Hoofdstuk XXII.

Hoofdstuk XXII.Op ’t partijtje ter eere van Go’s candidaats-examen,—dadelijk na de groote vacantie in haar vijfde jaar,—had Else opeens den lust voelen opkomen Leiden weer ’s terug te zien, en er was ’n afspraak gemaakt voor den dag van de hospitanten-vergadering van de V. V. S. L., omdat ze ook zoo graag Go ’s avonds als praeses de zaken wilde zien leiden. Zoo was ze gekomen, met den gewonen ochtendtrein, had “derde” gereisd om alles ècht te doen, als vroeger;—maar toen ze pas op de kamer was, had ze toch, vervuld van de gewichtigheid van haar jong-mevrouwtje-zijn, over niets anders kunnen praten dan over háár huis, háár meiden, háár man, en háár kind, den kleinen Janneman, den modeljongen, die nu den heelen dag bij z’n grootmoeder was.—“Had ’m toch meegebracht,” zuchtte Go telkens;—en eerst ná de koffie, toen ze rustiger werden en weer meer aan elkaar gewend, begon de herinnering weer levend in haar te worden, en, starend in de ros-gouden bladerpracht van de tuinen, vroeg ze: “En nu moet je me alles van de menschen van vroeger vertellen.... Ik weet van niemand iets, dan vanBeerenstijn. Die heeft nogal praktijk; ik heb ’m laatst ook ’s bij Jannie gehad.... Dan is hij zoo zacht.”“Ja,” zei Go peinzend, “hij is heel hartelijk, bij erge dingen. Toen met Hans had ik eigenlijk aan hèm ’t meest.”“Ja gòd.... maar vertel nu ’s, is er nog niemand gepromoveerd?”“Ja, Lize, dat weet je. ’n Mooie dissertatie. Verwónderlijk goed; want zelfstandig-wetenschappelijk werk is bij ’n meisje toch altijd ’n zeldzaamheid.”“O, ja.. ik herinner me; ze heeft ons ’n boek gestuurd. Over.... ach ja, ik weet niet; iets wetenschappelijks. Jantje heeft ’t in beslag genomen, leest er uit voor;.... schattig, zooals hij Han nadoet, zie-je, met z’n vingertje over de bladzij.... Maar zeg ’s, is Hoefman nog niet klaar, en gaan ze niet trouwen?”“Ja, ’k geloof, dat hij ’n heel buitengewone dissertatie schrijven wil; hij moet er voor naar IJsland;—maar ’k denk, dat zij daarbij wel helpen zal... Je weet toch, dat De Veer ’n paar maanden geleden gesjeesd is?”“Nee, hoe zou ik? Waarom? Wat heeft-ie uitgevoerd?”“’t Is ’n léuke jongen. Je moet geen kwaad van ’m zeggen. Op ’n middag kwam hij bij me en zei: “Go, ik heb geen plezier meer in fuiven.” “Zoo,” zei ik, “dan ga-je nu zeker werken, hè?” Nee, dat kon hij ook niet, het was ’m te stil. En kort en goed: de volgende maand ging hij naar Amerika, ergens in ’t binnenland, waar ’t nog erg ongecultiveerd is, bosschen-omhakken. Hij zei, dat hij voelde eigenschappen van ’n oermenschte bezitten.... hier zou hij stikken! En toen is-tie gegaan. ’t Heeft me erg aangepakt, die grappige kerel de wijde wereld in te zien trekken. Maar Gerard zei....”“Ja, Leeden.. komt die dikwijls? Hij studeert nu Chineesch, is ’t niet?”“Nee, ’k zie ’m niet dikwijls meer;—’t is hier zoo ongestadig met de vriendschap, ik ben nu meer in ’n ander clubje geraakt; de vergaderingen van L. V.—och, ’t is kwijnen tegenwoordig. De nieuwe leden voelen er zooveel niet meer voor. En Gerard...” Go zweeg even, en keek, verlegen, recht voor zich uit. “Zeg jij ’s, Elsi, heb-je wel ’s gedacht, dat Gé meer dan vriendschap voor me zou kunnen hebben?”“Wel, als ’n jongen tegen míj had gedaan, als hij tegen jou,—maar half zooveel,—zou ik zéker gedacht hebben, dat hij verliefd op me was. Maar jij was altijd zoo anders dan ik, met de jongens.”“Mary zegt, dat, als je zelf maar niet over de mogelijkheid denkt, maar gewoon-eerlijk tegen hun doet, zonder opschroeverij, er bijna nooit iemand verkeerd van je zal gaan houden. Maar den laatsten tijd was hij soms zoo vreemd, ongeduriger, ongelijkmatig. Ik heb ’t ’m eens gezegd, en nu zie ik ’m zoo zelden meer;... ’t is jammer....”“Ja; want jij niet, hè?” en Else keek haar even onderzoekend aan. Toen, schijnbaar zonder verband, vroeg ze: “En hoe gaat het met Van Neerwinden tegenwoordig?”“O, ik geloof, dat die hard werkt,” antwoordde Go zacht, “hij had wel al klaar kunnen zijn, maar hij is nu al lang weg; doet ’n groote studiereis.... En Rolands is doctorandus. Spreek-je Francis wel in Den Haag?”“Ja, we komen bij dezelfde families aan huis. Haar man is rechter.” En éven dacht ze er over weer te gaan vertellen van hun weelderig, ijdel leventje daar, de partijen en dinertjes, en de naijver en kleine plagerijen onder elkaar; maar ze hield zich in, vroeg door naar Riek, die altijd nog maar “in stilte” verloofd was, en weinig vooruitzicht had, omdat hij niets uitvoerde, ’n echte boemelaar....“Ze is lief,” zei Go met warmte, “ze heeft er ’s eens met me over gepraat. “Als ík ’m niet vasthoud en ’m altijd vertrouw,” zei ze, “wat zou er dan van z’n leven terecht komen?” Ik weet niet, of ze gelijk heeft, maar hierin kun-je geen raad geven.... Nou, en Coba zal ook wel gauw candidaats doen, al tennist ze veel te veel, om ooit ’n geleerde te worden;.... maar Lou komt er nooit toe, uit angst en zenuwachtigheid. Zoo zielig; ze heeft vreeselijk gehuild op haar eerste tentamen, en nu durft ze niet meer.”“Kleine Lou, die moest nu toch niet studeeren, hè? Die zou beter zijn voor kinderen, of bij ’n goedige, zwakke dame;... en ’t allerbeste zou zijn, als ze zelf als ’n kindje kon worden verwend.”“Weet je, dat Erna, dat mooie meisje, die zoo artistiek en bohémiennig was, zenuwziek is geworden,—in ’n inrichting nu? Het was zoo’n eigenaardig type, wèl sympathiek. Op haar kamer droeg ze altijd vreemde, wijde tunica’s, haar haar los, en sandalen;... ik heb ’s bij haar gelogeerd: alles was even wonderlijk, en in den nacht zat ze in het maanlicht op ’n beestevel te declameeren;—haar familie was in Arabië, en niemand lette er op, hoe ze leefde. Toen ik haar nu laatst opzocht, stond ze in ’n schuit en schepte mest;ze zei, dat zoo iets heerlijk was;.... er waren meer studenten, geen intiemen;.... ach ja, de eenzijdigheid wreekt zich en geestelijk overladenen gaan in den grond ploeteren.”Else keek haar even aan; zei toen verwonderd: “Hè, zoo iets, zoo iets wijs, algemeens, waar haal-je dat van daan? Dat leer-je zeker van de meisjes hier, want zie-je.... ik vind ze heel aardig, Go; maar zijn jullie altijd zoo, zoo ernstig, zoo verstandig....? Als ik ’s reken.... wij vroeger.... dat was toch wel héél wat anders.”“Ons eerste jaar.... ja, zeker; dat wás heel wat anders.”“Als je ’s denkt aan onze pret met die kamerversiering;.... en soms heelemaal om niets, als ’t mooi weer was, en we ons zoo lekker voelden! We konden zoo dwaas doen, weet je nog wel? Ik wed, dat je met Frieda en Mary nooit flikjes en kaakjes zult geroosterd hebben?”Go lachte. “Nee, nee.... dat was leuk. Ja, dát was gezellig, samen....”“En glij-baantje over ’t zeil voor de kachel?”“Noù. Zúllen we nog ’s, zeg? Wat is dat lang geleden!”Else schudde haar hoofd. “Nee, voor mij is nu alles zoo veranderd, m’n positie in de wereld.... Wat zou Jannie wel zeggen, als-tie z’n moeder zoo dwaas zag doen....” maar ze voelde toch even met haar kleinen voet, “of ’t glad was,” teleurgesteld ’m weer terugtrekkend.“Maar voor míj is ’t ook anders,” zei Go, zacht en beslist. “Zooals toen, toen de studie maar ’n bijdingetje was, kon het toch de verdere jaren niet blijven.”“Dus nu is ’t álles geworden; bepaald je ideaal?”Else keek naar de boeken op de schrijftafel, en, systematisch geschikt, op den vollen boekenstandaard; de kamer zag er zoo ánders dan vroeger, zoo echt-om-te-studeeren uit: deseriesover elkaar op de deur, ’t Minerva-beeld in den hoek, aan den muur lidmaatschap-kaarten, en ’n enkele, stemmige gravure. En dan al die wijsheid;—ze herkende de groene bandjes van Hegel, die Han ook had, en Nietsche en Plato en Spinoza, met de witte ruggetjes,—wat bekommerde zij zich nog om boeken, behalve bij ’t stof-afnemen; terwijl ’t hiér scheen, of wetenschap ’t eenige was....Go vóelde, dat Else op dat oogenblik hun levens tegen elkaar wóóg, en het werd haar diep en duidelijk bewust, hoe ver ze van elkaar waren gedreven, zij, die hun eerste vrijheid-vreugde samen hadden genoten. Toen zei ze langzaam, alsof ze onder ’t spreken haar gedachten nog aan ’t formuleeren was, strak starend op Jantje’s portret: “Ik geloof niet, dat studie, voor mij evenmin als voor de meeste meisjes, bepaalde róeping, ’t eenige is. Lize heeft ’t me gezegd op de eerste clubvergadering, en al zag ze verder de zaak veel te duister in, ik gelóóf, dat ze hierin toch wel gelijk had. Maar daarmee is het studeeren voor meisjes natuurlijk absoluut niet veroordeeld. Ik meen alleen, dat bij háár altijd ’n kwestie van keuze wordt, wat ’n man vereenigt;—ik bedoel bij ’n huwelijk, en dat ze dan, bijna altijd, niét de studie zullen kiezen. Daarom is het niet haar hoogste roeping; maar wél kan ’t iets zijn, dat haar heelemaal in beslag neemt, en vult... Zie-je, ik geloof, dat ’t bij mij zóó is: ik heb heel veel kracht, en toewijding en levenslust. Die moet ik ergens aan geven. En omdat ik nu hier ben,tusschen studeerende menschen, in geestelijk-ontwikkelend milieu, geef ik ze aan studie, m’n speciaal vak, en wijsbegeerte en oeconomie... en allerlei. Begrijp-je?”Else streek met haar hand langs de boek-ruggen, en knikte; maar ze dacht aan Han, en haar huis en aan Jantje,... en de meiden, en wat morgen eten. En ze begreep eigenlijk niet, hoe Go, haar eigen nichtje, even oud als zij, buiten dat alles leven kon, en niet ongelukkig zijn.“O, en dien avond, toen Gé den wijn met kruidnagelen bracht,” zei Go, terwijl ze de trap naar het clublokaal opliepen, en ze voelde zich overvol van oude herinnering. Ze hadden samen de stille, donkere stad doorgeloopen, en weer samen-gevoeld, elkaar weer begrepen in het verleden,—en nu scheen ’t bijna ongelooflijk, dat Else zoo lang weg was geweest, voelden ze zich even weer eerste-jaartjes, toen ze de lichte zaal binnen kwamen.Maar ’t was dadelijk anders; de meisjes stormden op Go toe, om haar nog geluk te wenschen met ’r candidaats-examen; op haar praeses-plaats aan de groene tafel stond een bos bloemen, ’n attentie van ’t bestuur, en ze wist weer: hier was ze niet langer het schuchtere kind, dat in ’n hoek tegen den muur stond en niemand aanspreken durfde; ze was het middelpunt, de leidster, de eerste van de club geworden, en terwijl ze even sprak met de secretaris, met ’t meisje, dat de lezing zou houden, bemerkte ze, tot eigen verbazing, hoe zij rustig-helder alles regelde en den avond organiseerde.Mary had er op aangedrongen, dat ze zich meermet de meisjes-vereeniging bemoeien zou. Zij zelf kwam er zelden, omdat ze nu eenmaal in dit opzicht nog ’n vrouw van de oude traditie was, die in societeitsleven zich niet thuis kon voelen.“Zie-je,” had ze peinzend tegen Go gezegd, “een van de dingen die ik ’t mooist vind in de vrouw van vroeger, is, dat ze, hoewel minder individueel ontwikkeld dan de man, die zwakke individualiteit in eenzaamheid altijd zoo zuiver heeft bewaard, veel beter dan de man, die in de gemeenschap het fijnste, het hem-alleen-eigene, moest opgeven in ’t belang van ’t geheel. Maar nu meisjes mee gaan strijden om ’n plaats in de maatschappij, is het natuurlijk, dat ze zich ook aansluiten, ook gaan vergaderen en debatteeren.—Alleen—ik voel me hierin nog zoo ouderwetsch, wil me niet schikken, wil me niet géven, ik kan niet velen, dat er aan m’n gevoel getrokken wordt... Ik blijf liever alleen,—maar ’k geloof zeker, dat ’t jou goed zal doen, als je er meer in komt.”Go hád er heel gauw plezier in gehad, in de namiddag-thee’s met de levendige gesprekken, in de faculteits-vergaderingen en de groote bijeenkomsten. Het tweede jaar was ze al praeses van haar faculteit gemaakt, en toen ze met de algemeene verkiezing candidaat was gesteld, was ze met bijna-eenstemmigheid gekozen. Ze voelde zelf, dat ze er op haar plaats was en toen ze den hamer ter opening van de vergadering had laten vallen, was het, of uit al de luisterende gezichten de sympathie naar haar toe groeide.“Bij het openen van de eerste vergadering na de groote vacantie,” begon ze met haar heldere, opgewekte stem, “heet ik de hospitanten hartelijkwelkom, en spreek den wensch uit ze als leden nog vaak in ons midden te mogen zien. Dat onze vereeniging voor vrouwelijke studenten bloeit, en wezenlijk in ’n behoefte voorziet,—het jaarverslag zal het ons allen dadelijk met getallen en feiten duidelijk maken, maar wezenlijker, dan ’n statistiek het ons leeren kan, worden we ’t ons bewust, wanneer we op dezen avond de zaal rondkijken, en zien, hoe groot de opkomst is, en voelen, hoeveel vriendinnen de club ons heeft gegeven... Ik zie de menschen, die het bestuur vormden, toen ik, als verlegen eerste-jaartje, hier voor ’t eerst binnenkwam;—er zijn hier velen, die meer van den wordings-tijd der vereeniging weten dan ik. Maar ik weet en voel haar bloei en haar weldadigen invloed, en daar wilde ik de hospitanten over spreken. Jullie bent hier allen met moed en verwachtingen aangekomen, en je gaat ’n mooi jaar tegemoet, het mooiste, zou ik bijna zeggen, van je leven. In het eerste jaar van onzen studententijd is alles heerlijk en zonnig en vol belofte...”Ze zweeg en streek even met de hand over haar voorhoofd; ze zag de oudere meisjes, die keken, wachtten; ze zag Mary, die even knikte;... en dan al die nieuwe kindergezichten, al die oogen, die nog niets wisten, die nog niet waren teleurgesteld.... En het flitste door haar hoofd, hoe Else en zij er voor vier jaar gezeten hadden, ook zoo op den grond, ’n beetje verbaasd, belangstellend, en zoo kinderlijk vertrouwend op het leven, dat komen ging;.... moest ze dien kinderen nu zeggen, dat hun niets dan teleurstelling wachtte, of had zij den weg naar de hoogere harmonie gevonden?Ze voelde, dat er ’n golving van onrust gingdoor de zaal, en de bibliothecaris fluisterde even: “Of ze niet wist verder....”Toen zei ze als in ’n droom, alle samenhang met ’t vorige vergetend, niet langer er aan denkend, dat haar speechje propaganda moest maken om lid te worden van de club: “Hier wacht jullie het eerste, wezenlijke geluk en ’t eerste, groote verdriet. Ik hoop, dat je ook ’t laatste, als noodzakelijk, flink zult aanvaarden. Want voor denmoedig-strijdendeis de overwinning.”Het bestuur gaf ’t teeken tot luid applaus, ofschoon ze de toespraak wel wat eigenaardig vonden, bang voor ’n nieuwe, dreigende stilte. Go zag Else kijken, verbaasd, half ongeloovig: waar haal-je het vandaan? Maar Mary knikte, dat ’t goed was, zacht lachend met ’r diepe oogen....Toen keerde Go zich tot de ab-actis, met verzoek om het jaarverslag voor te lezen, en terwijl die, met verveeld rad-ratelende stem, bladzij na bladzij opdreunde, vertelde Else fluisterend met onderdrukte lachjes, aan Lou en Riek, die over haar heen hingen, de wonderen van ondeugendheid en liefheid en snuggerheid van haar schattigen, kleinen jongen.

Hoofdstuk XXII.Op ’t partijtje ter eere van Go’s candidaats-examen,—dadelijk na de groote vacantie in haar vijfde jaar,—had Else opeens den lust voelen opkomen Leiden weer ’s terug te zien, en er was ’n afspraak gemaakt voor den dag van de hospitanten-vergadering van de V. V. S. L., omdat ze ook zoo graag Go ’s avonds als praeses de zaken wilde zien leiden. Zoo was ze gekomen, met den gewonen ochtendtrein, had “derde” gereisd om alles ècht te doen, als vroeger;—maar toen ze pas op de kamer was, had ze toch, vervuld van de gewichtigheid van haar jong-mevrouwtje-zijn, over niets anders kunnen praten dan over háár huis, háár meiden, háár man, en háár kind, den kleinen Janneman, den modeljongen, die nu den heelen dag bij z’n grootmoeder was.—“Had ’m toch meegebracht,” zuchtte Go telkens;—en eerst ná de koffie, toen ze rustiger werden en weer meer aan elkaar gewend, begon de herinnering weer levend in haar te worden, en, starend in de ros-gouden bladerpracht van de tuinen, vroeg ze: “En nu moet je me alles van de menschen van vroeger vertellen.... Ik weet van niemand iets, dan vanBeerenstijn. Die heeft nogal praktijk; ik heb ’m laatst ook ’s bij Jannie gehad.... Dan is hij zoo zacht.”“Ja,” zei Go peinzend, “hij is heel hartelijk, bij erge dingen. Toen met Hans had ik eigenlijk aan hèm ’t meest.”“Ja gòd.... maar vertel nu ’s, is er nog niemand gepromoveerd?”“Ja, Lize, dat weet je. ’n Mooie dissertatie. Verwónderlijk goed; want zelfstandig-wetenschappelijk werk is bij ’n meisje toch altijd ’n zeldzaamheid.”“O, ja.. ik herinner me; ze heeft ons ’n boek gestuurd. Over.... ach ja, ik weet niet; iets wetenschappelijks. Jantje heeft ’t in beslag genomen, leest er uit voor;.... schattig, zooals hij Han nadoet, zie-je, met z’n vingertje over de bladzij.... Maar zeg ’s, is Hoefman nog niet klaar, en gaan ze niet trouwen?”“Ja, ’k geloof, dat hij ’n heel buitengewone dissertatie schrijven wil; hij moet er voor naar IJsland;—maar ’k denk, dat zij daarbij wel helpen zal... Je weet toch, dat De Veer ’n paar maanden geleden gesjeesd is?”“Nee, hoe zou ik? Waarom? Wat heeft-ie uitgevoerd?”“’t Is ’n léuke jongen. Je moet geen kwaad van ’m zeggen. Op ’n middag kwam hij bij me en zei: “Go, ik heb geen plezier meer in fuiven.” “Zoo,” zei ik, “dan ga-je nu zeker werken, hè?” Nee, dat kon hij ook niet, het was ’m te stil. En kort en goed: de volgende maand ging hij naar Amerika, ergens in ’t binnenland, waar ’t nog erg ongecultiveerd is, bosschen-omhakken. Hij zei, dat hij voelde eigenschappen van ’n oermenschte bezitten.... hier zou hij stikken! En toen is-tie gegaan. ’t Heeft me erg aangepakt, die grappige kerel de wijde wereld in te zien trekken. Maar Gerard zei....”“Ja, Leeden.. komt die dikwijls? Hij studeert nu Chineesch, is ’t niet?”“Nee, ’k zie ’m niet dikwijls meer;—’t is hier zoo ongestadig met de vriendschap, ik ben nu meer in ’n ander clubje geraakt; de vergaderingen van L. V.—och, ’t is kwijnen tegenwoordig. De nieuwe leden voelen er zooveel niet meer voor. En Gerard...” Go zweeg even, en keek, verlegen, recht voor zich uit. “Zeg jij ’s, Elsi, heb-je wel ’s gedacht, dat Gé meer dan vriendschap voor me zou kunnen hebben?”“Wel, als ’n jongen tegen míj had gedaan, als hij tegen jou,—maar half zooveel,—zou ik zéker gedacht hebben, dat hij verliefd op me was. Maar jij was altijd zoo anders dan ik, met de jongens.”“Mary zegt, dat, als je zelf maar niet over de mogelijkheid denkt, maar gewoon-eerlijk tegen hun doet, zonder opschroeverij, er bijna nooit iemand verkeerd van je zal gaan houden. Maar den laatsten tijd was hij soms zoo vreemd, ongeduriger, ongelijkmatig. Ik heb ’t ’m eens gezegd, en nu zie ik ’m zoo zelden meer;... ’t is jammer....”“Ja; want jij niet, hè?” en Else keek haar even onderzoekend aan. Toen, schijnbaar zonder verband, vroeg ze: “En hoe gaat het met Van Neerwinden tegenwoordig?”“O, ik geloof, dat die hard werkt,” antwoordde Go zacht, “hij had wel al klaar kunnen zijn, maar hij is nu al lang weg; doet ’n groote studiereis.... En Rolands is doctorandus. Spreek-je Francis wel in Den Haag?”“Ja, we komen bij dezelfde families aan huis. Haar man is rechter.” En éven dacht ze er over weer te gaan vertellen van hun weelderig, ijdel leventje daar, de partijen en dinertjes, en de naijver en kleine plagerijen onder elkaar; maar ze hield zich in, vroeg door naar Riek, die altijd nog maar “in stilte” verloofd was, en weinig vooruitzicht had, omdat hij niets uitvoerde, ’n echte boemelaar....“Ze is lief,” zei Go met warmte, “ze heeft er ’s eens met me over gepraat. “Als ík ’m niet vasthoud en ’m altijd vertrouw,” zei ze, “wat zou er dan van z’n leven terecht komen?” Ik weet niet, of ze gelijk heeft, maar hierin kun-je geen raad geven.... Nou, en Coba zal ook wel gauw candidaats doen, al tennist ze veel te veel, om ooit ’n geleerde te worden;.... maar Lou komt er nooit toe, uit angst en zenuwachtigheid. Zoo zielig; ze heeft vreeselijk gehuild op haar eerste tentamen, en nu durft ze niet meer.”“Kleine Lou, die moest nu toch niet studeeren, hè? Die zou beter zijn voor kinderen, of bij ’n goedige, zwakke dame;... en ’t allerbeste zou zijn, als ze zelf als ’n kindje kon worden verwend.”“Weet je, dat Erna, dat mooie meisje, die zoo artistiek en bohémiennig was, zenuwziek is geworden,—in ’n inrichting nu? Het was zoo’n eigenaardig type, wèl sympathiek. Op haar kamer droeg ze altijd vreemde, wijde tunica’s, haar haar los, en sandalen;... ik heb ’s bij haar gelogeerd: alles was even wonderlijk, en in den nacht zat ze in het maanlicht op ’n beestevel te declameeren;—haar familie was in Arabië, en niemand lette er op, hoe ze leefde. Toen ik haar nu laatst opzocht, stond ze in ’n schuit en schepte mest;ze zei, dat zoo iets heerlijk was;.... er waren meer studenten, geen intiemen;.... ach ja, de eenzijdigheid wreekt zich en geestelijk overladenen gaan in den grond ploeteren.”Else keek haar even aan; zei toen verwonderd: “Hè, zoo iets, zoo iets wijs, algemeens, waar haal-je dat van daan? Dat leer-je zeker van de meisjes hier, want zie-je.... ik vind ze heel aardig, Go; maar zijn jullie altijd zoo, zoo ernstig, zoo verstandig....? Als ik ’s reken.... wij vroeger.... dat was toch wel héél wat anders.”“Ons eerste jaar.... ja, zeker; dat wás heel wat anders.”“Als je ’s denkt aan onze pret met die kamerversiering;.... en soms heelemaal om niets, als ’t mooi weer was, en we ons zoo lekker voelden! We konden zoo dwaas doen, weet je nog wel? Ik wed, dat je met Frieda en Mary nooit flikjes en kaakjes zult geroosterd hebben?”Go lachte. “Nee, nee.... dat was leuk. Ja, dát was gezellig, samen....”“En glij-baantje over ’t zeil voor de kachel?”“Noù. Zúllen we nog ’s, zeg? Wat is dat lang geleden!”Else schudde haar hoofd. “Nee, voor mij is nu alles zoo veranderd, m’n positie in de wereld.... Wat zou Jannie wel zeggen, als-tie z’n moeder zoo dwaas zag doen....” maar ze voelde toch even met haar kleinen voet, “of ’t glad was,” teleurgesteld ’m weer terugtrekkend.“Maar voor míj is ’t ook anders,” zei Go, zacht en beslist. “Zooals toen, toen de studie maar ’n bijdingetje was, kon het toch de verdere jaren niet blijven.”“Dus nu is ’t álles geworden; bepaald je ideaal?”Else keek naar de boeken op de schrijftafel, en, systematisch geschikt, op den vollen boekenstandaard; de kamer zag er zoo ánders dan vroeger, zoo echt-om-te-studeeren uit: deseriesover elkaar op de deur, ’t Minerva-beeld in den hoek, aan den muur lidmaatschap-kaarten, en ’n enkele, stemmige gravure. En dan al die wijsheid;—ze herkende de groene bandjes van Hegel, die Han ook had, en Nietsche en Plato en Spinoza, met de witte ruggetjes,—wat bekommerde zij zich nog om boeken, behalve bij ’t stof-afnemen; terwijl ’t hiér scheen, of wetenschap ’t eenige was....Go vóelde, dat Else op dat oogenblik hun levens tegen elkaar wóóg, en het werd haar diep en duidelijk bewust, hoe ver ze van elkaar waren gedreven, zij, die hun eerste vrijheid-vreugde samen hadden genoten. Toen zei ze langzaam, alsof ze onder ’t spreken haar gedachten nog aan ’t formuleeren was, strak starend op Jantje’s portret: “Ik geloof niet, dat studie, voor mij evenmin als voor de meeste meisjes, bepaalde róeping, ’t eenige is. Lize heeft ’t me gezegd op de eerste clubvergadering, en al zag ze verder de zaak veel te duister in, ik gelóóf, dat ze hierin toch wel gelijk had. Maar daarmee is het studeeren voor meisjes natuurlijk absoluut niet veroordeeld. Ik meen alleen, dat bij háár altijd ’n kwestie van keuze wordt, wat ’n man vereenigt;—ik bedoel bij ’n huwelijk, en dat ze dan, bijna altijd, niét de studie zullen kiezen. Daarom is het niet haar hoogste roeping; maar wél kan ’t iets zijn, dat haar heelemaal in beslag neemt, en vult... Zie-je, ik geloof, dat ’t bij mij zóó is: ik heb heel veel kracht, en toewijding en levenslust. Die moet ik ergens aan geven. En omdat ik nu hier ben,tusschen studeerende menschen, in geestelijk-ontwikkelend milieu, geef ik ze aan studie, m’n speciaal vak, en wijsbegeerte en oeconomie... en allerlei. Begrijp-je?”Else streek met haar hand langs de boek-ruggen, en knikte; maar ze dacht aan Han, en haar huis en aan Jantje,... en de meiden, en wat morgen eten. En ze begreep eigenlijk niet, hoe Go, haar eigen nichtje, even oud als zij, buiten dat alles leven kon, en niet ongelukkig zijn.“O, en dien avond, toen Gé den wijn met kruidnagelen bracht,” zei Go, terwijl ze de trap naar het clublokaal opliepen, en ze voelde zich overvol van oude herinnering. Ze hadden samen de stille, donkere stad doorgeloopen, en weer samen-gevoeld, elkaar weer begrepen in het verleden,—en nu scheen ’t bijna ongelooflijk, dat Else zoo lang weg was geweest, voelden ze zich even weer eerste-jaartjes, toen ze de lichte zaal binnen kwamen.Maar ’t was dadelijk anders; de meisjes stormden op Go toe, om haar nog geluk te wenschen met ’r candidaats-examen; op haar praeses-plaats aan de groene tafel stond een bos bloemen, ’n attentie van ’t bestuur, en ze wist weer: hier was ze niet langer het schuchtere kind, dat in ’n hoek tegen den muur stond en niemand aanspreken durfde; ze was het middelpunt, de leidster, de eerste van de club geworden, en terwijl ze even sprak met de secretaris, met ’t meisje, dat de lezing zou houden, bemerkte ze, tot eigen verbazing, hoe zij rustig-helder alles regelde en den avond organiseerde.Mary had er op aangedrongen, dat ze zich meermet de meisjes-vereeniging bemoeien zou. Zij zelf kwam er zelden, omdat ze nu eenmaal in dit opzicht nog ’n vrouw van de oude traditie was, die in societeitsleven zich niet thuis kon voelen.“Zie-je,” had ze peinzend tegen Go gezegd, “een van de dingen die ik ’t mooist vind in de vrouw van vroeger, is, dat ze, hoewel minder individueel ontwikkeld dan de man, die zwakke individualiteit in eenzaamheid altijd zoo zuiver heeft bewaard, veel beter dan de man, die in de gemeenschap het fijnste, het hem-alleen-eigene, moest opgeven in ’t belang van ’t geheel. Maar nu meisjes mee gaan strijden om ’n plaats in de maatschappij, is het natuurlijk, dat ze zich ook aansluiten, ook gaan vergaderen en debatteeren.—Alleen—ik voel me hierin nog zoo ouderwetsch, wil me niet schikken, wil me niet géven, ik kan niet velen, dat er aan m’n gevoel getrokken wordt... Ik blijf liever alleen,—maar ’k geloof zeker, dat ’t jou goed zal doen, als je er meer in komt.”Go hád er heel gauw plezier in gehad, in de namiddag-thee’s met de levendige gesprekken, in de faculteits-vergaderingen en de groote bijeenkomsten. Het tweede jaar was ze al praeses van haar faculteit gemaakt, en toen ze met de algemeene verkiezing candidaat was gesteld, was ze met bijna-eenstemmigheid gekozen. Ze voelde zelf, dat ze er op haar plaats was en toen ze den hamer ter opening van de vergadering had laten vallen, was het, of uit al de luisterende gezichten de sympathie naar haar toe groeide.“Bij het openen van de eerste vergadering na de groote vacantie,” begon ze met haar heldere, opgewekte stem, “heet ik de hospitanten hartelijkwelkom, en spreek den wensch uit ze als leden nog vaak in ons midden te mogen zien. Dat onze vereeniging voor vrouwelijke studenten bloeit, en wezenlijk in ’n behoefte voorziet,—het jaarverslag zal het ons allen dadelijk met getallen en feiten duidelijk maken, maar wezenlijker, dan ’n statistiek het ons leeren kan, worden we ’t ons bewust, wanneer we op dezen avond de zaal rondkijken, en zien, hoe groot de opkomst is, en voelen, hoeveel vriendinnen de club ons heeft gegeven... Ik zie de menschen, die het bestuur vormden, toen ik, als verlegen eerste-jaartje, hier voor ’t eerst binnenkwam;—er zijn hier velen, die meer van den wordings-tijd der vereeniging weten dan ik. Maar ik weet en voel haar bloei en haar weldadigen invloed, en daar wilde ik de hospitanten over spreken. Jullie bent hier allen met moed en verwachtingen aangekomen, en je gaat ’n mooi jaar tegemoet, het mooiste, zou ik bijna zeggen, van je leven. In het eerste jaar van onzen studententijd is alles heerlijk en zonnig en vol belofte...”Ze zweeg en streek even met de hand over haar voorhoofd; ze zag de oudere meisjes, die keken, wachtten; ze zag Mary, die even knikte;... en dan al die nieuwe kindergezichten, al die oogen, die nog niets wisten, die nog niet waren teleurgesteld.... En het flitste door haar hoofd, hoe Else en zij er voor vier jaar gezeten hadden, ook zoo op den grond, ’n beetje verbaasd, belangstellend, en zoo kinderlijk vertrouwend op het leven, dat komen ging;.... moest ze dien kinderen nu zeggen, dat hun niets dan teleurstelling wachtte, of had zij den weg naar de hoogere harmonie gevonden?Ze voelde, dat er ’n golving van onrust gingdoor de zaal, en de bibliothecaris fluisterde even: “Of ze niet wist verder....”Toen zei ze als in ’n droom, alle samenhang met ’t vorige vergetend, niet langer er aan denkend, dat haar speechje propaganda moest maken om lid te worden van de club: “Hier wacht jullie het eerste, wezenlijke geluk en ’t eerste, groote verdriet. Ik hoop, dat je ook ’t laatste, als noodzakelijk, flink zult aanvaarden. Want voor denmoedig-strijdendeis de overwinning.”Het bestuur gaf ’t teeken tot luid applaus, ofschoon ze de toespraak wel wat eigenaardig vonden, bang voor ’n nieuwe, dreigende stilte. Go zag Else kijken, verbaasd, half ongeloovig: waar haal-je het vandaan? Maar Mary knikte, dat ’t goed was, zacht lachend met ’r diepe oogen....Toen keerde Go zich tot de ab-actis, met verzoek om het jaarverslag voor te lezen, en terwijl die, met verveeld rad-ratelende stem, bladzij na bladzij opdreunde, vertelde Else fluisterend met onderdrukte lachjes, aan Lou en Riek, die over haar heen hingen, de wonderen van ondeugendheid en liefheid en snuggerheid van haar schattigen, kleinen jongen.

Op ’t partijtje ter eere van Go’s candidaats-examen,—dadelijk na de groote vacantie in haar vijfde jaar,—had Else opeens den lust voelen opkomen Leiden weer ’s terug te zien, en er was ’n afspraak gemaakt voor den dag van de hospitanten-vergadering van de V. V. S. L., omdat ze ook zoo graag Go ’s avonds als praeses de zaken wilde zien leiden. Zoo was ze gekomen, met den gewonen ochtendtrein, had “derde” gereisd om alles ècht te doen, als vroeger;—maar toen ze pas op de kamer was, had ze toch, vervuld van de gewichtigheid van haar jong-mevrouwtje-zijn, over niets anders kunnen praten dan over háár huis, háár meiden, háár man, en háár kind, den kleinen Janneman, den modeljongen, die nu den heelen dag bij z’n grootmoeder was.—“Had ’m toch meegebracht,” zuchtte Go telkens;—en eerst ná de koffie, toen ze rustiger werden en weer meer aan elkaar gewend, begon de herinnering weer levend in haar te worden, en, starend in de ros-gouden bladerpracht van de tuinen, vroeg ze: “En nu moet je me alles van de menschen van vroeger vertellen.... Ik weet van niemand iets, dan vanBeerenstijn. Die heeft nogal praktijk; ik heb ’m laatst ook ’s bij Jannie gehad.... Dan is hij zoo zacht.”

“Ja,” zei Go peinzend, “hij is heel hartelijk, bij erge dingen. Toen met Hans had ik eigenlijk aan hèm ’t meest.”

“Ja gòd.... maar vertel nu ’s, is er nog niemand gepromoveerd?”

“Ja, Lize, dat weet je. ’n Mooie dissertatie. Verwónderlijk goed; want zelfstandig-wetenschappelijk werk is bij ’n meisje toch altijd ’n zeldzaamheid.”

“O, ja.. ik herinner me; ze heeft ons ’n boek gestuurd. Over.... ach ja, ik weet niet; iets wetenschappelijks. Jantje heeft ’t in beslag genomen, leest er uit voor;.... schattig, zooals hij Han nadoet, zie-je, met z’n vingertje over de bladzij.... Maar zeg ’s, is Hoefman nog niet klaar, en gaan ze niet trouwen?”

“Ja, ’k geloof, dat hij ’n heel buitengewone dissertatie schrijven wil; hij moet er voor naar IJsland;—maar ’k denk, dat zij daarbij wel helpen zal... Je weet toch, dat De Veer ’n paar maanden geleden gesjeesd is?”

“Nee, hoe zou ik? Waarom? Wat heeft-ie uitgevoerd?”

“’t Is ’n léuke jongen. Je moet geen kwaad van ’m zeggen. Op ’n middag kwam hij bij me en zei: “Go, ik heb geen plezier meer in fuiven.” “Zoo,” zei ik, “dan ga-je nu zeker werken, hè?” Nee, dat kon hij ook niet, het was ’m te stil. En kort en goed: de volgende maand ging hij naar Amerika, ergens in ’t binnenland, waar ’t nog erg ongecultiveerd is, bosschen-omhakken. Hij zei, dat hij voelde eigenschappen van ’n oermenschte bezitten.... hier zou hij stikken! En toen is-tie gegaan. ’t Heeft me erg aangepakt, die grappige kerel de wijde wereld in te zien trekken. Maar Gerard zei....”

“Ja, Leeden.. komt die dikwijls? Hij studeert nu Chineesch, is ’t niet?”

“Nee, ’k zie ’m niet dikwijls meer;—’t is hier zoo ongestadig met de vriendschap, ik ben nu meer in ’n ander clubje geraakt; de vergaderingen van L. V.—och, ’t is kwijnen tegenwoordig. De nieuwe leden voelen er zooveel niet meer voor. En Gerard...” Go zweeg even, en keek, verlegen, recht voor zich uit. “Zeg jij ’s, Elsi, heb-je wel ’s gedacht, dat Gé meer dan vriendschap voor me zou kunnen hebben?”

“Wel, als ’n jongen tegen míj had gedaan, als hij tegen jou,—maar half zooveel,—zou ik zéker gedacht hebben, dat hij verliefd op me was. Maar jij was altijd zoo anders dan ik, met de jongens.”

“Mary zegt, dat, als je zelf maar niet over de mogelijkheid denkt, maar gewoon-eerlijk tegen hun doet, zonder opschroeverij, er bijna nooit iemand verkeerd van je zal gaan houden. Maar den laatsten tijd was hij soms zoo vreemd, ongeduriger, ongelijkmatig. Ik heb ’t ’m eens gezegd, en nu zie ik ’m zoo zelden meer;... ’t is jammer....”

“Ja; want jij niet, hè?” en Else keek haar even onderzoekend aan. Toen, schijnbaar zonder verband, vroeg ze: “En hoe gaat het met Van Neerwinden tegenwoordig?”

“O, ik geloof, dat die hard werkt,” antwoordde Go zacht, “hij had wel al klaar kunnen zijn, maar hij is nu al lang weg; doet ’n groote studiereis.... En Rolands is doctorandus. Spreek-je Francis wel in Den Haag?”

“Ja, we komen bij dezelfde families aan huis. Haar man is rechter.” En éven dacht ze er over weer te gaan vertellen van hun weelderig, ijdel leventje daar, de partijen en dinertjes, en de naijver en kleine plagerijen onder elkaar; maar ze hield zich in, vroeg door naar Riek, die altijd nog maar “in stilte” verloofd was, en weinig vooruitzicht had, omdat hij niets uitvoerde, ’n echte boemelaar....

“Ze is lief,” zei Go met warmte, “ze heeft er ’s eens met me over gepraat. “Als ík ’m niet vasthoud en ’m altijd vertrouw,” zei ze, “wat zou er dan van z’n leven terecht komen?” Ik weet niet, of ze gelijk heeft, maar hierin kun-je geen raad geven.... Nou, en Coba zal ook wel gauw candidaats doen, al tennist ze veel te veel, om ooit ’n geleerde te worden;.... maar Lou komt er nooit toe, uit angst en zenuwachtigheid. Zoo zielig; ze heeft vreeselijk gehuild op haar eerste tentamen, en nu durft ze niet meer.”

“Kleine Lou, die moest nu toch niet studeeren, hè? Die zou beter zijn voor kinderen, of bij ’n goedige, zwakke dame;... en ’t allerbeste zou zijn, als ze zelf als ’n kindje kon worden verwend.”

“Weet je, dat Erna, dat mooie meisje, die zoo artistiek en bohémiennig was, zenuwziek is geworden,—in ’n inrichting nu? Het was zoo’n eigenaardig type, wèl sympathiek. Op haar kamer droeg ze altijd vreemde, wijde tunica’s, haar haar los, en sandalen;... ik heb ’s bij haar gelogeerd: alles was even wonderlijk, en in den nacht zat ze in het maanlicht op ’n beestevel te declameeren;—haar familie was in Arabië, en niemand lette er op, hoe ze leefde. Toen ik haar nu laatst opzocht, stond ze in ’n schuit en schepte mest;ze zei, dat zoo iets heerlijk was;.... er waren meer studenten, geen intiemen;.... ach ja, de eenzijdigheid wreekt zich en geestelijk overladenen gaan in den grond ploeteren.”

Else keek haar even aan; zei toen verwonderd: “Hè, zoo iets, zoo iets wijs, algemeens, waar haal-je dat van daan? Dat leer-je zeker van de meisjes hier, want zie-je.... ik vind ze heel aardig, Go; maar zijn jullie altijd zoo, zoo ernstig, zoo verstandig....? Als ik ’s reken.... wij vroeger.... dat was toch wel héél wat anders.”

“Ons eerste jaar.... ja, zeker; dat wás heel wat anders.”

“Als je ’s denkt aan onze pret met die kamerversiering;.... en soms heelemaal om niets, als ’t mooi weer was, en we ons zoo lekker voelden! We konden zoo dwaas doen, weet je nog wel? Ik wed, dat je met Frieda en Mary nooit flikjes en kaakjes zult geroosterd hebben?”

Go lachte. “Nee, nee.... dat was leuk. Ja, dát was gezellig, samen....”

“En glij-baantje over ’t zeil voor de kachel?”

“Noù. Zúllen we nog ’s, zeg? Wat is dat lang geleden!”

Else schudde haar hoofd. “Nee, voor mij is nu alles zoo veranderd, m’n positie in de wereld.... Wat zou Jannie wel zeggen, als-tie z’n moeder zoo dwaas zag doen....” maar ze voelde toch even met haar kleinen voet, “of ’t glad was,” teleurgesteld ’m weer terugtrekkend.

“Maar voor míj is ’t ook anders,” zei Go, zacht en beslist. “Zooals toen, toen de studie maar ’n bijdingetje was, kon het toch de verdere jaren niet blijven.”

“Dus nu is ’t álles geworden; bepaald je ideaal?”

Else keek naar de boeken op de schrijftafel, en, systematisch geschikt, op den vollen boekenstandaard; de kamer zag er zoo ánders dan vroeger, zoo echt-om-te-studeeren uit: deseriesover elkaar op de deur, ’t Minerva-beeld in den hoek, aan den muur lidmaatschap-kaarten, en ’n enkele, stemmige gravure. En dan al die wijsheid;—ze herkende de groene bandjes van Hegel, die Han ook had, en Nietsche en Plato en Spinoza, met de witte ruggetjes,—wat bekommerde zij zich nog om boeken, behalve bij ’t stof-afnemen; terwijl ’t hiér scheen, of wetenschap ’t eenige was....

Go vóelde, dat Else op dat oogenblik hun levens tegen elkaar wóóg, en het werd haar diep en duidelijk bewust, hoe ver ze van elkaar waren gedreven, zij, die hun eerste vrijheid-vreugde samen hadden genoten. Toen zei ze langzaam, alsof ze onder ’t spreken haar gedachten nog aan ’t formuleeren was, strak starend op Jantje’s portret: “Ik geloof niet, dat studie, voor mij evenmin als voor de meeste meisjes, bepaalde róeping, ’t eenige is. Lize heeft ’t me gezegd op de eerste clubvergadering, en al zag ze verder de zaak veel te duister in, ik gelóóf, dat ze hierin toch wel gelijk had. Maar daarmee is het studeeren voor meisjes natuurlijk absoluut niet veroordeeld. Ik meen alleen, dat bij háár altijd ’n kwestie van keuze wordt, wat ’n man vereenigt;—ik bedoel bij ’n huwelijk, en dat ze dan, bijna altijd, niét de studie zullen kiezen. Daarom is het niet haar hoogste roeping; maar wél kan ’t iets zijn, dat haar heelemaal in beslag neemt, en vult... Zie-je, ik geloof, dat ’t bij mij zóó is: ik heb heel veel kracht, en toewijding en levenslust. Die moet ik ergens aan geven. En omdat ik nu hier ben,tusschen studeerende menschen, in geestelijk-ontwikkelend milieu, geef ik ze aan studie, m’n speciaal vak, en wijsbegeerte en oeconomie... en allerlei. Begrijp-je?”

Else streek met haar hand langs de boek-ruggen, en knikte; maar ze dacht aan Han, en haar huis en aan Jantje,... en de meiden, en wat morgen eten. En ze begreep eigenlijk niet, hoe Go, haar eigen nichtje, even oud als zij, buiten dat alles leven kon, en niet ongelukkig zijn.

“O, en dien avond, toen Gé den wijn met kruidnagelen bracht,” zei Go, terwijl ze de trap naar het clublokaal opliepen, en ze voelde zich overvol van oude herinnering. Ze hadden samen de stille, donkere stad doorgeloopen, en weer samen-gevoeld, elkaar weer begrepen in het verleden,—en nu scheen ’t bijna ongelooflijk, dat Else zoo lang weg was geweest, voelden ze zich even weer eerste-jaartjes, toen ze de lichte zaal binnen kwamen.

Maar ’t was dadelijk anders; de meisjes stormden op Go toe, om haar nog geluk te wenschen met ’r candidaats-examen; op haar praeses-plaats aan de groene tafel stond een bos bloemen, ’n attentie van ’t bestuur, en ze wist weer: hier was ze niet langer het schuchtere kind, dat in ’n hoek tegen den muur stond en niemand aanspreken durfde; ze was het middelpunt, de leidster, de eerste van de club geworden, en terwijl ze even sprak met de secretaris, met ’t meisje, dat de lezing zou houden, bemerkte ze, tot eigen verbazing, hoe zij rustig-helder alles regelde en den avond organiseerde.

Mary had er op aangedrongen, dat ze zich meermet de meisjes-vereeniging bemoeien zou. Zij zelf kwam er zelden, omdat ze nu eenmaal in dit opzicht nog ’n vrouw van de oude traditie was, die in societeitsleven zich niet thuis kon voelen.

“Zie-je,” had ze peinzend tegen Go gezegd, “een van de dingen die ik ’t mooist vind in de vrouw van vroeger, is, dat ze, hoewel minder individueel ontwikkeld dan de man, die zwakke individualiteit in eenzaamheid altijd zoo zuiver heeft bewaard, veel beter dan de man, die in de gemeenschap het fijnste, het hem-alleen-eigene, moest opgeven in ’t belang van ’t geheel. Maar nu meisjes mee gaan strijden om ’n plaats in de maatschappij, is het natuurlijk, dat ze zich ook aansluiten, ook gaan vergaderen en debatteeren.—Alleen—ik voel me hierin nog zoo ouderwetsch, wil me niet schikken, wil me niet géven, ik kan niet velen, dat er aan m’n gevoel getrokken wordt... Ik blijf liever alleen,—maar ’k geloof zeker, dat ’t jou goed zal doen, als je er meer in komt.”

Go hád er heel gauw plezier in gehad, in de namiddag-thee’s met de levendige gesprekken, in de faculteits-vergaderingen en de groote bijeenkomsten. Het tweede jaar was ze al praeses van haar faculteit gemaakt, en toen ze met de algemeene verkiezing candidaat was gesteld, was ze met bijna-eenstemmigheid gekozen. Ze voelde zelf, dat ze er op haar plaats was en toen ze den hamer ter opening van de vergadering had laten vallen, was het, of uit al de luisterende gezichten de sympathie naar haar toe groeide.

“Bij het openen van de eerste vergadering na de groote vacantie,” begon ze met haar heldere, opgewekte stem, “heet ik de hospitanten hartelijkwelkom, en spreek den wensch uit ze als leden nog vaak in ons midden te mogen zien. Dat onze vereeniging voor vrouwelijke studenten bloeit, en wezenlijk in ’n behoefte voorziet,—het jaarverslag zal het ons allen dadelijk met getallen en feiten duidelijk maken, maar wezenlijker, dan ’n statistiek het ons leeren kan, worden we ’t ons bewust, wanneer we op dezen avond de zaal rondkijken, en zien, hoe groot de opkomst is, en voelen, hoeveel vriendinnen de club ons heeft gegeven... Ik zie de menschen, die het bestuur vormden, toen ik, als verlegen eerste-jaartje, hier voor ’t eerst binnenkwam;—er zijn hier velen, die meer van den wordings-tijd der vereeniging weten dan ik. Maar ik weet en voel haar bloei en haar weldadigen invloed, en daar wilde ik de hospitanten over spreken. Jullie bent hier allen met moed en verwachtingen aangekomen, en je gaat ’n mooi jaar tegemoet, het mooiste, zou ik bijna zeggen, van je leven. In het eerste jaar van onzen studententijd is alles heerlijk en zonnig en vol belofte...”

Ze zweeg en streek even met de hand over haar voorhoofd; ze zag de oudere meisjes, die keken, wachtten; ze zag Mary, die even knikte;... en dan al die nieuwe kindergezichten, al die oogen, die nog niets wisten, die nog niet waren teleurgesteld.... En het flitste door haar hoofd, hoe Else en zij er voor vier jaar gezeten hadden, ook zoo op den grond, ’n beetje verbaasd, belangstellend, en zoo kinderlijk vertrouwend op het leven, dat komen ging;.... moest ze dien kinderen nu zeggen, dat hun niets dan teleurstelling wachtte, of had zij den weg naar de hoogere harmonie gevonden?

Ze voelde, dat er ’n golving van onrust gingdoor de zaal, en de bibliothecaris fluisterde even: “Of ze niet wist verder....”

Toen zei ze als in ’n droom, alle samenhang met ’t vorige vergetend, niet langer er aan denkend, dat haar speechje propaganda moest maken om lid te worden van de club: “Hier wacht jullie het eerste, wezenlijke geluk en ’t eerste, groote verdriet. Ik hoop, dat je ook ’t laatste, als noodzakelijk, flink zult aanvaarden. Want voor denmoedig-strijdendeis de overwinning.”

Het bestuur gaf ’t teeken tot luid applaus, ofschoon ze de toespraak wel wat eigenaardig vonden, bang voor ’n nieuwe, dreigende stilte. Go zag Else kijken, verbaasd, half ongeloovig: waar haal-je het vandaan? Maar Mary knikte, dat ’t goed was, zacht lachend met ’r diepe oogen....

Toen keerde Go zich tot de ab-actis, met verzoek om het jaarverslag voor te lezen, en terwijl die, met verveeld rad-ratelende stem, bladzij na bladzij opdreunde, vertelde Else fluisterend met onderdrukte lachjes, aan Lou en Riek, die over haar heen hingen, de wonderen van ondeugendheid en liefheid en snuggerheid van haar schattigen, kleinen jongen.


Back to IndexNext