XVI.

Ineens gingen de geelomrande bekjes de hoogte in.

„Piep-piep-piep”, riepen de vogeltjes.

Ze dachten, dat d'r moeder gekomen was met voer.

„Laten we nu een beetje op zij gaan; misschien komt de moeder dan wel naar d'r kindertjes toe. Kijk, daar zit ze. Ze is erg onrustig.”

De vijf menschen stapten bij het boompje weg. Maar kort duurde het of „pjiet” zei het vogeltje en daar vloog het een beetje nader bij het nestje.

„Pjiet, pjiet!”

En toen hipte 't weer een paar takjes verder.

De kleine kraaloogjes gluurden haastig wat rond en toen ineens.... rrrrt.... daar zat 't vogeltje bij het nest.

„Hoort dat jonge goed nu eens druk wezen”, zei pa.

„Krijgen ze nu wat, pa?” vroeg Nel.

„Ja, zag je dan niet, dat de oude wat in den snavel had?” riep Jo.

„Kijk”, riep Klaas ineens, „daar heb je 't mannetje ook!”

„Wat is het leuk goedje”, zei Nel.

De andere kinderen vonden 't ook. Zoo'n vogelhuishouding was toch maar gezellig. Nog langen tijd bleven ze staan kijken; en toen de oude vogels weer weggevlogen waren, gluurden ze ook nog even in 't nestje.

„Piep, piep!”

En dan kwamen de kopjes allemaal vlug in de hoogte. Maar toen de bekjes te vergeefs naar voedsel zochten, kropen de naakte lichaampjes weer dicht tegen elkaar aan.

Alle dagen gingen de vier kinderen het nest bespieden. Ze zagen de jongen al grooter en grooter worden. En ze bemerkten, hoe gelukkig de ouders waren met d'r kindertjes; hoe goed ze er op pasten.

„Die vinkenfamilie achter in den tuin moet ook maar eens opgeruimd worden”, zei pa op zekeren dag.

„Opgeruimd?” vroegen vier kinderstemmen tegelijk.

„Ja, natuurlijk; 't zijn schadelijke vogels, wat doen we er mee?”

„U wilt ze toch geen kwaad doen?” riep Nel angstig uit.

„Wat hindert dat; 't zijn immers schadelijke vogels!”

„Maar ze doen ons geen kwaad, ze moeten toch eten.... U mag ze niet hinderen, dat zou.... zou....”

Jo kon haast geen woorden vinden, zoo opgewonden werd hij.

„Wat zeg jij, Kee”, vroeg pa, „moet het nest hier blijven?”

„Ja, meneer”, antwoordde het meisje.

„En jij Klaas?”

„Ja, meneer!”

„Kijk, dat begrijp ik niet. Weet je nog wel van dat musschennest? Waarom wou jelui die vogeltjes dan wel plagen en ongelukkig maken?”

De kinderen zwegen alle vier.

Maar ze dachten wel wat. Nou vonden ze gemeen, wat zetoen hadden willen doen. Gelukkig, dat ze de eitjes niet hadden kunnen rooven....

„Ga jelui mee naar dien boom met het musschennest?” vroeg Klaas een poosje later. „Ik ben er nooit weer geweest, maar ik wou wel eens zien, of er ook jongen in liggen.”

„Ja, dat doen we!” riepen de andere drie.

Twintig minuten later beurde Jo Klaas op. De jongen keek in het gat en zag de eitjes nog liggen.

„De vogels hebben 't nest verlaten”, zei hij.

't Was een groote teleurstelling voor de vier kinderen.

Ze gevoelden, dat ze veel geluk hadden verstoord. Toen ze terug keerden, waren ze een heelen tijd erg stil.

In 't hazelarenhoutDaar is een nest gebouwdVan mos en veer en strootjes;'t Schuilt onder 't groene dak,'t Rust op een slanken tak,'t Wiegt boven 't blanke vlakDer sloot—met lichte stootjes.Het is een koningshuisBij 't zachte windgeruisch,Dat gaat door struik en boomen;Vijf koningskindren gaanZacht deinend af en aan,Terwijl vier oogen staanTe waken voor hun droomen.

In 't hazelarenhoutDaar is een nest gebouwdVan mos en veer en strootjes;'t Schuilt onder 't groene dak,'t Rust op een slanken tak,'t Wiegt boven 't blanke vlakDer sloot—met lichte stootjes.

Het is een koningshuisBij 't zachte windgeruisch,Dat gaat door struik en boomen;Vijf koningskindren gaanZacht deinend af en aan,Terwijl vier oogen staanTe waken voor hun droomen.

In de schoolkast van meester Fransen stond een blikken sigarenkistje. Als meester 't opnam en even schudde, rammelde het verschrikkelijk. Want er zat geld in, veel geld: guldens en dubbeltjes, maar vooral centen.

„Ik ben maar goed af”, zei meester. „De kinderen zorgen, dat ik een vetten spaarpot krijg.”

„Dat zou u wel willen, dat hij van u was”, zei dan soms zoo'n brutale jongen. „Maar hij is lekkertjes van ons.”

En dat was de waarheid ook. De kinderen spaarden voor een schoolreisje: elke week gaven ze een halven stuiver.

Dit jaar zouden ze naar Zwolle gaan.

En—wat het mooiste was—, alle kinderen gingen mee. Niet één behoefde er thuis te blijven, omdat vader en moeder geen halven stuiver konden missen.

Dat meende de meester, en dat meenden de kinderen ook allemaal. En toch dachten ze verkeerd.

Want op een morgen, toen meester bezig was de borden te beschrijven, kwam er een meisje het lokaal binnen.

Ze schreide.

„Wat mankeert er aan, Roelofje?” vroeg meester.

„Meester...., ik wou.... wou.... graag mijn geld.... terug hebben”, snikte ze.

„Je geld terug, wàt geld?”

„Van het schoolreisje...., en dat van Jacob ook, meester.”

„Ga jelui dan niet mee naar Zwolle?”

„Nee meester; we mogen niet.... Vader is ziek, en.... nu heeft moeder 't geld noodig.”

Meester wist wel, dat de vader van Roelofje en Jacob ziek was. De man had longontsteking gehad en was nog niet heelemaal genezen. Hij begreep best, dat de vrouw nu 't reisgeld voor haar kindertjes niet missen kon.

Hij reikte Roelofje 't geld over en vroeg: „Wat zegt de dokter van je vader?”

„Vader moet nog een paar weken rust nemen, meester.”

„Zoo, zoo; nu ik zal eens bij jelui aanloopen, hoor!”

Denzelfden dag wist de heele school al, dat twee kinderen niet mee gingen naar Zwolle. De tranen van Roelofje en van Jacob hadden 't half verteld, de twee stakkers zelf de rest.

En iedereen begreep wel, waarom ze niet mee mochten. 't Huisgezin was arm, en nu de vader ziek!

„Hè, wat jammer”, fluisterden een paar stemmen.

Menig gezichtje stond ernstig, omdat er nu twee thuisblijvers zouden zijn. O, er waren ook wel kinderen, die alleen aan zich zelf dachten! Maar de meesten hadden graag de helft van d'r pleizier aan Roelofje en Jacob willen geven.

Als 't maar gekund had.

Toen Jo en Nel des middags thuis kwamen, vertelden ze alles aan moe. Pa was voor zaken op reis en zou een paar dagen in de provincie Groningen vertoeven.

„Vindt u 't niet naar, moe, dat ze nou moeten thuisblijven?” vroeg Jo.

„Ja, dat is wel naar”, zei moe. „Nu gaan jelui allemaal pret maken, en zij alleen mogen niet mee.”

„Meester kon ze ook wel zoo laten, meegaan, zonder betalen”, meende Nel.

„'t Zou kunnen”, zei moe, „maar 't is toch beter, dat ze wel betalen.”

„Maar dat kunnen ze niet”, riep Jo. En toen keek hij moeineens ernstig aan en zei: „Toe moe, laten wij ze helpen.”

„Ja, toe moe”, vleide Nel met haar liefste stemmetje. „Geef ons straks geld mee, dan zullen wij dat aan den meester geven.”

„Nee, daar kan niets van komen”, zei moe.

Over de gezichten van Jo en Nel gleed een schaduw; en d'r oogen werden een beetje vochtig.

„Dwaze kinderen, vertrouw je nu je eigen moeder niet meer?”

Moe lachte.

„'t Komt wel goed, hoor; weest maar gerust!”

't Kwam goed.

Des middags wandelde moe naar het huisje, waarin de ouders van Roelofje en Jacob woonden.

Wat ze er deed?

Niemand, die het gewaar werd. Maar alle kinderen uit het lokaal van meester Fransen zouden Zwolle zien: Roelofje en Jacob ook. En als later de moeder van dat tweetal over mevrouw Veenhof sprak, weet je wat ze dan zei?

„Beter mensch is er niet; vraag dat maar eens aan mijn man en mijn kinderen!”

't Was nog vroeg in den morgen.

Toch was het erg druk op het schoolplein. Daar hadden zich alle kinderen uit de hoogste klassen verzameld. En daar stonden ze nu, en maakten lawaai en wachtten—ja, wachten deden ze vooral.

„Daar komt er een; daar komt er een”, klonk het ineens.

„Waar, waar?” gilden enkele stemmen.

„Kijk, daar om den hoek!”

Ja, daar kwam een wagen aanrollen.

„Wie is het?” vroeg Jo.

„Jan Harms; kijk de bruine eens loopen,” zei Klaas.

Snel naderde de wagen; daar ging hij over de brug met een vreeselijk geweld.

„Ho”, riep Harms, en Bruin bleef snuivend staan.

„Hoera!” riepen de kinderen.

„Harms, wat heb je den wagen mooi versierd!”

„Vind je?” lachte de boer.

„Prachtig,” riepen de kinderen.

„Daar komt er weer een aan!” schreeuwden een paar stemmen.

„En van dien kant ook een,” klonk het.

„Allebei versierd; kijk toch eens, wat mooi!”

De boeren hadden werkelijk d'r best gedaan om hun wagens mooi te maken. Met groen en bloemen waren ze getooid en de paarden droegen kleurige kwasten aan het hoofdstel en strikken op den staart.

Elke wagen werd door de kinderen met luide „hoera's” begroet. Eindelijk waren er zes.

„Nou komt de meester niet,” riepen een paar ongeduldige kinderen. „Als hij zich maar niet verslaapt....”

„En de juffrouw is er ook nog niet. We komen nog te laat aan den trein.”

Nu, daar behoefden ze niet bang voor te zijn.

Daar was de meester al.

„Wat ben jelui allemaal vroeg,” zei hij. „We hadden immers afgesproken zes uur, en 't is er nog tien minuten voor. En de wagens zijn ook al present?”

„Ja meester, wij komen op tijd,” zei Harms. „De bruine wordt al ongeduldig; zullen we maar beginnen met die bengels in te laden?”

„Gaat je gang maar, mannen!”

Toen liet meester de kinderen bij groepjes van vijf of zes door 't hek gaan. Zoo ging het ordelijk en ieder kreeg een plaats.

Klaas en Jo en Nel en Kee bleven naast elkaar staan en zoo raakten ze in denzelfden wagen.

„Gelukkig, we zitten bij Harms,” zei Klaas.

„Waarom gelukkig?” vroeg Jo zacht.

„Nou, dat is zoo'n aardige man; ik wed, dat we straks ook wel eens mogen mennen.”

Daar kwam de juffrouw aan.

„Bijna te laat, juffrouw,” riep Harms.

„Mooi op tijd, Harms,” zei ze. En meteen stapte ze bij hem in den wagen.

„Alles klaar, ja?” vroeg de meester. „Vooruit dan maar!”

De paarden bogen de halzen voorover en zetten aan.

„Hoera, hoera!” riepen de kinderen Ze wuifden met handen en zakdoeken naar familieleden en vrienden, die achter bleven.

Daar ging het heen in fikschen draf.

„Zingen, jongens!” riep Harms.

De kinderen zongen hun hoogste lied. Maar hun stemmen bibberden zoo op den stootenden wagen, dat ze gauw moe werden.

Daar gingen ze voorbij het huis van meneer Veenhof.

„Hoera, hoera!” riep „dubbele twee.”

„Veel plezier,” hoorden ze meneer en mevrouw roepen.

Daar stonden de kleine huisjes, waarin Klaas en Kee woonden.

„Hoera, hoera!” klonk het opnieuw.

„Hoera!” schreeuwden de broertjes en zusjes terug, en ze wuifden, evenals de ouders, met de handen.

Joelend, lachend, zingend reden de kinderen naar het naaste station.

En, wat het mooiste was: de jongens mochten mennen ook.

Bruin was erg mak en liep rustig achter den voorgaanden wagen. En Harms hield in elk geval 't eind van 't leidsel vast. Hij was er toch niet zeker van, dat de kleine handen het niet even zouden laten glippen.

't Was een heerlijke tocht, die reis naar 't station.

De zon scheen helder, de morgen was frisch, en de blaadjes glommen van den dauw.

In de struiken en boomen langs den weg hipten en wipten de vogels.

In de weilanden sprongen paarden en koeien en schapen verschrikt weg, als ze de ratelende wagens hoorden.

't Was een pracht van een tocht, dien de kinderen maakten.

En toch waren ze ook al weer blij, toen ze de spoorlijn zagen. Want nu.... ja, nu zouden ze met den trein reizen, met den trein, die er zoo holderdebolder van door ging....!

Dat was nog wat anders dan met een wagen; nou, of!

„Hoera, hoera!” jubelden alle kinderen, toen de trein het station verliet.

„Dag Harms, tot van avond!” riepen twee jongens- en twee meisjesstemmen.

„Veel plezier!” schreeuwde de boer. Maar de kinderen verstonden hem niet meer.

„Daar gaan we heen,” zei Nel, en haar oogen schitterden. Het landschap scheen voorbij te vliegen.

Alle kinderen keken naar de telegraafpalen en de draden. Wat bogen die prachtig; kijk, tot onder de raampjes. Maar dan ineens: roef, daar glierden ze de hoogte in.

De zon scheen heerlijk boven de lage graslanden, waarin bonte koeien langzaam liepen. Ze holden niet op een drafje weg: ze waren al gewend aan den rammelenden trein.

Elk station werd door de kinderen met gejubel begroet. De reizigers, die in- of uitstapten, lachten en wuifden met de handen. Ze waren allemaal even aardig; en de conducteurniet minder. Zelfs de courantenjongen trok een grappig gezicht.

„Wat is het toch heerlijk om zoo te reizen; vind je niet?” vroeg Kee.

„Nou!” antwoordde Nel.

Samen stonden ze voor een portierraam.

„Voorzichtig, Kee; straks waaien je krullen weg,” zei meester. Meteen voelde hij eens, of 't portier wel goed gesloten was.

„Hoe vind je de wereld?” vroeg hij.

„Mooi, prachtig, heerlijk,” riepen eenige stemmen door elkaar.

„Maar Jo moet een beetje z'n hoofd naar binnen trekken. Kom eens hier, kameraad!” zei meester.

Jo kwam.

„Geef me je hand eens! Ja, dat had je niet gedacht, hé, dat ik de toekomst voorspellen kon.”

„Dat kan u ook niet,” lachte Jo.

Een stuk of wat neuzen werden naar meester en Jo toegedraaid.

„Of ik dat kan! Je hebt een verkeerde lijn in je hand, baasje. Je verliest je geld, of je scheurt je broek, of je loopt in een sloot.... Wees maar voorzichtig!”

De kinderen lachten.

„U weet er niets van,” riepen ze.

„'t Gebeurt vast,” zei meester. Maar hij trok daarbij zoo'n lachend gezicht, dat toch niemand hem geloofde.

„Kijk, nu gaan we om Zwolle heen; daar heb je den watertoren!”

Alle oogen gluurden weer naar buiten.

De trein draaide, en draaide, maar eindelijk stoomde hij tusschen een massa rails door.

„Rrrrrrr” deden de remmen. Een schok en „Zwolle, Zwolle”, riep de conducteur.

Even later stonden meester en juffrouw met d'r kinderen op het perron. En nog wat later trokken ze door de stad. „Mooi”, riepen de jongens en meisjes, en ze bewonderden de Sassenpoort.

„Mooi”, herhaalden ze, en ze wandelden door de Diezerstraat. Toen ze de stad bekeken hadden, kuierden ze naar buiten. Want ze wilden naar den IJsel.

Ze gingen door een prachtig park: het Engelsche werk heette het. Allemaal vijvers en brugjes en eilandjes en boomen!

Daar kwamen ze op een hoogte aan.

„Om 't hardst, jongens; wie 't eerst bij dat brugje is!”

En meteen zette Jo het op een loopen; en Klaas volgdehem en al de andere jongens ook. Zelfs sommige meisjes holden achter hen aan.

Dat was me een gedraaf!

En schreeuwen, dat de bengels deden!

Jo bleef voor. Vlak achter zich hoorde hij z'n kameraden hijgen en razen.

Nog een paar stappen, dan had hij 't gewonnen.

„Hoera!” riep hij, en meteen zou hij de leuning van het brugje grijpen.

Maar op hetzelfde oogenblik kwam z'n voet tegen den grasrand. Hij struikelde, verloor het evenwicht, en....

„Ploemp”, klonk het in den vijver.

„Help!” schreeuwde een jongensstem.

„Help, help!” riepen al de andere, zoodat de meester en de juffrouw op een draf kwamen aanloopen.

Gelukkig was de vijver erg ondiep.

Jo scharrelde overeind, terwijl hij een deuntje huilde.

Het kroos plekte op z'n kleeren en kleefde aan z'n haren.

Klaas stak hem een hand toe, en trok hem tegen den graswal op.

Het water droop den jongen overal uit; geen wonder, hij was kopjen onder geweest.

„Daar staan we nu”, zei meester. „Wat nu?”

Ja, wat moesten ze nu doen?

De een keek den ander aan, maar niemand wist het.

Zoo stonden ze rondom den druipenden drenkeling heen.

En die drenkeling keek wèl zoo bedroefd. Al zijn plezier was verdwenen.

„'t Best zal wel zijn, dat je alles uittrekt”, zei meester eindelijk.

„En dan in je bloote velletje met ons mee”, riep een van de jongens.

Nou, dat was toch al te gek, vonden de kinderen. En allemaal lachten ze, zoo hard ze konden. Jo zelf kon zich niet goed houden; hij proestte het ineens uit. Maar dadelijk keek hij weer ernstig, want het geval was naar genoeg.

„Nee”, zei meester, en hij lachte ook eventjes, „dat niet. Maar als Jo z'n kleeren uittrekt daar achter dat boschje, dan kan ik ze voor hem uitwringen. Als ze dan een uurtje in de zon liggen, zijn ze droog. Jullie kunt wel doorgaan, want de juffrouw kent den weg evengoed als ik.”

„Ja”, zei de juffrouw, „zoo kan het. En dan komen we straks weer hier bij u langs.”

„Maar meester, dan ziet Jo den IJsel niet”, riep Klaas.

„Nee, maar 't kan niet anders, ventje!”

„Hij kan mijn jas wel aandoen, meester. Ik draag er nog een blouse onder, zie maar!”

Klaas trok z'n jasje los.

„Aan een jas alleen heeft hij niet veel.”

Dat was waar.

„Maar als een ander hem nou ook wat geeft!”

Dat was een idee!

„Wie heeft wat over?” vroeg meester.

Een jongen was er, die z'n vestje wel een poos missen kon. Ook was er een, die twee paar kousen droeg, omdat z'n schoenen wat groot waren.

„Maar een broek?”

Ja, die had niemand te veel.

„Als we deze goed uitwringen, kan ik ze wel dragen,” zei Jo.

„Laten we beginnen,” riep meester. „Geeft op, wat jullie over hebt.”

Toen gebeurde er wat vreemds.Een paar jongens trokken d'r kleeren gedeeltelijk uit, net of ze naar bed gingen.

Even later verdween meester met Jo achter een boschje.

't Was een prachtig kleedkamertje. Zoo een had Jo nog nooit gehad.

Daar verscheen 't gezicht van meester om een hoekje.

„Maak z'n schoenen wat droog,” riep hij; „hier zijn ze.”

Klaas veegde ze met gras zoo goed mogelijk uit.

En een andere jongen droogde Jo's hoed wat af.

Daar kwam meester aan.

„Kan ook een van de meisjes haar schort missen?”

„Ik wel, meester,” riepen tien stemmen.

„O, Nel is er immers bij. Geef jij me jou schort maar!”

Nel deed het en meester verdween opnieuw in het groene kleedkamertje.

„Daar komen we aan,” riep hij na een poosje.

„Hoera!” riep een jongen.

„Hoera!” schreeuwden alle kinderen hem na.

En toen lachten ze, dat ze schudden.

Erg verlegen kwam Jo te voorschijn met z'n geleende kousen, z'n natte broek, z'n te ruime jas. Maar het mooist was de schort, die hij droeg. Die had meester om hem heen geslagen en nu kwamen de kantjes boven den kraag van het jasje uit.

„Wat ben je deftig”, lachte Klaas.

„Een piekfijn heertje”, riep een groote jongen.

„Loop heen,” bromde Jo.

Maar al spoedig lachte hij met z'n reisgenooten mee.

„Maar nu de natte kleeren,” zei meester. „Weet je wat, we nemen elk iets mee, en dan leggen we dat straks op den IJseldijk. Daar willen jullie toch wel graag een poosje spelen,en dan kunnen de natte kleeren intusschen droog worden.”

Zoo gebeurde het.

Een jongen liep met Jo's kousen, en een ander met z'n hemd, en nog een ander met z'n jas.... 't Was een prachtige optocht, waarbij vroolijk gezongen werd.

En weet je wat ze zongen?

Een liedje, dat ze zelf gemaakt hadden.

„Niet in z'n bloote velletje,Maar in de schort van Nelletje,Ha—hi, ha—ha, ha—hi, ha—ha,Ha—hi, ha—ha!”

„Niet in z'n bloote velletje,Maar in de schort van Nelletje,Ha—hi, ha—ha, ha—hi, ha—ha,Ha—hi, ha—ha!”

Op den dijk langs den IJsel lag spoedig alles uitgespreid. Het zonnetje brandde er lekker op los en na korten tijd waren de kleeren droog.

Jo dacht er niet eens meer aan. Hij speelde en joelde en draafde met de anderen mee.

En daarbij staken hem steeds de kanten van Nels schort deftig boven z'n jaskraag uit.

Meester en juffrouw zaten lekker in het gras. Toen Jo moe was, rolde hij naast hen neer.

„Hè, ik zweet er van,” zuchtte hij.

„Wees maar wat rustig, anders gebeuren er nog meer ongelukken,” zei meester. „Laat me je hand nog eens zien.”

„Nee, nee,” lachte Jo, en meteen rolde hij den dijk af.

„Maar ik heb toch gelijk gekregen,” riep meester.

„Dat hebt u,” zei Jo, „dat hebt u.”

En hij wentelde zich al verder en verder naar beneden, terwijl hij zong:

„Niet in z'n bloote velletje,Maar in de schort van Nelletje,Ha—hi, ha—ha, ha—hi, ha—ha,Ha—hi, ha—ha!”

„Niet in z'n bloote velletje,Maar in de schort van Nelletje,Ha—hi, ha—ha, ha—hi, ha—ha,Ha—hi, ha—ha!”

Toen de kinderen den IJseldijk een poosje op- en afgerend waren, gingen ze naar het Katerveer. Ze voeren ook even over de rivier heen.

„Nu staan we op de Veluwe,” zei meester.

„Leuk,” dachten de kinderen. „Nou zijn we daar ook geweest.”

En meteen stormden ze weer naar de pont.

Even later waren ze teruggekeerd in Overijsel.

In een speeltuin dronken ze chocolade en toen speelden ze er een paar uren. En Jo verwisselde er van kleeren en gaf terug, wat hij geleend had.

Ziezoo, nu was alles weer in orde!

„Vooruit”, riep meester eindelijk, „naar Zwolle terug. We moeten de groote kerk nog zien.”

Het gebeurde en alle kinderen stonden verbaasd over den mooien preekstoel. En nog meer over de wonderbaarlijke trap, die er was.

„Brr”, zei Nel, „'t lijkt wel een afgrond. Ik zou door zoo'n koker niet graag omhoog klimmen.”

„Dat mag je ook niet eens”, zei Kee. „Nietwaar, meester?”

„Ik denk ook van niet. En als de koster 't hebben wou, dan stond ik het nog niet toe. 't Is veel te gevaarlijk, en ik wil jullie mee terug nemen naar Breedega, hoor!”

„Geloof maar niet, dat wij achterblijven”, riep Nel.

„Dus bevalt het je nog al in Breedega?”

„Nou, òf!”

De tijd schoot intusschen op.

„Kinderen, we moeten naar huis terug”, zei meester. „Als we nu nog een paar straten bezien, komen we op tijd aan 't station.”

Allemaal verlieten ze de kerk en gingen in de richting van de spoorlijn. Na een klein half uur bereikten ze het station.

Gelukkig, de trein stond gereed. Maar er was tijd genoeg, om een plaatsje te zoeken.

„Haast u maar niet”, zei een conducteur. „'t Duurt nog wel een minuut of tien voor we vertrekken.”

Meester telde z'n kindertjes eens na. Hij wist wel, dat er niet een ontbrak, maar toch.... Je kon nooit weten!

Dus telde hij.

Wat was dat? Twee te weinig?

Nog eens geteld!

Opnieuw telde meester twee neuzen minder, dan er moesten zijn.

Hij schrok.

„Juffrouw, telt u ook eens! Er ontbreken twee kinderen, geloof ik.”

„Dat zult u wel mis hebben. Ik heb altijd goed opgelet, maar niemand bleef achter, of ging vooruit.”

De juffrouw telde.... Twee te weinig!

Het zweet brak den meester uit.

„Wie mist er?” riep hij. „Die moet den vinger opsteken! Och nee...., toe kinderen, kijkt eens goed rond!”

Nu zocht en telde iedereen.

„Meester, Nel is er niet,” schreeuwde Jo zoo hard hij kon.

„En Kee ook niet,” riep Klaas.

De oogen van meester en juffrouw gleden over het groepje kinderen heen. Geen Nel.... geen Kee!

„Meneer, 't wordt tijd om in te stappen,” zei de conducteur.

Meester wist niet, wat hij doen zou.

„Kinderen, stapt in,” riep hij eindelijk. „Vlug!”

Heel ordelijk ging alles toe. Zelfs de drukste jongen was nu onder een pijpedopje te vangen. Want iedereen dacht: „Hoe zal dat afloopen?”

„Juffrouw, nu gaat u met deze kinderen naar huis,” zei meester. „Ik ga de stad in om Kee en Nel te zoeken. Als ik ze gevonden heb, stuur ik dadelijk een telegram. En dan komen we met den laatsten trein terug.”

„Klets, klets,” deden de portieren.

„Past er op; klets, klets!”

De conducteur zette z'n fluitje aan de lippen....

En wie kwamen daar op het aller-laatste oogenblik nog aanstormen....?

Nel en Kee!

„Gelukkig!” riep meester.

„Gelukkig!” zuchtten een heele boel monden.

„Vlug wat!” riep de conducteur. Hij ontsloot een portier, meester en de twee meisjes stapten in, en....

Daar gilde het fluitje, daar steunde de locomotief, en daar reed de trein heen.

„Waar komen jullie van daan?” vroeg meester. Hij was kwaad.

Kee begon te stotteren: „Meester...., we...., we....”

„Vooruit, zeg op!”

„We.... we.... zijn in een.... winkel geweest....”

„In een winkel! Schaam je je niet? Begrijp je niet, hoe ongerust we waren? En jij.... jij....”

Meester begon ook te stotteren.

„En wat moest je in dien winkel? Snoepen?”

„Nee, meester,” klonk het zacht en half schreiend.

„Ja, nou zit je allebei met tranen in je oogen. Nou heb je spijt; maar je had eerder moeten nadenken. 't Is geen manier van doen. Maar je hebt nog niet geantwoord: wat moest je in dien winkel?”

„We hadden..... hadden..... nog..... niets..... voor moeder..... en toen..... toen..... hebben we.....”

„Nou, nou, houd maar op, ik hoor het al,” zei meester.

Een poosje nog bleef het stil en drukkend in den wagen.

Toen zei meester: „Nu praten we er maar niet meer over....., omdat het voor jullie moeders was..... Vooruit kinders, zingen!” Hij zelf zette in en weldra stroomde een krachtig gezang uit de openstaande portierramen.

Bij het station stonden de wagens al gereed.

De kinderen zagen ze in de verte reeds staan.

„Hoera, hoera, hoera!” riepen ze en ze wuifden tegen de wachtende boeren.

Daar knarsten de remmen, een schok—en de trein stond stil.

„Welkom thuis,” zei Harms. „Hebben jullie plezier gehad?”

„Ja,” riepen verscheiden monden. En toen haastten alle kinderen zich een plaats te zoeken.

„Wij komen weer bij u,” zei Jo tegen Harms.

„Wel, wel, halve dubbele twee, dat doet me plezier. Is de andere helft misschien verloren gegaan?”

„Nee,” zei Kee, „hier zijn we al.”

En meteen stapte ze in den wagen.

„Ze waren bijna in Zwolle gebleven, Harms.” En Klaas vertelde, wat er gebeurd was.

„Jonge, jonge, jonge,” zei de boer. „Zulke ondeugende nesten. Ja, ja, die dames....!”

En hij schudde het hoofd,—maar hij lachte meteen.

Alle kinderen hadden een plaats gevonden.

„Klaar?” vroeg meester. „Ja! Vooruit dan maar!”

Meteen wipte hij op een wagen en daar ging het heen.

't Was een prachtige rit in den stillen avond.

De zon naderde de kimmen en bescheen alles met een rood licht.

Zelfs de weiden leken niet groen meer.

Het rosse licht flikkerde in de ruiten van de huizen langs den weg.

't Was eenig mooi.

En daarbij streelde een frisch windje de warme gezichten van de kinderen.

„Hoe komt het, zal er niet gezongen worden? Of zijn jullie treurig, omdat je naar huis teruggaat?” vroeg Harms.

„Nee, dat niet”, riepen de kinderen.

En, ze zongen op den stootenden, ratelenden, wagen tot ze niet meer konden.

Eindelijk bereikten ze Breedega. Het geheele dorp was opde been. Want iedereen wou zien, hoe vroolijk de kinderen terugkeerden.

Voor elke woning bijna werd „hoera” geroepen. En de dorpelingen riepen even luid terug: „hoera, hoera!”

„Ziezoo, we zijn er”, zei Harms.

Alle wagens bleven stil staan en de kinderen stapten op den grond.

„Allemaal op de speelplaats”, riep meester. „We willen nog één liedje zingen.”

Een paar minuten later stonden jongens en meisjes in twee groepen en zongen met vroolijke stemmen een lied.

„Terugkomst” heette het.

En toen dat uit was, riep meester:

„Nu bedanken we nog even de mannen, die ons gebracht en gehaald hebben.”

Daar daverde het heen:

„Lang zullen ze leven,Lang zullen ze leven,Lang zullen ze leven in de gloria.”

„Lang zullen ze leven,Lang zullen ze leven,Lang zullen ze leven in de gloria.”

En toen zocht elk kind z'n eigen huis op, moe—maar tevreden.

Hoera, hoera, daar zijn we weer;Geen onzer, die er mist:De meester, die ons telde, heeftZich stellig niet vergist.De juffrouw is steeds voorgegaan,De meester, die kwam achteraan;Zoo trokken wij vol blijden zinDe wijde wereld in.Hoera, hoera, daar zijn we weer;Wij hebben pret gehad:Het weer was goed, de lucht was klaar,En prachtig was de stad.Wij hadden alles graag gekocht,Wat daar te zamen was gezocht;Maar meester zei: „Dat 's al te kras,Zoiets komt niet te pas.”Hoera, hoera, daar zijn we weer,Vol chocolade en koek;Geen onzer heeft, geloof het maar,Een vlek op schort of broek.Precies als we zijn heengegaan,Zoo komen we hier bij u aan;Ons mist geen nagel of geen haar,'t Is eerlijk, eerlijk waar.Hoera, hoera, daar zijn we weer,Blij na deez' blijden dag;Straks zeggen w' in ons eigen huis,Wat elk wel hoorde en zag.Hebt nog een oogenblik geduld,Wij wedden, dat ge hooren zult:„'t Was eenig mooi; een volgend keerDan gaan we graag eens weer.”

Hoera, hoera, daar zijn we weer;Geen onzer, die er mist:De meester, die ons telde, heeftZich stellig niet vergist.De juffrouw is steeds voorgegaan,De meester, die kwam achteraan;Zoo trokken wij vol blijden zinDe wijde wereld in.

Hoera, hoera, daar zijn we weer;Wij hebben pret gehad:Het weer was goed, de lucht was klaar,En prachtig was de stad.Wij hadden alles graag gekocht,Wat daar te zamen was gezocht;Maar meester zei: „Dat 's al te kras,Zoiets komt niet te pas.”

Hoera, hoera, daar zijn we weer,Vol chocolade en koek;Geen onzer heeft, geloof het maar,Een vlek op schort of broek.Precies als we zijn heengegaan,Zoo komen we hier bij u aan;Ons mist geen nagel of geen haar,'t Is eerlijk, eerlijk waar.

Hoera, hoera, daar zijn we weer,Blij na deez' blijden dag;Straks zeggen w' in ons eigen huis,Wat elk wel hoorde en zag.Hebt nog een oogenblik geduld,Wij wedden, dat ge hooren zult:„'t Was eenig mooi; een volgend keerDan gaan we graag eens weer.”


Back to IndexNext