IV.

IV.De oude Eirik of Erik was een geducht persoon. Voor vele jaren had hij Groenland ontdekt, en hij was daarheen verbannen, omdat hij zijn tegenpartij in een twist gedood had. De tijd van zijn verbanning, drie jaar naar het schijnt, was lang verstreken maar hij verlangde niet naar IJsland terug te keeren, daar hij zich in de kleine kolonie, die hij zelf gesticht had, geheel thuis gevoelde.Toen de Noormannen, ongeveer een eeuw voordat onze geschiedenis aanvangt, hun land verlaten en zich op IJsland gevestigd hadden, hadden zij hun Scandinavische overleveringen en geschiedenissen medegebracht, die van het eene geslacht op het andere waren overgegaan in Denemarken, Noorwegen en Zweden. Zij waren genoodzaakt geweest zich te verdedigen tegen het despotisme van koning Harold Hárfage of Harold Schoonhaar, en tot op dezen dag hebben de IJslanders de taal van oud Scandinavië in al haar zuiverheid bewaard. Ook zijn de IJslanders steeds afkeerig gebleven van de koninklijke waardigheid. Zij waren en zijn republikeinen en van de negende tot de dertiende eeuw was IJsland het eenige land in Europa, waar de bewoners burgerlijke en godsdienstige vrijheid genoten.Olaf Tryggvason was in den loop zijner regeering in de gelegenheid geweest den IJslanders eenige hulp te verleenen, en daarom werd hij door hen beschouwd als hun vriend en beschermheer, en zelfs bij sommige moeielijkheden zijn tusschenkomst ingeroepen. Zoo geschiedde het ook dat Eirik, de Roode, zijn tusschenkomst inriep in zijn twist, maar tot zijn groote verbazing had de koning hem in ’t ongelijk gesteld. Daardoor had Eirik een afkeer gekregen van den koning en hij vond het veel aangenamer om als een patriarch op Groenland te wonen, dan naar Noorwegen of IJsland terug te keeren.Leif was hem de liefste van al zijn zonen. Al was hij reeds dertig jaar oud, hij toonde steeds den noodigen kinderlijken eerbied. Het doel van zijn bezoek was nu om hem over te halen naar Groendal te komen om met hem en zijn broeder den Joeltijd te vieren, en ook om zijn zegen te vragen op het huwelijk, dat hij voornemens was te sluiten.De oude Eirik was een Heiden, een zoon van Odin van den ouden stempel, en hij werd bitter, als hij er van sprak, hoe zijn zonen het oude geloof hadden verzaakt en Christenen geworden waren. Toen Leif dus trachtte hem over te halen om ook Christen te worden, werd de oude man woedend en sprak:„Ik ben reeds gedoopt, maar in het bloed mijner verslagen vijanden. Zou water meer voor mij doen dan bloed? Neen Leif! Thor rijdt nog altijd met zijn wagen al donderend door de lucht, en Odin leeft eeuwig in Walhalla!”Dit antwoord sloot den jongen man den mond, maar bracht zijn geloof niet aan ’t wankelen, en hij hoopte dat de tijd het bekeeringswerk veel beter zou volbrengen dan hij het doen kon.Op den avond van den dag, waarop ’s morgens dit tooneel tusschen vader en zoon had plaats gehad, liet Byarn in de fjordhet anker vallen. Deze gebeurtenis gaf zooveel reden tot blijdschap, dat alle bitterheid geweken was. De geheele bemanning werd in Eirik’s hal verzocht en spoedig bogen de tafels onder het gewicht van spijs en drank. Nu gebeurde het dat een van Eirik’s mannen schertsend de opmerking maakte, dat Byarn’s scheepsvolk er zoo welgedaan uitzag.„Zij bezitten zeker het geheim om van de lucht te leven, of om vleesch zoo te bewaren dat het goed blijft,” zei Eirik. „Byarn, leert de Christelijke godsdienst u om zonder voedsel te leven? Bij Thor, dan word ik Christen, wanneer gij maar wilt.”Deze spotternij was te veel voor Byarn. Hij liet zijn besluit van geheimhouding varen en sprak:„Graaf Eirik Thorwaldson! De Christen lijdt geen gebrek aan het noodige, zooals gij daar juist gezegd hebt, maar in onze dagen geschieden geen wonderen meer om den menschen voedsel te verschaffen.”„Zeg mij dan eens, welke middelen gij gevonden hebt om uw scheepsvolk het noodige te verschaffen. Ik zou dat voedsel wel eens willen proeven.”„Eirik Thorwaldson! gij kunt het proeven als gij wilt. Zult gij aan boord komen of zullen wij het hier brengen?”„Zwommen er dan dieren naar uw schip toe om gedood te worden, of waren zij soms al gebraden?”Byarn kon niet langer zwijgen. „Graaf!” riep hij, „ik zeide u dat er in ’t geheel geen wonder gebeurd is. Twijfelt gij aan mijn woorden?”„In ’t geheel niet, vriend Byarn! Ik wil slechts weten welk geheim gij kent om op zee versch vleesch te verkrijgen.”„Wij kregen het op het land!”„Welk land? Ten westen van Groenland wordt geen land meer gevonden; hier is het eind der aarde!”Toen sprak Leif tot zijn Vader:„Eirik Thorwaldson, herinner u dat dertig jaar geleden de menschen niet meer van Groenland wisten, dan wij van andere landen, die mogelijk ten westen liggen, en vele jaren voordat gij zelf Groenland ontdektet, werd IJsland op dezelfde wijze gevonden.”Deze woorden schenen den ouden heiden toch te treffen, want na een oogenblik zeide hij:„Wel, wij moeten maar eerst het voedsel proeven en zien wat dit nieuw ontdekte land oplevert.”Leif was verheugd over de goede stemming, waarin zijn vader zich nu bevond, en bracht het gesprek op Olaf Tryggvason, koning van Noorwegen, over wiens belangstelling de oude man zich zeer gestreeld voelde, hoewel hij te trotsch was om het te toonen. Het overige van den avond werd vroolijk doorgebracht en toen werden de lieden voorzien van berenhuiden en zeehondenvellen, om zich ter ruste te leggen.Den volgenden morgen ging Eirik de Sleipner bezichtigen. Hij prees de sterkte en den bouw van het schip, maar wat hem het meest verwonderde was een half dozijn herten, van een soort, in IJsland en Noorwegen onbekend.„Wat! Hebt gij deze dieren meegebracht?”„Ja graaf! maar wij hebben nog meer;” zei Byarn, „haal den vogel eens, Edrik!”De knaap klom vlug naar beneden, en kwam spoedig terug met een Amerikaanschen spotvogel, wiens pooten hij had vastgebonden met lederen banden. De vogel kon vliegen, maar niet ontvluchten, terwijl het zachte leder maakte dat hij zich niet kon bezeeren. Edrik gaf Byarn den vogel in de hand.Eirik bekeek den vogel met eenige verbazing, die nog toenam, toen hij eerst den nachtegaal nabootste en vervolgens begon te kirren als een duif.„Van zulke zeldzame dieren heb ik zelfs niet gedroomd!” zeide Eirik.Toen ging Edrik weer heen en keerde terug met een jongen hond op den arm. Het dier was geheel zwart en zijn haar krulde zooals dat van een schaap. De hond was bijzonder goedaardig en toonde zijn genegenheid op zulk een rumoerige wijze, dat Edrik hem bijna niet houden kon, want hoewel nog heel jong, was het dier reeds vrij groot.Zoodra graaf Eirik den hond zag, begon hij luidkeels te lachen. Hij nam het levende bundeltje wol in de armen en liefkoosde het.„Hoe zijt gij aan dien hond gekomen?”„Op een keer, toen wij aan land gingen, zagen wij een troep groote zwarte honden,” antwoordde Byarn. „Zoodra zij ons echter in ’t oog kregen, vluchtten zij het binnenland in. Een bleef eenigszins achter; hij kon niet zoo gauw loopen, omdat hij dit jong in den bek had. Oleg van de Scaur doodde de moeder met een pijl, en kleine Edrik redde het jong, bracht het aan boord en voedde het met eigen hand. Nu denkt het kleine monster dat Edrik zijn moeder is, geloof ik!”„Bij den hamer van Thor!” riep Eirik, „zoo’n hond heb ik nog nooit gezien. In Lapland heb ik honden gezien, die men voor sleden had gespannen; in Noorwegen waren wolfshonden, en in Denemarken de groote geel-bruine doggen, maar zoo’n bundel wol, ha, ha!.... Ik ga mee, jongens! als gij terugkeert om dat land weer te bezoeken. Het moet daar beter zijn dan op ons Groenland, waar de dieren schaars zijn, behalve in den zomer. Was er veel ijs, Byarn?”„Ja, dicht bij het eerste land, dat wij in ’t gezicht kregen, maar na twee dagen zeilens, daar, waar wij aan land gingen, was in ’t geheel geen ijs te zien.”„Wel, ik dacht dat mijn dagen op zee reeds geteld waren, maar bij Odin’s baard! ik stel heel veel belang in dit alles. Hoe heet die hond?”„Ik heb hem Njord genoemd, graaf!”Latere gebeurtenissen bewezen dat de naam van den Zeegod Njord voor den hond bijzonder goed gekozen was.Onder zijn koel uiterlijk, zijn kalme blauwe oogen, zijn breed voorhoofd en bijna vlasblond haar, bezat Edrik een warm en vriendelijk hart. Toen hij zag hoe de oude Eirik met den hond was ingenomen, ging hij naar hem toe en zeide: „Doe mij het genoegen hem als geschenk van mij aan te nemen. Gij zult hem goed behandelen; neem het dier van mij aan.”„Ik wil u niet van uw hond berooven. Ik dank u evenwel voor uw aanbod even als of ik het had aangenomen! en Eirik, de Roode, vergeet nooit iets.”Hij keerde zich om en ging aan stuurboordzijde van Byarns goed schip, de Sleipner. Hij bezichtigde den breeden boeg en hoog uitstekenden achtersteven. Het schip werd beschut door een bekleedsel van dik eikenhout, van bronzen platen voorzien, om beter weerstand te kunnen bieden aan de drukking van het ijs, waardoor de Noorsche schepen in den herfst en in den vroegen zomer hun weg moesten banen.„Gij zijt niet veel met het ijs in aanraking geweest, Byarn!” zei hij, na een nauwkeurig onderzoek. „Dat verwondert mij, want de stuurboordzijde van het schip van Leif was bijna ingedrukt.”„Ik geloof dat wij, den weg niet zoo goed wetende als Leif, het ijs misgeloopen hebben.”„Bij Odin’s baard! Het is zeer vreemd! Een nieuw land! Hebt gij aan wal ook menschen gezien! Waren er geen Laplanders, geen Finnen of Eskimo’s?”„Neen, wij hebben er geen gezien en om de waarheid te zeggen, zou ik niet van dat land gesproken hebben, als het niet noodig was geweest. Ik schaamde mij dat ik de Rolf Krake gemist had, en ik meende dat gij mij niet zoudt gelooven.”„Gij ziet dat die hond mij overtuigd heeft. Bij Odin’s baard! wat kan dat dier rollen. Hij heeft iets van het jong van den bruinen beer en van een vet lam, en toch lijkt hij op geen van beiden!”Leif verheugde zich over de blijdschap van zijn vader en was zijn neef recht dankbaar. Hij wist niet hoeveel moeite de knaap gehad had om Byarn te bewegen aan boord een plaatsje voor den hond in te ruimen. Hij maakte nu van de opgeruimde stemming van zijn vader gebruik om hem te verzoeken mee naar Groendal te gaan, en van daar naar Noorwegen om Olaf Tryggvason te bezoeken.„Neen, jongen!” zei de oude man, „ik geef niet meer om koningen. Spoedig zal ik in Walhalla zijn, maar wel wil ik uw broeder Sigvald bezoeken en zien hoe hij het maakt in zijn gelukkig tehuis!„Is het dan uw verlangen niet New-Foundland te zien, als wij de volgende lente daarheen terugkeeren?”„Mijn zoon, misschien ben ik dan niet meer bij u; wij moeten niet te vroeg plannen maken. Hij, die dat doet, is een dwaas, dien de goden altijd teleurstellen. Toch zou ik het land wel eens willen bezoeken waar zulke honden leven. Kijk eens Leif! Bij Thor! daar gaat hij over boord!”Zoo was het; bij een zijner dolle sprongen rolde het dier inhet water. Allen aan boord hielden den adem in, in afwachting van wat nu gebeuren zou. Edrik wierp zijn overkleed af en maakte zich gereed om het dier na te springen, maar hij wachtte even toen hij zag, hoe prachtig de hond zwom. Hij scheen zich in het water veel meer thuis te gevoelen dan op het dek, en het bad scheen hem heel goed te bevallen.1In het volgend, oogenblik sprong Edrik hem achterna om hem tegen de haaien te beschermen, die de zee aan de kust van Groenland onveilig maken.Op het oogenblik, dat de knaap in het water sprong, schoot een monster van meer dan tien voet lengte op hem toe. De mannen aan boord riepen hem toe: „Pas op!”—„De haai!”—„Zwem naar het land!”—„Laat den hond maar aan hem over!” doch deze laatste raadgeving kon moeielijk opgevolgd worden, want toen Edrik in het water sprong had de hond zich omgekeerd en diens kleederen tusschen zijn tanden genomen, in de gedachte dat het zijn plicht was zijn meester boven water te houden.De haai was vlak bij den knaap, toen de speer van den ouden Eirik hem met zooveel juistheid trof, dat het water rood gekleurd werd door het bloed van het monster.Byarn wierp een touw over de verschansing en riep: „Gauw Edrik! laat den hond maar aan zijn lot over!”Maar daar was Edrik de jongen niet naar. Hij wilde den hond niet opofferen, die juist getoond had hoe hij zijn best deed om hem te redden. Hij greep dus met de eene hand het touw, terwijl hij met de andere Njord tegen zich aandrukte, en riep den mannen toe hem op te trekken.„Laat dan toch dien hond los!” riep graaf Eirik opgewonden uit, „gij kunt het touw zoo niet blijven vasthouden!”„Trekken daar!” riep Edrik, „ik wou dat het domme dier ophield met mij te likken. Wij vallen beiden nog naar beneden.”Doch hij hield stevig vast; een paar mannen bukten over de verschansing en namen den hond van hem aan, en eenige seconden later stond Edrik veilig op het dek.1De New-Foundlandsche honden zijn als echte zwemmers bekend.

IV.De oude Eirik of Erik was een geducht persoon. Voor vele jaren had hij Groenland ontdekt, en hij was daarheen verbannen, omdat hij zijn tegenpartij in een twist gedood had. De tijd van zijn verbanning, drie jaar naar het schijnt, was lang verstreken maar hij verlangde niet naar IJsland terug te keeren, daar hij zich in de kleine kolonie, die hij zelf gesticht had, geheel thuis gevoelde.Toen de Noormannen, ongeveer een eeuw voordat onze geschiedenis aanvangt, hun land verlaten en zich op IJsland gevestigd hadden, hadden zij hun Scandinavische overleveringen en geschiedenissen medegebracht, die van het eene geslacht op het andere waren overgegaan in Denemarken, Noorwegen en Zweden. Zij waren genoodzaakt geweest zich te verdedigen tegen het despotisme van koning Harold Hárfage of Harold Schoonhaar, en tot op dezen dag hebben de IJslanders de taal van oud Scandinavië in al haar zuiverheid bewaard. Ook zijn de IJslanders steeds afkeerig gebleven van de koninklijke waardigheid. Zij waren en zijn republikeinen en van de negende tot de dertiende eeuw was IJsland het eenige land in Europa, waar de bewoners burgerlijke en godsdienstige vrijheid genoten.Olaf Tryggvason was in den loop zijner regeering in de gelegenheid geweest den IJslanders eenige hulp te verleenen, en daarom werd hij door hen beschouwd als hun vriend en beschermheer, en zelfs bij sommige moeielijkheden zijn tusschenkomst ingeroepen. Zoo geschiedde het ook dat Eirik, de Roode, zijn tusschenkomst inriep in zijn twist, maar tot zijn groote verbazing had de koning hem in ’t ongelijk gesteld. Daardoor had Eirik een afkeer gekregen van den koning en hij vond het veel aangenamer om als een patriarch op Groenland te wonen, dan naar Noorwegen of IJsland terug te keeren.Leif was hem de liefste van al zijn zonen. Al was hij reeds dertig jaar oud, hij toonde steeds den noodigen kinderlijken eerbied. Het doel van zijn bezoek was nu om hem over te halen naar Groendal te komen om met hem en zijn broeder den Joeltijd te vieren, en ook om zijn zegen te vragen op het huwelijk, dat hij voornemens was te sluiten.De oude Eirik was een Heiden, een zoon van Odin van den ouden stempel, en hij werd bitter, als hij er van sprak, hoe zijn zonen het oude geloof hadden verzaakt en Christenen geworden waren. Toen Leif dus trachtte hem over te halen om ook Christen te worden, werd de oude man woedend en sprak:„Ik ben reeds gedoopt, maar in het bloed mijner verslagen vijanden. Zou water meer voor mij doen dan bloed? Neen Leif! Thor rijdt nog altijd met zijn wagen al donderend door de lucht, en Odin leeft eeuwig in Walhalla!”Dit antwoord sloot den jongen man den mond, maar bracht zijn geloof niet aan ’t wankelen, en hij hoopte dat de tijd het bekeeringswerk veel beter zou volbrengen dan hij het doen kon.Op den avond van den dag, waarop ’s morgens dit tooneel tusschen vader en zoon had plaats gehad, liet Byarn in de fjordhet anker vallen. Deze gebeurtenis gaf zooveel reden tot blijdschap, dat alle bitterheid geweken was. De geheele bemanning werd in Eirik’s hal verzocht en spoedig bogen de tafels onder het gewicht van spijs en drank. Nu gebeurde het dat een van Eirik’s mannen schertsend de opmerking maakte, dat Byarn’s scheepsvolk er zoo welgedaan uitzag.„Zij bezitten zeker het geheim om van de lucht te leven, of om vleesch zoo te bewaren dat het goed blijft,” zei Eirik. „Byarn, leert de Christelijke godsdienst u om zonder voedsel te leven? Bij Thor, dan word ik Christen, wanneer gij maar wilt.”Deze spotternij was te veel voor Byarn. Hij liet zijn besluit van geheimhouding varen en sprak:„Graaf Eirik Thorwaldson! De Christen lijdt geen gebrek aan het noodige, zooals gij daar juist gezegd hebt, maar in onze dagen geschieden geen wonderen meer om den menschen voedsel te verschaffen.”„Zeg mij dan eens, welke middelen gij gevonden hebt om uw scheepsvolk het noodige te verschaffen. Ik zou dat voedsel wel eens willen proeven.”„Eirik Thorwaldson! gij kunt het proeven als gij wilt. Zult gij aan boord komen of zullen wij het hier brengen?”„Zwommen er dan dieren naar uw schip toe om gedood te worden, of waren zij soms al gebraden?”Byarn kon niet langer zwijgen. „Graaf!” riep hij, „ik zeide u dat er in ’t geheel geen wonder gebeurd is. Twijfelt gij aan mijn woorden?”„In ’t geheel niet, vriend Byarn! Ik wil slechts weten welk geheim gij kent om op zee versch vleesch te verkrijgen.”„Wij kregen het op het land!”„Welk land? Ten westen van Groenland wordt geen land meer gevonden; hier is het eind der aarde!”Toen sprak Leif tot zijn Vader:„Eirik Thorwaldson, herinner u dat dertig jaar geleden de menschen niet meer van Groenland wisten, dan wij van andere landen, die mogelijk ten westen liggen, en vele jaren voordat gij zelf Groenland ontdektet, werd IJsland op dezelfde wijze gevonden.”Deze woorden schenen den ouden heiden toch te treffen, want na een oogenblik zeide hij:„Wel, wij moeten maar eerst het voedsel proeven en zien wat dit nieuw ontdekte land oplevert.”Leif was verheugd over de goede stemming, waarin zijn vader zich nu bevond, en bracht het gesprek op Olaf Tryggvason, koning van Noorwegen, over wiens belangstelling de oude man zich zeer gestreeld voelde, hoewel hij te trotsch was om het te toonen. Het overige van den avond werd vroolijk doorgebracht en toen werden de lieden voorzien van berenhuiden en zeehondenvellen, om zich ter ruste te leggen.Den volgenden morgen ging Eirik de Sleipner bezichtigen. Hij prees de sterkte en den bouw van het schip, maar wat hem het meest verwonderde was een half dozijn herten, van een soort, in IJsland en Noorwegen onbekend.„Wat! Hebt gij deze dieren meegebracht?”„Ja graaf! maar wij hebben nog meer;” zei Byarn, „haal den vogel eens, Edrik!”De knaap klom vlug naar beneden, en kwam spoedig terug met een Amerikaanschen spotvogel, wiens pooten hij had vastgebonden met lederen banden. De vogel kon vliegen, maar niet ontvluchten, terwijl het zachte leder maakte dat hij zich niet kon bezeeren. Edrik gaf Byarn den vogel in de hand.Eirik bekeek den vogel met eenige verbazing, die nog toenam, toen hij eerst den nachtegaal nabootste en vervolgens begon te kirren als een duif.„Van zulke zeldzame dieren heb ik zelfs niet gedroomd!” zeide Eirik.Toen ging Edrik weer heen en keerde terug met een jongen hond op den arm. Het dier was geheel zwart en zijn haar krulde zooals dat van een schaap. De hond was bijzonder goedaardig en toonde zijn genegenheid op zulk een rumoerige wijze, dat Edrik hem bijna niet houden kon, want hoewel nog heel jong, was het dier reeds vrij groot.Zoodra graaf Eirik den hond zag, begon hij luidkeels te lachen. Hij nam het levende bundeltje wol in de armen en liefkoosde het.„Hoe zijt gij aan dien hond gekomen?”„Op een keer, toen wij aan land gingen, zagen wij een troep groote zwarte honden,” antwoordde Byarn. „Zoodra zij ons echter in ’t oog kregen, vluchtten zij het binnenland in. Een bleef eenigszins achter; hij kon niet zoo gauw loopen, omdat hij dit jong in den bek had. Oleg van de Scaur doodde de moeder met een pijl, en kleine Edrik redde het jong, bracht het aan boord en voedde het met eigen hand. Nu denkt het kleine monster dat Edrik zijn moeder is, geloof ik!”„Bij den hamer van Thor!” riep Eirik, „zoo’n hond heb ik nog nooit gezien. In Lapland heb ik honden gezien, die men voor sleden had gespannen; in Noorwegen waren wolfshonden, en in Denemarken de groote geel-bruine doggen, maar zoo’n bundel wol, ha, ha!.... Ik ga mee, jongens! als gij terugkeert om dat land weer te bezoeken. Het moet daar beter zijn dan op ons Groenland, waar de dieren schaars zijn, behalve in den zomer. Was er veel ijs, Byarn?”„Ja, dicht bij het eerste land, dat wij in ’t gezicht kregen, maar na twee dagen zeilens, daar, waar wij aan land gingen, was in ’t geheel geen ijs te zien.”„Wel, ik dacht dat mijn dagen op zee reeds geteld waren, maar bij Odin’s baard! ik stel heel veel belang in dit alles. Hoe heet die hond?”„Ik heb hem Njord genoemd, graaf!”Latere gebeurtenissen bewezen dat de naam van den Zeegod Njord voor den hond bijzonder goed gekozen was.Onder zijn koel uiterlijk, zijn kalme blauwe oogen, zijn breed voorhoofd en bijna vlasblond haar, bezat Edrik een warm en vriendelijk hart. Toen hij zag hoe de oude Eirik met den hond was ingenomen, ging hij naar hem toe en zeide: „Doe mij het genoegen hem als geschenk van mij aan te nemen. Gij zult hem goed behandelen; neem het dier van mij aan.”„Ik wil u niet van uw hond berooven. Ik dank u evenwel voor uw aanbod even als of ik het had aangenomen! en Eirik, de Roode, vergeet nooit iets.”Hij keerde zich om en ging aan stuurboordzijde van Byarns goed schip, de Sleipner. Hij bezichtigde den breeden boeg en hoog uitstekenden achtersteven. Het schip werd beschut door een bekleedsel van dik eikenhout, van bronzen platen voorzien, om beter weerstand te kunnen bieden aan de drukking van het ijs, waardoor de Noorsche schepen in den herfst en in den vroegen zomer hun weg moesten banen.„Gij zijt niet veel met het ijs in aanraking geweest, Byarn!” zei hij, na een nauwkeurig onderzoek. „Dat verwondert mij, want de stuurboordzijde van het schip van Leif was bijna ingedrukt.”„Ik geloof dat wij, den weg niet zoo goed wetende als Leif, het ijs misgeloopen hebben.”„Bij Odin’s baard! Het is zeer vreemd! Een nieuw land! Hebt gij aan wal ook menschen gezien! Waren er geen Laplanders, geen Finnen of Eskimo’s?”„Neen, wij hebben er geen gezien en om de waarheid te zeggen, zou ik niet van dat land gesproken hebben, als het niet noodig was geweest. Ik schaamde mij dat ik de Rolf Krake gemist had, en ik meende dat gij mij niet zoudt gelooven.”„Gij ziet dat die hond mij overtuigd heeft. Bij Odin’s baard! wat kan dat dier rollen. Hij heeft iets van het jong van den bruinen beer en van een vet lam, en toch lijkt hij op geen van beiden!”Leif verheugde zich over de blijdschap van zijn vader en was zijn neef recht dankbaar. Hij wist niet hoeveel moeite de knaap gehad had om Byarn te bewegen aan boord een plaatsje voor den hond in te ruimen. Hij maakte nu van de opgeruimde stemming van zijn vader gebruik om hem te verzoeken mee naar Groendal te gaan, en van daar naar Noorwegen om Olaf Tryggvason te bezoeken.„Neen, jongen!” zei de oude man, „ik geef niet meer om koningen. Spoedig zal ik in Walhalla zijn, maar wel wil ik uw broeder Sigvald bezoeken en zien hoe hij het maakt in zijn gelukkig tehuis!„Is het dan uw verlangen niet New-Foundland te zien, als wij de volgende lente daarheen terugkeeren?”„Mijn zoon, misschien ben ik dan niet meer bij u; wij moeten niet te vroeg plannen maken. Hij, die dat doet, is een dwaas, dien de goden altijd teleurstellen. Toch zou ik het land wel eens willen bezoeken waar zulke honden leven. Kijk eens Leif! Bij Thor! daar gaat hij over boord!”Zoo was het; bij een zijner dolle sprongen rolde het dier inhet water. Allen aan boord hielden den adem in, in afwachting van wat nu gebeuren zou. Edrik wierp zijn overkleed af en maakte zich gereed om het dier na te springen, maar hij wachtte even toen hij zag, hoe prachtig de hond zwom. Hij scheen zich in het water veel meer thuis te gevoelen dan op het dek, en het bad scheen hem heel goed te bevallen.1In het volgend, oogenblik sprong Edrik hem achterna om hem tegen de haaien te beschermen, die de zee aan de kust van Groenland onveilig maken.Op het oogenblik, dat de knaap in het water sprong, schoot een monster van meer dan tien voet lengte op hem toe. De mannen aan boord riepen hem toe: „Pas op!”—„De haai!”—„Zwem naar het land!”—„Laat den hond maar aan hem over!” doch deze laatste raadgeving kon moeielijk opgevolgd worden, want toen Edrik in het water sprong had de hond zich omgekeerd en diens kleederen tusschen zijn tanden genomen, in de gedachte dat het zijn plicht was zijn meester boven water te houden.De haai was vlak bij den knaap, toen de speer van den ouden Eirik hem met zooveel juistheid trof, dat het water rood gekleurd werd door het bloed van het monster.Byarn wierp een touw over de verschansing en riep: „Gauw Edrik! laat den hond maar aan zijn lot over!”Maar daar was Edrik de jongen niet naar. Hij wilde den hond niet opofferen, die juist getoond had hoe hij zijn best deed om hem te redden. Hij greep dus met de eene hand het touw, terwijl hij met de andere Njord tegen zich aandrukte, en riep den mannen toe hem op te trekken.„Laat dan toch dien hond los!” riep graaf Eirik opgewonden uit, „gij kunt het touw zoo niet blijven vasthouden!”„Trekken daar!” riep Edrik, „ik wou dat het domme dier ophield met mij te likken. Wij vallen beiden nog naar beneden.”Doch hij hield stevig vast; een paar mannen bukten over de verschansing en namen den hond van hem aan, en eenige seconden later stond Edrik veilig op het dek.1De New-Foundlandsche honden zijn als echte zwemmers bekend.

IV.

De oude Eirik of Erik was een geducht persoon. Voor vele jaren had hij Groenland ontdekt, en hij was daarheen verbannen, omdat hij zijn tegenpartij in een twist gedood had. De tijd van zijn verbanning, drie jaar naar het schijnt, was lang verstreken maar hij verlangde niet naar IJsland terug te keeren, daar hij zich in de kleine kolonie, die hij zelf gesticht had, geheel thuis gevoelde.Toen de Noormannen, ongeveer een eeuw voordat onze geschiedenis aanvangt, hun land verlaten en zich op IJsland gevestigd hadden, hadden zij hun Scandinavische overleveringen en geschiedenissen medegebracht, die van het eene geslacht op het andere waren overgegaan in Denemarken, Noorwegen en Zweden. Zij waren genoodzaakt geweest zich te verdedigen tegen het despotisme van koning Harold Hárfage of Harold Schoonhaar, en tot op dezen dag hebben de IJslanders de taal van oud Scandinavië in al haar zuiverheid bewaard. Ook zijn de IJslanders steeds afkeerig gebleven van de koninklijke waardigheid. Zij waren en zijn republikeinen en van de negende tot de dertiende eeuw was IJsland het eenige land in Europa, waar de bewoners burgerlijke en godsdienstige vrijheid genoten.Olaf Tryggvason was in den loop zijner regeering in de gelegenheid geweest den IJslanders eenige hulp te verleenen, en daarom werd hij door hen beschouwd als hun vriend en beschermheer, en zelfs bij sommige moeielijkheden zijn tusschenkomst ingeroepen. Zoo geschiedde het ook dat Eirik, de Roode, zijn tusschenkomst inriep in zijn twist, maar tot zijn groote verbazing had de koning hem in ’t ongelijk gesteld. Daardoor had Eirik een afkeer gekregen van den koning en hij vond het veel aangenamer om als een patriarch op Groenland te wonen, dan naar Noorwegen of IJsland terug te keeren.Leif was hem de liefste van al zijn zonen. Al was hij reeds dertig jaar oud, hij toonde steeds den noodigen kinderlijken eerbied. Het doel van zijn bezoek was nu om hem over te halen naar Groendal te komen om met hem en zijn broeder den Joeltijd te vieren, en ook om zijn zegen te vragen op het huwelijk, dat hij voornemens was te sluiten.De oude Eirik was een Heiden, een zoon van Odin van den ouden stempel, en hij werd bitter, als hij er van sprak, hoe zijn zonen het oude geloof hadden verzaakt en Christenen geworden waren. Toen Leif dus trachtte hem over te halen om ook Christen te worden, werd de oude man woedend en sprak:„Ik ben reeds gedoopt, maar in het bloed mijner verslagen vijanden. Zou water meer voor mij doen dan bloed? Neen Leif! Thor rijdt nog altijd met zijn wagen al donderend door de lucht, en Odin leeft eeuwig in Walhalla!”Dit antwoord sloot den jongen man den mond, maar bracht zijn geloof niet aan ’t wankelen, en hij hoopte dat de tijd het bekeeringswerk veel beter zou volbrengen dan hij het doen kon.Op den avond van den dag, waarop ’s morgens dit tooneel tusschen vader en zoon had plaats gehad, liet Byarn in de fjordhet anker vallen. Deze gebeurtenis gaf zooveel reden tot blijdschap, dat alle bitterheid geweken was. De geheele bemanning werd in Eirik’s hal verzocht en spoedig bogen de tafels onder het gewicht van spijs en drank. Nu gebeurde het dat een van Eirik’s mannen schertsend de opmerking maakte, dat Byarn’s scheepsvolk er zoo welgedaan uitzag.„Zij bezitten zeker het geheim om van de lucht te leven, of om vleesch zoo te bewaren dat het goed blijft,” zei Eirik. „Byarn, leert de Christelijke godsdienst u om zonder voedsel te leven? Bij Thor, dan word ik Christen, wanneer gij maar wilt.”Deze spotternij was te veel voor Byarn. Hij liet zijn besluit van geheimhouding varen en sprak:„Graaf Eirik Thorwaldson! De Christen lijdt geen gebrek aan het noodige, zooals gij daar juist gezegd hebt, maar in onze dagen geschieden geen wonderen meer om den menschen voedsel te verschaffen.”„Zeg mij dan eens, welke middelen gij gevonden hebt om uw scheepsvolk het noodige te verschaffen. Ik zou dat voedsel wel eens willen proeven.”„Eirik Thorwaldson! gij kunt het proeven als gij wilt. Zult gij aan boord komen of zullen wij het hier brengen?”„Zwommen er dan dieren naar uw schip toe om gedood te worden, of waren zij soms al gebraden?”Byarn kon niet langer zwijgen. „Graaf!” riep hij, „ik zeide u dat er in ’t geheel geen wonder gebeurd is. Twijfelt gij aan mijn woorden?”„In ’t geheel niet, vriend Byarn! Ik wil slechts weten welk geheim gij kent om op zee versch vleesch te verkrijgen.”„Wij kregen het op het land!”„Welk land? Ten westen van Groenland wordt geen land meer gevonden; hier is het eind der aarde!”Toen sprak Leif tot zijn Vader:„Eirik Thorwaldson, herinner u dat dertig jaar geleden de menschen niet meer van Groenland wisten, dan wij van andere landen, die mogelijk ten westen liggen, en vele jaren voordat gij zelf Groenland ontdektet, werd IJsland op dezelfde wijze gevonden.”Deze woorden schenen den ouden heiden toch te treffen, want na een oogenblik zeide hij:„Wel, wij moeten maar eerst het voedsel proeven en zien wat dit nieuw ontdekte land oplevert.”Leif was verheugd over de goede stemming, waarin zijn vader zich nu bevond, en bracht het gesprek op Olaf Tryggvason, koning van Noorwegen, over wiens belangstelling de oude man zich zeer gestreeld voelde, hoewel hij te trotsch was om het te toonen. Het overige van den avond werd vroolijk doorgebracht en toen werden de lieden voorzien van berenhuiden en zeehondenvellen, om zich ter ruste te leggen.Den volgenden morgen ging Eirik de Sleipner bezichtigen. Hij prees de sterkte en den bouw van het schip, maar wat hem het meest verwonderde was een half dozijn herten, van een soort, in IJsland en Noorwegen onbekend.„Wat! Hebt gij deze dieren meegebracht?”„Ja graaf! maar wij hebben nog meer;” zei Byarn, „haal den vogel eens, Edrik!”De knaap klom vlug naar beneden, en kwam spoedig terug met een Amerikaanschen spotvogel, wiens pooten hij had vastgebonden met lederen banden. De vogel kon vliegen, maar niet ontvluchten, terwijl het zachte leder maakte dat hij zich niet kon bezeeren. Edrik gaf Byarn den vogel in de hand.Eirik bekeek den vogel met eenige verbazing, die nog toenam, toen hij eerst den nachtegaal nabootste en vervolgens begon te kirren als een duif.„Van zulke zeldzame dieren heb ik zelfs niet gedroomd!” zeide Eirik.Toen ging Edrik weer heen en keerde terug met een jongen hond op den arm. Het dier was geheel zwart en zijn haar krulde zooals dat van een schaap. De hond was bijzonder goedaardig en toonde zijn genegenheid op zulk een rumoerige wijze, dat Edrik hem bijna niet houden kon, want hoewel nog heel jong, was het dier reeds vrij groot.Zoodra graaf Eirik den hond zag, begon hij luidkeels te lachen. Hij nam het levende bundeltje wol in de armen en liefkoosde het.„Hoe zijt gij aan dien hond gekomen?”„Op een keer, toen wij aan land gingen, zagen wij een troep groote zwarte honden,” antwoordde Byarn. „Zoodra zij ons echter in ’t oog kregen, vluchtten zij het binnenland in. Een bleef eenigszins achter; hij kon niet zoo gauw loopen, omdat hij dit jong in den bek had. Oleg van de Scaur doodde de moeder met een pijl, en kleine Edrik redde het jong, bracht het aan boord en voedde het met eigen hand. Nu denkt het kleine monster dat Edrik zijn moeder is, geloof ik!”„Bij den hamer van Thor!” riep Eirik, „zoo’n hond heb ik nog nooit gezien. In Lapland heb ik honden gezien, die men voor sleden had gespannen; in Noorwegen waren wolfshonden, en in Denemarken de groote geel-bruine doggen, maar zoo’n bundel wol, ha, ha!.... Ik ga mee, jongens! als gij terugkeert om dat land weer te bezoeken. Het moet daar beter zijn dan op ons Groenland, waar de dieren schaars zijn, behalve in den zomer. Was er veel ijs, Byarn?”„Ja, dicht bij het eerste land, dat wij in ’t gezicht kregen, maar na twee dagen zeilens, daar, waar wij aan land gingen, was in ’t geheel geen ijs te zien.”„Wel, ik dacht dat mijn dagen op zee reeds geteld waren, maar bij Odin’s baard! ik stel heel veel belang in dit alles. Hoe heet die hond?”„Ik heb hem Njord genoemd, graaf!”Latere gebeurtenissen bewezen dat de naam van den Zeegod Njord voor den hond bijzonder goed gekozen was.Onder zijn koel uiterlijk, zijn kalme blauwe oogen, zijn breed voorhoofd en bijna vlasblond haar, bezat Edrik een warm en vriendelijk hart. Toen hij zag hoe de oude Eirik met den hond was ingenomen, ging hij naar hem toe en zeide: „Doe mij het genoegen hem als geschenk van mij aan te nemen. Gij zult hem goed behandelen; neem het dier van mij aan.”„Ik wil u niet van uw hond berooven. Ik dank u evenwel voor uw aanbod even als of ik het had aangenomen! en Eirik, de Roode, vergeet nooit iets.”Hij keerde zich om en ging aan stuurboordzijde van Byarns goed schip, de Sleipner. Hij bezichtigde den breeden boeg en hoog uitstekenden achtersteven. Het schip werd beschut door een bekleedsel van dik eikenhout, van bronzen platen voorzien, om beter weerstand te kunnen bieden aan de drukking van het ijs, waardoor de Noorsche schepen in den herfst en in den vroegen zomer hun weg moesten banen.„Gij zijt niet veel met het ijs in aanraking geweest, Byarn!” zei hij, na een nauwkeurig onderzoek. „Dat verwondert mij, want de stuurboordzijde van het schip van Leif was bijna ingedrukt.”„Ik geloof dat wij, den weg niet zoo goed wetende als Leif, het ijs misgeloopen hebben.”„Bij Odin’s baard! Het is zeer vreemd! Een nieuw land! Hebt gij aan wal ook menschen gezien! Waren er geen Laplanders, geen Finnen of Eskimo’s?”„Neen, wij hebben er geen gezien en om de waarheid te zeggen, zou ik niet van dat land gesproken hebben, als het niet noodig was geweest. Ik schaamde mij dat ik de Rolf Krake gemist had, en ik meende dat gij mij niet zoudt gelooven.”„Gij ziet dat die hond mij overtuigd heeft. Bij Odin’s baard! wat kan dat dier rollen. Hij heeft iets van het jong van den bruinen beer en van een vet lam, en toch lijkt hij op geen van beiden!”Leif verheugde zich over de blijdschap van zijn vader en was zijn neef recht dankbaar. Hij wist niet hoeveel moeite de knaap gehad had om Byarn te bewegen aan boord een plaatsje voor den hond in te ruimen. Hij maakte nu van de opgeruimde stemming van zijn vader gebruik om hem te verzoeken mee naar Groendal te gaan, en van daar naar Noorwegen om Olaf Tryggvason te bezoeken.„Neen, jongen!” zei de oude man, „ik geef niet meer om koningen. Spoedig zal ik in Walhalla zijn, maar wel wil ik uw broeder Sigvald bezoeken en zien hoe hij het maakt in zijn gelukkig tehuis!„Is het dan uw verlangen niet New-Foundland te zien, als wij de volgende lente daarheen terugkeeren?”„Mijn zoon, misschien ben ik dan niet meer bij u; wij moeten niet te vroeg plannen maken. Hij, die dat doet, is een dwaas, dien de goden altijd teleurstellen. Toch zou ik het land wel eens willen bezoeken waar zulke honden leven. Kijk eens Leif! Bij Thor! daar gaat hij over boord!”Zoo was het; bij een zijner dolle sprongen rolde het dier inhet water. Allen aan boord hielden den adem in, in afwachting van wat nu gebeuren zou. Edrik wierp zijn overkleed af en maakte zich gereed om het dier na te springen, maar hij wachtte even toen hij zag, hoe prachtig de hond zwom. Hij scheen zich in het water veel meer thuis te gevoelen dan op het dek, en het bad scheen hem heel goed te bevallen.1In het volgend, oogenblik sprong Edrik hem achterna om hem tegen de haaien te beschermen, die de zee aan de kust van Groenland onveilig maken.Op het oogenblik, dat de knaap in het water sprong, schoot een monster van meer dan tien voet lengte op hem toe. De mannen aan boord riepen hem toe: „Pas op!”—„De haai!”—„Zwem naar het land!”—„Laat den hond maar aan hem over!” doch deze laatste raadgeving kon moeielijk opgevolgd worden, want toen Edrik in het water sprong had de hond zich omgekeerd en diens kleederen tusschen zijn tanden genomen, in de gedachte dat het zijn plicht was zijn meester boven water te houden.De haai was vlak bij den knaap, toen de speer van den ouden Eirik hem met zooveel juistheid trof, dat het water rood gekleurd werd door het bloed van het monster.Byarn wierp een touw over de verschansing en riep: „Gauw Edrik! laat den hond maar aan zijn lot over!”Maar daar was Edrik de jongen niet naar. Hij wilde den hond niet opofferen, die juist getoond had hoe hij zijn best deed om hem te redden. Hij greep dus met de eene hand het touw, terwijl hij met de andere Njord tegen zich aandrukte, en riep den mannen toe hem op te trekken.„Laat dan toch dien hond los!” riep graaf Eirik opgewonden uit, „gij kunt het touw zoo niet blijven vasthouden!”„Trekken daar!” riep Edrik, „ik wou dat het domme dier ophield met mij te likken. Wij vallen beiden nog naar beneden.”Doch hij hield stevig vast; een paar mannen bukten over de verschansing en namen den hond van hem aan, en eenige seconden later stond Edrik veilig op het dek.

De oude Eirik of Erik was een geducht persoon. Voor vele jaren had hij Groenland ontdekt, en hij was daarheen verbannen, omdat hij zijn tegenpartij in een twist gedood had. De tijd van zijn verbanning, drie jaar naar het schijnt, was lang verstreken maar hij verlangde niet naar IJsland terug te keeren, daar hij zich in de kleine kolonie, die hij zelf gesticht had, geheel thuis gevoelde.

Toen de Noormannen, ongeveer een eeuw voordat onze geschiedenis aanvangt, hun land verlaten en zich op IJsland gevestigd hadden, hadden zij hun Scandinavische overleveringen en geschiedenissen medegebracht, die van het eene geslacht op het andere waren overgegaan in Denemarken, Noorwegen en Zweden. Zij waren genoodzaakt geweest zich te verdedigen tegen het despotisme van koning Harold Hárfage of Harold Schoonhaar, en tot op dezen dag hebben de IJslanders de taal van oud Scandinavië in al haar zuiverheid bewaard. Ook zijn de IJslanders steeds afkeerig gebleven van de koninklijke waardigheid. Zij waren en zijn republikeinen en van de negende tot de dertiende eeuw was IJsland het eenige land in Europa, waar de bewoners burgerlijke en godsdienstige vrijheid genoten.

Olaf Tryggvason was in den loop zijner regeering in de gelegenheid geweest den IJslanders eenige hulp te verleenen, en daarom werd hij door hen beschouwd als hun vriend en beschermheer, en zelfs bij sommige moeielijkheden zijn tusschenkomst ingeroepen. Zoo geschiedde het ook dat Eirik, de Roode, zijn tusschenkomst inriep in zijn twist, maar tot zijn groote verbazing had de koning hem in ’t ongelijk gesteld. Daardoor had Eirik een afkeer gekregen van den koning en hij vond het veel aangenamer om als een patriarch op Groenland te wonen, dan naar Noorwegen of IJsland terug te keeren.

Leif was hem de liefste van al zijn zonen. Al was hij reeds dertig jaar oud, hij toonde steeds den noodigen kinderlijken eerbied. Het doel van zijn bezoek was nu om hem over te halen naar Groendal te komen om met hem en zijn broeder den Joeltijd te vieren, en ook om zijn zegen te vragen op het huwelijk, dat hij voornemens was te sluiten.

De oude Eirik was een Heiden, een zoon van Odin van den ouden stempel, en hij werd bitter, als hij er van sprak, hoe zijn zonen het oude geloof hadden verzaakt en Christenen geworden waren. Toen Leif dus trachtte hem over te halen om ook Christen te worden, werd de oude man woedend en sprak:

„Ik ben reeds gedoopt, maar in het bloed mijner verslagen vijanden. Zou water meer voor mij doen dan bloed? Neen Leif! Thor rijdt nog altijd met zijn wagen al donderend door de lucht, en Odin leeft eeuwig in Walhalla!”

Dit antwoord sloot den jongen man den mond, maar bracht zijn geloof niet aan ’t wankelen, en hij hoopte dat de tijd het bekeeringswerk veel beter zou volbrengen dan hij het doen kon.

Op den avond van den dag, waarop ’s morgens dit tooneel tusschen vader en zoon had plaats gehad, liet Byarn in de fjordhet anker vallen. Deze gebeurtenis gaf zooveel reden tot blijdschap, dat alle bitterheid geweken was. De geheele bemanning werd in Eirik’s hal verzocht en spoedig bogen de tafels onder het gewicht van spijs en drank. Nu gebeurde het dat een van Eirik’s mannen schertsend de opmerking maakte, dat Byarn’s scheepsvolk er zoo welgedaan uitzag.

„Zij bezitten zeker het geheim om van de lucht te leven, of om vleesch zoo te bewaren dat het goed blijft,” zei Eirik. „Byarn, leert de Christelijke godsdienst u om zonder voedsel te leven? Bij Thor, dan word ik Christen, wanneer gij maar wilt.”

Deze spotternij was te veel voor Byarn. Hij liet zijn besluit van geheimhouding varen en sprak:

„Graaf Eirik Thorwaldson! De Christen lijdt geen gebrek aan het noodige, zooals gij daar juist gezegd hebt, maar in onze dagen geschieden geen wonderen meer om den menschen voedsel te verschaffen.”

„Zeg mij dan eens, welke middelen gij gevonden hebt om uw scheepsvolk het noodige te verschaffen. Ik zou dat voedsel wel eens willen proeven.”

„Eirik Thorwaldson! gij kunt het proeven als gij wilt. Zult gij aan boord komen of zullen wij het hier brengen?”

„Zwommen er dan dieren naar uw schip toe om gedood te worden, of waren zij soms al gebraden?”

Byarn kon niet langer zwijgen. „Graaf!” riep hij, „ik zeide u dat er in ’t geheel geen wonder gebeurd is. Twijfelt gij aan mijn woorden?”

„In ’t geheel niet, vriend Byarn! Ik wil slechts weten welk geheim gij kent om op zee versch vleesch te verkrijgen.”

„Wij kregen het op het land!”

„Welk land? Ten westen van Groenland wordt geen land meer gevonden; hier is het eind der aarde!”

Toen sprak Leif tot zijn Vader:

„Eirik Thorwaldson, herinner u dat dertig jaar geleden de menschen niet meer van Groenland wisten, dan wij van andere landen, die mogelijk ten westen liggen, en vele jaren voordat gij zelf Groenland ontdektet, werd IJsland op dezelfde wijze gevonden.”

Deze woorden schenen den ouden heiden toch te treffen, want na een oogenblik zeide hij:

„Wel, wij moeten maar eerst het voedsel proeven en zien wat dit nieuw ontdekte land oplevert.”

Leif was verheugd over de goede stemming, waarin zijn vader zich nu bevond, en bracht het gesprek op Olaf Tryggvason, koning van Noorwegen, over wiens belangstelling de oude man zich zeer gestreeld voelde, hoewel hij te trotsch was om het te toonen. Het overige van den avond werd vroolijk doorgebracht en toen werden de lieden voorzien van berenhuiden en zeehondenvellen, om zich ter ruste te leggen.

Den volgenden morgen ging Eirik de Sleipner bezichtigen. Hij prees de sterkte en den bouw van het schip, maar wat hem het meest verwonderde was een half dozijn herten, van een soort, in IJsland en Noorwegen onbekend.

„Wat! Hebt gij deze dieren meegebracht?”

„Ja graaf! maar wij hebben nog meer;” zei Byarn, „haal den vogel eens, Edrik!”

De knaap klom vlug naar beneden, en kwam spoedig terug met een Amerikaanschen spotvogel, wiens pooten hij had vastgebonden met lederen banden. De vogel kon vliegen, maar niet ontvluchten, terwijl het zachte leder maakte dat hij zich niet kon bezeeren. Edrik gaf Byarn den vogel in de hand.

Eirik bekeek den vogel met eenige verbazing, die nog toenam, toen hij eerst den nachtegaal nabootste en vervolgens begon te kirren als een duif.

„Van zulke zeldzame dieren heb ik zelfs niet gedroomd!” zeide Eirik.

Toen ging Edrik weer heen en keerde terug met een jongen hond op den arm. Het dier was geheel zwart en zijn haar krulde zooals dat van een schaap. De hond was bijzonder goedaardig en toonde zijn genegenheid op zulk een rumoerige wijze, dat Edrik hem bijna niet houden kon, want hoewel nog heel jong, was het dier reeds vrij groot.

Zoodra graaf Eirik den hond zag, begon hij luidkeels te lachen. Hij nam het levende bundeltje wol in de armen en liefkoosde het.

„Hoe zijt gij aan dien hond gekomen?”

„Op een keer, toen wij aan land gingen, zagen wij een troep groote zwarte honden,” antwoordde Byarn. „Zoodra zij ons echter in ’t oog kregen, vluchtten zij het binnenland in. Een bleef eenigszins achter; hij kon niet zoo gauw loopen, omdat hij dit jong in den bek had. Oleg van de Scaur doodde de moeder met een pijl, en kleine Edrik redde het jong, bracht het aan boord en voedde het met eigen hand. Nu denkt het kleine monster dat Edrik zijn moeder is, geloof ik!”

„Bij den hamer van Thor!” riep Eirik, „zoo’n hond heb ik nog nooit gezien. In Lapland heb ik honden gezien, die men voor sleden had gespannen; in Noorwegen waren wolfshonden, en in Denemarken de groote geel-bruine doggen, maar zoo’n bundel wol, ha, ha!.... Ik ga mee, jongens! als gij terugkeert om dat land weer te bezoeken. Het moet daar beter zijn dan op ons Groenland, waar de dieren schaars zijn, behalve in den zomer. Was er veel ijs, Byarn?”

„Ja, dicht bij het eerste land, dat wij in ’t gezicht kregen, maar na twee dagen zeilens, daar, waar wij aan land gingen, was in ’t geheel geen ijs te zien.”

„Wel, ik dacht dat mijn dagen op zee reeds geteld waren, maar bij Odin’s baard! ik stel heel veel belang in dit alles. Hoe heet die hond?”

„Ik heb hem Njord genoemd, graaf!”

Latere gebeurtenissen bewezen dat de naam van den Zeegod Njord voor den hond bijzonder goed gekozen was.

Onder zijn koel uiterlijk, zijn kalme blauwe oogen, zijn breed voorhoofd en bijna vlasblond haar, bezat Edrik een warm en vriendelijk hart. Toen hij zag hoe de oude Eirik met den hond was ingenomen, ging hij naar hem toe en zeide: „Doe mij het genoegen hem als geschenk van mij aan te nemen. Gij zult hem goed behandelen; neem het dier van mij aan.”

„Ik wil u niet van uw hond berooven. Ik dank u evenwel voor uw aanbod even als of ik het had aangenomen! en Eirik, de Roode, vergeet nooit iets.”

Hij keerde zich om en ging aan stuurboordzijde van Byarns goed schip, de Sleipner. Hij bezichtigde den breeden boeg en hoog uitstekenden achtersteven. Het schip werd beschut door een bekleedsel van dik eikenhout, van bronzen platen voorzien, om beter weerstand te kunnen bieden aan de drukking van het ijs, waardoor de Noorsche schepen in den herfst en in den vroegen zomer hun weg moesten banen.

„Gij zijt niet veel met het ijs in aanraking geweest, Byarn!” zei hij, na een nauwkeurig onderzoek. „Dat verwondert mij, want de stuurboordzijde van het schip van Leif was bijna ingedrukt.”

„Ik geloof dat wij, den weg niet zoo goed wetende als Leif, het ijs misgeloopen hebben.”

„Bij Odin’s baard! Het is zeer vreemd! Een nieuw land! Hebt gij aan wal ook menschen gezien! Waren er geen Laplanders, geen Finnen of Eskimo’s?”

„Neen, wij hebben er geen gezien en om de waarheid te zeggen, zou ik niet van dat land gesproken hebben, als het niet noodig was geweest. Ik schaamde mij dat ik de Rolf Krake gemist had, en ik meende dat gij mij niet zoudt gelooven.”

„Gij ziet dat die hond mij overtuigd heeft. Bij Odin’s baard! wat kan dat dier rollen. Hij heeft iets van het jong van den bruinen beer en van een vet lam, en toch lijkt hij op geen van beiden!”

Leif verheugde zich over de blijdschap van zijn vader en was zijn neef recht dankbaar. Hij wist niet hoeveel moeite de knaap gehad had om Byarn te bewegen aan boord een plaatsje voor den hond in te ruimen. Hij maakte nu van de opgeruimde stemming van zijn vader gebruik om hem te verzoeken mee naar Groendal te gaan, en van daar naar Noorwegen om Olaf Tryggvason te bezoeken.

„Neen, jongen!” zei de oude man, „ik geef niet meer om koningen. Spoedig zal ik in Walhalla zijn, maar wel wil ik uw broeder Sigvald bezoeken en zien hoe hij het maakt in zijn gelukkig tehuis!

„Is het dan uw verlangen niet New-Foundland te zien, als wij de volgende lente daarheen terugkeeren?”

„Mijn zoon, misschien ben ik dan niet meer bij u; wij moeten niet te vroeg plannen maken. Hij, die dat doet, is een dwaas, dien de goden altijd teleurstellen. Toch zou ik het land wel eens willen bezoeken waar zulke honden leven. Kijk eens Leif! Bij Thor! daar gaat hij over boord!”

Zoo was het; bij een zijner dolle sprongen rolde het dier inhet water. Allen aan boord hielden den adem in, in afwachting van wat nu gebeuren zou. Edrik wierp zijn overkleed af en maakte zich gereed om het dier na te springen, maar hij wachtte even toen hij zag, hoe prachtig de hond zwom. Hij scheen zich in het water veel meer thuis te gevoelen dan op het dek, en het bad scheen hem heel goed te bevallen.1

In het volgend, oogenblik sprong Edrik hem achterna om hem tegen de haaien te beschermen, die de zee aan de kust van Groenland onveilig maken.

Op het oogenblik, dat de knaap in het water sprong, schoot een monster van meer dan tien voet lengte op hem toe. De mannen aan boord riepen hem toe: „Pas op!”—„De haai!”—„Zwem naar het land!”—„Laat den hond maar aan hem over!” doch deze laatste raadgeving kon moeielijk opgevolgd worden, want toen Edrik in het water sprong had de hond zich omgekeerd en diens kleederen tusschen zijn tanden genomen, in de gedachte dat het zijn plicht was zijn meester boven water te houden.

De haai was vlak bij den knaap, toen de speer van den ouden Eirik hem met zooveel juistheid trof, dat het water rood gekleurd werd door het bloed van het monster.

Byarn wierp een touw over de verschansing en riep: „Gauw Edrik! laat den hond maar aan zijn lot over!”

Maar daar was Edrik de jongen niet naar. Hij wilde den hond niet opofferen, die juist getoond had hoe hij zijn best deed om hem te redden. Hij greep dus met de eene hand het touw, terwijl hij met de andere Njord tegen zich aandrukte, en riep den mannen toe hem op te trekken.

„Laat dan toch dien hond los!” riep graaf Eirik opgewonden uit, „gij kunt het touw zoo niet blijven vasthouden!”

„Trekken daar!” riep Edrik, „ik wou dat het domme dier ophield met mij te likken. Wij vallen beiden nog naar beneden.”

Doch hij hield stevig vast; een paar mannen bukten over de verschansing en namen den hond van hem aan, en eenige seconden later stond Edrik veilig op het dek.

1De New-Foundlandsche honden zijn als echte zwemmers bekend.

1De New-Foundlandsche honden zijn als echte zwemmers bekend.


Back to IndexNext