap, is de vraag,Of deeze steen niet naar de zon zou moeten vliegen,Indien zy ’t punt waar?Uri.Neen: je zult me in slaap niet wiegen.De lucht dryft zulken steen weêr nâ zyn oorspronk, de aard;Wyl hy een deel is van zyn lichaam; ja hy vaartMet al de kringen van de lucht, die de aarde draagen,Terwyl zy zeilt mê voort.Raas.Nog heb ik van myn dagenGeen botter beest gezien! nou zeit hy zeilt de lucht,Zelfs, met den maankring en de waereld in één vlucht.Vent, ’t geen gy van den loop der waereld hebt gesprokenDoet juist de zon. Nu is uw argument gebroken.Gelooft gy niet het geen wy voor onze oogen zien?Uri.De zon loopt wel zo ’t schynt; nochtans kan ’t niet geschiênLet daar maar op! wanneer wy in de trekschuit vaaren,’t Schynt dat het land dan vaart, en wy in stilstand waaren,En nochtans is ’t zoo niet; wy vaaren immers voort?Raas.Wie heeft zyn leeven zulk een kettery gehoord!Uri.Dat is geen antwoord; dat repliek staat niet op pooten.Raas.Wel om jou stelling dan in één reis om te stooten,Zo schryf ik hier een mathematische figuur.Raasbollius schryft met een groot stuk kryt een cirkel op het tooneel.Daar staat een cirkel; en ’t is vaster dan een muur,Dat alle kunstenaars het punt in ’t midden stellen.Bekent gy dat niet?Uri.Ja.Raas.Wie zoudt gy dan vertellen,ô Domme botmuil! dat de waereld zeilen kon?Hy neemt de schotel met slaa van de tafel, en zet die op het eind van den cirkel.’t Punt is de waereld. En zie daar, daar staat de zonVlak op den cirkel. Zie zoo moet men ’t u doen weeten.Fi.Och! och! zy denken wis, de zon straks op te vreeten!Urinaal schryft ook een cirkel en zet den ham in ’t midden.Geef hier het kryt. Daar staat myn zon in ’t punt van ’t rond.Fi.De duvel haal je met je zonnen.Urinaal zet de boetelje op ’t eind van zyn cirkel.Hou uw mond!Daar staat myn waereld.Raasbollius zet een boetelje in ’t midden van zyn cirkel.Daar de myne.Fi.Watte dingen!Ur.Waar stelt gy nu de maan?Raas.Dan moet ik wat verspringen,’k Maak deezen cirkel om myn waereld; ’t middelpunt.Fi.„Ik docht wel dat hy ’t op dien schotel had gemunt!Raasbollius zet een klein schoteltje met spys op den cirkel die hy om de boetelje heeft gemaakt.Daar staat de maan.Urinaal trekt een’ cirkel rondom de boetelje, en zet ’er een klein schoteltje met spys op.En daar zou zy my best behaagen.Raas.Nu loopt myn maan haar koers, om ’t punt, in dartig dagen.Uri.Nu zeilt myn waereld voort, en neemt den maankring meê,Beginnende haar loop in die Sodiaks snê.Fi.Och! zo de loop begon van de andere planeeten,Hier ik hier niet een brui te drinken of te vreeten!Met je permissie, dat ik deez’ planeet eens spreek.Filipyn drinkt uit één van de boeteljes.Raas.Myn stelling is bedacht van hem, die niemand weekIn kunst, hy was één van de wyzen van Egipte.Uri.Ja, Ptolomeus. Maar de vriend, dien ik uitkipte,Was held Kopernikus, een wonderbaarlyk man!Fi.’k Drink hun gezondheid, schoon ik geen van beide kan.Raas.Zeg, wysneus, hoe gy my zult kunnen overtuigen?Uri.Wel, Raasbol, met d’eklips legt voort uw zon in duigen.Filipyn zet alles weer op de tafel.Raas.Doe my de eklipses van uw maanlicht dan verstaan.Uri.Dan zeilt myn waereldkloot vlak tussen zon en maan.Myn maan is in zich zelf een lichaam zonder luister,Het is, wanneer de zon het niet bestraalt, gants duister.Als nu de zon de streek der Antipoôn beschynt,En hier de maan op is, gelyk gy weet! verdwyntHaar wereldglans, zo ver als haar de zonnestraalenNiet kunnen vatten. ’k Zou ’t wel weeten af te maalenIn deezen kring: maar ’k denk dat gy het wel verstaat.Zeg nu hoe ’t met de eklips van uwe zonne gaat.An.Maar zonder schelden: want gy zyt geen appelwyven,Foei! ’t staat zo lelyk als geleerde lui zo kyven.Raas.Dan neemt myn maan haar plaats ten deele voor de zon,Die stil staat; als men ’t flus in ’t punt bewyzen kon.Uri.Zo plaatst myn maan zich ook.Raas.En de andere planeeten?Fi.Ik bidje blyf daar af, dan houwen wy ons eeten.Raas.Maar dat bewyst nog niet, hoe dat de waereld draaijt.Uri.Wel, met dit argument zyt gy terstond bekaaijd:De zon, die grooter is dan de and’re hemeltekenen,En zo veel duizend myl van ’t aardryk, als wy rekenen,Vloog tienmaal sneller dan een pyl vliegt uit een boog,Ja kogel door de lucht, indien zy zich bewoog;Het welk onmoog’lyk is, en daarom moet zy blyvenIn ’t middelpunt.Raas.ô Neen: zy kan gemaklyk dryven;Haar lichaam is niet vast, als dat van ’t aardryk is:Maar geest uit geest van vuur: dies is uw stelling mis.Maar waant gy dat de zon zo schrikk’lyk groot zou weezen,En ook zo ver van de aarde, als we in de boeken leezen?Uri.Ja heer Raasbollius, dat’s vast.Raas.’k Geloof het niet:De zon is net zoo groot gelyk men ze altyd ziet,En ze is zo ver niet van de waereld als wy meenen.Uri.Geef daar bewys van; ik zal graag myn ooren leenen.Raas.Hebt gy wel ooit gezien hoe dat by avond ’t lichtMeer als een myl ver zich vertoont voor ons gezicht?En hoe de vlam der kaars vergroot, schoon and’re zaakenVerschieten door de verte, en uit onze oogen raaken?Uri.Ja.Raas.’k Stel dan dat de zon veel kleiner is dan de aard.Dewyl ze een licht is.Uri.Wel, dat is opmerkens waard.Raas.Goed. Zo zy ’t edelst deel van ’t vuur is, zyn haar’ straalenBequaam om op de maan en ’t aardryk neêr te dalen;Al is ze net zo groot als zy van verre schynt;Zo dat uw’ stelling door dit argument verdwynt.Zy kan zo klein, ten dienst der waereld, licht’lyk loopen.Uri.ô Nieuwe kettery! wat wegen zet gy openTot harrewarring, en dispuuten zonder end!Raas.Daar legt uw heele zon nu glad in duigen, vent.Uri.ô Ketter in de kunst, ik zal ’er op studeeren.Of ’t licht zo wel niet als iets anders kan verveeren!Raas.Waar koomt het door dat zich een baak vertoont in zeeAan schepen, schoon zy zyn veel mylen van de ree?Uri.Daar heeft Kopernikus geen regel van geschreven.Och! zulk een ketter hoorde op aarde niet te leeven.Raas.Weg botmuil, al je kunst haal je uit den almenak.Uri.Hou daar, quaadspreeker!Zy gooijen malkaâr de boeken naar ’t hooft.An.Och! ik bid u, hou gemak.Uri.Ik stel het aan dien heer, laat hy het vonnis stryken.Raas.Ja ezel, ja, wie dat gelyk heeft, zal dan blyken.Eel.Myn heeren, dit dispuut is waarlyk van gewicht,En ik ben in die kunst zo ver nog niet verlicht,Om vonnis op een zaak van die natuur te geeven.Fi.Ik wel.Raas.Spreek op dan; zyt gy in de kunst bedreeven.Fi.De een zeit de waereld draeijt; en de ander: ze blyft staan.Hoor, zuip je pens vol wyn; dan zullen zon, en maan,En waereld draeijen, dat je lui zult suizebollen.Uri.Hoe! spot gy met de kunst?Fi.ô Neen: ’k vertel geen grollen.Eel.Zwyg. Mogt ik uw dispuut in ’t net beschreven zien;Dan wist ik raad om u te helpen.Uri.’t Zal geschiên.Raas.En ’t myne zal ik, als het af is, laaten drukkenBy and’re dingen. ô Ik heb nog duizend stukken;Het vierkant tegen ’t rond des cirkels heb ik wis,Beneven ’t oost en west.Uri.Iets dat ’er nog niet isHeeft deeze snappert. Vent, dat kan men nimmer vinden.Raas.Ik weet nu de oorsprongk ook van alderhande winden.Uri.Het laatste zy zo: maar het eerste weet gy niet;’t Getal is surdiesch, en dat’s altyd in ’t verdriet.An.Ik bid u laat dien twist tog met malkander vaaren.Ei drinkt de questie af.Uri.Dat doe ik altyd gaeren.Myn heer ik merk gy zyt een zeer verstandig man;Maar wat oploopend. Zo ’k u ergens dienen kan,Ik ben uw dienaar. Ik verzoek u, wees te vreeden.Raas.’k Dacht niet dat Urinaal zo gaauw was; maar zyn redenBehaagt my, schoon ik die somtyds wat zwak bevind.Doktoor vergeef my tog myn gramschap, ’k ben uw vrind.Uri.’k Zal al myn’ vindingen u graag kommuniceeren,Al woudt gy zelf met my in poortaard laboreeren,Of vette beemster klei gemengd met geest van zout,Waar mê men keijen kan veranderen in goud.Raas.Doktoor, dan zal ik u een stuk fortificatieDoen zien, verdienende op het hoogst elks admiratieIk zal u toonen hoe men steeden defendeert.Uri.Gy hebt de wiskunst dan geheel en al geleerd?Raas.Weg met die ezels die een bort uit durven hangen!Zwyg, zwyg kolegies der Mathezis: ’k zou je vangenDoor propozities, en door demonstraatzies vanMyn prins Euklides, dien wiskunstelyken man!En vind ik eens het geen ik byna heb begrepen,Zult gy de huizen voort zien zeilen, puur als schepen.Ik maak machienen, die heel fors zyn van geweld:Daar een man duizend mê kan jaagen over ’t veld.Weg brandspuit! en kameel! lantaarens! moddermolen!’k Heb beter dingen; maar ik hou ze nog verholen;’t Is waar gy zyt bedacht tot nut van stadt en land.Maar wat’s een brandspuit? ’k heb een blaasbalg, die den brand,Al was hy nog zo groot, ten eersten uit zal blaazen.In ’t kort: ’k heb dingen daar zich elk om zal verbaazen.Fi.Geleerde heer, ik bid, betoon me zoo veel gunst,En leer me uit liefde mê een beetje van je kunst!Al zou het maar alleen die fraaije blaasbalg weezen:Want had ik die, ik zou nooit voor geen armoe vreezen.Raas.Verstaat ge iets van de kunst?Fi.Och neen ik, niet een beet.Maar ’k weet een kunsje dat jy zekerlyk niet weet.Raas.Wat kunst?Fi.De beenen al zo murw als ’t vleisch te kooken.Uri.Wat zegt gy! deeze kunst kon dienen in myn stooken!Leer my die. ’k Wys u dan hoe dat men kalcineert,En poortaard van een hond tot zilver laboreert:Hoe ’t vuur het zilver uit de keijen weet te dwingen.Fi.De keijen mogten me dan voor de harsens springen:De blaasbalg van dien heer gelykt my beter, vriend.Raas.Ik leer die kunst niet dan aan iemand, die my dient.Wat zoudt ge ’er ook mê doen?Fi.Twee gekken, die hier raazen,’k Meen dien Doktoor, en jou, voort uit de kamer blaazen;Opdat ik met gemak zou eeten van dien ham.Raas.Was ik uw heer, ik sloeg u ’t lichaam blaauw en lam.Filipyn willende van den ham snyden.ô Starren! zon en maan! dat is een slecht spectakel.Al ’t ingewand is uit den ham! dat’s een mirakel!Eel.Wat is ’t?Fi.Och! och! de loop der starren is verkeerd!Daar zie je ’t zwoort en ’t been, al ’t spek is geëklipseerd!Waard.Het swoord en ’t been! wie droes heit dan het spek gestolen?Fi.Dat draaijt al met de zon en waereld als een molen.Raasbollius ontkleedt zich, en gaat te bedt in zyn onderkleeren.Ik moei me met geen spek, ’k gaa slaapen, ik heb vaak.Waard.Waar pikken is het spek?Fi.Loop heen, en zoek het, snaak.Waard.’k Kan niet bedenken hoe dat komt; het schynen droomen;’t Is of de duvel daar den ham heit weggenomen!Fi.Hoor hospes, weet je wat? gaa in dien kring eens staan,Vraag waar de ham is, aan de starren en de maan.Waard.Jy bruid je moer wel; ’k moet den ham nu al vast missen.Eel.Patientie hospes, ’t is een pots, men kan ’t wel gissen.Uri.Ik wensch de heeren wel te slaapen, goeden nacht.Eel.„Loop jy nu nâ de stal, span ’t rytuig in: maar zagt;„Op dat het niemant merk’.Fi.„Dat zal niet nodig weezen,„Het staat al reed. Ik heb den Waard daar flus beleezen„Dat hy het doen zou.Eel.Goed.Waard.Zoo ik het word gewaar,Wie dat die potsen bakt, zoo zellenwe malkaêrGevoelig spreeken!Anzelmus tegen Eelhart.Wil de zaak wel overdenken.Opdat my dat proces niet hind ’ren kan of krenken.Eel.Myn heer, ’k zal pleiten dat gy u verwond’ren zult.Ik zal het winnen met de kosten, heb geduld.An.Ik wensch u goeden nacht.Eel.En u gerust te slaapen.
Urinaal.Zwyg van de eklipsen! want gy weet niets van die zaaken!Raas.Wel dokter ezelskop! ’k zal myn defenzie maaken.Uw zotheid zal ik elk doen weeten, in geschrift.Uri.Ja vloek en raas maar. ’k Heb uw stelling zoo geziftEn uitgepluist, dat gy zoudt als een dwaas staan kyken,Indien ik schryven wou: maar ’t zou me niet gelyken:Zoo ik ’t dispuut al won; ik won ’t maar van een zot!Raas.ô Starren! zon! en maan! hoe deerlyk is uw lot!Zo gy uw loop voortaan zult moeten reguleeren,Zo als die man ’t verstaat!Eel.Ik bid u, braave heeren,Dat gy bezadigd my den grond van uwe zaakEens voorlegt.Uri.Dat is ’t geen, myn heer, daar ik nâ haak.Eel.Nu, gaat dan zitten, valt malkaâr niet in de reden,En laat die dokter eerst zyn argument ontleeden.Eelhart en Filipyn beginnen te eeten.Uri.Myn stelling is aldus: de zon staat vast en stil;De waereld zeilt haar rond, en draaijt eens op haar spil,Of doet een ommekeer in vier en twintig uuren;Dat maakt den dag en nacht.Raas.Zwyg! ’t moet niet langer duuren!Hoe draaijt de waereld dan, en zeiltze te gelyk?Waar zeilt ze heen?Uri.Rondom de zon.Raas.Goed; toon dan blyk.Uri.Ze zeilt allengskens door de twaalef hemeltekenenNet in een jaar, als wy Astrologisten rekenen;In ’t punt van Ariës begint ze, omtrent de maart;Zo als ’t Kopernikus, die groote man, verklaart.Raas.Dan was Kopernikus de gekste gek der gekken.En om uw botheid aan deez’ wyzen heer te ontdekken,Zo zeg ik, dat de kloot der aarde vast moet staan:Dewyl ze een lichaam is.Uri.Wel botmuil, is de maanDan ook een lichaam, dat men in zyn kring ziet loopen?Raas.Ja, maar geen aarde, vriend, hoor, ’k zal ’t u eens ontknoopen:Zy is een lichaam, doof en licht, gelyk een veer:Dies doet ze makk’lyk in een maand haar ommekeer;Daar ’t aardryk door zyn zwaarte in ’t middelpunt moet blyven,Terwijl de zon en maan in hunne kringen drijven.Gooij eens een steen om hoog, die valt weer naar om laagOp de aarde, ’t middelpunt. Nu, gekskap, is de vraag,Of deeze steen niet naar de zon zou moeten vliegen,Indien zy ’t punt waar?Uri.Neen: je zult me in slaap niet wiegen.De lucht dryft zulken steen weêr nâ zyn oorspronk, de aard;Wyl hy een deel is van zyn lichaam; ja hy vaartMet al de kringen van de lucht, die de aarde draagen,Terwyl zy zeilt mê voort.Raas.Nog heb ik van myn dagenGeen botter beest gezien! nou zeit hy zeilt de lucht,Zelfs, met den maankring en de waereld in één vlucht.Vent, ’t geen gy van den loop der waereld hebt gesprokenDoet juist de zon. Nu is uw argument gebroken.Gelooft gy niet het geen wy voor onze oogen zien?Uri.De zon loopt wel zo ’t schynt; nochtans kan ’t niet geschiênLet daar maar op! wanneer wy in de trekschuit vaaren,’t Schynt dat het land dan vaart, en wy in stilstand waaren,En nochtans is ’t zoo niet; wy vaaren immers voort?Raas.Wie heeft zyn leeven zulk een kettery gehoord!Uri.Dat is geen antwoord; dat repliek staat niet op pooten.Raas.Wel om jou stelling dan in één reis om te stooten,Zo schryf ik hier een mathematische figuur.Raasbollius schryft met een groot stuk kryt een cirkel op het tooneel.Daar staat een cirkel; en ’t is vaster dan een muur,Dat alle kunstenaars het punt in ’t midden stellen.Bekent gy dat niet?Uri.Ja.Raas.Wie zoudt gy dan vertellen,ô Domme botmuil! dat de waereld zeilen kon?Hy neemt de schotel met slaa van de tafel, en zet die op het eind van den cirkel.’t Punt is de waereld. En zie daar, daar staat de zonVlak op den cirkel. Zie zoo moet men ’t u doen weeten.Fi.Och! och! zy denken wis, de zon straks op te vreeten!Urinaal schryft ook een cirkel en zet den ham in ’t midden.Geef hier het kryt. Daar staat myn zon in ’t punt van ’t rond.Fi.De duvel haal je met je zonnen.Urinaal zet de boetelje op ’t eind van zyn cirkel.Hou uw mond!Daar staat myn waereld.Raasbollius zet een boetelje in ’t midden van zyn cirkel.Daar de myne.Fi.Watte dingen!Ur.Waar stelt gy nu de maan?Raas.Dan moet ik wat verspringen,’k Maak deezen cirkel om myn waereld; ’t middelpunt.Fi.„Ik docht wel dat hy ’t op dien schotel had gemunt!Raasbollius zet een klein schoteltje met spys op den cirkel die hy om de boetelje heeft gemaakt.Daar staat de maan.Urinaal trekt een’ cirkel rondom de boetelje, en zet ’er een klein schoteltje met spys op.En daar zou zy my best behaagen.Raas.Nu loopt myn maan haar koers, om ’t punt, in dartig dagen.Uri.Nu zeilt myn waereld voort, en neemt den maankring meê,Beginnende haar loop in die Sodiaks snê.Fi.Och! zo de loop begon van de andere planeeten,Hier ik hier niet een brui te drinken of te vreeten!Met je permissie, dat ik deez’ planeet eens spreek.Filipyn drinkt uit één van de boeteljes.Raas.Myn stelling is bedacht van hem, die niemand weekIn kunst, hy was één van de wyzen van Egipte.Uri.Ja, Ptolomeus. Maar de vriend, dien ik uitkipte,Was held Kopernikus, een wonderbaarlyk man!Fi.’k Drink hun gezondheid, schoon ik geen van beide kan.Raas.Zeg, wysneus, hoe gy my zult kunnen overtuigen?Uri.Wel, Raasbol, met d’eklips legt voort uw zon in duigen.Filipyn zet alles weer op de tafel.Raas.Doe my de eklipses van uw maanlicht dan verstaan.Uri.Dan zeilt myn waereldkloot vlak tussen zon en maan.Myn maan is in zich zelf een lichaam zonder luister,Het is, wanneer de zon het niet bestraalt, gants duister.Als nu de zon de streek der Antipoôn beschynt,En hier de maan op is, gelyk gy weet! verdwyntHaar wereldglans, zo ver als haar de zonnestraalenNiet kunnen vatten. ’k Zou ’t wel weeten af te maalenIn deezen kring: maar ’k denk dat gy het wel verstaat.Zeg nu hoe ’t met de eklips van uwe zonne gaat.An.Maar zonder schelden: want gy zyt geen appelwyven,Foei! ’t staat zo lelyk als geleerde lui zo kyven.Raas.Dan neemt myn maan haar plaats ten deele voor de zon,Die stil staat; als men ’t flus in ’t punt bewyzen kon.Uri.Zo plaatst myn maan zich ook.Raas.En de andere planeeten?Fi.Ik bidje blyf daar af, dan houwen wy ons eeten.Raas.Maar dat bewyst nog niet, hoe dat de waereld draaijt.Uri.Wel, met dit argument zyt gy terstond bekaaijd:De zon, die grooter is dan de and’re hemeltekenen,En zo veel duizend myl van ’t aardryk, als wy rekenen,Vloog tienmaal sneller dan een pyl vliegt uit een boog,Ja kogel door de lucht, indien zy zich bewoog;Het welk onmoog’lyk is, en daarom moet zy blyvenIn ’t middelpunt.Raas.ô Neen: zy kan gemaklyk dryven;Haar lichaam is niet vast, als dat van ’t aardryk is:Maar geest uit geest van vuur: dies is uw stelling mis.Maar waant gy dat de zon zo schrikk’lyk groot zou weezen,En ook zo ver van de aarde, als we in de boeken leezen?Uri.Ja heer Raasbollius, dat’s vast.Raas.’k Geloof het niet:De zon is net zoo groot gelyk men ze altyd ziet,En ze is zo ver niet van de waereld als wy meenen.Uri.Geef daar bewys van; ik zal graag myn ooren leenen.Raas.Hebt gy wel ooit gezien hoe dat by avond ’t lichtMeer als een myl ver zich vertoont voor ons gezicht?En hoe de vlam der kaars vergroot, schoon and’re zaakenVerschieten door de verte, en uit onze oogen raaken?Uri.Ja.Raas.’k Stel dan dat de zon veel kleiner is dan de aard.Dewyl ze een licht is.Uri.Wel, dat is opmerkens waard.Raas.Goed. Zo zy ’t edelst deel van ’t vuur is, zyn haar’ straalenBequaam om op de maan en ’t aardryk neêr te dalen;Al is ze net zo groot als zy van verre schynt;Zo dat uw’ stelling door dit argument verdwynt.Zy kan zo klein, ten dienst der waereld, licht’lyk loopen.Uri.ô Nieuwe kettery! wat wegen zet gy openTot harrewarring, en dispuuten zonder end!Raas.Daar legt uw heele zon nu glad in duigen, vent.Uri.ô Ketter in de kunst, ik zal ’er op studeeren.Of ’t licht zo wel niet als iets anders kan verveeren!Raas.Waar koomt het door dat zich een baak vertoont in zeeAan schepen, schoon zy zyn veel mylen van de ree?Uri.Daar heeft Kopernikus geen regel van geschreven.Och! zulk een ketter hoorde op aarde niet te leeven.Raas.Weg botmuil, al je kunst haal je uit den almenak.Uri.Hou daar, quaadspreeker!Zy gooijen malkaâr de boeken naar ’t hooft.An.Och! ik bid u, hou gemak.Uri.Ik stel het aan dien heer, laat hy het vonnis stryken.Raas.Ja ezel, ja, wie dat gelyk heeft, zal dan blyken.Eel.Myn heeren, dit dispuut is waarlyk van gewicht,En ik ben in die kunst zo ver nog niet verlicht,Om vonnis op een zaak van die natuur te geeven.Fi.Ik wel.Raas.Spreek op dan; zyt gy in de kunst bedreeven.Fi.De een zeit de waereld draeijt; en de ander: ze blyft staan.Hoor, zuip je pens vol wyn; dan zullen zon, en maan,En waereld draeijen, dat je lui zult suizebollen.Uri.Hoe! spot gy met de kunst?Fi.ô Neen: ’k vertel geen grollen.Eel.Zwyg. Mogt ik uw dispuut in ’t net beschreven zien;Dan wist ik raad om u te helpen.Uri.’t Zal geschiên.Raas.En ’t myne zal ik, als het af is, laaten drukkenBy and’re dingen. ô Ik heb nog duizend stukken;Het vierkant tegen ’t rond des cirkels heb ik wis,Beneven ’t oost en west.Uri.Iets dat ’er nog niet isHeeft deeze snappert. Vent, dat kan men nimmer vinden.Raas.Ik weet nu de oorsprongk ook van alderhande winden.Uri.Het laatste zy zo: maar het eerste weet gy niet;’t Getal is surdiesch, en dat’s altyd in ’t verdriet.An.Ik bid u laat dien twist tog met malkander vaaren.Ei drinkt de questie af.Uri.Dat doe ik altyd gaeren.Myn heer ik merk gy zyt een zeer verstandig man;Maar wat oploopend. Zo ’k u ergens dienen kan,Ik ben uw dienaar. Ik verzoek u, wees te vreeden.Raas.’k Dacht niet dat Urinaal zo gaauw was; maar zyn redenBehaagt my, schoon ik die somtyds wat zwak bevind.Doktoor vergeef my tog myn gramschap, ’k ben uw vrind.Uri.’k Zal al myn’ vindingen u graag kommuniceeren,Al woudt gy zelf met my in poortaard laboreeren,Of vette beemster klei gemengd met geest van zout,Waar mê men keijen kan veranderen in goud.Raas.Doktoor, dan zal ik u een stuk fortificatieDoen zien, verdienende op het hoogst elks admiratieIk zal u toonen hoe men steeden defendeert.Uri.Gy hebt de wiskunst dan geheel en al geleerd?Raas.Weg met die ezels die een bort uit durven hangen!Zwyg, zwyg kolegies der Mathezis: ’k zou je vangenDoor propozities, en door demonstraatzies vanMyn prins Euklides, dien wiskunstelyken man!En vind ik eens het geen ik byna heb begrepen,Zult gy de huizen voort zien zeilen, puur als schepen.Ik maak machienen, die heel fors zyn van geweld:Daar een man duizend mê kan jaagen over ’t veld.Weg brandspuit! en kameel! lantaarens! moddermolen!’k Heb beter dingen; maar ik hou ze nog verholen;’t Is waar gy zyt bedacht tot nut van stadt en land.Maar wat’s een brandspuit? ’k heb een blaasbalg, die den brand,Al was hy nog zo groot, ten eersten uit zal blaazen.In ’t kort: ’k heb dingen daar zich elk om zal verbaazen.Fi.Geleerde heer, ik bid, betoon me zoo veel gunst,En leer me uit liefde mê een beetje van je kunst!Al zou het maar alleen die fraaije blaasbalg weezen:Want had ik die, ik zou nooit voor geen armoe vreezen.Raas.Verstaat ge iets van de kunst?Fi.Och neen ik, niet een beet.Maar ’k weet een kunsje dat jy zekerlyk niet weet.Raas.Wat kunst?Fi.De beenen al zo murw als ’t vleisch te kooken.Uri.Wat zegt gy! deeze kunst kon dienen in myn stooken!Leer my die. ’k Wys u dan hoe dat men kalcineert,En poortaard van een hond tot zilver laboreert:Hoe ’t vuur het zilver uit de keijen weet te dwingen.Fi.De keijen mogten me dan voor de harsens springen:De blaasbalg van dien heer gelykt my beter, vriend.Raas.Ik leer die kunst niet dan aan iemand, die my dient.Wat zoudt ge ’er ook mê doen?Fi.Twee gekken, die hier raazen,’k Meen dien Doktoor, en jou, voort uit de kamer blaazen;Opdat ik met gemak zou eeten van dien ham.Raas.Was ik uw heer, ik sloeg u ’t lichaam blaauw en lam.Filipyn willende van den ham snyden.ô Starren! zon en maan! dat is een slecht spectakel.Al ’t ingewand is uit den ham! dat’s een mirakel!Eel.Wat is ’t?Fi.Och! och! de loop der starren is verkeerd!Daar zie je ’t zwoort en ’t been, al ’t spek is geëklipseerd!Waard.Het swoord en ’t been! wie droes heit dan het spek gestolen?Fi.Dat draaijt al met de zon en waereld als een molen.Raasbollius ontkleedt zich, en gaat te bedt in zyn onderkleeren.Ik moei me met geen spek, ’k gaa slaapen, ik heb vaak.Waard.Waar pikken is het spek?Fi.Loop heen, en zoek het, snaak.Waard.’k Kan niet bedenken hoe dat komt; het schynen droomen;’t Is of de duvel daar den ham heit weggenomen!Fi.Hoor hospes, weet je wat? gaa in dien kring eens staan,Vraag waar de ham is, aan de starren en de maan.Waard.Jy bruid je moer wel; ’k moet den ham nu al vast missen.Eel.Patientie hospes, ’t is een pots, men kan ’t wel gissen.Uri.Ik wensch de heeren wel te slaapen, goeden nacht.Eel.„Loop jy nu nâ de stal, span ’t rytuig in: maar zagt;„Op dat het niemant merk’.Fi.„Dat zal niet nodig weezen,„Het staat al reed. Ik heb den Waard daar flus beleezen„Dat hy het doen zou.Eel.Goed.Waard.Zoo ik het word gewaar,Wie dat die potsen bakt, zoo zellenwe malkaêrGevoelig spreeken!Anzelmus tegen Eelhart.Wil de zaak wel overdenken.Opdat my dat proces niet hind ’ren kan of krenken.Eel.Myn heer, ’k zal pleiten dat gy u verwond’ren zult.Ik zal het winnen met de kosten, heb geduld.An.Ik wensch u goeden nacht.Eel.En u gerust te slaapen.
Urinaal.Zwyg van de eklipsen! want gy weet niets van die zaaken!Raas.Wel dokter ezelskop! ’k zal myn defenzie maaken.Uw zotheid zal ik elk doen weeten, in geschrift.Uri.Ja vloek en raas maar. ’k Heb uw stelling zoo geziftEn uitgepluist, dat gy zoudt als een dwaas staan kyken,Indien ik schryven wou: maar ’t zou me niet gelyken:Zoo ik ’t dispuut al won; ik won ’t maar van een zot!Raas.ô Starren! zon! en maan! hoe deerlyk is uw lot!Zo gy uw loop voortaan zult moeten reguleeren,Zo als die man ’t verstaat!Eel.Ik bid u, braave heeren,Dat gy bezadigd my den grond van uwe zaakEens voorlegt.Uri.Dat is ’t geen, myn heer, daar ik nâ haak.Eel.Nu, gaat dan zitten, valt malkaâr niet in de reden,En laat die dokter eerst zyn argument ontleeden.Eelhart en Filipyn beginnen te eeten.Uri.Myn stelling is aldus: de zon staat vast en stil;De waereld zeilt haar rond, en draaijt eens op haar spil,Of doet een ommekeer in vier en twintig uuren;Dat maakt den dag en nacht.Raas.Zwyg! ’t moet niet langer duuren!Hoe draaijt de waereld dan, en zeiltze te gelyk?Waar zeilt ze heen?Uri.Rondom de zon.Raas.Goed; toon dan blyk.Uri.Ze zeilt allengskens door de twaalef hemeltekenenNet in een jaar, als wy Astrologisten rekenen;In ’t punt van Ariës begint ze, omtrent de maart;Zo als ’t Kopernikus, die groote man, verklaart.Raas.Dan was Kopernikus de gekste gek der gekken.En om uw botheid aan deez’ wyzen heer te ontdekken,Zo zeg ik, dat de kloot der aarde vast moet staan:Dewyl ze een lichaam is.Uri.Wel botmuil, is de maanDan ook een lichaam, dat men in zyn kring ziet loopen?Raas.Ja, maar geen aarde, vriend, hoor, ’k zal ’t u eens ontknoopen:Zy is een lichaam, doof en licht, gelyk een veer:Dies doet ze makk’lyk in een maand haar ommekeer;Daar ’t aardryk door zyn zwaarte in ’t middelpunt moet blyven,Terwijl de zon en maan in hunne kringen drijven.Gooij eens een steen om hoog, die valt weer naar om laagOp de aarde, ’t middelpunt. Nu, gekskap, is de vraag,Of deeze steen niet naar de zon zou moeten vliegen,Indien zy ’t punt waar?Uri.Neen: je zult me in slaap niet wiegen.De lucht dryft zulken steen weêr nâ zyn oorspronk, de aard;Wyl hy een deel is van zyn lichaam; ja hy vaartMet al de kringen van de lucht, die de aarde draagen,Terwyl zy zeilt mê voort.Raas.Nog heb ik van myn dagenGeen botter beest gezien! nou zeit hy zeilt de lucht,Zelfs, met den maankring en de waereld in één vlucht.Vent, ’t geen gy van den loop der waereld hebt gesprokenDoet juist de zon. Nu is uw argument gebroken.Gelooft gy niet het geen wy voor onze oogen zien?Uri.De zon loopt wel zo ’t schynt; nochtans kan ’t niet geschiênLet daar maar op! wanneer wy in de trekschuit vaaren,’t Schynt dat het land dan vaart, en wy in stilstand waaren,En nochtans is ’t zoo niet; wy vaaren immers voort?Raas.Wie heeft zyn leeven zulk een kettery gehoord!Uri.Dat is geen antwoord; dat repliek staat niet op pooten.Raas.Wel om jou stelling dan in één reis om te stooten,Zo schryf ik hier een mathematische figuur.Raasbollius schryft met een groot stuk kryt een cirkel op het tooneel.Daar staat een cirkel; en ’t is vaster dan een muur,Dat alle kunstenaars het punt in ’t midden stellen.Bekent gy dat niet?Uri.Ja.Raas.Wie zoudt gy dan vertellen,ô Domme botmuil! dat de waereld zeilen kon?Hy neemt de schotel met slaa van de tafel, en zet die op het eind van den cirkel.’t Punt is de waereld. En zie daar, daar staat de zonVlak op den cirkel. Zie zoo moet men ’t u doen weeten.Fi.Och! och! zy denken wis, de zon straks op te vreeten!Urinaal schryft ook een cirkel en zet den ham in ’t midden.Geef hier het kryt. Daar staat myn zon in ’t punt van ’t rond.Fi.De duvel haal je met je zonnen.Urinaal zet de boetelje op ’t eind van zyn cirkel.Hou uw mond!Daar staat myn waereld.Raasbollius zet een boetelje in ’t midden van zyn cirkel.Daar de myne.Fi.Watte dingen!Ur.Waar stelt gy nu de maan?Raas.Dan moet ik wat verspringen,’k Maak deezen cirkel om myn waereld; ’t middelpunt.Fi.„Ik docht wel dat hy ’t op dien schotel had gemunt!Raasbollius zet een klein schoteltje met spys op den cirkel die hy om de boetelje heeft gemaakt.Daar staat de maan.Urinaal trekt een’ cirkel rondom de boetelje, en zet ’er een klein schoteltje met spys op.En daar zou zy my best behaagen.Raas.Nu loopt myn maan haar koers, om ’t punt, in dartig dagen.Uri.Nu zeilt myn waereld voort, en neemt den maankring meê,Beginnende haar loop in die Sodiaks snê.Fi.Och! zo de loop begon van de andere planeeten,Hier ik hier niet een brui te drinken of te vreeten!Met je permissie, dat ik deez’ planeet eens spreek.Filipyn drinkt uit één van de boeteljes.Raas.Myn stelling is bedacht van hem, die niemand weekIn kunst, hy was één van de wyzen van Egipte.Uri.Ja, Ptolomeus. Maar de vriend, dien ik uitkipte,Was held Kopernikus, een wonderbaarlyk man!Fi.’k Drink hun gezondheid, schoon ik geen van beide kan.Raas.Zeg, wysneus, hoe gy my zult kunnen overtuigen?Uri.Wel, Raasbol, met d’eklips legt voort uw zon in duigen.Filipyn zet alles weer op de tafel.Raas.Doe my de eklipses van uw maanlicht dan verstaan.Uri.Dan zeilt myn waereldkloot vlak tussen zon en maan.Myn maan is in zich zelf een lichaam zonder luister,Het is, wanneer de zon het niet bestraalt, gants duister.Als nu de zon de streek der Antipoôn beschynt,En hier de maan op is, gelyk gy weet! verdwyntHaar wereldglans, zo ver als haar de zonnestraalenNiet kunnen vatten. ’k Zou ’t wel weeten af te maalenIn deezen kring: maar ’k denk dat gy het wel verstaat.Zeg nu hoe ’t met de eklips van uwe zonne gaat.An.Maar zonder schelden: want gy zyt geen appelwyven,Foei! ’t staat zo lelyk als geleerde lui zo kyven.Raas.Dan neemt myn maan haar plaats ten deele voor de zon,Die stil staat; als men ’t flus in ’t punt bewyzen kon.Uri.Zo plaatst myn maan zich ook.Raas.En de andere planeeten?Fi.Ik bidje blyf daar af, dan houwen wy ons eeten.Raas.Maar dat bewyst nog niet, hoe dat de waereld draaijt.Uri.Wel, met dit argument zyt gy terstond bekaaijd:De zon, die grooter is dan de and’re hemeltekenen,En zo veel duizend myl van ’t aardryk, als wy rekenen,Vloog tienmaal sneller dan een pyl vliegt uit een boog,Ja kogel door de lucht, indien zy zich bewoog;Het welk onmoog’lyk is, en daarom moet zy blyvenIn ’t middelpunt.Raas.ô Neen: zy kan gemaklyk dryven;Haar lichaam is niet vast, als dat van ’t aardryk is:Maar geest uit geest van vuur: dies is uw stelling mis.Maar waant gy dat de zon zo schrikk’lyk groot zou weezen,En ook zo ver van de aarde, als we in de boeken leezen?Uri.Ja heer Raasbollius, dat’s vast.Raas.’k Geloof het niet:De zon is net zoo groot gelyk men ze altyd ziet,En ze is zo ver niet van de waereld als wy meenen.Uri.Geef daar bewys van; ik zal graag myn ooren leenen.Raas.Hebt gy wel ooit gezien hoe dat by avond ’t lichtMeer als een myl ver zich vertoont voor ons gezicht?En hoe de vlam der kaars vergroot, schoon and’re zaakenVerschieten door de verte, en uit onze oogen raaken?Uri.Ja.Raas.’k Stel dan dat de zon veel kleiner is dan de aard.Dewyl ze een licht is.Uri.Wel, dat is opmerkens waard.Raas.Goed. Zo zy ’t edelst deel van ’t vuur is, zyn haar’ straalenBequaam om op de maan en ’t aardryk neêr te dalen;Al is ze net zo groot als zy van verre schynt;Zo dat uw’ stelling door dit argument verdwynt.Zy kan zo klein, ten dienst der waereld, licht’lyk loopen.Uri.ô Nieuwe kettery! wat wegen zet gy openTot harrewarring, en dispuuten zonder end!Raas.Daar legt uw heele zon nu glad in duigen, vent.Uri.ô Ketter in de kunst, ik zal ’er op studeeren.Of ’t licht zo wel niet als iets anders kan verveeren!Raas.Waar koomt het door dat zich een baak vertoont in zeeAan schepen, schoon zy zyn veel mylen van de ree?Uri.Daar heeft Kopernikus geen regel van geschreven.Och! zulk een ketter hoorde op aarde niet te leeven.Raas.Weg botmuil, al je kunst haal je uit den almenak.Uri.Hou daar, quaadspreeker!Zy gooijen malkaâr de boeken naar ’t hooft.An.Och! ik bid u, hou gemak.Uri.Ik stel het aan dien heer, laat hy het vonnis stryken.Raas.Ja ezel, ja, wie dat gelyk heeft, zal dan blyken.Eel.Myn heeren, dit dispuut is waarlyk van gewicht,En ik ben in die kunst zo ver nog niet verlicht,Om vonnis op een zaak van die natuur te geeven.Fi.Ik wel.Raas.Spreek op dan; zyt gy in de kunst bedreeven.Fi.De een zeit de waereld draeijt; en de ander: ze blyft staan.Hoor, zuip je pens vol wyn; dan zullen zon, en maan,En waereld draeijen, dat je lui zult suizebollen.Uri.Hoe! spot gy met de kunst?Fi.ô Neen: ’k vertel geen grollen.Eel.Zwyg. Mogt ik uw dispuut in ’t net beschreven zien;Dan wist ik raad om u te helpen.Uri.’t Zal geschiên.Raas.En ’t myne zal ik, als het af is, laaten drukkenBy and’re dingen. ô Ik heb nog duizend stukken;Het vierkant tegen ’t rond des cirkels heb ik wis,Beneven ’t oost en west.Uri.Iets dat ’er nog niet isHeeft deeze snappert. Vent, dat kan men nimmer vinden.Raas.Ik weet nu de oorsprongk ook van alderhande winden.Uri.Het laatste zy zo: maar het eerste weet gy niet;’t Getal is surdiesch, en dat’s altyd in ’t verdriet.An.Ik bid u laat dien twist tog met malkander vaaren.Ei drinkt de questie af.Uri.Dat doe ik altyd gaeren.Myn heer ik merk gy zyt een zeer verstandig man;Maar wat oploopend. Zo ’k u ergens dienen kan,Ik ben uw dienaar. Ik verzoek u, wees te vreeden.Raas.’k Dacht niet dat Urinaal zo gaauw was; maar zyn redenBehaagt my, schoon ik die somtyds wat zwak bevind.Doktoor vergeef my tog myn gramschap, ’k ben uw vrind.Uri.’k Zal al myn’ vindingen u graag kommuniceeren,Al woudt gy zelf met my in poortaard laboreeren,Of vette beemster klei gemengd met geest van zout,Waar mê men keijen kan veranderen in goud.Raas.Doktoor, dan zal ik u een stuk fortificatieDoen zien, verdienende op het hoogst elks admiratieIk zal u toonen hoe men steeden defendeert.Uri.Gy hebt de wiskunst dan geheel en al geleerd?Raas.Weg met die ezels die een bort uit durven hangen!Zwyg, zwyg kolegies der Mathezis: ’k zou je vangenDoor propozities, en door demonstraatzies vanMyn prins Euklides, dien wiskunstelyken man!En vind ik eens het geen ik byna heb begrepen,Zult gy de huizen voort zien zeilen, puur als schepen.Ik maak machienen, die heel fors zyn van geweld:Daar een man duizend mê kan jaagen over ’t veld.Weg brandspuit! en kameel! lantaarens! moddermolen!’k Heb beter dingen; maar ik hou ze nog verholen;’t Is waar gy zyt bedacht tot nut van stadt en land.Maar wat’s een brandspuit? ’k heb een blaasbalg, die den brand,Al was hy nog zo groot, ten eersten uit zal blaazen.In ’t kort: ’k heb dingen daar zich elk om zal verbaazen.Fi.Geleerde heer, ik bid, betoon me zoo veel gunst,En leer me uit liefde mê een beetje van je kunst!Al zou het maar alleen die fraaije blaasbalg weezen:Want had ik die, ik zou nooit voor geen armoe vreezen.Raas.Verstaat ge iets van de kunst?Fi.Och neen ik, niet een beet.Maar ’k weet een kunsje dat jy zekerlyk niet weet.Raas.Wat kunst?Fi.De beenen al zo murw als ’t vleisch te kooken.Uri.Wat zegt gy! deeze kunst kon dienen in myn stooken!Leer my die. ’k Wys u dan hoe dat men kalcineert,En poortaard van een hond tot zilver laboreert:Hoe ’t vuur het zilver uit de keijen weet te dwingen.Fi.De keijen mogten me dan voor de harsens springen:De blaasbalg van dien heer gelykt my beter, vriend.Raas.Ik leer die kunst niet dan aan iemand, die my dient.Wat zoudt ge ’er ook mê doen?Fi.Twee gekken, die hier raazen,’k Meen dien Doktoor, en jou, voort uit de kamer blaazen;Opdat ik met gemak zou eeten van dien ham.Raas.Was ik uw heer, ik sloeg u ’t lichaam blaauw en lam.Filipyn willende van den ham snyden.ô Starren! zon en maan! dat is een slecht spectakel.Al ’t ingewand is uit den ham! dat’s een mirakel!Eel.Wat is ’t?Fi.Och! och! de loop der starren is verkeerd!Daar zie je ’t zwoort en ’t been, al ’t spek is geëklipseerd!Waard.Het swoord en ’t been! wie droes heit dan het spek gestolen?Fi.Dat draaijt al met de zon en waereld als een molen.Raasbollius ontkleedt zich, en gaat te bedt in zyn onderkleeren.Ik moei me met geen spek, ’k gaa slaapen, ik heb vaak.Waard.Waar pikken is het spek?Fi.Loop heen, en zoek het, snaak.Waard.’k Kan niet bedenken hoe dat komt; het schynen droomen;’t Is of de duvel daar den ham heit weggenomen!Fi.Hoor hospes, weet je wat? gaa in dien kring eens staan,Vraag waar de ham is, aan de starren en de maan.Waard.Jy bruid je moer wel; ’k moet den ham nu al vast missen.Eel.Patientie hospes, ’t is een pots, men kan ’t wel gissen.Uri.Ik wensch de heeren wel te slaapen, goeden nacht.Eel.„Loop jy nu nâ de stal, span ’t rytuig in: maar zagt;„Op dat het niemant merk’.Fi.„Dat zal niet nodig weezen,„Het staat al reed. Ik heb den Waard daar flus beleezen„Dat hy het doen zou.Eel.Goed.Waard.Zoo ik het word gewaar,Wie dat die potsen bakt, zoo zellenwe malkaêrGevoelig spreeken!Anzelmus tegen Eelhart.Wil de zaak wel overdenken.Opdat my dat proces niet hind ’ren kan of krenken.Eel.Myn heer, ’k zal pleiten dat gy u verwond’ren zult.Ik zal het winnen met de kosten, heb geduld.An.Ik wensch u goeden nacht.Eel.En u gerust te slaapen.
Urinaal.Zwyg van de eklipsen! want gy weet niets van die zaaken!
Raas.Wel dokter ezelskop! ’k zal myn defenzie maaken.
Uw zotheid zal ik elk doen weeten, in geschrift.
Uri.Ja vloek en raas maar. ’k Heb uw stelling zoo gezift
En uitgepluist, dat gy zoudt als een dwaas staan kyken,
Indien ik schryven wou: maar ’t zou me niet gelyken:
Zoo ik ’t dispuut al won; ik won ’t maar van een zot!
Raas.ô Starren! zon! en maan! hoe deerlyk is uw lot!
Zo gy uw loop voortaan zult moeten reguleeren,
Zo als die man ’t verstaat!Eel.Ik bid u, braave heeren,
Dat gy bezadigd my den grond van uwe zaak
Eens voorlegt.Uri.Dat is ’t geen, myn heer, daar ik nâ haak.
Eel.Nu, gaat dan zitten, valt malkaâr niet in de reden,
En laat die dokter eerst zyn argument ontleeden.
Eelhart en Filipyn beginnen te eeten.
Uri.Myn stelling is aldus: de zon staat vast en stil;
De waereld zeilt haar rond, en draaijt eens op haar spil,
Of doet een ommekeer in vier en twintig uuren;
Dat maakt den dag en nacht.Raas.Zwyg! ’t moet niet langer duuren!
Hoe draaijt de waereld dan, en zeiltze te gelyk?
Waar zeilt ze heen?Uri.Rondom de zon.Raas.Goed; toon dan blyk.
Uri.Ze zeilt allengskens door de twaalef hemeltekenen
Net in een jaar, als wy Astrologisten rekenen;
In ’t punt van Ariës begint ze, omtrent de maart;
Zo als ’t Kopernikus, die groote man, verklaart.
Raas.Dan was Kopernikus de gekste gek der gekken.
En om uw botheid aan deez’ wyzen heer te ontdekken,
Zo zeg ik, dat de kloot der aarde vast moet staan:
Dewyl ze een lichaam is.Uri.Wel botmuil, is de maan
Dan ook een lichaam, dat men in zyn kring ziet loopen?
Raas.Ja, maar geen aarde, vriend, hoor, ’k zal ’t u eens ontknoopen:
Zy is een lichaam, doof en licht, gelyk een veer:
Dies doet ze makk’lyk in een maand haar ommekeer;
Daar ’t aardryk door zyn zwaarte in ’t middelpunt moet blyven,
Terwijl de zon en maan in hunne kringen drijven.
Gooij eens een steen om hoog, die valt weer naar om laag
Op de aarde, ’t middelpunt. Nu, gekskap, is de vraag,
Of deeze steen niet naar de zon zou moeten vliegen,
Indien zy ’t punt waar?Uri.Neen: je zult me in slaap niet wiegen.
De lucht dryft zulken steen weêr nâ zyn oorspronk, de aard;
Wyl hy een deel is van zyn lichaam; ja hy vaart
Met al de kringen van de lucht, die de aarde draagen,
Terwyl zy zeilt mê voort.Raas.Nog heb ik van myn dagen
Geen botter beest gezien! nou zeit hy zeilt de lucht,
Zelfs, met den maankring en de waereld in één vlucht.
Vent, ’t geen gy van den loop der waereld hebt gesproken
Doet juist de zon. Nu is uw argument gebroken.
Gelooft gy niet het geen wy voor onze oogen zien?
Uri.De zon loopt wel zo ’t schynt; nochtans kan ’t niet geschiên
Let daar maar op! wanneer wy in de trekschuit vaaren,
’t Schynt dat het land dan vaart, en wy in stilstand waaren,
En nochtans is ’t zoo niet; wy vaaren immers voort?
Raas.Wie heeft zyn leeven zulk een kettery gehoord!
Uri.Dat is geen antwoord; dat repliek staat niet op pooten.
Raas.Wel om jou stelling dan in één reis om te stooten,
Zo schryf ik hier een mathematische figuur.
Raasbollius schryft met een groot stuk kryt een cirkel op het tooneel.
Daar staat een cirkel; en ’t is vaster dan een muur,
Dat alle kunstenaars het punt in ’t midden stellen.
Bekent gy dat niet?Uri.Ja.Raas.Wie zoudt gy dan vertellen,
ô Domme botmuil! dat de waereld zeilen kon?
Hy neemt de schotel met slaa van de tafel, en zet die op het eind van den cirkel.
’t Punt is de waereld. En zie daar, daar staat de zon
Vlak op den cirkel. Zie zoo moet men ’t u doen weeten.
Fi.Och! och! zy denken wis, de zon straks op te vreeten!
Urinaal schryft ook een cirkel en zet den ham in ’t midden.
Geef hier het kryt. Daar staat myn zon in ’t punt van ’t rond.
Fi.De duvel haal je met je zonnen.
Urinaal zet de boetelje op ’t eind van zyn cirkel.
Hou uw mond!
Daar staat myn waereld.
Raasbollius zet een boetelje in ’t midden van zyn cirkel.
Daar de myne.Fi.Watte dingen!
Ur.Waar stelt gy nu de maan?Raas.Dan moet ik wat verspringen,
’k Maak deezen cirkel om myn waereld; ’t middelpunt.
Fi.„Ik docht wel dat hy ’t op dien schotel had gemunt!
Raasbollius zet een klein schoteltje met spys op den cirkel die hy om de boetelje heeft gemaakt.
Daar staat de maan.
Urinaal trekt een’ cirkel rondom de boetelje, en zet ’er een klein schoteltje met spys op.
En daar zou zy my best behaagen.
Raas.Nu loopt myn maan haar koers, om ’t punt, in dartig dagen.
Uri.Nu zeilt myn waereld voort, en neemt den maankring meê,
Beginnende haar loop in die Sodiaks snê.
Fi.Och! zo de loop begon van de andere planeeten,
Hier ik hier niet een brui te drinken of te vreeten!
Met je permissie, dat ik deez’ planeet eens spreek.
Filipyn drinkt uit één van de boeteljes.
Raas.Myn stelling is bedacht van hem, die niemand week
In kunst, hy was één van de wyzen van Egipte.
Uri.Ja, Ptolomeus. Maar de vriend, dien ik uitkipte,
Was held Kopernikus, een wonderbaarlyk man!
Fi.’k Drink hun gezondheid, schoon ik geen van beide kan.
Raas.Zeg, wysneus, hoe gy my zult kunnen overtuigen?
Uri.Wel, Raasbol, met d’eklips legt voort uw zon in duigen.
Filipyn zet alles weer op de tafel.
Raas.Doe my de eklipses van uw maanlicht dan verstaan.
Uri.Dan zeilt myn waereldkloot vlak tussen zon en maan.
Myn maan is in zich zelf een lichaam zonder luister,
Het is, wanneer de zon het niet bestraalt, gants duister.
Als nu de zon de streek der Antipoôn beschynt,
En hier de maan op is, gelyk gy weet! verdwynt
Haar wereldglans, zo ver als haar de zonnestraalen
Niet kunnen vatten. ’k Zou ’t wel weeten af te maalen
In deezen kring: maar ’k denk dat gy het wel verstaat.
Zeg nu hoe ’t met de eklips van uwe zonne gaat.
An.Maar zonder schelden: want gy zyt geen appelwyven,
Foei! ’t staat zo lelyk als geleerde lui zo kyven.
Raas.Dan neemt myn maan haar plaats ten deele voor de zon,
Die stil staat; als men ’t flus in ’t punt bewyzen kon.
Uri.Zo plaatst myn maan zich ook.Raas.En de andere planeeten?
Fi.Ik bidje blyf daar af, dan houwen wy ons eeten.
Raas.Maar dat bewyst nog niet, hoe dat de waereld draaijt.
Uri.Wel, met dit argument zyt gy terstond bekaaijd:
De zon, die grooter is dan de and’re hemeltekenen,
En zo veel duizend myl van ’t aardryk, als wy rekenen,
Vloog tienmaal sneller dan een pyl vliegt uit een boog,
Ja kogel door de lucht, indien zy zich bewoog;
Het welk onmoog’lyk is, en daarom moet zy blyven
In ’t middelpunt.Raas.ô Neen: zy kan gemaklyk dryven;
Haar lichaam is niet vast, als dat van ’t aardryk is:
Maar geest uit geest van vuur: dies is uw stelling mis.
Maar waant gy dat de zon zo schrikk’lyk groot zou weezen,
En ook zo ver van de aarde, als we in de boeken leezen?
Uri.Ja heer Raasbollius, dat’s vast.Raas.’k Geloof het niet:
De zon is net zoo groot gelyk men ze altyd ziet,
En ze is zo ver niet van de waereld als wy meenen.
Uri.Geef daar bewys van; ik zal graag myn ooren leenen.
Raas.Hebt gy wel ooit gezien hoe dat by avond ’t licht
Meer als een myl ver zich vertoont voor ons gezicht?
En hoe de vlam der kaars vergroot, schoon and’re zaaken
Verschieten door de verte, en uit onze oogen raaken?
Uri.Ja.Raas.’k Stel dan dat de zon veel kleiner is dan de aard.
Dewyl ze een licht is.Uri.Wel, dat is opmerkens waard.
Raas.Goed. Zo zy ’t edelst deel van ’t vuur is, zyn haar’ straalen
Bequaam om op de maan en ’t aardryk neêr te dalen;
Al is ze net zo groot als zy van verre schynt;
Zo dat uw’ stelling door dit argument verdwynt.
Zy kan zo klein, ten dienst der waereld, licht’lyk loopen.
Uri.ô Nieuwe kettery! wat wegen zet gy open
Tot harrewarring, en dispuuten zonder end!
Raas.Daar legt uw heele zon nu glad in duigen, vent.
Uri.ô Ketter in de kunst, ik zal ’er op studeeren.
Of ’t licht zo wel niet als iets anders kan verveeren!
Raas.Waar koomt het door dat zich een baak vertoont in zee
Aan schepen, schoon zy zyn veel mylen van de ree?
Uri.Daar heeft Kopernikus geen regel van geschreven.
Och! zulk een ketter hoorde op aarde niet te leeven.
Raas.Weg botmuil, al je kunst haal je uit den almenak.
Uri.Hou daar, quaadspreeker!
Zy gooijen malkaâr de boeken naar ’t hooft.
An.Och! ik bid u, hou gemak.
Uri.Ik stel het aan dien heer, laat hy het vonnis stryken.
Raas.Ja ezel, ja, wie dat gelyk heeft, zal dan blyken.
Eel.Myn heeren, dit dispuut is waarlyk van gewicht,
En ik ben in die kunst zo ver nog niet verlicht,
Om vonnis op een zaak van die natuur te geeven.
Fi.Ik wel.Raas.Spreek op dan; zyt gy in de kunst bedreeven.
Fi.De een zeit de waereld draeijt; en de ander: ze blyft staan.
Hoor, zuip je pens vol wyn; dan zullen zon, en maan,
En waereld draeijen, dat je lui zult suizebollen.
Uri.Hoe! spot gy met de kunst?Fi.ô Neen: ’k vertel geen grollen.
Eel.Zwyg. Mogt ik uw dispuut in ’t net beschreven zien;
Dan wist ik raad om u te helpen.Uri.’t Zal geschiên.
Raas.En ’t myne zal ik, als het af is, laaten drukken
By and’re dingen. ô Ik heb nog duizend stukken;
Het vierkant tegen ’t rond des cirkels heb ik wis,
Beneven ’t oost en west.Uri.Iets dat ’er nog niet is
Heeft deeze snappert. Vent, dat kan men nimmer vinden.
Raas.Ik weet nu de oorsprongk ook van alderhande winden.
Uri.Het laatste zy zo: maar het eerste weet gy niet;
’t Getal is surdiesch, en dat’s altyd in ’t verdriet.
An.Ik bid u laat dien twist tog met malkander vaaren.
Ei drinkt de questie af.Uri.Dat doe ik altyd gaeren.
Myn heer ik merk gy zyt een zeer verstandig man;
Maar wat oploopend. Zo ’k u ergens dienen kan,
Ik ben uw dienaar. Ik verzoek u, wees te vreeden.
Raas.’k Dacht niet dat Urinaal zo gaauw was; maar zyn reden
Behaagt my, schoon ik die somtyds wat zwak bevind.
Doktoor vergeef my tog myn gramschap, ’k ben uw vrind.
Uri.’k Zal al myn’ vindingen u graag kommuniceeren,
Al woudt gy zelf met my in poortaard laboreeren,
Of vette beemster klei gemengd met geest van zout,
Waar mê men keijen kan veranderen in goud.
Raas.Doktoor, dan zal ik u een stuk fortificatie
Doen zien, verdienende op het hoogst elks admiratie
Ik zal u toonen hoe men steeden defendeert.
Uri.Gy hebt de wiskunst dan geheel en al geleerd?
Raas.Weg met die ezels die een bort uit durven hangen!
Zwyg, zwyg kolegies der Mathezis: ’k zou je vangen
Door propozities, en door demonstraatzies van
Myn prins Euklides, dien wiskunstelyken man!
En vind ik eens het geen ik byna heb begrepen,
Zult gy de huizen voort zien zeilen, puur als schepen.
Ik maak machienen, die heel fors zyn van geweld:
Daar een man duizend mê kan jaagen over ’t veld.
Weg brandspuit! en kameel! lantaarens! moddermolen!
’k Heb beter dingen; maar ik hou ze nog verholen;
’t Is waar gy zyt bedacht tot nut van stadt en land.
Maar wat’s een brandspuit? ’k heb een blaasbalg, die den brand,
Al was hy nog zo groot, ten eersten uit zal blaazen.
In ’t kort: ’k heb dingen daar zich elk om zal verbaazen.
Fi.Geleerde heer, ik bid, betoon me zoo veel gunst,
En leer me uit liefde mê een beetje van je kunst!
Al zou het maar alleen die fraaije blaasbalg weezen:
Want had ik die, ik zou nooit voor geen armoe vreezen.
Raas.Verstaat ge iets van de kunst?Fi.Och neen ik, niet een beet.
Maar ’k weet een kunsje dat jy zekerlyk niet weet.
Raas.Wat kunst?Fi.De beenen al zo murw als ’t vleisch te kooken.
Uri.Wat zegt gy! deeze kunst kon dienen in myn stooken!
Leer my die. ’k Wys u dan hoe dat men kalcineert,
En poortaard van een hond tot zilver laboreert:
Hoe ’t vuur het zilver uit de keijen weet te dwingen.
Fi.De keijen mogten me dan voor de harsens springen:
De blaasbalg van dien heer gelykt my beter, vriend.
Raas.Ik leer die kunst niet dan aan iemand, die my dient.
Wat zoudt ge ’er ook mê doen?Fi.Twee gekken, die hier raazen,
’k Meen dien Doktoor, en jou, voort uit de kamer blaazen;
Opdat ik met gemak zou eeten van dien ham.
Raas.Was ik uw heer, ik sloeg u ’t lichaam blaauw en lam.
Filipyn willende van den ham snyden.
ô Starren! zon en maan! dat is een slecht spectakel.
Al ’t ingewand is uit den ham! dat’s een mirakel!
Eel.Wat is ’t?Fi.Och! och! de loop der starren is verkeerd!
Daar zie je ’t zwoort en ’t been, al ’t spek is geëklipseerd!
Waard.Het swoord en ’t been! wie droes heit dan het spek gestolen?
Fi.Dat draaijt al met de zon en waereld als een molen.
Raasbollius ontkleedt zich, en gaat te bedt in zyn onderkleeren.
Ik moei me met geen spek, ’k gaa slaapen, ik heb vaak.
Waard.Waar pikken is het spek?Fi.Loop heen, en zoek het, snaak.
Waard.’k Kan niet bedenken hoe dat komt; het schynen droomen;
’t Is of de duvel daar den ham heit weggenomen!
Fi.Hoor hospes, weet je wat? gaa in dien kring eens staan,
Vraag waar de ham is, aan de starren en de maan.
Waard.Jy bruid je moer wel; ’k moet den ham nu al vast missen.
Eel.Patientie hospes, ’t is een pots, men kan ’t wel gissen.
Uri.Ik wensch de heeren wel te slaapen, goeden nacht.
Eel.„Loop jy nu nâ de stal, span ’t rytuig in: maar zagt;
„Op dat het niemant merk’.Fi.„Dat zal niet nodig weezen,
„Het staat al reed. Ik heb den Waard daar flus beleezen
„Dat hy het doen zou.Eel.Goed.Waard.Zoo ik het word gewaar,
Wie dat die potsen bakt, zoo zellenwe malkaêr
Gevoelig spreeken!
Anzelmus tegen Eelhart.
Wil de zaak wel overdenken.
Opdat my dat proces niet hind ’ren kan of krenken.
Eel.Myn heer, ’k zal pleiten dat gy u verwond’ren zult.
Ik zal het winnen met de kosten, heb geduld.
An.Ik wensch u goeden nacht.Eel.En u gerust te slaapen.
Eelhart,Filipyn,Waard.Raasbolliusop ’t bed.
Filipyn.Nu zyn wy eindelyk ontslagen van die aapen.Eel.Hoe is het hospes, is myn rytuig klaar of niet?Waard.ô Ja. Myn knecht blyft op, hy zal op uw gebiedU aanstonds helpen: maar je moet een fooitje geeven.Eel.Wat hebben we verteert?Waard.„Dat’s vyf.... en twee maakt zeven,Neen, ja... neen... vyf en twee maakt zeven, niet goê lien?En tien maakt zeventien, en drie maakt twintig gulden.Fi.Hier hangt de schaar uit.Eel.Ik moet dat voor deez’ tyd dulden.Daar ’s acht rijksdaalders, en een gulden voor den knecht.Waard.Ik dankje, heer, voor goê betaaling, ’t is zo recht.Ik gaa nâ bed. Gy zult wel uit het huis geraaken,’k Moet slaapen: want ik heb twee nachten moeten waaken.Ik wensch myn’ heeren en de juffers goeje reis.
Filipyn.Nu zyn wy eindelyk ontslagen van die aapen.Eel.Hoe is het hospes, is myn rytuig klaar of niet?Waard.ô Ja. Myn knecht blyft op, hy zal op uw gebiedU aanstonds helpen: maar je moet een fooitje geeven.Eel.Wat hebben we verteert?Waard.„Dat’s vyf.... en twee maakt zeven,Neen, ja... neen... vyf en twee maakt zeven, niet goê lien?En tien maakt zeventien, en drie maakt twintig gulden.Fi.Hier hangt de schaar uit.Eel.Ik moet dat voor deez’ tyd dulden.Daar ’s acht rijksdaalders, en een gulden voor den knecht.Waard.Ik dankje, heer, voor goê betaaling, ’t is zo recht.Ik gaa nâ bed. Gy zult wel uit het huis geraaken,’k Moet slaapen: want ik heb twee nachten moeten waaken.Ik wensch myn’ heeren en de juffers goeje reis.
Filipyn.Nu zyn wy eindelyk ontslagen van die aapen.Eel.Hoe is het hospes, is myn rytuig klaar of niet?Waard.ô Ja. Myn knecht blyft op, hy zal op uw gebiedU aanstonds helpen: maar je moet een fooitje geeven.Eel.Wat hebben we verteert?Waard.„Dat’s vyf.... en twee maakt zeven,Neen, ja... neen... vyf en twee maakt zeven, niet goê lien?En tien maakt zeventien, en drie maakt twintig gulden.Fi.Hier hangt de schaar uit.Eel.Ik moet dat voor deez’ tyd dulden.Daar ’s acht rijksdaalders, en een gulden voor den knecht.Waard.Ik dankje, heer, voor goê betaaling, ’t is zo recht.Ik gaa nâ bed. Gy zult wel uit het huis geraaken,’k Moet slaapen: want ik heb twee nachten moeten waaken.Ik wensch myn’ heeren en de juffers goeje reis.
Filipyn.Nu zyn wy eindelyk ontslagen van die aapen.
Eel.Hoe is het hospes, is myn rytuig klaar of niet?
Waard.ô Ja. Myn knecht blyft op, hy zal op uw gebied
U aanstonds helpen: maar je moet een fooitje geeven.
Eel.Wat hebben we verteert?
Waard.„Dat’s vyf.... en twee maakt zeven,
Neen, ja... neen... vyf en twee maakt zeven, niet goê lien?
En tien maakt zeventien, en drie maakt twintig gulden.
Fi.Hier hangt de schaar uit.Eel.Ik moet dat voor deez’ tyd dulden.
Daar ’s acht rijksdaalders, en een gulden voor den knecht.
Waard.Ik dankje, heer, voor goê betaaling, ’t is zo recht.
Ik gaa nâ bed. Gy zult wel uit het huis geraaken,
’k Moet slaapen: want ik heb twee nachten moeten waaken.
Ik wensch myn’ heeren en de juffers goeje reis.
Eelhart,Filipyn.Raasbolliusop ’t bed.
Filipyn.Wat drommel, geefje zo den vent zyn’ vollen eisch?Eel.’k Wou dat heer Raasbol sliep; ik zou myn lief gaan haalen.Fi.Ik hoor hem snorken.Eelhart gaat na de kamerdeur van Izabel.Ik zal dan niet langer draalen.Wy zyn al veilig lief! myn lief, myn medeminnaar slaapt!
Filipyn.Wat drommel, geefje zo den vent zyn’ vollen eisch?Eel.’k Wou dat heer Raasbol sliep; ik zou myn lief gaan haalen.Fi.Ik hoor hem snorken.Eelhart gaat na de kamerdeur van Izabel.Ik zal dan niet langer draalen.Wy zyn al veilig lief! myn lief, myn medeminnaar slaapt!
Filipyn.Wat drommel, geefje zo den vent zyn’ vollen eisch?Eel.’k Wou dat heer Raasbol sliep; ik zou myn lief gaan haalen.Fi.Ik hoor hem snorken.Eelhart gaat na de kamerdeur van Izabel.Ik zal dan niet langer draalen.Wy zyn al veilig lief! myn lief, myn medeminnaar slaapt!
Filipyn.Wat drommel, geefje zo den vent zyn’ vollen eisch?
Eel.’k Wou dat heer Raasbol sliep; ik zou myn lief gaan haalen.
Fi.Ik hoor hem snorken.
Eelhart gaat na de kamerdeur van Izabel.
Ik zal dan niet langer draalen.
Wy zyn al veilig lief! myn lief, myn medeminnaar slaapt!
Izabel,Katryn,Eelhart,Filipyn.Raasbolliusop ’t bed.
Izabel.Kom vluchten wy dan ras! wat’s dat!Fi.’t Is niets, hy gaapt.Iza.Hebt gy myn goed, Katryn? kom, rasjes rep uw’ voeten.Och! hy ryst op! ik zal weer in myn’ kamer moeten?Izabel en Katryn loopen weer in haar kamer.
Izabel.Kom vluchten wy dan ras! wat’s dat!Fi.’t Is niets, hy gaapt.Iza.Hebt gy myn goed, Katryn? kom, rasjes rep uw’ voeten.Och! hy ryst op! ik zal weer in myn’ kamer moeten?Izabel en Katryn loopen weer in haar kamer.
Izabel.Kom vluchten wy dan ras! wat’s dat!Fi.’t Is niets, hy gaapt.Iza.Hebt gy myn goed, Katryn? kom, rasjes rep uw’ voeten.Och! hy ryst op! ik zal weer in myn’ kamer moeten?Izabel en Katryn loopen weer in haar kamer.
Izabel.Kom vluchten wy dan ras! wat’s dat!Fi.’t Is niets, hy gaapt.
Iza.Hebt gy myn goed, Katryn? kom, rasjes rep uw’ voeten.
Och! hy ryst op! ik zal weer in myn’ kamer moeten?
Izabel en Katryn loopen weer in haar kamer.
Raasbollius,Eelhart,Filipyn.
Raasbollius springende in zyn onderkleêren van ’t bed.Waar’s dokter Urinaal? myn zeer geleerde vriend?Zyt gy ’t heer advokaat! dat komt zoo wel als ’t dient!Ik ben genegen nog een uur drie vier te praaten.Eel.Ik moet nâ bed myn heer.Raas.Ik zal u niet verlaaten,Voor dat ik u een zaak, die ik daar heb gedroomd,Of liever die my nu zo in de zinnen koomt,Eens klaar vertoond heb.Eel.Maar myn heer, ik dien te rusten.Raas.Daar ’s aan gelegen.Eel.Heer, het zal my weinig lusten.Raas.’t Is dienstig voor het land.Eel.Al was het nog zo goed.Raas.Gy zult verwonderd staan.Eel.Denk dat ik slaapen moet.Raas.Om zulken zaak zult gy het slaapen haast vergeeten.Eel.Spreek op! zo gy perfors wilt hebben dat wy ’t weeten.Raasbollius rangeert eenige stoelen.Ik heb een zek’re schans, recht vierkant, fraaij en sterkGepraktizeerd, waarop de vyand drie jaar werkZal vinden, eer hy die met stormen in kan neemen;En om met woorden u niet aan het oor te teemen;Zal ik ze timmeren op ’t midden van de vloer.Eel.„’k Wou dat je met je schans voort naar sint felten voer.Fi.„Wat of hy doen wil? ’k kan ’t me zeker niet verzinnen?„Wat drommel of hy met die stoelen zal beginnen!„Hy haalt de kussens, van zyn bed, wel seldrement,„Wie heeft zyn leeven zulk een malle quast gekend!Raasbollius na dat hy stoelen en beddegoed op malkander gestapeld heeft.Daar staat myn schans, die kan geen vyand ooit genaaken.Hier stel ik myn kanon, om op hem los te braaken...En aan dien hoek maak ik myn sterkste ravelyn...En daar een halve maan, vlak onder die gordyn...En ginds een horenwerk... al die my komt bespringen,Zal die bedekte weg terstond tot wyken dwingen.Fi.Wel loop eens in uw’ schans, en defendeer ze dan;Ik zal eens zien of ik ze alleen niet winnen kan.Raasbolliusklimmende boven op zyn schans.Wel aan!Filipynhem omhalende.Daar leit de brui!Raas.ô Schelm, ik zal ’t u betaalen!Zult gy myn mooije schans op die manier omhaalen!Op deeze wys wordt nooit een sterkte g’attakeerd.Filipynhem gooijende met kussens.Heel goed! nu leer ik jou hoe dat men bombardeert.Raas.Gy zyt een ezel, vent! ik toon het maar door stoelen,Hoe dat het weezen moet.Eel.Ik prys myn heers gevoelen.Raas.Maar merkt gy in den grond de bouwkunst van die schans?Eel.ô Ja.Raas.Dan ziet gy wel dat nooit een vyand kansKan vinden, om zich zelf daar meester van te maaken?Eel.Gewis.Raas.En zulk een muur kan bom noch kogel raken.Eel.Dat is onmogelyk.Raas.Begrypje ’t nou niet net?En hebt gy op ’t geheim der vinding wel gelet?Eel.Niet al te wel.Raas.Wel hoor, ik bouw een muur van veêren.Laat daar de vyand vry zyn best op kanonneeren,De kogels smooren, en zy maken nooit een bres.Fi.Myn heer, je bent een man als Aristoteles!Raas.Dat is een vinding, he!Fi.Ja wonderbaarlyk aartig;Maar maakt ze niet gemeen, die kunst is al te waardig.Eel.„’k Word raazend zo de gek my hier nog langer bruidt!Raas.Nu gaa ik naar myn Oom, en slaap ter degen uit.Raasbollius binnen.
Raasbollius springende in zyn onderkleêren van ’t bed.Waar’s dokter Urinaal? myn zeer geleerde vriend?Zyt gy ’t heer advokaat! dat komt zoo wel als ’t dient!Ik ben genegen nog een uur drie vier te praaten.Eel.Ik moet nâ bed myn heer.Raas.Ik zal u niet verlaaten,Voor dat ik u een zaak, die ik daar heb gedroomd,Of liever die my nu zo in de zinnen koomt,Eens klaar vertoond heb.Eel.Maar myn heer, ik dien te rusten.Raas.Daar ’s aan gelegen.Eel.Heer, het zal my weinig lusten.Raas.’t Is dienstig voor het land.Eel.Al was het nog zo goed.Raas.Gy zult verwonderd staan.Eel.Denk dat ik slaapen moet.Raas.Om zulken zaak zult gy het slaapen haast vergeeten.Eel.Spreek op! zo gy perfors wilt hebben dat wy ’t weeten.Raasbollius rangeert eenige stoelen.Ik heb een zek’re schans, recht vierkant, fraaij en sterkGepraktizeerd, waarop de vyand drie jaar werkZal vinden, eer hy die met stormen in kan neemen;En om met woorden u niet aan het oor te teemen;Zal ik ze timmeren op ’t midden van de vloer.Eel.„’k Wou dat je met je schans voort naar sint felten voer.Fi.„Wat of hy doen wil? ’k kan ’t me zeker niet verzinnen?„Wat drommel of hy met die stoelen zal beginnen!„Hy haalt de kussens, van zyn bed, wel seldrement,„Wie heeft zyn leeven zulk een malle quast gekend!Raasbollius na dat hy stoelen en beddegoed op malkander gestapeld heeft.Daar staat myn schans, die kan geen vyand ooit genaaken.Hier stel ik myn kanon, om op hem los te braaken...En aan dien hoek maak ik myn sterkste ravelyn...En daar een halve maan, vlak onder die gordyn...En ginds een horenwerk... al die my komt bespringen,Zal die bedekte weg terstond tot wyken dwingen.Fi.Wel loop eens in uw’ schans, en defendeer ze dan;Ik zal eens zien of ik ze alleen niet winnen kan.Raasbolliusklimmende boven op zyn schans.Wel aan!Filipynhem omhalende.Daar leit de brui!Raas.ô Schelm, ik zal ’t u betaalen!Zult gy myn mooije schans op die manier omhaalen!Op deeze wys wordt nooit een sterkte g’attakeerd.Filipynhem gooijende met kussens.Heel goed! nu leer ik jou hoe dat men bombardeert.Raas.Gy zyt een ezel, vent! ik toon het maar door stoelen,Hoe dat het weezen moet.Eel.Ik prys myn heers gevoelen.Raas.Maar merkt gy in den grond de bouwkunst van die schans?Eel.ô Ja.Raas.Dan ziet gy wel dat nooit een vyand kansKan vinden, om zich zelf daar meester van te maaken?Eel.Gewis.Raas.En zulk een muur kan bom noch kogel raken.Eel.Dat is onmogelyk.Raas.Begrypje ’t nou niet net?En hebt gy op ’t geheim der vinding wel gelet?Eel.Niet al te wel.Raas.Wel hoor, ik bouw een muur van veêren.Laat daar de vyand vry zyn best op kanonneeren,De kogels smooren, en zy maken nooit een bres.Fi.Myn heer, je bent een man als Aristoteles!Raas.Dat is een vinding, he!Fi.Ja wonderbaarlyk aartig;Maar maakt ze niet gemeen, die kunst is al te waardig.Eel.„’k Word raazend zo de gek my hier nog langer bruidt!Raas.Nu gaa ik naar myn Oom, en slaap ter degen uit.Raasbollius binnen.
Raasbollius springende in zyn onderkleêren van ’t bed.Waar’s dokter Urinaal? myn zeer geleerde vriend?Zyt gy ’t heer advokaat! dat komt zoo wel als ’t dient!Ik ben genegen nog een uur drie vier te praaten.Eel.Ik moet nâ bed myn heer.Raas.Ik zal u niet verlaaten,Voor dat ik u een zaak, die ik daar heb gedroomd,Of liever die my nu zo in de zinnen koomt,Eens klaar vertoond heb.Eel.Maar myn heer, ik dien te rusten.Raas.Daar ’s aan gelegen.Eel.Heer, het zal my weinig lusten.Raas.’t Is dienstig voor het land.Eel.Al was het nog zo goed.Raas.Gy zult verwonderd staan.Eel.Denk dat ik slaapen moet.Raas.Om zulken zaak zult gy het slaapen haast vergeeten.Eel.Spreek op! zo gy perfors wilt hebben dat wy ’t weeten.Raasbollius rangeert eenige stoelen.Ik heb een zek’re schans, recht vierkant, fraaij en sterkGepraktizeerd, waarop de vyand drie jaar werkZal vinden, eer hy die met stormen in kan neemen;En om met woorden u niet aan het oor te teemen;Zal ik ze timmeren op ’t midden van de vloer.Eel.„’k Wou dat je met je schans voort naar sint felten voer.Fi.„Wat of hy doen wil? ’k kan ’t me zeker niet verzinnen?„Wat drommel of hy met die stoelen zal beginnen!„Hy haalt de kussens, van zyn bed, wel seldrement,„Wie heeft zyn leeven zulk een malle quast gekend!Raasbollius na dat hy stoelen en beddegoed op malkander gestapeld heeft.Daar staat myn schans, die kan geen vyand ooit genaaken.Hier stel ik myn kanon, om op hem los te braaken...En aan dien hoek maak ik myn sterkste ravelyn...En daar een halve maan, vlak onder die gordyn...En ginds een horenwerk... al die my komt bespringen,Zal die bedekte weg terstond tot wyken dwingen.Fi.Wel loop eens in uw’ schans, en defendeer ze dan;Ik zal eens zien of ik ze alleen niet winnen kan.Raasbolliusklimmende boven op zyn schans.Wel aan!Filipynhem omhalende.Daar leit de brui!Raas.ô Schelm, ik zal ’t u betaalen!Zult gy myn mooije schans op die manier omhaalen!Op deeze wys wordt nooit een sterkte g’attakeerd.Filipynhem gooijende met kussens.Heel goed! nu leer ik jou hoe dat men bombardeert.Raas.Gy zyt een ezel, vent! ik toon het maar door stoelen,Hoe dat het weezen moet.Eel.Ik prys myn heers gevoelen.Raas.Maar merkt gy in den grond de bouwkunst van die schans?Eel.ô Ja.Raas.Dan ziet gy wel dat nooit een vyand kansKan vinden, om zich zelf daar meester van te maaken?Eel.Gewis.Raas.En zulk een muur kan bom noch kogel raken.Eel.Dat is onmogelyk.Raas.Begrypje ’t nou niet net?En hebt gy op ’t geheim der vinding wel gelet?Eel.Niet al te wel.Raas.Wel hoor, ik bouw een muur van veêren.Laat daar de vyand vry zyn best op kanonneeren,De kogels smooren, en zy maken nooit een bres.Fi.Myn heer, je bent een man als Aristoteles!Raas.Dat is een vinding, he!Fi.Ja wonderbaarlyk aartig;Maar maakt ze niet gemeen, die kunst is al te waardig.Eel.„’k Word raazend zo de gek my hier nog langer bruidt!Raas.Nu gaa ik naar myn Oom, en slaap ter degen uit.Raasbollius binnen.
Raasbollius springende in zyn onderkleêren van ’t bed.
Waar’s dokter Urinaal? myn zeer geleerde vriend?
Zyt gy ’t heer advokaat! dat komt zoo wel als ’t dient!
Ik ben genegen nog een uur drie vier te praaten.
Eel.Ik moet nâ bed myn heer.Raas.Ik zal u niet verlaaten,
Voor dat ik u een zaak, die ik daar heb gedroomd,
Of liever die my nu zo in de zinnen koomt,
Eens klaar vertoond heb.Eel.Maar myn heer, ik dien te rusten.
Raas.Daar ’s aan gelegen.Eel.Heer, het zal my weinig lusten.
Raas.’t Is dienstig voor het land.Eel.Al was het nog zo goed.
Raas.Gy zult verwonderd staan.Eel.Denk dat ik slaapen moet.
Raas.Om zulken zaak zult gy het slaapen haast vergeeten.
Eel.Spreek op! zo gy perfors wilt hebben dat wy ’t weeten.
Raasbollius rangeert eenige stoelen.
Ik heb een zek’re schans, recht vierkant, fraaij en sterk
Gepraktizeerd, waarop de vyand drie jaar werk
Zal vinden, eer hy die met stormen in kan neemen;
En om met woorden u niet aan het oor te teemen;
Zal ik ze timmeren op ’t midden van de vloer.
Eel.„’k Wou dat je met je schans voort naar sint felten voer.
Fi.„Wat of hy doen wil? ’k kan ’t me zeker niet verzinnen?
„Wat drommel of hy met die stoelen zal beginnen!
„Hy haalt de kussens, van zyn bed, wel seldrement,
„Wie heeft zyn leeven zulk een malle quast gekend!
Raasbollius na dat hy stoelen en beddegoed op malkander gestapeld heeft.
Daar staat myn schans, die kan geen vyand ooit genaaken.
Hier stel ik myn kanon, om op hem los te braaken...
En aan dien hoek maak ik myn sterkste ravelyn...
En daar een halve maan, vlak onder die gordyn...
En ginds een horenwerk... al die my komt bespringen,
Zal die bedekte weg terstond tot wyken dwingen.
Fi.Wel loop eens in uw’ schans, en defendeer ze dan;
Ik zal eens zien of ik ze alleen niet winnen kan.
Raasbolliusklimmende boven op zyn schans.
Wel aan!
Filipynhem omhalende.
Daar leit de brui!Raas.ô Schelm, ik zal ’t u betaalen!
Zult gy myn mooije schans op die manier omhaalen!
Op deeze wys wordt nooit een sterkte g’attakeerd.
Filipynhem gooijende met kussens.
Heel goed! nu leer ik jou hoe dat men bombardeert.
Raas.Gy zyt een ezel, vent! ik toon het maar door stoelen,
Hoe dat het weezen moet.Eel.Ik prys myn heers gevoelen.
Raas.Maar merkt gy in den grond de bouwkunst van die schans?
Eel.ô Ja.Raas.Dan ziet gy wel dat nooit een vyand kans
Kan vinden, om zich zelf daar meester van te maaken?
Eel.Gewis.Raas.En zulk een muur kan bom noch kogel raken.
Eel.Dat is onmogelyk.Raas.Begrypje ’t nou niet net?
En hebt gy op ’t geheim der vinding wel gelet?
Eel.Niet al te wel.Raas.Wel hoor, ik bouw een muur van veêren.
Laat daar de vyand vry zyn best op kanonneeren,
De kogels smooren, en zy maken nooit een bres.
Fi.Myn heer, je bent een man als Aristoteles!
Raas.Dat is een vinding, he!Fi.Ja wonderbaarlyk aartig;
Maar maakt ze niet gemeen, die kunst is al te waardig.
Eel.„’k Word raazend zo de gek my hier nog langer bruidt!
Raas.Nu gaa ik naar myn Oom, en slaap ter degen uit.
Raasbollius binnen.
Filipyn,Eelhart.
Eelhart.Flippyn, my dunkt gy moest de kaers maar uit gaan blaazen;Dan zal ik met ’er haast, en zonder veel te raazen,In ’t donker Izabel geleiden naar de deur.Fi.Wacht liever tot hy slaapt, want zo die goê sinjeurEens schielyk weêr quam, ’t zou ’er houden, gy moogt vreezen.Eel.Ik zal dat waagen; ik wil hier niet langer weezen.Fi.Fiat, ik blaas hem uit.’t Tooneel wordt schielyk donker, door het uitblaazen van de kaers.Eel.Kom lief, nu is het tyd!
Eelhart.Flippyn, my dunkt gy moest de kaers maar uit gaan blaazen;Dan zal ik met ’er haast, en zonder veel te raazen,In ’t donker Izabel geleiden naar de deur.Fi.Wacht liever tot hy slaapt, want zo die goê sinjeurEens schielyk weêr quam, ’t zou ’er houden, gy moogt vreezen.Eel.Ik zal dat waagen; ik wil hier niet langer weezen.Fi.Fiat, ik blaas hem uit.’t Tooneel wordt schielyk donker, door het uitblaazen van de kaers.Eel.Kom lief, nu is het tyd!
Eelhart.Flippyn, my dunkt gy moest de kaers maar uit gaan blaazen;Dan zal ik met ’er haast, en zonder veel te raazen,In ’t donker Izabel geleiden naar de deur.Fi.Wacht liever tot hy slaapt, want zo die goê sinjeurEens schielyk weêr quam, ’t zou ’er houden, gy moogt vreezen.Eel.Ik zal dat waagen; ik wil hier niet langer weezen.Fi.Fiat, ik blaas hem uit.’t Tooneel wordt schielyk donker, door het uitblaazen van de kaers.Eel.Kom lief, nu is het tyd!
Eelhart.Flippyn, my dunkt gy moest de kaers maar uit gaan blaazen;
Dan zal ik met ’er haast, en zonder veel te raazen,
In ’t donker Izabel geleiden naar de deur.
Fi.Wacht liever tot hy slaapt, want zo die goê sinjeur
Eens schielyk weêr quam, ’t zou ’er houden, gy moogt vreezen.
Eel.Ik zal dat waagen; ik wil hier niet langer weezen.
Fi.Fiat, ik blaas hem uit.
’t Tooneel wordt schielyk donker, door het uitblaazen van de kaers.
Eel.Kom lief, nu is het tyd!
Izabel,Eelhart,Filipyn,Katryn.
Zy dwaalen door de kamer, in ’t donker.Eelhart.Zyt gy ’t myn lief?Fi.Wie heb ik daar? myn heer, ben jy ’t?Iza.Waar is de deur Flippyn?Fi.Ik ken de deur niet vinden.Wat droes, wy loopen hier gelyk een party blinden.
Zy dwaalen door de kamer, in ’t donker.Eelhart.Zyt gy ’t myn lief?Fi.Wie heb ik daar? myn heer, ben jy ’t?Iza.Waar is de deur Flippyn?Fi.Ik ken de deur niet vinden.Wat droes, wy loopen hier gelyk een party blinden.
Zy dwaalen door de kamer, in ’t donker.Eelhart.Zyt gy ’t myn lief?Fi.Wie heb ik daar? myn heer, ben jy ’t?Iza.Waar is de deur Flippyn?Fi.Ik ken de deur niet vinden.Wat droes, wy loopen hier gelyk een party blinden.
Zy dwaalen door de kamer, in ’t donker.
Eelhart.Zyt gy ’t myn lief?Fi.Wie heb ik daar? myn heer, ben jy ’t?
Iza.Waar is de deur Flippyn?Fi.Ik ken de deur niet vinden.
Wat droes, wy loopen hier gelyk een party blinden.
Tys,Fop,Filipyn,Eelhart,Izabel,Katryn.
Tys.Het is hier donker, en ze zyn al in den slaap.Fopslypende twee messen over malkander.Ik geef hem met dit mes terstond een groote jaap.Tys.Ik zal den ham terstond eens annetomizeeren.Fi.„Och hou je stil myn heer, ’k hoor dieven, ’k wil ’t je zweeren!Fop.Ik zel hem moffelen, en sneijen van malkaêr.Fi.„Och! hoor je ’t wel myn heer? daar is een moordenaar.Iza.Ach lief! wat raad! och! och! men poog de deur te krygen!Tys.Maar elk de helft dan van den buit?Fop.Ja, wil maar zwygen,Waar staat hy?Tys.In dien hoek.Filipyn kruipt in de kist.„Och! och! ze meenen my!„Ik voel de kist, daar moet ik in, zo raak ik vry.Eel.„Hou my maar vast myn lief!Iza.„Katryn hou my van achter.Eel.„Flippyn waar zyt ge? spreek!Iza.Myn Eelhart spreek wat zachter.Fop en Tys doen de kist open.Filipyn springt uit de kist.Hou dieven! dieven! brand! help! help! ik word vermoord!Fop.Wie duvel springt daar uit de kist! kom gaanwe voort.Raasbollius van binnen.Alarm! alarm! gints komt de vyand zich vertoonen!Tys knielende.Och booze vyand, och! och! och! och! wil ons verschoonen!Eel.Staa vast, ô schelm!Fop.Help! help! hy krygt me by myn gat.Fi.Moord! dieven! dieven! moord!Raasbollius van binnen.A sa bescherm de stadt!
Tys.Het is hier donker, en ze zyn al in den slaap.Fopslypende twee messen over malkander.Ik geef hem met dit mes terstond een groote jaap.Tys.Ik zal den ham terstond eens annetomizeeren.Fi.„Och hou je stil myn heer, ’k hoor dieven, ’k wil ’t je zweeren!Fop.Ik zel hem moffelen, en sneijen van malkaêr.Fi.„Och! hoor je ’t wel myn heer? daar is een moordenaar.Iza.Ach lief! wat raad! och! och! men poog de deur te krygen!Tys.Maar elk de helft dan van den buit?Fop.Ja, wil maar zwygen,Waar staat hy?Tys.In dien hoek.Filipyn kruipt in de kist.„Och! och! ze meenen my!„Ik voel de kist, daar moet ik in, zo raak ik vry.Eel.„Hou my maar vast myn lief!Iza.„Katryn hou my van achter.Eel.„Flippyn waar zyt ge? spreek!Iza.Myn Eelhart spreek wat zachter.Fop en Tys doen de kist open.Filipyn springt uit de kist.Hou dieven! dieven! brand! help! help! ik word vermoord!Fop.Wie duvel springt daar uit de kist! kom gaanwe voort.Raasbollius van binnen.Alarm! alarm! gints komt de vyand zich vertoonen!Tys knielende.Och booze vyand, och! och! och! och! wil ons verschoonen!Eel.Staa vast, ô schelm!Fop.Help! help! hy krygt me by myn gat.Fi.Moord! dieven! dieven! moord!Raasbollius van binnen.A sa bescherm de stadt!
Tys.Het is hier donker, en ze zyn al in den slaap.Fopslypende twee messen over malkander.Ik geef hem met dit mes terstond een groote jaap.Tys.Ik zal den ham terstond eens annetomizeeren.Fi.„Och hou je stil myn heer, ’k hoor dieven, ’k wil ’t je zweeren!Fop.Ik zel hem moffelen, en sneijen van malkaêr.Fi.„Och! hoor je ’t wel myn heer? daar is een moordenaar.Iza.Ach lief! wat raad! och! och! men poog de deur te krygen!Tys.Maar elk de helft dan van den buit?Fop.Ja, wil maar zwygen,Waar staat hy?Tys.In dien hoek.Filipyn kruipt in de kist.„Och! och! ze meenen my!„Ik voel de kist, daar moet ik in, zo raak ik vry.Eel.„Hou my maar vast myn lief!Iza.„Katryn hou my van achter.Eel.„Flippyn waar zyt ge? spreek!Iza.Myn Eelhart spreek wat zachter.Fop en Tys doen de kist open.Filipyn springt uit de kist.Hou dieven! dieven! brand! help! help! ik word vermoord!Fop.Wie duvel springt daar uit de kist! kom gaanwe voort.Raasbollius van binnen.Alarm! alarm! gints komt de vyand zich vertoonen!Tys knielende.Och booze vyand, och! och! och! och! wil ons verschoonen!Eel.Staa vast, ô schelm!Fop.Help! help! hy krygt me by myn gat.Fi.Moord! dieven! dieven! moord!Raasbollius van binnen.A sa bescherm de stadt!
Tys.Het is hier donker, en ze zyn al in den slaap.
Fopslypende twee messen over malkander.
Ik geef hem met dit mes terstond een groote jaap.
Tys.Ik zal den ham terstond eens annetomizeeren.
Fi.„Och hou je stil myn heer, ’k hoor dieven, ’k wil ’t je zweeren!
Fop.Ik zel hem moffelen, en sneijen van malkaêr.
Fi.„Och! hoor je ’t wel myn heer? daar is een moordenaar.
Iza.Ach lief! wat raad! och! och! men poog de deur te krygen!
Tys.Maar elk de helft dan van den buit?Fop.Ja, wil maar zwygen,
Waar staat hy?Tys.In dien hoek.
Filipyn kruipt in de kist.
„Och! och! ze meenen my!
„Ik voel de kist, daar moet ik in, zo raak ik vry.
Eel.„Hou my maar vast myn lief!Iza.„Katryn hou my van achter.
Eel.„Flippyn waar zyt ge? spreek!Iza.Myn Eelhart spreek wat zachter.
Fop en Tys doen de kist open.
Filipyn springt uit de kist.
Hou dieven! dieven! brand! help! help! ik word vermoord!
Fop.Wie duvel springt daar uit de kist! kom gaanwe voort.
Raasbollius van binnen.
Alarm! alarm! gints komt de vyand zich vertoonen!
Tys knielende.
Och booze vyand, och! och! och! och! wil ons verschoonen!
Eel.Staa vast, ô schelm!Fop.Help! help! hy krygt me by myn gat.
Fi.Moord! dieven! dieven! moord!
Raasbollius van binnen.
A sa bescherm de stadt!
Waard,Urinaal,Raasbolliusin zyn onderkleêren,Tys,Fop,Filipyn,Eelhart,Izabel,Katryn.
Altemaal in ’t donker dwaalende.Waard.Wat’s hier te doen?Raas.Terstond te loopen naar de wallen,Eer dat de vyand hier de stadt komt overvallen.Waard.Breng licht! breng licht!
Altemaal in ’t donker dwaalende.Waard.Wat’s hier te doen?Raas.Terstond te loopen naar de wallen,Eer dat de vyand hier de stadt komt overvallen.Waard.Breng licht! breng licht!
Altemaal in ’t donker dwaalende.Waard.Wat’s hier te doen?Raas.Terstond te loopen naar de wallen,Eer dat de vyand hier de stadt komt overvallen.Waard.Breng licht! breng licht!
Altemaal in ’t donker dwaalende.
Waard.Wat’s hier te doen?Raas.Terstond te loopen naar de wallen,
Eer dat de vyand hier de stadt komt overvallen.
Waard.Breng licht! breng licht!
Waard,Urinaalin zyn onderkleêren,Raasbollius,Tys,Fop,Filipyn,Eelhart,Izabel,Katryn,Anzelmus,Grietmet licht.
Het tooneel moet schielyk licht worden, zo als zy met kaersen opkomen.Anz.Wat wil dit oproer, en geraas!Fi.’t Zyn dieven! hoor je ’t niet?Raas.A sa trompetters blaas!Urinaal vat Izabel.Ik heb ’er één.Iza.Myn heer laat los wy zyn geen dieven!Uri.Ik laat u niet eer los voor zulks my zal gelieven.An.Waar zyn de schelmen?Uri.’k Heb ’er al een in myn macht.Iza.ô Hemel ’k zie myn voogd! laat los! laat los!Uri.Al zacht,Ge ontspringt my niet. Gy zult niet uit myn’ handen komen.Anzelmus Izabel by de kaers beziende.Laat my den dief eens zien, ha! ha! nu moogt gij schroomen!Zyt gy de dief? zyt gy de dief? ô Izabel!ô Schandvlek van ’t geslacht! ontaarde! ik ken u wel!Gy zult dat vluchten in een mans habyt betreuren.Foei! foei! ik zal u dat gewaad van ’t lichaam scheuren!En uw lichtvaerdigheid zo teug’len, dat elk éénZich spieg’len zal aan u!Eel.Wat wilt gy doen?Anz.Ik meen,Haar aanstonds te Uitrecht in een beterhuis te zetten,Om haar het vluchten in ’t toekomend te beletten,Indien zy met myn neef zich aanstonds niet verbind.Raas.Hoe ik haar trouwen? neen; ’k ben daar niet toe gezind.An.Hoe waarom?Raas.Vraagt gy dat? wel ik heb uitgevondenDe schoonste inventie, daar geleerden lang naar stonden;Zodat ik al zo ryk zal weezen in één jaar,Als al de vorsten van Europa met malkaâr.Uri.Dat zal de spiritus van poortaard zyn?Raas.’k Moet zwygen.Uri.Ei sterf niet met de kunst!Raas.Gy zult die kunst wel krygen,Wanneer ik dood ben; hoop maar op myn testament.Anz.Gy zyt een groote gek, dat zie ik nu in ’t end.’k Beloof u, ’k zal u plaats in ’t zelfde huis doen maaken,Daar Izabel, omdat zy zich heeft laaten schaaken,In zitten zal, tot dat uw zinnen zyn bedaard.Raas.Ik leg ’t in kennis. Hoort wat hy daar heeft verklaard.An.Heer advokaat wat moet ik doen in deeze dingen?Eel.Zet hem in ’t beterhuis, hy moet u niet ontspringen.Maar geef uw nicht aan hem, dien zy zoo teer bemint.An.Het laatste is iets dat ik nog niet geraaden vind.Zou ik haar aan een schelm, een guit, een lichtmis geeven?Iza.Ik kan, noch wil, noch zal, met iemand anders leeven!Ja sluit my op; betoon me uw haat en dwinglandy;De straf zal volgen op uw’ wreede tiranny.An.Zwyg obstinaate, zwyg. ’k Wil u niet langer hooren.Foei, zyt ge uit ons geslacht, lichtvaerdige! gebooren!Eel.Gy zyt in misverstand, myn heer, bedwing u wat,Ik ben haar minnaar.An.Gy!Eel.Ja, ’k zal dien lieven schat,Dien gy my door uw haat en gramschap wilt berooven,Beschermen.An.Advokaat, hoe kan ik het gelooven!Eel.Ja, ’k ben een advokaat. Myn eerelyken naam,Dien gy zo vuil beklad, dat ik my uwer schaam,Zult gy weêr zuiveren.An.Ik kan ’t u niet bewyzen.Zyt gy een eerlyk heer, zo moet gy zelfs mispryzen’t Geen gy gedaan hebt.Eel.Wat?An.Hoe wat? myn nicht geschaakt.Eel.Dat heb ik niet gedaan.Iza.’k Ben uit uw’ dwang geraaktEn weggevlucht, daar hy gantsch niet van heeft geweeten.An.Hebt ge uit uw’ eigen wil uw’ plicht dan dus vergeeten!Iza.’k Ben hem hier by geval ontmoet.An.Hoe is dat waar?Eel.Ja, en wy zyn zo vast verbonden aan malkaêr,Dat maar alleen de dood die trouwe min kan scheijen.’k Zal u beschermen lief, hou moed, en wil niet schreijen!Anzelmus, ’k zweer, gy zyt zeer qualyk onderrigt,Ik heb my altyt wel gequeeten in myn plicht.Gaa mê nâ Amsterdam, ’k beloof u aan te toonen,Dat zo veel gruuw’len in myn zuiver hart niet woonen,En gy misleid zyt. Ik betuig ’t u, met ontzag.An.Indien gy waarheit spreekt, en zo op uw gedragDan niets te zeggen valt, voeg ik my naar de reden.Eel.Indien gy ’t anders vindt, myn heer, ik ben te vreedenDen band van deeze min te breken.An.Nu, wel aan,Op die konditie zal ik morgen met u gaan.Gy zult haar trouwen zo wy alles wel bevinden.’k Zal morgen dit geval doen weeten aan myn’ vrinden.Waard.De dieven zyn ’t nu licht door dat gebrui ontsnapt.Fi.Ze zyn licht in een hoek, maak dat men ze betrapt.FopenTys. Ha! ha!Waard.Hoe, lach je lui?Fop.Wel ja, daar zyn geen dieven.’t Quam dat je met den ham ons flus niet wout gerieven,Wy hebben hem gevild, hy leit daar in die kist.Dat’s voor die pots van laatst.Wa.Jou guiten vol van list!Daar meen ik jou lui ook een potsje voor te speelen,Dat kan ik fraaij.Tys.Ja, al zo goed als ’t haver steelen.Kat.Myn heer, vergeef je my myn misdaad niet?An.Katryn,Zo alles wel is, zal ’t u ook vergeeven zyn.Wy zullen morgen vroeg naar Amsterdam vertrekken.Fi.Ik zal my dezen nacht vermaaken met die gekken,En bombardeeren met boetelje, kan, en fluit,Ter eere van myn heer, en zyn aanstaande bruid.Raas.’k Zal met myn’ blaasbalg (ha! ’k moet lachen om die dwaazen!)Het heele beterhuis aan duizend stukken blaazen.
Het tooneel moet schielyk licht worden, zo als zy met kaersen opkomen.Anz.Wat wil dit oproer, en geraas!Fi.’t Zyn dieven! hoor je ’t niet?Raas.A sa trompetters blaas!Urinaal vat Izabel.Ik heb ’er één.Iza.Myn heer laat los wy zyn geen dieven!Uri.Ik laat u niet eer los voor zulks my zal gelieven.An.Waar zyn de schelmen?Uri.’k Heb ’er al een in myn macht.Iza.ô Hemel ’k zie myn voogd! laat los! laat los!Uri.Al zacht,Ge ontspringt my niet. Gy zult niet uit myn’ handen komen.Anzelmus Izabel by de kaers beziende.Laat my den dief eens zien, ha! ha! nu moogt gij schroomen!Zyt gy de dief? zyt gy de dief? ô Izabel!ô Schandvlek van ’t geslacht! ontaarde! ik ken u wel!Gy zult dat vluchten in een mans habyt betreuren.Foei! foei! ik zal u dat gewaad van ’t lichaam scheuren!En uw lichtvaerdigheid zo teug’len, dat elk éénZich spieg’len zal aan u!Eel.Wat wilt gy doen?Anz.Ik meen,Haar aanstonds te Uitrecht in een beterhuis te zetten,Om haar het vluchten in ’t toekomend te beletten,Indien zy met myn neef zich aanstonds niet verbind.Raas.Hoe ik haar trouwen? neen; ’k ben daar niet toe gezind.An.Hoe waarom?Raas.Vraagt gy dat? wel ik heb uitgevondenDe schoonste inventie, daar geleerden lang naar stonden;Zodat ik al zo ryk zal weezen in één jaar,Als al de vorsten van Europa met malkaâr.Uri.Dat zal de spiritus van poortaard zyn?Raas.’k Moet zwygen.Uri.Ei sterf niet met de kunst!Raas.Gy zult die kunst wel krygen,Wanneer ik dood ben; hoop maar op myn testament.Anz.Gy zyt een groote gek, dat zie ik nu in ’t end.’k Beloof u, ’k zal u plaats in ’t zelfde huis doen maaken,Daar Izabel, omdat zy zich heeft laaten schaaken,In zitten zal, tot dat uw zinnen zyn bedaard.Raas.Ik leg ’t in kennis. Hoort wat hy daar heeft verklaard.An.Heer advokaat wat moet ik doen in deeze dingen?Eel.Zet hem in ’t beterhuis, hy moet u niet ontspringen.Maar geef uw nicht aan hem, dien zy zoo teer bemint.An.Het laatste is iets dat ik nog niet geraaden vind.Zou ik haar aan een schelm, een guit, een lichtmis geeven?Iza.Ik kan, noch wil, noch zal, met iemand anders leeven!Ja sluit my op; betoon me uw haat en dwinglandy;De straf zal volgen op uw’ wreede tiranny.An.Zwyg obstinaate, zwyg. ’k Wil u niet langer hooren.Foei, zyt ge uit ons geslacht, lichtvaerdige! gebooren!Eel.Gy zyt in misverstand, myn heer, bedwing u wat,Ik ben haar minnaar.An.Gy!Eel.Ja, ’k zal dien lieven schat,Dien gy my door uw haat en gramschap wilt berooven,Beschermen.An.Advokaat, hoe kan ik het gelooven!Eel.Ja, ’k ben een advokaat. Myn eerelyken naam,Dien gy zo vuil beklad, dat ik my uwer schaam,Zult gy weêr zuiveren.An.Ik kan ’t u niet bewyzen.Zyt gy een eerlyk heer, zo moet gy zelfs mispryzen’t Geen gy gedaan hebt.Eel.Wat?An.Hoe wat? myn nicht geschaakt.Eel.Dat heb ik niet gedaan.Iza.’k Ben uit uw’ dwang geraaktEn weggevlucht, daar hy gantsch niet van heeft geweeten.An.Hebt ge uit uw’ eigen wil uw’ plicht dan dus vergeeten!Iza.’k Ben hem hier by geval ontmoet.An.Hoe is dat waar?Eel.Ja, en wy zyn zo vast verbonden aan malkaêr,Dat maar alleen de dood die trouwe min kan scheijen.’k Zal u beschermen lief, hou moed, en wil niet schreijen!Anzelmus, ’k zweer, gy zyt zeer qualyk onderrigt,Ik heb my altyt wel gequeeten in myn plicht.Gaa mê nâ Amsterdam, ’k beloof u aan te toonen,Dat zo veel gruuw’len in myn zuiver hart niet woonen,En gy misleid zyt. Ik betuig ’t u, met ontzag.An.Indien gy waarheit spreekt, en zo op uw gedragDan niets te zeggen valt, voeg ik my naar de reden.Eel.Indien gy ’t anders vindt, myn heer, ik ben te vreedenDen band van deeze min te breken.An.Nu, wel aan,Op die konditie zal ik morgen met u gaan.Gy zult haar trouwen zo wy alles wel bevinden.’k Zal morgen dit geval doen weeten aan myn’ vrinden.Waard.De dieven zyn ’t nu licht door dat gebrui ontsnapt.Fi.Ze zyn licht in een hoek, maak dat men ze betrapt.FopenTys. Ha! ha!Waard.Hoe, lach je lui?Fop.Wel ja, daar zyn geen dieven.’t Quam dat je met den ham ons flus niet wout gerieven,Wy hebben hem gevild, hy leit daar in die kist.Dat’s voor die pots van laatst.Wa.Jou guiten vol van list!Daar meen ik jou lui ook een potsje voor te speelen,Dat kan ik fraaij.Tys.Ja, al zo goed als ’t haver steelen.Kat.Myn heer, vergeef je my myn misdaad niet?An.Katryn,Zo alles wel is, zal ’t u ook vergeeven zyn.Wy zullen morgen vroeg naar Amsterdam vertrekken.Fi.Ik zal my dezen nacht vermaaken met die gekken,En bombardeeren met boetelje, kan, en fluit,Ter eere van myn heer, en zyn aanstaande bruid.Raas.’k Zal met myn’ blaasbalg (ha! ’k moet lachen om die dwaazen!)Het heele beterhuis aan duizend stukken blaazen.
Het tooneel moet schielyk licht worden, zo als zy met kaersen opkomen.Anz.Wat wil dit oproer, en geraas!Fi.’t Zyn dieven! hoor je ’t niet?Raas.A sa trompetters blaas!Urinaal vat Izabel.Ik heb ’er één.Iza.Myn heer laat los wy zyn geen dieven!Uri.Ik laat u niet eer los voor zulks my zal gelieven.An.Waar zyn de schelmen?Uri.’k Heb ’er al een in myn macht.Iza.ô Hemel ’k zie myn voogd! laat los! laat los!Uri.Al zacht,Ge ontspringt my niet. Gy zult niet uit myn’ handen komen.Anzelmus Izabel by de kaers beziende.Laat my den dief eens zien, ha! ha! nu moogt gij schroomen!Zyt gy de dief? zyt gy de dief? ô Izabel!ô Schandvlek van ’t geslacht! ontaarde! ik ken u wel!Gy zult dat vluchten in een mans habyt betreuren.Foei! foei! ik zal u dat gewaad van ’t lichaam scheuren!En uw lichtvaerdigheid zo teug’len, dat elk éénZich spieg’len zal aan u!Eel.Wat wilt gy doen?Anz.Ik meen,Haar aanstonds te Uitrecht in een beterhuis te zetten,Om haar het vluchten in ’t toekomend te beletten,Indien zy met myn neef zich aanstonds niet verbind.Raas.Hoe ik haar trouwen? neen; ’k ben daar niet toe gezind.An.Hoe waarom?Raas.Vraagt gy dat? wel ik heb uitgevondenDe schoonste inventie, daar geleerden lang naar stonden;Zodat ik al zo ryk zal weezen in één jaar,Als al de vorsten van Europa met malkaâr.Uri.Dat zal de spiritus van poortaard zyn?Raas.’k Moet zwygen.Uri.Ei sterf niet met de kunst!Raas.Gy zult die kunst wel krygen,Wanneer ik dood ben; hoop maar op myn testament.Anz.Gy zyt een groote gek, dat zie ik nu in ’t end.’k Beloof u, ’k zal u plaats in ’t zelfde huis doen maaken,Daar Izabel, omdat zy zich heeft laaten schaaken,In zitten zal, tot dat uw zinnen zyn bedaard.Raas.Ik leg ’t in kennis. Hoort wat hy daar heeft verklaard.An.Heer advokaat wat moet ik doen in deeze dingen?Eel.Zet hem in ’t beterhuis, hy moet u niet ontspringen.Maar geef uw nicht aan hem, dien zy zoo teer bemint.An.Het laatste is iets dat ik nog niet geraaden vind.Zou ik haar aan een schelm, een guit, een lichtmis geeven?Iza.Ik kan, noch wil, noch zal, met iemand anders leeven!Ja sluit my op; betoon me uw haat en dwinglandy;De straf zal volgen op uw’ wreede tiranny.An.Zwyg obstinaate, zwyg. ’k Wil u niet langer hooren.Foei, zyt ge uit ons geslacht, lichtvaerdige! gebooren!Eel.Gy zyt in misverstand, myn heer, bedwing u wat,Ik ben haar minnaar.An.Gy!Eel.Ja, ’k zal dien lieven schat,Dien gy my door uw haat en gramschap wilt berooven,Beschermen.An.Advokaat, hoe kan ik het gelooven!Eel.Ja, ’k ben een advokaat. Myn eerelyken naam,Dien gy zo vuil beklad, dat ik my uwer schaam,Zult gy weêr zuiveren.An.Ik kan ’t u niet bewyzen.Zyt gy een eerlyk heer, zo moet gy zelfs mispryzen’t Geen gy gedaan hebt.Eel.Wat?An.Hoe wat? myn nicht geschaakt.Eel.Dat heb ik niet gedaan.Iza.’k Ben uit uw’ dwang geraaktEn weggevlucht, daar hy gantsch niet van heeft geweeten.An.Hebt ge uit uw’ eigen wil uw’ plicht dan dus vergeeten!Iza.’k Ben hem hier by geval ontmoet.An.Hoe is dat waar?Eel.Ja, en wy zyn zo vast verbonden aan malkaêr,Dat maar alleen de dood die trouwe min kan scheijen.’k Zal u beschermen lief, hou moed, en wil niet schreijen!Anzelmus, ’k zweer, gy zyt zeer qualyk onderrigt,Ik heb my altyt wel gequeeten in myn plicht.Gaa mê nâ Amsterdam, ’k beloof u aan te toonen,Dat zo veel gruuw’len in myn zuiver hart niet woonen,En gy misleid zyt. Ik betuig ’t u, met ontzag.An.Indien gy waarheit spreekt, en zo op uw gedragDan niets te zeggen valt, voeg ik my naar de reden.Eel.Indien gy ’t anders vindt, myn heer, ik ben te vreedenDen band van deeze min te breken.An.Nu, wel aan,Op die konditie zal ik morgen met u gaan.Gy zult haar trouwen zo wy alles wel bevinden.’k Zal morgen dit geval doen weeten aan myn’ vrinden.Waard.De dieven zyn ’t nu licht door dat gebrui ontsnapt.Fi.Ze zyn licht in een hoek, maak dat men ze betrapt.FopenTys. Ha! ha!Waard.Hoe, lach je lui?Fop.Wel ja, daar zyn geen dieven.’t Quam dat je met den ham ons flus niet wout gerieven,Wy hebben hem gevild, hy leit daar in die kist.Dat’s voor die pots van laatst.Wa.Jou guiten vol van list!Daar meen ik jou lui ook een potsje voor te speelen,Dat kan ik fraaij.Tys.Ja, al zo goed als ’t haver steelen.Kat.Myn heer, vergeef je my myn misdaad niet?An.Katryn,Zo alles wel is, zal ’t u ook vergeeven zyn.Wy zullen morgen vroeg naar Amsterdam vertrekken.Fi.Ik zal my dezen nacht vermaaken met die gekken,En bombardeeren met boetelje, kan, en fluit,Ter eere van myn heer, en zyn aanstaande bruid.Raas.’k Zal met myn’ blaasbalg (ha! ’k moet lachen om die dwaazen!)Het heele beterhuis aan duizend stukken blaazen.
Het tooneel moet schielyk licht worden, zo als zy met kaersen opkomen.
Anz.Wat wil dit oproer, en geraas!
Fi.’t Zyn dieven! hoor je ’t niet?Raas.A sa trompetters blaas!
Urinaal vat Izabel.
Ik heb ’er één.Iza.Myn heer laat los wy zyn geen dieven!
Uri.Ik laat u niet eer los voor zulks my zal gelieven.
An.Waar zyn de schelmen?Uri.’k Heb ’er al een in myn macht.
Iza.ô Hemel ’k zie myn voogd! laat los! laat los!Uri.Al zacht,
Ge ontspringt my niet. Gy zult niet uit myn’ handen komen.
Anzelmus Izabel by de kaers beziende.
Laat my den dief eens zien, ha! ha! nu moogt gij schroomen!
Zyt gy de dief? zyt gy de dief? ô Izabel!
ô Schandvlek van ’t geslacht! ontaarde! ik ken u wel!
Gy zult dat vluchten in een mans habyt betreuren.
Foei! foei! ik zal u dat gewaad van ’t lichaam scheuren!
En uw lichtvaerdigheid zo teug’len, dat elk één
Zich spieg’len zal aan u!Eel.Wat wilt gy doen?
Anz.Ik meen,
Haar aanstonds te Uitrecht in een beterhuis te zetten,
Om haar het vluchten in ’t toekomend te beletten,
Indien zy met myn neef zich aanstonds niet verbind.
Raas.Hoe ik haar trouwen? neen; ’k ben daar niet toe gezind.
An.Hoe waarom?Raas.Vraagt gy dat? wel ik heb uitgevonden
De schoonste inventie, daar geleerden lang naar stonden;
Zodat ik al zo ryk zal weezen in één jaar,
Als al de vorsten van Europa met malkaâr.
Uri.Dat zal de spiritus van poortaard zyn?Raas.’k Moet zwygen.
Uri.Ei sterf niet met de kunst!Raas.Gy zult die kunst wel krygen,
Wanneer ik dood ben; hoop maar op myn testament.
Anz.Gy zyt een groote gek, dat zie ik nu in ’t end.
’k Beloof u, ’k zal u plaats in ’t zelfde huis doen maaken,
Daar Izabel, omdat zy zich heeft laaten schaaken,
In zitten zal, tot dat uw zinnen zyn bedaard.
Raas.Ik leg ’t in kennis. Hoort wat hy daar heeft verklaard.
An.Heer advokaat wat moet ik doen in deeze dingen?
Eel.Zet hem in ’t beterhuis, hy moet u niet ontspringen.
Maar geef uw nicht aan hem, dien zy zoo teer bemint.
An.Het laatste is iets dat ik nog niet geraaden vind.
Zou ik haar aan een schelm, een guit, een lichtmis geeven?
Iza.Ik kan, noch wil, noch zal, met iemand anders leeven!
Ja sluit my op; betoon me uw haat en dwinglandy;
De straf zal volgen op uw’ wreede tiranny.
An.Zwyg obstinaate, zwyg. ’k Wil u niet langer hooren.
Foei, zyt ge uit ons geslacht, lichtvaerdige! gebooren!
Eel.Gy zyt in misverstand, myn heer, bedwing u wat,
Ik ben haar minnaar.An.Gy!Eel.Ja, ’k zal dien lieven schat,
Dien gy my door uw haat en gramschap wilt berooven,
Beschermen.An.Advokaat, hoe kan ik het gelooven!
Eel.Ja, ’k ben een advokaat. Myn eerelyken naam,
Dien gy zo vuil beklad, dat ik my uwer schaam,
Zult gy weêr zuiveren.An.Ik kan ’t u niet bewyzen.
Zyt gy een eerlyk heer, zo moet gy zelfs mispryzen
’t Geen gy gedaan hebt.Eel.Wat?
An.Hoe wat? myn nicht geschaakt.
Eel.Dat heb ik niet gedaan.Iza.’k Ben uit uw’ dwang geraakt
En weggevlucht, daar hy gantsch niet van heeft geweeten.
An.Hebt ge uit uw’ eigen wil uw’ plicht dan dus vergeeten!
Iza.’k Ben hem hier by geval ontmoet.An.Hoe is dat waar?
Eel.Ja, en wy zyn zo vast verbonden aan malkaêr,
Dat maar alleen de dood die trouwe min kan scheijen.
’k Zal u beschermen lief, hou moed, en wil niet schreijen!
Anzelmus, ’k zweer, gy zyt zeer qualyk onderrigt,
Ik heb my altyt wel gequeeten in myn plicht.
Gaa mê nâ Amsterdam, ’k beloof u aan te toonen,
Dat zo veel gruuw’len in myn zuiver hart niet woonen,
En gy misleid zyt. Ik betuig ’t u, met ontzag.
An.Indien gy waarheit spreekt, en zo op uw gedrag
Dan niets te zeggen valt, voeg ik my naar de reden.
Eel.Indien gy ’t anders vindt, myn heer, ik ben te vreeden
Den band van deeze min te breken.An.Nu, wel aan,
Op die konditie zal ik morgen met u gaan.
Gy zult haar trouwen zo wy alles wel bevinden.
’k Zal morgen dit geval doen weeten aan myn’ vrinden.
Waard.De dieven zyn ’t nu licht door dat gebrui ontsnapt.
Fi.Ze zyn licht in een hoek, maak dat men ze betrapt.
FopenTys. Ha! ha!
Waard.Hoe, lach je lui?Fop.Wel ja, daar zyn geen dieven.
’t Quam dat je met den ham ons flus niet wout gerieven,
Wy hebben hem gevild, hy leit daar in die kist.
Dat’s voor die pots van laatst.Wa.Jou guiten vol van list!
Daar meen ik jou lui ook een potsje voor te speelen,
Dat kan ik fraaij.Tys.Ja, al zo goed als ’t haver steelen.
Kat.Myn heer, vergeef je my myn misdaad niet?An.Katryn,
Zo alles wel is, zal ’t u ook vergeeven zyn.
Wy zullen morgen vroeg naar Amsterdam vertrekken.
Fi.Ik zal my dezen nacht vermaaken met die gekken,
En bombardeeren met boetelje, kan, en fluit,
Ter eere van myn heer, en zyn aanstaande bruid.
Raas.’k Zal met myn’ blaasbalg (ha! ’k moet lachen om die dwaazen!)
Het heele beterhuis aan duizend stukken blaazen.