HOOFDSTUK VI.BEVOLKING.Onder de jongste geslachten vond eene wonderbare gewaarwording plaats door de verkondiging van de groote Malthusiaansche ontdekking—de ontegenzeggelijke, onbetwistbaar, onverbiddelijke waarheid—dat de productive krachten van den grond steeds minder en minder beantwoorden aan de consumptive eischen van het menschelijk geslacht; dat terwijl de bevolking vermeerderde met den spoed van eene snelle meetkundige reeks, de middelen tot het verkrijgen van voeding met de zwakheid van eene langzame rekenkundige reeks ten achterbleven; dat de zetels aan de tafel der natuur—hoe rijk en overvloedig die ook was—allen vervuld waren en er geen plaats voor overtollige en ongenoodigde gasten overbleef,—in één woord en om de gewone formule te gebruiken, dat de bevolking meer en meer op middelen van bestaan aandrong en dat de gevolgen moeten zijn vermeerderde behoeften, toenemende armoede en eene reeks van rampen, eindeloos als de catalogus van de verschillende vormen der menschelijke ellende.Hoe dikwijls kwam mij, toen ik zoo de duizende eilanden van den Philippijnschen Archipel doortrok, de schim van Malthus en de hersenschimmen van zijne philosophie voor den geest. Hoe velen zijn er onder deze tallooze, door de zee omgeven streken, waarop nooit een Europeaan den voet gezet heeft; hoe weinigen, die geheel geëxploiteerd zijn en hoeveel minder nog die dooreenigen beschaafden of vreemden stam bewoond werden! En toch zijn zij met zulk eenen schoonen en natuurlijken wasdom boven bedekt en tellen zij tallooze schatten aan mineralen rijkdom beneden; hunne productive krachten zijn grenzeloos; men vindt er de verscheidenheid van klimaat, die bergen, dalen en vlakten aanbieden: regens om te bevochtigen, de zon om te rijpen, rivieren om te vervoeren, havens voor de scheepvaart. Zij hebben alles aantrekkelijks om te wagen en zij kunnen de industrie beloonen; een bevolking van slechts 5 of 6 millioen zielen, terwijl tienmaal zooveel tot verzadigens toe konden gevoed worden en zij in de behoeften van millioenen en millioenen meer konden voorzien door den overvloed hunner middelen.Tot welk een eng veld van beschouwing moet de geest zich hebben bepaald, die verontrust werd door eene ontdekking, die op zich zelve van zoo weinig belang is, wanneer me ze in de groote sfeer van ’s werelds aardrijkskunde brengt! Ofschoon het menschelijk geslacht op eene snelle, bijna onmetelijke wijze is toegenomen, zal men bevinden dat hongersnood, ziekten, oorlogen en dergelijke vreesselijke bezoekingen, die bestemd waren om de balans in evenwigt te houden, om de evenredigheid te herstellen tusschen de behoeften en de middelen der menschen, veel vernielender in oude dan in latere tijden waren, zoo men het kleine aantal toen bestaande wezens in aanmerking neemt.Het edeler en hooger axioma is dat «vooruitgang» de wet de Voorzienigheid is, die nooit dwaalt, terwijl het menschelijk geslacht steeds meer en meer toeneemt, ten einde ruime middelen te verschaffen voor aller onderhoud en geluk. Geen land, geen zee is uitgeput of op den weg van uitputting. Over hoevele duizenden akkers grond, in koude, gematigde of tropische luchtstreken, kan nog beschikt worden! Hoevele duizenden meer liggen daar nog ter bebouwing! En terwijl in de digter bevolkte gedeelten der wereld uitwegen noodig zijn voor hen, die ziek door rust zijn en voor niets anders dan voor den arbeid geboren zijn, hoevele versnelde middelen van vervoer bestaan er niet, waardoor de reiziger minder verlegen is om eene geschikte plaats voor zijne woning te vinden, dan wel om er een te kiezen onder de vele, die zich voor hem opdoen! Zoo de arme Ier al in zulkemassa’s naar Amerika of Australië vertrekt, gemakkelijker hebben het die massa’s werklieden in Europa die nog gedrongen worden door de concurrentie van naburen gelukkiger dan zij zelve.Het is te verwonderen dat de Spaanschekoloniëngeen grooter aantal Spanjaarden tot zich getrokken hebben, maar de nationale geest van het Iberische schiereiland is niet meer reizend of avontuurlijk. Spanje zelfs is niet digt bevolkt en biedt groote hulpbronnen aan zijne vergenoegde landlieden. «God—zeggen zij—heeft alles wat Hij had, aan Spanje gegeven. Ons land is een Eden, waarom zouden wij het dus verlaten?» En toch heeft Spanje, hoe langzaam, traag en zonder eenige energie, tegenover werkzamernatiën, zijn aandeel in de trotsche geschiedenis van menschelijkenvooruitgang. De meer ondernemende aanvallers van het bloed der Gothen of Anglo-Saxen hebben meermalen de inlandsche rassen uit de afgelegene landen verjaagd, waarin zij zich hadden gevestigd. De eene stroom van emigranten volgde de andere; handel en landbouw hebben de navraag van de indringende bezoekers uitgelokt en in hunne behoeften voorzien. Maar Spanje heeft nooit genoeg opgeleverd om de oorspronkelijke stammen te verjagen. De kolonisten uit dat land werden altijd vergezeld door een groot aantal geestelijken, die geneigd waren om «den heiden» in de Christelijke gemeente te brengen. Deze zendelingen hebben ongetwijfeld dikwijls tusschen de hebzucht van den overwinnaar en de zwakheid van den overwonnene gestaan. Zij hebben de Indische stammen behouden door deze te beschermen, en men mag betwijfelen of het algemeene belang niet gebaat werd door een invloed, wiens zegenrijke gevolgen kunnen blijven, als het meest in het oog springende kwaad, aan zulk een invloed gepaard, grootendeels verholpen of geheel uit den weg geruimd werd.Mijne opmerkingen en beschouwingen leiden dan tot deze conclusie: dat, welke exceptionele gevallen mogen bestaan, de springvloed van vooruitgang steeds sterker opzwelt; dat de loop van het Goddelijke bestuur daarin gelegen is, om van schijnbaar kwaad goeds en altijd meer goeds en goeds tot in het oneindige te stichten; dat het menschelijke geslacht, als ééngeheel, voortdurend in verbetering toeneemt; dat ieder geslacht beter en wijzer is dan het voorafgaande; dat de woeste en minder vooruitgaande stammen door diegenen, welke eene hoogere geestbeschaving bezitten, zullen worden vervangen; dat de half beschaafde slechts zal worden verduurzaamd door aanraking met eene grootere beschaving, die hem in de menschheid zal verheffen. Een middenras, zooals China in den vorm van millioenen emigranten oplevert, bevordert wonderbaarlijk de beschaving. De vordering is overal in de meer afgelegen Oostersche wereld zigtbaar. De mestizo-afstammelingen van Chinesche vaders en Indiaansche moeders vormen ontegenzeggelijk het meest belovende gedeelte van de Philippijnsche bevolking. In Siam, Burmah, Cochin-China worden voordeelige bezigheden verrigt door Chinesche kolonisten. In NederlandschIndiëgaan zij zonder uitzondering vooruit. Daarop en niet op de inlandsche volkeren moeten Sumatra, Borneo en de overige eilanden het oog vestigen om hunne hulpbronnen eenige belangrijke ontwikkeling te geven. In onzen straits-Archipel hebben zij de Klingalezen in alle zegenrijke werken van den landbouw vervangen, even als de laatste dit vroeger met de minder industriële Maleijers hebben gedaan. De vooruitgang van hoogere kennis en de onderdrukking van de mindere begaafdheden kan men ook vinden in de uitroeijing van zoo menige ruwe taal en de verspreiding van die, welke de beschaving in hare hoogere ontwikkeling vertegenwoordigen. Men kan, naar mijne meening, gerust voorspellen dat het niet zeer lang zal duren of het aantal talen dat op de aarde wordt gesproken, zal tot een zeer gering getal zijn verminderd. In den loop van eene eeuw gaat zoo menige plaatselijke tongval te niet en wordt voor goed vervangen door een’ van hoogeren rang en van meer nut. Wanneer men in aanmerking neemt dat de geschreven taal van China door een derde van het menschelijk geslacht wordt verstaan en dat waarschijnlijk meer dan 1/10 gedeelte van het menschelijk geslacht Engelsch kan spreken, en wanneer men er dan op let hoe de provinciale dialecten van Frankrijk, Duitschland,Spanje en Italie meer en meer in onbruik geraken, dan zal men goeden grond hebben te veronderstellen dat vele van de bestaande werktuigen voor het spraakvermogen langzamerhand zullen verdwijnen,dat het aantal doode talen vermeerderd en dat der levende naar evenredigheid verminderd zal worden.Ik weet niet uit welke bronnen Mallat in 1846 de bevolking der Philippijnen op 7 millioen zielen schatte; eene vermeerdering, zeide hij, van meer dan 50 pCt sedert 1816, in welken tijd hij beweert dat de bevolking4,600,000zielen bedroeg. Hij zegt dat zij van 1774 tot het laatste tijdvak viervoudig toegenomen is. Deze ontzettende vermeerdering in de latere tijden schrijft hij toe aan de invoering van de koepokinenting en de algemeene rust van het land; maar de juistheid der data mag wel betwijfeld worden.Pater Juan Fernandez schat de Christelijke bevolking van de Philippijnen, als volgt:puebloszielen.in het aartsbisdom Manilla185135,000in»het»bisdomNieuw-Segovië132745,000in»het»bisdom»Nieuw-Caceres104480,000in»het»bisdom»Zebu3061,200,000Totaal7272,560,000De bevolking van de Philippijnen wordt over het algemeen op ongeveer 4 millioen geschat, doch daar de Indianen, die in het binnenland van verscheidene eilanden,—vooral die welke in de onbebouwde woud- en bergstreken verblijf houden—in geene officiele telling kunnen worden begrepen, kan elke berekening slechts het juiste cijfer nabij komen. De opgaven, door het Gouvernement aan deGuia de Foresterosover het jaar 1858 gegeven, leveren de volgende resultaten op.Deze geheele bevolking van de veertigprovinciënbedroeg 4,290,371 zielen, waarvan 1,787,528 inlanders en 78,400 mestizen en Chinezen, die schatting betaalden. Er waren in dat jaar 184,074 geboorten, 102,466 sterfgevallen; 40,093 huwelijken waren er voltrokken.Verhouding van inlandsche tot gemengde rassen96pCt.Verhouding»van»de inlanders (die belasting betalen) tot de bevolking29pCt.»Verhouding»van»de gemengde rassen tot de bevolking1.75pCt.»Verhouding»van»geboorten tot de bevolking4.00pCt.»Verhouding»van»sterfgevallen tot de bevolking2.33pCt.»Verhouding»van»van de huwelijken tot de bevolking0.90pCt.»Verhouding»van»van de geboorten tot de sterfgevallen64 tot 36pCt.»Verhouding»van»geboorten tot de huwelijken2.70pCt.»Onvoldoende opgaven zijn gegeven van Corregidor en Pulo Caballo, die 370 inwoners in het geheel tellen; van Benguet dat 6,803 zielen telt, waarvan 4,639 heidenen en 15 Christelijke schatpligtigen zijn; eindelijk van Cajan, waarvan de bevolking 17,035 zielen bedraagt en 10,861 schatpligtigen zijn.Het aantal Europesche Spanjaarden, die op de Philippijnen gevestigd zijn, bedraagt eene veel kleinere hoeveelheid dan dat van de gemengde stammen. Er zijn 670 van het mannelijke en 119 van het vrouwelijke geslacht in de hoofdstad (Manilla en Binondo). Onder deze bevinden zich 114 monniken, die allen in Manilla wonen, 8 geestelijken, 46 kooplieden, 14 geneeskundigen, terwijl de overigen meerendeels militaire of civiele beambten zijn. Maar op geen der eilanden bedraagt de hoeveelheid Spanjaarden zooveel als in de hoofdstad. Waarschijnlijk bedraagt het geheele aantal Europesche Spanjaarden op de eilanden niet meer dan 2,000.Op Binondo wonen 96 vreemdelingen, waarvan 85 mannen en 11 vrouwen (geene op het eigenlijke Manilla). Daarvan zijn 50 kooplieden of hunne bedienden. Men vindt 22 Britsche onderdanen, 15 Franschen, 15 Zuid-Amerikanen, 11 burgers uit de Vereenigde Staten, 9 Duitschers en even zooveel Zwitsers.Afgezonderd van Europesche Spanjaarden, zijn er velefamiliën, die zichhyos del pays(kinderen van het land) noemen; dit zijn afstammelingen van Spaansche kolonisten, die de vermenging met inlandsch Indiaansch bloed vermijden. Zij zijn er voor bekend, dat zij nog gevoeliger dan zelfs de oude Castilianen zijnin zaken van etiquette en men vindt onder hen velen, die eene Europesche opvoeding hebben genoten. Zij solliciteren gewoonlijk naar openbare ambten, maar moeten minder standvastig zijn en meer naar spel en genoegens haken, dan hunne voorouders. Zij zijn echter gastvrij bij uitnemendheid. In het openbaar kleeden zij zich op Europesche wijze, doch te huis dragen zoowel mannen en vrouwen de meer losse en gemakkelijker Indische kleeding. Van hunne zijde klagen zij, dat er scheidpalen tusschen hen en hunne landslieden van het schiereiland zijngeplaatst; in één woord, de castegeest oefent zijnen afscheidenden en vervreemdenden invloed op de Philippijnen, even als overal elders uit.De Mestizos, of gemengde rassen, vormen een groot en invloedrijk gedeelte der Filipinos; slechts een klein aantal Europesche vrouwen wonen op de eilanden en over het algemeen zijn zij de vrouwen van de hooge Spaansche beambten of van hoofd-officieren bij de land- en zeemagt, wier diensttijd veelal beperkt is. Ofschoon de dochters vanfamiliënvan echt Spaansch bloed meestal in de kolonie huwen en zich uitsluiten en afzonderen, is het toch zeldzaam dat men onder de hoogste klassen niet een groot aantal mestizo-vrouwen vindt, kinderen van Spaansche vaders en inlandsche moeders. De meerderheid der kooplieden en grondeigenaars behoort tot deze klasse; zij bekleeden de meeste ondergeschikte staatsambten. Men vindt eene menigte afstammelingen van Chinezen uit inlandsche moeders, doch de vaderlijke type schijnt die van de moeder zóózeer te verdringen, dat de kinderen van verscheidene geslachten het sprekende kenmerk dragen dat de natuurlijke inboorling onderscheidt, zelfs bij eene opvolgende reeks van Indische moeders. Ik zal later gelegenheid hebben van een bezoek te spreken dat ik aan een district (Molo, nabij Iloilo) bragt, waar in vroegere tijden eene grooteChineschekolonie was gevestigd, en van waar het Chinesche ras sedert eeuwen was verdwenen, doch de Chinesche gelaatstrekken en het karakter van dat volk hadden onmiskenbare sporen onder de geheele bevolking achtergelaten. Ik vond nergens onder de inlanders een zoo nijverig, volhardend, spaarzaam en over het algemeen zoo welvarend volk. In elk huis bijna werd een handwerk uitgeoefend en de beste pina-goederen worden op deze plaats geweven. Wijwaren op een bal genoodigd, dat door de voornaamste inlandsche vrouwen werd bijgewoond en ik had de eer in eendiscursogewikkeld te worden dat de gastvrouw in uitmuntend Castiliaansch voerde. Men zeide mij dat de jonge vrouwen hier om hare kuischheid geroemd werden en dat eene gevallene vrouw op geene vergiffenis onder haar kon rekenen. Hare ouders hebben bezwaar haar Spaansch te laten leeren, omdat zij meenen haar daardoor aan verleiding bloot te stellen. De Mas zegt het volgende van de mestizos van Chinesche en Mongoolsche afkomst:«Zij wordenSangleygenoemd, hetgeen Chinesche koopman of reiziger beteekent. Zij bezitten dezelfde industriele en speculatiegeest als hunne voorouders. De meesten onder hen hebben rijkdommen en landerijen verworven en het grootste gedeelte van den kleinhandel is in hunne handen. Zij maken de middenklassen der Filipinos uit. Hunne voorspoed en betere opvoeding zijn de natuurlijke gevolgen daarvan, en hun zedelijk en intellectueel karakter staan ver boven dat der Indianen. Zij hebben eenige weelde in hunne kleeding, welke fraaijer en netter dan die der Indianen is; sommige hunner vrouwen kan men teregt schoon noemen. Intusschen hebben zij vele gewoonten van de Indianen, die zij in godsdienstige gevoelens overtreffen, omdat zij meer beschaafd zijn. Deze stam neemt in aantal en invloed toe en vermeerdert zich, ten gevolge van de groote toevloeijing van Chinezen, op hunne vestigingsplaatsen in grootere mate dan de Indische bevolking.»1Er valt niet aan te twijfelen, dat de grootere invloed van den aard des vaders dan die van de moeder, het algemeene karakter der gemengde Chinezen door vele geslachten heen heeft verbeterd. Zij zijn werkzamer en ondernemender, voorzigtiger en volhardender, meer tot den handel geneigd, dan de Indianen. Zij behouden allen het zwarte haar, hetgeen den Chinees karakteriseert; het volk van het «middenrijk» geeft zich toch zelf het liefst de benaming van «zwart-harig.» Zij onderscheiden zich door den ovalen vorm der oogen, die een hoek boven den neus vormen, de baardelooze kin, de lange en teedere vingers (volgens het Chinesche gebruik laten zij den midden-nagel van de linkerhand lang groeijen), hunne zucht tot kleederen en opschik. Zij oefenen grooten invloed op de Indianen uit, die meenen dat zij de kunst bezitten om geld te winnen. De kinderen van een Spaanschen mestizo bij eene Chinesche mestizo wordenTorna atras«teruggangers» genoemd; die van een Chineschen mestizo en eene Indische vrouw worden als Chinezen beschouwd en niet als van de Indische half-caste. De vermenging van Chineesch bloed is bij alle bevolkingen van steden merkbaar. Het aantal mestizen van Europesche afkomst is niet noemenswaard in vergelijking met die van Chineschen oorsprong. Hunne huizen zijn allen beter gemeubileerd dan die der inlanders. Velen hunner nemen de Europesche kleederdragt aan, doch zelfs de inlandsche kleeding is bij hen, die ze behouden van fijner kwaliteit, levendiger kleuren en rijker versierd. Even als de inlanders dragen de vrouwen hare hemden over de broeken; doch het hemd is van pina of sinamay en met knoopen van kostbare steenen vastgemaakt, terwijl zelden een gouden ketting gemist wordt, die om den hals hangt. De mannen dragen gewoonlijk Europesche hoeden, schoenen en laarzen, en beide spreiden niet weinig losheid en coquetterie ten toon.De groote massa der inlandsche bevolking op de Philippijnscheeilanden kan men in twee hoofdstammen verdeelen: de Tagalezen, die het noordelijke en de Bisajers, die het zuidelijke gedeelte bewonen. Van deze belijden allen, die in de steden en dorpen wonen, de Christelijke godsdienst; en zij staan onder den invloed van de geestelijkheid, die de godsdienstige aangelegenheden in de verschillendeprovinciënbeheert, welke voor het grootste gedeelte tot de jurisdictie behooren van verschillende geestelijke orden en broederschappen. Er zijn onder de Indianen eenige weinige personen, die met de regten van priesterschap bekleed zijn, doch zij klimmen over het algemeen tot geen hoogeren post op dan tot adsistenten der monniken. Bij de groote plegtigheid, die ik ter gelegenheid van dePurisima concepcionte Manilla bijwoonde, werd een Indiaan gekozen tot het houden der predikatie; deze was, als naar gewoonte, vol van lofzangen op de Heilige Maagd en bijna gelijk met den gewonen stijl van de Spaanschepredikatiën. Maar buiten de steden worden de kerkelijke aangelegenheden verwaarloosd en in het binnenland en bergstreken der eilanden belijdt de bevolking de Christelijke godsdienst niet meer; de monniken betreuren den onwetenden en verlaten toestand, waarin de lieden verkeeren, trachten hunne toenadering te verkrijgen en de betaling te erlangen van de belasting waarvan zij, even als het Gouvernement, hunne inkomsten trekken. Wanneer deze wordt betaald, wanneer de dienst der kerk getrouw wordt opgevolgd, de biecht plaats heeft en men medewerkt tot de godsdienstigeprocessiënen feesten (die de inlandsche feestdagen uitmaken), dan gaan de zaken wel tusschen de geestelijkheid en het volk. Ik zag vele monniken die geliefd en geëerd werden en die dit verdienden als bewaarders en herstellers van den huisselijken vrede, die de kinderen in hunne studie aanmoedigden en allerwege hunne pogingen aanwendden tot welzijn der gemeente. Maar daar de geestelijken dikwijls uitgesloten zijn van het toezigt der publieke opinie, hebben er dikwijls ergerlijke tooneelen plaats en niet zonder reden.Pater Zuniga beweert dat de Philippijnen oorspronkelijk door de bewoners van Amerika werden gecoloniseerd, maar hij dwaalt geheel en al in de bewijzen, die hij daarvoor in de analogie der talen zoekt. Het aantal Maleische woorden in het Tageleesch en Bisaaisch is grooter, dan die welke een Amerikaansch dialect hebben enhier meen ik ter loops te kunnen aanmerken dat er geen onderwerp bestaat waarover men zooveel ongerijmdheid heeft gedrukt, als over de afleiding en verwantschap van talen, een onderwerp waarin een Spaansche autoriteit zelden van veel invloed is. El Senor Erro bijv. geeft in zijn werk over de ouderwetschheid van het Bascuensch, eene beschrijving en teekening van eene groote waterkruik, die men in eene bron te Guipuscoa had gevonden, waarop de woorden: «Gott erbarme dein armes Würmchen» stonden. Dit zegt hij dat eene Biscaaische inscriptie is ter eere van de priesteressen der zon gemaakt vóór de invoering van het Christendom, en hij twijfelt niet of de vaas (een stuk ruw nieuwerwetsch Duitsch vaatwerk) werd bij de heilige tempeldienst gebruikt.De Mas onderstelt, dat de Indianen alphabetisch schrift gebruikten vóór de komst der Spanjaarden; hij geeft vijf alphabetten die in de verschillendeprovinciënwerden gebruikt, doch veel op elkander gelijken. Ik zelf kon geene oude schrifturen, geschreven overleveringen ofinscriptiënvan vroegere tijden ontdekken, die met de Indische geschiedenis in verband stonden. Er bestaat waarschijnlijkheid, dat er eenig gezag bestond; dat er vrijen en slaven waren; dat het land deels bebouwd en de zee bevaren werd door landbouwers en visschers, hetgeen de erkenning van eenig regt van eigendom ten gevolge had; dat er oorlogen gevoerd werden tusschen vijandelijke stammen, die hunne leiders en wetten hadden. Uit de oude opgaven van de zendelingen leert men de namen van sommige hoofden en den aard van het gezag kennen, dat door het kleine aantal beheerschers over de onderworpen menigte werd uitgeoefend. Zij zeggen dat men voor goud de emancipatie van een’ slaaf en zijne opname onder de Mahaldicas of gepriviligeerde klasse kon verkrijgen. Krijgsgevangenen, schuldenaars en misdadigers werden in boeijen gehouden. De dochter van een’ Mahaldica kon, wanneer de bruidegom niet in staat was de noodige geldsom te betalen, ten huwelijk verkregen worden door dienstbaarheid aan haren vader gedurende een zeker aantal jaren. Als de man van den eenen stam de vrouw van een andere huwde, werden de kinderen gelijkelijk of zooveel mogelijk onder de beide stammen verdeeld, waartoe de ouders behoorden. De nalatenschapwerd bij den dood van den vader onder de zonen verdeeld, waarvan de oudste geene meerdere regten dan zijne jongere broeders had.Plaatselijk bijgeloof heerschte omtrent rotsen, boomen en rivieren. Zij baden aan de zon en de maan; een’ blaauwen vogel dien zijtigmamanoquin, een hert dat zijmeylupa, «heer van den grond» noemden en den krokodil, dien zij den titel vannonoof «grootvader» gaven. Men geloofde aan een’ demon, Osuang genaamd, die de kinderen kwellen, smart in den barensnood veroorzaken, van menschelijk vleesch leven en zijne tegenwoordigheid aankondigen zou door dentictic, een’ vogel, die kwade voorspellingen deed. Naakte mannen zwaaiden met zwaarden van het dak en andere gedeelten van dechozaom den vijand af te schrikken, of de zwangere vrouw werd uit de nabijheid van denticticverwijderd. DeManacolamwas een monster in vlammen gehuld, die alleen door het vuil van een’ mensch konden worden gebluscht; het dier zou daarop onmiddellijk sterven. DeSilaganrukte den lever uit en verscheurde dien, van in ’t wit gekleede personen. DeMagtatangallegde zijn hoofd en ingewanden ’s avonds op zekere geheime plaats, waar zij ’s nachts het doen van kwaad beletteden; bij het aanbreken van den dag werden zij weder weggenomen. Zoo vreemdsoortig en belagchelijk waren de gevolgen van het bijgeloof. Er werden offers gebragt tot afbidding van het bedreigde kwaad of ter eere van de bezoekers; die offers noemden de priesteressenCatalonaen deelden stukken van het geofferde dier rond. Men had verscheidene waarzeggers en geestenbezweerders, die verschillendefunctiënuitoefenden en waarvan een, deManyisalat, de liefde verwekte en de vertrouweling van jonge mannen en meisjes was.Wanneer de Indiaan in een bosch kwam, bad hij de demons hem niet te schaden. Het kraken van het hout, het gezigt van een’ slang in eene nieuw gebouwde hut werden als kwade voorteekenen beschouwd. In de woning van een’ visscher mogt men van geen bosch, in die van een jager niet van de zee spreken. Eene zwangere vrouw mogt hare haren niet snijden, opdat het kind niet met een kaalhoofd zou ter wereld komen.De huwelijksgift voor de vrouw werd naar de omstandigheden der partijen geregeld. De moeder had iets te vorderen, eveneens als demin van de bruid. Alle kosten, die de vader voor zijne dochter had gehad, kon hij van den bruidegom terugvorderen. Onder vermogendefamiliënbestond een bepaalde prijs, volgens dien, welken de vader of grootvader voor hun vrouwen hadden betaald. Als de ouders van de bruid niet meer leefden, ontving zij zelve de bruidschat. Drie dagen vóór het huwelijk werd het dak van de ouderlijke woning uitgebreid en een vertrek,palapalagenaamd, bijgevoegd voor de huwelijksplegtigheden; de gasten bragten hunne geschenken aan de bruid, en welke waarde deze ook hadden, men kon verwachten dat wanneer in de toekomst de betrekking tusschen gastheer en gast gedeerd werd, een geschenk van niet minder waarde zou worden gegeven. Tot deceremoniënbehoorde dat de jonggehuwden van hetzelfde bord eten en uit denzelfden kop drinken zouden. Men stelde wederkeerige «toasten» in en deed beloften van wederzijdsche liefde, terwijl de catalona een zegenwensch uitsprak. Verschrikkelijke tooneelen van dronkenschap en ongeregeldheden moeten de plegtigheden op de volgende feesten gekenmerkt hebben, die drie dagen duurden. In de noordelijke eilanden mogt men slechts ééne vrouw huwen, doch bijzitten en slaven hebben; in het zuiden, waar ongetwijfeld het Islamismus zijnen invloed deed gelden, mogt men verscheidene wettige vrouwen bezitten; ook de besnijdenis had daar plaats.Gehuurde treurenden en de leden van de familie verzamelden zich om een lijk en zongen lofliederen tot verkondiging van de deugden des overledenen. Het lijk werd gewasschen, geparfumeerd, gekleed en soms gebalsemd. Arme lieden werden spoedig in densilongbegraven, waarover hunne hutten waren gebouwd. De lijken van vermogende lieden werden gedurende eenige dagen boven aarde gehouden en in eene sterke kist gelegd. Hunnen mond bedekte men met goudblad, terwijl zij op eene plaats ter aarde besteld werden, die de overledene zelf had gekozen. Zoo dit aan den oever van eene rivier was, dan werd de scheepvaart daar langs gedurende eenigen tijd verboden, opdat de overledene niet met de levenden in aanraking zou komen, terwijl een wachter bij het graf stond, in de nabijheid waarvan de kleederen, het gewone voedsel en de wapenen van den afgestorvene in eene afzonderlijke doos waren gelegd, en als het eene vrouw was, haarhandwerk en werktuigen daarvoor. Waar een voornaam hoofd was begraven, rigtte men een gebouw op, waarin twee geiten, twee dassen, twee varkens en een geboeide slaaf van den overledene werden gevangen gehouden, welke laatste zijn meester naar de andere wereld moest vergezellen en een ellendigen hongerdood stierf. Men onderstelde dat de doode drie dagen na de begrafenis zijne familie bezocht: men plaatste dan eene pot met water aan de deur, opdat hij zich kon wasschen en zuiveren van het vuil uit het graf; men liet den geheelen dag eene waskaars branden; spreidde matten uit en bestrooide die met asch, opdat de doode geene voetstappen zou achterlaten; op het gewone uur van den maaltijd opende men eindelijk de deur en zette een heerlijk maal voor den verwachten bezoeker gereed. Ongetwijfeld werd door de wachtenden daarvan even als van andere kostbare offers ruim gebruik gemaakt. De Indianen uit het Noorden dragen zwarte, die uit het Zuiden witte rouwkleederen.In regtszaken werden de oudsten geraadpleegd, doch er bestond geen wetboek, en de zendelingen beweren dat de scheidsregters in twisten over het algemeen vrij goed voor hunne bemoeijingen betaald werden. Eene moord, door een slaaf begaan, werd met den dood gestraft; had een persoon van hoogen rang zulk een misdaad gepleegd, dan kwam hij er met eene geldboete aan de beleedigde familie af. Had er een roof plaats, dan moesten alle verdachte personen eenig gras nederleggen; dit werd op een hoop gelegd, en zoo het gestolen voorwerp daaronder werd gevonden, gaf men het aan den eigenaar terug, zonder dat men verder onderzoek instelde naar den persoon, die den bundel had nedergelegd, waarin het was verborgen. Gelukte deze proef niet, dan moesten al de verdachten zich te water begeven, en in dat geval werd voor den schuldige diegene gehouden, welke het eerst weder boven dreef, want dan zeide men dat de last van zijne schuld hem niet langer den adem kon doen inhouden. Men zegt dat velen verdronken zijn ten einde de schande van het boven drijven te ontkomen. Somtijds liet men de beschuldigden kaarsen van gelijke grootte in de handen nemen en dan werd diegene voor den schuldige gehouden, wiens kaars het eerst was uitgegaan. Nog eene andere methode bestond daarin, om deverdachten rondom eene kaars te verzamelen; in dit geval leerde men den schuldige daaruit kennen dat de vlam zich naar hem wendde. De straf voor echtbreuk werd afgekocht door eene geldboete aan den beleedigden persoon.Het middel van geldwisseling bestond uit goud dat men woog, maar eene gestempelde munt bestond er niet. Het grootste gewigt werd eengaelgenoemd; dit vertegenwoordigde 1¼ dollar in zilver en kwam bijna met het Chinesche ons of taïl overeen; eengaelbestond uit tweetinga, eentingauit tweesapaha2; eensapahawas insangragaverdeeld; dit laatste, een zeer kleine boon, was het kleinste gewigt. Men rekende met steenhoopjes van verschillende grootte. De maten bestonden uit dendipa(6 voet), dendancal(palm), dentumuro(span), densangdamac(breedte van de hand), densangdati(breedte van den vinger). Op die wijze droeg, even als onder vele ruwenatiën, ieder zijn maat bij zich.De tijd werd naar de zon en de maan berekend, zoowel op de Philippijnen als in China. In het Chineesch beteekenen dezelfde woorden dag en zon, maan en maand, oogst een jaar. De morgen werd «haan-kraaijen», de avond «zonsondergang» genoemd.Geen Indiaan ging een anderen voorbij zonder te groeten en met de linkerknie te buigen. Wanneer iemand het huis van een hooger geplaatsten binnentrad, knielde hij tot dat men hem beval op te staan. Vrouwen droegen oorringen en soms ook mannen; de Hoofden hadden gekleurde tulbanden, die rood waren wanneer zij één vijand, gestreept als zij zeven of meer gedood hadden. Vrede werd gesloten door bloed met wijn te vermengen en ieder dronk het bloed van een ander. Dit was de plegtigste der eeden.Kuischheid schijnt onbekend geweest te zijn, ofschoon de vrouw hare gunsten niet verleende zonder betaling.Menig Mohammedaansch bijgeloof en gebruik was tot in het binnenland doorgedrongen en daaronder het gebruik van de besnijdenis.Al de Indianen hebben een ronden donkeren vlak op de ruggegraat; naarmate hun huid donkerder wordt, verdwijnt deze echter, zoodat hij in den ouderdom naauwelijks merkbaar is.Volgens eene overlevering straften de Indianen vroeger een onpopulair persoon met eene geldboete, die zijcobacolonoemden en iedereen oplegden, welke hun door valsche raadgevingen had misleid. De geheele bevolking verzamelde zich dan bij het huis van den beleediger, terwijl iedereen een knuppel droeg. Eenigen omringden het huis, ten einde het ontkomen te beletten; anderen traden de woning binnen, dreven het slagtoffer door slagen naar het balkon, waarvan hij werd genoodzaakt af te springen; hierop verjaagde men hem uit de streek en vernielde zijn huis met al wat het bevatte. De overlevering bestaat in vele volksspreekwoorden en gezegden, waarin decobacoloals eene bedreiging tegen boosdoeners wordt gebruikt.Onder de meest beroemde boeken op de Philippijnen behooren de «Cronicas Franciscanas» door Fr. Gaspar de St. Augustin, een Augustijner monnik van Madrid, die gedurende veertig jaren onder de Indianen woonde en van wiens beschrijvingen ik eenige heb overgenomen. Zij zijn echter veelal in strijd met de meening van verschillende schrijvers. Hun veld van beschouwing is geheel anders en het natuurlijke karakter staat in naauw verband met het gevelde oordeel. Dat van onzen monnik over de inlanders is niet zeer gunstig. Volgens hem zijn zij over het algemeen «onstandvastig, trouweloos, boosaardig, slaperig, lui, beschroomd en groote liefhebbers van reizen over rivieren, beeken enzeeën.»«Zij eten veel visch, die men in groote hoeveelheid vindt. Na regens zijn de velden, moerassen en vijvers daarmede gevuld. Men haalt dikwijls visschen ter lengte van 2 palm van uit padie-velden op. Als de wateren opdroogen, gaat de visch in den eenen of anderen modderpoel, waaruit de Indianen ze met de hand halen of een voor een dooden.» Ik heb vele Indianen in de paddievelden zien visschen en wat er van den visch wordt in tijden van droogte, wanneer er geene «modderpoelen» wordengevonden, is moeijelijk te zeggen, maar zooveel is zekerdatmen daar, waar water is, ook gemakkelijk visch kan verkrijgen.«Zij gebruiken drie maaltijden per dag, die hoofdzakelijk uit rijst, zoete aardappelen en eene kleine hoeveelheid visch of vleesch bestaan; de dagelijksche kosten van het geheel beloopen een reaal. Als werklieden verdienen zij eene halve reaal, behalve den kost. Zij leenen gaarne geld, dat zij nooit teruggeven en wanneer men geene ondankbaarheid wil ondervinden, moet men hun geene dienst doen; ook eene belofte houden zij nooit. Zij sluiten nooit de deur achter zich, leggen niets op zijne plaats, verrigten nooit het werk, waarvoor men hun vooruit heeft betaald en toch vragen zij altijd een voorschot; de timmerman moet geld hebben om hout, de wasscher om zeep te koopen, en zoo handelen zij zelfs met de geestelijken! Zij weten alles verkeerd te doen; versnijden alle kleederen, zetten het voorste achter en het achterste voor.» De pater is eenigzins streng; uit eigene ondervinding weet ik dat de Indianen ten minste even vele zaken goed als slecht verrigten. Alava zeide van de Indianen dat zij hunne hersenen in de handen hebben.Onze geestelijke vervolgt aldus:«Zij zijn afgunstig, onbeschaafd en brutaal. Zij vragen zelfs een geestelijke af, van waar hij komt en waarheen hij gaat. Leest men een brief, dan zien zij over de schouders, ofschoon zij zelve niet kunnen lezen, en wanneer een paar menschen heimelijk spreken, komen de Indianen van nabij, ofschoon zij geen woord verstaan. Zij gaan huizen en zelfs kloosters binnen zonder verlof en schijnen daar op eene wijze zich eigen te gedragen die de verwondering en schrik tevens opwekt; zelfs wanneer de geestelijke slaapt, maken zij een groot geraas door op den vloer te trappen, ofschoon zij te huis als op eijeren loopen. In hunne woning gebruiken zij geene stoelen, maar die in de kloosters breken zij door om er op te gaan zitten en te leunen, vooral op de balkons, wanneer daar gelegenheid is om eene schoone vrouw te zien.»Deze uittreksels zijn even karakteristiek van den monnik als van den Indiaan: «zij zorgen nooit voor honden, katten, paardenof koeijen, de vechthaan is voor hen alles; dezen bezoeken zij reeds bij het krieken van den dag, liefkozen hem voortdurend, beschouwen hem soms een half uur achtereenvolgens en deze hartstogt neemt nooit af; er zijn er die aan niets anders denken. Het Gouvernement beschermt de hanengevechten. In het vorige jaar bragten zij 40,000 dollars op (in 1859, 86,000 dollars). Welk eene treurige hulpbron voor zoo vele tranen, misdaden en straffen! Hoeveel twisten, hoevele regtsgedingen hebben daarvoor plaats! En zij brengen soms nachten met dit spel door. Het hoofd van de Barangay verliest de inkomsten der belastingen, die hij heeft geïnd; zijn lot wordt de gevangenis of hij moet naar de bergen vlugten. Zij willen in geene huizen of kloosters wonen, waar zij buiten bereik der vrouwen zijn. Zij zorgen voor hun eigen vaatwerk en stellen in hunne woningen ten toon hetgeen zij reeds vóór de komst der Spanjaarden bezaten; maar in kloosters en huizen breken zij genoeg om hunne meesters teruïneren. Dit is een gevolg van hunne domheid of komt daaruit voort dat zij aan hunne geliefden denken of dat iets anders hunne gedachten bezig houdt; en wanneer zij een geregt laten vallen, wordt daarover door de Spanjaarden niets gezegd of komen zij er met een paar scheldwoorden af. In hun eigen huis intusschen zouden zij om een stuk aardewerk, dat gebroken is, een ferm pak rottingslagen geven en dat doet meer af dan alle Philippica van Cicero (zoo staat in het oorspronkelijke). Men kan hun geen zwaard, spiegel, geweer, horologie of eenig teeder voorwerp toevertrouwen, daar zij het altijd breken. Alleen een bamboes, een stok, een stuk hout, een palmtak en sommigen eene ploegschaar, kan men hun in handen geven.«Zij zijn stoutmoedig en onbeschaamd in het doen van onredelijke aanvragen, zonder zich er om te bekommeren òf en wanneer hun verzoek kan worden ingewilligd. Zij herinnerden mij in hunne verzoekschriften aan hetgeen Sancho Panza op het eiland Barataria is gebeurd, toen dit door den onbeschaamden en indringenden lompert Michael Turra werd verontrust. Zij wenschen honderd dollars voor hun vier eijeren. Ik heb nooit eene gift van een Indiaan ontvangen—natuurlijk iets van onwaarde en voor hem van geen het minste nut—hetzij bloemen of vruchten of ikriep hem de woorden van Laocoön aan de Trojanen toe: «Timeo Danaos dona ferentes.» Debisschopvan Troje, Don Francisco Gines Barrientes, een zeer omzigtig prelaat, verhaalde mij dat een Indiaan hem een doek vol Guava-vruchten bragt en hem ter leen vijftig dollars vroeg. En toen de Markies de Villasierra, don Fernando de Valenzuela, in het kasteel van Cavite van een Indiaan een haan ontving, waarvoor de markies beval dat hem zesmaal de waarde zou worden betaald, zeide de Indiaan dat hij op 80 manden rijst gerekend had, en dit was nog wel in een tijd van schaarschheid, toen iedere mand 2 dollars gold. Het komt er echter weinig bij hen op aan of zij slagen dan wel of hun iets niet gelukt; zij zijn dan even tevreden, want zij hechten geenerlei waarde aan de gift van een Spanjaard, zelfs niet van een’ priester. Bij den verkoop vragen zij dertig en nemen zes aan; zij beproeven bedrog en daar zij bekend zijn met de groote goedheid (la suma bondad) van het Spaansche karakter, vreezen zij geene uitdrukking van toorn ten gevolge eener ongerijmde vordering.»De monnik beschrijft volgenderwijs eene onderhandeling tusschen een Indischen boer en een koopman: «De boer heeft twee of drie honderd pond indigo te koop; hij komt niet alleen, maar met zijne betrekkingen, vrienden en soms met de vrouwen, daar de indigo aan verschillende personen behoort, die het gevolg van den verkooper uitmaken. Ieder bod wordt aan de groep medegedeeld, die in een kring rondom den handelaar is verzameld; nadat daarover is beraadslaagd, bieden zij eene vermindering van een dollar in den prijs; de kooper verlangt drie. Nadat deze zaak is geregeld, begint eene andere discussie. Een gedeelte van de indigo is muf en vuil, zoodat eene schikking moet worden gemaakt. Zoo duurt de onderhandeling kibbelend voort en komt tot geen einde. Zeer weinige Spanjaarden verdragen die onbeschaamdheid en lastigheid, zoodat de conferentie eindigt met de eenvoudige vraag:«Wilt gij? ja, of neen?» zoo neen, dan verspreiden de Indianen zich toornig door de straten, maar de geduldiger mestizen en Chinezen noodigen hen bij zich, geven hun eten en huisvesting en trekken daarvan op hunne eigene wijze, in Chineschen stijl, gebruik, want de Indiaan is zeer dom inhandelszaken.» Hier voert de vader talrijke bewijzen van hunne eenvoudigheid aan. «Kortom—zegt hij—de Indiaan ontvangt liever een reaal van een Chinees, dan een dollar van een Spanjaard.» Wien kan dus de voorspoed van de Chinezen op de Philippijnen verwondering baren? «De Indianen betoonen groote onverschilligheid bij gevaar; zij gaan niet uit den weg voor een koppig paard, of in eene kleine boot gezeten, voor eene grootere. Wanneer zij in eene rivier krokodillen zien naderen, nemen zij daarvan geen notitie of stellen geen voorzorgmaatregelen in het werk. De Koran zegt dat ieders lot op zijn voorhoofd is geteekend; zoo denken de Indianen, niet omdat zij den Koran hebben gelezen, maar door hunne eigene dwaasheid, die hen dagelijks aan ongelukken blootstelt. Zij zijn zeer bijgeloovig onder hen zelven, doch gelooven omtrent de Spanjaarden niets dan wat nadeelig is. Blijkbaar is de werking van het geloof bovennatuurlijk, daar waar zij de goddelijke geheimen erkennen, die de Spanjaarden prediken. In andere opzigten gelooven zij niets van hetgeen in strijd is met hun belang. Zij zien er geen bezwaar in om Spanjaarden en zelfs om bedienaren der godsdienst te bestelen. Hiervan bestaan de duidelijkste bewijzen, zoodat aan geen twijfel te denken valt en men het alleen moet betreuren dat hiervoor geen hulpmiddel te vinden is.»De Augustijner provinciale monnik van Ilocos, zegt, waar hij van den opstand van 1807 in deze provincie spreekt: «Hier, even als overal, vindt men vele dieven en plunderaars; men brengt hen niet naar Manilla, maar zij moeten op de plaats zelve gestraft worden. Men kan hen echter evenmin uitroeijen als de ratten of muizen. Er bestaat dan ook een Indisch spreekwoord: dieven en ratten zullen te gelijk worden uitgeroeid.» Ik kan de algemeene veroordeeling van den geestelijke niet overnemen, daar mij feiten van buitengewone braafheid zijn ter oore gekomen. De Alcalde van Cagajan verhaalde mij o. a. dat, ofschoon hij dikwijls eene zekere som aan dollars aan de Indianen had toevertrouwd, hij nooit eenig bedrog had ontdekt.Men zou veronderstellen dat de rijke en magtige monniken zeer wel beschermd waren tegen de Indianen; maar een hunner (de abt Amodea) schrijft: «De Indianen bedienen zich niet vanlansen en pijlen tegen ons ministerie, maar van papier, pennen, van schotschriften en lasterlijke aantijgingen. Zij hebben zooveel politiek geleerd, dat thans op alle plaatsen onbeduidende schrijvers, regtsverdraaijers en twistzoekers zijn, die verstand genoeg bezitten om op gezegeld papier eene memorie te stellen, die aan het hoogste geregt kan worden in handen gegeven. Als de dorpspastoor hen om hunne slechte en schandelijke leefwijze berispt of bestraft, dan vereenigen zij zich, drinken wijn, vullen een vel folio met hunne kruisjes en ijlen naar Manilla, waar zij zich tot het geregt wenden, bij hetwelk zij meenen den grootsten invloed uit te oefenen en waardoor voor den armen geestelijke veel verdriet ontstaat. Er behoort veel moed toe, dit soort van martelaarschap te verdragen, dat op de Philippijnen iets zeer gewoons is.»Ik weet niet welke vervolgingen in den laatsten tijd zijn ingesteld tegen waarzegsters, maar ik vind het verhaal van eene fiksche vervolging en zware bestraffing, in het midden der vorige eeuw tegen de waarzegsters van Pampanga ingesteld. De processen werden gevoerd door een monnik Theodorus van de moeder Gods genaamd, die een speciaal verslag deed aan de Mexicaansche inquisitie. Hij zegt: «Er zijn waarzegsters in iedere plaats en in sommige maken zij zelfs het derde deel der bevolking uit. Deze slaven van den duivel zijn in verschillende klassen verdeeld;lamiasdie het bloed van jonge kinderen opzuigen;striges, die op de oppervlakte der aarde zwerven;sagas, die in woningen verkeeren en den duivel alle noodige inlichtingen verschaffen;larvas, die vleeschelijke lusten bot vieren;temures, die liefdesdranken gereed maken; doch allen zijn bestemd om het menschdom kwaad te berokkenen.»De ligtgeloovigheid der Indianen is voorbeeldeloos. In 1832, toen deSanta Anamet 250 soldaten aankwam, verspreidde een gerucht zich als loopend vuur dat de Koning van Spanje bevel had gegeven om al de kinderen van de Indianen te verzamelen ten einde hun bloed in de Spaansche mijnen te storten, waardoor deze productiver zouden worden. De vrouwen ijlden naar hare woningen, en zochten met hare kinderen eene schuilplaats in de huizen van de Spaansche vrouwen te Manilla. De mannen wapenden zich met speren en vloden in opgewondenheiddoor de straten. Niet zonder moeite werd de beweging gestuit. Hetgeen iemand, die als wijze bekend staat, onder de Indianen als waarheid verklaart, wordt onmiddellijk geloofd en kan door geen’ invloed van de priesters worden geloochend; de woorden «Vica ng maruning», d. i. «de wijze zegt het»is het antwoord aan allen, die het niet gelooven. «God behoede ons» zegt de monnik, «voor Indische wijzen! De Indianen toch zijn trotsch en willen geen priester, noch den monnik, noch den aalmoezenier gelooven, wanneer de vrees hen daartoe niet dwingt, en zij zijn niet altijd bevreesd, ofschoon zij overtuigd zijn van de overmagt der Spanjaarden en tegen hun zin door hen geregeerd worden. Zij volgen den Spanjaard na in al wat kwaad is,—in zijne gehechtheid aan het spel en in al de kwade praktijken van dezaramullos(saletjonkers of drukke menschen); maar Spaansche hoffelijkheid en welgemanierdheid en goede opvoeding bestuderen zij nooit of zien zij niet af, maar opschik en dronkenschap en losbandige huwelijks- en begrafenispartijen, even als geweldadigheden van allerlei aard, hebben zij van hunne voorouders geërfd en spreiden zij nog ten toon, zoodat zij hunne ondeugden ook nog bij die der Spanjaarden voegen.»Zij zijn onderdanig jegens iederen aristocraat onder hen. De rokkendragende principalia worden met veel onderscheiding behandeld en hunne rang zeer geëerbiedigd. Eerst heeft men den gobernadorcillo, daarop volgen de ex-gobernadorcillo’s, die naar ancienniteit als kapiteins worden benoemd; dan de in functie zijnde luitenant, die het hoofd van een barangay moet zijn; daarna de hoofden van barangay’s naar hunnen ouderdom, vervolgens de gewezen luitenants en zoo verder; hun rang wordt door de naburige gemeenten erkend.Baden is algemeen in gebruik; mannen en vrouwen doen dit op eene en dezelfde plaats. De mannen dragen pantalons, de vrouwen dekken zich met een kleed, dat zij afwerpen als zij in het water gaan. Er hebben geene ergerlijke tooneelen plaats door deze gewoonte, en herhaalde pogingen van de Spaansche autoriteiten om dit oude gebruik te veranderen, hebben niets gebaat.De Indianen omhelzen door de aanraking met den neus; meestal kussen zij echter dan ook de lippen. Als het neusgat is zamengetrokken(zooals bij het rieken) en de Indiaan ziet naar iemand op een afstand, dan leidt dit tot eene digter omhelzing. Vreemdsoortige verhalen doet men van het fijne reukorgaan der Indianen; men zegt dat zij daardoor de kleeding van hunne meesters en meesteressen kunnen onderscheiden en dat minnaars elkander’s wederzijdsche gevoelens ontdekken. Onderkleederen worden verwisseld, die ondersteld worden met de hartstogten der eigenaars doortrokken te zijn. In weêrwil van den monnik, besnijden de Indianen heimelijk hunne kinderen. De banaan-boom (Balete, Ficus Indica) wordt als heilig beschouwd. Zij branden er wierook onder, dat zij onder verschillende voorwendsels van de monniken verkrijgen. Hoe vreemd zijn de gebruiken der afgodendienst met Christelijke geboden vermengd! Dit is niet alleen het geval op de Philippijnen. Een van Dr. Gutzlaff’s erkende bekeerlingen te Hong-Kong was gewoon te zeggen, dat om den zendeling genoegen te doen hij een anderen God—der Christenen—bij dien gevoegd had, welken hij vroeger aanbad, en ik ben bekend met heimelijke bezoeken in heidensche tempels die Chinezen, welke Christenen waren, bragten wanneer zij op het punt stonden eene belangrijke zaak te ondernemen. «Men kan het vervloekte geloof niet van hen verwijderen—zegt de geestelijke—dat de geesten van hunne voorouders in de bosschen en onder de wortels van bamboes leven en dat deze goed of kwaad over hen kunnen verspreiden. Zij willen hun offers brengen; en al onze boeken enpredikatiënkunnen de indrukken niet wegnemen, die een oud man bij hen achterlaat, welken zij «een wijze» noemen.»«De geestelijken» zegt de Mas «gelooven dat dit bijgeloof vermindert; ongetwijfeld verbergt de Indiaan het zooveel mogelijk voor zijn’ biechtvader, maar ik zelf heb mij meermalen overtuigd dat het bestaat en dat het invloed uitoefent.» Wie, die eenigzins bekend is met de ligtgeloovigheid van deze minder beschaafde klassen, en niet deze alleen, maar ook onder ons zelven, kan zich dan ook verwonderen over den «godsdienstigen geest» van den Philippijnschen Indiaan? En zelfs de geestelijken zelve zijn met die zwakheid behebt, zoodat een Philippijnsche geestelijke Mallares, niet minder dan 57 moorden in de stad Magalan beging of veroorzaakte, in de overtuiging dat hij daardoor zijne moeder tegenbetoovering zou beschermen. Mallares werd in 1840 geëxecuteerd en in zijn rapport betuigt de fiscaal zijn afschuw van de «ongeloofelijke en barbaarsche bloedverkwisting van dit monster.»«De Indiaan kent geen middenweg» zegt onze geestelijke, «vraag naar laauw water, dan brengt hij het kokend; zegt gij dat het te heet is, dan krijgt gij het ijskoud. Hij leeft in een kring van uitersten. Hij heeft behagen in uw ongeduld en wanneer gij u over hem ergert, dan schatert hij uit dat hij zijn meester kwaad heeft gemaakt. Wanneer men den Indiaan wil vertoornen, moet men geene notitie van zijne streken nemen. De scherpzinnige man onder hen weet dat de Indiaan en de rotting (voor zijne bestraffing) steeds zamen opgroeijen. Zij hebben een ander spreekwoord: «De Spanjaard is een vuur en de Indiaan sneeuw; de sneeuw bluscht het vuur uit.» Een der geestelijken verhaalt dat zijn bediende tot hem zeide: «Gij zijt een nieuweling en duldt te veel, als ik kwaad doe, moet gij mij straffen. Kent gij het spreekwoord niet: «De Indiaan en de rotting groeijen zamen op?» Zij lasteren en miskennen God als hunne gebeden niet verhoord worden en voeren eene taal, die inderdaad afschuwelijk zou zijn, wanneer men niet weet hoe onverstandig zij zijn en hoe onmogelijk het hun is zich naar den Goddelijken wil te gedragen.»Er bestaan eene menigte godsdienstige treurspelen, bijzonder een in het Tagaleesch, dat het lijden en den dood van Christus voorstelt; maar deze godsdienstige voorstellingen en vergaderingen geven aanleiding tot ergerlijke tooneelen en misbruiken en doen menig onwettig kind het levenslicht aanschouwen. De priesters hebben meestal zulke voorstellingen in den nacht verboden en drijven soms zulke vergaderingen, met de zweep in de hand, uit elkander; op andere tijden worden de zangers betrapt en gestoord in hunne droevige klagten of ...... in hunne genoegens.Het is aardig de tegenstrijdige meeningen der monniken aangaande hunne kudden te lezen. De een zegt: «Hunne biecht is valsch; zij bekennen nooit iets anders dan drie zonden: 1o. dat zij niet getrouw zijn ter kerk gegaan; 2o. dat zij vleesch eten gedurende de vasten en 3o. dat zij een valschen eed hebben gedaan.»Een ander berigt: «Geen Spanjaard kan vromer en godsdienstiger zijn dan de Indianen van Manilla in hunne biecht. Zij gehoorzamen de onderrigtingen, die men hun geeft, en ik heb dezelfde goede berigten van verscheidene geestelijken onder vele Indianen in deprovinciën.» Ongetwijfeld zou de geestelijke statistiek curieus zijn, wanneer men die kon verkrijgen. Van Lilio berigt de geestelijke dat van de1,300personen, die belasting betalen, 600 in 1840 nooit gebiecht hebben en deze plaats is niet een van de onverschilligste. Te Vigan gingen van 30,000 inwoners, niet meer dan 500 à 800 ter kerk (volgens de Mas), behalve bij het jaarlijksche feest van de Maagd, patrones van de plaats. Pater Augustijn geeft luide zijne verontwaardiging te kennen omtrent de biecht: «De helsche Macchiavel Satan—zegt hij—heeft hen iets geleerd, dat even goed voor hun ligchaam als slecht voor hunne ziel is, namelijk om elkander wederkeerig hunne gebreken en misdrijven te bekennen en die, al zijn zij van nog zoo ernstigen aard, voor den geestelijken vader, voor den Spaanschen alcalde te verbergen, niettegenstaande hunne persoonlijke twisten en, zooals zij ze noemen, doodvijandschap; zoo dat zij geene grootere beleediging kennen dan den pater of den alcalde te verhalen wat in de plaats gebeurt; dit, zeggen zij, ismabibig, de afschuwelijkste zonde, inderdaad het eenige, dat zij als zoodanig beschouwen.»De monniken spreken over het algemeen gunstiger van de vrouwen, dan van de mannen. Zij zijn vromer, onderdaniger, welwillender om naar hare geestelijke vaders te luisteren. Een hunner zegt: «Wanneer het geheele menschdom van eene enkele paauwenveêr zou afhangen, die een Indiaan voor zijn’ hoed noodig had, dan zou hij al de menschen opofferen. Zij vreezen niet voor den dood, maar dat is eene groote weldaad van het Goddelijke Wezen, dat weet hoe zwak zij zijn; zij spreken van den dood, zelfs bij een’ stervende, alsof het niets ware. Wanneer zij tot schavotstraf veroordeeld zijn, betoonen zij dezelfde onverschilligheid en rooken hunne cigaar met de gewone bedaardheid. Hun antwoord aan den hen bedienenden priester is in den regel: «Ik weet dat ik ga sterven. Ik kan het niet helpen. Ik ben slecht geweest, het was de wil van God, die mij dit lot heeftbeschoren.» Maar met den dood voor oogen slapen en eten zij even gerust. «De boom moet zijn vrucht dragen,» vervolgt onze geestelijke, «God heeft in zijne wijsheid vele menschenstammen geschapen, even als Hij verscheidene soorten van bloemen doet ontspruiten, en eindelijk getroostte ik mij met de onverschilligheid der Indianen omtrent al hetgeen wij zouden doen; met het oog daarop kon ik ze als was naar mijn goedvinden rigten.»Over het algemeen heb ik onder deze Indiaansche stammen niet een gevonden, die zich door intellectuele begaafdheden onderscheidde. Eenige weinigen wisten iets van werktuigkunde; een paar waren vrij goede beeldhouwers; ik ontwaarde overigens eene algemeene liefde voor de muziek en zelfs eenige waardering van de verdiensten van Europesche componisten, maar men moet er bijvoegen dat er ook niets of weinig gedaan wordt voor de ontwikkeling van de begaafdheden, die de Indiaan bezit; het veld van openbaar onderwijs is even beperkt door godsdienstigen als officielen invloed, en de zamenleving onder de meer vermogende klassen, waarnaar de Indiaan alleen kan opzien, staat verre beneden die van het Spaansche schiereiland. De letterkunde wordt weinig beoefend; de nieuwsbladen zijn meer met levensgeschiedenissen van heiligen en verhalen of berigten van godsdienstige feesten opgevuld, dan met de grootste gebeurtenissen in de politieke wereld. De Spanjaarden zijn nooit beroemd geweest om hunne groote onderzoekingen of activiteit, maar het is te hopen dat demanana, waarnaar alles wordt verwezen, eindelijk eenhoy diazal worden.Men zegt van den Indiaan dat hij meer vier- dan tweevoetig is. Zijne handen zijn groot en de toonen aan zijne voeten gebogen, daar hij geoefend is in het klimmen op boomen en andere dergelijke bezigheden. Hij is als een amphibie en brengt den meesten tijd in het water door. Hij is ongevoelig zoo wel voor de brandende zon als voor den verkwikkenden regen. De indrukken, die hij ontvangt, zijn slechts een overgang en hij herinnert zich flaauw voorbijgaande of plaats gehad hebbende gebeurtenissen. Vraagt men hem naar zijnen ouderdom, dan kan hij niet antwoorden. Wie waren zijne voorouders? Hij weet het niet en bekommerter zich niet over. Hij ontvangt geene gunsten en kan dus niet ondankbaar zijn; hij bezit weinig ambitie en kan dus niet ongerust wezen; hij heeft weinig behoeften en is dan ook nooit jaloersch of afgunstig; hij bemoeit zich niet met de zaken van zijn buurman en let ook dikwijls op de zijne niet, zijne hoofdondeugd is luiheid; dat iszijngeluk. Het werk dat hij moet verrigten, doet hij metweêrzin. Hij is over het algemeen gezond, en is hij eens ongesteld, dan geneest hij zich met kruiden, waarvan hij de stoppende of laxerende eigenschappen ondervonden heeft. Hij gebruikt geen zeep om zich te wasschen, noch mes om zich te scheren; de rivier is zijn bad, en zijne haren kamt hij uit met eene schelp; hij behoeft geen klok om den tijd te weten; tafel, stoelen, borden, messen ontbeert hij bij zijn’ maaltijd; eenhachaof groot mes en een zak hangen gewoonlijk om zijn lijf; hij kent geene andere muziek dan het kraaijen van zijn’ haan en acht een schoen even overtollig als een handschoen of een das.Ik heb onder de Indianen niet dien voortdurenden afkeer van vreemdelingen ondervonden, waarvan Mallat gewaagt, en die vooral tegen Engelschen zou gerigt zijn. Integendeel zag ik dat vele Engelschen, die op de Philippijnen gevestigd waren, veel vertrouwen en genegenheid ondervonden en ik heb mestizen en Indianen hooren zeggen dat zij veel meer vertrouwen in de handelseerlijkheid van Engelschen stellen, dan in die van eenige andere natie. Ik ben getuige geweest van de vriendschappelijkheid, waarmede het oude Spaansche spreekwoord «Paz con Ynglaterra y con todo el mundo guerra» in groote vergaderingen van de Filipinos is aangehaald. Er is dan ook geene natie, die meer dan Engeland tot de welvaart van den Spaanschen Archipel heeft bijgedragen. In den loop van dit ons verhaal zal men blijken genoeg zien van de goedheid, die men aan Engelschen betoont.De Spanjaarden—het is meermalen gezegd—hebben zeer bescheiden en met goed geluk van het «divide et impera» onder de Indiaansche stammen gebruik gemaakt als een middel om hun eigen gezag te bewaren. Het is dan ook eene waarheid dat onder de meer verwijderde stammen weinig sympathie bestaat; maar dat hunne scheiding en verwijdering door de Spaansche staatkundeis bewerkt, wordt tegengesproken door het feit dat in Binondo bijna ⅓ van de inwoners Indianen van verreprovinciënzijn.Het aantal Spanjaarden is klein, dat van de gewapende inlanders groot, wanneer er een opstand tegen het bestuur mogt ontstaan, maar ik geloof dat daartoe geene de minste neiging bestaat. Laatstelijk werden de Tagalesche soldaten naar een vreemd land (Cochin-China) in werkelijke dienst opgeroepen en in een’ strijd gewikkeld, waarin het Spaansche belang niet zeer te onderscheiden is. Geene klagten werden omtrent hun gedrag gehoord, ofschoon zij aan vele ontberingen blootgesteld waren.Er bestaat eene aardige gewoonte onder de landlieden in het binnenland. Kleine houten bakjes ziet men daar buiten staan of uit de vensters van dechozahangen, waarin men onder plantaan-bladeren, spijzen of vruchten vindt uit den tuin achter het huis. Iedere reiziger, die voorbijgaat, voorziet zich daaruit van het noodige, wanneer hij arm is, betaalt hij daarvoor niets; anders geeft hij zulk eene vergoeding als hij noodig oordeelt. Geen zweem van verwijt treft den persoon, die, zonder dat hij kan betalen, van de goedheid gebruik maakt. Deze gastvrije ontvangst is het meest algemeen in de minst bevolkte plaatsen en herinnerde mij aan het water en de lamp, die ik in de graven van de heilige Muselmannen vond, welke op die wijze zich van de menschlievende pligt kweten of hunne volgelingen deden kwijten, om in de dorre woestijnen die aangename en treffende welkomstgroeten te geven aan den dorstigen en vermoeiden reiziger.De tact of kunst van navolging is sterk onder de Indianen en vergemakkelijkte de pogingen der monniken, maar men vindt zeer verschillende en uiteenloopende berigten omtrent hunne bekwaamheden. Die van Pampanga, Cagajan, Pangasinan, Ilocos en Zebu moeten dapper, edelmoedig, werkzaam zijn en somtijds veel kunstsmaak ten toon spreiden. De liefde en uitoefening der muziek is algemeen en ik zag eenige merkwaardige staaltjes van beeldhouwkunst, maar op de schilderkunst werd mijne aandacht niet gevestigd, en de voorbeelden van volhardende studie tot eenig vak waren zeer weinige. Als bedienden, staan de Tagalezen in alle opzigten beneden de Chinezen; als soldaten worden over het algemeengunstige berigten omtrent hen gegeven. De Indianen, te Manilla gevestigd, moeten de ergsten van hunne stammen zijn. Het lijdt geen twijfel dat in de groote steden het meeste graauw verblijf houdt, maar tegelijkertijd huisvesten daarin dan ook de grootste verdiensten. De hoffelijkheden, die ons als hunne gasten werden betoond, waren eindeloos; er was geene moeite te groot om ons genoegen te doen. Veel kon wel is waar niet anders dan aan de leiding van de priesters en de tegenwoordigheid der autoriteiten worden toegeschreven, maar wij ontvingen toch duizende blijken van ongedwongene goedheid, die door geen’ invloed van buiten konden zijn bewerkt.1De Chinezen schijnen overal dezelfde eigenaardigheden te behouden.De Britsche Consul-Generaal van Borneo schrijft mij: “Chinesche kolonisten kunnen onder Maleische wetten geen voorspoed genieten. Wij hebben eenige weinige honderden, doch het land zou honderd duizenden kunnen verzwelgen. In het binnenland vond ik onder de inboorlingen eene levendige herinnering aan de vroegere Chinesche peperplanters; zij zijn allen uitgeroeid of verdreven ten gevolge van burgerlijke twisten. Eenige weinige hunner afstammelingen zijn nog overgebleven, die de taal hunner vaders spreken, doch niet van de inlanders te onderscheiden zijn. Een Chinesche koopman sprak op een verachtenden toon van een der hoofden, die rondreisde, en sprak hem, tot niet geringe verbazing van den Chinees, in tamelijk goed Fokien aan. De geringe nog overige peperbouw wordt deels door de gemengde rassen aangekweekt. De opbrengst neemt langzaam toe; eenige weinige Chinezen met hunne inlandsche vrouwen hebben op nieuw beproefd zich er mede bezig te houden.”↑2Gaelensapahazijn termen, waarschijnlijk door handelaars met China ingevoerd.Taïlensapequezijn de namen die de Europeanen aan denliangentsinvan de Chinezen, het zilveren ons en het duizendste gedeelte daarvan, hebben gegeven.↑
HOOFDSTUK VI.BEVOLKING.Onder de jongste geslachten vond eene wonderbare gewaarwording plaats door de verkondiging van de groote Malthusiaansche ontdekking—de ontegenzeggelijke, onbetwistbaar, onverbiddelijke waarheid—dat de productive krachten van den grond steeds minder en minder beantwoorden aan de consumptive eischen van het menschelijk geslacht; dat terwijl de bevolking vermeerderde met den spoed van eene snelle meetkundige reeks, de middelen tot het verkrijgen van voeding met de zwakheid van eene langzame rekenkundige reeks ten achterbleven; dat de zetels aan de tafel der natuur—hoe rijk en overvloedig die ook was—allen vervuld waren en er geen plaats voor overtollige en ongenoodigde gasten overbleef,—in één woord en om de gewone formule te gebruiken, dat de bevolking meer en meer op middelen van bestaan aandrong en dat de gevolgen moeten zijn vermeerderde behoeften, toenemende armoede en eene reeks van rampen, eindeloos als de catalogus van de verschillende vormen der menschelijke ellende.Hoe dikwijls kwam mij, toen ik zoo de duizende eilanden van den Philippijnschen Archipel doortrok, de schim van Malthus en de hersenschimmen van zijne philosophie voor den geest. Hoe velen zijn er onder deze tallooze, door de zee omgeven streken, waarop nooit een Europeaan den voet gezet heeft; hoe weinigen, die geheel geëxploiteerd zijn en hoeveel minder nog die dooreenigen beschaafden of vreemden stam bewoond werden! En toch zijn zij met zulk eenen schoonen en natuurlijken wasdom boven bedekt en tellen zij tallooze schatten aan mineralen rijkdom beneden; hunne productive krachten zijn grenzeloos; men vindt er de verscheidenheid van klimaat, die bergen, dalen en vlakten aanbieden: regens om te bevochtigen, de zon om te rijpen, rivieren om te vervoeren, havens voor de scheepvaart. Zij hebben alles aantrekkelijks om te wagen en zij kunnen de industrie beloonen; een bevolking van slechts 5 of 6 millioen zielen, terwijl tienmaal zooveel tot verzadigens toe konden gevoed worden en zij in de behoeften van millioenen en millioenen meer konden voorzien door den overvloed hunner middelen.Tot welk een eng veld van beschouwing moet de geest zich hebben bepaald, die verontrust werd door eene ontdekking, die op zich zelve van zoo weinig belang is, wanneer me ze in de groote sfeer van ’s werelds aardrijkskunde brengt! Ofschoon het menschelijk geslacht op eene snelle, bijna onmetelijke wijze is toegenomen, zal men bevinden dat hongersnood, ziekten, oorlogen en dergelijke vreesselijke bezoekingen, die bestemd waren om de balans in evenwigt te houden, om de evenredigheid te herstellen tusschen de behoeften en de middelen der menschen, veel vernielender in oude dan in latere tijden waren, zoo men het kleine aantal toen bestaande wezens in aanmerking neemt.Het edeler en hooger axioma is dat «vooruitgang» de wet de Voorzienigheid is, die nooit dwaalt, terwijl het menschelijk geslacht steeds meer en meer toeneemt, ten einde ruime middelen te verschaffen voor aller onderhoud en geluk. Geen land, geen zee is uitgeput of op den weg van uitputting. Over hoevele duizenden akkers grond, in koude, gematigde of tropische luchtstreken, kan nog beschikt worden! Hoevele duizenden meer liggen daar nog ter bebouwing! En terwijl in de digter bevolkte gedeelten der wereld uitwegen noodig zijn voor hen, die ziek door rust zijn en voor niets anders dan voor den arbeid geboren zijn, hoevele versnelde middelen van vervoer bestaan er niet, waardoor de reiziger minder verlegen is om eene geschikte plaats voor zijne woning te vinden, dan wel om er een te kiezen onder de vele, die zich voor hem opdoen! Zoo de arme Ier al in zulkemassa’s naar Amerika of Australië vertrekt, gemakkelijker hebben het die massa’s werklieden in Europa die nog gedrongen worden door de concurrentie van naburen gelukkiger dan zij zelve.Het is te verwonderen dat de Spaanschekoloniëngeen grooter aantal Spanjaarden tot zich getrokken hebben, maar de nationale geest van het Iberische schiereiland is niet meer reizend of avontuurlijk. Spanje zelfs is niet digt bevolkt en biedt groote hulpbronnen aan zijne vergenoegde landlieden. «God—zeggen zij—heeft alles wat Hij had, aan Spanje gegeven. Ons land is een Eden, waarom zouden wij het dus verlaten?» En toch heeft Spanje, hoe langzaam, traag en zonder eenige energie, tegenover werkzamernatiën, zijn aandeel in de trotsche geschiedenis van menschelijkenvooruitgang. De meer ondernemende aanvallers van het bloed der Gothen of Anglo-Saxen hebben meermalen de inlandsche rassen uit de afgelegene landen verjaagd, waarin zij zich hadden gevestigd. De eene stroom van emigranten volgde de andere; handel en landbouw hebben de navraag van de indringende bezoekers uitgelokt en in hunne behoeften voorzien. Maar Spanje heeft nooit genoeg opgeleverd om de oorspronkelijke stammen te verjagen. De kolonisten uit dat land werden altijd vergezeld door een groot aantal geestelijken, die geneigd waren om «den heiden» in de Christelijke gemeente te brengen. Deze zendelingen hebben ongetwijfeld dikwijls tusschen de hebzucht van den overwinnaar en de zwakheid van den overwonnene gestaan. Zij hebben de Indische stammen behouden door deze te beschermen, en men mag betwijfelen of het algemeene belang niet gebaat werd door een invloed, wiens zegenrijke gevolgen kunnen blijven, als het meest in het oog springende kwaad, aan zulk een invloed gepaard, grootendeels verholpen of geheel uit den weg geruimd werd.Mijne opmerkingen en beschouwingen leiden dan tot deze conclusie: dat, welke exceptionele gevallen mogen bestaan, de springvloed van vooruitgang steeds sterker opzwelt; dat de loop van het Goddelijke bestuur daarin gelegen is, om van schijnbaar kwaad goeds en altijd meer goeds en goeds tot in het oneindige te stichten; dat het menschelijke geslacht, als ééngeheel, voortdurend in verbetering toeneemt; dat ieder geslacht beter en wijzer is dan het voorafgaande; dat de woeste en minder vooruitgaande stammen door diegenen, welke eene hoogere geestbeschaving bezitten, zullen worden vervangen; dat de half beschaafde slechts zal worden verduurzaamd door aanraking met eene grootere beschaving, die hem in de menschheid zal verheffen. Een middenras, zooals China in den vorm van millioenen emigranten oplevert, bevordert wonderbaarlijk de beschaving. De vordering is overal in de meer afgelegen Oostersche wereld zigtbaar. De mestizo-afstammelingen van Chinesche vaders en Indiaansche moeders vormen ontegenzeggelijk het meest belovende gedeelte van de Philippijnsche bevolking. In Siam, Burmah, Cochin-China worden voordeelige bezigheden verrigt door Chinesche kolonisten. In NederlandschIndiëgaan zij zonder uitzondering vooruit. Daarop en niet op de inlandsche volkeren moeten Sumatra, Borneo en de overige eilanden het oog vestigen om hunne hulpbronnen eenige belangrijke ontwikkeling te geven. In onzen straits-Archipel hebben zij de Klingalezen in alle zegenrijke werken van den landbouw vervangen, even als de laatste dit vroeger met de minder industriële Maleijers hebben gedaan. De vooruitgang van hoogere kennis en de onderdrukking van de mindere begaafdheden kan men ook vinden in de uitroeijing van zoo menige ruwe taal en de verspreiding van die, welke de beschaving in hare hoogere ontwikkeling vertegenwoordigen. Men kan, naar mijne meening, gerust voorspellen dat het niet zeer lang zal duren of het aantal talen dat op de aarde wordt gesproken, zal tot een zeer gering getal zijn verminderd. In den loop van eene eeuw gaat zoo menige plaatselijke tongval te niet en wordt voor goed vervangen door een’ van hoogeren rang en van meer nut. Wanneer men in aanmerking neemt dat de geschreven taal van China door een derde van het menschelijk geslacht wordt verstaan en dat waarschijnlijk meer dan 1/10 gedeelte van het menschelijk geslacht Engelsch kan spreken, en wanneer men er dan op let hoe de provinciale dialecten van Frankrijk, Duitschland,Spanje en Italie meer en meer in onbruik geraken, dan zal men goeden grond hebben te veronderstellen dat vele van de bestaande werktuigen voor het spraakvermogen langzamerhand zullen verdwijnen,dat het aantal doode talen vermeerderd en dat der levende naar evenredigheid verminderd zal worden.Ik weet niet uit welke bronnen Mallat in 1846 de bevolking der Philippijnen op 7 millioen zielen schatte; eene vermeerdering, zeide hij, van meer dan 50 pCt sedert 1816, in welken tijd hij beweert dat de bevolking4,600,000zielen bedroeg. Hij zegt dat zij van 1774 tot het laatste tijdvak viervoudig toegenomen is. Deze ontzettende vermeerdering in de latere tijden schrijft hij toe aan de invoering van de koepokinenting en de algemeene rust van het land; maar de juistheid der data mag wel betwijfeld worden.Pater Juan Fernandez schat de Christelijke bevolking van de Philippijnen, als volgt:puebloszielen.in het aartsbisdom Manilla185135,000in»het»bisdomNieuw-Segovië132745,000in»het»bisdom»Nieuw-Caceres104480,000in»het»bisdom»Zebu3061,200,000Totaal7272,560,000De bevolking van de Philippijnen wordt over het algemeen op ongeveer 4 millioen geschat, doch daar de Indianen, die in het binnenland van verscheidene eilanden,—vooral die welke in de onbebouwde woud- en bergstreken verblijf houden—in geene officiele telling kunnen worden begrepen, kan elke berekening slechts het juiste cijfer nabij komen. De opgaven, door het Gouvernement aan deGuia de Foresterosover het jaar 1858 gegeven, leveren de volgende resultaten op.Deze geheele bevolking van de veertigprovinciënbedroeg 4,290,371 zielen, waarvan 1,787,528 inlanders en 78,400 mestizen en Chinezen, die schatting betaalden. Er waren in dat jaar 184,074 geboorten, 102,466 sterfgevallen; 40,093 huwelijken waren er voltrokken.Verhouding van inlandsche tot gemengde rassen96pCt.Verhouding»van»de inlanders (die belasting betalen) tot de bevolking29pCt.»Verhouding»van»de gemengde rassen tot de bevolking1.75pCt.»Verhouding»van»geboorten tot de bevolking4.00pCt.»Verhouding»van»sterfgevallen tot de bevolking2.33pCt.»Verhouding»van»van de huwelijken tot de bevolking0.90pCt.»Verhouding»van»van de geboorten tot de sterfgevallen64 tot 36pCt.»Verhouding»van»geboorten tot de huwelijken2.70pCt.»Onvoldoende opgaven zijn gegeven van Corregidor en Pulo Caballo, die 370 inwoners in het geheel tellen; van Benguet dat 6,803 zielen telt, waarvan 4,639 heidenen en 15 Christelijke schatpligtigen zijn; eindelijk van Cajan, waarvan de bevolking 17,035 zielen bedraagt en 10,861 schatpligtigen zijn.Het aantal Europesche Spanjaarden, die op de Philippijnen gevestigd zijn, bedraagt eene veel kleinere hoeveelheid dan dat van de gemengde stammen. Er zijn 670 van het mannelijke en 119 van het vrouwelijke geslacht in de hoofdstad (Manilla en Binondo). Onder deze bevinden zich 114 monniken, die allen in Manilla wonen, 8 geestelijken, 46 kooplieden, 14 geneeskundigen, terwijl de overigen meerendeels militaire of civiele beambten zijn. Maar op geen der eilanden bedraagt de hoeveelheid Spanjaarden zooveel als in de hoofdstad. Waarschijnlijk bedraagt het geheele aantal Europesche Spanjaarden op de eilanden niet meer dan 2,000.Op Binondo wonen 96 vreemdelingen, waarvan 85 mannen en 11 vrouwen (geene op het eigenlijke Manilla). Daarvan zijn 50 kooplieden of hunne bedienden. Men vindt 22 Britsche onderdanen, 15 Franschen, 15 Zuid-Amerikanen, 11 burgers uit de Vereenigde Staten, 9 Duitschers en even zooveel Zwitsers.Afgezonderd van Europesche Spanjaarden, zijn er velefamiliën, die zichhyos del pays(kinderen van het land) noemen; dit zijn afstammelingen van Spaansche kolonisten, die de vermenging met inlandsch Indiaansch bloed vermijden. Zij zijn er voor bekend, dat zij nog gevoeliger dan zelfs de oude Castilianen zijnin zaken van etiquette en men vindt onder hen velen, die eene Europesche opvoeding hebben genoten. Zij solliciteren gewoonlijk naar openbare ambten, maar moeten minder standvastig zijn en meer naar spel en genoegens haken, dan hunne voorouders. Zij zijn echter gastvrij bij uitnemendheid. In het openbaar kleeden zij zich op Europesche wijze, doch te huis dragen zoowel mannen en vrouwen de meer losse en gemakkelijker Indische kleeding. Van hunne zijde klagen zij, dat er scheidpalen tusschen hen en hunne landslieden van het schiereiland zijngeplaatst; in één woord, de castegeest oefent zijnen afscheidenden en vervreemdenden invloed op de Philippijnen, even als overal elders uit.De Mestizos, of gemengde rassen, vormen een groot en invloedrijk gedeelte der Filipinos; slechts een klein aantal Europesche vrouwen wonen op de eilanden en over het algemeen zijn zij de vrouwen van de hooge Spaansche beambten of van hoofd-officieren bij de land- en zeemagt, wier diensttijd veelal beperkt is. Ofschoon de dochters vanfamiliënvan echt Spaansch bloed meestal in de kolonie huwen en zich uitsluiten en afzonderen, is het toch zeldzaam dat men onder de hoogste klassen niet een groot aantal mestizo-vrouwen vindt, kinderen van Spaansche vaders en inlandsche moeders. De meerderheid der kooplieden en grondeigenaars behoort tot deze klasse; zij bekleeden de meeste ondergeschikte staatsambten. Men vindt eene menigte afstammelingen van Chinezen uit inlandsche moeders, doch de vaderlijke type schijnt die van de moeder zóózeer te verdringen, dat de kinderen van verscheidene geslachten het sprekende kenmerk dragen dat de natuurlijke inboorling onderscheidt, zelfs bij eene opvolgende reeks van Indische moeders. Ik zal later gelegenheid hebben van een bezoek te spreken dat ik aan een district (Molo, nabij Iloilo) bragt, waar in vroegere tijden eene grooteChineschekolonie was gevestigd, en van waar het Chinesche ras sedert eeuwen was verdwenen, doch de Chinesche gelaatstrekken en het karakter van dat volk hadden onmiskenbare sporen onder de geheele bevolking achtergelaten. Ik vond nergens onder de inlanders een zoo nijverig, volhardend, spaarzaam en over het algemeen zoo welvarend volk. In elk huis bijna werd een handwerk uitgeoefend en de beste pina-goederen worden op deze plaats geweven. Wijwaren op een bal genoodigd, dat door de voornaamste inlandsche vrouwen werd bijgewoond en ik had de eer in eendiscursogewikkeld te worden dat de gastvrouw in uitmuntend Castiliaansch voerde. Men zeide mij dat de jonge vrouwen hier om hare kuischheid geroemd werden en dat eene gevallene vrouw op geene vergiffenis onder haar kon rekenen. Hare ouders hebben bezwaar haar Spaansch te laten leeren, omdat zij meenen haar daardoor aan verleiding bloot te stellen. De Mas zegt het volgende van de mestizos van Chinesche en Mongoolsche afkomst:«Zij wordenSangleygenoemd, hetgeen Chinesche koopman of reiziger beteekent. Zij bezitten dezelfde industriele en speculatiegeest als hunne voorouders. De meesten onder hen hebben rijkdommen en landerijen verworven en het grootste gedeelte van den kleinhandel is in hunne handen. Zij maken de middenklassen der Filipinos uit. Hunne voorspoed en betere opvoeding zijn de natuurlijke gevolgen daarvan, en hun zedelijk en intellectueel karakter staan ver boven dat der Indianen. Zij hebben eenige weelde in hunne kleeding, welke fraaijer en netter dan die der Indianen is; sommige hunner vrouwen kan men teregt schoon noemen. Intusschen hebben zij vele gewoonten van de Indianen, die zij in godsdienstige gevoelens overtreffen, omdat zij meer beschaafd zijn. Deze stam neemt in aantal en invloed toe en vermeerdert zich, ten gevolge van de groote toevloeijing van Chinezen, op hunne vestigingsplaatsen in grootere mate dan de Indische bevolking.»1Er valt niet aan te twijfelen, dat de grootere invloed van den aard des vaders dan die van de moeder, het algemeene karakter der gemengde Chinezen door vele geslachten heen heeft verbeterd. Zij zijn werkzamer en ondernemender, voorzigtiger en volhardender, meer tot den handel geneigd, dan de Indianen. Zij behouden allen het zwarte haar, hetgeen den Chinees karakteriseert; het volk van het «middenrijk» geeft zich toch zelf het liefst de benaming van «zwart-harig.» Zij onderscheiden zich door den ovalen vorm der oogen, die een hoek boven den neus vormen, de baardelooze kin, de lange en teedere vingers (volgens het Chinesche gebruik laten zij den midden-nagel van de linkerhand lang groeijen), hunne zucht tot kleederen en opschik. Zij oefenen grooten invloed op de Indianen uit, die meenen dat zij de kunst bezitten om geld te winnen. De kinderen van een Spaanschen mestizo bij eene Chinesche mestizo wordenTorna atras«teruggangers» genoemd; die van een Chineschen mestizo en eene Indische vrouw worden als Chinezen beschouwd en niet als van de Indische half-caste. De vermenging van Chineesch bloed is bij alle bevolkingen van steden merkbaar. Het aantal mestizen van Europesche afkomst is niet noemenswaard in vergelijking met die van Chineschen oorsprong. Hunne huizen zijn allen beter gemeubileerd dan die der inlanders. Velen hunner nemen de Europesche kleederdragt aan, doch zelfs de inlandsche kleeding is bij hen, die ze behouden van fijner kwaliteit, levendiger kleuren en rijker versierd. Even als de inlanders dragen de vrouwen hare hemden over de broeken; doch het hemd is van pina of sinamay en met knoopen van kostbare steenen vastgemaakt, terwijl zelden een gouden ketting gemist wordt, die om den hals hangt. De mannen dragen gewoonlijk Europesche hoeden, schoenen en laarzen, en beide spreiden niet weinig losheid en coquetterie ten toon.De groote massa der inlandsche bevolking op de Philippijnscheeilanden kan men in twee hoofdstammen verdeelen: de Tagalezen, die het noordelijke en de Bisajers, die het zuidelijke gedeelte bewonen. Van deze belijden allen, die in de steden en dorpen wonen, de Christelijke godsdienst; en zij staan onder den invloed van de geestelijkheid, die de godsdienstige aangelegenheden in de verschillendeprovinciënbeheert, welke voor het grootste gedeelte tot de jurisdictie behooren van verschillende geestelijke orden en broederschappen. Er zijn onder de Indianen eenige weinige personen, die met de regten van priesterschap bekleed zijn, doch zij klimmen over het algemeen tot geen hoogeren post op dan tot adsistenten der monniken. Bij de groote plegtigheid, die ik ter gelegenheid van dePurisima concepcionte Manilla bijwoonde, werd een Indiaan gekozen tot het houden der predikatie; deze was, als naar gewoonte, vol van lofzangen op de Heilige Maagd en bijna gelijk met den gewonen stijl van de Spaanschepredikatiën. Maar buiten de steden worden de kerkelijke aangelegenheden verwaarloosd en in het binnenland en bergstreken der eilanden belijdt de bevolking de Christelijke godsdienst niet meer; de monniken betreuren den onwetenden en verlaten toestand, waarin de lieden verkeeren, trachten hunne toenadering te verkrijgen en de betaling te erlangen van de belasting waarvan zij, even als het Gouvernement, hunne inkomsten trekken. Wanneer deze wordt betaald, wanneer de dienst der kerk getrouw wordt opgevolgd, de biecht plaats heeft en men medewerkt tot de godsdienstigeprocessiënen feesten (die de inlandsche feestdagen uitmaken), dan gaan de zaken wel tusschen de geestelijkheid en het volk. Ik zag vele monniken die geliefd en geëerd werden en die dit verdienden als bewaarders en herstellers van den huisselijken vrede, die de kinderen in hunne studie aanmoedigden en allerwege hunne pogingen aanwendden tot welzijn der gemeente. Maar daar de geestelijken dikwijls uitgesloten zijn van het toezigt der publieke opinie, hebben er dikwijls ergerlijke tooneelen plaats en niet zonder reden.Pater Zuniga beweert dat de Philippijnen oorspronkelijk door de bewoners van Amerika werden gecoloniseerd, maar hij dwaalt geheel en al in de bewijzen, die hij daarvoor in de analogie der talen zoekt. Het aantal Maleische woorden in het Tageleesch en Bisaaisch is grooter, dan die welke een Amerikaansch dialect hebben enhier meen ik ter loops te kunnen aanmerken dat er geen onderwerp bestaat waarover men zooveel ongerijmdheid heeft gedrukt, als over de afleiding en verwantschap van talen, een onderwerp waarin een Spaansche autoriteit zelden van veel invloed is. El Senor Erro bijv. geeft in zijn werk over de ouderwetschheid van het Bascuensch, eene beschrijving en teekening van eene groote waterkruik, die men in eene bron te Guipuscoa had gevonden, waarop de woorden: «Gott erbarme dein armes Würmchen» stonden. Dit zegt hij dat eene Biscaaische inscriptie is ter eere van de priesteressen der zon gemaakt vóór de invoering van het Christendom, en hij twijfelt niet of de vaas (een stuk ruw nieuwerwetsch Duitsch vaatwerk) werd bij de heilige tempeldienst gebruikt.De Mas onderstelt, dat de Indianen alphabetisch schrift gebruikten vóór de komst der Spanjaarden; hij geeft vijf alphabetten die in de verschillendeprovinciënwerden gebruikt, doch veel op elkander gelijken. Ik zelf kon geene oude schrifturen, geschreven overleveringen ofinscriptiënvan vroegere tijden ontdekken, die met de Indische geschiedenis in verband stonden. Er bestaat waarschijnlijkheid, dat er eenig gezag bestond; dat er vrijen en slaven waren; dat het land deels bebouwd en de zee bevaren werd door landbouwers en visschers, hetgeen de erkenning van eenig regt van eigendom ten gevolge had; dat er oorlogen gevoerd werden tusschen vijandelijke stammen, die hunne leiders en wetten hadden. Uit de oude opgaven van de zendelingen leert men de namen van sommige hoofden en den aard van het gezag kennen, dat door het kleine aantal beheerschers over de onderworpen menigte werd uitgeoefend. Zij zeggen dat men voor goud de emancipatie van een’ slaaf en zijne opname onder de Mahaldicas of gepriviligeerde klasse kon verkrijgen. Krijgsgevangenen, schuldenaars en misdadigers werden in boeijen gehouden. De dochter van een’ Mahaldica kon, wanneer de bruidegom niet in staat was de noodige geldsom te betalen, ten huwelijk verkregen worden door dienstbaarheid aan haren vader gedurende een zeker aantal jaren. Als de man van den eenen stam de vrouw van een andere huwde, werden de kinderen gelijkelijk of zooveel mogelijk onder de beide stammen verdeeld, waartoe de ouders behoorden. De nalatenschapwerd bij den dood van den vader onder de zonen verdeeld, waarvan de oudste geene meerdere regten dan zijne jongere broeders had.Plaatselijk bijgeloof heerschte omtrent rotsen, boomen en rivieren. Zij baden aan de zon en de maan; een’ blaauwen vogel dien zijtigmamanoquin, een hert dat zijmeylupa, «heer van den grond» noemden en den krokodil, dien zij den titel vannonoof «grootvader» gaven. Men geloofde aan een’ demon, Osuang genaamd, die de kinderen kwellen, smart in den barensnood veroorzaken, van menschelijk vleesch leven en zijne tegenwoordigheid aankondigen zou door dentictic, een’ vogel, die kwade voorspellingen deed. Naakte mannen zwaaiden met zwaarden van het dak en andere gedeelten van dechozaom den vijand af te schrikken, of de zwangere vrouw werd uit de nabijheid van denticticverwijderd. DeManacolamwas een monster in vlammen gehuld, die alleen door het vuil van een’ mensch konden worden gebluscht; het dier zou daarop onmiddellijk sterven. DeSilaganrukte den lever uit en verscheurde dien, van in ’t wit gekleede personen. DeMagtatangallegde zijn hoofd en ingewanden ’s avonds op zekere geheime plaats, waar zij ’s nachts het doen van kwaad beletteden; bij het aanbreken van den dag werden zij weder weggenomen. Zoo vreemdsoortig en belagchelijk waren de gevolgen van het bijgeloof. Er werden offers gebragt tot afbidding van het bedreigde kwaad of ter eere van de bezoekers; die offers noemden de priesteressenCatalonaen deelden stukken van het geofferde dier rond. Men had verscheidene waarzeggers en geestenbezweerders, die verschillendefunctiënuitoefenden en waarvan een, deManyisalat, de liefde verwekte en de vertrouweling van jonge mannen en meisjes was.Wanneer de Indiaan in een bosch kwam, bad hij de demons hem niet te schaden. Het kraken van het hout, het gezigt van een’ slang in eene nieuw gebouwde hut werden als kwade voorteekenen beschouwd. In de woning van een’ visscher mogt men van geen bosch, in die van een jager niet van de zee spreken. Eene zwangere vrouw mogt hare haren niet snijden, opdat het kind niet met een kaalhoofd zou ter wereld komen.De huwelijksgift voor de vrouw werd naar de omstandigheden der partijen geregeld. De moeder had iets te vorderen, eveneens als demin van de bruid. Alle kosten, die de vader voor zijne dochter had gehad, kon hij van den bruidegom terugvorderen. Onder vermogendefamiliënbestond een bepaalde prijs, volgens dien, welken de vader of grootvader voor hun vrouwen hadden betaald. Als de ouders van de bruid niet meer leefden, ontving zij zelve de bruidschat. Drie dagen vóór het huwelijk werd het dak van de ouderlijke woning uitgebreid en een vertrek,palapalagenaamd, bijgevoegd voor de huwelijksplegtigheden; de gasten bragten hunne geschenken aan de bruid, en welke waarde deze ook hadden, men kon verwachten dat wanneer in de toekomst de betrekking tusschen gastheer en gast gedeerd werd, een geschenk van niet minder waarde zou worden gegeven. Tot deceremoniënbehoorde dat de jonggehuwden van hetzelfde bord eten en uit denzelfden kop drinken zouden. Men stelde wederkeerige «toasten» in en deed beloften van wederzijdsche liefde, terwijl de catalona een zegenwensch uitsprak. Verschrikkelijke tooneelen van dronkenschap en ongeregeldheden moeten de plegtigheden op de volgende feesten gekenmerkt hebben, die drie dagen duurden. In de noordelijke eilanden mogt men slechts ééne vrouw huwen, doch bijzitten en slaven hebben; in het zuiden, waar ongetwijfeld het Islamismus zijnen invloed deed gelden, mogt men verscheidene wettige vrouwen bezitten; ook de besnijdenis had daar plaats.Gehuurde treurenden en de leden van de familie verzamelden zich om een lijk en zongen lofliederen tot verkondiging van de deugden des overledenen. Het lijk werd gewasschen, geparfumeerd, gekleed en soms gebalsemd. Arme lieden werden spoedig in densilongbegraven, waarover hunne hutten waren gebouwd. De lijken van vermogende lieden werden gedurende eenige dagen boven aarde gehouden en in eene sterke kist gelegd. Hunnen mond bedekte men met goudblad, terwijl zij op eene plaats ter aarde besteld werden, die de overledene zelf had gekozen. Zoo dit aan den oever van eene rivier was, dan werd de scheepvaart daar langs gedurende eenigen tijd verboden, opdat de overledene niet met de levenden in aanraking zou komen, terwijl een wachter bij het graf stond, in de nabijheid waarvan de kleederen, het gewone voedsel en de wapenen van den afgestorvene in eene afzonderlijke doos waren gelegd, en als het eene vrouw was, haarhandwerk en werktuigen daarvoor. Waar een voornaam hoofd was begraven, rigtte men een gebouw op, waarin twee geiten, twee dassen, twee varkens en een geboeide slaaf van den overledene werden gevangen gehouden, welke laatste zijn meester naar de andere wereld moest vergezellen en een ellendigen hongerdood stierf. Men onderstelde dat de doode drie dagen na de begrafenis zijne familie bezocht: men plaatste dan eene pot met water aan de deur, opdat hij zich kon wasschen en zuiveren van het vuil uit het graf; men liet den geheelen dag eene waskaars branden; spreidde matten uit en bestrooide die met asch, opdat de doode geene voetstappen zou achterlaten; op het gewone uur van den maaltijd opende men eindelijk de deur en zette een heerlijk maal voor den verwachten bezoeker gereed. Ongetwijfeld werd door de wachtenden daarvan even als van andere kostbare offers ruim gebruik gemaakt. De Indianen uit het Noorden dragen zwarte, die uit het Zuiden witte rouwkleederen.In regtszaken werden de oudsten geraadpleegd, doch er bestond geen wetboek, en de zendelingen beweren dat de scheidsregters in twisten over het algemeen vrij goed voor hunne bemoeijingen betaald werden. Eene moord, door een slaaf begaan, werd met den dood gestraft; had een persoon van hoogen rang zulk een misdaad gepleegd, dan kwam hij er met eene geldboete aan de beleedigde familie af. Had er een roof plaats, dan moesten alle verdachte personen eenig gras nederleggen; dit werd op een hoop gelegd, en zoo het gestolen voorwerp daaronder werd gevonden, gaf men het aan den eigenaar terug, zonder dat men verder onderzoek instelde naar den persoon, die den bundel had nedergelegd, waarin het was verborgen. Gelukte deze proef niet, dan moesten al de verdachten zich te water begeven, en in dat geval werd voor den schuldige diegene gehouden, welke het eerst weder boven dreef, want dan zeide men dat de last van zijne schuld hem niet langer den adem kon doen inhouden. Men zegt dat velen verdronken zijn ten einde de schande van het boven drijven te ontkomen. Somtijds liet men de beschuldigden kaarsen van gelijke grootte in de handen nemen en dan werd diegene voor den schuldige gehouden, wiens kaars het eerst was uitgegaan. Nog eene andere methode bestond daarin, om deverdachten rondom eene kaars te verzamelen; in dit geval leerde men den schuldige daaruit kennen dat de vlam zich naar hem wendde. De straf voor echtbreuk werd afgekocht door eene geldboete aan den beleedigden persoon.Het middel van geldwisseling bestond uit goud dat men woog, maar eene gestempelde munt bestond er niet. Het grootste gewigt werd eengaelgenoemd; dit vertegenwoordigde 1¼ dollar in zilver en kwam bijna met het Chinesche ons of taïl overeen; eengaelbestond uit tweetinga, eentingauit tweesapaha2; eensapahawas insangragaverdeeld; dit laatste, een zeer kleine boon, was het kleinste gewigt. Men rekende met steenhoopjes van verschillende grootte. De maten bestonden uit dendipa(6 voet), dendancal(palm), dentumuro(span), densangdamac(breedte van de hand), densangdati(breedte van den vinger). Op die wijze droeg, even als onder vele ruwenatiën, ieder zijn maat bij zich.De tijd werd naar de zon en de maan berekend, zoowel op de Philippijnen als in China. In het Chineesch beteekenen dezelfde woorden dag en zon, maan en maand, oogst een jaar. De morgen werd «haan-kraaijen», de avond «zonsondergang» genoemd.Geen Indiaan ging een anderen voorbij zonder te groeten en met de linkerknie te buigen. Wanneer iemand het huis van een hooger geplaatsten binnentrad, knielde hij tot dat men hem beval op te staan. Vrouwen droegen oorringen en soms ook mannen; de Hoofden hadden gekleurde tulbanden, die rood waren wanneer zij één vijand, gestreept als zij zeven of meer gedood hadden. Vrede werd gesloten door bloed met wijn te vermengen en ieder dronk het bloed van een ander. Dit was de plegtigste der eeden.Kuischheid schijnt onbekend geweest te zijn, ofschoon de vrouw hare gunsten niet verleende zonder betaling.Menig Mohammedaansch bijgeloof en gebruik was tot in het binnenland doorgedrongen en daaronder het gebruik van de besnijdenis.Al de Indianen hebben een ronden donkeren vlak op de ruggegraat; naarmate hun huid donkerder wordt, verdwijnt deze echter, zoodat hij in den ouderdom naauwelijks merkbaar is.Volgens eene overlevering straften de Indianen vroeger een onpopulair persoon met eene geldboete, die zijcobacolonoemden en iedereen oplegden, welke hun door valsche raadgevingen had misleid. De geheele bevolking verzamelde zich dan bij het huis van den beleediger, terwijl iedereen een knuppel droeg. Eenigen omringden het huis, ten einde het ontkomen te beletten; anderen traden de woning binnen, dreven het slagtoffer door slagen naar het balkon, waarvan hij werd genoodzaakt af te springen; hierop verjaagde men hem uit de streek en vernielde zijn huis met al wat het bevatte. De overlevering bestaat in vele volksspreekwoorden en gezegden, waarin decobacoloals eene bedreiging tegen boosdoeners wordt gebruikt.Onder de meest beroemde boeken op de Philippijnen behooren de «Cronicas Franciscanas» door Fr. Gaspar de St. Augustin, een Augustijner monnik van Madrid, die gedurende veertig jaren onder de Indianen woonde en van wiens beschrijvingen ik eenige heb overgenomen. Zij zijn echter veelal in strijd met de meening van verschillende schrijvers. Hun veld van beschouwing is geheel anders en het natuurlijke karakter staat in naauw verband met het gevelde oordeel. Dat van onzen monnik over de inlanders is niet zeer gunstig. Volgens hem zijn zij over het algemeen «onstandvastig, trouweloos, boosaardig, slaperig, lui, beschroomd en groote liefhebbers van reizen over rivieren, beeken enzeeën.»«Zij eten veel visch, die men in groote hoeveelheid vindt. Na regens zijn de velden, moerassen en vijvers daarmede gevuld. Men haalt dikwijls visschen ter lengte van 2 palm van uit padie-velden op. Als de wateren opdroogen, gaat de visch in den eenen of anderen modderpoel, waaruit de Indianen ze met de hand halen of een voor een dooden.» Ik heb vele Indianen in de paddievelden zien visschen en wat er van den visch wordt in tijden van droogte, wanneer er geene «modderpoelen» wordengevonden, is moeijelijk te zeggen, maar zooveel is zekerdatmen daar, waar water is, ook gemakkelijk visch kan verkrijgen.«Zij gebruiken drie maaltijden per dag, die hoofdzakelijk uit rijst, zoete aardappelen en eene kleine hoeveelheid visch of vleesch bestaan; de dagelijksche kosten van het geheel beloopen een reaal. Als werklieden verdienen zij eene halve reaal, behalve den kost. Zij leenen gaarne geld, dat zij nooit teruggeven en wanneer men geene ondankbaarheid wil ondervinden, moet men hun geene dienst doen; ook eene belofte houden zij nooit. Zij sluiten nooit de deur achter zich, leggen niets op zijne plaats, verrigten nooit het werk, waarvoor men hun vooruit heeft betaald en toch vragen zij altijd een voorschot; de timmerman moet geld hebben om hout, de wasscher om zeep te koopen, en zoo handelen zij zelfs met de geestelijken! Zij weten alles verkeerd te doen; versnijden alle kleederen, zetten het voorste achter en het achterste voor.» De pater is eenigzins streng; uit eigene ondervinding weet ik dat de Indianen ten minste even vele zaken goed als slecht verrigten. Alava zeide van de Indianen dat zij hunne hersenen in de handen hebben.Onze geestelijke vervolgt aldus:«Zij zijn afgunstig, onbeschaafd en brutaal. Zij vragen zelfs een geestelijke af, van waar hij komt en waarheen hij gaat. Leest men een brief, dan zien zij over de schouders, ofschoon zij zelve niet kunnen lezen, en wanneer een paar menschen heimelijk spreken, komen de Indianen van nabij, ofschoon zij geen woord verstaan. Zij gaan huizen en zelfs kloosters binnen zonder verlof en schijnen daar op eene wijze zich eigen te gedragen die de verwondering en schrik tevens opwekt; zelfs wanneer de geestelijke slaapt, maken zij een groot geraas door op den vloer te trappen, ofschoon zij te huis als op eijeren loopen. In hunne woning gebruiken zij geene stoelen, maar die in de kloosters breken zij door om er op te gaan zitten en te leunen, vooral op de balkons, wanneer daar gelegenheid is om eene schoone vrouw te zien.»Deze uittreksels zijn even karakteristiek van den monnik als van den Indiaan: «zij zorgen nooit voor honden, katten, paardenof koeijen, de vechthaan is voor hen alles; dezen bezoeken zij reeds bij het krieken van den dag, liefkozen hem voortdurend, beschouwen hem soms een half uur achtereenvolgens en deze hartstogt neemt nooit af; er zijn er die aan niets anders denken. Het Gouvernement beschermt de hanengevechten. In het vorige jaar bragten zij 40,000 dollars op (in 1859, 86,000 dollars). Welk eene treurige hulpbron voor zoo vele tranen, misdaden en straffen! Hoeveel twisten, hoevele regtsgedingen hebben daarvoor plaats! En zij brengen soms nachten met dit spel door. Het hoofd van de Barangay verliest de inkomsten der belastingen, die hij heeft geïnd; zijn lot wordt de gevangenis of hij moet naar de bergen vlugten. Zij willen in geene huizen of kloosters wonen, waar zij buiten bereik der vrouwen zijn. Zij zorgen voor hun eigen vaatwerk en stellen in hunne woningen ten toon hetgeen zij reeds vóór de komst der Spanjaarden bezaten; maar in kloosters en huizen breken zij genoeg om hunne meesters teruïneren. Dit is een gevolg van hunne domheid of komt daaruit voort dat zij aan hunne geliefden denken of dat iets anders hunne gedachten bezig houdt; en wanneer zij een geregt laten vallen, wordt daarover door de Spanjaarden niets gezegd of komen zij er met een paar scheldwoorden af. In hun eigen huis intusschen zouden zij om een stuk aardewerk, dat gebroken is, een ferm pak rottingslagen geven en dat doet meer af dan alle Philippica van Cicero (zoo staat in het oorspronkelijke). Men kan hun geen zwaard, spiegel, geweer, horologie of eenig teeder voorwerp toevertrouwen, daar zij het altijd breken. Alleen een bamboes, een stok, een stuk hout, een palmtak en sommigen eene ploegschaar, kan men hun in handen geven.«Zij zijn stoutmoedig en onbeschaamd in het doen van onredelijke aanvragen, zonder zich er om te bekommeren òf en wanneer hun verzoek kan worden ingewilligd. Zij herinnerden mij in hunne verzoekschriften aan hetgeen Sancho Panza op het eiland Barataria is gebeurd, toen dit door den onbeschaamden en indringenden lompert Michael Turra werd verontrust. Zij wenschen honderd dollars voor hun vier eijeren. Ik heb nooit eene gift van een Indiaan ontvangen—natuurlijk iets van onwaarde en voor hem van geen het minste nut—hetzij bloemen of vruchten of ikriep hem de woorden van Laocoön aan de Trojanen toe: «Timeo Danaos dona ferentes.» Debisschopvan Troje, Don Francisco Gines Barrientes, een zeer omzigtig prelaat, verhaalde mij dat een Indiaan hem een doek vol Guava-vruchten bragt en hem ter leen vijftig dollars vroeg. En toen de Markies de Villasierra, don Fernando de Valenzuela, in het kasteel van Cavite van een Indiaan een haan ontving, waarvoor de markies beval dat hem zesmaal de waarde zou worden betaald, zeide de Indiaan dat hij op 80 manden rijst gerekend had, en dit was nog wel in een tijd van schaarschheid, toen iedere mand 2 dollars gold. Het komt er echter weinig bij hen op aan of zij slagen dan wel of hun iets niet gelukt; zij zijn dan even tevreden, want zij hechten geenerlei waarde aan de gift van een Spanjaard, zelfs niet van een’ priester. Bij den verkoop vragen zij dertig en nemen zes aan; zij beproeven bedrog en daar zij bekend zijn met de groote goedheid (la suma bondad) van het Spaansche karakter, vreezen zij geene uitdrukking van toorn ten gevolge eener ongerijmde vordering.»De monnik beschrijft volgenderwijs eene onderhandeling tusschen een Indischen boer en een koopman: «De boer heeft twee of drie honderd pond indigo te koop; hij komt niet alleen, maar met zijne betrekkingen, vrienden en soms met de vrouwen, daar de indigo aan verschillende personen behoort, die het gevolg van den verkooper uitmaken. Ieder bod wordt aan de groep medegedeeld, die in een kring rondom den handelaar is verzameld; nadat daarover is beraadslaagd, bieden zij eene vermindering van een dollar in den prijs; de kooper verlangt drie. Nadat deze zaak is geregeld, begint eene andere discussie. Een gedeelte van de indigo is muf en vuil, zoodat eene schikking moet worden gemaakt. Zoo duurt de onderhandeling kibbelend voort en komt tot geen einde. Zeer weinige Spanjaarden verdragen die onbeschaamdheid en lastigheid, zoodat de conferentie eindigt met de eenvoudige vraag:«Wilt gij? ja, of neen?» zoo neen, dan verspreiden de Indianen zich toornig door de straten, maar de geduldiger mestizen en Chinezen noodigen hen bij zich, geven hun eten en huisvesting en trekken daarvan op hunne eigene wijze, in Chineschen stijl, gebruik, want de Indiaan is zeer dom inhandelszaken.» Hier voert de vader talrijke bewijzen van hunne eenvoudigheid aan. «Kortom—zegt hij—de Indiaan ontvangt liever een reaal van een Chinees, dan een dollar van een Spanjaard.» Wien kan dus de voorspoed van de Chinezen op de Philippijnen verwondering baren? «De Indianen betoonen groote onverschilligheid bij gevaar; zij gaan niet uit den weg voor een koppig paard, of in eene kleine boot gezeten, voor eene grootere. Wanneer zij in eene rivier krokodillen zien naderen, nemen zij daarvan geen notitie of stellen geen voorzorgmaatregelen in het werk. De Koran zegt dat ieders lot op zijn voorhoofd is geteekend; zoo denken de Indianen, niet omdat zij den Koran hebben gelezen, maar door hunne eigene dwaasheid, die hen dagelijks aan ongelukken blootstelt. Zij zijn zeer bijgeloovig onder hen zelven, doch gelooven omtrent de Spanjaarden niets dan wat nadeelig is. Blijkbaar is de werking van het geloof bovennatuurlijk, daar waar zij de goddelijke geheimen erkennen, die de Spanjaarden prediken. In andere opzigten gelooven zij niets van hetgeen in strijd is met hun belang. Zij zien er geen bezwaar in om Spanjaarden en zelfs om bedienaren der godsdienst te bestelen. Hiervan bestaan de duidelijkste bewijzen, zoodat aan geen twijfel te denken valt en men het alleen moet betreuren dat hiervoor geen hulpmiddel te vinden is.»De Augustijner provinciale monnik van Ilocos, zegt, waar hij van den opstand van 1807 in deze provincie spreekt: «Hier, even als overal, vindt men vele dieven en plunderaars; men brengt hen niet naar Manilla, maar zij moeten op de plaats zelve gestraft worden. Men kan hen echter evenmin uitroeijen als de ratten of muizen. Er bestaat dan ook een Indisch spreekwoord: dieven en ratten zullen te gelijk worden uitgeroeid.» Ik kan de algemeene veroordeeling van den geestelijke niet overnemen, daar mij feiten van buitengewone braafheid zijn ter oore gekomen. De Alcalde van Cagajan verhaalde mij o. a. dat, ofschoon hij dikwijls eene zekere som aan dollars aan de Indianen had toevertrouwd, hij nooit eenig bedrog had ontdekt.Men zou veronderstellen dat de rijke en magtige monniken zeer wel beschermd waren tegen de Indianen; maar een hunner (de abt Amodea) schrijft: «De Indianen bedienen zich niet vanlansen en pijlen tegen ons ministerie, maar van papier, pennen, van schotschriften en lasterlijke aantijgingen. Zij hebben zooveel politiek geleerd, dat thans op alle plaatsen onbeduidende schrijvers, regtsverdraaijers en twistzoekers zijn, die verstand genoeg bezitten om op gezegeld papier eene memorie te stellen, die aan het hoogste geregt kan worden in handen gegeven. Als de dorpspastoor hen om hunne slechte en schandelijke leefwijze berispt of bestraft, dan vereenigen zij zich, drinken wijn, vullen een vel folio met hunne kruisjes en ijlen naar Manilla, waar zij zich tot het geregt wenden, bij hetwelk zij meenen den grootsten invloed uit te oefenen en waardoor voor den armen geestelijke veel verdriet ontstaat. Er behoort veel moed toe, dit soort van martelaarschap te verdragen, dat op de Philippijnen iets zeer gewoons is.»Ik weet niet welke vervolgingen in den laatsten tijd zijn ingesteld tegen waarzegsters, maar ik vind het verhaal van eene fiksche vervolging en zware bestraffing, in het midden der vorige eeuw tegen de waarzegsters van Pampanga ingesteld. De processen werden gevoerd door een monnik Theodorus van de moeder Gods genaamd, die een speciaal verslag deed aan de Mexicaansche inquisitie. Hij zegt: «Er zijn waarzegsters in iedere plaats en in sommige maken zij zelfs het derde deel der bevolking uit. Deze slaven van den duivel zijn in verschillende klassen verdeeld;lamiasdie het bloed van jonge kinderen opzuigen;striges, die op de oppervlakte der aarde zwerven;sagas, die in woningen verkeeren en den duivel alle noodige inlichtingen verschaffen;larvas, die vleeschelijke lusten bot vieren;temures, die liefdesdranken gereed maken; doch allen zijn bestemd om het menschdom kwaad te berokkenen.»De ligtgeloovigheid der Indianen is voorbeeldeloos. In 1832, toen deSanta Anamet 250 soldaten aankwam, verspreidde een gerucht zich als loopend vuur dat de Koning van Spanje bevel had gegeven om al de kinderen van de Indianen te verzamelen ten einde hun bloed in de Spaansche mijnen te storten, waardoor deze productiver zouden worden. De vrouwen ijlden naar hare woningen, en zochten met hare kinderen eene schuilplaats in de huizen van de Spaansche vrouwen te Manilla. De mannen wapenden zich met speren en vloden in opgewondenheiddoor de straten. Niet zonder moeite werd de beweging gestuit. Hetgeen iemand, die als wijze bekend staat, onder de Indianen als waarheid verklaart, wordt onmiddellijk geloofd en kan door geen’ invloed van de priesters worden geloochend; de woorden «Vica ng maruning», d. i. «de wijze zegt het»is het antwoord aan allen, die het niet gelooven. «God behoede ons» zegt de monnik, «voor Indische wijzen! De Indianen toch zijn trotsch en willen geen priester, noch den monnik, noch den aalmoezenier gelooven, wanneer de vrees hen daartoe niet dwingt, en zij zijn niet altijd bevreesd, ofschoon zij overtuigd zijn van de overmagt der Spanjaarden en tegen hun zin door hen geregeerd worden. Zij volgen den Spanjaard na in al wat kwaad is,—in zijne gehechtheid aan het spel en in al de kwade praktijken van dezaramullos(saletjonkers of drukke menschen); maar Spaansche hoffelijkheid en welgemanierdheid en goede opvoeding bestuderen zij nooit of zien zij niet af, maar opschik en dronkenschap en losbandige huwelijks- en begrafenispartijen, even als geweldadigheden van allerlei aard, hebben zij van hunne voorouders geërfd en spreiden zij nog ten toon, zoodat zij hunne ondeugden ook nog bij die der Spanjaarden voegen.»Zij zijn onderdanig jegens iederen aristocraat onder hen. De rokkendragende principalia worden met veel onderscheiding behandeld en hunne rang zeer geëerbiedigd. Eerst heeft men den gobernadorcillo, daarop volgen de ex-gobernadorcillo’s, die naar ancienniteit als kapiteins worden benoemd; dan de in functie zijnde luitenant, die het hoofd van een barangay moet zijn; daarna de hoofden van barangay’s naar hunnen ouderdom, vervolgens de gewezen luitenants en zoo verder; hun rang wordt door de naburige gemeenten erkend.Baden is algemeen in gebruik; mannen en vrouwen doen dit op eene en dezelfde plaats. De mannen dragen pantalons, de vrouwen dekken zich met een kleed, dat zij afwerpen als zij in het water gaan. Er hebben geene ergerlijke tooneelen plaats door deze gewoonte, en herhaalde pogingen van de Spaansche autoriteiten om dit oude gebruik te veranderen, hebben niets gebaat.De Indianen omhelzen door de aanraking met den neus; meestal kussen zij echter dan ook de lippen. Als het neusgat is zamengetrokken(zooals bij het rieken) en de Indiaan ziet naar iemand op een afstand, dan leidt dit tot eene digter omhelzing. Vreemdsoortige verhalen doet men van het fijne reukorgaan der Indianen; men zegt dat zij daardoor de kleeding van hunne meesters en meesteressen kunnen onderscheiden en dat minnaars elkander’s wederzijdsche gevoelens ontdekken. Onderkleederen worden verwisseld, die ondersteld worden met de hartstogten der eigenaars doortrokken te zijn. In weêrwil van den monnik, besnijden de Indianen heimelijk hunne kinderen. De banaan-boom (Balete, Ficus Indica) wordt als heilig beschouwd. Zij branden er wierook onder, dat zij onder verschillende voorwendsels van de monniken verkrijgen. Hoe vreemd zijn de gebruiken der afgodendienst met Christelijke geboden vermengd! Dit is niet alleen het geval op de Philippijnen. Een van Dr. Gutzlaff’s erkende bekeerlingen te Hong-Kong was gewoon te zeggen, dat om den zendeling genoegen te doen hij een anderen God—der Christenen—bij dien gevoegd had, welken hij vroeger aanbad, en ik ben bekend met heimelijke bezoeken in heidensche tempels die Chinezen, welke Christenen waren, bragten wanneer zij op het punt stonden eene belangrijke zaak te ondernemen. «Men kan het vervloekte geloof niet van hen verwijderen—zegt de geestelijke—dat de geesten van hunne voorouders in de bosschen en onder de wortels van bamboes leven en dat deze goed of kwaad over hen kunnen verspreiden. Zij willen hun offers brengen; en al onze boeken enpredikatiënkunnen de indrukken niet wegnemen, die een oud man bij hen achterlaat, welken zij «een wijze» noemen.»«De geestelijken» zegt de Mas «gelooven dat dit bijgeloof vermindert; ongetwijfeld verbergt de Indiaan het zooveel mogelijk voor zijn’ biechtvader, maar ik zelf heb mij meermalen overtuigd dat het bestaat en dat het invloed uitoefent.» Wie, die eenigzins bekend is met de ligtgeloovigheid van deze minder beschaafde klassen, en niet deze alleen, maar ook onder ons zelven, kan zich dan ook verwonderen over den «godsdienstigen geest» van den Philippijnschen Indiaan? En zelfs de geestelijken zelve zijn met die zwakheid behebt, zoodat een Philippijnsche geestelijke Mallares, niet minder dan 57 moorden in de stad Magalan beging of veroorzaakte, in de overtuiging dat hij daardoor zijne moeder tegenbetoovering zou beschermen. Mallares werd in 1840 geëxecuteerd en in zijn rapport betuigt de fiscaal zijn afschuw van de «ongeloofelijke en barbaarsche bloedverkwisting van dit monster.»«De Indiaan kent geen middenweg» zegt onze geestelijke, «vraag naar laauw water, dan brengt hij het kokend; zegt gij dat het te heet is, dan krijgt gij het ijskoud. Hij leeft in een kring van uitersten. Hij heeft behagen in uw ongeduld en wanneer gij u over hem ergert, dan schatert hij uit dat hij zijn meester kwaad heeft gemaakt. Wanneer men den Indiaan wil vertoornen, moet men geene notitie van zijne streken nemen. De scherpzinnige man onder hen weet dat de Indiaan en de rotting (voor zijne bestraffing) steeds zamen opgroeijen. Zij hebben een ander spreekwoord: «De Spanjaard is een vuur en de Indiaan sneeuw; de sneeuw bluscht het vuur uit.» Een der geestelijken verhaalt dat zijn bediende tot hem zeide: «Gij zijt een nieuweling en duldt te veel, als ik kwaad doe, moet gij mij straffen. Kent gij het spreekwoord niet: «De Indiaan en de rotting groeijen zamen op?» Zij lasteren en miskennen God als hunne gebeden niet verhoord worden en voeren eene taal, die inderdaad afschuwelijk zou zijn, wanneer men niet weet hoe onverstandig zij zijn en hoe onmogelijk het hun is zich naar den Goddelijken wil te gedragen.»Er bestaan eene menigte godsdienstige treurspelen, bijzonder een in het Tagaleesch, dat het lijden en den dood van Christus voorstelt; maar deze godsdienstige voorstellingen en vergaderingen geven aanleiding tot ergerlijke tooneelen en misbruiken en doen menig onwettig kind het levenslicht aanschouwen. De priesters hebben meestal zulke voorstellingen in den nacht verboden en drijven soms zulke vergaderingen, met de zweep in de hand, uit elkander; op andere tijden worden de zangers betrapt en gestoord in hunne droevige klagten of ...... in hunne genoegens.Het is aardig de tegenstrijdige meeningen der monniken aangaande hunne kudden te lezen. De een zegt: «Hunne biecht is valsch; zij bekennen nooit iets anders dan drie zonden: 1o. dat zij niet getrouw zijn ter kerk gegaan; 2o. dat zij vleesch eten gedurende de vasten en 3o. dat zij een valschen eed hebben gedaan.»Een ander berigt: «Geen Spanjaard kan vromer en godsdienstiger zijn dan de Indianen van Manilla in hunne biecht. Zij gehoorzamen de onderrigtingen, die men hun geeft, en ik heb dezelfde goede berigten van verscheidene geestelijken onder vele Indianen in deprovinciën.» Ongetwijfeld zou de geestelijke statistiek curieus zijn, wanneer men die kon verkrijgen. Van Lilio berigt de geestelijke dat van de1,300personen, die belasting betalen, 600 in 1840 nooit gebiecht hebben en deze plaats is niet een van de onverschilligste. Te Vigan gingen van 30,000 inwoners, niet meer dan 500 à 800 ter kerk (volgens de Mas), behalve bij het jaarlijksche feest van de Maagd, patrones van de plaats. Pater Augustijn geeft luide zijne verontwaardiging te kennen omtrent de biecht: «De helsche Macchiavel Satan—zegt hij—heeft hen iets geleerd, dat even goed voor hun ligchaam als slecht voor hunne ziel is, namelijk om elkander wederkeerig hunne gebreken en misdrijven te bekennen en die, al zijn zij van nog zoo ernstigen aard, voor den geestelijken vader, voor den Spaanschen alcalde te verbergen, niettegenstaande hunne persoonlijke twisten en, zooals zij ze noemen, doodvijandschap; zoo dat zij geene grootere beleediging kennen dan den pater of den alcalde te verhalen wat in de plaats gebeurt; dit, zeggen zij, ismabibig, de afschuwelijkste zonde, inderdaad het eenige, dat zij als zoodanig beschouwen.»De monniken spreken over het algemeen gunstiger van de vrouwen, dan van de mannen. Zij zijn vromer, onderdaniger, welwillender om naar hare geestelijke vaders te luisteren. Een hunner zegt: «Wanneer het geheele menschdom van eene enkele paauwenveêr zou afhangen, die een Indiaan voor zijn’ hoed noodig had, dan zou hij al de menschen opofferen. Zij vreezen niet voor den dood, maar dat is eene groote weldaad van het Goddelijke Wezen, dat weet hoe zwak zij zijn; zij spreken van den dood, zelfs bij een’ stervende, alsof het niets ware. Wanneer zij tot schavotstraf veroordeeld zijn, betoonen zij dezelfde onverschilligheid en rooken hunne cigaar met de gewone bedaardheid. Hun antwoord aan den hen bedienenden priester is in den regel: «Ik weet dat ik ga sterven. Ik kan het niet helpen. Ik ben slecht geweest, het was de wil van God, die mij dit lot heeftbeschoren.» Maar met den dood voor oogen slapen en eten zij even gerust. «De boom moet zijn vrucht dragen,» vervolgt onze geestelijke, «God heeft in zijne wijsheid vele menschenstammen geschapen, even als Hij verscheidene soorten van bloemen doet ontspruiten, en eindelijk getroostte ik mij met de onverschilligheid der Indianen omtrent al hetgeen wij zouden doen; met het oog daarop kon ik ze als was naar mijn goedvinden rigten.»Over het algemeen heb ik onder deze Indiaansche stammen niet een gevonden, die zich door intellectuele begaafdheden onderscheidde. Eenige weinigen wisten iets van werktuigkunde; een paar waren vrij goede beeldhouwers; ik ontwaarde overigens eene algemeene liefde voor de muziek en zelfs eenige waardering van de verdiensten van Europesche componisten, maar men moet er bijvoegen dat er ook niets of weinig gedaan wordt voor de ontwikkeling van de begaafdheden, die de Indiaan bezit; het veld van openbaar onderwijs is even beperkt door godsdienstigen als officielen invloed, en de zamenleving onder de meer vermogende klassen, waarnaar de Indiaan alleen kan opzien, staat verre beneden die van het Spaansche schiereiland. De letterkunde wordt weinig beoefend; de nieuwsbladen zijn meer met levensgeschiedenissen van heiligen en verhalen of berigten van godsdienstige feesten opgevuld, dan met de grootste gebeurtenissen in de politieke wereld. De Spanjaarden zijn nooit beroemd geweest om hunne groote onderzoekingen of activiteit, maar het is te hopen dat demanana, waarnaar alles wordt verwezen, eindelijk eenhoy diazal worden.Men zegt van den Indiaan dat hij meer vier- dan tweevoetig is. Zijne handen zijn groot en de toonen aan zijne voeten gebogen, daar hij geoefend is in het klimmen op boomen en andere dergelijke bezigheden. Hij is als een amphibie en brengt den meesten tijd in het water door. Hij is ongevoelig zoo wel voor de brandende zon als voor den verkwikkenden regen. De indrukken, die hij ontvangt, zijn slechts een overgang en hij herinnert zich flaauw voorbijgaande of plaats gehad hebbende gebeurtenissen. Vraagt men hem naar zijnen ouderdom, dan kan hij niet antwoorden. Wie waren zijne voorouders? Hij weet het niet en bekommerter zich niet over. Hij ontvangt geene gunsten en kan dus niet ondankbaar zijn; hij bezit weinig ambitie en kan dus niet ongerust wezen; hij heeft weinig behoeften en is dan ook nooit jaloersch of afgunstig; hij bemoeit zich niet met de zaken van zijn buurman en let ook dikwijls op de zijne niet, zijne hoofdondeugd is luiheid; dat iszijngeluk. Het werk dat hij moet verrigten, doet hij metweêrzin. Hij is over het algemeen gezond, en is hij eens ongesteld, dan geneest hij zich met kruiden, waarvan hij de stoppende of laxerende eigenschappen ondervonden heeft. Hij gebruikt geen zeep om zich te wasschen, noch mes om zich te scheren; de rivier is zijn bad, en zijne haren kamt hij uit met eene schelp; hij behoeft geen klok om den tijd te weten; tafel, stoelen, borden, messen ontbeert hij bij zijn’ maaltijd; eenhachaof groot mes en een zak hangen gewoonlijk om zijn lijf; hij kent geene andere muziek dan het kraaijen van zijn’ haan en acht een schoen even overtollig als een handschoen of een das.Ik heb onder de Indianen niet dien voortdurenden afkeer van vreemdelingen ondervonden, waarvan Mallat gewaagt, en die vooral tegen Engelschen zou gerigt zijn. Integendeel zag ik dat vele Engelschen, die op de Philippijnen gevestigd waren, veel vertrouwen en genegenheid ondervonden en ik heb mestizen en Indianen hooren zeggen dat zij veel meer vertrouwen in de handelseerlijkheid van Engelschen stellen, dan in die van eenige andere natie. Ik ben getuige geweest van de vriendschappelijkheid, waarmede het oude Spaansche spreekwoord «Paz con Ynglaterra y con todo el mundo guerra» in groote vergaderingen van de Filipinos is aangehaald. Er is dan ook geene natie, die meer dan Engeland tot de welvaart van den Spaanschen Archipel heeft bijgedragen. In den loop van dit ons verhaal zal men blijken genoeg zien van de goedheid, die men aan Engelschen betoont.De Spanjaarden—het is meermalen gezegd—hebben zeer bescheiden en met goed geluk van het «divide et impera» onder de Indiaansche stammen gebruik gemaakt als een middel om hun eigen gezag te bewaren. Het is dan ook eene waarheid dat onder de meer verwijderde stammen weinig sympathie bestaat; maar dat hunne scheiding en verwijdering door de Spaansche staatkundeis bewerkt, wordt tegengesproken door het feit dat in Binondo bijna ⅓ van de inwoners Indianen van verreprovinciënzijn.Het aantal Spanjaarden is klein, dat van de gewapende inlanders groot, wanneer er een opstand tegen het bestuur mogt ontstaan, maar ik geloof dat daartoe geene de minste neiging bestaat. Laatstelijk werden de Tagalesche soldaten naar een vreemd land (Cochin-China) in werkelijke dienst opgeroepen en in een’ strijd gewikkeld, waarin het Spaansche belang niet zeer te onderscheiden is. Geene klagten werden omtrent hun gedrag gehoord, ofschoon zij aan vele ontberingen blootgesteld waren.Er bestaat eene aardige gewoonte onder de landlieden in het binnenland. Kleine houten bakjes ziet men daar buiten staan of uit de vensters van dechozahangen, waarin men onder plantaan-bladeren, spijzen of vruchten vindt uit den tuin achter het huis. Iedere reiziger, die voorbijgaat, voorziet zich daaruit van het noodige, wanneer hij arm is, betaalt hij daarvoor niets; anders geeft hij zulk eene vergoeding als hij noodig oordeelt. Geen zweem van verwijt treft den persoon, die, zonder dat hij kan betalen, van de goedheid gebruik maakt. Deze gastvrije ontvangst is het meest algemeen in de minst bevolkte plaatsen en herinnerde mij aan het water en de lamp, die ik in de graven van de heilige Muselmannen vond, welke op die wijze zich van de menschlievende pligt kweten of hunne volgelingen deden kwijten, om in de dorre woestijnen die aangename en treffende welkomstgroeten te geven aan den dorstigen en vermoeiden reiziger.De tact of kunst van navolging is sterk onder de Indianen en vergemakkelijkte de pogingen der monniken, maar men vindt zeer verschillende en uiteenloopende berigten omtrent hunne bekwaamheden. Die van Pampanga, Cagajan, Pangasinan, Ilocos en Zebu moeten dapper, edelmoedig, werkzaam zijn en somtijds veel kunstsmaak ten toon spreiden. De liefde en uitoefening der muziek is algemeen en ik zag eenige merkwaardige staaltjes van beeldhouwkunst, maar op de schilderkunst werd mijne aandacht niet gevestigd, en de voorbeelden van volhardende studie tot eenig vak waren zeer weinige. Als bedienden, staan de Tagalezen in alle opzigten beneden de Chinezen; als soldaten worden over het algemeengunstige berigten omtrent hen gegeven. De Indianen, te Manilla gevestigd, moeten de ergsten van hunne stammen zijn. Het lijdt geen twijfel dat in de groote steden het meeste graauw verblijf houdt, maar tegelijkertijd huisvesten daarin dan ook de grootste verdiensten. De hoffelijkheden, die ons als hunne gasten werden betoond, waren eindeloos; er was geene moeite te groot om ons genoegen te doen. Veel kon wel is waar niet anders dan aan de leiding van de priesters en de tegenwoordigheid der autoriteiten worden toegeschreven, maar wij ontvingen toch duizende blijken van ongedwongene goedheid, die door geen’ invloed van buiten konden zijn bewerkt.1De Chinezen schijnen overal dezelfde eigenaardigheden te behouden.De Britsche Consul-Generaal van Borneo schrijft mij: “Chinesche kolonisten kunnen onder Maleische wetten geen voorspoed genieten. Wij hebben eenige weinige honderden, doch het land zou honderd duizenden kunnen verzwelgen. In het binnenland vond ik onder de inboorlingen eene levendige herinnering aan de vroegere Chinesche peperplanters; zij zijn allen uitgeroeid of verdreven ten gevolge van burgerlijke twisten. Eenige weinige hunner afstammelingen zijn nog overgebleven, die de taal hunner vaders spreken, doch niet van de inlanders te onderscheiden zijn. Een Chinesche koopman sprak op een verachtenden toon van een der hoofden, die rondreisde, en sprak hem, tot niet geringe verbazing van den Chinees, in tamelijk goed Fokien aan. De geringe nog overige peperbouw wordt deels door de gemengde rassen aangekweekt. De opbrengst neemt langzaam toe; eenige weinige Chinezen met hunne inlandsche vrouwen hebben op nieuw beproefd zich er mede bezig te houden.”↑2Gaelensapahazijn termen, waarschijnlijk door handelaars met China ingevoerd.Taïlensapequezijn de namen die de Europeanen aan denliangentsinvan de Chinezen, het zilveren ons en het duizendste gedeelte daarvan, hebben gegeven.↑
HOOFDSTUK VI.BEVOLKING.
Onder de jongste geslachten vond eene wonderbare gewaarwording plaats door de verkondiging van de groote Malthusiaansche ontdekking—de ontegenzeggelijke, onbetwistbaar, onverbiddelijke waarheid—dat de productive krachten van den grond steeds minder en minder beantwoorden aan de consumptive eischen van het menschelijk geslacht; dat terwijl de bevolking vermeerderde met den spoed van eene snelle meetkundige reeks, de middelen tot het verkrijgen van voeding met de zwakheid van eene langzame rekenkundige reeks ten achterbleven; dat de zetels aan de tafel der natuur—hoe rijk en overvloedig die ook was—allen vervuld waren en er geen plaats voor overtollige en ongenoodigde gasten overbleef,—in één woord en om de gewone formule te gebruiken, dat de bevolking meer en meer op middelen van bestaan aandrong en dat de gevolgen moeten zijn vermeerderde behoeften, toenemende armoede en eene reeks van rampen, eindeloos als de catalogus van de verschillende vormen der menschelijke ellende.Hoe dikwijls kwam mij, toen ik zoo de duizende eilanden van den Philippijnschen Archipel doortrok, de schim van Malthus en de hersenschimmen van zijne philosophie voor den geest. Hoe velen zijn er onder deze tallooze, door de zee omgeven streken, waarop nooit een Europeaan den voet gezet heeft; hoe weinigen, die geheel geëxploiteerd zijn en hoeveel minder nog die dooreenigen beschaafden of vreemden stam bewoond werden! En toch zijn zij met zulk eenen schoonen en natuurlijken wasdom boven bedekt en tellen zij tallooze schatten aan mineralen rijkdom beneden; hunne productive krachten zijn grenzeloos; men vindt er de verscheidenheid van klimaat, die bergen, dalen en vlakten aanbieden: regens om te bevochtigen, de zon om te rijpen, rivieren om te vervoeren, havens voor de scheepvaart. Zij hebben alles aantrekkelijks om te wagen en zij kunnen de industrie beloonen; een bevolking van slechts 5 of 6 millioen zielen, terwijl tienmaal zooveel tot verzadigens toe konden gevoed worden en zij in de behoeften van millioenen en millioenen meer konden voorzien door den overvloed hunner middelen.Tot welk een eng veld van beschouwing moet de geest zich hebben bepaald, die verontrust werd door eene ontdekking, die op zich zelve van zoo weinig belang is, wanneer me ze in de groote sfeer van ’s werelds aardrijkskunde brengt! Ofschoon het menschelijk geslacht op eene snelle, bijna onmetelijke wijze is toegenomen, zal men bevinden dat hongersnood, ziekten, oorlogen en dergelijke vreesselijke bezoekingen, die bestemd waren om de balans in evenwigt te houden, om de evenredigheid te herstellen tusschen de behoeften en de middelen der menschen, veel vernielender in oude dan in latere tijden waren, zoo men het kleine aantal toen bestaande wezens in aanmerking neemt.Het edeler en hooger axioma is dat «vooruitgang» de wet de Voorzienigheid is, die nooit dwaalt, terwijl het menschelijk geslacht steeds meer en meer toeneemt, ten einde ruime middelen te verschaffen voor aller onderhoud en geluk. Geen land, geen zee is uitgeput of op den weg van uitputting. Over hoevele duizenden akkers grond, in koude, gematigde of tropische luchtstreken, kan nog beschikt worden! Hoevele duizenden meer liggen daar nog ter bebouwing! En terwijl in de digter bevolkte gedeelten der wereld uitwegen noodig zijn voor hen, die ziek door rust zijn en voor niets anders dan voor den arbeid geboren zijn, hoevele versnelde middelen van vervoer bestaan er niet, waardoor de reiziger minder verlegen is om eene geschikte plaats voor zijne woning te vinden, dan wel om er een te kiezen onder de vele, die zich voor hem opdoen! Zoo de arme Ier al in zulkemassa’s naar Amerika of Australië vertrekt, gemakkelijker hebben het die massa’s werklieden in Europa die nog gedrongen worden door de concurrentie van naburen gelukkiger dan zij zelve.Het is te verwonderen dat de Spaanschekoloniëngeen grooter aantal Spanjaarden tot zich getrokken hebben, maar de nationale geest van het Iberische schiereiland is niet meer reizend of avontuurlijk. Spanje zelfs is niet digt bevolkt en biedt groote hulpbronnen aan zijne vergenoegde landlieden. «God—zeggen zij—heeft alles wat Hij had, aan Spanje gegeven. Ons land is een Eden, waarom zouden wij het dus verlaten?» En toch heeft Spanje, hoe langzaam, traag en zonder eenige energie, tegenover werkzamernatiën, zijn aandeel in de trotsche geschiedenis van menschelijkenvooruitgang. De meer ondernemende aanvallers van het bloed der Gothen of Anglo-Saxen hebben meermalen de inlandsche rassen uit de afgelegene landen verjaagd, waarin zij zich hadden gevestigd. De eene stroom van emigranten volgde de andere; handel en landbouw hebben de navraag van de indringende bezoekers uitgelokt en in hunne behoeften voorzien. Maar Spanje heeft nooit genoeg opgeleverd om de oorspronkelijke stammen te verjagen. De kolonisten uit dat land werden altijd vergezeld door een groot aantal geestelijken, die geneigd waren om «den heiden» in de Christelijke gemeente te brengen. Deze zendelingen hebben ongetwijfeld dikwijls tusschen de hebzucht van den overwinnaar en de zwakheid van den overwonnene gestaan. Zij hebben de Indische stammen behouden door deze te beschermen, en men mag betwijfelen of het algemeene belang niet gebaat werd door een invloed, wiens zegenrijke gevolgen kunnen blijven, als het meest in het oog springende kwaad, aan zulk een invloed gepaard, grootendeels verholpen of geheel uit den weg geruimd werd.Mijne opmerkingen en beschouwingen leiden dan tot deze conclusie: dat, welke exceptionele gevallen mogen bestaan, de springvloed van vooruitgang steeds sterker opzwelt; dat de loop van het Goddelijke bestuur daarin gelegen is, om van schijnbaar kwaad goeds en altijd meer goeds en goeds tot in het oneindige te stichten; dat het menschelijke geslacht, als ééngeheel, voortdurend in verbetering toeneemt; dat ieder geslacht beter en wijzer is dan het voorafgaande; dat de woeste en minder vooruitgaande stammen door diegenen, welke eene hoogere geestbeschaving bezitten, zullen worden vervangen; dat de half beschaafde slechts zal worden verduurzaamd door aanraking met eene grootere beschaving, die hem in de menschheid zal verheffen. Een middenras, zooals China in den vorm van millioenen emigranten oplevert, bevordert wonderbaarlijk de beschaving. De vordering is overal in de meer afgelegen Oostersche wereld zigtbaar. De mestizo-afstammelingen van Chinesche vaders en Indiaansche moeders vormen ontegenzeggelijk het meest belovende gedeelte van de Philippijnsche bevolking. In Siam, Burmah, Cochin-China worden voordeelige bezigheden verrigt door Chinesche kolonisten. In NederlandschIndiëgaan zij zonder uitzondering vooruit. Daarop en niet op de inlandsche volkeren moeten Sumatra, Borneo en de overige eilanden het oog vestigen om hunne hulpbronnen eenige belangrijke ontwikkeling te geven. In onzen straits-Archipel hebben zij de Klingalezen in alle zegenrijke werken van den landbouw vervangen, even als de laatste dit vroeger met de minder industriële Maleijers hebben gedaan. De vooruitgang van hoogere kennis en de onderdrukking van de mindere begaafdheden kan men ook vinden in de uitroeijing van zoo menige ruwe taal en de verspreiding van die, welke de beschaving in hare hoogere ontwikkeling vertegenwoordigen. Men kan, naar mijne meening, gerust voorspellen dat het niet zeer lang zal duren of het aantal talen dat op de aarde wordt gesproken, zal tot een zeer gering getal zijn verminderd. In den loop van eene eeuw gaat zoo menige plaatselijke tongval te niet en wordt voor goed vervangen door een’ van hoogeren rang en van meer nut. Wanneer men in aanmerking neemt dat de geschreven taal van China door een derde van het menschelijk geslacht wordt verstaan en dat waarschijnlijk meer dan 1/10 gedeelte van het menschelijk geslacht Engelsch kan spreken, en wanneer men er dan op let hoe de provinciale dialecten van Frankrijk, Duitschland,Spanje en Italie meer en meer in onbruik geraken, dan zal men goeden grond hebben te veronderstellen dat vele van de bestaande werktuigen voor het spraakvermogen langzamerhand zullen verdwijnen,dat het aantal doode talen vermeerderd en dat der levende naar evenredigheid verminderd zal worden.Ik weet niet uit welke bronnen Mallat in 1846 de bevolking der Philippijnen op 7 millioen zielen schatte; eene vermeerdering, zeide hij, van meer dan 50 pCt sedert 1816, in welken tijd hij beweert dat de bevolking4,600,000zielen bedroeg. Hij zegt dat zij van 1774 tot het laatste tijdvak viervoudig toegenomen is. Deze ontzettende vermeerdering in de latere tijden schrijft hij toe aan de invoering van de koepokinenting en de algemeene rust van het land; maar de juistheid der data mag wel betwijfeld worden.Pater Juan Fernandez schat de Christelijke bevolking van de Philippijnen, als volgt:puebloszielen.in het aartsbisdom Manilla185135,000in»het»bisdomNieuw-Segovië132745,000in»het»bisdom»Nieuw-Caceres104480,000in»het»bisdom»Zebu3061,200,000Totaal7272,560,000De bevolking van de Philippijnen wordt over het algemeen op ongeveer 4 millioen geschat, doch daar de Indianen, die in het binnenland van verscheidene eilanden,—vooral die welke in de onbebouwde woud- en bergstreken verblijf houden—in geene officiele telling kunnen worden begrepen, kan elke berekening slechts het juiste cijfer nabij komen. De opgaven, door het Gouvernement aan deGuia de Foresterosover het jaar 1858 gegeven, leveren de volgende resultaten op.Deze geheele bevolking van de veertigprovinciënbedroeg 4,290,371 zielen, waarvan 1,787,528 inlanders en 78,400 mestizen en Chinezen, die schatting betaalden. Er waren in dat jaar 184,074 geboorten, 102,466 sterfgevallen; 40,093 huwelijken waren er voltrokken.Verhouding van inlandsche tot gemengde rassen96pCt.Verhouding»van»de inlanders (die belasting betalen) tot de bevolking29pCt.»Verhouding»van»de gemengde rassen tot de bevolking1.75pCt.»Verhouding»van»geboorten tot de bevolking4.00pCt.»Verhouding»van»sterfgevallen tot de bevolking2.33pCt.»Verhouding»van»van de huwelijken tot de bevolking0.90pCt.»Verhouding»van»van de geboorten tot de sterfgevallen64 tot 36pCt.»Verhouding»van»geboorten tot de huwelijken2.70pCt.»Onvoldoende opgaven zijn gegeven van Corregidor en Pulo Caballo, die 370 inwoners in het geheel tellen; van Benguet dat 6,803 zielen telt, waarvan 4,639 heidenen en 15 Christelijke schatpligtigen zijn; eindelijk van Cajan, waarvan de bevolking 17,035 zielen bedraagt en 10,861 schatpligtigen zijn.Het aantal Europesche Spanjaarden, die op de Philippijnen gevestigd zijn, bedraagt eene veel kleinere hoeveelheid dan dat van de gemengde stammen. Er zijn 670 van het mannelijke en 119 van het vrouwelijke geslacht in de hoofdstad (Manilla en Binondo). Onder deze bevinden zich 114 monniken, die allen in Manilla wonen, 8 geestelijken, 46 kooplieden, 14 geneeskundigen, terwijl de overigen meerendeels militaire of civiele beambten zijn. Maar op geen der eilanden bedraagt de hoeveelheid Spanjaarden zooveel als in de hoofdstad. Waarschijnlijk bedraagt het geheele aantal Europesche Spanjaarden op de eilanden niet meer dan 2,000.Op Binondo wonen 96 vreemdelingen, waarvan 85 mannen en 11 vrouwen (geene op het eigenlijke Manilla). Daarvan zijn 50 kooplieden of hunne bedienden. Men vindt 22 Britsche onderdanen, 15 Franschen, 15 Zuid-Amerikanen, 11 burgers uit de Vereenigde Staten, 9 Duitschers en even zooveel Zwitsers.Afgezonderd van Europesche Spanjaarden, zijn er velefamiliën, die zichhyos del pays(kinderen van het land) noemen; dit zijn afstammelingen van Spaansche kolonisten, die de vermenging met inlandsch Indiaansch bloed vermijden. Zij zijn er voor bekend, dat zij nog gevoeliger dan zelfs de oude Castilianen zijnin zaken van etiquette en men vindt onder hen velen, die eene Europesche opvoeding hebben genoten. Zij solliciteren gewoonlijk naar openbare ambten, maar moeten minder standvastig zijn en meer naar spel en genoegens haken, dan hunne voorouders. Zij zijn echter gastvrij bij uitnemendheid. In het openbaar kleeden zij zich op Europesche wijze, doch te huis dragen zoowel mannen en vrouwen de meer losse en gemakkelijker Indische kleeding. Van hunne zijde klagen zij, dat er scheidpalen tusschen hen en hunne landslieden van het schiereiland zijngeplaatst; in één woord, de castegeest oefent zijnen afscheidenden en vervreemdenden invloed op de Philippijnen, even als overal elders uit.De Mestizos, of gemengde rassen, vormen een groot en invloedrijk gedeelte der Filipinos; slechts een klein aantal Europesche vrouwen wonen op de eilanden en over het algemeen zijn zij de vrouwen van de hooge Spaansche beambten of van hoofd-officieren bij de land- en zeemagt, wier diensttijd veelal beperkt is. Ofschoon de dochters vanfamiliënvan echt Spaansch bloed meestal in de kolonie huwen en zich uitsluiten en afzonderen, is het toch zeldzaam dat men onder de hoogste klassen niet een groot aantal mestizo-vrouwen vindt, kinderen van Spaansche vaders en inlandsche moeders. De meerderheid der kooplieden en grondeigenaars behoort tot deze klasse; zij bekleeden de meeste ondergeschikte staatsambten. Men vindt eene menigte afstammelingen van Chinezen uit inlandsche moeders, doch de vaderlijke type schijnt die van de moeder zóózeer te verdringen, dat de kinderen van verscheidene geslachten het sprekende kenmerk dragen dat de natuurlijke inboorling onderscheidt, zelfs bij eene opvolgende reeks van Indische moeders. Ik zal later gelegenheid hebben van een bezoek te spreken dat ik aan een district (Molo, nabij Iloilo) bragt, waar in vroegere tijden eene grooteChineschekolonie was gevestigd, en van waar het Chinesche ras sedert eeuwen was verdwenen, doch de Chinesche gelaatstrekken en het karakter van dat volk hadden onmiskenbare sporen onder de geheele bevolking achtergelaten. Ik vond nergens onder de inlanders een zoo nijverig, volhardend, spaarzaam en over het algemeen zoo welvarend volk. In elk huis bijna werd een handwerk uitgeoefend en de beste pina-goederen worden op deze plaats geweven. Wijwaren op een bal genoodigd, dat door de voornaamste inlandsche vrouwen werd bijgewoond en ik had de eer in eendiscursogewikkeld te worden dat de gastvrouw in uitmuntend Castiliaansch voerde. Men zeide mij dat de jonge vrouwen hier om hare kuischheid geroemd werden en dat eene gevallene vrouw op geene vergiffenis onder haar kon rekenen. Hare ouders hebben bezwaar haar Spaansch te laten leeren, omdat zij meenen haar daardoor aan verleiding bloot te stellen. De Mas zegt het volgende van de mestizos van Chinesche en Mongoolsche afkomst:«Zij wordenSangleygenoemd, hetgeen Chinesche koopman of reiziger beteekent. Zij bezitten dezelfde industriele en speculatiegeest als hunne voorouders. De meesten onder hen hebben rijkdommen en landerijen verworven en het grootste gedeelte van den kleinhandel is in hunne handen. Zij maken de middenklassen der Filipinos uit. Hunne voorspoed en betere opvoeding zijn de natuurlijke gevolgen daarvan, en hun zedelijk en intellectueel karakter staan ver boven dat der Indianen. Zij hebben eenige weelde in hunne kleeding, welke fraaijer en netter dan die der Indianen is; sommige hunner vrouwen kan men teregt schoon noemen. Intusschen hebben zij vele gewoonten van de Indianen, die zij in godsdienstige gevoelens overtreffen, omdat zij meer beschaafd zijn. Deze stam neemt in aantal en invloed toe en vermeerdert zich, ten gevolge van de groote toevloeijing van Chinezen, op hunne vestigingsplaatsen in grootere mate dan de Indische bevolking.»1Er valt niet aan te twijfelen, dat de grootere invloed van den aard des vaders dan die van de moeder, het algemeene karakter der gemengde Chinezen door vele geslachten heen heeft verbeterd. Zij zijn werkzamer en ondernemender, voorzigtiger en volhardender, meer tot den handel geneigd, dan de Indianen. Zij behouden allen het zwarte haar, hetgeen den Chinees karakteriseert; het volk van het «middenrijk» geeft zich toch zelf het liefst de benaming van «zwart-harig.» Zij onderscheiden zich door den ovalen vorm der oogen, die een hoek boven den neus vormen, de baardelooze kin, de lange en teedere vingers (volgens het Chinesche gebruik laten zij den midden-nagel van de linkerhand lang groeijen), hunne zucht tot kleederen en opschik. Zij oefenen grooten invloed op de Indianen uit, die meenen dat zij de kunst bezitten om geld te winnen. De kinderen van een Spaanschen mestizo bij eene Chinesche mestizo wordenTorna atras«teruggangers» genoemd; die van een Chineschen mestizo en eene Indische vrouw worden als Chinezen beschouwd en niet als van de Indische half-caste. De vermenging van Chineesch bloed is bij alle bevolkingen van steden merkbaar. Het aantal mestizen van Europesche afkomst is niet noemenswaard in vergelijking met die van Chineschen oorsprong. Hunne huizen zijn allen beter gemeubileerd dan die der inlanders. Velen hunner nemen de Europesche kleederdragt aan, doch zelfs de inlandsche kleeding is bij hen, die ze behouden van fijner kwaliteit, levendiger kleuren en rijker versierd. Even als de inlanders dragen de vrouwen hare hemden over de broeken; doch het hemd is van pina of sinamay en met knoopen van kostbare steenen vastgemaakt, terwijl zelden een gouden ketting gemist wordt, die om den hals hangt. De mannen dragen gewoonlijk Europesche hoeden, schoenen en laarzen, en beide spreiden niet weinig losheid en coquetterie ten toon.De groote massa der inlandsche bevolking op de Philippijnscheeilanden kan men in twee hoofdstammen verdeelen: de Tagalezen, die het noordelijke en de Bisajers, die het zuidelijke gedeelte bewonen. Van deze belijden allen, die in de steden en dorpen wonen, de Christelijke godsdienst; en zij staan onder den invloed van de geestelijkheid, die de godsdienstige aangelegenheden in de verschillendeprovinciënbeheert, welke voor het grootste gedeelte tot de jurisdictie behooren van verschillende geestelijke orden en broederschappen. Er zijn onder de Indianen eenige weinige personen, die met de regten van priesterschap bekleed zijn, doch zij klimmen over het algemeen tot geen hoogeren post op dan tot adsistenten der monniken. Bij de groote plegtigheid, die ik ter gelegenheid van dePurisima concepcionte Manilla bijwoonde, werd een Indiaan gekozen tot het houden der predikatie; deze was, als naar gewoonte, vol van lofzangen op de Heilige Maagd en bijna gelijk met den gewonen stijl van de Spaanschepredikatiën. Maar buiten de steden worden de kerkelijke aangelegenheden verwaarloosd en in het binnenland en bergstreken der eilanden belijdt de bevolking de Christelijke godsdienst niet meer; de monniken betreuren den onwetenden en verlaten toestand, waarin de lieden verkeeren, trachten hunne toenadering te verkrijgen en de betaling te erlangen van de belasting waarvan zij, even als het Gouvernement, hunne inkomsten trekken. Wanneer deze wordt betaald, wanneer de dienst der kerk getrouw wordt opgevolgd, de biecht plaats heeft en men medewerkt tot de godsdienstigeprocessiënen feesten (die de inlandsche feestdagen uitmaken), dan gaan de zaken wel tusschen de geestelijkheid en het volk. Ik zag vele monniken die geliefd en geëerd werden en die dit verdienden als bewaarders en herstellers van den huisselijken vrede, die de kinderen in hunne studie aanmoedigden en allerwege hunne pogingen aanwendden tot welzijn der gemeente. Maar daar de geestelijken dikwijls uitgesloten zijn van het toezigt der publieke opinie, hebben er dikwijls ergerlijke tooneelen plaats en niet zonder reden.Pater Zuniga beweert dat de Philippijnen oorspronkelijk door de bewoners van Amerika werden gecoloniseerd, maar hij dwaalt geheel en al in de bewijzen, die hij daarvoor in de analogie der talen zoekt. Het aantal Maleische woorden in het Tageleesch en Bisaaisch is grooter, dan die welke een Amerikaansch dialect hebben enhier meen ik ter loops te kunnen aanmerken dat er geen onderwerp bestaat waarover men zooveel ongerijmdheid heeft gedrukt, als over de afleiding en verwantschap van talen, een onderwerp waarin een Spaansche autoriteit zelden van veel invloed is. El Senor Erro bijv. geeft in zijn werk over de ouderwetschheid van het Bascuensch, eene beschrijving en teekening van eene groote waterkruik, die men in eene bron te Guipuscoa had gevonden, waarop de woorden: «Gott erbarme dein armes Würmchen» stonden. Dit zegt hij dat eene Biscaaische inscriptie is ter eere van de priesteressen der zon gemaakt vóór de invoering van het Christendom, en hij twijfelt niet of de vaas (een stuk ruw nieuwerwetsch Duitsch vaatwerk) werd bij de heilige tempeldienst gebruikt.De Mas onderstelt, dat de Indianen alphabetisch schrift gebruikten vóór de komst der Spanjaarden; hij geeft vijf alphabetten die in de verschillendeprovinciënwerden gebruikt, doch veel op elkander gelijken. Ik zelf kon geene oude schrifturen, geschreven overleveringen ofinscriptiënvan vroegere tijden ontdekken, die met de Indische geschiedenis in verband stonden. Er bestaat waarschijnlijkheid, dat er eenig gezag bestond; dat er vrijen en slaven waren; dat het land deels bebouwd en de zee bevaren werd door landbouwers en visschers, hetgeen de erkenning van eenig regt van eigendom ten gevolge had; dat er oorlogen gevoerd werden tusschen vijandelijke stammen, die hunne leiders en wetten hadden. Uit de oude opgaven van de zendelingen leert men de namen van sommige hoofden en den aard van het gezag kennen, dat door het kleine aantal beheerschers over de onderworpen menigte werd uitgeoefend. Zij zeggen dat men voor goud de emancipatie van een’ slaaf en zijne opname onder de Mahaldicas of gepriviligeerde klasse kon verkrijgen. Krijgsgevangenen, schuldenaars en misdadigers werden in boeijen gehouden. De dochter van een’ Mahaldica kon, wanneer de bruidegom niet in staat was de noodige geldsom te betalen, ten huwelijk verkregen worden door dienstbaarheid aan haren vader gedurende een zeker aantal jaren. Als de man van den eenen stam de vrouw van een andere huwde, werden de kinderen gelijkelijk of zooveel mogelijk onder de beide stammen verdeeld, waartoe de ouders behoorden. De nalatenschapwerd bij den dood van den vader onder de zonen verdeeld, waarvan de oudste geene meerdere regten dan zijne jongere broeders had.Plaatselijk bijgeloof heerschte omtrent rotsen, boomen en rivieren. Zij baden aan de zon en de maan; een’ blaauwen vogel dien zijtigmamanoquin, een hert dat zijmeylupa, «heer van den grond» noemden en den krokodil, dien zij den titel vannonoof «grootvader» gaven. Men geloofde aan een’ demon, Osuang genaamd, die de kinderen kwellen, smart in den barensnood veroorzaken, van menschelijk vleesch leven en zijne tegenwoordigheid aankondigen zou door dentictic, een’ vogel, die kwade voorspellingen deed. Naakte mannen zwaaiden met zwaarden van het dak en andere gedeelten van dechozaom den vijand af te schrikken, of de zwangere vrouw werd uit de nabijheid van denticticverwijderd. DeManacolamwas een monster in vlammen gehuld, die alleen door het vuil van een’ mensch konden worden gebluscht; het dier zou daarop onmiddellijk sterven. DeSilaganrukte den lever uit en verscheurde dien, van in ’t wit gekleede personen. DeMagtatangallegde zijn hoofd en ingewanden ’s avonds op zekere geheime plaats, waar zij ’s nachts het doen van kwaad beletteden; bij het aanbreken van den dag werden zij weder weggenomen. Zoo vreemdsoortig en belagchelijk waren de gevolgen van het bijgeloof. Er werden offers gebragt tot afbidding van het bedreigde kwaad of ter eere van de bezoekers; die offers noemden de priesteressenCatalonaen deelden stukken van het geofferde dier rond. Men had verscheidene waarzeggers en geestenbezweerders, die verschillendefunctiënuitoefenden en waarvan een, deManyisalat, de liefde verwekte en de vertrouweling van jonge mannen en meisjes was.Wanneer de Indiaan in een bosch kwam, bad hij de demons hem niet te schaden. Het kraken van het hout, het gezigt van een’ slang in eene nieuw gebouwde hut werden als kwade voorteekenen beschouwd. In de woning van een’ visscher mogt men van geen bosch, in die van een jager niet van de zee spreken. Eene zwangere vrouw mogt hare haren niet snijden, opdat het kind niet met een kaalhoofd zou ter wereld komen.De huwelijksgift voor de vrouw werd naar de omstandigheden der partijen geregeld. De moeder had iets te vorderen, eveneens als demin van de bruid. Alle kosten, die de vader voor zijne dochter had gehad, kon hij van den bruidegom terugvorderen. Onder vermogendefamiliënbestond een bepaalde prijs, volgens dien, welken de vader of grootvader voor hun vrouwen hadden betaald. Als de ouders van de bruid niet meer leefden, ontving zij zelve de bruidschat. Drie dagen vóór het huwelijk werd het dak van de ouderlijke woning uitgebreid en een vertrek,palapalagenaamd, bijgevoegd voor de huwelijksplegtigheden; de gasten bragten hunne geschenken aan de bruid, en welke waarde deze ook hadden, men kon verwachten dat wanneer in de toekomst de betrekking tusschen gastheer en gast gedeerd werd, een geschenk van niet minder waarde zou worden gegeven. Tot deceremoniënbehoorde dat de jonggehuwden van hetzelfde bord eten en uit denzelfden kop drinken zouden. Men stelde wederkeerige «toasten» in en deed beloften van wederzijdsche liefde, terwijl de catalona een zegenwensch uitsprak. Verschrikkelijke tooneelen van dronkenschap en ongeregeldheden moeten de plegtigheden op de volgende feesten gekenmerkt hebben, die drie dagen duurden. In de noordelijke eilanden mogt men slechts ééne vrouw huwen, doch bijzitten en slaven hebben; in het zuiden, waar ongetwijfeld het Islamismus zijnen invloed deed gelden, mogt men verscheidene wettige vrouwen bezitten; ook de besnijdenis had daar plaats.Gehuurde treurenden en de leden van de familie verzamelden zich om een lijk en zongen lofliederen tot verkondiging van de deugden des overledenen. Het lijk werd gewasschen, geparfumeerd, gekleed en soms gebalsemd. Arme lieden werden spoedig in densilongbegraven, waarover hunne hutten waren gebouwd. De lijken van vermogende lieden werden gedurende eenige dagen boven aarde gehouden en in eene sterke kist gelegd. Hunnen mond bedekte men met goudblad, terwijl zij op eene plaats ter aarde besteld werden, die de overledene zelf had gekozen. Zoo dit aan den oever van eene rivier was, dan werd de scheepvaart daar langs gedurende eenigen tijd verboden, opdat de overledene niet met de levenden in aanraking zou komen, terwijl een wachter bij het graf stond, in de nabijheid waarvan de kleederen, het gewone voedsel en de wapenen van den afgestorvene in eene afzonderlijke doos waren gelegd, en als het eene vrouw was, haarhandwerk en werktuigen daarvoor. Waar een voornaam hoofd was begraven, rigtte men een gebouw op, waarin twee geiten, twee dassen, twee varkens en een geboeide slaaf van den overledene werden gevangen gehouden, welke laatste zijn meester naar de andere wereld moest vergezellen en een ellendigen hongerdood stierf. Men onderstelde dat de doode drie dagen na de begrafenis zijne familie bezocht: men plaatste dan eene pot met water aan de deur, opdat hij zich kon wasschen en zuiveren van het vuil uit het graf; men liet den geheelen dag eene waskaars branden; spreidde matten uit en bestrooide die met asch, opdat de doode geene voetstappen zou achterlaten; op het gewone uur van den maaltijd opende men eindelijk de deur en zette een heerlijk maal voor den verwachten bezoeker gereed. Ongetwijfeld werd door de wachtenden daarvan even als van andere kostbare offers ruim gebruik gemaakt. De Indianen uit het Noorden dragen zwarte, die uit het Zuiden witte rouwkleederen.In regtszaken werden de oudsten geraadpleegd, doch er bestond geen wetboek, en de zendelingen beweren dat de scheidsregters in twisten over het algemeen vrij goed voor hunne bemoeijingen betaald werden. Eene moord, door een slaaf begaan, werd met den dood gestraft; had een persoon van hoogen rang zulk een misdaad gepleegd, dan kwam hij er met eene geldboete aan de beleedigde familie af. Had er een roof plaats, dan moesten alle verdachte personen eenig gras nederleggen; dit werd op een hoop gelegd, en zoo het gestolen voorwerp daaronder werd gevonden, gaf men het aan den eigenaar terug, zonder dat men verder onderzoek instelde naar den persoon, die den bundel had nedergelegd, waarin het was verborgen. Gelukte deze proef niet, dan moesten al de verdachten zich te water begeven, en in dat geval werd voor den schuldige diegene gehouden, welke het eerst weder boven dreef, want dan zeide men dat de last van zijne schuld hem niet langer den adem kon doen inhouden. Men zegt dat velen verdronken zijn ten einde de schande van het boven drijven te ontkomen. Somtijds liet men de beschuldigden kaarsen van gelijke grootte in de handen nemen en dan werd diegene voor den schuldige gehouden, wiens kaars het eerst was uitgegaan. Nog eene andere methode bestond daarin, om deverdachten rondom eene kaars te verzamelen; in dit geval leerde men den schuldige daaruit kennen dat de vlam zich naar hem wendde. De straf voor echtbreuk werd afgekocht door eene geldboete aan den beleedigden persoon.Het middel van geldwisseling bestond uit goud dat men woog, maar eene gestempelde munt bestond er niet. Het grootste gewigt werd eengaelgenoemd; dit vertegenwoordigde 1¼ dollar in zilver en kwam bijna met het Chinesche ons of taïl overeen; eengaelbestond uit tweetinga, eentingauit tweesapaha2; eensapahawas insangragaverdeeld; dit laatste, een zeer kleine boon, was het kleinste gewigt. Men rekende met steenhoopjes van verschillende grootte. De maten bestonden uit dendipa(6 voet), dendancal(palm), dentumuro(span), densangdamac(breedte van de hand), densangdati(breedte van den vinger). Op die wijze droeg, even als onder vele ruwenatiën, ieder zijn maat bij zich.De tijd werd naar de zon en de maan berekend, zoowel op de Philippijnen als in China. In het Chineesch beteekenen dezelfde woorden dag en zon, maan en maand, oogst een jaar. De morgen werd «haan-kraaijen», de avond «zonsondergang» genoemd.Geen Indiaan ging een anderen voorbij zonder te groeten en met de linkerknie te buigen. Wanneer iemand het huis van een hooger geplaatsten binnentrad, knielde hij tot dat men hem beval op te staan. Vrouwen droegen oorringen en soms ook mannen; de Hoofden hadden gekleurde tulbanden, die rood waren wanneer zij één vijand, gestreept als zij zeven of meer gedood hadden. Vrede werd gesloten door bloed met wijn te vermengen en ieder dronk het bloed van een ander. Dit was de plegtigste der eeden.Kuischheid schijnt onbekend geweest te zijn, ofschoon de vrouw hare gunsten niet verleende zonder betaling.Menig Mohammedaansch bijgeloof en gebruik was tot in het binnenland doorgedrongen en daaronder het gebruik van de besnijdenis.Al de Indianen hebben een ronden donkeren vlak op de ruggegraat; naarmate hun huid donkerder wordt, verdwijnt deze echter, zoodat hij in den ouderdom naauwelijks merkbaar is.Volgens eene overlevering straften de Indianen vroeger een onpopulair persoon met eene geldboete, die zijcobacolonoemden en iedereen oplegden, welke hun door valsche raadgevingen had misleid. De geheele bevolking verzamelde zich dan bij het huis van den beleediger, terwijl iedereen een knuppel droeg. Eenigen omringden het huis, ten einde het ontkomen te beletten; anderen traden de woning binnen, dreven het slagtoffer door slagen naar het balkon, waarvan hij werd genoodzaakt af te springen; hierop verjaagde men hem uit de streek en vernielde zijn huis met al wat het bevatte. De overlevering bestaat in vele volksspreekwoorden en gezegden, waarin decobacoloals eene bedreiging tegen boosdoeners wordt gebruikt.Onder de meest beroemde boeken op de Philippijnen behooren de «Cronicas Franciscanas» door Fr. Gaspar de St. Augustin, een Augustijner monnik van Madrid, die gedurende veertig jaren onder de Indianen woonde en van wiens beschrijvingen ik eenige heb overgenomen. Zij zijn echter veelal in strijd met de meening van verschillende schrijvers. Hun veld van beschouwing is geheel anders en het natuurlijke karakter staat in naauw verband met het gevelde oordeel. Dat van onzen monnik over de inlanders is niet zeer gunstig. Volgens hem zijn zij over het algemeen «onstandvastig, trouweloos, boosaardig, slaperig, lui, beschroomd en groote liefhebbers van reizen over rivieren, beeken enzeeën.»«Zij eten veel visch, die men in groote hoeveelheid vindt. Na regens zijn de velden, moerassen en vijvers daarmede gevuld. Men haalt dikwijls visschen ter lengte van 2 palm van uit padie-velden op. Als de wateren opdroogen, gaat de visch in den eenen of anderen modderpoel, waaruit de Indianen ze met de hand halen of een voor een dooden.» Ik heb vele Indianen in de paddievelden zien visschen en wat er van den visch wordt in tijden van droogte, wanneer er geene «modderpoelen» wordengevonden, is moeijelijk te zeggen, maar zooveel is zekerdatmen daar, waar water is, ook gemakkelijk visch kan verkrijgen.«Zij gebruiken drie maaltijden per dag, die hoofdzakelijk uit rijst, zoete aardappelen en eene kleine hoeveelheid visch of vleesch bestaan; de dagelijksche kosten van het geheel beloopen een reaal. Als werklieden verdienen zij eene halve reaal, behalve den kost. Zij leenen gaarne geld, dat zij nooit teruggeven en wanneer men geene ondankbaarheid wil ondervinden, moet men hun geene dienst doen; ook eene belofte houden zij nooit. Zij sluiten nooit de deur achter zich, leggen niets op zijne plaats, verrigten nooit het werk, waarvoor men hun vooruit heeft betaald en toch vragen zij altijd een voorschot; de timmerman moet geld hebben om hout, de wasscher om zeep te koopen, en zoo handelen zij zelfs met de geestelijken! Zij weten alles verkeerd te doen; versnijden alle kleederen, zetten het voorste achter en het achterste voor.» De pater is eenigzins streng; uit eigene ondervinding weet ik dat de Indianen ten minste even vele zaken goed als slecht verrigten. Alava zeide van de Indianen dat zij hunne hersenen in de handen hebben.Onze geestelijke vervolgt aldus:«Zij zijn afgunstig, onbeschaafd en brutaal. Zij vragen zelfs een geestelijke af, van waar hij komt en waarheen hij gaat. Leest men een brief, dan zien zij over de schouders, ofschoon zij zelve niet kunnen lezen, en wanneer een paar menschen heimelijk spreken, komen de Indianen van nabij, ofschoon zij geen woord verstaan. Zij gaan huizen en zelfs kloosters binnen zonder verlof en schijnen daar op eene wijze zich eigen te gedragen die de verwondering en schrik tevens opwekt; zelfs wanneer de geestelijke slaapt, maken zij een groot geraas door op den vloer te trappen, ofschoon zij te huis als op eijeren loopen. In hunne woning gebruiken zij geene stoelen, maar die in de kloosters breken zij door om er op te gaan zitten en te leunen, vooral op de balkons, wanneer daar gelegenheid is om eene schoone vrouw te zien.»Deze uittreksels zijn even karakteristiek van den monnik als van den Indiaan: «zij zorgen nooit voor honden, katten, paardenof koeijen, de vechthaan is voor hen alles; dezen bezoeken zij reeds bij het krieken van den dag, liefkozen hem voortdurend, beschouwen hem soms een half uur achtereenvolgens en deze hartstogt neemt nooit af; er zijn er die aan niets anders denken. Het Gouvernement beschermt de hanengevechten. In het vorige jaar bragten zij 40,000 dollars op (in 1859, 86,000 dollars). Welk eene treurige hulpbron voor zoo vele tranen, misdaden en straffen! Hoeveel twisten, hoevele regtsgedingen hebben daarvoor plaats! En zij brengen soms nachten met dit spel door. Het hoofd van de Barangay verliest de inkomsten der belastingen, die hij heeft geïnd; zijn lot wordt de gevangenis of hij moet naar de bergen vlugten. Zij willen in geene huizen of kloosters wonen, waar zij buiten bereik der vrouwen zijn. Zij zorgen voor hun eigen vaatwerk en stellen in hunne woningen ten toon hetgeen zij reeds vóór de komst der Spanjaarden bezaten; maar in kloosters en huizen breken zij genoeg om hunne meesters teruïneren. Dit is een gevolg van hunne domheid of komt daaruit voort dat zij aan hunne geliefden denken of dat iets anders hunne gedachten bezig houdt; en wanneer zij een geregt laten vallen, wordt daarover door de Spanjaarden niets gezegd of komen zij er met een paar scheldwoorden af. In hun eigen huis intusschen zouden zij om een stuk aardewerk, dat gebroken is, een ferm pak rottingslagen geven en dat doet meer af dan alle Philippica van Cicero (zoo staat in het oorspronkelijke). Men kan hun geen zwaard, spiegel, geweer, horologie of eenig teeder voorwerp toevertrouwen, daar zij het altijd breken. Alleen een bamboes, een stok, een stuk hout, een palmtak en sommigen eene ploegschaar, kan men hun in handen geven.«Zij zijn stoutmoedig en onbeschaamd in het doen van onredelijke aanvragen, zonder zich er om te bekommeren òf en wanneer hun verzoek kan worden ingewilligd. Zij herinnerden mij in hunne verzoekschriften aan hetgeen Sancho Panza op het eiland Barataria is gebeurd, toen dit door den onbeschaamden en indringenden lompert Michael Turra werd verontrust. Zij wenschen honderd dollars voor hun vier eijeren. Ik heb nooit eene gift van een Indiaan ontvangen—natuurlijk iets van onwaarde en voor hem van geen het minste nut—hetzij bloemen of vruchten of ikriep hem de woorden van Laocoön aan de Trojanen toe: «Timeo Danaos dona ferentes.» Debisschopvan Troje, Don Francisco Gines Barrientes, een zeer omzigtig prelaat, verhaalde mij dat een Indiaan hem een doek vol Guava-vruchten bragt en hem ter leen vijftig dollars vroeg. En toen de Markies de Villasierra, don Fernando de Valenzuela, in het kasteel van Cavite van een Indiaan een haan ontving, waarvoor de markies beval dat hem zesmaal de waarde zou worden betaald, zeide de Indiaan dat hij op 80 manden rijst gerekend had, en dit was nog wel in een tijd van schaarschheid, toen iedere mand 2 dollars gold. Het komt er echter weinig bij hen op aan of zij slagen dan wel of hun iets niet gelukt; zij zijn dan even tevreden, want zij hechten geenerlei waarde aan de gift van een Spanjaard, zelfs niet van een’ priester. Bij den verkoop vragen zij dertig en nemen zes aan; zij beproeven bedrog en daar zij bekend zijn met de groote goedheid (la suma bondad) van het Spaansche karakter, vreezen zij geene uitdrukking van toorn ten gevolge eener ongerijmde vordering.»De monnik beschrijft volgenderwijs eene onderhandeling tusschen een Indischen boer en een koopman: «De boer heeft twee of drie honderd pond indigo te koop; hij komt niet alleen, maar met zijne betrekkingen, vrienden en soms met de vrouwen, daar de indigo aan verschillende personen behoort, die het gevolg van den verkooper uitmaken. Ieder bod wordt aan de groep medegedeeld, die in een kring rondom den handelaar is verzameld; nadat daarover is beraadslaagd, bieden zij eene vermindering van een dollar in den prijs; de kooper verlangt drie. Nadat deze zaak is geregeld, begint eene andere discussie. Een gedeelte van de indigo is muf en vuil, zoodat eene schikking moet worden gemaakt. Zoo duurt de onderhandeling kibbelend voort en komt tot geen einde. Zeer weinige Spanjaarden verdragen die onbeschaamdheid en lastigheid, zoodat de conferentie eindigt met de eenvoudige vraag:«Wilt gij? ja, of neen?» zoo neen, dan verspreiden de Indianen zich toornig door de straten, maar de geduldiger mestizen en Chinezen noodigen hen bij zich, geven hun eten en huisvesting en trekken daarvan op hunne eigene wijze, in Chineschen stijl, gebruik, want de Indiaan is zeer dom inhandelszaken.» Hier voert de vader talrijke bewijzen van hunne eenvoudigheid aan. «Kortom—zegt hij—de Indiaan ontvangt liever een reaal van een Chinees, dan een dollar van een Spanjaard.» Wien kan dus de voorspoed van de Chinezen op de Philippijnen verwondering baren? «De Indianen betoonen groote onverschilligheid bij gevaar; zij gaan niet uit den weg voor een koppig paard, of in eene kleine boot gezeten, voor eene grootere. Wanneer zij in eene rivier krokodillen zien naderen, nemen zij daarvan geen notitie of stellen geen voorzorgmaatregelen in het werk. De Koran zegt dat ieders lot op zijn voorhoofd is geteekend; zoo denken de Indianen, niet omdat zij den Koran hebben gelezen, maar door hunne eigene dwaasheid, die hen dagelijks aan ongelukken blootstelt. Zij zijn zeer bijgeloovig onder hen zelven, doch gelooven omtrent de Spanjaarden niets dan wat nadeelig is. Blijkbaar is de werking van het geloof bovennatuurlijk, daar waar zij de goddelijke geheimen erkennen, die de Spanjaarden prediken. In andere opzigten gelooven zij niets van hetgeen in strijd is met hun belang. Zij zien er geen bezwaar in om Spanjaarden en zelfs om bedienaren der godsdienst te bestelen. Hiervan bestaan de duidelijkste bewijzen, zoodat aan geen twijfel te denken valt en men het alleen moet betreuren dat hiervoor geen hulpmiddel te vinden is.»De Augustijner provinciale monnik van Ilocos, zegt, waar hij van den opstand van 1807 in deze provincie spreekt: «Hier, even als overal, vindt men vele dieven en plunderaars; men brengt hen niet naar Manilla, maar zij moeten op de plaats zelve gestraft worden. Men kan hen echter evenmin uitroeijen als de ratten of muizen. Er bestaat dan ook een Indisch spreekwoord: dieven en ratten zullen te gelijk worden uitgeroeid.» Ik kan de algemeene veroordeeling van den geestelijke niet overnemen, daar mij feiten van buitengewone braafheid zijn ter oore gekomen. De Alcalde van Cagajan verhaalde mij o. a. dat, ofschoon hij dikwijls eene zekere som aan dollars aan de Indianen had toevertrouwd, hij nooit eenig bedrog had ontdekt.Men zou veronderstellen dat de rijke en magtige monniken zeer wel beschermd waren tegen de Indianen; maar een hunner (de abt Amodea) schrijft: «De Indianen bedienen zich niet vanlansen en pijlen tegen ons ministerie, maar van papier, pennen, van schotschriften en lasterlijke aantijgingen. Zij hebben zooveel politiek geleerd, dat thans op alle plaatsen onbeduidende schrijvers, regtsverdraaijers en twistzoekers zijn, die verstand genoeg bezitten om op gezegeld papier eene memorie te stellen, die aan het hoogste geregt kan worden in handen gegeven. Als de dorpspastoor hen om hunne slechte en schandelijke leefwijze berispt of bestraft, dan vereenigen zij zich, drinken wijn, vullen een vel folio met hunne kruisjes en ijlen naar Manilla, waar zij zich tot het geregt wenden, bij hetwelk zij meenen den grootsten invloed uit te oefenen en waardoor voor den armen geestelijke veel verdriet ontstaat. Er behoort veel moed toe, dit soort van martelaarschap te verdragen, dat op de Philippijnen iets zeer gewoons is.»Ik weet niet welke vervolgingen in den laatsten tijd zijn ingesteld tegen waarzegsters, maar ik vind het verhaal van eene fiksche vervolging en zware bestraffing, in het midden der vorige eeuw tegen de waarzegsters van Pampanga ingesteld. De processen werden gevoerd door een monnik Theodorus van de moeder Gods genaamd, die een speciaal verslag deed aan de Mexicaansche inquisitie. Hij zegt: «Er zijn waarzegsters in iedere plaats en in sommige maken zij zelfs het derde deel der bevolking uit. Deze slaven van den duivel zijn in verschillende klassen verdeeld;lamiasdie het bloed van jonge kinderen opzuigen;striges, die op de oppervlakte der aarde zwerven;sagas, die in woningen verkeeren en den duivel alle noodige inlichtingen verschaffen;larvas, die vleeschelijke lusten bot vieren;temures, die liefdesdranken gereed maken; doch allen zijn bestemd om het menschdom kwaad te berokkenen.»De ligtgeloovigheid der Indianen is voorbeeldeloos. In 1832, toen deSanta Anamet 250 soldaten aankwam, verspreidde een gerucht zich als loopend vuur dat de Koning van Spanje bevel had gegeven om al de kinderen van de Indianen te verzamelen ten einde hun bloed in de Spaansche mijnen te storten, waardoor deze productiver zouden worden. De vrouwen ijlden naar hare woningen, en zochten met hare kinderen eene schuilplaats in de huizen van de Spaansche vrouwen te Manilla. De mannen wapenden zich met speren en vloden in opgewondenheiddoor de straten. Niet zonder moeite werd de beweging gestuit. Hetgeen iemand, die als wijze bekend staat, onder de Indianen als waarheid verklaart, wordt onmiddellijk geloofd en kan door geen’ invloed van de priesters worden geloochend; de woorden «Vica ng maruning», d. i. «de wijze zegt het»is het antwoord aan allen, die het niet gelooven. «God behoede ons» zegt de monnik, «voor Indische wijzen! De Indianen toch zijn trotsch en willen geen priester, noch den monnik, noch den aalmoezenier gelooven, wanneer de vrees hen daartoe niet dwingt, en zij zijn niet altijd bevreesd, ofschoon zij overtuigd zijn van de overmagt der Spanjaarden en tegen hun zin door hen geregeerd worden. Zij volgen den Spanjaard na in al wat kwaad is,—in zijne gehechtheid aan het spel en in al de kwade praktijken van dezaramullos(saletjonkers of drukke menschen); maar Spaansche hoffelijkheid en welgemanierdheid en goede opvoeding bestuderen zij nooit of zien zij niet af, maar opschik en dronkenschap en losbandige huwelijks- en begrafenispartijen, even als geweldadigheden van allerlei aard, hebben zij van hunne voorouders geërfd en spreiden zij nog ten toon, zoodat zij hunne ondeugden ook nog bij die der Spanjaarden voegen.»Zij zijn onderdanig jegens iederen aristocraat onder hen. De rokkendragende principalia worden met veel onderscheiding behandeld en hunne rang zeer geëerbiedigd. Eerst heeft men den gobernadorcillo, daarop volgen de ex-gobernadorcillo’s, die naar ancienniteit als kapiteins worden benoemd; dan de in functie zijnde luitenant, die het hoofd van een barangay moet zijn; daarna de hoofden van barangay’s naar hunnen ouderdom, vervolgens de gewezen luitenants en zoo verder; hun rang wordt door de naburige gemeenten erkend.Baden is algemeen in gebruik; mannen en vrouwen doen dit op eene en dezelfde plaats. De mannen dragen pantalons, de vrouwen dekken zich met een kleed, dat zij afwerpen als zij in het water gaan. Er hebben geene ergerlijke tooneelen plaats door deze gewoonte, en herhaalde pogingen van de Spaansche autoriteiten om dit oude gebruik te veranderen, hebben niets gebaat.De Indianen omhelzen door de aanraking met den neus; meestal kussen zij echter dan ook de lippen. Als het neusgat is zamengetrokken(zooals bij het rieken) en de Indiaan ziet naar iemand op een afstand, dan leidt dit tot eene digter omhelzing. Vreemdsoortige verhalen doet men van het fijne reukorgaan der Indianen; men zegt dat zij daardoor de kleeding van hunne meesters en meesteressen kunnen onderscheiden en dat minnaars elkander’s wederzijdsche gevoelens ontdekken. Onderkleederen worden verwisseld, die ondersteld worden met de hartstogten der eigenaars doortrokken te zijn. In weêrwil van den monnik, besnijden de Indianen heimelijk hunne kinderen. De banaan-boom (Balete, Ficus Indica) wordt als heilig beschouwd. Zij branden er wierook onder, dat zij onder verschillende voorwendsels van de monniken verkrijgen. Hoe vreemd zijn de gebruiken der afgodendienst met Christelijke geboden vermengd! Dit is niet alleen het geval op de Philippijnen. Een van Dr. Gutzlaff’s erkende bekeerlingen te Hong-Kong was gewoon te zeggen, dat om den zendeling genoegen te doen hij een anderen God—der Christenen—bij dien gevoegd had, welken hij vroeger aanbad, en ik ben bekend met heimelijke bezoeken in heidensche tempels die Chinezen, welke Christenen waren, bragten wanneer zij op het punt stonden eene belangrijke zaak te ondernemen. «Men kan het vervloekte geloof niet van hen verwijderen—zegt de geestelijke—dat de geesten van hunne voorouders in de bosschen en onder de wortels van bamboes leven en dat deze goed of kwaad over hen kunnen verspreiden. Zij willen hun offers brengen; en al onze boeken enpredikatiënkunnen de indrukken niet wegnemen, die een oud man bij hen achterlaat, welken zij «een wijze» noemen.»«De geestelijken» zegt de Mas «gelooven dat dit bijgeloof vermindert; ongetwijfeld verbergt de Indiaan het zooveel mogelijk voor zijn’ biechtvader, maar ik zelf heb mij meermalen overtuigd dat het bestaat en dat het invloed uitoefent.» Wie, die eenigzins bekend is met de ligtgeloovigheid van deze minder beschaafde klassen, en niet deze alleen, maar ook onder ons zelven, kan zich dan ook verwonderen over den «godsdienstigen geest» van den Philippijnschen Indiaan? En zelfs de geestelijken zelve zijn met die zwakheid behebt, zoodat een Philippijnsche geestelijke Mallares, niet minder dan 57 moorden in de stad Magalan beging of veroorzaakte, in de overtuiging dat hij daardoor zijne moeder tegenbetoovering zou beschermen. Mallares werd in 1840 geëxecuteerd en in zijn rapport betuigt de fiscaal zijn afschuw van de «ongeloofelijke en barbaarsche bloedverkwisting van dit monster.»«De Indiaan kent geen middenweg» zegt onze geestelijke, «vraag naar laauw water, dan brengt hij het kokend; zegt gij dat het te heet is, dan krijgt gij het ijskoud. Hij leeft in een kring van uitersten. Hij heeft behagen in uw ongeduld en wanneer gij u over hem ergert, dan schatert hij uit dat hij zijn meester kwaad heeft gemaakt. Wanneer men den Indiaan wil vertoornen, moet men geene notitie van zijne streken nemen. De scherpzinnige man onder hen weet dat de Indiaan en de rotting (voor zijne bestraffing) steeds zamen opgroeijen. Zij hebben een ander spreekwoord: «De Spanjaard is een vuur en de Indiaan sneeuw; de sneeuw bluscht het vuur uit.» Een der geestelijken verhaalt dat zijn bediende tot hem zeide: «Gij zijt een nieuweling en duldt te veel, als ik kwaad doe, moet gij mij straffen. Kent gij het spreekwoord niet: «De Indiaan en de rotting groeijen zamen op?» Zij lasteren en miskennen God als hunne gebeden niet verhoord worden en voeren eene taal, die inderdaad afschuwelijk zou zijn, wanneer men niet weet hoe onverstandig zij zijn en hoe onmogelijk het hun is zich naar den Goddelijken wil te gedragen.»Er bestaan eene menigte godsdienstige treurspelen, bijzonder een in het Tagaleesch, dat het lijden en den dood van Christus voorstelt; maar deze godsdienstige voorstellingen en vergaderingen geven aanleiding tot ergerlijke tooneelen en misbruiken en doen menig onwettig kind het levenslicht aanschouwen. De priesters hebben meestal zulke voorstellingen in den nacht verboden en drijven soms zulke vergaderingen, met de zweep in de hand, uit elkander; op andere tijden worden de zangers betrapt en gestoord in hunne droevige klagten of ...... in hunne genoegens.Het is aardig de tegenstrijdige meeningen der monniken aangaande hunne kudden te lezen. De een zegt: «Hunne biecht is valsch; zij bekennen nooit iets anders dan drie zonden: 1o. dat zij niet getrouw zijn ter kerk gegaan; 2o. dat zij vleesch eten gedurende de vasten en 3o. dat zij een valschen eed hebben gedaan.»Een ander berigt: «Geen Spanjaard kan vromer en godsdienstiger zijn dan de Indianen van Manilla in hunne biecht. Zij gehoorzamen de onderrigtingen, die men hun geeft, en ik heb dezelfde goede berigten van verscheidene geestelijken onder vele Indianen in deprovinciën.» Ongetwijfeld zou de geestelijke statistiek curieus zijn, wanneer men die kon verkrijgen. Van Lilio berigt de geestelijke dat van de1,300personen, die belasting betalen, 600 in 1840 nooit gebiecht hebben en deze plaats is niet een van de onverschilligste. Te Vigan gingen van 30,000 inwoners, niet meer dan 500 à 800 ter kerk (volgens de Mas), behalve bij het jaarlijksche feest van de Maagd, patrones van de plaats. Pater Augustijn geeft luide zijne verontwaardiging te kennen omtrent de biecht: «De helsche Macchiavel Satan—zegt hij—heeft hen iets geleerd, dat even goed voor hun ligchaam als slecht voor hunne ziel is, namelijk om elkander wederkeerig hunne gebreken en misdrijven te bekennen en die, al zijn zij van nog zoo ernstigen aard, voor den geestelijken vader, voor den Spaanschen alcalde te verbergen, niettegenstaande hunne persoonlijke twisten en, zooals zij ze noemen, doodvijandschap; zoo dat zij geene grootere beleediging kennen dan den pater of den alcalde te verhalen wat in de plaats gebeurt; dit, zeggen zij, ismabibig, de afschuwelijkste zonde, inderdaad het eenige, dat zij als zoodanig beschouwen.»De monniken spreken over het algemeen gunstiger van de vrouwen, dan van de mannen. Zij zijn vromer, onderdaniger, welwillender om naar hare geestelijke vaders te luisteren. Een hunner zegt: «Wanneer het geheele menschdom van eene enkele paauwenveêr zou afhangen, die een Indiaan voor zijn’ hoed noodig had, dan zou hij al de menschen opofferen. Zij vreezen niet voor den dood, maar dat is eene groote weldaad van het Goddelijke Wezen, dat weet hoe zwak zij zijn; zij spreken van den dood, zelfs bij een’ stervende, alsof het niets ware. Wanneer zij tot schavotstraf veroordeeld zijn, betoonen zij dezelfde onverschilligheid en rooken hunne cigaar met de gewone bedaardheid. Hun antwoord aan den hen bedienenden priester is in den regel: «Ik weet dat ik ga sterven. Ik kan het niet helpen. Ik ben slecht geweest, het was de wil van God, die mij dit lot heeftbeschoren.» Maar met den dood voor oogen slapen en eten zij even gerust. «De boom moet zijn vrucht dragen,» vervolgt onze geestelijke, «God heeft in zijne wijsheid vele menschenstammen geschapen, even als Hij verscheidene soorten van bloemen doet ontspruiten, en eindelijk getroostte ik mij met de onverschilligheid der Indianen omtrent al hetgeen wij zouden doen; met het oog daarop kon ik ze als was naar mijn goedvinden rigten.»Over het algemeen heb ik onder deze Indiaansche stammen niet een gevonden, die zich door intellectuele begaafdheden onderscheidde. Eenige weinigen wisten iets van werktuigkunde; een paar waren vrij goede beeldhouwers; ik ontwaarde overigens eene algemeene liefde voor de muziek en zelfs eenige waardering van de verdiensten van Europesche componisten, maar men moet er bijvoegen dat er ook niets of weinig gedaan wordt voor de ontwikkeling van de begaafdheden, die de Indiaan bezit; het veld van openbaar onderwijs is even beperkt door godsdienstigen als officielen invloed, en de zamenleving onder de meer vermogende klassen, waarnaar de Indiaan alleen kan opzien, staat verre beneden die van het Spaansche schiereiland. De letterkunde wordt weinig beoefend; de nieuwsbladen zijn meer met levensgeschiedenissen van heiligen en verhalen of berigten van godsdienstige feesten opgevuld, dan met de grootste gebeurtenissen in de politieke wereld. De Spanjaarden zijn nooit beroemd geweest om hunne groote onderzoekingen of activiteit, maar het is te hopen dat demanana, waarnaar alles wordt verwezen, eindelijk eenhoy diazal worden.Men zegt van den Indiaan dat hij meer vier- dan tweevoetig is. Zijne handen zijn groot en de toonen aan zijne voeten gebogen, daar hij geoefend is in het klimmen op boomen en andere dergelijke bezigheden. Hij is als een amphibie en brengt den meesten tijd in het water door. Hij is ongevoelig zoo wel voor de brandende zon als voor den verkwikkenden regen. De indrukken, die hij ontvangt, zijn slechts een overgang en hij herinnert zich flaauw voorbijgaande of plaats gehad hebbende gebeurtenissen. Vraagt men hem naar zijnen ouderdom, dan kan hij niet antwoorden. Wie waren zijne voorouders? Hij weet het niet en bekommerter zich niet over. Hij ontvangt geene gunsten en kan dus niet ondankbaar zijn; hij bezit weinig ambitie en kan dus niet ongerust wezen; hij heeft weinig behoeften en is dan ook nooit jaloersch of afgunstig; hij bemoeit zich niet met de zaken van zijn buurman en let ook dikwijls op de zijne niet, zijne hoofdondeugd is luiheid; dat iszijngeluk. Het werk dat hij moet verrigten, doet hij metweêrzin. Hij is over het algemeen gezond, en is hij eens ongesteld, dan geneest hij zich met kruiden, waarvan hij de stoppende of laxerende eigenschappen ondervonden heeft. Hij gebruikt geen zeep om zich te wasschen, noch mes om zich te scheren; de rivier is zijn bad, en zijne haren kamt hij uit met eene schelp; hij behoeft geen klok om den tijd te weten; tafel, stoelen, borden, messen ontbeert hij bij zijn’ maaltijd; eenhachaof groot mes en een zak hangen gewoonlijk om zijn lijf; hij kent geene andere muziek dan het kraaijen van zijn’ haan en acht een schoen even overtollig als een handschoen of een das.Ik heb onder de Indianen niet dien voortdurenden afkeer van vreemdelingen ondervonden, waarvan Mallat gewaagt, en die vooral tegen Engelschen zou gerigt zijn. Integendeel zag ik dat vele Engelschen, die op de Philippijnen gevestigd waren, veel vertrouwen en genegenheid ondervonden en ik heb mestizen en Indianen hooren zeggen dat zij veel meer vertrouwen in de handelseerlijkheid van Engelschen stellen, dan in die van eenige andere natie. Ik ben getuige geweest van de vriendschappelijkheid, waarmede het oude Spaansche spreekwoord «Paz con Ynglaterra y con todo el mundo guerra» in groote vergaderingen van de Filipinos is aangehaald. Er is dan ook geene natie, die meer dan Engeland tot de welvaart van den Spaanschen Archipel heeft bijgedragen. In den loop van dit ons verhaal zal men blijken genoeg zien van de goedheid, die men aan Engelschen betoont.De Spanjaarden—het is meermalen gezegd—hebben zeer bescheiden en met goed geluk van het «divide et impera» onder de Indiaansche stammen gebruik gemaakt als een middel om hun eigen gezag te bewaren. Het is dan ook eene waarheid dat onder de meer verwijderde stammen weinig sympathie bestaat; maar dat hunne scheiding en verwijdering door de Spaansche staatkundeis bewerkt, wordt tegengesproken door het feit dat in Binondo bijna ⅓ van de inwoners Indianen van verreprovinciënzijn.Het aantal Spanjaarden is klein, dat van de gewapende inlanders groot, wanneer er een opstand tegen het bestuur mogt ontstaan, maar ik geloof dat daartoe geene de minste neiging bestaat. Laatstelijk werden de Tagalesche soldaten naar een vreemd land (Cochin-China) in werkelijke dienst opgeroepen en in een’ strijd gewikkeld, waarin het Spaansche belang niet zeer te onderscheiden is. Geene klagten werden omtrent hun gedrag gehoord, ofschoon zij aan vele ontberingen blootgesteld waren.Er bestaat eene aardige gewoonte onder de landlieden in het binnenland. Kleine houten bakjes ziet men daar buiten staan of uit de vensters van dechozahangen, waarin men onder plantaan-bladeren, spijzen of vruchten vindt uit den tuin achter het huis. Iedere reiziger, die voorbijgaat, voorziet zich daaruit van het noodige, wanneer hij arm is, betaalt hij daarvoor niets; anders geeft hij zulk eene vergoeding als hij noodig oordeelt. Geen zweem van verwijt treft den persoon, die, zonder dat hij kan betalen, van de goedheid gebruik maakt. Deze gastvrije ontvangst is het meest algemeen in de minst bevolkte plaatsen en herinnerde mij aan het water en de lamp, die ik in de graven van de heilige Muselmannen vond, welke op die wijze zich van de menschlievende pligt kweten of hunne volgelingen deden kwijten, om in de dorre woestijnen die aangename en treffende welkomstgroeten te geven aan den dorstigen en vermoeiden reiziger.De tact of kunst van navolging is sterk onder de Indianen en vergemakkelijkte de pogingen der monniken, maar men vindt zeer verschillende en uiteenloopende berigten omtrent hunne bekwaamheden. Die van Pampanga, Cagajan, Pangasinan, Ilocos en Zebu moeten dapper, edelmoedig, werkzaam zijn en somtijds veel kunstsmaak ten toon spreiden. De liefde en uitoefening der muziek is algemeen en ik zag eenige merkwaardige staaltjes van beeldhouwkunst, maar op de schilderkunst werd mijne aandacht niet gevestigd, en de voorbeelden van volhardende studie tot eenig vak waren zeer weinige. Als bedienden, staan de Tagalezen in alle opzigten beneden de Chinezen; als soldaten worden over het algemeengunstige berigten omtrent hen gegeven. De Indianen, te Manilla gevestigd, moeten de ergsten van hunne stammen zijn. Het lijdt geen twijfel dat in de groote steden het meeste graauw verblijf houdt, maar tegelijkertijd huisvesten daarin dan ook de grootste verdiensten. De hoffelijkheden, die ons als hunne gasten werden betoond, waren eindeloos; er was geene moeite te groot om ons genoegen te doen. Veel kon wel is waar niet anders dan aan de leiding van de priesters en de tegenwoordigheid der autoriteiten worden toegeschreven, maar wij ontvingen toch duizende blijken van ongedwongene goedheid, die door geen’ invloed van buiten konden zijn bewerkt.
Onder de jongste geslachten vond eene wonderbare gewaarwording plaats door de verkondiging van de groote Malthusiaansche ontdekking—de ontegenzeggelijke, onbetwistbaar, onverbiddelijke waarheid—dat de productive krachten van den grond steeds minder en minder beantwoorden aan de consumptive eischen van het menschelijk geslacht; dat terwijl de bevolking vermeerderde met den spoed van eene snelle meetkundige reeks, de middelen tot het verkrijgen van voeding met de zwakheid van eene langzame rekenkundige reeks ten achterbleven; dat de zetels aan de tafel der natuur—hoe rijk en overvloedig die ook was—allen vervuld waren en er geen plaats voor overtollige en ongenoodigde gasten overbleef,—in één woord en om de gewone formule te gebruiken, dat de bevolking meer en meer op middelen van bestaan aandrong en dat de gevolgen moeten zijn vermeerderde behoeften, toenemende armoede en eene reeks van rampen, eindeloos als de catalogus van de verschillende vormen der menschelijke ellende.
Hoe dikwijls kwam mij, toen ik zoo de duizende eilanden van den Philippijnschen Archipel doortrok, de schim van Malthus en de hersenschimmen van zijne philosophie voor den geest. Hoe velen zijn er onder deze tallooze, door de zee omgeven streken, waarop nooit een Europeaan den voet gezet heeft; hoe weinigen, die geheel geëxploiteerd zijn en hoeveel minder nog die dooreenigen beschaafden of vreemden stam bewoond werden! En toch zijn zij met zulk eenen schoonen en natuurlijken wasdom boven bedekt en tellen zij tallooze schatten aan mineralen rijkdom beneden; hunne productive krachten zijn grenzeloos; men vindt er de verscheidenheid van klimaat, die bergen, dalen en vlakten aanbieden: regens om te bevochtigen, de zon om te rijpen, rivieren om te vervoeren, havens voor de scheepvaart. Zij hebben alles aantrekkelijks om te wagen en zij kunnen de industrie beloonen; een bevolking van slechts 5 of 6 millioen zielen, terwijl tienmaal zooveel tot verzadigens toe konden gevoed worden en zij in de behoeften van millioenen en millioenen meer konden voorzien door den overvloed hunner middelen.
Tot welk een eng veld van beschouwing moet de geest zich hebben bepaald, die verontrust werd door eene ontdekking, die op zich zelve van zoo weinig belang is, wanneer me ze in de groote sfeer van ’s werelds aardrijkskunde brengt! Ofschoon het menschelijk geslacht op eene snelle, bijna onmetelijke wijze is toegenomen, zal men bevinden dat hongersnood, ziekten, oorlogen en dergelijke vreesselijke bezoekingen, die bestemd waren om de balans in evenwigt te houden, om de evenredigheid te herstellen tusschen de behoeften en de middelen der menschen, veel vernielender in oude dan in latere tijden waren, zoo men het kleine aantal toen bestaande wezens in aanmerking neemt.
Het edeler en hooger axioma is dat «vooruitgang» de wet de Voorzienigheid is, die nooit dwaalt, terwijl het menschelijk geslacht steeds meer en meer toeneemt, ten einde ruime middelen te verschaffen voor aller onderhoud en geluk. Geen land, geen zee is uitgeput of op den weg van uitputting. Over hoevele duizenden akkers grond, in koude, gematigde of tropische luchtstreken, kan nog beschikt worden! Hoevele duizenden meer liggen daar nog ter bebouwing! En terwijl in de digter bevolkte gedeelten der wereld uitwegen noodig zijn voor hen, die ziek door rust zijn en voor niets anders dan voor den arbeid geboren zijn, hoevele versnelde middelen van vervoer bestaan er niet, waardoor de reiziger minder verlegen is om eene geschikte plaats voor zijne woning te vinden, dan wel om er een te kiezen onder de vele, die zich voor hem opdoen! Zoo de arme Ier al in zulkemassa’s naar Amerika of Australië vertrekt, gemakkelijker hebben het die massa’s werklieden in Europa die nog gedrongen worden door de concurrentie van naburen gelukkiger dan zij zelve.
Het is te verwonderen dat de Spaanschekoloniëngeen grooter aantal Spanjaarden tot zich getrokken hebben, maar de nationale geest van het Iberische schiereiland is niet meer reizend of avontuurlijk. Spanje zelfs is niet digt bevolkt en biedt groote hulpbronnen aan zijne vergenoegde landlieden. «God—zeggen zij—heeft alles wat Hij had, aan Spanje gegeven. Ons land is een Eden, waarom zouden wij het dus verlaten?» En toch heeft Spanje, hoe langzaam, traag en zonder eenige energie, tegenover werkzamernatiën, zijn aandeel in de trotsche geschiedenis van menschelijkenvooruitgang. De meer ondernemende aanvallers van het bloed der Gothen of Anglo-Saxen hebben meermalen de inlandsche rassen uit de afgelegene landen verjaagd, waarin zij zich hadden gevestigd. De eene stroom van emigranten volgde de andere; handel en landbouw hebben de navraag van de indringende bezoekers uitgelokt en in hunne behoeften voorzien. Maar Spanje heeft nooit genoeg opgeleverd om de oorspronkelijke stammen te verjagen. De kolonisten uit dat land werden altijd vergezeld door een groot aantal geestelijken, die geneigd waren om «den heiden» in de Christelijke gemeente te brengen. Deze zendelingen hebben ongetwijfeld dikwijls tusschen de hebzucht van den overwinnaar en de zwakheid van den overwonnene gestaan. Zij hebben de Indische stammen behouden door deze te beschermen, en men mag betwijfelen of het algemeene belang niet gebaat werd door een invloed, wiens zegenrijke gevolgen kunnen blijven, als het meest in het oog springende kwaad, aan zulk een invloed gepaard, grootendeels verholpen of geheel uit den weg geruimd werd.
Mijne opmerkingen en beschouwingen leiden dan tot deze conclusie: dat, welke exceptionele gevallen mogen bestaan, de springvloed van vooruitgang steeds sterker opzwelt; dat de loop van het Goddelijke bestuur daarin gelegen is, om van schijnbaar kwaad goeds en altijd meer goeds en goeds tot in het oneindige te stichten; dat het menschelijke geslacht, als ééngeheel, voortdurend in verbetering toeneemt; dat ieder geslacht beter en wijzer is dan het voorafgaande; dat de woeste en minder vooruitgaande stammen door diegenen, welke eene hoogere geestbeschaving bezitten, zullen worden vervangen; dat de half beschaafde slechts zal worden verduurzaamd door aanraking met eene grootere beschaving, die hem in de menschheid zal verheffen. Een middenras, zooals China in den vorm van millioenen emigranten oplevert, bevordert wonderbaarlijk de beschaving. De vordering is overal in de meer afgelegen Oostersche wereld zigtbaar. De mestizo-afstammelingen van Chinesche vaders en Indiaansche moeders vormen ontegenzeggelijk het meest belovende gedeelte van de Philippijnsche bevolking. In Siam, Burmah, Cochin-China worden voordeelige bezigheden verrigt door Chinesche kolonisten. In NederlandschIndiëgaan zij zonder uitzondering vooruit. Daarop en niet op de inlandsche volkeren moeten Sumatra, Borneo en de overige eilanden het oog vestigen om hunne hulpbronnen eenige belangrijke ontwikkeling te geven. In onzen straits-Archipel hebben zij de Klingalezen in alle zegenrijke werken van den landbouw vervangen, even als de laatste dit vroeger met de minder industriële Maleijers hebben gedaan. De vooruitgang van hoogere kennis en de onderdrukking van de mindere begaafdheden kan men ook vinden in de uitroeijing van zoo menige ruwe taal en de verspreiding van die, welke de beschaving in hare hoogere ontwikkeling vertegenwoordigen. Men kan, naar mijne meening, gerust voorspellen dat het niet zeer lang zal duren of het aantal talen dat op de aarde wordt gesproken, zal tot een zeer gering getal zijn verminderd. In den loop van eene eeuw gaat zoo menige plaatselijke tongval te niet en wordt voor goed vervangen door een’ van hoogeren rang en van meer nut. Wanneer men in aanmerking neemt dat de geschreven taal van China door een derde van het menschelijk geslacht wordt verstaan en dat waarschijnlijk meer dan 1/10 gedeelte van het menschelijk geslacht Engelsch kan spreken, en wanneer men er dan op let hoe de provinciale dialecten van Frankrijk, Duitschland,Spanje en Italie meer en meer in onbruik geraken, dan zal men goeden grond hebben te veronderstellen dat vele van de bestaande werktuigen voor het spraakvermogen langzamerhand zullen verdwijnen,dat het aantal doode talen vermeerderd en dat der levende naar evenredigheid verminderd zal worden.
Ik weet niet uit welke bronnen Mallat in 1846 de bevolking der Philippijnen op 7 millioen zielen schatte; eene vermeerdering, zeide hij, van meer dan 50 pCt sedert 1816, in welken tijd hij beweert dat de bevolking4,600,000zielen bedroeg. Hij zegt dat zij van 1774 tot het laatste tijdvak viervoudig toegenomen is. Deze ontzettende vermeerdering in de latere tijden schrijft hij toe aan de invoering van de koepokinenting en de algemeene rust van het land; maar de juistheid der data mag wel betwijfeld worden.
Pater Juan Fernandez schat de Christelijke bevolking van de Philippijnen, als volgt:
puebloszielen.in het aartsbisdom Manilla185135,000in»het»bisdomNieuw-Segovië132745,000in»het»bisdom»Nieuw-Caceres104480,000in»het»bisdom»Zebu3061,200,000Totaal7272,560,000
De bevolking van de Philippijnen wordt over het algemeen op ongeveer 4 millioen geschat, doch daar de Indianen, die in het binnenland van verscheidene eilanden,—vooral die welke in de onbebouwde woud- en bergstreken verblijf houden—in geene officiele telling kunnen worden begrepen, kan elke berekening slechts het juiste cijfer nabij komen. De opgaven, door het Gouvernement aan deGuia de Foresterosover het jaar 1858 gegeven, leveren de volgende resultaten op.
Deze geheele bevolking van de veertigprovinciënbedroeg 4,290,371 zielen, waarvan 1,787,528 inlanders en 78,400 mestizen en Chinezen, die schatting betaalden. Er waren in dat jaar 184,074 geboorten, 102,466 sterfgevallen; 40,093 huwelijken waren er voltrokken.
Verhouding van inlandsche tot gemengde rassen96pCt.Verhouding»van»de inlanders (die belasting betalen) tot de bevolking29pCt.»Verhouding»van»de gemengde rassen tot de bevolking1.75pCt.»Verhouding»van»geboorten tot de bevolking4.00pCt.»Verhouding»van»sterfgevallen tot de bevolking2.33pCt.»Verhouding»van»van de huwelijken tot de bevolking0.90pCt.»Verhouding»van»van de geboorten tot de sterfgevallen64 tot 36pCt.»Verhouding»van»geboorten tot de huwelijken2.70pCt.»
Onvoldoende opgaven zijn gegeven van Corregidor en Pulo Caballo, die 370 inwoners in het geheel tellen; van Benguet dat 6,803 zielen telt, waarvan 4,639 heidenen en 15 Christelijke schatpligtigen zijn; eindelijk van Cajan, waarvan de bevolking 17,035 zielen bedraagt en 10,861 schatpligtigen zijn.
Het aantal Europesche Spanjaarden, die op de Philippijnen gevestigd zijn, bedraagt eene veel kleinere hoeveelheid dan dat van de gemengde stammen. Er zijn 670 van het mannelijke en 119 van het vrouwelijke geslacht in de hoofdstad (Manilla en Binondo). Onder deze bevinden zich 114 monniken, die allen in Manilla wonen, 8 geestelijken, 46 kooplieden, 14 geneeskundigen, terwijl de overigen meerendeels militaire of civiele beambten zijn. Maar op geen der eilanden bedraagt de hoeveelheid Spanjaarden zooveel als in de hoofdstad. Waarschijnlijk bedraagt het geheele aantal Europesche Spanjaarden op de eilanden niet meer dan 2,000.
Op Binondo wonen 96 vreemdelingen, waarvan 85 mannen en 11 vrouwen (geene op het eigenlijke Manilla). Daarvan zijn 50 kooplieden of hunne bedienden. Men vindt 22 Britsche onderdanen, 15 Franschen, 15 Zuid-Amerikanen, 11 burgers uit de Vereenigde Staten, 9 Duitschers en even zooveel Zwitsers.
Afgezonderd van Europesche Spanjaarden, zijn er velefamiliën, die zichhyos del pays(kinderen van het land) noemen; dit zijn afstammelingen van Spaansche kolonisten, die de vermenging met inlandsch Indiaansch bloed vermijden. Zij zijn er voor bekend, dat zij nog gevoeliger dan zelfs de oude Castilianen zijnin zaken van etiquette en men vindt onder hen velen, die eene Europesche opvoeding hebben genoten. Zij solliciteren gewoonlijk naar openbare ambten, maar moeten minder standvastig zijn en meer naar spel en genoegens haken, dan hunne voorouders. Zij zijn echter gastvrij bij uitnemendheid. In het openbaar kleeden zij zich op Europesche wijze, doch te huis dragen zoowel mannen en vrouwen de meer losse en gemakkelijker Indische kleeding. Van hunne zijde klagen zij, dat er scheidpalen tusschen hen en hunne landslieden van het schiereiland zijngeplaatst; in één woord, de castegeest oefent zijnen afscheidenden en vervreemdenden invloed op de Philippijnen, even als overal elders uit.
De Mestizos, of gemengde rassen, vormen een groot en invloedrijk gedeelte der Filipinos; slechts een klein aantal Europesche vrouwen wonen op de eilanden en over het algemeen zijn zij de vrouwen van de hooge Spaansche beambten of van hoofd-officieren bij de land- en zeemagt, wier diensttijd veelal beperkt is. Ofschoon de dochters vanfamiliënvan echt Spaansch bloed meestal in de kolonie huwen en zich uitsluiten en afzonderen, is het toch zeldzaam dat men onder de hoogste klassen niet een groot aantal mestizo-vrouwen vindt, kinderen van Spaansche vaders en inlandsche moeders. De meerderheid der kooplieden en grondeigenaars behoort tot deze klasse; zij bekleeden de meeste ondergeschikte staatsambten. Men vindt eene menigte afstammelingen van Chinezen uit inlandsche moeders, doch de vaderlijke type schijnt die van de moeder zóózeer te verdringen, dat de kinderen van verscheidene geslachten het sprekende kenmerk dragen dat de natuurlijke inboorling onderscheidt, zelfs bij eene opvolgende reeks van Indische moeders. Ik zal later gelegenheid hebben van een bezoek te spreken dat ik aan een district (Molo, nabij Iloilo) bragt, waar in vroegere tijden eene grooteChineschekolonie was gevestigd, en van waar het Chinesche ras sedert eeuwen was verdwenen, doch de Chinesche gelaatstrekken en het karakter van dat volk hadden onmiskenbare sporen onder de geheele bevolking achtergelaten. Ik vond nergens onder de inlanders een zoo nijverig, volhardend, spaarzaam en over het algemeen zoo welvarend volk. In elk huis bijna werd een handwerk uitgeoefend en de beste pina-goederen worden op deze plaats geweven. Wijwaren op een bal genoodigd, dat door de voornaamste inlandsche vrouwen werd bijgewoond en ik had de eer in eendiscursogewikkeld te worden dat de gastvrouw in uitmuntend Castiliaansch voerde. Men zeide mij dat de jonge vrouwen hier om hare kuischheid geroemd werden en dat eene gevallene vrouw op geene vergiffenis onder haar kon rekenen. Hare ouders hebben bezwaar haar Spaansch te laten leeren, omdat zij meenen haar daardoor aan verleiding bloot te stellen. De Mas zegt het volgende van de mestizos van Chinesche en Mongoolsche afkomst:
«Zij wordenSangleygenoemd, hetgeen Chinesche koopman of reiziger beteekent. Zij bezitten dezelfde industriele en speculatiegeest als hunne voorouders. De meesten onder hen hebben rijkdommen en landerijen verworven en het grootste gedeelte van den kleinhandel is in hunne handen. Zij maken de middenklassen der Filipinos uit. Hunne voorspoed en betere opvoeding zijn de natuurlijke gevolgen daarvan, en hun zedelijk en intellectueel karakter staan ver boven dat der Indianen. Zij hebben eenige weelde in hunne kleeding, welke fraaijer en netter dan die der Indianen is; sommige hunner vrouwen kan men teregt schoon noemen. Intusschen hebben zij vele gewoonten van de Indianen, die zij in godsdienstige gevoelens overtreffen, omdat zij meer beschaafd zijn. Deze stam neemt in aantal en invloed toe en vermeerdert zich, ten gevolge van de groote toevloeijing van Chinezen, op hunne vestigingsplaatsen in grootere mate dan de Indische bevolking.»1
Er valt niet aan te twijfelen, dat de grootere invloed van den aard des vaders dan die van de moeder, het algemeene karakter der gemengde Chinezen door vele geslachten heen heeft verbeterd. Zij zijn werkzamer en ondernemender, voorzigtiger en volhardender, meer tot den handel geneigd, dan de Indianen. Zij behouden allen het zwarte haar, hetgeen den Chinees karakteriseert; het volk van het «middenrijk» geeft zich toch zelf het liefst de benaming van «zwart-harig.» Zij onderscheiden zich door den ovalen vorm der oogen, die een hoek boven den neus vormen, de baardelooze kin, de lange en teedere vingers (volgens het Chinesche gebruik laten zij den midden-nagel van de linkerhand lang groeijen), hunne zucht tot kleederen en opschik. Zij oefenen grooten invloed op de Indianen uit, die meenen dat zij de kunst bezitten om geld te winnen. De kinderen van een Spaanschen mestizo bij eene Chinesche mestizo wordenTorna atras«teruggangers» genoemd; die van een Chineschen mestizo en eene Indische vrouw worden als Chinezen beschouwd en niet als van de Indische half-caste. De vermenging van Chineesch bloed is bij alle bevolkingen van steden merkbaar. Het aantal mestizen van Europesche afkomst is niet noemenswaard in vergelijking met die van Chineschen oorsprong. Hunne huizen zijn allen beter gemeubileerd dan die der inlanders. Velen hunner nemen de Europesche kleederdragt aan, doch zelfs de inlandsche kleeding is bij hen, die ze behouden van fijner kwaliteit, levendiger kleuren en rijker versierd. Even als de inlanders dragen de vrouwen hare hemden over de broeken; doch het hemd is van pina of sinamay en met knoopen van kostbare steenen vastgemaakt, terwijl zelden een gouden ketting gemist wordt, die om den hals hangt. De mannen dragen gewoonlijk Europesche hoeden, schoenen en laarzen, en beide spreiden niet weinig losheid en coquetterie ten toon.
De groote massa der inlandsche bevolking op de Philippijnscheeilanden kan men in twee hoofdstammen verdeelen: de Tagalezen, die het noordelijke en de Bisajers, die het zuidelijke gedeelte bewonen. Van deze belijden allen, die in de steden en dorpen wonen, de Christelijke godsdienst; en zij staan onder den invloed van de geestelijkheid, die de godsdienstige aangelegenheden in de verschillendeprovinciënbeheert, welke voor het grootste gedeelte tot de jurisdictie behooren van verschillende geestelijke orden en broederschappen. Er zijn onder de Indianen eenige weinige personen, die met de regten van priesterschap bekleed zijn, doch zij klimmen over het algemeen tot geen hoogeren post op dan tot adsistenten der monniken. Bij de groote plegtigheid, die ik ter gelegenheid van dePurisima concepcionte Manilla bijwoonde, werd een Indiaan gekozen tot het houden der predikatie; deze was, als naar gewoonte, vol van lofzangen op de Heilige Maagd en bijna gelijk met den gewonen stijl van de Spaanschepredikatiën. Maar buiten de steden worden de kerkelijke aangelegenheden verwaarloosd en in het binnenland en bergstreken der eilanden belijdt de bevolking de Christelijke godsdienst niet meer; de monniken betreuren den onwetenden en verlaten toestand, waarin de lieden verkeeren, trachten hunne toenadering te verkrijgen en de betaling te erlangen van de belasting waarvan zij, even als het Gouvernement, hunne inkomsten trekken. Wanneer deze wordt betaald, wanneer de dienst der kerk getrouw wordt opgevolgd, de biecht plaats heeft en men medewerkt tot de godsdienstigeprocessiënen feesten (die de inlandsche feestdagen uitmaken), dan gaan de zaken wel tusschen de geestelijkheid en het volk. Ik zag vele monniken die geliefd en geëerd werden en die dit verdienden als bewaarders en herstellers van den huisselijken vrede, die de kinderen in hunne studie aanmoedigden en allerwege hunne pogingen aanwendden tot welzijn der gemeente. Maar daar de geestelijken dikwijls uitgesloten zijn van het toezigt der publieke opinie, hebben er dikwijls ergerlijke tooneelen plaats en niet zonder reden.
Pater Zuniga beweert dat de Philippijnen oorspronkelijk door de bewoners van Amerika werden gecoloniseerd, maar hij dwaalt geheel en al in de bewijzen, die hij daarvoor in de analogie der talen zoekt. Het aantal Maleische woorden in het Tageleesch en Bisaaisch is grooter, dan die welke een Amerikaansch dialect hebben enhier meen ik ter loops te kunnen aanmerken dat er geen onderwerp bestaat waarover men zooveel ongerijmdheid heeft gedrukt, als over de afleiding en verwantschap van talen, een onderwerp waarin een Spaansche autoriteit zelden van veel invloed is. El Senor Erro bijv. geeft in zijn werk over de ouderwetschheid van het Bascuensch, eene beschrijving en teekening van eene groote waterkruik, die men in eene bron te Guipuscoa had gevonden, waarop de woorden: «Gott erbarme dein armes Würmchen» stonden. Dit zegt hij dat eene Biscaaische inscriptie is ter eere van de priesteressen der zon gemaakt vóór de invoering van het Christendom, en hij twijfelt niet of de vaas (een stuk ruw nieuwerwetsch Duitsch vaatwerk) werd bij de heilige tempeldienst gebruikt.
De Mas onderstelt, dat de Indianen alphabetisch schrift gebruikten vóór de komst der Spanjaarden; hij geeft vijf alphabetten die in de verschillendeprovinciënwerden gebruikt, doch veel op elkander gelijken. Ik zelf kon geene oude schrifturen, geschreven overleveringen ofinscriptiënvan vroegere tijden ontdekken, die met de Indische geschiedenis in verband stonden. Er bestaat waarschijnlijkheid, dat er eenig gezag bestond; dat er vrijen en slaven waren; dat het land deels bebouwd en de zee bevaren werd door landbouwers en visschers, hetgeen de erkenning van eenig regt van eigendom ten gevolge had; dat er oorlogen gevoerd werden tusschen vijandelijke stammen, die hunne leiders en wetten hadden. Uit de oude opgaven van de zendelingen leert men de namen van sommige hoofden en den aard van het gezag kennen, dat door het kleine aantal beheerschers over de onderworpen menigte werd uitgeoefend. Zij zeggen dat men voor goud de emancipatie van een’ slaaf en zijne opname onder de Mahaldicas of gepriviligeerde klasse kon verkrijgen. Krijgsgevangenen, schuldenaars en misdadigers werden in boeijen gehouden. De dochter van een’ Mahaldica kon, wanneer de bruidegom niet in staat was de noodige geldsom te betalen, ten huwelijk verkregen worden door dienstbaarheid aan haren vader gedurende een zeker aantal jaren. Als de man van den eenen stam de vrouw van een andere huwde, werden de kinderen gelijkelijk of zooveel mogelijk onder de beide stammen verdeeld, waartoe de ouders behoorden. De nalatenschapwerd bij den dood van den vader onder de zonen verdeeld, waarvan de oudste geene meerdere regten dan zijne jongere broeders had.
Plaatselijk bijgeloof heerschte omtrent rotsen, boomen en rivieren. Zij baden aan de zon en de maan; een’ blaauwen vogel dien zijtigmamanoquin, een hert dat zijmeylupa, «heer van den grond» noemden en den krokodil, dien zij den titel vannonoof «grootvader» gaven. Men geloofde aan een’ demon, Osuang genaamd, die de kinderen kwellen, smart in den barensnood veroorzaken, van menschelijk vleesch leven en zijne tegenwoordigheid aankondigen zou door dentictic, een’ vogel, die kwade voorspellingen deed. Naakte mannen zwaaiden met zwaarden van het dak en andere gedeelten van dechozaom den vijand af te schrikken, of de zwangere vrouw werd uit de nabijheid van denticticverwijderd. DeManacolamwas een monster in vlammen gehuld, die alleen door het vuil van een’ mensch konden worden gebluscht; het dier zou daarop onmiddellijk sterven. DeSilaganrukte den lever uit en verscheurde dien, van in ’t wit gekleede personen. DeMagtatangallegde zijn hoofd en ingewanden ’s avonds op zekere geheime plaats, waar zij ’s nachts het doen van kwaad beletteden; bij het aanbreken van den dag werden zij weder weggenomen. Zoo vreemdsoortig en belagchelijk waren de gevolgen van het bijgeloof. Er werden offers gebragt tot afbidding van het bedreigde kwaad of ter eere van de bezoekers; die offers noemden de priesteressenCatalonaen deelden stukken van het geofferde dier rond. Men had verscheidene waarzeggers en geestenbezweerders, die verschillendefunctiënuitoefenden en waarvan een, deManyisalat, de liefde verwekte en de vertrouweling van jonge mannen en meisjes was.
Wanneer de Indiaan in een bosch kwam, bad hij de demons hem niet te schaden. Het kraken van het hout, het gezigt van een’ slang in eene nieuw gebouwde hut werden als kwade voorteekenen beschouwd. In de woning van een’ visscher mogt men van geen bosch, in die van een jager niet van de zee spreken. Eene zwangere vrouw mogt hare haren niet snijden, opdat het kind niet met een kaalhoofd zou ter wereld komen.
De huwelijksgift voor de vrouw werd naar de omstandigheden der partijen geregeld. De moeder had iets te vorderen, eveneens als demin van de bruid. Alle kosten, die de vader voor zijne dochter had gehad, kon hij van den bruidegom terugvorderen. Onder vermogendefamiliënbestond een bepaalde prijs, volgens dien, welken de vader of grootvader voor hun vrouwen hadden betaald. Als de ouders van de bruid niet meer leefden, ontving zij zelve de bruidschat. Drie dagen vóór het huwelijk werd het dak van de ouderlijke woning uitgebreid en een vertrek,palapalagenaamd, bijgevoegd voor de huwelijksplegtigheden; de gasten bragten hunne geschenken aan de bruid, en welke waarde deze ook hadden, men kon verwachten dat wanneer in de toekomst de betrekking tusschen gastheer en gast gedeerd werd, een geschenk van niet minder waarde zou worden gegeven. Tot deceremoniënbehoorde dat de jonggehuwden van hetzelfde bord eten en uit denzelfden kop drinken zouden. Men stelde wederkeerige «toasten» in en deed beloften van wederzijdsche liefde, terwijl de catalona een zegenwensch uitsprak. Verschrikkelijke tooneelen van dronkenschap en ongeregeldheden moeten de plegtigheden op de volgende feesten gekenmerkt hebben, die drie dagen duurden. In de noordelijke eilanden mogt men slechts ééne vrouw huwen, doch bijzitten en slaven hebben; in het zuiden, waar ongetwijfeld het Islamismus zijnen invloed deed gelden, mogt men verscheidene wettige vrouwen bezitten; ook de besnijdenis had daar plaats.
Gehuurde treurenden en de leden van de familie verzamelden zich om een lijk en zongen lofliederen tot verkondiging van de deugden des overledenen. Het lijk werd gewasschen, geparfumeerd, gekleed en soms gebalsemd. Arme lieden werden spoedig in densilongbegraven, waarover hunne hutten waren gebouwd. De lijken van vermogende lieden werden gedurende eenige dagen boven aarde gehouden en in eene sterke kist gelegd. Hunnen mond bedekte men met goudblad, terwijl zij op eene plaats ter aarde besteld werden, die de overledene zelf had gekozen. Zoo dit aan den oever van eene rivier was, dan werd de scheepvaart daar langs gedurende eenigen tijd verboden, opdat de overledene niet met de levenden in aanraking zou komen, terwijl een wachter bij het graf stond, in de nabijheid waarvan de kleederen, het gewone voedsel en de wapenen van den afgestorvene in eene afzonderlijke doos waren gelegd, en als het eene vrouw was, haarhandwerk en werktuigen daarvoor. Waar een voornaam hoofd was begraven, rigtte men een gebouw op, waarin twee geiten, twee dassen, twee varkens en een geboeide slaaf van den overledene werden gevangen gehouden, welke laatste zijn meester naar de andere wereld moest vergezellen en een ellendigen hongerdood stierf. Men onderstelde dat de doode drie dagen na de begrafenis zijne familie bezocht: men plaatste dan eene pot met water aan de deur, opdat hij zich kon wasschen en zuiveren van het vuil uit het graf; men liet den geheelen dag eene waskaars branden; spreidde matten uit en bestrooide die met asch, opdat de doode geene voetstappen zou achterlaten; op het gewone uur van den maaltijd opende men eindelijk de deur en zette een heerlijk maal voor den verwachten bezoeker gereed. Ongetwijfeld werd door de wachtenden daarvan even als van andere kostbare offers ruim gebruik gemaakt. De Indianen uit het Noorden dragen zwarte, die uit het Zuiden witte rouwkleederen.
In regtszaken werden de oudsten geraadpleegd, doch er bestond geen wetboek, en de zendelingen beweren dat de scheidsregters in twisten over het algemeen vrij goed voor hunne bemoeijingen betaald werden. Eene moord, door een slaaf begaan, werd met den dood gestraft; had een persoon van hoogen rang zulk een misdaad gepleegd, dan kwam hij er met eene geldboete aan de beleedigde familie af. Had er een roof plaats, dan moesten alle verdachte personen eenig gras nederleggen; dit werd op een hoop gelegd, en zoo het gestolen voorwerp daaronder werd gevonden, gaf men het aan den eigenaar terug, zonder dat men verder onderzoek instelde naar den persoon, die den bundel had nedergelegd, waarin het was verborgen. Gelukte deze proef niet, dan moesten al de verdachten zich te water begeven, en in dat geval werd voor den schuldige diegene gehouden, welke het eerst weder boven dreef, want dan zeide men dat de last van zijne schuld hem niet langer den adem kon doen inhouden. Men zegt dat velen verdronken zijn ten einde de schande van het boven drijven te ontkomen. Somtijds liet men de beschuldigden kaarsen van gelijke grootte in de handen nemen en dan werd diegene voor den schuldige gehouden, wiens kaars het eerst was uitgegaan. Nog eene andere methode bestond daarin, om deverdachten rondom eene kaars te verzamelen; in dit geval leerde men den schuldige daaruit kennen dat de vlam zich naar hem wendde. De straf voor echtbreuk werd afgekocht door eene geldboete aan den beleedigden persoon.
Het middel van geldwisseling bestond uit goud dat men woog, maar eene gestempelde munt bestond er niet. Het grootste gewigt werd eengaelgenoemd; dit vertegenwoordigde 1¼ dollar in zilver en kwam bijna met het Chinesche ons of taïl overeen; eengaelbestond uit tweetinga, eentingauit tweesapaha2; eensapahawas insangragaverdeeld; dit laatste, een zeer kleine boon, was het kleinste gewigt. Men rekende met steenhoopjes van verschillende grootte. De maten bestonden uit dendipa(6 voet), dendancal(palm), dentumuro(span), densangdamac(breedte van de hand), densangdati(breedte van den vinger). Op die wijze droeg, even als onder vele ruwenatiën, ieder zijn maat bij zich.
De tijd werd naar de zon en de maan berekend, zoowel op de Philippijnen als in China. In het Chineesch beteekenen dezelfde woorden dag en zon, maan en maand, oogst een jaar. De morgen werd «haan-kraaijen», de avond «zonsondergang» genoemd.
Geen Indiaan ging een anderen voorbij zonder te groeten en met de linkerknie te buigen. Wanneer iemand het huis van een hooger geplaatsten binnentrad, knielde hij tot dat men hem beval op te staan. Vrouwen droegen oorringen en soms ook mannen; de Hoofden hadden gekleurde tulbanden, die rood waren wanneer zij één vijand, gestreept als zij zeven of meer gedood hadden. Vrede werd gesloten door bloed met wijn te vermengen en ieder dronk het bloed van een ander. Dit was de plegtigste der eeden.
Kuischheid schijnt onbekend geweest te zijn, ofschoon de vrouw hare gunsten niet verleende zonder betaling.
Menig Mohammedaansch bijgeloof en gebruik was tot in het binnenland doorgedrongen en daaronder het gebruik van de besnijdenis.
Al de Indianen hebben een ronden donkeren vlak op de ruggegraat; naarmate hun huid donkerder wordt, verdwijnt deze echter, zoodat hij in den ouderdom naauwelijks merkbaar is.
Volgens eene overlevering straften de Indianen vroeger een onpopulair persoon met eene geldboete, die zijcobacolonoemden en iedereen oplegden, welke hun door valsche raadgevingen had misleid. De geheele bevolking verzamelde zich dan bij het huis van den beleediger, terwijl iedereen een knuppel droeg. Eenigen omringden het huis, ten einde het ontkomen te beletten; anderen traden de woning binnen, dreven het slagtoffer door slagen naar het balkon, waarvan hij werd genoodzaakt af te springen; hierop verjaagde men hem uit de streek en vernielde zijn huis met al wat het bevatte. De overlevering bestaat in vele volksspreekwoorden en gezegden, waarin decobacoloals eene bedreiging tegen boosdoeners wordt gebruikt.
Onder de meest beroemde boeken op de Philippijnen behooren de «Cronicas Franciscanas» door Fr. Gaspar de St. Augustin, een Augustijner monnik van Madrid, die gedurende veertig jaren onder de Indianen woonde en van wiens beschrijvingen ik eenige heb overgenomen. Zij zijn echter veelal in strijd met de meening van verschillende schrijvers. Hun veld van beschouwing is geheel anders en het natuurlijke karakter staat in naauw verband met het gevelde oordeel. Dat van onzen monnik over de inlanders is niet zeer gunstig. Volgens hem zijn zij over het algemeen «onstandvastig, trouweloos, boosaardig, slaperig, lui, beschroomd en groote liefhebbers van reizen over rivieren, beeken enzeeën.»
«Zij eten veel visch, die men in groote hoeveelheid vindt. Na regens zijn de velden, moerassen en vijvers daarmede gevuld. Men haalt dikwijls visschen ter lengte van 2 palm van uit padie-velden op. Als de wateren opdroogen, gaat de visch in den eenen of anderen modderpoel, waaruit de Indianen ze met de hand halen of een voor een dooden.» Ik heb vele Indianen in de paddievelden zien visschen en wat er van den visch wordt in tijden van droogte, wanneer er geene «modderpoelen» wordengevonden, is moeijelijk te zeggen, maar zooveel is zekerdatmen daar, waar water is, ook gemakkelijk visch kan verkrijgen.
«Zij gebruiken drie maaltijden per dag, die hoofdzakelijk uit rijst, zoete aardappelen en eene kleine hoeveelheid visch of vleesch bestaan; de dagelijksche kosten van het geheel beloopen een reaal. Als werklieden verdienen zij eene halve reaal, behalve den kost. Zij leenen gaarne geld, dat zij nooit teruggeven en wanneer men geene ondankbaarheid wil ondervinden, moet men hun geene dienst doen; ook eene belofte houden zij nooit. Zij sluiten nooit de deur achter zich, leggen niets op zijne plaats, verrigten nooit het werk, waarvoor men hun vooruit heeft betaald en toch vragen zij altijd een voorschot; de timmerman moet geld hebben om hout, de wasscher om zeep te koopen, en zoo handelen zij zelfs met de geestelijken! Zij weten alles verkeerd te doen; versnijden alle kleederen, zetten het voorste achter en het achterste voor.» De pater is eenigzins streng; uit eigene ondervinding weet ik dat de Indianen ten minste even vele zaken goed als slecht verrigten. Alava zeide van de Indianen dat zij hunne hersenen in de handen hebben.
Onze geestelijke vervolgt aldus:
«Zij zijn afgunstig, onbeschaafd en brutaal. Zij vragen zelfs een geestelijke af, van waar hij komt en waarheen hij gaat. Leest men een brief, dan zien zij over de schouders, ofschoon zij zelve niet kunnen lezen, en wanneer een paar menschen heimelijk spreken, komen de Indianen van nabij, ofschoon zij geen woord verstaan. Zij gaan huizen en zelfs kloosters binnen zonder verlof en schijnen daar op eene wijze zich eigen te gedragen die de verwondering en schrik tevens opwekt; zelfs wanneer de geestelijke slaapt, maken zij een groot geraas door op den vloer te trappen, ofschoon zij te huis als op eijeren loopen. In hunne woning gebruiken zij geene stoelen, maar die in de kloosters breken zij door om er op te gaan zitten en te leunen, vooral op de balkons, wanneer daar gelegenheid is om eene schoone vrouw te zien.»
Deze uittreksels zijn even karakteristiek van den monnik als van den Indiaan: «zij zorgen nooit voor honden, katten, paardenof koeijen, de vechthaan is voor hen alles; dezen bezoeken zij reeds bij het krieken van den dag, liefkozen hem voortdurend, beschouwen hem soms een half uur achtereenvolgens en deze hartstogt neemt nooit af; er zijn er die aan niets anders denken. Het Gouvernement beschermt de hanengevechten. In het vorige jaar bragten zij 40,000 dollars op (in 1859, 86,000 dollars). Welk eene treurige hulpbron voor zoo vele tranen, misdaden en straffen! Hoeveel twisten, hoevele regtsgedingen hebben daarvoor plaats! En zij brengen soms nachten met dit spel door. Het hoofd van de Barangay verliest de inkomsten der belastingen, die hij heeft geïnd; zijn lot wordt de gevangenis of hij moet naar de bergen vlugten. Zij willen in geene huizen of kloosters wonen, waar zij buiten bereik der vrouwen zijn. Zij zorgen voor hun eigen vaatwerk en stellen in hunne woningen ten toon hetgeen zij reeds vóór de komst der Spanjaarden bezaten; maar in kloosters en huizen breken zij genoeg om hunne meesters teruïneren. Dit is een gevolg van hunne domheid of komt daaruit voort dat zij aan hunne geliefden denken of dat iets anders hunne gedachten bezig houdt; en wanneer zij een geregt laten vallen, wordt daarover door de Spanjaarden niets gezegd of komen zij er met een paar scheldwoorden af. In hun eigen huis intusschen zouden zij om een stuk aardewerk, dat gebroken is, een ferm pak rottingslagen geven en dat doet meer af dan alle Philippica van Cicero (zoo staat in het oorspronkelijke). Men kan hun geen zwaard, spiegel, geweer, horologie of eenig teeder voorwerp toevertrouwen, daar zij het altijd breken. Alleen een bamboes, een stok, een stuk hout, een palmtak en sommigen eene ploegschaar, kan men hun in handen geven.
«Zij zijn stoutmoedig en onbeschaamd in het doen van onredelijke aanvragen, zonder zich er om te bekommeren òf en wanneer hun verzoek kan worden ingewilligd. Zij herinnerden mij in hunne verzoekschriften aan hetgeen Sancho Panza op het eiland Barataria is gebeurd, toen dit door den onbeschaamden en indringenden lompert Michael Turra werd verontrust. Zij wenschen honderd dollars voor hun vier eijeren. Ik heb nooit eene gift van een Indiaan ontvangen—natuurlijk iets van onwaarde en voor hem van geen het minste nut—hetzij bloemen of vruchten of ikriep hem de woorden van Laocoön aan de Trojanen toe: «Timeo Danaos dona ferentes.» Debisschopvan Troje, Don Francisco Gines Barrientes, een zeer omzigtig prelaat, verhaalde mij dat een Indiaan hem een doek vol Guava-vruchten bragt en hem ter leen vijftig dollars vroeg. En toen de Markies de Villasierra, don Fernando de Valenzuela, in het kasteel van Cavite van een Indiaan een haan ontving, waarvoor de markies beval dat hem zesmaal de waarde zou worden betaald, zeide de Indiaan dat hij op 80 manden rijst gerekend had, en dit was nog wel in een tijd van schaarschheid, toen iedere mand 2 dollars gold. Het komt er echter weinig bij hen op aan of zij slagen dan wel of hun iets niet gelukt; zij zijn dan even tevreden, want zij hechten geenerlei waarde aan de gift van een Spanjaard, zelfs niet van een’ priester. Bij den verkoop vragen zij dertig en nemen zes aan; zij beproeven bedrog en daar zij bekend zijn met de groote goedheid (la suma bondad) van het Spaansche karakter, vreezen zij geene uitdrukking van toorn ten gevolge eener ongerijmde vordering.»
De monnik beschrijft volgenderwijs eene onderhandeling tusschen een Indischen boer en een koopman: «De boer heeft twee of drie honderd pond indigo te koop; hij komt niet alleen, maar met zijne betrekkingen, vrienden en soms met de vrouwen, daar de indigo aan verschillende personen behoort, die het gevolg van den verkooper uitmaken. Ieder bod wordt aan de groep medegedeeld, die in een kring rondom den handelaar is verzameld; nadat daarover is beraadslaagd, bieden zij eene vermindering van een dollar in den prijs; de kooper verlangt drie. Nadat deze zaak is geregeld, begint eene andere discussie. Een gedeelte van de indigo is muf en vuil, zoodat eene schikking moet worden gemaakt. Zoo duurt de onderhandeling kibbelend voort en komt tot geen einde. Zeer weinige Spanjaarden verdragen die onbeschaamdheid en lastigheid, zoodat de conferentie eindigt met de eenvoudige vraag:«Wilt gij? ja, of neen?» zoo neen, dan verspreiden de Indianen zich toornig door de straten, maar de geduldiger mestizen en Chinezen noodigen hen bij zich, geven hun eten en huisvesting en trekken daarvan op hunne eigene wijze, in Chineschen stijl, gebruik, want de Indiaan is zeer dom inhandelszaken.» Hier voert de vader talrijke bewijzen van hunne eenvoudigheid aan. «Kortom—zegt hij—de Indiaan ontvangt liever een reaal van een Chinees, dan een dollar van een Spanjaard.» Wien kan dus de voorspoed van de Chinezen op de Philippijnen verwondering baren? «De Indianen betoonen groote onverschilligheid bij gevaar; zij gaan niet uit den weg voor een koppig paard, of in eene kleine boot gezeten, voor eene grootere. Wanneer zij in eene rivier krokodillen zien naderen, nemen zij daarvan geen notitie of stellen geen voorzorgmaatregelen in het werk. De Koran zegt dat ieders lot op zijn voorhoofd is geteekend; zoo denken de Indianen, niet omdat zij den Koran hebben gelezen, maar door hunne eigene dwaasheid, die hen dagelijks aan ongelukken blootstelt. Zij zijn zeer bijgeloovig onder hen zelven, doch gelooven omtrent de Spanjaarden niets dan wat nadeelig is. Blijkbaar is de werking van het geloof bovennatuurlijk, daar waar zij de goddelijke geheimen erkennen, die de Spanjaarden prediken. In andere opzigten gelooven zij niets van hetgeen in strijd is met hun belang. Zij zien er geen bezwaar in om Spanjaarden en zelfs om bedienaren der godsdienst te bestelen. Hiervan bestaan de duidelijkste bewijzen, zoodat aan geen twijfel te denken valt en men het alleen moet betreuren dat hiervoor geen hulpmiddel te vinden is.»
De Augustijner provinciale monnik van Ilocos, zegt, waar hij van den opstand van 1807 in deze provincie spreekt: «Hier, even als overal, vindt men vele dieven en plunderaars; men brengt hen niet naar Manilla, maar zij moeten op de plaats zelve gestraft worden. Men kan hen echter evenmin uitroeijen als de ratten of muizen. Er bestaat dan ook een Indisch spreekwoord: dieven en ratten zullen te gelijk worden uitgeroeid.» Ik kan de algemeene veroordeeling van den geestelijke niet overnemen, daar mij feiten van buitengewone braafheid zijn ter oore gekomen. De Alcalde van Cagajan verhaalde mij o. a. dat, ofschoon hij dikwijls eene zekere som aan dollars aan de Indianen had toevertrouwd, hij nooit eenig bedrog had ontdekt.
Men zou veronderstellen dat de rijke en magtige monniken zeer wel beschermd waren tegen de Indianen; maar een hunner (de abt Amodea) schrijft: «De Indianen bedienen zich niet vanlansen en pijlen tegen ons ministerie, maar van papier, pennen, van schotschriften en lasterlijke aantijgingen. Zij hebben zooveel politiek geleerd, dat thans op alle plaatsen onbeduidende schrijvers, regtsverdraaijers en twistzoekers zijn, die verstand genoeg bezitten om op gezegeld papier eene memorie te stellen, die aan het hoogste geregt kan worden in handen gegeven. Als de dorpspastoor hen om hunne slechte en schandelijke leefwijze berispt of bestraft, dan vereenigen zij zich, drinken wijn, vullen een vel folio met hunne kruisjes en ijlen naar Manilla, waar zij zich tot het geregt wenden, bij hetwelk zij meenen den grootsten invloed uit te oefenen en waardoor voor den armen geestelijke veel verdriet ontstaat. Er behoort veel moed toe, dit soort van martelaarschap te verdragen, dat op de Philippijnen iets zeer gewoons is.»
Ik weet niet welke vervolgingen in den laatsten tijd zijn ingesteld tegen waarzegsters, maar ik vind het verhaal van eene fiksche vervolging en zware bestraffing, in het midden der vorige eeuw tegen de waarzegsters van Pampanga ingesteld. De processen werden gevoerd door een monnik Theodorus van de moeder Gods genaamd, die een speciaal verslag deed aan de Mexicaansche inquisitie. Hij zegt: «Er zijn waarzegsters in iedere plaats en in sommige maken zij zelfs het derde deel der bevolking uit. Deze slaven van den duivel zijn in verschillende klassen verdeeld;lamiasdie het bloed van jonge kinderen opzuigen;striges, die op de oppervlakte der aarde zwerven;sagas, die in woningen verkeeren en den duivel alle noodige inlichtingen verschaffen;larvas, die vleeschelijke lusten bot vieren;temures, die liefdesdranken gereed maken; doch allen zijn bestemd om het menschdom kwaad te berokkenen.»
De ligtgeloovigheid der Indianen is voorbeeldeloos. In 1832, toen deSanta Anamet 250 soldaten aankwam, verspreidde een gerucht zich als loopend vuur dat de Koning van Spanje bevel had gegeven om al de kinderen van de Indianen te verzamelen ten einde hun bloed in de Spaansche mijnen te storten, waardoor deze productiver zouden worden. De vrouwen ijlden naar hare woningen, en zochten met hare kinderen eene schuilplaats in de huizen van de Spaansche vrouwen te Manilla. De mannen wapenden zich met speren en vloden in opgewondenheiddoor de straten. Niet zonder moeite werd de beweging gestuit. Hetgeen iemand, die als wijze bekend staat, onder de Indianen als waarheid verklaart, wordt onmiddellijk geloofd en kan door geen’ invloed van de priesters worden geloochend; de woorden «Vica ng maruning», d. i. «de wijze zegt het»is het antwoord aan allen, die het niet gelooven. «God behoede ons» zegt de monnik, «voor Indische wijzen! De Indianen toch zijn trotsch en willen geen priester, noch den monnik, noch den aalmoezenier gelooven, wanneer de vrees hen daartoe niet dwingt, en zij zijn niet altijd bevreesd, ofschoon zij overtuigd zijn van de overmagt der Spanjaarden en tegen hun zin door hen geregeerd worden. Zij volgen den Spanjaard na in al wat kwaad is,—in zijne gehechtheid aan het spel en in al de kwade praktijken van dezaramullos(saletjonkers of drukke menschen); maar Spaansche hoffelijkheid en welgemanierdheid en goede opvoeding bestuderen zij nooit of zien zij niet af, maar opschik en dronkenschap en losbandige huwelijks- en begrafenispartijen, even als geweldadigheden van allerlei aard, hebben zij van hunne voorouders geërfd en spreiden zij nog ten toon, zoodat zij hunne ondeugden ook nog bij die der Spanjaarden voegen.»
Zij zijn onderdanig jegens iederen aristocraat onder hen. De rokkendragende principalia worden met veel onderscheiding behandeld en hunne rang zeer geëerbiedigd. Eerst heeft men den gobernadorcillo, daarop volgen de ex-gobernadorcillo’s, die naar ancienniteit als kapiteins worden benoemd; dan de in functie zijnde luitenant, die het hoofd van een barangay moet zijn; daarna de hoofden van barangay’s naar hunnen ouderdom, vervolgens de gewezen luitenants en zoo verder; hun rang wordt door de naburige gemeenten erkend.
Baden is algemeen in gebruik; mannen en vrouwen doen dit op eene en dezelfde plaats. De mannen dragen pantalons, de vrouwen dekken zich met een kleed, dat zij afwerpen als zij in het water gaan. Er hebben geene ergerlijke tooneelen plaats door deze gewoonte, en herhaalde pogingen van de Spaansche autoriteiten om dit oude gebruik te veranderen, hebben niets gebaat.
De Indianen omhelzen door de aanraking met den neus; meestal kussen zij echter dan ook de lippen. Als het neusgat is zamengetrokken(zooals bij het rieken) en de Indiaan ziet naar iemand op een afstand, dan leidt dit tot eene digter omhelzing. Vreemdsoortige verhalen doet men van het fijne reukorgaan der Indianen; men zegt dat zij daardoor de kleeding van hunne meesters en meesteressen kunnen onderscheiden en dat minnaars elkander’s wederzijdsche gevoelens ontdekken. Onderkleederen worden verwisseld, die ondersteld worden met de hartstogten der eigenaars doortrokken te zijn. In weêrwil van den monnik, besnijden de Indianen heimelijk hunne kinderen. De banaan-boom (Balete, Ficus Indica) wordt als heilig beschouwd. Zij branden er wierook onder, dat zij onder verschillende voorwendsels van de monniken verkrijgen. Hoe vreemd zijn de gebruiken der afgodendienst met Christelijke geboden vermengd! Dit is niet alleen het geval op de Philippijnen. Een van Dr. Gutzlaff’s erkende bekeerlingen te Hong-Kong was gewoon te zeggen, dat om den zendeling genoegen te doen hij een anderen God—der Christenen—bij dien gevoegd had, welken hij vroeger aanbad, en ik ben bekend met heimelijke bezoeken in heidensche tempels die Chinezen, welke Christenen waren, bragten wanneer zij op het punt stonden eene belangrijke zaak te ondernemen. «Men kan het vervloekte geloof niet van hen verwijderen—zegt de geestelijke—dat de geesten van hunne voorouders in de bosschen en onder de wortels van bamboes leven en dat deze goed of kwaad over hen kunnen verspreiden. Zij willen hun offers brengen; en al onze boeken enpredikatiënkunnen de indrukken niet wegnemen, die een oud man bij hen achterlaat, welken zij «een wijze» noemen.»«De geestelijken» zegt de Mas «gelooven dat dit bijgeloof vermindert; ongetwijfeld verbergt de Indiaan het zooveel mogelijk voor zijn’ biechtvader, maar ik zelf heb mij meermalen overtuigd dat het bestaat en dat het invloed uitoefent.» Wie, die eenigzins bekend is met de ligtgeloovigheid van deze minder beschaafde klassen, en niet deze alleen, maar ook onder ons zelven, kan zich dan ook verwonderen over den «godsdienstigen geest» van den Philippijnschen Indiaan? En zelfs de geestelijken zelve zijn met die zwakheid behebt, zoodat een Philippijnsche geestelijke Mallares, niet minder dan 57 moorden in de stad Magalan beging of veroorzaakte, in de overtuiging dat hij daardoor zijne moeder tegenbetoovering zou beschermen. Mallares werd in 1840 geëxecuteerd en in zijn rapport betuigt de fiscaal zijn afschuw van de «ongeloofelijke en barbaarsche bloedverkwisting van dit monster.»
«De Indiaan kent geen middenweg» zegt onze geestelijke, «vraag naar laauw water, dan brengt hij het kokend; zegt gij dat het te heet is, dan krijgt gij het ijskoud. Hij leeft in een kring van uitersten. Hij heeft behagen in uw ongeduld en wanneer gij u over hem ergert, dan schatert hij uit dat hij zijn meester kwaad heeft gemaakt. Wanneer men den Indiaan wil vertoornen, moet men geene notitie van zijne streken nemen. De scherpzinnige man onder hen weet dat de Indiaan en de rotting (voor zijne bestraffing) steeds zamen opgroeijen. Zij hebben een ander spreekwoord: «De Spanjaard is een vuur en de Indiaan sneeuw; de sneeuw bluscht het vuur uit.» Een der geestelijken verhaalt dat zijn bediende tot hem zeide: «Gij zijt een nieuweling en duldt te veel, als ik kwaad doe, moet gij mij straffen. Kent gij het spreekwoord niet: «De Indiaan en de rotting groeijen zamen op?» Zij lasteren en miskennen God als hunne gebeden niet verhoord worden en voeren eene taal, die inderdaad afschuwelijk zou zijn, wanneer men niet weet hoe onverstandig zij zijn en hoe onmogelijk het hun is zich naar den Goddelijken wil te gedragen.»
Er bestaan eene menigte godsdienstige treurspelen, bijzonder een in het Tagaleesch, dat het lijden en den dood van Christus voorstelt; maar deze godsdienstige voorstellingen en vergaderingen geven aanleiding tot ergerlijke tooneelen en misbruiken en doen menig onwettig kind het levenslicht aanschouwen. De priesters hebben meestal zulke voorstellingen in den nacht verboden en drijven soms zulke vergaderingen, met de zweep in de hand, uit elkander; op andere tijden worden de zangers betrapt en gestoord in hunne droevige klagten of ...... in hunne genoegens.
Het is aardig de tegenstrijdige meeningen der monniken aangaande hunne kudden te lezen. De een zegt: «Hunne biecht is valsch; zij bekennen nooit iets anders dan drie zonden: 1o. dat zij niet getrouw zijn ter kerk gegaan; 2o. dat zij vleesch eten gedurende de vasten en 3o. dat zij een valschen eed hebben gedaan.»Een ander berigt: «Geen Spanjaard kan vromer en godsdienstiger zijn dan de Indianen van Manilla in hunne biecht. Zij gehoorzamen de onderrigtingen, die men hun geeft, en ik heb dezelfde goede berigten van verscheidene geestelijken onder vele Indianen in deprovinciën.» Ongetwijfeld zou de geestelijke statistiek curieus zijn, wanneer men die kon verkrijgen. Van Lilio berigt de geestelijke dat van de1,300personen, die belasting betalen, 600 in 1840 nooit gebiecht hebben en deze plaats is niet een van de onverschilligste. Te Vigan gingen van 30,000 inwoners, niet meer dan 500 à 800 ter kerk (volgens de Mas), behalve bij het jaarlijksche feest van de Maagd, patrones van de plaats. Pater Augustijn geeft luide zijne verontwaardiging te kennen omtrent de biecht: «De helsche Macchiavel Satan—zegt hij—heeft hen iets geleerd, dat even goed voor hun ligchaam als slecht voor hunne ziel is, namelijk om elkander wederkeerig hunne gebreken en misdrijven te bekennen en die, al zijn zij van nog zoo ernstigen aard, voor den geestelijken vader, voor den Spaanschen alcalde te verbergen, niettegenstaande hunne persoonlijke twisten en, zooals zij ze noemen, doodvijandschap; zoo dat zij geene grootere beleediging kennen dan den pater of den alcalde te verhalen wat in de plaats gebeurt; dit, zeggen zij, ismabibig, de afschuwelijkste zonde, inderdaad het eenige, dat zij als zoodanig beschouwen.»
De monniken spreken over het algemeen gunstiger van de vrouwen, dan van de mannen. Zij zijn vromer, onderdaniger, welwillender om naar hare geestelijke vaders te luisteren. Een hunner zegt: «Wanneer het geheele menschdom van eene enkele paauwenveêr zou afhangen, die een Indiaan voor zijn’ hoed noodig had, dan zou hij al de menschen opofferen. Zij vreezen niet voor den dood, maar dat is eene groote weldaad van het Goddelijke Wezen, dat weet hoe zwak zij zijn; zij spreken van den dood, zelfs bij een’ stervende, alsof het niets ware. Wanneer zij tot schavotstraf veroordeeld zijn, betoonen zij dezelfde onverschilligheid en rooken hunne cigaar met de gewone bedaardheid. Hun antwoord aan den hen bedienenden priester is in den regel: «Ik weet dat ik ga sterven. Ik kan het niet helpen. Ik ben slecht geweest, het was de wil van God, die mij dit lot heeftbeschoren.» Maar met den dood voor oogen slapen en eten zij even gerust. «De boom moet zijn vrucht dragen,» vervolgt onze geestelijke, «God heeft in zijne wijsheid vele menschenstammen geschapen, even als Hij verscheidene soorten van bloemen doet ontspruiten, en eindelijk getroostte ik mij met de onverschilligheid der Indianen omtrent al hetgeen wij zouden doen; met het oog daarop kon ik ze als was naar mijn goedvinden rigten.»
Over het algemeen heb ik onder deze Indiaansche stammen niet een gevonden, die zich door intellectuele begaafdheden onderscheidde. Eenige weinigen wisten iets van werktuigkunde; een paar waren vrij goede beeldhouwers; ik ontwaarde overigens eene algemeene liefde voor de muziek en zelfs eenige waardering van de verdiensten van Europesche componisten, maar men moet er bijvoegen dat er ook niets of weinig gedaan wordt voor de ontwikkeling van de begaafdheden, die de Indiaan bezit; het veld van openbaar onderwijs is even beperkt door godsdienstigen als officielen invloed, en de zamenleving onder de meer vermogende klassen, waarnaar de Indiaan alleen kan opzien, staat verre beneden die van het Spaansche schiereiland. De letterkunde wordt weinig beoefend; de nieuwsbladen zijn meer met levensgeschiedenissen van heiligen en verhalen of berigten van godsdienstige feesten opgevuld, dan met de grootste gebeurtenissen in de politieke wereld. De Spanjaarden zijn nooit beroemd geweest om hunne groote onderzoekingen of activiteit, maar het is te hopen dat demanana, waarnaar alles wordt verwezen, eindelijk eenhoy diazal worden.
Men zegt van den Indiaan dat hij meer vier- dan tweevoetig is. Zijne handen zijn groot en de toonen aan zijne voeten gebogen, daar hij geoefend is in het klimmen op boomen en andere dergelijke bezigheden. Hij is als een amphibie en brengt den meesten tijd in het water door. Hij is ongevoelig zoo wel voor de brandende zon als voor den verkwikkenden regen. De indrukken, die hij ontvangt, zijn slechts een overgang en hij herinnert zich flaauw voorbijgaande of plaats gehad hebbende gebeurtenissen. Vraagt men hem naar zijnen ouderdom, dan kan hij niet antwoorden. Wie waren zijne voorouders? Hij weet het niet en bekommerter zich niet over. Hij ontvangt geene gunsten en kan dus niet ondankbaar zijn; hij bezit weinig ambitie en kan dus niet ongerust wezen; hij heeft weinig behoeften en is dan ook nooit jaloersch of afgunstig; hij bemoeit zich niet met de zaken van zijn buurman en let ook dikwijls op de zijne niet, zijne hoofdondeugd is luiheid; dat iszijngeluk. Het werk dat hij moet verrigten, doet hij metweêrzin. Hij is over het algemeen gezond, en is hij eens ongesteld, dan geneest hij zich met kruiden, waarvan hij de stoppende of laxerende eigenschappen ondervonden heeft. Hij gebruikt geen zeep om zich te wasschen, noch mes om zich te scheren; de rivier is zijn bad, en zijne haren kamt hij uit met eene schelp; hij behoeft geen klok om den tijd te weten; tafel, stoelen, borden, messen ontbeert hij bij zijn’ maaltijd; eenhachaof groot mes en een zak hangen gewoonlijk om zijn lijf; hij kent geene andere muziek dan het kraaijen van zijn’ haan en acht een schoen even overtollig als een handschoen of een das.
Ik heb onder de Indianen niet dien voortdurenden afkeer van vreemdelingen ondervonden, waarvan Mallat gewaagt, en die vooral tegen Engelschen zou gerigt zijn. Integendeel zag ik dat vele Engelschen, die op de Philippijnen gevestigd waren, veel vertrouwen en genegenheid ondervonden en ik heb mestizen en Indianen hooren zeggen dat zij veel meer vertrouwen in de handelseerlijkheid van Engelschen stellen, dan in die van eenige andere natie. Ik ben getuige geweest van de vriendschappelijkheid, waarmede het oude Spaansche spreekwoord «Paz con Ynglaterra y con todo el mundo guerra» in groote vergaderingen van de Filipinos is aangehaald. Er is dan ook geene natie, die meer dan Engeland tot de welvaart van den Spaanschen Archipel heeft bijgedragen. In den loop van dit ons verhaal zal men blijken genoeg zien van de goedheid, die men aan Engelschen betoont.
De Spanjaarden—het is meermalen gezegd—hebben zeer bescheiden en met goed geluk van het «divide et impera» onder de Indiaansche stammen gebruik gemaakt als een middel om hun eigen gezag te bewaren. Het is dan ook eene waarheid dat onder de meer verwijderde stammen weinig sympathie bestaat; maar dat hunne scheiding en verwijdering door de Spaansche staatkundeis bewerkt, wordt tegengesproken door het feit dat in Binondo bijna ⅓ van de inwoners Indianen van verreprovinciënzijn.
Het aantal Spanjaarden is klein, dat van de gewapende inlanders groot, wanneer er een opstand tegen het bestuur mogt ontstaan, maar ik geloof dat daartoe geene de minste neiging bestaat. Laatstelijk werden de Tagalesche soldaten naar een vreemd land (Cochin-China) in werkelijke dienst opgeroepen en in een’ strijd gewikkeld, waarin het Spaansche belang niet zeer te onderscheiden is. Geene klagten werden omtrent hun gedrag gehoord, ofschoon zij aan vele ontberingen blootgesteld waren.
Er bestaat eene aardige gewoonte onder de landlieden in het binnenland. Kleine houten bakjes ziet men daar buiten staan of uit de vensters van dechozahangen, waarin men onder plantaan-bladeren, spijzen of vruchten vindt uit den tuin achter het huis. Iedere reiziger, die voorbijgaat, voorziet zich daaruit van het noodige, wanneer hij arm is, betaalt hij daarvoor niets; anders geeft hij zulk eene vergoeding als hij noodig oordeelt. Geen zweem van verwijt treft den persoon, die, zonder dat hij kan betalen, van de goedheid gebruik maakt. Deze gastvrije ontvangst is het meest algemeen in de minst bevolkte plaatsen en herinnerde mij aan het water en de lamp, die ik in de graven van de heilige Muselmannen vond, welke op die wijze zich van de menschlievende pligt kweten of hunne volgelingen deden kwijten, om in de dorre woestijnen die aangename en treffende welkomstgroeten te geven aan den dorstigen en vermoeiden reiziger.
De tact of kunst van navolging is sterk onder de Indianen en vergemakkelijkte de pogingen der monniken, maar men vindt zeer verschillende en uiteenloopende berigten omtrent hunne bekwaamheden. Die van Pampanga, Cagajan, Pangasinan, Ilocos en Zebu moeten dapper, edelmoedig, werkzaam zijn en somtijds veel kunstsmaak ten toon spreiden. De liefde en uitoefening der muziek is algemeen en ik zag eenige merkwaardige staaltjes van beeldhouwkunst, maar op de schilderkunst werd mijne aandacht niet gevestigd, en de voorbeelden van volhardende studie tot eenig vak waren zeer weinige. Als bedienden, staan de Tagalezen in alle opzigten beneden de Chinezen; als soldaten worden over het algemeengunstige berigten omtrent hen gegeven. De Indianen, te Manilla gevestigd, moeten de ergsten van hunne stammen zijn. Het lijdt geen twijfel dat in de groote steden het meeste graauw verblijf houdt, maar tegelijkertijd huisvesten daarin dan ook de grootste verdiensten. De hoffelijkheden, die ons als hunne gasten werden betoond, waren eindeloos; er was geene moeite te groot om ons genoegen te doen. Veel kon wel is waar niet anders dan aan de leiding van de priesters en de tegenwoordigheid der autoriteiten worden toegeschreven, maar wij ontvingen toch duizende blijken van ongedwongene goedheid, die door geen’ invloed van buiten konden zijn bewerkt.
1De Chinezen schijnen overal dezelfde eigenaardigheden te behouden.De Britsche Consul-Generaal van Borneo schrijft mij: “Chinesche kolonisten kunnen onder Maleische wetten geen voorspoed genieten. Wij hebben eenige weinige honderden, doch het land zou honderd duizenden kunnen verzwelgen. In het binnenland vond ik onder de inboorlingen eene levendige herinnering aan de vroegere Chinesche peperplanters; zij zijn allen uitgeroeid of verdreven ten gevolge van burgerlijke twisten. Eenige weinige hunner afstammelingen zijn nog overgebleven, die de taal hunner vaders spreken, doch niet van de inlanders te onderscheiden zijn. Een Chinesche koopman sprak op een verachtenden toon van een der hoofden, die rondreisde, en sprak hem, tot niet geringe verbazing van den Chinees, in tamelijk goed Fokien aan. De geringe nog overige peperbouw wordt deels door de gemengde rassen aangekweekt. De opbrengst neemt langzaam toe; eenige weinige Chinezen met hunne inlandsche vrouwen hebben op nieuw beproefd zich er mede bezig te houden.”↑2Gaelensapahazijn termen, waarschijnlijk door handelaars met China ingevoerd.Taïlensapequezijn de namen die de Europeanen aan denliangentsinvan de Chinezen, het zilveren ons en het duizendste gedeelte daarvan, hebben gegeven.↑
1De Chinezen schijnen overal dezelfde eigenaardigheden te behouden.De Britsche Consul-Generaal van Borneo schrijft mij: “Chinesche kolonisten kunnen onder Maleische wetten geen voorspoed genieten. Wij hebben eenige weinige honderden, doch het land zou honderd duizenden kunnen verzwelgen. In het binnenland vond ik onder de inboorlingen eene levendige herinnering aan de vroegere Chinesche peperplanters; zij zijn allen uitgeroeid of verdreven ten gevolge van burgerlijke twisten. Eenige weinige hunner afstammelingen zijn nog overgebleven, die de taal hunner vaders spreken, doch niet van de inlanders te onderscheiden zijn. Een Chinesche koopman sprak op een verachtenden toon van een der hoofden, die rondreisde, en sprak hem, tot niet geringe verbazing van den Chinees, in tamelijk goed Fokien aan. De geringe nog overige peperbouw wordt deels door de gemengde rassen aangekweekt. De opbrengst neemt langzaam toe; eenige weinige Chinezen met hunne inlandsche vrouwen hebben op nieuw beproefd zich er mede bezig te houden.”↑
2Gaelensapahazijn termen, waarschijnlijk door handelaars met China ingevoerd.Taïlensapequezijn de namen die de Europeanen aan denliangentsinvan de Chinezen, het zilveren ons en het duizendste gedeelte daarvan, hebben gegeven.↑