„Zóó wil ik geen Luitenant-Admiraal zijn!” (Bladz. 234).„Zóó wil ik geen Luitenant-Admiraal zijn!” (Bladz. 234).
„Zóó wil ik geen Luitenant-Admiraal zijn!” (Bladz. 234).
„Schade genoeg, Edel Mogende! Maar dan moet ik u zeggen, dat ik, als de vloot niet in een’ beteren toestand gebracht wordt, mijne belofte intrek en de benoeming niet aanneem. Zóó wil ik geen Luitenant-Admiraal zijn!”
„En wat zou er dan naar uwe meening moeten gedaan worden?” klonk de vraag van den Voorzitter.
„Veel, Edel Mogende, veel, zeer veel!”
„Bepaal u dan tot zaken en zeg wat,” sprak de Raadpensionaris barsch. „Zoo komen we niet verder.”
„Welnu, als gij mij daartoe dwingt, dan zal ik het u zeggen: De krijgstucht is vervallen!”
„Gij hebt het in uwe macht die te herstellen!”
„Ja, met meer en uitgestrekter macht dan de vorige Luitenant-Admiraals bezeten hebben!”
„Wat rekent gij tot die uitgestrekte macht?”
„Vooreerst deze. Zoo een Kapitein zijn’ plicht verzaakt, dan moet de Admiraal hem kunnen afzetten en een’ anderen in zijne plaats benoemen!”
„Dit wordt u toegestaan. Wat meer?”
„Vóór dezen waren er uitmuntende voorschriften en verordeningen in gebruik; ze zijn in verval geraakt en moeten opnieuw ingevoerd en gehandhaafd worden!”
„Hiertegen kan geenerlei bezwaar ingebracht worden, dunkt me. Wat nog meer?”
„Tot hiertoe werden de schepen op eene zeer slechte manier van levensmiddelen voorzien. Het gevolg hiervan is vaak geweest, dat sommige bodems op zeer ongelegen tijden eene haven moesten binnenloopen om levensvoorraad in te nemen!”
„Maar zeg mij, Admiraal, hoe komt het toch, dat gij dit alles niet bedongen hebt, vóór gij de benoeming aannaamt?” vroeg de Raadpensionaris.
„Ik wist het toen niet zóó goed, als ik het nu weet, Mijnheer!”
„Ei, en wie heeft u dan van dat alles zoo goed op de hoogte gebracht?”
„Om dat te weten te komen, heb ik niemand noodig. Als een Admiraal dat alles niet onderzoeken kan, dan deugt hij niet voor zijne betrekking!”
„Ik twijfel niet, of men zal u in alles terwille zijn. Van avond nog zult ge hieromtrent het besluit der Edel Mogenden vernemen,” sprak de Voorzitter.
„Het zal mij zeer aangenaam zijn, Edel Mogende! Maar ik heb nóg meer te bedingen!”
„Wat! Nog al meer? Mij dunkt, dat gij veel noten op uw’ zang hebt, Admiraal!”
Piet Heyn fronste andermaal het hooge voorhoofd en zich fier verheffende, sprak hij op kalmen, maar snijdenden toon: „Dat vonden de Spanjaarden en Portugeezen in de Allerheiligen-baai ook, Edel Mogende!”
Een onderdrukt getrappel met de voeten werd gehoord, en menigeen knikte den Admiraal goedkeurend toe. De ondervrager zag zich dus genoodzaakt zijn’ toon wat lager te stemmen. Hij voelde, dat hij valsch speelde, en daarom zeide hij wat minder kort: „Ik wilde u niet beleedigen, Admiraal! Mag ik weten, wat u dan nog heeft?”
„De soldijen der matrozen zijn te laag en worden niet geregeld uitbetaald. Het gevolg hiervan is, dat men alleen het uitschot van de Oost- en West-Indische Compagnie op de vloot krijgt. Een Admiraal moet op zijn volk kunnen vertrouwen!”
„Dit laatste ontstond meer uit den berooiden toestand van ’s Lands kas. Hierin is in den laatsten tijd eene kleine verandering te goede gekomen. Wij hopen, dat die gunstiger toestand zal blijven voortduren, en dan vervalt vanzelf uwe laatste zwarigheid. Nu hadt ge toch zeker niets meer?”
„Het spijt mij, als het u tegenvalt, zoo ik ja zeg; maar nu ik a, b en c heb gezegd, wil ik uitspreken, al kwam iktot z. Ik sta er op, dat iedere Kapitein eene instructie hebbe, opdat er meerdere overeenstemming besta omtrent het handhaven der orde. Verder wenschte ik wel, dat er schrijvers benoemd werden om op elk schip de dag-registers goed bij te houden, rollen te maken, scheepslijsten te vervaardigen en het uitbetalen van het scheepsvolk te regelen. Dan wenschte ik ook nog door eene wet bepaald te zien, dat het recht van voetspoelen op strenge straffe verboden wordt. Den vijand moet men eeren, als hij zich manhaftig verdedigt!”
Hier zweeg Piet Heyn.
„Hebt ge nu alles gezegd, Admiraal?” werd er gevraagd.
„Zoo omtrent, Edel Mogende! Later kunnen we zien, of er nog meer gebreken zijn. Want meent niet, Edel Mogenden, dat ik alleen om de voordeelen, die aan het Admiraalschap verbonden zijn, de eervolle benoeming heb aangenomen. Ik heb dat gedaan tegen den zin van mijne goede vrouw en mijne lieve Moeder, omdat ik mijn Vaderland liefheb. En zooveel Latijn heb ik van mijn’ goeden Meester Zegers nog geleerd, dat ik mijne zinspreuk:„Argentum aura, utrumque virtuti cedit”verdietschen kan in deze woorden: „Zilver is geringer dan goud; maar beide moeten voor de deugd wijken!”
„Wij danken u, Admiraal,” sprak thans de Voorzitter. „Wij beloven u van avond nog antwoord te zullen zenden!”
Piet Heyn ging heen, en waren enkele Heeren ook wel een weinig gebelgd over den stouten toon, dien Piet Heyn deed hooren, Zijne Excellentie Prins Frederik Hendrik stelde den ronden zeeman volkomen in het gelijk, en wist te bewerken, dat hem in alles zijn’ zin gegeven werd.
Nu nam Piet Heyn de benoeming ook terstond en voorgoed aan en stak veertien dagen later in zee.
Te Duinkerken aangekomen begon hij dadelijk de haven in te sluiten, doch door de duisternis van den nacht begunstigd, wisten drie groote kaperschepen buiten te geraken. Niet zoodra echter had Piet Heyn dat ontdekt, of hij zette hen na en plaatste zich tusschen de twee schepen van denvijand. In een oogenblik was het gevecht aan den gang, doch de Duinkerkers, bevreesd dat Piet Heyn, zoo hij overwinnaar werd, ook op hen het recht van voetspoelen zou uitoefenen, vochten als leeuwen en lieten geen enkel schot onbeantwoord.
„Geef u niet zoo bloot, Admiraal,” sprak Marten Harpertsz. Tromp, die Kapitein op het Admiraalsschip was.
„Ik moet toch in het rond zien om het gevecht te besturen, Kapitein,” luidde het antwoord.
„Dat weet ik, Admiraal, maar gij geeft u te veel bloot!”
Pas waren deze woorden gesproken of een kogel trof Piet Heyn even beneden den linkerschouder; hij stortte neer en stamelde nog even: „Vaar-wel, Tromp! houd—m—moed!”
Piet Heyn was niet meer.
Dit noodlottig schot viel den twintigsten Juni van het jaar 1629.
Vreeselijk was de woede van het scheepsvolk toen het zijn’ dapperen Admiraal zag vallen.
Tromp had hun bevolen: „Laat de andere schepen niet bemerken, wat er gebeurd is. Houdt u of onze Admiraal u nog door woord en daad aanvuurt! Houdt moed, jongens! Er flink op los gebrand! Den dood van den gevallene moet op den vijand zeventig maal zevenmaal gewroken worden!”
De schepen van den vijandelijken Admiraal en Schout-bij-nacht werden geënterd en bijna de geheele bemanning werd doodgeschoten of neergesabeld.
Zoodra Michiel Rombouts, de Vice-Admiraal der Duinkerkers, dit zag, zocht hij zijn heil in de vlucht. Dit mocht hem evenwel niet baten. Hij werd achterhaald en moest na een fel gevecht zich overgeven.
Duinkerken was gestraft; maar het verlies, dat Nederland door deze overwinning leed, woog niet op tegen de voordeelen, die er uit voortvloeiden.
Zoodra men hier te lande den dood van den grooten held vernam, was de verslagenheid algemeen.
En wie er het meest leden?
Och, is dat geen vragen naar den bekenden weg?
Zoodra Moeder Heyn den dood van haar’ Piet, haar’ lieveling, vernam, begaf de stok-oude vrouw zich naar Delft, wierp zich in de armen van hare schoondochter en zeide onder bange snikken: „Piet is toch voor den laatsten keer naar zee geweest, Annetje! De Heere deed, wat goed was in Zijne oogen!”
Den vierden Juli werd het lijk van den gevierden en dapperen Admiraal met ongemeene pracht te Delft begraven.
Vóór het lijk gingen twee vaandels burgers in diepen rouw. Over hunne kolders hingen zwarte banden, de vaandels waren met zwarte linten opgebonden, de trommels met zwart laken bekleed en de pieken werden sleepende, de musketten onder den arm gedragen.
De lijkkist, gedekt met een zwart kleed. (Bladz. 239).De lijkkist, gedekt met een zwart kleed. (Bladz. 239).
De lijkkist, gedekt met een zwart kleed. (Bladz. 239).
Hierop volgden Kapiteins ter zee, die de wapenen van den gesneuvelden held droegen, en onmiddellijk hierop volgde de lijkkist, gedekt met een zwart kleed, welks slippen mededoor Kapiteins ter zee gedragen werden. Achter het lijk ging, als naaste bloedverwant, het zoontje van eene zuster zijner vrouw. Zijne broeders leefden denkelijk dus niet meer, of bevonden zich elders. Enkele verre bloedverwanten, die achter het knaapje liepen, werden gevolgd door Bewindhebbers van de Oost- en West-Indische Compagnie, Gedeputeerden der Admiraliteit en andere voorname personen. In het geheel bestond de stoet uit meer dan duizend menschen.
Hij werd in de Oude Kerk begraven en later werd er op ’s Lands kosten eene prachtige graftombe voor hem opgericht.
Eene week na de begrafenis traden twee zeelieden in diepen rouw de Oude Kerk binnen.
„Hier ligt hij, Blokmaker,” sprak de oudste, terwijl dikke tranen langs zijne perkamentachtige wangen vloeiden. „Zijn avondschot is gevallen!”
„Mijn Admiraal slaapt, Marten! En ik heb zijne oogen niet toegedrukt. Dat we beiden nu juist er niet bij waren, na zóó lang samen te zijn geweest!”
„Ja, vriend, ik geloof, dat ik dit verlies niet lang overleven zal. Zijn avondschot zal spoedig door het mijne gevolgd worden!”
„En nu mijn Admiraal slaapt, wordt het waken mij lastig! Kom, ga mee, Marten, en laten we samen het zeeleven vaarwel zeggen, en als goede vrienden samenwonen! Wij zijn zuinig geweest; we kunnen het wel tot ons eindje brengen!”
„Stil, Willem, stil! Als hij, die hier onder ligt, dit hoorde, hoe hij zeggen zou: „Wreekt mijn’ dood en treurt niet!” Neen, zoolang ik nog kracht in mijne oude knuisten heb, zoolang ik mijne beenen nog gebruiken kan om te loopen, zoolang de Edel Mogenden meenen, dat ik den kost waard ben, zoolang wil ik het Vaderland mijne krachten wijden! En gij?”
„Waar gij heengaat, Marten, daar ga ik ook heen! Wij zijn één. Wij verlaten elkander niet!”
„Is dat je laatste woord? Is dat oprecht gemeend?”
„Mijn laatste woord en oprecht gemeend, Marten! Ik geloof toch ook, dat we te lang gevaren hebben om het op den duur aan den wal te kunnen vinden. Dat was ook zoo met onzen Admiraal, en ik weet het van zijne vrouw zelve, dat hij alleen om haar en zijne oude Moeder pleizier te doen wel aan den wal gebleven zou zijn, als hij den drang naar het ruime sop maar had kunnen weerstaan. Maar hij kon niet. Met de wijde zee in zijn hoofd stond hij op, liep hij den heelen dag rond, ging hij des avonds naar bed en droomde hij des nachts. De zee was zijn alles, zij was zijn element.”
„Ze is ook het onze, Kapitein!”
„Niet zoo deftig! Onder ons zijn we jij en jou, Willem en Marten. Blijve dat zoo! Maar wat nu?”
„Wat nu? Wel, veeg weg die waterlanders! Houd-je ferm! Wij gaan weer op ons oud schip, dat te Rotterdam op ons wacht!”
Na dit gezegd te hebben keerde hij zich nogmaals naar het graf van Piet Heyn en stamelde, alsof het een gebed was: „Wel te rusten, maat! Slaap zacht onder uw steenen dek!”
„Slaap zacht!” sprak Blokmaker zijn’ vriend na en diep geroerd gingen beiden de kerk uit.
Twee jaren later viel in het zeegevecht op „Het Slaak” voor Marten het avondschot. Voor Blokmaker viel het eerst in 1639 bij Duins.
In den nacht tusschen den achtsten en negenden Januari 1868 had het sterk gesneeuwd. Drie mannen, inwoners van Delftshaven, waren eensklaps op het denkbeeld gekomen om in het Plantsoen, recht vóór de Kerkstraat, eene sneeuwpop te maken. Het was maar eene gewone aardigheid, doch toen men het voetstuk ter hoogte van anderhalven Meter, neergezet had, begon men er een beeld op te plaatsen, en dat beeld stelde nu eens niemand minder voor, dan den beroemden Delftshavenaar, Pieter Pieterszoon Heyn. De kop was zelfs voortreffelijk geslaagd, en wie ooit eene beeltenis van den dapperen Admiraal gezien had, herkende terstond in dat aangezicht het mannelijk gelaat van onzen Piet Heyn.
Nauwelijks was men dan ook des morgens ontwaakt of de een riep den ander toe: „Zeg, heb-je Piet Heyn al gezien?”
„Piet Heyn? Wat bedoel-je toch?”
„Wel, zijn standbeeld in sneeuw. Het staat in het Plantsoen tegenover de Kerkstraat!”
„Gunst, neen, hoe kan ik dat weten? Hebt jij het gezien?”
„Ja, ik kom er juist vandaan! Het is keurig mooi!”
Langzamerhand begon men het beeld met vlaggen te omringen en iedereen was er mee ingenomen.
Op het voetstuk las men het volgende versje:
„De groote held Piet HeynWil altijd needrig zijn,En niet als zijn gelijken,In marmer of metaal.Met vorstelijke praalOp markt of plein staan prijken.De roem van dezen held,Ofschoon hier min geteld,Zal nimmer toch verkwijnen;Al moog’, nà korten tijd,Dit beeld aan hem gewijd,Ook door de zon verdwijnen!”
„De groote held Piet HeynWil altijd needrig zijn,En niet als zijn gelijken,In marmer of metaal.Met vorstelijke praalOp markt of plein staan prijken.
De roem van dezen held,Ofschoon hier min geteld,Zal nimmer toch verkwijnen;Al moog’, nà korten tijd,Dit beeld aan hem gewijd,Ook door de zon verdwijnen!”
Des avonds was het feest daar in den omtrek. Men maakte er muziek, en verlichtte het beeld à giorno, dat is: eene verlichting met gekleurde papieren lantaarns. De volgende dagen kwam men van Rotterdam en Schiedam in menigte om het sneeuwen standbeeld te zien, en zeker zou het aantal bezoekers nog veel grooter geweest zijn, als niet vijf dagen later de dooi ingevallen was en het beeld daardoor verdween. Toen liet iemand, die zich alleen met eene R onderteekende, het volgende versje verspreiden:
„Ach, wáár is Piet Heyn gebleven?Stond hij daar niet in ’t Plantsoen,Neêrlands zeeheld, fier en koen?Moest hij nu alweder sneven?Ja, maar niet door ’s vijands lood;Thans stierf hij een zachter dood.Tweemaal is hij dus verschenen;Maar komt Piet ten derden maal,Dan in ’t harnas, dan in ’t staal;Stevig op zijn visschersbeenen;Dan als vlootvoogd, wijs en stout,Groet hij ons dan, minder koud.O, dan wordt hij warm door ’t schallenVan zijn dankbaar, edel kroost,Dat rondom zijn Eerzuil poost;Ja, dan rijst van duizendtallenLof en dank tot God, die leeft,Die, als ’t nijpt, ons Helden geeft!”
„Ach, wáár is Piet Heyn gebleven?Stond hij daar niet in ’t Plantsoen,Neêrlands zeeheld, fier en koen?Moest hij nu alweder sneven?Ja, maar niet door ’s vijands lood;Thans stierf hij een zachter dood.
Tweemaal is hij dus verschenen;Maar komt Piet ten derden maal,Dan in ’t harnas, dan in ’t staal;Stevig op zijn visschersbeenen;Dan als vlootvoogd, wijs en stout,Groet hij ons dan, minder koud.
O, dan wordt hij warm door ’t schallenVan zijn dankbaar, edel kroost,Dat rondom zijn Eerzuil poost;Ja, dan rijst van duizendtallenLof en dank tot God, die leeft,Die, als ’t nijpt, ons Helden geeft!”
Na het lezen van dit versje begon men weer eens te denken aan de „Piet-Heyns-pijpen-rookerij” van 1828. Toen toch hadden eenige heeren zich vereenigd om op den tweehonderdsten gedenkdag van het nemen der Zilvervloot, een gedenkteeken ter eere van Piet Heyn op te richten. Men had berekend, dat een en ander vijfduizend gulden kosten zou en er kwam nauwlijks vijftienhonderd gulden in. De tijdsomstandigheden waren dan ook niet zoo heel gunstig. Het gevolg hiervan was, dat de geheele feestviering op niet veel meer dan op niemendal uitliep. Men stelde zich tevreden met een vermaak, datbijna alleen door Hollanders kan gesmaakt worden. Een ondernemend pijpen-fabrikant te Gouda liet voor deze gelegenheid eene bijzondere soort van pijpen maken, waarop zoo goed en zoo kwaad dit ging, het beeld van Piet Heyn, een schip en het wapen van Delftshaven afgebeeld waren. Ook droegen ze het jaartal 1828. En uit deze pijpen rookende, vierden onze goede Hollanders het tweehonderdjarige feest van Piet Heyns meest bekende daad.
Ja, van zijne meest bekende daad. Men weet van Piet Heyn, dat hij de Zilvervloot won en een’ kleinen naam had, veel meer niet! Maar, dat hij door zijne verstandige bepalingen, besluiten en voorwaarden aan de Regeering, gedurende den korten tijd, dat hij in dienst van Holland was, den grondslag gelegd heeft van Neerlands macht ter zee, dat weet men zoo niet, ja, velen weten er niemendal van. En toch, die bepalingen, voorwaarden en instellingen behooren tot de voornaamste van zijne daden! Zijn wapenroem, als dapper Vlootvoogd, staat er naast; maar het nemen van de Zilvervloot moet wel het laatst genoemd worden. Hij zelf getuigde er immers van, dat hij er weinig voor gedaan had? En als ge dit verhaal tot het einde gelezen hebt, zult ge ook moeten zeggen: „Dat nemen van de Zilvervloot was meer geluk dan wijsheid! De stroom, die Piet Heyn tegen zijn’ zin ophield, was de onmiddellijke oorzaak, dat er ruim elf millioen gulden aan buit in het land kon gebracht worden.”
In 1870 evenwel werd er, als een gevolg van de beweging, door het sneeuwen standbeeld ontstaan, door de ijverige bemoeiingen van den toenmaligen Burgemeester van Delftshaven, den Heer J. W. Rösener Manz, en eenige andere Heeren, een standbeeld van den held, uit Udelsfangersteen gehouwen, opgericht. Het beeld stelt den Admiraal voor op het oogenblik, dat hij het teeken geeft tot het voor hem zoo noodlottig gevecht tegen de Duinkerker kapers. Bij de onthulling, die plaats greep den zeventienden October van het genoemde jaar, waren Z. M. de Koning en Z. K. H. Prins Hendrik tegenwoordig, een bewijs, dat de zonen uit het Huis van Oranje één zijn met het Nederlandsche volk.
Gaarne zou ik hier ook, naast den naam van den Heer J. W. Rösener Manz, nog vele namen afschrijven van mannen die al gedaan hebben, wat in hun vermogen was, om een beeld voor onzen held te doen verrijzen, of die met al hunne krachten medegewerkt hebben om den beroemden Admiraal te verheerlijken. Er zouden dan echter zooveel namen genoemd moeten worden, dat ge er zeker in verwarren zoudt. Misschien ook zoudt ge zeggen: „Wat hebben we er aan? We kennen die menschen toch niet!” En daarom ook laat ik het na. Maar één naam moet ik u toch noemen.
De goede Meester Jacob Zegers heeft zeker nooit gedacht, dat de eenvoudige visschersknaap, die bij hem het A B C leerde, eenmaal zulk een beroemd man zou worden. Maar heeft hij hiervan mogelijk wel eens gedroomd, dan zal hij er toch nooit aan gedacht hebben, dat meer dan tweehonderdvijftig jaar later, een zijner opvolgers, een lied zou dichten, dat door den heer C. C. A. De Vliegh op muziek gebracht, uitgevoerd zou worden bij de oprichting van het standbeeld van zijn’ woeligen leerling! Dat deed de Heer F. Bezemer, toen Hoofd eener openbare school te Delftshaven, dat tegenwoordig een deel uitmaakt van de gemeente Rotterdam. Hier is het.
„Heft aan! heft aan! een lied ter eereVan Hollandsch meest bekenden held,Wiens roem der dicht’ren lier besnaarde,Dien iedre kindermond vermeldt.Een schrik der zee, des Spanjaards vreeze,Waar plicht hem riep, ten strijd gereed,Wiens naam alleen den vijand vliedenEn Spanje’s vorsten siddren deed.Daar rijst zijn beeld, nabij de stede,Waar eens zijn schamel kluiske stond,Om aan den nazaat te verkonden,Hoe deugd en moed zijn loon hier vond.Een zoon uit ’t volk, heel ’t land ten zegen,Niet door de schatten, die hij bracht,Maar door zijn voorbeeld, dat blijft sprekenVan burgertrouw en heldenkracht.Hoezee! het Vaderland ter eere,Dat zulk een held, als zoon begroet,En eeuwen na zijn roemrijk snevenHem nog een eerzuil rijzen doet.Het blijve ons lief in Nassau’s hoede,Het vinde ons wakker in den nood,Om, mocht een vijand het belagen,Als Heyn te strijden tot den dood.Wilhelmus van NassouwenWas onzer Vaad’ren zang,Het strijdlied onzer dapp’renTrots elken vreemden dwang,Het zegelied te veldeZoowel als op de Zee,Weerkaatste ’t Hollands glorieTot aan de verste reê.Wilhelmus van NassouwenIs nog het Neêrlandsch lied,Wien heugt, waar hij ’t hoort schallen,Der Vaad’ren grootheid niet?Zoo was en zij ’t voor immerEen lied der Profecy:Ook Neêrland, groot door deugden,En met Oranje, vrij!”
„Heft aan! heft aan! een lied ter eereVan Hollandsch meest bekenden held,Wiens roem der dicht’ren lier besnaarde,Dien iedre kindermond vermeldt.Een schrik der zee, des Spanjaards vreeze,Waar plicht hem riep, ten strijd gereed,Wiens naam alleen den vijand vliedenEn Spanje’s vorsten siddren deed.
Daar rijst zijn beeld, nabij de stede,Waar eens zijn schamel kluiske stond,Om aan den nazaat te verkonden,Hoe deugd en moed zijn loon hier vond.Een zoon uit ’t volk, heel ’t land ten zegen,Niet door de schatten, die hij bracht,Maar door zijn voorbeeld, dat blijft sprekenVan burgertrouw en heldenkracht.
Hoezee! het Vaderland ter eere,Dat zulk een held, als zoon begroet,En eeuwen na zijn roemrijk snevenHem nog een eerzuil rijzen doet.Het blijve ons lief in Nassau’s hoede,Het vinde ons wakker in den nood,Om, mocht een vijand het belagen,Als Heyn te strijden tot den dood.
Wilhelmus van NassouwenWas onzer Vaad’ren zang,Het strijdlied onzer dapp’renTrots elken vreemden dwang,Het zegelied te veldeZoowel als op de Zee,Weerkaatste ’t Hollands glorieTot aan de verste reê.
Wilhelmus van NassouwenIs nog het Neêrlandsch lied,Wien heugt, waar hij ’t hoort schallen,Der Vaad’ren grootheid niet?Zoo was en zij ’t voor immerEen lied der Profecy:Ook Neêrland, groot door deugden,En met Oranje, vrij!”
Blijve dat zoo door alle tijden heen: ons Land zal er wèl bij varen.
Maar om dat zóó te doen blijven, is het noodig, dat ge in de geschiedenis van uw Land geen vreemdeling zijt. Een volk, dat de geschiedenis van zijne wording, van zijn’ strijd, van zijn lief, van zijn leed niet acht, is rijp om door den eersten den besten overweldiger te worden ingelijfd. Maar een volk, dat uit de lange geschiedenis van zijn voorgeslacht zichzelf, als het ware, ziet geboren worden, zulk een volk blijft vrij en geen macht ter wereld kan het, na het overweldigd te hebben, op den duur in haar geweld houden: het worstelt zich los en maakt zich onafhankelijk van elke vreemde overheersching!
Jong- en Oud Nederland, weest gij dat laatste volk!
DOOR
P. LOUWERSE.
Geïllustreerd met 4 gekleurde platen.
Prijs, gebonden in rood linnen band ƒ 1.20; ingenaaid, ƒ 0.90 per deel.
Vlissingen in 1572, of „Oog om oog en tand om tand”. Geschiedk. verhaal. 3edr.De Schippersjongen, of Leiden in strijd en nood. Geschiedk. verh. 3edr.Hoe Willem advocaat werd, of Hugo de Groot en zijn tijd. 2edr.Mannen van sta-vastof de O. I. Compagnie onder J. P. Coen. 3edr.De vaandrig van Frederik Hendrikof de Nederlandsche republiek in 1629. 2edruk.Bestevaêr Tromp.Hoe de Vereenigde Provinciën eene zeemogendheid werden. 3edr.Toch Oranje boven!of Willem Hendrik, Prins van Oranje-Nassau van 1650 tot 1672. 2edr.Worstelen en ontkomen, of de eerste jaren van het Stadhouderschap van Willem III, Prins van Oranje. 2edr.Janmaat in de Oost, of vestiging van het Nederl. gezag op Celebes. 2edr.Krijgsman en koopmanof hoe het eiland Formosa voor de O.-I. Compagnie verloren ging. 2edr.
Vlissingen in 1572, of „Oog om oog en tand om tand”. Geschiedk. verhaal. 3edr.
De Schippersjongen, of Leiden in strijd en nood. Geschiedk. verh. 3edr.
Hoe Willem advocaat werd, of Hugo de Groot en zijn tijd. 2edr.
Mannen van sta-vastof de O. I. Compagnie onder J. P. Coen. 3edr.
De vaandrig van Frederik Hendrikof de Nederlandsche republiek in 1629. 2edruk.
Bestevaêr Tromp.Hoe de Vereenigde Provinciën eene zeemogendheid werden. 3edr.
Toch Oranje boven!of Willem Hendrik, Prins van Oranje-Nassau van 1650 tot 1672. 2edr.
Worstelen en ontkomen, of de eerste jaren van het Stadhouderschap van Willem III, Prins van Oranje. 2edr.
Janmaat in de Oost, of vestiging van het Nederl. gezag op Celebes. 2edr.
Krijgsman en koopmanof hoe het eiland Formosa voor de O.-I. Compagnie verloren ging. 2edr.
Geïllustreerd met 20 reproductiën naar teekeningen van A. Ronner.
Prijs, gebonden in Chromoband ƒ 1.60; ingenaaid, ƒ 1.25 per deel.
Vlissinger Michiel, of Neerlands glorie op zee. 3edr.Een Delftshavensche kwajongen, of het leven van Luitenant-Admiraal Piet Heyn. 3edr.
Vlissinger Michiel, of Neerlands glorie op zee. 3edr.
Een Delftshavensche kwajongen, of het leven van Luitenant-Admiraal Piet Heyn. 3edr.