Vierde Bedrijf.Eerste Tooneel.Het woud bijAthene.Demetrius,Lysander,HelenaenHermiain slaap.TitaniaenSpoelkomen op, gevolgd doorErwtebloesem,Spinrag,Mot,Mosterdzaaden andere Elfen.Oberonongezien op den achtergrond.Titania.Kom, vlij u naast mij op dit bloemenbed,Opdat ik u de lieve wangen streel’,Een rozenkrans op ’t glad, zacht hoofd u zett’,En ’t schoon breed oor u kuss’, mijn pronkjuweel!Spoel.Waar is Erwtebloesem?Erwtebloesem.Tot uw dienst.Spoel.Krab me wat achter ’t oor, Erwtebloesem.—Waar is sinjeur Spinrag?Spinrag.Tot uw dienst.Spoel.Sinjeur Spinrag, mijn best sinjeurtje, neem je wapens eens ter hand, en dood mij ’reis een roodschenigen hommel op den top van een distel; en, beste sinjeur, breng mij zijn honigblaasje. Maar span je niet te veel in bij deze taak, sinjeur; en, beste sinjeur, draag zorg, dat het honigblaasje niet breekt; het zou me leed doen, als je uit een honigzakje overstroomd werdt, heerschap.—Waar is sinjeur Mosterdzaad?Mosterdzaad.Tot uw dienst.19Spoel.Geef mij je knuist, sinjeur Mosterdzaad. Ik bid je, geen complimenten, beste sinjeur.Mosterdzaad.Wat is uw verlangen?Spoel.Niets, beste sinjeur, dan dat je Mosjeu Erwtebloesem helpt krabben. Ik moet naar den barbier, heerschap; want me dunkt, ik ben verwonderlijk harig in mijn gezicht; en ik ben zoo’n gevoelige ezel, dat ik dadelijk krabben moet, als mijn haar mij prikkelt.Titania.Kan wat muziek u streelen, liefste schat?Spoel.Ik heb nog al een tamelijk goed gehoor voor muziek; laten wij detangen en botteneens hebben!Titania.Of, liefste schat, hebt ge ook tot eten lust?Spoel.Ja zeker, een schepel voer; ik zou graag wat mummelen van die goede droge haver. Me dunkt, ik heb groot verlangen naar een bundel hooi; goed hooi, zoet hooi, heeft zijns gelijke niet.38Titania.Ik heb een waagzieke elf, die uit de schuurEens eekhoorns nieuwe noten voor u haal’.Spoel.Ik had liever een of twee handvollen droge erwten. Maar, ik bid u, laat niemand van uw volkje mij storen; ik voel, dat een expositie van slaap mij overvalt.Titania.Zoo slaap nu, met mijn arm omvang ik u.Gij, elfen, gaat, verspreidt u in het rond.(De Elfen verspreiden zich.)Zoo slingert teer om geur’ge kamperfoelieZich blanke winde;—en even teer omringtKlimop de ruwe vingers van den olm.O hoe bemin ik u; ik bid u aan.(TitaniaenSpoelvallen in slaap.)(Oberontreedt naar den voorgrond;Puckkomt op.)Oberon.Wees welkom, Puck; ziet gij dat fraai tooneel?Nu boezemt mij haar waan toch meêlij in.Pas trof ik in het woud haar aan; zij lasDe fijnste kruiden voor dit wangedrocht;Ik heb haar fel berispt en viel haar hard;Zij had de ruige slapen met een kransVan frissche en geur’ge bloemen hem gekroond;En de eigen dauw, die op de knoppen vaakAls ronde kostbre parels drupp’lend zwelt,Stond in der schoone bloempjes oogen nuAls tranen, over eigen smaad geschreid.Toen ik naar lust haar had bestraft, en zijDeemoedig bad om mijn toegevendheid,Toen vorderde ik dien lievlingsknaap haar af;Zij gaf hem daad’lijk en haar elfe droegHem naar het elfenland in mijn prieel.Nu ik het knaapje heb, bevrijd ik ookHaar oogen van de’ afschuwelijken waan.Gij, beste Puck, neem dezen vreemden kopNu af van ’t hoofd van dien Atheenschen knaap,Opdat hij, evenals die andren ginds,Bij zijn ontwaken naar Athene keer’,En al die avonturen van deez’ nachtHun zijn als ’t nijdig plagen van een droom.Doch eerst bevrijd ik de elfenkoningin.(Hij bestrijkt haar oogen met een tooverkruid.)Wees, zooals ge placht te zijn;Zie weer ’t wezen, niet den schijn;Deze struik, Diana’s roem,Fnuike alsnu Cupido’s bloem!Ontwaak, Titania, mijn koningin!80Titania.Mijn Oberon! Wat droombeeld nam mij in!Mij dunkt, dat ik een ezel heb bemind.Oberon.Daar ligt uw lief.Titania.Daar ligt uw lief.Hoe kwam ik zoo ontzind?O foei, wat pijnigt dit gezicht mijn oog!Oberon.O stil nog!—Puck, bevrijd hem van dien kop.—Titania, een slaap, die diep verdooft,Zij door muziek op ’t vijftal uitgestort.Titania.Muziek dan, die een diepen slaap verwekk’!(Een zachte muziek doet zich hooren.)Puck(totSpoel).Kom dan; wees, als ge ontwaakt, weer de oude gek.Oberon.Ja, klink, muziek!—Mijn gâ, geef mij de hand,En dansend wieg’len wij dit slapersland.Op nieuw is onze liefdevlam ontbrand,Wij brengen morgen nacht, weer zielsverwant,Door dans in Theseus’ huis zijn heil tot stand,En zeeg’nen ’t huis met menig liefdepand;—En daar vereenige ook de huwlijksband,Deez’ paren, met hun vorst, op blijden trant.Puck.Elfenkoning, hoort gij ’t niet,De uchtendleeuwrik zingt zijn lied.Oberon.Zacht, in schaduw van de nacht,Lieve, dan de reis volbracht;Sneller, dan de mane vaart,Doen wij onzen tocht om de aard.Titania.Kom, mijn vorst en heer, en zegMij uitvoerig onder weg,Wat betoov’ring mij van nachtBij die stervelingen bracht.(OberonenTitaniamet gevolg af. Horengeschal achter het tooneel.)(Theseus,Hippolyta,Egeusen Gevolg komen op.)Theseus.Dat een van u den jachtopziener zoek’,Want onze Meibegroeting is volbracht;En daar de dag zich nu heeft aangemeld,Verneem’ mijn bruid der honden jachtmuziek.—Ontkoppelt hen in ’t westlijk dal; vooruit!En zoekt, zeg ik, den jachtopziener op.—Mijn schoone bruid, beklim met mij den berg;Daar klinkt zoo schoon ’t verwarde hondgeblaf,Dat met der dalen echo’s samensmelt.Hippolyta.Ik was met Hercules en Cadmus eens,117Die met Spartaansche honden op een beerIn Creta’s bosschen jaagden; ’k hoorde nooitEen schooner jachtrumoer; niet enkel ’t woud,Ook hemel, beek en veld, heel de omtrek wasÉén roep en tegenroep; ik hoorde nooitEen zoeter wanklank, liefelijker donder.Theseus.Mijn honden zijn van ’t echt Spartaansche ras,Breedlippig, geel; hun ooren hangen laagEn vagen van het gras den morgendauw;Krombeenig, met een kossem als een stier;Niet snel, maar bij het blaffen fraai gestemdAls klokkenspel. Welluidender geblafKlonk nooit bij jachtgeroep of horenschal,In Creta, Sparta noch Thessalia;Beoordeel ’t zelf!—Doch wat zijn dat voor nimfen?Egeus.Mijn vorst, dat is mijn dochter, die daar slaapt;Daar is Lysander, hier Demetrius,Hier Helena, des grijzen Nedars kind;Ik sta verbaasd, dat zij hier samen zijn.Theseus.Zij kwamen zonder twijfel vroeg de MeiHier vieren, en, verwittigd van ons plan,Vertoefden zij, ter wille van ons feest.—Maar Egeus, spreek, is ’t heden niet de dag,Dat Hermia haar keus verkonden moet?Egeus.Zoo is ’t, mijn vorst.Theseus.Nu, laat de jagers hen met horens wekken!(Horengeschal en jachtgedruisch achter het tooneel.Demetrius,Lysander,HermiaenHelenaontwaken en springen verschrikt op.)Theseus.Zoo, goeden dag! Sint Velten is voorbij;En paren deze vogels eerst van daag?Lysander.Vergeving, heer.(Hij knielt met de overigen voorTheseus.)Theseus.Vergeving, heer.Staat, bid ik, op. Ik weet,Vijandig zijt ge elkaar, als mededingers.Van waar die lieflijke eendracht zoo op eens,Dat vrij van argwaan haat bij haat zich vlijt,En ijverzucht haar vijand ducht noch mijdt.Lysander.Spreek ik verward, heer, ’t breng’ mij geen verwijt;Het is me, als droom ik nog. Wàt is geschied,Hoe ik hier kwam, ik zweer ’t, ik weet het niet.Maar denk ik juist, (want gaarne spreek ik waar;—En nu bedenk ik, dat het wel zoo is;)Ik kwam met Hermia naar ’t woud, van plan,Athene te verlaten voor een plaats,Waar ons de Atheensche wet niet meer bedreigt.Egeus.Genoeg, genoeg; mijn vorst, dit zij genoeg;159Thans treff’ de wet, de wet, zijn schuldig hoofd!—Te vluchten was het plan, het plan, Demetrius!Ze wilden ons berooven, u en mij,U van uw vrouw, mij van mijn vaderrecht,Dat recht, waardoor ik haar aan u reeds gaf.Demetrius.Mijn vorst, de schoone Helena verriedAan mij hun vlucht, hun plan tot vlucht naar hier;Uit woede sloop ik hen toen na in ’t woud,Uit liefde mij de schoone Helena.Maar, goede vorst, ik weet niet door wat macht,(Maar ’t moet een hoog’re macht zijn,) mijne minVoor Hermia als sneeuw versmolt en mijNu als de erinn’ring van een speelgoed schijnt,Waarop ik in mijn kindsheid was verzot.Mijn liefde en trouw, de kracht van heel mijn ziel,Het eenig beeld, dat thans mijn oogen streelt,Is Helena alleen. Ik minde haar,Mijn vorst, aleer ik Hermia ooit zag.Zooals een’ zieke nooit een spijs behaagt,Eer zijn gezonde smaak is weergekeerd,Zoo wensch ik thans naar haar, en smacht naar haar,Bemin ik haar, blijf eeuwig trouw aan haar.Theseus.Gelieven, het treft goed, dat ik u vond,Maar later hoor ik van dit alles meer.—Gij, Egeus, moet u voegen naar mijn wil:Dat beide paren in den tempel nuGelijk met ons een eeuw’ge knoop verbind’.—En daar de morgen reeds ten deel verstreek,Zij nu de ontworpen jacht ter zij gesteld.—Komt, naar Athene! Een feest van drie bij drieZij thans gevierd, dat nooit zijn weerga zie!Wij gaan, Hippolyta.(Theseus,Hippolyta,Egeusen Gevolg af.)Demetrius.’t Is alles ver en klein, onkenbaar flauw,Als verre bergen, door een wolk omhuld.Hermia.En mij is alles, als waar ’t oog gedeeld,En zag ik alles dubbel.Helena.En zag ik alles dubbel.Zóó is ’t mij;Ik vond Demetrius, als een juweel,Dat mij behoort en niet behoort.Demetrius.Dat mij behoort en niet behoort.Ik denk,Wij droomen nog.—Was niet de hertog hier,Die ons den last van hem te volgen gaf?Hermia.Ja, en mijn vader.Helena.Ja, en mijn vader.En Hippolyta.Lysander.De last was, hem te volgen naar den tempel.Demetrius.Dan zijn wij toch ontwaakt. Komt, hem gevolgd;En elk deele onderweg zijn droomen mee.204(Demetrius,Lysander,HermiaenHelenaaf.)(Terwijl zij heengaan, ontwaaktSpoel.)Spoel.Als mijn wachtwoord komt, roep me dan, en ik zal antwoorden;—mijn eerste is: “volschoone Pyramus”.—Holà, hé.—Pieter Dissel! Wind, de blaasbalgmaker! Tuit, de ketellapper! Slokker! God zegen’ me! weggeslopen en mij hier laten slapen! Ik heb een allervreemdst gezicht gehad. Ik heb een droom gehad,—het gaat boven iemand zijn verstand, te zeggen, wat voor een droom het was; de mensch is eenvoudig een ezel, als hij dien droom wil gaan uitleggen. Mij dacht, ik was,—o, geen mensch kan zeggen, wat. Mij dacht, ik was, en mij dacht, ik had,—maar een mensch is maar een bont gekleede nar, als hij het hart heeft te gaan zeggen, wat mij dacht, dat ik had. Geen menschenoog heeft het gehoord, geen menschenoor heeft het gezien; geen menschenhand is in staat om het te proeven, geen tong om het te begrijpen, geen hart om het over te vertellen, wat mijn droom was. Ik zal Pieter Dissel vragen, van dezen droom een ballade te schrijven; en die zal genoemd worden “de weversdroom,” omdathet zoo’n raar samenweefsel is; en ik zal die tegen het eind van het stuk zingen voor den hertog; misschien zing ik ze, om het wat sierlijker te maken, als zij zich doodsteekt.(Spoelaf.)Tweede Tooneel.Athene.Een kamer inDisselshuis.Dissel,Wind,TuitenSlokkerkomen op.Dissel.Heb je al naar Spoel zijn huis gestuurd? Is hij al terug?Slokker.Geen mensch weet waar hij is. Hij is zeker vertransforteerd.Wind.Als hij niet komt, is ons spel bedorven; dan gaat het niet door, niet waar?Dissel.Onmogelijk; er is geen man in geheel Athene, die in staat is Pyramus op te spelen, behalve hij.Wind.Neen, dat is zoo; hij heeft, ronduit gezeid, het mooiste vernuft van alle handwerkslui in Athene.Dissel.Ja, en de knapste kerel er bij, en hij is, om zijn liefelijke stem, een echt liefhebber.Wind.Zeg toch “minnaar”, man; een “liefhebber”, God beter ’t, is zoo’n raar ding.(Schaafkomt op.)Schaaf.Mannen, de hertog komt daar uit den tempel, en er zijn nog twee of drie andere heeren en dames meer getrouwd. Als ons spel was doorgegaan, dan waren wij er allen boven op geweest.Wind.O, die lieve bullebak van een Spoel! Zoo heeft hij dan wel een schelling daags levenslang verloren; een schelling daags kon hem niet ontgaan; als de hertog hem niet een schelling daags gegeven had voor het spelen van Pyramus, wil ik gehangen worden; hij zou het verdiend hebben; een schelling daags voor zijn Pyramus, of niets!(Spoelkomt op.)Spoel.Waar zijn mijn kerels? waar zijn die beste jongens?Dissel.Spoel! O allerhartelijkste dag! O heerlijk oogenblik!Spoel.Mannen! ik heb wonderen te vertellen; maar vraagt mij niet wat; maar als ik het je vertel, wil ik geen goed Athener heeten. Ik zal je alles en alles vertellen, haarfijn, zooals het gebeurd is.Dissel.Laat hooren, beste Spoel.Spoel.Neen, ik zeg geen woord. Al wat ik je zeggen wil, is, dat de hertog al gegeten heeft. Brengt al je zaken in orde, doet bindtouw aan de baarden, nieuwe linten aan de schoenen; komt dadelijk aan het paleis bij elkaar; laat ieder zijn rol nog eens overkijken; want het kort en het lang van de zaak is, dat ons stuk vóórkomt. In elk geval, laat Thisbe schoon linnengoed aandoen, en laat, die den leeuw speelt, toch vooral zijn nagels niet korten, want die moeten lang uithangen, als leeuwenklauwen. En, mijn allerliefste spelers, eet toch geen uien of knoflook, want wij moeten een liefelijken adem uitblazen, en ik twijfel er niet aan, of we zullen ze hooren zeggen, het is een liefelijke comedie! Nu geen woord meer; voort! gaat! voort!(Allen af.)Vijfde Bedrijf.Eerste Tooneel.Athene.Een kamer in het paleis vanTheseus.Theseus,Hippolyta,Philostratus,Hovelingen en Gevolg komen op.Hippolyta.Vreemd, Theseus, is ’t verhaal van die gelieven.Theseus.Meer vreemd dan waar. ’k Sla geen geloof aan alDie sprookjes of die elfenspokerij.En liefde èn waanzin maakt het brein verhitEn wekt verbeelding op en doet steeds zienVeel meer dan ’t koel verstand ooit vatten kan.Waanzinnigen, verliefden, dichters zijnGeheel verbeelding: die, de dolle, zietMeer duivels dan de hel bevat; de minnaar,Niet minder dol, ziet schoone Helena,Waar hij een bruin, getaand gelaat ontwaart;In schoonen waanzin rolt des dichters oog,Blikt uit den hemel neer, van de aard ten hemel;En waar verbeelding dingen, ongekend,Te voorschijn roept, daar schept des dichters stiftHun een gestalte, en schenkt aan ’t ijdel nietsOp de aard bestaan, een woning en een naam.Verbeelding is in grillen overrijk;Zoodra zij iets gevoelt, dat haar verheugt,Staat haar voor ’t oog een brenger van de vreugd;Terwijl, als ’s nachts haar angst bekruipt in ’t woud,Zij licht een ruigte voor een ondier houdt.Hippolyta.Maar al wat zij vertellen van deez’ nacht,En hun gezindheid, zoo gelijk veranderd,Moet meer zijn dan een spel der phantasie.Het toont verband, het wordt tot werklijkheid;Doch altijd blijft het vreemd en wonderbaar.Theseus.Daar zijn de paren, vol van lust en vreugd.(Lysander,Demetrius,HermiaenHelenakomen op.)Heil, vrienden! Heil en heldre levensdagenNaar ’s harten wensch!Lysander.Naar ’s harten wensch!Nog hooger heil, mijn vorst,Zij met uw uit- en ingaan, disch en bed!Theseus.Kom aan, wat dans of schouwspel zal er zijn,Dat ons die eeuw verkort, dat drietal uren,Dat avondmaal en uur van rust nog scheidt?Waar is de man van onze feestlijkheid?—Kom, is er niets? geen schouwtooneel, dat onsDe mart’ling spaar’ van ’t dralen van den tijd?—Waar is Philostratus?Philostratus.Waar is Philostratus?Hier, edel vorst.38Theseus.Wat tijdverdrijf biedt ge ons van avond aan?Muziek? of maskerfeest? Hoe foppen wijDen tragen tijd, zoo niet door vroolijkheid?Philostratus.Hier vindt ge, vorst, wat op uw wenken wacht;Gelief te kiezen, wat ge ’t eerst wilt zien.(Hij reikt een geschrift over.)Theseus.(leest).“De strijd met de Kentauren; voor te dragenDoor een Atheenschen zanger bij de harp.”Neen, dank; ik heb ’t mijn bruid alreeds verteldTer eere van mijn neef, van Hercules.“Het woeden der Bacchanten, die den zangerVan Thracië verscheuren in haar roes.”Neen, dat is oud; het werd me alreeds vertoond,Toen ik in zegepraal van Thebe kwam.“De negen Muzen, jamm’rend om den doodDer bedelarm gestorven wetenschap.”Dat is een strenge, bijtende satire,Volstrekt niet passend op een bruiloftsfeest.“Een kortgerekt vertoon van PyramusEn Thisbe, zijn beminde; een treurspelklucht.”Een treurspel en een klucht? kort en gerekt?Dat klinkt als gloeiend ijs en heete sneeuw.Wie wijst mij de eenheid van die tweeheid aan?Philostratus.’t Is, heer, een stuk, nauw twintig woorden lang,En dus zoo kort, als ik er een maar ken;Maar twintig woorden is het ruim te lang,En dus gerekt; in ’t gansche stuk toch isGeen woord naar eisch, geen speler op zijn plaats.Een treurspel is het ook, doorluchte heer,Want Pyramus steekt er zichzelf in dood.Ik zwom, toen ik de repetitie zag,In tranen, ja; maar blijder tranenvloedHeeft nooit de dolste klucht mij afgeperst.Theseus.Wie zijn de spelers?Philostratus.Wie zijn de spelers?Mannen, hard van hand,Handwerkers van Athene, die nog nooitHun brein met arbeid plaagden, maar die nu,Hoe vreemd het werk ook viel, het met dit stukBezwaarden om uw feestdag op te luistren.Theseus.Wij willen ’t hooren.Philostratus.Wij willen ’t hooren.Neen, mijn eedle vorst,’t Is niets voor u; ik heb het pas gehoord,En het is niets, ter wereld niets, tenzijGij u verlustigt in hun goeden wil,Die zich heeft afgemarteld, om dit vodVoor u te leeren.Theseus.Voor u te leeren.Hooren wil ik ’t stuk,Want nooit is iets verkeerd of ongepast,Wat eenvoud in oprechten ijver biedt.Ga, breng hen hier;—en ieder neme plaats.(Philostratusaf.)Hippolyta.’k Zie noode hijgende onmacht zwaar belast,Of ijver, die zijn best doet en bezwijkt.86Theseus.Mijn waardste, zoo iets zult gij ook niet zien.Hippolyta.Hij zegt, zij kunnen niets; het is niets goeds.Theseus.Te goediger is ’t, hen voor niets te danken.Wat zij bij ’t geven falen, te vergeven,Zij òns vermaak; wie edel denkt, waardeertVan ijver, die onmachtig blijkt, den wil.Waar ik ooit kwam, bereidden zich ten groet,In keur van taal, geleerden, groot van naam;Hoe velen zag ik sidd’ren en verbleeken,Ophouden in het midden van een zin;Angst kneep den anders ruimen gorgel toe;In ’t eind verstomden zij en braken af,En zonder welkomstgroet. Maar, lieve, tochKlonk uit dat zwijgen mij een welkom toe;En de bescheidenheid van schuchtere’ angstSprak me even duidlijk als de rateltongVan onbeschroomde, stoute redenaars.Spreke eenvoud, liefde, stott’rend en bedeesd,Toch treft, die ’t minste zegt, mij vaak het meest.(Philostratuskomt terug.)Philostratus.Zoo ’t u behaagt, Heer, deProloog staat klaar.Theseus.Hij trede binnen.(Trompetgeschal achter het tooneel.)(Dissel,als Proloog, komt op.)Proloog(Dissel).“Mishagen we u, we wenschen dit als gunst.Dat gij ons ijvrig denkt uw lof te winnen,’t Kan dwaling zijn. Het toonen onzer kunstLet op het doel, waarmee we nu beginnen.Als gij het doet, zijn wij niet bang voor spotBij uwen echt. Drijft lust om te behagenOns hier aan ’t hof. Voor uw en ons genotAcht ons niet hier. Opdat ge u zoudt beklagenStaan hier de spelers klaar. O, gij verstaatAl wat gij wilt, zoo gij hen gadeslaat.”Theseus.Die knaap let niet bijzonder op komma’s en punten.Lysander.Hij heeft zijn proloog gereden als een wild veulen; hij weet niet, waar hij moet ophouden. Een goede moraal, mijn vorst; het is niet genoeg te spreken, men moet ook juist spreken.Hippolyta.Inderdaad, hij heeft op zijn proloog gespeeld als een kind op zijn fluitje, er komen wel tonen uit, maar er is niets van te maken.Theseus.Zijn aanspraak was als een verwarde keten, geen schakel stuk, maar een en al warboel. Wat komt er nu?127(Pyramus,Thisbe,Muur,ManeschijnenLeeuwkomen als stomme personen op.)Proloog“Verwondert ge u, dat gij ons hier ziet staan,Blijf dan verwonderd, tot wij ’t duid’lijk maken.Deez’ man is Pyramus, ja, zonder waan,Deez’ schoone vrouw is Thisby, wilt ’t niet laken.Die man met leem en mortel, is de muur,Die muur, zoo wreed, die de gelieven scheidde;En door een muurspleet wist hun minnevuurTe fluistren; denkt, wat vreugd hun dit bereidde!Deez’ man, met takkenbos, lantaarn en hond,Stelt voor den maneschijn; want, zonder schromen,Bij maneschijn, aan Ninus’ graf, daar vondHet paar gelegenheid om saam te komen.Dit grimmig beest, de leeuw dat is zijn naam,Heeft trouwe Thisby, die het eerste kwam,Geweldig doen verschrikken, en zij namDe vlucht, en liet daarbij haar mantel vallen;Dien heeft de leeuw toen met zijn muil bebloed;En Pyramus, de schoonste bloem van allen,Komt, vindt er dood zijn Thisby’s mantel goed;Hij trekt zijn zwaard, dat bloedig blanke zwaard,Treft boos zijn borst, zijn brave breede borst;Thisby, die bij een moerbeiboom daar waart,Komt, trekt zijn dolk, en sterft met bloed bemorst.Laat maanschijn, muur, en leeuw, en ’t minnend paarNu ’t restje’ uitvoerig melden, kort en klaar.”(Proloog,Thisbe,LeeuwenManeschijnaf.)Theseus.Ik ben benieuwd, of ook de leeuw zal spreken.Demetrius.Geen wonder, Heer, dat een leeuw het kan, terwijl zooveel ezels het kunnen.Muur(Tuit).“Het komt er in dit treffend stuk op neer,Dat ik, Jan Tuit, den muur verpresenteer;Geloof nu van dien muur, dat is niet mis,Dat die verdistreweerd, gespleten is;En door die spleet, daar lispelt zeer geheimMet Thisby Pyramus wel menig rijm.Wilt uit deez’ steen en kalk en leem verstaan,Dat ik die muur ben, twijfel daar niet aan;En rechts en links toon ik u hier de spleet,Die van ’t gefluister der gelieven weet.”Theseus.Wie vergt, dat leem en kalk nog beter spreken?167Demetrius.Het is de geestigste scheidsmuur, dien ik nog ooit heb hooren redeneeren, Heer!Theseus.Pyramus komt daar op den muur af; stilte!(Pyramuskomt op.)Pyramus(Spoel).“O gruwbre nacht! o nacht, zoo zwart van waas!O nacht, die na het daglicht altijd doorbreekt!O nacht, o nacht, o nacht, helaas! helaas!Ik vrees, ik vrees, dat Thipsy mij haar woord breekt.En gij, o Muur, o lieve, beste Muur,Die ’t huis haars vaders en het mijne scheidt,Gij Muur, o Muur, o lieve, beste Muur,Toon mij uw spleet, waar ik mijn blik door weid’.(Muurspreidt zijn vingers uiteen.)Beleefde Muur, heb dank! God loone ’t u!Wat zie ik daar? Thipsy, die zie ik niet.O booze Muur, door wien ik niets zie nu!Vervloekt, gij steenen, die mij zoo verriedt!”Theseus.Daar de muur gevoel bezit, moet hij, dunkt mij, terug vloeken.Pyramus.Waarlijk niet, heer, ’t is zijn beurt nog niet. “Mij zoo verriedt” is Thipsy’s wachtwoord; zij moet nu opkomen, en ik moet haar door den muur uitvinden. Gij zult zien het komt krek uit, zooals ik zeg. Daar komt ze al.(Thisbekomt op.)Thisbe(Wind.)“O muur, zeer vaak vernaamt ge mijn geween,Die van mijn Pyramus mij scheidt zoo wreed;Mijn kersenlippen kusten vaak uw steen,Uw steen, uit leem en koehaar saamgekneed.”Pyramus.“Ik zie een stem, ik ga ter spleet en schouwOf ik mijn Thipsy’s aanschijn hooren kan.Thipsy!”Thisbe.“Zijt gij ’t, mijn lief, naar ik vertrouw?”Pyramus.“Vertrouw het, ja, ’k ben uw aanstaande man,En trouw ben ’k ook, zooals Limander was.”Thisbe.“En ik als Hello, tot mij ’t lot velt ras.”Pyramus.“Geen Sjefilus van Procrus hield zooveel.”Thisbe.“’k Ben Sjefilus voor Procrus, ja geheel.”Pyramus.“O kus mij door deez’ halfverganen muur.”Thisbe.“Ik proef den muur, niet uwer lippen vuur.”Pyramus.“Komt gij zoo daadlijk thans naar Ninny’s graf?”204Thisbe.“Ik kom, ja, dood of levend, op een draf.”(PyramusenThisbeaf.)Muur.“Zoo heb ik, Muur, nu braaf mijn plicht gedaan,En, afgedaan, mag muur nu henen gaan.”(Muuraf.)Theseus.Nu is de muur tusschen de twee buren ingestort.Demetrius.Dat mag ook wel, Heer, als muren het durven wagen zonder waarschuwen alles af te luisteren.Hippolyta.Dit is wel het onzinnigste ding, dat ik ooit gehoord heb.Theseus.De beste van deze soort zijn slechts schimmen, en de slechtste zijn niet slechter, wanneer de verbeeldingskracht haar te hulp komt.Hippolyta.Ja, maar dan uw verbeeldingskracht en niet de hunne.Theseus.Nu, als onze verbeelding niet slechter van hen denkt, dan zij van zichzelf, dan kunnen ze voor uitstekende lui doorgaan. Daar komen twee edele gedierten op, een Maan en een Leeuw.(LeeuwenManeschijnkomen op.)Leeuw(Schaaf).“Jonkvrouwen, gij, wier teeder hart vervaart,Als ’t kleinste monstermuisje piept, gewis,Gij beeft en siddert, als gij thans ontwaart’t Gebrul des felsten leeuws, die woedend is.Maar weet, ik Schaaf de kastenmaker bin,Geen felle leeuw, nog minder een leeuwin;Want kwam ik als een echte leeuw alhierEn snoof naar buit, wis, uit was mijn pleizier.”Theseus.Een allerliefst beest en zeer gemoedelijk.Demetrius.Het beste, mijn vorst, wat ik nog ooit van beesten gezien heb.Lysander.Die leeuw is een echte vos, wat zijn moed betreft.Theseus.Juist, en een gans, wat zijn verstand betreft.Demetrius.Toch niet, heer, want zijn dapperheid kan zijn verstand niet meesleepen, zooals de vos het de gans doet.Theseus.En ik ben overtuigd, dat zijn verstand zijn dapperheid niet meesleept, want de gans loopt niet met den vos weg. Maar komaan; wij zullen dat maar aan zijn verstand te raden geven, en nu naar de maan luisteren.242Maan(Slokker).“Ziet, deez’ lantaarn is de gehoornde maan;—”Demetrius.Hij moest de horens op het hoofd dragen.Theseus.Hij is een volle maan, zijn horens zitten onzichtbaar in de schijf.Maan.“Ziet, deez’ lantaarn is de gehoornde maan; Ikzelf stel voor het mannetje in de maan;”—Theseus.Dat is de grootste flater van alle; die man moest in de lantaarn zitten; hoe kan hij anders het mannetje in de maan zijn.Demetrius.Hij gaat er niet in, uit bangigheid, want er is een dief aan de kaars.Hippolyta.Die maan verveelt mij; ik wenschte, dat hij maar veranderde.Theseus.Naar het weinigje licht van zijn verstand te oordeelen, is hij aan het afnemen; maar wij moeten uit beleefdheid zoo redelijk zijn en eens afwachten.Lysander.Ga voort, Maan.Maan.“Al wat ik te zeggen heb, is u te vertellen, dat de lantaren de maan is; ik het mannetjein de maan; deze takkenbos mijn takkenbos; en deze hond mijn hond”.Demetrius.Wel, die dingen moesten alle in de lantaren wezen, want zij zijn in de maan. Maar stil, daar komt Thisbe.(Thisbekomt op.)Thisbe.“Dit ’s ouden Ninny’s graf, waar is mijn lief?”Leeuw.“Ooh!”(De Leeuw brult;Thisbeloopt weg.)Demetrius.Mooi gebruld, Leeuw.Theseus.Mooi gevlucht, Thisbe.Hippolyta.Mooi geschenen, Maan.—Waarlijk, de maan schijnt niet zonder bevalligheid.(De Leeuw rijtThisbe’smantel stuk en gaat heen.)Theseus.Mooi geklauwd, Leeuw.Demetrius.En daar kwam Pyramus.Lysander.En daar verdween de Leeuw.(Pyramuskomt op.)Pyramus.“Ik dank u, maanlicht, voor uw zonneglans,277Ik dank u, maan, daar gij zoo helder straalt,Want bij dien gouden lichtgloed is er kans,Dat mij ’t gezicht van trouwe Thisby smaakt.Maar stil!—wat leed!O lot, hoe wreed!Wat jammer is dit hier?Mijn oog, o ziet!Dat kan toch niet;Mijn hartlap, mij zoo dier!Uw mantel goedBevlekt met bloed?O, alle Furiën, kom!O, noodlot, schafMijn leven af,Blusch, doof, verplet, breng om!”Theseus.Die hartstocht zou, als de dood van een geliefde vriendin er bij kwam, toch wel haast in staat zijn iemand naar te maken.Hippolyta.Bij mijn ziel, ik beklaag den man.Pyramus.“Waarom, natuur, deedt gij den leeuw ontstaan?Verslikte een leeuw de schoonste jonkvrouw niet,Die is,—neen was!—waar is zij heengegaan,Die, lieflijk lachend, ’t leven loven liet?Weg, tranenschaar!Kom, zwaard, doorvaarDe borst van Pyramus!Hier links geprikt,Waar ’t hart mij tikt,Dus sterf ik, dus, dus, dus!Nu ben ik dood;Mijn ziel die vloodEn zweeft in hooger dreef;O, tong, word blind!O, maan, verzwind!O, sneef, sneef, sneef, sneef, sneef!”(Hij sterft.Maneschijnaf.)Demetrius.’t Is zonde, zonde, hij kwam juist op dreef.Lysander.Zou er geen hoop zijn, dat hij leven bleef?Theseus.Mijn heelmeester moge hem verplegen; wat de kunst vermag, zal gedaan worden, want er zijn er geen twee zoo in heel Athene.Hippolyta.Hoe komt het, dat Maneschijn is weggegaan, voor Thisbe terugkomt en haar minnaar vindt?Theseus.Ze zal hem bij sterrenlicht vinden.—Daar komt zij al, en haar jammerklacht is het besluit van ’t stuk.(Thisbekomt op.)Hippolyta.Mij dunkt, ze heeft geen lange weeklacht noodig voor zulk een Pyramus; ik hoop, dat ze kort zal wezen.Demetrius.Een stofje kan de schaal doen overslaan, wie beter is, Pyramus, of Thisbe.Lysander.Zij heeft hem met haar liefelijke oogen alreeds opgespoord.Demetrius.En ze jammert als volgt:330Thisbe.“In slaap, mijn schat?Wat, wat is dat?O, Pyramus, ontwaak!O, spreek, o, spreek!Wat ziet ge bleek!Wat! zijt ge dood? o wraak!Uw leliemond,Uw neus zoo blond,Uw wangen van saffraan,Zijn heen, zijn heen,O bruidjes, ween,Dat lookgroen oog vergaan!Drie zustren, gij,Komt thans tot mij!Hoe melkwit is uw hand!O doopt ze in ’t bloed;Uw schaar verwoedDoorsneed zijn levensband!O tong, geen woord!O zwaard, ga voort,Doorweek mijn boezem mee;Vaart, vrienden, wel;Thipsy sneeft snel;Atjé, atjé, atjé!”Theseus.Maneschijn en Leeuw zijn overgebleven om de dooden te begraven.Demetrius.Ja, en Muur ook.Spoel(opspringend).Neen, zeker niet; de muur is neergehaald, die hun vaders scheidde. Behaagthet u nu ook den epiloog te zien of eenzelfbedachten danstusschen een paar van ons gezelschap te hooren?Theseus.Geen epiloog, verzoek ik u, want uw stuk heeft geen verontschuldiging noodig. Geen enkele verontschuldiging; want als de spelers allen dood zijn, kan er van geen enkel iets kwaads gezegd worden. Inderdaad, als hij, die het stuk geschreven heeft, zelf voor Pyramus gespeeld had en zich aan Thisbe’s kouseband had verhangen, zou het een treffelijk treurspel geweest zijn; en dat is het nog, inderdaad; en zeer opmerkelijk gespeeld. Maar komt, uw zelfbedachten dans; en laat den epiloog weg.(Een dans van de Handwerkslieden.)Twaalf riep daar middernacht met koop’ren tong;—Ter rust, gij paren; ’t is dra geestentijd.Een stuk van de’ uchtend, vrees ik, slapen wijZooals een deel der nacht is doorgewaakt.Dit tastbaar dwaze spel deed toch de nachtHaar tragen gang vergeten.—Komt, ter rust!—Zóó duur’ nog veertien daag de feestlijkheid;Dat iedere avond nieuwe vreugd bereid’!(Allen af.)(Puckkomt op, met een bezem op schouder.)Puck.Hongrig brult de leeuw nu weer;378Huilend groet de wolf de maan;Snurkend ligt de ploeger neer,Nu zijn dagtaak is gedaan;Nauw één vonk in de asch nu gloort;Uilgekras klinkt in de nacht;En de kranke, die het hoort,Huivert, dat het graf hem wacht,’t Is nu middernacht, de tijd,Dat de graven openstaan,En, van hunnen boei bevrijdAlle geesten waren gaan;En wij elfen, die met dansOm ’t gespan van HecatéZweven, doch voor zonneglansVlieden, met het duister mee,Zijn nu lustig; niet een muisStore dit gewijde huis;’k Veeg het met den bezem schoon,Dat geen smetje zich vertoon’!(OberonenTitania,met Gevolg, komen op.)Oberon.Spreidt uw lichtgloed om u heen,Want geen vonkje geeft hier schijn;Iedere Elfe repp’ de leên,Vlug en lucht als ’t vogelkijn,En herhale wat ik zing,Zinge ’t lustig, danse en spring’!Titania.Zing,—en klink’ op ieder woordVan het lied het juist akkoord!Vorm een keten en verspreîZoeten zegen, elfenrei!(Gezang en dans.)Oberon.Danst tot de uchtendzonneglans,Elfen, in dit huis uw dans.Zeeg’nend zweven onze schreênOm het schoonste bruidsbed heen.Groeien, bloeien, jaar op jaar,Zal het kroost van ’t edel paar;Eeuwig bind’ de teêrste trouwDeze drie paar man en vrouw;En de spruiten van hun bedBlijven vrij van elke smet;Hen ontsier’ geen moedervlek,Geen misvorming of gebrek,Dat een ouder in zijn kind,Schriklijk ducht en gruwlijk vindt!Sprenkelt, Elfen, op den grondDezen heil’gen dauw in ’t rond;Wijdt er iedre kamer meeVan ’t paleis, tot vreugde en vreê:Eeuwig worde, die er woont,Met het hoogste heil gekroond!Flink uw plichtNu verricht;—Treft mij weer bij ’t morgenlicht!429(Oberon,Titaniaen Gevolg af.)Puck(tot het Publiek).Heeft dit schimmenspel mishaagd,Denkt dan, dat ge in sluim’ring laagt,En ’t u,—dan vergeeft gij ’t wis,—Als gezicht verschenen is.Gispt het niet, dat deze nachtU een droom, niets anders, bracht,Want wij geven u misschienDra wat beters weer te zien.Hebben wij,—dit zegt u Puck,—Heden ’t onverdiend geluk,Dat geen slangenstem ons groet,Weldra maken we alles goed;—Of noem Puck een leugenaar.Goede nacht nu, al te gaar!Toont handgeklap aan Puck uw gunst,Dan toont hij ras u beetre kunst.(Allen af.)
Vierde Bedrijf.Eerste Tooneel.Het woud bijAthene.Demetrius,Lysander,HelenaenHermiain slaap.TitaniaenSpoelkomen op, gevolgd doorErwtebloesem,Spinrag,Mot,Mosterdzaaden andere Elfen.Oberonongezien op den achtergrond.Titania.Kom, vlij u naast mij op dit bloemenbed,Opdat ik u de lieve wangen streel’,Een rozenkrans op ’t glad, zacht hoofd u zett’,En ’t schoon breed oor u kuss’, mijn pronkjuweel!Spoel.Waar is Erwtebloesem?Erwtebloesem.Tot uw dienst.Spoel.Krab me wat achter ’t oor, Erwtebloesem.—Waar is sinjeur Spinrag?Spinrag.Tot uw dienst.Spoel.Sinjeur Spinrag, mijn best sinjeurtje, neem je wapens eens ter hand, en dood mij ’reis een roodschenigen hommel op den top van een distel; en, beste sinjeur, breng mij zijn honigblaasje. Maar span je niet te veel in bij deze taak, sinjeur; en, beste sinjeur, draag zorg, dat het honigblaasje niet breekt; het zou me leed doen, als je uit een honigzakje overstroomd werdt, heerschap.—Waar is sinjeur Mosterdzaad?Mosterdzaad.Tot uw dienst.19Spoel.Geef mij je knuist, sinjeur Mosterdzaad. Ik bid je, geen complimenten, beste sinjeur.Mosterdzaad.Wat is uw verlangen?Spoel.Niets, beste sinjeur, dan dat je Mosjeu Erwtebloesem helpt krabben. Ik moet naar den barbier, heerschap; want me dunkt, ik ben verwonderlijk harig in mijn gezicht; en ik ben zoo’n gevoelige ezel, dat ik dadelijk krabben moet, als mijn haar mij prikkelt.Titania.Kan wat muziek u streelen, liefste schat?Spoel.Ik heb nog al een tamelijk goed gehoor voor muziek; laten wij detangen en botteneens hebben!Titania.Of, liefste schat, hebt ge ook tot eten lust?Spoel.Ja zeker, een schepel voer; ik zou graag wat mummelen van die goede droge haver. Me dunkt, ik heb groot verlangen naar een bundel hooi; goed hooi, zoet hooi, heeft zijns gelijke niet.38Titania.Ik heb een waagzieke elf, die uit de schuurEens eekhoorns nieuwe noten voor u haal’.Spoel.Ik had liever een of twee handvollen droge erwten. Maar, ik bid u, laat niemand van uw volkje mij storen; ik voel, dat een expositie van slaap mij overvalt.Titania.Zoo slaap nu, met mijn arm omvang ik u.Gij, elfen, gaat, verspreidt u in het rond.(De Elfen verspreiden zich.)Zoo slingert teer om geur’ge kamperfoelieZich blanke winde;—en even teer omringtKlimop de ruwe vingers van den olm.O hoe bemin ik u; ik bid u aan.(TitaniaenSpoelvallen in slaap.)(Oberontreedt naar den voorgrond;Puckkomt op.)Oberon.Wees welkom, Puck; ziet gij dat fraai tooneel?Nu boezemt mij haar waan toch meêlij in.Pas trof ik in het woud haar aan; zij lasDe fijnste kruiden voor dit wangedrocht;Ik heb haar fel berispt en viel haar hard;Zij had de ruige slapen met een kransVan frissche en geur’ge bloemen hem gekroond;En de eigen dauw, die op de knoppen vaakAls ronde kostbre parels drupp’lend zwelt,Stond in der schoone bloempjes oogen nuAls tranen, over eigen smaad geschreid.Toen ik naar lust haar had bestraft, en zijDeemoedig bad om mijn toegevendheid,Toen vorderde ik dien lievlingsknaap haar af;Zij gaf hem daad’lijk en haar elfe droegHem naar het elfenland in mijn prieel.Nu ik het knaapje heb, bevrijd ik ookHaar oogen van de’ afschuwelijken waan.Gij, beste Puck, neem dezen vreemden kopNu af van ’t hoofd van dien Atheenschen knaap,Opdat hij, evenals die andren ginds,Bij zijn ontwaken naar Athene keer’,En al die avonturen van deez’ nachtHun zijn als ’t nijdig plagen van een droom.Doch eerst bevrijd ik de elfenkoningin.(Hij bestrijkt haar oogen met een tooverkruid.)Wees, zooals ge placht te zijn;Zie weer ’t wezen, niet den schijn;Deze struik, Diana’s roem,Fnuike alsnu Cupido’s bloem!Ontwaak, Titania, mijn koningin!80Titania.Mijn Oberon! Wat droombeeld nam mij in!Mij dunkt, dat ik een ezel heb bemind.Oberon.Daar ligt uw lief.Titania.Daar ligt uw lief.Hoe kwam ik zoo ontzind?O foei, wat pijnigt dit gezicht mijn oog!Oberon.O stil nog!—Puck, bevrijd hem van dien kop.—Titania, een slaap, die diep verdooft,Zij door muziek op ’t vijftal uitgestort.Titania.Muziek dan, die een diepen slaap verwekk’!(Een zachte muziek doet zich hooren.)Puck(totSpoel).Kom dan; wees, als ge ontwaakt, weer de oude gek.Oberon.Ja, klink, muziek!—Mijn gâ, geef mij de hand,En dansend wieg’len wij dit slapersland.Op nieuw is onze liefdevlam ontbrand,Wij brengen morgen nacht, weer zielsverwant,Door dans in Theseus’ huis zijn heil tot stand,En zeeg’nen ’t huis met menig liefdepand;—En daar vereenige ook de huwlijksband,Deez’ paren, met hun vorst, op blijden trant.Puck.Elfenkoning, hoort gij ’t niet,De uchtendleeuwrik zingt zijn lied.Oberon.Zacht, in schaduw van de nacht,Lieve, dan de reis volbracht;Sneller, dan de mane vaart,Doen wij onzen tocht om de aard.Titania.Kom, mijn vorst en heer, en zegMij uitvoerig onder weg,Wat betoov’ring mij van nachtBij die stervelingen bracht.(OberonenTitaniamet gevolg af. Horengeschal achter het tooneel.)(Theseus,Hippolyta,Egeusen Gevolg komen op.)Theseus.Dat een van u den jachtopziener zoek’,Want onze Meibegroeting is volbracht;En daar de dag zich nu heeft aangemeld,Verneem’ mijn bruid der honden jachtmuziek.—Ontkoppelt hen in ’t westlijk dal; vooruit!En zoekt, zeg ik, den jachtopziener op.—Mijn schoone bruid, beklim met mij den berg;Daar klinkt zoo schoon ’t verwarde hondgeblaf,Dat met der dalen echo’s samensmelt.Hippolyta.Ik was met Hercules en Cadmus eens,117Die met Spartaansche honden op een beerIn Creta’s bosschen jaagden; ’k hoorde nooitEen schooner jachtrumoer; niet enkel ’t woud,Ook hemel, beek en veld, heel de omtrek wasÉén roep en tegenroep; ik hoorde nooitEen zoeter wanklank, liefelijker donder.Theseus.Mijn honden zijn van ’t echt Spartaansche ras,Breedlippig, geel; hun ooren hangen laagEn vagen van het gras den morgendauw;Krombeenig, met een kossem als een stier;Niet snel, maar bij het blaffen fraai gestemdAls klokkenspel. Welluidender geblafKlonk nooit bij jachtgeroep of horenschal,In Creta, Sparta noch Thessalia;Beoordeel ’t zelf!—Doch wat zijn dat voor nimfen?Egeus.Mijn vorst, dat is mijn dochter, die daar slaapt;Daar is Lysander, hier Demetrius,Hier Helena, des grijzen Nedars kind;Ik sta verbaasd, dat zij hier samen zijn.Theseus.Zij kwamen zonder twijfel vroeg de MeiHier vieren, en, verwittigd van ons plan,Vertoefden zij, ter wille van ons feest.—Maar Egeus, spreek, is ’t heden niet de dag,Dat Hermia haar keus verkonden moet?Egeus.Zoo is ’t, mijn vorst.Theseus.Nu, laat de jagers hen met horens wekken!(Horengeschal en jachtgedruisch achter het tooneel.Demetrius,Lysander,HermiaenHelenaontwaken en springen verschrikt op.)Theseus.Zoo, goeden dag! Sint Velten is voorbij;En paren deze vogels eerst van daag?Lysander.Vergeving, heer.(Hij knielt met de overigen voorTheseus.)Theseus.Vergeving, heer.Staat, bid ik, op. Ik weet,Vijandig zijt ge elkaar, als mededingers.Van waar die lieflijke eendracht zoo op eens,Dat vrij van argwaan haat bij haat zich vlijt,En ijverzucht haar vijand ducht noch mijdt.Lysander.Spreek ik verward, heer, ’t breng’ mij geen verwijt;Het is me, als droom ik nog. Wàt is geschied,Hoe ik hier kwam, ik zweer ’t, ik weet het niet.Maar denk ik juist, (want gaarne spreek ik waar;—En nu bedenk ik, dat het wel zoo is;)Ik kwam met Hermia naar ’t woud, van plan,Athene te verlaten voor een plaats,Waar ons de Atheensche wet niet meer bedreigt.Egeus.Genoeg, genoeg; mijn vorst, dit zij genoeg;159Thans treff’ de wet, de wet, zijn schuldig hoofd!—Te vluchten was het plan, het plan, Demetrius!Ze wilden ons berooven, u en mij,U van uw vrouw, mij van mijn vaderrecht,Dat recht, waardoor ik haar aan u reeds gaf.Demetrius.Mijn vorst, de schoone Helena verriedAan mij hun vlucht, hun plan tot vlucht naar hier;Uit woede sloop ik hen toen na in ’t woud,Uit liefde mij de schoone Helena.Maar, goede vorst, ik weet niet door wat macht,(Maar ’t moet een hoog’re macht zijn,) mijne minVoor Hermia als sneeuw versmolt en mijNu als de erinn’ring van een speelgoed schijnt,Waarop ik in mijn kindsheid was verzot.Mijn liefde en trouw, de kracht van heel mijn ziel,Het eenig beeld, dat thans mijn oogen streelt,Is Helena alleen. Ik minde haar,Mijn vorst, aleer ik Hermia ooit zag.Zooals een’ zieke nooit een spijs behaagt,Eer zijn gezonde smaak is weergekeerd,Zoo wensch ik thans naar haar, en smacht naar haar,Bemin ik haar, blijf eeuwig trouw aan haar.Theseus.Gelieven, het treft goed, dat ik u vond,Maar later hoor ik van dit alles meer.—Gij, Egeus, moet u voegen naar mijn wil:Dat beide paren in den tempel nuGelijk met ons een eeuw’ge knoop verbind’.—En daar de morgen reeds ten deel verstreek,Zij nu de ontworpen jacht ter zij gesteld.—Komt, naar Athene! Een feest van drie bij drieZij thans gevierd, dat nooit zijn weerga zie!Wij gaan, Hippolyta.(Theseus,Hippolyta,Egeusen Gevolg af.)Demetrius.’t Is alles ver en klein, onkenbaar flauw,Als verre bergen, door een wolk omhuld.Hermia.En mij is alles, als waar ’t oog gedeeld,En zag ik alles dubbel.Helena.En zag ik alles dubbel.Zóó is ’t mij;Ik vond Demetrius, als een juweel,Dat mij behoort en niet behoort.Demetrius.Dat mij behoort en niet behoort.Ik denk,Wij droomen nog.—Was niet de hertog hier,Die ons den last van hem te volgen gaf?Hermia.Ja, en mijn vader.Helena.Ja, en mijn vader.En Hippolyta.Lysander.De last was, hem te volgen naar den tempel.Demetrius.Dan zijn wij toch ontwaakt. Komt, hem gevolgd;En elk deele onderweg zijn droomen mee.204(Demetrius,Lysander,HermiaenHelenaaf.)(Terwijl zij heengaan, ontwaaktSpoel.)Spoel.Als mijn wachtwoord komt, roep me dan, en ik zal antwoorden;—mijn eerste is: “volschoone Pyramus”.—Holà, hé.—Pieter Dissel! Wind, de blaasbalgmaker! Tuit, de ketellapper! Slokker! God zegen’ me! weggeslopen en mij hier laten slapen! Ik heb een allervreemdst gezicht gehad. Ik heb een droom gehad,—het gaat boven iemand zijn verstand, te zeggen, wat voor een droom het was; de mensch is eenvoudig een ezel, als hij dien droom wil gaan uitleggen. Mij dacht, ik was,—o, geen mensch kan zeggen, wat. Mij dacht, ik was, en mij dacht, ik had,—maar een mensch is maar een bont gekleede nar, als hij het hart heeft te gaan zeggen, wat mij dacht, dat ik had. Geen menschenoog heeft het gehoord, geen menschenoor heeft het gezien; geen menschenhand is in staat om het te proeven, geen tong om het te begrijpen, geen hart om het over te vertellen, wat mijn droom was. Ik zal Pieter Dissel vragen, van dezen droom een ballade te schrijven; en die zal genoemd worden “de weversdroom,” omdathet zoo’n raar samenweefsel is; en ik zal die tegen het eind van het stuk zingen voor den hertog; misschien zing ik ze, om het wat sierlijker te maken, als zij zich doodsteekt.(Spoelaf.)Tweede Tooneel.Athene.Een kamer inDisselshuis.Dissel,Wind,TuitenSlokkerkomen op.Dissel.Heb je al naar Spoel zijn huis gestuurd? Is hij al terug?Slokker.Geen mensch weet waar hij is. Hij is zeker vertransforteerd.Wind.Als hij niet komt, is ons spel bedorven; dan gaat het niet door, niet waar?Dissel.Onmogelijk; er is geen man in geheel Athene, die in staat is Pyramus op te spelen, behalve hij.Wind.Neen, dat is zoo; hij heeft, ronduit gezeid, het mooiste vernuft van alle handwerkslui in Athene.Dissel.Ja, en de knapste kerel er bij, en hij is, om zijn liefelijke stem, een echt liefhebber.Wind.Zeg toch “minnaar”, man; een “liefhebber”, God beter ’t, is zoo’n raar ding.(Schaafkomt op.)Schaaf.Mannen, de hertog komt daar uit den tempel, en er zijn nog twee of drie andere heeren en dames meer getrouwd. Als ons spel was doorgegaan, dan waren wij er allen boven op geweest.Wind.O, die lieve bullebak van een Spoel! Zoo heeft hij dan wel een schelling daags levenslang verloren; een schelling daags kon hem niet ontgaan; als de hertog hem niet een schelling daags gegeven had voor het spelen van Pyramus, wil ik gehangen worden; hij zou het verdiend hebben; een schelling daags voor zijn Pyramus, of niets!(Spoelkomt op.)Spoel.Waar zijn mijn kerels? waar zijn die beste jongens?Dissel.Spoel! O allerhartelijkste dag! O heerlijk oogenblik!Spoel.Mannen! ik heb wonderen te vertellen; maar vraagt mij niet wat; maar als ik het je vertel, wil ik geen goed Athener heeten. Ik zal je alles en alles vertellen, haarfijn, zooals het gebeurd is.Dissel.Laat hooren, beste Spoel.Spoel.Neen, ik zeg geen woord. Al wat ik je zeggen wil, is, dat de hertog al gegeten heeft. Brengt al je zaken in orde, doet bindtouw aan de baarden, nieuwe linten aan de schoenen; komt dadelijk aan het paleis bij elkaar; laat ieder zijn rol nog eens overkijken; want het kort en het lang van de zaak is, dat ons stuk vóórkomt. In elk geval, laat Thisbe schoon linnengoed aandoen, en laat, die den leeuw speelt, toch vooral zijn nagels niet korten, want die moeten lang uithangen, als leeuwenklauwen. En, mijn allerliefste spelers, eet toch geen uien of knoflook, want wij moeten een liefelijken adem uitblazen, en ik twijfel er niet aan, of we zullen ze hooren zeggen, het is een liefelijke comedie! Nu geen woord meer; voort! gaat! voort!(Allen af.)Vijfde Bedrijf.Eerste Tooneel.Athene.Een kamer in het paleis vanTheseus.Theseus,Hippolyta,Philostratus,Hovelingen en Gevolg komen op.Hippolyta.Vreemd, Theseus, is ’t verhaal van die gelieven.Theseus.Meer vreemd dan waar. ’k Sla geen geloof aan alDie sprookjes of die elfenspokerij.En liefde èn waanzin maakt het brein verhitEn wekt verbeelding op en doet steeds zienVeel meer dan ’t koel verstand ooit vatten kan.Waanzinnigen, verliefden, dichters zijnGeheel verbeelding: die, de dolle, zietMeer duivels dan de hel bevat; de minnaar,Niet minder dol, ziet schoone Helena,Waar hij een bruin, getaand gelaat ontwaart;In schoonen waanzin rolt des dichters oog,Blikt uit den hemel neer, van de aard ten hemel;En waar verbeelding dingen, ongekend,Te voorschijn roept, daar schept des dichters stiftHun een gestalte, en schenkt aan ’t ijdel nietsOp de aard bestaan, een woning en een naam.Verbeelding is in grillen overrijk;Zoodra zij iets gevoelt, dat haar verheugt,Staat haar voor ’t oog een brenger van de vreugd;Terwijl, als ’s nachts haar angst bekruipt in ’t woud,Zij licht een ruigte voor een ondier houdt.Hippolyta.Maar al wat zij vertellen van deez’ nacht,En hun gezindheid, zoo gelijk veranderd,Moet meer zijn dan een spel der phantasie.Het toont verband, het wordt tot werklijkheid;Doch altijd blijft het vreemd en wonderbaar.Theseus.Daar zijn de paren, vol van lust en vreugd.(Lysander,Demetrius,HermiaenHelenakomen op.)Heil, vrienden! Heil en heldre levensdagenNaar ’s harten wensch!Lysander.Naar ’s harten wensch!Nog hooger heil, mijn vorst,Zij met uw uit- en ingaan, disch en bed!Theseus.Kom aan, wat dans of schouwspel zal er zijn,Dat ons die eeuw verkort, dat drietal uren,Dat avondmaal en uur van rust nog scheidt?Waar is de man van onze feestlijkheid?—Kom, is er niets? geen schouwtooneel, dat onsDe mart’ling spaar’ van ’t dralen van den tijd?—Waar is Philostratus?Philostratus.Waar is Philostratus?Hier, edel vorst.38Theseus.Wat tijdverdrijf biedt ge ons van avond aan?Muziek? of maskerfeest? Hoe foppen wijDen tragen tijd, zoo niet door vroolijkheid?Philostratus.Hier vindt ge, vorst, wat op uw wenken wacht;Gelief te kiezen, wat ge ’t eerst wilt zien.(Hij reikt een geschrift over.)Theseus.(leest).“De strijd met de Kentauren; voor te dragenDoor een Atheenschen zanger bij de harp.”Neen, dank; ik heb ’t mijn bruid alreeds verteldTer eere van mijn neef, van Hercules.“Het woeden der Bacchanten, die den zangerVan Thracië verscheuren in haar roes.”Neen, dat is oud; het werd me alreeds vertoond,Toen ik in zegepraal van Thebe kwam.“De negen Muzen, jamm’rend om den doodDer bedelarm gestorven wetenschap.”Dat is een strenge, bijtende satire,Volstrekt niet passend op een bruiloftsfeest.“Een kortgerekt vertoon van PyramusEn Thisbe, zijn beminde; een treurspelklucht.”Een treurspel en een klucht? kort en gerekt?Dat klinkt als gloeiend ijs en heete sneeuw.Wie wijst mij de eenheid van die tweeheid aan?Philostratus.’t Is, heer, een stuk, nauw twintig woorden lang,En dus zoo kort, als ik er een maar ken;Maar twintig woorden is het ruim te lang,En dus gerekt; in ’t gansche stuk toch isGeen woord naar eisch, geen speler op zijn plaats.Een treurspel is het ook, doorluchte heer,Want Pyramus steekt er zichzelf in dood.Ik zwom, toen ik de repetitie zag,In tranen, ja; maar blijder tranenvloedHeeft nooit de dolste klucht mij afgeperst.Theseus.Wie zijn de spelers?Philostratus.Wie zijn de spelers?Mannen, hard van hand,Handwerkers van Athene, die nog nooitHun brein met arbeid plaagden, maar die nu,Hoe vreemd het werk ook viel, het met dit stukBezwaarden om uw feestdag op te luistren.Theseus.Wij willen ’t hooren.Philostratus.Wij willen ’t hooren.Neen, mijn eedle vorst,’t Is niets voor u; ik heb het pas gehoord,En het is niets, ter wereld niets, tenzijGij u verlustigt in hun goeden wil,Die zich heeft afgemarteld, om dit vodVoor u te leeren.Theseus.Voor u te leeren.Hooren wil ik ’t stuk,Want nooit is iets verkeerd of ongepast,Wat eenvoud in oprechten ijver biedt.Ga, breng hen hier;—en ieder neme plaats.(Philostratusaf.)Hippolyta.’k Zie noode hijgende onmacht zwaar belast,Of ijver, die zijn best doet en bezwijkt.86Theseus.Mijn waardste, zoo iets zult gij ook niet zien.Hippolyta.Hij zegt, zij kunnen niets; het is niets goeds.Theseus.Te goediger is ’t, hen voor niets te danken.Wat zij bij ’t geven falen, te vergeven,Zij òns vermaak; wie edel denkt, waardeertVan ijver, die onmachtig blijkt, den wil.Waar ik ooit kwam, bereidden zich ten groet,In keur van taal, geleerden, groot van naam;Hoe velen zag ik sidd’ren en verbleeken,Ophouden in het midden van een zin;Angst kneep den anders ruimen gorgel toe;In ’t eind verstomden zij en braken af,En zonder welkomstgroet. Maar, lieve, tochKlonk uit dat zwijgen mij een welkom toe;En de bescheidenheid van schuchtere’ angstSprak me even duidlijk als de rateltongVan onbeschroomde, stoute redenaars.Spreke eenvoud, liefde, stott’rend en bedeesd,Toch treft, die ’t minste zegt, mij vaak het meest.(Philostratuskomt terug.)Philostratus.Zoo ’t u behaagt, Heer, deProloog staat klaar.Theseus.Hij trede binnen.(Trompetgeschal achter het tooneel.)(Dissel,als Proloog, komt op.)Proloog(Dissel).“Mishagen we u, we wenschen dit als gunst.Dat gij ons ijvrig denkt uw lof te winnen,’t Kan dwaling zijn. Het toonen onzer kunstLet op het doel, waarmee we nu beginnen.Als gij het doet, zijn wij niet bang voor spotBij uwen echt. Drijft lust om te behagenOns hier aan ’t hof. Voor uw en ons genotAcht ons niet hier. Opdat ge u zoudt beklagenStaan hier de spelers klaar. O, gij verstaatAl wat gij wilt, zoo gij hen gadeslaat.”Theseus.Die knaap let niet bijzonder op komma’s en punten.Lysander.Hij heeft zijn proloog gereden als een wild veulen; hij weet niet, waar hij moet ophouden. Een goede moraal, mijn vorst; het is niet genoeg te spreken, men moet ook juist spreken.Hippolyta.Inderdaad, hij heeft op zijn proloog gespeeld als een kind op zijn fluitje, er komen wel tonen uit, maar er is niets van te maken.Theseus.Zijn aanspraak was als een verwarde keten, geen schakel stuk, maar een en al warboel. Wat komt er nu?127(Pyramus,Thisbe,Muur,ManeschijnenLeeuwkomen als stomme personen op.)Proloog“Verwondert ge u, dat gij ons hier ziet staan,Blijf dan verwonderd, tot wij ’t duid’lijk maken.Deez’ man is Pyramus, ja, zonder waan,Deez’ schoone vrouw is Thisby, wilt ’t niet laken.Die man met leem en mortel, is de muur,Die muur, zoo wreed, die de gelieven scheidde;En door een muurspleet wist hun minnevuurTe fluistren; denkt, wat vreugd hun dit bereidde!Deez’ man, met takkenbos, lantaarn en hond,Stelt voor den maneschijn; want, zonder schromen,Bij maneschijn, aan Ninus’ graf, daar vondHet paar gelegenheid om saam te komen.Dit grimmig beest, de leeuw dat is zijn naam,Heeft trouwe Thisby, die het eerste kwam,Geweldig doen verschrikken, en zij namDe vlucht, en liet daarbij haar mantel vallen;Dien heeft de leeuw toen met zijn muil bebloed;En Pyramus, de schoonste bloem van allen,Komt, vindt er dood zijn Thisby’s mantel goed;Hij trekt zijn zwaard, dat bloedig blanke zwaard,Treft boos zijn borst, zijn brave breede borst;Thisby, die bij een moerbeiboom daar waart,Komt, trekt zijn dolk, en sterft met bloed bemorst.Laat maanschijn, muur, en leeuw, en ’t minnend paarNu ’t restje’ uitvoerig melden, kort en klaar.”(Proloog,Thisbe,LeeuwenManeschijnaf.)Theseus.Ik ben benieuwd, of ook de leeuw zal spreken.Demetrius.Geen wonder, Heer, dat een leeuw het kan, terwijl zooveel ezels het kunnen.Muur(Tuit).“Het komt er in dit treffend stuk op neer,Dat ik, Jan Tuit, den muur verpresenteer;Geloof nu van dien muur, dat is niet mis,Dat die verdistreweerd, gespleten is;En door die spleet, daar lispelt zeer geheimMet Thisby Pyramus wel menig rijm.Wilt uit deez’ steen en kalk en leem verstaan,Dat ik die muur ben, twijfel daar niet aan;En rechts en links toon ik u hier de spleet,Die van ’t gefluister der gelieven weet.”Theseus.Wie vergt, dat leem en kalk nog beter spreken?167Demetrius.Het is de geestigste scheidsmuur, dien ik nog ooit heb hooren redeneeren, Heer!Theseus.Pyramus komt daar op den muur af; stilte!(Pyramuskomt op.)Pyramus(Spoel).“O gruwbre nacht! o nacht, zoo zwart van waas!O nacht, die na het daglicht altijd doorbreekt!O nacht, o nacht, o nacht, helaas! helaas!Ik vrees, ik vrees, dat Thipsy mij haar woord breekt.En gij, o Muur, o lieve, beste Muur,Die ’t huis haars vaders en het mijne scheidt,Gij Muur, o Muur, o lieve, beste Muur,Toon mij uw spleet, waar ik mijn blik door weid’.(Muurspreidt zijn vingers uiteen.)Beleefde Muur, heb dank! God loone ’t u!Wat zie ik daar? Thipsy, die zie ik niet.O booze Muur, door wien ik niets zie nu!Vervloekt, gij steenen, die mij zoo verriedt!”Theseus.Daar de muur gevoel bezit, moet hij, dunkt mij, terug vloeken.Pyramus.Waarlijk niet, heer, ’t is zijn beurt nog niet. “Mij zoo verriedt” is Thipsy’s wachtwoord; zij moet nu opkomen, en ik moet haar door den muur uitvinden. Gij zult zien het komt krek uit, zooals ik zeg. Daar komt ze al.(Thisbekomt op.)Thisbe(Wind.)“O muur, zeer vaak vernaamt ge mijn geween,Die van mijn Pyramus mij scheidt zoo wreed;Mijn kersenlippen kusten vaak uw steen,Uw steen, uit leem en koehaar saamgekneed.”Pyramus.“Ik zie een stem, ik ga ter spleet en schouwOf ik mijn Thipsy’s aanschijn hooren kan.Thipsy!”Thisbe.“Zijt gij ’t, mijn lief, naar ik vertrouw?”Pyramus.“Vertrouw het, ja, ’k ben uw aanstaande man,En trouw ben ’k ook, zooals Limander was.”Thisbe.“En ik als Hello, tot mij ’t lot velt ras.”Pyramus.“Geen Sjefilus van Procrus hield zooveel.”Thisbe.“’k Ben Sjefilus voor Procrus, ja geheel.”Pyramus.“O kus mij door deez’ halfverganen muur.”Thisbe.“Ik proef den muur, niet uwer lippen vuur.”Pyramus.“Komt gij zoo daadlijk thans naar Ninny’s graf?”204Thisbe.“Ik kom, ja, dood of levend, op een draf.”(PyramusenThisbeaf.)Muur.“Zoo heb ik, Muur, nu braaf mijn plicht gedaan,En, afgedaan, mag muur nu henen gaan.”(Muuraf.)Theseus.Nu is de muur tusschen de twee buren ingestort.Demetrius.Dat mag ook wel, Heer, als muren het durven wagen zonder waarschuwen alles af te luisteren.Hippolyta.Dit is wel het onzinnigste ding, dat ik ooit gehoord heb.Theseus.De beste van deze soort zijn slechts schimmen, en de slechtste zijn niet slechter, wanneer de verbeeldingskracht haar te hulp komt.Hippolyta.Ja, maar dan uw verbeeldingskracht en niet de hunne.Theseus.Nu, als onze verbeelding niet slechter van hen denkt, dan zij van zichzelf, dan kunnen ze voor uitstekende lui doorgaan. Daar komen twee edele gedierten op, een Maan en een Leeuw.(LeeuwenManeschijnkomen op.)Leeuw(Schaaf).“Jonkvrouwen, gij, wier teeder hart vervaart,Als ’t kleinste monstermuisje piept, gewis,Gij beeft en siddert, als gij thans ontwaart’t Gebrul des felsten leeuws, die woedend is.Maar weet, ik Schaaf de kastenmaker bin,Geen felle leeuw, nog minder een leeuwin;Want kwam ik als een echte leeuw alhierEn snoof naar buit, wis, uit was mijn pleizier.”Theseus.Een allerliefst beest en zeer gemoedelijk.Demetrius.Het beste, mijn vorst, wat ik nog ooit van beesten gezien heb.Lysander.Die leeuw is een echte vos, wat zijn moed betreft.Theseus.Juist, en een gans, wat zijn verstand betreft.Demetrius.Toch niet, heer, want zijn dapperheid kan zijn verstand niet meesleepen, zooals de vos het de gans doet.Theseus.En ik ben overtuigd, dat zijn verstand zijn dapperheid niet meesleept, want de gans loopt niet met den vos weg. Maar komaan; wij zullen dat maar aan zijn verstand te raden geven, en nu naar de maan luisteren.242Maan(Slokker).“Ziet, deez’ lantaarn is de gehoornde maan;—”Demetrius.Hij moest de horens op het hoofd dragen.Theseus.Hij is een volle maan, zijn horens zitten onzichtbaar in de schijf.Maan.“Ziet, deez’ lantaarn is de gehoornde maan; Ikzelf stel voor het mannetje in de maan;”—Theseus.Dat is de grootste flater van alle; die man moest in de lantaarn zitten; hoe kan hij anders het mannetje in de maan zijn.Demetrius.Hij gaat er niet in, uit bangigheid, want er is een dief aan de kaars.Hippolyta.Die maan verveelt mij; ik wenschte, dat hij maar veranderde.Theseus.Naar het weinigje licht van zijn verstand te oordeelen, is hij aan het afnemen; maar wij moeten uit beleefdheid zoo redelijk zijn en eens afwachten.Lysander.Ga voort, Maan.Maan.“Al wat ik te zeggen heb, is u te vertellen, dat de lantaren de maan is; ik het mannetjein de maan; deze takkenbos mijn takkenbos; en deze hond mijn hond”.Demetrius.Wel, die dingen moesten alle in de lantaren wezen, want zij zijn in de maan. Maar stil, daar komt Thisbe.(Thisbekomt op.)Thisbe.“Dit ’s ouden Ninny’s graf, waar is mijn lief?”Leeuw.“Ooh!”(De Leeuw brult;Thisbeloopt weg.)Demetrius.Mooi gebruld, Leeuw.Theseus.Mooi gevlucht, Thisbe.Hippolyta.Mooi geschenen, Maan.—Waarlijk, de maan schijnt niet zonder bevalligheid.(De Leeuw rijtThisbe’smantel stuk en gaat heen.)Theseus.Mooi geklauwd, Leeuw.Demetrius.En daar kwam Pyramus.Lysander.En daar verdween de Leeuw.(Pyramuskomt op.)Pyramus.“Ik dank u, maanlicht, voor uw zonneglans,277Ik dank u, maan, daar gij zoo helder straalt,Want bij dien gouden lichtgloed is er kans,Dat mij ’t gezicht van trouwe Thisby smaakt.Maar stil!—wat leed!O lot, hoe wreed!Wat jammer is dit hier?Mijn oog, o ziet!Dat kan toch niet;Mijn hartlap, mij zoo dier!Uw mantel goedBevlekt met bloed?O, alle Furiën, kom!O, noodlot, schafMijn leven af,Blusch, doof, verplet, breng om!”Theseus.Die hartstocht zou, als de dood van een geliefde vriendin er bij kwam, toch wel haast in staat zijn iemand naar te maken.Hippolyta.Bij mijn ziel, ik beklaag den man.Pyramus.“Waarom, natuur, deedt gij den leeuw ontstaan?Verslikte een leeuw de schoonste jonkvrouw niet,Die is,—neen was!—waar is zij heengegaan,Die, lieflijk lachend, ’t leven loven liet?Weg, tranenschaar!Kom, zwaard, doorvaarDe borst van Pyramus!Hier links geprikt,Waar ’t hart mij tikt,Dus sterf ik, dus, dus, dus!Nu ben ik dood;Mijn ziel die vloodEn zweeft in hooger dreef;O, tong, word blind!O, maan, verzwind!O, sneef, sneef, sneef, sneef, sneef!”(Hij sterft.Maneschijnaf.)Demetrius.’t Is zonde, zonde, hij kwam juist op dreef.Lysander.Zou er geen hoop zijn, dat hij leven bleef?Theseus.Mijn heelmeester moge hem verplegen; wat de kunst vermag, zal gedaan worden, want er zijn er geen twee zoo in heel Athene.Hippolyta.Hoe komt het, dat Maneschijn is weggegaan, voor Thisbe terugkomt en haar minnaar vindt?Theseus.Ze zal hem bij sterrenlicht vinden.—Daar komt zij al, en haar jammerklacht is het besluit van ’t stuk.(Thisbekomt op.)Hippolyta.Mij dunkt, ze heeft geen lange weeklacht noodig voor zulk een Pyramus; ik hoop, dat ze kort zal wezen.Demetrius.Een stofje kan de schaal doen overslaan, wie beter is, Pyramus, of Thisbe.Lysander.Zij heeft hem met haar liefelijke oogen alreeds opgespoord.Demetrius.En ze jammert als volgt:330Thisbe.“In slaap, mijn schat?Wat, wat is dat?O, Pyramus, ontwaak!O, spreek, o, spreek!Wat ziet ge bleek!Wat! zijt ge dood? o wraak!Uw leliemond,Uw neus zoo blond,Uw wangen van saffraan,Zijn heen, zijn heen,O bruidjes, ween,Dat lookgroen oog vergaan!Drie zustren, gij,Komt thans tot mij!Hoe melkwit is uw hand!O doopt ze in ’t bloed;Uw schaar verwoedDoorsneed zijn levensband!O tong, geen woord!O zwaard, ga voort,Doorweek mijn boezem mee;Vaart, vrienden, wel;Thipsy sneeft snel;Atjé, atjé, atjé!”Theseus.Maneschijn en Leeuw zijn overgebleven om de dooden te begraven.Demetrius.Ja, en Muur ook.Spoel(opspringend).Neen, zeker niet; de muur is neergehaald, die hun vaders scheidde. Behaagthet u nu ook den epiloog te zien of eenzelfbedachten danstusschen een paar van ons gezelschap te hooren?Theseus.Geen epiloog, verzoek ik u, want uw stuk heeft geen verontschuldiging noodig. Geen enkele verontschuldiging; want als de spelers allen dood zijn, kan er van geen enkel iets kwaads gezegd worden. Inderdaad, als hij, die het stuk geschreven heeft, zelf voor Pyramus gespeeld had en zich aan Thisbe’s kouseband had verhangen, zou het een treffelijk treurspel geweest zijn; en dat is het nog, inderdaad; en zeer opmerkelijk gespeeld. Maar komt, uw zelfbedachten dans; en laat den epiloog weg.(Een dans van de Handwerkslieden.)Twaalf riep daar middernacht met koop’ren tong;—Ter rust, gij paren; ’t is dra geestentijd.Een stuk van de’ uchtend, vrees ik, slapen wijZooals een deel der nacht is doorgewaakt.Dit tastbaar dwaze spel deed toch de nachtHaar tragen gang vergeten.—Komt, ter rust!—Zóó duur’ nog veertien daag de feestlijkheid;Dat iedere avond nieuwe vreugd bereid’!(Allen af.)(Puckkomt op, met een bezem op schouder.)Puck.Hongrig brult de leeuw nu weer;378Huilend groet de wolf de maan;Snurkend ligt de ploeger neer,Nu zijn dagtaak is gedaan;Nauw één vonk in de asch nu gloort;Uilgekras klinkt in de nacht;En de kranke, die het hoort,Huivert, dat het graf hem wacht,’t Is nu middernacht, de tijd,Dat de graven openstaan,En, van hunnen boei bevrijdAlle geesten waren gaan;En wij elfen, die met dansOm ’t gespan van HecatéZweven, doch voor zonneglansVlieden, met het duister mee,Zijn nu lustig; niet een muisStore dit gewijde huis;’k Veeg het met den bezem schoon,Dat geen smetje zich vertoon’!(OberonenTitania,met Gevolg, komen op.)Oberon.Spreidt uw lichtgloed om u heen,Want geen vonkje geeft hier schijn;Iedere Elfe repp’ de leên,Vlug en lucht als ’t vogelkijn,En herhale wat ik zing,Zinge ’t lustig, danse en spring’!Titania.Zing,—en klink’ op ieder woordVan het lied het juist akkoord!Vorm een keten en verspreîZoeten zegen, elfenrei!(Gezang en dans.)Oberon.Danst tot de uchtendzonneglans,Elfen, in dit huis uw dans.Zeeg’nend zweven onze schreênOm het schoonste bruidsbed heen.Groeien, bloeien, jaar op jaar,Zal het kroost van ’t edel paar;Eeuwig bind’ de teêrste trouwDeze drie paar man en vrouw;En de spruiten van hun bedBlijven vrij van elke smet;Hen ontsier’ geen moedervlek,Geen misvorming of gebrek,Dat een ouder in zijn kind,Schriklijk ducht en gruwlijk vindt!Sprenkelt, Elfen, op den grondDezen heil’gen dauw in ’t rond;Wijdt er iedre kamer meeVan ’t paleis, tot vreugde en vreê:Eeuwig worde, die er woont,Met het hoogste heil gekroond!Flink uw plichtNu verricht;—Treft mij weer bij ’t morgenlicht!429(Oberon,Titaniaen Gevolg af.)Puck(tot het Publiek).Heeft dit schimmenspel mishaagd,Denkt dan, dat ge in sluim’ring laagt,En ’t u,—dan vergeeft gij ’t wis,—Als gezicht verschenen is.Gispt het niet, dat deze nachtU een droom, niets anders, bracht,Want wij geven u misschienDra wat beters weer te zien.Hebben wij,—dit zegt u Puck,—Heden ’t onverdiend geluk,Dat geen slangenstem ons groet,Weldra maken we alles goed;—Of noem Puck een leugenaar.Goede nacht nu, al te gaar!Toont handgeklap aan Puck uw gunst,Dan toont hij ras u beetre kunst.(Allen af.)
Vierde Bedrijf.Eerste Tooneel.Het woud bijAthene.Demetrius,Lysander,HelenaenHermiain slaap.TitaniaenSpoelkomen op, gevolgd doorErwtebloesem,Spinrag,Mot,Mosterdzaaden andere Elfen.Oberonongezien op den achtergrond.Titania.Kom, vlij u naast mij op dit bloemenbed,Opdat ik u de lieve wangen streel’,Een rozenkrans op ’t glad, zacht hoofd u zett’,En ’t schoon breed oor u kuss’, mijn pronkjuweel!Spoel.Waar is Erwtebloesem?Erwtebloesem.Tot uw dienst.Spoel.Krab me wat achter ’t oor, Erwtebloesem.—Waar is sinjeur Spinrag?Spinrag.Tot uw dienst.Spoel.Sinjeur Spinrag, mijn best sinjeurtje, neem je wapens eens ter hand, en dood mij ’reis een roodschenigen hommel op den top van een distel; en, beste sinjeur, breng mij zijn honigblaasje. Maar span je niet te veel in bij deze taak, sinjeur; en, beste sinjeur, draag zorg, dat het honigblaasje niet breekt; het zou me leed doen, als je uit een honigzakje overstroomd werdt, heerschap.—Waar is sinjeur Mosterdzaad?Mosterdzaad.Tot uw dienst.19Spoel.Geef mij je knuist, sinjeur Mosterdzaad. Ik bid je, geen complimenten, beste sinjeur.Mosterdzaad.Wat is uw verlangen?Spoel.Niets, beste sinjeur, dan dat je Mosjeu Erwtebloesem helpt krabben. Ik moet naar den barbier, heerschap; want me dunkt, ik ben verwonderlijk harig in mijn gezicht; en ik ben zoo’n gevoelige ezel, dat ik dadelijk krabben moet, als mijn haar mij prikkelt.Titania.Kan wat muziek u streelen, liefste schat?Spoel.Ik heb nog al een tamelijk goed gehoor voor muziek; laten wij detangen en botteneens hebben!Titania.Of, liefste schat, hebt ge ook tot eten lust?Spoel.Ja zeker, een schepel voer; ik zou graag wat mummelen van die goede droge haver. Me dunkt, ik heb groot verlangen naar een bundel hooi; goed hooi, zoet hooi, heeft zijns gelijke niet.38Titania.Ik heb een waagzieke elf, die uit de schuurEens eekhoorns nieuwe noten voor u haal’.Spoel.Ik had liever een of twee handvollen droge erwten. Maar, ik bid u, laat niemand van uw volkje mij storen; ik voel, dat een expositie van slaap mij overvalt.Titania.Zoo slaap nu, met mijn arm omvang ik u.Gij, elfen, gaat, verspreidt u in het rond.(De Elfen verspreiden zich.)Zoo slingert teer om geur’ge kamperfoelieZich blanke winde;—en even teer omringtKlimop de ruwe vingers van den olm.O hoe bemin ik u; ik bid u aan.(TitaniaenSpoelvallen in slaap.)(Oberontreedt naar den voorgrond;Puckkomt op.)Oberon.Wees welkom, Puck; ziet gij dat fraai tooneel?Nu boezemt mij haar waan toch meêlij in.Pas trof ik in het woud haar aan; zij lasDe fijnste kruiden voor dit wangedrocht;Ik heb haar fel berispt en viel haar hard;Zij had de ruige slapen met een kransVan frissche en geur’ge bloemen hem gekroond;En de eigen dauw, die op de knoppen vaakAls ronde kostbre parels drupp’lend zwelt,Stond in der schoone bloempjes oogen nuAls tranen, over eigen smaad geschreid.Toen ik naar lust haar had bestraft, en zijDeemoedig bad om mijn toegevendheid,Toen vorderde ik dien lievlingsknaap haar af;Zij gaf hem daad’lijk en haar elfe droegHem naar het elfenland in mijn prieel.Nu ik het knaapje heb, bevrijd ik ookHaar oogen van de’ afschuwelijken waan.Gij, beste Puck, neem dezen vreemden kopNu af van ’t hoofd van dien Atheenschen knaap,Opdat hij, evenals die andren ginds,Bij zijn ontwaken naar Athene keer’,En al die avonturen van deez’ nachtHun zijn als ’t nijdig plagen van een droom.Doch eerst bevrijd ik de elfenkoningin.(Hij bestrijkt haar oogen met een tooverkruid.)Wees, zooals ge placht te zijn;Zie weer ’t wezen, niet den schijn;Deze struik, Diana’s roem,Fnuike alsnu Cupido’s bloem!Ontwaak, Titania, mijn koningin!80Titania.Mijn Oberon! Wat droombeeld nam mij in!Mij dunkt, dat ik een ezel heb bemind.Oberon.Daar ligt uw lief.Titania.Daar ligt uw lief.Hoe kwam ik zoo ontzind?O foei, wat pijnigt dit gezicht mijn oog!Oberon.O stil nog!—Puck, bevrijd hem van dien kop.—Titania, een slaap, die diep verdooft,Zij door muziek op ’t vijftal uitgestort.Titania.Muziek dan, die een diepen slaap verwekk’!(Een zachte muziek doet zich hooren.)Puck(totSpoel).Kom dan; wees, als ge ontwaakt, weer de oude gek.Oberon.Ja, klink, muziek!—Mijn gâ, geef mij de hand,En dansend wieg’len wij dit slapersland.Op nieuw is onze liefdevlam ontbrand,Wij brengen morgen nacht, weer zielsverwant,Door dans in Theseus’ huis zijn heil tot stand,En zeeg’nen ’t huis met menig liefdepand;—En daar vereenige ook de huwlijksband,Deez’ paren, met hun vorst, op blijden trant.Puck.Elfenkoning, hoort gij ’t niet,De uchtendleeuwrik zingt zijn lied.Oberon.Zacht, in schaduw van de nacht,Lieve, dan de reis volbracht;Sneller, dan de mane vaart,Doen wij onzen tocht om de aard.Titania.Kom, mijn vorst en heer, en zegMij uitvoerig onder weg,Wat betoov’ring mij van nachtBij die stervelingen bracht.(OberonenTitaniamet gevolg af. Horengeschal achter het tooneel.)(Theseus,Hippolyta,Egeusen Gevolg komen op.)Theseus.Dat een van u den jachtopziener zoek’,Want onze Meibegroeting is volbracht;En daar de dag zich nu heeft aangemeld,Verneem’ mijn bruid der honden jachtmuziek.—Ontkoppelt hen in ’t westlijk dal; vooruit!En zoekt, zeg ik, den jachtopziener op.—Mijn schoone bruid, beklim met mij den berg;Daar klinkt zoo schoon ’t verwarde hondgeblaf,Dat met der dalen echo’s samensmelt.Hippolyta.Ik was met Hercules en Cadmus eens,117Die met Spartaansche honden op een beerIn Creta’s bosschen jaagden; ’k hoorde nooitEen schooner jachtrumoer; niet enkel ’t woud,Ook hemel, beek en veld, heel de omtrek wasÉén roep en tegenroep; ik hoorde nooitEen zoeter wanklank, liefelijker donder.Theseus.Mijn honden zijn van ’t echt Spartaansche ras,Breedlippig, geel; hun ooren hangen laagEn vagen van het gras den morgendauw;Krombeenig, met een kossem als een stier;Niet snel, maar bij het blaffen fraai gestemdAls klokkenspel. Welluidender geblafKlonk nooit bij jachtgeroep of horenschal,In Creta, Sparta noch Thessalia;Beoordeel ’t zelf!—Doch wat zijn dat voor nimfen?Egeus.Mijn vorst, dat is mijn dochter, die daar slaapt;Daar is Lysander, hier Demetrius,Hier Helena, des grijzen Nedars kind;Ik sta verbaasd, dat zij hier samen zijn.Theseus.Zij kwamen zonder twijfel vroeg de MeiHier vieren, en, verwittigd van ons plan,Vertoefden zij, ter wille van ons feest.—Maar Egeus, spreek, is ’t heden niet de dag,Dat Hermia haar keus verkonden moet?Egeus.Zoo is ’t, mijn vorst.Theseus.Nu, laat de jagers hen met horens wekken!(Horengeschal en jachtgedruisch achter het tooneel.Demetrius,Lysander,HermiaenHelenaontwaken en springen verschrikt op.)Theseus.Zoo, goeden dag! Sint Velten is voorbij;En paren deze vogels eerst van daag?Lysander.Vergeving, heer.(Hij knielt met de overigen voorTheseus.)Theseus.Vergeving, heer.Staat, bid ik, op. Ik weet,Vijandig zijt ge elkaar, als mededingers.Van waar die lieflijke eendracht zoo op eens,Dat vrij van argwaan haat bij haat zich vlijt,En ijverzucht haar vijand ducht noch mijdt.Lysander.Spreek ik verward, heer, ’t breng’ mij geen verwijt;Het is me, als droom ik nog. Wàt is geschied,Hoe ik hier kwam, ik zweer ’t, ik weet het niet.Maar denk ik juist, (want gaarne spreek ik waar;—En nu bedenk ik, dat het wel zoo is;)Ik kwam met Hermia naar ’t woud, van plan,Athene te verlaten voor een plaats,Waar ons de Atheensche wet niet meer bedreigt.Egeus.Genoeg, genoeg; mijn vorst, dit zij genoeg;159Thans treff’ de wet, de wet, zijn schuldig hoofd!—Te vluchten was het plan, het plan, Demetrius!Ze wilden ons berooven, u en mij,U van uw vrouw, mij van mijn vaderrecht,Dat recht, waardoor ik haar aan u reeds gaf.Demetrius.Mijn vorst, de schoone Helena verriedAan mij hun vlucht, hun plan tot vlucht naar hier;Uit woede sloop ik hen toen na in ’t woud,Uit liefde mij de schoone Helena.Maar, goede vorst, ik weet niet door wat macht,(Maar ’t moet een hoog’re macht zijn,) mijne minVoor Hermia als sneeuw versmolt en mijNu als de erinn’ring van een speelgoed schijnt,Waarop ik in mijn kindsheid was verzot.Mijn liefde en trouw, de kracht van heel mijn ziel,Het eenig beeld, dat thans mijn oogen streelt,Is Helena alleen. Ik minde haar,Mijn vorst, aleer ik Hermia ooit zag.Zooals een’ zieke nooit een spijs behaagt,Eer zijn gezonde smaak is weergekeerd,Zoo wensch ik thans naar haar, en smacht naar haar,Bemin ik haar, blijf eeuwig trouw aan haar.Theseus.Gelieven, het treft goed, dat ik u vond,Maar later hoor ik van dit alles meer.—Gij, Egeus, moet u voegen naar mijn wil:Dat beide paren in den tempel nuGelijk met ons een eeuw’ge knoop verbind’.—En daar de morgen reeds ten deel verstreek,Zij nu de ontworpen jacht ter zij gesteld.—Komt, naar Athene! Een feest van drie bij drieZij thans gevierd, dat nooit zijn weerga zie!Wij gaan, Hippolyta.(Theseus,Hippolyta,Egeusen Gevolg af.)Demetrius.’t Is alles ver en klein, onkenbaar flauw,Als verre bergen, door een wolk omhuld.Hermia.En mij is alles, als waar ’t oog gedeeld,En zag ik alles dubbel.Helena.En zag ik alles dubbel.Zóó is ’t mij;Ik vond Demetrius, als een juweel,Dat mij behoort en niet behoort.Demetrius.Dat mij behoort en niet behoort.Ik denk,Wij droomen nog.—Was niet de hertog hier,Die ons den last van hem te volgen gaf?Hermia.Ja, en mijn vader.Helena.Ja, en mijn vader.En Hippolyta.Lysander.De last was, hem te volgen naar den tempel.Demetrius.Dan zijn wij toch ontwaakt. Komt, hem gevolgd;En elk deele onderweg zijn droomen mee.204(Demetrius,Lysander,HermiaenHelenaaf.)(Terwijl zij heengaan, ontwaaktSpoel.)Spoel.Als mijn wachtwoord komt, roep me dan, en ik zal antwoorden;—mijn eerste is: “volschoone Pyramus”.—Holà, hé.—Pieter Dissel! Wind, de blaasbalgmaker! Tuit, de ketellapper! Slokker! God zegen’ me! weggeslopen en mij hier laten slapen! Ik heb een allervreemdst gezicht gehad. Ik heb een droom gehad,—het gaat boven iemand zijn verstand, te zeggen, wat voor een droom het was; de mensch is eenvoudig een ezel, als hij dien droom wil gaan uitleggen. Mij dacht, ik was,—o, geen mensch kan zeggen, wat. Mij dacht, ik was, en mij dacht, ik had,—maar een mensch is maar een bont gekleede nar, als hij het hart heeft te gaan zeggen, wat mij dacht, dat ik had. Geen menschenoog heeft het gehoord, geen menschenoor heeft het gezien; geen menschenhand is in staat om het te proeven, geen tong om het te begrijpen, geen hart om het over te vertellen, wat mijn droom was. Ik zal Pieter Dissel vragen, van dezen droom een ballade te schrijven; en die zal genoemd worden “de weversdroom,” omdathet zoo’n raar samenweefsel is; en ik zal die tegen het eind van het stuk zingen voor den hertog; misschien zing ik ze, om het wat sierlijker te maken, als zij zich doodsteekt.(Spoelaf.)Tweede Tooneel.Athene.Een kamer inDisselshuis.Dissel,Wind,TuitenSlokkerkomen op.Dissel.Heb je al naar Spoel zijn huis gestuurd? Is hij al terug?Slokker.Geen mensch weet waar hij is. Hij is zeker vertransforteerd.Wind.Als hij niet komt, is ons spel bedorven; dan gaat het niet door, niet waar?Dissel.Onmogelijk; er is geen man in geheel Athene, die in staat is Pyramus op te spelen, behalve hij.Wind.Neen, dat is zoo; hij heeft, ronduit gezeid, het mooiste vernuft van alle handwerkslui in Athene.Dissel.Ja, en de knapste kerel er bij, en hij is, om zijn liefelijke stem, een echt liefhebber.Wind.Zeg toch “minnaar”, man; een “liefhebber”, God beter ’t, is zoo’n raar ding.(Schaafkomt op.)Schaaf.Mannen, de hertog komt daar uit den tempel, en er zijn nog twee of drie andere heeren en dames meer getrouwd. Als ons spel was doorgegaan, dan waren wij er allen boven op geweest.Wind.O, die lieve bullebak van een Spoel! Zoo heeft hij dan wel een schelling daags levenslang verloren; een schelling daags kon hem niet ontgaan; als de hertog hem niet een schelling daags gegeven had voor het spelen van Pyramus, wil ik gehangen worden; hij zou het verdiend hebben; een schelling daags voor zijn Pyramus, of niets!(Spoelkomt op.)Spoel.Waar zijn mijn kerels? waar zijn die beste jongens?Dissel.Spoel! O allerhartelijkste dag! O heerlijk oogenblik!Spoel.Mannen! ik heb wonderen te vertellen; maar vraagt mij niet wat; maar als ik het je vertel, wil ik geen goed Athener heeten. Ik zal je alles en alles vertellen, haarfijn, zooals het gebeurd is.Dissel.Laat hooren, beste Spoel.Spoel.Neen, ik zeg geen woord. Al wat ik je zeggen wil, is, dat de hertog al gegeten heeft. Brengt al je zaken in orde, doet bindtouw aan de baarden, nieuwe linten aan de schoenen; komt dadelijk aan het paleis bij elkaar; laat ieder zijn rol nog eens overkijken; want het kort en het lang van de zaak is, dat ons stuk vóórkomt. In elk geval, laat Thisbe schoon linnengoed aandoen, en laat, die den leeuw speelt, toch vooral zijn nagels niet korten, want die moeten lang uithangen, als leeuwenklauwen. En, mijn allerliefste spelers, eet toch geen uien of knoflook, want wij moeten een liefelijken adem uitblazen, en ik twijfel er niet aan, of we zullen ze hooren zeggen, het is een liefelijke comedie! Nu geen woord meer; voort! gaat! voort!(Allen af.)
Eerste Tooneel.Het woud bijAthene.Demetrius,Lysander,HelenaenHermiain slaap.TitaniaenSpoelkomen op, gevolgd doorErwtebloesem,Spinrag,Mot,Mosterdzaaden andere Elfen.Oberonongezien op den achtergrond.Titania.Kom, vlij u naast mij op dit bloemenbed,Opdat ik u de lieve wangen streel’,Een rozenkrans op ’t glad, zacht hoofd u zett’,En ’t schoon breed oor u kuss’, mijn pronkjuweel!Spoel.Waar is Erwtebloesem?Erwtebloesem.Tot uw dienst.Spoel.Krab me wat achter ’t oor, Erwtebloesem.—Waar is sinjeur Spinrag?Spinrag.Tot uw dienst.Spoel.Sinjeur Spinrag, mijn best sinjeurtje, neem je wapens eens ter hand, en dood mij ’reis een roodschenigen hommel op den top van een distel; en, beste sinjeur, breng mij zijn honigblaasje. Maar span je niet te veel in bij deze taak, sinjeur; en, beste sinjeur, draag zorg, dat het honigblaasje niet breekt; het zou me leed doen, als je uit een honigzakje overstroomd werdt, heerschap.—Waar is sinjeur Mosterdzaad?Mosterdzaad.Tot uw dienst.19Spoel.Geef mij je knuist, sinjeur Mosterdzaad. Ik bid je, geen complimenten, beste sinjeur.Mosterdzaad.Wat is uw verlangen?Spoel.Niets, beste sinjeur, dan dat je Mosjeu Erwtebloesem helpt krabben. Ik moet naar den barbier, heerschap; want me dunkt, ik ben verwonderlijk harig in mijn gezicht; en ik ben zoo’n gevoelige ezel, dat ik dadelijk krabben moet, als mijn haar mij prikkelt.Titania.Kan wat muziek u streelen, liefste schat?Spoel.Ik heb nog al een tamelijk goed gehoor voor muziek; laten wij detangen en botteneens hebben!Titania.Of, liefste schat, hebt ge ook tot eten lust?Spoel.Ja zeker, een schepel voer; ik zou graag wat mummelen van die goede droge haver. Me dunkt, ik heb groot verlangen naar een bundel hooi; goed hooi, zoet hooi, heeft zijns gelijke niet.38Titania.Ik heb een waagzieke elf, die uit de schuurEens eekhoorns nieuwe noten voor u haal’.Spoel.Ik had liever een of twee handvollen droge erwten. Maar, ik bid u, laat niemand van uw volkje mij storen; ik voel, dat een expositie van slaap mij overvalt.Titania.Zoo slaap nu, met mijn arm omvang ik u.Gij, elfen, gaat, verspreidt u in het rond.(De Elfen verspreiden zich.)Zoo slingert teer om geur’ge kamperfoelieZich blanke winde;—en even teer omringtKlimop de ruwe vingers van den olm.O hoe bemin ik u; ik bid u aan.(TitaniaenSpoelvallen in slaap.)(Oberontreedt naar den voorgrond;Puckkomt op.)Oberon.Wees welkom, Puck; ziet gij dat fraai tooneel?Nu boezemt mij haar waan toch meêlij in.Pas trof ik in het woud haar aan; zij lasDe fijnste kruiden voor dit wangedrocht;Ik heb haar fel berispt en viel haar hard;Zij had de ruige slapen met een kransVan frissche en geur’ge bloemen hem gekroond;En de eigen dauw, die op de knoppen vaakAls ronde kostbre parels drupp’lend zwelt,Stond in der schoone bloempjes oogen nuAls tranen, over eigen smaad geschreid.Toen ik naar lust haar had bestraft, en zijDeemoedig bad om mijn toegevendheid,Toen vorderde ik dien lievlingsknaap haar af;Zij gaf hem daad’lijk en haar elfe droegHem naar het elfenland in mijn prieel.Nu ik het knaapje heb, bevrijd ik ookHaar oogen van de’ afschuwelijken waan.Gij, beste Puck, neem dezen vreemden kopNu af van ’t hoofd van dien Atheenschen knaap,Opdat hij, evenals die andren ginds,Bij zijn ontwaken naar Athene keer’,En al die avonturen van deez’ nachtHun zijn als ’t nijdig plagen van een droom.Doch eerst bevrijd ik de elfenkoningin.(Hij bestrijkt haar oogen met een tooverkruid.)Wees, zooals ge placht te zijn;Zie weer ’t wezen, niet den schijn;Deze struik, Diana’s roem,Fnuike alsnu Cupido’s bloem!Ontwaak, Titania, mijn koningin!80Titania.Mijn Oberon! Wat droombeeld nam mij in!Mij dunkt, dat ik een ezel heb bemind.Oberon.Daar ligt uw lief.Titania.Daar ligt uw lief.Hoe kwam ik zoo ontzind?O foei, wat pijnigt dit gezicht mijn oog!Oberon.O stil nog!—Puck, bevrijd hem van dien kop.—Titania, een slaap, die diep verdooft,Zij door muziek op ’t vijftal uitgestort.Titania.Muziek dan, die een diepen slaap verwekk’!(Een zachte muziek doet zich hooren.)Puck(totSpoel).Kom dan; wees, als ge ontwaakt, weer de oude gek.Oberon.Ja, klink, muziek!—Mijn gâ, geef mij de hand,En dansend wieg’len wij dit slapersland.Op nieuw is onze liefdevlam ontbrand,Wij brengen morgen nacht, weer zielsverwant,Door dans in Theseus’ huis zijn heil tot stand,En zeeg’nen ’t huis met menig liefdepand;—En daar vereenige ook de huwlijksband,Deez’ paren, met hun vorst, op blijden trant.Puck.Elfenkoning, hoort gij ’t niet,De uchtendleeuwrik zingt zijn lied.Oberon.Zacht, in schaduw van de nacht,Lieve, dan de reis volbracht;Sneller, dan de mane vaart,Doen wij onzen tocht om de aard.Titania.Kom, mijn vorst en heer, en zegMij uitvoerig onder weg,Wat betoov’ring mij van nachtBij die stervelingen bracht.(OberonenTitaniamet gevolg af. Horengeschal achter het tooneel.)(Theseus,Hippolyta,Egeusen Gevolg komen op.)Theseus.Dat een van u den jachtopziener zoek’,Want onze Meibegroeting is volbracht;En daar de dag zich nu heeft aangemeld,Verneem’ mijn bruid der honden jachtmuziek.—Ontkoppelt hen in ’t westlijk dal; vooruit!En zoekt, zeg ik, den jachtopziener op.—Mijn schoone bruid, beklim met mij den berg;Daar klinkt zoo schoon ’t verwarde hondgeblaf,Dat met der dalen echo’s samensmelt.Hippolyta.Ik was met Hercules en Cadmus eens,117Die met Spartaansche honden op een beerIn Creta’s bosschen jaagden; ’k hoorde nooitEen schooner jachtrumoer; niet enkel ’t woud,Ook hemel, beek en veld, heel de omtrek wasÉén roep en tegenroep; ik hoorde nooitEen zoeter wanklank, liefelijker donder.Theseus.Mijn honden zijn van ’t echt Spartaansche ras,Breedlippig, geel; hun ooren hangen laagEn vagen van het gras den morgendauw;Krombeenig, met een kossem als een stier;Niet snel, maar bij het blaffen fraai gestemdAls klokkenspel. Welluidender geblafKlonk nooit bij jachtgeroep of horenschal,In Creta, Sparta noch Thessalia;Beoordeel ’t zelf!—Doch wat zijn dat voor nimfen?Egeus.Mijn vorst, dat is mijn dochter, die daar slaapt;Daar is Lysander, hier Demetrius,Hier Helena, des grijzen Nedars kind;Ik sta verbaasd, dat zij hier samen zijn.Theseus.Zij kwamen zonder twijfel vroeg de MeiHier vieren, en, verwittigd van ons plan,Vertoefden zij, ter wille van ons feest.—Maar Egeus, spreek, is ’t heden niet de dag,Dat Hermia haar keus verkonden moet?Egeus.Zoo is ’t, mijn vorst.Theseus.Nu, laat de jagers hen met horens wekken!(Horengeschal en jachtgedruisch achter het tooneel.Demetrius,Lysander,HermiaenHelenaontwaken en springen verschrikt op.)Theseus.Zoo, goeden dag! Sint Velten is voorbij;En paren deze vogels eerst van daag?Lysander.Vergeving, heer.(Hij knielt met de overigen voorTheseus.)Theseus.Vergeving, heer.Staat, bid ik, op. Ik weet,Vijandig zijt ge elkaar, als mededingers.Van waar die lieflijke eendracht zoo op eens,Dat vrij van argwaan haat bij haat zich vlijt,En ijverzucht haar vijand ducht noch mijdt.Lysander.Spreek ik verward, heer, ’t breng’ mij geen verwijt;Het is me, als droom ik nog. Wàt is geschied,Hoe ik hier kwam, ik zweer ’t, ik weet het niet.Maar denk ik juist, (want gaarne spreek ik waar;—En nu bedenk ik, dat het wel zoo is;)Ik kwam met Hermia naar ’t woud, van plan,Athene te verlaten voor een plaats,Waar ons de Atheensche wet niet meer bedreigt.Egeus.Genoeg, genoeg; mijn vorst, dit zij genoeg;159Thans treff’ de wet, de wet, zijn schuldig hoofd!—Te vluchten was het plan, het plan, Demetrius!Ze wilden ons berooven, u en mij,U van uw vrouw, mij van mijn vaderrecht,Dat recht, waardoor ik haar aan u reeds gaf.Demetrius.Mijn vorst, de schoone Helena verriedAan mij hun vlucht, hun plan tot vlucht naar hier;Uit woede sloop ik hen toen na in ’t woud,Uit liefde mij de schoone Helena.Maar, goede vorst, ik weet niet door wat macht,(Maar ’t moet een hoog’re macht zijn,) mijne minVoor Hermia als sneeuw versmolt en mijNu als de erinn’ring van een speelgoed schijnt,Waarop ik in mijn kindsheid was verzot.Mijn liefde en trouw, de kracht van heel mijn ziel,Het eenig beeld, dat thans mijn oogen streelt,Is Helena alleen. Ik minde haar,Mijn vorst, aleer ik Hermia ooit zag.Zooals een’ zieke nooit een spijs behaagt,Eer zijn gezonde smaak is weergekeerd,Zoo wensch ik thans naar haar, en smacht naar haar,Bemin ik haar, blijf eeuwig trouw aan haar.Theseus.Gelieven, het treft goed, dat ik u vond,Maar later hoor ik van dit alles meer.—Gij, Egeus, moet u voegen naar mijn wil:Dat beide paren in den tempel nuGelijk met ons een eeuw’ge knoop verbind’.—En daar de morgen reeds ten deel verstreek,Zij nu de ontworpen jacht ter zij gesteld.—Komt, naar Athene! Een feest van drie bij drieZij thans gevierd, dat nooit zijn weerga zie!Wij gaan, Hippolyta.(Theseus,Hippolyta,Egeusen Gevolg af.)Demetrius.’t Is alles ver en klein, onkenbaar flauw,Als verre bergen, door een wolk omhuld.Hermia.En mij is alles, als waar ’t oog gedeeld,En zag ik alles dubbel.Helena.En zag ik alles dubbel.Zóó is ’t mij;Ik vond Demetrius, als een juweel,Dat mij behoort en niet behoort.Demetrius.Dat mij behoort en niet behoort.Ik denk,Wij droomen nog.—Was niet de hertog hier,Die ons den last van hem te volgen gaf?Hermia.Ja, en mijn vader.Helena.Ja, en mijn vader.En Hippolyta.Lysander.De last was, hem te volgen naar den tempel.Demetrius.Dan zijn wij toch ontwaakt. Komt, hem gevolgd;En elk deele onderweg zijn droomen mee.204(Demetrius,Lysander,HermiaenHelenaaf.)(Terwijl zij heengaan, ontwaaktSpoel.)Spoel.Als mijn wachtwoord komt, roep me dan, en ik zal antwoorden;—mijn eerste is: “volschoone Pyramus”.—Holà, hé.—Pieter Dissel! Wind, de blaasbalgmaker! Tuit, de ketellapper! Slokker! God zegen’ me! weggeslopen en mij hier laten slapen! Ik heb een allervreemdst gezicht gehad. Ik heb een droom gehad,—het gaat boven iemand zijn verstand, te zeggen, wat voor een droom het was; de mensch is eenvoudig een ezel, als hij dien droom wil gaan uitleggen. Mij dacht, ik was,—o, geen mensch kan zeggen, wat. Mij dacht, ik was, en mij dacht, ik had,—maar een mensch is maar een bont gekleede nar, als hij het hart heeft te gaan zeggen, wat mij dacht, dat ik had. Geen menschenoog heeft het gehoord, geen menschenoor heeft het gezien; geen menschenhand is in staat om het te proeven, geen tong om het te begrijpen, geen hart om het over te vertellen, wat mijn droom was. Ik zal Pieter Dissel vragen, van dezen droom een ballade te schrijven; en die zal genoemd worden “de weversdroom,” omdathet zoo’n raar samenweefsel is; en ik zal die tegen het eind van het stuk zingen voor den hertog; misschien zing ik ze, om het wat sierlijker te maken, als zij zich doodsteekt.(Spoelaf.)
Het woud bijAthene.Demetrius,Lysander,HelenaenHermiain slaap.
TitaniaenSpoelkomen op, gevolgd doorErwtebloesem,Spinrag,Mot,Mosterdzaaden andere Elfen.
Oberonongezien op den achtergrond.
Titania.Kom, vlij u naast mij op dit bloemenbed,Opdat ik u de lieve wangen streel’,Een rozenkrans op ’t glad, zacht hoofd u zett’,En ’t schoon breed oor u kuss’, mijn pronkjuweel!
Titania.
Kom, vlij u naast mij op dit bloemenbed,
Opdat ik u de lieve wangen streel’,
Een rozenkrans op ’t glad, zacht hoofd u zett’,
En ’t schoon breed oor u kuss’, mijn pronkjuweel!
Spoel.Waar is Erwtebloesem?
Spoel.
Waar is Erwtebloesem?
Erwtebloesem.Tot uw dienst.
Erwtebloesem.
Tot uw dienst.
Spoel.Krab me wat achter ’t oor, Erwtebloesem.—Waar is sinjeur Spinrag?
Spoel.
Krab me wat achter ’t oor, Erwtebloesem.—Waar is sinjeur Spinrag?
Spinrag.Tot uw dienst.
Spinrag.
Tot uw dienst.
Spoel.Sinjeur Spinrag, mijn best sinjeurtje, neem je wapens eens ter hand, en dood mij ’reis een roodschenigen hommel op den top van een distel; en, beste sinjeur, breng mij zijn honigblaasje. Maar span je niet te veel in bij deze taak, sinjeur; en, beste sinjeur, draag zorg, dat het honigblaasje niet breekt; het zou me leed doen, als je uit een honigzakje overstroomd werdt, heerschap.—Waar is sinjeur Mosterdzaad?
Spoel.
Sinjeur Spinrag, mijn best sinjeurtje, neem je wapens eens ter hand, en dood mij ’reis een roodschenigen hommel op den top van een distel; en, beste sinjeur, breng mij zijn honigblaasje. Maar span je niet te veel in bij deze taak, sinjeur; en, beste sinjeur, draag zorg, dat het honigblaasje niet breekt; het zou me leed doen, als je uit een honigzakje overstroomd werdt, heerschap.—Waar is sinjeur Mosterdzaad?
Mosterdzaad.Tot uw dienst.19
Mosterdzaad.
Tot uw dienst.19
Spoel.Geef mij je knuist, sinjeur Mosterdzaad. Ik bid je, geen complimenten, beste sinjeur.
Spoel.
Geef mij je knuist, sinjeur Mosterdzaad. Ik bid je, geen complimenten, beste sinjeur.
Mosterdzaad.Wat is uw verlangen?
Mosterdzaad.
Wat is uw verlangen?
Spoel.Niets, beste sinjeur, dan dat je Mosjeu Erwtebloesem helpt krabben. Ik moet naar den barbier, heerschap; want me dunkt, ik ben verwonderlijk harig in mijn gezicht; en ik ben zoo’n gevoelige ezel, dat ik dadelijk krabben moet, als mijn haar mij prikkelt.
Spoel.
Niets, beste sinjeur, dan dat je Mosjeu Erwtebloesem helpt krabben. Ik moet naar den barbier, heerschap; want me dunkt, ik ben verwonderlijk harig in mijn gezicht; en ik ben zoo’n gevoelige ezel, dat ik dadelijk krabben moet, als mijn haar mij prikkelt.
Titania.Kan wat muziek u streelen, liefste schat?
Titania.
Kan wat muziek u streelen, liefste schat?
Spoel.Ik heb nog al een tamelijk goed gehoor voor muziek; laten wij detangen en botteneens hebben!
Spoel.
Ik heb nog al een tamelijk goed gehoor voor muziek; laten wij detangen en botteneens hebben!
Titania.Of, liefste schat, hebt ge ook tot eten lust?
Titania.
Of, liefste schat, hebt ge ook tot eten lust?
Spoel.Ja zeker, een schepel voer; ik zou graag wat mummelen van die goede droge haver. Me dunkt, ik heb groot verlangen naar een bundel hooi; goed hooi, zoet hooi, heeft zijns gelijke niet.38
Spoel.
Ja zeker, een schepel voer; ik zou graag wat mummelen van die goede droge haver. Me dunkt, ik heb groot verlangen naar een bundel hooi; goed hooi, zoet hooi, heeft zijns gelijke niet.38
Titania.Ik heb een waagzieke elf, die uit de schuurEens eekhoorns nieuwe noten voor u haal’.
Titania.
Ik heb een waagzieke elf, die uit de schuur
Eens eekhoorns nieuwe noten voor u haal’.
Spoel.Ik had liever een of twee handvollen droge erwten. Maar, ik bid u, laat niemand van uw volkje mij storen; ik voel, dat een expositie van slaap mij overvalt.
Spoel.
Ik had liever een of twee handvollen droge erwten. Maar, ik bid u, laat niemand van uw volkje mij storen; ik voel, dat een expositie van slaap mij overvalt.
Titania.Zoo slaap nu, met mijn arm omvang ik u.Gij, elfen, gaat, verspreidt u in het rond.
Titania.
Zoo slaap nu, met mijn arm omvang ik u.
Gij, elfen, gaat, verspreidt u in het rond.
(De Elfen verspreiden zich.)
Zoo slingert teer om geur’ge kamperfoelieZich blanke winde;—en even teer omringtKlimop de ruwe vingers van den olm.O hoe bemin ik u; ik bid u aan.
Zoo slingert teer om geur’ge kamperfoelie
Zich blanke winde;—en even teer omringt
Klimop de ruwe vingers van den olm.
O hoe bemin ik u; ik bid u aan.
(TitaniaenSpoelvallen in slaap.)
(Oberontreedt naar den voorgrond;Puckkomt op.)
Oberon.Wees welkom, Puck; ziet gij dat fraai tooneel?Nu boezemt mij haar waan toch meêlij in.Pas trof ik in het woud haar aan; zij lasDe fijnste kruiden voor dit wangedrocht;Ik heb haar fel berispt en viel haar hard;Zij had de ruige slapen met een kransVan frissche en geur’ge bloemen hem gekroond;En de eigen dauw, die op de knoppen vaakAls ronde kostbre parels drupp’lend zwelt,Stond in der schoone bloempjes oogen nuAls tranen, over eigen smaad geschreid.Toen ik naar lust haar had bestraft, en zijDeemoedig bad om mijn toegevendheid,Toen vorderde ik dien lievlingsknaap haar af;Zij gaf hem daad’lijk en haar elfe droegHem naar het elfenland in mijn prieel.Nu ik het knaapje heb, bevrijd ik ookHaar oogen van de’ afschuwelijken waan.Gij, beste Puck, neem dezen vreemden kopNu af van ’t hoofd van dien Atheenschen knaap,Opdat hij, evenals die andren ginds,Bij zijn ontwaken naar Athene keer’,En al die avonturen van deez’ nachtHun zijn als ’t nijdig plagen van een droom.Doch eerst bevrijd ik de elfenkoningin.
Oberon.
Wees welkom, Puck; ziet gij dat fraai tooneel?
Nu boezemt mij haar waan toch meêlij in.
Pas trof ik in het woud haar aan; zij las
De fijnste kruiden voor dit wangedrocht;
Ik heb haar fel berispt en viel haar hard;
Zij had de ruige slapen met een krans
Van frissche en geur’ge bloemen hem gekroond;
En de eigen dauw, die op de knoppen vaak
Als ronde kostbre parels drupp’lend zwelt,
Stond in der schoone bloempjes oogen nu
Als tranen, over eigen smaad geschreid.
Toen ik naar lust haar had bestraft, en zij
Deemoedig bad om mijn toegevendheid,
Toen vorderde ik dien lievlingsknaap haar af;
Zij gaf hem daad’lijk en haar elfe droeg
Hem naar het elfenland in mijn prieel.
Nu ik het knaapje heb, bevrijd ik ook
Haar oogen van de’ afschuwelijken waan.
Gij, beste Puck, neem dezen vreemden kop
Nu af van ’t hoofd van dien Atheenschen knaap,
Opdat hij, evenals die andren ginds,
Bij zijn ontwaken naar Athene keer’,
En al die avonturen van deez’ nacht
Hun zijn als ’t nijdig plagen van een droom.
Doch eerst bevrijd ik de elfenkoningin.
(Hij bestrijkt haar oogen met een tooverkruid.)
Wees, zooals ge placht te zijn;Zie weer ’t wezen, niet den schijn;Deze struik, Diana’s roem,Fnuike alsnu Cupido’s bloem!Ontwaak, Titania, mijn koningin!80
Wees, zooals ge placht te zijn;Zie weer ’t wezen, niet den schijn;Deze struik, Diana’s roem,Fnuike alsnu Cupido’s bloem!
Wees, zooals ge placht te zijn;
Zie weer ’t wezen, niet den schijn;
Deze struik, Diana’s roem,
Fnuike alsnu Cupido’s bloem!
Ontwaak, Titania, mijn koningin!80
Titania.Mijn Oberon! Wat droombeeld nam mij in!Mij dunkt, dat ik een ezel heb bemind.
Titania.
Mijn Oberon! Wat droombeeld nam mij in!
Mij dunkt, dat ik een ezel heb bemind.
Oberon.Daar ligt uw lief.
Oberon.
Daar ligt uw lief.
Titania.Daar ligt uw lief.Hoe kwam ik zoo ontzind?O foei, wat pijnigt dit gezicht mijn oog!
Titania.
Daar ligt uw lief.Hoe kwam ik zoo ontzind?
O foei, wat pijnigt dit gezicht mijn oog!
Oberon.O stil nog!—Puck, bevrijd hem van dien kop.—Titania, een slaap, die diep verdooft,Zij door muziek op ’t vijftal uitgestort.
Oberon.
O stil nog!—Puck, bevrijd hem van dien kop.—
Titania, een slaap, die diep verdooft,
Zij door muziek op ’t vijftal uitgestort.
Titania.Muziek dan, die een diepen slaap verwekk’!
Titania.
Muziek dan, die een diepen slaap verwekk’!
(Een zachte muziek doet zich hooren.)
Puck(totSpoel).Kom dan; wees, als ge ontwaakt, weer de oude gek.
Puck
(totSpoel).Kom dan; wees, als ge ontwaakt, weer de oude gek.
Oberon.Ja, klink, muziek!—Mijn gâ, geef mij de hand,En dansend wieg’len wij dit slapersland.Op nieuw is onze liefdevlam ontbrand,Wij brengen morgen nacht, weer zielsverwant,Door dans in Theseus’ huis zijn heil tot stand,En zeeg’nen ’t huis met menig liefdepand;—En daar vereenige ook de huwlijksband,Deez’ paren, met hun vorst, op blijden trant.
Oberon.
Ja, klink, muziek!—Mijn gâ, geef mij de hand,
En dansend wieg’len wij dit slapersland.
Op nieuw is onze liefdevlam ontbrand,
Wij brengen morgen nacht, weer zielsverwant,
Door dans in Theseus’ huis zijn heil tot stand,
En zeeg’nen ’t huis met menig liefdepand;—
En daar vereenige ook de huwlijksband,
Deez’ paren, met hun vorst, op blijden trant.
Puck.Elfenkoning, hoort gij ’t niet,De uchtendleeuwrik zingt zijn lied.
Puck.
Elfenkoning, hoort gij ’t niet,
De uchtendleeuwrik zingt zijn lied.
Oberon.Zacht, in schaduw van de nacht,Lieve, dan de reis volbracht;Sneller, dan de mane vaart,Doen wij onzen tocht om de aard.
Oberon.
Zacht, in schaduw van de nacht,
Lieve, dan de reis volbracht;
Sneller, dan de mane vaart,
Doen wij onzen tocht om de aard.
Titania.Kom, mijn vorst en heer, en zegMij uitvoerig onder weg,Wat betoov’ring mij van nachtBij die stervelingen bracht.
Titania.
Kom, mijn vorst en heer, en zeg
Mij uitvoerig onder weg,
Wat betoov’ring mij van nacht
Bij die stervelingen bracht.
(OberonenTitaniamet gevolg af. Horengeschal achter het tooneel.)
(Theseus,Hippolyta,Egeusen Gevolg komen op.)
Theseus.Dat een van u den jachtopziener zoek’,Want onze Meibegroeting is volbracht;En daar de dag zich nu heeft aangemeld,Verneem’ mijn bruid der honden jachtmuziek.—Ontkoppelt hen in ’t westlijk dal; vooruit!En zoekt, zeg ik, den jachtopziener op.—Mijn schoone bruid, beklim met mij den berg;Daar klinkt zoo schoon ’t verwarde hondgeblaf,Dat met der dalen echo’s samensmelt.
Theseus.
Dat een van u den jachtopziener zoek’,
Want onze Meibegroeting is volbracht;
En daar de dag zich nu heeft aangemeld,
Verneem’ mijn bruid der honden jachtmuziek.—
Ontkoppelt hen in ’t westlijk dal; vooruit!
En zoekt, zeg ik, den jachtopziener op.—
Mijn schoone bruid, beklim met mij den berg;
Daar klinkt zoo schoon ’t verwarde hondgeblaf,
Dat met der dalen echo’s samensmelt.
Hippolyta.Ik was met Hercules en Cadmus eens,117Die met Spartaansche honden op een beerIn Creta’s bosschen jaagden; ’k hoorde nooitEen schooner jachtrumoer; niet enkel ’t woud,Ook hemel, beek en veld, heel de omtrek wasÉén roep en tegenroep; ik hoorde nooitEen zoeter wanklank, liefelijker donder.
Hippolyta.
Ik was met Hercules en Cadmus eens,117
Die met Spartaansche honden op een beer
In Creta’s bosschen jaagden; ’k hoorde nooit
Een schooner jachtrumoer; niet enkel ’t woud,
Ook hemel, beek en veld, heel de omtrek was
Één roep en tegenroep; ik hoorde nooit
Een zoeter wanklank, liefelijker donder.
Theseus.Mijn honden zijn van ’t echt Spartaansche ras,Breedlippig, geel; hun ooren hangen laagEn vagen van het gras den morgendauw;Krombeenig, met een kossem als een stier;Niet snel, maar bij het blaffen fraai gestemdAls klokkenspel. Welluidender geblafKlonk nooit bij jachtgeroep of horenschal,In Creta, Sparta noch Thessalia;Beoordeel ’t zelf!—Doch wat zijn dat voor nimfen?
Theseus.
Mijn honden zijn van ’t echt Spartaansche ras,
Breedlippig, geel; hun ooren hangen laag
En vagen van het gras den morgendauw;
Krombeenig, met een kossem als een stier;
Niet snel, maar bij het blaffen fraai gestemd
Als klokkenspel. Welluidender geblaf
Klonk nooit bij jachtgeroep of horenschal,
In Creta, Sparta noch Thessalia;
Beoordeel ’t zelf!—Doch wat zijn dat voor nimfen?
Egeus.Mijn vorst, dat is mijn dochter, die daar slaapt;Daar is Lysander, hier Demetrius,Hier Helena, des grijzen Nedars kind;Ik sta verbaasd, dat zij hier samen zijn.
Egeus.
Mijn vorst, dat is mijn dochter, die daar slaapt;
Daar is Lysander, hier Demetrius,
Hier Helena, des grijzen Nedars kind;
Ik sta verbaasd, dat zij hier samen zijn.
Theseus.Zij kwamen zonder twijfel vroeg de MeiHier vieren, en, verwittigd van ons plan,Vertoefden zij, ter wille van ons feest.—Maar Egeus, spreek, is ’t heden niet de dag,Dat Hermia haar keus verkonden moet?
Theseus.
Zij kwamen zonder twijfel vroeg de Mei
Hier vieren, en, verwittigd van ons plan,
Vertoefden zij, ter wille van ons feest.—
Maar Egeus, spreek, is ’t heden niet de dag,
Dat Hermia haar keus verkonden moet?
Egeus.Zoo is ’t, mijn vorst.
Egeus.
Zoo is ’t, mijn vorst.
Theseus.Nu, laat de jagers hen met horens wekken!
Theseus.
Nu, laat de jagers hen met horens wekken!
(Horengeschal en jachtgedruisch achter het tooneel.Demetrius,Lysander,HermiaenHelenaontwaken en springen verschrikt op.)
Theseus.Zoo, goeden dag! Sint Velten is voorbij;En paren deze vogels eerst van daag?
Theseus.
Zoo, goeden dag! Sint Velten is voorbij;
En paren deze vogels eerst van daag?
Lysander.Vergeving, heer.
Lysander.
Vergeving, heer.
(Hij knielt met de overigen voorTheseus.)
Theseus.Vergeving, heer.Staat, bid ik, op. Ik weet,Vijandig zijt ge elkaar, als mededingers.Van waar die lieflijke eendracht zoo op eens,Dat vrij van argwaan haat bij haat zich vlijt,En ijverzucht haar vijand ducht noch mijdt.
Theseus.
Vergeving, heer.Staat, bid ik, op. Ik weet,
Vijandig zijt ge elkaar, als mededingers.
Van waar die lieflijke eendracht zoo op eens,
Dat vrij van argwaan haat bij haat zich vlijt,
En ijverzucht haar vijand ducht noch mijdt.
Lysander.Spreek ik verward, heer, ’t breng’ mij geen verwijt;Het is me, als droom ik nog. Wàt is geschied,Hoe ik hier kwam, ik zweer ’t, ik weet het niet.Maar denk ik juist, (want gaarne spreek ik waar;—En nu bedenk ik, dat het wel zoo is;)Ik kwam met Hermia naar ’t woud, van plan,Athene te verlaten voor een plaats,Waar ons de Atheensche wet niet meer bedreigt.
Lysander.
Spreek ik verward, heer, ’t breng’ mij geen verwijt;
Het is me, als droom ik nog. Wàt is geschied,
Hoe ik hier kwam, ik zweer ’t, ik weet het niet.
Maar denk ik juist, (want gaarne spreek ik waar;—
En nu bedenk ik, dat het wel zoo is;)
Ik kwam met Hermia naar ’t woud, van plan,
Athene te verlaten voor een plaats,
Waar ons de Atheensche wet niet meer bedreigt.
Egeus.Genoeg, genoeg; mijn vorst, dit zij genoeg;159Thans treff’ de wet, de wet, zijn schuldig hoofd!—Te vluchten was het plan, het plan, Demetrius!Ze wilden ons berooven, u en mij,U van uw vrouw, mij van mijn vaderrecht,Dat recht, waardoor ik haar aan u reeds gaf.
Egeus.
Genoeg, genoeg; mijn vorst, dit zij genoeg;159
Thans treff’ de wet, de wet, zijn schuldig hoofd!—
Te vluchten was het plan, het plan, Demetrius!
Ze wilden ons berooven, u en mij,
U van uw vrouw, mij van mijn vaderrecht,
Dat recht, waardoor ik haar aan u reeds gaf.
Demetrius.Mijn vorst, de schoone Helena verriedAan mij hun vlucht, hun plan tot vlucht naar hier;Uit woede sloop ik hen toen na in ’t woud,Uit liefde mij de schoone Helena.Maar, goede vorst, ik weet niet door wat macht,(Maar ’t moet een hoog’re macht zijn,) mijne minVoor Hermia als sneeuw versmolt en mijNu als de erinn’ring van een speelgoed schijnt,Waarop ik in mijn kindsheid was verzot.Mijn liefde en trouw, de kracht van heel mijn ziel,Het eenig beeld, dat thans mijn oogen streelt,Is Helena alleen. Ik minde haar,Mijn vorst, aleer ik Hermia ooit zag.Zooals een’ zieke nooit een spijs behaagt,Eer zijn gezonde smaak is weergekeerd,Zoo wensch ik thans naar haar, en smacht naar haar,Bemin ik haar, blijf eeuwig trouw aan haar.
Demetrius.
Mijn vorst, de schoone Helena verried
Aan mij hun vlucht, hun plan tot vlucht naar hier;
Uit woede sloop ik hen toen na in ’t woud,
Uit liefde mij de schoone Helena.
Maar, goede vorst, ik weet niet door wat macht,
(Maar ’t moet een hoog’re macht zijn,) mijne min
Voor Hermia als sneeuw versmolt en mij
Nu als de erinn’ring van een speelgoed schijnt,
Waarop ik in mijn kindsheid was verzot.
Mijn liefde en trouw, de kracht van heel mijn ziel,
Het eenig beeld, dat thans mijn oogen streelt,
Is Helena alleen. Ik minde haar,
Mijn vorst, aleer ik Hermia ooit zag.
Zooals een’ zieke nooit een spijs behaagt,
Eer zijn gezonde smaak is weergekeerd,
Zoo wensch ik thans naar haar, en smacht naar haar,
Bemin ik haar, blijf eeuwig trouw aan haar.
Theseus.Gelieven, het treft goed, dat ik u vond,Maar later hoor ik van dit alles meer.—Gij, Egeus, moet u voegen naar mijn wil:Dat beide paren in den tempel nuGelijk met ons een eeuw’ge knoop verbind’.—En daar de morgen reeds ten deel verstreek,Zij nu de ontworpen jacht ter zij gesteld.—Komt, naar Athene! Een feest van drie bij drieZij thans gevierd, dat nooit zijn weerga zie!Wij gaan, Hippolyta.
Theseus.
Gelieven, het treft goed, dat ik u vond,
Maar later hoor ik van dit alles meer.—
Gij, Egeus, moet u voegen naar mijn wil:
Dat beide paren in den tempel nu
Gelijk met ons een eeuw’ge knoop verbind’.—
En daar de morgen reeds ten deel verstreek,
Zij nu de ontworpen jacht ter zij gesteld.—
Komt, naar Athene! Een feest van drie bij drie
Zij thans gevierd, dat nooit zijn weerga zie!
Wij gaan, Hippolyta.
(Theseus,Hippolyta,Egeusen Gevolg af.)
Demetrius.’t Is alles ver en klein, onkenbaar flauw,Als verre bergen, door een wolk omhuld.
Demetrius.
’t Is alles ver en klein, onkenbaar flauw,
Als verre bergen, door een wolk omhuld.
Hermia.En mij is alles, als waar ’t oog gedeeld,En zag ik alles dubbel.
Hermia.
En mij is alles, als waar ’t oog gedeeld,
En zag ik alles dubbel.
Helena.En zag ik alles dubbel.Zóó is ’t mij;Ik vond Demetrius, als een juweel,Dat mij behoort en niet behoort.
Helena.
En zag ik alles dubbel.Zóó is ’t mij;
Ik vond Demetrius, als een juweel,
Dat mij behoort en niet behoort.
Demetrius.Dat mij behoort en niet behoort.Ik denk,Wij droomen nog.—Was niet de hertog hier,Die ons den last van hem te volgen gaf?
Demetrius.
Dat mij behoort en niet behoort.Ik denk,
Wij droomen nog.—Was niet de hertog hier,
Die ons den last van hem te volgen gaf?
Hermia.Ja, en mijn vader.
Hermia.
Ja, en mijn vader.
Helena.Ja, en mijn vader.En Hippolyta.
Helena.
Ja, en mijn vader.En Hippolyta.
Lysander.De last was, hem te volgen naar den tempel.
Lysander.
De last was, hem te volgen naar den tempel.
Demetrius.Dan zijn wij toch ontwaakt. Komt, hem gevolgd;En elk deele onderweg zijn droomen mee.204
Demetrius.
Dan zijn wij toch ontwaakt. Komt, hem gevolgd;
En elk deele onderweg zijn droomen mee.204
(Demetrius,Lysander,HermiaenHelenaaf.)
(Terwijl zij heengaan, ontwaaktSpoel.)
Spoel.Als mijn wachtwoord komt, roep me dan, en ik zal antwoorden;—mijn eerste is: “volschoone Pyramus”.—Holà, hé.—Pieter Dissel! Wind, de blaasbalgmaker! Tuit, de ketellapper! Slokker! God zegen’ me! weggeslopen en mij hier laten slapen! Ik heb een allervreemdst gezicht gehad. Ik heb een droom gehad,—het gaat boven iemand zijn verstand, te zeggen, wat voor een droom het was; de mensch is eenvoudig een ezel, als hij dien droom wil gaan uitleggen. Mij dacht, ik was,—o, geen mensch kan zeggen, wat. Mij dacht, ik was, en mij dacht, ik had,—maar een mensch is maar een bont gekleede nar, als hij het hart heeft te gaan zeggen, wat mij dacht, dat ik had. Geen menschenoog heeft het gehoord, geen menschenoor heeft het gezien; geen menschenhand is in staat om het te proeven, geen tong om het te begrijpen, geen hart om het over te vertellen, wat mijn droom was. Ik zal Pieter Dissel vragen, van dezen droom een ballade te schrijven; en die zal genoemd worden “de weversdroom,” omdathet zoo’n raar samenweefsel is; en ik zal die tegen het eind van het stuk zingen voor den hertog; misschien zing ik ze, om het wat sierlijker te maken, als zij zich doodsteekt.
Spoel.
Als mijn wachtwoord komt, roep me dan, en ik zal antwoorden;—mijn eerste is: “volschoone Pyramus”.—Holà, hé.—Pieter Dissel! Wind, de blaasbalgmaker! Tuit, de ketellapper! Slokker! God zegen’ me! weggeslopen en mij hier laten slapen! Ik heb een allervreemdst gezicht gehad. Ik heb een droom gehad,—het gaat boven iemand zijn verstand, te zeggen, wat voor een droom het was; de mensch is eenvoudig een ezel, als hij dien droom wil gaan uitleggen. Mij dacht, ik was,—o, geen mensch kan zeggen, wat. Mij dacht, ik was, en mij dacht, ik had,—maar een mensch is maar een bont gekleede nar, als hij het hart heeft te gaan zeggen, wat mij dacht, dat ik had. Geen menschenoog heeft het gehoord, geen menschenoor heeft het gezien; geen menschenhand is in staat om het te proeven, geen tong om het te begrijpen, geen hart om het over te vertellen, wat mijn droom was. Ik zal Pieter Dissel vragen, van dezen droom een ballade te schrijven; en die zal genoemd worden “de weversdroom,” omdathet zoo’n raar samenweefsel is; en ik zal die tegen het eind van het stuk zingen voor den hertog; misschien zing ik ze, om het wat sierlijker te maken, als zij zich doodsteekt.
(Spoelaf.)
Tweede Tooneel.Athene.Een kamer inDisselshuis.Dissel,Wind,TuitenSlokkerkomen op.Dissel.Heb je al naar Spoel zijn huis gestuurd? Is hij al terug?Slokker.Geen mensch weet waar hij is. Hij is zeker vertransforteerd.Wind.Als hij niet komt, is ons spel bedorven; dan gaat het niet door, niet waar?Dissel.Onmogelijk; er is geen man in geheel Athene, die in staat is Pyramus op te spelen, behalve hij.Wind.Neen, dat is zoo; hij heeft, ronduit gezeid, het mooiste vernuft van alle handwerkslui in Athene.Dissel.Ja, en de knapste kerel er bij, en hij is, om zijn liefelijke stem, een echt liefhebber.Wind.Zeg toch “minnaar”, man; een “liefhebber”, God beter ’t, is zoo’n raar ding.(Schaafkomt op.)Schaaf.Mannen, de hertog komt daar uit den tempel, en er zijn nog twee of drie andere heeren en dames meer getrouwd. Als ons spel was doorgegaan, dan waren wij er allen boven op geweest.Wind.O, die lieve bullebak van een Spoel! Zoo heeft hij dan wel een schelling daags levenslang verloren; een schelling daags kon hem niet ontgaan; als de hertog hem niet een schelling daags gegeven had voor het spelen van Pyramus, wil ik gehangen worden; hij zou het verdiend hebben; een schelling daags voor zijn Pyramus, of niets!(Spoelkomt op.)Spoel.Waar zijn mijn kerels? waar zijn die beste jongens?Dissel.Spoel! O allerhartelijkste dag! O heerlijk oogenblik!Spoel.Mannen! ik heb wonderen te vertellen; maar vraagt mij niet wat; maar als ik het je vertel, wil ik geen goed Athener heeten. Ik zal je alles en alles vertellen, haarfijn, zooals het gebeurd is.Dissel.Laat hooren, beste Spoel.Spoel.Neen, ik zeg geen woord. Al wat ik je zeggen wil, is, dat de hertog al gegeten heeft. Brengt al je zaken in orde, doet bindtouw aan de baarden, nieuwe linten aan de schoenen; komt dadelijk aan het paleis bij elkaar; laat ieder zijn rol nog eens overkijken; want het kort en het lang van de zaak is, dat ons stuk vóórkomt. In elk geval, laat Thisbe schoon linnengoed aandoen, en laat, die den leeuw speelt, toch vooral zijn nagels niet korten, want die moeten lang uithangen, als leeuwenklauwen. En, mijn allerliefste spelers, eet toch geen uien of knoflook, want wij moeten een liefelijken adem uitblazen, en ik twijfel er niet aan, of we zullen ze hooren zeggen, het is een liefelijke comedie! Nu geen woord meer; voort! gaat! voort!(Allen af.)
Athene.Een kamer inDisselshuis.
Dissel,Wind,TuitenSlokkerkomen op.
Dissel.Heb je al naar Spoel zijn huis gestuurd? Is hij al terug?
Dissel.
Heb je al naar Spoel zijn huis gestuurd? Is hij al terug?
Slokker.Geen mensch weet waar hij is. Hij is zeker vertransforteerd.
Slokker.
Geen mensch weet waar hij is. Hij is zeker vertransforteerd.
Wind.Als hij niet komt, is ons spel bedorven; dan gaat het niet door, niet waar?
Wind.
Als hij niet komt, is ons spel bedorven; dan gaat het niet door, niet waar?
Dissel.Onmogelijk; er is geen man in geheel Athene, die in staat is Pyramus op te spelen, behalve hij.
Dissel.
Onmogelijk; er is geen man in geheel Athene, die in staat is Pyramus op te spelen, behalve hij.
Wind.Neen, dat is zoo; hij heeft, ronduit gezeid, het mooiste vernuft van alle handwerkslui in Athene.
Wind.
Neen, dat is zoo; hij heeft, ronduit gezeid, het mooiste vernuft van alle handwerkslui in Athene.
Dissel.Ja, en de knapste kerel er bij, en hij is, om zijn liefelijke stem, een echt liefhebber.
Dissel.
Ja, en de knapste kerel er bij, en hij is, om zijn liefelijke stem, een echt liefhebber.
Wind.Zeg toch “minnaar”, man; een “liefhebber”, God beter ’t, is zoo’n raar ding.
Wind.
Zeg toch “minnaar”, man; een “liefhebber”, God beter ’t, is zoo’n raar ding.
(Schaafkomt op.)
Schaaf.Mannen, de hertog komt daar uit den tempel, en er zijn nog twee of drie andere heeren en dames meer getrouwd. Als ons spel was doorgegaan, dan waren wij er allen boven op geweest.
Schaaf.
Mannen, de hertog komt daar uit den tempel, en er zijn nog twee of drie andere heeren en dames meer getrouwd. Als ons spel was doorgegaan, dan waren wij er allen boven op geweest.
Wind.O, die lieve bullebak van een Spoel! Zoo heeft hij dan wel een schelling daags levenslang verloren; een schelling daags kon hem niet ontgaan; als de hertog hem niet een schelling daags gegeven had voor het spelen van Pyramus, wil ik gehangen worden; hij zou het verdiend hebben; een schelling daags voor zijn Pyramus, of niets!
Wind.
O, die lieve bullebak van een Spoel! Zoo heeft hij dan wel een schelling daags levenslang verloren; een schelling daags kon hem niet ontgaan; als de hertog hem niet een schelling daags gegeven had voor het spelen van Pyramus, wil ik gehangen worden; hij zou het verdiend hebben; een schelling daags voor zijn Pyramus, of niets!
(Spoelkomt op.)
Spoel.Waar zijn mijn kerels? waar zijn die beste jongens?
Spoel.
Waar zijn mijn kerels? waar zijn die beste jongens?
Dissel.Spoel! O allerhartelijkste dag! O heerlijk oogenblik!
Dissel.
Spoel! O allerhartelijkste dag! O heerlijk oogenblik!
Spoel.Mannen! ik heb wonderen te vertellen; maar vraagt mij niet wat; maar als ik het je vertel, wil ik geen goed Athener heeten. Ik zal je alles en alles vertellen, haarfijn, zooals het gebeurd is.
Spoel.
Mannen! ik heb wonderen te vertellen; maar vraagt mij niet wat; maar als ik het je vertel, wil ik geen goed Athener heeten. Ik zal je alles en alles vertellen, haarfijn, zooals het gebeurd is.
Dissel.Laat hooren, beste Spoel.
Dissel.
Laat hooren, beste Spoel.
Spoel.Neen, ik zeg geen woord. Al wat ik je zeggen wil, is, dat de hertog al gegeten heeft. Brengt al je zaken in orde, doet bindtouw aan de baarden, nieuwe linten aan de schoenen; komt dadelijk aan het paleis bij elkaar; laat ieder zijn rol nog eens overkijken; want het kort en het lang van de zaak is, dat ons stuk vóórkomt. In elk geval, laat Thisbe schoon linnengoed aandoen, en laat, die den leeuw speelt, toch vooral zijn nagels niet korten, want die moeten lang uithangen, als leeuwenklauwen. En, mijn allerliefste spelers, eet toch geen uien of knoflook, want wij moeten een liefelijken adem uitblazen, en ik twijfel er niet aan, of we zullen ze hooren zeggen, het is een liefelijke comedie! Nu geen woord meer; voort! gaat! voort!
Spoel.
Neen, ik zeg geen woord. Al wat ik je zeggen wil, is, dat de hertog al gegeten heeft. Brengt al je zaken in orde, doet bindtouw aan de baarden, nieuwe linten aan de schoenen; komt dadelijk aan het paleis bij elkaar; laat ieder zijn rol nog eens overkijken; want het kort en het lang van de zaak is, dat ons stuk vóórkomt. In elk geval, laat Thisbe schoon linnengoed aandoen, en laat, die den leeuw speelt, toch vooral zijn nagels niet korten, want die moeten lang uithangen, als leeuwenklauwen. En, mijn allerliefste spelers, eet toch geen uien of knoflook, want wij moeten een liefelijken adem uitblazen, en ik twijfel er niet aan, of we zullen ze hooren zeggen, het is een liefelijke comedie! Nu geen woord meer; voort! gaat! voort!
(Allen af.)
Vijfde Bedrijf.Eerste Tooneel.Athene.Een kamer in het paleis vanTheseus.Theseus,Hippolyta,Philostratus,Hovelingen en Gevolg komen op.Hippolyta.Vreemd, Theseus, is ’t verhaal van die gelieven.Theseus.Meer vreemd dan waar. ’k Sla geen geloof aan alDie sprookjes of die elfenspokerij.En liefde èn waanzin maakt het brein verhitEn wekt verbeelding op en doet steeds zienVeel meer dan ’t koel verstand ooit vatten kan.Waanzinnigen, verliefden, dichters zijnGeheel verbeelding: die, de dolle, zietMeer duivels dan de hel bevat; de minnaar,Niet minder dol, ziet schoone Helena,Waar hij een bruin, getaand gelaat ontwaart;In schoonen waanzin rolt des dichters oog,Blikt uit den hemel neer, van de aard ten hemel;En waar verbeelding dingen, ongekend,Te voorschijn roept, daar schept des dichters stiftHun een gestalte, en schenkt aan ’t ijdel nietsOp de aard bestaan, een woning en een naam.Verbeelding is in grillen overrijk;Zoodra zij iets gevoelt, dat haar verheugt,Staat haar voor ’t oog een brenger van de vreugd;Terwijl, als ’s nachts haar angst bekruipt in ’t woud,Zij licht een ruigte voor een ondier houdt.Hippolyta.Maar al wat zij vertellen van deez’ nacht,En hun gezindheid, zoo gelijk veranderd,Moet meer zijn dan een spel der phantasie.Het toont verband, het wordt tot werklijkheid;Doch altijd blijft het vreemd en wonderbaar.Theseus.Daar zijn de paren, vol van lust en vreugd.(Lysander,Demetrius,HermiaenHelenakomen op.)Heil, vrienden! Heil en heldre levensdagenNaar ’s harten wensch!Lysander.Naar ’s harten wensch!Nog hooger heil, mijn vorst,Zij met uw uit- en ingaan, disch en bed!Theseus.Kom aan, wat dans of schouwspel zal er zijn,Dat ons die eeuw verkort, dat drietal uren,Dat avondmaal en uur van rust nog scheidt?Waar is de man van onze feestlijkheid?—Kom, is er niets? geen schouwtooneel, dat onsDe mart’ling spaar’ van ’t dralen van den tijd?—Waar is Philostratus?Philostratus.Waar is Philostratus?Hier, edel vorst.38Theseus.Wat tijdverdrijf biedt ge ons van avond aan?Muziek? of maskerfeest? Hoe foppen wijDen tragen tijd, zoo niet door vroolijkheid?Philostratus.Hier vindt ge, vorst, wat op uw wenken wacht;Gelief te kiezen, wat ge ’t eerst wilt zien.(Hij reikt een geschrift over.)Theseus.(leest).“De strijd met de Kentauren; voor te dragenDoor een Atheenschen zanger bij de harp.”Neen, dank; ik heb ’t mijn bruid alreeds verteldTer eere van mijn neef, van Hercules.“Het woeden der Bacchanten, die den zangerVan Thracië verscheuren in haar roes.”Neen, dat is oud; het werd me alreeds vertoond,Toen ik in zegepraal van Thebe kwam.“De negen Muzen, jamm’rend om den doodDer bedelarm gestorven wetenschap.”Dat is een strenge, bijtende satire,Volstrekt niet passend op een bruiloftsfeest.“Een kortgerekt vertoon van PyramusEn Thisbe, zijn beminde; een treurspelklucht.”Een treurspel en een klucht? kort en gerekt?Dat klinkt als gloeiend ijs en heete sneeuw.Wie wijst mij de eenheid van die tweeheid aan?Philostratus.’t Is, heer, een stuk, nauw twintig woorden lang,En dus zoo kort, als ik er een maar ken;Maar twintig woorden is het ruim te lang,En dus gerekt; in ’t gansche stuk toch isGeen woord naar eisch, geen speler op zijn plaats.Een treurspel is het ook, doorluchte heer,Want Pyramus steekt er zichzelf in dood.Ik zwom, toen ik de repetitie zag,In tranen, ja; maar blijder tranenvloedHeeft nooit de dolste klucht mij afgeperst.Theseus.Wie zijn de spelers?Philostratus.Wie zijn de spelers?Mannen, hard van hand,Handwerkers van Athene, die nog nooitHun brein met arbeid plaagden, maar die nu,Hoe vreemd het werk ook viel, het met dit stukBezwaarden om uw feestdag op te luistren.Theseus.Wij willen ’t hooren.Philostratus.Wij willen ’t hooren.Neen, mijn eedle vorst,’t Is niets voor u; ik heb het pas gehoord,En het is niets, ter wereld niets, tenzijGij u verlustigt in hun goeden wil,Die zich heeft afgemarteld, om dit vodVoor u te leeren.Theseus.Voor u te leeren.Hooren wil ik ’t stuk,Want nooit is iets verkeerd of ongepast,Wat eenvoud in oprechten ijver biedt.Ga, breng hen hier;—en ieder neme plaats.(Philostratusaf.)Hippolyta.’k Zie noode hijgende onmacht zwaar belast,Of ijver, die zijn best doet en bezwijkt.86Theseus.Mijn waardste, zoo iets zult gij ook niet zien.Hippolyta.Hij zegt, zij kunnen niets; het is niets goeds.Theseus.Te goediger is ’t, hen voor niets te danken.Wat zij bij ’t geven falen, te vergeven,Zij òns vermaak; wie edel denkt, waardeertVan ijver, die onmachtig blijkt, den wil.Waar ik ooit kwam, bereidden zich ten groet,In keur van taal, geleerden, groot van naam;Hoe velen zag ik sidd’ren en verbleeken,Ophouden in het midden van een zin;Angst kneep den anders ruimen gorgel toe;In ’t eind verstomden zij en braken af,En zonder welkomstgroet. Maar, lieve, tochKlonk uit dat zwijgen mij een welkom toe;En de bescheidenheid van schuchtere’ angstSprak me even duidlijk als de rateltongVan onbeschroomde, stoute redenaars.Spreke eenvoud, liefde, stott’rend en bedeesd,Toch treft, die ’t minste zegt, mij vaak het meest.(Philostratuskomt terug.)Philostratus.Zoo ’t u behaagt, Heer, deProloog staat klaar.Theseus.Hij trede binnen.(Trompetgeschal achter het tooneel.)(Dissel,als Proloog, komt op.)Proloog(Dissel).“Mishagen we u, we wenschen dit als gunst.Dat gij ons ijvrig denkt uw lof te winnen,’t Kan dwaling zijn. Het toonen onzer kunstLet op het doel, waarmee we nu beginnen.Als gij het doet, zijn wij niet bang voor spotBij uwen echt. Drijft lust om te behagenOns hier aan ’t hof. Voor uw en ons genotAcht ons niet hier. Opdat ge u zoudt beklagenStaan hier de spelers klaar. O, gij verstaatAl wat gij wilt, zoo gij hen gadeslaat.”Theseus.Die knaap let niet bijzonder op komma’s en punten.Lysander.Hij heeft zijn proloog gereden als een wild veulen; hij weet niet, waar hij moet ophouden. Een goede moraal, mijn vorst; het is niet genoeg te spreken, men moet ook juist spreken.Hippolyta.Inderdaad, hij heeft op zijn proloog gespeeld als een kind op zijn fluitje, er komen wel tonen uit, maar er is niets van te maken.Theseus.Zijn aanspraak was als een verwarde keten, geen schakel stuk, maar een en al warboel. Wat komt er nu?127(Pyramus,Thisbe,Muur,ManeschijnenLeeuwkomen als stomme personen op.)Proloog“Verwondert ge u, dat gij ons hier ziet staan,Blijf dan verwonderd, tot wij ’t duid’lijk maken.Deez’ man is Pyramus, ja, zonder waan,Deez’ schoone vrouw is Thisby, wilt ’t niet laken.Die man met leem en mortel, is de muur,Die muur, zoo wreed, die de gelieven scheidde;En door een muurspleet wist hun minnevuurTe fluistren; denkt, wat vreugd hun dit bereidde!Deez’ man, met takkenbos, lantaarn en hond,Stelt voor den maneschijn; want, zonder schromen,Bij maneschijn, aan Ninus’ graf, daar vondHet paar gelegenheid om saam te komen.Dit grimmig beest, de leeuw dat is zijn naam,Heeft trouwe Thisby, die het eerste kwam,Geweldig doen verschrikken, en zij namDe vlucht, en liet daarbij haar mantel vallen;Dien heeft de leeuw toen met zijn muil bebloed;En Pyramus, de schoonste bloem van allen,Komt, vindt er dood zijn Thisby’s mantel goed;Hij trekt zijn zwaard, dat bloedig blanke zwaard,Treft boos zijn borst, zijn brave breede borst;Thisby, die bij een moerbeiboom daar waart,Komt, trekt zijn dolk, en sterft met bloed bemorst.Laat maanschijn, muur, en leeuw, en ’t minnend paarNu ’t restje’ uitvoerig melden, kort en klaar.”(Proloog,Thisbe,LeeuwenManeschijnaf.)Theseus.Ik ben benieuwd, of ook de leeuw zal spreken.Demetrius.Geen wonder, Heer, dat een leeuw het kan, terwijl zooveel ezels het kunnen.Muur(Tuit).“Het komt er in dit treffend stuk op neer,Dat ik, Jan Tuit, den muur verpresenteer;Geloof nu van dien muur, dat is niet mis,Dat die verdistreweerd, gespleten is;En door die spleet, daar lispelt zeer geheimMet Thisby Pyramus wel menig rijm.Wilt uit deez’ steen en kalk en leem verstaan,Dat ik die muur ben, twijfel daar niet aan;En rechts en links toon ik u hier de spleet,Die van ’t gefluister der gelieven weet.”Theseus.Wie vergt, dat leem en kalk nog beter spreken?167Demetrius.Het is de geestigste scheidsmuur, dien ik nog ooit heb hooren redeneeren, Heer!Theseus.Pyramus komt daar op den muur af; stilte!(Pyramuskomt op.)Pyramus(Spoel).“O gruwbre nacht! o nacht, zoo zwart van waas!O nacht, die na het daglicht altijd doorbreekt!O nacht, o nacht, o nacht, helaas! helaas!Ik vrees, ik vrees, dat Thipsy mij haar woord breekt.En gij, o Muur, o lieve, beste Muur,Die ’t huis haars vaders en het mijne scheidt,Gij Muur, o Muur, o lieve, beste Muur,Toon mij uw spleet, waar ik mijn blik door weid’.(Muurspreidt zijn vingers uiteen.)Beleefde Muur, heb dank! God loone ’t u!Wat zie ik daar? Thipsy, die zie ik niet.O booze Muur, door wien ik niets zie nu!Vervloekt, gij steenen, die mij zoo verriedt!”Theseus.Daar de muur gevoel bezit, moet hij, dunkt mij, terug vloeken.Pyramus.Waarlijk niet, heer, ’t is zijn beurt nog niet. “Mij zoo verriedt” is Thipsy’s wachtwoord; zij moet nu opkomen, en ik moet haar door den muur uitvinden. Gij zult zien het komt krek uit, zooals ik zeg. Daar komt ze al.(Thisbekomt op.)Thisbe(Wind.)“O muur, zeer vaak vernaamt ge mijn geween,Die van mijn Pyramus mij scheidt zoo wreed;Mijn kersenlippen kusten vaak uw steen,Uw steen, uit leem en koehaar saamgekneed.”Pyramus.“Ik zie een stem, ik ga ter spleet en schouwOf ik mijn Thipsy’s aanschijn hooren kan.Thipsy!”Thisbe.“Zijt gij ’t, mijn lief, naar ik vertrouw?”Pyramus.“Vertrouw het, ja, ’k ben uw aanstaande man,En trouw ben ’k ook, zooals Limander was.”Thisbe.“En ik als Hello, tot mij ’t lot velt ras.”Pyramus.“Geen Sjefilus van Procrus hield zooveel.”Thisbe.“’k Ben Sjefilus voor Procrus, ja geheel.”Pyramus.“O kus mij door deez’ halfverganen muur.”Thisbe.“Ik proef den muur, niet uwer lippen vuur.”Pyramus.“Komt gij zoo daadlijk thans naar Ninny’s graf?”204Thisbe.“Ik kom, ja, dood of levend, op een draf.”(PyramusenThisbeaf.)Muur.“Zoo heb ik, Muur, nu braaf mijn plicht gedaan,En, afgedaan, mag muur nu henen gaan.”(Muuraf.)Theseus.Nu is de muur tusschen de twee buren ingestort.Demetrius.Dat mag ook wel, Heer, als muren het durven wagen zonder waarschuwen alles af te luisteren.Hippolyta.Dit is wel het onzinnigste ding, dat ik ooit gehoord heb.Theseus.De beste van deze soort zijn slechts schimmen, en de slechtste zijn niet slechter, wanneer de verbeeldingskracht haar te hulp komt.Hippolyta.Ja, maar dan uw verbeeldingskracht en niet de hunne.Theseus.Nu, als onze verbeelding niet slechter van hen denkt, dan zij van zichzelf, dan kunnen ze voor uitstekende lui doorgaan. Daar komen twee edele gedierten op, een Maan en een Leeuw.(LeeuwenManeschijnkomen op.)Leeuw(Schaaf).“Jonkvrouwen, gij, wier teeder hart vervaart,Als ’t kleinste monstermuisje piept, gewis,Gij beeft en siddert, als gij thans ontwaart’t Gebrul des felsten leeuws, die woedend is.Maar weet, ik Schaaf de kastenmaker bin,Geen felle leeuw, nog minder een leeuwin;Want kwam ik als een echte leeuw alhierEn snoof naar buit, wis, uit was mijn pleizier.”Theseus.Een allerliefst beest en zeer gemoedelijk.Demetrius.Het beste, mijn vorst, wat ik nog ooit van beesten gezien heb.Lysander.Die leeuw is een echte vos, wat zijn moed betreft.Theseus.Juist, en een gans, wat zijn verstand betreft.Demetrius.Toch niet, heer, want zijn dapperheid kan zijn verstand niet meesleepen, zooals de vos het de gans doet.Theseus.En ik ben overtuigd, dat zijn verstand zijn dapperheid niet meesleept, want de gans loopt niet met den vos weg. Maar komaan; wij zullen dat maar aan zijn verstand te raden geven, en nu naar de maan luisteren.242Maan(Slokker).“Ziet, deez’ lantaarn is de gehoornde maan;—”Demetrius.Hij moest de horens op het hoofd dragen.Theseus.Hij is een volle maan, zijn horens zitten onzichtbaar in de schijf.Maan.“Ziet, deez’ lantaarn is de gehoornde maan; Ikzelf stel voor het mannetje in de maan;”—Theseus.Dat is de grootste flater van alle; die man moest in de lantaarn zitten; hoe kan hij anders het mannetje in de maan zijn.Demetrius.Hij gaat er niet in, uit bangigheid, want er is een dief aan de kaars.Hippolyta.Die maan verveelt mij; ik wenschte, dat hij maar veranderde.Theseus.Naar het weinigje licht van zijn verstand te oordeelen, is hij aan het afnemen; maar wij moeten uit beleefdheid zoo redelijk zijn en eens afwachten.Lysander.Ga voort, Maan.Maan.“Al wat ik te zeggen heb, is u te vertellen, dat de lantaren de maan is; ik het mannetjein de maan; deze takkenbos mijn takkenbos; en deze hond mijn hond”.Demetrius.Wel, die dingen moesten alle in de lantaren wezen, want zij zijn in de maan. Maar stil, daar komt Thisbe.(Thisbekomt op.)Thisbe.“Dit ’s ouden Ninny’s graf, waar is mijn lief?”Leeuw.“Ooh!”(De Leeuw brult;Thisbeloopt weg.)Demetrius.Mooi gebruld, Leeuw.Theseus.Mooi gevlucht, Thisbe.Hippolyta.Mooi geschenen, Maan.—Waarlijk, de maan schijnt niet zonder bevalligheid.(De Leeuw rijtThisbe’smantel stuk en gaat heen.)Theseus.Mooi geklauwd, Leeuw.Demetrius.En daar kwam Pyramus.Lysander.En daar verdween de Leeuw.(Pyramuskomt op.)Pyramus.“Ik dank u, maanlicht, voor uw zonneglans,277Ik dank u, maan, daar gij zoo helder straalt,Want bij dien gouden lichtgloed is er kans,Dat mij ’t gezicht van trouwe Thisby smaakt.Maar stil!—wat leed!O lot, hoe wreed!Wat jammer is dit hier?Mijn oog, o ziet!Dat kan toch niet;Mijn hartlap, mij zoo dier!Uw mantel goedBevlekt met bloed?O, alle Furiën, kom!O, noodlot, schafMijn leven af,Blusch, doof, verplet, breng om!”Theseus.Die hartstocht zou, als de dood van een geliefde vriendin er bij kwam, toch wel haast in staat zijn iemand naar te maken.Hippolyta.Bij mijn ziel, ik beklaag den man.Pyramus.“Waarom, natuur, deedt gij den leeuw ontstaan?Verslikte een leeuw de schoonste jonkvrouw niet,Die is,—neen was!—waar is zij heengegaan,Die, lieflijk lachend, ’t leven loven liet?Weg, tranenschaar!Kom, zwaard, doorvaarDe borst van Pyramus!Hier links geprikt,Waar ’t hart mij tikt,Dus sterf ik, dus, dus, dus!Nu ben ik dood;Mijn ziel die vloodEn zweeft in hooger dreef;O, tong, word blind!O, maan, verzwind!O, sneef, sneef, sneef, sneef, sneef!”(Hij sterft.Maneschijnaf.)Demetrius.’t Is zonde, zonde, hij kwam juist op dreef.Lysander.Zou er geen hoop zijn, dat hij leven bleef?Theseus.Mijn heelmeester moge hem verplegen; wat de kunst vermag, zal gedaan worden, want er zijn er geen twee zoo in heel Athene.Hippolyta.Hoe komt het, dat Maneschijn is weggegaan, voor Thisbe terugkomt en haar minnaar vindt?Theseus.Ze zal hem bij sterrenlicht vinden.—Daar komt zij al, en haar jammerklacht is het besluit van ’t stuk.(Thisbekomt op.)Hippolyta.Mij dunkt, ze heeft geen lange weeklacht noodig voor zulk een Pyramus; ik hoop, dat ze kort zal wezen.Demetrius.Een stofje kan de schaal doen overslaan, wie beter is, Pyramus, of Thisbe.Lysander.Zij heeft hem met haar liefelijke oogen alreeds opgespoord.Demetrius.En ze jammert als volgt:330Thisbe.“In slaap, mijn schat?Wat, wat is dat?O, Pyramus, ontwaak!O, spreek, o, spreek!Wat ziet ge bleek!Wat! zijt ge dood? o wraak!Uw leliemond,Uw neus zoo blond,Uw wangen van saffraan,Zijn heen, zijn heen,O bruidjes, ween,Dat lookgroen oog vergaan!Drie zustren, gij,Komt thans tot mij!Hoe melkwit is uw hand!O doopt ze in ’t bloed;Uw schaar verwoedDoorsneed zijn levensband!O tong, geen woord!O zwaard, ga voort,Doorweek mijn boezem mee;Vaart, vrienden, wel;Thipsy sneeft snel;Atjé, atjé, atjé!”Theseus.Maneschijn en Leeuw zijn overgebleven om de dooden te begraven.Demetrius.Ja, en Muur ook.Spoel(opspringend).Neen, zeker niet; de muur is neergehaald, die hun vaders scheidde. Behaagthet u nu ook den epiloog te zien of eenzelfbedachten danstusschen een paar van ons gezelschap te hooren?Theseus.Geen epiloog, verzoek ik u, want uw stuk heeft geen verontschuldiging noodig. Geen enkele verontschuldiging; want als de spelers allen dood zijn, kan er van geen enkel iets kwaads gezegd worden. Inderdaad, als hij, die het stuk geschreven heeft, zelf voor Pyramus gespeeld had en zich aan Thisbe’s kouseband had verhangen, zou het een treffelijk treurspel geweest zijn; en dat is het nog, inderdaad; en zeer opmerkelijk gespeeld. Maar komt, uw zelfbedachten dans; en laat den epiloog weg.(Een dans van de Handwerkslieden.)Twaalf riep daar middernacht met koop’ren tong;—Ter rust, gij paren; ’t is dra geestentijd.Een stuk van de’ uchtend, vrees ik, slapen wijZooals een deel der nacht is doorgewaakt.Dit tastbaar dwaze spel deed toch de nachtHaar tragen gang vergeten.—Komt, ter rust!—Zóó duur’ nog veertien daag de feestlijkheid;Dat iedere avond nieuwe vreugd bereid’!(Allen af.)(Puckkomt op, met een bezem op schouder.)Puck.Hongrig brult de leeuw nu weer;378Huilend groet de wolf de maan;Snurkend ligt de ploeger neer,Nu zijn dagtaak is gedaan;Nauw één vonk in de asch nu gloort;Uilgekras klinkt in de nacht;En de kranke, die het hoort,Huivert, dat het graf hem wacht,’t Is nu middernacht, de tijd,Dat de graven openstaan,En, van hunnen boei bevrijdAlle geesten waren gaan;En wij elfen, die met dansOm ’t gespan van HecatéZweven, doch voor zonneglansVlieden, met het duister mee,Zijn nu lustig; niet een muisStore dit gewijde huis;’k Veeg het met den bezem schoon,Dat geen smetje zich vertoon’!(OberonenTitania,met Gevolg, komen op.)Oberon.Spreidt uw lichtgloed om u heen,Want geen vonkje geeft hier schijn;Iedere Elfe repp’ de leên,Vlug en lucht als ’t vogelkijn,En herhale wat ik zing,Zinge ’t lustig, danse en spring’!Titania.Zing,—en klink’ op ieder woordVan het lied het juist akkoord!Vorm een keten en verspreîZoeten zegen, elfenrei!(Gezang en dans.)Oberon.Danst tot de uchtendzonneglans,Elfen, in dit huis uw dans.Zeeg’nend zweven onze schreênOm het schoonste bruidsbed heen.Groeien, bloeien, jaar op jaar,Zal het kroost van ’t edel paar;Eeuwig bind’ de teêrste trouwDeze drie paar man en vrouw;En de spruiten van hun bedBlijven vrij van elke smet;Hen ontsier’ geen moedervlek,Geen misvorming of gebrek,Dat een ouder in zijn kind,Schriklijk ducht en gruwlijk vindt!Sprenkelt, Elfen, op den grondDezen heil’gen dauw in ’t rond;Wijdt er iedre kamer meeVan ’t paleis, tot vreugde en vreê:Eeuwig worde, die er woont,Met het hoogste heil gekroond!Flink uw plichtNu verricht;—Treft mij weer bij ’t morgenlicht!429(Oberon,Titaniaen Gevolg af.)Puck(tot het Publiek).Heeft dit schimmenspel mishaagd,Denkt dan, dat ge in sluim’ring laagt,En ’t u,—dan vergeeft gij ’t wis,—Als gezicht verschenen is.Gispt het niet, dat deze nachtU een droom, niets anders, bracht,Want wij geven u misschienDra wat beters weer te zien.Hebben wij,—dit zegt u Puck,—Heden ’t onverdiend geluk,Dat geen slangenstem ons groet,Weldra maken we alles goed;—Of noem Puck een leugenaar.Goede nacht nu, al te gaar!Toont handgeklap aan Puck uw gunst,Dan toont hij ras u beetre kunst.(Allen af.)
Eerste Tooneel.Athene.Een kamer in het paleis vanTheseus.Theseus,Hippolyta,Philostratus,Hovelingen en Gevolg komen op.Hippolyta.Vreemd, Theseus, is ’t verhaal van die gelieven.Theseus.Meer vreemd dan waar. ’k Sla geen geloof aan alDie sprookjes of die elfenspokerij.En liefde èn waanzin maakt het brein verhitEn wekt verbeelding op en doet steeds zienVeel meer dan ’t koel verstand ooit vatten kan.Waanzinnigen, verliefden, dichters zijnGeheel verbeelding: die, de dolle, zietMeer duivels dan de hel bevat; de minnaar,Niet minder dol, ziet schoone Helena,Waar hij een bruin, getaand gelaat ontwaart;In schoonen waanzin rolt des dichters oog,Blikt uit den hemel neer, van de aard ten hemel;En waar verbeelding dingen, ongekend,Te voorschijn roept, daar schept des dichters stiftHun een gestalte, en schenkt aan ’t ijdel nietsOp de aard bestaan, een woning en een naam.Verbeelding is in grillen overrijk;Zoodra zij iets gevoelt, dat haar verheugt,Staat haar voor ’t oog een brenger van de vreugd;Terwijl, als ’s nachts haar angst bekruipt in ’t woud,Zij licht een ruigte voor een ondier houdt.Hippolyta.Maar al wat zij vertellen van deez’ nacht,En hun gezindheid, zoo gelijk veranderd,Moet meer zijn dan een spel der phantasie.Het toont verband, het wordt tot werklijkheid;Doch altijd blijft het vreemd en wonderbaar.Theseus.Daar zijn de paren, vol van lust en vreugd.(Lysander,Demetrius,HermiaenHelenakomen op.)Heil, vrienden! Heil en heldre levensdagenNaar ’s harten wensch!Lysander.Naar ’s harten wensch!Nog hooger heil, mijn vorst,Zij met uw uit- en ingaan, disch en bed!Theseus.Kom aan, wat dans of schouwspel zal er zijn,Dat ons die eeuw verkort, dat drietal uren,Dat avondmaal en uur van rust nog scheidt?Waar is de man van onze feestlijkheid?—Kom, is er niets? geen schouwtooneel, dat onsDe mart’ling spaar’ van ’t dralen van den tijd?—Waar is Philostratus?Philostratus.Waar is Philostratus?Hier, edel vorst.38Theseus.Wat tijdverdrijf biedt ge ons van avond aan?Muziek? of maskerfeest? Hoe foppen wijDen tragen tijd, zoo niet door vroolijkheid?Philostratus.Hier vindt ge, vorst, wat op uw wenken wacht;Gelief te kiezen, wat ge ’t eerst wilt zien.(Hij reikt een geschrift over.)Theseus.(leest).“De strijd met de Kentauren; voor te dragenDoor een Atheenschen zanger bij de harp.”Neen, dank; ik heb ’t mijn bruid alreeds verteldTer eere van mijn neef, van Hercules.“Het woeden der Bacchanten, die den zangerVan Thracië verscheuren in haar roes.”Neen, dat is oud; het werd me alreeds vertoond,Toen ik in zegepraal van Thebe kwam.“De negen Muzen, jamm’rend om den doodDer bedelarm gestorven wetenschap.”Dat is een strenge, bijtende satire,Volstrekt niet passend op een bruiloftsfeest.“Een kortgerekt vertoon van PyramusEn Thisbe, zijn beminde; een treurspelklucht.”Een treurspel en een klucht? kort en gerekt?Dat klinkt als gloeiend ijs en heete sneeuw.Wie wijst mij de eenheid van die tweeheid aan?Philostratus.’t Is, heer, een stuk, nauw twintig woorden lang,En dus zoo kort, als ik er een maar ken;Maar twintig woorden is het ruim te lang,En dus gerekt; in ’t gansche stuk toch isGeen woord naar eisch, geen speler op zijn plaats.Een treurspel is het ook, doorluchte heer,Want Pyramus steekt er zichzelf in dood.Ik zwom, toen ik de repetitie zag,In tranen, ja; maar blijder tranenvloedHeeft nooit de dolste klucht mij afgeperst.Theseus.Wie zijn de spelers?Philostratus.Wie zijn de spelers?Mannen, hard van hand,Handwerkers van Athene, die nog nooitHun brein met arbeid plaagden, maar die nu,Hoe vreemd het werk ook viel, het met dit stukBezwaarden om uw feestdag op te luistren.Theseus.Wij willen ’t hooren.Philostratus.Wij willen ’t hooren.Neen, mijn eedle vorst,’t Is niets voor u; ik heb het pas gehoord,En het is niets, ter wereld niets, tenzijGij u verlustigt in hun goeden wil,Die zich heeft afgemarteld, om dit vodVoor u te leeren.Theseus.Voor u te leeren.Hooren wil ik ’t stuk,Want nooit is iets verkeerd of ongepast,Wat eenvoud in oprechten ijver biedt.Ga, breng hen hier;—en ieder neme plaats.(Philostratusaf.)Hippolyta.’k Zie noode hijgende onmacht zwaar belast,Of ijver, die zijn best doet en bezwijkt.86Theseus.Mijn waardste, zoo iets zult gij ook niet zien.Hippolyta.Hij zegt, zij kunnen niets; het is niets goeds.Theseus.Te goediger is ’t, hen voor niets te danken.Wat zij bij ’t geven falen, te vergeven,Zij òns vermaak; wie edel denkt, waardeertVan ijver, die onmachtig blijkt, den wil.Waar ik ooit kwam, bereidden zich ten groet,In keur van taal, geleerden, groot van naam;Hoe velen zag ik sidd’ren en verbleeken,Ophouden in het midden van een zin;Angst kneep den anders ruimen gorgel toe;In ’t eind verstomden zij en braken af,En zonder welkomstgroet. Maar, lieve, tochKlonk uit dat zwijgen mij een welkom toe;En de bescheidenheid van schuchtere’ angstSprak me even duidlijk als de rateltongVan onbeschroomde, stoute redenaars.Spreke eenvoud, liefde, stott’rend en bedeesd,Toch treft, die ’t minste zegt, mij vaak het meest.(Philostratuskomt terug.)Philostratus.Zoo ’t u behaagt, Heer, deProloog staat klaar.Theseus.Hij trede binnen.(Trompetgeschal achter het tooneel.)(Dissel,als Proloog, komt op.)Proloog(Dissel).“Mishagen we u, we wenschen dit als gunst.Dat gij ons ijvrig denkt uw lof te winnen,’t Kan dwaling zijn. Het toonen onzer kunstLet op het doel, waarmee we nu beginnen.Als gij het doet, zijn wij niet bang voor spotBij uwen echt. Drijft lust om te behagenOns hier aan ’t hof. Voor uw en ons genotAcht ons niet hier. Opdat ge u zoudt beklagenStaan hier de spelers klaar. O, gij verstaatAl wat gij wilt, zoo gij hen gadeslaat.”Theseus.Die knaap let niet bijzonder op komma’s en punten.Lysander.Hij heeft zijn proloog gereden als een wild veulen; hij weet niet, waar hij moet ophouden. Een goede moraal, mijn vorst; het is niet genoeg te spreken, men moet ook juist spreken.Hippolyta.Inderdaad, hij heeft op zijn proloog gespeeld als een kind op zijn fluitje, er komen wel tonen uit, maar er is niets van te maken.Theseus.Zijn aanspraak was als een verwarde keten, geen schakel stuk, maar een en al warboel. Wat komt er nu?127(Pyramus,Thisbe,Muur,ManeschijnenLeeuwkomen als stomme personen op.)Proloog“Verwondert ge u, dat gij ons hier ziet staan,Blijf dan verwonderd, tot wij ’t duid’lijk maken.Deez’ man is Pyramus, ja, zonder waan,Deez’ schoone vrouw is Thisby, wilt ’t niet laken.Die man met leem en mortel, is de muur,Die muur, zoo wreed, die de gelieven scheidde;En door een muurspleet wist hun minnevuurTe fluistren; denkt, wat vreugd hun dit bereidde!Deez’ man, met takkenbos, lantaarn en hond,Stelt voor den maneschijn; want, zonder schromen,Bij maneschijn, aan Ninus’ graf, daar vondHet paar gelegenheid om saam te komen.Dit grimmig beest, de leeuw dat is zijn naam,Heeft trouwe Thisby, die het eerste kwam,Geweldig doen verschrikken, en zij namDe vlucht, en liet daarbij haar mantel vallen;Dien heeft de leeuw toen met zijn muil bebloed;En Pyramus, de schoonste bloem van allen,Komt, vindt er dood zijn Thisby’s mantel goed;Hij trekt zijn zwaard, dat bloedig blanke zwaard,Treft boos zijn borst, zijn brave breede borst;Thisby, die bij een moerbeiboom daar waart,Komt, trekt zijn dolk, en sterft met bloed bemorst.Laat maanschijn, muur, en leeuw, en ’t minnend paarNu ’t restje’ uitvoerig melden, kort en klaar.”(Proloog,Thisbe,LeeuwenManeschijnaf.)Theseus.Ik ben benieuwd, of ook de leeuw zal spreken.Demetrius.Geen wonder, Heer, dat een leeuw het kan, terwijl zooveel ezels het kunnen.Muur(Tuit).“Het komt er in dit treffend stuk op neer,Dat ik, Jan Tuit, den muur verpresenteer;Geloof nu van dien muur, dat is niet mis,Dat die verdistreweerd, gespleten is;En door die spleet, daar lispelt zeer geheimMet Thisby Pyramus wel menig rijm.Wilt uit deez’ steen en kalk en leem verstaan,Dat ik die muur ben, twijfel daar niet aan;En rechts en links toon ik u hier de spleet,Die van ’t gefluister der gelieven weet.”Theseus.Wie vergt, dat leem en kalk nog beter spreken?167Demetrius.Het is de geestigste scheidsmuur, dien ik nog ooit heb hooren redeneeren, Heer!Theseus.Pyramus komt daar op den muur af; stilte!(Pyramuskomt op.)Pyramus(Spoel).“O gruwbre nacht! o nacht, zoo zwart van waas!O nacht, die na het daglicht altijd doorbreekt!O nacht, o nacht, o nacht, helaas! helaas!Ik vrees, ik vrees, dat Thipsy mij haar woord breekt.En gij, o Muur, o lieve, beste Muur,Die ’t huis haars vaders en het mijne scheidt,Gij Muur, o Muur, o lieve, beste Muur,Toon mij uw spleet, waar ik mijn blik door weid’.(Muurspreidt zijn vingers uiteen.)Beleefde Muur, heb dank! God loone ’t u!Wat zie ik daar? Thipsy, die zie ik niet.O booze Muur, door wien ik niets zie nu!Vervloekt, gij steenen, die mij zoo verriedt!”Theseus.Daar de muur gevoel bezit, moet hij, dunkt mij, terug vloeken.Pyramus.Waarlijk niet, heer, ’t is zijn beurt nog niet. “Mij zoo verriedt” is Thipsy’s wachtwoord; zij moet nu opkomen, en ik moet haar door den muur uitvinden. Gij zult zien het komt krek uit, zooals ik zeg. Daar komt ze al.(Thisbekomt op.)Thisbe(Wind.)“O muur, zeer vaak vernaamt ge mijn geween,Die van mijn Pyramus mij scheidt zoo wreed;Mijn kersenlippen kusten vaak uw steen,Uw steen, uit leem en koehaar saamgekneed.”Pyramus.“Ik zie een stem, ik ga ter spleet en schouwOf ik mijn Thipsy’s aanschijn hooren kan.Thipsy!”Thisbe.“Zijt gij ’t, mijn lief, naar ik vertrouw?”Pyramus.“Vertrouw het, ja, ’k ben uw aanstaande man,En trouw ben ’k ook, zooals Limander was.”Thisbe.“En ik als Hello, tot mij ’t lot velt ras.”Pyramus.“Geen Sjefilus van Procrus hield zooveel.”Thisbe.“’k Ben Sjefilus voor Procrus, ja geheel.”Pyramus.“O kus mij door deez’ halfverganen muur.”Thisbe.“Ik proef den muur, niet uwer lippen vuur.”Pyramus.“Komt gij zoo daadlijk thans naar Ninny’s graf?”204Thisbe.“Ik kom, ja, dood of levend, op een draf.”(PyramusenThisbeaf.)Muur.“Zoo heb ik, Muur, nu braaf mijn plicht gedaan,En, afgedaan, mag muur nu henen gaan.”(Muuraf.)Theseus.Nu is de muur tusschen de twee buren ingestort.Demetrius.Dat mag ook wel, Heer, als muren het durven wagen zonder waarschuwen alles af te luisteren.Hippolyta.Dit is wel het onzinnigste ding, dat ik ooit gehoord heb.Theseus.De beste van deze soort zijn slechts schimmen, en de slechtste zijn niet slechter, wanneer de verbeeldingskracht haar te hulp komt.Hippolyta.Ja, maar dan uw verbeeldingskracht en niet de hunne.Theseus.Nu, als onze verbeelding niet slechter van hen denkt, dan zij van zichzelf, dan kunnen ze voor uitstekende lui doorgaan. Daar komen twee edele gedierten op, een Maan en een Leeuw.(LeeuwenManeschijnkomen op.)Leeuw(Schaaf).“Jonkvrouwen, gij, wier teeder hart vervaart,Als ’t kleinste monstermuisje piept, gewis,Gij beeft en siddert, als gij thans ontwaart’t Gebrul des felsten leeuws, die woedend is.Maar weet, ik Schaaf de kastenmaker bin,Geen felle leeuw, nog minder een leeuwin;Want kwam ik als een echte leeuw alhierEn snoof naar buit, wis, uit was mijn pleizier.”Theseus.Een allerliefst beest en zeer gemoedelijk.Demetrius.Het beste, mijn vorst, wat ik nog ooit van beesten gezien heb.Lysander.Die leeuw is een echte vos, wat zijn moed betreft.Theseus.Juist, en een gans, wat zijn verstand betreft.Demetrius.Toch niet, heer, want zijn dapperheid kan zijn verstand niet meesleepen, zooals de vos het de gans doet.Theseus.En ik ben overtuigd, dat zijn verstand zijn dapperheid niet meesleept, want de gans loopt niet met den vos weg. Maar komaan; wij zullen dat maar aan zijn verstand te raden geven, en nu naar de maan luisteren.242Maan(Slokker).“Ziet, deez’ lantaarn is de gehoornde maan;—”Demetrius.Hij moest de horens op het hoofd dragen.Theseus.Hij is een volle maan, zijn horens zitten onzichtbaar in de schijf.Maan.“Ziet, deez’ lantaarn is de gehoornde maan; Ikzelf stel voor het mannetje in de maan;”—Theseus.Dat is de grootste flater van alle; die man moest in de lantaarn zitten; hoe kan hij anders het mannetje in de maan zijn.Demetrius.Hij gaat er niet in, uit bangigheid, want er is een dief aan de kaars.Hippolyta.Die maan verveelt mij; ik wenschte, dat hij maar veranderde.Theseus.Naar het weinigje licht van zijn verstand te oordeelen, is hij aan het afnemen; maar wij moeten uit beleefdheid zoo redelijk zijn en eens afwachten.Lysander.Ga voort, Maan.Maan.“Al wat ik te zeggen heb, is u te vertellen, dat de lantaren de maan is; ik het mannetjein de maan; deze takkenbos mijn takkenbos; en deze hond mijn hond”.Demetrius.Wel, die dingen moesten alle in de lantaren wezen, want zij zijn in de maan. Maar stil, daar komt Thisbe.(Thisbekomt op.)Thisbe.“Dit ’s ouden Ninny’s graf, waar is mijn lief?”Leeuw.“Ooh!”(De Leeuw brult;Thisbeloopt weg.)Demetrius.Mooi gebruld, Leeuw.Theseus.Mooi gevlucht, Thisbe.Hippolyta.Mooi geschenen, Maan.—Waarlijk, de maan schijnt niet zonder bevalligheid.(De Leeuw rijtThisbe’smantel stuk en gaat heen.)Theseus.Mooi geklauwd, Leeuw.Demetrius.En daar kwam Pyramus.Lysander.En daar verdween de Leeuw.(Pyramuskomt op.)Pyramus.“Ik dank u, maanlicht, voor uw zonneglans,277Ik dank u, maan, daar gij zoo helder straalt,Want bij dien gouden lichtgloed is er kans,Dat mij ’t gezicht van trouwe Thisby smaakt.Maar stil!—wat leed!O lot, hoe wreed!Wat jammer is dit hier?Mijn oog, o ziet!Dat kan toch niet;Mijn hartlap, mij zoo dier!Uw mantel goedBevlekt met bloed?O, alle Furiën, kom!O, noodlot, schafMijn leven af,Blusch, doof, verplet, breng om!”Theseus.Die hartstocht zou, als de dood van een geliefde vriendin er bij kwam, toch wel haast in staat zijn iemand naar te maken.Hippolyta.Bij mijn ziel, ik beklaag den man.Pyramus.“Waarom, natuur, deedt gij den leeuw ontstaan?Verslikte een leeuw de schoonste jonkvrouw niet,Die is,—neen was!—waar is zij heengegaan,Die, lieflijk lachend, ’t leven loven liet?Weg, tranenschaar!Kom, zwaard, doorvaarDe borst van Pyramus!Hier links geprikt,Waar ’t hart mij tikt,Dus sterf ik, dus, dus, dus!Nu ben ik dood;Mijn ziel die vloodEn zweeft in hooger dreef;O, tong, word blind!O, maan, verzwind!O, sneef, sneef, sneef, sneef, sneef!”(Hij sterft.Maneschijnaf.)Demetrius.’t Is zonde, zonde, hij kwam juist op dreef.Lysander.Zou er geen hoop zijn, dat hij leven bleef?Theseus.Mijn heelmeester moge hem verplegen; wat de kunst vermag, zal gedaan worden, want er zijn er geen twee zoo in heel Athene.Hippolyta.Hoe komt het, dat Maneschijn is weggegaan, voor Thisbe terugkomt en haar minnaar vindt?Theseus.Ze zal hem bij sterrenlicht vinden.—Daar komt zij al, en haar jammerklacht is het besluit van ’t stuk.(Thisbekomt op.)Hippolyta.Mij dunkt, ze heeft geen lange weeklacht noodig voor zulk een Pyramus; ik hoop, dat ze kort zal wezen.Demetrius.Een stofje kan de schaal doen overslaan, wie beter is, Pyramus, of Thisbe.Lysander.Zij heeft hem met haar liefelijke oogen alreeds opgespoord.Demetrius.En ze jammert als volgt:330Thisbe.“In slaap, mijn schat?Wat, wat is dat?O, Pyramus, ontwaak!O, spreek, o, spreek!Wat ziet ge bleek!Wat! zijt ge dood? o wraak!Uw leliemond,Uw neus zoo blond,Uw wangen van saffraan,Zijn heen, zijn heen,O bruidjes, ween,Dat lookgroen oog vergaan!Drie zustren, gij,Komt thans tot mij!Hoe melkwit is uw hand!O doopt ze in ’t bloed;Uw schaar verwoedDoorsneed zijn levensband!O tong, geen woord!O zwaard, ga voort,Doorweek mijn boezem mee;Vaart, vrienden, wel;Thipsy sneeft snel;Atjé, atjé, atjé!”Theseus.Maneschijn en Leeuw zijn overgebleven om de dooden te begraven.Demetrius.Ja, en Muur ook.Spoel(opspringend).Neen, zeker niet; de muur is neergehaald, die hun vaders scheidde. Behaagthet u nu ook den epiloog te zien of eenzelfbedachten danstusschen een paar van ons gezelschap te hooren?Theseus.Geen epiloog, verzoek ik u, want uw stuk heeft geen verontschuldiging noodig. Geen enkele verontschuldiging; want als de spelers allen dood zijn, kan er van geen enkel iets kwaads gezegd worden. Inderdaad, als hij, die het stuk geschreven heeft, zelf voor Pyramus gespeeld had en zich aan Thisbe’s kouseband had verhangen, zou het een treffelijk treurspel geweest zijn; en dat is het nog, inderdaad; en zeer opmerkelijk gespeeld. Maar komt, uw zelfbedachten dans; en laat den epiloog weg.(Een dans van de Handwerkslieden.)Twaalf riep daar middernacht met koop’ren tong;—Ter rust, gij paren; ’t is dra geestentijd.Een stuk van de’ uchtend, vrees ik, slapen wijZooals een deel der nacht is doorgewaakt.Dit tastbaar dwaze spel deed toch de nachtHaar tragen gang vergeten.—Komt, ter rust!—Zóó duur’ nog veertien daag de feestlijkheid;Dat iedere avond nieuwe vreugd bereid’!(Allen af.)(Puckkomt op, met een bezem op schouder.)Puck.Hongrig brult de leeuw nu weer;378Huilend groet de wolf de maan;Snurkend ligt de ploeger neer,Nu zijn dagtaak is gedaan;Nauw één vonk in de asch nu gloort;Uilgekras klinkt in de nacht;En de kranke, die het hoort,Huivert, dat het graf hem wacht,’t Is nu middernacht, de tijd,Dat de graven openstaan,En, van hunnen boei bevrijdAlle geesten waren gaan;En wij elfen, die met dansOm ’t gespan van HecatéZweven, doch voor zonneglansVlieden, met het duister mee,Zijn nu lustig; niet een muisStore dit gewijde huis;’k Veeg het met den bezem schoon,Dat geen smetje zich vertoon’!(OberonenTitania,met Gevolg, komen op.)Oberon.Spreidt uw lichtgloed om u heen,Want geen vonkje geeft hier schijn;Iedere Elfe repp’ de leên,Vlug en lucht als ’t vogelkijn,En herhale wat ik zing,Zinge ’t lustig, danse en spring’!Titania.Zing,—en klink’ op ieder woordVan het lied het juist akkoord!Vorm een keten en verspreîZoeten zegen, elfenrei!(Gezang en dans.)Oberon.Danst tot de uchtendzonneglans,Elfen, in dit huis uw dans.Zeeg’nend zweven onze schreênOm het schoonste bruidsbed heen.Groeien, bloeien, jaar op jaar,Zal het kroost van ’t edel paar;Eeuwig bind’ de teêrste trouwDeze drie paar man en vrouw;En de spruiten van hun bedBlijven vrij van elke smet;Hen ontsier’ geen moedervlek,Geen misvorming of gebrek,Dat een ouder in zijn kind,Schriklijk ducht en gruwlijk vindt!Sprenkelt, Elfen, op den grondDezen heil’gen dauw in ’t rond;Wijdt er iedre kamer meeVan ’t paleis, tot vreugde en vreê:Eeuwig worde, die er woont,Met het hoogste heil gekroond!Flink uw plichtNu verricht;—Treft mij weer bij ’t morgenlicht!429(Oberon,Titaniaen Gevolg af.)Puck(tot het Publiek).Heeft dit schimmenspel mishaagd,Denkt dan, dat ge in sluim’ring laagt,En ’t u,—dan vergeeft gij ’t wis,—Als gezicht verschenen is.Gispt het niet, dat deze nachtU een droom, niets anders, bracht,Want wij geven u misschienDra wat beters weer te zien.Hebben wij,—dit zegt u Puck,—Heden ’t onverdiend geluk,Dat geen slangenstem ons groet,Weldra maken we alles goed;—Of noem Puck een leugenaar.Goede nacht nu, al te gaar!Toont handgeklap aan Puck uw gunst,Dan toont hij ras u beetre kunst.(Allen af.)
Athene.Een kamer in het paleis vanTheseus.
Theseus,Hippolyta,Philostratus,Hovelingen en Gevolg komen op.
Hippolyta.Vreemd, Theseus, is ’t verhaal van die gelieven.
Hippolyta.
Vreemd, Theseus, is ’t verhaal van die gelieven.
Theseus.Meer vreemd dan waar. ’k Sla geen geloof aan alDie sprookjes of die elfenspokerij.En liefde èn waanzin maakt het brein verhitEn wekt verbeelding op en doet steeds zienVeel meer dan ’t koel verstand ooit vatten kan.Waanzinnigen, verliefden, dichters zijnGeheel verbeelding: die, de dolle, zietMeer duivels dan de hel bevat; de minnaar,Niet minder dol, ziet schoone Helena,Waar hij een bruin, getaand gelaat ontwaart;In schoonen waanzin rolt des dichters oog,Blikt uit den hemel neer, van de aard ten hemel;En waar verbeelding dingen, ongekend,Te voorschijn roept, daar schept des dichters stiftHun een gestalte, en schenkt aan ’t ijdel nietsOp de aard bestaan, een woning en een naam.Verbeelding is in grillen overrijk;Zoodra zij iets gevoelt, dat haar verheugt,Staat haar voor ’t oog een brenger van de vreugd;Terwijl, als ’s nachts haar angst bekruipt in ’t woud,Zij licht een ruigte voor een ondier houdt.
Theseus.
Meer vreemd dan waar. ’k Sla geen geloof aan al
Die sprookjes of die elfenspokerij.
En liefde èn waanzin maakt het brein verhit
En wekt verbeelding op en doet steeds zien
Veel meer dan ’t koel verstand ooit vatten kan.
Waanzinnigen, verliefden, dichters zijn
Geheel verbeelding: die, de dolle, ziet
Meer duivels dan de hel bevat; de minnaar,
Niet minder dol, ziet schoone Helena,
Waar hij een bruin, getaand gelaat ontwaart;
In schoonen waanzin rolt des dichters oog,
Blikt uit den hemel neer, van de aard ten hemel;
En waar verbeelding dingen, ongekend,
Te voorschijn roept, daar schept des dichters stift
Hun een gestalte, en schenkt aan ’t ijdel niets
Op de aard bestaan, een woning en een naam.
Verbeelding is in grillen overrijk;
Zoodra zij iets gevoelt, dat haar verheugt,
Staat haar voor ’t oog een brenger van de vreugd;
Terwijl, als ’s nachts haar angst bekruipt in ’t woud,
Zij licht een ruigte voor een ondier houdt.
Hippolyta.Maar al wat zij vertellen van deez’ nacht,En hun gezindheid, zoo gelijk veranderd,Moet meer zijn dan een spel der phantasie.Het toont verband, het wordt tot werklijkheid;Doch altijd blijft het vreemd en wonderbaar.
Hippolyta.
Maar al wat zij vertellen van deez’ nacht,
En hun gezindheid, zoo gelijk veranderd,
Moet meer zijn dan een spel der phantasie.
Het toont verband, het wordt tot werklijkheid;
Doch altijd blijft het vreemd en wonderbaar.
Theseus.Daar zijn de paren, vol van lust en vreugd.
Theseus.
Daar zijn de paren, vol van lust en vreugd.
(Lysander,Demetrius,HermiaenHelenakomen op.)
Heil, vrienden! Heil en heldre levensdagenNaar ’s harten wensch!
Heil, vrienden! Heil en heldre levensdagen
Naar ’s harten wensch!
Lysander.Naar ’s harten wensch!Nog hooger heil, mijn vorst,Zij met uw uit- en ingaan, disch en bed!
Lysander.
Naar ’s harten wensch!Nog hooger heil, mijn vorst,
Zij met uw uit- en ingaan, disch en bed!
Theseus.Kom aan, wat dans of schouwspel zal er zijn,Dat ons die eeuw verkort, dat drietal uren,Dat avondmaal en uur van rust nog scheidt?Waar is de man van onze feestlijkheid?—Kom, is er niets? geen schouwtooneel, dat onsDe mart’ling spaar’ van ’t dralen van den tijd?—Waar is Philostratus?
Theseus.
Kom aan, wat dans of schouwspel zal er zijn,
Dat ons die eeuw verkort, dat drietal uren,
Dat avondmaal en uur van rust nog scheidt?
Waar is de man van onze feestlijkheid?—
Kom, is er niets? geen schouwtooneel, dat ons
De mart’ling spaar’ van ’t dralen van den tijd?—
Waar is Philostratus?
Philostratus.Waar is Philostratus?Hier, edel vorst.38
Philostratus.
Waar is Philostratus?Hier, edel vorst.38
Theseus.Wat tijdverdrijf biedt ge ons van avond aan?Muziek? of maskerfeest? Hoe foppen wijDen tragen tijd, zoo niet door vroolijkheid?
Theseus.
Wat tijdverdrijf biedt ge ons van avond aan?
Muziek? of maskerfeest? Hoe foppen wij
Den tragen tijd, zoo niet door vroolijkheid?
Philostratus.Hier vindt ge, vorst, wat op uw wenken wacht;Gelief te kiezen, wat ge ’t eerst wilt zien.
Philostratus.
Hier vindt ge, vorst, wat op uw wenken wacht;
Gelief te kiezen, wat ge ’t eerst wilt zien.
(Hij reikt een geschrift over.)
Theseus.(leest).“De strijd met de Kentauren; voor te dragenDoor een Atheenschen zanger bij de harp.”Neen, dank; ik heb ’t mijn bruid alreeds verteldTer eere van mijn neef, van Hercules.“Het woeden der Bacchanten, die den zangerVan Thracië verscheuren in haar roes.”Neen, dat is oud; het werd me alreeds vertoond,Toen ik in zegepraal van Thebe kwam.“De negen Muzen, jamm’rend om den doodDer bedelarm gestorven wetenschap.”Dat is een strenge, bijtende satire,Volstrekt niet passend op een bruiloftsfeest.“Een kortgerekt vertoon van PyramusEn Thisbe, zijn beminde; een treurspelklucht.”Een treurspel en een klucht? kort en gerekt?Dat klinkt als gloeiend ijs en heete sneeuw.Wie wijst mij de eenheid van die tweeheid aan?
Theseus.
(leest).“De strijd met de Kentauren; voor te dragen
Door een Atheenschen zanger bij de harp.”
Neen, dank; ik heb ’t mijn bruid alreeds verteld
Ter eere van mijn neef, van Hercules.
“Het woeden der Bacchanten, die den zanger
Van Thracië verscheuren in haar roes.”
Neen, dat is oud; het werd me alreeds vertoond,
Toen ik in zegepraal van Thebe kwam.
“De negen Muzen, jamm’rend om den dood
Der bedelarm gestorven wetenschap.”
Dat is een strenge, bijtende satire,
Volstrekt niet passend op een bruiloftsfeest.
“Een kortgerekt vertoon van Pyramus
En Thisbe, zijn beminde; een treurspelklucht.”
Een treurspel en een klucht? kort en gerekt?
Dat klinkt als gloeiend ijs en heete sneeuw.
Wie wijst mij de eenheid van die tweeheid aan?
Philostratus.’t Is, heer, een stuk, nauw twintig woorden lang,En dus zoo kort, als ik er een maar ken;Maar twintig woorden is het ruim te lang,En dus gerekt; in ’t gansche stuk toch isGeen woord naar eisch, geen speler op zijn plaats.Een treurspel is het ook, doorluchte heer,Want Pyramus steekt er zichzelf in dood.Ik zwom, toen ik de repetitie zag,In tranen, ja; maar blijder tranenvloedHeeft nooit de dolste klucht mij afgeperst.
Philostratus.
’t Is, heer, een stuk, nauw twintig woorden lang,
En dus zoo kort, als ik er een maar ken;
Maar twintig woorden is het ruim te lang,
En dus gerekt; in ’t gansche stuk toch is
Geen woord naar eisch, geen speler op zijn plaats.
Een treurspel is het ook, doorluchte heer,
Want Pyramus steekt er zichzelf in dood.
Ik zwom, toen ik de repetitie zag,
In tranen, ja; maar blijder tranenvloed
Heeft nooit de dolste klucht mij afgeperst.
Theseus.Wie zijn de spelers?
Theseus.
Wie zijn de spelers?
Philostratus.Wie zijn de spelers?Mannen, hard van hand,Handwerkers van Athene, die nog nooitHun brein met arbeid plaagden, maar die nu,Hoe vreemd het werk ook viel, het met dit stukBezwaarden om uw feestdag op te luistren.
Philostratus.
Wie zijn de spelers?Mannen, hard van hand,
Handwerkers van Athene, die nog nooit
Hun brein met arbeid plaagden, maar die nu,
Hoe vreemd het werk ook viel, het met dit stuk
Bezwaarden om uw feestdag op te luistren.
Theseus.Wij willen ’t hooren.
Theseus.
Wij willen ’t hooren.
Philostratus.Wij willen ’t hooren.Neen, mijn eedle vorst,’t Is niets voor u; ik heb het pas gehoord,En het is niets, ter wereld niets, tenzijGij u verlustigt in hun goeden wil,Die zich heeft afgemarteld, om dit vodVoor u te leeren.
Philostratus.
Wij willen ’t hooren.Neen, mijn eedle vorst,
’t Is niets voor u; ik heb het pas gehoord,
En het is niets, ter wereld niets, tenzij
Gij u verlustigt in hun goeden wil,
Die zich heeft afgemarteld, om dit vod
Voor u te leeren.
Theseus.Voor u te leeren.Hooren wil ik ’t stuk,Want nooit is iets verkeerd of ongepast,Wat eenvoud in oprechten ijver biedt.Ga, breng hen hier;—en ieder neme plaats.
Theseus.
Voor u te leeren.Hooren wil ik ’t stuk,
Want nooit is iets verkeerd of ongepast,
Wat eenvoud in oprechten ijver biedt.
Ga, breng hen hier;—en ieder neme plaats.
(Philostratusaf.)
Hippolyta.’k Zie noode hijgende onmacht zwaar belast,Of ijver, die zijn best doet en bezwijkt.86
Hippolyta.
’k Zie noode hijgende onmacht zwaar belast,
Of ijver, die zijn best doet en bezwijkt.86
Theseus.Mijn waardste, zoo iets zult gij ook niet zien.
Theseus.
Mijn waardste, zoo iets zult gij ook niet zien.
Hippolyta.Hij zegt, zij kunnen niets; het is niets goeds.
Hippolyta.
Hij zegt, zij kunnen niets; het is niets goeds.
Theseus.Te goediger is ’t, hen voor niets te danken.Wat zij bij ’t geven falen, te vergeven,Zij òns vermaak; wie edel denkt, waardeertVan ijver, die onmachtig blijkt, den wil.Waar ik ooit kwam, bereidden zich ten groet,In keur van taal, geleerden, groot van naam;Hoe velen zag ik sidd’ren en verbleeken,Ophouden in het midden van een zin;Angst kneep den anders ruimen gorgel toe;In ’t eind verstomden zij en braken af,En zonder welkomstgroet. Maar, lieve, tochKlonk uit dat zwijgen mij een welkom toe;En de bescheidenheid van schuchtere’ angstSprak me even duidlijk als de rateltongVan onbeschroomde, stoute redenaars.Spreke eenvoud, liefde, stott’rend en bedeesd,Toch treft, die ’t minste zegt, mij vaak het meest.
Theseus.
Te goediger is ’t, hen voor niets te danken.
Wat zij bij ’t geven falen, te vergeven,
Zij òns vermaak; wie edel denkt, waardeert
Van ijver, die onmachtig blijkt, den wil.
Waar ik ooit kwam, bereidden zich ten groet,
In keur van taal, geleerden, groot van naam;
Hoe velen zag ik sidd’ren en verbleeken,
Ophouden in het midden van een zin;
Angst kneep den anders ruimen gorgel toe;
In ’t eind verstomden zij en braken af,
En zonder welkomstgroet. Maar, lieve, toch
Klonk uit dat zwijgen mij een welkom toe;
En de bescheidenheid van schuchtere’ angst
Sprak me even duidlijk als de rateltong
Van onbeschroomde, stoute redenaars.
Spreke eenvoud, liefde, stott’rend en bedeesd,
Toch treft, die ’t minste zegt, mij vaak het meest.
(Philostratuskomt terug.)
Philostratus.Zoo ’t u behaagt, Heer, deProloog staat klaar.
Philostratus.
Zoo ’t u behaagt, Heer, de
Proloog staat klaar.
Theseus.Hij trede binnen.
Theseus.
Hij trede binnen.
(Trompetgeschal achter het tooneel.)
(Dissel,als Proloog, komt op.)
Proloog(Dissel).“Mishagen we u, we wenschen dit als gunst.Dat gij ons ijvrig denkt uw lof te winnen,’t Kan dwaling zijn. Het toonen onzer kunstLet op het doel, waarmee we nu beginnen.Als gij het doet, zijn wij niet bang voor spotBij uwen echt. Drijft lust om te behagenOns hier aan ’t hof. Voor uw en ons genotAcht ons niet hier. Opdat ge u zoudt beklagenStaan hier de spelers klaar. O, gij verstaatAl wat gij wilt, zoo gij hen gadeslaat.”
Proloog
(Dissel).“Mishagen we u, we wenschen dit als gunst.
Dat gij ons ijvrig denkt uw lof te winnen,
’t Kan dwaling zijn. Het toonen onzer kunst
Let op het doel, waarmee we nu beginnen.
Als gij het doet, zijn wij niet bang voor spot
Bij uwen echt. Drijft lust om te behagen
Ons hier aan ’t hof. Voor uw en ons genot
Acht ons niet hier. Opdat ge u zoudt beklagen
Staan hier de spelers klaar. O, gij verstaat
Al wat gij wilt, zoo gij hen gadeslaat.”
Theseus.Die knaap let niet bijzonder op komma’s en punten.
Theseus.
Die knaap let niet bijzonder op komma’s en punten.
Lysander.Hij heeft zijn proloog gereden als een wild veulen; hij weet niet, waar hij moet ophouden. Een goede moraal, mijn vorst; het is niet genoeg te spreken, men moet ook juist spreken.
Lysander.
Hij heeft zijn proloog gereden als een wild veulen; hij weet niet, waar hij moet ophouden. Een goede moraal, mijn vorst; het is niet genoeg te spreken, men moet ook juist spreken.
Hippolyta.Inderdaad, hij heeft op zijn proloog gespeeld als een kind op zijn fluitje, er komen wel tonen uit, maar er is niets van te maken.
Hippolyta.
Inderdaad, hij heeft op zijn proloog gespeeld als een kind op zijn fluitje, er komen wel tonen uit, maar er is niets van te maken.
Theseus.Zijn aanspraak was als een verwarde keten, geen schakel stuk, maar een en al warboel. Wat komt er nu?127
Theseus.
Zijn aanspraak was als een verwarde keten, geen schakel stuk, maar een en al warboel. Wat komt er nu?127
(Pyramus,Thisbe,Muur,ManeschijnenLeeuwkomen als stomme personen op.)
Proloog“Verwondert ge u, dat gij ons hier ziet staan,Blijf dan verwonderd, tot wij ’t duid’lijk maken.Deez’ man is Pyramus, ja, zonder waan,Deez’ schoone vrouw is Thisby, wilt ’t niet laken.Die man met leem en mortel, is de muur,Die muur, zoo wreed, die de gelieven scheidde;En door een muurspleet wist hun minnevuurTe fluistren; denkt, wat vreugd hun dit bereidde!Deez’ man, met takkenbos, lantaarn en hond,Stelt voor den maneschijn; want, zonder schromen,Bij maneschijn, aan Ninus’ graf, daar vondHet paar gelegenheid om saam te komen.Dit grimmig beest, de leeuw dat is zijn naam,Heeft trouwe Thisby, die het eerste kwam,Geweldig doen verschrikken, en zij namDe vlucht, en liet daarbij haar mantel vallen;Dien heeft de leeuw toen met zijn muil bebloed;En Pyramus, de schoonste bloem van allen,Komt, vindt er dood zijn Thisby’s mantel goed;Hij trekt zijn zwaard, dat bloedig blanke zwaard,Treft boos zijn borst, zijn brave breede borst;Thisby, die bij een moerbeiboom daar waart,Komt, trekt zijn dolk, en sterft met bloed bemorst.Laat maanschijn, muur, en leeuw, en ’t minnend paarNu ’t restje’ uitvoerig melden, kort en klaar.”
Proloog
“Verwondert ge u, dat gij ons hier ziet staan,
Blijf dan verwonderd, tot wij ’t duid’lijk maken.
Deez’ man is Pyramus, ja, zonder waan,
Deez’ schoone vrouw is Thisby, wilt ’t niet laken.
Die man met leem en mortel, is de muur,
Die muur, zoo wreed, die de gelieven scheidde;
En door een muurspleet wist hun minnevuur
Te fluistren; denkt, wat vreugd hun dit bereidde!
Deez’ man, met takkenbos, lantaarn en hond,
Stelt voor den maneschijn; want, zonder schromen,
Bij maneschijn, aan Ninus’ graf, daar vond
Het paar gelegenheid om saam te komen.
Dit grimmig beest, de leeuw dat is zijn naam,
Heeft trouwe Thisby, die het eerste kwam,
Geweldig doen verschrikken, en zij nam
De vlucht, en liet daarbij haar mantel vallen;
Dien heeft de leeuw toen met zijn muil bebloed;
En Pyramus, de schoonste bloem van allen,
Komt, vindt er dood zijn Thisby’s mantel goed;
Hij trekt zijn zwaard, dat bloedig blanke zwaard,
Treft boos zijn borst, zijn brave breede borst;
Thisby, die bij een moerbeiboom daar waart,
Komt, trekt zijn dolk, en sterft met bloed bemorst.
Laat maanschijn, muur, en leeuw, en ’t minnend paar
Nu ’t restje’ uitvoerig melden, kort en klaar.”
(Proloog,Thisbe,LeeuwenManeschijnaf.)
Theseus.Ik ben benieuwd, of ook de leeuw zal spreken.
Theseus.
Ik ben benieuwd, of ook de leeuw zal spreken.
Demetrius.Geen wonder, Heer, dat een leeuw het kan, terwijl zooveel ezels het kunnen.
Demetrius.
Geen wonder, Heer, dat een leeuw het kan, terwijl zooveel ezels het kunnen.
Muur(Tuit).“Het komt er in dit treffend stuk op neer,Dat ik, Jan Tuit, den muur verpresenteer;Geloof nu van dien muur, dat is niet mis,Dat die verdistreweerd, gespleten is;En door die spleet, daar lispelt zeer geheimMet Thisby Pyramus wel menig rijm.Wilt uit deez’ steen en kalk en leem verstaan,Dat ik die muur ben, twijfel daar niet aan;En rechts en links toon ik u hier de spleet,Die van ’t gefluister der gelieven weet.”
Muur
(Tuit).“Het komt er in dit treffend stuk op neer,
Dat ik, Jan Tuit, den muur verpresenteer;
Geloof nu van dien muur, dat is niet mis,
Dat die verdistreweerd, gespleten is;
En door die spleet, daar lispelt zeer geheim
Met Thisby Pyramus wel menig rijm.
Wilt uit deez’ steen en kalk en leem verstaan,
Dat ik die muur ben, twijfel daar niet aan;
En rechts en links toon ik u hier de spleet,
Die van ’t gefluister der gelieven weet.”
Theseus.Wie vergt, dat leem en kalk nog beter spreken?167
Theseus.
Wie vergt, dat leem en kalk nog beter spreken?167
Demetrius.Het is de geestigste scheidsmuur, dien ik nog ooit heb hooren redeneeren, Heer!
Demetrius.
Het is de geestigste scheidsmuur, dien ik nog ooit heb hooren redeneeren, Heer!
Theseus.Pyramus komt daar op den muur af; stilte!
Theseus.
Pyramus komt daar op den muur af; stilte!
(Pyramuskomt op.)
Pyramus(Spoel).“O gruwbre nacht! o nacht, zoo zwart van waas!O nacht, die na het daglicht altijd doorbreekt!O nacht, o nacht, o nacht, helaas! helaas!Ik vrees, ik vrees, dat Thipsy mij haar woord breekt.En gij, o Muur, o lieve, beste Muur,Die ’t huis haars vaders en het mijne scheidt,Gij Muur, o Muur, o lieve, beste Muur,Toon mij uw spleet, waar ik mijn blik door weid’.
Pyramus
(Spoel).“O gruwbre nacht! o nacht, zoo zwart van waas!
O nacht, die na het daglicht altijd doorbreekt!
O nacht, o nacht, o nacht, helaas! helaas!
Ik vrees, ik vrees, dat Thipsy mij haar woord breekt.
En gij, o Muur, o lieve, beste Muur,
Die ’t huis haars vaders en het mijne scheidt,
Gij Muur, o Muur, o lieve, beste Muur,
Toon mij uw spleet, waar ik mijn blik door weid’.
(Muurspreidt zijn vingers uiteen.)
Beleefde Muur, heb dank! God loone ’t u!Wat zie ik daar? Thipsy, die zie ik niet.O booze Muur, door wien ik niets zie nu!Vervloekt, gij steenen, die mij zoo verriedt!”
Beleefde Muur, heb dank! God loone ’t u!
Wat zie ik daar? Thipsy, die zie ik niet.
O booze Muur, door wien ik niets zie nu!
Vervloekt, gij steenen, die mij zoo verriedt!”
Theseus.Daar de muur gevoel bezit, moet hij, dunkt mij, terug vloeken.
Theseus.
Daar de muur gevoel bezit, moet hij, dunkt mij, terug vloeken.
Pyramus.Waarlijk niet, heer, ’t is zijn beurt nog niet. “Mij zoo verriedt” is Thipsy’s wachtwoord; zij moet nu opkomen, en ik moet haar door den muur uitvinden. Gij zult zien het komt krek uit, zooals ik zeg. Daar komt ze al.
Pyramus.
Waarlijk niet, heer, ’t is zijn beurt nog niet. “Mij zoo verriedt” is Thipsy’s wachtwoord; zij moet nu opkomen, en ik moet haar door den muur uitvinden. Gij zult zien het komt krek uit, zooals ik zeg. Daar komt ze al.
(Thisbekomt op.)
Thisbe(Wind.)“O muur, zeer vaak vernaamt ge mijn geween,Die van mijn Pyramus mij scheidt zoo wreed;Mijn kersenlippen kusten vaak uw steen,Uw steen, uit leem en koehaar saamgekneed.”
Thisbe
(Wind.)“O muur, zeer vaak vernaamt ge mijn geween,
Die van mijn Pyramus mij scheidt zoo wreed;
Mijn kersenlippen kusten vaak uw steen,
Uw steen, uit leem en koehaar saamgekneed.”
Pyramus.“Ik zie een stem, ik ga ter spleet en schouwOf ik mijn Thipsy’s aanschijn hooren kan.Thipsy!”
Pyramus.
“Ik zie een stem, ik ga ter spleet en schouw
Of ik mijn Thipsy’s aanschijn hooren kan.
Thipsy!”
Thisbe.“Zijt gij ’t, mijn lief, naar ik vertrouw?”
Thisbe.
“Zijt gij ’t, mijn lief, naar ik vertrouw?”
Pyramus.“Vertrouw het, ja, ’k ben uw aanstaande man,En trouw ben ’k ook, zooals Limander was.”
Pyramus.
“Vertrouw het, ja, ’k ben uw aanstaande man,
En trouw ben ’k ook, zooals Limander was.”
Thisbe.“En ik als Hello, tot mij ’t lot velt ras.”
Thisbe.
“En ik als Hello, tot mij ’t lot velt ras.”
Pyramus.“Geen Sjefilus van Procrus hield zooveel.”
Pyramus.
“Geen Sjefilus van Procrus hield zooveel.”
Thisbe.“’k Ben Sjefilus voor Procrus, ja geheel.”
Thisbe.
“’k Ben Sjefilus voor Procrus, ja geheel.”
Pyramus.“O kus mij door deez’ halfverganen muur.”
Pyramus.
“O kus mij door deez’ halfverganen muur.”
Thisbe.“Ik proef den muur, niet uwer lippen vuur.”
Thisbe.
“Ik proef den muur, niet uwer lippen vuur.”
Pyramus.“Komt gij zoo daadlijk thans naar Ninny’s graf?”204
Pyramus.
“Komt gij zoo daadlijk thans naar Ninny’s graf?”204
Thisbe.“Ik kom, ja, dood of levend, op een draf.”
Thisbe.
“Ik kom, ja, dood of levend, op een draf.”
(PyramusenThisbeaf.)
Muur.“Zoo heb ik, Muur, nu braaf mijn plicht gedaan,En, afgedaan, mag muur nu henen gaan.”
Muur.
“Zoo heb ik, Muur, nu braaf mijn plicht gedaan,
En, afgedaan, mag muur nu henen gaan.”
(Muuraf.)
Theseus.Nu is de muur tusschen de twee buren ingestort.
Theseus.
Nu is de muur tusschen de twee buren ingestort.
Demetrius.Dat mag ook wel, Heer, als muren het durven wagen zonder waarschuwen alles af te luisteren.
Demetrius.
Dat mag ook wel, Heer, als muren het durven wagen zonder waarschuwen alles af te luisteren.
Hippolyta.Dit is wel het onzinnigste ding, dat ik ooit gehoord heb.
Hippolyta.
Dit is wel het onzinnigste ding, dat ik ooit gehoord heb.
Theseus.De beste van deze soort zijn slechts schimmen, en de slechtste zijn niet slechter, wanneer de verbeeldingskracht haar te hulp komt.
Theseus.
De beste van deze soort zijn slechts schimmen, en de slechtste zijn niet slechter, wanneer de verbeeldingskracht haar te hulp komt.
Hippolyta.Ja, maar dan uw verbeeldingskracht en niet de hunne.
Hippolyta.
Ja, maar dan uw verbeeldingskracht en niet de hunne.
Theseus.Nu, als onze verbeelding niet slechter van hen denkt, dan zij van zichzelf, dan kunnen ze voor uitstekende lui doorgaan. Daar komen twee edele gedierten op, een Maan en een Leeuw.
Theseus.
Nu, als onze verbeelding niet slechter van hen denkt, dan zij van zichzelf, dan kunnen ze voor uitstekende lui doorgaan. Daar komen twee edele gedierten op, een Maan en een Leeuw.
(LeeuwenManeschijnkomen op.)
Leeuw(Schaaf).“Jonkvrouwen, gij, wier teeder hart vervaart,Als ’t kleinste monstermuisje piept, gewis,Gij beeft en siddert, als gij thans ontwaart’t Gebrul des felsten leeuws, die woedend is.Maar weet, ik Schaaf de kastenmaker bin,Geen felle leeuw, nog minder een leeuwin;Want kwam ik als een echte leeuw alhierEn snoof naar buit, wis, uit was mijn pleizier.”
Leeuw
(Schaaf).“Jonkvrouwen, gij, wier teeder hart vervaart,
Als ’t kleinste monstermuisje piept, gewis,
Gij beeft en siddert, als gij thans ontwaart
’t Gebrul des felsten leeuws, die woedend is.
Maar weet, ik Schaaf de kastenmaker bin,
Geen felle leeuw, nog minder een leeuwin;
Want kwam ik als een echte leeuw alhier
En snoof naar buit, wis, uit was mijn pleizier.”
Theseus.Een allerliefst beest en zeer gemoedelijk.
Theseus.
Een allerliefst beest en zeer gemoedelijk.
Demetrius.Het beste, mijn vorst, wat ik nog ooit van beesten gezien heb.
Demetrius.
Het beste, mijn vorst, wat ik nog ooit van beesten gezien heb.
Lysander.Die leeuw is een echte vos, wat zijn moed betreft.
Lysander.
Die leeuw is een echte vos, wat zijn moed betreft.
Theseus.Juist, en een gans, wat zijn verstand betreft.
Theseus.
Juist, en een gans, wat zijn verstand betreft.
Demetrius.Toch niet, heer, want zijn dapperheid kan zijn verstand niet meesleepen, zooals de vos het de gans doet.
Demetrius.
Toch niet, heer, want zijn dapperheid kan zijn verstand niet meesleepen, zooals de vos het de gans doet.
Theseus.En ik ben overtuigd, dat zijn verstand zijn dapperheid niet meesleept, want de gans loopt niet met den vos weg. Maar komaan; wij zullen dat maar aan zijn verstand te raden geven, en nu naar de maan luisteren.242
Theseus.
En ik ben overtuigd, dat zijn verstand zijn dapperheid niet meesleept, want de gans loopt niet met den vos weg. Maar komaan; wij zullen dat maar aan zijn verstand te raden geven, en nu naar de maan luisteren.242
Maan(Slokker).“Ziet, deez’ lantaarn is de gehoornde maan;—”
Maan
(Slokker).“Ziet, deez’ lantaarn is de gehoornde maan;—”
Demetrius.Hij moest de horens op het hoofd dragen.
Demetrius.
Hij moest de horens op het hoofd dragen.
Theseus.Hij is een volle maan, zijn horens zitten onzichtbaar in de schijf.
Theseus.
Hij is een volle maan, zijn horens zitten onzichtbaar in de schijf.
Maan.“Ziet, deez’ lantaarn is de gehoornde maan; Ikzelf stel voor het mannetje in de maan;”—
Maan.
“Ziet, deez’ lantaarn is de gehoornde maan; Ikzelf stel voor het mannetje in de maan;”—
Theseus.Dat is de grootste flater van alle; die man moest in de lantaarn zitten; hoe kan hij anders het mannetje in de maan zijn.
Theseus.
Dat is de grootste flater van alle; die man moest in de lantaarn zitten; hoe kan hij anders het mannetje in de maan zijn.
Demetrius.Hij gaat er niet in, uit bangigheid, want er is een dief aan de kaars.
Demetrius.
Hij gaat er niet in, uit bangigheid, want er is een dief aan de kaars.
Hippolyta.Die maan verveelt mij; ik wenschte, dat hij maar veranderde.
Hippolyta.
Die maan verveelt mij; ik wenschte, dat hij maar veranderde.
Theseus.Naar het weinigje licht van zijn verstand te oordeelen, is hij aan het afnemen; maar wij moeten uit beleefdheid zoo redelijk zijn en eens afwachten.
Theseus.
Naar het weinigje licht van zijn verstand te oordeelen, is hij aan het afnemen; maar wij moeten uit beleefdheid zoo redelijk zijn en eens afwachten.
Lysander.Ga voort, Maan.
Lysander.
Ga voort, Maan.
Maan.“Al wat ik te zeggen heb, is u te vertellen, dat de lantaren de maan is; ik het mannetjein de maan; deze takkenbos mijn takkenbos; en deze hond mijn hond”.
Maan.
“Al wat ik te zeggen heb, is u te vertellen, dat de lantaren de maan is; ik het mannetjein de maan; deze takkenbos mijn takkenbos; en deze hond mijn hond”.
Demetrius.Wel, die dingen moesten alle in de lantaren wezen, want zij zijn in de maan. Maar stil, daar komt Thisbe.
Demetrius.
Wel, die dingen moesten alle in de lantaren wezen, want zij zijn in de maan. Maar stil, daar komt Thisbe.
(Thisbekomt op.)
Thisbe.“Dit ’s ouden Ninny’s graf, waar is mijn lief?”
Thisbe.
“Dit ’s ouden Ninny’s graf, waar is mijn lief?”
Leeuw.“Ooh!”
Leeuw.
“Ooh!”
(De Leeuw brult;Thisbeloopt weg.)
Demetrius.Mooi gebruld, Leeuw.
Demetrius.
Mooi gebruld, Leeuw.
Theseus.Mooi gevlucht, Thisbe.
Theseus.
Mooi gevlucht, Thisbe.
Hippolyta.Mooi geschenen, Maan.—Waarlijk, de maan schijnt niet zonder bevalligheid.
Hippolyta.
Mooi geschenen, Maan.—Waarlijk, de maan schijnt niet zonder bevalligheid.
(De Leeuw rijtThisbe’smantel stuk en gaat heen.)
Theseus.Mooi geklauwd, Leeuw.
Theseus.
Mooi geklauwd, Leeuw.
Demetrius.En daar kwam Pyramus.
Demetrius.
En daar kwam Pyramus.
Lysander.En daar verdween de Leeuw.
Lysander.
En daar verdween de Leeuw.
(Pyramuskomt op.)
Pyramus.“Ik dank u, maanlicht, voor uw zonneglans,277Ik dank u, maan, daar gij zoo helder straalt,Want bij dien gouden lichtgloed is er kans,Dat mij ’t gezicht van trouwe Thisby smaakt.Maar stil!—wat leed!O lot, hoe wreed!Wat jammer is dit hier?Mijn oog, o ziet!Dat kan toch niet;Mijn hartlap, mij zoo dier!Uw mantel goedBevlekt met bloed?O, alle Furiën, kom!O, noodlot, schafMijn leven af,Blusch, doof, verplet, breng om!”
Pyramus.
“Ik dank u, maanlicht, voor uw zonneglans,277
Ik dank u, maan, daar gij zoo helder straalt,
Want bij dien gouden lichtgloed is er kans,
Dat mij ’t gezicht van trouwe Thisby smaakt.
Maar stil!—wat leed!O lot, hoe wreed!Wat jammer is dit hier?Mijn oog, o ziet!Dat kan toch niet;Mijn hartlap, mij zoo dier!Uw mantel goedBevlekt met bloed?O, alle Furiën, kom!O, noodlot, schafMijn leven af,Blusch, doof, verplet, breng om!”
Maar stil!—wat leed!
O lot, hoe wreed!
Wat jammer is dit hier?
Mijn oog, o ziet!
Dat kan toch niet;
Mijn hartlap, mij zoo dier!
Uw mantel goed
Bevlekt met bloed?
O, alle Furiën, kom!
O, noodlot, schaf
Mijn leven af,
Blusch, doof, verplet, breng om!”
Theseus.Die hartstocht zou, als de dood van een geliefde vriendin er bij kwam, toch wel haast in staat zijn iemand naar te maken.
Theseus.
Die hartstocht zou, als de dood van een geliefde vriendin er bij kwam, toch wel haast in staat zijn iemand naar te maken.
Hippolyta.Bij mijn ziel, ik beklaag den man.
Hippolyta.
Bij mijn ziel, ik beklaag den man.
Pyramus.“Waarom, natuur, deedt gij den leeuw ontstaan?Verslikte een leeuw de schoonste jonkvrouw niet,Die is,—neen was!—waar is zij heengegaan,Die, lieflijk lachend, ’t leven loven liet?Weg, tranenschaar!Kom, zwaard, doorvaarDe borst van Pyramus!Hier links geprikt,Waar ’t hart mij tikt,Dus sterf ik, dus, dus, dus!Nu ben ik dood;Mijn ziel die vloodEn zweeft in hooger dreef;O, tong, word blind!O, maan, verzwind!O, sneef, sneef, sneef, sneef, sneef!”
Pyramus.
“Waarom, natuur, deedt gij den leeuw ontstaan?
Verslikte een leeuw de schoonste jonkvrouw niet,
Die is,—neen was!—waar is zij heengegaan,
Die, lieflijk lachend, ’t leven loven liet?
Weg, tranenschaar!Kom, zwaard, doorvaarDe borst van Pyramus!Hier links geprikt,Waar ’t hart mij tikt,Dus sterf ik, dus, dus, dus!Nu ben ik dood;Mijn ziel die vloodEn zweeft in hooger dreef;O, tong, word blind!O, maan, verzwind!O, sneef, sneef, sneef, sneef, sneef!”
Weg, tranenschaar!
Kom, zwaard, doorvaar
De borst van Pyramus!
Hier links geprikt,
Waar ’t hart mij tikt,
Dus sterf ik, dus, dus, dus!
Nu ben ik dood;
Mijn ziel die vlood
En zweeft in hooger dreef;
O, tong, word blind!
O, maan, verzwind!
O, sneef, sneef, sneef, sneef, sneef!”
(Hij sterft.Maneschijnaf.)
Demetrius.’t Is zonde, zonde, hij kwam juist op dreef.
Demetrius.
’t Is zonde, zonde, hij kwam juist op dreef.
Lysander.Zou er geen hoop zijn, dat hij leven bleef?
Lysander.
Zou er geen hoop zijn, dat hij leven bleef?
Theseus.Mijn heelmeester moge hem verplegen; wat de kunst vermag, zal gedaan worden, want er zijn er geen twee zoo in heel Athene.
Theseus.
Mijn heelmeester moge hem verplegen; wat de kunst vermag, zal gedaan worden, want er zijn er geen twee zoo in heel Athene.
Hippolyta.Hoe komt het, dat Maneschijn is weggegaan, voor Thisbe terugkomt en haar minnaar vindt?
Hippolyta.
Hoe komt het, dat Maneschijn is weggegaan, voor Thisbe terugkomt en haar minnaar vindt?
Theseus.Ze zal hem bij sterrenlicht vinden.—Daar komt zij al, en haar jammerklacht is het besluit van ’t stuk.
Theseus.
Ze zal hem bij sterrenlicht vinden.—Daar komt zij al, en haar jammerklacht is het besluit van ’t stuk.
(Thisbekomt op.)
Hippolyta.Mij dunkt, ze heeft geen lange weeklacht noodig voor zulk een Pyramus; ik hoop, dat ze kort zal wezen.
Hippolyta.
Mij dunkt, ze heeft geen lange weeklacht noodig voor zulk een Pyramus; ik hoop, dat ze kort zal wezen.
Demetrius.Een stofje kan de schaal doen overslaan, wie beter is, Pyramus, of Thisbe.
Demetrius.
Een stofje kan de schaal doen overslaan, wie beter is, Pyramus, of Thisbe.
Lysander.Zij heeft hem met haar liefelijke oogen alreeds opgespoord.
Lysander.
Zij heeft hem met haar liefelijke oogen alreeds opgespoord.
Demetrius.En ze jammert als volgt:330
Demetrius.
En ze jammert als volgt:330
Thisbe.“In slaap, mijn schat?Wat, wat is dat?O, Pyramus, ontwaak!O, spreek, o, spreek!Wat ziet ge bleek!Wat! zijt ge dood? o wraak!Uw leliemond,Uw neus zoo blond,Uw wangen van saffraan,Zijn heen, zijn heen,O bruidjes, ween,Dat lookgroen oog vergaan!Drie zustren, gij,Komt thans tot mij!Hoe melkwit is uw hand!O doopt ze in ’t bloed;Uw schaar verwoedDoorsneed zijn levensband!O tong, geen woord!O zwaard, ga voort,Doorweek mijn boezem mee;Vaart, vrienden, wel;Thipsy sneeft snel;Atjé, atjé, atjé!”
Thisbe.
“In slaap, mijn schat?
Wat, wat is dat?
O, Pyramus, ontwaak!
O, spreek, o, spreek!
Wat ziet ge bleek!
Wat! zijt ge dood? o wraak!
Uw leliemond,
Uw neus zoo blond,
Uw wangen van saffraan,
Zijn heen, zijn heen,
O bruidjes, ween,
Dat lookgroen oog vergaan!
Drie zustren, gij,
Komt thans tot mij!
Hoe melkwit is uw hand!
O doopt ze in ’t bloed;
Uw schaar verwoed
Doorsneed zijn levensband!
O tong, geen woord!
O zwaard, ga voort,
Doorweek mijn boezem mee;
Vaart, vrienden, wel;
Thipsy sneeft snel;
Atjé, atjé, atjé!”
Theseus.Maneschijn en Leeuw zijn overgebleven om de dooden te begraven.
Theseus.
Maneschijn en Leeuw zijn overgebleven om de dooden te begraven.
Demetrius.Ja, en Muur ook.
Demetrius.
Ja, en Muur ook.
Spoel(opspringend).Neen, zeker niet; de muur is neergehaald, die hun vaders scheidde. Behaagthet u nu ook den epiloog te zien of eenzelfbedachten danstusschen een paar van ons gezelschap te hooren?
Spoel
(opspringend).Neen, zeker niet; de muur is neergehaald, die hun vaders scheidde. Behaagthet u nu ook den epiloog te zien of eenzelfbedachten danstusschen een paar van ons gezelschap te hooren?
Theseus.Geen epiloog, verzoek ik u, want uw stuk heeft geen verontschuldiging noodig. Geen enkele verontschuldiging; want als de spelers allen dood zijn, kan er van geen enkel iets kwaads gezegd worden. Inderdaad, als hij, die het stuk geschreven heeft, zelf voor Pyramus gespeeld had en zich aan Thisbe’s kouseband had verhangen, zou het een treffelijk treurspel geweest zijn; en dat is het nog, inderdaad; en zeer opmerkelijk gespeeld. Maar komt, uw zelfbedachten dans; en laat den epiloog weg.
Theseus.
Geen epiloog, verzoek ik u, want uw stuk heeft geen verontschuldiging noodig. Geen enkele verontschuldiging; want als de spelers allen dood zijn, kan er van geen enkel iets kwaads gezegd worden. Inderdaad, als hij, die het stuk geschreven heeft, zelf voor Pyramus gespeeld had en zich aan Thisbe’s kouseband had verhangen, zou het een treffelijk treurspel geweest zijn; en dat is het nog, inderdaad; en zeer opmerkelijk gespeeld. Maar komt, uw zelfbedachten dans; en laat den epiloog weg.
(Een dans van de Handwerkslieden.)
Twaalf riep daar middernacht met koop’ren tong;—Ter rust, gij paren; ’t is dra geestentijd.Een stuk van de’ uchtend, vrees ik, slapen wijZooals een deel der nacht is doorgewaakt.Dit tastbaar dwaze spel deed toch de nachtHaar tragen gang vergeten.—Komt, ter rust!—Zóó duur’ nog veertien daag de feestlijkheid;Dat iedere avond nieuwe vreugd bereid’!
Twaalf riep daar middernacht met koop’ren tong;—
Ter rust, gij paren; ’t is dra geestentijd.
Een stuk van de’ uchtend, vrees ik, slapen wij
Zooals een deel der nacht is doorgewaakt.
Dit tastbaar dwaze spel deed toch de nacht
Haar tragen gang vergeten.—Komt, ter rust!—
Zóó duur’ nog veertien daag de feestlijkheid;
Dat iedere avond nieuwe vreugd bereid’!
(Allen af.)
(Puckkomt op, met een bezem op schouder.)
Puck.Hongrig brult de leeuw nu weer;378Huilend groet de wolf de maan;Snurkend ligt de ploeger neer,Nu zijn dagtaak is gedaan;Nauw één vonk in de asch nu gloort;Uilgekras klinkt in de nacht;En de kranke, die het hoort,Huivert, dat het graf hem wacht,’t Is nu middernacht, de tijd,Dat de graven openstaan,En, van hunnen boei bevrijdAlle geesten waren gaan;En wij elfen, die met dansOm ’t gespan van HecatéZweven, doch voor zonneglansVlieden, met het duister mee,Zijn nu lustig; niet een muisStore dit gewijde huis;’k Veeg het met den bezem schoon,Dat geen smetje zich vertoon’!
Puck.
Hongrig brult de leeuw nu weer;378
Huilend groet de wolf de maan;
Snurkend ligt de ploeger neer,
Nu zijn dagtaak is gedaan;
Nauw één vonk in de asch nu gloort;
Uilgekras klinkt in de nacht;
En de kranke, die het hoort,
Huivert, dat het graf hem wacht,
’t Is nu middernacht, de tijd,
Dat de graven openstaan,
En, van hunnen boei bevrijd
Alle geesten waren gaan;
En wij elfen, die met dans
Om ’t gespan van Hecaté
Zweven, doch voor zonneglans
Vlieden, met het duister mee,
Zijn nu lustig; niet een muis
Store dit gewijde huis;
’k Veeg het met den bezem schoon,
Dat geen smetje zich vertoon’!
(OberonenTitania,met Gevolg, komen op.)
Oberon.Spreidt uw lichtgloed om u heen,Want geen vonkje geeft hier schijn;Iedere Elfe repp’ de leên,Vlug en lucht als ’t vogelkijn,En herhale wat ik zing,Zinge ’t lustig, danse en spring’!
Oberon.
Spreidt uw lichtgloed om u heen,
Want geen vonkje geeft hier schijn;
Iedere Elfe repp’ de leên,
Vlug en lucht als ’t vogelkijn,
En herhale wat ik zing,
Zinge ’t lustig, danse en spring’!
Titania.Zing,—en klink’ op ieder woordVan het lied het juist akkoord!Vorm een keten en verspreîZoeten zegen, elfenrei!
Titania.
Zing,—en klink’ op ieder woord
Van het lied het juist akkoord!
Vorm een keten en verspreî
Zoeten zegen, elfenrei!
(Gezang en dans.)
Oberon.Danst tot de uchtendzonneglans,Elfen, in dit huis uw dans.Zeeg’nend zweven onze schreênOm het schoonste bruidsbed heen.Groeien, bloeien, jaar op jaar,Zal het kroost van ’t edel paar;Eeuwig bind’ de teêrste trouwDeze drie paar man en vrouw;En de spruiten van hun bedBlijven vrij van elke smet;Hen ontsier’ geen moedervlek,Geen misvorming of gebrek,Dat een ouder in zijn kind,Schriklijk ducht en gruwlijk vindt!Sprenkelt, Elfen, op den grondDezen heil’gen dauw in ’t rond;Wijdt er iedre kamer meeVan ’t paleis, tot vreugde en vreê:Eeuwig worde, die er woont,Met het hoogste heil gekroond!Flink uw plichtNu verricht;—Treft mij weer bij ’t morgenlicht!429
Oberon.
Danst tot de uchtendzonneglans,
Elfen, in dit huis uw dans.
Zeeg’nend zweven onze schreên
Om het schoonste bruidsbed heen.
Groeien, bloeien, jaar op jaar,
Zal het kroost van ’t edel paar;
Eeuwig bind’ de teêrste trouw
Deze drie paar man en vrouw;
En de spruiten van hun bed
Blijven vrij van elke smet;
Hen ontsier’ geen moedervlek,
Geen misvorming of gebrek,
Dat een ouder in zijn kind,
Schriklijk ducht en gruwlijk vindt!
Sprenkelt, Elfen, op den grond
Dezen heil’gen dauw in ’t rond;
Wijdt er iedre kamer mee
Van ’t paleis, tot vreugde en vreê:
Eeuwig worde, die er woont,
Met het hoogste heil gekroond!
Flink uw plicht
Nu verricht;—
Treft mij weer bij ’t morgenlicht!429
(Oberon,Titaniaen Gevolg af.)
Puck(tot het Publiek).Heeft dit schimmenspel mishaagd,Denkt dan, dat ge in sluim’ring laagt,En ’t u,—dan vergeeft gij ’t wis,—Als gezicht verschenen is.Gispt het niet, dat deze nachtU een droom, niets anders, bracht,Want wij geven u misschienDra wat beters weer te zien.Hebben wij,—dit zegt u Puck,—Heden ’t onverdiend geluk,Dat geen slangenstem ons groet,Weldra maken we alles goed;—Of noem Puck een leugenaar.Goede nacht nu, al te gaar!Toont handgeklap aan Puck uw gunst,Dan toont hij ras u beetre kunst.
Puck
(tot het Publiek).
Heeft dit schimmenspel mishaagd,
Denkt dan, dat ge in sluim’ring laagt,
En ’t u,—dan vergeeft gij ’t wis,—
Als gezicht verschenen is.
Gispt het niet, dat deze nacht
U een droom, niets anders, bracht,
Want wij geven u misschien
Dra wat beters weer te zien.
Hebben wij,—dit zegt u Puck,—
Heden ’t onverdiend geluk,
Dat geen slangenstem ons groet,
Weldra maken we alles goed;—
Of noem Puck een leugenaar.
Goede nacht nu, al te gaar!
Toont handgeklap aan Puck uw gunst,
Dan toont hij ras u beetre kunst.
(Allen af.)