HOOFDSTUK XXIII.OPENSTELLING VAN DE NIEUWE HAVENS VAN ILOILO, SUAL EN ZAMBOANGA.De openstelling van de havens van Sual, Iloilo en Zamboanga voor den vreemden handel, was natuurlijk bestemd om de locale belangen te ontwikkelen van de noordelijke, centrale en zuidelijke gedeelten van den Archipel; de gekozen plaatsen schenen de grootste aanmoediging aan te bieden, en toen het besluit van het Spaansche Gouvernement bekend werd, beval de Engelsche consul te Manilla de benoeming van Britsche vice-consuls te Sual en Iloilo aan, en zeker kon geene betere keus gedaan worden, dan men bij die gelegenheid deed, daar de meest geschikte heer in elk der havens werd gevestigd.Het rapport van den heer Farren, dat aan het Parlement werd voorgelegd, geeft getrouw de eischen van de nieuwe havens en hare onderhoorigheden; ieder had zijne bijzondere aanbevelingen. De bevolking van de noordelijke afdeeling, Pangasinan, de beide Ilocos (noordelijk en zuidelijk), Abra en La Union omvattende, kan onder de nijverste, rijkste en intelligentste op de Philippijnen gerekend worden. Cagajan produceert de grootste hoeveelheid tabak van de fijnste kwaliteit.De centrale afdeeling, die de digtst bevolkte van allen is,heeft sedert lang Manilla eene groote hoeveelheid van haren uitvoer verschaft, die in den loop der tijden ongetwijfeld direct uit de havens van productie naar die van consumptie zal gezonden worden; terwijl de zuidelijke, en de minst belovende op dit oogenblik, ieder element bevat dat grond en klimaat kunnen bijdragen om de kultuur aan te moedigen van groote plekken gronds, die tot hiertoe niet bereikt waren door de beschavende krachten van handel en kolonisatie.De bevolking in de noordelijke afdeeling is talrijk. In Ilocos (noordelijk en zuidelijk) zijn 12 steden met 5000 à 8000 inwoners; 7 met 8 à 12,000; 7 met 12 à 20,000 en 3 met 20 à 33,000 inwoners. In Pangasinan vindt men 9 steden met 5 à 12,000, 7 met 12à20,000 en 3 met 20 à 26,000 inwoners. De hoofdstad (Cabazera) van Cagajan telt meer dan 15,000 inwoners. Het midden-gedeelte vertegenwoordigt een nog grooter aantal volkrijke plaatsen. Zebu telt 14 steden met 5000 à 10,000 inwoners en 9 steden met 10 à 12,000 inwoners, terwijl men in Iloilo 7 steden met 5 à 10,000 inwoners vindt; 14 steden met 10 à 20,000; 7 met 20 à 30,000; 2 met 30 à 40,000 en 1 (Haro) met 46,000 inwoners.Deze statistiek voor 1857 toont eene belangrijke vermeerdering der bevolking aan sedert de opgaven van den heer Farren, en bewijst dat de opheffing van beperkende bepalingen gunstig op het algemeene welzijn heeft gewerkt, hoe onvoldoende de emancipatie moge geweest zijn. Er kan geen twijfel bestaan dat meer gunstige vooruitzigten tot de uitbreiding van eene vrijzinnige staatkunde zou leiden en dat mijnen van ongeëxploiteerde en niet-ontwikkelde schatten in de hulpbronnen van den landbouw en van den handel dezer streken zouden gevonden worden. Het belang van direct verkeer met vreemde landen wordt vergroot door het feit, dat gedurende verscheidene maanden van het jaar de moussons de communicatie van de meer afgelegene districten met de hoofdstad afbreken. De oude geest van monopolie weigerde den producent niet alleen het voordeel van hooge en den consument dat van lage prijzen, maar de handel zelf viel noodwendig in handen van niet-ondernemende en smokkelendekooplieden, wien die ondernemingsgeest geheel ontbrak, welke hetprimum mobileis van den vooruitgang van den handel. Het is toch het gevolg, de vloek en de veroordeeling van het monopolie, dat terwijl het het vooruitzien beperkt en den geest benevelt van den monopolist, het de groote handelsbelangen van den handel aan de hoede overlevert van eene lagere klasse van handelaren; terwijl het die hoogere klassen uitsluit, welke in handelsondernemingen gewikkeld zijn, als hij op den wijden oceaan van moedige en volhardende energie dobbert. Hoe kan de boom zijn vollen groei en ontwikkeling verkrijgen, wanneer zijne takken voortdurend worden afgehaald, tot dat de schaduw verdwijnt en zijne vruchten ten voordeele vallen van anderen, in plaats van den eigenaar?Maar de waarde van de gunstige veranderingen, die ingevoerd werden, is grootendeels verminderd door den onvoldoenden aard van de concessiën. Zij hadden volledig moeten zijn; zij hadden, terwijl de havens voor den vreemden handel geopend werden, den handel los van alle banden en volle vrijheid moeten laten. De discussiën, die daarover intusschen hebben plaats gehad, zijn zeer nuttig geweest, en het aandeel dat ten opzigte van de handelsvrijheid is genomen door de heeren Bosch en Loney, beide Britsche vice-consuls, getuigen van hunnen ijver en van hunne bekwaamheid. Op de Philippijnen is de strekking van de algemeene opinie voorzeker in de juiste rigting. De tegenstand, die gedurende zoovele jaren, of zelfs eeuwen, zich verzette tegen de toelating van vreemdelingen in de koloniale havens, was ongetwijfeld gegrond op de theorie dat zij minder handel zouden aanbrengen dan wegvoeren, dat zij zouden deelen in de groote voordeelen van diegenen, welke het monopolie bezaten, maar deze daarentegen geene voordeelen zouden opleveren.De heer Farren toont aan, dat in 1855 «de Britsche handel met de Philippijnen in waarde overtrof dien van Groot-Brittannië met verschillende Europesche landen, met dien van elken staat of elke haven in Afrika; dat hij grooter was dan die van den Britschen handel met Mexico, Columbia of Guatemala en bijna in de verdeeling tot de tweede klasse van den nationalen handel met Azië gebragt moest worden, daar de totale waarde van den in- en uitvoer bijna 3 millioen pond sterling bedroeg. De uitvoer van suiker naarGroot-Brittannië en zijne koloniën beliep in 1854 42,000 tonnen; die naar Groot-Brittannië alleen was langzamerhand van den uitvoer van 1852, die 5,061 tonnen bedroeg, tot 27,254 geklommen, hetgeen meer is dan de uitvoer naar de geheele wereld in 1852. De invoer van Britsche goederen en manufacturen, die in 1845 eene waarde van 427,020 p. st. beliep, bedroeg in 1855 meer dan een millioen pond.» De handel neemt nog steeds in bloei toe en de opheffing van alle beperkingen, de aanmoediging van alles wat bevorderlijk kan zijn, zal den vooruitgang doen toenemen en ongetwijfeld de algemeene welvaart vermeerderen.Volgens de statistiek van het eiland Panay voor 1857 waren in de provincie Iloilo 527,970, in Capiz 143,713 en in de provincie Antique 77,639 inwoners, te zamen 749,322 of bijna drie vierde van een millioen inwoners. De lage landen van Capiz staan aan vele overstroomingen bloot. Men vindt er eene schoone rivier, waarop de scheepvaart door eene zandbank aan de monding wordt belemmerd. De provincie is productief en levert twee oogsten rijst per jaar op. De havens van Batan en Capiz (de cabacera) zijn veilig voor vaartuigen van tamelijke grootte. De inwoners van Antique, dat de geheele westkust van Panay inneemt, zijn de minst industriële van de bevolking van het eiland. De kust is gevaarlijk. Men vindt er twee pueblos, Bugason en Pandan, met meer dan 10,000 zielen. De cabacera San José telt minder dan de helft van dat getal. De wegen der provinciën zijn slecht en de communicatie met Iloilo moeijelijk. De landerijen zijn natuurlijk vruchtbaar, doch de Indianen hebben er niet veel voordeel van getrokken. Men vindt slechts twee-en-veertig mestizen in de provincie. Er bestaat eene kleine paarl- en schildpadvisscherij en sommige zee-slakken worden voor de Chinesche markt gevangen.Iloilo is ongetwijfeld daarom aangewezen als de zetel van het gouvernement, omdat het vele gemakken aan de scheepvaart aanbiedt, doch het is kleiner, minder rijk en zelfs minder actief dan vele steden in den omtrek. De provincie Iloilo is, over het algemeen, misschien de meest gevorderde van eenige op de Philippijnen, uitgezonderd de onmiddellijke omstreken van de hoofdstad. Zij heeft schoone bergachtige landschappen, rijk versierd met bosschen, terwijl de vlakten zeer vruchtbaar zijn. Alle tropischeproducten schijnen er te bloeijen. De fabrieknijverheid der vrouwen is er karakteristiek en is in andere plaatsen overgebragt, vooral met betrekking tot de buitengewone schoonheid van het pina-fabrikaat. Mallat geeft de volgende beschrijving van de wijze van bereiding van het fabrikaat:«Uit de bladen van den pijn-appel—de plant, die zulke uitmuntende vruchten oplevert—worden de witte en fijne draden getrokken, die de onbewerkte stof zijn van denipisof pina-stoffen. De spruiten van ananassen worden geplant, die somtijds onder de vrucht tot een getal van twaalf groeijen; zij worden opgegraven en in een ligten grond geplaatst, zoo mogelijk beschermd en onmiddellijk na het planten bevochtigd. Na vier maanden wordt de kroon weggenomen, ten einde het uitbotten te beletten en te voorkomen dat de bladen breeder en langer worden. Na acht maanden zijn zij een el lang en zes duimen breed; alsdan worden zij afgehaald, op eene plank uitgestrekt en terwijl de Indiaan die met zijn’ voet vasthoudt, krabt hij met een stuk gebroken aardewerk het vleesch, totdat de vezel verschijnt. Deze worden in het midden vastgehouden en zorgvuldig van het eene einde tot het andere opgehaald; zij worden twee of drie maal in water gewasschen, in de lucht gedroogd en gezuiverd; later worden zij gesorteerd naarmate van de lengte en kwaliteit. Vrouwen binden de afzonderlijke draden te zamen in pakken en dan zijn zij gereed voor het gebruik van den wever. Bij het weven is het noodig eene te hooge of te lage temperatuur te vermijden; te zorgen dat het niet te droog en niet te vochtig is; en de fijnste draden worden onder beveiliging van een mosquito-net geweven. De weefster is zoo geduldig, dat zij somtijds niet meer dan een halven duim per dag produceert. De fijnste wordenpiniliangenoemd en alleen op aanvraag gemaakt. De ananassen worden alleen ten behoeve van den vezel gecultiveerd, die op de markt wordt gekocht. De meeste stoffen zijn zeer smal; als zij met zijde zijn gefigureerd, koopt men ze voor ongeveer zes gulden per el. De effen stof, die voor borduurwerk wordt gebruikt, gaat naar Manilla, waar de hoogste prijzen voor het voortreffelijk werk worden betaald.»De vice-consul Bosch heeft een belangrijk rapport geschreven over de voordeden van de provincie Pangasinan en van Sual,hare voornaamste haven. De omtrek van de kust bedraagt 50 à 60 mijlen ten zuiden en oosten van de golf van Lingajen. In het binnenland vindt men een aantal gemakkelijke waterwegen en de belangrijkste rivier, de Agno, vloeit te St. Isidro in de zee, ongeveer anderhalve mijl van Sual. De Agno is omstreeks 70 à 80 mijlen in het binnenland bevaarbaar en brengt producten van denaburigeprovinciën van La Union en Nueva Ecija over. De uitvoer naar Manilla geschiedt meestal uit Sual, naar China uit Dagupan. Dagupan ligt aan de monding van een grooten zeearm, maar een dam belet het binnenzeilen van een groot vaartuig. Het gebrek aan eene veilige ankerplaats is het ongerief van de geheele kust in de provincie, met uitzondering van de haven van Sual. Deze haven, ofschoon klein, is veilig; zij is bijna geheel rond. Zij kan 12 à 15 groote vaartuigen en 30 à 40 kustvaarders bevatten en wordt van alle zijden goed beschermd, maar in de haven zelve bevindt zich eene eenigzins gevaarlijke bank.Men vindt ongeveer 400 huizen in Sual; zij zijn op de vlakte tegenover de haven verspreid en van hout gebouwd. Bovendien heeft men er 100 Indiaansche hutten (chozas), die uit nipapalm zijn zamengesteld. De kerk is een armzalig hulpgebouw.Sual vertoont eenige sporen van verbetering. De weg naar de naburige provincie Zambales wordt verbeterd. De geallieerde magten in Cochin-China hebben laatstelijk voorraad, vooral vee, uit Sual doen komen. De waarde van den uitvoer uit Sual over 1858 bedraagt 670,095 dollars; de invoer van buitenlandsche goederen en fabrikaten in de drie havens der provincie—Dagupan, Binmaley en Lingajen—beloopt meer dan 464,116 dollars, allen aangebragt door kustvaartuigen, waarvan 75 tot de provincie behooren. De grootste pueblo van de provincie is San Carlos met 26,376 inwoners; de tweede, Binmaley, met 24,911, en de derde, Lingajen, met 23,063 inwoners, maar de bevolking van Sual bedraagt slechts3,451zielen. Rijst en suiker zijn de voornaamste uitvoer-artikelen van productie, maar te Calasiao bestaat eene aanzienlijke fabrikatie van hoeden, cigarenkokers, matten en andere fabrikaten uit de vezelen van het land. Men vindt geene groote etablissementen of fabrieken op eene uitgebreideschaal. Alles wordt door kleine eigenaars en huiselijke industrie vervaardigd. Op vele plaatsen worden op geregelde tijden markten (tianguesgenaamd) gehouden, waarop alle soorten van artikelen ter verkoop gebragt worden. Men berekent dat Pangasinan 20,000 vaten rijst voor den uitvoer kon opleveren, nadat het reeds in de plaatselijke behoeften heeft voorzien. Voor de bereiding van suiker wordt weinig zorg gedragen, ofschoon zij in overvloed kon worden geproduceerd. Er wordt veel hout gekapt voor den scheepsbouw en andere doeleinden. Bij het invallen van den N.-O. mousson beginnen de handelsondernemingen en hebben vele verschepingen plaats; de wegen zijn dan begaanbaar, de magazijnen met goederen gevuld; dit duurt tot het einde van Junij of Julij. Dan vallen de hevige regens in: de vaartuigen voor den kusthandel worden voor het saisoen weggedaan, de rivieren overstroomen, de meeste hulpbruggen worden door de vloeden weggespoeld; iedereen is bezig met hetgeen de Spanjaarden hun «inwendig leven» noemen; zij maken de berekeningen over het afgeloopen jaar op en maken zich gereed voor hetgeen komt, terwijl de kleine buitenlandsche handel van Sual het eenige spoor van handelsbeweging is.De arbeid wordt matig betaald. Wanneer men vijftig scheepstimmerlieden neemt, die op eene plaats bezig zijn, is de minste bezoldiging 5, de hoogste 10 realen per week (dat is 3 à 6 sh.). Zij krijgen voorts twee maten rijst en een stukje vleesch of visch. Een veldarbeider (ofpeon) heeft eene reaal per dag en de kost. Een kar met een buffel en voerman kost 1½ reaal per dag.Bijna alle aankoopen worden gedaan door makelaars (personeros), die voor eene commissie, meestal van 5 pCt. en eene guarantie van 2½ pCt., de producten van het land van de landbouwers inzamelen, aan wie zij voorschotten doen, altijd in zilver, en het gaat soms door vele handen, vóór dat de landbouwer-producent het krijgt.In Pangasinan vindt men weinig Spanjaarden van geboorte. Een aantal mestizen wijden zich aan den handel. In Lingajen, met 23,000 inwoners, zijn meer dan1,000mestizen; in Binmaley, met 24,000 inwoners, slechts 22 mestizen. De eerste is eene handelsplaats, de tweede eene plaats van den landbouw. Slechts weinigeIndianen hebben vermogen verkregen. Het Chinesche element is daar doorgedrongen en zij verkrijgen meer en meer invloed als active handelslieden. Geen Oostersch geslacht kan met hen wedijveren, waar van geduld, volharding en spaarzaamheid sprake is. Zij zijn niet bemind, maar zij verdragen gewillig vele lasten en vereenigen en versterken zich door eenheid van doel. In Calasiao zegt men dat zij in twee jaren bijna 80 winkels hebben opgerigt en dat zij langzamerhand alle winstgevende ondernemingen aanvatten, terwijl zij de markten bezochten als verkoopers zoowel als koopers en relatiën met het binnenland aanknoopten, waaraan geen inlandsche Indiaan ooit zou gedacht hebben. In de gewone handelszaken begaan zij ook het euvel niet om buitengewone winsten te eischen. Een Chinees zal, ja, een hoogen prijs vragen of een lagen prijs aanbieden in zijne verschillende relatiën, maar wanneer hij het uitzigt heeft op eene matige winst, zal hij die niet laten ontglippen. Er bestaat toenemende aanvraag naar Europesche koopwaren, waarvan de Chinezen de voornaamste invoerders zijn, terwijl zij, meer dan alle anderen, geneigd zijn nieuwe kanalen voor den handel te openen. De gewone interest is 10 pCt., ofschoon de kerkfondsen tegen 6 pCt. geleend worden aan diegenen, wie de geestelijkheid gunstig gezind is. Dit is dan ook de wettige prijs.Volgens de opgaven van den heer Bosch over 1858 zijn in dat jaar acht groote vaartuigen, met7,185tonnen en 282 kustvaartuigen met7,780tonnen, de haven van Sual binnengeloopen. Slechts vier van de eerste voerden ladingen mede, twee hadden schade te herstellen, terwijl twee andere Spaansche gouvernements-stoombooten waren, die geld, ten bedrage van 210,000 dollars, naar Manilla overbragten.
HOOFDSTUK XXIII.OPENSTELLING VAN DE NIEUWE HAVENS VAN ILOILO, SUAL EN ZAMBOANGA.De openstelling van de havens van Sual, Iloilo en Zamboanga voor den vreemden handel, was natuurlijk bestemd om de locale belangen te ontwikkelen van de noordelijke, centrale en zuidelijke gedeelten van den Archipel; de gekozen plaatsen schenen de grootste aanmoediging aan te bieden, en toen het besluit van het Spaansche Gouvernement bekend werd, beval de Engelsche consul te Manilla de benoeming van Britsche vice-consuls te Sual en Iloilo aan, en zeker kon geene betere keus gedaan worden, dan men bij die gelegenheid deed, daar de meest geschikte heer in elk der havens werd gevestigd.Het rapport van den heer Farren, dat aan het Parlement werd voorgelegd, geeft getrouw de eischen van de nieuwe havens en hare onderhoorigheden; ieder had zijne bijzondere aanbevelingen. De bevolking van de noordelijke afdeeling, Pangasinan, de beide Ilocos (noordelijk en zuidelijk), Abra en La Union omvattende, kan onder de nijverste, rijkste en intelligentste op de Philippijnen gerekend worden. Cagajan produceert de grootste hoeveelheid tabak van de fijnste kwaliteit.De centrale afdeeling, die de digtst bevolkte van allen is,heeft sedert lang Manilla eene groote hoeveelheid van haren uitvoer verschaft, die in den loop der tijden ongetwijfeld direct uit de havens van productie naar die van consumptie zal gezonden worden; terwijl de zuidelijke, en de minst belovende op dit oogenblik, ieder element bevat dat grond en klimaat kunnen bijdragen om de kultuur aan te moedigen van groote plekken gronds, die tot hiertoe niet bereikt waren door de beschavende krachten van handel en kolonisatie.De bevolking in de noordelijke afdeeling is talrijk. In Ilocos (noordelijk en zuidelijk) zijn 12 steden met 5000 à 8000 inwoners; 7 met 8 à 12,000; 7 met 12 à 20,000 en 3 met 20 à 33,000 inwoners. In Pangasinan vindt men 9 steden met 5 à 12,000, 7 met 12à20,000 en 3 met 20 à 26,000 inwoners. De hoofdstad (Cabazera) van Cagajan telt meer dan 15,000 inwoners. Het midden-gedeelte vertegenwoordigt een nog grooter aantal volkrijke plaatsen. Zebu telt 14 steden met 5000 à 10,000 inwoners en 9 steden met 10 à 12,000 inwoners, terwijl men in Iloilo 7 steden met 5 à 10,000 inwoners vindt; 14 steden met 10 à 20,000; 7 met 20 à 30,000; 2 met 30 à 40,000 en 1 (Haro) met 46,000 inwoners.Deze statistiek voor 1857 toont eene belangrijke vermeerdering der bevolking aan sedert de opgaven van den heer Farren, en bewijst dat de opheffing van beperkende bepalingen gunstig op het algemeene welzijn heeft gewerkt, hoe onvoldoende de emancipatie moge geweest zijn. Er kan geen twijfel bestaan dat meer gunstige vooruitzigten tot de uitbreiding van eene vrijzinnige staatkunde zou leiden en dat mijnen van ongeëxploiteerde en niet-ontwikkelde schatten in de hulpbronnen van den landbouw en van den handel dezer streken zouden gevonden worden. Het belang van direct verkeer met vreemde landen wordt vergroot door het feit, dat gedurende verscheidene maanden van het jaar de moussons de communicatie van de meer afgelegene districten met de hoofdstad afbreken. De oude geest van monopolie weigerde den producent niet alleen het voordeel van hooge en den consument dat van lage prijzen, maar de handel zelf viel noodwendig in handen van niet-ondernemende en smokkelendekooplieden, wien die ondernemingsgeest geheel ontbrak, welke hetprimum mobileis van den vooruitgang van den handel. Het is toch het gevolg, de vloek en de veroordeeling van het monopolie, dat terwijl het het vooruitzien beperkt en den geest benevelt van den monopolist, het de groote handelsbelangen van den handel aan de hoede overlevert van eene lagere klasse van handelaren; terwijl het die hoogere klassen uitsluit, welke in handelsondernemingen gewikkeld zijn, als hij op den wijden oceaan van moedige en volhardende energie dobbert. Hoe kan de boom zijn vollen groei en ontwikkeling verkrijgen, wanneer zijne takken voortdurend worden afgehaald, tot dat de schaduw verdwijnt en zijne vruchten ten voordeele vallen van anderen, in plaats van den eigenaar?Maar de waarde van de gunstige veranderingen, die ingevoerd werden, is grootendeels verminderd door den onvoldoenden aard van de concessiën. Zij hadden volledig moeten zijn; zij hadden, terwijl de havens voor den vreemden handel geopend werden, den handel los van alle banden en volle vrijheid moeten laten. De discussiën, die daarover intusschen hebben plaats gehad, zijn zeer nuttig geweest, en het aandeel dat ten opzigte van de handelsvrijheid is genomen door de heeren Bosch en Loney, beide Britsche vice-consuls, getuigen van hunnen ijver en van hunne bekwaamheid. Op de Philippijnen is de strekking van de algemeene opinie voorzeker in de juiste rigting. De tegenstand, die gedurende zoovele jaren, of zelfs eeuwen, zich verzette tegen de toelating van vreemdelingen in de koloniale havens, was ongetwijfeld gegrond op de theorie dat zij minder handel zouden aanbrengen dan wegvoeren, dat zij zouden deelen in de groote voordeelen van diegenen, welke het monopolie bezaten, maar deze daarentegen geene voordeelen zouden opleveren.De heer Farren toont aan, dat in 1855 «de Britsche handel met de Philippijnen in waarde overtrof dien van Groot-Brittannië met verschillende Europesche landen, met dien van elken staat of elke haven in Afrika; dat hij grooter was dan die van den Britschen handel met Mexico, Columbia of Guatemala en bijna in de verdeeling tot de tweede klasse van den nationalen handel met Azië gebragt moest worden, daar de totale waarde van den in- en uitvoer bijna 3 millioen pond sterling bedroeg. De uitvoer van suiker naarGroot-Brittannië en zijne koloniën beliep in 1854 42,000 tonnen; die naar Groot-Brittannië alleen was langzamerhand van den uitvoer van 1852, die 5,061 tonnen bedroeg, tot 27,254 geklommen, hetgeen meer is dan de uitvoer naar de geheele wereld in 1852. De invoer van Britsche goederen en manufacturen, die in 1845 eene waarde van 427,020 p. st. beliep, bedroeg in 1855 meer dan een millioen pond.» De handel neemt nog steeds in bloei toe en de opheffing van alle beperkingen, de aanmoediging van alles wat bevorderlijk kan zijn, zal den vooruitgang doen toenemen en ongetwijfeld de algemeene welvaart vermeerderen.Volgens de statistiek van het eiland Panay voor 1857 waren in de provincie Iloilo 527,970, in Capiz 143,713 en in de provincie Antique 77,639 inwoners, te zamen 749,322 of bijna drie vierde van een millioen inwoners. De lage landen van Capiz staan aan vele overstroomingen bloot. Men vindt er eene schoone rivier, waarop de scheepvaart door eene zandbank aan de monding wordt belemmerd. De provincie is productief en levert twee oogsten rijst per jaar op. De havens van Batan en Capiz (de cabacera) zijn veilig voor vaartuigen van tamelijke grootte. De inwoners van Antique, dat de geheele westkust van Panay inneemt, zijn de minst industriële van de bevolking van het eiland. De kust is gevaarlijk. Men vindt er twee pueblos, Bugason en Pandan, met meer dan 10,000 zielen. De cabacera San José telt minder dan de helft van dat getal. De wegen der provinciën zijn slecht en de communicatie met Iloilo moeijelijk. De landerijen zijn natuurlijk vruchtbaar, doch de Indianen hebben er niet veel voordeel van getrokken. Men vindt slechts twee-en-veertig mestizen in de provincie. Er bestaat eene kleine paarl- en schildpadvisscherij en sommige zee-slakken worden voor de Chinesche markt gevangen.Iloilo is ongetwijfeld daarom aangewezen als de zetel van het gouvernement, omdat het vele gemakken aan de scheepvaart aanbiedt, doch het is kleiner, minder rijk en zelfs minder actief dan vele steden in den omtrek. De provincie Iloilo is, over het algemeen, misschien de meest gevorderde van eenige op de Philippijnen, uitgezonderd de onmiddellijke omstreken van de hoofdstad. Zij heeft schoone bergachtige landschappen, rijk versierd met bosschen, terwijl de vlakten zeer vruchtbaar zijn. Alle tropischeproducten schijnen er te bloeijen. De fabrieknijverheid der vrouwen is er karakteristiek en is in andere plaatsen overgebragt, vooral met betrekking tot de buitengewone schoonheid van het pina-fabrikaat. Mallat geeft de volgende beschrijving van de wijze van bereiding van het fabrikaat:«Uit de bladen van den pijn-appel—de plant, die zulke uitmuntende vruchten oplevert—worden de witte en fijne draden getrokken, die de onbewerkte stof zijn van denipisof pina-stoffen. De spruiten van ananassen worden geplant, die somtijds onder de vrucht tot een getal van twaalf groeijen; zij worden opgegraven en in een ligten grond geplaatst, zoo mogelijk beschermd en onmiddellijk na het planten bevochtigd. Na vier maanden wordt de kroon weggenomen, ten einde het uitbotten te beletten en te voorkomen dat de bladen breeder en langer worden. Na acht maanden zijn zij een el lang en zes duimen breed; alsdan worden zij afgehaald, op eene plank uitgestrekt en terwijl de Indiaan die met zijn’ voet vasthoudt, krabt hij met een stuk gebroken aardewerk het vleesch, totdat de vezel verschijnt. Deze worden in het midden vastgehouden en zorgvuldig van het eene einde tot het andere opgehaald; zij worden twee of drie maal in water gewasschen, in de lucht gedroogd en gezuiverd; later worden zij gesorteerd naarmate van de lengte en kwaliteit. Vrouwen binden de afzonderlijke draden te zamen in pakken en dan zijn zij gereed voor het gebruik van den wever. Bij het weven is het noodig eene te hooge of te lage temperatuur te vermijden; te zorgen dat het niet te droog en niet te vochtig is; en de fijnste draden worden onder beveiliging van een mosquito-net geweven. De weefster is zoo geduldig, dat zij somtijds niet meer dan een halven duim per dag produceert. De fijnste wordenpiniliangenoemd en alleen op aanvraag gemaakt. De ananassen worden alleen ten behoeve van den vezel gecultiveerd, die op de markt wordt gekocht. De meeste stoffen zijn zeer smal; als zij met zijde zijn gefigureerd, koopt men ze voor ongeveer zes gulden per el. De effen stof, die voor borduurwerk wordt gebruikt, gaat naar Manilla, waar de hoogste prijzen voor het voortreffelijk werk worden betaald.»De vice-consul Bosch heeft een belangrijk rapport geschreven over de voordeden van de provincie Pangasinan en van Sual,hare voornaamste haven. De omtrek van de kust bedraagt 50 à 60 mijlen ten zuiden en oosten van de golf van Lingajen. In het binnenland vindt men een aantal gemakkelijke waterwegen en de belangrijkste rivier, de Agno, vloeit te St. Isidro in de zee, ongeveer anderhalve mijl van Sual. De Agno is omstreeks 70 à 80 mijlen in het binnenland bevaarbaar en brengt producten van denaburigeprovinciën van La Union en Nueva Ecija over. De uitvoer naar Manilla geschiedt meestal uit Sual, naar China uit Dagupan. Dagupan ligt aan de monding van een grooten zeearm, maar een dam belet het binnenzeilen van een groot vaartuig. Het gebrek aan eene veilige ankerplaats is het ongerief van de geheele kust in de provincie, met uitzondering van de haven van Sual. Deze haven, ofschoon klein, is veilig; zij is bijna geheel rond. Zij kan 12 à 15 groote vaartuigen en 30 à 40 kustvaarders bevatten en wordt van alle zijden goed beschermd, maar in de haven zelve bevindt zich eene eenigzins gevaarlijke bank.Men vindt ongeveer 400 huizen in Sual; zij zijn op de vlakte tegenover de haven verspreid en van hout gebouwd. Bovendien heeft men er 100 Indiaansche hutten (chozas), die uit nipapalm zijn zamengesteld. De kerk is een armzalig hulpgebouw.Sual vertoont eenige sporen van verbetering. De weg naar de naburige provincie Zambales wordt verbeterd. De geallieerde magten in Cochin-China hebben laatstelijk voorraad, vooral vee, uit Sual doen komen. De waarde van den uitvoer uit Sual over 1858 bedraagt 670,095 dollars; de invoer van buitenlandsche goederen en fabrikaten in de drie havens der provincie—Dagupan, Binmaley en Lingajen—beloopt meer dan 464,116 dollars, allen aangebragt door kustvaartuigen, waarvan 75 tot de provincie behooren. De grootste pueblo van de provincie is San Carlos met 26,376 inwoners; de tweede, Binmaley, met 24,911, en de derde, Lingajen, met 23,063 inwoners, maar de bevolking van Sual bedraagt slechts3,451zielen. Rijst en suiker zijn de voornaamste uitvoer-artikelen van productie, maar te Calasiao bestaat eene aanzienlijke fabrikatie van hoeden, cigarenkokers, matten en andere fabrikaten uit de vezelen van het land. Men vindt geene groote etablissementen of fabrieken op eene uitgebreideschaal. Alles wordt door kleine eigenaars en huiselijke industrie vervaardigd. Op vele plaatsen worden op geregelde tijden markten (tianguesgenaamd) gehouden, waarop alle soorten van artikelen ter verkoop gebragt worden. Men berekent dat Pangasinan 20,000 vaten rijst voor den uitvoer kon opleveren, nadat het reeds in de plaatselijke behoeften heeft voorzien. Voor de bereiding van suiker wordt weinig zorg gedragen, ofschoon zij in overvloed kon worden geproduceerd. Er wordt veel hout gekapt voor den scheepsbouw en andere doeleinden. Bij het invallen van den N.-O. mousson beginnen de handelsondernemingen en hebben vele verschepingen plaats; de wegen zijn dan begaanbaar, de magazijnen met goederen gevuld; dit duurt tot het einde van Junij of Julij. Dan vallen de hevige regens in: de vaartuigen voor den kusthandel worden voor het saisoen weggedaan, de rivieren overstroomen, de meeste hulpbruggen worden door de vloeden weggespoeld; iedereen is bezig met hetgeen de Spanjaarden hun «inwendig leven» noemen; zij maken de berekeningen over het afgeloopen jaar op en maken zich gereed voor hetgeen komt, terwijl de kleine buitenlandsche handel van Sual het eenige spoor van handelsbeweging is.De arbeid wordt matig betaald. Wanneer men vijftig scheepstimmerlieden neemt, die op eene plaats bezig zijn, is de minste bezoldiging 5, de hoogste 10 realen per week (dat is 3 à 6 sh.). Zij krijgen voorts twee maten rijst en een stukje vleesch of visch. Een veldarbeider (ofpeon) heeft eene reaal per dag en de kost. Een kar met een buffel en voerman kost 1½ reaal per dag.Bijna alle aankoopen worden gedaan door makelaars (personeros), die voor eene commissie, meestal van 5 pCt. en eene guarantie van 2½ pCt., de producten van het land van de landbouwers inzamelen, aan wie zij voorschotten doen, altijd in zilver, en het gaat soms door vele handen, vóór dat de landbouwer-producent het krijgt.In Pangasinan vindt men weinig Spanjaarden van geboorte. Een aantal mestizen wijden zich aan den handel. In Lingajen, met 23,000 inwoners, zijn meer dan1,000mestizen; in Binmaley, met 24,000 inwoners, slechts 22 mestizen. De eerste is eene handelsplaats, de tweede eene plaats van den landbouw. Slechts weinigeIndianen hebben vermogen verkregen. Het Chinesche element is daar doorgedrongen en zij verkrijgen meer en meer invloed als active handelslieden. Geen Oostersch geslacht kan met hen wedijveren, waar van geduld, volharding en spaarzaamheid sprake is. Zij zijn niet bemind, maar zij verdragen gewillig vele lasten en vereenigen en versterken zich door eenheid van doel. In Calasiao zegt men dat zij in twee jaren bijna 80 winkels hebben opgerigt en dat zij langzamerhand alle winstgevende ondernemingen aanvatten, terwijl zij de markten bezochten als verkoopers zoowel als koopers en relatiën met het binnenland aanknoopten, waaraan geen inlandsche Indiaan ooit zou gedacht hebben. In de gewone handelszaken begaan zij ook het euvel niet om buitengewone winsten te eischen. Een Chinees zal, ja, een hoogen prijs vragen of een lagen prijs aanbieden in zijne verschillende relatiën, maar wanneer hij het uitzigt heeft op eene matige winst, zal hij die niet laten ontglippen. Er bestaat toenemende aanvraag naar Europesche koopwaren, waarvan de Chinezen de voornaamste invoerders zijn, terwijl zij, meer dan alle anderen, geneigd zijn nieuwe kanalen voor den handel te openen. De gewone interest is 10 pCt., ofschoon de kerkfondsen tegen 6 pCt. geleend worden aan diegenen, wie de geestelijkheid gunstig gezind is. Dit is dan ook de wettige prijs.Volgens de opgaven van den heer Bosch over 1858 zijn in dat jaar acht groote vaartuigen, met7,185tonnen en 282 kustvaartuigen met7,780tonnen, de haven van Sual binnengeloopen. Slechts vier van de eerste voerden ladingen mede, twee hadden schade te herstellen, terwijl twee andere Spaansche gouvernements-stoombooten waren, die geld, ten bedrage van 210,000 dollars, naar Manilla overbragten.
HOOFDSTUK XXIII.OPENSTELLING VAN DE NIEUWE HAVENS VAN ILOILO, SUAL EN ZAMBOANGA.
De openstelling van de havens van Sual, Iloilo en Zamboanga voor den vreemden handel, was natuurlijk bestemd om de locale belangen te ontwikkelen van de noordelijke, centrale en zuidelijke gedeelten van den Archipel; de gekozen plaatsen schenen de grootste aanmoediging aan te bieden, en toen het besluit van het Spaansche Gouvernement bekend werd, beval de Engelsche consul te Manilla de benoeming van Britsche vice-consuls te Sual en Iloilo aan, en zeker kon geene betere keus gedaan worden, dan men bij die gelegenheid deed, daar de meest geschikte heer in elk der havens werd gevestigd.Het rapport van den heer Farren, dat aan het Parlement werd voorgelegd, geeft getrouw de eischen van de nieuwe havens en hare onderhoorigheden; ieder had zijne bijzondere aanbevelingen. De bevolking van de noordelijke afdeeling, Pangasinan, de beide Ilocos (noordelijk en zuidelijk), Abra en La Union omvattende, kan onder de nijverste, rijkste en intelligentste op de Philippijnen gerekend worden. Cagajan produceert de grootste hoeveelheid tabak van de fijnste kwaliteit.De centrale afdeeling, die de digtst bevolkte van allen is,heeft sedert lang Manilla eene groote hoeveelheid van haren uitvoer verschaft, die in den loop der tijden ongetwijfeld direct uit de havens van productie naar die van consumptie zal gezonden worden; terwijl de zuidelijke, en de minst belovende op dit oogenblik, ieder element bevat dat grond en klimaat kunnen bijdragen om de kultuur aan te moedigen van groote plekken gronds, die tot hiertoe niet bereikt waren door de beschavende krachten van handel en kolonisatie.De bevolking in de noordelijke afdeeling is talrijk. In Ilocos (noordelijk en zuidelijk) zijn 12 steden met 5000 à 8000 inwoners; 7 met 8 à 12,000; 7 met 12 à 20,000 en 3 met 20 à 33,000 inwoners. In Pangasinan vindt men 9 steden met 5 à 12,000, 7 met 12à20,000 en 3 met 20 à 26,000 inwoners. De hoofdstad (Cabazera) van Cagajan telt meer dan 15,000 inwoners. Het midden-gedeelte vertegenwoordigt een nog grooter aantal volkrijke plaatsen. Zebu telt 14 steden met 5000 à 10,000 inwoners en 9 steden met 10 à 12,000 inwoners, terwijl men in Iloilo 7 steden met 5 à 10,000 inwoners vindt; 14 steden met 10 à 20,000; 7 met 20 à 30,000; 2 met 30 à 40,000 en 1 (Haro) met 46,000 inwoners.Deze statistiek voor 1857 toont eene belangrijke vermeerdering der bevolking aan sedert de opgaven van den heer Farren, en bewijst dat de opheffing van beperkende bepalingen gunstig op het algemeene welzijn heeft gewerkt, hoe onvoldoende de emancipatie moge geweest zijn. Er kan geen twijfel bestaan dat meer gunstige vooruitzigten tot de uitbreiding van eene vrijzinnige staatkunde zou leiden en dat mijnen van ongeëxploiteerde en niet-ontwikkelde schatten in de hulpbronnen van den landbouw en van den handel dezer streken zouden gevonden worden. Het belang van direct verkeer met vreemde landen wordt vergroot door het feit, dat gedurende verscheidene maanden van het jaar de moussons de communicatie van de meer afgelegene districten met de hoofdstad afbreken. De oude geest van monopolie weigerde den producent niet alleen het voordeel van hooge en den consument dat van lage prijzen, maar de handel zelf viel noodwendig in handen van niet-ondernemende en smokkelendekooplieden, wien die ondernemingsgeest geheel ontbrak, welke hetprimum mobileis van den vooruitgang van den handel. Het is toch het gevolg, de vloek en de veroordeeling van het monopolie, dat terwijl het het vooruitzien beperkt en den geest benevelt van den monopolist, het de groote handelsbelangen van den handel aan de hoede overlevert van eene lagere klasse van handelaren; terwijl het die hoogere klassen uitsluit, welke in handelsondernemingen gewikkeld zijn, als hij op den wijden oceaan van moedige en volhardende energie dobbert. Hoe kan de boom zijn vollen groei en ontwikkeling verkrijgen, wanneer zijne takken voortdurend worden afgehaald, tot dat de schaduw verdwijnt en zijne vruchten ten voordeele vallen van anderen, in plaats van den eigenaar?Maar de waarde van de gunstige veranderingen, die ingevoerd werden, is grootendeels verminderd door den onvoldoenden aard van de concessiën. Zij hadden volledig moeten zijn; zij hadden, terwijl de havens voor den vreemden handel geopend werden, den handel los van alle banden en volle vrijheid moeten laten. De discussiën, die daarover intusschen hebben plaats gehad, zijn zeer nuttig geweest, en het aandeel dat ten opzigte van de handelsvrijheid is genomen door de heeren Bosch en Loney, beide Britsche vice-consuls, getuigen van hunnen ijver en van hunne bekwaamheid. Op de Philippijnen is de strekking van de algemeene opinie voorzeker in de juiste rigting. De tegenstand, die gedurende zoovele jaren, of zelfs eeuwen, zich verzette tegen de toelating van vreemdelingen in de koloniale havens, was ongetwijfeld gegrond op de theorie dat zij minder handel zouden aanbrengen dan wegvoeren, dat zij zouden deelen in de groote voordeelen van diegenen, welke het monopolie bezaten, maar deze daarentegen geene voordeelen zouden opleveren.De heer Farren toont aan, dat in 1855 «de Britsche handel met de Philippijnen in waarde overtrof dien van Groot-Brittannië met verschillende Europesche landen, met dien van elken staat of elke haven in Afrika; dat hij grooter was dan die van den Britschen handel met Mexico, Columbia of Guatemala en bijna in de verdeeling tot de tweede klasse van den nationalen handel met Azië gebragt moest worden, daar de totale waarde van den in- en uitvoer bijna 3 millioen pond sterling bedroeg. De uitvoer van suiker naarGroot-Brittannië en zijne koloniën beliep in 1854 42,000 tonnen; die naar Groot-Brittannië alleen was langzamerhand van den uitvoer van 1852, die 5,061 tonnen bedroeg, tot 27,254 geklommen, hetgeen meer is dan de uitvoer naar de geheele wereld in 1852. De invoer van Britsche goederen en manufacturen, die in 1845 eene waarde van 427,020 p. st. beliep, bedroeg in 1855 meer dan een millioen pond.» De handel neemt nog steeds in bloei toe en de opheffing van alle beperkingen, de aanmoediging van alles wat bevorderlijk kan zijn, zal den vooruitgang doen toenemen en ongetwijfeld de algemeene welvaart vermeerderen.Volgens de statistiek van het eiland Panay voor 1857 waren in de provincie Iloilo 527,970, in Capiz 143,713 en in de provincie Antique 77,639 inwoners, te zamen 749,322 of bijna drie vierde van een millioen inwoners. De lage landen van Capiz staan aan vele overstroomingen bloot. Men vindt er eene schoone rivier, waarop de scheepvaart door eene zandbank aan de monding wordt belemmerd. De provincie is productief en levert twee oogsten rijst per jaar op. De havens van Batan en Capiz (de cabacera) zijn veilig voor vaartuigen van tamelijke grootte. De inwoners van Antique, dat de geheele westkust van Panay inneemt, zijn de minst industriële van de bevolking van het eiland. De kust is gevaarlijk. Men vindt er twee pueblos, Bugason en Pandan, met meer dan 10,000 zielen. De cabacera San José telt minder dan de helft van dat getal. De wegen der provinciën zijn slecht en de communicatie met Iloilo moeijelijk. De landerijen zijn natuurlijk vruchtbaar, doch de Indianen hebben er niet veel voordeel van getrokken. Men vindt slechts twee-en-veertig mestizen in de provincie. Er bestaat eene kleine paarl- en schildpadvisscherij en sommige zee-slakken worden voor de Chinesche markt gevangen.Iloilo is ongetwijfeld daarom aangewezen als de zetel van het gouvernement, omdat het vele gemakken aan de scheepvaart aanbiedt, doch het is kleiner, minder rijk en zelfs minder actief dan vele steden in den omtrek. De provincie Iloilo is, over het algemeen, misschien de meest gevorderde van eenige op de Philippijnen, uitgezonderd de onmiddellijke omstreken van de hoofdstad. Zij heeft schoone bergachtige landschappen, rijk versierd met bosschen, terwijl de vlakten zeer vruchtbaar zijn. Alle tropischeproducten schijnen er te bloeijen. De fabrieknijverheid der vrouwen is er karakteristiek en is in andere plaatsen overgebragt, vooral met betrekking tot de buitengewone schoonheid van het pina-fabrikaat. Mallat geeft de volgende beschrijving van de wijze van bereiding van het fabrikaat:«Uit de bladen van den pijn-appel—de plant, die zulke uitmuntende vruchten oplevert—worden de witte en fijne draden getrokken, die de onbewerkte stof zijn van denipisof pina-stoffen. De spruiten van ananassen worden geplant, die somtijds onder de vrucht tot een getal van twaalf groeijen; zij worden opgegraven en in een ligten grond geplaatst, zoo mogelijk beschermd en onmiddellijk na het planten bevochtigd. Na vier maanden wordt de kroon weggenomen, ten einde het uitbotten te beletten en te voorkomen dat de bladen breeder en langer worden. Na acht maanden zijn zij een el lang en zes duimen breed; alsdan worden zij afgehaald, op eene plank uitgestrekt en terwijl de Indiaan die met zijn’ voet vasthoudt, krabt hij met een stuk gebroken aardewerk het vleesch, totdat de vezel verschijnt. Deze worden in het midden vastgehouden en zorgvuldig van het eene einde tot het andere opgehaald; zij worden twee of drie maal in water gewasschen, in de lucht gedroogd en gezuiverd; later worden zij gesorteerd naarmate van de lengte en kwaliteit. Vrouwen binden de afzonderlijke draden te zamen in pakken en dan zijn zij gereed voor het gebruik van den wever. Bij het weven is het noodig eene te hooge of te lage temperatuur te vermijden; te zorgen dat het niet te droog en niet te vochtig is; en de fijnste draden worden onder beveiliging van een mosquito-net geweven. De weefster is zoo geduldig, dat zij somtijds niet meer dan een halven duim per dag produceert. De fijnste wordenpiniliangenoemd en alleen op aanvraag gemaakt. De ananassen worden alleen ten behoeve van den vezel gecultiveerd, die op de markt wordt gekocht. De meeste stoffen zijn zeer smal; als zij met zijde zijn gefigureerd, koopt men ze voor ongeveer zes gulden per el. De effen stof, die voor borduurwerk wordt gebruikt, gaat naar Manilla, waar de hoogste prijzen voor het voortreffelijk werk worden betaald.»De vice-consul Bosch heeft een belangrijk rapport geschreven over de voordeden van de provincie Pangasinan en van Sual,hare voornaamste haven. De omtrek van de kust bedraagt 50 à 60 mijlen ten zuiden en oosten van de golf van Lingajen. In het binnenland vindt men een aantal gemakkelijke waterwegen en de belangrijkste rivier, de Agno, vloeit te St. Isidro in de zee, ongeveer anderhalve mijl van Sual. De Agno is omstreeks 70 à 80 mijlen in het binnenland bevaarbaar en brengt producten van denaburigeprovinciën van La Union en Nueva Ecija over. De uitvoer naar Manilla geschiedt meestal uit Sual, naar China uit Dagupan. Dagupan ligt aan de monding van een grooten zeearm, maar een dam belet het binnenzeilen van een groot vaartuig. Het gebrek aan eene veilige ankerplaats is het ongerief van de geheele kust in de provincie, met uitzondering van de haven van Sual. Deze haven, ofschoon klein, is veilig; zij is bijna geheel rond. Zij kan 12 à 15 groote vaartuigen en 30 à 40 kustvaarders bevatten en wordt van alle zijden goed beschermd, maar in de haven zelve bevindt zich eene eenigzins gevaarlijke bank.Men vindt ongeveer 400 huizen in Sual; zij zijn op de vlakte tegenover de haven verspreid en van hout gebouwd. Bovendien heeft men er 100 Indiaansche hutten (chozas), die uit nipapalm zijn zamengesteld. De kerk is een armzalig hulpgebouw.Sual vertoont eenige sporen van verbetering. De weg naar de naburige provincie Zambales wordt verbeterd. De geallieerde magten in Cochin-China hebben laatstelijk voorraad, vooral vee, uit Sual doen komen. De waarde van den uitvoer uit Sual over 1858 bedraagt 670,095 dollars; de invoer van buitenlandsche goederen en fabrikaten in de drie havens der provincie—Dagupan, Binmaley en Lingajen—beloopt meer dan 464,116 dollars, allen aangebragt door kustvaartuigen, waarvan 75 tot de provincie behooren. De grootste pueblo van de provincie is San Carlos met 26,376 inwoners; de tweede, Binmaley, met 24,911, en de derde, Lingajen, met 23,063 inwoners, maar de bevolking van Sual bedraagt slechts3,451zielen. Rijst en suiker zijn de voornaamste uitvoer-artikelen van productie, maar te Calasiao bestaat eene aanzienlijke fabrikatie van hoeden, cigarenkokers, matten en andere fabrikaten uit de vezelen van het land. Men vindt geene groote etablissementen of fabrieken op eene uitgebreideschaal. Alles wordt door kleine eigenaars en huiselijke industrie vervaardigd. Op vele plaatsen worden op geregelde tijden markten (tianguesgenaamd) gehouden, waarop alle soorten van artikelen ter verkoop gebragt worden. Men berekent dat Pangasinan 20,000 vaten rijst voor den uitvoer kon opleveren, nadat het reeds in de plaatselijke behoeften heeft voorzien. Voor de bereiding van suiker wordt weinig zorg gedragen, ofschoon zij in overvloed kon worden geproduceerd. Er wordt veel hout gekapt voor den scheepsbouw en andere doeleinden. Bij het invallen van den N.-O. mousson beginnen de handelsondernemingen en hebben vele verschepingen plaats; de wegen zijn dan begaanbaar, de magazijnen met goederen gevuld; dit duurt tot het einde van Junij of Julij. Dan vallen de hevige regens in: de vaartuigen voor den kusthandel worden voor het saisoen weggedaan, de rivieren overstroomen, de meeste hulpbruggen worden door de vloeden weggespoeld; iedereen is bezig met hetgeen de Spanjaarden hun «inwendig leven» noemen; zij maken de berekeningen over het afgeloopen jaar op en maken zich gereed voor hetgeen komt, terwijl de kleine buitenlandsche handel van Sual het eenige spoor van handelsbeweging is.De arbeid wordt matig betaald. Wanneer men vijftig scheepstimmerlieden neemt, die op eene plaats bezig zijn, is de minste bezoldiging 5, de hoogste 10 realen per week (dat is 3 à 6 sh.). Zij krijgen voorts twee maten rijst en een stukje vleesch of visch. Een veldarbeider (ofpeon) heeft eene reaal per dag en de kost. Een kar met een buffel en voerman kost 1½ reaal per dag.Bijna alle aankoopen worden gedaan door makelaars (personeros), die voor eene commissie, meestal van 5 pCt. en eene guarantie van 2½ pCt., de producten van het land van de landbouwers inzamelen, aan wie zij voorschotten doen, altijd in zilver, en het gaat soms door vele handen, vóór dat de landbouwer-producent het krijgt.In Pangasinan vindt men weinig Spanjaarden van geboorte. Een aantal mestizen wijden zich aan den handel. In Lingajen, met 23,000 inwoners, zijn meer dan1,000mestizen; in Binmaley, met 24,000 inwoners, slechts 22 mestizen. De eerste is eene handelsplaats, de tweede eene plaats van den landbouw. Slechts weinigeIndianen hebben vermogen verkregen. Het Chinesche element is daar doorgedrongen en zij verkrijgen meer en meer invloed als active handelslieden. Geen Oostersch geslacht kan met hen wedijveren, waar van geduld, volharding en spaarzaamheid sprake is. Zij zijn niet bemind, maar zij verdragen gewillig vele lasten en vereenigen en versterken zich door eenheid van doel. In Calasiao zegt men dat zij in twee jaren bijna 80 winkels hebben opgerigt en dat zij langzamerhand alle winstgevende ondernemingen aanvatten, terwijl zij de markten bezochten als verkoopers zoowel als koopers en relatiën met het binnenland aanknoopten, waaraan geen inlandsche Indiaan ooit zou gedacht hebben. In de gewone handelszaken begaan zij ook het euvel niet om buitengewone winsten te eischen. Een Chinees zal, ja, een hoogen prijs vragen of een lagen prijs aanbieden in zijne verschillende relatiën, maar wanneer hij het uitzigt heeft op eene matige winst, zal hij die niet laten ontglippen. Er bestaat toenemende aanvraag naar Europesche koopwaren, waarvan de Chinezen de voornaamste invoerders zijn, terwijl zij, meer dan alle anderen, geneigd zijn nieuwe kanalen voor den handel te openen. De gewone interest is 10 pCt., ofschoon de kerkfondsen tegen 6 pCt. geleend worden aan diegenen, wie de geestelijkheid gunstig gezind is. Dit is dan ook de wettige prijs.Volgens de opgaven van den heer Bosch over 1858 zijn in dat jaar acht groote vaartuigen, met7,185tonnen en 282 kustvaartuigen met7,780tonnen, de haven van Sual binnengeloopen. Slechts vier van de eerste voerden ladingen mede, twee hadden schade te herstellen, terwijl twee andere Spaansche gouvernements-stoombooten waren, die geld, ten bedrage van 210,000 dollars, naar Manilla overbragten.
De openstelling van de havens van Sual, Iloilo en Zamboanga voor den vreemden handel, was natuurlijk bestemd om de locale belangen te ontwikkelen van de noordelijke, centrale en zuidelijke gedeelten van den Archipel; de gekozen plaatsen schenen de grootste aanmoediging aan te bieden, en toen het besluit van het Spaansche Gouvernement bekend werd, beval de Engelsche consul te Manilla de benoeming van Britsche vice-consuls te Sual en Iloilo aan, en zeker kon geene betere keus gedaan worden, dan men bij die gelegenheid deed, daar de meest geschikte heer in elk der havens werd gevestigd.
Het rapport van den heer Farren, dat aan het Parlement werd voorgelegd, geeft getrouw de eischen van de nieuwe havens en hare onderhoorigheden; ieder had zijne bijzondere aanbevelingen. De bevolking van de noordelijke afdeeling, Pangasinan, de beide Ilocos (noordelijk en zuidelijk), Abra en La Union omvattende, kan onder de nijverste, rijkste en intelligentste op de Philippijnen gerekend worden. Cagajan produceert de grootste hoeveelheid tabak van de fijnste kwaliteit.
De centrale afdeeling, die de digtst bevolkte van allen is,heeft sedert lang Manilla eene groote hoeveelheid van haren uitvoer verschaft, die in den loop der tijden ongetwijfeld direct uit de havens van productie naar die van consumptie zal gezonden worden; terwijl de zuidelijke, en de minst belovende op dit oogenblik, ieder element bevat dat grond en klimaat kunnen bijdragen om de kultuur aan te moedigen van groote plekken gronds, die tot hiertoe niet bereikt waren door de beschavende krachten van handel en kolonisatie.
De bevolking in de noordelijke afdeeling is talrijk. In Ilocos (noordelijk en zuidelijk) zijn 12 steden met 5000 à 8000 inwoners; 7 met 8 à 12,000; 7 met 12 à 20,000 en 3 met 20 à 33,000 inwoners. In Pangasinan vindt men 9 steden met 5 à 12,000, 7 met 12à20,000 en 3 met 20 à 26,000 inwoners. De hoofdstad (Cabazera) van Cagajan telt meer dan 15,000 inwoners. Het midden-gedeelte vertegenwoordigt een nog grooter aantal volkrijke plaatsen. Zebu telt 14 steden met 5000 à 10,000 inwoners en 9 steden met 10 à 12,000 inwoners, terwijl men in Iloilo 7 steden met 5 à 10,000 inwoners vindt; 14 steden met 10 à 20,000; 7 met 20 à 30,000; 2 met 30 à 40,000 en 1 (Haro) met 46,000 inwoners.
Deze statistiek voor 1857 toont eene belangrijke vermeerdering der bevolking aan sedert de opgaven van den heer Farren, en bewijst dat de opheffing van beperkende bepalingen gunstig op het algemeene welzijn heeft gewerkt, hoe onvoldoende de emancipatie moge geweest zijn. Er kan geen twijfel bestaan dat meer gunstige vooruitzigten tot de uitbreiding van eene vrijzinnige staatkunde zou leiden en dat mijnen van ongeëxploiteerde en niet-ontwikkelde schatten in de hulpbronnen van den landbouw en van den handel dezer streken zouden gevonden worden. Het belang van direct verkeer met vreemde landen wordt vergroot door het feit, dat gedurende verscheidene maanden van het jaar de moussons de communicatie van de meer afgelegene districten met de hoofdstad afbreken. De oude geest van monopolie weigerde den producent niet alleen het voordeel van hooge en den consument dat van lage prijzen, maar de handel zelf viel noodwendig in handen van niet-ondernemende en smokkelendekooplieden, wien die ondernemingsgeest geheel ontbrak, welke hetprimum mobileis van den vooruitgang van den handel. Het is toch het gevolg, de vloek en de veroordeeling van het monopolie, dat terwijl het het vooruitzien beperkt en den geest benevelt van den monopolist, het de groote handelsbelangen van den handel aan de hoede overlevert van eene lagere klasse van handelaren; terwijl het die hoogere klassen uitsluit, welke in handelsondernemingen gewikkeld zijn, als hij op den wijden oceaan van moedige en volhardende energie dobbert. Hoe kan de boom zijn vollen groei en ontwikkeling verkrijgen, wanneer zijne takken voortdurend worden afgehaald, tot dat de schaduw verdwijnt en zijne vruchten ten voordeele vallen van anderen, in plaats van den eigenaar?
Maar de waarde van de gunstige veranderingen, die ingevoerd werden, is grootendeels verminderd door den onvoldoenden aard van de concessiën. Zij hadden volledig moeten zijn; zij hadden, terwijl de havens voor den vreemden handel geopend werden, den handel los van alle banden en volle vrijheid moeten laten. De discussiën, die daarover intusschen hebben plaats gehad, zijn zeer nuttig geweest, en het aandeel dat ten opzigte van de handelsvrijheid is genomen door de heeren Bosch en Loney, beide Britsche vice-consuls, getuigen van hunnen ijver en van hunne bekwaamheid. Op de Philippijnen is de strekking van de algemeene opinie voorzeker in de juiste rigting. De tegenstand, die gedurende zoovele jaren, of zelfs eeuwen, zich verzette tegen de toelating van vreemdelingen in de koloniale havens, was ongetwijfeld gegrond op de theorie dat zij minder handel zouden aanbrengen dan wegvoeren, dat zij zouden deelen in de groote voordeelen van diegenen, welke het monopolie bezaten, maar deze daarentegen geene voordeelen zouden opleveren.
De heer Farren toont aan, dat in 1855 «de Britsche handel met de Philippijnen in waarde overtrof dien van Groot-Brittannië met verschillende Europesche landen, met dien van elken staat of elke haven in Afrika; dat hij grooter was dan die van den Britschen handel met Mexico, Columbia of Guatemala en bijna in de verdeeling tot de tweede klasse van den nationalen handel met Azië gebragt moest worden, daar de totale waarde van den in- en uitvoer bijna 3 millioen pond sterling bedroeg. De uitvoer van suiker naarGroot-Brittannië en zijne koloniën beliep in 1854 42,000 tonnen; die naar Groot-Brittannië alleen was langzamerhand van den uitvoer van 1852, die 5,061 tonnen bedroeg, tot 27,254 geklommen, hetgeen meer is dan de uitvoer naar de geheele wereld in 1852. De invoer van Britsche goederen en manufacturen, die in 1845 eene waarde van 427,020 p. st. beliep, bedroeg in 1855 meer dan een millioen pond.» De handel neemt nog steeds in bloei toe en de opheffing van alle beperkingen, de aanmoediging van alles wat bevorderlijk kan zijn, zal den vooruitgang doen toenemen en ongetwijfeld de algemeene welvaart vermeerderen.
Volgens de statistiek van het eiland Panay voor 1857 waren in de provincie Iloilo 527,970, in Capiz 143,713 en in de provincie Antique 77,639 inwoners, te zamen 749,322 of bijna drie vierde van een millioen inwoners. De lage landen van Capiz staan aan vele overstroomingen bloot. Men vindt er eene schoone rivier, waarop de scheepvaart door eene zandbank aan de monding wordt belemmerd. De provincie is productief en levert twee oogsten rijst per jaar op. De havens van Batan en Capiz (de cabacera) zijn veilig voor vaartuigen van tamelijke grootte. De inwoners van Antique, dat de geheele westkust van Panay inneemt, zijn de minst industriële van de bevolking van het eiland. De kust is gevaarlijk. Men vindt er twee pueblos, Bugason en Pandan, met meer dan 10,000 zielen. De cabacera San José telt minder dan de helft van dat getal. De wegen der provinciën zijn slecht en de communicatie met Iloilo moeijelijk. De landerijen zijn natuurlijk vruchtbaar, doch de Indianen hebben er niet veel voordeel van getrokken. Men vindt slechts twee-en-veertig mestizen in de provincie. Er bestaat eene kleine paarl- en schildpadvisscherij en sommige zee-slakken worden voor de Chinesche markt gevangen.
Iloilo is ongetwijfeld daarom aangewezen als de zetel van het gouvernement, omdat het vele gemakken aan de scheepvaart aanbiedt, doch het is kleiner, minder rijk en zelfs minder actief dan vele steden in den omtrek. De provincie Iloilo is, over het algemeen, misschien de meest gevorderde van eenige op de Philippijnen, uitgezonderd de onmiddellijke omstreken van de hoofdstad. Zij heeft schoone bergachtige landschappen, rijk versierd met bosschen, terwijl de vlakten zeer vruchtbaar zijn. Alle tropischeproducten schijnen er te bloeijen. De fabrieknijverheid der vrouwen is er karakteristiek en is in andere plaatsen overgebragt, vooral met betrekking tot de buitengewone schoonheid van het pina-fabrikaat. Mallat geeft de volgende beschrijving van de wijze van bereiding van het fabrikaat:
«Uit de bladen van den pijn-appel—de plant, die zulke uitmuntende vruchten oplevert—worden de witte en fijne draden getrokken, die de onbewerkte stof zijn van denipisof pina-stoffen. De spruiten van ananassen worden geplant, die somtijds onder de vrucht tot een getal van twaalf groeijen; zij worden opgegraven en in een ligten grond geplaatst, zoo mogelijk beschermd en onmiddellijk na het planten bevochtigd. Na vier maanden wordt de kroon weggenomen, ten einde het uitbotten te beletten en te voorkomen dat de bladen breeder en langer worden. Na acht maanden zijn zij een el lang en zes duimen breed; alsdan worden zij afgehaald, op eene plank uitgestrekt en terwijl de Indiaan die met zijn’ voet vasthoudt, krabt hij met een stuk gebroken aardewerk het vleesch, totdat de vezel verschijnt. Deze worden in het midden vastgehouden en zorgvuldig van het eene einde tot het andere opgehaald; zij worden twee of drie maal in water gewasschen, in de lucht gedroogd en gezuiverd; later worden zij gesorteerd naarmate van de lengte en kwaliteit. Vrouwen binden de afzonderlijke draden te zamen in pakken en dan zijn zij gereed voor het gebruik van den wever. Bij het weven is het noodig eene te hooge of te lage temperatuur te vermijden; te zorgen dat het niet te droog en niet te vochtig is; en de fijnste draden worden onder beveiliging van een mosquito-net geweven. De weefster is zoo geduldig, dat zij somtijds niet meer dan een halven duim per dag produceert. De fijnste wordenpiniliangenoemd en alleen op aanvraag gemaakt. De ananassen worden alleen ten behoeve van den vezel gecultiveerd, die op de markt wordt gekocht. De meeste stoffen zijn zeer smal; als zij met zijde zijn gefigureerd, koopt men ze voor ongeveer zes gulden per el. De effen stof, die voor borduurwerk wordt gebruikt, gaat naar Manilla, waar de hoogste prijzen voor het voortreffelijk werk worden betaald.»
De vice-consul Bosch heeft een belangrijk rapport geschreven over de voordeden van de provincie Pangasinan en van Sual,hare voornaamste haven. De omtrek van de kust bedraagt 50 à 60 mijlen ten zuiden en oosten van de golf van Lingajen. In het binnenland vindt men een aantal gemakkelijke waterwegen en de belangrijkste rivier, de Agno, vloeit te St. Isidro in de zee, ongeveer anderhalve mijl van Sual. De Agno is omstreeks 70 à 80 mijlen in het binnenland bevaarbaar en brengt producten van denaburigeprovinciën van La Union en Nueva Ecija over. De uitvoer naar Manilla geschiedt meestal uit Sual, naar China uit Dagupan. Dagupan ligt aan de monding van een grooten zeearm, maar een dam belet het binnenzeilen van een groot vaartuig. Het gebrek aan eene veilige ankerplaats is het ongerief van de geheele kust in de provincie, met uitzondering van de haven van Sual. Deze haven, ofschoon klein, is veilig; zij is bijna geheel rond. Zij kan 12 à 15 groote vaartuigen en 30 à 40 kustvaarders bevatten en wordt van alle zijden goed beschermd, maar in de haven zelve bevindt zich eene eenigzins gevaarlijke bank.
Men vindt ongeveer 400 huizen in Sual; zij zijn op de vlakte tegenover de haven verspreid en van hout gebouwd. Bovendien heeft men er 100 Indiaansche hutten (chozas), die uit nipapalm zijn zamengesteld. De kerk is een armzalig hulpgebouw.
Sual vertoont eenige sporen van verbetering. De weg naar de naburige provincie Zambales wordt verbeterd. De geallieerde magten in Cochin-China hebben laatstelijk voorraad, vooral vee, uit Sual doen komen. De waarde van den uitvoer uit Sual over 1858 bedraagt 670,095 dollars; de invoer van buitenlandsche goederen en fabrikaten in de drie havens der provincie—Dagupan, Binmaley en Lingajen—beloopt meer dan 464,116 dollars, allen aangebragt door kustvaartuigen, waarvan 75 tot de provincie behooren. De grootste pueblo van de provincie is San Carlos met 26,376 inwoners; de tweede, Binmaley, met 24,911, en de derde, Lingajen, met 23,063 inwoners, maar de bevolking van Sual bedraagt slechts3,451zielen. Rijst en suiker zijn de voornaamste uitvoer-artikelen van productie, maar te Calasiao bestaat eene aanzienlijke fabrikatie van hoeden, cigarenkokers, matten en andere fabrikaten uit de vezelen van het land. Men vindt geene groote etablissementen of fabrieken op eene uitgebreideschaal. Alles wordt door kleine eigenaars en huiselijke industrie vervaardigd. Op vele plaatsen worden op geregelde tijden markten (tianguesgenaamd) gehouden, waarop alle soorten van artikelen ter verkoop gebragt worden. Men berekent dat Pangasinan 20,000 vaten rijst voor den uitvoer kon opleveren, nadat het reeds in de plaatselijke behoeften heeft voorzien. Voor de bereiding van suiker wordt weinig zorg gedragen, ofschoon zij in overvloed kon worden geproduceerd. Er wordt veel hout gekapt voor den scheepsbouw en andere doeleinden. Bij het invallen van den N.-O. mousson beginnen de handelsondernemingen en hebben vele verschepingen plaats; de wegen zijn dan begaanbaar, de magazijnen met goederen gevuld; dit duurt tot het einde van Junij of Julij. Dan vallen de hevige regens in: de vaartuigen voor den kusthandel worden voor het saisoen weggedaan, de rivieren overstroomen, de meeste hulpbruggen worden door de vloeden weggespoeld; iedereen is bezig met hetgeen de Spanjaarden hun «inwendig leven» noemen; zij maken de berekeningen over het afgeloopen jaar op en maken zich gereed voor hetgeen komt, terwijl de kleine buitenlandsche handel van Sual het eenige spoor van handelsbeweging is.
De arbeid wordt matig betaald. Wanneer men vijftig scheepstimmerlieden neemt, die op eene plaats bezig zijn, is de minste bezoldiging 5, de hoogste 10 realen per week (dat is 3 à 6 sh.). Zij krijgen voorts twee maten rijst en een stukje vleesch of visch. Een veldarbeider (ofpeon) heeft eene reaal per dag en de kost. Een kar met een buffel en voerman kost 1½ reaal per dag.
Bijna alle aankoopen worden gedaan door makelaars (personeros), die voor eene commissie, meestal van 5 pCt. en eene guarantie van 2½ pCt., de producten van het land van de landbouwers inzamelen, aan wie zij voorschotten doen, altijd in zilver, en het gaat soms door vele handen, vóór dat de landbouwer-producent het krijgt.
In Pangasinan vindt men weinig Spanjaarden van geboorte. Een aantal mestizen wijden zich aan den handel. In Lingajen, met 23,000 inwoners, zijn meer dan1,000mestizen; in Binmaley, met 24,000 inwoners, slechts 22 mestizen. De eerste is eene handelsplaats, de tweede eene plaats van den landbouw. Slechts weinigeIndianen hebben vermogen verkregen. Het Chinesche element is daar doorgedrongen en zij verkrijgen meer en meer invloed als active handelslieden. Geen Oostersch geslacht kan met hen wedijveren, waar van geduld, volharding en spaarzaamheid sprake is. Zij zijn niet bemind, maar zij verdragen gewillig vele lasten en vereenigen en versterken zich door eenheid van doel. In Calasiao zegt men dat zij in twee jaren bijna 80 winkels hebben opgerigt en dat zij langzamerhand alle winstgevende ondernemingen aanvatten, terwijl zij de markten bezochten als verkoopers zoowel als koopers en relatiën met het binnenland aanknoopten, waaraan geen inlandsche Indiaan ooit zou gedacht hebben. In de gewone handelszaken begaan zij ook het euvel niet om buitengewone winsten te eischen. Een Chinees zal, ja, een hoogen prijs vragen of een lagen prijs aanbieden in zijne verschillende relatiën, maar wanneer hij het uitzigt heeft op eene matige winst, zal hij die niet laten ontglippen. Er bestaat toenemende aanvraag naar Europesche koopwaren, waarvan de Chinezen de voornaamste invoerders zijn, terwijl zij, meer dan alle anderen, geneigd zijn nieuwe kanalen voor den handel te openen. De gewone interest is 10 pCt., ofschoon de kerkfondsen tegen 6 pCt. geleend worden aan diegenen, wie de geestelijkheid gunstig gezind is. Dit is dan ook de wettige prijs.
Volgens de opgaven van den heer Bosch over 1858 zijn in dat jaar acht groote vaartuigen, met7,185tonnen en 282 kustvaartuigen met7,780tonnen, de haven van Sual binnengeloopen. Slechts vier van de eerste voerden ladingen mede, twee hadden schade te herstellen, terwijl twee andere Spaansche gouvernements-stoombooten waren, die geld, ten bedrage van 210,000 dollars, naar Manilla overbragten.