Vierde Zang.

Vierde Zang.De Laatste der Geesten.Het Spook naderde langzaam, ernstig en zwijgend. Toen het naderbij kwam, liet Scrooge zich op de eene knie vallen. Want zelfs in de lucht waardoor het schreed scheen het duisternis en geheimzinnigheid te verspreiden. Het was gehuld in een zwart gewaad, dat zijn hoofd en gezicht en gedaante verborg en niets liet zien dan één uitgestrekte hand. Zoo het deze hand niet uitgestoken had zou het moeilijk gevallen zijn het te onderscheiden van het nachtelijk duister, waardoor het omgeven was. Hij voelde dat het lenig en statig was toen het naast hem kwam staan, en dat zijne mysterieuze persoonlijkheid hem vervulde met een alles in hem overstemmende vrees. Méér wist hij niet, want het Spook sprak niet tegen hem en bewoog zich niet.“Ben ik in tegenwoordigheid van den Toekomenden Kersttijd?” zeide Scrooge.De Geest antwoordde niet, doch wees met de hand voor zich uit.“Mij is gezegd dat gij mij zult laten zien schimmen van dingen die nog niet gebeurd zijn, doch die zullen plaats grijpen in den tijd die voor ons ligt. Is dit zoo, Geest?”De plooien van het bovenste gedeelte van het kleed werden een oogenblik samengetrokken, alsof de Geest met het hoofd neeg. Doch dit was het eenige antwoord dat hij ontving.Hoewel hij nu al wel reeds gewend was aan spookachtig gezelschap, was Scrooge zoo bevreesd voor de zwijgende gedaante, dat zijne beenen onder hem beefden, en hij zich nauwelijks kon staande houden toen hij zich gereed wilde maken te volgen. De Geest bleef een oogenblik staan, alsof hij zijn toestand gade sloeg, en hem tijd wilde geven zich te herstellen.Doch dit bracht Scrooge nog meer van zijn stuk. Het weten dat achter dat donkere kleed spokenoogen hem scherp gadesloegen, terwijl hij, hoewel hij zijn oogen zoo wijd mogelijk opensperde, niets kon zien dan een spookhand en één groote zwarte massa, deed hem beven van vage onbestemde angst.“Geest der Toekomst!” riep hij uit. “Ik vrees u meer dan eenig ander Spook dat ik gezien heb. Doch daar ik weet dat het uw doel is mij goed te doen en ik hoop in de toekomst een ander man te worden dan ik was, ben ik bereid u te volgen en met een dankbaar hart. Wilt ge niet tegen mij spreken?”Het gaf hem geen antwoord. De hand wees recht voor hen uit.“Ga mij voor!” zeide Scrooge. “Ga voor! De nacht gaat snel voorbij en zijn tijd is kostbaar voor mij, dat weet ik. Ga mij voor, Geest!”Het Spook gleed heen, op dezelfde wijze als het naar hem toe was gekomen. Scrooge volgde in de schaduw van zijn kleed, dat, zoo meende hij, hem staande hield en hem voortdroeg.Het was alsof zij niet zoozeer de stad binnenkwamen dan wel dat de stad hen plotseling omgaf. Doch daar stonden zij plotseling in het hartje er van. Op de Beurs, tusschen de kooplieden, die snel op en neer liepen, en met het geld in hunne zakken rammelden, en in groepjes stonden te praten, en op hunne horloges keken, en in gedachten speelden met hunne groote gouden zegels, en al die dingen deden die Scrooge zoo dikwerf gezien had.De Geest hield stil bij een klein troepje mannen van zaken. Bemerkend dat de hand naar hen wees, trad Scrooge naderbij om te luisteren naar wat zij zeiden.“Neen,” zei een groote dikke man met een monsterachtige onderkin. “Ik kan je d’er niet veel van vertellen, hoe dan ook. ’t Eenige wat ik wéét, is, dat hij dood is.“En wanneer heeft hij ’t afgelegd?” vroeg een ander.“Gisterenavond, geloof ik.”“En wat heeft ’em gemankeerd?” vroeg een derde, een kolossale hoeveelheid snuif nemend uit een erg groote snuifdoos. “Ik moet je zeggen, ik dacht dat hij niet dood kòn gaan.”“God weet ’t,” zeide de eerste geeuwend.“En wat heeft ie met zijn geld gedaan?” vroeg een heer met een erg rood gezicht, die een lillend uitwas aan het uiteinde van zijn neus had, dat trilde als de lellen van een kalkoensche haan.“Dat heb ik niet gehoord,” zei de man met de groote onderkin, weder geeuwend. “Wellicht aan zijnGilde vermaakt. ’t Eenige wat ik weet, is, dat hij ’t niet aan mij heeft nagelaten.”Deze grap werd met algemeen gelach ontvangen.“’t Zal waarschijnlijk een goedkoope begrafenis zijn,” zei dezelfde spreker; “want ik zou waarachtig niet weten wie er mee moest gaan. Wat zouden jelui er van zeggen als wij eens een clubje vormden en aanboden om mee te gaan?”“O, als er een goede lunch is heb ik er niets op tegen,” merkte de heer met den uitwas aan zijn neus op. “Maar ik moet goed te eten hebben, als ik meedoe.”Weder gelach.“Nou, ik ben bij slot van rekening de minstgeïnteresseerdevan jelui,” zeide de eerste spreker, “want ik draag nooit zwarte handschoenen1en ik drink nooit koffie. Maar ik wil wel meegaan als er nog meer voor te vinden zijn. Als ik ’t wel beschouw, ben ik heelemaal zoo zeker niet dat ik niet zijn intiemste vriend was; want als wij elkaar tegenkwamen, plachten we altijd even stil te staan en een praatje te maken. Saluut heeren!”Sprekers en luisteraars slenterden weg en vermengden zich met andere groepen. Scrooge hoorde deze menschen en keek op naar den Geest om een uitlegging.Het Spook gleed weder voort, de straat op. Zijn vinger wees naar twee personen die elkaar tegenkwamen. Scrooge luisterde weder, vermoedend dat de uitleg hier zou liggen.Hij kende ook déze mannen zeer goed. Het warenmannen van zaken; heel rijk en zeer invloedrijk. Hij had het er altijd op aangelegd goed bij hen aangeschreven te staan: dat wil zeggen, uit een oogpunt van zaken.“Hoe gaat ’t je?” zeide de een.“Hoe gaat ’t jou?” antwoordde de ander.“Dus,” zeide de eerste, “de oude Schraap heeft dan toch eindelijk gekregen wat hem toekomt, he?”“Nou, weer voor Kerstmis, he? Rij je schaats?”“Nee, nee, hoor, ik heb wel andere dingen om aan te denken. Adieu!”Geen woord verder. Dat was hun geheele ontmoeting en hun geheele gesprek.Scrooge’s eerste aandrift was verbaasd te zijn over het feit dat een Geest gewicht scheen te hechten aan dergelijke schijnbaar triviale gesprekken; doch voelend dat zij een verborgen doel moesten hebben, begon hij te bepeinzen wat dit doel kon zijn. Zij konden toch niet slaan op den dood van Jacob, zijn ouden compagnon, want dat behoorde tot het Verleden, en het gebied van dezen Geest was de Toekomst. Ook wist hij niemand te bedenken die onmiddellijk met hem in relatie stond, en op wien hij ze te pas kon brengen. Doch volstrekt niet betwijfelend dat, op wien zij ook doelden, zij een verborgen beteekenis hadden, nam hij zich voor ieder woord dat hij hoorde en al wat hij zag, zorgvuldig te vergâren; en in ’t bijzonder zijn eigen schim, zoo hij deze te zien kreeg, nauwkeurig gade te slaan. Want hij hoopte dat het optreden van zijn toekomstig Eigen-Ik hem den leiddraad zou geven, dien hij miste, en de oplossing dezer raadselen gemakkelijk zou maken. Hij keek zelfs op die plaats rond naar zijn eigen schim, doch een ander man stondnu op de plaats waar hij vroeger placht te staan, en hoewel de klok den tijd aanwees waarop hij gewoonlijk daar verscheen, zag hij niemand die op hem leek onder de menschenmenigte die door de groote deuren binnenstroomde. Doch hij verwonderde zich hier niet bijzonder over; want hij had in zijnen geest een geheel andere levenswijze overdacht, en nu dacht en hoopte hij, dat hiermede de uitvoering zijner pasgeboren voornemens een aanvang genomen had.Rustig en somber stond het Spook naast hem, met uitgestrekte hand. Toen hij zich wakker schudde met zijn zelfonderzoek, meende hij op te maken uit de richting der hand, dat de onzichtbare oogen hem scherp aankeken. Dit deed hem huiveren, en hij voelde zich zeer koud.Zij verlieten dit drukke tafereel en gingen naar een onbekend, onaanzienlijk gedeelte der stad, waarin Scrooge nooit te voren was doorgedrongen, hoewel hij de ligging en den slechten naam er van herkende. De straatjes waren smerig en nauw; de winkels en huizen bouwvallig; de menschen half-gekleed, dronken, met afgetrapte hakken en leelijk.Stegen en portalen, als even zoovele zinkputten, braakten hun vuilen stank en modder en leven op de onregelmatige straten uit, en het geheele kwartier stonk naar vuil en ellende.Ver in dit hol, waar de misdaad huisde, stond een laag-gevelig winkeltje met een luifel, waar ijzer, oude lompen, flesschen, beenderen en vettig afval opgekocht werden. Binnen, op den vloer, waren hoopen roestige sleutels, spijkers, kettingen, scharnieren, vijlen, weegschalen en gewichten opgestapeld, en allerlei afval. Geheimen, waarin slechts weinigen den moed zoudenhebben door te dringen, werden hier opgekweekt en verborgen in bergen van walgelijke lompen, hoopen bedorven vet en graftomben van beenderen. Tusschen de waren waarin hij handelde, bij een houtskoolkacheltje, gemaakt van oude baksteenen, zat een grijsharige schurk van bijna zeventig jaar, die zich tegen de koude buiten beschut had door een vuil voorhangsel van allerlei lompen, die over een touw hingen; en die zijn pijp rookte met al de weelde van een rustig rentenierschap.Scrooge en het Spook stonden voor dezen man, juist toen een vrouw met een zwaar pak den winkel binnensloop. Doch nauwelijks was zij binnen, toen een tweede vrouw met een dergelijken last eveneens binnentrad, en zij werd op de hielen gevolgd door een man, gekleed in een vaal lakensch pak, die niet minder schrok toen hij hen zag, dan zij ontsteld waren toen zij elkander herkenden. Na een oogenblik van pure verbazing, waarin de oude man met de pijp deelde, barstten zij alle drie in lachen uit.“Laat de schoonmaakster maar loopen, die zorgt wel dat zij nummer één is!” riep de vrouw die het eerst was binnengetreden. “Laat de waschvrouw maar loopen, die zorgt wel dat zij nommer twee is en de doodbidder dat hij nommer drie is. Dat is nou toch een buitenkansje, ouwe Jan! We zijn alle drie hier bij mekaar gekomme zonder ’t te wille!”“Dat hadt je nooit op een betere plaats kunne doen,” zeide Oude Jan, zijn pijp uit den mond nemend. “Kom maar in de voorkamer. ’t Is al ’n heele tijd geleje dat je daar voor ’t éérst binnenkwam, en de twee andere zijn ook geen vreemden. Wacht even, dan zal ik de deur van de winkel dicht doen. He, wat piept ie! D’ris geen roestiger stuk ijzer in de heele zaak dan de hengsels van die deur, geloof ik; en ik weet zeker dat d’r geen ouwer botten hier zijn dan die van mijn. Ha, ha, ha! We zijn allemaal geschikt voor ons vak, we passen goed bij mekaar. Kom in de voorkamer, kom binnen, kom binnen.”De voorkamer was de ruimte achter het voorhangsel van lompen. De oude man pookte de sintels van het vuurtje wat bijeen met een oude trap-roe, en nadat hij zijn smokerige lamp wat afgedaan had met de steel zijner pijp, stak hij deze laatste weder in den mond. Terwijl hij dit deed, wierp de vrouw die reeds gesproken had den bundel op den vloer en ging met een brutaal gezicht op een kruk zitten, sloeg de armen over elkaar op haar knieën en keek uitdagend naar de beide anderen. “Wat zou ’t! Wat zou ’t, juffrouw Dilber?” zei het mensch. “Iedereen heeft het recht voor z’n eige te zorge... Dat dee hìj ook!”“Dat zeg uwes wel!” zei de waschvrouw. “Geen loer draaie, zou ’k denke?”“Nou, blijf daar dan niet staan alsof je bang ben, mensch! wie weet er wat van? wìj zulle mekaar toch geen loer draaie, zou ’k denken?”“Nee, dat geloof ’k ook niet!” zei juffrouw Dilber en de man tegelijk. “Dat denke we ook niet!”“Nou, goed dan!” riep de vrouw. “Wie mist een paar dinge als die wij hier brenge? Zoo’n dooje man zéker niet.”“Nee, daar kun je van op an!” lachte juffrouw Dilber.“Als ie ze nog na zijn dood had willen houwe, die ouwe vrek, waarom was ie dan geen gewoon mensch met een beetje hart in z’n lijf? Als ie dat gehad had,dan zou d’r wel iemand geweest zijn om voor ’em te zorge, toen de dood em te pakken kreeg, inplaats van zoo als nou te ligge sterve heelemaal alleen.”“Dat is ’t waarste woord dat je ooit gesproke hebt,” zeide juffrouw Dilber. “Nou heeft ie net wat ie verdiend heit.”“Ik wou dat ’t wat zwaarder was,” antwoordde de vrouw, “en dat zou ’t, daar kun je van op an, als ik nòg meer te pakken had kunnen krijgen. Maak dat pakkie maar es los, Jan, en zeg me hoeveel je d’r voor geeft. Zeg ’t maar ronduit. Ik ben niet bang om de eerste te zijn, en ook niet dat zij ’t zien. Voor we mekaar hier ontmoetten, wisten we ieder voor zich ook wel dat we voor ons zelf zorgden. En dat is geen zonde. Maak open, ouwe Jan!”Doch de galanterie harer vrienden liet dit niet toe en de man in het kale lakensche pak, het eerst den bres beklimmend, opende het eerst zijn pak. Het was niet groot. Een paar zegels, een potlood-houder, een paar manchetknoopen en een broche van geringe waarde, dat was alles. Deze artikelen werden één voor een onderzocht en getaxeerd door den ouden Jan, die de sommen die hij bereid was te geven voor elk met krijt op den muur schreef en ze samen optelde toen er niets meer kwam.“Dat is jouw rekening,” zei Jan, “en al werd ik levend gekookt, geen schelling doe ’k er bovenop. Wie volgt?”Juffrouw Dilber kwam nu aan de beurt. Lakens en handdoeken, een beetje lijfdracht, twee ouderwetsche zilveren theelepeltjes, een paar suikerscheppers en wat laarzen. Haar bedrag werd eveneens op den muur geschreven.“Aan dames geef ik altijd te veel. Dat is ’n zwak van me en ik weet dat ’k me zelf d’r mee ruweneer,” zei ouwe Jan. “Dat is jouw bedrag. Als je me d’r een stuiver meer voor vroeg, zou ’t me spijte zoo vrijgevig geweest te zijn en zou ’k er een daalder afdoen.”“En maak nou mijn pakkie maar es los, Jan,” zei de eerste vrouw.Jan ging voor het gemak op zijn knieën liggen en nadat hij een massa knoopen losgemaakt had, haalde hij er een zware oude rol donkere stof uit.“Hoe noem je dit?” zei Jan. “Bed-gordijnen!”“Ha, ha!” antwoordde de vrouw lachend en zich op hare gekruiste armen vooroverbuigend, “bed-gordijnen!”“Je wilt toch niet zeggen dat je ze met ringe en al van zijn bed heb genome, terwijl hij d’r nog leit?” zei Jan.“Jawel zeker,” antwoordde de vrouw. “Waarom zou ’k niet?”“Je bent ervoor geboren om je fortuin te maken,” zeide Jan, “en dat zul je zonder mankeere.”“Ik zal vást m’n hande niet voor me houwe as ik er iets mee kan winne met ze uit te steke, naar ’t goed van ’n man als hij, dat kan ’k je wel vertelle, ouwe Jan,” antwoordde de vrouw bedaard. “Toe nou, laat die olie niet op de dekens valle.”“Zijn dekens?” vroeg Jan.“Van wie anders, denk je?” vroeg het wijf. “Hìj zal geen kou vatten, al heeft ie ze nou niet meer.”“Hij is toch niet kapot gegaan aan de een of andere besmettelijke ziekte, he?” zeide de oude Jan, even opkijkend.“Daar hoef je niet bang voor te zijn,” antwoorddehet wijf. “Ik ben niet zoo verlekkerd op zijn gezelschap, dat ik in zijn buurt zou gebleve zijn, als ik dat gedacht had. Ja, en ik zeg je dat je probeere mag om door dat hemd heen te zien tot je oogen d’r pijn van doen, maar je zult er geen gaatje in vinde, evenmin als een kale steê. ’t Is het beste hemd dat ie had en ’t is fijn, hoor. Ze zouen ’t eenvoudig weggegooid hebbe als ik d’r niet tussche gekomme was.”“Wat bedoel je met “weggooien?””vroeg de oude Jan.“Nou, dat ze ’t hem aangetrokken zoue hebbe om in begrave te worde, natuurlijk,” antwoordde de vrouw lachend. “D’r was ’t er een gek genoeg om ’t te doen, maar ik heb ’t hem weer uitgetrokke. Als katoen niet goed genoeg is voor zoo iets, dan is ’t nergens goed genoeg voor. ’t Staat em net zoo goed. Hij kan er moeilijk leelijker in uitzien dan ie toch al deed.”Scrooge luisterde met afgrijzen naar dit gesprek. Terwijl zij daar zoo zaten rondom hun buit, in het schaarsche licht dat de lamp van den ouden man gaf, zag hij op hen allen neer met een verachting en weerzin, die moeilijk grooter had kunnen zijn zoo zij in het duister-werkende demonen geweest waren die bezig waren het lichaam zelf te verkwanselen.“Ha, ha!” lachte hetzelfde wijf, toen de oude Jan een flanellen zakje met geld voor den dag haalde en hun hunne respectievelijke bedragen op den grond aftelde. “Zie je, zoo loopt ’t nou met hem af. Bij z’n leven schrikte hij iedereen af, om ons d’r van te late profiteeren nou dat ie dood is! ha ha!”“Geest!” zeide Scrooge, over het geheele lichaam huiverend. “Ik begrijp het, ik begrijp het. Het lot van dezen ongelukkigen man zou het mijne kunnenworden. Zooals het nu is, gaat mijn leven dien kant uit. Genadige Hemel, wat is dit!”Hij deinsde met afgrijzen terug, want het tafereel was veranderd, en nu raakte hij bijna een bed aan: een kaal bed, zonder gordijnen, waarop, onder een vodderig laken iets lag, dat hoewel het stom was, zich toch aankondigde in ontzagwekkende taal.Het vertrek was zeer duister, te duister om ook slechts eenigermate nauwkeurig te worden opgenomen, hoewel Scrooge, gehoorzamend aan een geheimen drang er in rond staarde, nieuwsgierig te weten wat voor een kamer dit was. Een mat licht, dat buiten scheen, viel recht op het bed; en op dit bed, beroofd en geplunderd, onbewaakt en onbeweend, lag het lichaam van een man.Scrooge keek naar het Spook. De vaste hand van den Geest wees naar het hoofd. Het laken was zoo achteloos er over geworpen dat zoo Scrooge het ook maar even opgebeurd had, hij het gezicht zou bloot gelegd hebben. Hij bedacht dit, en voelde hoe gemakkelijk hij dit kon doen, en voelde een aandrang hiertoe; doch hij miste evenzeer de kracht het te doen als om den Geest aan zijne zijde weg te zenden.“O, koude, koude, vreeselijke dood, zet uw altaar hier en omkleed het met al de verschrikkingen waarover gij gebiedt, want dit is uw rijk! Doch van een geliefd, geëerbiedigd hoofd kunt gij niet één haar krenken om uw verschrikkelijk doel te dienen of kunt gij één trek weerzinwekkend maken. Het is niet dat de hand nu zwaar is, en slap neervalt als zij losgelaten wordt, en niet dat het hart of de polsslag stilstaan; doch dat de hand mild, en vrijgevig en eerlijk was, het hart moedig en warm en liefderijk, en de polsslagdie van een man. Ha, schim, sla toe, en zie hoe de goede daden uit de wonde ontspringen om het zaad van het eeuwige leven op aarde te zaaien.”Geen stem zei deze woorden aan Scrooge’s oor, en toch hoorde hij ze toen hij naar het bed keek.Hij dacht, wat, zoo deze man nu opgewekt kon worden, zijne eerste gedachten zouden zijn. Gierigheid, meêdoogenloosheid, geldschraperszorgen? Deze alle hadden hem wèl tot een schoon uiteinde gebracht!Hij lag daar in het donkere ledige huis, zonder een man, vrouw of kind bij zich, om van hem te getuigen: “hij was vriendelijk en goed jegens mij in dit of dat en om de nagedachtenis aan één vriendelijk woord zal ìk nù goed voor hem zijn.” Er krabde een kat aan de deur en Scrooge hoorde het geluid van knagende ratten onder den haardsteen. Scrooge durfde er niet aan denken, wat diè wilden in het doodsvertrek en waarom zij zoo rusteloos waren.“Geest!” zeide hij, “dit is een vreeselijke plaats. Geloof mij dat zoo ik haar verlaat, ik de les die zij mij geleerd heeft niet zal achterlaten.”Nog steeds wees de Geest met den vinger naar het hoofd.“Ik begrijp u,” antwoordde Scrooge, “en zoo ik kon, zou ik het doen. Maar ik kàn niet, Geest. Ik kàn niet.”Wederom scheen de Geest hem aan te kijken.“Zoo er in de stad iemand is, die ontroering voelt over den dood van dezen man, smeek ik u mij hem te toonen,” zeide Scrooge zeer ontroerd.Het Spook spreidde zijn donker kleed een oogenblik voor hem, als een vleugel, en het weder wegtrekkend, liet hij hem een kamer bij daglicht zien, waarin een moeder en hare spelende kinderen zaten.Eindelijk deed zich de langverwachte klop hooren. Zij haastte zich naar de deur en ging haren echtgenoot tegemoet; een man wiens gelaat, hoewel nog jong, door zorgen vermagerd was. Nu droeg het een eigenaardige uitdrukking, een soort somber genoegen, waarover hij zich schaamde, en dat hij trachtte te onderdrukken. Hij ging aan tafel zitten om zijn middagmaal te gebruiken dat zij voor hem warm gehouden had bij het vuur; en toen zij hem zwakjes vraagde wat nieuws hij medebracht (wat zij niet deed dan na een lange stilte) scheen hij niet goed te weten hoe hij haar antwoorden zou.“Is het goed of slecht nieuws?” vroeg zij, om hem op gang te helpen.“Slecht!” antwoordde hij.“Zijn we dan heelemaal geruïneerd?”“Neen, er is nog hoop, Caroline.”“Als hij medelijden toont, dan is er nog hoop. Als dàt wonder gebeurt, dan is er nièts hopeloos.”“Hij kàn niet meer vermurwd worden,” zeide haar echtgenoot. “Hij is dood.”Als haar gelaat de waarheid sprak, was zij van nature een zacht, geduldig schepseltje; doch in haar hart was zij dankbaar dit te hooren en dit zeide zij ook met gevouwen handen. Het volgende oogenblik had zij er berouw van en bad om vergeving; doch het eerste gevoel was dat wat haar hart haar ingaf.“Wat de half-dronken vrouw waar ik je gisterenavond van vertelde, mij zeide, toen ik hem trachtte te spreken en een week uitstel te krijgen en wat ik hield voor een uitvlucht om mij te vermijden, blijkt maar al te waar te zijn. Toen zij het mij zeide, was hij niet alleen heel ziek, maar al stervende.”“Aan wien zal je schuld overgaan?”“Dat weet ik niet. Maar vóór ’t zoover is, zullen we ’t geld al hebben; en zelfs al hadden we ’t niet, dan zou ’t toch al heel erg zijn als wij in zijn opvolger een even genadeloos schuldeischer terugkregen als hij was. Vannacht tenminste kunnen wij met een licht hart gaan slapen, Caroline.”Ja, al trachtten zij het zich nog zoozeer te verbloemen, hunne harten waren toch lichter. Ook de gezichtjes der kinderen die stil zich om hen heen drongen, om te verstaan wat zij zoo weinig begrepen, waren opgeruimder; en door den dood van dezen man was het een gelukkiger tehuis! De eenige aandoening die de Geest hem naar aanleiding dezer gebeurtenis kon laten zien, was een van vreugde.“Toon mij eenig medegevoel in verband met een sterfgeval,” zeide Scrooge; “of dat donkere vertrek, Geest, dat wij zoo juist verlaten hebben, zal mij voor de rest van mijne dagen vervolgen.”De Geest leidde hem door verscheidene straten die Scrooge kende; en onder het voortgaan, keek Scrooge overal rond of hij zichzelven niet zag, doch nergens was hij te vinden. Zij gingen het huis van den armen Bob Cratchit binnen, het verblijf dat hij reeds eerder bezocht had, en vond de moeder en de kinderen om het vuur zitten.Het was er stil. Heel stil. De luidruchtige kleine Cratchits zaten stil als muizen in een hoek, en keken op naar Pieter die met een boek voor zich zat. Moeder en dochters waren bezig met naaien. Doch ook zij hielden zich wel heel stil!“En hij nam een kind, en plaatste het te midden van hen.”Waar kon Scrooge deze woorden gehoord hebben? Hij had ze toch niet gedroomd. De jongen moest ze hardop uit het boek voorgelezen hebben, toen hij den drempel overschreed. Waarom ging hij nu niet door?De moeder legde haar werk op tafel en bracht de hand aan het gezicht.“Die kleur doet mijn oogen pijn,” zei zij.De kleur? Och, arme kleine Tim!“Nu is ’t al weer over,” zei Cratchits vrouw. “Bij kaarslicht zijn ze een beetje zwak, en ik zou je vader als hij thuis komt voor geen geld zwakke oogen willen laten zien. ’t Zal zoowat tijd zijn dat hij komt.”“’t Is er al over,” antwoordde Pieter, zijn boek sluitend. “Maar ik zou denken dat hij wat langzamer dan anders geloopen heeft, de laatste paar avonden, moeder!”Toen werd alles weer stil. Eindelijk zei zij, met een vaste vroolijke stem, die slechts éénmaal haperde:“Ik herinner me anders nog heel goed hoe hij,... ik herinner mij nog goed hoe hij met kleine Tim op zijn schouder naar huis liep en nog wel hard ook.”“Ik ook,” riep Peter. “Zoo vaak!”“En ik,” riep een tweede. En ze herinnerden het zich allemaal.“Maar hij was ook erg licht om te dragen,” ging zij voort, ijverig doorwerkend, “en zijn vader hield zóóveel van hem, dat hij de zwaarte heelemaal niet voelde—heelemaal niet. En daar is je vader net aan de deur!”Zij haastte zich hem open te doen, en kleine Bob met zijn bouffante om—en hij had hem wèl noodig, arme drommel—kwam binnen. Zijn thee stond klaarvoor hem op de plaat en allen vochten om ’t hardst wie hem ’t eerst zou inschenken. Toen klommen de beide jonge Cratchits op zijne knieën en legden ieder een kleine wang tegen de zijnen alsof zij zeggen wilden: “Trek het je maar niet al te erg aan, vader. Wees maar niet bedroefd.”Bob was erg vroolijk en praatte opgeruimd met de geheele familie. Hij bekeek het werk op tafel en prees den ijver en ’t vlugge werken van juffrouw Cratchit en de meisjes.“De rouwkleeren zullen lang voor Zondag klaar zijn,” meende hij.“Zondag! Ben je er vandaag dan heen geweest, Robert?” vroeg zijne vrouw.“Ja, beste,” antwoordde Bob. “Ik wou dat je mee had kunnen gaan. Het zou je goed gedaan hebben te zien hoe groen dat plekje is. Maar je zult het dikwijls zien. Ik beloofde hem dat ik er Zondags zou heenwandelen. Mijn kleine, kleine man!” zeide Bob. “Mijn kleine jongen!”Opeens kon hij zich niet meer inhouden. Hij kon het niet helpen. Als hij het wel had kunnen helpen zouden hij en zijn kind misschien verder van elkaar geweest zijn dan zij nu waren.Hij ging de kamer uit, naar zijn kamertje boven, dat vroolijk verlicht was en met hulst behangen.Er stond een stoel dicht bij het kind en er waren teekenen dat er nog kort geleden iemand geweest was. De arme Bob ging op den stoel zitten, en toen hij een weinig nagedacht had en wat bedaard was, kuste hij het kleine gezichtje. Hij had nu vrede met wat gebeurd was en ging weder gelukkig naar beneden.Zij kropen allen dicht bij het vuur en praatten,terwijl de meisjes en de moeder stil doorwerkten. Bob vertelde hen van de buitengewone vriendelijkheid van meneer Scrooge’s neef, dien hij slechts eenmaal gezien had en dat nog maar even, en die hem dien dag op straat tegenkomend en ziend dat hij er een beetje—“een heel klein beetje neerslachtig uitzag,” zei Bob,—hem gevraagd had wat er gebeurd was dat hem zoo hinderde. “Waarop,” zei Bob, “want hij is de minzaamste meneer die je ooit gezien hebt,—ik ’t hem vertelde. “Dat spijt me van ganscher harte voor u, mijnheer Cratchit,” zeide hij,“en ook voor uw goede vrouw.” Hoè hij dàt wist, voor den drommel, dat weet ik nog niet.”“Wàt wist, lieve?”“Wel, dat jij een goede vrouw was,” antwoordde Bob.“Maar dat weet iedereen!” zeide Pieter.“Heel goed gezegd, m’n jongen!” riep Bob. “Ik hoop dat ze ’t allemaal weten. “’t Spijt me van ganscher harte voor uw goede vrouw,” zeide hij. “Als ik u met iets van dienst kan zijn,” zeide hij, mij zijn kaartje overhandigend, “dan weet u waar ik woon. Dan hebt u maar even aan te komen.” Het was niet om wat hij voor ons zou kunnen doen, dat ik zoo prettig vond wat hij zei. Het was of hij onzen kleinen Tim gekend had en hij met ons meevoelde.”“Ja, hij schijnt een goed hart te hebben!” zei juffrouw Cratchit.“Dat zou je nog zekerder gelooven als je hem zag en met hem sprak. ’t Zou me niks verwonderen, en onthou es wat ik je zeg, als hij Pieter een betere betrekking bezorgde.”“Hoor nu eens aan, Pieter,” zei juffrouw Cratchit.“En dan,” riep een van de meisjes, “gaat Pieterverkeering houden met een zeker meisje en een eigen huishoudentje beginnen.”“Och loop heen!” antwoordde Pieter grijnzend.“O, dat zie je dezer dagen nog es gebeuren,” zei Bob, “hoewel dáár nog tijd genoeg voor is, jongen. Maar hoe en wanneer we ook van elkaar mochten raken, geloof ik toch niet dat we ooit een van allen kleine Tim zullen vergeten—wel?—of deze eerste scheiding die er onder ons plaats vond?”“Nooit, vader,” riepen allen.“En ik weet ook zeker,” zei Bob, “ik weet ook zeker, dat als we er aan denken hoe geduldig en zacht hij was, al was hij nog maar een heel klein kind, dat wij niet licht met elkaar zullen kibbelen en terwijl we het doen kleine Tim vergeten.”“Nee, nooit, vader!” riepen allen weder uit.“Nu ik dat weet, ben ik heel gelukkig,” zei kleine Bob.Juffrouw Cratchit kuste hem en zijne dochters kusten hem, de twee jonge Cratchits kusten hem, en Pieter en hij schudden elkaar de hand.Geest van kleine Tim, uw kinderlijke Geest was uit God!“Spook!” zei Scrooge, “iets zegt mij dat het oogenblik van scheiden voor ons nadert. Ik weet het, doch ik weet niet hoe. Zeg mij wie de man was, dien ik dood zag liggen?”De Geest van het toekomstige Kerstfeest leidde hem, evenals te voren—hoewel op een anderen tijd, scheen het hem: ja, het kwam hem voor dat er geen geregelde orde was in de visioenen die deze Geest hem liet zien, behalve dat zij allen in de toekomst lagen—naar plaatsen die bezocht werden door mannen van zaken,doch toonde hem niet zijn eigen-ik. Ja zelfs bleef de Geest nergens voor stilstaan, doch ging voort alsof hij recht af ging op de plaats waar Scrooge zooeven op gedoeld had, en deze hem verzoeken moest een oogenblik te blijven staan.“Deze plaats,” zeide Scrooge, “waarover wij nu zoo snel loopen, is mijn kantoor en is dit al heel lang geweest. Ik zie het huis al. Laat mij zien wat ik in komende dagen zijn zal.”De Geest stond stil; de hand wees ergens anders heen.“Het huis is ginds,” riep Scrooge uit. “Waarom wijst gij een anderen kant uit?”De onverbiddelijke vinger verwrikte niet.Scrooge haastte zich naar het venster van zijn kantoor en keek naar binnen. Het was nòg een kantoor, doch niet meer het zijne. Het meubilair was niet meer hetzelfde en de gestalte in den stoel was hij ook niet.Het Spook bleef dezelfde richting uitwijzen als te voren.Hij voegde zich weder bij den Geest en zich verwonderend waarom hij hem hier mede heen genomen had, vergezelde hij hem tot zij een ijzeren hek bereikten. Hij bleef stil staan om eens rond te kijken vóór hij binnentrad.Een kerkhof. Hier dus lag de ellendige man, wiens naam hij nu zou te weten komen, begraven. Het was een waardige plaats. Omringd door muren van huizen, begroeid met gras en onkruid, de groei van den dood van het plantenleven, en niet het leven zelf; een plaats waar veel te veel dooden begraven waren; vet van verzadigden eetlust. Wèl een waardige plaats.De Geest stond tusschen de graven en wees op één hiervan.Scrooge ging er bevend naar toe. Het Spook was nog juist zooals het geweest was, doch hij vreesde een nieuwe beteekenis in zijne plechtige gestalte te zullen zien.“Vóór ik den steen waarop gij wijst, nader,” zeide Scrooge, “verzoek ik u mij een vraag te beantwoorden. Zijn deze slechts de schimmen van dingen die kùnnen worden?”Nog steeds wees de Geest naar het graf waarnaast hij stond.“De loopbaan der menschen voorspelt gewis soms het een of ander einde waartoe zij, zoo er in volhard wordt, onherroepelijk leiden moet,” zei Scrooge. “Doch zoo er van dezen baan wordt afgeweken, zal het einde ook anders zijn. Zeg dat dit ook is met wat gij mij toont!”De Geest bleef als altijd onbewegelijk staan.Scrooge naderde aarzelend en bevend, en de richting van den vinger volgend, las hij op den steen van het verwaarloosde graf zijn eigen naam, “Ebenezer Scrooge.”“Ben ik dan die man, die op dat bed lag?” riep hij op de knieën vallend uit.De vinger wees van het graf op hemzelven, en weder terug.“Neen, Geest, o, neen, dàt niet!”Doch de vinger bleef wijzen.“Geest,” riep hij uit, zich vastklemmend aan het kleed van zijnen geleider, “hoor mij aan! Ik ben niet meer de man die ik eens was. Ik wil niet meer zijn de man die ik had moeten blijven zoo dit alles mij nietgetoond ware. Waarom zoudt ge mij dit laten zien, als mijn geval hopeloos was?”Voor de eerste maal leek het of de hand beefde.“Goede Geest,” vervolgde hij, terwijl hij zich voor de gedaante op den grond wierp. “Uwe goedhartigheid komt voor mij tusschenbeiden, en heeft medelijden met mij. Geef me de verzekering dat ik nog verandering kan brengen in de schimmen die gij mij getoond hebt door een ander leven.”De vriendelijke hand beefde.“Ik zal Kerstmis in mijn hart eeren, en het ’t geheele jaar door trachten te vieren. Ik zal leven in het Verleden, het Heden en de Toekomst. De Geesten van deze drie zullen hunnen invloed in mij oefenen. En ik zal de lessen die zij mij leeren niet buitensluiten. O, zeg mij toch dat ik, wat op dezen steen geschreven staat, kan uitwisschen.”In zijn angst vatte hij de hand van den Geest. Deze zocht zich los te maken, doch hij was sterk in zijne smeeking en hield haar vast. Doch de sterkere Geest stiet hem eindelijk van zich af.Zijne handen opheffend tot een laatste bede, namelijk om zijn lot toch te doen keeren, zag hij een plotselinge verandering in den kap en het gewaad van den Geest. Deze slonk in, viel in elkaar, en werd... een beddepost.1Aan hen, die eene begrafenis volgen, worden o. a. zwarte handschoenen uitgereikt. In ons land is dit bij eene begrafenis aan het hof nog het geval.Vijfde Zang.Het Einde.Ja, en deze beddepost was zijn eigene. Zijn eigen bed en eigen kamer. En wat het beste en gelukkigste voor hem was, was dat de tijd die voor hem lag zijn eigene nog was, om te vergoeden wat hij al dien tijd tekort geschoten was!“Ik zal leven in het Verleden, het Heden en de Toekomst!” herhaalde Scrooge, terwijl hij uit bed krabbelde. “En de Geesten, al deze drie, zullen in mij werken. Oh, Jacob Marley! De hemel en Kersttijd zijn geprezen! Ik zeg het op mijne knieën, oude Jacob, op mijne knieën!” Hij was zoo opgewonden, en zóó vol vuur voor zijne goede voornemens, dat zijn gebroken stem hem bijna haar dienst weigerde. Hij had hevig gesnikt in zijn strijd met den Geest en zijn gelaat was nat van tranen.“Zij zijn dus toch nog niet neergehaald!” riep Scrooge uit, een zijner bedgordijnen in zijn arm nemend, “ze zijn dus toch nog niet neergehaald metringen en al. Zij zijn er nog en ik ben er nog en de schimmen der dingen die hadden kunnen worden, mag ik verjagen. En dat zal ik!”Onderwijl had hij met zijne handen aldoor aan zijne kleederen gefrommeld, ze binnenste buiten keerend, ze verkeerd aantrekkend, ze scheurend en zoek makend, en er de zotste dingen mede uithalend.“Ik weet niet wat ik beginnen moet!” zei Scrooge tegelijkertijd lachend en huilend: zich zóó wringend om in zijne kousen te komen dat hij volkomen op Laokoön geleek. “Ik voel me zoo licht als een veêr en ben zoo gelukkig als een engel en zoo vroolijk als een schooljongen. Ik ben duizelig als een dronken man. Iedereen wensch ik een gelukkige Kerstmis, en de geheele wereld een goed Nieuwjaar. Hallo, hier! whoep, hallo!”Hij was naar zijn zitkamer gehuppeld, en stond daar nu geheel buiten adem.“Daar staat de sauskom, waar de pap in was!” riep Scrooge, opnieuw beginnend en om den haard dansend. “Daar is de deur waardoor de Geest van Jacob Marley binnenkwam! Daar is de hoek waar de Geest van het Tegenwoordig Kerstfeest zat! Daar is het raam waar ik de dolende Geesten door zag! Het was alles waar, en ’t is allemaal zoo gebeurd. Ha, ha, ha!”Voor een man die zooveel jaren lang geen oefening erin gehad had, was het werkelijk een kostelijke lach. Een doorluchtige lach, als de vader van een lange, lange reeks van kostelijke lachen!“Ik heb geen vaag begrip welke dag van de maand het is!” zeide Scrooge. “Ik weet niet hoe lang ik onder geesten verkeerd heb. Ik voel me net als een klein kind. Maar dat kan me niets schelen. Ik wou dat ik nog een klein kind wàs. Hallo, hoep, hallo!”Hij werd gestuit in zijne uitbundige vreugde door de kerkklokken die er lustiger op los luidden dan hij ooit gehoord had. Bim, bam, bim, bam, hamer, kling, klang! O, heerlijk, heerlijk.Naar het raam hollend, schoof hij het op en stak zijn hoofd naar buiten. Geen mist of nevel, doch zuivere, heldere, prettig-aandoende koude; ’n koude om het bloed naar zijn pijpen te laten dansen; gouden zonnelicht; een heerlijke lucht; goede, frissche lucht; en vroolijke klokken. O, heerlijk, heerlijk!“Wat voor ’n dag is ’t vandaag?” riep Scrooge een jongen, die op zijn Zondags gekleed was, toe.“Hè?” antwoordde de jongen, “wel Kerstdag natuurlijk!”“Kerstdag zegt ie!” zeide Scrooge bij zichzelven. “Dan heb ik ’t tòch niet gemist. De Geesten hebben ’t alles in één nacht gedaan. Zij kunnen alles doen zooals zij willen. Natuurlijk. Natuurlijk. Heidaar, jongen.”“Hallo!” antwoordde de jongen.“Weet je de poelier te wonen, in de straat hiernaast, op den hoek?” vroeg Scrooge.“Dat zou ’k gelooven,” antwoordde de jongen.“Knappe jongen!” zei Scrooge. “’n Merkwaardig gladde jongen! Weet je ook of ze de kalkoen die daar hing al kwijt zijn? Niet de kleine, maar de groote die bekroond is?”“Wat, bedoel je die, die zoo dik is als ik wel?” antwoordde de jongen.“Wat een engel van een jongen!” zei Scrooge. “’t Is een genot op zichzelf met dièn jongen te praten.—Jawel, kerel, die bedoel ik.”“Nee, die hangt d’r nog,” antwoordde de jongen.“Is ’t waar?” zei Scrooge. “Ga hem dan dadelijk halen.”“Mot je mèìn hebbe?” antwoordde de jongen, die dacht dat Scrooge hem voor den gek hield.“Nee, nee,” zei Scrooge. “Ik meen ’t. Ga ’em dadelijk voor me koopen, en zeg dat ze hem hier brengen, opdat ik ze kan zeggen waar ze hem moeten bezorgen. Kom met den man terug, dan krijg je twee kwartjes van me. Als je zorgt dat je binnen vijf minuten met hem terug bent, krijg je een daalder.”De jongen vloog weg als een pijl uit den boog. ’t Moest al een flinke schutter geweest zijn, die een schot zoo snel uit zijn geweer had kunnen krijgen.“Ik zal hem naar Bob Cratchit sturen!” fluisterde Scrooge, zich in de handen wrijvend en innerlijk lachend. “Hij zal niet weten wie hem stuurt. Hij is net tweemaal zoo dik als kleine Tim!”De hand, waarmede hij het adres schreef, was niet heel vast, doch hij kreeg het toch op het papier en ging naar beneden om de straatdeur open te doen en klaar te zijn als de knecht van den poelier kwam. Terwijl hij daar op diens komst stond te wachten viel zijn oog op den klopper.“Van dien klopper zal ik houden zoolang ik leef!” riep Scrooge uit, den klopper met zijn hand aaiend. “Vóór vandaag keek ik er nauwelijks naar. Wat een eerlijke uitdrukking heeft ie in zijn gezicht. Een wonderbare klopper!—Ha, hier hebben we den kalkoen. Hallo, hoep! Hoe gaat het? ’n Goeie Kerstmis, hoor!”Wat een kalkoen was dat! ’t Was niet mogelijk dat die vogel ooit fatsoenlijk op zijn pooten kon gestaan hebben. Ze zouden afgeknapt zijn in minder dan geen tijd, als pijpjes lak.“Maar die kun je niet heelemaal naar Camden Town dragen,” zeide Scrooge. “Daarvoor moet je een bakje hebben.”De inwendige lach waarmede hij dit zeide, en de inwendige lach waarmede hij voor den kalkoen betaalde, en de inwendige lach waarmede hij den jongen zijn belooning gaf, werden slechts overtroffen door den inwendigen lach waarmede hij buiten adem in zijn stoel nederviel en lachte tot hij begon te huilen.Scheren was geen gemakkelijke taak, want zijn hand beefde maar aldoor en scheren vereischt aandacht, zelfs al danst ge niet bepaald als ge er mede bezig zijt. Doch al had hij de punt van zijn neus afgesneden, dan zou hij er eenvoudig een stuk hechtpleister op gelegd hebben en volkomen voldaan geweest zijn. Hij kleedde zich op z’n Zondagsch en eindelijk ging hij de straat op. De menschen stroomden nu de straten door, juist zooals hij met den Geest van het huidige Kerstfeest gezien had, en met de handen op den rug voortwandelend, keek Scrooge iedereen aan met een opgeruimden glimlach. Hij zag er zoo onwederstaanbaar opgeruimd uit, dat drie of vier goedhartige lieden “Goeie morgen, meneer, een prettige Kerstmis!” tegen hem zeiden. En Scrooge placht nog dikwijls daarna te zeggen dat van al de aangenaam-aandoende klanken, die hij ooit gehoord had, deze wel het aangenaamst in zijn ooren klonken.Hij was nog niet ver gegaan of hij zag in zijne richting loopen de heer die gisteren zijn kantoor was binnengetreden en gezegd had: “Het kantoor van Scrooge en Marley, geloof ik?” Het gaf hem een steek in ’t hart toen hij er aan dacht hoe deze heer op hem zou neerzien als zij elkaar ontmoetten, doch hij wistnu welken weg voor hem lag en dien volgde hij.“M’n waarde heer,” zeide Scrooge, zijne schreden versnellend, en den ouden heer bij beide handen vattend. “Hoe gaat het? Ik hoop dat u gisteren goed geslaagd is. Het was bijzonder vriendelijk van u. Een blijde Kerstmis, mijnheer!”“Meneer Scrooge?”“Juist,” zeide Scrooge. “Zoo heet ik en ik vrees dat mijn naam geen aangename herinneringen bij u zal wekken. Sta mij toe dat ik u excuus vraag. En als u zoo goed wilt zijn”—hier fluisterde Scrooge iets aan zijn oor.“God beware me!” riep de heer uit, alsof het hem den adem benam. “M’n waarde heer Scrooge, meent u dat?”“Zeker,” zeide Scrooge. “Geen cent minder. Hierin zijn begrepen een groot aantal achterstallige betalingen, dat verzeker ik u. Wilt u mij het genoegen doen?”“M’n waarde heer,” zeide de ander, hem de hand schuddend, “ik kan u niet genoeg danken voor zulk een vorstelijke bijdr......”“Kom, het is de moeite niet waard,” hernam Scrooge. “Kom mij eens opzoeken. Wilt u?”“Zeker, dat zal ik beslist doen,” riep de oude heer uit. En het was duidelijk dat hij dit meende te doen ook.“Heel graag,” zei Scrooge. “Zeer verplicht. Duizendmaal dank.”Hij ging naar de kerk en liep wat straten om, en keek naar de menschen die zich voorthaastten, streek kinderen over het hoofd en ondervroeg bedelaars, en keek neer in de keukens der huizen en op naar de vensters, en bevond dat alles hem genoegen verschafte.Nooit had hij gedacht, dat een wandeling—of iets anders,—hem zoo gelukkig kon maken.Des middags richtte hij zijn schreden naar het huis van zijn’ neef.Hij liep de deur wel tienmaal voorbij, vóór hij de stoep op durfde gaan en aankloppen. Doch eindelijk schoot hij er op toe en klopte aan.“Is meneer thuis, kind?” zeide Scrooge tot het dienstmeisje, ’n knap meisje.“Jawel meneer.”“Waar is hij, kind?” zeide Scrooge.“Hij is in de eetkamer meneer, met mevrouw. Ik zal u even voorgaan naar boven.”“Goed hoor, hij kent me wel,” zei Scrooge, met zijn hand reeds op het slot der eetkamer. “Ik zal hier maar binnengaan, meisje.”Hij draaide den knop voorzichtig om en stak zijn hoofd zijdelings door de deur. Zij keken naar de tafel (die in vollen feestdos prijkte) want jonge huishoudsters zijn altijd een weinig zenuwachtig op dergelijke punten, en zien graag dat alles in orde is.“Fred!” zeide Scrooge.Goeie hemel, wat schrok zijne aangetrouwde nicht. Scrooge had een oogenblik vergeten dat hij haar met het voetebankje in den gemakkelijken stoel had zien zitten, of hij zou haar niet zoo hebben doen ontstellen.“Wel, heere m’n tijd!” riep Fred. “Wie hebben we hier?”“Ik ben het. Je oom Scrooge. Ik kom eten. Is ’t goed, Fred?”Of ’t goed was! Scrooge mocht van geluk spreken dat zijn neef zijn arm niet afschudde. Hij voelde zich binnen vijf minuten thuis. Niets kon hartelijker zijn.Zijn nicht was eveneens zeer vriendelijk voor hem. En dit was óók Topper, toen die kwam. En de mollige zuster toen zij kwam. En iedereen toen zij allen kwamen. Een wonder gezelschap en een wondere eenstemmigheid, en won-de-re gezelligheid.Doch den volgenden morgen was hij vroeg weder op het kantoor. O, hij was er zoo vroeg. Als hìj er maar eerst kon zijn en Bob Cratchit erop kon betrappen, dat die te laat kwam! Daar had hij zijn zinnen op gezet.En hij deed het, waarachtig hij deed het. De klok sloeg negen. Geen Bob. Kwart over negen. Nog geen Bob. Hij was volle achttien en een halve minuut over zijn tijd. Scrooge zat met zijn deur wijd open, om hem het kantoortje te kunnen zien binnenkomen.Vóór hij de deur opende, had hij zijn hoed al in de hand, en zijn bouffante eveneens. Hij zat in een wip op zijn kruk, en pende er op los, alsof hij probeerde 9 uur op de klok in te halen:“Hallo!” gromde Scrooge, zijn gewone stem aannemend zoo goed hij kon. “Wat heeft dat te beteekenen, dat je hier op dezen tijd durft aankomen?”“’t Spijt me erg, mijnheer,” zei Bob. “Ik bèn werkelijk over mijn tijd.”“Zoo?” herhaalde Scrooge. “Ja, dat zou ’k ook gelooven. Kom es even hierheen, alsjeblieft.”“Het is maar eens in ’t jaar, meneer,” pleitte Bob, uit het hokje komend. “Het zal niet meer gebeuren. Ik heb gisteren een beetje te veel pret gemaakt, meneer.”“Nou zal ik je es wat vertellen, vriendje,” zei Scrooge. “Ik wil iets dergelijks niet langer dulden. En daarom,” ging hij voort, van zijn kruk springend enBob zulk een duw in zijn vest gevend dat hij in het hokje terugwankelde, “en daarom ben ik van plan je salaris te verhoogen.”Bob beefde en ging een beetje dichter bij de liniaal staan. Het schoot hem een oogenblik door het hoofd of het niet goed zou zijn Scrooge daarmede neer te vellen, hem vast te houden en om hulp en een dwangbuis te roepen.“Vroolijke Kerstmis, Bob!” zeide Scrooge, zóó ernstig dat men hem niet verkeerd kòn begrijpen, en klopte zijnen klerk op den rug. “Een vroolijker Kerstmis Bob, kerel, dan ik je al zooveel jaren toegewenscht heb. Ik zal je salaris opslaan en probeeren je gezin bij te staan en nog dezen middag zullen we je zaken eens bepraten bij een Kerstbowl dampende bisschop. Maak de kachels aan en koop nog een kolenschop vóór je nog één puntje op een i zet, Bob Cratchit.”Scrooge deed zijn woord gestand. Hij deed alles wat hij beloofd had en nog veel meer; en voor kleine Tim, die nìet stierf, was hij een tweede vader; hij werd een vriend, een meester, en een mensch, zoo goed als de oude stad slechts kon aanwijzen. Sommigen lachten toen zij hem zoo veranderd zagen, doch hij liet hen lachen en stoorde er zich niet aan; want hij was verstandig genoeg te weten dat er op deze aardbol nooit iets ten goede gebeurt of er zijn menschen die er in het begin om lachen; en beseffend dat dergelijke lieden voor alles, waarvoor dan ook, blind zijn, vond hij het beter dat zij hunne oogen in rimpels trokken van het lachen dan dat zij de ziekte in minder aantrekkelijke vormen hadden. Zijn eigen hart lachte en dat was hem volkomen genoeg.Hij werd niet verder lastig gevallen door geesten,en men zei altijd van hem dat hij Kerstfeest kon vieren als de beste, zoo iemand tenminste wéét hoe het te vieren. Moge dit van ieder van ons gezegd worden! En wat kleine Tim zeide wensch ik u allen toe: “God zegene ons allen!”EindeEinde

Vierde Zang.De Laatste der Geesten.Het Spook naderde langzaam, ernstig en zwijgend. Toen het naderbij kwam, liet Scrooge zich op de eene knie vallen. Want zelfs in de lucht waardoor het schreed scheen het duisternis en geheimzinnigheid te verspreiden. Het was gehuld in een zwart gewaad, dat zijn hoofd en gezicht en gedaante verborg en niets liet zien dan één uitgestrekte hand. Zoo het deze hand niet uitgestoken had zou het moeilijk gevallen zijn het te onderscheiden van het nachtelijk duister, waardoor het omgeven was. Hij voelde dat het lenig en statig was toen het naast hem kwam staan, en dat zijne mysterieuze persoonlijkheid hem vervulde met een alles in hem overstemmende vrees. Méér wist hij niet, want het Spook sprak niet tegen hem en bewoog zich niet.“Ben ik in tegenwoordigheid van den Toekomenden Kersttijd?” zeide Scrooge.De Geest antwoordde niet, doch wees met de hand voor zich uit.“Mij is gezegd dat gij mij zult laten zien schimmen van dingen die nog niet gebeurd zijn, doch die zullen plaats grijpen in den tijd die voor ons ligt. Is dit zoo, Geest?”De plooien van het bovenste gedeelte van het kleed werden een oogenblik samengetrokken, alsof de Geest met het hoofd neeg. Doch dit was het eenige antwoord dat hij ontving.Hoewel hij nu al wel reeds gewend was aan spookachtig gezelschap, was Scrooge zoo bevreesd voor de zwijgende gedaante, dat zijne beenen onder hem beefden, en hij zich nauwelijks kon staande houden toen hij zich gereed wilde maken te volgen. De Geest bleef een oogenblik staan, alsof hij zijn toestand gade sloeg, en hem tijd wilde geven zich te herstellen.Doch dit bracht Scrooge nog meer van zijn stuk. Het weten dat achter dat donkere kleed spokenoogen hem scherp gadesloegen, terwijl hij, hoewel hij zijn oogen zoo wijd mogelijk opensperde, niets kon zien dan een spookhand en één groote zwarte massa, deed hem beven van vage onbestemde angst.“Geest der Toekomst!” riep hij uit. “Ik vrees u meer dan eenig ander Spook dat ik gezien heb. Doch daar ik weet dat het uw doel is mij goed te doen en ik hoop in de toekomst een ander man te worden dan ik was, ben ik bereid u te volgen en met een dankbaar hart. Wilt ge niet tegen mij spreken?”Het gaf hem geen antwoord. De hand wees recht voor hen uit.“Ga mij voor!” zeide Scrooge. “Ga voor! De nacht gaat snel voorbij en zijn tijd is kostbaar voor mij, dat weet ik. Ga mij voor, Geest!”Het Spook gleed heen, op dezelfde wijze als het naar hem toe was gekomen. Scrooge volgde in de schaduw van zijn kleed, dat, zoo meende hij, hem staande hield en hem voortdroeg.Het was alsof zij niet zoozeer de stad binnenkwamen dan wel dat de stad hen plotseling omgaf. Doch daar stonden zij plotseling in het hartje er van. Op de Beurs, tusschen de kooplieden, die snel op en neer liepen, en met het geld in hunne zakken rammelden, en in groepjes stonden te praten, en op hunne horloges keken, en in gedachten speelden met hunne groote gouden zegels, en al die dingen deden die Scrooge zoo dikwerf gezien had.De Geest hield stil bij een klein troepje mannen van zaken. Bemerkend dat de hand naar hen wees, trad Scrooge naderbij om te luisteren naar wat zij zeiden.“Neen,” zei een groote dikke man met een monsterachtige onderkin. “Ik kan je d’er niet veel van vertellen, hoe dan ook. ’t Eenige wat ik wéét, is, dat hij dood is.“En wanneer heeft hij ’t afgelegd?” vroeg een ander.“Gisterenavond, geloof ik.”“En wat heeft ’em gemankeerd?” vroeg een derde, een kolossale hoeveelheid snuif nemend uit een erg groote snuifdoos. “Ik moet je zeggen, ik dacht dat hij niet dood kòn gaan.”“God weet ’t,” zeide de eerste geeuwend.“En wat heeft ie met zijn geld gedaan?” vroeg een heer met een erg rood gezicht, die een lillend uitwas aan het uiteinde van zijn neus had, dat trilde als de lellen van een kalkoensche haan.“Dat heb ik niet gehoord,” zei de man met de groote onderkin, weder geeuwend. “Wellicht aan zijnGilde vermaakt. ’t Eenige wat ik weet, is, dat hij ’t niet aan mij heeft nagelaten.”Deze grap werd met algemeen gelach ontvangen.“’t Zal waarschijnlijk een goedkoope begrafenis zijn,” zei dezelfde spreker; “want ik zou waarachtig niet weten wie er mee moest gaan. Wat zouden jelui er van zeggen als wij eens een clubje vormden en aanboden om mee te gaan?”“O, als er een goede lunch is heb ik er niets op tegen,” merkte de heer met den uitwas aan zijn neus op. “Maar ik moet goed te eten hebben, als ik meedoe.”Weder gelach.“Nou, ik ben bij slot van rekening de minstgeïnteresseerdevan jelui,” zeide de eerste spreker, “want ik draag nooit zwarte handschoenen1en ik drink nooit koffie. Maar ik wil wel meegaan als er nog meer voor te vinden zijn. Als ik ’t wel beschouw, ben ik heelemaal zoo zeker niet dat ik niet zijn intiemste vriend was; want als wij elkaar tegenkwamen, plachten we altijd even stil te staan en een praatje te maken. Saluut heeren!”Sprekers en luisteraars slenterden weg en vermengden zich met andere groepen. Scrooge hoorde deze menschen en keek op naar den Geest om een uitlegging.Het Spook gleed weder voort, de straat op. Zijn vinger wees naar twee personen die elkaar tegenkwamen. Scrooge luisterde weder, vermoedend dat de uitleg hier zou liggen.Hij kende ook déze mannen zeer goed. Het warenmannen van zaken; heel rijk en zeer invloedrijk. Hij had het er altijd op aangelegd goed bij hen aangeschreven te staan: dat wil zeggen, uit een oogpunt van zaken.“Hoe gaat ’t je?” zeide de een.“Hoe gaat ’t jou?” antwoordde de ander.“Dus,” zeide de eerste, “de oude Schraap heeft dan toch eindelijk gekregen wat hem toekomt, he?”“Nou, weer voor Kerstmis, he? Rij je schaats?”“Nee, nee, hoor, ik heb wel andere dingen om aan te denken. Adieu!”Geen woord verder. Dat was hun geheele ontmoeting en hun geheele gesprek.Scrooge’s eerste aandrift was verbaasd te zijn over het feit dat een Geest gewicht scheen te hechten aan dergelijke schijnbaar triviale gesprekken; doch voelend dat zij een verborgen doel moesten hebben, begon hij te bepeinzen wat dit doel kon zijn. Zij konden toch niet slaan op den dood van Jacob, zijn ouden compagnon, want dat behoorde tot het Verleden, en het gebied van dezen Geest was de Toekomst. Ook wist hij niemand te bedenken die onmiddellijk met hem in relatie stond, en op wien hij ze te pas kon brengen. Doch volstrekt niet betwijfelend dat, op wien zij ook doelden, zij een verborgen beteekenis hadden, nam hij zich voor ieder woord dat hij hoorde en al wat hij zag, zorgvuldig te vergâren; en in ’t bijzonder zijn eigen schim, zoo hij deze te zien kreeg, nauwkeurig gade te slaan. Want hij hoopte dat het optreden van zijn toekomstig Eigen-Ik hem den leiddraad zou geven, dien hij miste, en de oplossing dezer raadselen gemakkelijk zou maken. Hij keek zelfs op die plaats rond naar zijn eigen schim, doch een ander man stondnu op de plaats waar hij vroeger placht te staan, en hoewel de klok den tijd aanwees waarop hij gewoonlijk daar verscheen, zag hij niemand die op hem leek onder de menschenmenigte die door de groote deuren binnenstroomde. Doch hij verwonderde zich hier niet bijzonder over; want hij had in zijnen geest een geheel andere levenswijze overdacht, en nu dacht en hoopte hij, dat hiermede de uitvoering zijner pasgeboren voornemens een aanvang genomen had.Rustig en somber stond het Spook naast hem, met uitgestrekte hand. Toen hij zich wakker schudde met zijn zelfonderzoek, meende hij op te maken uit de richting der hand, dat de onzichtbare oogen hem scherp aankeken. Dit deed hem huiveren, en hij voelde zich zeer koud.Zij verlieten dit drukke tafereel en gingen naar een onbekend, onaanzienlijk gedeelte der stad, waarin Scrooge nooit te voren was doorgedrongen, hoewel hij de ligging en den slechten naam er van herkende. De straatjes waren smerig en nauw; de winkels en huizen bouwvallig; de menschen half-gekleed, dronken, met afgetrapte hakken en leelijk.Stegen en portalen, als even zoovele zinkputten, braakten hun vuilen stank en modder en leven op de onregelmatige straten uit, en het geheele kwartier stonk naar vuil en ellende.Ver in dit hol, waar de misdaad huisde, stond een laag-gevelig winkeltje met een luifel, waar ijzer, oude lompen, flesschen, beenderen en vettig afval opgekocht werden. Binnen, op den vloer, waren hoopen roestige sleutels, spijkers, kettingen, scharnieren, vijlen, weegschalen en gewichten opgestapeld, en allerlei afval. Geheimen, waarin slechts weinigen den moed zoudenhebben door te dringen, werden hier opgekweekt en verborgen in bergen van walgelijke lompen, hoopen bedorven vet en graftomben van beenderen. Tusschen de waren waarin hij handelde, bij een houtskoolkacheltje, gemaakt van oude baksteenen, zat een grijsharige schurk van bijna zeventig jaar, die zich tegen de koude buiten beschut had door een vuil voorhangsel van allerlei lompen, die over een touw hingen; en die zijn pijp rookte met al de weelde van een rustig rentenierschap.Scrooge en het Spook stonden voor dezen man, juist toen een vrouw met een zwaar pak den winkel binnensloop. Doch nauwelijks was zij binnen, toen een tweede vrouw met een dergelijken last eveneens binnentrad, en zij werd op de hielen gevolgd door een man, gekleed in een vaal lakensch pak, die niet minder schrok toen hij hen zag, dan zij ontsteld waren toen zij elkander herkenden. Na een oogenblik van pure verbazing, waarin de oude man met de pijp deelde, barstten zij alle drie in lachen uit.“Laat de schoonmaakster maar loopen, die zorgt wel dat zij nummer één is!” riep de vrouw die het eerst was binnengetreden. “Laat de waschvrouw maar loopen, die zorgt wel dat zij nommer twee is en de doodbidder dat hij nommer drie is. Dat is nou toch een buitenkansje, ouwe Jan! We zijn alle drie hier bij mekaar gekomme zonder ’t te wille!”“Dat hadt je nooit op een betere plaats kunne doen,” zeide Oude Jan, zijn pijp uit den mond nemend. “Kom maar in de voorkamer. ’t Is al ’n heele tijd geleje dat je daar voor ’t éérst binnenkwam, en de twee andere zijn ook geen vreemden. Wacht even, dan zal ik de deur van de winkel dicht doen. He, wat piept ie! D’ris geen roestiger stuk ijzer in de heele zaak dan de hengsels van die deur, geloof ik; en ik weet zeker dat d’r geen ouwer botten hier zijn dan die van mijn. Ha, ha, ha! We zijn allemaal geschikt voor ons vak, we passen goed bij mekaar. Kom in de voorkamer, kom binnen, kom binnen.”De voorkamer was de ruimte achter het voorhangsel van lompen. De oude man pookte de sintels van het vuurtje wat bijeen met een oude trap-roe, en nadat hij zijn smokerige lamp wat afgedaan had met de steel zijner pijp, stak hij deze laatste weder in den mond. Terwijl hij dit deed, wierp de vrouw die reeds gesproken had den bundel op den vloer en ging met een brutaal gezicht op een kruk zitten, sloeg de armen over elkaar op haar knieën en keek uitdagend naar de beide anderen. “Wat zou ’t! Wat zou ’t, juffrouw Dilber?” zei het mensch. “Iedereen heeft het recht voor z’n eige te zorge... Dat dee hìj ook!”“Dat zeg uwes wel!” zei de waschvrouw. “Geen loer draaie, zou ’k denke?”“Nou, blijf daar dan niet staan alsof je bang ben, mensch! wie weet er wat van? wìj zulle mekaar toch geen loer draaie, zou ’k denken?”“Nee, dat geloof ’k ook niet!” zei juffrouw Dilber en de man tegelijk. “Dat denke we ook niet!”“Nou, goed dan!” riep de vrouw. “Wie mist een paar dinge als die wij hier brenge? Zoo’n dooje man zéker niet.”“Nee, daar kun je van op an!” lachte juffrouw Dilber.“Als ie ze nog na zijn dood had willen houwe, die ouwe vrek, waarom was ie dan geen gewoon mensch met een beetje hart in z’n lijf? Als ie dat gehad had,dan zou d’r wel iemand geweest zijn om voor ’em te zorge, toen de dood em te pakken kreeg, inplaats van zoo als nou te ligge sterve heelemaal alleen.”“Dat is ’t waarste woord dat je ooit gesproke hebt,” zeide juffrouw Dilber. “Nou heeft ie net wat ie verdiend heit.”“Ik wou dat ’t wat zwaarder was,” antwoordde de vrouw, “en dat zou ’t, daar kun je van op an, als ik nòg meer te pakken had kunnen krijgen. Maak dat pakkie maar es los, Jan, en zeg me hoeveel je d’r voor geeft. Zeg ’t maar ronduit. Ik ben niet bang om de eerste te zijn, en ook niet dat zij ’t zien. Voor we mekaar hier ontmoetten, wisten we ieder voor zich ook wel dat we voor ons zelf zorgden. En dat is geen zonde. Maak open, ouwe Jan!”Doch de galanterie harer vrienden liet dit niet toe en de man in het kale lakensche pak, het eerst den bres beklimmend, opende het eerst zijn pak. Het was niet groot. Een paar zegels, een potlood-houder, een paar manchetknoopen en een broche van geringe waarde, dat was alles. Deze artikelen werden één voor een onderzocht en getaxeerd door den ouden Jan, die de sommen die hij bereid was te geven voor elk met krijt op den muur schreef en ze samen optelde toen er niets meer kwam.“Dat is jouw rekening,” zei Jan, “en al werd ik levend gekookt, geen schelling doe ’k er bovenop. Wie volgt?”Juffrouw Dilber kwam nu aan de beurt. Lakens en handdoeken, een beetje lijfdracht, twee ouderwetsche zilveren theelepeltjes, een paar suikerscheppers en wat laarzen. Haar bedrag werd eveneens op den muur geschreven.“Aan dames geef ik altijd te veel. Dat is ’n zwak van me en ik weet dat ’k me zelf d’r mee ruweneer,” zei ouwe Jan. “Dat is jouw bedrag. Als je me d’r een stuiver meer voor vroeg, zou ’t me spijte zoo vrijgevig geweest te zijn en zou ’k er een daalder afdoen.”“En maak nou mijn pakkie maar es los, Jan,” zei de eerste vrouw.Jan ging voor het gemak op zijn knieën liggen en nadat hij een massa knoopen losgemaakt had, haalde hij er een zware oude rol donkere stof uit.“Hoe noem je dit?” zei Jan. “Bed-gordijnen!”“Ha, ha!” antwoordde de vrouw lachend en zich op hare gekruiste armen vooroverbuigend, “bed-gordijnen!”“Je wilt toch niet zeggen dat je ze met ringe en al van zijn bed heb genome, terwijl hij d’r nog leit?” zei Jan.“Jawel zeker,” antwoordde de vrouw. “Waarom zou ’k niet?”“Je bent ervoor geboren om je fortuin te maken,” zeide Jan, “en dat zul je zonder mankeere.”“Ik zal vást m’n hande niet voor me houwe as ik er iets mee kan winne met ze uit te steke, naar ’t goed van ’n man als hij, dat kan ’k je wel vertelle, ouwe Jan,” antwoordde de vrouw bedaard. “Toe nou, laat die olie niet op de dekens valle.”“Zijn dekens?” vroeg Jan.“Van wie anders, denk je?” vroeg het wijf. “Hìj zal geen kou vatten, al heeft ie ze nou niet meer.”“Hij is toch niet kapot gegaan aan de een of andere besmettelijke ziekte, he?” zeide de oude Jan, even opkijkend.“Daar hoef je niet bang voor te zijn,” antwoorddehet wijf. “Ik ben niet zoo verlekkerd op zijn gezelschap, dat ik in zijn buurt zou gebleve zijn, als ik dat gedacht had. Ja, en ik zeg je dat je probeere mag om door dat hemd heen te zien tot je oogen d’r pijn van doen, maar je zult er geen gaatje in vinde, evenmin als een kale steê. ’t Is het beste hemd dat ie had en ’t is fijn, hoor. Ze zouen ’t eenvoudig weggegooid hebbe als ik d’r niet tussche gekomme was.”“Wat bedoel je met “weggooien?””vroeg de oude Jan.“Nou, dat ze ’t hem aangetrokken zoue hebbe om in begrave te worde, natuurlijk,” antwoordde de vrouw lachend. “D’r was ’t er een gek genoeg om ’t te doen, maar ik heb ’t hem weer uitgetrokke. Als katoen niet goed genoeg is voor zoo iets, dan is ’t nergens goed genoeg voor. ’t Staat em net zoo goed. Hij kan er moeilijk leelijker in uitzien dan ie toch al deed.”Scrooge luisterde met afgrijzen naar dit gesprek. Terwijl zij daar zoo zaten rondom hun buit, in het schaarsche licht dat de lamp van den ouden man gaf, zag hij op hen allen neer met een verachting en weerzin, die moeilijk grooter had kunnen zijn zoo zij in het duister-werkende demonen geweest waren die bezig waren het lichaam zelf te verkwanselen.“Ha, ha!” lachte hetzelfde wijf, toen de oude Jan een flanellen zakje met geld voor den dag haalde en hun hunne respectievelijke bedragen op den grond aftelde. “Zie je, zoo loopt ’t nou met hem af. Bij z’n leven schrikte hij iedereen af, om ons d’r van te late profiteeren nou dat ie dood is! ha ha!”“Geest!” zeide Scrooge, over het geheele lichaam huiverend. “Ik begrijp het, ik begrijp het. Het lot van dezen ongelukkigen man zou het mijne kunnenworden. Zooals het nu is, gaat mijn leven dien kant uit. Genadige Hemel, wat is dit!”Hij deinsde met afgrijzen terug, want het tafereel was veranderd, en nu raakte hij bijna een bed aan: een kaal bed, zonder gordijnen, waarop, onder een vodderig laken iets lag, dat hoewel het stom was, zich toch aankondigde in ontzagwekkende taal.Het vertrek was zeer duister, te duister om ook slechts eenigermate nauwkeurig te worden opgenomen, hoewel Scrooge, gehoorzamend aan een geheimen drang er in rond staarde, nieuwsgierig te weten wat voor een kamer dit was. Een mat licht, dat buiten scheen, viel recht op het bed; en op dit bed, beroofd en geplunderd, onbewaakt en onbeweend, lag het lichaam van een man.Scrooge keek naar het Spook. De vaste hand van den Geest wees naar het hoofd. Het laken was zoo achteloos er over geworpen dat zoo Scrooge het ook maar even opgebeurd had, hij het gezicht zou bloot gelegd hebben. Hij bedacht dit, en voelde hoe gemakkelijk hij dit kon doen, en voelde een aandrang hiertoe; doch hij miste evenzeer de kracht het te doen als om den Geest aan zijne zijde weg te zenden.“O, koude, koude, vreeselijke dood, zet uw altaar hier en omkleed het met al de verschrikkingen waarover gij gebiedt, want dit is uw rijk! Doch van een geliefd, geëerbiedigd hoofd kunt gij niet één haar krenken om uw verschrikkelijk doel te dienen of kunt gij één trek weerzinwekkend maken. Het is niet dat de hand nu zwaar is, en slap neervalt als zij losgelaten wordt, en niet dat het hart of de polsslag stilstaan; doch dat de hand mild, en vrijgevig en eerlijk was, het hart moedig en warm en liefderijk, en de polsslagdie van een man. Ha, schim, sla toe, en zie hoe de goede daden uit de wonde ontspringen om het zaad van het eeuwige leven op aarde te zaaien.”Geen stem zei deze woorden aan Scrooge’s oor, en toch hoorde hij ze toen hij naar het bed keek.Hij dacht, wat, zoo deze man nu opgewekt kon worden, zijne eerste gedachten zouden zijn. Gierigheid, meêdoogenloosheid, geldschraperszorgen? Deze alle hadden hem wèl tot een schoon uiteinde gebracht!Hij lag daar in het donkere ledige huis, zonder een man, vrouw of kind bij zich, om van hem te getuigen: “hij was vriendelijk en goed jegens mij in dit of dat en om de nagedachtenis aan één vriendelijk woord zal ìk nù goed voor hem zijn.” Er krabde een kat aan de deur en Scrooge hoorde het geluid van knagende ratten onder den haardsteen. Scrooge durfde er niet aan denken, wat diè wilden in het doodsvertrek en waarom zij zoo rusteloos waren.“Geest!” zeide hij, “dit is een vreeselijke plaats. Geloof mij dat zoo ik haar verlaat, ik de les die zij mij geleerd heeft niet zal achterlaten.”Nog steeds wees de Geest met den vinger naar het hoofd.“Ik begrijp u,” antwoordde Scrooge, “en zoo ik kon, zou ik het doen. Maar ik kàn niet, Geest. Ik kàn niet.”Wederom scheen de Geest hem aan te kijken.“Zoo er in de stad iemand is, die ontroering voelt over den dood van dezen man, smeek ik u mij hem te toonen,” zeide Scrooge zeer ontroerd.Het Spook spreidde zijn donker kleed een oogenblik voor hem, als een vleugel, en het weder wegtrekkend, liet hij hem een kamer bij daglicht zien, waarin een moeder en hare spelende kinderen zaten.Eindelijk deed zich de langverwachte klop hooren. Zij haastte zich naar de deur en ging haren echtgenoot tegemoet; een man wiens gelaat, hoewel nog jong, door zorgen vermagerd was. Nu droeg het een eigenaardige uitdrukking, een soort somber genoegen, waarover hij zich schaamde, en dat hij trachtte te onderdrukken. Hij ging aan tafel zitten om zijn middagmaal te gebruiken dat zij voor hem warm gehouden had bij het vuur; en toen zij hem zwakjes vraagde wat nieuws hij medebracht (wat zij niet deed dan na een lange stilte) scheen hij niet goed te weten hoe hij haar antwoorden zou.“Is het goed of slecht nieuws?” vroeg zij, om hem op gang te helpen.“Slecht!” antwoordde hij.“Zijn we dan heelemaal geruïneerd?”“Neen, er is nog hoop, Caroline.”“Als hij medelijden toont, dan is er nog hoop. Als dàt wonder gebeurt, dan is er nièts hopeloos.”“Hij kàn niet meer vermurwd worden,” zeide haar echtgenoot. “Hij is dood.”Als haar gelaat de waarheid sprak, was zij van nature een zacht, geduldig schepseltje; doch in haar hart was zij dankbaar dit te hooren en dit zeide zij ook met gevouwen handen. Het volgende oogenblik had zij er berouw van en bad om vergeving; doch het eerste gevoel was dat wat haar hart haar ingaf.“Wat de half-dronken vrouw waar ik je gisterenavond van vertelde, mij zeide, toen ik hem trachtte te spreken en een week uitstel te krijgen en wat ik hield voor een uitvlucht om mij te vermijden, blijkt maar al te waar te zijn. Toen zij het mij zeide, was hij niet alleen heel ziek, maar al stervende.”“Aan wien zal je schuld overgaan?”“Dat weet ik niet. Maar vóór ’t zoover is, zullen we ’t geld al hebben; en zelfs al hadden we ’t niet, dan zou ’t toch al heel erg zijn als wij in zijn opvolger een even genadeloos schuldeischer terugkregen als hij was. Vannacht tenminste kunnen wij met een licht hart gaan slapen, Caroline.”Ja, al trachtten zij het zich nog zoozeer te verbloemen, hunne harten waren toch lichter. Ook de gezichtjes der kinderen die stil zich om hen heen drongen, om te verstaan wat zij zoo weinig begrepen, waren opgeruimder; en door den dood van dezen man was het een gelukkiger tehuis! De eenige aandoening die de Geest hem naar aanleiding dezer gebeurtenis kon laten zien, was een van vreugde.“Toon mij eenig medegevoel in verband met een sterfgeval,” zeide Scrooge; “of dat donkere vertrek, Geest, dat wij zoo juist verlaten hebben, zal mij voor de rest van mijne dagen vervolgen.”De Geest leidde hem door verscheidene straten die Scrooge kende; en onder het voortgaan, keek Scrooge overal rond of hij zichzelven niet zag, doch nergens was hij te vinden. Zij gingen het huis van den armen Bob Cratchit binnen, het verblijf dat hij reeds eerder bezocht had, en vond de moeder en de kinderen om het vuur zitten.Het was er stil. Heel stil. De luidruchtige kleine Cratchits zaten stil als muizen in een hoek, en keken op naar Pieter die met een boek voor zich zat. Moeder en dochters waren bezig met naaien. Doch ook zij hielden zich wel heel stil!“En hij nam een kind, en plaatste het te midden van hen.”Waar kon Scrooge deze woorden gehoord hebben? Hij had ze toch niet gedroomd. De jongen moest ze hardop uit het boek voorgelezen hebben, toen hij den drempel overschreed. Waarom ging hij nu niet door?De moeder legde haar werk op tafel en bracht de hand aan het gezicht.“Die kleur doet mijn oogen pijn,” zei zij.De kleur? Och, arme kleine Tim!“Nu is ’t al weer over,” zei Cratchits vrouw. “Bij kaarslicht zijn ze een beetje zwak, en ik zou je vader als hij thuis komt voor geen geld zwakke oogen willen laten zien. ’t Zal zoowat tijd zijn dat hij komt.”“’t Is er al over,” antwoordde Pieter, zijn boek sluitend. “Maar ik zou denken dat hij wat langzamer dan anders geloopen heeft, de laatste paar avonden, moeder!”Toen werd alles weer stil. Eindelijk zei zij, met een vaste vroolijke stem, die slechts éénmaal haperde:“Ik herinner me anders nog heel goed hoe hij,... ik herinner mij nog goed hoe hij met kleine Tim op zijn schouder naar huis liep en nog wel hard ook.”“Ik ook,” riep Peter. “Zoo vaak!”“En ik,” riep een tweede. En ze herinnerden het zich allemaal.“Maar hij was ook erg licht om te dragen,” ging zij voort, ijverig doorwerkend, “en zijn vader hield zóóveel van hem, dat hij de zwaarte heelemaal niet voelde—heelemaal niet. En daar is je vader net aan de deur!”Zij haastte zich hem open te doen, en kleine Bob met zijn bouffante om—en hij had hem wèl noodig, arme drommel—kwam binnen. Zijn thee stond klaarvoor hem op de plaat en allen vochten om ’t hardst wie hem ’t eerst zou inschenken. Toen klommen de beide jonge Cratchits op zijne knieën en legden ieder een kleine wang tegen de zijnen alsof zij zeggen wilden: “Trek het je maar niet al te erg aan, vader. Wees maar niet bedroefd.”Bob was erg vroolijk en praatte opgeruimd met de geheele familie. Hij bekeek het werk op tafel en prees den ijver en ’t vlugge werken van juffrouw Cratchit en de meisjes.“De rouwkleeren zullen lang voor Zondag klaar zijn,” meende hij.“Zondag! Ben je er vandaag dan heen geweest, Robert?” vroeg zijne vrouw.“Ja, beste,” antwoordde Bob. “Ik wou dat je mee had kunnen gaan. Het zou je goed gedaan hebben te zien hoe groen dat plekje is. Maar je zult het dikwijls zien. Ik beloofde hem dat ik er Zondags zou heenwandelen. Mijn kleine, kleine man!” zeide Bob. “Mijn kleine jongen!”Opeens kon hij zich niet meer inhouden. Hij kon het niet helpen. Als hij het wel had kunnen helpen zouden hij en zijn kind misschien verder van elkaar geweest zijn dan zij nu waren.Hij ging de kamer uit, naar zijn kamertje boven, dat vroolijk verlicht was en met hulst behangen.Er stond een stoel dicht bij het kind en er waren teekenen dat er nog kort geleden iemand geweest was. De arme Bob ging op den stoel zitten, en toen hij een weinig nagedacht had en wat bedaard was, kuste hij het kleine gezichtje. Hij had nu vrede met wat gebeurd was en ging weder gelukkig naar beneden.Zij kropen allen dicht bij het vuur en praatten,terwijl de meisjes en de moeder stil doorwerkten. Bob vertelde hen van de buitengewone vriendelijkheid van meneer Scrooge’s neef, dien hij slechts eenmaal gezien had en dat nog maar even, en die hem dien dag op straat tegenkomend en ziend dat hij er een beetje—“een heel klein beetje neerslachtig uitzag,” zei Bob,—hem gevraagd had wat er gebeurd was dat hem zoo hinderde. “Waarop,” zei Bob, “want hij is de minzaamste meneer die je ooit gezien hebt,—ik ’t hem vertelde. “Dat spijt me van ganscher harte voor u, mijnheer Cratchit,” zeide hij,“en ook voor uw goede vrouw.” Hoè hij dàt wist, voor den drommel, dat weet ik nog niet.”“Wàt wist, lieve?”“Wel, dat jij een goede vrouw was,” antwoordde Bob.“Maar dat weet iedereen!” zeide Pieter.“Heel goed gezegd, m’n jongen!” riep Bob. “Ik hoop dat ze ’t allemaal weten. “’t Spijt me van ganscher harte voor uw goede vrouw,” zeide hij. “Als ik u met iets van dienst kan zijn,” zeide hij, mij zijn kaartje overhandigend, “dan weet u waar ik woon. Dan hebt u maar even aan te komen.” Het was niet om wat hij voor ons zou kunnen doen, dat ik zoo prettig vond wat hij zei. Het was of hij onzen kleinen Tim gekend had en hij met ons meevoelde.”“Ja, hij schijnt een goed hart te hebben!” zei juffrouw Cratchit.“Dat zou je nog zekerder gelooven als je hem zag en met hem sprak. ’t Zou me niks verwonderen, en onthou es wat ik je zeg, als hij Pieter een betere betrekking bezorgde.”“Hoor nu eens aan, Pieter,” zei juffrouw Cratchit.“En dan,” riep een van de meisjes, “gaat Pieterverkeering houden met een zeker meisje en een eigen huishoudentje beginnen.”“Och loop heen!” antwoordde Pieter grijnzend.“O, dat zie je dezer dagen nog es gebeuren,” zei Bob, “hoewel dáár nog tijd genoeg voor is, jongen. Maar hoe en wanneer we ook van elkaar mochten raken, geloof ik toch niet dat we ooit een van allen kleine Tim zullen vergeten—wel?—of deze eerste scheiding die er onder ons plaats vond?”“Nooit, vader,” riepen allen.“En ik weet ook zeker,” zei Bob, “ik weet ook zeker, dat als we er aan denken hoe geduldig en zacht hij was, al was hij nog maar een heel klein kind, dat wij niet licht met elkaar zullen kibbelen en terwijl we het doen kleine Tim vergeten.”“Nee, nooit, vader!” riepen allen weder uit.“Nu ik dat weet, ben ik heel gelukkig,” zei kleine Bob.Juffrouw Cratchit kuste hem en zijne dochters kusten hem, de twee jonge Cratchits kusten hem, en Pieter en hij schudden elkaar de hand.Geest van kleine Tim, uw kinderlijke Geest was uit God!“Spook!” zei Scrooge, “iets zegt mij dat het oogenblik van scheiden voor ons nadert. Ik weet het, doch ik weet niet hoe. Zeg mij wie de man was, dien ik dood zag liggen?”De Geest van het toekomstige Kerstfeest leidde hem, evenals te voren—hoewel op een anderen tijd, scheen het hem: ja, het kwam hem voor dat er geen geregelde orde was in de visioenen die deze Geest hem liet zien, behalve dat zij allen in de toekomst lagen—naar plaatsen die bezocht werden door mannen van zaken,doch toonde hem niet zijn eigen-ik. Ja zelfs bleef de Geest nergens voor stilstaan, doch ging voort alsof hij recht af ging op de plaats waar Scrooge zooeven op gedoeld had, en deze hem verzoeken moest een oogenblik te blijven staan.“Deze plaats,” zeide Scrooge, “waarover wij nu zoo snel loopen, is mijn kantoor en is dit al heel lang geweest. Ik zie het huis al. Laat mij zien wat ik in komende dagen zijn zal.”De Geest stond stil; de hand wees ergens anders heen.“Het huis is ginds,” riep Scrooge uit. “Waarom wijst gij een anderen kant uit?”De onverbiddelijke vinger verwrikte niet.Scrooge haastte zich naar het venster van zijn kantoor en keek naar binnen. Het was nòg een kantoor, doch niet meer het zijne. Het meubilair was niet meer hetzelfde en de gestalte in den stoel was hij ook niet.Het Spook bleef dezelfde richting uitwijzen als te voren.Hij voegde zich weder bij den Geest en zich verwonderend waarom hij hem hier mede heen genomen had, vergezelde hij hem tot zij een ijzeren hek bereikten. Hij bleef stil staan om eens rond te kijken vóór hij binnentrad.Een kerkhof. Hier dus lag de ellendige man, wiens naam hij nu zou te weten komen, begraven. Het was een waardige plaats. Omringd door muren van huizen, begroeid met gras en onkruid, de groei van den dood van het plantenleven, en niet het leven zelf; een plaats waar veel te veel dooden begraven waren; vet van verzadigden eetlust. Wèl een waardige plaats.De Geest stond tusschen de graven en wees op één hiervan.Scrooge ging er bevend naar toe. Het Spook was nog juist zooals het geweest was, doch hij vreesde een nieuwe beteekenis in zijne plechtige gestalte te zullen zien.“Vóór ik den steen waarop gij wijst, nader,” zeide Scrooge, “verzoek ik u mij een vraag te beantwoorden. Zijn deze slechts de schimmen van dingen die kùnnen worden?”Nog steeds wees de Geest naar het graf waarnaast hij stond.“De loopbaan der menschen voorspelt gewis soms het een of ander einde waartoe zij, zoo er in volhard wordt, onherroepelijk leiden moet,” zei Scrooge. “Doch zoo er van dezen baan wordt afgeweken, zal het einde ook anders zijn. Zeg dat dit ook is met wat gij mij toont!”De Geest bleef als altijd onbewegelijk staan.Scrooge naderde aarzelend en bevend, en de richting van den vinger volgend, las hij op den steen van het verwaarloosde graf zijn eigen naam, “Ebenezer Scrooge.”“Ben ik dan die man, die op dat bed lag?” riep hij op de knieën vallend uit.De vinger wees van het graf op hemzelven, en weder terug.“Neen, Geest, o, neen, dàt niet!”Doch de vinger bleef wijzen.“Geest,” riep hij uit, zich vastklemmend aan het kleed van zijnen geleider, “hoor mij aan! Ik ben niet meer de man die ik eens was. Ik wil niet meer zijn de man die ik had moeten blijven zoo dit alles mij nietgetoond ware. Waarom zoudt ge mij dit laten zien, als mijn geval hopeloos was?”Voor de eerste maal leek het of de hand beefde.“Goede Geest,” vervolgde hij, terwijl hij zich voor de gedaante op den grond wierp. “Uwe goedhartigheid komt voor mij tusschenbeiden, en heeft medelijden met mij. Geef me de verzekering dat ik nog verandering kan brengen in de schimmen die gij mij getoond hebt door een ander leven.”De vriendelijke hand beefde.“Ik zal Kerstmis in mijn hart eeren, en het ’t geheele jaar door trachten te vieren. Ik zal leven in het Verleden, het Heden en de Toekomst. De Geesten van deze drie zullen hunnen invloed in mij oefenen. En ik zal de lessen die zij mij leeren niet buitensluiten. O, zeg mij toch dat ik, wat op dezen steen geschreven staat, kan uitwisschen.”In zijn angst vatte hij de hand van den Geest. Deze zocht zich los te maken, doch hij was sterk in zijne smeeking en hield haar vast. Doch de sterkere Geest stiet hem eindelijk van zich af.Zijne handen opheffend tot een laatste bede, namelijk om zijn lot toch te doen keeren, zag hij een plotselinge verandering in den kap en het gewaad van den Geest. Deze slonk in, viel in elkaar, en werd... een beddepost.1Aan hen, die eene begrafenis volgen, worden o. a. zwarte handschoenen uitgereikt. In ons land is dit bij eene begrafenis aan het hof nog het geval.

Het Spook naderde langzaam, ernstig en zwijgend. Toen het naderbij kwam, liet Scrooge zich op de eene knie vallen. Want zelfs in de lucht waardoor het schreed scheen het duisternis en geheimzinnigheid te verspreiden. Het was gehuld in een zwart gewaad, dat zijn hoofd en gezicht en gedaante verborg en niets liet zien dan één uitgestrekte hand. Zoo het deze hand niet uitgestoken had zou het moeilijk gevallen zijn het te onderscheiden van het nachtelijk duister, waardoor het omgeven was. Hij voelde dat het lenig en statig was toen het naast hem kwam staan, en dat zijne mysterieuze persoonlijkheid hem vervulde met een alles in hem overstemmende vrees. Méér wist hij niet, want het Spook sprak niet tegen hem en bewoog zich niet.

“Ben ik in tegenwoordigheid van den Toekomenden Kersttijd?” zeide Scrooge.

De Geest antwoordde niet, doch wees met de hand voor zich uit.

“Mij is gezegd dat gij mij zult laten zien schimmen van dingen die nog niet gebeurd zijn, doch die zullen plaats grijpen in den tijd die voor ons ligt. Is dit zoo, Geest?”

De plooien van het bovenste gedeelte van het kleed werden een oogenblik samengetrokken, alsof de Geest met het hoofd neeg. Doch dit was het eenige antwoord dat hij ontving.

Hoewel hij nu al wel reeds gewend was aan spookachtig gezelschap, was Scrooge zoo bevreesd voor de zwijgende gedaante, dat zijne beenen onder hem beefden, en hij zich nauwelijks kon staande houden toen hij zich gereed wilde maken te volgen. De Geest bleef een oogenblik staan, alsof hij zijn toestand gade sloeg, en hem tijd wilde geven zich te herstellen.

Doch dit bracht Scrooge nog meer van zijn stuk. Het weten dat achter dat donkere kleed spokenoogen hem scherp gadesloegen, terwijl hij, hoewel hij zijn oogen zoo wijd mogelijk opensperde, niets kon zien dan een spookhand en één groote zwarte massa, deed hem beven van vage onbestemde angst.

“Geest der Toekomst!” riep hij uit. “Ik vrees u meer dan eenig ander Spook dat ik gezien heb. Doch daar ik weet dat het uw doel is mij goed te doen en ik hoop in de toekomst een ander man te worden dan ik was, ben ik bereid u te volgen en met een dankbaar hart. Wilt ge niet tegen mij spreken?”

Het gaf hem geen antwoord. De hand wees recht voor hen uit.

“Ga mij voor!” zeide Scrooge. “Ga voor! De nacht gaat snel voorbij en zijn tijd is kostbaar voor mij, dat weet ik. Ga mij voor, Geest!”

Het Spook gleed heen, op dezelfde wijze als het naar hem toe was gekomen. Scrooge volgde in de schaduw van zijn kleed, dat, zoo meende hij, hem staande hield en hem voortdroeg.

Het was alsof zij niet zoozeer de stad binnenkwamen dan wel dat de stad hen plotseling omgaf. Doch daar stonden zij plotseling in het hartje er van. Op de Beurs, tusschen de kooplieden, die snel op en neer liepen, en met het geld in hunne zakken rammelden, en in groepjes stonden te praten, en op hunne horloges keken, en in gedachten speelden met hunne groote gouden zegels, en al die dingen deden die Scrooge zoo dikwerf gezien had.

De Geest hield stil bij een klein troepje mannen van zaken. Bemerkend dat de hand naar hen wees, trad Scrooge naderbij om te luisteren naar wat zij zeiden.

“Neen,” zei een groote dikke man met een monsterachtige onderkin. “Ik kan je d’er niet veel van vertellen, hoe dan ook. ’t Eenige wat ik wéét, is, dat hij dood is.

“En wanneer heeft hij ’t afgelegd?” vroeg een ander.

“Gisterenavond, geloof ik.”

“En wat heeft ’em gemankeerd?” vroeg een derde, een kolossale hoeveelheid snuif nemend uit een erg groote snuifdoos. “Ik moet je zeggen, ik dacht dat hij niet dood kòn gaan.”

“God weet ’t,” zeide de eerste geeuwend.

“En wat heeft ie met zijn geld gedaan?” vroeg een heer met een erg rood gezicht, die een lillend uitwas aan het uiteinde van zijn neus had, dat trilde als de lellen van een kalkoensche haan.

“Dat heb ik niet gehoord,” zei de man met de groote onderkin, weder geeuwend. “Wellicht aan zijnGilde vermaakt. ’t Eenige wat ik weet, is, dat hij ’t niet aan mij heeft nagelaten.”

Deze grap werd met algemeen gelach ontvangen.

“’t Zal waarschijnlijk een goedkoope begrafenis zijn,” zei dezelfde spreker; “want ik zou waarachtig niet weten wie er mee moest gaan. Wat zouden jelui er van zeggen als wij eens een clubje vormden en aanboden om mee te gaan?”

“O, als er een goede lunch is heb ik er niets op tegen,” merkte de heer met den uitwas aan zijn neus op. “Maar ik moet goed te eten hebben, als ik meedoe.”

Weder gelach.

“Nou, ik ben bij slot van rekening de minstgeïnteresseerdevan jelui,” zeide de eerste spreker, “want ik draag nooit zwarte handschoenen1en ik drink nooit koffie. Maar ik wil wel meegaan als er nog meer voor te vinden zijn. Als ik ’t wel beschouw, ben ik heelemaal zoo zeker niet dat ik niet zijn intiemste vriend was; want als wij elkaar tegenkwamen, plachten we altijd even stil te staan en een praatje te maken. Saluut heeren!”

Sprekers en luisteraars slenterden weg en vermengden zich met andere groepen. Scrooge hoorde deze menschen en keek op naar den Geest om een uitlegging.

Het Spook gleed weder voort, de straat op. Zijn vinger wees naar twee personen die elkaar tegenkwamen. Scrooge luisterde weder, vermoedend dat de uitleg hier zou liggen.

Hij kende ook déze mannen zeer goed. Het warenmannen van zaken; heel rijk en zeer invloedrijk. Hij had het er altijd op aangelegd goed bij hen aangeschreven te staan: dat wil zeggen, uit een oogpunt van zaken.

“Hoe gaat ’t je?” zeide de een.

“Hoe gaat ’t jou?” antwoordde de ander.

“Dus,” zeide de eerste, “de oude Schraap heeft dan toch eindelijk gekregen wat hem toekomt, he?”

“Nou, weer voor Kerstmis, he? Rij je schaats?”

“Nee, nee, hoor, ik heb wel andere dingen om aan te denken. Adieu!”

Geen woord verder. Dat was hun geheele ontmoeting en hun geheele gesprek.

Scrooge’s eerste aandrift was verbaasd te zijn over het feit dat een Geest gewicht scheen te hechten aan dergelijke schijnbaar triviale gesprekken; doch voelend dat zij een verborgen doel moesten hebben, begon hij te bepeinzen wat dit doel kon zijn. Zij konden toch niet slaan op den dood van Jacob, zijn ouden compagnon, want dat behoorde tot het Verleden, en het gebied van dezen Geest was de Toekomst. Ook wist hij niemand te bedenken die onmiddellijk met hem in relatie stond, en op wien hij ze te pas kon brengen. Doch volstrekt niet betwijfelend dat, op wien zij ook doelden, zij een verborgen beteekenis hadden, nam hij zich voor ieder woord dat hij hoorde en al wat hij zag, zorgvuldig te vergâren; en in ’t bijzonder zijn eigen schim, zoo hij deze te zien kreeg, nauwkeurig gade te slaan. Want hij hoopte dat het optreden van zijn toekomstig Eigen-Ik hem den leiddraad zou geven, dien hij miste, en de oplossing dezer raadselen gemakkelijk zou maken. Hij keek zelfs op die plaats rond naar zijn eigen schim, doch een ander man stondnu op de plaats waar hij vroeger placht te staan, en hoewel de klok den tijd aanwees waarop hij gewoonlijk daar verscheen, zag hij niemand die op hem leek onder de menschenmenigte die door de groote deuren binnenstroomde. Doch hij verwonderde zich hier niet bijzonder over; want hij had in zijnen geest een geheel andere levenswijze overdacht, en nu dacht en hoopte hij, dat hiermede de uitvoering zijner pasgeboren voornemens een aanvang genomen had.

Rustig en somber stond het Spook naast hem, met uitgestrekte hand. Toen hij zich wakker schudde met zijn zelfonderzoek, meende hij op te maken uit de richting der hand, dat de onzichtbare oogen hem scherp aankeken. Dit deed hem huiveren, en hij voelde zich zeer koud.

Zij verlieten dit drukke tafereel en gingen naar een onbekend, onaanzienlijk gedeelte der stad, waarin Scrooge nooit te voren was doorgedrongen, hoewel hij de ligging en den slechten naam er van herkende. De straatjes waren smerig en nauw; de winkels en huizen bouwvallig; de menschen half-gekleed, dronken, met afgetrapte hakken en leelijk.

Stegen en portalen, als even zoovele zinkputten, braakten hun vuilen stank en modder en leven op de onregelmatige straten uit, en het geheele kwartier stonk naar vuil en ellende.

Ver in dit hol, waar de misdaad huisde, stond een laag-gevelig winkeltje met een luifel, waar ijzer, oude lompen, flesschen, beenderen en vettig afval opgekocht werden. Binnen, op den vloer, waren hoopen roestige sleutels, spijkers, kettingen, scharnieren, vijlen, weegschalen en gewichten opgestapeld, en allerlei afval. Geheimen, waarin slechts weinigen den moed zoudenhebben door te dringen, werden hier opgekweekt en verborgen in bergen van walgelijke lompen, hoopen bedorven vet en graftomben van beenderen. Tusschen de waren waarin hij handelde, bij een houtskoolkacheltje, gemaakt van oude baksteenen, zat een grijsharige schurk van bijna zeventig jaar, die zich tegen de koude buiten beschut had door een vuil voorhangsel van allerlei lompen, die over een touw hingen; en die zijn pijp rookte met al de weelde van een rustig rentenierschap.

Scrooge en het Spook stonden voor dezen man, juist toen een vrouw met een zwaar pak den winkel binnensloop. Doch nauwelijks was zij binnen, toen een tweede vrouw met een dergelijken last eveneens binnentrad, en zij werd op de hielen gevolgd door een man, gekleed in een vaal lakensch pak, die niet minder schrok toen hij hen zag, dan zij ontsteld waren toen zij elkander herkenden. Na een oogenblik van pure verbazing, waarin de oude man met de pijp deelde, barstten zij alle drie in lachen uit.

“Laat de schoonmaakster maar loopen, die zorgt wel dat zij nummer één is!” riep de vrouw die het eerst was binnengetreden. “Laat de waschvrouw maar loopen, die zorgt wel dat zij nommer twee is en de doodbidder dat hij nommer drie is. Dat is nou toch een buitenkansje, ouwe Jan! We zijn alle drie hier bij mekaar gekomme zonder ’t te wille!”

“Dat hadt je nooit op een betere plaats kunne doen,” zeide Oude Jan, zijn pijp uit den mond nemend. “Kom maar in de voorkamer. ’t Is al ’n heele tijd geleje dat je daar voor ’t éérst binnenkwam, en de twee andere zijn ook geen vreemden. Wacht even, dan zal ik de deur van de winkel dicht doen. He, wat piept ie! D’ris geen roestiger stuk ijzer in de heele zaak dan de hengsels van die deur, geloof ik; en ik weet zeker dat d’r geen ouwer botten hier zijn dan die van mijn. Ha, ha, ha! We zijn allemaal geschikt voor ons vak, we passen goed bij mekaar. Kom in de voorkamer, kom binnen, kom binnen.”

De voorkamer was de ruimte achter het voorhangsel van lompen. De oude man pookte de sintels van het vuurtje wat bijeen met een oude trap-roe, en nadat hij zijn smokerige lamp wat afgedaan had met de steel zijner pijp, stak hij deze laatste weder in den mond. Terwijl hij dit deed, wierp de vrouw die reeds gesproken had den bundel op den vloer en ging met een brutaal gezicht op een kruk zitten, sloeg de armen over elkaar op haar knieën en keek uitdagend naar de beide anderen. “Wat zou ’t! Wat zou ’t, juffrouw Dilber?” zei het mensch. “Iedereen heeft het recht voor z’n eige te zorge... Dat dee hìj ook!”

“Dat zeg uwes wel!” zei de waschvrouw. “Geen loer draaie, zou ’k denke?”

“Nou, blijf daar dan niet staan alsof je bang ben, mensch! wie weet er wat van? wìj zulle mekaar toch geen loer draaie, zou ’k denken?”

“Nee, dat geloof ’k ook niet!” zei juffrouw Dilber en de man tegelijk. “Dat denke we ook niet!”

“Nou, goed dan!” riep de vrouw. “Wie mist een paar dinge als die wij hier brenge? Zoo’n dooje man zéker niet.”

“Nee, daar kun je van op an!” lachte juffrouw Dilber.

“Als ie ze nog na zijn dood had willen houwe, die ouwe vrek, waarom was ie dan geen gewoon mensch met een beetje hart in z’n lijf? Als ie dat gehad had,dan zou d’r wel iemand geweest zijn om voor ’em te zorge, toen de dood em te pakken kreeg, inplaats van zoo als nou te ligge sterve heelemaal alleen.”

“Dat is ’t waarste woord dat je ooit gesproke hebt,” zeide juffrouw Dilber. “Nou heeft ie net wat ie verdiend heit.”

“Ik wou dat ’t wat zwaarder was,” antwoordde de vrouw, “en dat zou ’t, daar kun je van op an, als ik nòg meer te pakken had kunnen krijgen. Maak dat pakkie maar es los, Jan, en zeg me hoeveel je d’r voor geeft. Zeg ’t maar ronduit. Ik ben niet bang om de eerste te zijn, en ook niet dat zij ’t zien. Voor we mekaar hier ontmoetten, wisten we ieder voor zich ook wel dat we voor ons zelf zorgden. En dat is geen zonde. Maak open, ouwe Jan!”

Doch de galanterie harer vrienden liet dit niet toe en de man in het kale lakensche pak, het eerst den bres beklimmend, opende het eerst zijn pak. Het was niet groot. Een paar zegels, een potlood-houder, een paar manchetknoopen en een broche van geringe waarde, dat was alles. Deze artikelen werden één voor een onderzocht en getaxeerd door den ouden Jan, die de sommen die hij bereid was te geven voor elk met krijt op den muur schreef en ze samen optelde toen er niets meer kwam.

“Dat is jouw rekening,” zei Jan, “en al werd ik levend gekookt, geen schelling doe ’k er bovenop. Wie volgt?”

Juffrouw Dilber kwam nu aan de beurt. Lakens en handdoeken, een beetje lijfdracht, twee ouderwetsche zilveren theelepeltjes, een paar suikerscheppers en wat laarzen. Haar bedrag werd eveneens op den muur geschreven.

“Aan dames geef ik altijd te veel. Dat is ’n zwak van me en ik weet dat ’k me zelf d’r mee ruweneer,” zei ouwe Jan. “Dat is jouw bedrag. Als je me d’r een stuiver meer voor vroeg, zou ’t me spijte zoo vrijgevig geweest te zijn en zou ’k er een daalder afdoen.”

“En maak nou mijn pakkie maar es los, Jan,” zei de eerste vrouw.

Jan ging voor het gemak op zijn knieën liggen en nadat hij een massa knoopen losgemaakt had, haalde hij er een zware oude rol donkere stof uit.

“Hoe noem je dit?” zei Jan. “Bed-gordijnen!”

“Ha, ha!” antwoordde de vrouw lachend en zich op hare gekruiste armen vooroverbuigend, “bed-gordijnen!”

“Je wilt toch niet zeggen dat je ze met ringe en al van zijn bed heb genome, terwijl hij d’r nog leit?” zei Jan.

“Jawel zeker,” antwoordde de vrouw. “Waarom zou ’k niet?”

“Je bent ervoor geboren om je fortuin te maken,” zeide Jan, “en dat zul je zonder mankeere.”

“Ik zal vást m’n hande niet voor me houwe as ik er iets mee kan winne met ze uit te steke, naar ’t goed van ’n man als hij, dat kan ’k je wel vertelle, ouwe Jan,” antwoordde de vrouw bedaard. “Toe nou, laat die olie niet op de dekens valle.”

“Zijn dekens?” vroeg Jan.

“Van wie anders, denk je?” vroeg het wijf. “Hìj zal geen kou vatten, al heeft ie ze nou niet meer.”

“Hij is toch niet kapot gegaan aan de een of andere besmettelijke ziekte, he?” zeide de oude Jan, even opkijkend.

“Daar hoef je niet bang voor te zijn,” antwoorddehet wijf. “Ik ben niet zoo verlekkerd op zijn gezelschap, dat ik in zijn buurt zou gebleve zijn, als ik dat gedacht had. Ja, en ik zeg je dat je probeere mag om door dat hemd heen te zien tot je oogen d’r pijn van doen, maar je zult er geen gaatje in vinde, evenmin als een kale steê. ’t Is het beste hemd dat ie had en ’t is fijn, hoor. Ze zouen ’t eenvoudig weggegooid hebbe als ik d’r niet tussche gekomme was.”

“Wat bedoel je met “weggooien?””vroeg de oude Jan.

“Nou, dat ze ’t hem aangetrokken zoue hebbe om in begrave te worde, natuurlijk,” antwoordde de vrouw lachend. “D’r was ’t er een gek genoeg om ’t te doen, maar ik heb ’t hem weer uitgetrokke. Als katoen niet goed genoeg is voor zoo iets, dan is ’t nergens goed genoeg voor. ’t Staat em net zoo goed. Hij kan er moeilijk leelijker in uitzien dan ie toch al deed.”

Scrooge luisterde met afgrijzen naar dit gesprek. Terwijl zij daar zoo zaten rondom hun buit, in het schaarsche licht dat de lamp van den ouden man gaf, zag hij op hen allen neer met een verachting en weerzin, die moeilijk grooter had kunnen zijn zoo zij in het duister-werkende demonen geweest waren die bezig waren het lichaam zelf te verkwanselen.

“Ha, ha!” lachte hetzelfde wijf, toen de oude Jan een flanellen zakje met geld voor den dag haalde en hun hunne respectievelijke bedragen op den grond aftelde. “Zie je, zoo loopt ’t nou met hem af. Bij z’n leven schrikte hij iedereen af, om ons d’r van te late profiteeren nou dat ie dood is! ha ha!”

“Geest!” zeide Scrooge, over het geheele lichaam huiverend. “Ik begrijp het, ik begrijp het. Het lot van dezen ongelukkigen man zou het mijne kunnenworden. Zooals het nu is, gaat mijn leven dien kant uit. Genadige Hemel, wat is dit!”

Hij deinsde met afgrijzen terug, want het tafereel was veranderd, en nu raakte hij bijna een bed aan: een kaal bed, zonder gordijnen, waarop, onder een vodderig laken iets lag, dat hoewel het stom was, zich toch aankondigde in ontzagwekkende taal.

Het vertrek was zeer duister, te duister om ook slechts eenigermate nauwkeurig te worden opgenomen, hoewel Scrooge, gehoorzamend aan een geheimen drang er in rond staarde, nieuwsgierig te weten wat voor een kamer dit was. Een mat licht, dat buiten scheen, viel recht op het bed; en op dit bed, beroofd en geplunderd, onbewaakt en onbeweend, lag het lichaam van een man.

Scrooge keek naar het Spook. De vaste hand van den Geest wees naar het hoofd. Het laken was zoo achteloos er over geworpen dat zoo Scrooge het ook maar even opgebeurd had, hij het gezicht zou bloot gelegd hebben. Hij bedacht dit, en voelde hoe gemakkelijk hij dit kon doen, en voelde een aandrang hiertoe; doch hij miste evenzeer de kracht het te doen als om den Geest aan zijne zijde weg te zenden.

“O, koude, koude, vreeselijke dood, zet uw altaar hier en omkleed het met al de verschrikkingen waarover gij gebiedt, want dit is uw rijk! Doch van een geliefd, geëerbiedigd hoofd kunt gij niet één haar krenken om uw verschrikkelijk doel te dienen of kunt gij één trek weerzinwekkend maken. Het is niet dat de hand nu zwaar is, en slap neervalt als zij losgelaten wordt, en niet dat het hart of de polsslag stilstaan; doch dat de hand mild, en vrijgevig en eerlijk was, het hart moedig en warm en liefderijk, en de polsslagdie van een man. Ha, schim, sla toe, en zie hoe de goede daden uit de wonde ontspringen om het zaad van het eeuwige leven op aarde te zaaien.”

Geen stem zei deze woorden aan Scrooge’s oor, en toch hoorde hij ze toen hij naar het bed keek.

Hij dacht, wat, zoo deze man nu opgewekt kon worden, zijne eerste gedachten zouden zijn. Gierigheid, meêdoogenloosheid, geldschraperszorgen? Deze alle hadden hem wèl tot een schoon uiteinde gebracht!

Hij lag daar in het donkere ledige huis, zonder een man, vrouw of kind bij zich, om van hem te getuigen: “hij was vriendelijk en goed jegens mij in dit of dat en om de nagedachtenis aan één vriendelijk woord zal ìk nù goed voor hem zijn.” Er krabde een kat aan de deur en Scrooge hoorde het geluid van knagende ratten onder den haardsteen. Scrooge durfde er niet aan denken, wat diè wilden in het doodsvertrek en waarom zij zoo rusteloos waren.

“Geest!” zeide hij, “dit is een vreeselijke plaats. Geloof mij dat zoo ik haar verlaat, ik de les die zij mij geleerd heeft niet zal achterlaten.”

Nog steeds wees de Geest met den vinger naar het hoofd.

“Ik begrijp u,” antwoordde Scrooge, “en zoo ik kon, zou ik het doen. Maar ik kàn niet, Geest. Ik kàn niet.”

Wederom scheen de Geest hem aan te kijken.

“Zoo er in de stad iemand is, die ontroering voelt over den dood van dezen man, smeek ik u mij hem te toonen,” zeide Scrooge zeer ontroerd.

Het Spook spreidde zijn donker kleed een oogenblik voor hem, als een vleugel, en het weder wegtrekkend, liet hij hem een kamer bij daglicht zien, waarin een moeder en hare spelende kinderen zaten.

Eindelijk deed zich de langverwachte klop hooren. Zij haastte zich naar de deur en ging haren echtgenoot tegemoet; een man wiens gelaat, hoewel nog jong, door zorgen vermagerd was. Nu droeg het een eigenaardige uitdrukking, een soort somber genoegen, waarover hij zich schaamde, en dat hij trachtte te onderdrukken. Hij ging aan tafel zitten om zijn middagmaal te gebruiken dat zij voor hem warm gehouden had bij het vuur; en toen zij hem zwakjes vraagde wat nieuws hij medebracht (wat zij niet deed dan na een lange stilte) scheen hij niet goed te weten hoe hij haar antwoorden zou.

“Is het goed of slecht nieuws?” vroeg zij, om hem op gang te helpen.

“Slecht!” antwoordde hij.

“Zijn we dan heelemaal geruïneerd?”

“Neen, er is nog hoop, Caroline.”

“Als hij medelijden toont, dan is er nog hoop. Als dàt wonder gebeurt, dan is er nièts hopeloos.”

“Hij kàn niet meer vermurwd worden,” zeide haar echtgenoot. “Hij is dood.”

Als haar gelaat de waarheid sprak, was zij van nature een zacht, geduldig schepseltje; doch in haar hart was zij dankbaar dit te hooren en dit zeide zij ook met gevouwen handen. Het volgende oogenblik had zij er berouw van en bad om vergeving; doch het eerste gevoel was dat wat haar hart haar ingaf.

“Wat de half-dronken vrouw waar ik je gisterenavond van vertelde, mij zeide, toen ik hem trachtte te spreken en een week uitstel te krijgen en wat ik hield voor een uitvlucht om mij te vermijden, blijkt maar al te waar te zijn. Toen zij het mij zeide, was hij niet alleen heel ziek, maar al stervende.”

“Aan wien zal je schuld overgaan?”

“Dat weet ik niet. Maar vóór ’t zoover is, zullen we ’t geld al hebben; en zelfs al hadden we ’t niet, dan zou ’t toch al heel erg zijn als wij in zijn opvolger een even genadeloos schuldeischer terugkregen als hij was. Vannacht tenminste kunnen wij met een licht hart gaan slapen, Caroline.”

Ja, al trachtten zij het zich nog zoozeer te verbloemen, hunne harten waren toch lichter. Ook de gezichtjes der kinderen die stil zich om hen heen drongen, om te verstaan wat zij zoo weinig begrepen, waren opgeruimder; en door den dood van dezen man was het een gelukkiger tehuis! De eenige aandoening die de Geest hem naar aanleiding dezer gebeurtenis kon laten zien, was een van vreugde.

“Toon mij eenig medegevoel in verband met een sterfgeval,” zeide Scrooge; “of dat donkere vertrek, Geest, dat wij zoo juist verlaten hebben, zal mij voor de rest van mijne dagen vervolgen.”

De Geest leidde hem door verscheidene straten die Scrooge kende; en onder het voortgaan, keek Scrooge overal rond of hij zichzelven niet zag, doch nergens was hij te vinden. Zij gingen het huis van den armen Bob Cratchit binnen, het verblijf dat hij reeds eerder bezocht had, en vond de moeder en de kinderen om het vuur zitten.

Het was er stil. Heel stil. De luidruchtige kleine Cratchits zaten stil als muizen in een hoek, en keken op naar Pieter die met een boek voor zich zat. Moeder en dochters waren bezig met naaien. Doch ook zij hielden zich wel heel stil!

“En hij nam een kind, en plaatste het te midden van hen.”

Waar kon Scrooge deze woorden gehoord hebben? Hij had ze toch niet gedroomd. De jongen moest ze hardop uit het boek voorgelezen hebben, toen hij den drempel overschreed. Waarom ging hij nu niet door?

De moeder legde haar werk op tafel en bracht de hand aan het gezicht.

“Die kleur doet mijn oogen pijn,” zei zij.

De kleur? Och, arme kleine Tim!

“Nu is ’t al weer over,” zei Cratchits vrouw. “Bij kaarslicht zijn ze een beetje zwak, en ik zou je vader als hij thuis komt voor geen geld zwakke oogen willen laten zien. ’t Zal zoowat tijd zijn dat hij komt.”

“’t Is er al over,” antwoordde Pieter, zijn boek sluitend. “Maar ik zou denken dat hij wat langzamer dan anders geloopen heeft, de laatste paar avonden, moeder!”

Toen werd alles weer stil. Eindelijk zei zij, met een vaste vroolijke stem, die slechts éénmaal haperde:

“Ik herinner me anders nog heel goed hoe hij,... ik herinner mij nog goed hoe hij met kleine Tim op zijn schouder naar huis liep en nog wel hard ook.”

“Ik ook,” riep Peter. “Zoo vaak!”

“En ik,” riep een tweede. En ze herinnerden het zich allemaal.

“Maar hij was ook erg licht om te dragen,” ging zij voort, ijverig doorwerkend, “en zijn vader hield zóóveel van hem, dat hij de zwaarte heelemaal niet voelde—heelemaal niet. En daar is je vader net aan de deur!”

Zij haastte zich hem open te doen, en kleine Bob met zijn bouffante om—en hij had hem wèl noodig, arme drommel—kwam binnen. Zijn thee stond klaarvoor hem op de plaat en allen vochten om ’t hardst wie hem ’t eerst zou inschenken. Toen klommen de beide jonge Cratchits op zijne knieën en legden ieder een kleine wang tegen de zijnen alsof zij zeggen wilden: “Trek het je maar niet al te erg aan, vader. Wees maar niet bedroefd.”

Bob was erg vroolijk en praatte opgeruimd met de geheele familie. Hij bekeek het werk op tafel en prees den ijver en ’t vlugge werken van juffrouw Cratchit en de meisjes.

“De rouwkleeren zullen lang voor Zondag klaar zijn,” meende hij.

“Zondag! Ben je er vandaag dan heen geweest, Robert?” vroeg zijne vrouw.

“Ja, beste,” antwoordde Bob. “Ik wou dat je mee had kunnen gaan. Het zou je goed gedaan hebben te zien hoe groen dat plekje is. Maar je zult het dikwijls zien. Ik beloofde hem dat ik er Zondags zou heenwandelen. Mijn kleine, kleine man!” zeide Bob. “Mijn kleine jongen!”

Opeens kon hij zich niet meer inhouden. Hij kon het niet helpen. Als hij het wel had kunnen helpen zouden hij en zijn kind misschien verder van elkaar geweest zijn dan zij nu waren.

Hij ging de kamer uit, naar zijn kamertje boven, dat vroolijk verlicht was en met hulst behangen.

Er stond een stoel dicht bij het kind en er waren teekenen dat er nog kort geleden iemand geweest was. De arme Bob ging op den stoel zitten, en toen hij een weinig nagedacht had en wat bedaard was, kuste hij het kleine gezichtje. Hij had nu vrede met wat gebeurd was en ging weder gelukkig naar beneden.

Zij kropen allen dicht bij het vuur en praatten,terwijl de meisjes en de moeder stil doorwerkten. Bob vertelde hen van de buitengewone vriendelijkheid van meneer Scrooge’s neef, dien hij slechts eenmaal gezien had en dat nog maar even, en die hem dien dag op straat tegenkomend en ziend dat hij er een beetje—“een heel klein beetje neerslachtig uitzag,” zei Bob,—hem gevraagd had wat er gebeurd was dat hem zoo hinderde. “Waarop,” zei Bob, “want hij is de minzaamste meneer die je ooit gezien hebt,—ik ’t hem vertelde. “Dat spijt me van ganscher harte voor u, mijnheer Cratchit,” zeide hij,“en ook voor uw goede vrouw.” Hoè hij dàt wist, voor den drommel, dat weet ik nog niet.”

“Wàt wist, lieve?”

“Wel, dat jij een goede vrouw was,” antwoordde Bob.

“Maar dat weet iedereen!” zeide Pieter.

“Heel goed gezegd, m’n jongen!” riep Bob. “Ik hoop dat ze ’t allemaal weten. “’t Spijt me van ganscher harte voor uw goede vrouw,” zeide hij. “Als ik u met iets van dienst kan zijn,” zeide hij, mij zijn kaartje overhandigend, “dan weet u waar ik woon. Dan hebt u maar even aan te komen.” Het was niet om wat hij voor ons zou kunnen doen, dat ik zoo prettig vond wat hij zei. Het was of hij onzen kleinen Tim gekend had en hij met ons meevoelde.”

“Ja, hij schijnt een goed hart te hebben!” zei juffrouw Cratchit.

“Dat zou je nog zekerder gelooven als je hem zag en met hem sprak. ’t Zou me niks verwonderen, en onthou es wat ik je zeg, als hij Pieter een betere betrekking bezorgde.”

“Hoor nu eens aan, Pieter,” zei juffrouw Cratchit.

“En dan,” riep een van de meisjes, “gaat Pieterverkeering houden met een zeker meisje en een eigen huishoudentje beginnen.”

“Och loop heen!” antwoordde Pieter grijnzend.

“O, dat zie je dezer dagen nog es gebeuren,” zei Bob, “hoewel dáár nog tijd genoeg voor is, jongen. Maar hoe en wanneer we ook van elkaar mochten raken, geloof ik toch niet dat we ooit een van allen kleine Tim zullen vergeten—wel?—of deze eerste scheiding die er onder ons plaats vond?”

“Nooit, vader,” riepen allen.

“En ik weet ook zeker,” zei Bob, “ik weet ook zeker, dat als we er aan denken hoe geduldig en zacht hij was, al was hij nog maar een heel klein kind, dat wij niet licht met elkaar zullen kibbelen en terwijl we het doen kleine Tim vergeten.”

“Nee, nooit, vader!” riepen allen weder uit.

“Nu ik dat weet, ben ik heel gelukkig,” zei kleine Bob.

Juffrouw Cratchit kuste hem en zijne dochters kusten hem, de twee jonge Cratchits kusten hem, en Pieter en hij schudden elkaar de hand.

Geest van kleine Tim, uw kinderlijke Geest was uit God!

“Spook!” zei Scrooge, “iets zegt mij dat het oogenblik van scheiden voor ons nadert. Ik weet het, doch ik weet niet hoe. Zeg mij wie de man was, dien ik dood zag liggen?”

De Geest van het toekomstige Kerstfeest leidde hem, evenals te voren—hoewel op een anderen tijd, scheen het hem: ja, het kwam hem voor dat er geen geregelde orde was in de visioenen die deze Geest hem liet zien, behalve dat zij allen in de toekomst lagen—naar plaatsen die bezocht werden door mannen van zaken,doch toonde hem niet zijn eigen-ik. Ja zelfs bleef de Geest nergens voor stilstaan, doch ging voort alsof hij recht af ging op de plaats waar Scrooge zooeven op gedoeld had, en deze hem verzoeken moest een oogenblik te blijven staan.

“Deze plaats,” zeide Scrooge, “waarover wij nu zoo snel loopen, is mijn kantoor en is dit al heel lang geweest. Ik zie het huis al. Laat mij zien wat ik in komende dagen zijn zal.”

De Geest stond stil; de hand wees ergens anders heen.

“Het huis is ginds,” riep Scrooge uit. “Waarom wijst gij een anderen kant uit?”

De onverbiddelijke vinger verwrikte niet.

Scrooge haastte zich naar het venster van zijn kantoor en keek naar binnen. Het was nòg een kantoor, doch niet meer het zijne. Het meubilair was niet meer hetzelfde en de gestalte in den stoel was hij ook niet.

Het Spook bleef dezelfde richting uitwijzen als te voren.

Hij voegde zich weder bij den Geest en zich verwonderend waarom hij hem hier mede heen genomen had, vergezelde hij hem tot zij een ijzeren hek bereikten. Hij bleef stil staan om eens rond te kijken vóór hij binnentrad.

Een kerkhof. Hier dus lag de ellendige man, wiens naam hij nu zou te weten komen, begraven. Het was een waardige plaats. Omringd door muren van huizen, begroeid met gras en onkruid, de groei van den dood van het plantenleven, en niet het leven zelf; een plaats waar veel te veel dooden begraven waren; vet van verzadigden eetlust. Wèl een waardige plaats.

De Geest stond tusschen de graven en wees op één hiervan.

Scrooge ging er bevend naar toe. Het Spook was nog juist zooals het geweest was, doch hij vreesde een nieuwe beteekenis in zijne plechtige gestalte te zullen zien.

“Vóór ik den steen waarop gij wijst, nader,” zeide Scrooge, “verzoek ik u mij een vraag te beantwoorden. Zijn deze slechts de schimmen van dingen die kùnnen worden?”

Nog steeds wees de Geest naar het graf waarnaast hij stond.

“De loopbaan der menschen voorspelt gewis soms het een of ander einde waartoe zij, zoo er in volhard wordt, onherroepelijk leiden moet,” zei Scrooge. “Doch zoo er van dezen baan wordt afgeweken, zal het einde ook anders zijn. Zeg dat dit ook is met wat gij mij toont!”

De Geest bleef als altijd onbewegelijk staan.

Scrooge naderde aarzelend en bevend, en de richting van den vinger volgend, las hij op den steen van het verwaarloosde graf zijn eigen naam, “Ebenezer Scrooge.”

“Ben ik dan die man, die op dat bed lag?” riep hij op de knieën vallend uit.

De vinger wees van het graf op hemzelven, en weder terug.

“Neen, Geest, o, neen, dàt niet!”

Doch de vinger bleef wijzen.

“Geest,” riep hij uit, zich vastklemmend aan het kleed van zijnen geleider, “hoor mij aan! Ik ben niet meer de man die ik eens was. Ik wil niet meer zijn de man die ik had moeten blijven zoo dit alles mij nietgetoond ware. Waarom zoudt ge mij dit laten zien, als mijn geval hopeloos was?”

Voor de eerste maal leek het of de hand beefde.

“Goede Geest,” vervolgde hij, terwijl hij zich voor de gedaante op den grond wierp. “Uwe goedhartigheid komt voor mij tusschenbeiden, en heeft medelijden met mij. Geef me de verzekering dat ik nog verandering kan brengen in de schimmen die gij mij getoond hebt door een ander leven.”

De vriendelijke hand beefde.

“Ik zal Kerstmis in mijn hart eeren, en het ’t geheele jaar door trachten te vieren. Ik zal leven in het Verleden, het Heden en de Toekomst. De Geesten van deze drie zullen hunnen invloed in mij oefenen. En ik zal de lessen die zij mij leeren niet buitensluiten. O, zeg mij toch dat ik, wat op dezen steen geschreven staat, kan uitwisschen.”

In zijn angst vatte hij de hand van den Geest. Deze zocht zich los te maken, doch hij was sterk in zijne smeeking en hield haar vast. Doch de sterkere Geest stiet hem eindelijk van zich af.

Zijne handen opheffend tot een laatste bede, namelijk om zijn lot toch te doen keeren, zag hij een plotselinge verandering in den kap en het gewaad van den Geest. Deze slonk in, viel in elkaar, en werd... een beddepost.

1Aan hen, die eene begrafenis volgen, worden o. a. zwarte handschoenen uitgereikt. In ons land is dit bij eene begrafenis aan het hof nog het geval.

1Aan hen, die eene begrafenis volgen, worden o. a. zwarte handschoenen uitgereikt. In ons land is dit bij eene begrafenis aan het hof nog het geval.

Vijfde Zang.Het Einde.Ja, en deze beddepost was zijn eigene. Zijn eigen bed en eigen kamer. En wat het beste en gelukkigste voor hem was, was dat de tijd die voor hem lag zijn eigene nog was, om te vergoeden wat hij al dien tijd tekort geschoten was!“Ik zal leven in het Verleden, het Heden en de Toekomst!” herhaalde Scrooge, terwijl hij uit bed krabbelde. “En de Geesten, al deze drie, zullen in mij werken. Oh, Jacob Marley! De hemel en Kersttijd zijn geprezen! Ik zeg het op mijne knieën, oude Jacob, op mijne knieën!” Hij was zoo opgewonden, en zóó vol vuur voor zijne goede voornemens, dat zijn gebroken stem hem bijna haar dienst weigerde. Hij had hevig gesnikt in zijn strijd met den Geest en zijn gelaat was nat van tranen.“Zij zijn dus toch nog niet neergehaald!” riep Scrooge uit, een zijner bedgordijnen in zijn arm nemend, “ze zijn dus toch nog niet neergehaald metringen en al. Zij zijn er nog en ik ben er nog en de schimmen der dingen die hadden kunnen worden, mag ik verjagen. En dat zal ik!”Onderwijl had hij met zijne handen aldoor aan zijne kleederen gefrommeld, ze binnenste buiten keerend, ze verkeerd aantrekkend, ze scheurend en zoek makend, en er de zotste dingen mede uithalend.“Ik weet niet wat ik beginnen moet!” zei Scrooge tegelijkertijd lachend en huilend: zich zóó wringend om in zijne kousen te komen dat hij volkomen op Laokoön geleek. “Ik voel me zoo licht als een veêr en ben zoo gelukkig als een engel en zoo vroolijk als een schooljongen. Ik ben duizelig als een dronken man. Iedereen wensch ik een gelukkige Kerstmis, en de geheele wereld een goed Nieuwjaar. Hallo, hier! whoep, hallo!”Hij was naar zijn zitkamer gehuppeld, en stond daar nu geheel buiten adem.“Daar staat de sauskom, waar de pap in was!” riep Scrooge, opnieuw beginnend en om den haard dansend. “Daar is de deur waardoor de Geest van Jacob Marley binnenkwam! Daar is de hoek waar de Geest van het Tegenwoordig Kerstfeest zat! Daar is het raam waar ik de dolende Geesten door zag! Het was alles waar, en ’t is allemaal zoo gebeurd. Ha, ha, ha!”Voor een man die zooveel jaren lang geen oefening erin gehad had, was het werkelijk een kostelijke lach. Een doorluchtige lach, als de vader van een lange, lange reeks van kostelijke lachen!“Ik heb geen vaag begrip welke dag van de maand het is!” zeide Scrooge. “Ik weet niet hoe lang ik onder geesten verkeerd heb. Ik voel me net als een klein kind. Maar dat kan me niets schelen. Ik wou dat ik nog een klein kind wàs. Hallo, hoep, hallo!”Hij werd gestuit in zijne uitbundige vreugde door de kerkklokken die er lustiger op los luidden dan hij ooit gehoord had. Bim, bam, bim, bam, hamer, kling, klang! O, heerlijk, heerlijk.Naar het raam hollend, schoof hij het op en stak zijn hoofd naar buiten. Geen mist of nevel, doch zuivere, heldere, prettig-aandoende koude; ’n koude om het bloed naar zijn pijpen te laten dansen; gouden zonnelicht; een heerlijke lucht; goede, frissche lucht; en vroolijke klokken. O, heerlijk, heerlijk!“Wat voor ’n dag is ’t vandaag?” riep Scrooge een jongen, die op zijn Zondags gekleed was, toe.“Hè?” antwoordde de jongen, “wel Kerstdag natuurlijk!”“Kerstdag zegt ie!” zeide Scrooge bij zichzelven. “Dan heb ik ’t tòch niet gemist. De Geesten hebben ’t alles in één nacht gedaan. Zij kunnen alles doen zooals zij willen. Natuurlijk. Natuurlijk. Heidaar, jongen.”“Hallo!” antwoordde de jongen.“Weet je de poelier te wonen, in de straat hiernaast, op den hoek?” vroeg Scrooge.“Dat zou ’k gelooven,” antwoordde de jongen.“Knappe jongen!” zei Scrooge. “’n Merkwaardig gladde jongen! Weet je ook of ze de kalkoen die daar hing al kwijt zijn? Niet de kleine, maar de groote die bekroond is?”“Wat, bedoel je die, die zoo dik is als ik wel?” antwoordde de jongen.“Wat een engel van een jongen!” zei Scrooge. “’t Is een genot op zichzelf met dièn jongen te praten.—Jawel, kerel, die bedoel ik.”“Nee, die hangt d’r nog,” antwoordde de jongen.“Is ’t waar?” zei Scrooge. “Ga hem dan dadelijk halen.”“Mot je mèìn hebbe?” antwoordde de jongen, die dacht dat Scrooge hem voor den gek hield.“Nee, nee,” zei Scrooge. “Ik meen ’t. Ga ’em dadelijk voor me koopen, en zeg dat ze hem hier brengen, opdat ik ze kan zeggen waar ze hem moeten bezorgen. Kom met den man terug, dan krijg je twee kwartjes van me. Als je zorgt dat je binnen vijf minuten met hem terug bent, krijg je een daalder.”De jongen vloog weg als een pijl uit den boog. ’t Moest al een flinke schutter geweest zijn, die een schot zoo snel uit zijn geweer had kunnen krijgen.“Ik zal hem naar Bob Cratchit sturen!” fluisterde Scrooge, zich in de handen wrijvend en innerlijk lachend. “Hij zal niet weten wie hem stuurt. Hij is net tweemaal zoo dik als kleine Tim!”De hand, waarmede hij het adres schreef, was niet heel vast, doch hij kreeg het toch op het papier en ging naar beneden om de straatdeur open te doen en klaar te zijn als de knecht van den poelier kwam. Terwijl hij daar op diens komst stond te wachten viel zijn oog op den klopper.“Van dien klopper zal ik houden zoolang ik leef!” riep Scrooge uit, den klopper met zijn hand aaiend. “Vóór vandaag keek ik er nauwelijks naar. Wat een eerlijke uitdrukking heeft ie in zijn gezicht. Een wonderbare klopper!—Ha, hier hebben we den kalkoen. Hallo, hoep! Hoe gaat het? ’n Goeie Kerstmis, hoor!”Wat een kalkoen was dat! ’t Was niet mogelijk dat die vogel ooit fatsoenlijk op zijn pooten kon gestaan hebben. Ze zouden afgeknapt zijn in minder dan geen tijd, als pijpjes lak.“Maar die kun je niet heelemaal naar Camden Town dragen,” zeide Scrooge. “Daarvoor moet je een bakje hebben.”De inwendige lach waarmede hij dit zeide, en de inwendige lach waarmede hij voor den kalkoen betaalde, en de inwendige lach waarmede hij den jongen zijn belooning gaf, werden slechts overtroffen door den inwendigen lach waarmede hij buiten adem in zijn stoel nederviel en lachte tot hij begon te huilen.Scheren was geen gemakkelijke taak, want zijn hand beefde maar aldoor en scheren vereischt aandacht, zelfs al danst ge niet bepaald als ge er mede bezig zijt. Doch al had hij de punt van zijn neus afgesneden, dan zou hij er eenvoudig een stuk hechtpleister op gelegd hebben en volkomen voldaan geweest zijn. Hij kleedde zich op z’n Zondagsch en eindelijk ging hij de straat op. De menschen stroomden nu de straten door, juist zooals hij met den Geest van het huidige Kerstfeest gezien had, en met de handen op den rug voortwandelend, keek Scrooge iedereen aan met een opgeruimden glimlach. Hij zag er zoo onwederstaanbaar opgeruimd uit, dat drie of vier goedhartige lieden “Goeie morgen, meneer, een prettige Kerstmis!” tegen hem zeiden. En Scrooge placht nog dikwijls daarna te zeggen dat van al de aangenaam-aandoende klanken, die hij ooit gehoord had, deze wel het aangenaamst in zijn ooren klonken.Hij was nog niet ver gegaan of hij zag in zijne richting loopen de heer die gisteren zijn kantoor was binnengetreden en gezegd had: “Het kantoor van Scrooge en Marley, geloof ik?” Het gaf hem een steek in ’t hart toen hij er aan dacht hoe deze heer op hem zou neerzien als zij elkaar ontmoetten, doch hij wistnu welken weg voor hem lag en dien volgde hij.“M’n waarde heer,” zeide Scrooge, zijne schreden versnellend, en den ouden heer bij beide handen vattend. “Hoe gaat het? Ik hoop dat u gisteren goed geslaagd is. Het was bijzonder vriendelijk van u. Een blijde Kerstmis, mijnheer!”“Meneer Scrooge?”“Juist,” zeide Scrooge. “Zoo heet ik en ik vrees dat mijn naam geen aangename herinneringen bij u zal wekken. Sta mij toe dat ik u excuus vraag. En als u zoo goed wilt zijn”—hier fluisterde Scrooge iets aan zijn oor.“God beware me!” riep de heer uit, alsof het hem den adem benam. “M’n waarde heer Scrooge, meent u dat?”“Zeker,” zeide Scrooge. “Geen cent minder. Hierin zijn begrepen een groot aantal achterstallige betalingen, dat verzeker ik u. Wilt u mij het genoegen doen?”“M’n waarde heer,” zeide de ander, hem de hand schuddend, “ik kan u niet genoeg danken voor zulk een vorstelijke bijdr......”“Kom, het is de moeite niet waard,” hernam Scrooge. “Kom mij eens opzoeken. Wilt u?”“Zeker, dat zal ik beslist doen,” riep de oude heer uit. En het was duidelijk dat hij dit meende te doen ook.“Heel graag,” zei Scrooge. “Zeer verplicht. Duizendmaal dank.”Hij ging naar de kerk en liep wat straten om, en keek naar de menschen die zich voorthaastten, streek kinderen over het hoofd en ondervroeg bedelaars, en keek neer in de keukens der huizen en op naar de vensters, en bevond dat alles hem genoegen verschafte.Nooit had hij gedacht, dat een wandeling—of iets anders,—hem zoo gelukkig kon maken.Des middags richtte hij zijn schreden naar het huis van zijn’ neef.Hij liep de deur wel tienmaal voorbij, vóór hij de stoep op durfde gaan en aankloppen. Doch eindelijk schoot hij er op toe en klopte aan.“Is meneer thuis, kind?” zeide Scrooge tot het dienstmeisje, ’n knap meisje.“Jawel meneer.”“Waar is hij, kind?” zeide Scrooge.“Hij is in de eetkamer meneer, met mevrouw. Ik zal u even voorgaan naar boven.”“Goed hoor, hij kent me wel,” zei Scrooge, met zijn hand reeds op het slot der eetkamer. “Ik zal hier maar binnengaan, meisje.”Hij draaide den knop voorzichtig om en stak zijn hoofd zijdelings door de deur. Zij keken naar de tafel (die in vollen feestdos prijkte) want jonge huishoudsters zijn altijd een weinig zenuwachtig op dergelijke punten, en zien graag dat alles in orde is.“Fred!” zeide Scrooge.Goeie hemel, wat schrok zijne aangetrouwde nicht. Scrooge had een oogenblik vergeten dat hij haar met het voetebankje in den gemakkelijken stoel had zien zitten, of hij zou haar niet zoo hebben doen ontstellen.“Wel, heere m’n tijd!” riep Fred. “Wie hebben we hier?”“Ik ben het. Je oom Scrooge. Ik kom eten. Is ’t goed, Fred?”Of ’t goed was! Scrooge mocht van geluk spreken dat zijn neef zijn arm niet afschudde. Hij voelde zich binnen vijf minuten thuis. Niets kon hartelijker zijn.Zijn nicht was eveneens zeer vriendelijk voor hem. En dit was óók Topper, toen die kwam. En de mollige zuster toen zij kwam. En iedereen toen zij allen kwamen. Een wonder gezelschap en een wondere eenstemmigheid, en won-de-re gezelligheid.Doch den volgenden morgen was hij vroeg weder op het kantoor. O, hij was er zoo vroeg. Als hìj er maar eerst kon zijn en Bob Cratchit erop kon betrappen, dat die te laat kwam! Daar had hij zijn zinnen op gezet.En hij deed het, waarachtig hij deed het. De klok sloeg negen. Geen Bob. Kwart over negen. Nog geen Bob. Hij was volle achttien en een halve minuut over zijn tijd. Scrooge zat met zijn deur wijd open, om hem het kantoortje te kunnen zien binnenkomen.Vóór hij de deur opende, had hij zijn hoed al in de hand, en zijn bouffante eveneens. Hij zat in een wip op zijn kruk, en pende er op los, alsof hij probeerde 9 uur op de klok in te halen:“Hallo!” gromde Scrooge, zijn gewone stem aannemend zoo goed hij kon. “Wat heeft dat te beteekenen, dat je hier op dezen tijd durft aankomen?”“’t Spijt me erg, mijnheer,” zei Bob. “Ik bèn werkelijk over mijn tijd.”“Zoo?” herhaalde Scrooge. “Ja, dat zou ’k ook gelooven. Kom es even hierheen, alsjeblieft.”“Het is maar eens in ’t jaar, meneer,” pleitte Bob, uit het hokje komend. “Het zal niet meer gebeuren. Ik heb gisteren een beetje te veel pret gemaakt, meneer.”“Nou zal ik je es wat vertellen, vriendje,” zei Scrooge. “Ik wil iets dergelijks niet langer dulden. En daarom,” ging hij voort, van zijn kruk springend enBob zulk een duw in zijn vest gevend dat hij in het hokje terugwankelde, “en daarom ben ik van plan je salaris te verhoogen.”Bob beefde en ging een beetje dichter bij de liniaal staan. Het schoot hem een oogenblik door het hoofd of het niet goed zou zijn Scrooge daarmede neer te vellen, hem vast te houden en om hulp en een dwangbuis te roepen.“Vroolijke Kerstmis, Bob!” zeide Scrooge, zóó ernstig dat men hem niet verkeerd kòn begrijpen, en klopte zijnen klerk op den rug. “Een vroolijker Kerstmis Bob, kerel, dan ik je al zooveel jaren toegewenscht heb. Ik zal je salaris opslaan en probeeren je gezin bij te staan en nog dezen middag zullen we je zaken eens bepraten bij een Kerstbowl dampende bisschop. Maak de kachels aan en koop nog een kolenschop vóór je nog één puntje op een i zet, Bob Cratchit.”Scrooge deed zijn woord gestand. Hij deed alles wat hij beloofd had en nog veel meer; en voor kleine Tim, die nìet stierf, was hij een tweede vader; hij werd een vriend, een meester, en een mensch, zoo goed als de oude stad slechts kon aanwijzen. Sommigen lachten toen zij hem zoo veranderd zagen, doch hij liet hen lachen en stoorde er zich niet aan; want hij was verstandig genoeg te weten dat er op deze aardbol nooit iets ten goede gebeurt of er zijn menschen die er in het begin om lachen; en beseffend dat dergelijke lieden voor alles, waarvoor dan ook, blind zijn, vond hij het beter dat zij hunne oogen in rimpels trokken van het lachen dan dat zij de ziekte in minder aantrekkelijke vormen hadden. Zijn eigen hart lachte en dat was hem volkomen genoeg.Hij werd niet verder lastig gevallen door geesten,en men zei altijd van hem dat hij Kerstfeest kon vieren als de beste, zoo iemand tenminste wéét hoe het te vieren. Moge dit van ieder van ons gezegd worden! En wat kleine Tim zeide wensch ik u allen toe: “God zegene ons allen!”EindeEinde

Ja, en deze beddepost was zijn eigene. Zijn eigen bed en eigen kamer. En wat het beste en gelukkigste voor hem was, was dat de tijd die voor hem lag zijn eigene nog was, om te vergoeden wat hij al dien tijd tekort geschoten was!

“Ik zal leven in het Verleden, het Heden en de Toekomst!” herhaalde Scrooge, terwijl hij uit bed krabbelde. “En de Geesten, al deze drie, zullen in mij werken. Oh, Jacob Marley! De hemel en Kersttijd zijn geprezen! Ik zeg het op mijne knieën, oude Jacob, op mijne knieën!” Hij was zoo opgewonden, en zóó vol vuur voor zijne goede voornemens, dat zijn gebroken stem hem bijna haar dienst weigerde. Hij had hevig gesnikt in zijn strijd met den Geest en zijn gelaat was nat van tranen.

“Zij zijn dus toch nog niet neergehaald!” riep Scrooge uit, een zijner bedgordijnen in zijn arm nemend, “ze zijn dus toch nog niet neergehaald metringen en al. Zij zijn er nog en ik ben er nog en de schimmen der dingen die hadden kunnen worden, mag ik verjagen. En dat zal ik!”

Onderwijl had hij met zijne handen aldoor aan zijne kleederen gefrommeld, ze binnenste buiten keerend, ze verkeerd aantrekkend, ze scheurend en zoek makend, en er de zotste dingen mede uithalend.

“Ik weet niet wat ik beginnen moet!” zei Scrooge tegelijkertijd lachend en huilend: zich zóó wringend om in zijne kousen te komen dat hij volkomen op Laokoön geleek. “Ik voel me zoo licht als een veêr en ben zoo gelukkig als een engel en zoo vroolijk als een schooljongen. Ik ben duizelig als een dronken man. Iedereen wensch ik een gelukkige Kerstmis, en de geheele wereld een goed Nieuwjaar. Hallo, hier! whoep, hallo!”

Hij was naar zijn zitkamer gehuppeld, en stond daar nu geheel buiten adem.

“Daar staat de sauskom, waar de pap in was!” riep Scrooge, opnieuw beginnend en om den haard dansend. “Daar is de deur waardoor de Geest van Jacob Marley binnenkwam! Daar is de hoek waar de Geest van het Tegenwoordig Kerstfeest zat! Daar is het raam waar ik de dolende Geesten door zag! Het was alles waar, en ’t is allemaal zoo gebeurd. Ha, ha, ha!”

Voor een man die zooveel jaren lang geen oefening erin gehad had, was het werkelijk een kostelijke lach. Een doorluchtige lach, als de vader van een lange, lange reeks van kostelijke lachen!

“Ik heb geen vaag begrip welke dag van de maand het is!” zeide Scrooge. “Ik weet niet hoe lang ik onder geesten verkeerd heb. Ik voel me net als een klein kind. Maar dat kan me niets schelen. Ik wou dat ik nog een klein kind wàs. Hallo, hoep, hallo!”

Hij werd gestuit in zijne uitbundige vreugde door de kerkklokken die er lustiger op los luidden dan hij ooit gehoord had. Bim, bam, bim, bam, hamer, kling, klang! O, heerlijk, heerlijk.

Naar het raam hollend, schoof hij het op en stak zijn hoofd naar buiten. Geen mist of nevel, doch zuivere, heldere, prettig-aandoende koude; ’n koude om het bloed naar zijn pijpen te laten dansen; gouden zonnelicht; een heerlijke lucht; goede, frissche lucht; en vroolijke klokken. O, heerlijk, heerlijk!

“Wat voor ’n dag is ’t vandaag?” riep Scrooge een jongen, die op zijn Zondags gekleed was, toe.

“Hè?” antwoordde de jongen, “wel Kerstdag natuurlijk!”

“Kerstdag zegt ie!” zeide Scrooge bij zichzelven. “Dan heb ik ’t tòch niet gemist. De Geesten hebben ’t alles in één nacht gedaan. Zij kunnen alles doen zooals zij willen. Natuurlijk. Natuurlijk. Heidaar, jongen.”

“Hallo!” antwoordde de jongen.

“Weet je de poelier te wonen, in de straat hiernaast, op den hoek?” vroeg Scrooge.

“Dat zou ’k gelooven,” antwoordde de jongen.

“Knappe jongen!” zei Scrooge. “’n Merkwaardig gladde jongen! Weet je ook of ze de kalkoen die daar hing al kwijt zijn? Niet de kleine, maar de groote die bekroond is?”

“Wat, bedoel je die, die zoo dik is als ik wel?” antwoordde de jongen.

“Wat een engel van een jongen!” zei Scrooge. “’t Is een genot op zichzelf met dièn jongen te praten.—Jawel, kerel, die bedoel ik.”

“Nee, die hangt d’r nog,” antwoordde de jongen.

“Is ’t waar?” zei Scrooge. “Ga hem dan dadelijk halen.”

“Mot je mèìn hebbe?” antwoordde de jongen, die dacht dat Scrooge hem voor den gek hield.

“Nee, nee,” zei Scrooge. “Ik meen ’t. Ga ’em dadelijk voor me koopen, en zeg dat ze hem hier brengen, opdat ik ze kan zeggen waar ze hem moeten bezorgen. Kom met den man terug, dan krijg je twee kwartjes van me. Als je zorgt dat je binnen vijf minuten met hem terug bent, krijg je een daalder.”

De jongen vloog weg als een pijl uit den boog. ’t Moest al een flinke schutter geweest zijn, die een schot zoo snel uit zijn geweer had kunnen krijgen.

“Ik zal hem naar Bob Cratchit sturen!” fluisterde Scrooge, zich in de handen wrijvend en innerlijk lachend. “Hij zal niet weten wie hem stuurt. Hij is net tweemaal zoo dik als kleine Tim!”

De hand, waarmede hij het adres schreef, was niet heel vast, doch hij kreeg het toch op het papier en ging naar beneden om de straatdeur open te doen en klaar te zijn als de knecht van den poelier kwam. Terwijl hij daar op diens komst stond te wachten viel zijn oog op den klopper.

“Van dien klopper zal ik houden zoolang ik leef!” riep Scrooge uit, den klopper met zijn hand aaiend. “Vóór vandaag keek ik er nauwelijks naar. Wat een eerlijke uitdrukking heeft ie in zijn gezicht. Een wonderbare klopper!—Ha, hier hebben we den kalkoen. Hallo, hoep! Hoe gaat het? ’n Goeie Kerstmis, hoor!”

Wat een kalkoen was dat! ’t Was niet mogelijk dat die vogel ooit fatsoenlijk op zijn pooten kon gestaan hebben. Ze zouden afgeknapt zijn in minder dan geen tijd, als pijpjes lak.

“Maar die kun je niet heelemaal naar Camden Town dragen,” zeide Scrooge. “Daarvoor moet je een bakje hebben.”

De inwendige lach waarmede hij dit zeide, en de inwendige lach waarmede hij voor den kalkoen betaalde, en de inwendige lach waarmede hij den jongen zijn belooning gaf, werden slechts overtroffen door den inwendigen lach waarmede hij buiten adem in zijn stoel nederviel en lachte tot hij begon te huilen.

Scheren was geen gemakkelijke taak, want zijn hand beefde maar aldoor en scheren vereischt aandacht, zelfs al danst ge niet bepaald als ge er mede bezig zijt. Doch al had hij de punt van zijn neus afgesneden, dan zou hij er eenvoudig een stuk hechtpleister op gelegd hebben en volkomen voldaan geweest zijn. Hij kleedde zich op z’n Zondagsch en eindelijk ging hij de straat op. De menschen stroomden nu de straten door, juist zooals hij met den Geest van het huidige Kerstfeest gezien had, en met de handen op den rug voortwandelend, keek Scrooge iedereen aan met een opgeruimden glimlach. Hij zag er zoo onwederstaanbaar opgeruimd uit, dat drie of vier goedhartige lieden “Goeie morgen, meneer, een prettige Kerstmis!” tegen hem zeiden. En Scrooge placht nog dikwijls daarna te zeggen dat van al de aangenaam-aandoende klanken, die hij ooit gehoord had, deze wel het aangenaamst in zijn ooren klonken.

Hij was nog niet ver gegaan of hij zag in zijne richting loopen de heer die gisteren zijn kantoor was binnengetreden en gezegd had: “Het kantoor van Scrooge en Marley, geloof ik?” Het gaf hem een steek in ’t hart toen hij er aan dacht hoe deze heer op hem zou neerzien als zij elkaar ontmoetten, doch hij wistnu welken weg voor hem lag en dien volgde hij.

“M’n waarde heer,” zeide Scrooge, zijne schreden versnellend, en den ouden heer bij beide handen vattend. “Hoe gaat het? Ik hoop dat u gisteren goed geslaagd is. Het was bijzonder vriendelijk van u. Een blijde Kerstmis, mijnheer!”

“Meneer Scrooge?”

“Juist,” zeide Scrooge. “Zoo heet ik en ik vrees dat mijn naam geen aangename herinneringen bij u zal wekken. Sta mij toe dat ik u excuus vraag. En als u zoo goed wilt zijn”—hier fluisterde Scrooge iets aan zijn oor.

“God beware me!” riep de heer uit, alsof het hem den adem benam. “M’n waarde heer Scrooge, meent u dat?”

“Zeker,” zeide Scrooge. “Geen cent minder. Hierin zijn begrepen een groot aantal achterstallige betalingen, dat verzeker ik u. Wilt u mij het genoegen doen?”

“M’n waarde heer,” zeide de ander, hem de hand schuddend, “ik kan u niet genoeg danken voor zulk een vorstelijke bijdr......”

“Kom, het is de moeite niet waard,” hernam Scrooge. “Kom mij eens opzoeken. Wilt u?”

“Zeker, dat zal ik beslist doen,” riep de oude heer uit. En het was duidelijk dat hij dit meende te doen ook.

“Heel graag,” zei Scrooge. “Zeer verplicht. Duizendmaal dank.”

Hij ging naar de kerk en liep wat straten om, en keek naar de menschen die zich voorthaastten, streek kinderen over het hoofd en ondervroeg bedelaars, en keek neer in de keukens der huizen en op naar de vensters, en bevond dat alles hem genoegen verschafte.Nooit had hij gedacht, dat een wandeling—of iets anders,—hem zoo gelukkig kon maken.

Des middags richtte hij zijn schreden naar het huis van zijn’ neef.

Hij liep de deur wel tienmaal voorbij, vóór hij de stoep op durfde gaan en aankloppen. Doch eindelijk schoot hij er op toe en klopte aan.

“Is meneer thuis, kind?” zeide Scrooge tot het dienstmeisje, ’n knap meisje.

“Jawel meneer.”

“Waar is hij, kind?” zeide Scrooge.

“Hij is in de eetkamer meneer, met mevrouw. Ik zal u even voorgaan naar boven.”

“Goed hoor, hij kent me wel,” zei Scrooge, met zijn hand reeds op het slot der eetkamer. “Ik zal hier maar binnengaan, meisje.”

Hij draaide den knop voorzichtig om en stak zijn hoofd zijdelings door de deur. Zij keken naar de tafel (die in vollen feestdos prijkte) want jonge huishoudsters zijn altijd een weinig zenuwachtig op dergelijke punten, en zien graag dat alles in orde is.

“Fred!” zeide Scrooge.

Goeie hemel, wat schrok zijne aangetrouwde nicht. Scrooge had een oogenblik vergeten dat hij haar met het voetebankje in den gemakkelijken stoel had zien zitten, of hij zou haar niet zoo hebben doen ontstellen.

“Wel, heere m’n tijd!” riep Fred. “Wie hebben we hier?”

“Ik ben het. Je oom Scrooge. Ik kom eten. Is ’t goed, Fred?”

Of ’t goed was! Scrooge mocht van geluk spreken dat zijn neef zijn arm niet afschudde. Hij voelde zich binnen vijf minuten thuis. Niets kon hartelijker zijn.

Zijn nicht was eveneens zeer vriendelijk voor hem. En dit was óók Topper, toen die kwam. En de mollige zuster toen zij kwam. En iedereen toen zij allen kwamen. Een wonder gezelschap en een wondere eenstemmigheid, en won-de-re gezelligheid.

Doch den volgenden morgen was hij vroeg weder op het kantoor. O, hij was er zoo vroeg. Als hìj er maar eerst kon zijn en Bob Cratchit erop kon betrappen, dat die te laat kwam! Daar had hij zijn zinnen op gezet.

En hij deed het, waarachtig hij deed het. De klok sloeg negen. Geen Bob. Kwart over negen. Nog geen Bob. Hij was volle achttien en een halve minuut over zijn tijd. Scrooge zat met zijn deur wijd open, om hem het kantoortje te kunnen zien binnenkomen.

Vóór hij de deur opende, had hij zijn hoed al in de hand, en zijn bouffante eveneens. Hij zat in een wip op zijn kruk, en pende er op los, alsof hij probeerde 9 uur op de klok in te halen:

“Hallo!” gromde Scrooge, zijn gewone stem aannemend zoo goed hij kon. “Wat heeft dat te beteekenen, dat je hier op dezen tijd durft aankomen?”

“’t Spijt me erg, mijnheer,” zei Bob. “Ik bèn werkelijk over mijn tijd.”

“Zoo?” herhaalde Scrooge. “Ja, dat zou ’k ook gelooven. Kom es even hierheen, alsjeblieft.”

“Het is maar eens in ’t jaar, meneer,” pleitte Bob, uit het hokje komend. “Het zal niet meer gebeuren. Ik heb gisteren een beetje te veel pret gemaakt, meneer.”

“Nou zal ik je es wat vertellen, vriendje,” zei Scrooge. “Ik wil iets dergelijks niet langer dulden. En daarom,” ging hij voort, van zijn kruk springend enBob zulk een duw in zijn vest gevend dat hij in het hokje terugwankelde, “en daarom ben ik van plan je salaris te verhoogen.”

Bob beefde en ging een beetje dichter bij de liniaal staan. Het schoot hem een oogenblik door het hoofd of het niet goed zou zijn Scrooge daarmede neer te vellen, hem vast te houden en om hulp en een dwangbuis te roepen.

“Vroolijke Kerstmis, Bob!” zeide Scrooge, zóó ernstig dat men hem niet verkeerd kòn begrijpen, en klopte zijnen klerk op den rug. “Een vroolijker Kerstmis Bob, kerel, dan ik je al zooveel jaren toegewenscht heb. Ik zal je salaris opslaan en probeeren je gezin bij te staan en nog dezen middag zullen we je zaken eens bepraten bij een Kerstbowl dampende bisschop. Maak de kachels aan en koop nog een kolenschop vóór je nog één puntje op een i zet, Bob Cratchit.”

Scrooge deed zijn woord gestand. Hij deed alles wat hij beloofd had en nog veel meer; en voor kleine Tim, die nìet stierf, was hij een tweede vader; hij werd een vriend, een meester, en een mensch, zoo goed als de oude stad slechts kon aanwijzen. Sommigen lachten toen zij hem zoo veranderd zagen, doch hij liet hen lachen en stoorde er zich niet aan; want hij was verstandig genoeg te weten dat er op deze aardbol nooit iets ten goede gebeurt of er zijn menschen die er in het begin om lachen; en beseffend dat dergelijke lieden voor alles, waarvoor dan ook, blind zijn, vond hij het beter dat zij hunne oogen in rimpels trokken van het lachen dan dat zij de ziekte in minder aantrekkelijke vormen hadden. Zijn eigen hart lachte en dat was hem volkomen genoeg.

Hij werd niet verder lastig gevallen door geesten,en men zei altijd van hem dat hij Kerstfeest kon vieren als de beste, zoo iemand tenminste wéét hoe het te vieren. Moge dit van ieder van ons gezegd worden! En wat kleine Tim zeide wensch ik u allen toe: “God zegene ons allen!”

Einde

Einde


Back to IndexNext