Twintigste hoofdstuk.

14,650 kilometers.Twintigste hoofdstuk.Harris en Negoro.Den dag volgenden op dien toen Dick Sand en zijn reisgenooten hun laatste halte in het bosch hielden, hadden twee mannen drie mijlen van daar een vooraf door hen beraamde samenkomst.Deze twee mannen waren Harris en Negoro, en men zal zien wat op rekening van het toeval moest geschreven worden, dat den Portugees van Nieuw-Zeeland samenbracht met den Amerikaan dien zijn vak van slavenhandelaar verplichtte dikwijls deze provincie van West-Afrika te doorkruisen.Harris en Negoro waren aan den voet van een reusachtige vijgeboom gaan zitten, aan den oever eener snel vlietende beek, die tusschen een dubbele haag stroomde.Het gesprek nam een aanvang, want de Portugees en de Amerikaan hadden elkander pas ontmoet en al dadelijk had het geloopen over de omstandigheden die in de laatste uren waren voorgevallen.“En dus, Harris,” zeide Negoro, “heb je den kleinen troep van kapitein Sand, zooals zij dien leerling van vijftien jaar noemden, niet verder in Angola mee kunnen nemen!”“Neen, kameraad,” antwoordde Harris “en ’t verwondert me zelfs dat ik ze nog, honderd mijlen ver minstens, van de kust heb kunnen meetronen! Sedert verscheiden dagen keek mijn jonge vriend Dick Sand me met een wantrouwend oog aan, zijn vermoeden ging allengs in zekerheid over, en waarachtig....”“Nog honderd mijlen verder, Harris, waren die menschen nog zekerder in onze handen geweest! Ze moeten ons toch daarom niet ontsnappen!”“En hoe zouden ze dat kunnen?” antwoordde Harris, die de schouders optrok. “Ik zeg je nog eens, Negoro, ’t was meer dan tijd me stilletjes uit de voeten te maken! ’k Heb tien maal in de oogen van mijn jongen vriend gelezen dat hij lust had me een kogel door den kop te jagen en mijn maag kan die pruimen van twaalf in een pond niet best verteren!”“Nu, goed!” zei Negoro. “Ik heb ook een rekening met dien leerling te vereffenen....”“Ga je gang en vereffen je rekening met den interest er bij, kameraad. Wat mij betreft, ’t was me best gelukt hem deze provincie te laten slikken voor de woestijn van Atacama, die ik vroeger bezocht heb, maar daar had je die kleine aap, die om zijn caoutchouc-speelgoed en zijn kolibries riep, de moeder die om haar kina zanikte, de neef die volstrekt lichtkevers wilde vinden!.... ’k Was waarachtig ten einde raad, en nadat ik hun met groote moeite struisvogels voor giraffen had verkocht.... dat ’s een mooie, die, Negoro!—wist ik niets meer te verzinnen! Nu, ik merkte heel goed dat mijn jonge vriend niets meer van al mijn verklaringen geloofde! Daarna zijn we op sporen van olifanten gevallen en zijn er zich nijlpaarden mee gaan bemoeien! En je weet, Negoro, nijlpaarden en olifanten in Amerika,dat’s even goed als eerlijke lui in de gevangenissen van Benguela! En ziedaar, om ’t spel te volmaken, krijgt die oude neger ’t in zijn kop, aan den voet van een boom jukken en stukken ketting op te schommelen, waarvan eenige slaven zich ontdaan hadden om te vluchten! Op ’t zelfde oogenblik brult de leeuw, om alles te bederven, want ’t is moeielijk zijn gebrul voor ’t miauwen van een poesje te laten doorgaan! ’k Heb daarom net nog tijd gehad om op mijn paard te springen en me uit de voeten te maken!””’k Vat het!” antwoordde Negoro. “Toch zou ’k ze liever honderd mijlen dieper ’t land in willen hebben!”“Men doet wat men kan, kameraad,” antwoordde Harris. “Wat jou aangaat, die onze karavaan van de kust af, op den voet volgde, ’t is maar goed dat je op een afstand gebleven bent. Ze roken je! Er is een zekere Dingo, die niet veel van je schijnt te houden. Wat heb je dat dier toch gedaan?”“Niets,” antwoordde Negoro, “maar ’t zal niet lang duren of ik zal ’m een kogel door zijn kop jagen.”“Zooals jij er een van Dick Sand zoudt gekregen hebben, als je maar een klein stukje van je persoon op twee honderd passen van zijn geweer hadt laten zien. Hij schiet goed mijn jonge vriend, en onder ons moet ik zeggen dat hij in zijn soort een degelijke jongen is!”“Al is hij nog zoo degelijk, Harris, hij zal me zijn onbeschaamdheid duur betalen,” antwoordde Negoro, op wiens gelaat een onverzoenbare wreedheid te lezen stond.“Komaan,” mompelde Harris, “mijn kameraad is dezelfde gebleven! Het reizen heeft hem niet veranderd!”Daarna hernam hij na een oogenblik stilte:“Zeg eens, Negoro, toen ik je daar zoo onverwachts op het tooneel van de schipbreuk, aan de monding van de Longa ontmoette, had je juist dien tijd om me die brave menschen aan te bevelen en me te verzoeken ze zoo ver mogelijk door dat gewaande Bolivia te geleiden, maar je hebt me niet gezegd, wat je sedert twee jaar alzoo hebt uitgevoerd! Twee jaar van ons afwisselend bestaan, dat’s een heele tijd, kameraad! Op zekeren dag, nadat je het geleide van een trein slaven op je genomen hebt, voor rekening van den ouden Alvez, van wien we weinig meer dan de nederige agenten zijn, heb je Cassange verlaten en niets meer van je laten hooren! ’k Heb dikwijls gedacht dat je misschien onaangenaamheden gehad hadt met de Engelsche kruisers en dat ze je opgehangen hadden!””’t Heeft niet veel gescheeld, Harris.””’t Zal je nog wel eens gebeuren, Negoro.””’k Dankje zeer!”“Wat zal ’k je zeggen?” antwoordde Harris met wijsgeerige onverschilligheid, “’t is een van de kansen van ’t vak! Men drijft geen slavenhandel op de kust van Afrika zonder er zijn nek aan te wagen! Hebben ze je gepakt?....”“Ja.”“De Engelschen?”“Neen! de Portugeezen.”“Vóór of na de lading gelost te hebben?” vroeg Harris.“Na....” antwoordde Negoro, die een weinig met zijn antwoord aarzelde. “Die Portugeezen hangen tegenwoordig de braven uit! Ze willen van geen slavernij meer weten, hoewel zij er langen tijd tot hun voordeel van hebben gebruikt gemaakt! Ik was verraden en werd nagegaan. Ze hebben me ingerekend....”“En veroordeeld?....”“Om mijn dagen te eindigen in de gevangenis van St.-Paul de Loanda.”“Bij alle duivels!” riep Harris uit. “Een gevangenis! Een ongezonde plaats voor menschen als wij, gewoon om in de open lucht te leven! Ik voor mij was liever maar gehangen!”“Men ontsnapt niet aan de galg,” antwoordde Negoro, “maar wel uit de gevangenis....”“Heb je kunnen ontvluchten?....”“Ja, Harris! Pas veertien dagen nadat ze me gevangen gezet hadden, kon ik me verstoppen in ’t hol van een Engelsche stoomboot, met bestemming naar Auckland op Nieuw-Zeeland. Een vaatje water, een kist met geconserveerd voedsel, waar tusschen ik gekropen was, hebben me gedurende den ganschen overtocht eten en drinken verschaft. Je kunt begrijpen dat ik, toen we eens in zee waren schrikkelijk geleden heb in mijn gedwongen schuilhoek. Maar als ’k onbezonnen genoeg geweest was me te vertoonen, zou ’k naar ’t scheepsholteruggebracht zijn en, vrijwillig of niet, zou de pijniging ’t zelfde geweest zijn! Daarenboven zou men me bij mijn aankomst te Auckland, opnieuw in handen van de Engelsche overheden gesteld hebben en me naar de gevangenis van Loanda teruggebracht, of misschien wel opgehangen hebben, zooals je straks zei! Daarom reisde ’k liever incognito.”“En zonder je overtocht te betalen!” riep Harris lachend uit. “Jongen, dat ’s wat al te erg, voeding en overtocht gratis!....”“Ja,” hernam Negoro, “maar dertig dagen in het scheepsruim!....”“Nu ja, dat’s voorbij, Negoro. Dus ben je naar Nieuw-Zeeland gegaan, naar ’t land der Maoris! Maar je bent er van teruggekomen. Heeft de terugkeer op dezelfde wijze plaats gehad?”“Neen, Harris, je kunt begrijpen dat ik, toen ’k daar was, geheel vervuld rondliep met de gedachte om naar Angola terug te keeren en mijn vak van slavenhandelaar weer op te nemen.”“Ja!” antwoordde Harris, “men heeft zijn vak lief.... door gewoonte!”“Achttien maanden lang....”Nauwelijks had Negoro deze woorden uitgesproken, of hij zweeg eensklaps. Hij had den arm van zijn makker beetgepakt en luisterde.“Harris,” zei hij met gesmoorde stem, “heb je daar in die biezen geen geruisch gehoord?””’k Meende ’t ook te hooren,” antwoordde Harris, die zijn geweer opnam, waarvan de haan altijd gespannen was.Negoro en hij sprongen op, keken om zich heen en luisterden met de grootste aandacht.”’t Is niets,” zei weldra Harris. “’t Is de beek die door den stroom gezwollen is en nu meer geruisch maakt.Je bent in die twee jaren de geluiden van het woud ontwend, maar dat zal wel weer terugkomen. Ga dus voort met verhaal van je avonturen. Als ik met het verleden bekend ben, zullen we over de toekomst praten.”Negoro en Harris hadden zich wederom aan den voet van den vijgeboom geplaatst. De Portugees hernam het gesprek met deze woorden:“Gedurende achttien maanden heb ik te Auckland een plantenleven geleid. Toen de stoomboot eenmaal was aangekomen, had ik zonder gezien te worden van boord kunnen gaan, maar zonder een piaster, zonder een dollar op zak!’k Heb om te leven allerlei ambachten bij de hand moeten nemen....”“Zelfs het ambacht van eerlijk man, Negoro?”“Zooals je zegt, Harris.”“Arme jongen!”“Nu wachtte ik wel altijd op een gelegenheid, die zich maar niet voordeed, toen dePelgrim, een walvischvaarder, in de haven vanAucklandbinnenviel.”“Is dat het vaartuig dat op de kust van Angola gestrand is?”“Hetzelfde, Harris, en dat waarop Mevr. Weldon, haar kind en haar neef den overtocht zouden meemaken. Nu zag ik er in mijn hoedanigheid van zeeman, ik was zelfs tweede stuurman aan boord van een slavenhaler geweest, volstrekt niet tegen op om weer dienst op een vaartuig te nemen.... ’k Bood dus den kapitein van dePelgrimmijn diensten aan, maar de equipage was voltallig. Zeer gelukkig voor mij, was de kok van de schoenerbrik gedeserteerd. Nu is er geen zeeman of hij kan koken. Ik bood me dus aan als kok. Bij gebrek aan beter nam men me aan, en eenige dagen later had dePelgrimde kust van Nieuw-Zeeland uit het gezicht verloren.”“Maar,” vroeg Harris, “naar mijn jonge vriend me verteld heeft, was volstrekt niet de kust van Afrika de bestemming van dePelgrim. Hoe ben je daar dan toch aangeland?”“Dick Sand zal het zich zeker nog niet kunnen begrijpen en misschien zal hij ’t wel nooit begrijpen,” antwoordde Negoro; “maar ’k zal je vertellen wat er gebeurd is, Harris, en als je wilt kan je ’t hem wel overbrengen.”“Hoe dan?” antwoordde Harris. “Zeg op, kameraad, zeg op.”“DePelgrim,” hernam Negoro, “zette koers naar Valparaiso. Toen ’k me inscheepte, dacht ik niet verder dan tot Chili te gaan. Dat was altijd een goede helft van den weg tusschen Nieuw-Zeeland en Angola en ’k was dan verscheiden duizenden mijlen dichter bij de kust van Afrika. Maar ’t toeval wilde dat drie weken, na Auckland verlaten te hebben, kapitein Hull, die denPelgrimcommandeerde, bij de jacht op een walvisch met zijn equipage omkwam.Van dien dag af bleven er maar twee zeelieden aan boord over, de leerling en de kok Negoro.”“En jij hebt het commando van ’t schip op je genomen?” vroeg Harris.“Dat was ik eerst van plan, maar ’k merkte dat men mij wantrouwde. Er waren vijf sterke negers aan boord, vrije mannen! ’k Zou geen meester geweest zijn en bij nadere overweging bleef ik wat ik bij ’t vertrek was, de kok van denPelgrim.”“Dus was ’t toeval dat dit schip koers deed zetten naar de kust van Afrika?”“Neen, Harris,” antwoordde Negoro, “er was in dit geheele avontuur geen ander toeval dan onze ontmoeting bij een van je uitstapjes als slavenhandelaar en dat nog wel juist op dit gedeelte van de kust waar dePelgrimgestrand is. Maar wat nu het in ’t gezicht komen van Angola betreft, dat is geheel en al met mijn wil, mijn geheimen wil geschied. Je jonge vriend, die nog zeer onbedreven in de zeevaartkunde is, kon zijn positie niet verkennen dan door middel van de log en het kompas. Welnu, op zekeren dag is de log verloren gegaan terwijl er ’s nachts iets met het kompas is gebeurd, zoodat dePelgrim, door een hevigen storm beloopen, een verkeerden koers genomen heeft. De lange duur van den overtocht was dus onverklaarbaar voor Dick Sand en zou dit voor den bekwaamsten zeeman geweest zijn. Zonder dat de leerling het kon weten, noch zelfs vermoeden, werd Kaap Hoorn omgevaren, maar ik Harris, ik herkende hem in dichte nevels gehuld. Toen heeft de kompasnaald door mijn toedoen haar ware richting hernomen en is het schip door dien geduchten orkaan naar het noord-oosten voortgejaagd en op de kust van Afrika geworpen, juist op het strand van Angola waar ik wilde aankomen!”“En op dat zelfde oogenblik, Negoro,” antwoordde Harris, “heeft het toeval mij naar die plaats gevoerd om je te ontvangen en die brave menschen naar ’t binnenland te geleiden. Zij meenden en konden niets anders meenen dan in Amerika te zijn, en ’t is me niet moeielijk geweest hen deze provincie voor Beneden-Bolivia te doen houden, waarmede ze juist eenige overeenkomst heeft.”“Ja, ze hebben ’t geloofd, zooals je jonge vriend het Paasch-eiland meende te verkennen, toen ze in ’t gezicht van Tristan d’Acunha voorbijstormden in vliegend weer.”“Iedereen zou er zich in vergist hebben, Negoro.”“Dat weet ik, Harris, en ’k rekende wel degelijk partij van die vergissing te trekken. Welnu, mijn doel is bereikt, mevrouw Weldon en haar reisgenooten bevinden zich op ’t oogenblik in ’t binnenland van Afrika, waarheen ik ze wilde voeren!”“Maar nu,” antwoordde Harris, “weten ze toch waar zij zijn!”“Wat is daar nu aan gelegen!” riep Negoro.“En welk plan heb je nu met die menschen?” vroeg Harris.“Welk plan!” antwoordde Negoro.....“Maar, voordat ik je dat zeg, Harris, vertel me eens wat van onzen meester Alvez, den slavenhandelaar, dien ik in geen twee jaar gezien heb!”“O! die oude schurk is heel wel!” antwoordde Harris, “en ’t zal hem zeker genoegen doen, je weer te zien.”“Is hij op de markt van Bihé?” vroeg Negoro.”“Neen, kameraad, sedert een jaar woont hij in zijn nederzetting van Kazondé.”“En hoe gaat het met de zaken?”.“Goed, voor den duivel!” riep Harris uit, “ofschoon ’t hoe langer hoe moeilijker wordt voor den handel, althans op deze kust. Zoowel de Portugeesche overheden, als de Engelsche kruisers, maken den uitvoer lastig. Alleen in de omstreken van Mossamedés, ten zuiden van Angola, kan de inscheping der negers nog met eenige kans op succes geschieden. Ook zijn op dit oogenblik de loodsen opgepropt met slaven, die op schepen wachten om ze naar de Spaansche koloniën over te brengen. Ze over Benguela of St.-Paul de Loanda te vervoeren, is niet mogelijk. De gouverneurs verstaan geen reden meer, en de chefes1evenmin. Men zal zich dus moeten wenden tot de factorijen in de binnenlanden en dat denkt de oude Alvez te doen. Hij zal zich naar den kant van Nyangwé en het Tanganyika-meer begeven, om daar zijn stoffen tegen ivoor en slaven in te ruilen. Met Boven-Egypteen de kust van Mozambique, die geheel Madagascar voorzien, gaan de zaken altijd goed. Maar weldra, vrees ik, zal de tijd komen, dat de slavenhandel een einde zal nemen. De Engelschen maken groote vorderingen in de binnenlanden van Afrika. De zendelingen gaan steeds vooruit en werken onze plannen tegen! Die vervloekte Livingstone zal, zegt men, na de streek der meren doorzocht te hebben, naar Angola gaan. Dan spreekt men van een luitenant Cameron, die plan heeft het vasteland van het oosten naar het westen over te steken. Men vreest dat de Amerikaan Stanley dit ook zal doen! Al die bezoeken zullen onze werkzaamheden zeer benadeelen, Negoro, en als we onze belangen goed begrijpen, dan moet geen van die pioniers naar Europa terugkeeren om te vertellen wat hij in Afrika al zoo gezien heeft!”Zou men niet gezegd hebben, als men deze schoeljes aldus hoorde redeneeren, dat zij spraken als eerlijke kooplieden wier zaken voor het oogenblik door een handelscrisis bedreigd werden? Wie zou denken dat er in plaats van balen koffie of vaten suiker sprake was van menschelijke wezens, die als koopwaren moesten verzonden worden? Die slavenhandelaars hebben geen begrip meer van recht of onrecht. Het zedelijk gevoel ontbreekt hun geheel, en al hadden zij het, dan zouden zij het te midden der ijselijkheden van den Afrikaanschen slavenhandel spoedig verliezen.Doch, daarin had Harris gelijk, toen hij zeide dat met die stoutmoedige reizigers, wier naam onafscheidelijk verbonden is aan de ontdekkingen in Midden-Afrika, de beschaving allengs in die woeste streken doordrong. Aan het hoofd staat David Livingstone, na hem komen Grant, Speke, Burton, Cameron, Stanley, allen helden, die als weldoeners der menschheid een onvergankelijken roem zullen achterlaten.Toen het gesprek zoover gevorderd was, wist Harris hoe de twee laatste levensjaren van Negoro waren doorgebracht. De oude zaakgelastigde van den slavenhandelaar Alvez, de losgebroken gevangene van Loanda, stond weder voor hem zooals hij hem altijd gekend had, als iemand namelijk, tot alles in staat. Maar welke plannen Negoro had met de schipbreukelingen van dePelgrim, wist Harris nog niet; hij vroeg het daarom zijn medeplichtige.“En wat zal je nu met die menschen uitvoeren?” vroeg hij.“De eene partij,” antwoordde Negoro, als iemand wiens besluit reeds sedert lang genomen is, “verkoop ik als slaven en de andere....”De Portugees eindigde niet, maar op zijn woest gelaat stond genoeg te lezen.“Welke zal je verkoopen?” vroeg Harris.“De negers, die mevrouw Weldon vergezellen,” antwoordde Negoro. “Die oude Tom is misschien niet veel waard, maar de andere zijn vier kloeke snaken, die veel geld zullen opbrengen op de markt van Kazondé!”“Dat zal waar zijn, Negoro!” antwoordde Harris. “Vier flinke negers, gewoon aan den arbeid en zoo geheel anders dan het domme vee dat we uit het binnenland krijgen! Je zult ze duur verkoopen, daar kan je zeker van zijn! Slaven, die in Amerika zijn geboren en op de markten van Angola te koop worden aangeboden, zijn zeldzaam!—Maar, jongen ja, je hebt me nog niet verteld of er ook nog wat geld was aan boord van denPelgrim?”“O! maar een honderd dollars of wat, die ik nog gered heb! Gelukkig reken ik op eenige gelden die me nog toekomen......”“Welke gelden, kameraad?” vroeg Harris nieuwsgierig.“Niets!” .... antwoordde Negoro die tot zijn spijt meer gezegd had dan hij had willen loslaten.“Er blijft nu nog alleen maar over je van die kostbare koopwaar meester te maken,” zeide Haris.“Zou dat dan zoo moeilijk zijn?” vroeg Negoro.“Neen kameraad. Tien mijlen van hier, aan de Coanza, is op ’t oogenblik een karavaan gekampeerd, aangevoerd door den Arabier Ibn Hamis, die alleen op mijn terugkomst wacht om naar Kazondé op weg te gaan. Er zijn bij die karavaan meer inlandsche soldaten dan noodig is om Dick Sand en zijn reisgenooten gevangen te nemen. Als nu mijn jonge vriend maar op de gedachte komt naar de Coanza te gaan.....”“Maar zàl hij op die gedachte komen?”“Zeker wel,” antwoordde Harris, “omdat hij het gevaar niet kan vermoedendat hij daar loopt en te verstandig is om er aan te denken naar de kust terug te keeren langs denzelfden weg, dien we samen hebben afgelegd. Hij zou te midden van die onmetelijke wouden verdwalen. Hij zal dus stellig trachten een van de rivieren te bereiken, die naar de kust stroomen, om die dan op een vlot af te zakken. Hij kan geen ander besluit nemen en, ik ken hem, hij zal het nemen.”“Ja.... misschien!....” antwoordde Negoro, die de zaak overdacht.“Je moet niet ‘misschien’ zeggen,” hernam Harris, “maar ‘zeker’. Ik voor mij ben er zoo zeker van, alsof ’k mijn jongen vriend rendez-vous gegeven had aan de oevers van de Coanza!”“Welnu,” antwoordde Negoro, “op marsch! Ik ken Dick Sand. Hij zal zich geen uur ophouden en we moeten hem vooruit zien te komen.”“Op marsch, kameraad!”Harris en Negoro stonden beiden op, toen het geluid, dat reeds eens de aandacht van den Portugees getrokken had, zich weder deed hooren. Het was een geruisch tusschen de stengels van de hooge biezen aan den oever.Negoro bleef staan en greep de hand van Harris.Plotseling deed zich een dof gebrom hooren en vertoonde zich een hond aan den voet van den snellen oever, met geopenden bek, gereed om een sprong te nemen.“Dingo!” riep Harris.“Dezen keer zal hij me niet ontsnappen!” antwoordde Negoro.Dingo was op het punt zich op hem te werpen toen Negoro, Harris het geweer uit de handen rukkend, driftig aanlei en vuur gaf.Een langgerekt, klaaglijk gehuil volgde onmiddellijk op de losbranding en Dingo verdween tusschen de dubbele rij struiken die de beek omzoomden.Negoro daalde dadelijk langs den steilen oever naar beneden.De biezen waren met bloeddruppels overdekt, en een lange roode streep was op de keisteenen van de beek zichtbaar.“Eindelijk heb ik met dat vervloekte beest eens afgerekend!” riep Negoro.Harris had, zonder een woord te spreken, dit gansche tooneel gadegeslagen.”’t Schijnt, Negoro, dat die hond een bijzonderen hekel aan je had.”“Dat schijnt zoo, maar dat zal nu wel uit zijn!”“En waarom had hij zoo’n pik op je, kameraad?”“Och! een oude zaak die we samen te vereffenen hadden!”“Een oude zaak?” drong Harris aan.Negoro liet zich niet verder uit, en Harris besloot er uit dat de Portugees een of ander avontuur uit zijn verleden voor hem verzweeg, maar hij drong niet verder aan.Eenige oogenblikken later richtten zij zich, den loop der beek volgend, door het bosch, naar de Coanza.1Titel, dien men geeft aan de Portugeesche hoofden der nederzettingen van minderen rang.

14,650 kilometers.

14,650 kilometers.

Den dag volgenden op dien toen Dick Sand en zijn reisgenooten hun laatste halte in het bosch hielden, hadden twee mannen drie mijlen van daar een vooraf door hen beraamde samenkomst.

Deze twee mannen waren Harris en Negoro, en men zal zien wat op rekening van het toeval moest geschreven worden, dat den Portugees van Nieuw-Zeeland samenbracht met den Amerikaan dien zijn vak van slavenhandelaar verplichtte dikwijls deze provincie van West-Afrika te doorkruisen.

Harris en Negoro waren aan den voet van een reusachtige vijgeboom gaan zitten, aan den oever eener snel vlietende beek, die tusschen een dubbele haag stroomde.

Het gesprek nam een aanvang, want de Portugees en de Amerikaan hadden elkander pas ontmoet en al dadelijk had het geloopen over de omstandigheden die in de laatste uren waren voorgevallen.

“En dus, Harris,” zeide Negoro, “heb je den kleinen troep van kapitein Sand, zooals zij dien leerling van vijftien jaar noemden, niet verder in Angola mee kunnen nemen!”

“Neen, kameraad,” antwoordde Harris “en ’t verwondert me zelfs dat ik ze nog, honderd mijlen ver minstens, van de kust heb kunnen meetronen! Sedert verscheiden dagen keek mijn jonge vriend Dick Sand me met een wantrouwend oog aan, zijn vermoeden ging allengs in zekerheid over, en waarachtig....”

“Nog honderd mijlen verder, Harris, waren die menschen nog zekerder in onze handen geweest! Ze moeten ons toch daarom niet ontsnappen!”

“En hoe zouden ze dat kunnen?” antwoordde Harris, die de schouders optrok. “Ik zeg je nog eens, Negoro, ’t was meer dan tijd me stilletjes uit de voeten te maken! ’k Heb tien maal in de oogen van mijn jongen vriend gelezen dat hij lust had me een kogel door den kop te jagen en mijn maag kan die pruimen van twaalf in een pond niet best verteren!”

“Nu, goed!” zei Negoro. “Ik heb ook een rekening met dien leerling te vereffenen....”

“Ga je gang en vereffen je rekening met den interest er bij, kameraad. Wat mij betreft, ’t was me best gelukt hem deze provincie te laten slikken voor de woestijn van Atacama, die ik vroeger bezocht heb, maar daar had je die kleine aap, die om zijn caoutchouc-speelgoed en zijn kolibries riep, de moeder die om haar kina zanikte, de neef die volstrekt lichtkevers wilde vinden!.... ’k Was waarachtig ten einde raad, en nadat ik hun met groote moeite struisvogels voor giraffen had verkocht.... dat ’s een mooie, die, Negoro!—wist ik niets meer te verzinnen! Nu, ik merkte heel goed dat mijn jonge vriend niets meer van al mijn verklaringen geloofde! Daarna zijn we op sporen van olifanten gevallen en zijn er zich nijlpaarden mee gaan bemoeien! En je weet, Negoro, nijlpaarden en olifanten in Amerika,dat’s even goed als eerlijke lui in de gevangenissen van Benguela! En ziedaar, om ’t spel te volmaken, krijgt die oude neger ’t in zijn kop, aan den voet van een boom jukken en stukken ketting op te schommelen, waarvan eenige slaven zich ontdaan hadden om te vluchten! Op ’t zelfde oogenblik brult de leeuw, om alles te bederven, want ’t is moeielijk zijn gebrul voor ’t miauwen van een poesje te laten doorgaan! ’k Heb daarom net nog tijd gehad om op mijn paard te springen en me uit de voeten te maken!”

”’k Vat het!” antwoordde Negoro. “Toch zou ’k ze liever honderd mijlen dieper ’t land in willen hebben!”

“Men doet wat men kan, kameraad,” antwoordde Harris. “Wat jou aangaat, die onze karavaan van de kust af, op den voet volgde, ’t is maar goed dat je op een afstand gebleven bent. Ze roken je! Er is een zekere Dingo, die niet veel van je schijnt te houden. Wat heb je dat dier toch gedaan?”

“Niets,” antwoordde Negoro, “maar ’t zal niet lang duren of ik zal ’m een kogel door zijn kop jagen.”

“Zooals jij er een van Dick Sand zoudt gekregen hebben, als je maar een klein stukje van je persoon op twee honderd passen van zijn geweer hadt laten zien. Hij schiet goed mijn jonge vriend, en onder ons moet ik zeggen dat hij in zijn soort een degelijke jongen is!”

“Al is hij nog zoo degelijk, Harris, hij zal me zijn onbeschaamdheid duur betalen,” antwoordde Negoro, op wiens gelaat een onverzoenbare wreedheid te lezen stond.

“Komaan,” mompelde Harris, “mijn kameraad is dezelfde gebleven! Het reizen heeft hem niet veranderd!”

Daarna hernam hij na een oogenblik stilte:

“Zeg eens, Negoro, toen ik je daar zoo onverwachts op het tooneel van de schipbreuk, aan de monding van de Longa ontmoette, had je juist dien tijd om me die brave menschen aan te bevelen en me te verzoeken ze zoo ver mogelijk door dat gewaande Bolivia te geleiden, maar je hebt me niet gezegd, wat je sedert twee jaar alzoo hebt uitgevoerd! Twee jaar van ons afwisselend bestaan, dat’s een heele tijd, kameraad! Op zekeren dag, nadat je het geleide van een trein slaven op je genomen hebt, voor rekening van den ouden Alvez, van wien we weinig meer dan de nederige agenten zijn, heb je Cassange verlaten en niets meer van je laten hooren! ’k Heb dikwijls gedacht dat je misschien onaangenaamheden gehad hadt met de Engelsche kruisers en dat ze je opgehangen hadden!”

”’t Heeft niet veel gescheeld, Harris.”

”’t Zal je nog wel eens gebeuren, Negoro.”

”’k Dankje zeer!”

“Wat zal ’k je zeggen?” antwoordde Harris met wijsgeerige onverschilligheid, “’t is een van de kansen van ’t vak! Men drijft geen slavenhandel op de kust van Afrika zonder er zijn nek aan te wagen! Hebben ze je gepakt?....”

“Ja.”

“De Engelschen?”

“Neen! de Portugeezen.”

“Vóór of na de lading gelost te hebben?” vroeg Harris.

“Na....” antwoordde Negoro, die een weinig met zijn antwoord aarzelde. “Die Portugeezen hangen tegenwoordig de braven uit! Ze willen van geen slavernij meer weten, hoewel zij er langen tijd tot hun voordeel van hebben gebruikt gemaakt! Ik was verraden en werd nagegaan. Ze hebben me ingerekend....”

“En veroordeeld?....”

“Om mijn dagen te eindigen in de gevangenis van St.-Paul de Loanda.”

“Bij alle duivels!” riep Harris uit. “Een gevangenis! Een ongezonde plaats voor menschen als wij, gewoon om in de open lucht te leven! Ik voor mij was liever maar gehangen!”

“Men ontsnapt niet aan de galg,” antwoordde Negoro, “maar wel uit de gevangenis....”

“Heb je kunnen ontvluchten?....”

“Ja, Harris! Pas veertien dagen nadat ze me gevangen gezet hadden, kon ik me verstoppen in ’t hol van een Engelsche stoomboot, met bestemming naar Auckland op Nieuw-Zeeland. Een vaatje water, een kist met geconserveerd voedsel, waar tusschen ik gekropen was, hebben me gedurende den ganschen overtocht eten en drinken verschaft. Je kunt begrijpen dat ik, toen we eens in zee waren schrikkelijk geleden heb in mijn gedwongen schuilhoek. Maar als ’k onbezonnen genoeg geweest was me te vertoonen, zou ’k naar ’t scheepsholteruggebracht zijn en, vrijwillig of niet, zou de pijniging ’t zelfde geweest zijn! Daarenboven zou men me bij mijn aankomst te Auckland, opnieuw in handen van de Engelsche overheden gesteld hebben en me naar de gevangenis van Loanda teruggebracht, of misschien wel opgehangen hebben, zooals je straks zei! Daarom reisde ’k liever incognito.”

“En zonder je overtocht te betalen!” riep Harris lachend uit. “Jongen, dat ’s wat al te erg, voeding en overtocht gratis!....”

“Ja,” hernam Negoro, “maar dertig dagen in het scheepsruim!....”

“Nu ja, dat’s voorbij, Negoro. Dus ben je naar Nieuw-Zeeland gegaan, naar ’t land der Maoris! Maar je bent er van teruggekomen. Heeft de terugkeer op dezelfde wijze plaats gehad?”

“Neen, Harris, je kunt begrijpen dat ik, toen ’k daar was, geheel vervuld rondliep met de gedachte om naar Angola terug te keeren en mijn vak van slavenhandelaar weer op te nemen.”

“Ja!” antwoordde Harris, “men heeft zijn vak lief.... door gewoonte!”

“Achttien maanden lang....”

Nauwelijks had Negoro deze woorden uitgesproken, of hij zweeg eensklaps. Hij had den arm van zijn makker beetgepakt en luisterde.

“Harris,” zei hij met gesmoorde stem, “heb je daar in die biezen geen geruisch gehoord?”

”’k Meende ’t ook te hooren,” antwoordde Harris, die zijn geweer opnam, waarvan de haan altijd gespannen was.

Negoro en hij sprongen op, keken om zich heen en luisterden met de grootste aandacht.

”’t Is niets,” zei weldra Harris. “’t Is de beek die door den stroom gezwollen is en nu meer geruisch maakt.Je bent in die twee jaren de geluiden van het woud ontwend, maar dat zal wel weer terugkomen. Ga dus voort met verhaal van je avonturen. Als ik met het verleden bekend ben, zullen we over de toekomst praten.”

Negoro en Harris hadden zich wederom aan den voet van den vijgeboom geplaatst. De Portugees hernam het gesprek met deze woorden:

“Gedurende achttien maanden heb ik te Auckland een plantenleven geleid. Toen de stoomboot eenmaal was aangekomen, had ik zonder gezien te worden van boord kunnen gaan, maar zonder een piaster, zonder een dollar op zak!’k Heb om te leven allerlei ambachten bij de hand moeten nemen....”

“Zelfs het ambacht van eerlijk man, Negoro?”

“Zooals je zegt, Harris.”

“Arme jongen!”

“Nu wachtte ik wel altijd op een gelegenheid, die zich maar niet voordeed, toen dePelgrim, een walvischvaarder, in de haven vanAucklandbinnenviel.”

“Is dat het vaartuig dat op de kust van Angola gestrand is?”

“Hetzelfde, Harris, en dat waarop Mevr. Weldon, haar kind en haar neef den overtocht zouden meemaken. Nu zag ik er in mijn hoedanigheid van zeeman, ik was zelfs tweede stuurman aan boord van een slavenhaler geweest, volstrekt niet tegen op om weer dienst op een vaartuig te nemen.... ’k Bood dus den kapitein van dePelgrimmijn diensten aan, maar de equipage was voltallig. Zeer gelukkig voor mij, was de kok van de schoenerbrik gedeserteerd. Nu is er geen zeeman of hij kan koken. Ik bood me dus aan als kok. Bij gebrek aan beter nam men me aan, en eenige dagen later had dePelgrimde kust van Nieuw-Zeeland uit het gezicht verloren.”

“Maar,” vroeg Harris, “naar mijn jonge vriend me verteld heeft, was volstrekt niet de kust van Afrika de bestemming van dePelgrim. Hoe ben je daar dan toch aangeland?”

“Dick Sand zal het zich zeker nog niet kunnen begrijpen en misschien zal hij ’t wel nooit begrijpen,” antwoordde Negoro; “maar ’k zal je vertellen wat er gebeurd is, Harris, en als je wilt kan je ’t hem wel overbrengen.”

“Hoe dan?” antwoordde Harris. “Zeg op, kameraad, zeg op.”

“DePelgrim,” hernam Negoro, “zette koers naar Valparaiso. Toen ’k me inscheepte, dacht ik niet verder dan tot Chili te gaan. Dat was altijd een goede helft van den weg tusschen Nieuw-Zeeland en Angola en ’k was dan verscheiden duizenden mijlen dichter bij de kust van Afrika. Maar ’t toeval wilde dat drie weken, na Auckland verlaten te hebben, kapitein Hull, die denPelgrimcommandeerde, bij de jacht op een walvisch met zijn equipage omkwam.Van dien dag af bleven er maar twee zeelieden aan boord over, de leerling en de kok Negoro.”

“En jij hebt het commando van ’t schip op je genomen?” vroeg Harris.

“Dat was ik eerst van plan, maar ’k merkte dat men mij wantrouwde. Er waren vijf sterke negers aan boord, vrije mannen! ’k Zou geen meester geweest zijn en bij nadere overweging bleef ik wat ik bij ’t vertrek was, de kok van denPelgrim.”

“Dus was ’t toeval dat dit schip koers deed zetten naar de kust van Afrika?”

“Neen, Harris,” antwoordde Negoro, “er was in dit geheele avontuur geen ander toeval dan onze ontmoeting bij een van je uitstapjes als slavenhandelaar en dat nog wel juist op dit gedeelte van de kust waar dePelgrimgestrand is. Maar wat nu het in ’t gezicht komen van Angola betreft, dat is geheel en al met mijn wil, mijn geheimen wil geschied. Je jonge vriend, die nog zeer onbedreven in de zeevaartkunde is, kon zijn positie niet verkennen dan door middel van de log en het kompas. Welnu, op zekeren dag is de log verloren gegaan terwijl er ’s nachts iets met het kompas is gebeurd, zoodat dePelgrim, door een hevigen storm beloopen, een verkeerden koers genomen heeft. De lange duur van den overtocht was dus onverklaarbaar voor Dick Sand en zou dit voor den bekwaamsten zeeman geweest zijn. Zonder dat de leerling het kon weten, noch zelfs vermoeden, werd Kaap Hoorn omgevaren, maar ik Harris, ik herkende hem in dichte nevels gehuld. Toen heeft de kompasnaald door mijn toedoen haar ware richting hernomen en is het schip door dien geduchten orkaan naar het noord-oosten voortgejaagd en op de kust van Afrika geworpen, juist op het strand van Angola waar ik wilde aankomen!”

“En op dat zelfde oogenblik, Negoro,” antwoordde Harris, “heeft het toeval mij naar die plaats gevoerd om je te ontvangen en die brave menschen naar ’t binnenland te geleiden. Zij meenden en konden niets anders meenen dan in Amerika te zijn, en ’t is me niet moeielijk geweest hen deze provincie voor Beneden-Bolivia te doen houden, waarmede ze juist eenige overeenkomst heeft.”

“Ja, ze hebben ’t geloofd, zooals je jonge vriend het Paasch-eiland meende te verkennen, toen ze in ’t gezicht van Tristan d’Acunha voorbijstormden in vliegend weer.”

“Iedereen zou er zich in vergist hebben, Negoro.”

“Dat weet ik, Harris, en ’k rekende wel degelijk partij van die vergissing te trekken. Welnu, mijn doel is bereikt, mevrouw Weldon en haar reisgenooten bevinden zich op ’t oogenblik in ’t binnenland van Afrika, waarheen ik ze wilde voeren!”

“Maar nu,” antwoordde Harris, “weten ze toch waar zij zijn!”

“Wat is daar nu aan gelegen!” riep Negoro.

“En welk plan heb je nu met die menschen?” vroeg Harris.

“Welk plan!” antwoordde Negoro.....

“Maar, voordat ik je dat zeg, Harris, vertel me eens wat van onzen meester Alvez, den slavenhandelaar, dien ik in geen twee jaar gezien heb!”

“O! die oude schurk is heel wel!” antwoordde Harris, “en ’t zal hem zeker genoegen doen, je weer te zien.”

“Is hij op de markt van Bihé?” vroeg Negoro.”

“Neen, kameraad, sedert een jaar woont hij in zijn nederzetting van Kazondé.”

“En hoe gaat het met de zaken?”.

“Goed, voor den duivel!” riep Harris uit, “ofschoon ’t hoe langer hoe moeilijker wordt voor den handel, althans op deze kust. Zoowel de Portugeesche overheden, als de Engelsche kruisers, maken den uitvoer lastig. Alleen in de omstreken van Mossamedés, ten zuiden van Angola, kan de inscheping der negers nog met eenige kans op succes geschieden. Ook zijn op dit oogenblik de loodsen opgepropt met slaven, die op schepen wachten om ze naar de Spaansche koloniën over te brengen. Ze over Benguela of St.-Paul de Loanda te vervoeren, is niet mogelijk. De gouverneurs verstaan geen reden meer, en de chefes1evenmin. Men zal zich dus moeten wenden tot de factorijen in de binnenlanden en dat denkt de oude Alvez te doen. Hij zal zich naar den kant van Nyangwé en het Tanganyika-meer begeven, om daar zijn stoffen tegen ivoor en slaven in te ruilen. Met Boven-Egypteen de kust van Mozambique, die geheel Madagascar voorzien, gaan de zaken altijd goed. Maar weldra, vrees ik, zal de tijd komen, dat de slavenhandel een einde zal nemen. De Engelschen maken groote vorderingen in de binnenlanden van Afrika. De zendelingen gaan steeds vooruit en werken onze plannen tegen! Die vervloekte Livingstone zal, zegt men, na de streek der meren doorzocht te hebben, naar Angola gaan. Dan spreekt men van een luitenant Cameron, die plan heeft het vasteland van het oosten naar het westen over te steken. Men vreest dat de Amerikaan Stanley dit ook zal doen! Al die bezoeken zullen onze werkzaamheden zeer benadeelen, Negoro, en als we onze belangen goed begrijpen, dan moet geen van die pioniers naar Europa terugkeeren om te vertellen wat hij in Afrika al zoo gezien heeft!”

Zou men niet gezegd hebben, als men deze schoeljes aldus hoorde redeneeren, dat zij spraken als eerlijke kooplieden wier zaken voor het oogenblik door een handelscrisis bedreigd werden? Wie zou denken dat er in plaats van balen koffie of vaten suiker sprake was van menschelijke wezens, die als koopwaren moesten verzonden worden? Die slavenhandelaars hebben geen begrip meer van recht of onrecht. Het zedelijk gevoel ontbreekt hun geheel, en al hadden zij het, dan zouden zij het te midden der ijselijkheden van den Afrikaanschen slavenhandel spoedig verliezen.

Doch, daarin had Harris gelijk, toen hij zeide dat met die stoutmoedige reizigers, wier naam onafscheidelijk verbonden is aan de ontdekkingen in Midden-Afrika, de beschaving allengs in die woeste streken doordrong. Aan het hoofd staat David Livingstone, na hem komen Grant, Speke, Burton, Cameron, Stanley, allen helden, die als weldoeners der menschheid een onvergankelijken roem zullen achterlaten.

Toen het gesprek zoover gevorderd was, wist Harris hoe de twee laatste levensjaren van Negoro waren doorgebracht. De oude zaakgelastigde van den slavenhandelaar Alvez, de losgebroken gevangene van Loanda, stond weder voor hem zooals hij hem altijd gekend had, als iemand namelijk, tot alles in staat. Maar welke plannen Negoro had met de schipbreukelingen van dePelgrim, wist Harris nog niet; hij vroeg het daarom zijn medeplichtige.

“En wat zal je nu met die menschen uitvoeren?” vroeg hij.

“De eene partij,” antwoordde Negoro, als iemand wiens besluit reeds sedert lang genomen is, “verkoop ik als slaven en de andere....”

De Portugees eindigde niet, maar op zijn woest gelaat stond genoeg te lezen.

“Welke zal je verkoopen?” vroeg Harris.

“De negers, die mevrouw Weldon vergezellen,” antwoordde Negoro. “Die oude Tom is misschien niet veel waard, maar de andere zijn vier kloeke snaken, die veel geld zullen opbrengen op de markt van Kazondé!”

“Dat zal waar zijn, Negoro!” antwoordde Harris. “Vier flinke negers, gewoon aan den arbeid en zoo geheel anders dan het domme vee dat we uit het binnenland krijgen! Je zult ze duur verkoopen, daar kan je zeker van zijn! Slaven, die in Amerika zijn geboren en op de markten van Angola te koop worden aangeboden, zijn zeldzaam!—Maar, jongen ja, je hebt me nog niet verteld of er ook nog wat geld was aan boord van denPelgrim?”

“O! maar een honderd dollars of wat, die ik nog gered heb! Gelukkig reken ik op eenige gelden die me nog toekomen......”

“Welke gelden, kameraad?” vroeg Harris nieuwsgierig.

“Niets!” .... antwoordde Negoro die tot zijn spijt meer gezegd had dan hij had willen loslaten.

“Er blijft nu nog alleen maar over je van die kostbare koopwaar meester te maken,” zeide Haris.

“Zou dat dan zoo moeilijk zijn?” vroeg Negoro.

“Neen kameraad. Tien mijlen van hier, aan de Coanza, is op ’t oogenblik een karavaan gekampeerd, aangevoerd door den Arabier Ibn Hamis, die alleen op mijn terugkomst wacht om naar Kazondé op weg te gaan. Er zijn bij die karavaan meer inlandsche soldaten dan noodig is om Dick Sand en zijn reisgenooten gevangen te nemen. Als nu mijn jonge vriend maar op de gedachte komt naar de Coanza te gaan.....”

“Maar zàl hij op die gedachte komen?”

“Zeker wel,” antwoordde Harris, “omdat hij het gevaar niet kan vermoedendat hij daar loopt en te verstandig is om er aan te denken naar de kust terug te keeren langs denzelfden weg, dien we samen hebben afgelegd. Hij zou te midden van die onmetelijke wouden verdwalen. Hij zal dus stellig trachten een van de rivieren te bereiken, die naar de kust stroomen, om die dan op een vlot af te zakken. Hij kan geen ander besluit nemen en, ik ken hem, hij zal het nemen.”

“Ja.... misschien!....” antwoordde Negoro, die de zaak overdacht.

“Je moet niet ‘misschien’ zeggen,” hernam Harris, “maar ‘zeker’. Ik voor mij ben er zoo zeker van, alsof ’k mijn jongen vriend rendez-vous gegeven had aan de oevers van de Coanza!”

“Welnu,” antwoordde Negoro, “op marsch! Ik ken Dick Sand. Hij zal zich geen uur ophouden en we moeten hem vooruit zien te komen.”

“Op marsch, kameraad!”

Harris en Negoro stonden beiden op, toen het geluid, dat reeds eens de aandacht van den Portugees getrokken had, zich weder deed hooren. Het was een geruisch tusschen de stengels van de hooge biezen aan den oever.

Negoro bleef staan en greep de hand van Harris.

Plotseling deed zich een dof gebrom hooren en vertoonde zich een hond aan den voet van den snellen oever, met geopenden bek, gereed om een sprong te nemen.

“Dingo!” riep Harris.

“Dezen keer zal hij me niet ontsnappen!” antwoordde Negoro.

Dingo was op het punt zich op hem te werpen toen Negoro, Harris het geweer uit de handen rukkend, driftig aanlei en vuur gaf.

Een langgerekt, klaaglijk gehuil volgde onmiddellijk op de losbranding en Dingo verdween tusschen de dubbele rij struiken die de beek omzoomden.

Negoro daalde dadelijk langs den steilen oever naar beneden.

De biezen waren met bloeddruppels overdekt, en een lange roode streep was op de keisteenen van de beek zichtbaar.

“Eindelijk heb ik met dat vervloekte beest eens afgerekend!” riep Negoro.

Harris had, zonder een woord te spreken, dit gansche tooneel gadegeslagen.

”’t Schijnt, Negoro, dat die hond een bijzonderen hekel aan je had.”

“Dat schijnt zoo, maar dat zal nu wel uit zijn!”

“En waarom had hij zoo’n pik op je, kameraad?”

“Och! een oude zaak die we samen te vereffenen hadden!”

“Een oude zaak?” drong Harris aan.

Negoro liet zich niet verder uit, en Harris besloot er uit dat de Portugees een of ander avontuur uit zijn verleden voor hem verzweeg, maar hij drong niet verder aan.

Eenige oogenblikken later richtten zij zich, den loop der beek volgend, door het bosch, naar de Coanza.

1Titel, dien men geeft aan de Portugeesche hoofden der nederzettingen van minderen rang.

1Titel, dien men geeft aan de Portugeesche hoofden der nederzettingen van minderen rang.


Back to IndexNext