Een Geniale Houtsnip.

Een Geniale Houtsnip.Whitooweek heeft nog iets heel verrassends, iets dat eigenlijk geen gewoonte genoemd kan worden, maar waarschijnlijk een zeldzame ontdekking is van een of twee dieren hier of daar, die vindingrijker zijn dan hun makkers. Evenals de eider-eenden1en de beer en de bever, past Whitooweek soms een ruw soort van heelkunst toe om zijn wonden te verbinden. Toen ik twintig jaren geleden rustig bij een beek aan den zoom der bosschen in Bridgewater zat, fladderde er plotseling een houtsnip ’t open terrein op naar een plek op den oever, waar duidelijk, vanwaar ik zat te kijken, een lichte strook dikke modder en klei te zien was. Het was in ’t begin van den jachttijd, de jagers waren op ’t pad in de streek, en mijn eerste indruk was, dat dit een gewonde vogel was, die, nadat hij was aangeschoten, ver gevlogen had en nu uit de struikennaar ’t water was gekomen om te drinken of zijn wond te baden. Of dit al dan niet zoo was, ik kan er slechts naar gissen; maar de vogel deed wonderlijk in ’t volle daglicht, en ik kroop naderbij, tot ik hem duidelijk kon zien aan den anderen kant van de beek, ofschoon hij me nog te ver weg was om er volkomen zeker van te zijn, wat al zijn bewegingen beteekenden.Houtsnip die zijn snavel poets aan een poot.Eerst nam hij zachte klei van den rand van het water in zijn snavel en scheen het op zijn eenen poot bij de knie te smeren. Toen fladderde hij weg en was het of hij worteltjes en grassprieten uittrok en in de klei werkte, die hij al op zijn poot gesmeerd had. Weer nam hij wat klei en pleisterde het over de vezels, deed er hoe langer hoe meer op, tot ik duidelijk zien kon hoe het grooter werd en zoo werkte hij met een eigenaardige, zwijgende aandachtigheid wel een vol kwartier voort, terwijl ik toekeek en me verbaasde en nauwelijks mijn oogen kon gelooven. Toen stond hij langer dan een uur doodstil onder een overhangenden graspol, waar mijn oog hem met moeite vinden kon, terwijl zijn eenige beweging onder de bedrijven bestond in af en toe het kleiverband eens te wrijven en glad te strijken met zijn snavel, tot het hem hard genoeg naar den zin was geworden, waarop hij wegfladderde van de beek en in het dichte bosch verdween.Ik had mijn eigen verklaring van de ongelooflijke handelwijze, namelijk, dat de houtsnip een gebroken poot had en hem met wijs overleg in een spalk vanklei had gezet om de gebroken botjes op hun plaats te houden, tot ze weer samen zouden zijn gegroeid; maar natuurlijk hield ik dit voor me, wel wetend dat niemand aan die veronderstelling geloof zou slaan. Jarenlang deed ik nauwkeurig navraag bij jagers en ik vond er twee, die zeiden dat ze houtsnippen hadden geschoten, waar eens de poot van gebroken was geweest en weer genezen. Voor zoover ze zich herinneren konden, was de poot in beide gevallen mooi recht genezen in plaats van aan den eenen kant naar buiten te steken, zooals de poot van een kuiken doet, als hij gebroken is geweest en ze hem vanzelf weer hebben laten aaneengroeien. Ik onderzocht honderden houtsnippen aan de markt in verschillende oorden en vond er een, wier poot eens door een kogel gebroken was en toen prachtig genezen. Er waren duidelijke sporen van gedroogde modder aan de breuk; maar deze zag ik ook aan den anderen poot bij de teenen, en het toonde slechts dat zij op weeke plaatsen voedsel had gezocht. Dit bewees alles nog niets voor een buitenstaander, en wat ik gezien had hield ik voor me tot den vorigen winter, twintig jaren later, toen de bevestiging onverwachts kwam. Ik had over dieren gesproken voor een vereeniging te Bridgeport, toen een heer, een advocaat overal in ’t land goed bekend, naar me toekwam en me vol vuur van een eigenaardige vondst vertelde, die hij den vorigen herfst gedaan had. Toen hij eens met een vriend op jacht was, schoten ze een houtsnip, die, door den hond geapporteerd,een stuk harde klei aan een van haar pooten bleek te hebben. Nieuwsgierig wat dat beteekende, klopte hij de klei er met zijn pennemesje af, en ontdekte een gebroken poot, die toen bijna genezen was en zoo recht als ooit. Een paar weken later zou de vogel, wanneer hij geleefd had, stellig zelf de spalk hebben weggenomen en zou er niets zijn geweest om iets ongewoons aan hem te verraden. En zoo geef ik dan eindelijk mijn waarneming, daar er nu een bewijs voorhanden is, niet voor een nieuwe of oude gewoonte van Whitooweek—want hoe ver deze vreemde wetenschap onder de houtsnippen en de steltloopers verbreid is, kan geen mensch zeggen—maar eenvoudig om te toonen, hoe weinig wij van het innerlijke leven van den kluizenaar afweten, en eigenlijk van alle wilde vogels, en hoeveel er nog te ontdekken is, wanneer we ’t geweer voor den kijker op zij zullen leggen en het wonderlijke leven leeren begrijpen, dat overal om ons heen onzichtbaar zijn gang gaat2.1Somateria Mollissima Borealis.2Sedert bovenstaande waarneming gepubliceerd werd, is mijn aandacht op verschillende gevallen gevestigd, die ten slotte bewijzen, dat deze gewoonte om een gebroken poot te spalken in klei, meer onder de snippen verbreid is, dan ik mogelijk geacht had. In een artikel inScience(Mei 13, 1904, deel XIX,N. S.No. 489, pag. 760 enz.) heb ik enkele van deze gevallen genoemd en het bewijs gegeven, waar ze op steunen.Als Upweekis aan ’t jagen is.Laat op een wintermiddag, toen de zon de dennen op de westelijke helling verguldde en de lange, kille schaduwen zich uitstrekten door de met sneeuw beladen bosschen, brak er een reusachtige mannetjeseland uit de sombere sparren en ging zwaaiend de lange, door de zon beschenen vlakte op, met schreden zoo lang en geweldig, dat zelfs een wolf de lust zou zijn vergaan hem te volgen. Vijf minuten later kwam ik uit dezelfde gang onder de sparren, net toen de franje van groen aan den overkant van de vlakte terugzwiepte om de flanken te dekken van den eland, die er zich in gestort had,—en daarna knikte, en knikte alle kanten uit:Dezen kant! dien kant! hier! ginds!—om ieder te misleiden, die hem naspeuren kon. Want bijwijlen is ’t, of zelfs de sparren en de elzen en ’t water en de bladeren en de krakende takken en de dansende schaduwen, alle samenspannen om het onschuldige boschvolkje te beschermen voor de vijandige oogen en handen van hun achtervolgers. En dit is een van de oorzaken, waardoor men zoo moeilijk wild in ’t bosch te zien krijgt.De groote eland had me dien keer verschalkt. Toen hij wist dat ’k hem volgde, draafde hij een heel eind vooruit en ging toen snel in een kring terug om roerloos in een boschje op de heuvelhelling te gaan staan, geen twintig meter van het spoor, dat hij nauwlijkseen uur geleden gemaakt had. Daar kon hij zonder gezien te worden prachtig kijken wat er toch achter hem aankwam. Toen ik voorbijging, snel en zwijgend over de diepe prenten in de sneeuw, liet hij me onder zich langs gaan, terwijl hij me eens goed opnam en flink snoof; daarop gleed hij als een schim in de tegenovergestelde richting weg. Ongelukkig brak er een doode tak in de sneeuw met een doffen knap onder zijn voorzichtigen hoef, ik verliet even het spoor om te kijken—en bespaarde me zoo het lange geloop langs de listige prenten op en neer. Toen hij zag dat zijn list ontdekt was, stormde hij naar de open vlakte; al zijn wonderbaarlijke gaven van oog en oor en onvermoeide pooten stelde hij in ’t werk om zich voor den man te beveiligen, dien hij verkeerdelijk voor zijn doodsvijand hield.Het zou weinig baten hem nog verder te volgen; dus ging ik op een omgevallen gelen berk zitten uitrusten om een poosje naar de wijde stilte te luisteren en al wat er door het koude, witte bosch voorbij mocht komen te bespieden.Onder den zoom van sparren dansten plotseling de zachte, violette schaduwen en er sprong een haas zoo wit als de sneeuw te voorschijn. In lange, zenuwachtige sprongen, alsof ’t op spiraalveeren ging, vloog hij voor mijn oogen over een smallen arm van de vlakte, om dekking in een uitlooper van ’t bosch voor me. De zachte armen van de dwergsparren en de nog zachter schaduwen daaronder schenen zichvanzelf te openen om hem binnen te laten. Onmiddellijk hield al ’t gewiegel van takken en ’t vallen van plakken sneeuw en ’t dansen van schaduwen op, en langs den heelen zoom van sparren zeiden stille stemmen: hier is niets, we hebben hem niet gezien, hier is niets.Waarom stoof hij dien kant toch uit, dacht ik. Want Moktaques is een gekke, grillige baas en doet de dingen nooit op een praktische manier, tenzij hij wel moet. Terwijl ik me nog verbaasde, zag ik een gelen gloed onder de violette schaduwen glimmen, waar Moktaques vandaan was gekomen, en de wreede, ronde kop van een Canadeeschen lynx werd uit den tunnel gestoken, dien de haas nog maar even te voren gemaakt had. Nauwelijks was zijn groote, grijze lichaam te voorschijn gedrongen, of een eind verder bewogen de schaduwen zich in den zoom van naaldhout; nog een lynx en nog een gleden er uit; en ik hield mijn adem in, toen vijf van die bloeddorstige dieren den smallen arm van de vlakte oversnelden, elk met uitgerekten hals, terwijl zijn felle oogen de duisternis vóór zich peilden als gouden schichten, en hij zijn plaats bewaarde in de indrukwekkende, schrikaanjagende rij van wreedheid en macht, zoo stil als de schaduw van den dood. Er overviel me een rilling bij de gedachte aan wat er gebeuren zou met Moktaques, als er een uit de rij hem zou ontdekken en opjagen. Ik was eigenlijk op dat oogenblik blij (want ik had geen geweer) dat ’k zelf heel stilletjes konzitten en de woeste beesten voorbij me heen kon laten gaan zonder dat ze me merkten.De middelste lynx, een fel, oud wijfje, volgde ’t spoor van den haas; en onmiddellijk flitste het door me heen, wie ze was en wat ze alle uitvoerden. Hier was eindelijk het geheim van de benden lynxen, die men soms in de winterbosschen aantreft, en die een mensch somtijds bedreigen of angst aanjagen door een woestheid, welke de dieren afzonderlijk niet laten blijken. Want Upweekis, ofschoon groot en kwaadaardig, is in zijn hart een gluiperig, laf, verraderlijk beest—evenals alle katten—en vindt het dus maar ’t prettigste alleen te zijn. Daar hij weet dat de overige van zijn verwanten zijn als hijzelf, verdenkt hij ze allemaal en is hij beducht dat bij een verdeeling van den gezamenlijken buit iemand anders het leeuwendeel zal krijgen. Onder katten heb ik dan ook nooit eenig spoor ontdekt van de vaste regels, die onder bijna alle andere dieren schijnen te gelden.Twee Canadeesche lynxen’s Winters is het echter anders. Dan is Upweekis gedwongen wat van zijn katachtige zelfzucht te laten varen en in woeste horden te gaan jagen. Elke zeven jaar vooral, als de konijnen schaarsch in de bosschen zijn ten gevolge der ziekte waaraan ze op gezette tijden sterven, kan het zijn dat men toevallig een van die rooversbenden aantreft, die de hertenperken onveilig maken of de rendierkudden volgen. Maar pas toen de woeste rij daar voor mijn eigen oogen uit de violette schaduwen stoof, besefte ik eenigszins datdeze troepen—bijna zonder uitzondering, zooals ik sedertdien geleerd heb—familiegroepen zijn, die zich gedurende den winter bij elkaar houden, net als hertekalfjes de oude hinde volgen, tot ’t lente wordt, opdat haar wijsheid voedsel voor hen vinde en haar grooter kracht hun een weg bane, wanneer de sneeuw dik ligt en de vijanden hun op de hielen zitten.De groote lynx middenin was de moeder; de vier andere lynxen waren haar jongen; en ze bleven nu bij elkaar, gedeeltelijk om hun onvoltooide opvoeding onder haar eigen oogen te voltooien, maar voornamelijk om gedurende den winter in de dagen van honger hun krachten te kunnen vereenigen en met grooter overleg jagen, en als ’t noodig was de grootere dieren klein krijgen, die hen mogelijk in hun eentje tarten zouden.Toen ze het versche spoor van den mannetjeseland kruiste, duwde de oude moederlynx er haar grooten kop in om eens lang te snuiven. Onmiddellijk sloot de reeks zich en stond elke lynx als een standbeeld met zijn stompen neus in een geur uitstralende hoefprent, om er met zijn botte zintuigen achter te komen, wat daar juist langs was gegaan. De kop van de oude lynx ging de rij van haar onbeweeglijke jongen langs en weer terug; toen schoot ze weer verder, terwijl een kwaadaardige grauw haar snuit onder haar snorren vertrok. Een troep uitgehongerde lynxen bij elkaar zou toch niet licht een mannetjeseland, met zulke groote passen en zoo sterk, achtervolgen. Slechtsde geur van bloed zou ze onwillig zoo’n spoor opdrijven; en zelfs dan nog, wanneer ze er de oorzaak van opgespeurd hadden, zouden ze slechts in een bloeddorstigen, plechtigen kring om hem heenhurken, en onder hongerig gegaap op zijn dood wachten. Nu was er ergens vlak vóór hen gemakkelijk wild verscholen. Het was, alsof er een bevel zonder woorden langs de rij wachtende jongen gegeven werd. Ze staken allemaal op ’t zelfde oogenblik hun kop naar voren en de zwijgende tocht werd weer vervolgd.Toen de laatste van de rij uit het oog geglipt was tusschen de struiken van het uitstekende kreupelhout vóór me, snelde ik haastig door ’t bosch, zonder gerucht in de zachte sneeuw te maken, en dook roerloos onder de sparren, waar het vooruitspringende hout wat lager was, in de hoop de geslepen jagers weer te zien. Ik hoefde maar even te wachten. Van onder een overbuigenden tak sprong Moktaques voor den dag en vloog het open land over op de volgende boschtong af. Vlak achter hem klonk een grauw en met een vreeselijke vaart stortte de oude lynx zich te voorschijn, toen ze ’t wild in ’t oog kreeg, en beduidde met woesten kreet haar jagersrij hem in te sluiten. Als een wervelwind kwamen ze aan, liepen uit met geweldige sprongen en sloten zich samen aan weerskanten om den snellen cirkelgang van het vluchtende wild af te snijden. Bliksemsnel kwamen de uiteinden van de rij samen en schoten ze plotseling naar binnen; nog even—en Moktaques lag plat in de sneeuwgedoken midden in een wreeden kring, die als een wervelwind zich om hem vernauwde. Toen de kleinste lynx naar zijn prooi toesprong, was het alsof een electrische schok door den roerloozen haas ging. Hij schoot vooruit, alsof hij gegalvaniseerd werd, sprong hoog boven de neergedoken verschrikking vóór zich op en trachtte uit den vreeselijken kring te geraken. Toen schoot de lynx, over wiens kop hij sprong, steil overeind, greep het vluchtende dier zoo in zijn groote klauwen, viel achterover en was in een ommezien door de andere lynxen overdekt, die zich als furies op hem stortten, terwijl ze kwaadaardig hapten en klauwden in het beetje, dat hij vermeesterd had, op het oogenblik zelf dat het ontsnapte.Een poosje was er een vreeselijk gevecht; toen, eer ik nog goed mijn oogen kon uitwrijven, was de haas volkomen verdwenen, en was er een woeste kring van lynxen hongerig aan ’t likkebaarden, terwijl ze elkaar aanloerden en toegrauwden om te weten wie den grootsten hap gekregen had.Toen ze eindelijk verdwenen, in een lange rij in den zoom van de vlakte wegslonken, nam ik het spoor in tegenovergestelde richting op, om te zien hoe ze gejaagd hadden. Langer dan een mijl, rechtstreeks terug naar mijn kamp, volgde ik de prenten en ontdekte dat er een drijfjacht had plaats gehad, zoo listig als er ooit een in de bosschen gehouden was. Ze hadden dien heelen afstand in een bijna volmaakte lijn doorgesneld, elk levend wezen opgeschrikt, dat hun in denweg kwam. Hier was het een gekraagd hazelhoen, waar er een naar gesprongen had en—gemist, toen de verschrikte vogel wegsnorde in de duisternis. Daar was er een een boom ingeklommen en had er iets uitgeschud in de sneeuw, waarvan de andere elk stukje zoo schoon opgeslikt hadden, dat ik niet kon zeggen wie de ongelukkige was geweest; maar er bleek een merkwaardig groote durf uit, want de lynx, die zijn prooi den boom in achterna was gegaan, had zich naar beneden gestort als uit een catapult geschoten, en een reusachtig gat in de sneeuw achtergelaten, om bij de moordpartij te zijn, voordat zijn wreede makkers, die met groote sprongen aan waren komen stuiven, alles zouden hebben opgegeten en hem zelfs geen snufje tot zijn deel hebben gelaten. En daar was ten slotte aan het uiterste eind van de rij nog een haas opgejaagd, en terwijl hij in een kleinen kring rondvloog, zooals hazen dikwijls doen, door de vier lynxen opgewacht en gegrepen toen de lange rij snel naar binnen boog om hem den pas af te snijden.Jaren later, en mijlen ver weg, zag ik op de Renous-vlakten nog veel zeldzamer staaltje van dezelfde listige manier van jagen. Van een heuvelkam boven een kleine vlakte af zag ik een kudde rendieren vreemd doen en ik ging naar beneden om de zaak te onderzoeken. Toen ik den boord van dichte struiken die de open vlakte omzoomde bereikte, zag ik de elanden opgewonden in een groepje bijeen om den voet van een groote rots aan den anderen kant der vlakte, nietmeer dan honderd vijftig meters weg. Er was daar klaarblijkelijk iets, dat hun nieuwsgierigheid opwekte,—en soms zijn rendieren de nieuwsgierigste wezens van ’t heele bosch—, maar ik moest de rots scherp door mijn verrekijker bestudeeren, eer ik den ronden, wreeden kop van een grooten lynx kon onderscheiden, stijf tegen den grijzen steen gedrukt. Eén zijde van de rots was bijna loodrecht en rees een voet of vijftien, twintig boven de vlakte uit; de andere zijde glooide minder steil af naar het bosch; en de groote lynx, die er waarschijnlijk van het bosch uit op geklauterd was om de rendieren te bespieden, hing nu half over den rand van de rots, terwijl hij zijn woesten kop van links naar rechts zwaaide en een voor een zijn uitgeslagen klauwen naar de dieren daarbeneden uitstrekte.De rendieren werden elk oogenblik opgewondener en nieuwsgieriger. Rendieren zijn net kalkoenen; als ze iets nieuws zien, moeten ze met alle geweld weten wat het is, al kost het hun het leven. Nu verbraken en sloten ze hun gelederen, liepen aarzelend heen en weer, richtten ooren en neus op het wonderlijke ding op de rots, maar kwamen met elke verandering dichterbij.Lynx op rots.Plotseling sprong de lynx, niet naar de rendieren, want die waren nog te ver weg, maar hoog in delucht met uitgespreide pooten. Hij kwam neer in een wolk van sneeuw, tolde steeds maar in de rondte als bezeten en verdween dan stil met twee groote sprongen in de beschutting van de naaste sparren.De rendieren stoven er wild van door bij dat wonderlijk gezicht, maar keerden zich om na een paar verschrikte sprongen, om te zien wat hen bang gemaakt had. Er was niets te zien, en als een kudde domme schapen kwamen ze schuchter terug, terwijl ze de sneeuw besnuffelden en hun ooren weer naar de rots toestaken; want daar op den top had je den grooten lynx, die net als straks met zijn grooten kop heen en weer zwaaide en zijn klauwen den een na den ander naar de kudde uitstak, als om ze te toonen hoe breed en flink ze waren.Langzaam naderde de kleine kudde de rots en de lynx trok zich terug, als om ze verder te lokken. Ze brandden van nieuwsgierigheid, maar ze hadden één sprong op zijn minst gezien en er de kracht van gemeten en bleven dus op een eerbiedigen afstand. Toen verliet een jong rendier de andere en ging langs den zoom van het bosch snuffelen om het vreemde ding op ’t spoor te komen, of in de luwte van de rots te geraken en zoo door den reuk—den eenigen betrouwbaren zin dien een rendier bezit—uit te maken wat dat alles toch te beteekenen had. Het was, alsof een windje een dor bosje gras op den top van de groote rots bewoog. Ik richtte er onmiddellijk mijn kijker op, en toen stokte mij van ingehouden opwinding de ademin de keel, want ik onderscheidde de gepluimde ooren van nog twee of drie andere lynxen, die plat op hun hoogen toren lagen neergedoken, onzichtbaar voor de domme kudde, ofschoon ze elke beweging met felle, gele, starende oogen gadesloegen.Het jonge rendier vond de prent, stak er zijn neus in, ging toen weer behoedzaam naar de rots om het andere gat in de sneeuw te besnuffelen en zich er van te overtuigen, dat het net zoo rook als het eerste. Boven op de rots trok de groote lynx zich nog verder terug; de kudde verdrong zich om er bij te komen, met hoog opgeheven koppen, om te zien wat hij uitvoerde; en het jonge rendier sloop naderbij en stak zijn neus weer in het spoor. Toen schoten drie levende catapulten over den hoogen rand van de rots en stortten op hem neer. Met bliksemsnelheid was de groote lynx op de been, richtte zich in zijn volle lengte op en slingerde de vluchtende kudde een kreet van wilde zegepraal achterna. Daarop schoot hij ook de rots over, viel het worstelende jonge rendier midden op den rug en hielp mee het neer te drukken in de sneeuw.Daarop schoot hij ook de rots over... bl. 90 VI.Daarop schoot hij ook de rots over... bl. 90 VI.Upweekis is een dom beest. Hij zal zijn grooten kop even onnoozel in een strik van ijzerdraad steken als een konijn, en dan zal hij kwaadaardig met den paal aan den anderen kant van den strik vechten, tot hij zichzelf wurgt. Maar niemand kon dat prachtige spoor in de sneeuw volgen of trillend van opwinding onder de sparren zitten kijken naar dat katjesspel in dewildernis, zonder een groeienden eerbied voor het spookachtige beest met de groote, ronde prenten, die dwalen, overal dwalen door de wintersche bosschen, en zonder zich met verbazing af te vragen in wat voor barbaarsch soort school moeder Upweekis haar jongen africht.Sporen van lynx in sneeuw.K’dunk, de Dikkerd.K’dunk, de dikkerd, zooals Simmo haar noemt, kwam haar winterkwartier uit, den morgen nadat dominee James de aarde van zijn eerste bloembed had omgewerkt. Het was in ’t begin van April, en de eerste geur van ’t voorjaar hing in de lucht—die bijna onmerkbare maning van Moeder Aarde aan haar slaperige kinderen om wakker te worden en er uit te komen en aan ’t werk te gaan. Dominee James voelde de maning in zijn neus en gedachtig aan zijn jonge jaren (waar we allemaal aan denken, wanneer we de lente ruiken), besloot hij te gaan visschen, als hij zijn ochtendblad gelezen had. Zijn vrouw voelde het ook, ging naar de deur, haalde eens diep adem en riep: “Wat is het toch heerlijk!” Toen greep ze een plantenschopje—want zooals een man naar de beek getrokken wordt voor zijn eerste forel, zoo moet een vrouw door denzelfden innerlijken drang wel in de aarde graven—en toog naar het bloembed. Even later klonk haar opgewonden geroep door het open raam naar binnen. “Ja-a-a-a-mes? James!”—het eerste roepen met een langen haal naar boven, het tweede meer gebiedend—“wat ter wereld heb je toch in dit bloembed gezaaid?”“Nou,” zei dominee James, terwijl hij grappig over den rand van zijn bril naar ’t open venster gluurde, “nou, ik dacht, dat ’k er portulaca gezaaid had.”“Kom dan eens hier en kijk eens wat er opgekomen is.” beval zijn vrouw; en de verraste oude heer kwam haastig naar de deur om vol verbazing te knipoogen tegen drie dikke padden, die ook zaten te knipoogen in den warmen zonneschijn, en een reusachtige modderschildpad, die verontwaardigd lag te spartelen en te sissen in een groot gat midden in zijn bloembed.Er blonk een listig, oolijk lichtje onder de brilleglazen van den ouden dominee, toen hij het wonderlijke gewas bekeek, dat ’s nachts was opgekomen.“Want zoo wat de mensch zaait, want zoo wat de mensch zaait.” haalde hij zacht bij zichzelf aan, terwijl hij met een schuinen blik naar de drie padden keek en eens onderzoekend in de groote schildpad prikte, maar zijn hand haastig terugtrok bij ’t gezicht en ’t geluid van den krommen bek en het kwaadaardige gesis. Daar er in zijn bibliotheek geen tekstverklarend boek was, voor deze gelegenheid passend, ving hij een jongetje op, dat op weg naar school voorbijkwam en zond hem vliegensvlug naar mijn kamers om er achter te komen, wat dat alles te beduiden had.Nu hadden de drie dikke padden ook het voorjaar geroken op hun zachte plekje onder het gras, waar ze zich den vorigen herfst voor hun winterslaap begraven hadden. Toen dominee James de zoden omspitte, had de warme zon haar ontdooid en haar de lenteboodschap gebracht en ze kropen onmiddellijk naar de oppervlakte, zoo van nieuw leven vervuld,alsof ze het laatste halfjaar niet als klompen zonder gevoel bevroren waren geweest. Wat de groote schildpad betreft, de geur van de versche aarde had haar waarschijnlijk uit den naburigen vijver gelokt om zich een nest te zoeken, waar ze haar eieren zou kunnen leggen. Zoodra ze de warme, zachte aarde van het portulacabed ontdekte, was ze er al wroetend ingekropen, terwijl de losse aarde boven op haar viel en haar bedekte onder ’t naar beneden gaan.Pad naast plantenschopje.Toen de scherpe vrouwenoogen over het bloembed gingen, ontdekten ze onmiddellijk den kuil middenin, die toonde dat er iemand slordig aan den gang was geweest. “Die kuil moet dichtgemaakt.” verklaarde mevrouw James onmiddellijk; maar eerst stak ze er, als een echte vrouw, haar plantenschop diep in. “Aha! een steen—slordige man.” was haar vonnis, en ze stak nog eens en trachtte het harde ding met beide handen op te heffen, waarop de groote modderschildpad spartelend, sissend voor den dag kwam en zich met bek en nagels te weer stelde, nu ze uit het beste nest verdreven werd, zooals ze er nooit zoo vroeg in ’t seizoen een gevonden had. Dien nacht kwamen er eigenaardige geluiden uit het gras en de dorre bladeren—geritsel en gerekkek en zacht, gedempt gegorgel, als de padden haastig met z’n tweeën en drieën naar den vijver kwamen hippen. Van alle kanten uit tuin en grasveld en bosch en ouden muur kwamen ze kwakend en gorgelend aan door de rustige schemering, en ze sprongen hoog van verrukking,zoodra ze ’t water maar roken. De oevers kwamen ze afglijden, rollen, halsoverkop afkeukelen—als ze maar beneden waren—om eindelijk met vroolijk geplas en gekwaak in het warme, ondiepe water terecht te komen, waar ze oogenblikkelijk begonnen te krabben en te bijten en belachelijke worstelpartijtjes aangingen; dat is zoo paddenmanier om oneenigheden te beslechten en zich een eigen wijfje op den ander te veroveren.Ze bleven een paar dagen in den vijver, vervulden de lucht van gorgelend gekwaak en vervulden het water van eindelooze snoeren kikkerdril—genoeg om den heelen vijver tot aan ’t randje met donderpadden te vullen, indien Moeder Natuur niet tusschenbeide kwam en barmhartig binnen een paar dagen na ’t leggen er negen en negentig percent van verdonkeremaande en zorgde, dat de rest elkaar ijverig verslond als ze grooter werden, tot elke overgebleven donderpad naar waarheid met den kannibaalschen matroos kon zingen:O ik ben de kok en de kapitein,En de stuurman, dat ben ik!En de dronken matroos en de bootsmansmaat,Alle hens van den commandant zijn brik.Want elke donderpad vertegenwoordigde voor haar persoon een paar honderd of meer van haar mede-donderpadden, die zij in den loop van haar ontwikkeling had opgegeten. Maar lang vóór dien tijd haddende padden den vijver verlaten, hadden zich naar alle vier windrichtingen verspreid, vanwaar ze gekomen waren, zonder dat ’t haar weer iets kon schelen wat er van haar kroost werd. Het was toen dat K’dunk de dikkerd naar het portulacabed terugkeerde.Daar vond mevrouw James haar den volgenden morgen—een groote, wrattige, grijze pad met een breeden grijns en een dikken buik en een oog als een edelsteen—slaperig knipoogen na haar nachtelijke jacht. “Och gunst! daar heb je die afschuwelijke pad weer. Ik hoop”—met een schichtigen blik om zich heen—“ik hoop dat ze de schildpad niet mee heeft gebracht.” Ze gaf haar een por en een klap met de plantenschop om haar uit het bloembed te krijgen, waarna K’dunk haar holletje onder een overhangenden graspol binnenkrabbelde en er niet meer uit wilde komen, ondanks de pogingen en ’t gepor van het schopje, in een hand die veel te zacht was om haar pijn te doen. En daar bleef zij zoo zwijgend weerstand bieden aan het schopje, tot ik er gelukkig voorbijkwam en het goede mensch er van overtuigde, dat ze daar de allerbeste vriendin trachtte te verjagen, die haar bloemen maar konden hebben. Toen vestigde K’dunk er zich rustig en we begonnen haar allemaal te bespieden.Maar haar eerste zorg was om een paar schuilgaten hier en daar in den tuin te maken. De meeste waren slechts kuiltjes in de zachte aarde, waar K’dunk inwegdook met de oogen stijf dicht, wanneer haar vijanden maar in de buurt waren. Zij veranderde spoedig van kleur, tot deze de tint had aangenomen van haar gewone omgeving, zoodat het bijna onmogelijk was haar te vinden wanneer zij rustig met gesloten oogen in een van haar tallooze holletjes lag. Maar toen zij een paar keer door den hond (die daar thuis hoorde) lastig was gevallen—een vet, amechtig pukje, dat altijd in opwinding geraakte als K’dunk in de schemering rond begon te hippen, maar dat zich toch nooit zooveel moed kon inblaffen om dat kleverige ding met zijn neus aan te raken—groef zij andere holletjes onder de grasranden of naast een steen, waar Knor, de puk, haar niet lastig kon vallen zonder te zeer buiten adem te raken.In den beginne wonnen we haar vriendschap door haar met een stok op den rug te krabbelen, bij welke aangename behandeling zij zich opblies en knorde van voldoening. Maar ’t was nooit te zeggen wanneer zij er genoeg van zou krijgen, of op welk tijdstip zij zich in haar waardigheid te kort gedaan zou voelen en diep verongelijkt den tuin inspringen. Toen voerden we haar vliegen en zachte stukjes vleesch, die we met een grashalm lieten bewegen, zoodat het leek alsof ze leefden. Dan floten we er tegelijk een bepaald lokfluitje bij, om haar te leeren wanneer haar avondmaal klaar was. Eindelijk werd zij toen, na een zachte behandeling en veel aanhalen, heelemaal tam, en op ’t geluid van het fluitje scharrelde zij haastigonder het trapje voor de deur uit, waar zij overdag huisde, en hipte levendig naar ons toe om gevoerd te worden en met zich te laten spelen.Ofschoon K’dunk veel merkwaardige trekjes had, die we met verbazing ontdekten, toen de zomer vorderde en we elkaar beter leerden kennen, geloof ik toch, dat haar manier, haar listen om aan voedsel te komen ons het meest en bij voortduring in verrukking en verbazing bracht. Gewoon maar te zien hoe ze een vlieg besloop, vervulde ons met iets van de gespannen opwinding van een hertenjacht. Terwijl zij in ’t wegstervende licht bij een boomstomp of kluit zat, ging er een vlieg die zich verlaat had of een vroeg nachtinsect vóor haar op den grond zitten. Onmiddellijk begon dan de edelsteen in K’dunks kop te flonkeren en te sparkelen. Zij hurkte neer en kroop naderbij als een eend, met de teenen naar binnen, al langzamer en langzamer, terwijl het eene grappige pootje behoedzaam langs het andere streek, even heimelijk en omzichtig als een kat die een aardeekhoorn op den muur besluipt. En als zij haar prooi naderde, flitste de edelsteen, er schoot iets roods door de lucht, zoo snel dat ons oog het niet kon volgen, en de vlieg was verdwenen. Daarop slikte K’dunk iets in, terwijl zij onder de hand plechtstatig haar oogen sloot, alsof zij dankte, of dat het hapje, wanneer zij haar oogen sloot voor alle uiterlijke dingen, op de een of andere manier er lekkerder door smaakte.De zachte tong kwam even tegen een van zijn slepende achterpooten... bl. 99 VI.De zachte tong kwam even tegen een van zijn slepende achterpooten... bl. 99 VI.Dat roode was natuurlijk K’dunks tong, waar ’t geheim van haar jacht in ligt. Ze is aan den rand van haar bek vastgehecht en ligt teruggevouwen in haar keel. Het binnenste eind is breed en zacht en kleverig en zij slaat het als een vliegensvlugge hagedis naar buiten en weer terug. Wat voor ongelukkig insect ook door de tong wordt aangeraakt, het is bevrijd van alle beslommeringen die ons menschen nog plagen. De kleverige tong rukt het K’dunks wijden bek in, voordat het tijd heeft om een vleugel uit te slaan, of er zelfs maar over te denken wat er met hem gebeurt.Pad loerend op insectje.Eens zag ik hoe zij een sprinkhaan besloop, een grooten, levendigen groenen, die met een bijzonder langen sprong uit het veilige gras was gekomen en belandde op den bruinen grond vlak voor de plek, waar K’dunk vliegen aan ’t vangen was, die onafgebroken toestroomden op een lokaas af, dat ik voor ze neergelegd had. Onmiddellijk richtte K’dunk’s aandacht zich van de vliegen op het grootere wild. Net toen haar tong naar buiten schoot, sprong de sprinkhaan, achterdochtig geworden, weg om zich te bergen. De zachte tong ging rakelings langs hem heen, maar kwam even tegen een van zijn slepende pooten en sloeg hem op zij. In een ommezien was K’dunk er weer achteraan; zij scharrelde wanhopig op haar beenen, met gloeiende oogen, terwijl haar tong in- en uitschoot als een vlammetje. Net toen de sprinkhaan een grooten sprong nam, raakte de tong hemen ik zag niets meer. Maar K’dunk had meer te slikken en zij hield haar oogen langer gesloten dan gewoonlijk, en in haar keel klonk een hevig tegenstribbelend geritsel, als de lange pooten van den sprinkhaan spartelend den weg afgingen, vanwaar geen weerkeer mogelijk is.Pad.Een groote rups, die ik eens vond en aan K’dunk bracht, verschafte ons allen nog een gelegenheid om zeldzame waarnemingen te doen. De rups was harig, met stijve borstels aan alle kanten overeind, en ik twijfelde er aan of de tong genoeg kleefstof had om er aan te plakken. Maar K’dunk twijfelde niet. Haar tong flapte naar buiten en haar oogen sloten zich plechtstatig. Op hetzelfde oogenblik zag ik hoe de rups ineenkromp en haar borstels opzette stijver dan ooit. Toen bleek er iets eigenaardigs, en wel, dat K’dunk’s bek zoo groot is en haar prooi gewoonlijk zoo klein, dat zij haar lekkernij niet proeven kan; zij slikt ze eenvoudig werktuiglijk op, alsof zij er zoo aan gewend is haar prooi te pakken te krijgen, dat het nooit bij haar opkomt, hoe zij wel eens zou kunnen missen. Toen zij haar oogen opende en de rups op dezelfde plaats zag, meende zij klaarblijkelijk dat het er nog een was, die op een geheimzinnige manier op vleugels was neergestreken, zooals de vliegen naar mijn lokaas kwamen. Weer sloeg haar tong naar buiten en sloten haar oogen zich onder een zalig geslik. Maar daar vóór haar was, toen haar oogen zich openden, nog een rups. Zoo’n volmaakte overeenstemmingvan vraag en aanbod had nog nooit tevoren een pad gekend.Weer en nog eens schoot de tong naar buiten, en elken keer werd het gevolgd door de oogen dicht en een slok. Al den tijd dat zij zoo snel bleef toeslaan, meende zij steeds nieuwe rupsen te krijgen, en al dien tijd kromp het harige ding hoe langer hoe meer ineen en stak zijn borstels uit als een stekelvarken. Maar bij elken hap kreeg het meer kleefstof op zich. “Die rups wordt veel te kleverig om te kunnen blijven leven.” zei Jantje al gauw, die ’t spelletje met mij aanzag; en bij dat woord vloog er een harige bal den wijden bek in die zich voor hem opensperde, en ging K’dunk weer aan ’t vliegenvangen.Waarschijnlijk is het dit gebrek aan smaak, dat de verbazingwekkende verscheidenheid van K’dunk’s voedsel verklaart. Het was of alles dat maar op een insect leek in haar kraam te pas kwam. Vliegen, wespen, krekels, rupsen, larven van den mierenleeuw, en alle mogelijke soorten van torren werden allemaal op dezelfde manier behandeld, wat het klappen van haar roode tong en het slikken met de oogen toe betreft. Een stuk of zes jongens en meisjes, die het zonderlinge tamme dier met me bespiedden, raakten ten einde raad iets te vinden dat het niet wou eten. Een jongen, die aan ’t boschbessenplukken geweest was, bracht drie of vier van die nare kevertjes mee, zonder naam bij elk buitenkind bekend, die dezelfde gewoonte als de bunsing hebben, een ondraaglijkenstank te verspreiden, wanneer ze lastig gevallen worden, in de meening dat hij iets had gevonden waar ons beestje geen raad mee zou weten; maar K’dunk slokte ze op, alsof ’t een versnapering was om haar eetlust op te wekken. Nog eenander bracht colorado-kevers mee; maar deze waren K’dunk ook welkom. Toen verdween een derde jongen, die de zorg voor een moestuin had, hoofdschuddend, en zei dat hij net iets gevangen had wat geen dier ter wereld zou willen eten. Bij zijn terugkomst had hij een flesch propvol met meloenkevers,1wel twintig of dertig van die vies ruikende dieren, die hij er uitschudde op den grond en met een stokje aanporde.Er draafde iemand weg om K’dunk uit een van haar schuilplaatsen te halen, en zette haar op den grond voor de wriemelende massa. Een oogenblik was het, alsof zij dat aanbod met verbazing bekeek. Toen hurkte zij neer en begon het snelle spel met de roode tong. Volgens mijn horloge was in vier minuten elke meloenkever die zich bewoog verdwenen, en K’dunk slokte de andere op zoo gauw als wij ze met een strootje konden doen bewegen om het te laten voorkomen alsof ze leefden.Daarna gaven we onze pogingen op om haar op het punt van verscheidenheid te overtroeven, en besloten ons te bepalen bij de schijnbaar zoo eenvoudige taak, er achter te komen hoeveel insecten zij eten kon eer zij “ho” zei. Maar zelfs in dit opzicht konden weniet tegen K’dunk op; we zijn er nooit, alleen of gezamenlijk, achter kunnen komen hoe ver haar eetlust reikte. Eens hebben we haar achter elkaar negentig rozenkevers gevoerd. Op een anderen middag, toen er drie jongens op hetzelfde uur verschenen, hebben we onze vangst bijeengedaan, een groote verscheidenheid van vliegen, kevers en kruipend gedierte, alles en alles bij elkaar honderd-vier-en-zestig stuks. Vóór donker had K’dunk alles opgegeten en hipte zij naar den tuin voor haar nachtelijke jacht,—alsof zij al niet genoeg gedaan had voor den heelen zomer om te bewijzen dat zij onze vriendin was.Later bedachten we een ander plannetje en lieten het wild op eigen vleugels naar K’dunk toekomen, in plaats van zelf de halve wereld af te draven om het voor haar te vangen. Bij de schuur was een verwaarloosde goot, waar vliegen genoeg waren om ons te manen wat beter voor onze gezondheid te zorgen. Hier maakte ik een kooitje van ijzergaas, waar ik een doode rat in legde en wat tafelafval. Toen de middagzon die ontdekte en liet geuren, begonnen er groote vliegen toe te stroomen onder luid gezoem, wat een sein voor hun makkers schijnt te wezen; want als ze gewoon vliegen, maakt deze soort bijna geen leven. Zoodra ze echter maar aas geschikt voor hun eieren vinden, vliegen ze elk oogenblik hard zoemend rond en hooren andere vliegen hen, waarvan de kalme vlucht dan ook in een hevig gegons verandert. Zoo verbreidt het nieuws zich—tenminste dit schijnt ervoor te helpen—en van alle kanten komen er vliegen toestroomen.Om drie uur wekte ik K’dunk uit haar overpeinzingen onder ’t trapje voor de deur op en zette haar in de kooi, terwijl ’k haar met een groot rabarberblad beschermde, dat de zon haar de oogen niet te veel verblinden zou. Toen haalde ik mijn horloge voor den dag en ging op een steen zitten tellen.In de eerste tien minuten ving K’dunk amper twaalf vliegen. Ze waren in het volle licht voor haar op hun hoede, en zij was nog niet wakker genoeg voor de gelegenheid. Toen hurkte zij neer tusschen de rat en het afval, wurmde zich een holletje, waar zij zich keeren kon zonder in ’t oog te loopen, en begon het spelletje met de roode tong in ernst. Het volgende halfuur kreeg zij zes en zestig vliegen, gemiddeld meer dan twee per minuut. In een uur was het hoogste wat zij haalde honderdtien; en eer ik haar verliet, had zij nog twee dozijn toegevoegd aan ’t getal onzer vijanden. Toen het koel in de lucht werd, kwamen er geen vliegen meer, en bracht ik haar terug naar het trapje. Maar dien avond toog zij, later dan anders, weer naar den tuin om door te gaan met haar prachtige werk.Toen de zomer-glimwormen kwamen (lichtkevers noemden de jongens ze) zagen we nog een grappig en aardig staaltje van haar jagen. Terwijl we op een avond in de zachte schemering op de veranda zaten, zag ik den eersten glimworm in het gras gloeien, enging hem vangen als een juweel voor ’t haar van een dame. Op ’t oogenblik dat ik mijn hand onder een struik stak verdween de glans plotseling en raakte ik in plaats daarvan met mijn vinger K’dunk aan. Zij had den glans ook gezien en had onmiddellijk de methode van met-licht-te-jagen toegepast.Later ving ik een lichtkever en deed dien in een fleschje, en liet dit voor K’dunk vallen, toen zij in den laten schemeravond het grasveld over ging steken. Zij zag den glans door het glas en hapte onmiddellijk toe. Evenals met de harige rups sloot zij haar oogen toen zij ’t denkbeeldige hapje doorslikte en als zij ze weer opende, gloeide er nog een lichtkever in het gras, juist waar de eerste geweest was. Zoo liet zij ’t fleschje maar over ’t grasveld springen door ’t herhaalde gelik van haar tong, terwijl zij ondertusschen de oogen sloot en slikte, tot de gloeiworm, misschien duizelig geworden door dat keukelspelletje van zijn wonderlijke kooi, zijn vleugels toevouwde en zijn lichtje verstopte. Hierop sprong K’dunk weg, op haar manier stellig denkend, dat al waren er ongewoon veel lichtkevers dien avond en al leverden ze een alleraardigsten jachtbuit op, ze toch maar bedroefd weinig gaven voor een hongerige maag—niet te vergelijken met wat zij krijgen kon met op te springen naar de insecten, die aan den onderkant der bladeren van elke plant in den tuin verscholen zaten.Thans waren er geen woorden meer noodig om er de goede mevrouw James van te overtuigen datK’dunk haar vriendin was. Ja, ze gaf een kleinen jongen zelfs een kwartje per stuk voor een pad of zes om op ’t erf los te laten en K’dunk bij zijn voortreffelijke werk te helpen. En de tuin gedijde als nog nooit tevoren, dank zij de nederige kleine helpers.Maar K’dunks verdiensten bestonden niet alleen in haar nuttigen arbeid; zij stak vol verrassingen die ons allen voortdurend in verrukking en spanning hielden, wat er nu weer gebeuren zou. Zooals ik zei, ze leerde spoedig op het fluitje af komen; maar nog meer, ze hield veel van muziek. Als ik zachtjes een deuntje floot, bleef ze doodstil tot ik klaar was, eer ze weer aftrok voor haar nachtelijke jachtpartij. En als ik dan van deuntje veranderde of valsch floot, hipte ze weg, alsof ze verder niets meer met me te maken wou hebben.Soms kwamen er op de veranda wat jongelui bij elkaar en zongen wel samen—wat K’dunk dikwijls van onder het trapje uitlokte en haar bij één gelegenheid haastig uit den tuin terug deed hippen, waar ze een uur te voren heen was gegaan om haar avondmaal te vangen. Het scheen dat ze van statige gezangen hield, want ze hield zich altijd zoo stil alsof ze in de kerk was—wat dominee James geweldig veel genoegen deed—maar van “deuntjes” had zij een afschuw, wanneer men op haar handelwijze kon afgaan, op de onmiskenbare manier, die ze had, om den rug toe te keeren aan wat haar niet beviel, of niet in haar wonderlijken smaak viel.Op een avond stond een jong meisje met een alleraardigst,natuurlijk geluid bij een open raam op de veranda te zingen. Ze zong dien avond om de oudjes plezier te doen een paar oude, eenvoudige liederen, waar ze ’t meest van hielden. Vlak bij het raam stond de piano, waarop een zachte begeleiding gespeeld werd. Een geritsel in het gras trok mijn aandacht, en daar had je K’dunk, die tevergeefs de trap poogde op te klimmen. Ik maakte mevrouw James zachtjes op de zonderlinge gast opmerkzaam, en beurde K’dunk toen voorzichtig op de veranda. Daar ging zij langs de balustrade tot vlak naast de zangeres, waar zij doodstil, aandachtig zat te luisteren, zoo lang het duurde. En dien avond was het meisje zich niet bewust van deze minste onder haar hoorders.Dat gebeurde een paar keer in den loop van den zomer. Het was, alsof die stem een aantrekkingskracht had voor ons gezellige vriendinnetje, want bij de eerste lieflijke tonen krabbelde zij haastig haar schuilplaats uit en trachtte de trap op te klimmen. Als ik haar de veranda opbeurde, hipte zij net zoo lang tot zij vlak naast de zangeres was, waar zij dan, een en al rustige waardeering, zitten bleef zoo lang als deze zong. Toen werd op een avond, dat zij bescheiden en aandachtig gedurende twee liederen aan haar voeten gezeten had, een tenor, die in New-York studeerde en soms concerten gaf, uitgenoodigd om te zingen. Hij voldeed er onmiddellijk aan met het afschuwelijke “O, lieve deugd!”Zoo heette het ding niet; dat hadden de studentenmaar gemaakt van een eertijds geliefd minnelied. Was K’dunk een Duitsch dirigent geweest, dan had zij niet zóó onmiddellijk en zóó echt haar meening kunnen te kennen geven over dat ellendige gejammer. De malle woorden waren het niet; die kon zij gelukkig niet begrijpen; en ook de ongelukkige tingeltangel-muziek nog niet zoozeer, die werkelijk de moeite van ’t verzoek niet waard was, maar eigenlijk de stem zelf, dat gemaakte, onnatuurlijke geluid, waar tenoren zich zoo dikwijls toe dwingen. Bij de eerste schelle tonen werd K’dunk onrustig. Toen scharrelde zij haastig naar den rand van de veranda en viel halsoverkop naar beneden in haar haast om weg te komen van dat door merg en been dringende gezang.Die plotselinge vlucht veroorzaakte bijna een opschudding en een vreeselijke zonde tegen de gastvrijheid onder de paar menschen, die haar kalmpjes bespiedden. Om een onweerstaanbare lachbui te verbergen glipte ik K’dunk achterna, die zich regelrecht naar de rabarberplanten haastte, eer zij ophield met hippen. En toen ik dat deed, hoorde ik de vriendelijke mevrouw James, die de goedheid en gastvrijheid in persoon is, hevig in haar zakdoek hoesten, alsof de leelijke tocht haar gevoelige keel had aangedaan; maar het klonk mij meer als ’t snikkeren van een eekhoorn, dien ik eens in een hollen pompoen hoorde gichelen. Hoe ’t ook zij, de tenor zong verder, en alles liep goed af. Ondertusschen was K’dunk bezig aan de belangrijker taak den tuin tezuiveren van schadelijke insecten, terwijl zij zich af en toe op haar grappige manier overeind zette en zich op de plaats krabde, waar haar oor moest zitten.Pad met een pootje bij oog.Het was niet lang hierna, toen wij allen meer dan ooit van K’dunk hielden, dat het merkwaardigste staaltje van haar wonderlijke leven aan den dag kwam. Anders dan de hoogere diersoorten krijgt K’dunk niet het minste onderricht van haar ouders. De lagere diersoorten leven zoo’n eenvoudig leven, dat ze genoeg hebben aan hun instinct; en daarom plaagt de natuur, die soms zoo zorgzaam, soms zoo verkwistend is, ze niet met overbodig onderwijs. Maar ze heeft menig ding voor onze oogen gedaan, dat door instinct niet te verklaren was, en er rezen veel moeilijkheden, waar aangeboren kennis niet toereikend voor was; en dan zagen we haar ongelukkige beetje verstand opwerken tegen de onverwachte vraagstukken van het heelal. Toen de zomer hoe langer hoe warmer werd, liet K’dunk de trap in den steek en maakte zich een beter hol. Alle padden doen dat op snikheete dagen—hollen een schuilplaats uit onder een zode of wortel of vermolmde boomstomp en dutten daar in de koele, vochtige schaduw, terwijl de zon daarboven schroeit. Vlak voor het trapje liepen wat breede, platte steenen over het gras naar het trottoir. De vorst van vele winters had ze gescheiden, sommige meer, andere minder, en nu vertoonde zich een lint van groen gras tusschen verscheiden steenen.K’dunk ontdekte op de een of andere manier, dat, waar het lint het breedst was, de dunne zode een holte er onder bedekte, en hier toog zij aan ’t werk, tot het gras meegaf en zij een ruim hol binnentuimelde onder een van de platte steenen. Hier was het altijd koel, en op staanden voet liet zij de trap in den steek om de loome Augustusdagen door te slapen op het betere plekje, dat zij zoo listig was geweest te ontdekken.Nu werd K’dunk, doordat zij altijd een goede jacht had in den tuin en bovendien veel te eten kreeg van ons, hoe langer hoe dikker. Soms, als zij ’s morgens naar huis kwam wippen, geweldig uitgezet door de ontelbare insecten die zij gegeten had, vond zij de opening tusschen de steenen onaangenaam nauw. Andere padden hebben dezelfde moeilijkheid, en om daaraan te ontkomen krabben ze eenvoudig den ingang van hun hol een beetje wijder; maar al krabbelde en duwde K’dunk ook nog zoo hard, zij kon de steenen niet verwrikken.Zij krabde den ingang breeder, den eersten keer nadat zij hard geduwd had, maar dat hielp niet; de toegang bleef nog ongemakkelijk nauw, en zij deed me dikwijls denken, wanneer zij haar woning binnenging, aan een heel dik, deftig persoon, die zich door een draaikruis tracht te persen, er eindelijk met een steunenden zucht al trekkend en duwend doortuimelt en zich omkeert om die uitvinding verontwaardigd te bekijken. Haar hol uitkomen was gemakkelijk, wantgedurende den langen dag had zij haar maaltijd verteerd en was weer geslonken; maar het was de vraag hoe er ’s morgens met een volle maag weer gemakkelijk in te komen.Op een morgen zag ik haar uit den tuin komen, en ik wist onmiddellijk dat haar nog grooter moeite te wachten stond. Zij had dien nacht een paar rijke insectennesten ontdekt en geweldig gegeten; haar “fraai rond lijfje” sleepte over ’t gras, toen zij meer kruipend dan hippend naar haar ingang ging, en haar eenige wensch scheen te zijn suf haar hol binnen te tuimelen en te gaan slapen. Maar helaas! zij kon er niet in. Ze had eindelijk de grens overschreden. Eerst stak zij kop en schouders naar binnen, en trachtte met aanmoedigende zetjes, door aan den onderkant van de steenen te trekken, er in te komen. Alles tevergeefs! Haar dikke lichaam bleef tusschen de halsstarrige steenen steken en kwam er slechts hoe langer hoe vaster te zitten. Het opgezette gedeelte aan den buitenkant was zooveel grooter dan het gedeelte binnen, dat zij het bij den eersten blik al zou hebben opgegeven, als zij zichzelf maar eens had kunnen zien. Maar zij werkte voort met wonderbaar geduld, tot zij wist dat ’t nergens toe diende, en zij er zich weer uittrok en voor haar ongastvrije deur ging zitten kijken, knipoogend en verfomfaaid, en heelemaal bedekt met stof en gras wortels. Terwijl zij daar zoo zat, krabde zij zich telkens op de plaats, waar haar oor moest zitten, alsof zij nadacht.Na een poosje draaide zij zich om, alsof zij het vraagstuk had opgelost, en stak haar achterpooten in het hol. Zij ging ’t achterste voren, maar voorzichtig, onhandig, alsof zij er niet aan gewend was. Dit was echter nog erger dan het andere, want haar onhandelbare buik bleef slechts hoe langer hoe vaster steken, en, met een poot aan weerskanten, elke duw lichtte haar op in plaats van haar naar beneden te brengen. Zij gaf het gauwer op dan eerst, omdat haar kop nu aan den buitenkant was en zij beter zien kon hoe zij opschoot. Eindelijk ging zij liggen, alsof zij het vraagstuk had opgelost, en trachtte zich in de lengte door haar langen doorgang te wurmen. Dat ging beter. Zij kon er òf haar achterpooten, òf haar kop en schouders doorkrijgen; maar, als met de emmers in den put, zoodra ’t eene eind neerging, ging ’t andere op, en nog weigerde haar dikke, onhandelbare lichaam er met de rest door te gaan. Toch leek het, alsof zij vorderde, want telkens als zij met kop of pooten wipte, werd haar ongemakkelijke maaltijd in een beter vorm gebracht. In ’t laatst raakte zij te zeer beklemd en moest zij veel harder krabbelen om er uit te komen, dan zij had hoeven te doen om binnen te raken. Met een wanhopigen ruk en een schop bevrijdde zij zich ten leste en zat, weer heelemaal verfomfaaid, peinzend voor haar deuropening te kijken.Pad.Plotseling keerde zij zich om en liet haar achterpooten in het gat zakken. Zij ging dezen keer behoedzamer te werk, bang dat zij er in zouloopen. Toen zij er zoover als zij kon door was, zat zij een poosje doodstil, terwijl zij zich aan weerskanten met een poot ophield. Langzaam gingen haar kaken open—en heel nieuwsgierig naar een eigenaardige hikkende beweging die zij maakte, kroop ik op handen en knieën nader en keek haar in haar wijdopen bek. Daar had je haar maaltijd, allerlei soorten van vliegen en nachtinsecten, die stukje voor stukje naar boven kwamen en in haar grooten bek als in een mandje werden gehouden, terwijl haar maag beneden werkte en nieuwen aanvoer naar boven stuurde om den druk te verlichten.Langzaam gleed zij omlaag, naar gelang de steenen hun harden greep verslapten. Een gewurm, een gekronkel, een behaaglijke draai met haar maag, een plotselinge schok—en ’t was geschied. K’dunk rustte op iederen steen met een poot, haar lichaam veilig er onder, en haar mond nog wijd open er boven hield haar kostbaren inhoud als een ouderwetsch valies, dat opengesprongen was. Toen slikte zij met groote slokken haar verstoorde maal weer in en verdween met een laatste gekrabbel in haar koele hol.Dien avond kwam zij er niet uit, maar den volgenden avond was zij als gewoonlijk in den tuin bezig. Tot onze groote spijt verliet zij èn de verandatrap èn het hol met zijn nauwe opening onder de platte steenen. Misschien had zij op haar manier de vraag overwogen, wat er van haar geworden zou zijn, als de uil haar gesnapt had bij haar thuiskomst dien morgen,want toen ik haar weer aantrof, zat zij veilig in de holte onder de wortels van een ouden appelboom, waarvan de ingang wijd genoeg was om er haastig in te duikelen, hoeveel zij ook gegeten zou hebben. En daar bleef zij overdag, zoolang ik haar bespiedde.Pad op hoef.Er bleef nog een merkwaardig trekje over, dat ik in de laatste dagen van den zomer ontdekte; en dat was haar scherpzinnigheid om het beste terrein voor haar jacht uit te zoeken. Vlak achter haar hol in den ouden appelboom was een muur, waaronder ’t vol zat van allerlei insecten. K’dunks hol was aan den oostkant, zoodat de zon bij ’t ondergaan de koele schaduw van den muur over de plek wierp en ons vriendinnetje vroeger dan gewoonlijk voor den dag bracht. Zij had op de een of andere manier ontdekt dat de westkant van den muur de laatste stralen van de zon opving en bewaarde, en dat er laat op den middag vliegen en allerhande insecten op de warme steenen kwamen neerstrijken of rondkruipen om warm te worden. Zij maakte zich een gang onder den muur, vlak achter haar hol, en ging dan aan den westkant dicht tegen een zekeren grijzen steen liggen, zoodat haar grauwe kleur haar volkomen dekte, om de vliegen op te pikken als ze neerstreken, even snel en zeker als een hagedis. Als kevers en andere insecten uit hun holen kropen om zich een poosje op een warmen steen te zonnen, lag K’dunk, wier blik over haar jachtgebied heen en weer gleed, stil, tot ze goed en wel zaten, en kroop dan omzichtig, tot zij ze binnenhaar bereik had en sloeg ze naar binnen met een floep van haar tong, dien ’t oog nauwelijks volgen kon. De twaalf middagen ongeveer dat ik haar daar gadesloeg heb ik haar nooit een keer zien missen, terwijl het aantal vliegen en insecten dat zij verdelgde tot in de honderden moet hebben geloopen.In dezelfde wei graasden vier of vijf koeien, en met mooie dagen werden ze buitenshuis gemolken in plaats van naar stal gedreven te worden. Nu hebben zij, die koeien onder ’t melken hebben gadegeslagen, waarschijnlijk wel opgemerkt, hoe de vliegenzwermen om hun pooten in dikke kluiten boven de hoeven zitten, waar het zenuwachtige zwiepen van den staart ze niet verstoren kan. K’dunk had dat ook gezien, en vaak gedurende den melktijd, als de koeien stilstonden, ging zij naar een bepaald dier uit de kudde toe, kroop boven op den eenen hoef na den anderen en hapte elke vlieg er af, die onder haar bereik kwam. Dan sprong zij op naar de hoogste, die zij bijna altijd raakte, en tuimelde op haar rug na een gelukten hap. Maar in een wip was zij weer boven op den hoef geklauterd en zat zij af te wachten, tot de volgende vlieg binnen haar bereik zou neerstrijken. Het opmerkelijkst van alles was dat zij zich aan één koe hechtte, en deze van de kudde uitzocht, wàar ze ook gemolken werd. Voor zoover ik heb kunnen nagaan, kwam zij nooit in de buurt van de andere; en het was alsof de koe na een poosje de pad als vriendin herkende, en dikwijls nadat ze gemolkenwas stilstond, zoolang K’dunk op een van haar hoeven bleef zitten.Toen de zomer ten einde liep en het groen in den tuin verdween, verliet zij dien ook en trok al verder en verder de wei in op haar nachtelijke jacht. Zij werd ook minder tam, zooals ’t met alle dieren gaat in den herfst, tot ten leste geen fluitje, hoe hard ook, haar terug kon lokken. Of de uil haar ving, of dat haar nog het lange leven te wachten staat, dat de Natuur aan de padden schenkt, weet ik niet; maar onder den rand van het portulacabed is, terwijl ik zit te schrijven, een verdachte holte, die vorst en sneeuw niet geheel verborgen hebben. Ik zal deze in de lente met meer dan gewone belangstelling gadeslaan, om te weten of K’dunk, de dikkerd, zich haar oude vrienden nog herinnert.1Anasa Tristis.

Een Geniale Houtsnip.Whitooweek heeft nog iets heel verrassends, iets dat eigenlijk geen gewoonte genoemd kan worden, maar waarschijnlijk een zeldzame ontdekking is van een of twee dieren hier of daar, die vindingrijker zijn dan hun makkers. Evenals de eider-eenden1en de beer en de bever, past Whitooweek soms een ruw soort van heelkunst toe om zijn wonden te verbinden. Toen ik twintig jaren geleden rustig bij een beek aan den zoom der bosschen in Bridgewater zat, fladderde er plotseling een houtsnip ’t open terrein op naar een plek op den oever, waar duidelijk, vanwaar ik zat te kijken, een lichte strook dikke modder en klei te zien was. Het was in ’t begin van den jachttijd, de jagers waren op ’t pad in de streek, en mijn eerste indruk was, dat dit een gewonde vogel was, die, nadat hij was aangeschoten, ver gevlogen had en nu uit de struikennaar ’t water was gekomen om te drinken of zijn wond te baden. Of dit al dan niet zoo was, ik kan er slechts naar gissen; maar de vogel deed wonderlijk in ’t volle daglicht, en ik kroop naderbij, tot ik hem duidelijk kon zien aan den anderen kant van de beek, ofschoon hij me nog te ver weg was om er volkomen zeker van te zijn, wat al zijn bewegingen beteekenden.Houtsnip die zijn snavel poets aan een poot.Eerst nam hij zachte klei van den rand van het water in zijn snavel en scheen het op zijn eenen poot bij de knie te smeren. Toen fladderde hij weg en was het of hij worteltjes en grassprieten uittrok en in de klei werkte, die hij al op zijn poot gesmeerd had. Weer nam hij wat klei en pleisterde het over de vezels, deed er hoe langer hoe meer op, tot ik duidelijk zien kon hoe het grooter werd en zoo werkte hij met een eigenaardige, zwijgende aandachtigheid wel een vol kwartier voort, terwijl ik toekeek en me verbaasde en nauwelijks mijn oogen kon gelooven. Toen stond hij langer dan een uur doodstil onder een overhangenden graspol, waar mijn oog hem met moeite vinden kon, terwijl zijn eenige beweging onder de bedrijven bestond in af en toe het kleiverband eens te wrijven en glad te strijken met zijn snavel, tot het hem hard genoeg naar den zin was geworden, waarop hij wegfladderde van de beek en in het dichte bosch verdween.Ik had mijn eigen verklaring van de ongelooflijke handelwijze, namelijk, dat de houtsnip een gebroken poot had en hem met wijs overleg in een spalk vanklei had gezet om de gebroken botjes op hun plaats te houden, tot ze weer samen zouden zijn gegroeid; maar natuurlijk hield ik dit voor me, wel wetend dat niemand aan die veronderstelling geloof zou slaan. Jarenlang deed ik nauwkeurig navraag bij jagers en ik vond er twee, die zeiden dat ze houtsnippen hadden geschoten, waar eens de poot van gebroken was geweest en weer genezen. Voor zoover ze zich herinneren konden, was de poot in beide gevallen mooi recht genezen in plaats van aan den eenen kant naar buiten te steken, zooals de poot van een kuiken doet, als hij gebroken is geweest en ze hem vanzelf weer hebben laten aaneengroeien. Ik onderzocht honderden houtsnippen aan de markt in verschillende oorden en vond er een, wier poot eens door een kogel gebroken was en toen prachtig genezen. Er waren duidelijke sporen van gedroogde modder aan de breuk; maar deze zag ik ook aan den anderen poot bij de teenen, en het toonde slechts dat zij op weeke plaatsen voedsel had gezocht. Dit bewees alles nog niets voor een buitenstaander, en wat ik gezien had hield ik voor me tot den vorigen winter, twintig jaren later, toen de bevestiging onverwachts kwam. Ik had over dieren gesproken voor een vereeniging te Bridgeport, toen een heer, een advocaat overal in ’t land goed bekend, naar me toekwam en me vol vuur van een eigenaardige vondst vertelde, die hij den vorigen herfst gedaan had. Toen hij eens met een vriend op jacht was, schoten ze een houtsnip, die, door den hond geapporteerd,een stuk harde klei aan een van haar pooten bleek te hebben. Nieuwsgierig wat dat beteekende, klopte hij de klei er met zijn pennemesje af, en ontdekte een gebroken poot, die toen bijna genezen was en zoo recht als ooit. Een paar weken later zou de vogel, wanneer hij geleefd had, stellig zelf de spalk hebben weggenomen en zou er niets zijn geweest om iets ongewoons aan hem te verraden. En zoo geef ik dan eindelijk mijn waarneming, daar er nu een bewijs voorhanden is, niet voor een nieuwe of oude gewoonte van Whitooweek—want hoe ver deze vreemde wetenschap onder de houtsnippen en de steltloopers verbreid is, kan geen mensch zeggen—maar eenvoudig om te toonen, hoe weinig wij van het innerlijke leven van den kluizenaar afweten, en eigenlijk van alle wilde vogels, en hoeveel er nog te ontdekken is, wanneer we ’t geweer voor den kijker op zij zullen leggen en het wonderlijke leven leeren begrijpen, dat overal om ons heen onzichtbaar zijn gang gaat2.1Somateria Mollissima Borealis.2Sedert bovenstaande waarneming gepubliceerd werd, is mijn aandacht op verschillende gevallen gevestigd, die ten slotte bewijzen, dat deze gewoonte om een gebroken poot te spalken in klei, meer onder de snippen verbreid is, dan ik mogelijk geacht had. In een artikel inScience(Mei 13, 1904, deel XIX,N. S.No. 489, pag. 760 enz.) heb ik enkele van deze gevallen genoemd en het bewijs gegeven, waar ze op steunen.

Whitooweek heeft nog iets heel verrassends, iets dat eigenlijk geen gewoonte genoemd kan worden, maar waarschijnlijk een zeldzame ontdekking is van een of twee dieren hier of daar, die vindingrijker zijn dan hun makkers. Evenals de eider-eenden1en de beer en de bever, past Whitooweek soms een ruw soort van heelkunst toe om zijn wonden te verbinden. Toen ik twintig jaren geleden rustig bij een beek aan den zoom der bosschen in Bridgewater zat, fladderde er plotseling een houtsnip ’t open terrein op naar een plek op den oever, waar duidelijk, vanwaar ik zat te kijken, een lichte strook dikke modder en klei te zien was. Het was in ’t begin van den jachttijd, de jagers waren op ’t pad in de streek, en mijn eerste indruk was, dat dit een gewonde vogel was, die, nadat hij was aangeschoten, ver gevlogen had en nu uit de struikennaar ’t water was gekomen om te drinken of zijn wond te baden. Of dit al dan niet zoo was, ik kan er slechts naar gissen; maar de vogel deed wonderlijk in ’t volle daglicht, en ik kroop naderbij, tot ik hem duidelijk kon zien aan den anderen kant van de beek, ofschoon hij me nog te ver weg was om er volkomen zeker van te zijn, wat al zijn bewegingen beteekenden.

Houtsnip die zijn snavel poets aan een poot.

Eerst nam hij zachte klei van den rand van het water in zijn snavel en scheen het op zijn eenen poot bij de knie te smeren. Toen fladderde hij weg en was het of hij worteltjes en grassprieten uittrok en in de klei werkte, die hij al op zijn poot gesmeerd had. Weer nam hij wat klei en pleisterde het over de vezels, deed er hoe langer hoe meer op, tot ik duidelijk zien kon hoe het grooter werd en zoo werkte hij met een eigenaardige, zwijgende aandachtigheid wel een vol kwartier voort, terwijl ik toekeek en me verbaasde en nauwelijks mijn oogen kon gelooven. Toen stond hij langer dan een uur doodstil onder een overhangenden graspol, waar mijn oog hem met moeite vinden kon, terwijl zijn eenige beweging onder de bedrijven bestond in af en toe het kleiverband eens te wrijven en glad te strijken met zijn snavel, tot het hem hard genoeg naar den zin was geworden, waarop hij wegfladderde van de beek en in het dichte bosch verdween.

Ik had mijn eigen verklaring van de ongelooflijke handelwijze, namelijk, dat de houtsnip een gebroken poot had en hem met wijs overleg in een spalk vanklei had gezet om de gebroken botjes op hun plaats te houden, tot ze weer samen zouden zijn gegroeid; maar natuurlijk hield ik dit voor me, wel wetend dat niemand aan die veronderstelling geloof zou slaan. Jarenlang deed ik nauwkeurig navraag bij jagers en ik vond er twee, die zeiden dat ze houtsnippen hadden geschoten, waar eens de poot van gebroken was geweest en weer genezen. Voor zoover ze zich herinneren konden, was de poot in beide gevallen mooi recht genezen in plaats van aan den eenen kant naar buiten te steken, zooals de poot van een kuiken doet, als hij gebroken is geweest en ze hem vanzelf weer hebben laten aaneengroeien. Ik onderzocht honderden houtsnippen aan de markt in verschillende oorden en vond er een, wier poot eens door een kogel gebroken was en toen prachtig genezen. Er waren duidelijke sporen van gedroogde modder aan de breuk; maar deze zag ik ook aan den anderen poot bij de teenen, en het toonde slechts dat zij op weeke plaatsen voedsel had gezocht. Dit bewees alles nog niets voor een buitenstaander, en wat ik gezien had hield ik voor me tot den vorigen winter, twintig jaren later, toen de bevestiging onverwachts kwam. Ik had over dieren gesproken voor een vereeniging te Bridgeport, toen een heer, een advocaat overal in ’t land goed bekend, naar me toekwam en me vol vuur van een eigenaardige vondst vertelde, die hij den vorigen herfst gedaan had. Toen hij eens met een vriend op jacht was, schoten ze een houtsnip, die, door den hond geapporteerd,een stuk harde klei aan een van haar pooten bleek te hebben. Nieuwsgierig wat dat beteekende, klopte hij de klei er met zijn pennemesje af, en ontdekte een gebroken poot, die toen bijna genezen was en zoo recht als ooit. Een paar weken later zou de vogel, wanneer hij geleefd had, stellig zelf de spalk hebben weggenomen en zou er niets zijn geweest om iets ongewoons aan hem te verraden. En zoo geef ik dan eindelijk mijn waarneming, daar er nu een bewijs voorhanden is, niet voor een nieuwe of oude gewoonte van Whitooweek—want hoe ver deze vreemde wetenschap onder de houtsnippen en de steltloopers verbreid is, kan geen mensch zeggen—maar eenvoudig om te toonen, hoe weinig wij van het innerlijke leven van den kluizenaar afweten, en eigenlijk van alle wilde vogels, en hoeveel er nog te ontdekken is, wanneer we ’t geweer voor den kijker op zij zullen leggen en het wonderlijke leven leeren begrijpen, dat overal om ons heen onzichtbaar zijn gang gaat2.

1Somateria Mollissima Borealis.2Sedert bovenstaande waarneming gepubliceerd werd, is mijn aandacht op verschillende gevallen gevestigd, die ten slotte bewijzen, dat deze gewoonte om een gebroken poot te spalken in klei, meer onder de snippen verbreid is, dan ik mogelijk geacht had. In een artikel inScience(Mei 13, 1904, deel XIX,N. S.No. 489, pag. 760 enz.) heb ik enkele van deze gevallen genoemd en het bewijs gegeven, waar ze op steunen.

1Somateria Mollissima Borealis.

2Sedert bovenstaande waarneming gepubliceerd werd, is mijn aandacht op verschillende gevallen gevestigd, die ten slotte bewijzen, dat deze gewoonte om een gebroken poot te spalken in klei, meer onder de snippen verbreid is, dan ik mogelijk geacht had. In een artikel inScience(Mei 13, 1904, deel XIX,N. S.No. 489, pag. 760 enz.) heb ik enkele van deze gevallen genoemd en het bewijs gegeven, waar ze op steunen.

Als Upweekis aan ’t jagen is.Laat op een wintermiddag, toen de zon de dennen op de westelijke helling verguldde en de lange, kille schaduwen zich uitstrekten door de met sneeuw beladen bosschen, brak er een reusachtige mannetjeseland uit de sombere sparren en ging zwaaiend de lange, door de zon beschenen vlakte op, met schreden zoo lang en geweldig, dat zelfs een wolf de lust zou zijn vergaan hem te volgen. Vijf minuten later kwam ik uit dezelfde gang onder de sparren, net toen de franje van groen aan den overkant van de vlakte terugzwiepte om de flanken te dekken van den eland, die er zich in gestort had,—en daarna knikte, en knikte alle kanten uit:Dezen kant! dien kant! hier! ginds!—om ieder te misleiden, die hem naspeuren kon. Want bijwijlen is ’t, of zelfs de sparren en de elzen en ’t water en de bladeren en de krakende takken en de dansende schaduwen, alle samenspannen om het onschuldige boschvolkje te beschermen voor de vijandige oogen en handen van hun achtervolgers. En dit is een van de oorzaken, waardoor men zoo moeilijk wild in ’t bosch te zien krijgt.De groote eland had me dien keer verschalkt. Toen hij wist dat ’k hem volgde, draafde hij een heel eind vooruit en ging toen snel in een kring terug om roerloos in een boschje op de heuvelhelling te gaan staan, geen twintig meter van het spoor, dat hij nauwlijkseen uur geleden gemaakt had. Daar kon hij zonder gezien te worden prachtig kijken wat er toch achter hem aankwam. Toen ik voorbijging, snel en zwijgend over de diepe prenten in de sneeuw, liet hij me onder zich langs gaan, terwijl hij me eens goed opnam en flink snoof; daarop gleed hij als een schim in de tegenovergestelde richting weg. Ongelukkig brak er een doode tak in de sneeuw met een doffen knap onder zijn voorzichtigen hoef, ik verliet even het spoor om te kijken—en bespaarde me zoo het lange geloop langs de listige prenten op en neer. Toen hij zag dat zijn list ontdekt was, stormde hij naar de open vlakte; al zijn wonderbaarlijke gaven van oog en oor en onvermoeide pooten stelde hij in ’t werk om zich voor den man te beveiligen, dien hij verkeerdelijk voor zijn doodsvijand hield.Het zou weinig baten hem nog verder te volgen; dus ging ik op een omgevallen gelen berk zitten uitrusten om een poosje naar de wijde stilte te luisteren en al wat er door het koude, witte bosch voorbij mocht komen te bespieden.Onder den zoom van sparren dansten plotseling de zachte, violette schaduwen en er sprong een haas zoo wit als de sneeuw te voorschijn. In lange, zenuwachtige sprongen, alsof ’t op spiraalveeren ging, vloog hij voor mijn oogen over een smallen arm van de vlakte, om dekking in een uitlooper van ’t bosch voor me. De zachte armen van de dwergsparren en de nog zachter schaduwen daaronder schenen zichvanzelf te openen om hem binnen te laten. Onmiddellijk hield al ’t gewiegel van takken en ’t vallen van plakken sneeuw en ’t dansen van schaduwen op, en langs den heelen zoom van sparren zeiden stille stemmen: hier is niets, we hebben hem niet gezien, hier is niets.Waarom stoof hij dien kant toch uit, dacht ik. Want Moktaques is een gekke, grillige baas en doet de dingen nooit op een praktische manier, tenzij hij wel moet. Terwijl ik me nog verbaasde, zag ik een gelen gloed onder de violette schaduwen glimmen, waar Moktaques vandaan was gekomen, en de wreede, ronde kop van een Canadeeschen lynx werd uit den tunnel gestoken, dien de haas nog maar even te voren gemaakt had. Nauwelijks was zijn groote, grijze lichaam te voorschijn gedrongen, of een eind verder bewogen de schaduwen zich in den zoom van naaldhout; nog een lynx en nog een gleden er uit; en ik hield mijn adem in, toen vijf van die bloeddorstige dieren den smallen arm van de vlakte oversnelden, elk met uitgerekten hals, terwijl zijn felle oogen de duisternis vóór zich peilden als gouden schichten, en hij zijn plaats bewaarde in de indrukwekkende, schrikaanjagende rij van wreedheid en macht, zoo stil als de schaduw van den dood. Er overviel me een rilling bij de gedachte aan wat er gebeuren zou met Moktaques, als er een uit de rij hem zou ontdekken en opjagen. Ik was eigenlijk op dat oogenblik blij (want ik had geen geweer) dat ’k zelf heel stilletjes konzitten en de woeste beesten voorbij me heen kon laten gaan zonder dat ze me merkten.De middelste lynx, een fel, oud wijfje, volgde ’t spoor van den haas; en onmiddellijk flitste het door me heen, wie ze was en wat ze alle uitvoerden. Hier was eindelijk het geheim van de benden lynxen, die men soms in de winterbosschen aantreft, en die een mensch somtijds bedreigen of angst aanjagen door een woestheid, welke de dieren afzonderlijk niet laten blijken. Want Upweekis, ofschoon groot en kwaadaardig, is in zijn hart een gluiperig, laf, verraderlijk beest—evenals alle katten—en vindt het dus maar ’t prettigste alleen te zijn. Daar hij weet dat de overige van zijn verwanten zijn als hijzelf, verdenkt hij ze allemaal en is hij beducht dat bij een verdeeling van den gezamenlijken buit iemand anders het leeuwendeel zal krijgen. Onder katten heb ik dan ook nooit eenig spoor ontdekt van de vaste regels, die onder bijna alle andere dieren schijnen te gelden.Twee Canadeesche lynxen’s Winters is het echter anders. Dan is Upweekis gedwongen wat van zijn katachtige zelfzucht te laten varen en in woeste horden te gaan jagen. Elke zeven jaar vooral, als de konijnen schaarsch in de bosschen zijn ten gevolge der ziekte waaraan ze op gezette tijden sterven, kan het zijn dat men toevallig een van die rooversbenden aantreft, die de hertenperken onveilig maken of de rendierkudden volgen. Maar pas toen de woeste rij daar voor mijn eigen oogen uit de violette schaduwen stoof, besefte ik eenigszins datdeze troepen—bijna zonder uitzondering, zooals ik sedertdien geleerd heb—familiegroepen zijn, die zich gedurende den winter bij elkaar houden, net als hertekalfjes de oude hinde volgen, tot ’t lente wordt, opdat haar wijsheid voedsel voor hen vinde en haar grooter kracht hun een weg bane, wanneer de sneeuw dik ligt en de vijanden hun op de hielen zitten.De groote lynx middenin was de moeder; de vier andere lynxen waren haar jongen; en ze bleven nu bij elkaar, gedeeltelijk om hun onvoltooide opvoeding onder haar eigen oogen te voltooien, maar voornamelijk om gedurende den winter in de dagen van honger hun krachten te kunnen vereenigen en met grooter overleg jagen, en als ’t noodig was de grootere dieren klein krijgen, die hen mogelijk in hun eentje tarten zouden.Toen ze het versche spoor van den mannetjeseland kruiste, duwde de oude moederlynx er haar grooten kop in om eens lang te snuiven. Onmiddellijk sloot de reeks zich en stond elke lynx als een standbeeld met zijn stompen neus in een geur uitstralende hoefprent, om er met zijn botte zintuigen achter te komen, wat daar juist langs was gegaan. De kop van de oude lynx ging de rij van haar onbeweeglijke jongen langs en weer terug; toen schoot ze weer verder, terwijl een kwaadaardige grauw haar snuit onder haar snorren vertrok. Een troep uitgehongerde lynxen bij elkaar zou toch niet licht een mannetjeseland, met zulke groote passen en zoo sterk, achtervolgen. Slechtsde geur van bloed zou ze onwillig zoo’n spoor opdrijven; en zelfs dan nog, wanneer ze er de oorzaak van opgespeurd hadden, zouden ze slechts in een bloeddorstigen, plechtigen kring om hem heenhurken, en onder hongerig gegaap op zijn dood wachten. Nu was er ergens vlak vóór hen gemakkelijk wild verscholen. Het was, alsof er een bevel zonder woorden langs de rij wachtende jongen gegeven werd. Ze staken allemaal op ’t zelfde oogenblik hun kop naar voren en de zwijgende tocht werd weer vervolgd.Toen de laatste van de rij uit het oog geglipt was tusschen de struiken van het uitstekende kreupelhout vóór me, snelde ik haastig door ’t bosch, zonder gerucht in de zachte sneeuw te maken, en dook roerloos onder de sparren, waar het vooruitspringende hout wat lager was, in de hoop de geslepen jagers weer te zien. Ik hoefde maar even te wachten. Van onder een overbuigenden tak sprong Moktaques voor den dag en vloog het open land over op de volgende boschtong af. Vlak achter hem klonk een grauw en met een vreeselijke vaart stortte de oude lynx zich te voorschijn, toen ze ’t wild in ’t oog kreeg, en beduidde met woesten kreet haar jagersrij hem in te sluiten. Als een wervelwind kwamen ze aan, liepen uit met geweldige sprongen en sloten zich samen aan weerskanten om den snellen cirkelgang van het vluchtende wild af te snijden. Bliksemsnel kwamen de uiteinden van de rij samen en schoten ze plotseling naar binnen; nog even—en Moktaques lag plat in de sneeuwgedoken midden in een wreeden kring, die als een wervelwind zich om hem vernauwde. Toen de kleinste lynx naar zijn prooi toesprong, was het alsof een electrische schok door den roerloozen haas ging. Hij schoot vooruit, alsof hij gegalvaniseerd werd, sprong hoog boven de neergedoken verschrikking vóór zich op en trachtte uit den vreeselijken kring te geraken. Toen schoot de lynx, over wiens kop hij sprong, steil overeind, greep het vluchtende dier zoo in zijn groote klauwen, viel achterover en was in een ommezien door de andere lynxen overdekt, die zich als furies op hem stortten, terwijl ze kwaadaardig hapten en klauwden in het beetje, dat hij vermeesterd had, op het oogenblik zelf dat het ontsnapte.Een poosje was er een vreeselijk gevecht; toen, eer ik nog goed mijn oogen kon uitwrijven, was de haas volkomen verdwenen, en was er een woeste kring van lynxen hongerig aan ’t likkebaarden, terwijl ze elkaar aanloerden en toegrauwden om te weten wie den grootsten hap gekregen had.Toen ze eindelijk verdwenen, in een lange rij in den zoom van de vlakte wegslonken, nam ik het spoor in tegenovergestelde richting op, om te zien hoe ze gejaagd hadden. Langer dan een mijl, rechtstreeks terug naar mijn kamp, volgde ik de prenten en ontdekte dat er een drijfjacht had plaats gehad, zoo listig als er ooit een in de bosschen gehouden was. Ze hadden dien heelen afstand in een bijna volmaakte lijn doorgesneld, elk levend wezen opgeschrikt, dat hun in denweg kwam. Hier was het een gekraagd hazelhoen, waar er een naar gesprongen had en—gemist, toen de verschrikte vogel wegsnorde in de duisternis. Daar was er een een boom ingeklommen en had er iets uitgeschud in de sneeuw, waarvan de andere elk stukje zoo schoon opgeslikt hadden, dat ik niet kon zeggen wie de ongelukkige was geweest; maar er bleek een merkwaardig groote durf uit, want de lynx, die zijn prooi den boom in achterna was gegaan, had zich naar beneden gestort als uit een catapult geschoten, en een reusachtig gat in de sneeuw achtergelaten, om bij de moordpartij te zijn, voordat zijn wreede makkers, die met groote sprongen aan waren komen stuiven, alles zouden hebben opgegeten en hem zelfs geen snufje tot zijn deel hebben gelaten. En daar was ten slotte aan het uiterste eind van de rij nog een haas opgejaagd, en terwijl hij in een kleinen kring rondvloog, zooals hazen dikwijls doen, door de vier lynxen opgewacht en gegrepen toen de lange rij snel naar binnen boog om hem den pas af te snijden.Jaren later, en mijlen ver weg, zag ik op de Renous-vlakten nog veel zeldzamer staaltje van dezelfde listige manier van jagen. Van een heuvelkam boven een kleine vlakte af zag ik een kudde rendieren vreemd doen en ik ging naar beneden om de zaak te onderzoeken. Toen ik den boord van dichte struiken die de open vlakte omzoomde bereikte, zag ik de elanden opgewonden in een groepje bijeen om den voet van een groote rots aan den anderen kant der vlakte, nietmeer dan honderd vijftig meters weg. Er was daar klaarblijkelijk iets, dat hun nieuwsgierigheid opwekte,—en soms zijn rendieren de nieuwsgierigste wezens van ’t heele bosch—, maar ik moest de rots scherp door mijn verrekijker bestudeeren, eer ik den ronden, wreeden kop van een grooten lynx kon onderscheiden, stijf tegen den grijzen steen gedrukt. Eén zijde van de rots was bijna loodrecht en rees een voet of vijftien, twintig boven de vlakte uit; de andere zijde glooide minder steil af naar het bosch; en de groote lynx, die er waarschijnlijk van het bosch uit op geklauterd was om de rendieren te bespieden, hing nu half over den rand van de rots, terwijl hij zijn woesten kop van links naar rechts zwaaide en een voor een zijn uitgeslagen klauwen naar de dieren daarbeneden uitstrekte.De rendieren werden elk oogenblik opgewondener en nieuwsgieriger. Rendieren zijn net kalkoenen; als ze iets nieuws zien, moeten ze met alle geweld weten wat het is, al kost het hun het leven. Nu verbraken en sloten ze hun gelederen, liepen aarzelend heen en weer, richtten ooren en neus op het wonderlijke ding op de rots, maar kwamen met elke verandering dichterbij.Lynx op rots.Plotseling sprong de lynx, niet naar de rendieren, want die waren nog te ver weg, maar hoog in delucht met uitgespreide pooten. Hij kwam neer in een wolk van sneeuw, tolde steeds maar in de rondte als bezeten en verdween dan stil met twee groote sprongen in de beschutting van de naaste sparren.De rendieren stoven er wild van door bij dat wonderlijk gezicht, maar keerden zich om na een paar verschrikte sprongen, om te zien wat hen bang gemaakt had. Er was niets te zien, en als een kudde domme schapen kwamen ze schuchter terug, terwijl ze de sneeuw besnuffelden en hun ooren weer naar de rots toestaken; want daar op den top had je den grooten lynx, die net als straks met zijn grooten kop heen en weer zwaaide en zijn klauwen den een na den ander naar de kudde uitstak, als om ze te toonen hoe breed en flink ze waren.Langzaam naderde de kleine kudde de rots en de lynx trok zich terug, als om ze verder te lokken. Ze brandden van nieuwsgierigheid, maar ze hadden één sprong op zijn minst gezien en er de kracht van gemeten en bleven dus op een eerbiedigen afstand. Toen verliet een jong rendier de andere en ging langs den zoom van het bosch snuffelen om het vreemde ding op ’t spoor te komen, of in de luwte van de rots te geraken en zoo door den reuk—den eenigen betrouwbaren zin dien een rendier bezit—uit te maken wat dat alles toch te beteekenen had. Het was, alsof een windje een dor bosje gras op den top van de groote rots bewoog. Ik richtte er onmiddellijk mijn kijker op, en toen stokte mij van ingehouden opwinding de ademin de keel, want ik onderscheidde de gepluimde ooren van nog twee of drie andere lynxen, die plat op hun hoogen toren lagen neergedoken, onzichtbaar voor de domme kudde, ofschoon ze elke beweging met felle, gele, starende oogen gadesloegen.Het jonge rendier vond de prent, stak er zijn neus in, ging toen weer behoedzaam naar de rots om het andere gat in de sneeuw te besnuffelen en zich er van te overtuigen, dat het net zoo rook als het eerste. Boven op de rots trok de groote lynx zich nog verder terug; de kudde verdrong zich om er bij te komen, met hoog opgeheven koppen, om te zien wat hij uitvoerde; en het jonge rendier sloop naderbij en stak zijn neus weer in het spoor. Toen schoten drie levende catapulten over den hoogen rand van de rots en stortten op hem neer. Met bliksemsnelheid was de groote lynx op de been, richtte zich in zijn volle lengte op en slingerde de vluchtende kudde een kreet van wilde zegepraal achterna. Daarop schoot hij ook de rots over, viel het worstelende jonge rendier midden op den rug en hielp mee het neer te drukken in de sneeuw.Daarop schoot hij ook de rots over... bl. 90 VI.Daarop schoot hij ook de rots over... bl. 90 VI.Upweekis is een dom beest. Hij zal zijn grooten kop even onnoozel in een strik van ijzerdraad steken als een konijn, en dan zal hij kwaadaardig met den paal aan den anderen kant van den strik vechten, tot hij zichzelf wurgt. Maar niemand kon dat prachtige spoor in de sneeuw volgen of trillend van opwinding onder de sparren zitten kijken naar dat katjesspel in dewildernis, zonder een groeienden eerbied voor het spookachtige beest met de groote, ronde prenten, die dwalen, overal dwalen door de wintersche bosschen, en zonder zich met verbazing af te vragen in wat voor barbaarsch soort school moeder Upweekis haar jongen africht.Sporen van lynx in sneeuw.

Laat op een wintermiddag, toen de zon de dennen op de westelijke helling verguldde en de lange, kille schaduwen zich uitstrekten door de met sneeuw beladen bosschen, brak er een reusachtige mannetjeseland uit de sombere sparren en ging zwaaiend de lange, door de zon beschenen vlakte op, met schreden zoo lang en geweldig, dat zelfs een wolf de lust zou zijn vergaan hem te volgen. Vijf minuten later kwam ik uit dezelfde gang onder de sparren, net toen de franje van groen aan den overkant van de vlakte terugzwiepte om de flanken te dekken van den eland, die er zich in gestort had,—en daarna knikte, en knikte alle kanten uit:Dezen kant! dien kant! hier! ginds!—om ieder te misleiden, die hem naspeuren kon. Want bijwijlen is ’t, of zelfs de sparren en de elzen en ’t water en de bladeren en de krakende takken en de dansende schaduwen, alle samenspannen om het onschuldige boschvolkje te beschermen voor de vijandige oogen en handen van hun achtervolgers. En dit is een van de oorzaken, waardoor men zoo moeilijk wild in ’t bosch te zien krijgt.

De groote eland had me dien keer verschalkt. Toen hij wist dat ’k hem volgde, draafde hij een heel eind vooruit en ging toen snel in een kring terug om roerloos in een boschje op de heuvelhelling te gaan staan, geen twintig meter van het spoor, dat hij nauwlijkseen uur geleden gemaakt had. Daar kon hij zonder gezien te worden prachtig kijken wat er toch achter hem aankwam. Toen ik voorbijging, snel en zwijgend over de diepe prenten in de sneeuw, liet hij me onder zich langs gaan, terwijl hij me eens goed opnam en flink snoof; daarop gleed hij als een schim in de tegenovergestelde richting weg. Ongelukkig brak er een doode tak in de sneeuw met een doffen knap onder zijn voorzichtigen hoef, ik verliet even het spoor om te kijken—en bespaarde me zoo het lange geloop langs de listige prenten op en neer. Toen hij zag dat zijn list ontdekt was, stormde hij naar de open vlakte; al zijn wonderbaarlijke gaven van oog en oor en onvermoeide pooten stelde hij in ’t werk om zich voor den man te beveiligen, dien hij verkeerdelijk voor zijn doodsvijand hield.

Het zou weinig baten hem nog verder te volgen; dus ging ik op een omgevallen gelen berk zitten uitrusten om een poosje naar de wijde stilte te luisteren en al wat er door het koude, witte bosch voorbij mocht komen te bespieden.

Onder den zoom van sparren dansten plotseling de zachte, violette schaduwen en er sprong een haas zoo wit als de sneeuw te voorschijn. In lange, zenuwachtige sprongen, alsof ’t op spiraalveeren ging, vloog hij voor mijn oogen over een smallen arm van de vlakte, om dekking in een uitlooper van ’t bosch voor me. De zachte armen van de dwergsparren en de nog zachter schaduwen daaronder schenen zichvanzelf te openen om hem binnen te laten. Onmiddellijk hield al ’t gewiegel van takken en ’t vallen van plakken sneeuw en ’t dansen van schaduwen op, en langs den heelen zoom van sparren zeiden stille stemmen: hier is niets, we hebben hem niet gezien, hier is niets.

Waarom stoof hij dien kant toch uit, dacht ik. Want Moktaques is een gekke, grillige baas en doet de dingen nooit op een praktische manier, tenzij hij wel moet. Terwijl ik me nog verbaasde, zag ik een gelen gloed onder de violette schaduwen glimmen, waar Moktaques vandaan was gekomen, en de wreede, ronde kop van een Canadeeschen lynx werd uit den tunnel gestoken, dien de haas nog maar even te voren gemaakt had. Nauwelijks was zijn groote, grijze lichaam te voorschijn gedrongen, of een eind verder bewogen de schaduwen zich in den zoom van naaldhout; nog een lynx en nog een gleden er uit; en ik hield mijn adem in, toen vijf van die bloeddorstige dieren den smallen arm van de vlakte oversnelden, elk met uitgerekten hals, terwijl zijn felle oogen de duisternis vóór zich peilden als gouden schichten, en hij zijn plaats bewaarde in de indrukwekkende, schrikaanjagende rij van wreedheid en macht, zoo stil als de schaduw van den dood. Er overviel me een rilling bij de gedachte aan wat er gebeuren zou met Moktaques, als er een uit de rij hem zou ontdekken en opjagen. Ik was eigenlijk op dat oogenblik blij (want ik had geen geweer) dat ’k zelf heel stilletjes konzitten en de woeste beesten voorbij me heen kon laten gaan zonder dat ze me merkten.

De middelste lynx, een fel, oud wijfje, volgde ’t spoor van den haas; en onmiddellijk flitste het door me heen, wie ze was en wat ze alle uitvoerden. Hier was eindelijk het geheim van de benden lynxen, die men soms in de winterbosschen aantreft, en die een mensch somtijds bedreigen of angst aanjagen door een woestheid, welke de dieren afzonderlijk niet laten blijken. Want Upweekis, ofschoon groot en kwaadaardig, is in zijn hart een gluiperig, laf, verraderlijk beest—evenals alle katten—en vindt het dus maar ’t prettigste alleen te zijn. Daar hij weet dat de overige van zijn verwanten zijn als hijzelf, verdenkt hij ze allemaal en is hij beducht dat bij een verdeeling van den gezamenlijken buit iemand anders het leeuwendeel zal krijgen. Onder katten heb ik dan ook nooit eenig spoor ontdekt van de vaste regels, die onder bijna alle andere dieren schijnen te gelden.

Twee Canadeesche lynxen

’s Winters is het echter anders. Dan is Upweekis gedwongen wat van zijn katachtige zelfzucht te laten varen en in woeste horden te gaan jagen. Elke zeven jaar vooral, als de konijnen schaarsch in de bosschen zijn ten gevolge der ziekte waaraan ze op gezette tijden sterven, kan het zijn dat men toevallig een van die rooversbenden aantreft, die de hertenperken onveilig maken of de rendierkudden volgen. Maar pas toen de woeste rij daar voor mijn eigen oogen uit de violette schaduwen stoof, besefte ik eenigszins datdeze troepen—bijna zonder uitzondering, zooals ik sedertdien geleerd heb—familiegroepen zijn, die zich gedurende den winter bij elkaar houden, net als hertekalfjes de oude hinde volgen, tot ’t lente wordt, opdat haar wijsheid voedsel voor hen vinde en haar grooter kracht hun een weg bane, wanneer de sneeuw dik ligt en de vijanden hun op de hielen zitten.

De groote lynx middenin was de moeder; de vier andere lynxen waren haar jongen; en ze bleven nu bij elkaar, gedeeltelijk om hun onvoltooide opvoeding onder haar eigen oogen te voltooien, maar voornamelijk om gedurende den winter in de dagen van honger hun krachten te kunnen vereenigen en met grooter overleg jagen, en als ’t noodig was de grootere dieren klein krijgen, die hen mogelijk in hun eentje tarten zouden.

Toen ze het versche spoor van den mannetjeseland kruiste, duwde de oude moederlynx er haar grooten kop in om eens lang te snuiven. Onmiddellijk sloot de reeks zich en stond elke lynx als een standbeeld met zijn stompen neus in een geur uitstralende hoefprent, om er met zijn botte zintuigen achter te komen, wat daar juist langs was gegaan. De kop van de oude lynx ging de rij van haar onbeweeglijke jongen langs en weer terug; toen schoot ze weer verder, terwijl een kwaadaardige grauw haar snuit onder haar snorren vertrok. Een troep uitgehongerde lynxen bij elkaar zou toch niet licht een mannetjeseland, met zulke groote passen en zoo sterk, achtervolgen. Slechtsde geur van bloed zou ze onwillig zoo’n spoor opdrijven; en zelfs dan nog, wanneer ze er de oorzaak van opgespeurd hadden, zouden ze slechts in een bloeddorstigen, plechtigen kring om hem heenhurken, en onder hongerig gegaap op zijn dood wachten. Nu was er ergens vlak vóór hen gemakkelijk wild verscholen. Het was, alsof er een bevel zonder woorden langs de rij wachtende jongen gegeven werd. Ze staken allemaal op ’t zelfde oogenblik hun kop naar voren en de zwijgende tocht werd weer vervolgd.

Toen de laatste van de rij uit het oog geglipt was tusschen de struiken van het uitstekende kreupelhout vóór me, snelde ik haastig door ’t bosch, zonder gerucht in de zachte sneeuw te maken, en dook roerloos onder de sparren, waar het vooruitspringende hout wat lager was, in de hoop de geslepen jagers weer te zien. Ik hoefde maar even te wachten. Van onder een overbuigenden tak sprong Moktaques voor den dag en vloog het open land over op de volgende boschtong af. Vlak achter hem klonk een grauw en met een vreeselijke vaart stortte de oude lynx zich te voorschijn, toen ze ’t wild in ’t oog kreeg, en beduidde met woesten kreet haar jagersrij hem in te sluiten. Als een wervelwind kwamen ze aan, liepen uit met geweldige sprongen en sloten zich samen aan weerskanten om den snellen cirkelgang van het vluchtende wild af te snijden. Bliksemsnel kwamen de uiteinden van de rij samen en schoten ze plotseling naar binnen; nog even—en Moktaques lag plat in de sneeuwgedoken midden in een wreeden kring, die als een wervelwind zich om hem vernauwde. Toen de kleinste lynx naar zijn prooi toesprong, was het alsof een electrische schok door den roerloozen haas ging. Hij schoot vooruit, alsof hij gegalvaniseerd werd, sprong hoog boven de neergedoken verschrikking vóór zich op en trachtte uit den vreeselijken kring te geraken. Toen schoot de lynx, over wiens kop hij sprong, steil overeind, greep het vluchtende dier zoo in zijn groote klauwen, viel achterover en was in een ommezien door de andere lynxen overdekt, die zich als furies op hem stortten, terwijl ze kwaadaardig hapten en klauwden in het beetje, dat hij vermeesterd had, op het oogenblik zelf dat het ontsnapte.

Een poosje was er een vreeselijk gevecht; toen, eer ik nog goed mijn oogen kon uitwrijven, was de haas volkomen verdwenen, en was er een woeste kring van lynxen hongerig aan ’t likkebaarden, terwijl ze elkaar aanloerden en toegrauwden om te weten wie den grootsten hap gekregen had.

Toen ze eindelijk verdwenen, in een lange rij in den zoom van de vlakte wegslonken, nam ik het spoor in tegenovergestelde richting op, om te zien hoe ze gejaagd hadden. Langer dan een mijl, rechtstreeks terug naar mijn kamp, volgde ik de prenten en ontdekte dat er een drijfjacht had plaats gehad, zoo listig als er ooit een in de bosschen gehouden was. Ze hadden dien heelen afstand in een bijna volmaakte lijn doorgesneld, elk levend wezen opgeschrikt, dat hun in denweg kwam. Hier was het een gekraagd hazelhoen, waar er een naar gesprongen had en—gemist, toen de verschrikte vogel wegsnorde in de duisternis. Daar was er een een boom ingeklommen en had er iets uitgeschud in de sneeuw, waarvan de andere elk stukje zoo schoon opgeslikt hadden, dat ik niet kon zeggen wie de ongelukkige was geweest; maar er bleek een merkwaardig groote durf uit, want de lynx, die zijn prooi den boom in achterna was gegaan, had zich naar beneden gestort als uit een catapult geschoten, en een reusachtig gat in de sneeuw achtergelaten, om bij de moordpartij te zijn, voordat zijn wreede makkers, die met groote sprongen aan waren komen stuiven, alles zouden hebben opgegeten en hem zelfs geen snufje tot zijn deel hebben gelaten. En daar was ten slotte aan het uiterste eind van de rij nog een haas opgejaagd, en terwijl hij in een kleinen kring rondvloog, zooals hazen dikwijls doen, door de vier lynxen opgewacht en gegrepen toen de lange rij snel naar binnen boog om hem den pas af te snijden.

Jaren later, en mijlen ver weg, zag ik op de Renous-vlakten nog veel zeldzamer staaltje van dezelfde listige manier van jagen. Van een heuvelkam boven een kleine vlakte af zag ik een kudde rendieren vreemd doen en ik ging naar beneden om de zaak te onderzoeken. Toen ik den boord van dichte struiken die de open vlakte omzoomde bereikte, zag ik de elanden opgewonden in een groepje bijeen om den voet van een groote rots aan den anderen kant der vlakte, nietmeer dan honderd vijftig meters weg. Er was daar klaarblijkelijk iets, dat hun nieuwsgierigheid opwekte,—en soms zijn rendieren de nieuwsgierigste wezens van ’t heele bosch—, maar ik moest de rots scherp door mijn verrekijker bestudeeren, eer ik den ronden, wreeden kop van een grooten lynx kon onderscheiden, stijf tegen den grijzen steen gedrukt. Eén zijde van de rots was bijna loodrecht en rees een voet of vijftien, twintig boven de vlakte uit; de andere zijde glooide minder steil af naar het bosch; en de groote lynx, die er waarschijnlijk van het bosch uit op geklauterd was om de rendieren te bespieden, hing nu half over den rand van de rots, terwijl hij zijn woesten kop van links naar rechts zwaaide en een voor een zijn uitgeslagen klauwen naar de dieren daarbeneden uitstrekte.

De rendieren werden elk oogenblik opgewondener en nieuwsgieriger. Rendieren zijn net kalkoenen; als ze iets nieuws zien, moeten ze met alle geweld weten wat het is, al kost het hun het leven. Nu verbraken en sloten ze hun gelederen, liepen aarzelend heen en weer, richtten ooren en neus op het wonderlijke ding op de rots, maar kwamen met elke verandering dichterbij.

Lynx op rots.

Plotseling sprong de lynx, niet naar de rendieren, want die waren nog te ver weg, maar hoog in delucht met uitgespreide pooten. Hij kwam neer in een wolk van sneeuw, tolde steeds maar in de rondte als bezeten en verdween dan stil met twee groote sprongen in de beschutting van de naaste sparren.

De rendieren stoven er wild van door bij dat wonderlijk gezicht, maar keerden zich om na een paar verschrikte sprongen, om te zien wat hen bang gemaakt had. Er was niets te zien, en als een kudde domme schapen kwamen ze schuchter terug, terwijl ze de sneeuw besnuffelden en hun ooren weer naar de rots toestaken; want daar op den top had je den grooten lynx, die net als straks met zijn grooten kop heen en weer zwaaide en zijn klauwen den een na den ander naar de kudde uitstak, als om ze te toonen hoe breed en flink ze waren.

Langzaam naderde de kleine kudde de rots en de lynx trok zich terug, als om ze verder te lokken. Ze brandden van nieuwsgierigheid, maar ze hadden één sprong op zijn minst gezien en er de kracht van gemeten en bleven dus op een eerbiedigen afstand. Toen verliet een jong rendier de andere en ging langs den zoom van het bosch snuffelen om het vreemde ding op ’t spoor te komen, of in de luwte van de rots te geraken en zoo door den reuk—den eenigen betrouwbaren zin dien een rendier bezit—uit te maken wat dat alles toch te beteekenen had. Het was, alsof een windje een dor bosje gras op den top van de groote rots bewoog. Ik richtte er onmiddellijk mijn kijker op, en toen stokte mij van ingehouden opwinding de ademin de keel, want ik onderscheidde de gepluimde ooren van nog twee of drie andere lynxen, die plat op hun hoogen toren lagen neergedoken, onzichtbaar voor de domme kudde, ofschoon ze elke beweging met felle, gele, starende oogen gadesloegen.

Het jonge rendier vond de prent, stak er zijn neus in, ging toen weer behoedzaam naar de rots om het andere gat in de sneeuw te besnuffelen en zich er van te overtuigen, dat het net zoo rook als het eerste. Boven op de rots trok de groote lynx zich nog verder terug; de kudde verdrong zich om er bij te komen, met hoog opgeheven koppen, om te zien wat hij uitvoerde; en het jonge rendier sloop naderbij en stak zijn neus weer in het spoor. Toen schoten drie levende catapulten over den hoogen rand van de rots en stortten op hem neer. Met bliksemsnelheid was de groote lynx op de been, richtte zich in zijn volle lengte op en slingerde de vluchtende kudde een kreet van wilde zegepraal achterna. Daarop schoot hij ook de rots over, viel het worstelende jonge rendier midden op den rug en hielp mee het neer te drukken in de sneeuw.

Daarop schoot hij ook de rots over... bl. 90 VI.Daarop schoot hij ook de rots over... bl. 90 VI.

Daarop schoot hij ook de rots over... bl. 90 VI.

Upweekis is een dom beest. Hij zal zijn grooten kop even onnoozel in een strik van ijzerdraad steken als een konijn, en dan zal hij kwaadaardig met den paal aan den anderen kant van den strik vechten, tot hij zichzelf wurgt. Maar niemand kon dat prachtige spoor in de sneeuw volgen of trillend van opwinding onder de sparren zitten kijken naar dat katjesspel in dewildernis, zonder een groeienden eerbied voor het spookachtige beest met de groote, ronde prenten, die dwalen, overal dwalen door de wintersche bosschen, en zonder zich met verbazing af te vragen in wat voor barbaarsch soort school moeder Upweekis haar jongen africht.

Sporen van lynx in sneeuw.

K’dunk, de Dikkerd.K’dunk, de dikkerd, zooals Simmo haar noemt, kwam haar winterkwartier uit, den morgen nadat dominee James de aarde van zijn eerste bloembed had omgewerkt. Het was in ’t begin van April, en de eerste geur van ’t voorjaar hing in de lucht—die bijna onmerkbare maning van Moeder Aarde aan haar slaperige kinderen om wakker te worden en er uit te komen en aan ’t werk te gaan. Dominee James voelde de maning in zijn neus en gedachtig aan zijn jonge jaren (waar we allemaal aan denken, wanneer we de lente ruiken), besloot hij te gaan visschen, als hij zijn ochtendblad gelezen had. Zijn vrouw voelde het ook, ging naar de deur, haalde eens diep adem en riep: “Wat is het toch heerlijk!” Toen greep ze een plantenschopje—want zooals een man naar de beek getrokken wordt voor zijn eerste forel, zoo moet een vrouw door denzelfden innerlijken drang wel in de aarde graven—en toog naar het bloembed. Even later klonk haar opgewonden geroep door het open raam naar binnen. “Ja-a-a-a-mes? James!”—het eerste roepen met een langen haal naar boven, het tweede meer gebiedend—“wat ter wereld heb je toch in dit bloembed gezaaid?”“Nou,” zei dominee James, terwijl hij grappig over den rand van zijn bril naar ’t open venster gluurde, “nou, ik dacht, dat ’k er portulaca gezaaid had.”“Kom dan eens hier en kijk eens wat er opgekomen is.” beval zijn vrouw; en de verraste oude heer kwam haastig naar de deur om vol verbazing te knipoogen tegen drie dikke padden, die ook zaten te knipoogen in den warmen zonneschijn, en een reusachtige modderschildpad, die verontwaardigd lag te spartelen en te sissen in een groot gat midden in zijn bloembed.Er blonk een listig, oolijk lichtje onder de brilleglazen van den ouden dominee, toen hij het wonderlijke gewas bekeek, dat ’s nachts was opgekomen.“Want zoo wat de mensch zaait, want zoo wat de mensch zaait.” haalde hij zacht bij zichzelf aan, terwijl hij met een schuinen blik naar de drie padden keek en eens onderzoekend in de groote schildpad prikte, maar zijn hand haastig terugtrok bij ’t gezicht en ’t geluid van den krommen bek en het kwaadaardige gesis. Daar er in zijn bibliotheek geen tekstverklarend boek was, voor deze gelegenheid passend, ving hij een jongetje op, dat op weg naar school voorbijkwam en zond hem vliegensvlug naar mijn kamers om er achter te komen, wat dat alles te beduiden had.Nu hadden de drie dikke padden ook het voorjaar geroken op hun zachte plekje onder het gras, waar ze zich den vorigen herfst voor hun winterslaap begraven hadden. Toen dominee James de zoden omspitte, had de warme zon haar ontdooid en haar de lenteboodschap gebracht en ze kropen onmiddellijk naar de oppervlakte, zoo van nieuw leven vervuld,alsof ze het laatste halfjaar niet als klompen zonder gevoel bevroren waren geweest. Wat de groote schildpad betreft, de geur van de versche aarde had haar waarschijnlijk uit den naburigen vijver gelokt om zich een nest te zoeken, waar ze haar eieren zou kunnen leggen. Zoodra ze de warme, zachte aarde van het portulacabed ontdekte, was ze er al wroetend ingekropen, terwijl de losse aarde boven op haar viel en haar bedekte onder ’t naar beneden gaan.Pad naast plantenschopje.Toen de scherpe vrouwenoogen over het bloembed gingen, ontdekten ze onmiddellijk den kuil middenin, die toonde dat er iemand slordig aan den gang was geweest. “Die kuil moet dichtgemaakt.” verklaarde mevrouw James onmiddellijk; maar eerst stak ze er, als een echte vrouw, haar plantenschop diep in. “Aha! een steen—slordige man.” was haar vonnis, en ze stak nog eens en trachtte het harde ding met beide handen op te heffen, waarop de groote modderschildpad spartelend, sissend voor den dag kwam en zich met bek en nagels te weer stelde, nu ze uit het beste nest verdreven werd, zooals ze er nooit zoo vroeg in ’t seizoen een gevonden had. Dien nacht kwamen er eigenaardige geluiden uit het gras en de dorre bladeren—geritsel en gerekkek en zacht, gedempt gegorgel, als de padden haastig met z’n tweeën en drieën naar den vijver kwamen hippen. Van alle kanten uit tuin en grasveld en bosch en ouden muur kwamen ze kwakend en gorgelend aan door de rustige schemering, en ze sprongen hoog van verrukking,zoodra ze ’t water maar roken. De oevers kwamen ze afglijden, rollen, halsoverkop afkeukelen—als ze maar beneden waren—om eindelijk met vroolijk geplas en gekwaak in het warme, ondiepe water terecht te komen, waar ze oogenblikkelijk begonnen te krabben en te bijten en belachelijke worstelpartijtjes aangingen; dat is zoo paddenmanier om oneenigheden te beslechten en zich een eigen wijfje op den ander te veroveren.Ze bleven een paar dagen in den vijver, vervulden de lucht van gorgelend gekwaak en vervulden het water van eindelooze snoeren kikkerdril—genoeg om den heelen vijver tot aan ’t randje met donderpadden te vullen, indien Moeder Natuur niet tusschenbeide kwam en barmhartig binnen een paar dagen na ’t leggen er negen en negentig percent van verdonkeremaande en zorgde, dat de rest elkaar ijverig verslond als ze grooter werden, tot elke overgebleven donderpad naar waarheid met den kannibaalschen matroos kon zingen:O ik ben de kok en de kapitein,En de stuurman, dat ben ik!En de dronken matroos en de bootsmansmaat,Alle hens van den commandant zijn brik.Want elke donderpad vertegenwoordigde voor haar persoon een paar honderd of meer van haar mede-donderpadden, die zij in den loop van haar ontwikkeling had opgegeten. Maar lang vóór dien tijd haddende padden den vijver verlaten, hadden zich naar alle vier windrichtingen verspreid, vanwaar ze gekomen waren, zonder dat ’t haar weer iets kon schelen wat er van haar kroost werd. Het was toen dat K’dunk de dikkerd naar het portulacabed terugkeerde.Daar vond mevrouw James haar den volgenden morgen—een groote, wrattige, grijze pad met een breeden grijns en een dikken buik en een oog als een edelsteen—slaperig knipoogen na haar nachtelijke jacht. “Och gunst! daar heb je die afschuwelijke pad weer. Ik hoop”—met een schichtigen blik om zich heen—“ik hoop dat ze de schildpad niet mee heeft gebracht.” Ze gaf haar een por en een klap met de plantenschop om haar uit het bloembed te krijgen, waarna K’dunk haar holletje onder een overhangenden graspol binnenkrabbelde en er niet meer uit wilde komen, ondanks de pogingen en ’t gepor van het schopje, in een hand die veel te zacht was om haar pijn te doen. En daar bleef zij zoo zwijgend weerstand bieden aan het schopje, tot ik er gelukkig voorbijkwam en het goede mensch er van overtuigde, dat ze daar de allerbeste vriendin trachtte te verjagen, die haar bloemen maar konden hebben. Toen vestigde K’dunk er zich rustig en we begonnen haar allemaal te bespieden.Maar haar eerste zorg was om een paar schuilgaten hier en daar in den tuin te maken. De meeste waren slechts kuiltjes in de zachte aarde, waar K’dunk inwegdook met de oogen stijf dicht, wanneer haar vijanden maar in de buurt waren. Zij veranderde spoedig van kleur, tot deze de tint had aangenomen van haar gewone omgeving, zoodat het bijna onmogelijk was haar te vinden wanneer zij rustig met gesloten oogen in een van haar tallooze holletjes lag. Maar toen zij een paar keer door den hond (die daar thuis hoorde) lastig was gevallen—een vet, amechtig pukje, dat altijd in opwinding geraakte als K’dunk in de schemering rond begon te hippen, maar dat zich toch nooit zooveel moed kon inblaffen om dat kleverige ding met zijn neus aan te raken—groef zij andere holletjes onder de grasranden of naast een steen, waar Knor, de puk, haar niet lastig kon vallen zonder te zeer buiten adem te raken.In den beginne wonnen we haar vriendschap door haar met een stok op den rug te krabbelen, bij welke aangename behandeling zij zich opblies en knorde van voldoening. Maar ’t was nooit te zeggen wanneer zij er genoeg van zou krijgen, of op welk tijdstip zij zich in haar waardigheid te kort gedaan zou voelen en diep verongelijkt den tuin inspringen. Toen voerden we haar vliegen en zachte stukjes vleesch, die we met een grashalm lieten bewegen, zoodat het leek alsof ze leefden. Dan floten we er tegelijk een bepaald lokfluitje bij, om haar te leeren wanneer haar avondmaal klaar was. Eindelijk werd zij toen, na een zachte behandeling en veel aanhalen, heelemaal tam, en op ’t geluid van het fluitje scharrelde zij haastigonder het trapje voor de deur uit, waar zij overdag huisde, en hipte levendig naar ons toe om gevoerd te worden en met zich te laten spelen.Ofschoon K’dunk veel merkwaardige trekjes had, die we met verbazing ontdekten, toen de zomer vorderde en we elkaar beter leerden kennen, geloof ik toch, dat haar manier, haar listen om aan voedsel te komen ons het meest en bij voortduring in verrukking en verbazing bracht. Gewoon maar te zien hoe ze een vlieg besloop, vervulde ons met iets van de gespannen opwinding van een hertenjacht. Terwijl zij in ’t wegstervende licht bij een boomstomp of kluit zat, ging er een vlieg die zich verlaat had of een vroeg nachtinsect vóor haar op den grond zitten. Onmiddellijk begon dan de edelsteen in K’dunks kop te flonkeren en te sparkelen. Zij hurkte neer en kroop naderbij als een eend, met de teenen naar binnen, al langzamer en langzamer, terwijl het eene grappige pootje behoedzaam langs het andere streek, even heimelijk en omzichtig als een kat die een aardeekhoorn op den muur besluipt. En als zij haar prooi naderde, flitste de edelsteen, er schoot iets roods door de lucht, zoo snel dat ons oog het niet kon volgen, en de vlieg was verdwenen. Daarop slikte K’dunk iets in, terwijl zij onder de hand plechtstatig haar oogen sloot, alsof zij dankte, of dat het hapje, wanneer zij haar oogen sloot voor alle uiterlijke dingen, op de een of andere manier er lekkerder door smaakte.De zachte tong kwam even tegen een van zijn slepende achterpooten... bl. 99 VI.De zachte tong kwam even tegen een van zijn slepende achterpooten... bl. 99 VI.Dat roode was natuurlijk K’dunks tong, waar ’t geheim van haar jacht in ligt. Ze is aan den rand van haar bek vastgehecht en ligt teruggevouwen in haar keel. Het binnenste eind is breed en zacht en kleverig en zij slaat het als een vliegensvlugge hagedis naar buiten en weer terug. Wat voor ongelukkig insect ook door de tong wordt aangeraakt, het is bevrijd van alle beslommeringen die ons menschen nog plagen. De kleverige tong rukt het K’dunks wijden bek in, voordat het tijd heeft om een vleugel uit te slaan, of er zelfs maar over te denken wat er met hem gebeurt.Pad loerend op insectje.Eens zag ik hoe zij een sprinkhaan besloop, een grooten, levendigen groenen, die met een bijzonder langen sprong uit het veilige gras was gekomen en belandde op den bruinen grond vlak voor de plek, waar K’dunk vliegen aan ’t vangen was, die onafgebroken toestroomden op een lokaas af, dat ik voor ze neergelegd had. Onmiddellijk richtte K’dunk’s aandacht zich van de vliegen op het grootere wild. Net toen haar tong naar buiten schoot, sprong de sprinkhaan, achterdochtig geworden, weg om zich te bergen. De zachte tong ging rakelings langs hem heen, maar kwam even tegen een van zijn slepende pooten en sloeg hem op zij. In een ommezien was K’dunk er weer achteraan; zij scharrelde wanhopig op haar beenen, met gloeiende oogen, terwijl haar tong in- en uitschoot als een vlammetje. Net toen de sprinkhaan een grooten sprong nam, raakte de tong hemen ik zag niets meer. Maar K’dunk had meer te slikken en zij hield haar oogen langer gesloten dan gewoonlijk, en in haar keel klonk een hevig tegenstribbelend geritsel, als de lange pooten van den sprinkhaan spartelend den weg afgingen, vanwaar geen weerkeer mogelijk is.Pad.Een groote rups, die ik eens vond en aan K’dunk bracht, verschafte ons allen nog een gelegenheid om zeldzame waarnemingen te doen. De rups was harig, met stijve borstels aan alle kanten overeind, en ik twijfelde er aan of de tong genoeg kleefstof had om er aan te plakken. Maar K’dunk twijfelde niet. Haar tong flapte naar buiten en haar oogen sloten zich plechtstatig. Op hetzelfde oogenblik zag ik hoe de rups ineenkromp en haar borstels opzette stijver dan ooit. Toen bleek er iets eigenaardigs, en wel, dat K’dunk’s bek zoo groot is en haar prooi gewoonlijk zoo klein, dat zij haar lekkernij niet proeven kan; zij slikt ze eenvoudig werktuiglijk op, alsof zij er zoo aan gewend is haar prooi te pakken te krijgen, dat het nooit bij haar opkomt, hoe zij wel eens zou kunnen missen. Toen zij haar oogen opende en de rups op dezelfde plaats zag, meende zij klaarblijkelijk dat het er nog een was, die op een geheimzinnige manier op vleugels was neergestreken, zooals de vliegen naar mijn lokaas kwamen. Weer sloeg haar tong naar buiten en sloten haar oogen zich onder een zalig geslik. Maar daar vóór haar was, toen haar oogen zich openden, nog een rups. Zoo’n volmaakte overeenstemmingvan vraag en aanbod had nog nooit tevoren een pad gekend.Weer en nog eens schoot de tong naar buiten, en elken keer werd het gevolgd door de oogen dicht en een slok. Al den tijd dat zij zoo snel bleef toeslaan, meende zij steeds nieuwe rupsen te krijgen, en al dien tijd kromp het harige ding hoe langer hoe meer ineen en stak zijn borstels uit als een stekelvarken. Maar bij elken hap kreeg het meer kleefstof op zich. “Die rups wordt veel te kleverig om te kunnen blijven leven.” zei Jantje al gauw, die ’t spelletje met mij aanzag; en bij dat woord vloog er een harige bal den wijden bek in die zich voor hem opensperde, en ging K’dunk weer aan ’t vliegenvangen.Waarschijnlijk is het dit gebrek aan smaak, dat de verbazingwekkende verscheidenheid van K’dunk’s voedsel verklaart. Het was of alles dat maar op een insect leek in haar kraam te pas kwam. Vliegen, wespen, krekels, rupsen, larven van den mierenleeuw, en alle mogelijke soorten van torren werden allemaal op dezelfde manier behandeld, wat het klappen van haar roode tong en het slikken met de oogen toe betreft. Een stuk of zes jongens en meisjes, die het zonderlinge tamme dier met me bespiedden, raakten ten einde raad iets te vinden dat het niet wou eten. Een jongen, die aan ’t boschbessenplukken geweest was, bracht drie of vier van die nare kevertjes mee, zonder naam bij elk buitenkind bekend, die dezelfde gewoonte als de bunsing hebben, een ondraaglijkenstank te verspreiden, wanneer ze lastig gevallen worden, in de meening dat hij iets had gevonden waar ons beestje geen raad mee zou weten; maar K’dunk slokte ze op, alsof ’t een versnapering was om haar eetlust op te wekken. Nog eenander bracht colorado-kevers mee; maar deze waren K’dunk ook welkom. Toen verdween een derde jongen, die de zorg voor een moestuin had, hoofdschuddend, en zei dat hij net iets gevangen had wat geen dier ter wereld zou willen eten. Bij zijn terugkomst had hij een flesch propvol met meloenkevers,1wel twintig of dertig van die vies ruikende dieren, die hij er uitschudde op den grond en met een stokje aanporde.Er draafde iemand weg om K’dunk uit een van haar schuilplaatsen te halen, en zette haar op den grond voor de wriemelende massa. Een oogenblik was het, alsof zij dat aanbod met verbazing bekeek. Toen hurkte zij neer en begon het snelle spel met de roode tong. Volgens mijn horloge was in vier minuten elke meloenkever die zich bewoog verdwenen, en K’dunk slokte de andere op zoo gauw als wij ze met een strootje konden doen bewegen om het te laten voorkomen alsof ze leefden.Daarna gaven we onze pogingen op om haar op het punt van verscheidenheid te overtroeven, en besloten ons te bepalen bij de schijnbaar zoo eenvoudige taak, er achter te komen hoeveel insecten zij eten kon eer zij “ho” zei. Maar zelfs in dit opzicht konden weniet tegen K’dunk op; we zijn er nooit, alleen of gezamenlijk, achter kunnen komen hoe ver haar eetlust reikte. Eens hebben we haar achter elkaar negentig rozenkevers gevoerd. Op een anderen middag, toen er drie jongens op hetzelfde uur verschenen, hebben we onze vangst bijeengedaan, een groote verscheidenheid van vliegen, kevers en kruipend gedierte, alles en alles bij elkaar honderd-vier-en-zestig stuks. Vóór donker had K’dunk alles opgegeten en hipte zij naar den tuin voor haar nachtelijke jacht,—alsof zij al niet genoeg gedaan had voor den heelen zomer om te bewijzen dat zij onze vriendin was.Later bedachten we een ander plannetje en lieten het wild op eigen vleugels naar K’dunk toekomen, in plaats van zelf de halve wereld af te draven om het voor haar te vangen. Bij de schuur was een verwaarloosde goot, waar vliegen genoeg waren om ons te manen wat beter voor onze gezondheid te zorgen. Hier maakte ik een kooitje van ijzergaas, waar ik een doode rat in legde en wat tafelafval. Toen de middagzon die ontdekte en liet geuren, begonnen er groote vliegen toe te stroomen onder luid gezoem, wat een sein voor hun makkers schijnt te wezen; want als ze gewoon vliegen, maakt deze soort bijna geen leven. Zoodra ze echter maar aas geschikt voor hun eieren vinden, vliegen ze elk oogenblik hard zoemend rond en hooren andere vliegen hen, waarvan de kalme vlucht dan ook in een hevig gegons verandert. Zoo verbreidt het nieuws zich—tenminste dit schijnt ervoor te helpen—en van alle kanten komen er vliegen toestroomen.Om drie uur wekte ik K’dunk uit haar overpeinzingen onder ’t trapje voor de deur op en zette haar in de kooi, terwijl ’k haar met een groot rabarberblad beschermde, dat de zon haar de oogen niet te veel verblinden zou. Toen haalde ik mijn horloge voor den dag en ging op een steen zitten tellen.In de eerste tien minuten ving K’dunk amper twaalf vliegen. Ze waren in het volle licht voor haar op hun hoede, en zij was nog niet wakker genoeg voor de gelegenheid. Toen hurkte zij neer tusschen de rat en het afval, wurmde zich een holletje, waar zij zich keeren kon zonder in ’t oog te loopen, en begon het spelletje met de roode tong in ernst. Het volgende halfuur kreeg zij zes en zestig vliegen, gemiddeld meer dan twee per minuut. In een uur was het hoogste wat zij haalde honderdtien; en eer ik haar verliet, had zij nog twee dozijn toegevoegd aan ’t getal onzer vijanden. Toen het koel in de lucht werd, kwamen er geen vliegen meer, en bracht ik haar terug naar het trapje. Maar dien avond toog zij, later dan anders, weer naar den tuin om door te gaan met haar prachtige werk.Toen de zomer-glimwormen kwamen (lichtkevers noemden de jongens ze) zagen we nog een grappig en aardig staaltje van haar jagen. Terwijl we op een avond in de zachte schemering op de veranda zaten, zag ik den eersten glimworm in het gras gloeien, enging hem vangen als een juweel voor ’t haar van een dame. Op ’t oogenblik dat ik mijn hand onder een struik stak verdween de glans plotseling en raakte ik in plaats daarvan met mijn vinger K’dunk aan. Zij had den glans ook gezien en had onmiddellijk de methode van met-licht-te-jagen toegepast.Later ving ik een lichtkever en deed dien in een fleschje, en liet dit voor K’dunk vallen, toen zij in den laten schemeravond het grasveld over ging steken. Zij zag den glans door het glas en hapte onmiddellijk toe. Evenals met de harige rups sloot zij haar oogen toen zij ’t denkbeeldige hapje doorslikte en als zij ze weer opende, gloeide er nog een lichtkever in het gras, juist waar de eerste geweest was. Zoo liet zij ’t fleschje maar over ’t grasveld springen door ’t herhaalde gelik van haar tong, terwijl zij ondertusschen de oogen sloot en slikte, tot de gloeiworm, misschien duizelig geworden door dat keukelspelletje van zijn wonderlijke kooi, zijn vleugels toevouwde en zijn lichtje verstopte. Hierop sprong K’dunk weg, op haar manier stellig denkend, dat al waren er ongewoon veel lichtkevers dien avond en al leverden ze een alleraardigsten jachtbuit op, ze toch maar bedroefd weinig gaven voor een hongerige maag—niet te vergelijken met wat zij krijgen kon met op te springen naar de insecten, die aan den onderkant der bladeren van elke plant in den tuin verscholen zaten.Thans waren er geen woorden meer noodig om er de goede mevrouw James van te overtuigen datK’dunk haar vriendin was. Ja, ze gaf een kleinen jongen zelfs een kwartje per stuk voor een pad of zes om op ’t erf los te laten en K’dunk bij zijn voortreffelijke werk te helpen. En de tuin gedijde als nog nooit tevoren, dank zij de nederige kleine helpers.Maar K’dunks verdiensten bestonden niet alleen in haar nuttigen arbeid; zij stak vol verrassingen die ons allen voortdurend in verrukking en spanning hielden, wat er nu weer gebeuren zou. Zooals ik zei, ze leerde spoedig op het fluitje af komen; maar nog meer, ze hield veel van muziek. Als ik zachtjes een deuntje floot, bleef ze doodstil tot ik klaar was, eer ze weer aftrok voor haar nachtelijke jachtpartij. En als ik dan van deuntje veranderde of valsch floot, hipte ze weg, alsof ze verder niets meer met me te maken wou hebben.Soms kwamen er op de veranda wat jongelui bij elkaar en zongen wel samen—wat K’dunk dikwijls van onder het trapje uitlokte en haar bij één gelegenheid haastig uit den tuin terug deed hippen, waar ze een uur te voren heen was gegaan om haar avondmaal te vangen. Het scheen dat ze van statige gezangen hield, want ze hield zich altijd zoo stil alsof ze in de kerk was—wat dominee James geweldig veel genoegen deed—maar van “deuntjes” had zij een afschuw, wanneer men op haar handelwijze kon afgaan, op de onmiskenbare manier, die ze had, om den rug toe te keeren aan wat haar niet beviel, of niet in haar wonderlijken smaak viel.Op een avond stond een jong meisje met een alleraardigst,natuurlijk geluid bij een open raam op de veranda te zingen. Ze zong dien avond om de oudjes plezier te doen een paar oude, eenvoudige liederen, waar ze ’t meest van hielden. Vlak bij het raam stond de piano, waarop een zachte begeleiding gespeeld werd. Een geritsel in het gras trok mijn aandacht, en daar had je K’dunk, die tevergeefs de trap poogde op te klimmen. Ik maakte mevrouw James zachtjes op de zonderlinge gast opmerkzaam, en beurde K’dunk toen voorzichtig op de veranda. Daar ging zij langs de balustrade tot vlak naast de zangeres, waar zij doodstil, aandachtig zat te luisteren, zoo lang het duurde. En dien avond was het meisje zich niet bewust van deze minste onder haar hoorders.Dat gebeurde een paar keer in den loop van den zomer. Het was, alsof die stem een aantrekkingskracht had voor ons gezellige vriendinnetje, want bij de eerste lieflijke tonen krabbelde zij haastig haar schuilplaats uit en trachtte de trap op te klimmen. Als ik haar de veranda opbeurde, hipte zij net zoo lang tot zij vlak naast de zangeres was, waar zij dan, een en al rustige waardeering, zitten bleef zoo lang als deze zong. Toen werd op een avond, dat zij bescheiden en aandachtig gedurende twee liederen aan haar voeten gezeten had, een tenor, die in New-York studeerde en soms concerten gaf, uitgenoodigd om te zingen. Hij voldeed er onmiddellijk aan met het afschuwelijke “O, lieve deugd!”Zoo heette het ding niet; dat hadden de studentenmaar gemaakt van een eertijds geliefd minnelied. Was K’dunk een Duitsch dirigent geweest, dan had zij niet zóó onmiddellijk en zóó echt haar meening kunnen te kennen geven over dat ellendige gejammer. De malle woorden waren het niet; die kon zij gelukkig niet begrijpen; en ook de ongelukkige tingeltangel-muziek nog niet zoozeer, die werkelijk de moeite van ’t verzoek niet waard was, maar eigenlijk de stem zelf, dat gemaakte, onnatuurlijke geluid, waar tenoren zich zoo dikwijls toe dwingen. Bij de eerste schelle tonen werd K’dunk onrustig. Toen scharrelde zij haastig naar den rand van de veranda en viel halsoverkop naar beneden in haar haast om weg te komen van dat door merg en been dringende gezang.Die plotselinge vlucht veroorzaakte bijna een opschudding en een vreeselijke zonde tegen de gastvrijheid onder de paar menschen, die haar kalmpjes bespiedden. Om een onweerstaanbare lachbui te verbergen glipte ik K’dunk achterna, die zich regelrecht naar de rabarberplanten haastte, eer zij ophield met hippen. En toen ik dat deed, hoorde ik de vriendelijke mevrouw James, die de goedheid en gastvrijheid in persoon is, hevig in haar zakdoek hoesten, alsof de leelijke tocht haar gevoelige keel had aangedaan; maar het klonk mij meer als ’t snikkeren van een eekhoorn, dien ik eens in een hollen pompoen hoorde gichelen. Hoe ’t ook zij, de tenor zong verder, en alles liep goed af. Ondertusschen was K’dunk bezig aan de belangrijker taak den tuin tezuiveren van schadelijke insecten, terwijl zij zich af en toe op haar grappige manier overeind zette en zich op de plaats krabde, waar haar oor moest zitten.Pad met een pootje bij oog.Het was niet lang hierna, toen wij allen meer dan ooit van K’dunk hielden, dat het merkwaardigste staaltje van haar wonderlijke leven aan den dag kwam. Anders dan de hoogere diersoorten krijgt K’dunk niet het minste onderricht van haar ouders. De lagere diersoorten leven zoo’n eenvoudig leven, dat ze genoeg hebben aan hun instinct; en daarom plaagt de natuur, die soms zoo zorgzaam, soms zoo verkwistend is, ze niet met overbodig onderwijs. Maar ze heeft menig ding voor onze oogen gedaan, dat door instinct niet te verklaren was, en er rezen veel moeilijkheden, waar aangeboren kennis niet toereikend voor was; en dan zagen we haar ongelukkige beetje verstand opwerken tegen de onverwachte vraagstukken van het heelal. Toen de zomer hoe langer hoe warmer werd, liet K’dunk de trap in den steek en maakte zich een beter hol. Alle padden doen dat op snikheete dagen—hollen een schuilplaats uit onder een zode of wortel of vermolmde boomstomp en dutten daar in de koele, vochtige schaduw, terwijl de zon daarboven schroeit. Vlak voor het trapje liepen wat breede, platte steenen over het gras naar het trottoir. De vorst van vele winters had ze gescheiden, sommige meer, andere minder, en nu vertoonde zich een lint van groen gras tusschen verscheiden steenen.K’dunk ontdekte op de een of andere manier, dat, waar het lint het breedst was, de dunne zode een holte er onder bedekte, en hier toog zij aan ’t werk, tot het gras meegaf en zij een ruim hol binnentuimelde onder een van de platte steenen. Hier was het altijd koel, en op staanden voet liet zij de trap in den steek om de loome Augustusdagen door te slapen op het betere plekje, dat zij zoo listig was geweest te ontdekken.Nu werd K’dunk, doordat zij altijd een goede jacht had in den tuin en bovendien veel te eten kreeg van ons, hoe langer hoe dikker. Soms, als zij ’s morgens naar huis kwam wippen, geweldig uitgezet door de ontelbare insecten die zij gegeten had, vond zij de opening tusschen de steenen onaangenaam nauw. Andere padden hebben dezelfde moeilijkheid, en om daaraan te ontkomen krabben ze eenvoudig den ingang van hun hol een beetje wijder; maar al krabbelde en duwde K’dunk ook nog zoo hard, zij kon de steenen niet verwrikken.Zij krabde den ingang breeder, den eersten keer nadat zij hard geduwd had, maar dat hielp niet; de toegang bleef nog ongemakkelijk nauw, en zij deed me dikwijls denken, wanneer zij haar woning binnenging, aan een heel dik, deftig persoon, die zich door een draaikruis tracht te persen, er eindelijk met een steunenden zucht al trekkend en duwend doortuimelt en zich omkeert om die uitvinding verontwaardigd te bekijken. Haar hol uitkomen was gemakkelijk, wantgedurende den langen dag had zij haar maaltijd verteerd en was weer geslonken; maar het was de vraag hoe er ’s morgens met een volle maag weer gemakkelijk in te komen.Op een morgen zag ik haar uit den tuin komen, en ik wist onmiddellijk dat haar nog grooter moeite te wachten stond. Zij had dien nacht een paar rijke insectennesten ontdekt en geweldig gegeten; haar “fraai rond lijfje” sleepte over ’t gras, toen zij meer kruipend dan hippend naar haar ingang ging, en haar eenige wensch scheen te zijn suf haar hol binnen te tuimelen en te gaan slapen. Maar helaas! zij kon er niet in. Ze had eindelijk de grens overschreden. Eerst stak zij kop en schouders naar binnen, en trachtte met aanmoedigende zetjes, door aan den onderkant van de steenen te trekken, er in te komen. Alles tevergeefs! Haar dikke lichaam bleef tusschen de halsstarrige steenen steken en kwam er slechts hoe langer hoe vaster te zitten. Het opgezette gedeelte aan den buitenkant was zooveel grooter dan het gedeelte binnen, dat zij het bij den eersten blik al zou hebben opgegeven, als zij zichzelf maar eens had kunnen zien. Maar zij werkte voort met wonderbaar geduld, tot zij wist dat ’t nergens toe diende, en zij er zich weer uittrok en voor haar ongastvrije deur ging zitten kijken, knipoogend en verfomfaaid, en heelemaal bedekt met stof en gras wortels. Terwijl zij daar zoo zat, krabde zij zich telkens op de plaats, waar haar oor moest zitten, alsof zij nadacht.Na een poosje draaide zij zich om, alsof zij het vraagstuk had opgelost, en stak haar achterpooten in het hol. Zij ging ’t achterste voren, maar voorzichtig, onhandig, alsof zij er niet aan gewend was. Dit was echter nog erger dan het andere, want haar onhandelbare buik bleef slechts hoe langer hoe vaster steken, en, met een poot aan weerskanten, elke duw lichtte haar op in plaats van haar naar beneden te brengen. Zij gaf het gauwer op dan eerst, omdat haar kop nu aan den buitenkant was en zij beter zien kon hoe zij opschoot. Eindelijk ging zij liggen, alsof zij het vraagstuk had opgelost, en trachtte zich in de lengte door haar langen doorgang te wurmen. Dat ging beter. Zij kon er òf haar achterpooten, òf haar kop en schouders doorkrijgen; maar, als met de emmers in den put, zoodra ’t eene eind neerging, ging ’t andere op, en nog weigerde haar dikke, onhandelbare lichaam er met de rest door te gaan. Toch leek het, alsof zij vorderde, want telkens als zij met kop of pooten wipte, werd haar ongemakkelijke maaltijd in een beter vorm gebracht. In ’t laatst raakte zij te zeer beklemd en moest zij veel harder krabbelen om er uit te komen, dan zij had hoeven te doen om binnen te raken. Met een wanhopigen ruk en een schop bevrijdde zij zich ten leste en zat, weer heelemaal verfomfaaid, peinzend voor haar deuropening te kijken.Pad.Plotseling keerde zij zich om en liet haar achterpooten in het gat zakken. Zij ging dezen keer behoedzamer te werk, bang dat zij er in zouloopen. Toen zij er zoover als zij kon door was, zat zij een poosje doodstil, terwijl zij zich aan weerskanten met een poot ophield. Langzaam gingen haar kaken open—en heel nieuwsgierig naar een eigenaardige hikkende beweging die zij maakte, kroop ik op handen en knieën nader en keek haar in haar wijdopen bek. Daar had je haar maaltijd, allerlei soorten van vliegen en nachtinsecten, die stukje voor stukje naar boven kwamen en in haar grooten bek als in een mandje werden gehouden, terwijl haar maag beneden werkte en nieuwen aanvoer naar boven stuurde om den druk te verlichten.Langzaam gleed zij omlaag, naar gelang de steenen hun harden greep verslapten. Een gewurm, een gekronkel, een behaaglijke draai met haar maag, een plotselinge schok—en ’t was geschied. K’dunk rustte op iederen steen met een poot, haar lichaam veilig er onder, en haar mond nog wijd open er boven hield haar kostbaren inhoud als een ouderwetsch valies, dat opengesprongen was. Toen slikte zij met groote slokken haar verstoorde maal weer in en verdween met een laatste gekrabbel in haar koele hol.Dien avond kwam zij er niet uit, maar den volgenden avond was zij als gewoonlijk in den tuin bezig. Tot onze groote spijt verliet zij èn de verandatrap èn het hol met zijn nauwe opening onder de platte steenen. Misschien had zij op haar manier de vraag overwogen, wat er van haar geworden zou zijn, als de uil haar gesnapt had bij haar thuiskomst dien morgen,want toen ik haar weer aantrof, zat zij veilig in de holte onder de wortels van een ouden appelboom, waarvan de ingang wijd genoeg was om er haastig in te duikelen, hoeveel zij ook gegeten zou hebben. En daar bleef zij overdag, zoolang ik haar bespiedde.Pad op hoef.Er bleef nog een merkwaardig trekje over, dat ik in de laatste dagen van den zomer ontdekte; en dat was haar scherpzinnigheid om het beste terrein voor haar jacht uit te zoeken. Vlak achter haar hol in den ouden appelboom was een muur, waaronder ’t vol zat van allerlei insecten. K’dunks hol was aan den oostkant, zoodat de zon bij ’t ondergaan de koele schaduw van den muur over de plek wierp en ons vriendinnetje vroeger dan gewoonlijk voor den dag bracht. Zij had op de een of andere manier ontdekt dat de westkant van den muur de laatste stralen van de zon opving en bewaarde, en dat er laat op den middag vliegen en allerhande insecten op de warme steenen kwamen neerstrijken of rondkruipen om warm te worden. Zij maakte zich een gang onder den muur, vlak achter haar hol, en ging dan aan den westkant dicht tegen een zekeren grijzen steen liggen, zoodat haar grauwe kleur haar volkomen dekte, om de vliegen op te pikken als ze neerstreken, even snel en zeker als een hagedis. Als kevers en andere insecten uit hun holen kropen om zich een poosje op een warmen steen te zonnen, lag K’dunk, wier blik over haar jachtgebied heen en weer gleed, stil, tot ze goed en wel zaten, en kroop dan omzichtig, tot zij ze binnenhaar bereik had en sloeg ze naar binnen met een floep van haar tong, dien ’t oog nauwelijks volgen kon. De twaalf middagen ongeveer dat ik haar daar gadesloeg heb ik haar nooit een keer zien missen, terwijl het aantal vliegen en insecten dat zij verdelgde tot in de honderden moet hebben geloopen.In dezelfde wei graasden vier of vijf koeien, en met mooie dagen werden ze buitenshuis gemolken in plaats van naar stal gedreven te worden. Nu hebben zij, die koeien onder ’t melken hebben gadegeslagen, waarschijnlijk wel opgemerkt, hoe de vliegenzwermen om hun pooten in dikke kluiten boven de hoeven zitten, waar het zenuwachtige zwiepen van den staart ze niet verstoren kan. K’dunk had dat ook gezien, en vaak gedurende den melktijd, als de koeien stilstonden, ging zij naar een bepaald dier uit de kudde toe, kroop boven op den eenen hoef na den anderen en hapte elke vlieg er af, die onder haar bereik kwam. Dan sprong zij op naar de hoogste, die zij bijna altijd raakte, en tuimelde op haar rug na een gelukten hap. Maar in een wip was zij weer boven op den hoef geklauterd en zat zij af te wachten, tot de volgende vlieg binnen haar bereik zou neerstrijken. Het opmerkelijkst van alles was dat zij zich aan één koe hechtte, en deze van de kudde uitzocht, wàar ze ook gemolken werd. Voor zoover ik heb kunnen nagaan, kwam zij nooit in de buurt van de andere; en het was alsof de koe na een poosje de pad als vriendin herkende, en dikwijls nadat ze gemolkenwas stilstond, zoolang K’dunk op een van haar hoeven bleef zitten.Toen de zomer ten einde liep en het groen in den tuin verdween, verliet zij dien ook en trok al verder en verder de wei in op haar nachtelijke jacht. Zij werd ook minder tam, zooals ’t met alle dieren gaat in den herfst, tot ten leste geen fluitje, hoe hard ook, haar terug kon lokken. Of de uil haar ving, of dat haar nog het lange leven te wachten staat, dat de Natuur aan de padden schenkt, weet ik niet; maar onder den rand van het portulacabed is, terwijl ik zit te schrijven, een verdachte holte, die vorst en sneeuw niet geheel verborgen hebben. Ik zal deze in de lente met meer dan gewone belangstelling gadeslaan, om te weten of K’dunk, de dikkerd, zich haar oude vrienden nog herinnert.1Anasa Tristis.

K’dunk, de dikkerd, zooals Simmo haar noemt, kwam haar winterkwartier uit, den morgen nadat dominee James de aarde van zijn eerste bloembed had omgewerkt. Het was in ’t begin van April, en de eerste geur van ’t voorjaar hing in de lucht—die bijna onmerkbare maning van Moeder Aarde aan haar slaperige kinderen om wakker te worden en er uit te komen en aan ’t werk te gaan. Dominee James voelde de maning in zijn neus en gedachtig aan zijn jonge jaren (waar we allemaal aan denken, wanneer we de lente ruiken), besloot hij te gaan visschen, als hij zijn ochtendblad gelezen had. Zijn vrouw voelde het ook, ging naar de deur, haalde eens diep adem en riep: “Wat is het toch heerlijk!” Toen greep ze een plantenschopje—want zooals een man naar de beek getrokken wordt voor zijn eerste forel, zoo moet een vrouw door denzelfden innerlijken drang wel in de aarde graven—en toog naar het bloembed. Even later klonk haar opgewonden geroep door het open raam naar binnen. “Ja-a-a-a-mes? James!”—het eerste roepen met een langen haal naar boven, het tweede meer gebiedend—“wat ter wereld heb je toch in dit bloembed gezaaid?”

“Nou,” zei dominee James, terwijl hij grappig over den rand van zijn bril naar ’t open venster gluurde, “nou, ik dacht, dat ’k er portulaca gezaaid had.”

“Kom dan eens hier en kijk eens wat er opgekomen is.” beval zijn vrouw; en de verraste oude heer kwam haastig naar de deur om vol verbazing te knipoogen tegen drie dikke padden, die ook zaten te knipoogen in den warmen zonneschijn, en een reusachtige modderschildpad, die verontwaardigd lag te spartelen en te sissen in een groot gat midden in zijn bloembed.

Er blonk een listig, oolijk lichtje onder de brilleglazen van den ouden dominee, toen hij het wonderlijke gewas bekeek, dat ’s nachts was opgekomen.

“Want zoo wat de mensch zaait, want zoo wat de mensch zaait.” haalde hij zacht bij zichzelf aan, terwijl hij met een schuinen blik naar de drie padden keek en eens onderzoekend in de groote schildpad prikte, maar zijn hand haastig terugtrok bij ’t gezicht en ’t geluid van den krommen bek en het kwaadaardige gesis. Daar er in zijn bibliotheek geen tekstverklarend boek was, voor deze gelegenheid passend, ving hij een jongetje op, dat op weg naar school voorbijkwam en zond hem vliegensvlug naar mijn kamers om er achter te komen, wat dat alles te beduiden had.

Nu hadden de drie dikke padden ook het voorjaar geroken op hun zachte plekje onder het gras, waar ze zich den vorigen herfst voor hun winterslaap begraven hadden. Toen dominee James de zoden omspitte, had de warme zon haar ontdooid en haar de lenteboodschap gebracht en ze kropen onmiddellijk naar de oppervlakte, zoo van nieuw leven vervuld,alsof ze het laatste halfjaar niet als klompen zonder gevoel bevroren waren geweest. Wat de groote schildpad betreft, de geur van de versche aarde had haar waarschijnlijk uit den naburigen vijver gelokt om zich een nest te zoeken, waar ze haar eieren zou kunnen leggen. Zoodra ze de warme, zachte aarde van het portulacabed ontdekte, was ze er al wroetend ingekropen, terwijl de losse aarde boven op haar viel en haar bedekte onder ’t naar beneden gaan.

Pad naast plantenschopje.

Toen de scherpe vrouwenoogen over het bloembed gingen, ontdekten ze onmiddellijk den kuil middenin, die toonde dat er iemand slordig aan den gang was geweest. “Die kuil moet dichtgemaakt.” verklaarde mevrouw James onmiddellijk; maar eerst stak ze er, als een echte vrouw, haar plantenschop diep in. “Aha! een steen—slordige man.” was haar vonnis, en ze stak nog eens en trachtte het harde ding met beide handen op te heffen, waarop de groote modderschildpad spartelend, sissend voor den dag kwam en zich met bek en nagels te weer stelde, nu ze uit het beste nest verdreven werd, zooals ze er nooit zoo vroeg in ’t seizoen een gevonden had. Dien nacht kwamen er eigenaardige geluiden uit het gras en de dorre bladeren—geritsel en gerekkek en zacht, gedempt gegorgel, als de padden haastig met z’n tweeën en drieën naar den vijver kwamen hippen. Van alle kanten uit tuin en grasveld en bosch en ouden muur kwamen ze kwakend en gorgelend aan door de rustige schemering, en ze sprongen hoog van verrukking,zoodra ze ’t water maar roken. De oevers kwamen ze afglijden, rollen, halsoverkop afkeukelen—als ze maar beneden waren—om eindelijk met vroolijk geplas en gekwaak in het warme, ondiepe water terecht te komen, waar ze oogenblikkelijk begonnen te krabben en te bijten en belachelijke worstelpartijtjes aangingen; dat is zoo paddenmanier om oneenigheden te beslechten en zich een eigen wijfje op den ander te veroveren.

Ze bleven een paar dagen in den vijver, vervulden de lucht van gorgelend gekwaak en vervulden het water van eindelooze snoeren kikkerdril—genoeg om den heelen vijver tot aan ’t randje met donderpadden te vullen, indien Moeder Natuur niet tusschenbeide kwam en barmhartig binnen een paar dagen na ’t leggen er negen en negentig percent van verdonkeremaande en zorgde, dat de rest elkaar ijverig verslond als ze grooter werden, tot elke overgebleven donderpad naar waarheid met den kannibaalschen matroos kon zingen:

O ik ben de kok en de kapitein,En de stuurman, dat ben ik!En de dronken matroos en de bootsmansmaat,Alle hens van den commandant zijn brik.

O ik ben de kok en de kapitein,En de stuurman, dat ben ik!En de dronken matroos en de bootsmansmaat,Alle hens van den commandant zijn brik.

O ik ben de kok en de kapitein,

En de stuurman, dat ben ik!

En de dronken matroos en de bootsmansmaat,

Alle hens van den commandant zijn brik.

Want elke donderpad vertegenwoordigde voor haar persoon een paar honderd of meer van haar mede-donderpadden, die zij in den loop van haar ontwikkeling had opgegeten. Maar lang vóór dien tijd haddende padden den vijver verlaten, hadden zich naar alle vier windrichtingen verspreid, vanwaar ze gekomen waren, zonder dat ’t haar weer iets kon schelen wat er van haar kroost werd. Het was toen dat K’dunk de dikkerd naar het portulacabed terugkeerde.

Daar vond mevrouw James haar den volgenden morgen—een groote, wrattige, grijze pad met een breeden grijns en een dikken buik en een oog als een edelsteen—slaperig knipoogen na haar nachtelijke jacht. “Och gunst! daar heb je die afschuwelijke pad weer. Ik hoop”—met een schichtigen blik om zich heen—“ik hoop dat ze de schildpad niet mee heeft gebracht.” Ze gaf haar een por en een klap met de plantenschop om haar uit het bloembed te krijgen, waarna K’dunk haar holletje onder een overhangenden graspol binnenkrabbelde en er niet meer uit wilde komen, ondanks de pogingen en ’t gepor van het schopje, in een hand die veel te zacht was om haar pijn te doen. En daar bleef zij zoo zwijgend weerstand bieden aan het schopje, tot ik er gelukkig voorbijkwam en het goede mensch er van overtuigde, dat ze daar de allerbeste vriendin trachtte te verjagen, die haar bloemen maar konden hebben. Toen vestigde K’dunk er zich rustig en we begonnen haar allemaal te bespieden.

Maar haar eerste zorg was om een paar schuilgaten hier en daar in den tuin te maken. De meeste waren slechts kuiltjes in de zachte aarde, waar K’dunk inwegdook met de oogen stijf dicht, wanneer haar vijanden maar in de buurt waren. Zij veranderde spoedig van kleur, tot deze de tint had aangenomen van haar gewone omgeving, zoodat het bijna onmogelijk was haar te vinden wanneer zij rustig met gesloten oogen in een van haar tallooze holletjes lag. Maar toen zij een paar keer door den hond (die daar thuis hoorde) lastig was gevallen—een vet, amechtig pukje, dat altijd in opwinding geraakte als K’dunk in de schemering rond begon te hippen, maar dat zich toch nooit zooveel moed kon inblaffen om dat kleverige ding met zijn neus aan te raken—groef zij andere holletjes onder de grasranden of naast een steen, waar Knor, de puk, haar niet lastig kon vallen zonder te zeer buiten adem te raken.

In den beginne wonnen we haar vriendschap door haar met een stok op den rug te krabbelen, bij welke aangename behandeling zij zich opblies en knorde van voldoening. Maar ’t was nooit te zeggen wanneer zij er genoeg van zou krijgen, of op welk tijdstip zij zich in haar waardigheid te kort gedaan zou voelen en diep verongelijkt den tuin inspringen. Toen voerden we haar vliegen en zachte stukjes vleesch, die we met een grashalm lieten bewegen, zoodat het leek alsof ze leefden. Dan floten we er tegelijk een bepaald lokfluitje bij, om haar te leeren wanneer haar avondmaal klaar was. Eindelijk werd zij toen, na een zachte behandeling en veel aanhalen, heelemaal tam, en op ’t geluid van het fluitje scharrelde zij haastigonder het trapje voor de deur uit, waar zij overdag huisde, en hipte levendig naar ons toe om gevoerd te worden en met zich te laten spelen.

Ofschoon K’dunk veel merkwaardige trekjes had, die we met verbazing ontdekten, toen de zomer vorderde en we elkaar beter leerden kennen, geloof ik toch, dat haar manier, haar listen om aan voedsel te komen ons het meest en bij voortduring in verrukking en verbazing bracht. Gewoon maar te zien hoe ze een vlieg besloop, vervulde ons met iets van de gespannen opwinding van een hertenjacht. Terwijl zij in ’t wegstervende licht bij een boomstomp of kluit zat, ging er een vlieg die zich verlaat had of een vroeg nachtinsect vóor haar op den grond zitten. Onmiddellijk begon dan de edelsteen in K’dunks kop te flonkeren en te sparkelen. Zij hurkte neer en kroop naderbij als een eend, met de teenen naar binnen, al langzamer en langzamer, terwijl het eene grappige pootje behoedzaam langs het andere streek, even heimelijk en omzichtig als een kat die een aardeekhoorn op den muur besluipt. En als zij haar prooi naderde, flitste de edelsteen, er schoot iets roods door de lucht, zoo snel dat ons oog het niet kon volgen, en de vlieg was verdwenen. Daarop slikte K’dunk iets in, terwijl zij onder de hand plechtstatig haar oogen sloot, alsof zij dankte, of dat het hapje, wanneer zij haar oogen sloot voor alle uiterlijke dingen, op de een of andere manier er lekkerder door smaakte.

De zachte tong kwam even tegen een van zijn slepende achterpooten... bl. 99 VI.De zachte tong kwam even tegen een van zijn slepende achterpooten... bl. 99 VI.

De zachte tong kwam even tegen een van zijn slepende achterpooten... bl. 99 VI.

Dat roode was natuurlijk K’dunks tong, waar ’t geheim van haar jacht in ligt. Ze is aan den rand van haar bek vastgehecht en ligt teruggevouwen in haar keel. Het binnenste eind is breed en zacht en kleverig en zij slaat het als een vliegensvlugge hagedis naar buiten en weer terug. Wat voor ongelukkig insect ook door de tong wordt aangeraakt, het is bevrijd van alle beslommeringen die ons menschen nog plagen. De kleverige tong rukt het K’dunks wijden bek in, voordat het tijd heeft om een vleugel uit te slaan, of er zelfs maar over te denken wat er met hem gebeurt.

Pad loerend op insectje.

Eens zag ik hoe zij een sprinkhaan besloop, een grooten, levendigen groenen, die met een bijzonder langen sprong uit het veilige gras was gekomen en belandde op den bruinen grond vlak voor de plek, waar K’dunk vliegen aan ’t vangen was, die onafgebroken toestroomden op een lokaas af, dat ik voor ze neergelegd had. Onmiddellijk richtte K’dunk’s aandacht zich van de vliegen op het grootere wild. Net toen haar tong naar buiten schoot, sprong de sprinkhaan, achterdochtig geworden, weg om zich te bergen. De zachte tong ging rakelings langs hem heen, maar kwam even tegen een van zijn slepende pooten en sloeg hem op zij. In een ommezien was K’dunk er weer achteraan; zij scharrelde wanhopig op haar beenen, met gloeiende oogen, terwijl haar tong in- en uitschoot als een vlammetje. Net toen de sprinkhaan een grooten sprong nam, raakte de tong hemen ik zag niets meer. Maar K’dunk had meer te slikken en zij hield haar oogen langer gesloten dan gewoonlijk, en in haar keel klonk een hevig tegenstribbelend geritsel, als de lange pooten van den sprinkhaan spartelend den weg afgingen, vanwaar geen weerkeer mogelijk is.

Pad.

Een groote rups, die ik eens vond en aan K’dunk bracht, verschafte ons allen nog een gelegenheid om zeldzame waarnemingen te doen. De rups was harig, met stijve borstels aan alle kanten overeind, en ik twijfelde er aan of de tong genoeg kleefstof had om er aan te plakken. Maar K’dunk twijfelde niet. Haar tong flapte naar buiten en haar oogen sloten zich plechtstatig. Op hetzelfde oogenblik zag ik hoe de rups ineenkromp en haar borstels opzette stijver dan ooit. Toen bleek er iets eigenaardigs, en wel, dat K’dunk’s bek zoo groot is en haar prooi gewoonlijk zoo klein, dat zij haar lekkernij niet proeven kan; zij slikt ze eenvoudig werktuiglijk op, alsof zij er zoo aan gewend is haar prooi te pakken te krijgen, dat het nooit bij haar opkomt, hoe zij wel eens zou kunnen missen. Toen zij haar oogen opende en de rups op dezelfde plaats zag, meende zij klaarblijkelijk dat het er nog een was, die op een geheimzinnige manier op vleugels was neergestreken, zooals de vliegen naar mijn lokaas kwamen. Weer sloeg haar tong naar buiten en sloten haar oogen zich onder een zalig geslik. Maar daar vóór haar was, toen haar oogen zich openden, nog een rups. Zoo’n volmaakte overeenstemmingvan vraag en aanbod had nog nooit tevoren een pad gekend.

Weer en nog eens schoot de tong naar buiten, en elken keer werd het gevolgd door de oogen dicht en een slok. Al den tijd dat zij zoo snel bleef toeslaan, meende zij steeds nieuwe rupsen te krijgen, en al dien tijd kromp het harige ding hoe langer hoe meer ineen en stak zijn borstels uit als een stekelvarken. Maar bij elken hap kreeg het meer kleefstof op zich. “Die rups wordt veel te kleverig om te kunnen blijven leven.” zei Jantje al gauw, die ’t spelletje met mij aanzag; en bij dat woord vloog er een harige bal den wijden bek in die zich voor hem opensperde, en ging K’dunk weer aan ’t vliegenvangen.

Waarschijnlijk is het dit gebrek aan smaak, dat de verbazingwekkende verscheidenheid van K’dunk’s voedsel verklaart. Het was of alles dat maar op een insect leek in haar kraam te pas kwam. Vliegen, wespen, krekels, rupsen, larven van den mierenleeuw, en alle mogelijke soorten van torren werden allemaal op dezelfde manier behandeld, wat het klappen van haar roode tong en het slikken met de oogen toe betreft. Een stuk of zes jongens en meisjes, die het zonderlinge tamme dier met me bespiedden, raakten ten einde raad iets te vinden dat het niet wou eten. Een jongen, die aan ’t boschbessenplukken geweest was, bracht drie of vier van die nare kevertjes mee, zonder naam bij elk buitenkind bekend, die dezelfde gewoonte als de bunsing hebben, een ondraaglijkenstank te verspreiden, wanneer ze lastig gevallen worden, in de meening dat hij iets had gevonden waar ons beestje geen raad mee zou weten; maar K’dunk slokte ze op, alsof ’t een versnapering was om haar eetlust op te wekken. Nog eenander bracht colorado-kevers mee; maar deze waren K’dunk ook welkom. Toen verdween een derde jongen, die de zorg voor een moestuin had, hoofdschuddend, en zei dat hij net iets gevangen had wat geen dier ter wereld zou willen eten. Bij zijn terugkomst had hij een flesch propvol met meloenkevers,1wel twintig of dertig van die vies ruikende dieren, die hij er uitschudde op den grond en met een stokje aanporde.

Er draafde iemand weg om K’dunk uit een van haar schuilplaatsen te halen, en zette haar op den grond voor de wriemelende massa. Een oogenblik was het, alsof zij dat aanbod met verbazing bekeek. Toen hurkte zij neer en begon het snelle spel met de roode tong. Volgens mijn horloge was in vier minuten elke meloenkever die zich bewoog verdwenen, en K’dunk slokte de andere op zoo gauw als wij ze met een strootje konden doen bewegen om het te laten voorkomen alsof ze leefden.

Daarna gaven we onze pogingen op om haar op het punt van verscheidenheid te overtroeven, en besloten ons te bepalen bij de schijnbaar zoo eenvoudige taak, er achter te komen hoeveel insecten zij eten kon eer zij “ho” zei. Maar zelfs in dit opzicht konden weniet tegen K’dunk op; we zijn er nooit, alleen of gezamenlijk, achter kunnen komen hoe ver haar eetlust reikte. Eens hebben we haar achter elkaar negentig rozenkevers gevoerd. Op een anderen middag, toen er drie jongens op hetzelfde uur verschenen, hebben we onze vangst bijeengedaan, een groote verscheidenheid van vliegen, kevers en kruipend gedierte, alles en alles bij elkaar honderd-vier-en-zestig stuks. Vóór donker had K’dunk alles opgegeten en hipte zij naar den tuin voor haar nachtelijke jacht,—alsof zij al niet genoeg gedaan had voor den heelen zomer om te bewijzen dat zij onze vriendin was.

Later bedachten we een ander plannetje en lieten het wild op eigen vleugels naar K’dunk toekomen, in plaats van zelf de halve wereld af te draven om het voor haar te vangen. Bij de schuur was een verwaarloosde goot, waar vliegen genoeg waren om ons te manen wat beter voor onze gezondheid te zorgen. Hier maakte ik een kooitje van ijzergaas, waar ik een doode rat in legde en wat tafelafval. Toen de middagzon die ontdekte en liet geuren, begonnen er groote vliegen toe te stroomen onder luid gezoem, wat een sein voor hun makkers schijnt te wezen; want als ze gewoon vliegen, maakt deze soort bijna geen leven. Zoodra ze echter maar aas geschikt voor hun eieren vinden, vliegen ze elk oogenblik hard zoemend rond en hooren andere vliegen hen, waarvan de kalme vlucht dan ook in een hevig gegons verandert. Zoo verbreidt het nieuws zich—tenminste dit schijnt ervoor te helpen—en van alle kanten komen er vliegen toestroomen.

Om drie uur wekte ik K’dunk uit haar overpeinzingen onder ’t trapje voor de deur op en zette haar in de kooi, terwijl ’k haar met een groot rabarberblad beschermde, dat de zon haar de oogen niet te veel verblinden zou. Toen haalde ik mijn horloge voor den dag en ging op een steen zitten tellen.

In de eerste tien minuten ving K’dunk amper twaalf vliegen. Ze waren in het volle licht voor haar op hun hoede, en zij was nog niet wakker genoeg voor de gelegenheid. Toen hurkte zij neer tusschen de rat en het afval, wurmde zich een holletje, waar zij zich keeren kon zonder in ’t oog te loopen, en begon het spelletje met de roode tong in ernst. Het volgende halfuur kreeg zij zes en zestig vliegen, gemiddeld meer dan twee per minuut. In een uur was het hoogste wat zij haalde honderdtien; en eer ik haar verliet, had zij nog twee dozijn toegevoegd aan ’t getal onzer vijanden. Toen het koel in de lucht werd, kwamen er geen vliegen meer, en bracht ik haar terug naar het trapje. Maar dien avond toog zij, later dan anders, weer naar den tuin om door te gaan met haar prachtige werk.

Toen de zomer-glimwormen kwamen (lichtkevers noemden de jongens ze) zagen we nog een grappig en aardig staaltje van haar jagen. Terwijl we op een avond in de zachte schemering op de veranda zaten, zag ik den eersten glimworm in het gras gloeien, enging hem vangen als een juweel voor ’t haar van een dame. Op ’t oogenblik dat ik mijn hand onder een struik stak verdween de glans plotseling en raakte ik in plaats daarvan met mijn vinger K’dunk aan. Zij had den glans ook gezien en had onmiddellijk de methode van met-licht-te-jagen toegepast.

Later ving ik een lichtkever en deed dien in een fleschje, en liet dit voor K’dunk vallen, toen zij in den laten schemeravond het grasveld over ging steken. Zij zag den glans door het glas en hapte onmiddellijk toe. Evenals met de harige rups sloot zij haar oogen toen zij ’t denkbeeldige hapje doorslikte en als zij ze weer opende, gloeide er nog een lichtkever in het gras, juist waar de eerste geweest was. Zoo liet zij ’t fleschje maar over ’t grasveld springen door ’t herhaalde gelik van haar tong, terwijl zij ondertusschen de oogen sloot en slikte, tot de gloeiworm, misschien duizelig geworden door dat keukelspelletje van zijn wonderlijke kooi, zijn vleugels toevouwde en zijn lichtje verstopte. Hierop sprong K’dunk weg, op haar manier stellig denkend, dat al waren er ongewoon veel lichtkevers dien avond en al leverden ze een alleraardigsten jachtbuit op, ze toch maar bedroefd weinig gaven voor een hongerige maag—niet te vergelijken met wat zij krijgen kon met op te springen naar de insecten, die aan den onderkant der bladeren van elke plant in den tuin verscholen zaten.

Thans waren er geen woorden meer noodig om er de goede mevrouw James van te overtuigen datK’dunk haar vriendin was. Ja, ze gaf een kleinen jongen zelfs een kwartje per stuk voor een pad of zes om op ’t erf los te laten en K’dunk bij zijn voortreffelijke werk te helpen. En de tuin gedijde als nog nooit tevoren, dank zij de nederige kleine helpers.

Maar K’dunks verdiensten bestonden niet alleen in haar nuttigen arbeid; zij stak vol verrassingen die ons allen voortdurend in verrukking en spanning hielden, wat er nu weer gebeuren zou. Zooals ik zei, ze leerde spoedig op het fluitje af komen; maar nog meer, ze hield veel van muziek. Als ik zachtjes een deuntje floot, bleef ze doodstil tot ik klaar was, eer ze weer aftrok voor haar nachtelijke jachtpartij. En als ik dan van deuntje veranderde of valsch floot, hipte ze weg, alsof ze verder niets meer met me te maken wou hebben.

Soms kwamen er op de veranda wat jongelui bij elkaar en zongen wel samen—wat K’dunk dikwijls van onder het trapje uitlokte en haar bij één gelegenheid haastig uit den tuin terug deed hippen, waar ze een uur te voren heen was gegaan om haar avondmaal te vangen. Het scheen dat ze van statige gezangen hield, want ze hield zich altijd zoo stil alsof ze in de kerk was—wat dominee James geweldig veel genoegen deed—maar van “deuntjes” had zij een afschuw, wanneer men op haar handelwijze kon afgaan, op de onmiskenbare manier, die ze had, om den rug toe te keeren aan wat haar niet beviel, of niet in haar wonderlijken smaak viel.

Op een avond stond een jong meisje met een alleraardigst,natuurlijk geluid bij een open raam op de veranda te zingen. Ze zong dien avond om de oudjes plezier te doen een paar oude, eenvoudige liederen, waar ze ’t meest van hielden. Vlak bij het raam stond de piano, waarop een zachte begeleiding gespeeld werd. Een geritsel in het gras trok mijn aandacht, en daar had je K’dunk, die tevergeefs de trap poogde op te klimmen. Ik maakte mevrouw James zachtjes op de zonderlinge gast opmerkzaam, en beurde K’dunk toen voorzichtig op de veranda. Daar ging zij langs de balustrade tot vlak naast de zangeres, waar zij doodstil, aandachtig zat te luisteren, zoo lang het duurde. En dien avond was het meisje zich niet bewust van deze minste onder haar hoorders.

Dat gebeurde een paar keer in den loop van den zomer. Het was, alsof die stem een aantrekkingskracht had voor ons gezellige vriendinnetje, want bij de eerste lieflijke tonen krabbelde zij haastig haar schuilplaats uit en trachtte de trap op te klimmen. Als ik haar de veranda opbeurde, hipte zij net zoo lang tot zij vlak naast de zangeres was, waar zij dan, een en al rustige waardeering, zitten bleef zoo lang als deze zong. Toen werd op een avond, dat zij bescheiden en aandachtig gedurende twee liederen aan haar voeten gezeten had, een tenor, die in New-York studeerde en soms concerten gaf, uitgenoodigd om te zingen. Hij voldeed er onmiddellijk aan met het afschuwelijke “O, lieve deugd!”

Zoo heette het ding niet; dat hadden de studentenmaar gemaakt van een eertijds geliefd minnelied. Was K’dunk een Duitsch dirigent geweest, dan had zij niet zóó onmiddellijk en zóó echt haar meening kunnen te kennen geven over dat ellendige gejammer. De malle woorden waren het niet; die kon zij gelukkig niet begrijpen; en ook de ongelukkige tingeltangel-muziek nog niet zoozeer, die werkelijk de moeite van ’t verzoek niet waard was, maar eigenlijk de stem zelf, dat gemaakte, onnatuurlijke geluid, waar tenoren zich zoo dikwijls toe dwingen. Bij de eerste schelle tonen werd K’dunk onrustig. Toen scharrelde zij haastig naar den rand van de veranda en viel halsoverkop naar beneden in haar haast om weg te komen van dat door merg en been dringende gezang.

Die plotselinge vlucht veroorzaakte bijna een opschudding en een vreeselijke zonde tegen de gastvrijheid onder de paar menschen, die haar kalmpjes bespiedden. Om een onweerstaanbare lachbui te verbergen glipte ik K’dunk achterna, die zich regelrecht naar de rabarberplanten haastte, eer zij ophield met hippen. En toen ik dat deed, hoorde ik de vriendelijke mevrouw James, die de goedheid en gastvrijheid in persoon is, hevig in haar zakdoek hoesten, alsof de leelijke tocht haar gevoelige keel had aangedaan; maar het klonk mij meer als ’t snikkeren van een eekhoorn, dien ik eens in een hollen pompoen hoorde gichelen. Hoe ’t ook zij, de tenor zong verder, en alles liep goed af. Ondertusschen was K’dunk bezig aan de belangrijker taak den tuin tezuiveren van schadelijke insecten, terwijl zij zich af en toe op haar grappige manier overeind zette en zich op de plaats krabde, waar haar oor moest zitten.

Pad met een pootje bij oog.

Het was niet lang hierna, toen wij allen meer dan ooit van K’dunk hielden, dat het merkwaardigste staaltje van haar wonderlijke leven aan den dag kwam. Anders dan de hoogere diersoorten krijgt K’dunk niet het minste onderricht van haar ouders. De lagere diersoorten leven zoo’n eenvoudig leven, dat ze genoeg hebben aan hun instinct; en daarom plaagt de natuur, die soms zoo zorgzaam, soms zoo verkwistend is, ze niet met overbodig onderwijs. Maar ze heeft menig ding voor onze oogen gedaan, dat door instinct niet te verklaren was, en er rezen veel moeilijkheden, waar aangeboren kennis niet toereikend voor was; en dan zagen we haar ongelukkige beetje verstand opwerken tegen de onverwachte vraagstukken van het heelal. Toen de zomer hoe langer hoe warmer werd, liet K’dunk de trap in den steek en maakte zich een beter hol. Alle padden doen dat op snikheete dagen—hollen een schuilplaats uit onder een zode of wortel of vermolmde boomstomp en dutten daar in de koele, vochtige schaduw, terwijl de zon daarboven schroeit. Vlak voor het trapje liepen wat breede, platte steenen over het gras naar het trottoir. De vorst van vele winters had ze gescheiden, sommige meer, andere minder, en nu vertoonde zich een lint van groen gras tusschen verscheiden steenen.

K’dunk ontdekte op de een of andere manier, dat, waar het lint het breedst was, de dunne zode een holte er onder bedekte, en hier toog zij aan ’t werk, tot het gras meegaf en zij een ruim hol binnentuimelde onder een van de platte steenen. Hier was het altijd koel, en op staanden voet liet zij de trap in den steek om de loome Augustusdagen door te slapen op het betere plekje, dat zij zoo listig was geweest te ontdekken.

Nu werd K’dunk, doordat zij altijd een goede jacht had in den tuin en bovendien veel te eten kreeg van ons, hoe langer hoe dikker. Soms, als zij ’s morgens naar huis kwam wippen, geweldig uitgezet door de ontelbare insecten die zij gegeten had, vond zij de opening tusschen de steenen onaangenaam nauw. Andere padden hebben dezelfde moeilijkheid, en om daaraan te ontkomen krabben ze eenvoudig den ingang van hun hol een beetje wijder; maar al krabbelde en duwde K’dunk ook nog zoo hard, zij kon de steenen niet verwrikken.

Zij krabde den ingang breeder, den eersten keer nadat zij hard geduwd had, maar dat hielp niet; de toegang bleef nog ongemakkelijk nauw, en zij deed me dikwijls denken, wanneer zij haar woning binnenging, aan een heel dik, deftig persoon, die zich door een draaikruis tracht te persen, er eindelijk met een steunenden zucht al trekkend en duwend doortuimelt en zich omkeert om die uitvinding verontwaardigd te bekijken. Haar hol uitkomen was gemakkelijk, wantgedurende den langen dag had zij haar maaltijd verteerd en was weer geslonken; maar het was de vraag hoe er ’s morgens met een volle maag weer gemakkelijk in te komen.

Op een morgen zag ik haar uit den tuin komen, en ik wist onmiddellijk dat haar nog grooter moeite te wachten stond. Zij had dien nacht een paar rijke insectennesten ontdekt en geweldig gegeten; haar “fraai rond lijfje” sleepte over ’t gras, toen zij meer kruipend dan hippend naar haar ingang ging, en haar eenige wensch scheen te zijn suf haar hol binnen te tuimelen en te gaan slapen. Maar helaas! zij kon er niet in. Ze had eindelijk de grens overschreden. Eerst stak zij kop en schouders naar binnen, en trachtte met aanmoedigende zetjes, door aan den onderkant van de steenen te trekken, er in te komen. Alles tevergeefs! Haar dikke lichaam bleef tusschen de halsstarrige steenen steken en kwam er slechts hoe langer hoe vaster te zitten. Het opgezette gedeelte aan den buitenkant was zooveel grooter dan het gedeelte binnen, dat zij het bij den eersten blik al zou hebben opgegeven, als zij zichzelf maar eens had kunnen zien. Maar zij werkte voort met wonderbaar geduld, tot zij wist dat ’t nergens toe diende, en zij er zich weer uittrok en voor haar ongastvrije deur ging zitten kijken, knipoogend en verfomfaaid, en heelemaal bedekt met stof en gras wortels. Terwijl zij daar zoo zat, krabde zij zich telkens op de plaats, waar haar oor moest zitten, alsof zij nadacht.

Na een poosje draaide zij zich om, alsof zij het vraagstuk had opgelost, en stak haar achterpooten in het hol. Zij ging ’t achterste voren, maar voorzichtig, onhandig, alsof zij er niet aan gewend was. Dit was echter nog erger dan het andere, want haar onhandelbare buik bleef slechts hoe langer hoe vaster steken, en, met een poot aan weerskanten, elke duw lichtte haar op in plaats van haar naar beneden te brengen. Zij gaf het gauwer op dan eerst, omdat haar kop nu aan den buitenkant was en zij beter zien kon hoe zij opschoot. Eindelijk ging zij liggen, alsof zij het vraagstuk had opgelost, en trachtte zich in de lengte door haar langen doorgang te wurmen. Dat ging beter. Zij kon er òf haar achterpooten, òf haar kop en schouders doorkrijgen; maar, als met de emmers in den put, zoodra ’t eene eind neerging, ging ’t andere op, en nog weigerde haar dikke, onhandelbare lichaam er met de rest door te gaan. Toch leek het, alsof zij vorderde, want telkens als zij met kop of pooten wipte, werd haar ongemakkelijke maaltijd in een beter vorm gebracht. In ’t laatst raakte zij te zeer beklemd en moest zij veel harder krabbelen om er uit te komen, dan zij had hoeven te doen om binnen te raken. Met een wanhopigen ruk en een schop bevrijdde zij zich ten leste en zat, weer heelemaal verfomfaaid, peinzend voor haar deuropening te kijken.

Pad.

Plotseling keerde zij zich om en liet haar achterpooten in het gat zakken. Zij ging dezen keer behoedzamer te werk, bang dat zij er in zouloopen. Toen zij er zoover als zij kon door was, zat zij een poosje doodstil, terwijl zij zich aan weerskanten met een poot ophield. Langzaam gingen haar kaken open—en heel nieuwsgierig naar een eigenaardige hikkende beweging die zij maakte, kroop ik op handen en knieën nader en keek haar in haar wijdopen bek. Daar had je haar maaltijd, allerlei soorten van vliegen en nachtinsecten, die stukje voor stukje naar boven kwamen en in haar grooten bek als in een mandje werden gehouden, terwijl haar maag beneden werkte en nieuwen aanvoer naar boven stuurde om den druk te verlichten.

Langzaam gleed zij omlaag, naar gelang de steenen hun harden greep verslapten. Een gewurm, een gekronkel, een behaaglijke draai met haar maag, een plotselinge schok—en ’t was geschied. K’dunk rustte op iederen steen met een poot, haar lichaam veilig er onder, en haar mond nog wijd open er boven hield haar kostbaren inhoud als een ouderwetsch valies, dat opengesprongen was. Toen slikte zij met groote slokken haar verstoorde maal weer in en verdween met een laatste gekrabbel in haar koele hol.

Dien avond kwam zij er niet uit, maar den volgenden avond was zij als gewoonlijk in den tuin bezig. Tot onze groote spijt verliet zij èn de verandatrap èn het hol met zijn nauwe opening onder de platte steenen. Misschien had zij op haar manier de vraag overwogen, wat er van haar geworden zou zijn, als de uil haar gesnapt had bij haar thuiskomst dien morgen,want toen ik haar weer aantrof, zat zij veilig in de holte onder de wortels van een ouden appelboom, waarvan de ingang wijd genoeg was om er haastig in te duikelen, hoeveel zij ook gegeten zou hebben. En daar bleef zij overdag, zoolang ik haar bespiedde.

Pad op hoef.

Er bleef nog een merkwaardig trekje over, dat ik in de laatste dagen van den zomer ontdekte; en dat was haar scherpzinnigheid om het beste terrein voor haar jacht uit te zoeken. Vlak achter haar hol in den ouden appelboom was een muur, waaronder ’t vol zat van allerlei insecten. K’dunks hol was aan den oostkant, zoodat de zon bij ’t ondergaan de koele schaduw van den muur over de plek wierp en ons vriendinnetje vroeger dan gewoonlijk voor den dag bracht. Zij had op de een of andere manier ontdekt dat de westkant van den muur de laatste stralen van de zon opving en bewaarde, en dat er laat op den middag vliegen en allerhande insecten op de warme steenen kwamen neerstrijken of rondkruipen om warm te worden. Zij maakte zich een gang onder den muur, vlak achter haar hol, en ging dan aan den westkant dicht tegen een zekeren grijzen steen liggen, zoodat haar grauwe kleur haar volkomen dekte, om de vliegen op te pikken als ze neerstreken, even snel en zeker als een hagedis. Als kevers en andere insecten uit hun holen kropen om zich een poosje op een warmen steen te zonnen, lag K’dunk, wier blik over haar jachtgebied heen en weer gleed, stil, tot ze goed en wel zaten, en kroop dan omzichtig, tot zij ze binnenhaar bereik had en sloeg ze naar binnen met een floep van haar tong, dien ’t oog nauwelijks volgen kon. De twaalf middagen ongeveer dat ik haar daar gadesloeg heb ik haar nooit een keer zien missen, terwijl het aantal vliegen en insecten dat zij verdelgde tot in de honderden moet hebben geloopen.

In dezelfde wei graasden vier of vijf koeien, en met mooie dagen werden ze buitenshuis gemolken in plaats van naar stal gedreven te worden. Nu hebben zij, die koeien onder ’t melken hebben gadegeslagen, waarschijnlijk wel opgemerkt, hoe de vliegenzwermen om hun pooten in dikke kluiten boven de hoeven zitten, waar het zenuwachtige zwiepen van den staart ze niet verstoren kan. K’dunk had dat ook gezien, en vaak gedurende den melktijd, als de koeien stilstonden, ging zij naar een bepaald dier uit de kudde toe, kroop boven op den eenen hoef na den anderen en hapte elke vlieg er af, die onder haar bereik kwam. Dan sprong zij op naar de hoogste, die zij bijna altijd raakte, en tuimelde op haar rug na een gelukten hap. Maar in een wip was zij weer boven op den hoef geklauterd en zat zij af te wachten, tot de volgende vlieg binnen haar bereik zou neerstrijken. Het opmerkelijkst van alles was dat zij zich aan één koe hechtte, en deze van de kudde uitzocht, wàar ze ook gemolken werd. Voor zoover ik heb kunnen nagaan, kwam zij nooit in de buurt van de andere; en het was alsof de koe na een poosje de pad als vriendin herkende, en dikwijls nadat ze gemolkenwas stilstond, zoolang K’dunk op een van haar hoeven bleef zitten.

Toen de zomer ten einde liep en het groen in den tuin verdween, verliet zij dien ook en trok al verder en verder de wei in op haar nachtelijke jacht. Zij werd ook minder tam, zooals ’t met alle dieren gaat in den herfst, tot ten leste geen fluitje, hoe hard ook, haar terug kon lokken. Of de uil haar ving, of dat haar nog het lange leven te wachten staat, dat de Natuur aan de padden schenkt, weet ik niet; maar onder den rand van het portulacabed is, terwijl ik zit te schrijven, een verdachte holte, die vorst en sneeuw niet geheel verborgen hebben. Ik zal deze in de lente met meer dan gewone belangstelling gadeslaan, om te weten of K’dunk, de dikkerd, zich haar oude vrienden nog herinnert.

1Anasa Tristis.

1Anasa Tristis.


Back to IndexNext