XI.

XI.De winter ging voorbij. De heerlijke lente was aangebroken en met haar kwam een groote menigte Eskimo’s.Wondervolle dingen brachten zij mee. Vellen van eekhorens, en mooie grijze pelzen. Zij ruilden die met de Noormannen voor stukken rood laken, en een soort van brij met melk, waarvan zij zeer veel hielden.De voorraad laken was bijna uitgeput, en de Eskimo’s drongen steeds op meer aan. Thorfinn wist niet hoe hij ze tevreden moest stellen, toen plotseling van achter de boomen Edrik’s lieveling, de stier, op de Eskimo’s losrende.Geen pen is in staat hun schrik en hun wilde vlucht te beschrijven; de Noormannen lachten.„Lach niet te hard!” riep Freydisa. „Heden is er een groot aantal Eskimo’s op de kust, maar voordat de maand uit is zullen er nog veel meer komen om wraak te nemen!”„Ja,” zei Helgi de Noorweger, „Freydisa is een tooverkol!”„Heksenbloed is kwaad bloed!” antwoordde Finnbogi.„Hoort gij, hoe men mij beleedigt, Thorward? Zij moeten sterven!”„Dat moeten wij allen, Freydisa! maar,” ging Thorwardvoort zich tot Finnbogi en Helgi wendende, „ik verzoek u mijn vrouw met rust te laten.”De beide Noormannen voelden zich gekwetst, en de vriendschap scheen voor goed verbroken. Dit beviel Freydisa, want in deze vredebreuk voorzag zij dat zij haar zin zou krijgen.Zoo gingen drie weken voorbij. Op een morgen wandelde Edrik langs de rivier, toen hij een groot aantal booten met Eskimo’s zag naderen. Hij liep zoo gauw hij kon terug om de kolonie te waarschuwen, en spoedig waren allen gewapend en gereed tot het gevecht. De Eskimo’s begonnen zóó te schreeuwen, dat de Noormannen even verschrikt waren als de Eskimo’s den vorigen keer door het gebrul van den stier. Het was alsof het geschreeuw ook van achter de hutten en uit de bosschen kwam; de lucht scheen er mee vervuld. Thorfinn’s volk dacht dat het omsingeld was, en trok zich haastig terug.Een hagelbui van steenen volgde. De Eskimo’s schenen bekwame slingeraars te zijn; bijna alle Noormannen werden geraakt. Edrik werd door een grooten steen getroffen en neergeworpen; hij stond echter spoedig weer op, hoewel hij zich wat duizelig voelde, en bevond dat de Noormannen zich terugtrokken. Hij trok zijn zwaard en velde den voorsten Eskimo neder, doch toen hoorde hij roepen: „Lafaards! ja, nu weet ik het, ik ben de vrouw van Thorward, den onmanlijke! Zie een knaap en een zwakke vrouw zullen den vijand tegenhouden!”Nils voegde zich bij hen. Freydisa greep een zwaard en vloog op de Eskimo’s los. Hare gebaren brachten zooveel ontsteltenis onder de Eskimo’s te weeg, dat zij den moed verloren en in verwarring naar hun booten terugtrokken, om zich daar tot een tweeden aanval gereed te maken.De Noormannen waren van hun schrik bekomen en vielenden vijand met woede aan. Zij richtten een geweldige slachting aan. Het strand was als bezaaid met lijken. Slechts de kleinste helft der Eskimo’s bereikte de booten. Zoo snel zij maar konden roeiden zij door de baai en waren spoedig uit het oog verdwenen.Thorfinn zag duidelijk in dat hij over meer krachten moest kunnen beschikken, om zich hier te vestigen. Bovendien hadden er onder zijn kleinen troep onophoudelijk twisten plaats. De vrouwen plaagden hun „verdedigers” met hun lafhartigheid, zoodat deze boos werden. De wraakzuchtige Freydisa vuurde de oneenigheid aan en liet geen gelegenheid voorbijgaan om twist te stoken tusschen haar man en de Noorwegers.Ten laatste bracht Freydisa haar echtgenoot zoo ver, dat hij, toen het lente werd, de twee Noormannen, die het meest haar haat opgewekt hadden, vermoordde. Thorward overviel hen met zijn volgelingen, en versloeg hen met hun lieden. Tot die lieden behoorden ook vijf vrouwen, de vrouwen van Helgi en Finnbogi en van eenigen van hun gevolg.Freydisa spoorde de mannen aan ook hen te vermoorden, maar zij wilden de vrouwen niet aanraken. „Neen,” zeiden zij, „het is eigenlijk toch al een moord dat Thorward de mannen heeft gedood, maar vrouwen te bevechten, dat is beneden ons!”Toen zij dit hoorde, sprong Freydisa vooruit, greep een bijl en versloeg met eigen hand de vrouwen.Thorfinn beval allen zich in te schepen, en hij schikte het zoo dat Thorward met zijn mannen en Freydisa eigenlijk gevangenen waren. Hij nam de jongens bij zich op zijn schip, doch allen waren even neerslachtig.Intusschen kwamen Thorfinn en de knapen veilig te Eiriks-fjordaan, van nabij gevolgd door de Sleipner met Freydisa en haar echtgenoot.Zoodra Leif de treurige geschiedenis hoorde, werden Thorward en zijn vrouw gevangen genomen, om naar IJsland, naar Reikiavik gezonden en veroordeeld te worden.De jongens hadden als echte jongens hun droefheid reeds weder vergeten. Zij gingen naar den ouden Eirik, die blijde was hen te zien, evenals Njord, die allerlei dwaze sprongen maakte. De hond scheen niet te weten aan wien zijner twee meesters hij nu eigenlijk behoorde. Hij stond stil en bedaard bij ouden Eirik, maar met de jongens was hij heel anders; dan was hij zoo speelsch en dartel als een jonge kat.De oude Eirik hoorde zijn kleinzoon gaarne vertellen van de Eskimo’s en hoe zij vochten met slingers en steenen, maar het wekte zijn toorn op toen Edrik vertelde hoe de Noormannen vluchtten; doch hij tikte zijn kleinzoon op het hoofd en zeide: „Maar gij hieldt stand, mijn jongen!”„Neen, Eirik Thorwaldson! Ik werd ter aarde geworpen.”„Dat is niets; de steen trof uw voorhoofd, niet, zooals bij de anderen, den rug.” En de oude krijger vervolgde: „Nu is er nog een ander punt, Edrik! Ik ben een rijk man. Uw oom Leif erft al mijn bezittingen op Groenland, doch ik zal u zooveel nalaten, dat gij de helft, die Ulf u ontnomen heeft, kunt terug koopen.”„Wilt gij mij een verzoek toestaan, grootvader?”„Wat is het?”„Zeg nog geen woord aan anderen van alles wat gij mij daar verteld hebt. Ik heb een plan gemaakt en als dat gelukt, zal ik mijn land hebben tot zulk een prijs, als waarvoor nog nooit land verkocht is.”Nu vertelde Edrik den ouden Eirik wat hij voornemens waste doen. Deze lachte. „Gij zijt een slimme knaap!” riep hij verheugd.Thorfinn besloot zijn lading in Noorwegen van de hand te doen, waar handelaars van alle volken gewoon waren bijeen te komen. Op Leif’s bevel werd de Sleipner naarReikiavikgezonden met Thorward en zijn vrouw en met twintig mannen van Eiriks troep. Thorfinn met de Rolf-Krake en de Seluna, een schip, dat voor Leif gebouwd was, kregen bevel het konvooi te geleiden, zoodat ontvluchten onmogelijk was.De drie schepen vertrokken met een gunstigen wind uit Eiriks-fjord. Oude Eirik stond, op Leifs arm leunende; de vertrekkenden na te staren. Zoodra de toppen der masten aan den horizon verdwenen waren, keerde hij zich om en zeide: „Ik zou wel eens willen weten of ik dien knaap nog terug zal zien. Hij is een flinke borst. Hij heeft veel van zijn vader! Als hij opgroeit, zal IJsland in hem een hoofd vinden, dat de groote vergadering zal kunnen leiden, want een edele van geest zal zich altijd doen eerbiedigen; de zwakke wordt veracht!”Toen de schepen te Reikiavik aankwamen, werden eerst boodschappers uitgezonden om de hoofden bijeen te roepen, ten einde Freydisa’s misdaad te bespreken, en uit te maken in hoeverre haar echtgenoot schuldig was. Magni was verheugd dat hij Edrik terug zag, en Thorfrida’s vreugde was onuitsprekelijk. Haar zoon was groot en sterk geworden en had zich bij alle gelegenheden dapper en braaf gedragen. Het huis, waarin zij woonde, stond niet ver van dat, hetwelk aan Magni behoorde, en het was ruim genoeg, zoodat haar zoon daar ook een tehuis kon vinden.„Nu, Edrik! zeg mij eens, zoudt gij liever in Wijnland wonen dan hier in ’t koude Noorden?”„Moeder, mijn tehuis is bij u! Wat zegt het spreekwoord: „Iemands eigen huis is zijn beste huis, hoe klein het ook zij!” Ik moet echter eerst naar Noorwegen, en gij moet mij zeggen hoe ik daar iemand kan vinden, om mij de Scandinavische wetten te leeren kennen.”„Wilt gij dan rechtsgeleerde worden?”„Neen, moeder! ik ben en blijf zeeman!—Ook moet ik kleeren hebben, nog eenvoudiger dan die, welke ik nu draag: kruisbanden van gewoon leer om mijn beenen, een blauw laken muts en een lederen gordel om mijn zwaard in te hangen.”„Ik hoop dat onder dat alles geen valschheid verborgen is? Spreek, mijn zoon! wat is er?”„Moeder! Eirik heeft mij verteld dat Ulf zulk een schurk is, dat hij hem niet meer onder zijn bloedverwanten telt, en hij heeft mij opgedragen het land mijns vaders terug te koopen. Als ik nu gekleed ga als een rijke graaf, zal Ulf veel meer van mij vragen, dan als ik mij arm voordoe.”„Is dit nu de reden waarom gij niet gekleed gaat zooals het den zoon van Sigvald betaamt?”„Ja moeder, dat is de eenige reden.”„Edrik! dat moogt gij niet doen; dat is bedriegerij!” zeide Thorfrida bedroefd.Edrik was als versteend van verbazing, maar zag toch dadelijk de waarheid in van hetgeen zijn brave moeder zeide.„Ik zal aan boord gaan en andere kleeren aantrekken, lieve moeder! Het was niet goed, het was slecht en verkeerd van mij,” antwoordde hij onthutst.„Ga, mijn jongen! en kom tot mij terug in een kleeding, die den zoon uws vaders past; dat zijt ge aan zijn nagedachtenis verplicht.”Edrik verliet haar en ging haastig naar zijn schip, toen hij Ulf tegenkwam, die naar Reikiavik was gekomen. Deze keek Edrik strak aan, die hem zijn blik met woeker terug gaf.„Wel, wie zijt gij?” riep Ulf. „Een bedelaarsjongen?”„Mijn naam is Edrik Sigvaldson!” antwoordde deze trotsch. „Ik kwam aan land om mijn moeder te bezoeken, en trok deze armoedige kleeren aan voor een zeker doel. Ik keer echter terug om anderen aan te trekken.”„Grootspreker! ik zou er wel mijn heele bezitting onder durven verwedden, dat die kleeren de beste zijn, die gij bezit!”Edrik voelde zijn bloed koken. Hij lichtte zijn speer op, die hij als man van rang steeds bij zich droeg; doch hij liet haar weer zakken. Was Ulf niet de broeder zijns vaders? Met neergeslagen blik wandelde hij naar de plaats, waar de Rolf-Krake lag en ging aan boord. Spoedig keerde hij terug, gekleed in een blauw opperkleed met goud geboord, lange roode beenbekleedsels van het fijnste laken, en kruisbanden van verguld leder; zijn zwaard droeg hij in een rijk met juweelen bezetten gordel.Over zijn schouders hing een blauwe mantel met goud afgezet en in zijn linkerhand droeg hij het ronde Scandinavische schild. Zijn muts was evenals die, welke de opperhoofden in de Schotsche Hooglanden nu nog dragen.Zijn moeder stond hem aan de deur harer woning af te wachten. Zij had zijn ontmoeting met Ulf gezien, maar het gesprek niet kunnen hooren.„Zoo moet de zoon van Sigvald gekleed gaan,” zeide zij met trots. „Wat zeide graaf Ulf?”Edrik vertelde zijn moeder wat Ulf gezegd had.„Gij ziet dat ik gelijk had, Edrik! Dat kleed bracht u schande aan. Kom in huis, mijn zoon! graaf Magni met zijn vrouw zullenheden bij ons eten; vraag ook Thorfinn en zijn vrouw!”„Dat zal ik doen en ook Nils meebrengen,” antwoordde Edrik vroolijk.Op de daïs was plaats voor al de gasten en gulle vriendschap zat voor bij den disch. Thorfrida smaakte het genot, dat haar zoon door Thorfinn geprezen werd. Deze nam een band van zijn arm, en schonk dien den knaap en gaf een tweeden aan Nils. Hij sprak tot hen woorden van aanmoediging en lof.Toen zeide Thorfrida: „Vrienden en hoofden! ik heb ook een geschenk voor mijn zoon. Het is heden de dag, waarop hij zestien winters geleden, het eerste levenslicht aanschouwde. Gij zegt mij dat hij zich een moedig zeeman heeft getoond. Hij is in den strijd beproefd en heeft zich gedragen, zooals Sigvald gewenscht zou hebben dat zijn zoon zich gedroeg. Ik geloof dat het nu de tijd is, dat hij het zwaard zijns vaders kan dragen. Edrik Sigvaldson! hierbij geef ik u het zwaard uws vaders, een wapen dat altijd het eerst schitterde in het gevecht en denzelfden glans heeft als de ziel van zijn eigenaar, helder en rein. Zorg, dat in uw bezit zijn glans nooit verduisterd wordt!”Edrik kon niet spreken, maar stond op, knielde naast den stoel zijner moeder en kuste haar de hand. Hij haalde het zwaard uit de schede, doch zijn vreugde was te groot om ze te kunnen uiten.„Het zwaard is de vreugde van den krijgsman,” zoo nam graaf Magni het woord. „Ieder strijder, die zijn naam waard is, heeft zijn zwaard lief, maar denk er aan, Edrik! dat wij, Christenen, nooit met moedwil of voor ons genoegen het bloed mogen vergieten van God’s schepselen. Het zwaard is het zinnebeeld der waarheid; van de waarheid, die strijdt, en altijd overwint!”Nu nam Thorfinn het woord: „Ik heb Sigvald gekend,” zeide bij, „en ik ken Edrik Sigvaldson, en ik zeg dat hij waardig is het zwaard zijns vaders te dragen!”Het feest duurde lang en het was een dag, dien Edrik nooit in zijn leven vergat.

XI.De winter ging voorbij. De heerlijke lente was aangebroken en met haar kwam een groote menigte Eskimo’s.Wondervolle dingen brachten zij mee. Vellen van eekhorens, en mooie grijze pelzen. Zij ruilden die met de Noormannen voor stukken rood laken, en een soort van brij met melk, waarvan zij zeer veel hielden.De voorraad laken was bijna uitgeput, en de Eskimo’s drongen steeds op meer aan. Thorfinn wist niet hoe hij ze tevreden moest stellen, toen plotseling van achter de boomen Edrik’s lieveling, de stier, op de Eskimo’s losrende.Geen pen is in staat hun schrik en hun wilde vlucht te beschrijven; de Noormannen lachten.„Lach niet te hard!” riep Freydisa. „Heden is er een groot aantal Eskimo’s op de kust, maar voordat de maand uit is zullen er nog veel meer komen om wraak te nemen!”„Ja,” zei Helgi de Noorweger, „Freydisa is een tooverkol!”„Heksenbloed is kwaad bloed!” antwoordde Finnbogi.„Hoort gij, hoe men mij beleedigt, Thorward? Zij moeten sterven!”„Dat moeten wij allen, Freydisa! maar,” ging Thorwardvoort zich tot Finnbogi en Helgi wendende, „ik verzoek u mijn vrouw met rust te laten.”De beide Noormannen voelden zich gekwetst, en de vriendschap scheen voor goed verbroken. Dit beviel Freydisa, want in deze vredebreuk voorzag zij dat zij haar zin zou krijgen.Zoo gingen drie weken voorbij. Op een morgen wandelde Edrik langs de rivier, toen hij een groot aantal booten met Eskimo’s zag naderen. Hij liep zoo gauw hij kon terug om de kolonie te waarschuwen, en spoedig waren allen gewapend en gereed tot het gevecht. De Eskimo’s begonnen zóó te schreeuwen, dat de Noormannen even verschrikt waren als de Eskimo’s den vorigen keer door het gebrul van den stier. Het was alsof het geschreeuw ook van achter de hutten en uit de bosschen kwam; de lucht scheen er mee vervuld. Thorfinn’s volk dacht dat het omsingeld was, en trok zich haastig terug.Een hagelbui van steenen volgde. De Eskimo’s schenen bekwame slingeraars te zijn; bijna alle Noormannen werden geraakt. Edrik werd door een grooten steen getroffen en neergeworpen; hij stond echter spoedig weer op, hoewel hij zich wat duizelig voelde, en bevond dat de Noormannen zich terugtrokken. Hij trok zijn zwaard en velde den voorsten Eskimo neder, doch toen hoorde hij roepen: „Lafaards! ja, nu weet ik het, ik ben de vrouw van Thorward, den onmanlijke! Zie een knaap en een zwakke vrouw zullen den vijand tegenhouden!”Nils voegde zich bij hen. Freydisa greep een zwaard en vloog op de Eskimo’s los. Hare gebaren brachten zooveel ontsteltenis onder de Eskimo’s te weeg, dat zij den moed verloren en in verwarring naar hun booten terugtrokken, om zich daar tot een tweeden aanval gereed te maken.De Noormannen waren van hun schrik bekomen en vielenden vijand met woede aan. Zij richtten een geweldige slachting aan. Het strand was als bezaaid met lijken. Slechts de kleinste helft der Eskimo’s bereikte de booten. Zoo snel zij maar konden roeiden zij door de baai en waren spoedig uit het oog verdwenen.Thorfinn zag duidelijk in dat hij over meer krachten moest kunnen beschikken, om zich hier te vestigen. Bovendien hadden er onder zijn kleinen troep onophoudelijk twisten plaats. De vrouwen plaagden hun „verdedigers” met hun lafhartigheid, zoodat deze boos werden. De wraakzuchtige Freydisa vuurde de oneenigheid aan en liet geen gelegenheid voorbijgaan om twist te stoken tusschen haar man en de Noorwegers.Ten laatste bracht Freydisa haar echtgenoot zoo ver, dat hij, toen het lente werd, de twee Noormannen, die het meest haar haat opgewekt hadden, vermoordde. Thorward overviel hen met zijn volgelingen, en versloeg hen met hun lieden. Tot die lieden behoorden ook vijf vrouwen, de vrouwen van Helgi en Finnbogi en van eenigen van hun gevolg.Freydisa spoorde de mannen aan ook hen te vermoorden, maar zij wilden de vrouwen niet aanraken. „Neen,” zeiden zij, „het is eigenlijk toch al een moord dat Thorward de mannen heeft gedood, maar vrouwen te bevechten, dat is beneden ons!”Toen zij dit hoorde, sprong Freydisa vooruit, greep een bijl en versloeg met eigen hand de vrouwen.Thorfinn beval allen zich in te schepen, en hij schikte het zoo dat Thorward met zijn mannen en Freydisa eigenlijk gevangenen waren. Hij nam de jongens bij zich op zijn schip, doch allen waren even neerslachtig.Intusschen kwamen Thorfinn en de knapen veilig te Eiriks-fjordaan, van nabij gevolgd door de Sleipner met Freydisa en haar echtgenoot.Zoodra Leif de treurige geschiedenis hoorde, werden Thorward en zijn vrouw gevangen genomen, om naar IJsland, naar Reikiavik gezonden en veroordeeld te worden.De jongens hadden als echte jongens hun droefheid reeds weder vergeten. Zij gingen naar den ouden Eirik, die blijde was hen te zien, evenals Njord, die allerlei dwaze sprongen maakte. De hond scheen niet te weten aan wien zijner twee meesters hij nu eigenlijk behoorde. Hij stond stil en bedaard bij ouden Eirik, maar met de jongens was hij heel anders; dan was hij zoo speelsch en dartel als een jonge kat.De oude Eirik hoorde zijn kleinzoon gaarne vertellen van de Eskimo’s en hoe zij vochten met slingers en steenen, maar het wekte zijn toorn op toen Edrik vertelde hoe de Noormannen vluchtten; doch hij tikte zijn kleinzoon op het hoofd en zeide: „Maar gij hieldt stand, mijn jongen!”„Neen, Eirik Thorwaldson! Ik werd ter aarde geworpen.”„Dat is niets; de steen trof uw voorhoofd, niet, zooals bij de anderen, den rug.” En de oude krijger vervolgde: „Nu is er nog een ander punt, Edrik! Ik ben een rijk man. Uw oom Leif erft al mijn bezittingen op Groenland, doch ik zal u zooveel nalaten, dat gij de helft, die Ulf u ontnomen heeft, kunt terug koopen.”„Wilt gij mij een verzoek toestaan, grootvader?”„Wat is het?”„Zeg nog geen woord aan anderen van alles wat gij mij daar verteld hebt. Ik heb een plan gemaakt en als dat gelukt, zal ik mijn land hebben tot zulk een prijs, als waarvoor nog nooit land verkocht is.”Nu vertelde Edrik den ouden Eirik wat hij voornemens waste doen. Deze lachte. „Gij zijt een slimme knaap!” riep hij verheugd.Thorfinn besloot zijn lading in Noorwegen van de hand te doen, waar handelaars van alle volken gewoon waren bijeen te komen. Op Leif’s bevel werd de Sleipner naarReikiavikgezonden met Thorward en zijn vrouw en met twintig mannen van Eiriks troep. Thorfinn met de Rolf-Krake en de Seluna, een schip, dat voor Leif gebouwd was, kregen bevel het konvooi te geleiden, zoodat ontvluchten onmogelijk was.De drie schepen vertrokken met een gunstigen wind uit Eiriks-fjord. Oude Eirik stond, op Leifs arm leunende; de vertrekkenden na te staren. Zoodra de toppen der masten aan den horizon verdwenen waren, keerde hij zich om en zeide: „Ik zou wel eens willen weten of ik dien knaap nog terug zal zien. Hij is een flinke borst. Hij heeft veel van zijn vader! Als hij opgroeit, zal IJsland in hem een hoofd vinden, dat de groote vergadering zal kunnen leiden, want een edele van geest zal zich altijd doen eerbiedigen; de zwakke wordt veracht!”Toen de schepen te Reikiavik aankwamen, werden eerst boodschappers uitgezonden om de hoofden bijeen te roepen, ten einde Freydisa’s misdaad te bespreken, en uit te maken in hoeverre haar echtgenoot schuldig was. Magni was verheugd dat hij Edrik terug zag, en Thorfrida’s vreugde was onuitsprekelijk. Haar zoon was groot en sterk geworden en had zich bij alle gelegenheden dapper en braaf gedragen. Het huis, waarin zij woonde, stond niet ver van dat, hetwelk aan Magni behoorde, en het was ruim genoeg, zoodat haar zoon daar ook een tehuis kon vinden.„Nu, Edrik! zeg mij eens, zoudt gij liever in Wijnland wonen dan hier in ’t koude Noorden?”„Moeder, mijn tehuis is bij u! Wat zegt het spreekwoord: „Iemands eigen huis is zijn beste huis, hoe klein het ook zij!” Ik moet echter eerst naar Noorwegen, en gij moet mij zeggen hoe ik daar iemand kan vinden, om mij de Scandinavische wetten te leeren kennen.”„Wilt gij dan rechtsgeleerde worden?”„Neen, moeder! ik ben en blijf zeeman!—Ook moet ik kleeren hebben, nog eenvoudiger dan die, welke ik nu draag: kruisbanden van gewoon leer om mijn beenen, een blauw laken muts en een lederen gordel om mijn zwaard in te hangen.”„Ik hoop dat onder dat alles geen valschheid verborgen is? Spreek, mijn zoon! wat is er?”„Moeder! Eirik heeft mij verteld dat Ulf zulk een schurk is, dat hij hem niet meer onder zijn bloedverwanten telt, en hij heeft mij opgedragen het land mijns vaders terug te koopen. Als ik nu gekleed ga als een rijke graaf, zal Ulf veel meer van mij vragen, dan als ik mij arm voordoe.”„Is dit nu de reden waarom gij niet gekleed gaat zooals het den zoon van Sigvald betaamt?”„Ja moeder, dat is de eenige reden.”„Edrik! dat moogt gij niet doen; dat is bedriegerij!” zeide Thorfrida bedroefd.Edrik was als versteend van verbazing, maar zag toch dadelijk de waarheid in van hetgeen zijn brave moeder zeide.„Ik zal aan boord gaan en andere kleeren aantrekken, lieve moeder! Het was niet goed, het was slecht en verkeerd van mij,” antwoordde hij onthutst.„Ga, mijn jongen! en kom tot mij terug in een kleeding, die den zoon uws vaders past; dat zijt ge aan zijn nagedachtenis verplicht.”Edrik verliet haar en ging haastig naar zijn schip, toen hij Ulf tegenkwam, die naar Reikiavik was gekomen. Deze keek Edrik strak aan, die hem zijn blik met woeker terug gaf.„Wel, wie zijt gij?” riep Ulf. „Een bedelaarsjongen?”„Mijn naam is Edrik Sigvaldson!” antwoordde deze trotsch. „Ik kwam aan land om mijn moeder te bezoeken, en trok deze armoedige kleeren aan voor een zeker doel. Ik keer echter terug om anderen aan te trekken.”„Grootspreker! ik zou er wel mijn heele bezitting onder durven verwedden, dat die kleeren de beste zijn, die gij bezit!”Edrik voelde zijn bloed koken. Hij lichtte zijn speer op, die hij als man van rang steeds bij zich droeg; doch hij liet haar weer zakken. Was Ulf niet de broeder zijns vaders? Met neergeslagen blik wandelde hij naar de plaats, waar de Rolf-Krake lag en ging aan boord. Spoedig keerde hij terug, gekleed in een blauw opperkleed met goud geboord, lange roode beenbekleedsels van het fijnste laken, en kruisbanden van verguld leder; zijn zwaard droeg hij in een rijk met juweelen bezetten gordel.Over zijn schouders hing een blauwe mantel met goud afgezet en in zijn linkerhand droeg hij het ronde Scandinavische schild. Zijn muts was evenals die, welke de opperhoofden in de Schotsche Hooglanden nu nog dragen.Zijn moeder stond hem aan de deur harer woning af te wachten. Zij had zijn ontmoeting met Ulf gezien, maar het gesprek niet kunnen hooren.„Zoo moet de zoon van Sigvald gekleed gaan,” zeide zij met trots. „Wat zeide graaf Ulf?”Edrik vertelde zijn moeder wat Ulf gezegd had.„Gij ziet dat ik gelijk had, Edrik! Dat kleed bracht u schande aan. Kom in huis, mijn zoon! graaf Magni met zijn vrouw zullenheden bij ons eten; vraag ook Thorfinn en zijn vrouw!”„Dat zal ik doen en ook Nils meebrengen,” antwoordde Edrik vroolijk.Op de daïs was plaats voor al de gasten en gulle vriendschap zat voor bij den disch. Thorfrida smaakte het genot, dat haar zoon door Thorfinn geprezen werd. Deze nam een band van zijn arm, en schonk dien den knaap en gaf een tweeden aan Nils. Hij sprak tot hen woorden van aanmoediging en lof.Toen zeide Thorfrida: „Vrienden en hoofden! ik heb ook een geschenk voor mijn zoon. Het is heden de dag, waarop hij zestien winters geleden, het eerste levenslicht aanschouwde. Gij zegt mij dat hij zich een moedig zeeman heeft getoond. Hij is in den strijd beproefd en heeft zich gedragen, zooals Sigvald gewenscht zou hebben dat zijn zoon zich gedroeg. Ik geloof dat het nu de tijd is, dat hij het zwaard zijns vaders kan dragen. Edrik Sigvaldson! hierbij geef ik u het zwaard uws vaders, een wapen dat altijd het eerst schitterde in het gevecht en denzelfden glans heeft als de ziel van zijn eigenaar, helder en rein. Zorg, dat in uw bezit zijn glans nooit verduisterd wordt!”Edrik kon niet spreken, maar stond op, knielde naast den stoel zijner moeder en kuste haar de hand. Hij haalde het zwaard uit de schede, doch zijn vreugde was te groot om ze te kunnen uiten.„Het zwaard is de vreugde van den krijgsman,” zoo nam graaf Magni het woord. „Ieder strijder, die zijn naam waard is, heeft zijn zwaard lief, maar denk er aan, Edrik! dat wij, Christenen, nooit met moedwil of voor ons genoegen het bloed mogen vergieten van God’s schepselen. Het zwaard is het zinnebeeld der waarheid; van de waarheid, die strijdt, en altijd overwint!”Nu nam Thorfinn het woord: „Ik heb Sigvald gekend,” zeide bij, „en ik ken Edrik Sigvaldson, en ik zeg dat hij waardig is het zwaard zijns vaders te dragen!”Het feest duurde lang en het was een dag, dien Edrik nooit in zijn leven vergat.

XI.

De winter ging voorbij. De heerlijke lente was aangebroken en met haar kwam een groote menigte Eskimo’s.Wondervolle dingen brachten zij mee. Vellen van eekhorens, en mooie grijze pelzen. Zij ruilden die met de Noormannen voor stukken rood laken, en een soort van brij met melk, waarvan zij zeer veel hielden.De voorraad laken was bijna uitgeput, en de Eskimo’s drongen steeds op meer aan. Thorfinn wist niet hoe hij ze tevreden moest stellen, toen plotseling van achter de boomen Edrik’s lieveling, de stier, op de Eskimo’s losrende.Geen pen is in staat hun schrik en hun wilde vlucht te beschrijven; de Noormannen lachten.„Lach niet te hard!” riep Freydisa. „Heden is er een groot aantal Eskimo’s op de kust, maar voordat de maand uit is zullen er nog veel meer komen om wraak te nemen!”„Ja,” zei Helgi de Noorweger, „Freydisa is een tooverkol!”„Heksenbloed is kwaad bloed!” antwoordde Finnbogi.„Hoort gij, hoe men mij beleedigt, Thorward? Zij moeten sterven!”„Dat moeten wij allen, Freydisa! maar,” ging Thorwardvoort zich tot Finnbogi en Helgi wendende, „ik verzoek u mijn vrouw met rust te laten.”De beide Noormannen voelden zich gekwetst, en de vriendschap scheen voor goed verbroken. Dit beviel Freydisa, want in deze vredebreuk voorzag zij dat zij haar zin zou krijgen.Zoo gingen drie weken voorbij. Op een morgen wandelde Edrik langs de rivier, toen hij een groot aantal booten met Eskimo’s zag naderen. Hij liep zoo gauw hij kon terug om de kolonie te waarschuwen, en spoedig waren allen gewapend en gereed tot het gevecht. De Eskimo’s begonnen zóó te schreeuwen, dat de Noormannen even verschrikt waren als de Eskimo’s den vorigen keer door het gebrul van den stier. Het was alsof het geschreeuw ook van achter de hutten en uit de bosschen kwam; de lucht scheen er mee vervuld. Thorfinn’s volk dacht dat het omsingeld was, en trok zich haastig terug.Een hagelbui van steenen volgde. De Eskimo’s schenen bekwame slingeraars te zijn; bijna alle Noormannen werden geraakt. Edrik werd door een grooten steen getroffen en neergeworpen; hij stond echter spoedig weer op, hoewel hij zich wat duizelig voelde, en bevond dat de Noormannen zich terugtrokken. Hij trok zijn zwaard en velde den voorsten Eskimo neder, doch toen hoorde hij roepen: „Lafaards! ja, nu weet ik het, ik ben de vrouw van Thorward, den onmanlijke! Zie een knaap en een zwakke vrouw zullen den vijand tegenhouden!”Nils voegde zich bij hen. Freydisa greep een zwaard en vloog op de Eskimo’s los. Hare gebaren brachten zooveel ontsteltenis onder de Eskimo’s te weeg, dat zij den moed verloren en in verwarring naar hun booten terugtrokken, om zich daar tot een tweeden aanval gereed te maken.De Noormannen waren van hun schrik bekomen en vielenden vijand met woede aan. Zij richtten een geweldige slachting aan. Het strand was als bezaaid met lijken. Slechts de kleinste helft der Eskimo’s bereikte de booten. Zoo snel zij maar konden roeiden zij door de baai en waren spoedig uit het oog verdwenen.Thorfinn zag duidelijk in dat hij over meer krachten moest kunnen beschikken, om zich hier te vestigen. Bovendien hadden er onder zijn kleinen troep onophoudelijk twisten plaats. De vrouwen plaagden hun „verdedigers” met hun lafhartigheid, zoodat deze boos werden. De wraakzuchtige Freydisa vuurde de oneenigheid aan en liet geen gelegenheid voorbijgaan om twist te stoken tusschen haar man en de Noorwegers.Ten laatste bracht Freydisa haar echtgenoot zoo ver, dat hij, toen het lente werd, de twee Noormannen, die het meest haar haat opgewekt hadden, vermoordde. Thorward overviel hen met zijn volgelingen, en versloeg hen met hun lieden. Tot die lieden behoorden ook vijf vrouwen, de vrouwen van Helgi en Finnbogi en van eenigen van hun gevolg.Freydisa spoorde de mannen aan ook hen te vermoorden, maar zij wilden de vrouwen niet aanraken. „Neen,” zeiden zij, „het is eigenlijk toch al een moord dat Thorward de mannen heeft gedood, maar vrouwen te bevechten, dat is beneden ons!”Toen zij dit hoorde, sprong Freydisa vooruit, greep een bijl en versloeg met eigen hand de vrouwen.Thorfinn beval allen zich in te schepen, en hij schikte het zoo dat Thorward met zijn mannen en Freydisa eigenlijk gevangenen waren. Hij nam de jongens bij zich op zijn schip, doch allen waren even neerslachtig.Intusschen kwamen Thorfinn en de knapen veilig te Eiriks-fjordaan, van nabij gevolgd door de Sleipner met Freydisa en haar echtgenoot.Zoodra Leif de treurige geschiedenis hoorde, werden Thorward en zijn vrouw gevangen genomen, om naar IJsland, naar Reikiavik gezonden en veroordeeld te worden.De jongens hadden als echte jongens hun droefheid reeds weder vergeten. Zij gingen naar den ouden Eirik, die blijde was hen te zien, evenals Njord, die allerlei dwaze sprongen maakte. De hond scheen niet te weten aan wien zijner twee meesters hij nu eigenlijk behoorde. Hij stond stil en bedaard bij ouden Eirik, maar met de jongens was hij heel anders; dan was hij zoo speelsch en dartel als een jonge kat.De oude Eirik hoorde zijn kleinzoon gaarne vertellen van de Eskimo’s en hoe zij vochten met slingers en steenen, maar het wekte zijn toorn op toen Edrik vertelde hoe de Noormannen vluchtten; doch hij tikte zijn kleinzoon op het hoofd en zeide: „Maar gij hieldt stand, mijn jongen!”„Neen, Eirik Thorwaldson! Ik werd ter aarde geworpen.”„Dat is niets; de steen trof uw voorhoofd, niet, zooals bij de anderen, den rug.” En de oude krijger vervolgde: „Nu is er nog een ander punt, Edrik! Ik ben een rijk man. Uw oom Leif erft al mijn bezittingen op Groenland, doch ik zal u zooveel nalaten, dat gij de helft, die Ulf u ontnomen heeft, kunt terug koopen.”„Wilt gij mij een verzoek toestaan, grootvader?”„Wat is het?”„Zeg nog geen woord aan anderen van alles wat gij mij daar verteld hebt. Ik heb een plan gemaakt en als dat gelukt, zal ik mijn land hebben tot zulk een prijs, als waarvoor nog nooit land verkocht is.”Nu vertelde Edrik den ouden Eirik wat hij voornemens waste doen. Deze lachte. „Gij zijt een slimme knaap!” riep hij verheugd.Thorfinn besloot zijn lading in Noorwegen van de hand te doen, waar handelaars van alle volken gewoon waren bijeen te komen. Op Leif’s bevel werd de Sleipner naarReikiavikgezonden met Thorward en zijn vrouw en met twintig mannen van Eiriks troep. Thorfinn met de Rolf-Krake en de Seluna, een schip, dat voor Leif gebouwd was, kregen bevel het konvooi te geleiden, zoodat ontvluchten onmogelijk was.De drie schepen vertrokken met een gunstigen wind uit Eiriks-fjord. Oude Eirik stond, op Leifs arm leunende; de vertrekkenden na te staren. Zoodra de toppen der masten aan den horizon verdwenen waren, keerde hij zich om en zeide: „Ik zou wel eens willen weten of ik dien knaap nog terug zal zien. Hij is een flinke borst. Hij heeft veel van zijn vader! Als hij opgroeit, zal IJsland in hem een hoofd vinden, dat de groote vergadering zal kunnen leiden, want een edele van geest zal zich altijd doen eerbiedigen; de zwakke wordt veracht!”Toen de schepen te Reikiavik aankwamen, werden eerst boodschappers uitgezonden om de hoofden bijeen te roepen, ten einde Freydisa’s misdaad te bespreken, en uit te maken in hoeverre haar echtgenoot schuldig was. Magni was verheugd dat hij Edrik terug zag, en Thorfrida’s vreugde was onuitsprekelijk. Haar zoon was groot en sterk geworden en had zich bij alle gelegenheden dapper en braaf gedragen. Het huis, waarin zij woonde, stond niet ver van dat, hetwelk aan Magni behoorde, en het was ruim genoeg, zoodat haar zoon daar ook een tehuis kon vinden.„Nu, Edrik! zeg mij eens, zoudt gij liever in Wijnland wonen dan hier in ’t koude Noorden?”„Moeder, mijn tehuis is bij u! Wat zegt het spreekwoord: „Iemands eigen huis is zijn beste huis, hoe klein het ook zij!” Ik moet echter eerst naar Noorwegen, en gij moet mij zeggen hoe ik daar iemand kan vinden, om mij de Scandinavische wetten te leeren kennen.”„Wilt gij dan rechtsgeleerde worden?”„Neen, moeder! ik ben en blijf zeeman!—Ook moet ik kleeren hebben, nog eenvoudiger dan die, welke ik nu draag: kruisbanden van gewoon leer om mijn beenen, een blauw laken muts en een lederen gordel om mijn zwaard in te hangen.”„Ik hoop dat onder dat alles geen valschheid verborgen is? Spreek, mijn zoon! wat is er?”„Moeder! Eirik heeft mij verteld dat Ulf zulk een schurk is, dat hij hem niet meer onder zijn bloedverwanten telt, en hij heeft mij opgedragen het land mijns vaders terug te koopen. Als ik nu gekleed ga als een rijke graaf, zal Ulf veel meer van mij vragen, dan als ik mij arm voordoe.”„Is dit nu de reden waarom gij niet gekleed gaat zooals het den zoon van Sigvald betaamt?”„Ja moeder, dat is de eenige reden.”„Edrik! dat moogt gij niet doen; dat is bedriegerij!” zeide Thorfrida bedroefd.Edrik was als versteend van verbazing, maar zag toch dadelijk de waarheid in van hetgeen zijn brave moeder zeide.„Ik zal aan boord gaan en andere kleeren aantrekken, lieve moeder! Het was niet goed, het was slecht en verkeerd van mij,” antwoordde hij onthutst.„Ga, mijn jongen! en kom tot mij terug in een kleeding, die den zoon uws vaders past; dat zijt ge aan zijn nagedachtenis verplicht.”Edrik verliet haar en ging haastig naar zijn schip, toen hij Ulf tegenkwam, die naar Reikiavik was gekomen. Deze keek Edrik strak aan, die hem zijn blik met woeker terug gaf.„Wel, wie zijt gij?” riep Ulf. „Een bedelaarsjongen?”„Mijn naam is Edrik Sigvaldson!” antwoordde deze trotsch. „Ik kwam aan land om mijn moeder te bezoeken, en trok deze armoedige kleeren aan voor een zeker doel. Ik keer echter terug om anderen aan te trekken.”„Grootspreker! ik zou er wel mijn heele bezitting onder durven verwedden, dat die kleeren de beste zijn, die gij bezit!”Edrik voelde zijn bloed koken. Hij lichtte zijn speer op, die hij als man van rang steeds bij zich droeg; doch hij liet haar weer zakken. Was Ulf niet de broeder zijns vaders? Met neergeslagen blik wandelde hij naar de plaats, waar de Rolf-Krake lag en ging aan boord. Spoedig keerde hij terug, gekleed in een blauw opperkleed met goud geboord, lange roode beenbekleedsels van het fijnste laken, en kruisbanden van verguld leder; zijn zwaard droeg hij in een rijk met juweelen bezetten gordel.Over zijn schouders hing een blauwe mantel met goud afgezet en in zijn linkerhand droeg hij het ronde Scandinavische schild. Zijn muts was evenals die, welke de opperhoofden in de Schotsche Hooglanden nu nog dragen.Zijn moeder stond hem aan de deur harer woning af te wachten. Zij had zijn ontmoeting met Ulf gezien, maar het gesprek niet kunnen hooren.„Zoo moet de zoon van Sigvald gekleed gaan,” zeide zij met trots. „Wat zeide graaf Ulf?”Edrik vertelde zijn moeder wat Ulf gezegd had.„Gij ziet dat ik gelijk had, Edrik! Dat kleed bracht u schande aan. Kom in huis, mijn zoon! graaf Magni met zijn vrouw zullenheden bij ons eten; vraag ook Thorfinn en zijn vrouw!”„Dat zal ik doen en ook Nils meebrengen,” antwoordde Edrik vroolijk.Op de daïs was plaats voor al de gasten en gulle vriendschap zat voor bij den disch. Thorfrida smaakte het genot, dat haar zoon door Thorfinn geprezen werd. Deze nam een band van zijn arm, en schonk dien den knaap en gaf een tweeden aan Nils. Hij sprak tot hen woorden van aanmoediging en lof.Toen zeide Thorfrida: „Vrienden en hoofden! ik heb ook een geschenk voor mijn zoon. Het is heden de dag, waarop hij zestien winters geleden, het eerste levenslicht aanschouwde. Gij zegt mij dat hij zich een moedig zeeman heeft getoond. Hij is in den strijd beproefd en heeft zich gedragen, zooals Sigvald gewenscht zou hebben dat zijn zoon zich gedroeg. Ik geloof dat het nu de tijd is, dat hij het zwaard zijns vaders kan dragen. Edrik Sigvaldson! hierbij geef ik u het zwaard uws vaders, een wapen dat altijd het eerst schitterde in het gevecht en denzelfden glans heeft als de ziel van zijn eigenaar, helder en rein. Zorg, dat in uw bezit zijn glans nooit verduisterd wordt!”Edrik kon niet spreken, maar stond op, knielde naast den stoel zijner moeder en kuste haar de hand. Hij haalde het zwaard uit de schede, doch zijn vreugde was te groot om ze te kunnen uiten.„Het zwaard is de vreugde van den krijgsman,” zoo nam graaf Magni het woord. „Ieder strijder, die zijn naam waard is, heeft zijn zwaard lief, maar denk er aan, Edrik! dat wij, Christenen, nooit met moedwil of voor ons genoegen het bloed mogen vergieten van God’s schepselen. Het zwaard is het zinnebeeld der waarheid; van de waarheid, die strijdt, en altijd overwint!”Nu nam Thorfinn het woord: „Ik heb Sigvald gekend,” zeide bij, „en ik ken Edrik Sigvaldson, en ik zeg dat hij waardig is het zwaard zijns vaders te dragen!”Het feest duurde lang en het was een dag, dien Edrik nooit in zijn leven vergat.

De winter ging voorbij. De heerlijke lente was aangebroken en met haar kwam een groote menigte Eskimo’s.

Wondervolle dingen brachten zij mee. Vellen van eekhorens, en mooie grijze pelzen. Zij ruilden die met de Noormannen voor stukken rood laken, en een soort van brij met melk, waarvan zij zeer veel hielden.

De voorraad laken was bijna uitgeput, en de Eskimo’s drongen steeds op meer aan. Thorfinn wist niet hoe hij ze tevreden moest stellen, toen plotseling van achter de boomen Edrik’s lieveling, de stier, op de Eskimo’s losrende.

Geen pen is in staat hun schrik en hun wilde vlucht te beschrijven; de Noormannen lachten.

„Lach niet te hard!” riep Freydisa. „Heden is er een groot aantal Eskimo’s op de kust, maar voordat de maand uit is zullen er nog veel meer komen om wraak te nemen!”

„Ja,” zei Helgi de Noorweger, „Freydisa is een tooverkol!”

„Heksenbloed is kwaad bloed!” antwoordde Finnbogi.

„Hoort gij, hoe men mij beleedigt, Thorward? Zij moeten sterven!”

„Dat moeten wij allen, Freydisa! maar,” ging Thorwardvoort zich tot Finnbogi en Helgi wendende, „ik verzoek u mijn vrouw met rust te laten.”

De beide Noormannen voelden zich gekwetst, en de vriendschap scheen voor goed verbroken. Dit beviel Freydisa, want in deze vredebreuk voorzag zij dat zij haar zin zou krijgen.

Zoo gingen drie weken voorbij. Op een morgen wandelde Edrik langs de rivier, toen hij een groot aantal booten met Eskimo’s zag naderen. Hij liep zoo gauw hij kon terug om de kolonie te waarschuwen, en spoedig waren allen gewapend en gereed tot het gevecht. De Eskimo’s begonnen zóó te schreeuwen, dat de Noormannen even verschrikt waren als de Eskimo’s den vorigen keer door het gebrul van den stier. Het was alsof het geschreeuw ook van achter de hutten en uit de bosschen kwam; de lucht scheen er mee vervuld. Thorfinn’s volk dacht dat het omsingeld was, en trok zich haastig terug.

Een hagelbui van steenen volgde. De Eskimo’s schenen bekwame slingeraars te zijn; bijna alle Noormannen werden geraakt. Edrik werd door een grooten steen getroffen en neergeworpen; hij stond echter spoedig weer op, hoewel hij zich wat duizelig voelde, en bevond dat de Noormannen zich terugtrokken. Hij trok zijn zwaard en velde den voorsten Eskimo neder, doch toen hoorde hij roepen: „Lafaards! ja, nu weet ik het, ik ben de vrouw van Thorward, den onmanlijke! Zie een knaap en een zwakke vrouw zullen den vijand tegenhouden!”

Nils voegde zich bij hen. Freydisa greep een zwaard en vloog op de Eskimo’s los. Hare gebaren brachten zooveel ontsteltenis onder de Eskimo’s te weeg, dat zij den moed verloren en in verwarring naar hun booten terugtrokken, om zich daar tot een tweeden aanval gereed te maken.

De Noormannen waren van hun schrik bekomen en vielenden vijand met woede aan. Zij richtten een geweldige slachting aan. Het strand was als bezaaid met lijken. Slechts de kleinste helft der Eskimo’s bereikte de booten. Zoo snel zij maar konden roeiden zij door de baai en waren spoedig uit het oog verdwenen.

Thorfinn zag duidelijk in dat hij over meer krachten moest kunnen beschikken, om zich hier te vestigen. Bovendien hadden er onder zijn kleinen troep onophoudelijk twisten plaats. De vrouwen plaagden hun „verdedigers” met hun lafhartigheid, zoodat deze boos werden. De wraakzuchtige Freydisa vuurde de oneenigheid aan en liet geen gelegenheid voorbijgaan om twist te stoken tusschen haar man en de Noorwegers.

Ten laatste bracht Freydisa haar echtgenoot zoo ver, dat hij, toen het lente werd, de twee Noormannen, die het meest haar haat opgewekt hadden, vermoordde. Thorward overviel hen met zijn volgelingen, en versloeg hen met hun lieden. Tot die lieden behoorden ook vijf vrouwen, de vrouwen van Helgi en Finnbogi en van eenigen van hun gevolg.

Freydisa spoorde de mannen aan ook hen te vermoorden, maar zij wilden de vrouwen niet aanraken. „Neen,” zeiden zij, „het is eigenlijk toch al een moord dat Thorward de mannen heeft gedood, maar vrouwen te bevechten, dat is beneden ons!”

Toen zij dit hoorde, sprong Freydisa vooruit, greep een bijl en versloeg met eigen hand de vrouwen.

Thorfinn beval allen zich in te schepen, en hij schikte het zoo dat Thorward met zijn mannen en Freydisa eigenlijk gevangenen waren. Hij nam de jongens bij zich op zijn schip, doch allen waren even neerslachtig.

Intusschen kwamen Thorfinn en de knapen veilig te Eiriks-fjordaan, van nabij gevolgd door de Sleipner met Freydisa en haar echtgenoot.

Zoodra Leif de treurige geschiedenis hoorde, werden Thorward en zijn vrouw gevangen genomen, om naar IJsland, naar Reikiavik gezonden en veroordeeld te worden.

De jongens hadden als echte jongens hun droefheid reeds weder vergeten. Zij gingen naar den ouden Eirik, die blijde was hen te zien, evenals Njord, die allerlei dwaze sprongen maakte. De hond scheen niet te weten aan wien zijner twee meesters hij nu eigenlijk behoorde. Hij stond stil en bedaard bij ouden Eirik, maar met de jongens was hij heel anders; dan was hij zoo speelsch en dartel als een jonge kat.

De oude Eirik hoorde zijn kleinzoon gaarne vertellen van de Eskimo’s en hoe zij vochten met slingers en steenen, maar het wekte zijn toorn op toen Edrik vertelde hoe de Noormannen vluchtten; doch hij tikte zijn kleinzoon op het hoofd en zeide: „Maar gij hieldt stand, mijn jongen!”

„Neen, Eirik Thorwaldson! Ik werd ter aarde geworpen.”

„Dat is niets; de steen trof uw voorhoofd, niet, zooals bij de anderen, den rug.” En de oude krijger vervolgde: „Nu is er nog een ander punt, Edrik! Ik ben een rijk man. Uw oom Leif erft al mijn bezittingen op Groenland, doch ik zal u zooveel nalaten, dat gij de helft, die Ulf u ontnomen heeft, kunt terug koopen.”

„Wilt gij mij een verzoek toestaan, grootvader?”

„Wat is het?”

„Zeg nog geen woord aan anderen van alles wat gij mij daar verteld hebt. Ik heb een plan gemaakt en als dat gelukt, zal ik mijn land hebben tot zulk een prijs, als waarvoor nog nooit land verkocht is.”

Nu vertelde Edrik den ouden Eirik wat hij voornemens waste doen. Deze lachte. „Gij zijt een slimme knaap!” riep hij verheugd.

Thorfinn besloot zijn lading in Noorwegen van de hand te doen, waar handelaars van alle volken gewoon waren bijeen te komen. Op Leif’s bevel werd de Sleipner naarReikiavikgezonden met Thorward en zijn vrouw en met twintig mannen van Eiriks troep. Thorfinn met de Rolf-Krake en de Seluna, een schip, dat voor Leif gebouwd was, kregen bevel het konvooi te geleiden, zoodat ontvluchten onmogelijk was.

De drie schepen vertrokken met een gunstigen wind uit Eiriks-fjord. Oude Eirik stond, op Leifs arm leunende; de vertrekkenden na te staren. Zoodra de toppen der masten aan den horizon verdwenen waren, keerde hij zich om en zeide: „Ik zou wel eens willen weten of ik dien knaap nog terug zal zien. Hij is een flinke borst. Hij heeft veel van zijn vader! Als hij opgroeit, zal IJsland in hem een hoofd vinden, dat de groote vergadering zal kunnen leiden, want een edele van geest zal zich altijd doen eerbiedigen; de zwakke wordt veracht!”

Toen de schepen te Reikiavik aankwamen, werden eerst boodschappers uitgezonden om de hoofden bijeen te roepen, ten einde Freydisa’s misdaad te bespreken, en uit te maken in hoeverre haar echtgenoot schuldig was. Magni was verheugd dat hij Edrik terug zag, en Thorfrida’s vreugde was onuitsprekelijk. Haar zoon was groot en sterk geworden en had zich bij alle gelegenheden dapper en braaf gedragen. Het huis, waarin zij woonde, stond niet ver van dat, hetwelk aan Magni behoorde, en het was ruim genoeg, zoodat haar zoon daar ook een tehuis kon vinden.

„Nu, Edrik! zeg mij eens, zoudt gij liever in Wijnland wonen dan hier in ’t koude Noorden?”

„Moeder, mijn tehuis is bij u! Wat zegt het spreekwoord: „Iemands eigen huis is zijn beste huis, hoe klein het ook zij!” Ik moet echter eerst naar Noorwegen, en gij moet mij zeggen hoe ik daar iemand kan vinden, om mij de Scandinavische wetten te leeren kennen.”

„Wilt gij dan rechtsgeleerde worden?”

„Neen, moeder! ik ben en blijf zeeman!—Ook moet ik kleeren hebben, nog eenvoudiger dan die, welke ik nu draag: kruisbanden van gewoon leer om mijn beenen, een blauw laken muts en een lederen gordel om mijn zwaard in te hangen.”

„Ik hoop dat onder dat alles geen valschheid verborgen is? Spreek, mijn zoon! wat is er?”

„Moeder! Eirik heeft mij verteld dat Ulf zulk een schurk is, dat hij hem niet meer onder zijn bloedverwanten telt, en hij heeft mij opgedragen het land mijns vaders terug te koopen. Als ik nu gekleed ga als een rijke graaf, zal Ulf veel meer van mij vragen, dan als ik mij arm voordoe.”

„Is dit nu de reden waarom gij niet gekleed gaat zooals het den zoon van Sigvald betaamt?”

„Ja moeder, dat is de eenige reden.”

„Edrik! dat moogt gij niet doen; dat is bedriegerij!” zeide Thorfrida bedroefd.

Edrik was als versteend van verbazing, maar zag toch dadelijk de waarheid in van hetgeen zijn brave moeder zeide.

„Ik zal aan boord gaan en andere kleeren aantrekken, lieve moeder! Het was niet goed, het was slecht en verkeerd van mij,” antwoordde hij onthutst.

„Ga, mijn jongen! en kom tot mij terug in een kleeding, die den zoon uws vaders past; dat zijt ge aan zijn nagedachtenis verplicht.”

Edrik verliet haar en ging haastig naar zijn schip, toen hij Ulf tegenkwam, die naar Reikiavik was gekomen. Deze keek Edrik strak aan, die hem zijn blik met woeker terug gaf.

„Wel, wie zijt gij?” riep Ulf. „Een bedelaarsjongen?”

„Mijn naam is Edrik Sigvaldson!” antwoordde deze trotsch. „Ik kwam aan land om mijn moeder te bezoeken, en trok deze armoedige kleeren aan voor een zeker doel. Ik keer echter terug om anderen aan te trekken.”

„Grootspreker! ik zou er wel mijn heele bezitting onder durven verwedden, dat die kleeren de beste zijn, die gij bezit!”

Edrik voelde zijn bloed koken. Hij lichtte zijn speer op, die hij als man van rang steeds bij zich droeg; doch hij liet haar weer zakken. Was Ulf niet de broeder zijns vaders? Met neergeslagen blik wandelde hij naar de plaats, waar de Rolf-Krake lag en ging aan boord. Spoedig keerde hij terug, gekleed in een blauw opperkleed met goud geboord, lange roode beenbekleedsels van het fijnste laken, en kruisbanden van verguld leder; zijn zwaard droeg hij in een rijk met juweelen bezetten gordel.Over zijn schouders hing een blauwe mantel met goud afgezet en in zijn linkerhand droeg hij het ronde Scandinavische schild. Zijn muts was evenals die, welke de opperhoofden in de Schotsche Hooglanden nu nog dragen.

Zijn moeder stond hem aan de deur harer woning af te wachten. Zij had zijn ontmoeting met Ulf gezien, maar het gesprek niet kunnen hooren.

„Zoo moet de zoon van Sigvald gekleed gaan,” zeide zij met trots. „Wat zeide graaf Ulf?”

Edrik vertelde zijn moeder wat Ulf gezegd had.

„Gij ziet dat ik gelijk had, Edrik! Dat kleed bracht u schande aan. Kom in huis, mijn zoon! graaf Magni met zijn vrouw zullenheden bij ons eten; vraag ook Thorfinn en zijn vrouw!”

„Dat zal ik doen en ook Nils meebrengen,” antwoordde Edrik vroolijk.

Op de daïs was plaats voor al de gasten en gulle vriendschap zat voor bij den disch. Thorfrida smaakte het genot, dat haar zoon door Thorfinn geprezen werd. Deze nam een band van zijn arm, en schonk dien den knaap en gaf een tweeden aan Nils. Hij sprak tot hen woorden van aanmoediging en lof.

Toen zeide Thorfrida: „Vrienden en hoofden! ik heb ook een geschenk voor mijn zoon. Het is heden de dag, waarop hij zestien winters geleden, het eerste levenslicht aanschouwde. Gij zegt mij dat hij zich een moedig zeeman heeft getoond. Hij is in den strijd beproefd en heeft zich gedragen, zooals Sigvald gewenscht zou hebben dat zijn zoon zich gedroeg. Ik geloof dat het nu de tijd is, dat hij het zwaard zijns vaders kan dragen. Edrik Sigvaldson! hierbij geef ik u het zwaard uws vaders, een wapen dat altijd het eerst schitterde in het gevecht en denzelfden glans heeft als de ziel van zijn eigenaar, helder en rein. Zorg, dat in uw bezit zijn glans nooit verduisterd wordt!”

Edrik kon niet spreken, maar stond op, knielde naast den stoel zijner moeder en kuste haar de hand. Hij haalde het zwaard uit de schede, doch zijn vreugde was te groot om ze te kunnen uiten.

„Het zwaard is de vreugde van den krijgsman,” zoo nam graaf Magni het woord. „Ieder strijder, die zijn naam waard is, heeft zijn zwaard lief, maar denk er aan, Edrik! dat wij, Christenen, nooit met moedwil of voor ons genoegen het bloed mogen vergieten van God’s schepselen. Het zwaard is het zinnebeeld der waarheid; van de waarheid, die strijdt, en altijd overwint!”

Nu nam Thorfinn het woord: „Ik heb Sigvald gekend,” zeide bij, „en ik ken Edrik Sigvaldson, en ik zeg dat hij waardig is het zwaard zijns vaders te dragen!”

Het feest duurde lang en het was een dag, dien Edrik nooit in zijn leven vergat.


Back to IndexNext